Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een liedH7892 HammaalothH4609. Ik hefH5375 mijn ogenH5869 op naarH413 de bergenH2022, van waar mijn hulpH5828 komenH935 zal.
Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal.
Ook in dit vers
vanwaarH370
KJV
[[A Song1
of degrees.]]2
I will lift up3
mine eyes4
unto the hills,6
from whence7
cometh8
my help.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Mijn hulpH5828 is van den HEEREH3068, Die hemelH8064 en aardeH776 gemaaktH6213 heeft.
Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
KJV
My help1
cometh from the LORD,3
which made4
heaven5
and earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Hij zal uw voetH7272 nietH408 latenH5414 wankelenH4132; uw BewaarderH8104 zal nietH408 sluimerenH5123.
Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.
KJV
He will not suffer2
thy foot4
to be moved:3
he that keepeth7
thee will not slumber.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
ZietH2009, de BewaarderH8104 IsraelsH3478 zal niet sluimerenH5123, nochH3808 slapenH3462.
Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.
KJV
Behold, he that keepeth6
Israel7
shall neither slumber3
nor sleep.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
De HEEREH3068 is uw BewaarderH8104, de HEEREH3068 is uw SchaduwH6738, aanH5921 uw rechterhandH3225.
De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand.
KJV
The LORD1
is thy keeper:2
the LORD3
is thy shade4
upon thy right7
hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
De zonH8121 zal u des daagsH3119 niet stekenH5221, noch de maanH3394 des nachtsH3915.
De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
KJV
The sun2
shall not smite4
thee by day,1
nor the moon5
by night.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
De HEEREH3068 zal u bewarenH8104 van alleH3605 kwaadH7451; uw zielH5315 zal Hij bewarenH8104.
De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
KJV
The LORD1
shall preserve2
thee from all evil:4
he shall preserve5
thy soul.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
De HEEREH3068 zal uw uitgangH3318 en uw ingangH935 bewarenH8104, van nuH6258 aan totH5704 in der eeuwigheidH5769.
De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.
KJV
The LORD1
shall preserve2
thy going out3
and thy coming in4
from this time forth, and even for6
evermore.
lied Hamaälòth
Gelijk Ps. 120:1 .
Hertaald:
lied Hamaälòth
Zoals Ps. 120:1.
naar de bergen,
Te weten, van het beloofde land, hetwelk een pand was van Gods gunst tot zijn volk; en versta hier inzonderheid het gebergte Zions en Moria, waar God op een bijzondere manier zijne tegenwoordigheid toonde. Zie Ps. 87:1 .
Hertaald:
naar de bergen,
Namelijk: van het beloofde land, dat een onderpand was van Gods gunst jegens Zijn volk; en versta hier in het bijzonder het gebergte van Sion en Moria, waar God op een bijzondere manier Zijn tegenwoordigheid toonde. Zie Ps. 87:1.
Mijn hulp is
Hij verklaart zijn vorige woorden, te kennen gevende dat hem eigenlijk van het gebergte de hulp of verlossing niet komen zou, maar van den HEERE, die een Heere is niet alleen van Kanaän, maar van de ganse wereld.
Hertaald:
Mijn hulp is
Hij verklaart zijn vorige woorden en geeft te kennen dat de hulp of verlossing hem eigenlijk niet van het gebergte zou komen, maar van de HEERE, Die niet alleen Heere van Kanaän is, maar van de hele wereld.
Hij zal uw voet
Hier spreekt de profeet zichzelven aan, gelijk Psa 103 en Psa 104 . Of hij spreekt zijne onderzaten aan, hen verzekerende van de goedertierenheid Gods.
Hertaald:
Hij zal uw voet
Hier spreekt de profeet zichzelf aan, zoals in Ps. 103 en Ps. 104. Of hij spreekt zijn onderdanen aan en verzekert hen van Gods goedertierenheid.
uw bewaarder
Dat is, de Heere, die u bewaart, zal geenzins verzuimen hetgeen tot uw best is strekkende.
Hertaald:
uw bewaarder
Dat is: de Heere, Die u bewaart, zal in het geheel niet verzuimen wat tot uw bestwil dient.
uw schaduw,
Dat is, uw beschutter en beschermer, mogende vergeleken worden bij een schaduw of deksel, waaronder men schuilt; Ps. 109:31 , en Ps. 110:5 ; Jes. 4:6 , en Jes. 25:4 . Zie de aantekening bij Num. 14:9 .
Hertaald:
uw schaduw,
Dat is: uw beschutter en beschermer, die vergeleken kan worden met een schaduw of dak waaronder men schuilt; Ps. 109:31, en Ps. 110:5; Jes. 4:6, en Jes. 25:4. Zie de aantekening bij Num. 14:9.
zon zal u des
De zin is: Hij zal u als met een wolk bedekken, gelijk Hij eertijds uwe voorouders gedaan heeft toen zij Egypte kwamen; Ex. 13:21 ; Ps. 78:14 ; Jes. 49:10 ; Openb. 7:15-16 .
Hertaald:
zon zal u des
De betekenis is: Hij zal u als met een wolk bedekken, zoals Hij vroeger met uw voorouders gedaan heeft toen zij uit Egypte kwamen; Ex. 13:21; Ps. 78:14; Jes. 49:10; Openb. 7:15-16.
steken, noch
Te weten, met hare stralen. Hebr. slaan. Zie Gen. 8:21 .
Hertaald:
steken, noch
Namelijk: met haar stralen. Hebreeuws: slaan. Zie Gen. 8:21.
De HEERE zal
Sommigen nemen deze twee laatste verzen als een wens, aldus: de Heere beware u, enz.
Hertaald:
De HEERE zal
Sommigen vatten deze twee laatste verzen op als een wens: de Heere beware u, enzovoort.
zal uw uitgang
Dat is, Hij zal u behoeden in al uwen handel, in al uw doen en laten. Zie Deut. 28:6 . Zie ook dergelijke manier van spreken 2 Sam. 3:25 ; 2 Kron. 1:10 ; Hand. 1:21 .
Hertaald:
zal uw uitgang
Dat is: Hij zal u behoeden in heel uw handel en wandel, in al uw doen en laten. Zie Deut. 28:6. Zie ook een dergelijke manier van spreken in 2 Sam. 3:25; 2 Kron. 1:10; Hand. 1:21. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal" (Ps. 121:1). Het volgende vers geeft het antwoord: "Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft" (Ps. 121:2). Daarna komt het woord dat de psalm draagt: "Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren" (Ps. 121:3). Het wordt herhaald en versterkt: "Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen" (Ps. 121:4). Wat volgt zijn de gevaren van de reis: de zon overdag en de maan 's nachts (Ps. 121:6). En het slot maakt de bewaring volledig: "De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren. De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid" (Ps. 121:7-8). Dit is een van de liederen Hammaaloth, gezongen op weg naar Jeruzalem (reeds behandeld bij Ps. 120:1). Bijbelse betekenis: Het woord bewaren staat zesmaal in acht verzen; dat is de nadruk van de psalm. Merk op wat er over het sluimeren gezegd wordt. Een menselijke wachter valt in slaap, en juist daarop rekent een dief; van deze Bewaarder wordt met zoveel woorden gezegd dat Hij niet sluimert en zelfs niet slaapt. Let ook op de omvang in Ps. 121:8. Uitgang en ingang omvatten het hele doen en laten, en "van nu aan tot in der eeuwigheid" zet er geen einddatum bij. Let ten slotte op wat er niet beloofd wordt. Er staat niet dat de weg gemakkelijk is; er staat dat de reiziger bewaard wordt, en dat is iets anders dan gespaard worden voor alle moeite. Typologie: Petrus zegt van de gelovigen dat zij in de kracht Gods bewaard worden "door het geloof tot de zaligheid" (1 Petr. 1:5). En de Heere Jezus zegt van Zijn schapen: "niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken" (Joh. 10:28). Ps. 121:1-8; Ps. 120:1; 1 Petr. 1:5; Joh. 10:28 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Een lied van de pelgrims die opgingen naar Jeruzalem. De reiziger kijkt omhoog naar de bergen die hij door moet — bergen waar rovers zaten en waar op de hoogten offerplaatsen van andere goden stonden. De psalm gaat niet over het uitblijven van gevaar maar over Iemand die niet indut. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal. Dat is de vraag van iemand die aan het begin van een tocht staat en de route overziet. Het antwoord komt meteen en zet de blik verder dan de bergen: mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft. Daarna keert één woord telkens terug. Zes keer staat er bewaren. Uw Bewaarder zal niet sluimeren. De Bewaarder Israëls zal niet sluimeren noch slapen. De HEERE is uw Bewaarder. Hij zal uw ziel bewaren, en uw uitgang en uw ingang. Dat sluimeren is niet toevallig gekozen. Op de Karmel had Elia de priesters van Baäl al spottend voorgehouden dat hun god misschien sliep en gewekt moest worden. Hier staat het tegendeel, en zonder spot. De kanttekening legt de schaduw aan uw rechterhand uit als uw beschutter en beschermer, te vergelijken met een dak waaronder men schuilt. Wat de psalm niet belooft is dat er niets gebeurt. Er staat niet dat er geen bergen zijn, geen zon die steekt en geen nacht. Er staat dat de reiziger niet alleen gaat. Het slot reikt verder dan die ene reis: de HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid. De Schrift trekt hier zelf geen lijn naar Christus. Maar de zaak keert terug bij een boot op het meer, waar Hij sliep terwijl de discipelen omkwamen van angst — en waar bleek dat hun bewaring niet afhing van Zijn wakker zijn. En Johannes tekent op dat Hij van de Zijnen zei: Ik heb er niemand van verloren. In het Nieuwe Testament: Johannes 18:9; Johannes 10:28-29; Markus 4:35-41; 1 Petrus 1:5 Hoever dit reikt: Niveau 3. De psalm noemt Christus niet en wordt in het Nieuwe Testament niet aangehaald. De lijn loopt over de zaak: een bewaring die niet aan de reiziger hangt.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas 5 De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand. 6 De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts. 7 De… 1 Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. 2 Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt… Zie, de Bewaarder Israëls zal niet sluimeren noch slapen. Psalm 121:4 De HEERE is "de Bewaarder van Israël”. Geen vorm van bewusteloosheid besluipt Hem ooit, noch een diepe, noch… Hij zal uw voet niet laten wankelen. Psalm 121:3. Als de HEERE het niet zal toelaten, kunnen noch mensen, noch duivelen het doen. Hoezeer zouden zij zich verblijden, indien… Hij zal uw voet niet laten wankelen. Psalm 121:3 Onze levensreis is als een reis door de bergen. Op bergpaden is er voortdurend het gevaar dat onze voeten uitglijden.… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 121
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De Bewaarder Israëls slaapt niet — 121:1-8
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Psalm 121:5-8
Psalm 121:1-4
Zie, de Bewaarder Israëls zal niet sluimeren noch slapen
Hij zal uw voet niet laten wankelen
Gods trouwe hand


Psalmen 121
Psalmen 121:1.KruisverwijzingenPsalmen 123:1→Psalmen 120:1→Jeremia 3:23→Psalmen 87:1→Psalmen 2:6→Psalmen 78:68→Jesaja 2:3→Psalmen 68:15→
— Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal.
Het is wijs om voor sterkte op te zien naar de Sterke. Wie in valleien wonen zijn onderworpen aan veel ongesteldheden waarvoor er geen genezing is dan een verblijf in het hoogland; en het is goed wanneer zij hun matheid afschudden en tot een klim besluiten. De heilige man die hier zijn uitgelezen lied zingt, zag weg van de lasteraars door wie hij gekweld werd en hief zijn ogen op naar de bergen.
Er komt van nergens anders hulp dan van de eeuwige heuvelen. Laten wij daarom onze ogen opheffen en hoopvol hulp van de bergen verwachten; zij is op weg, zij kómt. De psalmist kon haar met het oog van het geloof zien komen, en dus sloeg hij haar nadering gade.
Psalmen 121:2.KruisverwijzingenPsalmen 124:8→Hebreeën 13:6→Jesaja 41:13→Psalmen 115:15→Jesaja 40:28→Psalmen 46:1→Psalmen 146:5→Jeremia 20:11→
— Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Wat wij nodig hebben is hulp — krachtige, werkzame, bestendige hulp; wij hebben een heel tegenwoordige hulp in benauwdheid nodig. Wat een barmhartigheid dat wij die in onze God hebben. Onze hoop is op Jehova, want onze hulp komt van Hem. De hulp is op de weg en zal ons te bekwamer tijd zeker bereiken, want Hij die haar zendt is er nooit op betrapt te laat te zijn.
Hij zou hemel en aarde eerder ongedaan maken dan Zijn volk verlaten. Hij die hemel en aarde gemaakt heeft kan zeker beschutting voor ons vinden, in de hemel of op de aarde. Hij kan en Hij zal ons niet verlaten; Hij zal ruimte voor ons maken in de hemel wanneer er hier geen ruimte voor ons is. Wat een gezegende zaak is het om recht weg te zien van het schepsel naar de Schepper!
Psalmen 121:3.Kruisverwijzingen1 Samuël 2:9→Spreuken 3:26→Spreuken 3:23→Jesaja 27:3→Spreuken 2:8→Psalmen 127:1→1 Petrus 1:5→Psalmen 91:12→
— Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.
Al zijn de paden van het leven gevaarlijk en moeilijk, wij zullen vast staan; want Jehova zal onze voet niet laten wankelen, en wil Híj het niet toelaten, dan zullen wij het niet ondergaan. Wordt onze voet zo bewaard, dan mogen wij er zeker van zijn dat ook ons hoofd en ons hart bewaard worden. Velen zouden u graag laten struikelen, maar Hij staat het niet toe; Hij heeft u te lief.
U mag sluimeren, want u bent zwak; maar Hij is een Wachter voor wiens ogen de slaap nooit komt. U bent altijd veilig. Alexander zei dat hij ging slapen omdat Parmenio de wacht hield — en u mag de slaap van de geliefde nemen omdat Jehova over u waakt.
Psalmen 121:4.KruisverwijzingenPsalmen 127:1→Psalmen 32:7→Jesaja 27:3→Psalmen 27:1→Prediker 8:16→
— Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.
Deze troostrijke waarheid moet herhaald worden: zij is te rijk om met één regel afgedaan te worden. Het zou goed zijn als wij altijd de zoete zanger nadeden en een uitgelezen leerstuk wat lieten staan, er de honing uit zuigend. Wat een heerlijke titel staat er in het Hebreeuws: de Bewaarder van Israël.
Zie het aan; teken het aan; neem er kennis van als een grote en zekere waarheid. Jakob ging slapen met een steen als hoofdkussen, maar Hij die hem bewaarde sliep niet; Hij kwam tot hem in de nachtwaken en openbaarde hem Zijn verbond.
Psalmen 121:5.KruisverwijzingenPsalmen 16:8→Jesaja 25:4→Jesaja 32:2→Psalmen 91:1→Jesaja 4:5→Psalmen 109:31→Exodus 13:21→Mattheüs 23:37→
— De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand.
Hier wordt de Bewarende, over wie in de twee vorige verzen met voornaamwoorden gesproken werd, met naam genoemd: Jehova is uw Bewaarder. Wat een schat van betekenis ligt daarin! O, wat een Bewaarder hebben wij! Kunt u Hem niet vertrouwen? Zult u niet rustig van geest zijn als het werkelijk waar is dat Jehova u bewaart?
Psalmen 121:6.KruisverwijzingenOpenbaring 7:16→Jesaja 49:10→Psalmen 91:5→Jona 4:8→
— De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
Niemand dan de HEERE kon ons beschutten voor deze geweldige krachten. Er zijn gevaren van het licht en van het duister, maar in beide en voor beide zullen wij bewaard worden: letterlijk voor overmatige hitte en voor schadelijke kou; en geestelijk voor de kwaden die zowel het felle licht van de voorspoed als de duisternis van de verdrukking meebrengen.
Wanneer kunt u dan gedeerd worden? Bent u dag en nacht beschermd, dan is dat heel de tijd. God maakt geen nieuwe zon voor Zijn volk — de zon zou ons even goed steken als anderen — maar Hij neemt de prikkel uit haar overmatige glans.
Psalmen 121:7.Kruisverwijzingen2 Timotheüs 4:18→Psalmen 91:9→Psalmen 41:2→Psalmen 97:10→Spreuken 12:21→Psalmen 145:20→Mattheüs 6:13→Job 5:19→
— De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
Het is jammer dat onze uitnemende overzetting niet het hele lied door het woord “bewaren” aangehouden heeft, want van begin tot einde is het één woord. God bewaart Zijn volk niet alleen in alle boze tijden maar ook vóór alle boze invloeden en werkingen, ja voor het kwade zelf. Dat is een verreikend woord van bedekking: het sluit alles in en niets uit.
Dat is de kern van onze bewaring: wordt het leven, de ziel, bewaard, dan zijn wij geheel bewaard.
Psalmen 121:8.KruisverwijzingenDeuteronomium 28:6→Psalmen 113:2→Psalmen 115:18→Jakobus 4:13→Ezra 8:21→Spreuken 2:8→2 Samuël 5:2→Ezra 8:31→
— De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.
Uw uitgang in de vroege dagen van de jeugd, wanneer u het leven ingaat; en uw ingang wanneer de ouderdom over u komt en u ingaat tot God en de hemel. Uw uitgang naar de zaken, en uw ingang tot de binnenkamer.
Laten wij daarom rustig zijn op dit ogenblik, en zelfs tot in eeuwigheid, nu wij de HEERE tot onze Bewaarder en Behoeder hebben.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een lied Hammaälôth (Psalm 120: 1 ). Meenden wij, dat de vorige Psalm een van de 128 kinderen van Asaf tot vervaardiger had, van welke in Ezra 2: 41 wordt melding gemaakt onder de uit Babel teruggekeerden, zo ligt nu verder voor de hand, dat deze bezielde zanger met zijne gave van heilige dichtkunst zich niet gedurende de reis zal hebben stil gehouden. In het Apocrief 3de boek van Ezra wordt ons verteld, dat de terugkerenden door Perzische ruiterij begeleid werden (Ezra 1: 11), een dat gaf enen man Gods genoegzaam aanleiding, om de ogen van de meer of minder vleselijk gezinde menigte van deze menselijke bescherming af te leiden, en de gemeente als volk van God te laten uitspreken, wien zij voor haren Geleider en Beschermheer erkende (Jes. 49: 10). Zo menen wij in onzen Psalm voor ons te hebben het bedevaartslied van de ballingen, die in het jaar 536 naar de heilige stad terugkeerden. Eerst daardoor wordt het verstaanbaar, waarom in vs. 6 de hoede des Heeren juist genoemd wordt als bewaring voor den steek der zon en der maan. In latere tijden was de Psalm, gelijk het schijnt, het avondlied der heilige optochten van pelgrims, wanneer zij hun laatste nachtkwartier voor Jeruzalem (misschien Jericho, Luk. 18: 35 vv.) betrokken, en wisten dat de bergen, op welke de stad met den tempel lag, reeds zeer nabij waren. De Psalm kan het best worden verstaan, wanneer men hem beschouwt, op gelijke wijze als Psalm 108, als een beurtgezang van enkele stemmen en van het gehele koor; in het eerste gedeelte is het de gemeente, uit welke ééne stem met het antwoord van het koor gehoord wordt, in het tweede deel de priesterschap, die het volk zegent.
I. Vs. 1-4.KruisverwijzingenPsalmen 124:8→Hebreeën 13:6→Jesaja 41:13→Psalmen 115:15→Jesaja 40:28→1 Samuël 2:9→Spreuken 3:26→Psalmen 123:1→
— Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal. Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren. Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.
De gemeente stelt het zich voor ogen wie haar Helper en Bewaarder is, en zij weet van Hem te verhalen, dat Hij een vertrouwbaar Helper is en een wakend Beschermer. Eéne stem. Ik hef, hulp zoekende en ook vertrouwend hulp verwachtende, mijne ogen op naar de bergen 1), die rondom Jeruzalem zijn (Psalm 125: 2), en inzonderheid op de bergen, op welke de heilige stad is gebouwd (Psalm 87: 1), van waar mijne hulp komen zal 2).
Wij zijn gewoon met de bergen als zodanig het oog naar boven en het gevoel van nabijheid des hemels te verbinden, maar aan het volk van God is die vage algemeenheid van naar boven zien over ‘t algemeen vreemd. De bergen dienen Israël niet tot een middel en trap om tot God op te stijgen, maar één kring van bergen is het alleen, op welken zijn blik vol hope gevestigd is, en dat is die, op welken God, de Heere is nedergedaald, om aldaar de plaats Zijner woning en rust, het verblijf Zijner ere te hebben, omdat het de plaats Zijner openbaring is. Alle andere bergen, hoe groot en hoog zij ook mogen zijn, zinken als zonder betekenis weg voor deze uitverkorene bergen van Israël.
Dit is een echt pelgrimslied voor hen, die hun ogen opheffen, en hun schreden richten naar Zion. Zij spreken er hun vertrouwen in uit op den Heere, den Bewaarder Israëls, en wekken zichzelven en elkaar tot dit vertrouwen op, verzekerd als zij zijn, dat de Heere hen zal bewaren, dat Zijn oog over hen open zal zijn, opdat hen geen kwaad treffe en zij welbewaard de Godsstad ingaan.
Beter: Van waar zal mijne hulp komen? Vs. 1 en 2 zijn dan ook ten nauwste met elkaar te verbinden. De dichter verwacht het niet van de bergen en heuvelen der aarde, maar van dien God, die den hemel en de aarde gemaakt heeft en de bergen heeft vastgezet door Zijne kracht. Zijn oog is dan ook gericht op de bergen rondom Jeruzalem en inzonderheid op Zion’s heuveltop, waarop de tempel, als woonstede Gods, is gebouwd. Calvijn zegt dan ook: “Beide verzen moeten verenigd worden gelezen. Wanneer ik mijne ogen ophef naar de bergen, zal ik eerst ondervinden, dat zij verkeerd en zonder gunstig gevolg dwalen, totdat zij op God alleen Zijn gevestigd. En tegelijk is dit op te merken, dat hij niet te vergeefs God met dezen bijnaam versiert, omdat God is de Bouwmeester van hemel en aarde, terwijl stilzwijgend de ondankbaarheid der mensen wordt gegispt, wanneer men in Zijn macht geen nut kan vinden. Want indien we volkomen zouden erkennen, dat Hij de Schepper is, zouden wij er ook van overtuigd zijn, (terwijl de gehele wereld in Zijne hand is en naar Zijn oordeel wordt geregeerd), dat hij met een onmetelijke macht is begaafd.” De dichter antwoordt dan ook in het tweede vers, dat Zijne hulp zal komen van den Heere God, den Almachtige, Schepper van hemel en aarde. Daarbij vindt hij rust. Daarin kan hij alleen rust vinden.
Koor der gemeente. Mijne hulp is van den HEERE, die hemel en aarde gemaakt heeft, en als zodanig een onuitputtelijken rijkdom van hulpmiddelen en zegeningen bezit (Psalm 115:
; Hij toch heeft op die bergen Zijne woning gekozen (Psalm 68: 17), en van daar Zijne hulp en Zijnen zegen beloofd (Psalm 3: 5; 20: 3; 133: 3. Exodus 20: 24). Vraag en antwoord zijn geheel in den geest der Oud-Testamentische gemeente. Zij heft hare ogen op naar de bergen der belofte, maar hare hulp komt van den Heere, die hemel en aarde gemaakt heeft; de bergen dienen alleen tot een bepaald onderpand van vertrouwen, zonder dat het daarom aan iets geschapens verbonden is.
Eéne stem. Hij zal, daar Hij Zich zelven u ten Helper gesteld heeft, uwen voet op den moeielijken en gevaarvollen weg, dien gij hebt te bewandelen, niet laten wankelen, zodat u enig ongeluk zou overkomen (Psalm 38: 17; 66: 9); uw Bewaarder, die beloofd heeft dit overal voor u te zullen zijn (Genesis 28: 15. (Jes. 43: 1 vv.), zal niet sluimeren1), zal geen enkel ogenblik, bij dag noch bij nacht, u uit het oog verliezen, of ophouden nauwlettend over u te waken.
Ofschoon het gebeurt, dat de gelovigen dikwijls wankelen, ja vallen, dewijl God hen echter met Zijne kracht bestraalt, worden zij gezegd recht te staan. Doch dewijl het moeilijk is, onder zo vele gevaren, die hun ieder ogenblik overvallen, om van zorge en vrees zich vrij te houden, getuigt tegelijk de Profeet, dat God altijd door de wacht houdt.
Koor der gemeente. Ziet, gelijk daaromtrent geen twijfel kan zijn, de Bewaarder Israëls zal niet sluimeren noch slapen, alsof de vermoeienis over Hem ene macht zou hebben als over ons mensen, en alsof er bij Hem enige verandering en afwisseling van licht en duisternis zijn zou (Jak. 1: 16); Zijne ogen zijn altijd over Israël open. 5.
II. Vs. 5-8.Kruisverwijzingen2 Timotheüs 4:18→Psalmen 91:9→Psalmen 41:2→Psalmen 16:8→Openbaring 7:16→Psalmen 97:10→Deuteronomium 28:6→Jesaja 25:4→
— De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand. De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts. De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren. De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.
De priesters, die nu hun ambt bedienen om de gemeente te zegenen, nemen den eersten zin uit den hun geschonken zegen (Numeri 6: 23 vv.): “De Heere behoede u,” en geven daaraan, nadat vooraf (vs. 5 vv.) ééne stem uit hen dit behoeden in zijne betekenis voor de tegenwoordige reis nader bepaald heeft, ene drievoudige wending (vs. 7a en 7b, vs. 8), om alzo het drievoudig “Heere” van den Aäronietischen zegen ook hier in toepassing te brengen.
Stem van éénen priester. De HEERE is uw Bewaarder, o Israël, Zijn volk; de HEERE is uwe schaduw aan uwe rechterhand, die den pelgrimsstaf vasthoudt, om u onder Zijne bescherming te hebben, u te bewaren voor de hitte der zon (vs. 6). Het is oneindige wijsheid, die bestuurt, en oneindige macht die uitwerkt de veiligheid van hen, die zich onder Gods bescherming hebben gesteld. Hij, die de Bewaker is van Zijne kerk in ‘t algemeen, verbindt Zich om ieder gelovige in ‘t bijzonder met dezelfde wijsheid, dezelfde macht en dezelfde beloften te bewaren. Hij, die Israël bewaarde, is uw Bewaarder. De Herder van de kudde is de Herder van elk schaap en zal er voor zorg dragen, dat niet één zelfs niet een van de kleinsten, verloren ga. Hij is nooit moede. Niet alleen slaapt Hij niet, maar zelfs sluimert Hij niet.
In de rechterhand had men het zwaard ter verdediging, of den staf der sterkte. Hierop vallen de vijanden, de tegenstanders aan. Maar de Heere zou aan de rechterhand staan, om te beschermen en om te sterken, opdat de reis veilig zou worden volbracht.
De zon zal u des daags niet steken (2 (Koningen 4: 19), wanneer gij onder zijn verzengenden gloed moet reizen, noch de maan des nachts 1), wanneer gij u op uw leger onder den vrijen hemel bevind, u enige schade aanbrengen.
Met deze woorden vermeldt hij de vrucht van Gods tegenwoordigheid en verzekert, dat de gelovigen veilig zijn voor alle tegenspoeden, dewijl wij door de hand Gods worden beschermd. De zin is, dat, ofschoon de gelovigen aan de ellende van het menselijk leven zo onderscheiden zijn blootgesteld, de schaduw Gods altijd aan hun zijde is, opdat zij er geen schade van gevoelen. Evenwel belooft hij hier niet zodanige bewijzen van gunste aan de kinderen Gods, dat zij vrij zullen blijven van alle moeilijkheden, maar slechts, dat door dezen troost hun smarten zullen verlicht worden, dat zij door de gunst Gods van alle verderfelijke schade bevrijd zouden zijn, zoals hij het in de volgende verzen duidelijk uitdrukt dat God zó van alle rampen hun Bewaarder zal wezen, dat Hij hun leven ongedeerd bewaart.
De Heere bedekt niet alleen des daags de vromen met Zijne schaduw, dat hun de hete zonnestraal niet steke, zelfs des nachts wendt Hij het dikwijls te verblindend schijnsel der maan van hun oog af. Meer waarachtig en lieflijk kon Gods tederheid en zorgvuldigheid niet worden voorgesteld; de liefde van den hemelsen Vader schittert in deze enige vergelijking als in den zachtsten, verblijdendsten maneschijn.
Weet gij reeds iets bij eigene ervaring van de hitte der zon hij dag en van de maan bij nacht, in geestelijken zin opgevat? Hoe schoon de zon ook bij dag, hoe lieflijk de maan ‘s nachts voor uw aangezicht komt, zodat gij er een welgevallen in hebben moogt, toch brengt de zon ene zo stekende hitte aan, en de maan, in ‘t Oosten ten minste, een zo verblindenden glans, dat men het aangezicht er voor moet beschermen. De hitte, door welke de ziel wordt geraakt, zijn de aanvechtingen en verzoekingen, die duivel, wereld en vlees veroorzaken; deze weten daarbij ook met den bedriegelijken glans der zonde uwe ogen te verblinden, zodat gij blindelings in de netten gaat, die zij u stellen. Waar zult gij in zulk ene verzoeking bescherming vinden, waar kracht, om ze te overwinnen? De Heere is uwe schaduw aan uwe rechterhand, zodat gij midden in den strijd verkwikking vindt, als de moede wandelaar in de schaduw van den boom; de verkwikking nu komt uit Zijn woord, dat als ene bron van levend water in uwe bezwijkende ziel stroomt en tevens als een scherp, tweesnijdend zwaard in uwe hand alle vijanden ter aarde stoot.
Koor van priesters. De HEERE zal u bewaren van alle kwaad, van welken aard het moge zijn en van waar het moge dreigen; uwe ziel zal Hij bewaren, uw leven in- en uitwendig.
De HEERE zal uwen uitgang uit het land der dienstbaarheid, uit Babel, dat nu achter u ligt, en uwen ingang in het voor u liggende heilige land bewaren; daarin behoede Hij begin en einde van al uwe ondernemingen (1 Koningen 3: 7 ), van nu aan, nu een nieuwe tijd van genade voor ons is aangebroken, tot in der eeuwigheid; want Zijne gemeente sterft niet, al wisselen ook nieuwe leden de vorigen af. Ons leven is vol van uit- en ingaan, van het uitgaan uit den moederschoot en het intreden in de wereld tot het uitgaan uit het stervend lichaam en het ingaan in de eeuwigheid. Aan den morgen des levens gaat men uit, men leeft en werkt al zijnen tijd onder voortdurend uit- en ingaan in deze loopbaan vol afwisseling, het wordt avond, men keert weer naar huis-hoe zalig is dan voor den armen, kortzichtigen, feilbaren mens het: “van nu aan” der eeuwigdurende bescherming des Heeren.
Het uitgaan uit dit leven en het ingaan in de eeuwige tabernakelen, dat is het doel van het leven, de eerste van alle zorgen, de hoogste van alle verheugingen. -O Heere! wij zijn allen vreemdelingen. wij wensten ook ware bedevaartgangers te worden. Hier betekent uitgaan en ingaan (anders dan 1 Samuel 18: 13 en 16. Hand. 1: 21) in ‘t algemeen iets verrichten, van welken aard het ook zij; want alle bedrijven zijn begrepen onder deze twee soorten, van uitgaan tot de openbare en van inkomen tot bijzondere bezigheden, of van uitgaan tot het beginnen, en van ingaan tot voleinding des werks.
Zal zulk een Psalm ook ons reislied niet zijn?.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel