Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
WelgelukzaligH835 is de manH376, dieH834 nietH3808 wandeltH1980 in de raadH6098 der goddelozenH7563, noch staatH5975 op den wegH1870 der zondarenH2400, noch zitH3427 in het gestoelteH4186 der spottersH3887;
Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
KJV
Blessed1
is the man2
that walketh5
not in the counsel6
of the ungodly,7
nor standeth11
in the way8
of sinners,9
nor sitteth15
in the seat12
of the scornful.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
MaarH3588 zijn lustH2656 is in des HEERENH3068 wetH8451, en hij overdenktH1897 Zijn wetH8451 dagH3119 en nachtH3915.
Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
KJV
But his delight5
is in the law3
of the LORD;4
and in his law6
doth he meditate7
day8
and night.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Want hij zal zijn als een boomH6086, geplantH8362 aanH5921 waterbekenH6388, dieH834 zijn vruchtH6529 geeftH5414 op zijn tijdH6256, en welks bladH5929 nietH3808 afvaltH5034; en alH3605 watH834 hij doetH6213, zal wel gelukkenH6743.
Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
KJV
And he shall be like a tree2
planted3
by the rivers5
of water,6
that bringeth forth9
his fruit8
in his season;10
his leaf11
also shall not wither;13
and whatsoever he doeth16
shall prosper.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
AlzoH3651 zijn de goddelozenH7563 nietH3808, maarH3588 als het kafH4671, dat de windH7307 henendrijftH5086.
Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.
KJV
The ungodly3
are not so: but are like the chaff6
which the wind9
driveth away.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
DaaromH3651 zullen de goddelozenH7563 nietH3808 bestaanH6965 in het gerichtH4941, noch de zondaarsH2400 in de vergaderingH5712 der rechtvaardigenH6662.
Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.
KJV
Therefore the ungodly5
shall not stand4
in the judgment,6
nor sinners7
in the congregation8
of the righteous.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Want de HEEREH3068 kentH3045 den wegH1870 der rechtvaardigenH6662; maar de wegH1870 der goddelozenH7563 zal vergaanH6.
Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.
KJV
For the LORD3
knoweth2
the way4
of the righteous:5
but the way6
of the ungodly7
shall perish.
Welgelukzalig
Als hebbende de belofte van het tegenwoordige en toekomende leven; 1 Tim. 4:8 .
Hertaald:
Welgelukzalig
Als hebbende de belofte van het tegenwoordige en het toekomende leven; 1 Tim. 4:8.
de man
Dat is, een mens. Zie Job 12:10 .
Hertaald:
de man
Dat is: een mens. Zie Job 12:10.
niet wandelt
Dat is, naar de raad of aanraden zijn leven niet aanstelt; of niet gaat in hun raad, om boze stukken met hen te besluiten. Zie Job 21:16 .
Hertaald:
niet wandelt
Dat is: naar hun raad of aanraden zijn leven niet inricht; of niet gaat in hun raad, om boze zaken met hen te besluiten. Zie Job 21:16.
goddelozen
Of, ongoddelijk, ongerechtigen, onvromen, bozen, onrustigen. Zie Num. 35:31 .
Hertaald:
goddelozen
Of: ongoddelijk, onrechtvaardigen, onvromen, bozen, onrustigen. Zie Num. 35:31.
staat op
Dat is, met hunne manier van leven, bozen handel en wandel gene gemeenschap heeft. Zie Gen. 6:12 en onder vs.6.
Hertaald:
staat op
Dat is: met hun manier van leven, hun boze doen en laten, geen gemeenschap heeft. Zie Gen. 6:12 en hieronder vers 6.
zondaren
Die hun werk maken van het zondigen, in welken de zonde ten enenmale is heersende; alzo vs.5, en Ps. 26:9 ; Ps. 104:35 . Pred. 2:26 ; Pred. 9:2 . Jes. 65:20 . Matt. 26:45 . Rom. 5:8 . Zie ook 1 Sam. 15:18 .
Hertaald:
zondaren
Die van het zondigen hun werk maken, bij wie de zonde volledig heerst; zo ook vers 5, en Ps. 26:9; Ps. 104:35. Pred. 2:26; Pred. 9:2. Jes. 65:20. Matth. 26:45. Rom. 5:8. Zie ook 1 Sam. 15:18.
Gestoelte
Of, zetel, zitplaats [gelijk Ps. 107:32 ] , waar samen zijn om, als verstokte en overgegeven booswichten, met alles wat goddelijk is hunne spotternij te drijven.
Hertaald:
Gestoelte
Of: zetel, zitplaats [zoals Ps. 107:32], waar zij samen zijn om, als verstokte en aan het kwaad overgegeven booswichten, met alles wat goddelijk is hun spot te drijven.
Wet
Of, leer; want door dit woord wordt elders en doorgaans in dit boek verstaan de ganse leer van Gods beschreven woord, of der heilige Schrift.
Hertaald:
Wet
Of: leer; want met dit woord wordt elders en doorgaans in dit boek de hele leer van Gods geschreven woord, of van de Heilige Schrift, bedoeld.
overdenkt
Hebr. eigenlijk, zal overdenken, of betrachten, of spreken; te weten met hart en mond, en zo in het volgende. Deze verwisseling van tijden is zeer algemeen bij de Hebreeën [gelijk in het voorgaande vs.1. Hebr. eigenlijk, heeft gewandeld, gestaan, gezeten ]. Wij gebruiken ook wel in onze taal gelijke manier van spreken: een vroom man zal zulks niet doen, de goddeloze zal zo en zo doen; een goede boom zal zijne vrucht brengen te zijner tijd; dat is een vroom man doet zulks niet, pleegt zo niet te doen; een goddeloze daarentegen doet zo, pleegt zo te doen, enz.
Hertaald:
overdenkt
Hebreeuws letterlijk: zal overdenken, of betrachten, of spreken; namelijk met hart en mond, en zo ook in het vervolg. Deze wisseling van werkwoordstijden komt bij de Hebreeën zeer vaak voor [zoals in het voorgaande vers 1. Hebreeuws letterlijk: heeft gewandeld, gestaan, gezeten]. Wij gebruiken in onze taal ook wel een soortgelijke manier van spreken: een vroom man zal zoiets niet doen, de goddeloze zal zo en zo doen; een goede boom zal zijn vrucht op tijd voortbrengen; dat is: een vroom man doet zoiets niet, pleegt zo niet te doen; een goddeloze daarentegen doet zo, pleegt zo te doen, enzovoort.
dag en nacht
Als hij ontwaakt, of daartoe zijn slaap breekt, Verg. Ps. 16:7 ; Ps. 17:3 ; Ps. 63:7 ; Ps. 77:7 ; Ps. 88:2 ; Ps. 119:55 , Ps. 119:62 . De zin is steeds, geduriglijk, doorgaans.
Hertaald:
dag en nacht
Wanneer hij ontwaakt, of daarvoor zijn slaap onderbreekt. Vergelijk Ps. 16:7; Ps. 17:3; Ps. 63:7; Ps. 77:7; Ps. 88:2; Ps. 119:55, Ps. 119:62. De betekenis is steeds: voortdurend, doorgaans.
Waterbeken
Hebr. eigenlijk, waterscheidingen, of verdelingen der wateren; dat is, stromen, armen, hier en daar heen vlietende. Verg. Ps. 46:5 . Spr. 5:16 .
Hertaald:
Waterbeken
Hebreeuws letterlijk: waterscheidingen, of verdelingen van de wateren; dat is: stromen, armen, die hier en daar heen vloeien. Vergelijk Ps. 46:5. Spr. 5:16.
zijn tijd
Dat is, ter rechter tijd, in zijn seizoen. Alzo Lev. 26:4 . Ps. 104:27 ; Ps. 145:15 . Jer. 5:24 .
Hertaald:
zijn tijd
Dat is: op de juiste tijd, in zijn seizoen. Zo ook Lev. 26:4. Ps. 104:27; Ps. 145:15. Jer. 5:24.
blad
Of loof. Het afvallen der bladeren is vergezelschapt met het verwelken, daarom zetten het sommigen over, verwelkt niet. Verg. Jes. 34:4 .
Hertaald:
blad
Of: loof. Het afvallen van de bladeren gaat gepaard met het verwelken, daarom vertalen sommigen het met: verwelkt niet. Vergelijk Jes. 34:4.
hij doet
De rechtvaardige, die bij den boom vergeleken is.
Hertaald:
hij doet
De rechtvaardige, die met de boom vergeleken is.
gelukken
Of, bestaan, gedijen; of [daarin] zal hij voorspoedig zijn. Verg. Gen. 39:2 . 2 Kron. 31:21 ; 2 Kron. 32:30 . en zie Rom. 8:28 . Sommigen duiden dit op de boom, bij welken de rechtvaardige wordt vergeleken, aldus; Al wat hij voortbrengt [ Hebr. maakt of doet] zal wel gedijen; omdat het Hebreeuwse woord maken van het voortbrengen der vruchten elders gebruikt wordt. Zie Jes. 5:4 , Jes. 5:10 . Jer. 12:2 ; Jer. 17:8 . en verg. Matt. 3:8 , Matt. 3:10 .
Hertaald:
gelukken
Of: bestaan, gedijen; of [daarin] zal hij voorspoedig zijn. Vergelijk Gen. 39:2. 2 Kron. 31:21; 2 Kron. 32:30. en zie Rom. 8:28. Sommigen betrekken dit op de boom, waarmee de rechtvaardige vergeleken wordt, zo: alles wat hij voortbrengt [Hebreeuws: maakt of doet] zal goed gedijen; omdat het Hebreeuwse woord maken elders gebruikt wordt voor het voortbrengen van vruchten. Zie Jes. 5:4, Jes. 5:10. Jer. 12:2; Jer. 17:8. en vergelijk Matth. 3:8, Matth. 3:10.
Alzo
Te weten, als zulk een boom; als de rechtvaardige,
Hertaald:
Alzo
Namelijk: als zo'n boom; als de rechtvaardige.
niet bestaan
Maar vallen, ten tijde als God zijne oordelen in de wereld over de goddelozen uitvoert, doch inzonderheid als zij van de Zoon Gods verdoemd en ter helle verwezen zullen worden; de vergadering der rechtvaardigen daarentegen zal voor God bestaan, en ten laatste ingaan in de eeuwige heerlijkheid. Zie Matt. 25:41 , Matt. 25:46 , enz.
Hertaald:
niet bestaan
Maar vallen, in de tijd dat God Zijn oordelen in de wereld over de goddelozen uitvoert, maar vooral wanneer zij door de Zoon van God veroordeeld en ter helle verwezen zullen worden; de vergadering van de rechtvaardigen daarentegen zal voor God bestaan, en uiteindelijk ingaan in de eeuwige heerlijkheid. Zie Matth. 25:41, Matth. 25:46, enzovoort.
kent den weg
Dat is, bemint, heeft er behagen in, kent voor goed, draagt er zorg voor. Verg. Gen. 18:19 . Deut. 2:7 . Ps. 31:8 ; Ps. 101:4 . Nah. 1:7 . Matt. 7:23 ; Matt. 25:12 . 1 Thess. 5:12 .
Hertaald:
kent den weg
Dat is: bemint, heeft er behagen in, keurt goed, draagt er zorg voor. Vergelijk Gen. 18:19. Deut. 2:7. Ps. 31:8; Ps. 101:4. Nah. 1:7. Matth. 7:23; Matth. 25:12. 1 Thess. 5:12. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters" (Ps. 1:1). Let op de drie werkwoorden: wandelen, staan en zitten. Zij vormen samen een afdaling, van meelopen naar blijven staan en ten slotte zich neerzetten. Daartegenover staat één zin over wat hij wel doet: zijn lust is in de wet van de HEERE, en hij overdenkt die dag en nacht (Ps. 1:2). Dan volgt het beeld: "hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt" (Ps. 1:3). De goddelozen krijgen het tegenbeeld: "als het kaf, dat de wind henendrijft" (Ps. 1:4). En het slot zegt waar het verschil ten diepste ligt: "de HEERE kent den weg der rechtvaardigen" (Ps. 1:6). Bijbelse betekenis: Deze psalm staat niet toevallig vooraan. Hij zet de lezer voor de keuze waar het hele boek over gaat, en hij doet dat met twee beelden die elkaar uitsluiten: een boom die wortelt en kaf dat wegwaait. Merk op dat de boom geplant is en niet vanzelf opkomt. Hij staat er omdat een ander hem daar gezet heeft, en hij groeit door water dat hij zelf niet maakt. Let ook op de tijd in Ps. 1:3. De vrucht komt op zijn tijd, niet altijd meteen; het blad blijft ook in het droge seizoen. Dat is een nuchtere belofte en geen toezegging van voorspoed. En let op het laatste vers. Er staat niet dat God de weg van de rechtvaardige goedkeurt maar dat Hij die kent, en dat woord betekent in de Schrift een verhouding en geen kennisname. Typologie: Jeremia gebruikt hetzelfde beeld en zegt erbij wat de wortels vasthoudt: wie op de HEERE vertrouwt, is als een boom aan het water geplant, die in het jaar van de droogte niet bekommerd is (Jer. 17:7-8). De Heere Jezus noemt Zichzelf de bron van die vrucht: "die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht" (Joh. 15:5). Ps. 1:1-6; Jer. 17:7-8; Joh. 15:5 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Het psalmboek begint niet met een lied maar met een portret. Er wordt een man beschreven die welgelukzalig heet, en daarna een tegenbeeld: kaf dat de wind wegdrijft. Wie doorleest, ontdekt dat de tweede psalm over een Koning gaat; deze twee horen als een voorportaal bij elkaar. Het portret van de gelukkige man wordt in drie stappen gegeven, en het is een portret waar geen mens aan beantwoordt. De beschrijving begint met drie dingen die de man níét doet, en zij lopen op in ernst: hij wandelt niet in de raad der goddelozen, hij staat niet op de weg der zondaren, en hij zit niet in het gestoelte der spotters. Van wandelen naar staan naar zitten — eerst loopt men ergens langs, dan blijft men staan, en ten slotte heeft men er zijn plaats. En dan komt wat hij wél doet: “Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.” Dat woord overdenken betekent hier: er vol van zijn, erdoor in beslag genomen worden. De man krijgt de wet niet uit zijn hoofd. Dat is iets anders dan wat men gewoonlijk onder overdenken verstaat: de wereldse variant probeert het hoofd leeg te maken, en de bijbelse probeert het te vullen met het Woord van God. Het beeld dat volgt is even eenvoudig als raak: hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd en welks blad niet afvalt. Let op het woord geplant — hij is daar neergezet en niet toevallig opgekomen. En let erop dat het niet zegt dat hij altijd vrucht draagt, maar op zijn tijd. Dan komt de vraag die dit portret voor iedere lezer lastig maakt. Wie is dat? Wie heeft nooit gestaan waar hij niet moest staan? Wie kan van zichzelf zeggen dat hij de wet dag en nacht overdenkt? Het psalmboek zelf geeft daarop het antwoord niet in deze psalm maar in wat erop volgt: honderdvijftig liederen lang klagen mensen dat zij het niet zijn, dat zij gezondigd hebben, en dat zij op God moeten wachten. Er is er Eén Die deze psalm zonder aftrek heeft waargemaakt. Van Hem staat er dat de duivel Hem alle raad van de wereld voorlegde en dat Hij drie keer met de Schrift antwoordde. Van Hem staat er dat Hij zei: Mijn spijze is dat Ik doe den wil Desgenen Die Mij gezonden heeft. En Hij is degene bij wie de tweede psalm uitkomt — de Gezalfde tegen Wie de koningen der aarde zich stellen, en van Wie God zegt: Ik heb Mijn Koning gezalfd over Sion. Daarmee staan de eerste twee psalmen samen als de deur van het hele boek: hier is de mens zoals hij zijn moest, en hier is de Koning Die het is. En de laatste regel van de eerste psalm zegt hoe het afloopt met wie zich aan Hem toevertrouwt: de HEERE kent den weg der rechtvaardigen. Dat kennen is geen weten waar iemand loopt; het is hetzelfde woord dat elders voor uitkiezen en aannemen gebruikt wordt. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 4:1-11; Johannes 4:34; Psalm 2:6-7; Jeremia 17:7-8; 2 Timotheüs 2:19 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Psalm 1 niet aan en past haar nergens uitdrukkelijk op Christus toe. Wat hier gelegd wordt rust op twee dingen: het portret beschrijft een mens zoals de Schrift die verder nergens aantreft, en Psalm 1 en 2 staan als één inleiding op het psalmboek, waarbij de tweede onmiskenbaar messiaans is. Dat de eerste psalm daarom over Christus zou gaan, is een gevolgtrekking; zij wordt hier ook als zodanig gegeven, en zij neemt niet weg dat de psalm allereerst een portret is van wie God vreest.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas De godvruchtige mens overweegt niet eerst hoe de wereld over een zaak denkt, maar hoe God ernaar ziet. De welgelukzalige mens brengt zijn tijd door met het overdenken van Gods Woord. Het lezen maait het koren; de overdenking dorst het, maalt het, en maakt er brood van. Het lezen is als het grazen van de os; de overdenking is zijn verteren wanneer hij herkauwt. Het is niet enkel het lezen dat ons goed doet, maar het inwendig voeden van de ziel daarop, en het verteren ervan. Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in den raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters; Psalmen 1:1… 4 Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft. 5 Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de… 1 Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in den raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters; 2 Maar… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 1
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De man die er niet was — 1:1-6
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
De mens die voorzichtig is
Psalm 1:4-6
Psalm 1:1-3


Psalmen 1
Psalmen 1:1.KruisverwijzingenPsalmen 26:4→Spreuken 4:14→Jeremia 15:17→Spreuken 13:20→Mattheüs 7:13→Psalmen 119:1→Psalmen 1:6→Leviticus 26:27→
— Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
Iedereen zoekt geluk. Als dat waar is, dan behoort iedereen deze psalm te lezen, want hij wijst ons waar het geluk in zijn hoogste graad en zijn zuiverste vorm te vinden is. “Welgelukzalig”, zegt David, “is zulk een man”; en het woord dat hij gebruikt is in de grondtaal buitengewoon veelzeggend. Het houdt een soort veelheid van geluk in, en het is nauwelijks te zeggen of het woord een bijvoeglijk naamwoord of een zelfstandig naamwoord is — alsof het geluk heel het leven kenmerkte en op zichzelf nog beter was dan het leven zelf. Dit is stellig het hoogste waarnaar het menselijke hart kan streven!
Dit geluk is even bereikbaar voor de arme, de vergetene en de onaanzienlijke als voor hen wier namen in de geschiedenis prijken en door de faam uitgebazuind worden. Het is niet voor de kluizenaar of de priester, maar het komt tot iedere man of vrouw die God liefheeft en Hem zoekt te gehoorzamen. Zijn positie heeft er niets mee te maken; zijn karakter heeft er alles mee te maken.
De gelukkige mens wordt beschreven als iemand die de weg van de goddelozen mijdt. De treurige dwaasheid en zonde van de goddelozen is dat zij het voornaamste vergeten hebben dat gedacht moet worden: namelijk dat er een God is, dat zij Zijn schepselen zijn en dat zij, daar zij Zijn schepselen zijn, voor Hem behoren te leven. Zij geven God geen deel van hun leven, en Hij is in geen van hun gedachten. De godvruchtige mens echter overweegt niet eerst hoe de wereld over een zaak denkt, maar hoe God ernaar ziet.
Psalmen 1:2.KruisverwijzingenJozua 1:8→Psalmen 119:35→Psalmen 119:11→Psalmen 119:92→Romeinen 7:22→Psalmen 112:1→Psalmen 119:97→Psalmen 119:15→
— Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
Mensen moeten een of ander vermaak hebben, een of ander opperst genoegen. Het hart van een mens is nooit bedoeld om een ledige ruimte te zijn. Wordt het niet met de beste dingen gevuld, dan wordt het gevuld met het onwaardige en teleurstellende. De ware christen heeft zijn heilige verlustigingen, en de voornaamste daarvan is zijn zich verheugen in de wet des Heeren, het Woord van God. David had nog geen vierde deel van wat wij bezitten — het was toen een kleine Bijbel. Wij behoorden er daarom tien keer meer vermaak in te scheppen dan de psalmdichter deed.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Als een soort van voorwoord op de Psalmen, wier gezamenlijke leer en vermaning deze in ene korte somma is samen gevat, leert ons de eerste Psalm het onderscheid tussen den rechtvaardige en den goddeloze, tussen dien, die God dient, en dien, die Hem niet dient (Mal. 3: 18), opdat den lezer aanstonds aan den drempel voor ogen gesteld worde, op welk doel de menselijke handelingen als pijlen moeten gericht worden. Vs. 1 en 2. De rechtvaardige is inwendig van den goddeloze onderscheiden door zijn gehele denk- en handelwijze, hij vermijdt ook uiterlijk de gemeenschap met hun werken en hun gezelschappen, en heeft daarentegen zijn levensgrond in de wet des Heren.
Welgelukzalig is de man a), die niet 1) wandelt in den raad der goddelozen, die zich niet inlaat met degenen die, niets wetende van God, zich door hun hartstochten en vleselijke begeerlijkheden laten regeren! noch staat op den weg der zondaren, de handelwijze van de verachters en overtreders der Goddelijke geboden niet navolgt, noch zit 2), zich neerzet in het gestoelte der spotters 3), niet zit in het gezelschap dergenen, die met Gods woord en gericht spotten, zich daar niet te huis gevoelt.
Psalm 26: 4. Spreuken 1: 10, 15; 4: 14, 15. 1 Kor. 15: 33.
Eerst wordt gezegd wat de man, die welgelukzalig genoemd wordt, niet doet, n.l. zich niet voegen bij zondaars en spotters, en daarna wat hij wel doet, n.l. zich houden aan het geopenbaarde Woord des Heren.
Eerst spreekt de dichter van wandelen, dan van staan of heengaan, en eindelijk van zitten. Het eerste geeft aan de gesteldheid van het harte, het tweede de daad van den wil en het derde het gevolg van de gezindheid des harten en van de daad van den wil. Het zitten toch geeft aan, een zich thuis gevoelen in het gezelschap der zondaars.
Er wordt hier gesproken eerst van goddelozen. Deze zijn degenen, die leven zonder God, bij wie het duidelijk is, dat de band verbroken is tussen God en hen. Daarna van zondaren. Deze zijn zij, die in openlijke zonden leven. Vervolgens van spotters. Deze zijn zij, die er openlijk voor uitkomen, dat de zonde hun lust is, en die spotten met het heilige.
a) Maar zijn lust is in des HEREN wet 1), de begeerte zijne harten gaat naar de rechten des Heren uit, die hem begeerlijker zijn dan goud, ja, dan veel fijn goud, en zoeter dan honing en honingzeem (Psalm 19: 11; 119: 72), en hij overdenkt 2) Zijne wet dag en nacht; bij dag staat zij hem voor en richt zij zijne handelingen; bij nacht bepeinst hij haar, opdat zij steeds dieper in zijn harte zij (Psalm 119: 97-102. (Jozua 1: 8).
Deuteronomium 6: 6 vv.; 17: 19. Psalm 119: 1 vv.
Zijn lust te hebben in des Heren wet, het is niet slechts een zekeren smaak te hebben in den vorm, ene zekere kennis van de letter, een zekeren eerbied voor den inhoud van het woord des Heren; het is met den heiligsten ernst en het innigst zielsgenoegen bij dien inhoud de voldoening zoeken van de diepste behoefte des harten; het is daarin den troost en de kracht des levens zoeken, vinden en hebben. Des Heren wet dag en nacht te overdenken, is niet Zijn heilig Woord tot voorwerp van studie of van liefhebberij, als verstandelijke doorvorsing er van, tot de taak en de bezigheid zijns levens te stellen; het is er bij te leven. Het is dag en nacht het voor ogen te houden; bij alle doen en laten, lijden en genieten. Het is alle wegen er naar te richten, elke voetstap er naar te zetten, het te hebben en te gebruiken als ene lamp voor den voet, een licht op het pad. Het is: het godvruchtige leven.
Hij is niet onder de wet als onder iets, dat hem vloekt en veroordeelt, maar hij is in haar, en hij verheugt zich in haar als in een regel des levens; hij heeft er daarenboven verheuging in, om te denken over haar, om haar te lezen bij dag en te bepeinzen bij nacht. Wij neemt een tekst en gaat daarmee den gansen dag, en in de nachtwaken, wanneer de slaap zijne oogleden ontwijkt, peinst hij over het woord van God. In den dag van voorspoed zing hij Psalmen uit Gods woord, en in den nacht van droefheid troost hij zich met de beloften uit datzelfde Boek. De wet des Heren is het dagelijks brood van den waren gelovige.
Men moet als een vijgen- en palmboom eerder de vrucht laten zien dan de bladeren.
In het Hebr. Jèhègèh. Het werkwoord betekent in de eerste plaats, een dof geluid maken, en de afgeleide betekenis is, overdenken, dewijl hij, die overdenkt dikwijls bij zich zelf spreekt op stille, gedempte wijze. De grondtekst geeft duidelijk aan, dat dit zijn lust immer zal wezen. 3.
II. Vs. 3-5.KruisverwijzingenJeremia 17:8→Ezechiël 47:12→Ezechiël 19:10→Psalmen 92:14→Genesis 39:3→Job 21:18→Psalmen 128:2→Mattheüs 13:6→
— Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft. Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.
Bij dezen zijnen in den grond geheel verschillenden toestand des harten, staat de rechtvaardige geheel anders in de wereld dan de goddeloze; namelijk als een wel gevoede, vruchtdragende, altijd groene boom, terwijl de goddelozen ten opzichte van hun leven, slechts kaf zijn, dat de wind wegwaait, en zij eindelijk geheel en al uit de gemeente der rechtvaardigen worden weggedaan.
Want het welgelukzalige bestaat hierin, dat hij zal zijn, hij gelijk is als een boom, geplant aan waterbeken 1), die, daar het hem nooit aan voeding ontbreekt en hij door de stormen niet ontworteld wordt zijne vrucht geeft op zijnen tijd, die niet vóór den tijd laat vallen, maar tot rijpheid brengt, en welks blad niet afvalt 2), wanneer het in den zomer rondom dor wordt, daar zijne wortelen aan waterbeken liggen; en al wat hij, de rechtvaardige, die aan zulk een boom gelijkt, doet, zal wel gelukken; want des Heren zegen is met hem, omdat des Heren welgevallen kan zijn met al wat hij onderneemt.
Het altijd zacht vloeiende water, dat den rechtvaardige vruchtbaar maakt, is Gods woord; de vruchten die hij brengt, zijn de goede werken, die in God gedaan zijn. Het levend water, dat hem vruchtbaar maakt, houdt hem ook in- en uitwendig fris in de hitte der aanvechting. (Jer. 17: 7 vv. Psalm 92: 13 vv.). Er is niet gezegd, dat over dezen boom geen ruwe stormen zullen komen waaien, dat geen verzengende zonnebrand hem immer bereiken zal; maar, daar hij zijne wortelen heeft uitgeslagen aan den levenden waterstroom, daar hem geen voedsel, geen sap, gene kracht, geen inwendig leven ontbreekt, zal hij vruchten voortbrengen op zijn tijd, en zijn blad niet verdorren vóór zijn tijd. Woedt de storm door zijne takken, zijne wortels begeven hem niet. Brandt de zon op zijn kruin, zijn overvloedig sap en merg houdt twijgen en bladeren fris en glanzig; het wintert, het zomert, zomer en winter zijn hem oorbaar, hij; voldoet aan zijne bestemming in elk seizoen, en derft tier noch schoonheid.
Niets anders heeft de dichter gewild, dan te verklaren, dat de kinderen Gods eeuwig zullen bloeien en altijd door de hemelse genade Gods zullen bevochtigd worden, zodat wat hun wedervaart, dienen moet tot hun heil. Daarentegen vaagt de storm de goddelozen plotseling weg, of vernietigt hen door buitengewone hitte. Want toch als hij zegt, dat de vromen vrucht voortbrengen op hun tijd hiermede wil hij een juiste rijpheid aangeven, dewijl de goddelozen, ofschoon zij vroegrijpe vruchten tonen, toch niets anders dan misdrachten voortbrengen.
Alzo, als een boom bij ene waterbeek, zijn de goddelozen niet, maar juist het tegendeel, als het kaf, dat de wind henen drijft a) 1), zonder wortel naar beneden, zonder vrucht naar boven, zonder inwendige levenskracht en levensfrisheid, licht opvliegende op den dorsvloer van dit leven, en zodra de windvlaag der aanvechting onder hen komt, als kaf in de hoogte vliegende en weggedreven (Job 21: 18. (Psalm 35: 5. (Jes. 17: 13; 29: 5. Hos. 13: 3).
De zin is derhalve deze: Ofschoon de goddelozen het nu nog gelukkig hebben, toch zullen zij weldra aan het kaf gelijk zijn, dewijl, wanneer de Heere hen tot hulpeloosheid gebracht heeft, Hij hen door de openbaring van Zijn toorn her- en derwaarts verspreidt. Verder leert ons de H. Geest door deze manier van spreken, dat met de ogen des geloofs gezien wordt, wat overigens ongelooflijk zou kunnen schijnen. Want ofschoon de goddeloze, als een hoog opgeschoten boom gelijk, zich voordoet, staat het vast, dat hij een schil of bast zal zijn, zodra God zijne hoogte door Zijn geblaas wil omverwerpen.
Men vergelijke over de wijze, waarop de ouden dorsten, wat bij Deuteronomium 25: 4 en Ruth 3: 3 3.3 opgemerkt is.
Daarom, van wege deze inwendige nietswaardigheid en uitwendige onstandvastigheid, zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen, hoewel zij een tijd lang, als het stil is, hun plaats weten vast te houden en zolang Gods lankmoedigheid hen duldt, de zegeningen van Gods volk mede genieten, zo is toch hun bestaan voorbij, als het gericht Gods begint; het laatste gericht zal hen eindelijk uit de gemeente der rechtvaardigen afzonderen en als kaf met onuitblusselijk vuur verbranden (MATTHEUS. 25: 32; 3: 12). Wel mogen de heiligen verlangen naar den hemel, want geen goddeloze zal daar wonen, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen. Al onze verenigingen op aarde zijn vermengd. Elke kerk heeft een duivel in zich. Het onkruid groeit in dezelfde voren als de tarwe. Er is geen bodem die volkomen gezuiverd is van stof. Zondaars zijn verspreid onder de heiligen, als schuim vermengd is met goud. Gods kostelijke diamanten liggen nog in hetzelfde veld met de keistenen. Rechtvaardige Lots worden aan deze zijde van den hemel voortdurend gekweld van de mannen van Sodom. Dat wij ons verheugen, dat in de algemene vergadering en in de gemeente der eerstgeborenen niet ene onwedergeborene ziel zal worden toegelaten. Zondaars kunnen in den hemel niet leven; zij zouden uit hun element zijn. Eerder zou een vis kunnen leven op een boom dan de goddeloze in het paradijs. De hemel zou ene onverdraaglijke hel zijn, indien het kon toegestaan worden dien in te gaan, maar zulk een voorrecht zal nooit worden geschonken aan den man, die in zijne goddeloosheid volhardt. Moge God vergunnen, dat wij een naam en ene plaats hebben in Zijne haven daar boven.
6. III Vs. 6. Aan beide, den rechtvaardige zowel als den goddeloze, verheerlijkt zich het rechtvaardig bestuur des Heren, maar op tegenovergestelde wijze, overeenkomstig hunnen tegenovergestelden aard en verschillende gezindheid.
Zulk een gericht kan niet uitblijven, want de HEERE kent1), is bekend met den weg der rechtvaardigen, en weet, dat deze weg Hem ten doel heeft; daarom laat Hij hen hun doel bereiken, maar de weg der goddelozen, die volgens zijne gehele richting naar beneden, naar diepte en duisternis afdaalt, kan naar zijne natuur geen ander einde hebben, die zal vergaan 1), gaat ten verderve, in den nacht en de ellende loopt die uit, zonder dat het voorgestelde doel bereikt wordt.
Dit kennen is niet een bloot bekend zijn met den rechtvaardige maar zulk een kennen, dat tot het voorwerp staat in een bijzondere betrekking, de betrekking des Verbonds, en het daarom in liefde en genade, goedertierenheid en ontferming gadeslaat. Het is dat kennen, dat zijn grond heeft in het eeuwig Welbehagen en zich openbaart in de bijzondere zorg voor Zijne gunstgenoten.
Niet alleen zullen de goddelozen vergaan, maar zelfs hun wegen. De rechtvaardige graveert zijn naam op den rotssteen maar de goddeloze schrijft zijne gedachtenis in het zand. De rechtvaardige ploegt de voren der aarde en strooit hier een zaad waarvan de vrucht nooit ten einde toe zal ingeoogst worden, voordat hij de vreugde der eeuwigheid is ingegaan; maar de goddeloze ploegt de zee, en hoewel het moge schijnen, dat er een spoor achter zijn vaartuig blijft, de baren gaan er over heen en de plaats zal hem in eeuwigheid niet meer kennen.
Of zalig of verloren, zo predikt Gods woord, zo waarschuwt Gods gericht. Gezegend zij God van wege het Verbond der genade, en onze Heere Jezus Christus. Door Zijne volmaakte gehoorzaamheid tot den dood is Hij het einde der wet geworden tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft. Wanneer de zondaar zijne schuld en ellende begint te gevoelen, kan hij door Christus, den levenden weg, in de gemeenschap der rechtvaardigen worden toegelaten. Wanneer hij de ijdelheid der wereld en het vreselijke der zonde heeft leren kennen, begint hij vermaak te scheppen in Gods Woord, dat hem de dierbaarheid van Christus en het schone der heiligheid aantoont. Desgelijks de Heilige Schriften lezende en overdenkende wordt hij een nieuw schepsel. Hij heeft nieuwe verlangens, nieuwe genoegens hoop, vrees, zorgen, metgezellen en bezigheden. Zijne gedachten, woorden en daden zijn veranderd. Hij is in een nieuwen toestand ingegaan en draagt een nieuw karakter. Alle dingen zijn nieuw geworden. Zijne gedachten, woorden en daden zijn veranderd. Alle dingen zijn nieuw geworden. Zijn godsdienst bestaat niet in vormen en woorden, hij wil vruchten der rechtvaardigheid voortbrengen, want hij is geplant en geworteld in goeden grond; door het Woord ontvangt hij van Christus mededelingen der Goddelijke genade, welke zijne ziel langzamerhand veranderen naar het beeld van zijnen Verlosser. Hoe verschillend is het in- en uitwendig bij hem, en hoe geheel anders zijn einde dan bij de goddelozen.
Aan het einde van dezen Psalm wil ik vermanen, gelijk ook vele heilige vaders als Athanasius en Augustinus deden, dat wij de Psalmen niet maar zingen of lezen, als gingen zij ons niet aan, maar wij moeten ze zo lezen en zingen, dat wij daardoor verbeterd worden, dat ons geloof en in allerlei noden ons geweten gesterkt worde. Het Boek der Psalmen is toch niets anders dan ene school en plaats der beproeving van ons hart en ons gemoed, hoe het gezind of geneigd is of zijn moet. Daarom leest hij het Boek der Psalmen zonder geest, die het zonder verstand en geloof leest.
Daar niemand behalve Jezus Christus een volmaakt rechtvaardige is, hebben de meeste andere uitleggers in dadelijk Messiaansen zin de eerste strofe, als van Hem, den eeuwigen groenen boom des levens opgenomen. En daar niemand door vervulling der wet in eigen kracht maar door het geloof in Jezus Christus gerechtvaardigd wordt, zo hebben vele, vooral Evangelische uitleggers op het nauwe verband tussen Psalm 1 de Summa legis en Psalm 2 de Summa Evangelie gewezen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel