Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG2532 de vijfdeG3991 engelG32 heeft gebazuindG4537, enG2532 ik zagG1492 een sterG792, gevallenG4098 uitG1537 den hemelG3772 opG1519 de aardeG1093, enG2532 haarG846 werd gegevenG1325 de sleutelG2807 van den putG5421 des afgrondsG12.
En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds.
KJV
And1
the fifth3
angel4
sounded,5
and6
I saw
a star8
fall12
from9
heaven11
unto13
the earth:15
and16
to him18
was given17
the key20
of the bottomless24
pit.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En zij heeft den putG5421 des afgrondsG12 geopendG455; enG2532 er is rookG2586 opgegaanG305 uitG1537 den putG5421, alsG5613 rookG2586 eens grotenG3173 ovensG2575; en de zonG2246 enG2532 de luchtG109 is verduisterdG4654 geworden van den rookG2586 des putsG5421.
En zij heeft den put des afgronds geopend; en er is rook opgegaan uit den put, als rook eens groten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts.
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
And1
he opened2
the bottomless6
pit;4
and7
there arose8
a smoke9
out of10
the pit,12
as13
the smoke14
of a great16
furnace;15
and17
the sun20
and21
the air23
were darkened18
by reason of24
the smoke26
of the pit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
EnG2532 uitG1537 den rookG2586 kwamen sprinkhanenG200 opG1519 de aardeG1093, enG2532 hunG846 werd machtG1849 gegevenG1325, gelijkG5613 de schorpioenenG4651 der aardeG1093 machtG1849 hebbenG2192.
En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben.
KJV
And1
there came5
out of2
the smoke4
locusts6
upon7
the earth:9
and10
unto them12
was given11
power,13
as14
the scorpions18
of the earth20
have15
power.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG2532 hun werd gezegdG4483, datG2443 zij het grasG5528 der aardeG1093 niet zouden beschadigenG91, noch enigeG3956 groenteG5515, noch enigenG3956 boomG1186, dan de mensenG444 alleen, die het zegelG4973 GodsG2316 aanG1909 hunG846 voorhoofdenG3359 niet hebbenG2192.
En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enigen boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben.
KJV
And1
it was commanded
them3
that
they should6
not
hurt
the grass8
of the earth,10
neither11
any12
green thing,13
neither14
any15
tree;16
but
only21
those men20
which22
have24
not23
the seal26
of God28
in29
their32
foreheads.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
EnG2532 hun werd macht gegevenG1325, nietG3361 datG2443 zij hen zouden dodenG615, maarG235 datG2443 zijG846 zouden van hen gepijnigdG928 worden vijfG4002 maandenG3376; enG2532 hunG846 pijnigingG929 was alsG5613 de pijnigingG929 van een schorpioenG4651, wanneer hij een mensG444 gestokenG3817 heeft.
En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hun pijniging was als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft.
KJV
And1
to them3
it was given2
that
they should6
not
kill
them,7
but8
that4
they should be tormented10
five12
months:11
and13
their16
torment15
was as17
the torment18
of a scorpion,19
when20
he striketh21
a man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
EnG2532 inG1722 die dagenG2250 zullen de mensenG444 den doodG2288 zoekenG2212, enG2532 zullen dien nietG3756 vindenG2147; en zijG846 zullen begerenG1937 te stervenG599, enG2532 de doodG2288 zal vanG575 henG846 vliedenG5343.
En in die dagen zullen de mensen den dood zoeken, en zullen dien niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vlieden.
KJV
And1
in2
those5
days4
shall men8
seek6
death,10
and11
shall13
not12
find
it;14
and15
shall desire16
to die,17
and18
death21
shall flee19
from22
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG2532 de gedaantenG3667 der sprinkhanenG200 waren den paardenG2462 gelijk, die tot den oorlogG4171 bereidG2090 zijn; enG2532 op hunG846 hoofdenG2776 waren alsG5613 kronenG4735, het goudG5557 gelijk, enG2532 hunG846 aangezichtenG4383 alsG5613 aangezichtenG4383 van mensenG444.
En de gedaanten der sprinkhanen waren den paarden gelijk, die tot den oorlog bereid zijn; en op hun hoofden waren als kronen, het goud gelijk, en hun aangezichten als aangezichten van mensen.
KJV
And1
the shapes3
of the locusts5
were like6
unto horses7
prepared8
unto9
battle;10
and11
on12
their15
heads14
were as it were16
crowns17
like18
gold,19
and20
their23
faces22
were as24
the faces25
of men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EnG2532 zij haddenG2192 haar als haar der vrouwenG1135, enG2532 hun tandenG3599 warenG1510 alsG5613 tanden van leeuwenG3023.
En zij hadden haar als haar der vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen.
KJV
And1
they had2
hair3
as4
the hair5
of women,6
and7
their10
teeth9
were
as11
the teeth of lions.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En zijG846 haddenG2192 borstwapenenG2382 alsG5613 ijzerenG4603 borstwapenenG2382; enG2532 het gedruisG5456 hunner vleugelenG4420 was alsG5613 een gedruisG5456 der wagensG716, wanneer veleG4183 paardenG2462 naarG1519 den strijdG4171 lopenG5143.
En zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; en het gedruis hunner vleugelen was als een gedruis der wagens, wanneer vele paarden naar den strijd lopen.
KJV
And1
they had2
breastplates,3
as it were4
breastplates5
of iron;6
and7
the sound9
of their12
wings11
was as13
the sound14
of chariots15
of many17
horses16
running18
to19
battle.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En zij haddenG2192 staartenG3769 den schorpioenenG4651 gelijk, enG2532 er warenG1510 angelsG2759 inG1722 hun staartenG3769; enG2532 hun machtG1849 was de mensenG444 te beschadigenG91 vijfG4002 maandenG3376.
En zij hadden staarten den schorpioenen gelijk, en er waren angels in hun staarten; en hun macht was de mensen te beschadigen vijf maanden.
KJV
And1
they had2
tails3
like4
unto scorpions,5
and6
there were
stings7
in9
their12
tails:11
and13
their16
power15
was to hurt17
men19
five21
months.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En zijG846 hadden over zich tot een koningG935 den engelG32 des afgrondsG12; zijn naamG3686 was in het HebreeuwsG1447 AbaddonG3, enG2532 inG1722 de GriekseG1673 taal had hijG846 den naamG3686 ApollyonG623.
En zij hadden over zich tot een koning den engel des afgronds; zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon, en in de Griekse taal had hij den naam Apollyon.
Ook in dit vers
[taal]G2192
KJV
And1
they had2
a king10
over4
them,5
which is the angel12
of the bottomless pit,14
whose8
name15
in the Hebrew tongue17
is Abaddon,18
but19
in20
the Greek tongue22
hath24
his name23
Apollyon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Het eneG1520 weeG3759 is weggegaanG565, zietG3708, er komenG2064 nogG2089 tweeG1417 weeenG3759 naG3326 dezenG5023.
Het ene wee is weggegaan, ziet, er komen nog twee weeen na dezen.
KJV
One
woe2
is past;5
and, behold,
there come7
two9
woes10
more8
hereafter.11
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG2532 de zesdeG1623 engelG32 heeft gebazuindG4537, enG2532 ik hoordeG191 eenG1520 stemG5456 uitG1537 de vierG5064 hoornenG2768 des goudenG5552 altaarsG2379, dat voor GodG2316 was,
En de zesde engel heeft gebazuind, en ik hoorde een stem uit de vier hoornen des gouden altaars, dat voor God was,
KJV
And1
the sixth3
angel4
sounded,5
and6
I heard7
a
voice8
from10
the four12
horns13
of the golden17
altar15
which2
is before19
God,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
ZeggendeG3004 tot den zesdenG1623 engelG32, dieG3739 de bazuinG4536 hadG2192: OntbindG3089 de vierG5064 engelenG32, die gebondenG1210 zijn bijG1909 de groteG3173 rivierG4215, den EufraatG2166.
Zeggende tot den zesden engel, die de bazuin had: Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier, den Eufraat.
KJV
Saying1
to the sixth3
angel4
which5
had6
the trumpet,8
Loose9
the four11
angels12
which2
are bound14
in15
the great19
river17
Euphrates.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En de vierG5064 engelenG32 zijn ontbondenG3089 geworden, welke bereidG2090 waren tegen de ureG5610, enG2532 dagG2250, enG2532 maandG3376, enG2532 jaarG1763, opdatG2443 zij het derdeG5154 deel der mensenG444 zouden dodenG615.
En de vier engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure, en dag, en maand, en jaar, opdat zij het derde deel der mensen zouden doden.
KJV
And1
the four4
angels5
were loosed,2
which3
were prepared7
for8
an hour,10
and11
a day,12
and13
a month,14
and15
a year,16
for to17
slay18
the third part20
of men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
EnG2532 het getalG706 van de heirlegersG4753 der ruiterijG2461 was tweemaalG1417 tien duizendenG3461 der tien duizendenG3461; enG2532 ik hoordeG191 hunG846 getalG706.
En het getal van de heirlegers der ruiterij was tweemaal tien duizenden der tien duizenden; en ik hoorde hun getal.
KJV
And1
the number3
of the army4
of the horsemen6
were two hundred7
thousand8
thousand:9
and10
I heard11
the number13
of them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En ik zagG1492 alzoG3779 de paardenG2462 inG1722 dit gezichtG3706, enG2532 die daarop zatenG2521, hebbendeG2192 vurigeG4447, enG2532 hemelsblauweG5191, enG2532 sulfervervigeG2306 borstwapenenG2382; enG2532 de hoofdenG2776 der paardenG2462 waren alsG5613 hoofdenG2776 van leeuwenG3023, enG2532 uitG1537 hunG846 mondenG4750 ging vuurG4442, enG2532 rookG2586, enG2532 sulferG2303.
En ik zag alzo de paarden in dit gezicht, en die daarop zaten, hebbende vurige, en hemelsblauwe, en sulfervervige borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging vuur, en rook, en sulfer.
KJV
And1
thus2
I saw
the horses5
in6
the vision,8
and9
them that sat11
on12
them,13
having14
breastplates15
of fire,16
and17
of jacinth,18
and19
brimstone:20
and21
the heads23
of the horses25
were as26
the heads27
of lions;28
and29
out of30
their33
mouths32
issued34
fire35
and36
smoke37
and38
brimstone.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
DoorG5259 dezeG3778 drieG5140 werd het derdeG5154 deel der mensenG444 gedoodG615, namelijk door het vuurG4442, enG2532 door den rookG2586, enG2532 door het sulferG2303, dat uitG1537 hunG846 mondenG4750 uitgingG1607.
Door deze drie werd het derde deel der mensen gedood, namelijk door het vuur, en door den rook, en door het sulfer, dat uit hun monden uitging.
Ook in dit vers
uit/metG1537
uit/metG1537
uit/metG1537
KJV
By1
these
three3
was5
the third part7
of men9
killed,
by10
the fire,12
and13
by14
the smoke,16
and17
by18
the brimstone,20
which2
issued22
out of23
their26
mouths.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
WantG1063 hun machtG1849 is inG1722 hunG846 mondG4750, enG2532 inG1722 hun staartenG3769; wantG1063 hun staartenG3769 zijn aan de slangenG3789 gelijk, en hebbenG2192 hoofdenG2776, enG2532 beschadigenG91 metG1722 dezelveG846.
Want hun macht is in hun mond, en in hun staarten; want hun staarten zijn aan de slangen gelijk, en hebben hoofden, en beschadigen met dezelve.
KJV
For3
their10
power4
is
in11
their14
mouth,13
and19
in20
their23
tails:22
for7
their28
tails27
were like29
unto serpents,30
and had31
heads,32
and33
with34
them35
they do hurt.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG2532 de overigeG3062 mensenG444, die niet gedoodG615 zijn doorG1722 dezeG3778 plagenG4127, hebben zich niet bekeerdG3340 vanG1537 de werkenG2041 hunner handenG5495, dat zijG846 niet zouden aanbiddenG4352 de duivelenG1140; en de goudenG5552, enG2532 zilverenG693, enG2532 koperenG5470, enG2532 stenenG3035, enG2532 houtenG3585 afgodenG1497, die noch zienG991 kunnen, noch horenG191, noch wandelenG4043;
En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen;
KJV
And1
the rest3
of the men5
which6
were8
not7
killed
by9
these
plagues11
yet14
repented18
not47
of19
the works21
of their24
hands,23
that
they should27
not
worship
devils,29
and30
idols31
of gold,33
and34
silver,36
and37
brass,39
and40
stone,42
and43
of wood:45
which46
neither50
can49
see,48
nor52
hear,51
nor
walk:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En hebben zich ook nietG3756 bekeerdG3340 vanG1537 hun doodslagenG5408, noch van hun venijngevingenG5331, noch vanG1537 hun hoererijG4202, noch van hunG846 dieverijenG2809.
En hebben zich ook niet bekeerd van hun doodslagen, noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen.
Ook in dit vers
uit/metG1537
uit/metG1537
KJV
Neither1
repented they3
of4
their7
murders,6
nor8
of9
their12
sorceries,11
nor13
of14
their17
fornication,16
nor18
of19
their22
thefts.
ik zag een ster, gevallen
Eenigen verstaan door deze ster Mohammed met zijn aanhang, die omtrent het jaar 620 zijn ongoddelijke leer uit het Jodendom, Heidendom en Christendom bijeen geraapt heeft, en uit den put van den afgrond te voorschijn gebracht, en daarna door zijne Arabieren en Saracenen, gelijk gewapende sprinkhanen, door een groot deel der wereld, ten dele met bedrog, ten dele met geweld heeft voortgeplant, gelijk zulke heirlegers bij sprinkhanen worden vergeleken; Richt. 7:12, en Jes. 33:4; Joël 1:4, en Joël 2:4, enz., uit welke plaatsen deze beschrijving merendeels is genomen. Doch daar in dit boek door sterren alom opzieners en leraars der Kerk verstaan worden, gelijk verklaard wordt Openb. 1:20, zo wordt hier veel geschikter de bisschop van Rome met zijn aanhang verstaan, die zichzelf voor een algemeen bisschop onder de christenen omtrent dien zelfden tijd heeft opgeworpen, welke na den ondergang van het Romeinse rijk, in plaats van de geestelijke zorg alleen te betrachten, zich meer tot aardse en wereldse zorgen heeft begeven, en een nieuwe heerschappij opgericht en daarom gezegd wordt uit den hemel op de aarde gevallen te zijn.
Hertaald:
ik zag een ster, gevallen
Sommigen verstaan onder deze ster Mohammed met zijn aanhang. Die heeft omstreeks het jaar 620 zijn goddeloze leer uit het Jodendom, het heidendom en het christendom bijeengeraapt en uit de put van de afgrond tevoorschijn gebracht, en die daarna door zijn Arabieren en Saracenen als door gewapende sprinkhanen door een groot deel van de wereld verspreid, deels met bedrog, deels met geweld. Zo worden zulke legers met sprinkhanen vergeleken; Richt. 7:12 en Jes. 33:4; Joël 1:4 en Joël 2:4, enzovoort, uit welke plaatsen deze beschrijving grotendeels genomen is. Maar omdat in dit boek met sterren telkens opzieners en leraars van de kerk bedoeld worden, zoals verklaard wordt in Openb. 1:20, wordt hier veel passender de bisschop van Rome met zijn aanhang bedoeld. Die heeft zichzelf omstreeks diezelfde tijd tot algemeen bisschop onder de christenen opgeworpen; en na de ondergang van het Romeinse rijk heeft hij zich, in plaats van alleen de geestelijke zorg te behartigen, meer tot aardse en wereldse zorgen begeven en een nieuwe heerschappij opgericht. Daarom wordt van hem gezegd dat hij uit de hemel op de aarde gevallen is.
de sleutel van den put
Dat is, de macht om den put of het diepste des afgronds, [dat is der hel, Luc. 8:31 ] te openen, waaruit deze dikke rook is opgegaan; welke macht door een rechtvaardig oordeel Gods over de ondankbaarheid der mensen hun is gegeven, gelijk hierna vs.4,5 ook wordt gesproken; en gelijk Paulus spreekt 2 Thess. 2:9-11.
Hertaald:
de sleutel van den put
Dat is: de macht om de put of het diepste van de afgrond — dat is: van de hel, Luk. 8:31 — te openen, waaruit deze dikke rook opgestegen is. Die macht is hun gegeven door een rechtvaardig oordeel van God over de ondankbaarheid van de mensen, zoals hierna in vers 4 en 5 ook gezegd wordt en zoals Paulus zegt in 2 Thess. 2:9-11.
rook opgegaan uit den put,
Dat is, valse en afgodische leer, die Paulus, 1 Tim. 4:1, noemt leringen der duivelen, bestaande in het verbod van het huwelijk en van het gebruik der spijzen, die God geschapen heeft om met dankzegging te genieten, als ook van afgoderij, beeldendienst, eigen verdiensten en voldoening en andere bijgelovigheden, gelijk hierna vs.20 wordt uitgedrukt.
Hertaald:
rook opgegaan uit den put,
Dat is: valse en afgodische leer, die Paulus in 1 Tim. 4:1 leringen van de duivelen noemt. Die bestaat in het verbod van het huwelijk en van het gebruik van de voedselsoorten die God geschapen heeft om met dankzegging te genieten, en ook in afgodendienst, beeldendienst, eigen verdiensten en voldoening en andere bijgelovigheden, zoals hierna in vers 20 uitgedrukt wordt.
en de zon en de lucht
Dat is, van Christus en Zijn leer, gelijk hiervoor Openb. 8:12, en elders meer.
Hertaald:
en de zon en de lucht
Dat is: van Christus en Zijn leer, zoals hiervoor in Openb. 8:12 en elders meer.
uit den rook kwamen sprinkhanen
Dat is, uit deze afgodische en bijgelovige leer hebben deze sprinkhanen hun oorsprong gehad. Want door het verbod van het huwelijk en van zekere spijzen, door het verdichtsel van vagevuur, van eigene verdiensten en voldoening en dergelijke, is de menigte van monniken en andere genoemde orden door het christendom zo vermenigvuldigd, gelijk bekend is.
Hertaald:
uit den rook kwamen sprinkhanen
Dat is: uit deze afgodische en bijgelovige leer hebben deze sprinkhanen hun oorsprong gehad. Want door het verbod van het huwelijk en van bepaalde voedselsoorten, door het verzinsel van het vagevuur, van eigen verdiensten en voldoening en dergelijke, is de menigte van monniken en van andere zogenaamde orden zo door het christendom vermeerderd, zoals bekend is.
dat zij het gras der aarde niet
Dat is, de ware gelovigen, die op den akker des Heeren groeien en groenen; Ps. 1:3, en Ps. 92:13. Dit wordt gezegd om te tonen, dat hier van geen eigenlijk genoemde sprinkhanen wordt gesproken, maar van geveinsde en schadelijke mensen, gelijk hun volgende beschrijving ook aantoont.
Hertaald:
dat zij het gras der aarde niet
Dat is: de ware gelovigen, die op de akker van de Heere groeien en groenen; Ps. 1:3 en Ps. 92:13. Dat wordt gezegd om te laten zien dat hier niet over sprinkhanen in eigenlijke zin gesproken wordt, maar over geveinsde en schadelijke mensen, zoals de beschrijving die van hen volgt ook aantoont.
die het zegel Gods aan hun voorhoofden
Zie van dit zegel Gods hiervoor Openb. 7:3-4.
Hertaald:
die het zegel Gods aan hun voorhoofden
Over dit zegel van God, zie hiervoor Openb. 7:3-4.
gepijnigd worden
Namelijk in hun geweten, door de onzekerheid hunner zaligheid, door onzekerheid van de genoegzaamheid hunner verdiensten, door vrees van vagevuur en dergelijke, daar degenen die door het zegel van Gods Geest getekend zijn, vrij van zijn, gelijk Paulus getuigt Rom. 5:1-2, en Rom. 8:1.
Hertaald:
gepijnigd worden
Namelijk gepijnigd in hun geweten, door de onzekerheid van hun zaligheid, door de onzekerheid over de toereikendheid van hun verdiensten, door vrees voor het vagevuur en dergelijke. Daarvan zijn zij vrij die door het zegel van Gods Geest getekend zijn, zoals Paulus betuigt in Rom. 5:1-2 en Rom. 8:1.
vijf maanden; en hun
Dat is, den tijd dat de sprinkhanen in het veld in hun kracht plegen te zijn, van het begin van de lente tot na den oogst, of den tijd van den gehelen zomer. Waarmede te kennen gegeven wordt, dat deze sprinkhanen niet terstond zullen geweerd worden of belet de mensen te kwellen, gelijk de sprinkhanen in de plaag van Egypte, Ex. 10:19; maar dat zij den gehelen tijd, dat zij in hun kracht zijn, en dien God gesteld heeft, zodanige eigenschap zullen behouden.
Hertaald:
vijf maanden; en hun
Dat is: de tijd dat de sprinkhanen in het veld op hun kracht plegen te zijn, van het begin van de lente tot na de oogst, of de tijd van de hele zomer. Daarmee wordt te kennen gegeven dat deze sprinkhanen niet meteen geweerd zullen worden of verhinderd zullen worden de mensen te kwellen, zoals de sprinkhanen bij de plaag van Egypte, Ex. 10:19; maar dat zij deze eigenschap zullen behouden gedurende de hele tijd dat zij op hun kracht zijn en die God daarvoor gesteld heeft.
van een schorpioen,
Namelijk welker steek hoe langer hoe erger wordt, indien hij in het begin niet wordt gebeterd.
Hertaald:
van een schorpioen,
Namelijk een schorpioen wier steek steeds erger wordt als hij niet in het begin behandeld wordt.
den dood zoeken, en zullen
Namelijk van benauwdheid huns gemoeds.
Hertaald:
den dood zoeken, en zullen
Namelijk uit benauwdheid van hun gemoed.
de gedaanten der sprinkhanen
Deze beschrijving toont dat hier niet dan van schadelijke mensen wordt gesproken, die altijd bereid staan om de ware christenen te vervolgen en een geestelijken krijg aan te doen, als paarden die tot krijgen bereid staan, die met hun geschoren kruinen als kronen op hun hoofden, hun heerschappij, die zij onder hun Oversten met drie kronen hebben, voor allen betuigen. Die met een schoon gelaat als mensen, die harten van velen innemen, en door hun lang haar als vrouwen haar wel zachtzinnigheid veinzen, maar de tanden als leeuwen tanden hebben, om door hun rechtbanken en andere scherpe en wrede vonnissen de christenen te kwetsen; die tegen alle wereldlijke macht hun gunsten en vrijheden, van hunnen koning verleend, als ijzeren borstwapenen stellen, en door het gedruis hunner vleugelen zich boven anderen verheffen, en geheel de wereld vrees aanjagen; die eindelijk met hun staarten, dat is, bijgelovige leringen de mensen, die het zegel Gods niet hebben, vele kwellingen aandoen, gelijk vs.5 is verklaard.
Hertaald:
de gedaanten der sprinkhanen
Deze beschrijving toont dat hier alleen over schadelijke mensen gesproken wordt, die altijd bereid staan om de ware christenen te vervolgen en hun een geestelijke oorlog aan te doen, als paarden die tot de strijd gereedstaan. Met hun geschoren kruinen als kronen op hun hoofden betuigen zij aan allen de heerschappij die zij onder hun oversten met drie kronen hebben. Met een mooi gelaat als mensen nemen zij de harten van velen in, en door hun lange haar als vrouwen veinzen zij wel zachtzinnigheid; maar zij hebben tanden als leeuwentanden, om door hun rechtbanken en andere scherpe en wrede vonnissen de christenen te verwonden. Tegen alle wereldlijke macht stellen zij hun gunsten en vrijheden die hun koning hun verleend heeft als ijzeren borstwapens; door het gedruis van hun vleugels verheffen zij zich boven anderen en jagen zij de hele wereld vrees aan. Ten slotte doen zij met hun staarten, dat is: met hun bijgelovige leringen, aan de mensen die het zegel van God niet hebben veel kwellingen aan, zoals in vers 5 verklaard is.
Abáddon, en in
Abaddon in het Hebreeuws en Apollyon in het Grieks, betekent verderf en verderver, en komt overeen met den naam, dien de apostel Paulus den antichrist geeft; 2 Thess. 2:3-4, 2 Thess. 2:9, als hij hem noemt de mens der zonde, en de zoon des verderfs, de tegenstrijder, en die zich verheft boven al wat God genaamd wordt, wiens komst is na de werking des satans; waarvan zie de verklaring aldaar.
Hertaald:
Abáddon, en in
Abaddon in het Hebreeuws en Apollyon in het Grieks betekenen verderf en verderver. Dat komt overeen met de naam die de apostel Paulus de antichrist geeft in 2 Thess. 2:3-4, 2 Thess. 2:9, waar hij hem de mens van de zonde en de zoon van het verderf noemt, de tegenstander en hij die zich verheft boven al wat God genoemd wordt, wiens komst naar de werking van de satan is; zie de verklaring daar.
is weggegaan, ziet,
Namelijk ten aanzien van het gezicht, dat den apostel vertoond was. Want de zaak zelf is langen tijd daarna geschied, en zal eerst door de verschijning der komst van Jezus Christus geheel teniet gedaan worden, gelijk Paulus getuigt 2 Thess. 2:8.
Hertaald:
is weggegaan, ziet,
Namelijk met het oog op het gezicht dat aan de apostel voorgesteld was. Want de zaak zelf is lange tijd daarna gebeurd, en zij zal pas door de verschijning van de komst van Jezus Christus geheel tenietgedaan worden, zoals Paulus betuigt in 2 Thess. 2:8.
uit de vier hoornen des
Dit ziet op het reukaltaar, dat vier hoornen had, en in het heilige voor het heilige der heiligen stond, op welk altaar de priesters alle dagen reukwerk offerden; maar op deze vier hoornen de hogepriester eens in het jaar; Ex. 30:10. Door welke hoornen de macht van Christus wordt verstaan, die hier het vonnis uitspreekt tot straf dergenen die Zijn Kerk tot nog toe hebben verdrukt. Zie hiervoor Openb. 6:9.
Hertaald:
uit de vier hoornen des
Dit ziet op het reukaltaar, dat vier hoornen had en dat in het heilige stond voor het heilige der heiligen. Op dat altaar offerden de priesters alle dagen reukwerk, maar op deze vier hoornen deed de hogepriester dat eenmaal per jaar; Ex. 30:10. Met deze hoornen wordt de macht van Christus bedoeld, Die hier het vonnis uitspreekt tot straf van hen die Zijn kerk tot nu toe verdrukt hebben. Zie hiervoor Openb. 6:9.
Ontbind de vier engelen,
Door deze vier engelen wordt meest door alle uitleggers verstaan de secte der Mohammedanen, die vooral in vier volken bestaan, die al de anderen onder zich hebben gebracht, namelijk de Arabieren, Saracenen, Tartaren en Turken, waarvan de Arabieren en Saracenen wel van het jaar 620 af veel geweld tegen de christenen, en inzonderheid tegen het Romeinse rijk in Oosten en Westen hebben gebruikt; maar zijn daarna wederom door de christenen tot over den Eufraat gedreven, totdat omtrent het jaar 1300, als het antichristendom op zijn hoogst was, en de rechtzinnige christenen het allermeest waren verdrukt, de Tartaren en de Turken uit de beide Armeniën, die tegen den Eufraat liggen, zijn doorgebroken, en geheel Azië en Afrika hebben overlopen en tenondergebracht, en het Griekse of het Oosterse rijk, waarvan Konstantinopel het hoofd was, teniet gedaan. In welke krijgen veel bloed vergoten is. En het schijnt dat door deze krijgen de koningen, die hun macht het beest hadden gegeven, zoveel werk hebben gekregen, dat de rechtzinnige leraars in verscheidene landen intussen nieuwe Kerken hebben opgericht,
Hertaald:
Ontbind de vier engelen,
Onder deze vier engelen wordt door bijna alle uitleggers de sekte van de mohammedanen verstaan. Die bestaat vooral uit vier volken die alle andere onder zich gebracht hebben, namelijk de Arabieren, Saracenen, Tataren en Turken. Van hen hebben de Arabieren en Saracenen vanaf het jaar 620 wel veel geweld gebruikt tegen de christenen en in het bijzonder tegen het Romeinse rijk in het Oosten en het Westen, maar zij zijn daarna door de christenen weer tot over de Eufraat gedreven. Dat duurde totdat omstreeks het jaar 1300, toen het antichristendom op zijn hoogst was en de rechtzinnige christenen het meest verdrukt werden, de Tataren en de Turken uit de beide Armeniën, die aan de Eufraat liggen, doorgebroken zijn. Zij hebben heel Azië en Afrika overlopen en ten onder gebracht en het Griekse of Oosterse rijk, waarvan Konstantinopel het hoofd was, tenietgedaan. In die oorlogen is veel bloed vergoten. Het lijkt erop dat de koningen die hun macht aan het beest gegeven hadden door deze oorlogen zoveel werk gekregen hebben, dat de rechtzinnige leraars in verschillende landen intussen nieuwe kerken opgericht hebben,
Ontbind de vier engelen,
zonder dat zij door de vervolgingen van den antichrist hebben kunnen uitgeroeid worden, gelijk in Frankrijk, Engeland, Bohemen, Zwitserland en andere gewesten door Waldus, Wiclef, Johannes Hus, Hieronymus van Praag en meer anderen is geschied; waarvan in de volgende hoofdstukken breder zal geprofeteerd worden.
Hertaald:
Ontbind de vier engelen,
zonder dat zij door de vervolgingen van de antichrist uitgeroeid konden worden. Zo is dat gebeurd in Frankrijk, Engeland, Bohemen, Zwitserland en andere gewesten, door Waldus, Wiclef, Johannes Hus, Hiëronymus van Praag en meer anderen; daarover zal in de volgende hoofdstukken uitvoeriger geprofeteerd worden.
die gebonden zijn bij de grote rivier,
Namelijk door Gods voorzienigheid, totdat de mate der zonden van het christendom vervuld was, gelijk vs.20 zal betuigd worden; en dat dezen volken de vrije toom, om hun eergierigheid en roofgierigheid uit te voeren, door Gods rechtvaardig oordeel zal gegeven zijn; gelijk Jes. 10:5; Jer. 25:9.
Hertaald:
die gebonden zijn bij de grote rivier,
Namelijk gebonden door Gods voorzienigheid, totdat de maat van de zonden van het christendom vervuld was, zoals in vers 20 betuigd zal worden; en totdat aan deze volken door Gods rechtvaardig oordeel de vrije teugel gegeven zou zijn om hun eerzucht en hun roofzucht uit te voeren, zoals in Jes. 10:5; Jer. 25:9.
het derde deel der mensen
Want er zijn door deze heirlegers menig honderdduizend christenen omgebracht, en vele anderen tot afval en daardoor tot den geestelijken dood gebracht, gelijk de geschiedenis van dien tijd en de ervaring getuigen.
Hertaald:
het derde deel der mensen
Want door deze legers zijn menige honderdduizend christenen omgebracht en zijn veel anderen tot afval en daardoor tot de geestelijke dood gebracht, zoals de geschiedenis van die tijd en de ervaring betuigen.
der ruiterij was
Dit wordt uitgedrukt, omdat hun heirlegers meest uit ruiterij bestonden, die uitnemend groot waren, en de heirlegers der christenen verre te boven gingen, waardoor zij ook hun meeste overwinningen hebben verkregen, gelijk in vs.17 wordt uitgedrukt.
Hertaald:
der ruiterij was
Dit wordt uitgedrukt omdat hun legers vooral uit ruiterij bestonden. Die was buitengewoon groot en overtrof de legers van de christenen verre; daardoor hebben zij ook de meeste overwinningen verkregen, zoals in vers 17 uitgedrukt wordt.
tweemaal tien duizenden der tien duizenden;
Dat is, een overgrote menigte; gelijk door deze wijze van spreken ook elders wordt verstaan. Zie Ps. 68:18; Dan. 7:10; en dat deze Turken en Tartaren met enige honderduizenden te velde plegen te komen, is uit de historiën genoeg bekend.
Hertaald:
tweemaal tien duizenden der tien duizenden;
Dat is: een zeer grote menigte, zoals met deze manier van spreken ook elders bedoeld wordt. Zie Ps. 68:18; Dan. 7:10. En dat deze Turken en Tataren gewoonlijk met enige honderdduizenden te velde kwamen, is uit de geschiedverhalen genoeg bekend.
en ik hoorde hun getal
Namelijk noemen in dit gezicht.
Hertaald:
en ik hoorde hun getal
Namelijk ik hoorde hun getal noemen in dit gezicht.
vurige, en hemelsblauwe,
Daar deze natiën zeer weinig ijzeren wapens dragen, zo verstaan enigen hierdoor hun verscheidene klederen, die zij uit dergelijke kleuren plegen te dragen; anderen hun wrede gemoederen, die zij tegen de christenen betonen, en hun schrikkelijke lasteringen, die zij tegen hen plegen uit te blazen.
Hertaald:
vurige, en hemelsblauwe,
Omdat deze naties zeer weinig ijzeren wapens dragen, verstaan sommigen hiermee hun verschillende kleren, die zij gewoonlijk in dergelijke kleuren dragen. Anderen verstaan hiermee hun wrede gemoed dat zij tegen de christenen betonen, en de verschrikkelijke lasteringen die zij gewoonlijk tegen hen uitblazen.
hoofden van leeuwen,
Dat is, die sterk, snel en wreed zijn, en niet alleen met slaan, maar ook met bijten en scheuren plegen te woeden.
Hertaald:
hoofden van leeuwen,
Dat is: hoofden die sterk, snel en wreed zijn en die niet alleen met slaan, maar ook met bijten en verscheuren plegen te woeden.
vuur, en rook, en sulfer
Dit duiden sommigen op het geschut dat zij voeren, waarmede in het schieten vuur, rook zwavel uit hun monden schijnt voort te komen. Anderen verstaan hierdoor allerlei soorten van wreedheid, die zij door hun wapens bedrijven zouden.
Hertaald:
vuur, en rook, en sulfer
Dit betrekken sommigen op het geschut dat zij voeren, waarbij in het schieten vuur, rook en zwavel uit hun monden lijken te komen. Anderen verstaan hiermee allerlei soorten wreedheid die zij door hun wapens zouden bedrijven.
in hun staarten; want hun
Dit duiden sommigen daarop, dat zij niet alleen van voren in het volgen, maar ook van achteren in het vluchten eertijds met hun bogen, en nu met hun geschut, weten te schieten en te beschadigen.
Hertaald:
in hun staarten; want hun
Dit betrekken sommigen daarop dat zij niet alleen van voren bij het achtervolgen, maar ook van achteren bij het vluchten weten te schieten en te beschadigen, vroeger met hun bogen en nu met hun geschut.
de slangen gelijk,
Welker vergift in het hoofd en in den staart ligt, die ook met deze beide meest plegen te beschadigen, gelijk er ook zodanige slangen worden gevonden, die hoofden hebben aan hare staarten, en Amphisbene genoemd worden.
Hertaald:
de slangen gelijk,
Slangen hebben hun gif in de kop en in de staart en plegen ook met deze beide het meest te beschadigen; er worden ook zulke slangen gevonden die koppen aan hun staarten hebben en die amfisbenen genoemd worden.
door deze plagen, hebben zich
Namelijk die God vanwege de afgoderij en andere zonden hun had toegezonden, hetwelk de volgende woorden vereisen. Waaruit blijkt, dat deze afgoderij, die de christenen in Griekenland en geheel het Oosten hadden opgericht, en met hunne tweede synode van Nicea, en andere meer, hadden bevestigd, de oorzaak is geweest, dat God door Zijn rechtvaardig oordeel deze straf over hen heeft gezonden; aan welker voorbeeld nochtans de Kerken van het Westen zich niet hebben gespiegeld, maar zijn in deze afgoderij gebleven.
Hertaald:
door deze plagen, hebben zich
Namelijk de plagen die God hun vanwege de afgodendienst en andere zonden toegezonden had; dat vragen de volgende woorden. Daaruit blijkt dat deze afgodendienst, die de christenen in Griekenland en in heel het Oosten opgericht en met hun tweede synode van Nicea en met andere synoden bevestigd hadden, de oorzaak geweest is dat God door Zijn rechtvaardig oordeel deze straf over hen gezonden heeft. Toch hebben de kerken van het Westen zich niet aan hun voorbeeld gespiegeld, maar zijn zij in deze afgodendienst gebleven.
de werken hunner handen,
Dat is, beeldendienst, want niet de duivelen, maar de beelden zijn werken der mensenhanden.
Hertaald:
de werken hunner handen,
Dat is: de beeldendienst. Want niet de duivelen, maar de beelden zijn werken van mensenhanden.
aanbidden de duivelen;
Hier wordt niet gesproken van de afgoderij der heidenen; want de Mohammedanen hebben eigenlijk geen oorlog gevoerd tegen de heidenen, die door de christelijke keizers in het Oosten en Westen lang tevoren meest waren uitgeroeid, noch van de oorlogen der Mohammedanen onder elkander, want die hebben geen beelden, noch eren ze, maar ze hebben oorlog gevoerd tegen de christenen. Degenen ook die van hen niet gedood maar overig gebleven zijn door geheel Europa, zijn geen heidenen maar christenen van belijdenis geweest. En hier wordt dan, door het aanbidden der duivelen, niet gezien op hetgeen deze overigen beleden te doen, maar op hetgeen zij metterdaad deden, daar degenen die van den rechten godsdienst afwijken, en een versierden godsdienst, van God verboden, oprichten, daarmee niet God maar den duivel dienen, wat zij ook roemen, gelijk te zien is 2 Kron. 11:15; Am. 5:25-26; 1 Tim. 4:1, leringen der duivelen noemt, die zij wel voor goddelijke leringen houden, maar omdat zij tegen Gods instelling strijden, voor leringen en diensten des duivels moeten gehouden worden.
Hertaald:
aanbidden de duivelen;
Hier wordt niet gesproken over de afgodendienst van de heidenen. Want de mohammedanen hebben eigenlijk geen oorlog gevoerd tegen de heidenen, die door de christelijke keizers in het Oosten en het Westen al lang tevoren grotendeels uitgeroeid waren; en ook niet over de oorlogen van de mohammedanen onder elkaar, want die hebben geen beelden en eren die ook niet. Zij hebben oorlog gevoerd tegen de christenen. Ook zij die door hen niet gedood zijn maar door heel Europa overgebleven zijn, waren geen heidenen, maar christenen van belijdenis. Met het aanbidden van de duivelen wordt hier dus niet gezien op wat deze overgeblevenen beleden te doen, maar op wat zij in werkelijkheid deden. Want zij die van de juiste godsdienst afwijken en een verzonnen godsdienst oprichten die door God verboden is, dienen daarmee niet God maar de duivel, wat zij ook roemen; zoals te zien is in 2 Kron. 11:15; Amos 5:25-26. Zo noemt Paulus zulke leringen in 1 Tim. 4:1 leringen van de duivelen: zij houden die wel voor goddelijke leringen, maar omdat zij strijden met Gods instelling, moeten zij voor leringen en diensten van de duivel gehouden worden.
afgoden,
Of beelden.
Hertaald:
afgoden,
Of: beelden.
die noch zien kunnen,
Dit is genomen uit Psa 115, hetwelk de apostel op de antichristische beelden toepast, omdat zij niet meer kracht hebben dan de beelden der heidenen of Joden in dezen dele.
Hertaald:
die noch zien kunnen,
Dit is genomen uit Psalm 115. De apostel past dat toe op de antichristische beelden, omdat die in dit opzicht niet meer kracht hebben dan de beelden van de heidenen of van de Joden.
doodslagen, noch van
Hiervan zijn, benevens anderen, de martelaars, die zij zo menig duizend in vele eeuwen met vuur, zwaard, bast en anderszins hebben gedood, genoegzaam getuigen.
Hertaald:
doodslagen, noch van
Daarvan zijn onder anderen de martelaren genoeg getuige, die zij in veel eeuwen met vuur, zwaard, strop en anderszins bij menige duizend gedood hebben.
venijngevingen, noch
OF toverijen, gelijk dit woord beide betekent, en gelijk beide onder het rijk van den antichrist niet dan te veel in zwang is.
Hertaald:
venijngevingen, noch
Of: toverijen, want dit woord betekent beide; en beide zijn onder het rijk van de antichrist maar al te veel in omloop.
hoererij, noch van hun
Waarvan de openbare hoerenhuizen, die bij velen van hen openbaar toegelaten worden, en waar zij voordeel van trekken, en de ontuchtigheden der priesters, onder anderen een bewijs zijn.
Hertaald:
hoererij, noch van hun
Daarvan zijn onder andere de openbare hoerenhuizen een bewijs, die bij velen van hen openlijk toegelaten worden en waarvan zij voordeel trekken, en ook de ontucht van de priesters.
dieverijen
Onder welke de onttrekking der erfenissen van de recht erfgenamen tot hun kloosters, en het afkeren der goederen, de godsdienst toegeëigend, tot onderhoud van luie buiken en tot wereldse pracht onder velen, met recht gerekend mag worden.
Hertaald:
dieverijen
Daaronder mag met recht gerekend worden het onttrekken van de erfenissen aan de rechte erfgenamen ten bate van hun kloosters, en het afwenden van de goederen die aan de godsdienst toegewijd zijn tot onderhoud van luie buiken en tot wereldse pracht bij velen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Na een stilzwijgen van een half uur in de hemel ontvangen zeven engelen zeven bazuinen (Op. 8:1-6). Bij de eerste vier wordt telkens "het derde deel" getroffen. Eerst de bomen en het gras (Op. 8:7). Dan de zee en de schepselen daarin (Op. 8:8-9). Dan de rivieren en fonteinen, die bitter worden door een ster genaamd Alsem (Op. 8:10-11). En ten slotte zon, maan en sterren (Op. 8:12). Een engel roept daarna een drievoudig "wee" over de aarde vanwege de drie bazuinen die nog komen zullen (Op. 8:13). De vijfde bazuin brengt sprinkhanen uit de put des afgronds die mensen zonder Gods zegel vijf maanden pijnigen, niet doden (Op. 9:1-11). De zesde ontbindt vier engelen bij de Eufraat, die het derde deel der mensen doden door vuur, rook en sulfer (Op. 9:13-19). Tot besluit van dit hoofdstuk staat een sober, hard woord: de overige mensen "hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen" (Op. 9:20-21). Bijbelse betekenis: Het steeds terugkerende "het derde deel" is de sleutel tot dit hele visioen: het is een beperkt, geen volledig oordeel. Er blijft twee derde over. Deze oordelen zijn dus geen eindafrekening maar een waarschuwing, bedoeld om tot bekering te roepen — vandaar dat het vers erna zo zwaar weegt: ondanks al deze slagen bekeert de rest van de mensen zich niet. Het patroon herhaalt zo, op grotere schaal, wat bij de plagen van Egypte al gebeurde: teken op teken, en toch geen ommekeer van het hart. Typologie: Ook de derde plaag over Egypte kwam door het water — Mozes sloeg de rivier en "al het water in de rivier werd in bloed veranderd" (Ex. 7:20) — en ook die tekenen bekeerden Farao niet. Christus had reeds gezegd dat het Evangelie eerst in de gehele wereld gepredikt moet worden "tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen" (Matt. 24:14, reeds mede behandeld bij Wederkomst). De bazuinen vallen dus binnen dezelfde tijd van geduld en getuigenis, niet na het einde daarvan. Op. 8:1-13; Op. 9:1-21; Ex. 7:20; Matt. 24:14 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Openbaring 9
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Openbaringen 9
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
VII. Vs. 1-21.KruisverwijzingenOpenbaring 8:10→Openbaring 9:10→Joël 2:10→Joël 2:2→Genesis 19:28→Jeremia 8:3→Lukas 8:31→Openbaring 6:6→
— En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds. En zij heeft den put des afgronds geopend; en er is rook opgegaan uit den put, als rook eens groten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts. En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben. En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enigen boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben. En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hun pijniging was als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft. En in die dagen zullen de mensen den dood zoeken, en zullen dien niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vlieden. En de gedaanten der sprinkhanen waren den paarden gelijk, die tot den oorlog bereid zijn; en op hun hoofden waren als kronen, het goud gelijk, en hun aangezichten als aangezichten van mensen. En zij hadden haar als haar der vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen. En zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; en het gedruis hunner vleugelen was als een gedruis der wagens, wanneer vele paarden naar den strijd lopen. En zij hadden staarten den schorpioenen gelijk, en er waren angels in hun staarten; en hun macht was de mensen te beschadigen vijf maanden.
De bazuinen, die wij beschouwden, verdelen zich in twee paren. De eerste en tweede bazuin hebben betrekking op de val en ondergang van het Romeinse rijk en de daarmee verbonden politieke nood, de derde en vierde op oorsprong en ontwikkeling van het inwendig verderf van de oosterse kerk. Ook de 5e en 6e bazuin verenigen zich tot een paar. Zij zijn in het oosters koloriet van hun beelden aan elkaar zo bijzonder gelijk, dat er geen twijfel kan zijn, of zij zien beide op een en dezelfde gebeurtenis, uit de geschiedenis van wereld en godsdienst, die sterk in die van de Kerk ingrijpt; zij laten daarvoor echter van twee zijden licht opgaan. En zo is het ook geschied; er wordt in deze over het Mohammedanisme gehandeld, waardoor over de Kerk van het oosten, inwendig zo verdorven, ook uitwendig verderf is gekomen. De vijfde bazuin omvat een tijdruimte van 150 jaren, van het begin van de invoering van Mohammeds Godsdienst tot aan de grondlegging van het kalifaat te Bagdad aan de Eufraat (van 616 tot 766 na Christus); de zesde daarentegen omvat de latere veel verschrikkelijkere verwoestingen en nadelen, die de Islam door de Saracenen, Mongolen en Osmanen de Kerk heeft aangebracht.
Enigen verstaan door deze ster Mohammed met zijn aanhang die over het jaar 620 zijn goddelijke leer uit het Jodendom, Heidendom en Christendom bijeengeraapt heeft en uit de put van de afgrond te voorschijn gebracht en daarna door zijn Arabier, de Saracenen, als gewapende sprinkhanen, door een groot deel van de wereld, ten dele met bedrog, ten dele met geweld zich heeft voortgeplant, zoals zulke heirlegers met sprinkhanen worden vergeleken, Richt. 7: 12 Jes. 33: 4 Joël 1: 4 enz., uit welke plaatsen deze beschrijving voor het grootste gedeelte genomen is. Maar omdat in dit boek door sterren overal opzieners en leraars van de Kerk verstaan worden, zoals verklaard wordt Hoofdstuk 1: 20, zo wordt hier veel bekwamelijker de bisschop van Rome met zijn aanhang verstaan, die zichzelf voor een algemeen bisschop onder de Christenen over diezelfde tijd heeft opgeworpen, die na de ondergang van het Roomse rijk, in plaats van de geestelijke zorg alleen te betrachten, zich meer tot aardse en wereldse zorg heeft begeven en een nieuwe heerschappij opgericht; daarom wordt hij gezegd uit de hemel op de aarde gevallen te zijn.
In het vorige Hoofdstuk hebben wij de vier eerste bazuinen gehoord, de vierderlei ellende aankondigende die de Kerk overkomen zijn na het half uur stilzwijgen onder Constantijn de Grote, in de vierde eeuw tot het jaar 600, wanneer de Bisschop van Rome, Bonifacius, voor algemeen bisschop en hoofd van de Kerk is verklaard en door de keizer Phocas uitgeroepen. Na het vertrek van de keizer Constantijn uit Rome naar Constantinopel en onder de invallen van de Gothen en andere woeste Heidenen in het Westerse keizerrijk kreeg de paus van Rome de handen ruim, die tot hiertoe door de keizers weerhouden was, zoals te zien is 2 Thessalonicenzen. 2: 6-7: En nu wat hem weerhoudt, weet u, opdat hij (de mens van de zonde, de zoon des verderfs vs. 3) geopenbaard wordt te zijner tijd. alleen, die hem nu weerhoudt zal hem weerhouden, totdat hij uit het midden weggedaan zal worden. “‘ Mauritius, keizer in het oosten, begunstigde de Bisschop van Constantinopel die zich algemeen Bisschop liet noemen. Gregorius, Bisschop van Rome, schreeuwde daartegen aan, zeggende dat dit alles het teken was van de antichrist. Mauritius leger wint; Phocas, Zoon van Mauritius, doodt zijn vader en broeder, vleit Greogorius en Greogorius hem. Bonifacius wordt Bisschop van Rome, neemt de naam van Opper-bisschop aan, Phocas erkent hem daarvoor; daar wordt een Synode beroepen en het wordt er (taliter qualiter) doorgehaald. De Paus van Rome, zo, door de uitwendige verwarringen als door de veelvoudige ketterijen, waarvan Rome wel het meeste onbesmet bleef en daardoor de toevlucht werd van aan de waarheid vasthoudende kerken, waardoor hij hoe langer hoe groter ontzag kreeg; alsmede door de aanzienlijkheid van de stad Rome het gebied over de wereld zo lange tijd gehad hebbend en de zetels van de keizers geweest zijnde; de Paus van Rome, zeg ik door deze middelen groot aanzien en gezag bekomen hebbende, werd van de oosterse keizers gevleid om door zijn toedoen het Westerse rijk weer in bezit te krijgen; dit acht men het oogmerk van Phocas geweest te zijn om hem als hoofd van de Kerk te verklaren. Van de trappen, waarbij de Bisschop van Rome als hoofd van de Kerk is opgeklommen, is in de vier voorgaande bazuinen gesproken. De vijfde bazuin, waaraan wij nu gekomen zijn, vertoont hem in zijn macht op de troon en zoals uit de inhoud van deze bazuin blijken zal, geeft het veel licht de profetie van Paulus 2 Thessalonicenzen. 2 met deze te vergelijken. 1. De tijd, wanneer de antichrist zou opkomen is, nadat de keizer, die hem weerhield, uit het midden weggenomen was, na de vernietiging van het Westerse keizerrijk, dat in Augustulus geëindigd is vs. 6-7 In de tijd, dat de zesde bazuin klonk, was het rijk verwoest en hij is in het begin van de zevende eeuw voor de Paus uitgeroepen. 2. Hij zou niet uit de Kerk gaan, maar zich in de tempel van God zetten als een God, vs. 4, als het hoofd van de Kerk, hetgeen de Heere onze God alleen is. Hier wordt door het zinnebeeld van het vallen van een ster uit de hemel afgebeeld, dat een aanzienlijk Leraar van de waarheid zou afvallen en met zijn werk de waarheid verduisteren en alle onverzegelde leden van de Kerk beschadigen. 3. Hij zou zijn o anticeimenov, tegensteller, tegenstrever en zo de antichrist. Deze ster zou macht hebben en die macht gebruiken tegen de zon, de Heere Jezus en Zijn waarheid, om die te verduisteren. 4 Zijn toekomst zou zijn naar de werking van de satan vs. 9 Deze ster opende de put van de afgrond, waaruit de rook en sprinkhanen voortkwamen. 5 Hij zou zijn o uiov thv apwleiav, zoon des verderfs. Hier, Openbaring 9: 11 wordt hij genoemd; Apollyon, verderver, die anderen en zichzelf eeuwig verderft. 6 Hij zou alleen kracht hebben in degenen, die verloren gaan, vs. 10. Hier, Openbaring 9: 4, zou de ster beschadigen de mensen alleen, die het zegel van God aan hun voorhoofd niet hebben. Het is nu zeker, dat de Apostel 2 Thessalonicenzen. 2 spreekt van de Antichrist en deze bazuin, Openbaring 9, hetzelfde zegt van deze ster; dus worden wij in deze bazuin tot de antichrist geleid, hetgeen nog meer opgehelderd wordt, als wij deze bazuin vergelijken met Openbaring 7, 9 en 13, waar duidelijk van de antichrist wordt gesproken en de zaken, die daar van de antichrist gesproken worden, worden in de vijfde bazuin van de ster gezegd. En bijzonder omdat de verzegelden en niet verzegelden de Kerk uitmaken, waarin de antichrist zich zetten en werken zou. Hoofdstuk 7: 3. Hoofdstuk 13: 8.
En de vijfde engel van de in Hoofdstuk 8: 2 genoemde zeven heeft gebazuind en ik zag op het ogenblik, dat het bazuingeschal werd vernomen een ster, gevallen uit de hemel op de aarde, zodat de val reeds had plaats gehad en ik nog alleen kon opmerken wat reeds geschied was en haar werd door de engel, die als wachter over dit gebied was gesteld (Hoofdstuk 20: 1), gegeven de sleutel van a) de put van de afgrond.
Luk. 8: 31 Openbaring 17: 8
En zij, de ster, die een menselijke persoonlijkheid aanduidde, heeft de put van de afgrond geopend. En er is rook opgegaan uit de put als rook van een grote oven (Gen. 19: 28 Ex. 19: 18) en de zon en de lucht is verduisterd geworden van de rook van de put.
En uit de rook, die uit die besloten afgrond opsteeg, kwamen sprinkhanen op de aarde, die werkelijk voor de invloeden en werkingen van het rijk van de duisternis open staat, als daaraan eenmaal zijn uur (Luk. 22: 53) is gelaten. En hun werd macht gegeven om schade te veroorzaken, wel niet naar de wijze van de sprinkhanen, maar op geheel andere wijze, namelijk zoals de schorpioenen van de aarde, de natuurlijke, gewone schorpioenen macht hebben De 8: 15.
En hun werd de macht om schade te doen op de wijze van de sprinkhanen ontnomen; een macht, die zij ten gevolge van hun oorsprong, hun talloze menigte, hun onverwacht opkomen en onophoudelijk indringen bezitten en waardoor aan een Oud-Testamentische profetie moest worden herinnerd (Joël 1: 6 v. ; 2: 7 vv). Er werd hun namelijk gezegd, dat zij het gras van de aarde niet zouden beschadigen (Hoofdstuk 6: 6; 7: 3), noch enige groente, noch enige boom, dan de mensen alleen, die a) het zegel van God aan hun voorhoofden niet hebben.
Ezechiël. 9: 4
En hun werd, om ook ten opzichte van dit gebied van beschadigen hun de natuur van sprinkhanen te ontnemen, die, waar zij komen, alles afvreten en vernietigen, macht gegeven, niet dat zij hen, de in vs. 4 genoemde mensen, zouden doden, die met wortel en tak uitroeien, maar dat zij door hen gepijnigd zouden worden, volgens het vijftal van hun goden en het vijftal van hun zonden (vs. 20 v.), vijf maanden, d. i. 5×30 = 150 jaren “Re 10: 7. En hun pijniging, die hun gegeven werd de mensen aan te doen, was, volgens de voorlopige aanwijzing in vs. 3, als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft, met zijn angel hem in het vlees slaat en met zijn sap het bloed vergiftigt.
a) En in die dagen, waarin zij die macht uitoefenen, zullen de mensen de dood zoeken en zullen die niet vinden en zij zullen begeren te sterven en de dood zal van hen vluchten, (Jer. 8: 3).
Jes. 2: 19 Hos. 10: 8 Luk. 23: 30 Openbaring 6: 16
a) En de gedaanten van de sprinkhanen, die op het gebied van de natuur een zekere overeenkomst hebben met paarden, maar hier in het symbool die gelijkheid nog sterker en meer bepaald moesten uitdrukken, waren de paarden gelijk, die tot de oorlog bereid zijn (men denke dus hier aan krijgshorden, aan paarden met hun ruiters) en op hun hoofden waren, terwijl anders krijgslieden in de regel een helm op het hoofd dragen, bedeksels als kronen, het goud gelijk en hun aangezichten waren als aangezichten van mensen.
Ex. 10: 4
En zij hadden lang neerhangend haar als haar van de vrouwen (1 Kor. 11: 14 v.), hun tanden waren als tanden van de leeuwen (Joël 1: 6).
En zij hadden borstwapens als ijzeren borstwapenen; en het gedruis van hun vleugels was als een gedruis als het ratelen van de wagens, wanneer vele paarden naar de strijd lopen.
En zij hadden staarten de schorpioenen gelijk en er waren angels in hun staarten en hun macht was de mensen te beschadigen vijf maanden.
En zij hadden, wat bij natuurlijke sprinkhanen het geval niet is, over zich een koning en wel hadden zij tot een koning over zich a) de engel van de afgrond; zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon, d. i. verderf (Job 26: 6 Ps. 88: 2) en in de Griekse taal had hij de naam Apollyon, d. i. verderver.
Openbaring 9: 1
En de zesde engel heeft gebazuind en ik hoorde een stem, de gebeden van degenen, die zuchtten en jammerden over alle gruwelen, die onder de Christenen geschiedden (Ezechiël. 9: 4), samenvattende in een bepaalde uitspraak van het oordeel. Deze stem kwam voort uit de vier hoornen van het gouden altaars, dat voor God was en waarvan van te voren gebeden van geheel anderen aard waren uitgegaan (Hoofdstuk 8: 3 v).
Zeggende tot de zesde engel, die de bazuin had: a) “Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier (Gen. 15: 18 Deut. 1: 7) de Eufraat, van waar reeds ten tijde van het Oude Verbond de legers van de ASSYRIËRS en Chaldeeën, door God ten gerichte gezonden over Zijn volk, gekomen zijn (Jes. 8: 7), en waar nu weer zulke volvoerders van het gericht voor het verbondsvolk van het Nieuwe Testament gereed staan, die echter tot hiertoe nog door de lankmoedigheid van God werden teruggehouden.”
Openbaring 7: 1
En de vier engelen zijn ontbonden geworden, die bereid waren tegen het uur en dag en de maand en het jaar, naardat voor ieder zijn tijd en zijn uur bepaald was, opdat zij het derde deel van de mensen zouden doden.
En het getal van de heirlegers van de ruiterij 1Ki 4: 26, dat in het geheel of gedurende de vier verschillende tijdvakken voortkwam om te doden, was tweemaal tien duizenden van de tien duizenden (2×10. 000×10. 000) of 200 miljoen; en ik hoorde hun getal; want met mijn ogen zou ik natuurlijk zo’n ontzaglijke menigte niet kunnen overzien of berekenen (Hoofdstuk 7: 9).
En ik zag zo, nadat mij het getal was meegedeeld, de paarden in dit gezicht en als ik nu nauwkeuriger de aard en de gedaante beschouwde, zag ik degenen, die daarop zaten, hebbende vurige en hemelsblauwe (Ex. 25: 4) en sulfervervige borstwapens; en de hoofden van de paarden waren als hoofden van leeuwen en uit hun monden, de monden van die leeuwenhoofden, ging uit vuur en rook en sulfer, overeenkomend met de drie kleuren van het pantser.
Door deze drie zo-even genoemde werd het derde deel van de mensen gedood, namelijk door het vuur en door de rook en door het sulfer, dat uit hun monden, uit de monden van de paarden, die van leeuwenhoofden voorzien waren, uitging.
Want hun macht om te doden, die aan de vier engelen en met deze ook aan hen is gegeven (vs. 15), is in hun mond ten gevolge van het vuur, de rook en de zwavel, die zij uitspuwen en in hun staarten; want hun staarten zijn niet als die van de paarden, maar aan de slangen gelijk en deze slangen, die de staart vormen, hebben hoofden geheel en al op de wijze van de slangen en zij beschadigen (eig. “doen onrecht met deze.
En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, zo als zeker vanzelf sprak uit het gezegde vs. 15 en 18, waar over het derde deel werd gesproken, hebben zich want ook de uitkomst van hetgeen dat heirleger van de ruiterij (vs. 8) verrichten moest, werd mij in het gezicht getoond niet bekeerd van de werken van hun handen (Hand. 7: 41). Zeker moest het onbegrijpelijk voorkomen, daar juist die gespaarde alle aanleiding hadden, om Gods genade en de zaligheid van hun ziel te erkennen. Maar zij bekeerden zich niet, dat zij voortaan niet zouden aanbidden de duivels a) en de gouden en zilveren en koperen en stenen en houten afgoden, die zij vroeger hadden gediend, maar die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen (Deut. 4: 28 Ps. 135: 15 vv.).
Ps. 115: 4-7
En evenmin als van hun afgoderij, hebben zij zich ook niet bekeerd van hun doodslagen, noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen. Alles wat de godsdienst en de levenswandel aangaat lieten zij bij het oude, al hadden ook hun vaderen zich daardoor vreselijke oordelen van God op de hals gehaald.
Aan de Eufraat was het Mohammedanisme in zijn eerste periode ten tijde van de vijfde bazuin aangekomen. Bagdad, de pas gebouwde hoofdstad, was onder de Abassieden voor lange tijd zetel van het Kalifaat geworden. Hier werd de Islam voor de eerste maal in zijn zegetocht gestuit en was schier als gebonden, ja reeds op het punt te vallen, zodat zelfs het zwakke keizerrijk te Byzantium weer veroverd de Mohammedaanse landen binnendrong. Maar zijn werk ter bestraffing van de mensen was nog niet, teneinde: van het gouden reukaltaar, waarvan de gebeden van de heiligen opstijgen, in wel van de vier hoeken, waardoor het algemene, de naar alle hemelstreken zich uitstrekkende uitbreiding van het gericht, dat nu komt, wordt aangeduid, komt tot de engel van de zesde bazuin een stem, de, stem van Hem, die onder de gebeden van Zijn volk Zijn troon heeft: “Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier, de Eufraat”. In vier engelen van het oordeel treedt nu het pas ontbonden Mohammedanisme weer op het toneel, niet zij alle met elkaar, maar na elkaar, in afgemeten perioden; want zij waren gereed tegen het uure en de dag en de maand en het jaar, (vs. 13-15). Vier perioden van Mohammedaans woelen, die door middel van de eenvoudigste, van de naaste tot de meest verwijderde delen van de tijd zijn aangewezen als nauwkeurig elkaar volgende op een vooraf bepaalde tijd. Deze vier engelen (hetzij zij de engelen zijn van vier verschillende, zoals ook in Dan. 10: 13 zulke engelen voorkomen, in de plaats van hele volken gesteld, die hun nationale geest uitdrukken en hun lotgevallen leiden, of dat u deze volken zelf te kennen geven, die zeer goed engelen, d. i. in dit geval boden van de oordelen van God kunnen worden genoemd. Voor de verklaring is dit niet hetzelfde, omdat zij, ook als persoonlijke engelen van de volken genomen, maar met de volken zelf samen moeten worden genomen. zijn de volgende: 1) de Arabieren zelf, die bij al de zwakheid van hun Kalifaat te Bagdad ook in deze periode nog op vele punten bijvoorbeeld in Noord Afrika, in Spanje enz. een grote rol spelen en in onderscheiding van de Arabieren van de eerste periode meer de naam van Saracenen voeren; 2) de Turken, die snel na de dood (813 na Christus) van de beroemde Kalif Harun al Rachid de eigenlijke gebiedvoerders te Bagdad waren, vooral nadat het opkomen van de Turksen stam van de Seldstukken de groene vanen van Mohammed zegerijk in het Oosten tot aan de grenzen van China, in het Westen tot aan de Hellespont voortdroegen; 3) de volksmassa’s van de Mongolen en zelfs tot Noordoostelijk Europa overstroomden en die bij hun ontmoeten van het Kalifaat aan de Eufraat, daaraan wel een ontzettend einde bereidden, (1258) maar omstreeks dezelfde tijd de Islam begonnen aan te nemen, welks overwinning onder hen in het begin van de 14e eeuw beslist was en hen tot bloedige vervolgers van de Christenen maakte; 4) de Osmanen, eveneens van Turkse afkomst, die, sinds het midden van de 14de eeuw uit Klein-Azië ook in Europa drongen, reeds in 1565 Adrianopel onder zijn sultan Murad tot hun residentie maakten en van een kleine kastijding door de vreselijke Tartaar Timur zich weer snel herstelden door de verovering van Constantinopel in het jaar 1453 ook de laatste sporen van het Oosters-Romeinse rijk verdelgden en van die tijd af eeuwen lang de schrik waren van het Christelijk Westen. Deze waren de vier engelen van de volken, onder wier zwaard, als wij al hun krijgstochten tot in de nieuwere tijd bijeen vatten, ruim het derde deel van de mensen is gevallen. En wie de grote uitbreiding van het Mohammedanisme, dat zich beroemt drie hoeken te bezitten van de wereld welke het zich vierhoekig voorsteld en de meeste uit ruiterij bestaande legermassa’s zich voorstelt, die het in de loop van de eeuwen in beweging heeft gebracht, die zal het zeer begrijpelijk vinden, als verder (vs. 16) gezegd wordt: “het getal van de heirlegers van de ruiterij was tweemaal tienduizenden van de “tienduizenden”. Ook de beelden, die tot karakterisering van deze massa’s gebruikt zijn (vs. 17) zijn opmerkelijk, “Ik zag”, zegt Johannes: “de paarden in dit gezicht en die daarop zaten, hebbende vurige en hemelsblauwe en sulververvige borstwapens; en de hoofden van de paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging vuur en rook en sulver. ” De hoofdgedaante van deze menigte is dus het paard, terwijl de schaar van de vijfde bazuin meer zijn voorgesteld als sprinkhanen, hoewel ook reeds met gelijkvormigheid aan paarden. Waren reeds de Arabieren van de vorige paarden vreselijk door hun Escadrons, nog veel meer de Mohammedanen van de zesde bazuin. Vooral de Mongolen, maar ook de Turken, die, uit het binnenste van Azië komend, bijna gezamenlijk uitsluitend ruiters waren, dat de man eigenlijk slechts bijzaak en het paard hoofdzaak scheen te zijn. Overigens komen op dit gezicht ruiters en paarden nauwkeurig overeen, de vurig gekleurde, hyacint, of staal-blauwe en zwavel gele pantsers van de ruiters komen overeen met het vuur, de rook en de zwavel, die uit de mond van de paarden ging. Hoe opmerkelijk symboliseren hier de paarden tevens de geest, of als wij willen de geesten van het latere Mohammedanisme! De geest van het Mohammedanisme, die deze ruiter-armee draagt en door de landen jaagt, zoals die zich in deze miljoenen van paarden als het ware belichaamd heeft, heeft rijkelijk vuur, rook en zwavel gespuwd. Overal, waar die invloed kreeg, heeft die het woeste vuur van het fanatisme, de verduisterende rook van valse leer, de geest verstikkende zwaveldamp van het zinnelijke verbreid, en aan ontelbaren lichamelijke en geestelijke dood aangebracht, dat door deze drie gedood werd het derde deel van de mensen (vs. 18). En deze werkingen van de Islam hebben zich vooral in de tijden van zesde bazuin doen gelden, terwijl de Arabieren van de eerste periode nog niet die woeste, fanatieke bekeringsijver toonden en vooral ook het zedelijk vergiftigend karakter van het Mohammedanisme zich toen nog niet op de wijze van later had geopenbaard. Maar dat vuur, die rook en zwavel, die de geest van de Islam uitademde, werd ook voor hen, die door deze macht werden gedragen, tot bescherming, tot een pantser, dat hem gedurende lange tijd onverwinnelijk en tot een schrik van de wereld maakte; vandaar de verschillende kleuren van de pantsers van de ruiters. Zo bruisen dan deze legers daarheen, paard en ruiters gelijk aan de vuurgloed van de woestijn, in vuur, rook en zwaveldamp gehuld, het zichtbare beeld van de schaar van de demonen, die over hen gebied voeren een vreselijke, onweerstaanbare macht! De wijze, waarop zij verder hun macht hebben uitgeoefend (vs. 19) heeft weer veel overeenkomst met hetgeen van de sprinkhanen van de vijfde bazuin wordt gezegd: want hun macht is in hun mond in hun staarten: want hun staarten zijn aan slangen gelijk en hebben hoofden en zij beschadigen daarmee. ” Even als deze paarden hoofden hebben als leeuwenhoofden (vs. 17), uit wier mond vuur, rook en zwavel gaat (“die hun vuur treft, die verbrandt, die de rook omgeeft, die verstikt, over die hun brandende zwavel komt, die verbrandt en steekt ook anderen aan en evenals die sprinkhanen staarten hebben de schorpioen gelijk, waarmee zij de mensen kwellen, zo hebben ook deze paarden staarten de slangen gelijk, die hoofden slangenhoofden met vergiftige tanden hebben en met deze beschadigen. Van voren verwoestende en dodende leeuwen, van achteren boze, vergiftige slangen dit heeft ook hier dezelfde bedoeling als bij de sprinkhanen: van voren naar de vijand gekeerd, verspreiden zij, aanvallend als leeuwen, dood en verderf om zich heen. Hebben zij echter de vijand overwonnen, hem als achter zich en onder zich, dan doen zij hem met boosaardige slangenlist, zoals de aan slangen gelijkende en in een slangenkop uitlopende staart betekent, schade aan, of zoals er eigenlijk staat “onrecht”. Hiermee is de onrechtmatige, de onwaardige toestand, waartoe de Mohammedaanse politiek de niet-Mohammedaanse onderdanen veroordeelt en waaruit al zijnde overige ellende voortvloeit, op treffende wijze kort voorgesteld. Men zie op de vroeger zo heerlijk bloeiende landen van de Christenen in Klein-Azië, Noord-Afrika enz., wat van die onder het met berekende slangenkist uitgeoefende en voortgezette onrecht is geworden, dat zij van hun Mohammedaanse onderdrukkers sinds eeuwen hebben moeten lijden! Maar wat was het gevolg van dit zware oordeel? “En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken van hun handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivels, en de gouden en zilveren en koperen en stenen en houten afgoden, die noch zien kunnen noch horen noch wandelen; en hebben zich ook niet bekeerd van hun doodslagen) noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij noch van hun dieverijen”. (vs. 20 v.). Dat de mensheid daarvoor boete zou doen, was het negatieve recht en de roeping van het Mohammedanisme. Het was een vreselijke gesel niet slechts voor de heidense volken van Azië en Afrika, die voor onzichtbare demonen en zichtbare afgodsbeelden knielden, waartegen de Islam met vuur en zwaard te velde trok, maar ook in het bijzonder voor de Christenen, die van de aanbidding van God in geest en in waarheid zozeer vervreemd waren. Want niet alleen was langzamerhand de verering van Christus- en heiligen-beelden als volksgewoonte in de Kerk ingedrongen, maar juist in de 8e en 9e eeuw, toen reeds het richtend zwaard van het Mohammedanisme over de Christenen gezwaaid was, werd ondanks het tegenstreven van betere keizers in plechtige kerkvergaderingen (te Nicea en Constantinopel 787 en 842 na Christus) de verering van de beelden tot geloofsstuk verheven; ja zelfs stelde de Oosters-Griekse kerk in deze verering van beelden de roem van haar orthodoxie. Daarmee namen de zedelijke verdorvenheid, de moordende geest van haat, de toverij, de dienst van het vlees, de diefachtige, bedrieglijke hebzucht hand over hand toe en daagde met steeds toenemende drang het oordeel van God tegen zich uit, dat de Kerk van het Oosten voor altijd tot puin sloeg. Toch volhardt zij, zelfs in haar treurige overblijfselen) nog tot op deze dag in haar onboetvaardigheid, in haar beelden-en werelddienst, tot een getuigenis, dat haar rol is uitgespeeld, dat zij geoordeeld is.
Hiermee hebben wij het eerste deel van de gezichten van de Openbaring achter ons, de geschiedenis van het rijk van God in de Kerk heeft ons vaste en zekere punten gegeven, om dit gedeelte te beschouwen als reeds volkomen vervuld en wij kunnen het volstrekt niet goedkeuren, dat steeds weer een nieuwe wijze van uitlegging zich ingang probeert te verschaffen, die alles naar de tijd van het einde verplaatst. Daardoor wordt alleen voor het geslacht van die tijd het oog verduisterd, zodat dit de plaats, die het in ons boek inneemt, niet opmerkt, evenals vroeger de Kerk van het Oosten ook de tijd niet heeft willen erkennen, waarin het werd bezocht en daarom met schande teniet is gegaan.
De duivel zag er reeds lang naar uit, om het Christendom uit het Morgenland te weren; maar hij moest wachten totdat Christus de kandelaar wegnam (2: 5), of het zwaard van Zijn mond uitzond (2: 16), dat niets anders is dan zijn bevelwoord aan Zijn engelen, om nu de Kerk van het Oosten aan de boze over te laten. Dit bevel werd gegeven met het bazuingeschal van de zesde engel, dus plotseling, zoals de aanval van een leger op het bevel van de aanvoerders plaats heeft; van daar zegt de Ziener: de boze engelen, sinds lang bereidvaardig en slechts wachtend op hoger toelating, werden ontbonden tegen het uur en dag en maand en jaar. Met deze viervoudige tijdsopgave is het plotseling ontstaan van de Islam in het rijk van de duisternis geschilderd, die daar sinds lang was voorbereid; in deze logge wereld van de zichtbare dingen kon het Mohammedanisme zich wel niet plotseling vertonen, maar toch ook hier kreeg dat ontstaan zo snel zijn beslag, dat de wereldgeschiedenis geen godsdienst of wereld macht kent, zo gezwind ontstaan en uitgebreid als die van de Islam. Deze viervoudige tijdsopgave (die als een begrip, door één enkel lidwoord voorafgegaan voorkomt) is voor de profetische tijdsopgave van ongemeen groot gewicht; want zij biedt ons alleen een zeker aanknopingspunt voor de aanvang van de 1260 jaren. De Ziener gebruikt niet zonder reden vier woorden, om dat tijdpunt aan te duiden. Vier woorden, op zo’n wijze aan elkaar verbonden, zeggen in het Openbaringsboek, waar majestueuze beknoptheid de boventoon voert, bijzonder veel. In welk jaar van de Heere het bevel uitging om het Morgenland, in het bijzonder ook Kanaän, de wieg van het Christendom, aan de Islam over te laten, kunnen wij wel niet nauwkeurig, maar toch, op een tiental jaren na, met zekerheid bepalen. Van het jaar, waarin de engelen losgelaten worden, moeten de 1260 jaren geteld worden, gedurende welke de heilige stad door de Islam vertreden wordt. (Openbaring 11: 2). Deze aanvang heeft in allen gevalle plaats gehad tussen 630 en 640; het einde daarvan valt tussen 1890 en 1900. Met een ruiterleger, 200 miljoen sterk, vangt de uitbreiding van de Islam aan. Zo’n beeld, het moge dan beduiden wat het wil, is verschrikkelijk, net zoals de 1600 stadiën lange bloedbeek, die tot aan de toornen van de paarden zwelt (Openbaring 14). De ruiters en de paarden worden in de volgende beschrijving zó geschilderd, dat de paarden niet als werkelijke paarden beschouwd kunnen worden. De paarden vallen het eerst in het oog, daarna de ruiters. Deze rossen hebben vuurrode, donkerblauwe en zwavelgele pantsieren, evenzo ook de ruiters; de paarden hebben leeuwenkoppen en uit hun muilen even zoals uit de monden van de ruiters, gaan rook, vuur en zwavel. De macht van de paarden is in hun monden en ook de macht van de ruiters; de paarden hebben ook nog staarten de slangen gelijk, die insgelijks koppen en monden hebben, waarmee zij beschadigen. Dat de ruiters vuurrode, donkerblauwe en zwavelgele pantsers hebben, evenals de paarden, is uit de voorspelling duidelijk te bemerken. Dat de ruiters ook vuur, rook en zwavel uitademen, dat hoofdzakelijk door de rossen geschiedt, kunnen wij uit de borstwapenen of pantsieren opmaken. De vuurrode kleur komt overeen met de rode massa van de bij het branden ook versmeltende zwavel; de donkerblauwe of blauwachtige kleur komt overeen met de blauwe zwavelvlam, waaruit zich het giftige gas ontwikkelt, hier in de eerste plaats door de rook voorgesteld en de zwavelgele kleur komt met de zwavel zelf overeen. De paarden komen hier het meest uit, evenals bij de Volksverhuizing de sprinkhaan- paarden het meest op de voorgrond treden (9: 7). Van waar dat de paarden aldus de voorrang hebben en de ruiters nauwelijks genoemd worden? De sprinkhaan-paarden met hun staarten als van schorpioenen (7 -10) en deze rossen met vuurrode, donkerblauwe en zwavelgele borstwapenen, die leeuwenkoppen hebben en slangen aan hun staarten, zijn zinnebeelden van de duivels en de ruiters zijn zinnebeelden van de door hen met wilde onstuimigheid in de wereld rondgevoerde mensen, ginds de Hunnen, hier de Muzelmannen. De voorstelling is wonderbaar diepzinnig. Gewoonlijk moet het paard derwaarts heen, waar de wil van de ruiter gebiedt; hadden de mensen over deze rossen, die hen met zich wilden meeslepen, macht uitgeoefend en hun tegenstand geboden, zo hadden zij de duivels niet tot speelbal verstrekt; maar ros en ruiter waren het, te samen eens. De Muzelmannen waren met het duivelenheir, dat hen opstookte, geheel een van zin ros en ruiter waren volkomen eenstemmig, daarom werd de rid met zo’n stormwind-snelheid volvoerd. Ik versta dus door de ruiter-armee van de 200 miljoenen, die Johannes eerst zonder ruiters noemt, omdat hem de rossen met hun ruiters pas later in het oog vallen en welker getal hij uitdrukkelijk hoort, 200 miljoen duivels. Dat, zijn de satansheiren, door de vier aan de Eufraat gebonden engelen afgebeeld. Daaruit verklaart zich de heldenmoed, de van woede snuivende dweepzucht, de macht en de alle landen op zo vreselijke wijze doorflikkerende oorlogsfakkel van de Islam en zijn belijders. In het onzichtbare is daar tussen goede en kwade engelen, midden in de mensheid en midden onder de mensen, een ongehoorde strijd. Wij ontvangen hier nu, opdat wij er enig denkbeeld mochten bekomen, zoals ook Daniël eens verlangde door Gabriëls tussenkomende opmerkingen (Dan. 10: 13, 21), voor een enkele maal een opgave van het aantal van de strijdenden. Welke krijgsheiren, 200 miljoen! Iedereen weet, dat er op aarde onder de mensen dergelijke legers nooit hebben bestaan. De talrijkste armeeën waren tot dusverre geen twee, laat staan 200 miljoen sterk. MICHAËL en Gabriël beschikken insgelijks over talrijke engelen legioenen, ten einde de draak en de zijnen te kunnen tegenstaan; en deze miljoenen maken nog niet eens de hele legermacht van de boze uit, anders was het hem niet mogelijk geweest op dezelfde tijd de andere volken op aarde te verzoeken. De Griekse woorden: Miryades myriadon en chiliades chiliadon (5: 14) of tienduizendmaal tienduizenden en duizendmaal duizenden, zijn slechts in twee woorden een greep in de ontelbare menigte van de engelen van God en wijzen op een niet te berekenen schare. Gods engelen-werelden zijn rijk aan geschapen geesten en worden door satans afval en die van de zijnen niet verarmd, ook wanneer een hele wereld van zondaren de zijde van hun vijanden koos. Onstuimig en met leeuwengebrul stormden de Muzelmannen op hun vijanden los en deden het geschreeuw voor zich uitgaan: Dood of slavernij aan allen, die de Islam verwerpen! Van achter hadden de rossen aan de staarten van hun paarden koppen van verleidende slangen. Namen de volken de Islam aan, dan verleidde de duivel hen door gladde woorden: “Leef slechts naar de voorschriften van de profeten en u beërft het paradijs van zinnelijke lust. ” De slang betovert niet alleen, maar zij wondt ook na de betovering en op haar beet volgt de dood; de dood lichamelijk en geestelijk, die niet alleen in zo vele landen, na hun bekering tot de Islam onmiddellijk is begonnen, maar ook op grote schaal de in de nieuwere tijd altijd nog jammerlijker wegkwijnende Moslim-wereld, met zijn zicht, ter neerdaling in de onderwereld, afmaait. Leeuwenmoed en slangenkist, geweld in verleiding, beurtelings aangewend, ziedaar de middelen, waarmee het Mohammedanisme de zielen en lichamen voor de tijd en de eeuwigheid verderft. Hoeveel eeuwen had God reeds in het Oude Verbond de natiën van het Oosten, door het volk Israël, Zijn heil aangeboden en ze 600 jaren lang met het Evangelielicht bestraald, hetwelk zij ten slotte tot een smakeloos zout hebben vervalst! Eindelijk liet Hij hun een godsdienst, die het vlees behaagde, toebereiden en deze bracht hen de dood aan. Pas wanneer de grote zielenmoordenaar uit het midden van de mensheid verwijderd zal zijn, kan een deel van de volken en van de heidenen in het Oosten, waarbij het Evangelie ten tijde van het Nieuwe Verbond geen ingang vinden kon, door het levendmakende Evangelie vernieuwd worden.
Deze “stem” doelt op de gebeden van de heiligen in de strijdende Kerk, die blijkens het volgende vers het ontbinden begeert van de vier engelen aan de Eufraat. Het is de stem van de gemeente van de Heere, die haar vrijmoedigheid kent, om van de Voleinder, die haar kocht, te vragen wat zij nodig heeft, wetend dat Hij, in wiens handen de Vader alle dingen gesteld heeft, op Zijn tijd haar verzuchtingen hoort en op Zijn wijze haar wensen vervult. De engelen, die volgens 7: 1 de vier winden van de aarde hielden, waren goede; zij, die hier voorkomen, zijn het ook. Zij waren tot dusver aan de Eufraat gebonden, omdat Gods oneindige lankmoedigheid nog altijd de straf uitstellen en aan de zondige wereld de gelegenheid tot bekering geven wilde. Maar gereed is het oordeel sinds lange tijd geweest, bepaald voor al de vier hoeken van de wereld, voor de hele aarde. Dit toch wordt te kennen gegeven door het viertal van de engelen, het voltooide, geëindigde aanduidend. Zij zullen komen “van de Eufraat. ” De Heere had van oudsher de zetel van Zijn oordelen over het land, ten westen van de Eufraat, aan de overzijde van die rivier. Van de hier wonende volken bediende God zich reeds ten tijde van Abraham, als gesels voor Kanaän en andere landen voor westelijk Azië. En ten allen tijde, zowel onder het Nieuwe als onder het Oude Verbond, waren zij als “scherpe scheermessen” in de hand van de Heere. Eerst de ASSYRIËRS, later de Babyloniërs, eindelijk de Perzen onder het Oude Verbond, later gedurende de achttien eeuwen van de Christelijke kerk de Volksverhuizers, toen de Mongolen en het laatst de Turken. Van tijd tot tijd ontbond de Heere deze gesels in het Oosten, van de andere zijde van de Eufraat, en liet hen tot straffe de natiën van het Westen vaker kwellen en dreigen. In deze zin duidt Jesaja de koning van Assyrië aan als een “scheermes” dat de Heere aan de andere zijde van de rivier gehuurd heeft. De Eufraat is overigens in de voorstelling bij Johannes slechts het beeld van de verschijning van de geduchte ruiterbenden, waarvan de zesde bazuin melding maakt en die plaats wordt genoemd als berucht wegens de bezoekingen, die menigmalen vandaar waren verschenen. O Heere! wanneer ik het indenk, hoe U uw gerichten heeft uitgezonden de wereld van morgenstond af, dan wordt mijn hart onderwezen om U de eer te geven door ootmoedige vrees van Uw heilige naam! Ja, grootmachtig Opperheer! wij buigen ons voor U neer in het stof en wij aanbidden U, die leeft en regeert in eeuwigheid!
Door deze vier engelen wordt meest van alle uitleggers verstaan de sekte van de Mohammedanen, die voornamelijk in vier volken bestaat, die alle de andere onder zich hebben gebracht, namelijk de Arabiërs, Saracenen, Tartaren en Turken, waarvan de Arabiërs en Saracenen van het jaar zeshonderd twintig af veel geweld tegen de Christenen en inzonderheid tegen het Roomse rijk in het Oosten en Westen hebben gebruikt, maar zijn daarna weer door de Christenen tot over de Eufraat gedreven, totdat over het jaar 1300, als het anti-christendom op het hoogste was en de rechtzinnige Christenen allermeest werden verdrukt de Tartaren en Turken uit beide de Armeniën, die tegen de Eufraat liggen, zijn doorgebroken en geheel Azië en Afrika hebben overlopen en ten onder gebracht en het Griekse of Oosterse rijk, waarvan Constantinopel de hoofdstad was, teniet gedaan. In deze krijgen is veel bloed vergoten en het schijnt, dat door deze krijgen de koningen, die hun macht aan het beest hadden gegeven, zoveel werk hadden gekregen, dat de rechtzinnige leraars in verscheidene landen daar intussen nieuwe kerken hebben opgericht, zonder dat zij door de vervolgingen van de anti-christ uitgeroeid konden worden, zoals in Frankrijk Engeland, Bohemen, Zwitserland en andere gewesten door Waldus, Wiklef, Johannes Hus, Hieronimus van Praag en meer anderen, is geschied, waarvan in de volgende Hoofdstukken meer geprofeteerd zal worden.
De Heere Jezus, de Hogepriester in de hemel, zittende ter rechterhand van de troon van de Majesteit, ten goede van Zijn uitverkorenen en alle macht over hemel en aarde als Koning ontvangen hebbende, ziet uit de hemel op Zijn Kerk, die zo bedorven was en neem de wan in Zijn hand, om Zijn dorsvloer te zuiveren en het kaf te verbranden en geeft daartoe bevel door een gezag en machthebbende stem, voortkomende uit de vier hoornen van het altaar, waardoor macht en sterkte te kennen gegeven wordt, die Hij op Zijn lijden en sterven ontvangen heeft. De vier engelen zijn in het algemeen de uitbreking van de oordelen aan alle kanten in de vier gewesten van de wereld, zoals Hoofdstuk 7: 1 ; of men kan daardoor verstaan de vierderlei volken, die onder het Turkse gebied ineengesmolten zijn, als Arabieren, Saracenen, Perzen en Tartaren, of de vier hoofdkoninkrijken, waarin het Turkse gebied onderscheiden is; als Azië, Aleppo, Damascus en Antiochië. Immers de uitkomst leidt ons als met de hand tot de Turk, wiens begin is Mohammed in wiens einde zal zijn onder de zesde schaal. Door hun leer de doodden zij de zielen en door hun vervolgingen van de ware gelovigen hebben zij miljoenen heiligen gedood. Hun leer is vergiftigend en betoverend door de uitwendigheden en door haar leugenachtige wonderen.
Er wordt hier gesproken van één stem (vs. 13) om de éénheid van het bevel, hoewel uit verschillende oorden gehoord. Het viertal wijst op de vier werelddelen; de stem is de stem van God, die gezegd wordt uit het altaar voort te komen, omdat wat geschiedt, plaats heeft om Christus (het gouden altaar) en op het geroep van de gelovigen, omdat er geen verandering in te wachten is door enige andere gebeden en omdat de boosheid van de mensen ook vooral bestaan zou in het verwerpen van dit altaar door mensenverdiensten en voorbidding (Jer. 17: 1). De vier engelen in vs. 15 zijn onderscheiden van die in Hoofdstuk 7: 1 Want die stonden vrij en deze zijn gebonden. Deze zijn kwade engelen en het “bij de grote rivier Eufraat” moet niet zinnebeeldig maar letterlijk worden opgevat. Het bevel zegt dan vrijlating tot uitvoering van hun boze voornemens zelfs buiten de nabuurschap van de Eufraat. De goede engel ontbindt nu de 4 boze op de tijd door God bestemd en waarnaar zij verlangd hadden en waartoe zij bereid waren. Meteen verschijnt een machtig leger, grote verwoestingen aanrichtend, maar de mensen niet verbeterend. Van deze wordt beschreven 1) de veelheid, wel overeenkomend met het Mohammedanisme, naardien de Saracenen was bevolen te oorlogen, door schrik en geweld de ongehoorzamen te dwingen, waarop zij het paradijs mochten verwachten; 2) de verschrikkelijkheid van gedaante, getal en toerusting. Ontzettende schade wordt aangericht doordat zij aan alle zijden beschadigen (vs. 19), zoals gezien kan worden in de verwoestingen van de Mohammedanen overal en aan alle zijden met verdubbelde kracht. Nochtans is dit vruchteloos ter betering (vs. 20 en 21). Zij bleven geestelijk dood. De Roomse kerk heeft niet afgelaten van de aanroeping van de engelen en van de heiligen, noch van beeldendienst, noch van doodslagen, venijngeving, dieverijen, maar is voortgegaan in onreinheden en schelmstukken, met uitroeiing van Gods knechten, van Maria en andere heiligen en van beelden hulp verwachtend en zich zo tegen Gods oordelen verhardend.
Het is duidelijk, dat door de Turkse heerschappij een groot gedeelte van het Roomse rijk verdonkerd is en dat er velen van allerlei rang, die van de paus alleen afhingen, verwoest zijn geworden, waarvan de oorlog, die de heilige oorlog wordt genoemd, een bewijs is.
Men heeft niet te twijfelen, of deze engelen waren Turken en met dit voelen stemmen meest alle uitleggers overeen. Er wordt gezegd dat zij vier zijn, omdat er vier principale huisgezinnen van de Turken waren. Want nadat zij een nederlaag hadden ontvangen van de Scythen en het paleis van Iconium hadden verloren en enige jaren hadden doorgebracht in roverijen, richtten zij zich weer op en deelden dat deel van Azië; onder hun voornaamste heren, dat zij in een korte tijd kregen van de Romeinen. De eerste was Carmanus Atisarius, de tweede Sarchanes, de derde Calames en Cerasius zijn zoon, de vierde Atman, zoals Gregoras zijn naam schrijft of Ottoma.
De spreekwijze in vs. 15, waar de orde omgekeerd voorkomt, is ontleend aan degenen, die door blakende en aanhoudende begeerte gedreven worden tot enige hun voorgestelde zaak, zodat het uur, waarop zij het wensten, niet aan hun verwachting voldoet, zij het uitstellen tot de naaste dag en bijaldien die dag hun verwachting teleurstelt, zij het verschuiven tot de naaste maand en straks tot het volgende jaar, zijn ongeduldig over het uitstel.
Duivels in vs. 20 zijn allerlei verdichte afgoden. Zo stelt Paulus (1 Kor. 10: 20) de ware God tegenover de “daimonia” zoals duivels, d. i. verdichte godheden. Ps. 96: 5 “alle goden van de Heidenen zijn “elilim. d. i. “valse goden” is door de LXX vertaald “daemonia”.
Wij kunnen (uit vs. 20, 21) gemakkelijk opmerken, dat het tot een goddelijk en zalig leven niet genoeg is, dat men geen papist of Turk is, maar dat van een ieder van ons een oprecht geloof geëist wordt, dat ons in Gods geboden leert wandelen. Laat ons ook hier leren, hoe krachtig de boetvaardigheid is. Als u een afgodendienaar bent of geweest bent, wanhoop niet, keer u tot de Heere en beter u, als u weer in zonden valt, blijf er niet in liggen. Maar als u zich tot God niet wilt bekeren en de boze handel van de zonden niet wilt laten, denk niet, dat u van God enige genade zult verwerven; u zult in Uw zonden verloren gaan.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel