Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En naG3326 dezenG5023 zagG1492 ik een anderen engelG32 afkomenG2597 uitG1537 den hemelG3772, hebbendeG2192 groteG3173 machtG1849, enG2532 de aardeG1093 is verlichtG5461 geworden van zijn heerlijkheidG1391.
En na dezen zag ik een anderen engel afkomen uit den hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid.
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
And1
after2
these things
I saw
another7
angel9
come down10
from11
heaven,13
having14
great16
power;15
and17
the earth19
was lightened20
with21
his24
glory.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EnG2532 hij riepG2896 krachtelijkG2479 metG1722 een groteG3173 stemG5456, zeggendeG3004: Zij is gevallenG4098, zij is gevallenG4098, het groteG3173 BabylonG897, en is gewordenG1096 een woonstedeG2732 der duivelenG1142, enG2532 een bewaarplaatsG5438 van alleG3956 onreineG169 geestenG4151, enG2532 een bewaarplaatsG5438 van alleG3956 onreinG169 enG2532 hatelijkG3404 gevogelteG3732;
En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede der duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte;
KJV
And1
he cried2
mightily4
with3
a strong6
voice,5
saying,7
Babylon10
the great12
is fallen,8
is fallen,9
and13
is become14
the habitation15
of devils,16
and17
the hold18
of every19
foul21
spirit,20
and22
a cage23
of every24
unclean26
and27
hateful28
bird.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
DewijlG3754 uitG1537 den wijnG3631 des toornsG2372 harer hoererijG4202 alleG3956 volkenG1484 gedronkenG4095 hebben, enG2532 de koningenG935 der aardeG1093 metG3326 haarG846 gehoereerdG4203 hebben, enG2532 de koopliedenG1713 der aardeG1093 rijkG4147 zijn geworden uitG1537 de krachtG1411 harer weeldeG4764.
Dewijl uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken gedronken hebben, en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden der aarde rijk zijn geworden uit de kracht harer weelde.
KJV
For1
all11
nations13
have drunk10
of2
the wine4
of the wrath6
of her9
fornication,8
and14
the kings16
of the earth18
have committed fornication21
with19
her,20
and22
the merchants24
of the earth26
are waxed rich33
through27
the abundance29
of her32
delicacies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG2532 ikG1473 hoordeG191 een andere stemG5456 uitG1537 den hemelG3772, zeggendeG3004: Gaat uitG1537 van haarG846, MijnG3450 volkG2992, opdat gij aan haar zondenG266 geenG3361 gemeenschapG4790 hebt, enG2532 opdat gij van haarG846 plagenG4127 nietG3361 ontvangtG2983.
En ik hoorde een andere stem uit den hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt.
Ook in dit vers
uit/metG1537
opdatG2443
KJV
And1
I heard2
another3
voice4
from5
heaven,7
saying,8
Come9
out of10
her,11
my
people,13
that
ye be17
not
partakers
of her20
sins,19
and21
that
ye receive24
not
of25
her28
plagues.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantG3754 haarG846 zondenG266 zijn de ene op de andere gevolgdG190 tot den hemelG3772 toe, enG2532 GodG2316 is harer ongerechtighedenG92 gedachtigG3421 geworden.
Want haar zonden zijn de ene op de andere gevolgd tot den hemel toe, en God is harer ongerechtigheden gedachtig geworden.
KJV
For1
her7
sins9
have reached3
unto10
heaven,12
and13
God16
hath remembered14
her19
iniquities.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
VergeldtG591 haarG846, gelijk als zijG846 ulieden vergoldenG591 heeft, enG2532 verdubbeltG1363 haarG846 dubbelG1362, naarG2596 haar werkenG2041; inG1722 den drinkbekerG4221, waarin zij geschonkenG2767 heeft, schenktG2767 haarG846 dubbelG1362.
Vergeldt haar, gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar haar werken; in den drinkbeker, waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel.
KJV
Reward1
her2
even4
as3
she5
rewarded6
you,
and8
double9
unto her10
double11
according to12
her15
works:14
in16
the cup18
which19
she hath filled20
fill21
to her22
double.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
ZoveelG3745 als zij zichzelveG1438 verheerlijktG1392 heeft, enG2532 weeldeG4763 gehad heeft, zo grote pijnigingG929 enG2532 rouwG3997 doet haar aan; wantG3754 zij zegtG3004 inG1722 haarG846 hartG2588: Ik zitG2521 als een koninginG938, enG2532 benG1510 geen weduweG5503, enG2532 zal geen rouwG3997 zienG1492.
Zoveel als zij zichzelve verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien.
KJV
How much1
she hath glorified2
herself,3
and4
lived deliciously,5
so much6
torment9
and10
sorrow11
give7
her:8
for12
she saith17
in13
her16
heart,15
I sit18
a queen,19
and20
am23
no22
widow,21
and24
shall see
no
sorrow.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Daarom zullen haar plagenG4127 opG1722 eenG1520 dagG2250 komenG2240, namelijk doodG2288, enG2532 rouwG3997, enG2532 hongerG3042, enG2532 zij zal metG1722 vuurG4442 verbrandG2618 worden; wantG3754 sterkG2478 is de HeereG2962 GodG2316, DieG3778 haarG846 oordeeltG2919.
Daarom zullen haar plagen op een dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt.
KJV
Therefore1
shall6
her9
plagues8
come
in3
one
day,5
death,10
and11
mourning,12
and13
famine;14
and15
she shall be utterly burned18
with16
fire:17
for19
strong20
is the Lord21
God23
who7
judgeth25
her.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En de koningenG935 der aardeG1093, die metG3326 haarG846 gehoereerdG4203 enG2532 weeldeG4763 gehad hebben, zullen haar bewenenG2799, enG2532 rouwG2875 overG1909 haar bedrijvenG2875, wanneer zij den rookG2586 haarG846 brandsG4451 zullen zienG991;
En de koningen der aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij den rook haar brands zullen zien;
KJV
And1
the kings9
of the earth,11
who8
have committed fornication15
and4
lived deliciously17
with13
her,3
shall bewail2
her,7
and16
lament5
for6
her,14
when18
they shall see19
the smoke21
of her24
burning,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Van verreG3113 staandeG2476 uit vrezeG5401 van haarG846 pijnigingG929, zeggendeG3004: WeeG3759, weeG3759, de groteG3173 stadG4172 BabylonG897, de sterkeG2478 stadG4172, wantG3754 uw oordeelG2920 is inG1722 eenG1520 ureG5610 gekomenG2064.
Van verre staande uit vreze van haar pijniging, zeggende: Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in een ure gekomen.
KJV
Standing3
afar2
off1
for4
the fear6
of her9
torment,8
saying,10
Alas,11
alas,12
that great16
city14
Babylon,17
that mighty21
city!19
for22
in23
one
hour25
is26
thy
judgment28
come.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
EnG2532 de koopliedenG1713 der aardeG1093 zullen wenenG2799 enG2532 rouwG3996 maken overG1909 haarG846, omdatG3754 niemandG3762 hunG846 waren meer kooptG59;
En de kooplieden der aarde zullen wenen en rouw maken over haar, omdat niemand hun waren meer koopt;
KJV
And1
the merchants3
of the earth5
shall weep6
and7
mourn8
over9
her;10
for11
no man15
buyeth16
their14
merchandise13
any more:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Waren van goudG5557, enG2532 van zilverG696, en van kostelijkG5093 gesteenteG3037, enG2532 van paarlenG3135, enG2532 van fijn lijnwaadG1040, enG2532 van purperG4209, enG2532 van zijde, enG2532 van scharlakenG2847; enG2532 allerleiG3956 welriekendG2367 houtG3586, enG2532 allerleiG3956 ivorenG1661 vatenG4632, enG2532 allerleiG3956 vatenG4632 van het kostelijksteG5093 houtG3586, enG2532 van koperG5475, enG2532 van ijzerG4604, enG2532 van marmersteenG3139;
Waren van goud, en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van paarlen, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken; en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van het kostelijkste hout, en van koper, en van ijzer, en van marmersteen;
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
The merchandise1
of gold,2
and3
silver,4
and5
precious7
stones,6
and8
of pearls,9
and10
fine linen,11
and12
purple,13
and14
silk,15
and16
scarlet,17
and18
all19
thyine21
wood,20
and22
all manner23
vessels24
of ivory,25
and26
all manner27
vessels28
of29
most precious31
wood,30
and32
of brass,33
and34
iron,35
and36
marble,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En kaneelG2792, enG2532 reukwerkG2368, enG2532 welriekende zalfG3464, enG2532 wierookG3030, enG2532 wijnG3631, enG2532 olieG1637, enG2532 meelbloemG4585, enG2532 tarweG4621, enG2532 lastbeestenG2934, enG2532 schapenG4263; enG2532 van paardenG2462, enG2532 van koetswagensG4480, enG2532 van lichamenG4983, enG2532 de zielenG5590 der mensenG444.
En kaneel, en reukwerk, en welriekende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen der mensen.
KJV
And1
cinnamon,2
and3
odours,4
and5
ointments,6
and7
frankincense,8
and9
wine,10
and11
oil,12
and13
fine flour,14
and15
wheat,16
and17
beasts,18
and19
sheep,20
and21
horses,22
and23
chariots,24
and25
slaves,26
and27
souls28
of men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
EnG2532 de vruchtG3703 der begeerlijkheidG1939 uwer zielG5590 is vanG575 uG4771 weggegaanG565; enG2532 alG3956 wat lekkerG3045 enG2532 wat heerlijkG2986 was, is vanG575 u weggegaanG565; enG2532 gijG4771 zult hetzelveG846 niet meer vindenG2147.
En de vrucht der begeerlijkheid uwer ziel is van u weggegaan; en al wat lekker en wat heerlijk was, is van u weggegaan; en gij zult hetzelve niet meer vinden.
KJV
And1
the fruits3
that thy
soul7
lusted after5
are departed9
from10
thee,
and12
all things13
which2
were dainty15
and16
goodly18
are departed19
from20
thee,
and22
thou shalt find26
them27
no more23
at all.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
De koopliedenG1713 dezer dingen, dieG3778 rijkG4147 geworden waren van haarG846, zullen van verreG3113 staanG2476 uit vrezeG5401 van haarG846 pijnigingG929, wenendeG2799 enG2532 rouw makendeG3996;
De kooplieden dezer dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vreze van haar pijniging, wenende en rouw makende;
KJV
The merchants2
of these things,
which1
were made rich5
by6
her,7
shall stand10
afar9
off8
for11
the fear13
of her16
torment,15
weeping17
and18
wailing,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
EnG2532 zeggendeG3004: WeeG3759, weeG3759, de groteG3173 stadG4172, die bekleedG4016 was met fijn lijnwaadG1039, enG2532 purperG4210, enG2532 scharlakenG2847, enG2532 versierdG5558 metG1722 goudG5557, en met kostelijkG5093 gesteenteG3037, enG2532 met paarlenG3135; want in een ureG5610 is zo grote rijkdomG4149 verwoestG2049.
En zeggende: Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en met kostelijk gesteente, en met paarlen; want in een ure is zo grote rijkdom verwoest.
KJV
And1
saying,2
Alas,3
alas,4
that great8
city,6
that was clothed in10
fine linen,11
and12
purple,13
and14
scarlet,15
and16
decked17
with18
gold,19
and20
precious22
stones,21
and23
pearls!
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En alle stuurliedenG2942, enG2532 alG3956 het volkG3658 opG1909 de schepenG4143, enG2532 bootsgezellenG3492, enG2532 allen, die ter zeeG2281 handelenG2038, stondenG2476 vanG575 verreG3113;
En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen, die ter zee handelen, stonden van verre;
KJV
For1
in one
hour3
so great6
riches7
is come to nought.4
And8
every9
shipmaster,10
and11
all12
the company17
in13
ships,15
and18
sailors,19
and20
as many as21
trade24
by sea,23
stood27
afar26
off,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
EnG2532 riepenG2896, ziendeG3708 den rookG2586 van haarG846 brandG4451, en zeggendeG3004: WatG5101 stadG4172 was deze groteG3173 stad gelijk?
En riepen, ziende den rook van haar brand, en zeggende: Wat stad was deze grote stad gelijk?
KJV
And1
cried2
when they saw3
the smoke5
of her8
burning,7
saying,9
What10
city is like11
unto this great15
city!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En zij wierpenG906 stofG5522 op hunG846 hoofdenG2776, enG2532 riepenG2896, wenendeG2799 enG2532 rouw bedrijvendeG3996, zeggendeG3004: WeeG3759, weeG3759, de groteG3173 stadG4172, in dewelke allenG3956, dieG3739 schepenG4143 inG1722 de zeeG2281 haddenG2192, vanG1537 haar kostelijkheidG5094 rijkG4147 geworden zijn; wantG3754 zij is in eenG1520 ureG5610 verwoestG2049 geworden.
En zij wierpen stof op hun hoofden, en riepen, wenende en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de grote stad, in dewelke allen, die schepen in de zee hadden, van haar kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in een ure verwoest geworden.
KJV
And1
they cast2
dust3
on4
their7
heads,6
and8
cried,9
weeping10
and11
wailing,12
saying,13
Alas,14
alas,15
that great19
city,17
wherein20
were made rich22
all23
that had25
ships26
in27
the sea29
by reason of30
her33
costliness!32
for34
in one
hour36
is she made desolate.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Bedrijft vreugdeG2165 overG1909 haarG846, gij hemelG3772, enG2532 gij heiligeG40 apostelenG652, enG2532 gij profetenG4396, wantG3754 GodG2316 heeft uw oordeelG2917 aan haarG846 geoordeeldG2919.
Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld.
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
Rejoice1
over2
her,3
thou heaven,4
and5
ye holy7
apostles8
and9
prophets;11
for12
God15
hath avenged17
you
on19
her.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En een sterkeG2478 engelG32 hiefG142 een steenG3037 op alsG5613 een grotenG3173 molensteenG3458, enG2532 wierpG906 dien inG1519 de zeeG2281, zeggendeG3004: AldusG3779 zal de groteG3173 stadG4172 BabylonG897 met geweldG3731 geworpenG906 worden, enG2532 zal niet meer gevondenG2147 worden.
En een sterke engel hief een steen op als een groten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden.
KJV
And1
a3
mighty5
angel4
took up2
a stone6
like7
a great9
millstone,8
and10
cast11
it into12
the sea,14
saying,15
Thus16
with violence17
shall18
that great21
city22
Babylon19
be thrown down,
and23
shall be found26
no more
at all.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
EnG2532 de stemG5456 der citerspelersG2790, enG2532 der zangersG3451, enG2532 der fluitersG834, enG2532 der bazuinersG4538, zal niet meer inG1722 u gehoordG191 worden; en geen kunstenaarG5079 van enigeG3956 kunstG5078 zal meer inG1722 u gevondenG2147 worden; enG2532 geen geluidG5456 des molensG3458 zal inG1722 uG4771 meer gehoordG191 worden.
En de stem der citerspelers, en der zangers, en der fluiters, en der bazuiners, zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden; en geen geluid des molens zal in u meer gehoord worden.
KJV
And1
the voice2
of harpers,3
and4
musicians,5
and6
of pipers,7
and8
trumpeters,9
shall be heard12
no more
at all15
in13
thee;
and16
no17
craftsman,18
of whatsoever19
craft20
he be, shall be found23
any more26
in24
thee;
and27
the sound28
of a millstone29
shall be heard32
no more
at all35
in33
thee;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
EnG2532 het lichtG5457 der kaarsG3088 zal in uG4771 niet meer schijnenG5316; enG2532 de stemG5456 eens bruidegomsG3566 enG2532 ener bruidG3565 zal in uG4771 niet meer gehoordG191 worden; wantG3754 uw koopliedenG1713 warenG1510 de groten der aardeG1093, wantG3754 doorG1722 uw toverijG5331 zijn alleG3956 volkenG1484 verleidG4105 geweest.
En het licht der kaars zal in u niet meer schijnen; en de stem eens bruidegoms en ener bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uw kooplieden waren de groten der aarde, want door uw toverij zijn alle volken verleid geweest.
KJV
And1
the light2
of a candle3
shall shine6
no more
at all9
in7
thee;
and10
the voice11
of the bridegroom12
and13
of the bride14
shall be heard17
no more
at all20
in18
thee:
for21
thy
merchants23
were
the great men27
of the earth;29
for30
by31
thy
sorceries33
were35
all36
nations38
deceived.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En inG1722 dezelveG846 is gevondenG2147 het bloedG129 der profetenG4396 enG2532 der heiligenG40, en alG3956 dergenen, die gedood zijn op de aardeG1093.
En in dezelve is gevonden het bloed der profeten en der heiligen, en al dergenen, die gedood zijn op de aarde.
KJV
And1
in2
her3
was found8
the blood4
of prophets,5
and6
of saints,7
and9
of all10
that were slain12
upon13
the earth.
na dezen zag
Dat is, nadat de voorgaande engel zijn woorden van de beschrijving der grote hoer had geëindigd.
Hertaald:
na dezen zag
Dat is: nadat de voorgaande engel zijn woorden over de beschrijving van de grote hoer beëindigd had.
een anderen engel
Sommigen verstaan dit van Christus zelf, en van Zijn komst ten oordeel, wanneer Hij den antichrist geheel zal teniet doen, 2 Thess. 2:8. Doch daar in vs.9 en vervolgens, van den rouw der koningen, kooplieden en zeelieden, dien zij na den val van dit Babylon nog zullen bedrijven, in het brede wordt gehandeld, zo is het waarschijnlijker, dat hier van den val van dit Babylon en de uitroeiïng van haar troon, wordt gesproken, die nog tevoren zal geschieden, tot een voorbeeld van Gods rechtvaardig oordeel voor de gehele wereld; gelijk het ook daaruit blijkt, dat God in het vs.4 Zijn volk beveelt uit haar te gaan, opdat zij haar zonden en plagen niet deelachtig worden; hetwelk op den uitersten dag niet wel kan worden gepast; van welke laatste wraak over het beest en den valsen profeet eerst zal gesproken worden, Openb. 19:20-21.
Hertaald:
een anderen engel
Sommigen verstaan dit van Christus Zelf en van Zijn komst ten oordeel, wanneer Hij de antichrist geheel zal tenietdoen, 2 Thess. 2:8. Maar omdat in vers 9 en verder uitvoerig gehandeld wordt over de rouw die de koningen, kooplieden en zeelieden na de val van dit Babylon nog zullen bedrijven, is het aannemelijker dat hier gesproken wordt over de val van dit Babylon en over de uitroeiing van haar troon, die nog tevoren zal gebeuren, tot een voorbeeld van Gods rechtvaardig oordeel voor de hele wereld. Dat blijkt ook daaruit dat God in vers 4 Zijn volk beveelt uit haar te gaan, opdat zij niet deel krijgen aan haar zonden en haar plagen; dat kan niet goed op de laatste dag toegepast worden. Over die laatste wraak over het beest en de valse profeet zal pas in Openb. 19:20-21 gesproken worden.
hebbende grote macht,
Deze twee eigenschappen, van grote kracht en heerlijkheid, worden ook den geschapen engelen toegeschreven, Ps. 103:20; Luc. 2:9; Hand. 12:7. De reden waarom deze titels hier dezen engel worden gegeven, is omdat er grote kracht en heerlijkheid nodig was in het uitroeien van dezen machtigen troon van den antichrist in de wereld.
Hertaald:
hebbende grote macht,
Deze twee eigenschappen, van grote kracht en heerlijkheid, worden ook aan de geschapen engelen toegeschreven, Ps. 103:20; Luk. 2:9; Hand. 12:7. De reden waarom deze aanduidingen hier aan deze engel gegeven worden, is dat er grote kracht en heerlijkheid nodig was bij het uitroeien van deze machtige troon van de antichrist in de wereld.
Zij is gevallen, zij
Deze woorden zijn ook gesproken door een engel, Openb. 14:8; maar worden daar verstaan van het begin van den val van dit grote Babylon in de harten van velen in de wereld, gelijk daar is aangetekend; hetwelk nu langen tijd is begonnen te geschieden, en nog dagelijks geschiedt. Maar hier worden zij verstaan van de uiterste uitroeiïng van den troon van dit beest, of van dit grote Roomse Babylon. En deze woorden zijn genomen uit Jes. 21:9, en Jer. 51:8; welke woorden daar meer dan honderd jaar voor de uitroeiïng van de stad en het rijk van het Assyrische Babylon door de profeten zijn voorzegd, en daarna volbracht.
Hertaald:
Zij is gevallen, zij
Deze woorden zijn ook door een engel gesproken in Openb. 14:8, maar daar worden zij verstaan van het begin van de val van dit grote Babylon in de harten van velen in de wereld, zoals daar aangetekend is; dat is nu lange tijd begonnen te gebeuren en het gebeurt nog dagelijks. Maar hier worden zij verstaan van de uiterste uitroeiing van de troon van dit beest, of van dit grote Roomse Babylon. Deze woorden zijn genomen uit Jes. 21:9 en Jer. 51:8; daar zijn zij door de profeten meer dan honderd jaar voor de uitroeiing van de stad en het rijk van het Assyrische Babylon voorzegd, en daarna zijn zij volbracht.
een woonstede der
Namelijk welke in eenzame en woeste plaatsen met het onreine gevogelte meest zich onthouden, gelijk de ervaring en Christus zelf betuigt, Matt. 12:43, waar zij door Gods voorzienigheid worden gehouden als in een bewaring, totdat God in Zijn rechtvaardig oordeel hun den toom loslaat, om de mensen opnieuw te verzoeken; en dergelijke woorden worden ook gebruikt van de verwoesting van het Assyrische Babylon; Jes. 13:21-22; Jer. 50:39, enz.
Hertaald:
een woonstede der
Namelijk de duivelen, die zich meestal in eenzame en woeste plaatsen ophouden bij het onreine gevogelte, zoals de ervaring en Christus Zelf betuigt, Matth. 12:43. Daar worden zij door Gods voorzienigheid als in bewaring gehouden, totdat God hun in Zijn rechtvaardig oordeel de teugel loslaat om de mensen opnieuw te verzoeken. Dergelijke woorden worden ook gebruikt bij de verwoesting van het Assyrische Babylon; Jes. 13:21-22; Jer. 50:39, enzovoort.
hoererij alle volken
Dat is, afgoderij. Zie hiervan de aantekeningen Openb. 14:8, en Openb. 17:2.
Hertaald:
hoererij alle volken
Dat is: afgodendienst. Zie hierover de aantekeningen bij Openb. 14:8 en Openb. 17:2.
de kooplieden der aarde
Hoewel dit op de eigenlijk genoemde kooplieden in alle gewesten der wereld enigszins past, die door de weelde, die in het antichristische rijk, of in deze grote stad Babylon omgaat, rijk en machtig worden, gelijk hierna vs.11 en vervolgens nader verklaard wordt, zo kan dit hier nochtans op de geestelijke koopmanschap, die in hun godsdienst, en in het verkopen van geestelijke voordelen en ambten gepleegd wordt, wel zo geschikt gepast worden; dewijl alles daar voor geld te koop is. Te meer, waar ook de zielen der mensen onder die koopmanschap, vs.13, worden gerekend, en vs.23 gezegd wordt, dat de groten der aarde deze kooplieden zijn geweest, waaronder de kardinalen, patriarchen, aartsbisschoppen, abten en andere geestelijken, vooral verstaan kunnen worden, die zulk koopmanschap met hen drijven.
Hertaald:
de kooplieden der aarde
Hoewel dit enigszins past op de kooplieden in eigenlijke zin in alle delen van de wereld, die rijk en machtig worden door de weelde die in het antichristische rijk of in deze grote stad Babylon omgaat, zoals hierna in vers 11 en verder nader verklaard wordt, kan dit hier toch minstens zo terecht toegepast worden op de geestelijke koopmanschap die in hun godsdienst en in het verkopen van geestelijke voordelen en ambten gedreven wordt; want daar is alles voor geld te koop. Dat te meer omdat ook de zielen van de mensen bij die koopmanschap gerekend worden, vers 13, en omdat in vers 23 gezegd wordt dat de groten van de aarde deze kooplieden geweest zijn. Daaronder kunnen vooral de kardinalen, patriarchen, aartsbisschoppen, abten en andere geestelijken verstaan worden, die zulke koopmanschap met hen drijven.
een andere stem
De stem schijnt geen stem van een geschapen engel, maar een stem Gods, of van Christus, komende uit den troon des hemels, geweest te zijn, dewijl die de gelovigen Zijn volk noemt, hetwelk Gode of Christus alleen toekomt; Matt. 1:21; Hand. 18:9-10.
Hertaald:
een andere stem
Deze stem lijkt geen stem van een geschapen engel geweest te zijn, maar een stem van God of van Christus, die uit de troon van de hemel kwam, omdat die de gelovigen Zijn volk noemt; dat komt alleen God of Christus toe; Matth. 1:21; Hand. 18:9-10.
Gaat uit van haar,
Dergelijke woorden worden ook van God, Jes. 48:20; Jer. 50:8, en Jer. 51:6; Zach. 2:7, tot een waarschuwing van het volk Gods, vóór den ondergang van het Assyrische Babylon, gebruikt, opdat zij zich intijds zouden voorzien, en daaruit vertrekken; welke hier van het geestelijk Babylon tot alle ware gelovigen worden gesproken; waarvan de redenen in den tekst volgen.
Hertaald:
Gaat uit van haar,
Dergelijke woorden worden ook door God gebruikt in Jes. 48:20; Jer. 50:8 en Jer. 51:6; Zach. 2:7, als een waarschuwing van het volk van God voor de ondergang van het Assyrische Babylon, opdat zij zich tijdig zouden voorzien en daaruit zouden vertrekken. Hier worden zij over het geestelijke Babylon tot alle ware gelovigen gesproken; de redenen daarvan volgen in de tekst.
opdat gij aan haar
Namelijk òf door de dagelijkse verkering met hem daartoe zijnde verlokt, òf door vrees en vervolging van hen daartoe gedrongen zijnde. Waarop de gemeenschap der straffen volgt. Zo vermaant ook Christus de Zijnen; Matt. 24:16.
Hertaald:
opdat gij aan haar
Namelijk óf doordat zij door de dagelijkse omgang met hem daartoe verlokt worden, óf doordat zij door vrees en vervolging van hen daartoe gedrongen worden. Daarop volgt de gemeenschap aan de straffen. Zo spoort Christus de Zijnen ook aan; Matth. 24:16.
de ene op de andere
Een manier van spreken, wanneer de maat der zonden, die God in Zijn lankmoedigheid lang heeft verdragen, is vervuld, zo dat er niet dan de straf meer overig is. Zie dergelijke Gen. 15:16, en Gen. 18:20-21; Rom. 2:5.
Hertaald:
de ene op de andere
Dit is een manier van spreken voor het geval dat de maat van de zonden die God in Zijn lankmoedigheid lang verdragen heeft vervuld is, zodat er niets anders dan de straf meer over is. Zie iets dergelijks in Gen. 15:16 en Gen. 18:20-21; Rom. 2:5.
gedachtig geworden
Gelijk God gezegd wordt de zonden der mensen te vergeten of niet te gedenken, Jer. 31:34, en elders, wanneer hij die den gelovigen en boetvaardigen vergeeft, en in hen niet straft, zo wordt Hij gezegd die te gedenken, of ze indachtig te worden, wanneer Hij die besloten heeft te straffen. Zie hiervoor Openb. 16:19.
Hertaald:
gedachtig geworden
Zoals van God gezegd wordt dat Hij de zonden van de mensen vergeet of niet gedenkt, Jer. 31:34 en elders, wanneer Hij die de gelovigen en boetvaardigen vergeeft en die in hen niet straft, zo wordt van Hem gezegd dat Hij ze gedenkt of Zich ze herinnert wanneer Hij besloten heeft ze te straffen. Zie hiervoor Openb. 16:19.
Vergeldt haar,
Dit moet niet verstaan worden van enige eigene wraak, die Christus den Zijnen uitdrukkelijk verbiedt, Matt. 5:39; Rom. 12:19, maar òf van Gods verborgen regering in dit gehele werk, waardoor God zekere werktuigen zal verwekken, die deze openlijke wraak, ook onwetend naar Gods wil zullen doen, gelijk van die van Medië en Perzië tegen Babylonië gezegd wordt, Jer. 50:9, en Jer. 51:11,enz.; òf ook van die prinsen en koningen, die nadat zij tot de kennis der waarheid gebracht zijn, Gods volk zullen voorstaan, en door een Goddelijken ijver gedreven zijnde, tegen de onrechtvaardigheid en afgoderij van dit grote Babylon, Gods oordelen ook zullen uitvoeren. Hetwelk met Openb. 17:16-17 wel overeenkomt.
Hertaald:
Vergeldt haar,
Dit moet niet verstaan worden van enige eigen wraak, die Christus de Zijnen uitdrukkelijk verbiedt, Matth. 5:39; Rom. 12:19. Het moet verstaan worden óf van Gods verborgen regering in dit hele werk, waardoor God bepaalde werktuigen zal verwekken die deze openlijke wraak, ook zonder het te weten, naar Gods wil zullen uitvoeren — zoals over de Meden en Perzen tegen Babylonië gezegd wordt, Jer. 50:9 en Jer. 51:11, enzovoort — óf ook van die vorsten en koningen die, nadat zij tot de kennis van de waarheid gebracht zijn, Gods volk zullen voorstaan en die, door een goddelijke ijver gedreven, Gods oordelen tegen de onrechtvaardigheid en de afgodendienst van dit grote Babylon ook zullen uitvoeren. Dat komt goed overeen met Openb. 17:16-17.
verdubbelt haar
Dit wordt gezegd niet ten opzichte van hare ongerechtigheid en tirannie, die God niemand kan aandoen, noch wil aangedaan hebben, maar van de benauwdheid, die zij den vromen onrechtvaardig heeft aangedaan, die God hier wil dat zij rechtvaardig zal lijden, gelijk de volgende woorden verklaren.
Hertaald:
verdubbelt haar
Dit wordt niet gezegd met het oog op haar ongerechtigheid en haar tirannie, die God niemand kan aandoen en die Hij ook niemand aangedaan wil hebben, maar met het oog op de benauwdheid die zij de vromen onrechtvaardig aangedaan heeft; God wil hier dat zij die rechtvaardig zal lijden, zoals de volgende woorden verklaren.
Ik zit als
Dat is de eigen roem van dien die zit in den tempel Gods, alsof hij God ware, en die zichzelf in het wereldlijke verheft boven alle koningen en prinsen, en in het geestelijke boven alle kerkvergaderingen, bisschoppen en prelaten, die als een moeder en koningin van alle Kerken niet kan bezwijken, noch dwalen, wier stoel niet kan te gronde gaan; en dergelijke prachtige titels meer, die zij zichzelf en hare dienaars haar doorgaans in hun schriften geven.
Hertaald:
Ik zit als
Dat is de eigen roem van hem die in de tempel van God zit alsof hij God was en die zichzelf in het wereldlijke boven alle koningen en vorsten verheft en in het geestelijke boven alle kerkvergaderingen, bisschoppen en prelaten. Hij zou als een moeder en koningin van alle kerken niet kunnen bezwijken en niet kunnen dwalen, en zijn zetel zou niet ten onder kunnen gaan; en meer dergelijke prachtige titels, die zij zichzelf geeft en die haar dienaars haar in hun geschriften telkens geven.
op een dag komen,
Dit is, op een korten tijd, die God over haar bestemd heeft.
Hertaald:
op een dag komen,
Dat is: op een korte tijd die God voor haar bestemd heeft.
want sterk is de
Namelijk en derhalve zal geen wereldse macht Zijn krachtigen arm van het uitvoeren van dit Zijn oordeel van haar kunnen weren.
Hertaald:
want sterk is de
Namelijk en daarom zal geen wereldse macht Zijn krachtige arm ervan kunnen weerhouden dit oordeel over haar uit te voeren.
die met haar gehoereerd
Namelijk tot den tijd van haar val en uitroeiïng toe. Waaruit blijkt, dat nog altijd enige prinsen en koningen met haar zullen samenspannen tot bevestiging van haar staat en bijgelovigheden, die dezen haren val zullen zoeken te stuiten en als hij reeds geschied zal zijn, ernstig doch tevergeefs zullen beklagen.
Hertaald:
die met haar gehoereerd
Namelijk tot de tijd van haar val en haar uitroeiing toe. Daaruit blijkt dat er nog altijd enkele vorsten en koningen met haar zullen samenspannen om haar staat en haar bijgelovigheden te bevestigen. Die zullen deze val van haar proberen te stuiten en, wanneer die al gebeurd is, ernstig maar tevergeefs beklagen.
rouw over haar
Grieks zichzelf slaan; namelijk op de borst van droefheid.
Hertaald:
rouw over haar
Grieks: zichzelf slaan; namelijk uit droefheid op de borst slaan.
Van verre staande
Namelijk zonder haar te kunnen helpen.
Hertaald:
Van verre staande
Namelijk zonder haar te kunnen helpen.
in een ure gekomen
Gelijk vs.8, op één dag, dat is, op een korten tijd.
Hertaald:
in een ure gekomen
Zoals in vers 8: op één dag, dat is: op een korte tijd.
hun waren meer koopt;
Grieks hun scheepsvracht, of lading; namelijk omdat hun ijdelheid en bedrog bekend wordt.
Hertaald:
hun waren meer koopt;
Grieks: hun scheepsvracht of lading; namelijk omdat hun ijdelheid en hun bedrog bekend wordt.
Waren van goud,
Deze woorden, met enige der volgende verzen, zijn meest genomen uit Ezechiël, Eze 27, waar van den val der koopstad Tyrus dergelijke wordt voorzegd; en hoewel, gelijk tevoren is gezegd, deze antichristische Tyrus ook vele kooplieden uit alle gewesten der wereld, met het kopen en bezigen dezer waren, in al hun pracht en versieringen van tempels, beelden, gebouwen en uiterlijke godsdiensten, door al hun gebied, rijk maakt, zo kan het van de geestelijke koopmanschap, die zij en haar groten onder de mensen drijven, ook zeer goed verstaan worden, gelijk op vs.3 is aangewezen.
Hertaald:
Waren van goud,
Deze woorden en enkele van de volgende verzen zijn grotendeels genomen uit Ezechiël, Ezech. 27, waar iets dergelijks over de val van de koopstad Tyrus voorzegd wordt. Zoals eerder gezegd is, maakt deze antichristische Tyrus ook veel kooplieden uit alle delen van de wereld rijk met het kopen en gebruiken van deze waren, in al haar pracht en versiering van tempels, beelden, gebouwen en uiterlijke godsdiensten, door heel haar gebied. Toch kan het ook zeer goed verstaan worden van de geestelijke koopmanschap die zij en haar groten onder de mensen drijven, zoals bij vers 3 aangewezen is.
welriekend hout,
Grieks thyinenhout; zie 1 Kon. 10:11.
Hertaald:
welriekend hout,
Grieks: thyinehout; zie 1 Kon. 10:11.
koetswagens,
Of karossen.
Hertaald:
koetswagens,
Of: karossen.
van lichamen,
Dat is, de lichamen der levenden tot slaven makende; en de zielen der afgestorvenen verkopende, om uit haar verdicht vagevuur door verschoningen, aflaten, bedevaarten, zielmissen en dergelijke verlost te worden; waarin het voordeel van deze kooplieden veel bestaat.
Hertaald:
van lichamen,
Dat is: de lichamen van de levenden tot slaven maken, en de zielen van de gestorvenen verkopen om door verschoningen, aflaten, bedevaarten, zielmissen en dergelijke uit hun verzonnen vagevuur verlost te worden; daarin bestaat een groot deel van het voordeel van deze kooplieden.
de vrucht der
Grieks de herfstvrucht, oogst, of boomvrucht; dat is, allerlei schone of liefelijke vruchten, lekkernijen en lekkere gerechten, waarnaar gij lust hadt, en waarvan gij overvloed hebt.
Hertaald:
de vrucht der
Grieks: de herfstvrucht, de oogst of de boomvrucht; dat is: allerlei mooie of aangename vruchten, lekkernijen en lekkere gerechten waarnaar u verlangde en waarvan u overvloed hebt.
De kooplieden
Namelijk de geestelijke kooplieden, die van dit Babylon afhangen, en daarover in aanzien en macht zijn. Zie hiervoor de aantekeningen vs.3.
Hertaald:
De kooplieden
Namelijk de geestelijke kooplieden, die van dit Babylon afhangen en die daardoor in aanzien en macht zijn. Zie hiervoor de aantekeningen bij vers 3.
uit vreze van
Namelijk dewijl zij in gevaar zijn van hun deel daarvan ook te zullen ontvangen; of ten minste van hun profijt en aanzien in de wereld te zullen verliezen.
Hertaald:
uit vreze van
Namelijk omdat zij in gevaar zijn ook hun deel daarvan te ontvangen, of in ieder geval hun voordeel en hun aanzien in de wereld te verliezen.
versierd met goud,
Grieks vergoud, of verguld; gelijk hiervoren Openb. 17:4.
Hertaald:
versierd met goud,
Grieks: vergoud of verguld, zoals hiervoor in Openb. 17:4.
alle stuurlieden,
Hierdoor kunnen enigszins de eigenlijk genoemde stuurlieden en zeelieden verstaan worden, die ook uit het aanbrengen van vele dezer goederen, uit alle gewesten der wereld, bij dit Babylon hun voordeel deden, gelijk van de stuurlieden en zeelieden van Tyrus wordt verhaald, Ezech. 27:9, Ezech. 27:25, en vervolgens. Doch dit wordt ook door velen figuurlijkerwijze verstaan van degenen die leden zijn, of de besturing hebben van de geestelijke hoven, abdijen, kloosters en dergelijke geestelijke goederen, die hierdoor hun voordeel en aanzien ook zullen verliezen; welke verenigingen ook bij wateren en rivieren, Openb. 16:4, zijn vergeleken.
Hertaald:
alle stuurlieden,
Hiermee kunnen enigszins de stuurlieden en zeelieden in eigenlijke zin bedoeld worden, die ook hun voordeel deden bij dit Babylon door veel van deze goederen uit alle delen van de wereld aan te brengen, zoals over de stuurlieden en zeelieden van Tyrus verteld wordt, Ezech. 27:9, Ezech. 27:25 en verder. Maar dit wordt door velen ook op beeldende wijze verstaan van hen die lid zijn van de geestelijke hoven, abdijen, kloosters en dergelijke geestelijke goederen of die het bestuur daarover hebben; die zullen hierdoor hun voordeel en hun aanzien ook verliezen. Deze verenigingen zijn ook met wateren en rivieren vergeleken, Openb. 16:4.
bootsgezellen,
Of schippers.
Hertaald:
bootsgezellen,
Of: schippers.
die ter zee handelen,
Dat is, die de zee bouwen.
Hertaald:
die ter zee handelen,
Dat is: die de zee bevaren.
zij wierpen stof
Namelijk tot een bijzonder teken van groten rouw en droefheid over hun verlies, gelijk bij de ouden gebruikelijk was, 1 Sam. 4:12; Job 2:12, en gelijk van de stuurlieden en zeelieden van Tyrus ook gezegd wordt, Ezech. 27:30-31. Hoewel deze hun rouw zich niet uitstrekt over hun zonden, en bijgelovigen godsdienst, waar zij in verhard zijn, maar alleen over hun verlies en schade.
Hertaald:
zij wierpen stof
Namelijk als een bijzonder teken van grote rouw en droefheid over hun verlies, zoals bij de ouden gebruikelijk was, 1 Sam. 4:12; Job 2:12, en zoals ook van de stuurlieden en zeelieden van Tyrus gezegd wordt, Ezech. 27:30-31. Toch strekt hun rouw zich niet uit over hun zonden en hun bijgelovige godsdienst, waarin zij verhard zijn, maar alleen over hun verlies en hun schade.
Bedrijft vreugde
Dat is, gij inwoners des hemels, engelen en heilige martelaars, die om deze uitvoering van Gods oordelen, tot rechtvaardiging hunner zaak, ook gebeden hebben, Openb. 6:10; welker getal nu dagelijks wordt vervuld. Hetwelk nochtans zo niet is te verstaan, alsof de hemelse schepselen, of Gods Kerk, zich moesten verheugen over iemands ongeval, maar over de uitvoering van Gods rechtvaardigheid, en over het bewijs van de rechtvaardigheid der zaak waardoor de gelovigen hier lijden.
Hertaald:
Bedrijft vreugde
Dat is: verheug u, bewoners van de hemel, engelen en heilige martelaren, die ook om deze uitvoering van Gods oordelen gebeden hebben, tot rechtvaardiging van hun zaak, Openb. 6:10; hun getal wordt nu dagelijks vervuld. Dat moet toch niet zo verstaan worden alsof de hemelse schepselen of Gods kerk zich zouden moeten verheugen over iemands ongeluk, maar over de uitvoering van Gods rechtvaardigheid en over het bewijs van de rechtvaardigheid van de zaak waarvoor de gelovigen hier lijden.
gij heilige apostelen,
Hierdoor worden niet alleen verstaan de apostelen en de profeten eigenlijk zo genoemd, die als leden van één lichaam, en een gemene zaak hebbende, zich ook hierover zouden verblijden; maar ook de dienaars en leraars der volgende tijden, die naar het voorbeeld der vorigen ook hetzelfde zou overkomen.
Hertaald:
gij heilige apostelen,
Hiermee worden niet alleen de apostelen en de profeten in eigenlijke zin bedoeld, die zich hierover ook zouden verheugen als leden van één lichaam en met een gemeenschappelijke zaak, maar ook de dienaars en leraars van de volgende tijden, die naar het voorbeeld van de eerdere hetzelfde zou overkomen.
uw oordeel aan
Dat is, u aan haar gewroken.
Hertaald:
uw oordeel aan
Dat is: u aan haar gewroken.
een sterke engel
Dit teken wordt bij de beloften en het dreigement tot versterking bijgevoegd, gelijk doorgaans bij de profeten te zien is, en in het bijzonder van den val van het oude Babylon; Jer. 51:63.
Hertaald:
een sterke engel
Dit teken wordt bij de beloften en de dreiging toegevoegd tot versterking, zoals telkens bij de profeten te zien is en in het bijzonder bij de val van het oude Babylon; Jer. 51:63.
de stem der citerspelers,
Onder dergelijke wijze van spreken wordt ook het uiterste ongeval geprofeteerd aan die van Cyrus; Ezech. 26:13.
Hertaald:
de stem der citerspelers,
Onder een dergelijke manier van spreken wordt ook het uiterste onheil geprofeteerd aan de inwoners van Tyrus; Ezech. 26:13.
geluid des molens
Namelijk om voedsel te bereiden voor de bewoners tot onderhoud des levens nodig.
Hertaald:
geluid des molens
Namelijk om voedsel te bereiden dat voor de bewoners nodig is tot onderhoud van het leven.
het licht der kaars
Dit wordt daarbij gevoegd, òf omdat zulk licht nodig is tot een groot deel van het leven der mensen, bij avond en nacht; òf omdat de bruiloften, waarvan volgt, des avonds en des nachts werden gehouden, waar deze kaarsen en fakkels toe werden gebruikt. Zie Matt. 25:1.
Hertaald:
het licht der kaars
Dit wordt eraan toegevoegd, óf omdat zulk licht nodig is voor een groot deel van het leven van de mensen, in de avond en in de nacht, óf omdat de bruiloften waarover het volgende spreekt in de avond en de nacht gehouden werden, waarvoor deze kaarsen en fakkels gebruikt werden. Zie Matth. 25:1.
de stem eens bruidegoms
Namelijk hetwelk niet alleen een tijd is van vrolijkheid, maar ook een middel waardoor de inwoners van dit Babylon weder zouden kunnen aanwassen en vermenigvuldigen.
Hertaald:
de stem eens bruidegoms
Namelijk de stem van een bruidegom, die niet alleen een tijd van vrolijkheid aanduidt, maar ook een middel waardoor de inwoners van dit Babylon weer zouden kunnen groeien en toenemen.
uw kooplieden
Zie de aantekeningen op vs.3.
Hertaald:
uw kooplieden
Zie de aantekeningen bij vers 3.
door uw toverij
Dat is afgoderij en aanlokking van uw opgesmukten godsdienst; gelijk meermalen hiervoor.
Hertaald:
door uw toverij
Dat is: door uw afgodendienst en door de aanlokking van uw opgesmukte godsdienst, zoals meermalen hiervoor.
in dezelve is
Dat is, zij is bevonden oorzaak geweest te zijn van het storten van het bloed der profeten en heiligen, zo omdat zij zelf een grote menigte daarvan heeft gedood, en in haar geheel gebied, door hare strenge plakkaten en rechtbanken heeft doen doden, alsook omdat zij met dit doen de tirannie van anderen, die zulks hebben gedaan, heeft gestijfd en goedgekeurd. Zie dergelijke woorden van Christus Matt. 23:34-36.
Hertaald:
in dezelve is
Dat is: zij is bevonden oorzaak geweest te zijn van het vergieten van het bloed van de profeten en de heiligen. Dat is zowel omdat zij zelf een grote menigte daarvan gedood heeft en in heel haar gebied door haar strenge edicten en rechtbanken heeft laten doden, als omdat zij daarmee de tirannie van anderen die dat gedaan hebben gesterkt en goedgekeurd heeft. Zie dergelijke woorden van Christus in Matth. 23:34-36. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een engel toont Johannes "het oordeel der grote hoer, die daar zit op vele wateren", met wie de koningen der aarde gehoereerd hebben (Op. 17:1-2). Zij is dronken "van het bloed der heiligen, en van het bloed der getuigen van Jezus" (Op. 17:6). Het beest waarop zij zit, heeft zeven koppen — "zeven bergen, op welke de vrouw zit", tevens zeven koningen — en tien horens, "tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen" (Op. 17:9-12). Deze tien geven hun macht juist aan het beest, totdat zij zich uiteindelijk tegen de hoer zelf keren: "die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden" (Op. 17:16). De reden van die zelfvernietiging wordt erbij gezegd: "God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen" (Op. 17:17). Het hoofdstuk sluit met de identificatie: "En de vrouw, die gij gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde" (Op. 17:18). Bijbelse betekenis: Twee zaken staan met zekerheid vast, ongeacht de precieze historische invulling. Ten eerste is de tegenstelling met het Lam scherp getekend: het beest en zijn koningen "zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen; want Het is een Heere der heren, en een Koning der koningen" (Op. 17:14). Ten tweede is Gods soevereiniteit over het kwaad zelf onaangetast: zelfs de zelfvernietiging van de hoer door de tien horens gebeurt niet buiten Gods raad om, maar juist doordat Hij het hun in het hart gegeven heeft. Over de precieze historische of toekomstige identiteit van Babylon en de zeven koningen onthoudt het register zich van een eigen identificatie. Hier geldt dezelfde terughoudendheid als bij het beest en het getal 666 in Openbaring 13: door de eeuwen heen zijn uiteenlopende machten met deze naam vereenzelvigd. De tekst zelf roept op tot verstand en wijsheid (Op. 17:9), niet tot een vaststaande berekening. Typologie: Deze naam "Babylon" is zelf al een oud beeld: van de torenbouw af (Gen. 11, reeds behandeld bij Pinksteren) staat die naam in de Schrift voor menselijke zelfverheffing tegen God. Jesaja en Jeremia hadden het aardse Babylon al ten val zien komen om zijn hoogmoed; Openbaring tilt dat beeld op tot zijn laatste, geestelijke vervulling. Paulus roept de gemeente op met dezelfde woorden die hier als achtergrond klinken: "gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is" (2 Kor. 6:17, reeds behandeld bij Ongelijk juk) — een oproep die in het volgende hoofdstuk letterlijk herhaald wordt. Op. 17:1-18; 2 Kor. 6:17 Een engel kondigt aan: "Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon" (Op. 18:2), waarna een stem uit de hemel Gods volk oproept eruit te gaan (Op. 18:4-5). Drie groepen bewenen haar val: de koningen der aarde, die met haar gehoereerd hebben (Op. 18:9-10), de kooplieden, die rijk zijn geworden van haar weelde (Op. 18:11-17), en de zeevaarders (Op. 18:17-19). Telkens klinkt hetzelfde refrein: "Wee, wee, de grote stad." Tegenover deze rouw staat een tegengestelde oproep: "Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld" (Op. 18:20). Een sterke engel werpt ten slotte een steen als een molensteen in de zee, ten teken dat de stad nooit meer gevonden zal worden (Op. 18:21-24). Bijbelse betekenis: De rouw van koningen, kooplieden en zeevaarders is veelzeggend: allen treuren niet om Babylon zelf maar om wat zij daaraan verloren — macht, rijkdom, handel. Hun rouw is dus geen liefde voor het goede maar spijt over het verlies van het kwade. Daartegenover staat de vreugde van hemel, apostelen en profeten: hetzelfde oordeel dat de één doet wenen, doet de ander juichen, omdat het recht eindelijk gedaan is. De oproep "gaat uit van haar" komt niet ná het oordeel maar ervóór — het is geen advies achteraf, maar een dringende roep terwijl er nog tijd is. Typologie: Dezelfde roep tot uittocht klinkt al bij het oude Babylon: "Vliedt uit het midden van Babel, en redt, een iegelijk zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd der wraak des HEEREN" (Jer. 51:6, niet apart aangehaald). De koopmanslijst van Op. 18:12-13 eindigt met "de zielen der mensen" en tekent zo een handel die uiteindelijk zelfs de mens tot koopwaar maakt. Dat is het tegendeel van de gelovige, die weet duur gekocht te zijn, niet met vergankelijke dingen (1 Petr. 1:18-19, reeds behandeld bij Rantsoen/losprijs). Op. 18:1-24; 1 Petr. 1:18-19 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Openbaring 18
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Openbaringen 18
Openbaring 18:20-24.KruisverwijzingenOpenbaring 18:3→Openbaring 17:6→Jeremia 25:10→Ezechiël 26:13→Nahum 3:4→Jesaja 23:8→Openbaring 16:6→Jeremia 51:49→
— Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld. En een sterke engel hief een steen op als een groten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden. En de stem der citerspelers, en der zangers, en der fluiters, en der bazuiners, zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden; en geen geluid des molens zal in u meer gehoord worden. En het licht der kaars zal in u niet meer schijnen; en de stem eens bruidegoms en ener bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uw kooplieden waren de groten der aarde, want door uw toverij zijn alle volken verleid geweest. En in dezelve is gevonden het bloed der profeten en der heiligen, en al dergenen, die gedood zijn op de aarde.
Moge de Geest van God de sluier van onze ogen wegnemen terwijl wij lezen wat aan de geliefde apostel Johannes is geopenbaard. Hier vinden wij de profetie over de ondergang van het grote antichristelijke systeem, Babylon, dat naar mijn overtuiging niets anders kan zijn dan de afvallige kerk van Rome.
Nadat de valse kerk is weggenomen, straalt de ware Kerk van Christus in al haar heerlijkheid en zuiverheid.
Het is voor ons niet moeilijk vast te stellen op welke stad dit grote Babylon betrekking heeft. De Kerk van Rome heeft deze benaming in zekere zin zelf op zich toegepast door te leren dat Petrus de eerste bisschop van Rome was. Daarbij beroept zij zich op de woorden: “U groet de medeuitverkoren gemeente die in Babylon is.” Volgens haar verwijst deze tekst naar de kerk in Rome. Daarmee erkent zij feitelijk zelf de verbinding tussen Rome en Babylon.
Bovendien geeft heel Openbaring 18 een beschrijving die, naar mijn overtuiging, alleen op Rome van toepassing is. Daarom zal zij ook zeker ten onder gaan. De machtige engel werpt een grote molensteen in de zee als teken dat Babylon met geweld zal worden neergeworpen en nooit meer zal worden gevonden. Alle tekenen van haar vroegere rijkdom, bedrijvigheid en vreugde zullen verdwijnen. De muziek zal verstommen, de ambachtslieden zullen verdwijnen, het geluid van de molensteen zal niet meer worden gehoord, het licht van de kaars zal doven en de stem van bruidegom en bruid zal zwijgen. Haar ondergang is volkomen en onherroepelijk.
De reden voor dit oordeel wordt eveneens genoemd. Haar kooplieden waren de groten der aarde; door haar toverijen werden de volken verleid; en in haar werd het bloed gevonden van profeten, heiligen en van allen die op de aarde waren gedood. Daarom zal Gods rechtvaardig oordeel haar treffen, en zal Hij de zaak van Zijn vervolgde volk voorgoed wreken.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
OVER de VAL EN DE STRAF VAN HET ANTICHRISTISCHE RIJK
VI. Vs. 1-24.Kruisverwijzingen2 Korinthe 6:17→Openbaring 18:19→Openbaring 17:2→Ezechiël 43:2→Jeremia 51:6→Jeremia 51:45→Openbaring 14:8→Openbaring 18:9→
— En na dezen zag ik een anderen engel afkomen uit den hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid. En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede der duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte; Dewijl uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken gedronken hebben, en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden der aarde rijk zijn geworden uit de kracht harer weelde. En ik hoorde een andere stem uit den hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt. Want haar zonden zijn de ene op de andere gevolgd tot den hemel toe, en God is harer ongerechtigheden gedachtig geworden. Vergeldt haar, gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar haar werken; in den drinkbeker, waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel. Zoveel als zij zichzelve verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien. Daarom zullen haar plagen op een dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt. En de koningen der aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij den rook haar brands zullen zien; Van verre staande uit vreze van haar pijniging, zeggende: Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in een ure gekomen.
Wat in Hoofdstuk 14: 8 door de middelsten van de drie engelen voor de tweede reeks van gezichten van dit deel van de Openbaring, dat met Hoofdstuk 10 begint, onder de drie zeer belangrijke gebeurtenissen van haar inhoud reeds in een bepaalde pregnante uitdrukking was samengevat, wordt nu verkondigd, terwijl het in hetgeen in Hoofdstuk 17: 15-18 werd meegedeeld reeds als een volbracht feit voor ons ligt. Het wordt als een grote, belangrijke boodschap door de engel, die van de hemel neerdaalt en wiens betekenis wij reeds kennen, meegedeeld; het grote Babylon is nu gevallen! (vs. 1-3). Opdat echter het hart van de discipel van Christus zich niet bezorgd maakt en beangstigt, of niet het volk, dat de Heere wellicht in de stad, ten tijde van deze catastrofe gehad heeft, ook in het gericht is verdorven, wordt een andere stem vernomen; het is die, die onmiddellijk bij de ontwikkeling van Rome tot de grote hoer, allen, die het oprecht met hun Heiland menen maar tot hiertoe zich nog door de valse heerlijkheid de stad hebben laten verblinden en gevangen houden, uit haar uitroept, opdat haar zou kunnen worden vergolden volkomen zoals zij het heeft verdiend (vs. 5-8). Bij het uitbreken van de catastrofe zelf is er dan wel veel klagen en geschrei bij de aardbewoners, de koningen en kooplieden en zeevaarders, omdat zij zich nu pas echt bewust worden, wat zij aan Rome hebben gehad en daarmee hebben verloren (vs. 9-19), maar er is in de hemel ook des te meer vreugde (vs. 20), en een symbolische handeling van de sterke engel toont, wat voor een gericht eigenlijk aan de grote stad wordt volvoerd (vs. 21). Het woord van de engel daarbij gesproken stelt Babel in sterke tegenstelling tegenover Jeruzalem en zijn schuld in het helderste licht, zodat dit zelf aanwijst wat onder Babel in de profetie is bedoeld (vs. 22-24).
En hierna, nadat de engel van het vorig hoofdstuk zijn onderrichting over de vrouw en het dier, dat haar droeg en zijn bericht over het verwoesten en het verbranden van de vrouw door de tien horens van het dier had geëindigd, zag ik een andere engel, wel te onderscheiden van de engelen met de zeven schalen, evenals die in Hoofdstuk 10: 1 Re moet worden onderscheiden van de zeven engelen met de bazuinen. Het was namelijk, zoals ik meteen in de Geest opmerkte, evenals daar, de verheerlijkte Christus zelf, die hier als bode van God optrad, want ik zag Hem afkomen uit de hemel, waardoor Hij dadelijk openbaarde, wie Hij was (MATTHEUS. 28: 18), hebbende, zoals Hij betoonde in Zijn hele verschijning de sterke engel te zijn (Openbaring 5: 2; 10: 1, grote macht en de aarde is, als Hij neerdaalde, verlicht geworden door Zijn heerlijkheid.
En Hij riep, toen Hij Zijn boodschap, waarom Hij kwam, liet horen, krachtig met een grote ver doordringende (Hoofdstuk 10: 3) stem, zeggende: a) Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, zoals de engel van te voren heeft verkondigd en is geworden een woonstede van de duivelen en een bewaarplaats van alle onreine geesten en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte (Jes. 13: 21 v. ; 34: 11 en 13 Jer. 50: 39 Zef. 2: 14 v.).
Jes. 21: 9 Jer. 51: 8
En wilt u de oorzaak van haar val en haar verwoesting, die de engel (Hoofdstuk 14: 8) en de profetie van het Oude Testament (Jer. 51: 7. Nah. 3: 4) reeds te kennen hebben gegeven, nogmaals vernemen? Het is, omdat uit de wijn van de toorn van haar hoererij, van de wijn van haar hoererij, die de toorn van God tartte, (de woorden van de grondtekst luiden “van de ijver-wijn van haar hoererij en welke zij hun inschonk, alle volken gedronken hebben en de koningen van de aarde, door haar verleid, met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden van wie zij haar waren verkreeg, rijk zijn geworden uit de kracht van haar weelde, omdat hetgeen zij nodig had om aan haar weelde te voldoen, veel gelegenheid gaf tot grote verdienste in de handel (vs. 11 vv.).
De uitdrukking “afkomen van de hemel” geeft veelal te kennen een feitelijk ingrijpen van God, evenals ook bij het eerste Babel, toen zij de toren bouwden (Gen. 11: 5 en 7), de Heere van de hemel neerdaalde. De verwoesters van Babylon, het beest en zijn bezitter, zijn slechts werktuigen van de hogere macht, voorgesteld door de neerdalende engel, slechts volvoerders van het goddelijk vonnis. Daarom heeft ook deze engel grote macht; want die is nodig om het pausdom, die sterke tegenstander van het rijk van God, juist als het op het toppunt van zijn heerlijkheid staat, te doen vallen. van Zijn glans nu is de wereld verlicht; want het oordeel over Babylon is voor allen, die daarvan getuigen zijn een openbaring van de heerlijkheid van God, van Zijn heiligheid, wijsheid en macht.
Ten opzichte van het lot, dat Babel wacht, stijgt de profetische typiek tot een ontzettende wijze van uitdrukking. De stad, die geroepen was een woning een tent van God bij de mensen, de gemeente van de heiligen te worden, is veranderd in het tegendeel daarvan, in een woning van duivelse machten, van alle onreine geesten, van alle onreine afschuwelijke vogels. “Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hun weldadigheid”; dat is de wet van het hemelse kerkrecht; hoeveel temeer zal deze wet van het heilig huis van God in de Kerk zelf worden volbracht, waaraan de werkelijke geheimen van God, de heiligende genade en waarheid tot redding van de zielen uit de ijdelheden was toevertrouwd en welke in plaats daarvan onder de gehuichelde schijn van valse heiligheid de onheilige geest van de wereld heeft gediend, begeerlijkheid naar rijkdom en levensgenot, pronkzucht, eergierigheid en lust tot wereldheerschappij, vervreemding van Gods woord en van het leven met Christus in God en het fanatisme tegen de ware getuigen van Jezus, de uit de geest geborenen, met alle kunstmiddelen heeft aangekweekt en systematisch bedreven, totdat het hele lichaam van Christus, de Christelijke kerk, door alle leden heen door deze onheilige geest aangestoken en door dit valse antichristische Christendom, als ware het echte, alleenzaligmakende, verleid en betoverd heeft.
Voor het oordeel, dat over Rome komt, geeft de engel drie redenen op: 1) hebben van de wijn van haar toorn van haar hoererij alle volken gedronken. Haar hoererij wordt hier genoemd met de eigenlijke uitdrukking “wijn van de ijver”, omdat zij de volken niet alleen in het algemeen het nuchtere van oordeel en karakter ontrooft, maar hen ook zeer ijverig maakt, deels in het waarnemen van Roomse inzettingen en gebruiken, in zo verre hun geleerd wordt daarin hun zaligheid te zoeken, deels in het beoordelend fanatisme tegen andersdenkenden, in het bijzonder tegen de belijders van de waarheid. En evenals de volken van de ijver-wijn van haar hoererij hebben gedronken, zo hebben 2) de koningen van de aarde met haar gehoereerd. Het hoereren van de wereldse machten, in het bijzonder van de machten van Europa met het pausdom is een geschiedkundig feit sinds oude tijden; vorsten van aardse zin en oordeel, zo makkelijk verblind door de aardse glans, die hen omgeeft, hebben een natuurlijke vooringenomenheid voor de Kerk van Rome, voor de schitterende pronk van haar uiterlijk, voor het statige gebouw van de hiërarchie, die in de drievoudige kroon uitloopt. Het komt hun zo geschikt voor, om hun eigen tronen daaraan te bevestigen en Rome’s gunstbewijzen hebben nog ten allen tijde de kracht van de betovering gehad. Van de paus de kroning of schitterende titels te verkrijgen, bij persoonlijke ontmoetingen of in geschriften vleiend door hem te worden begroet; de gouden roos of een kostbare relikwie of iets dergelijks onder hun kleinodiën te tellen, was de eerzucht van reeds vele vorsten; zoals hij vaak de leidster was van hun staatkundige wijsheid, om door overeenstemming of verbond met Rome de werkelijke of vermeende invloed van haar tot bevestiging of uitbreiding van eigen heerschappij aan te wenden. Wat een wedijver om de gunst van Rome zal dan pas beginnen, als dit door zijn verbond met het dier (Hoofdstuk 17: 1-5) nog eens het toppunt van zijn macht en heerlijkheid zal bereiken! De grond van het oordeel van God over Babylon ligt eindelijk 3) daarin, dat de kooplieden van de aarde rijk zijn geworden door haar grote weelde. Om vorsten en volken door de betovering van aardse heerlijkheid en zinnelijk genot te boeien, om het oppronken van godshuizen en godsdienst te bekostigen, om aan zijn talrijke wereldlijke en klooster-geestelijkheid een rijk bestaan te verzekeren, heeft Rome de industriëlen en koorlieden reeds veel te handelen gegeven en de aanzienlijke goederen zowel als de vorstelijke inkomsten van vele van zijn waardigheidsbekleders en van zijn geestelijke genootschappen zijn een onuitputtelijke bron van winst voor deze, zonder dat zij van deze rijkdommen van de Kerk concurrentie te vrezen zouden hebben; want Rome consumeert wel; maar het produceert niet. Ook zou het kunnen zijn, dat Rome in zijn laatste ontwikkeling, als het wellicht de hoofdstad is geworden van het beest, dat de grote hoer draagt, van het laatste wereldrijk, alle uitzicht heeft, om evenals het oude Rome van de tijd van de keizer weer tot een aanzienlijke handelsstad toe te nemen, waarop onze plaats nog bijzonder toepasselijk zou zijn.
Daarop, dat de vorsten niet boven alle dingen Christus hebben gevreesd en bemind en of Hem hebben vertrouwd en daarop dat de volken met hun harten hingen aan wereldse bedrijven, aan luxe, aan gelijkvormigheid aan de wereld, rustte voor Babel de mogelijkheid, om alle volken te drenken met de wijn van de ijverij van haar hoererij en die overeenkomstig heeft het vervolgens volgens een vast plan hoe langer hoe meer de koningen tot hoererij, de volken tot haar gelijkvormigheid aan de wereld, haar geluk zoeken in de wereld en verzonken zijn in de Mammon, proberen te verleiden en daarin te doen wegzinken.
Met recht zegt David: “De stem van de Heere is met kracht”. Dat de Heere Jezus hier krachtig met een grote stem roept, is een onderpand van de zekerheid, dat Hij ook met kracht handelen zal ten aanzien van de stad, die zich “Rome” (de sterke) noemt. “Zij is gevallen”, roept Hij; want de ondergang van de stad had reeds plaats gehad: de vrouw bevond zich reeds in de woestijn. Rome zou worden tot een woonstede van de duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte”. Gelijksoortig zijn bij Jesaja de uitdrukkingen, ten opzichte van het oude Babel en Edom. De onreine, boze geesten zijn zelf in een staat van verwoesting; daarom zijn zij gebannen naar plaatsen, die een afbeelding zijn van hun rampzalige, inwendige toestand. En zoals het onrein gevogelte uit zijn aard zodanige plaatsen ontvlucht, waar licht, leven en beweging is en zij in eenzame bouwvallen hun woonplaats zoeken, zo zijn ook de demonen, ten gevolge van hun natuur en van hun inwendig wezen, aan woeste plaatsen gebonden; want omdat hun leven zelf vernield is, kunnen zij ook slechts in het vernielde hun welgevallen vinden.
Hoewel dit op de eigenlijk genoemde kooplieden in alle delen van de wereld enigzins past, die door de weelde, die in het antichristische rijk of in deze grote stad Babel omgaat, rijk en machtig worden zoals hierna vs. 11 en vervolgens nader verklaard wordt, zo kan dit hier nochtans op de geestelijke koopmanschap, die in haar godsdienst en in het verkopen van geestelijke regeringen en ambten gepleegd wordt, wel zo goed gepast, worden, omdat daar alles voor geld te koop is. Te meer omdat ook de zielen van de mensen onder deze koopmanschap (vs. 13) worden gerekend en vs. 23 gezegd wordt dat de groten van de aarde deze kooplieden zijn geweest, waaronder de kardinalen, patriarchen, aartsbisschoppen, bisschoppen, abten en andere prelaten, voornamelijk worden verstaan, die zulke koopmanschap met hen drijven. (STATEN OVERZETT.).
Hoofdstuk 14: 8 roept een engel diezelfde woorden uit, maar kondigt daar het begin van de val van de antichrist aan, door de uitgang van de Kerk uit Babel in de tijd van de hervorming; maar hier is een aankondiging van de verwoesting van de stad Rome, geestelijk Babel genoemd, wegens de overeenkomst met het vorige heidense Babel. Haar val wordt aangekondigd met zulke woorden, die het alleruiterste verderf te kennen geven, wat ook gebruikt wordt van de verwoesting van het oude heidense Babel (Jes. 13: 21, 22; 34: 13-15 13. 21, 22 Jer. 51: 37). Er zouden geen mensen meer in Rome wonen, maar onreine geesten en duivelen, die de aarde doorwandelen en naar de woeste plaatsen gebannen worden (MATTHEUS. 12: 43). De eenzame woeste steden en paleizen zijn het verblijf van de uilen, wouwen, gieren en ander door mensen en beesten gehaat gevogelte. Zo zou Rome worden verwoest.
Haar val is niet haar afval, waardoor zij een Babel wordt, maar haar verwoesting, die haar afval als rechtvaardige straf volgt. Het laatste deel van vs. 3 verklaren sommigen oneigenlijk van de Roomse geestelijkheid, die kooplieden zijn van aflaten enz., terwijl de zielen van de mensen onder koopwaren worden gerekend, waaruit de grootste schatten zijn toegevloeid. Beter gaat het echter als men het letterlijk verstaat van kooplieden, die om rijk te worden op aarde de aardse goederen, dienende tot pracht en weelde, te markt brengen.
Zo werd ik met mijn gedachte weer verplaatst in een enigszins vroegere tijd, waarover reeds het begin van Hoofdstuk 17 handelde. En ik hoorde, toen de Engel (vs. 1) verdwenen was een andere stem uit de hemel, als de stem van God zelf, evenals in Hoofdstuk 10: 3 Deze stem herinnerde mij, dat nu de tijd was gekomen, waarop het woord in Jer. 51: 6 en 45 van toepassing was, zeggende: “Ga uit van haar, uit dat Babel, dat voor het oordeel rijp geworden is, mijn volk! opdat u aan haar zonden als de mate daarvan vol geworden is, geen gemeenschap heeft en opdat u van haar plagen niet ontvangt (Gen. 19: 12 vv.), als u nog op die dag, die komt, bij haar werd gevonden (vs. 8).
Jer. 48: 20; 52: 11. 2 Kor. 6: 17
Want haar zonden zijn in datgene, waartoe het met haar is gekomen, de een op de andere gevolgd tot de hemel toe (Jer. 51: 9 Ezra 9: 6) en God is, zoals in Hoofdstuk 16: 19 reeds is aangetoond, haar ongerechtigheden gedachtig geworden, om haar tot straf daarvoor de drinkbeker van de wijn van Zijn grimmige toorn te geven.
Het standpunt is hier enigszins anders dan in vs. 1-3 en het visioen van de Christus, die uit de hemel neerdaalt, moet nu worden beschouwd als voorbijgegaan; daar heeft zich het onweer reeds ontlast, hier staat het dreigend aan de hemel.
Logisch spreekt het vanzelf, dat de vermaning alleen voor dat geval toepasselijk is; er is dus hier in het visioen voorspellend voor afgebeeld een roepen van de Geest, dat nog vóór Babels val tot de kinderen van God komt, ten gevolge waarvan deze niet alleen zullen erkennen waar en wat Babel is, maar ook dat het plicht is geworden openlijk met haar te breken.
Omdat de stem van de hemel zegt “Mijn volk” is het de stem van de Heere zelf; want geen engel noch vorst van de engelen, noch een van de dienstknechten van God kan en mag zich zo uitdrukken. Hij zal dan Zijn getrouwen op een zeker voor hen hoorbare en ondubbelzinnige wijze, voordat de catastrofe over Babel zal komen, bevelen van haar uit te gaan. Hij zal dit bevel aan niemand anders toevertrouwen, maar zo ooit dan op deze tijd onmiddellijk in eigen persoon betuigen, wat zij doen en waarheen zij zich wenden moeten. Een analoog voorval hebben wij in de vlucht van de Christenen uit Jeruzalem onmiddellijk voor de verwoesting ervan. Toen de tijd was gekomen, waarvan Christus in Matth. 24: 15 v. gesproken had, ging door de rijen van de gelovigen de stem: “ga uit van haar, mijn volk! ” door de Geest gesproken en zij trokken allen uit naar Pella, niemand was achtergebleven, de Heere had in Zijn voorzorg aan allen gedacht, wier namen geschreven stonden in het boek des levens.
Dit uitgaan heeft aan de zijde van God tot grondslag een genadig uitleiden. Het geschiedt 1) met het hart door waar geloof en echte kennis van de waarheid en door haat tegen de valse leer; 2) met de mond door openlijke belijdenis van de waarheid en tegenspreken van de dwalingen; 3) lichamelijk, door die plaatsen te ontwijken, waar Babel zijn troon heeft.
Als de tijd eerst daar is, dan zullen alle leden van de ware Kerk, die in Babel verborgen zijn, zich verenigen; wie zou dan, al is het ook maar in uitwendige gemeenschap, met een Kerk willen staan, wier zonden op die tijd tot de hemel reiken en wier misdaden God nu gedenkt?
Vooral zal nog in deze laatste periode van het pausdom zijn ware karakter, zijn afval van het heil, dat in Christus alleen is, in zo duidelijke feiten, vooral in het verbod met het dier te voorschijn komen, dat allen, die nog uit de waarheid zijn, de ogen moeten opengaan.
Dit is de schuld van alle gelovige katholieken, dat zij door zich niet openlijk van Rome los te scheuren, door gemeenschap ermee, zich ook van zijn zonden deelgenoten maken; zij boeleren met Rome en als zij dat niet laten varen zullen zij ook omkomen. De Heere zal hun echter te Zijner tijd door de roepstem van Zijn Geest de ogen openen en zij zullen moeten uitgaan.
Wij kunnen een gissing wagen, wanneer omstreeks die tijd zal komen. In Hoofdstuk 17 is het aan de ene zijde de macht van de wereld en aan de andere zijde het pausdom, beiden in hun laatste vorm, waarop onze ogen worden gevestigd. Nu heeft de macht van de wereld, volgens hetgeen bij Dan. 2: 38 is opgemerkt, als het ware haar geboortejaar in de slag bij Circesium 606 voor Christus 2Ki 24: 1; het pausdom heeft het in het jaar 606 na Christus, waarin paus Bonifacius III van de kroonrover en moordenaar Phocas, die reeds Gregorius de Grote met zijn troonsbeklimming, in het vermeende belang van de Kerk had gelukgewenst, de erkenning verkreeg, dat de apostolische stoel te Rome het opperhoofd van alle kerken was. Is er nu, nadat beiden zolang met elkaar hebben geboeleerd, in Hoofdstuk 17: 1 vv. sprake van een werkelijke verbintenis, dan zou slechts het jaar 1960 iets bijzonders, beslissends hoeven aan te brengen, dat dit huwelijk aankondigt en dat alle harten, die het nog enigszins oprecht menen met de Kerk van Christus, zozeer ergert, dat zij met Rome breken en het verlaten, zodat nog alleen de onreine, onverbeterlijke, verstokte en voor het oordeel rijp geworden leden daarin blijven, dan zou de plaats in beide bovengenoemde getallen in Hoofdstuk 13: 18 genoemd, begonnen zijn vervuld te worden. In het jaar 66 na Christus vertrok eerst de Christelijke gemeente te Jeruzalem. Is dan de vroeger aangeduide vereniging van het pausdom met het dier gesteld in een jaar, dat zo opmerkelijk op de 666 in Hoofdstuk 13: 18 zinspeelt, dan zullen ook zij allen, die tot Gods volk behoren, uit Babel uittrekken, om geen deel te krijgen aan haar plagen. Daarentegen zullen niet uittrekken, nu des te sterker aan Rome hangen en te heviger voor haar ijveren, de Jezuïeten. En als Rome zal verwoest en verteerd en verbrand zijn, zal toch zijn treurig overblijfsel in deze orde nog aanwezig zijn en zich met het dier uit de zee, het dier van de aarde en de valse profeten verenigen, zoals wij reeds bij Hoofdstuk 13: 11 vv. hebben opgemerkt.
Het heet niet: “ik hoorde een andere engel”, maar: “een andere stem”; deze is die van Christus, niet die van God; want zij zegt in het volgende vers: “God is haar ongerechtigheden gedachtig geworden”; zij spreekt zo van God in de derde persoon; maar hier noemt zij het volk van de Allerhoogste “mijn” volk. Jeremia roept Israël toe: “Vlucht uit het midden van Babel en redt een ieder zijn ziel en wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd van de wraak van de Heere, die haar de verdienste betaalt”; en weer: “ga uit, Mijn volk! uit het midden van hen en red een ieder zijn ziel vanwege de heiligheid van de toorn van de Heere”. Evenzo Zacharia, zoals de engel aan Lot beval, ijlings Sodom te verlaten, zeggende: “behoud u omwille van uw leven en zie niet achter u om. ” Zo ook roept de Heere Jezus Christus hier de Zijnen; het Romeinse rijk toe, ten einde hen te vervullen met het vaste vooruitzicht, dat een onfeilbare vernieling het nieuwe Babel dreigde en opdat zij geheel zouden bevrijd worden van vrees voor Romeinse macht en vijandschap; een vrees, die zij nu nog zo beangstigend koesterden. Maar dit hoefden zij niet te doen; want wat zouden zij te duchten hebben van vijanden, aan wie zelf het geduchtste boven het hoofd hing? Hoe zouden Gods geliefde kinderen te vrezen hebben, omdat zij het vreselijk lot van Rome even zeker ontgaan zouden, als Lot eenmaal door Gods bestuur ontkwam aan de verwoesting van Sodom? De geschiedenis van de verwoesting van het Romeinse rijk door de wilde horden levert een menigte proeven van bewaring van de Christenen te midden van de algemene ellende. Heil ons, nog leeft Hij, die machtig was hen te beschermen! Hem kunnen wij gerust onze belangen aanbevelen, vertrouwend dat Hij niet zal laten varen het werk van Zijn handen. Wij hebben buiten Hem niemand om onze hoop op te vestigen en dwaasheid was het, als wij vlees stelden tot onze arm; want mensenheil is ijdelheid. Op God en Christus willen wij hopen en die dat doen nee, nooit zullen zij beschaamd worden!
Er is nog een Rome, dat afgoderij en bijgeloof leert en in zonde ligt verdronken, dat de zetel is van geestelijke heerschappij en schuldig aan het vergieten van het bloed van de heiligen, dat door de koningen der aarde gedienstig en bijgelovig wordt geëerd, dat het Koninkrijk van Christus tot hinder en ergernis is door allerhande pracht en trotsheid, dat de heiligen moeten schuwen en vlieden, dat vromen en waarheid-minnaars reeds hebben beginnen te verlaten en te verfoeien, dat door vele godvruchtige mannen, nadat gebleken is dat het niet kon worden genezen, voorzien werd ten gronde toe te zullen vergaan. Laat nu, die bezorgd zijn voor de waarheid en de zaligheid van hun zielen, eens zien, of de vervulling van deze profetie nog niet in de toekomende tijd voor deze grote stad te wachten is en als zij dat zien, of zij geen reden hebben om de vermaning van de Heere in acht te nemen, als Hij zegt: “Ga uit Babel, Mijn volk!”
Vergeld haar, zoals zij jullie vergolden, u gedaan heeft en verdubbel haar dubbel naar haar werken. Evenals zij door haar werken dubbele boosheid heeft gepleegd (Jer. 50: 21), zo wordt nu ook de straf overvloedig gemaakt (Jes. 40: 2 Jer. 16: 18; 17: 18 In de drinkbeker, waar in zij u de wijn van de ijvering van haar hoererij een dubbel sterke drank gemengd en geschonken heeft (vs. 3 en Hoofdstuk 14: 8), schenkt haar dubbel van de wijn van de toorn van God (Hoofdstuk 14: 10).
Zoveel als zij zichzelf verheerlijkt heeft, als was zij zelf de A en O, het een en alles in het rijk van God hier op aarde en “de rots, die door ketterij omgeven, voortdurend recht in de hoogte staat en haar kruin tot de hoge hemel verheft” en weelde gehad heeft door verkwistend en buitensporig gedrag, op uw kosten zich heeft voorgedaan als de onbedwingbare vesting van de heilige algemene, onfeilbare kerk, zo grote pijniging en rouw doet haar aan, dat er aan haar een schrikkelijk einde komt en zij niet meer is. Zij heeft dat verdiend; want zij zegt in haar hart (Jes. 47: 8): Ik zit als een koningin; ik ben als koningin op een vaste en onbeweeglijke troon gezeten en ben geen weduwe, zodat ik ooit over het verlies van een man zou hebben moeten treuren en ik zal geen en rouw zien over het verlies van kinderen, die mij toebehoorden.
Daarom, opdat zo’n eigen roem en die dwaze mening op beschamende wijze vernietigd worden, zullen haar plagen, die haar reeds zijn bestemd in hetgeen de tien horens van het dier haar zullen aandoen (Hoofdstuk 17: 16 v.), op een dag komen (Jes. 47: 9), namelijk dood, waarbij men haar vlees eet en rouw als men haar naakt en honger als men haar woest maakt en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God (Hoofdstuk 1: 8 Amos 5: 27), die haar oordeelt en voor haar, die zich “de sterke” Roma noemt, reeds het vonnis heeft geveld; dat Hij ook zeker zal volvoeren.
1 Thess. 2: 8
Het is niet wel mogelijk de woorden van het bevel in vs. 6 v. te beschouwen als gericht tot de tien koningen (Hoofdstuk 17: 16 v.), zoals de uitleggers meestal willen. Reeds daarom kan dat niet, omdat onmiddellijk (vs. 4 v.) een bevel is voorafgegaan, dat tot bepaalde, geheel andere personen gericht was, en nu door niets wordt aangeduid, dat met het nadere bevel ook deze zou aangaan. Aan die koningen kan men daarom te minder denken, omdat zij in het gezicht, dat met ons hoofdstuk begint, nog in het geheel niet zijn voorgekomen. De uitleggers zijn alleen tot die mening gekomen, omdat zij die van te voren als volk van God zijn voorgesteld, toch niet de uitvoerders van het gericht konden zijn, integendeel “de Heere Zijn volk voor de Dienst van scherprechter te goed was” en omdat in het bijzonder een wraak nemen, vooral zo’n wraak, dat met dubbele mate vergeldt, aan dit volk niet passen zou, het dus het allerminst door God zelf zou kunnen worden aanbevolen. De laatste tegenspraak nu wordt snel weerlegd door hetgeen wij in Hoofdstuk 6: 10 hebben gelezen van de zielen onder het altaar, die om oordeel en wraak schreien voor het bloed en dan geenszins berispt worden, maar met een latere tijd vertroost. Ten opzichte van het eerste moet worden gezegd, dat de kinderen van God zeker niet hun arm in hun vuist ertoe zullen lenen, om de dienst van scherprechters te verrichten, in dit geval moeten de tien koningen arm en vuist ertoe lenen en hun haat tegen de hoer zal arm en vuist met duivelswoede wapenen, zodat het woest maken en verbranden op gruwvolle wijze wordt teweeg gebracht. Toch zullen deze tenslotte daarmee toch eigenlijk niet hun eigen haat dienen en een duivels werk volbrengen, zodat de hoer nog de roem hebben zou van een soort van martelaarslijden en haar lot in enige verwantschap zou staan met het kruis, dat de Kerk als navolgster van de Heere moet dragen; maar, zonder het te weten of te willen, volbrengen zij een goddelijk werk en ook het ergste, dat zij doen en dat een dubbel werk is, of een overmaat van straf, is toch, als in de plaats van Gods volk gedaan, slechts de overeenkomende vergelding voor het dubbele, of de overmaat, die de hoer aan het volk van God van vroegeren tijd af heeft gedaan door haar werken, die zij tegen dit heeft verricht (Matth. 7: 2). En tot deze werken behoort niet alleen de vervolging van degenen, die vroeger om het ware geloof tegen de hoer getuigenis hebben afgelegd en de gemeenschap met haar hebben verbroken (Hoofdstuk 17: 6), maar ook de verblinding en verstrikking en het gevangen houden van zovele duizende oprecht gezinde zielen, die zij al de eeuwen van haar heerschappij op valse wegen heeft geleid en al wat de Heere wilde en moest dienen, in eigen dienst heeft ingetrokken; op het laatste wordt gezien met de “ingeschonken beker. ” De vergelijking van de plaats Jer. 50: 29 is hier niet zeer juist; want daar wordt Gods woord rechtstreeks gericht tot de verwoesters van het wezenlijke geschiedkundige Babel en deze waren nog zelf Gods uitverkoren werktuigen tot verlossing van Zijn volk en diens geroepene plaatsbekleders; de tien koningen in Hoofdstuk 17 van ons boek zijn daarentegen de horens van het dier en hebben op het volk van God in het geheel geen betrekking. Dit is integendeel door de Heere zelf reeds bevrijd van de macht en de gemeenschap van de hoer en, als van een betalen en vergelden volgens opdracht van God sprake zal zijn, dan heeft Gods volk daarvan uitsluitend en alleen de eer, terwijl de koningen voor hun persoon slechts het dier dienen; onze plaats wordt daarom gedekt door hetgeen in Ps. 58: 11 gezegd wordt. Er wordt namelijk uiteengezet, welk aandeel Gods kinderen hebben van Babylons val (vgl. vs. 20), terwijl in vs. 9-19 het aandeel van de kinderen van deze wereld volgens de gedachten en wensen, de sympathieën en belangen van hun hart, voorgesteld is. In hoofdzaak laat Kemmler zich juist uit over de inhoud van de woorden in vs. 6 en 7a, als hij ook het bevel beschouwt als tot het dier zelf en diens aanhang gericht: “Daardoor moet het volk van God weer vergelding doen, dat het het onrecht, van Rome ondervonden, de werken van Rome in hun ware gesteldheid openbaar maakt en daardoor zijn einde als een rechtvaardig lot voor de hele wereld tentoonstelt. Rome moet in zijn laatste ellenden niet eens de ingebeelde vertroosting hebben, een martelaarslijden te ondergaan, zo als het zich daarmee vroeger vaak bij eigen schuld (en nu ook weer in deze tijd) getroost heeft. Het volk van God moet door openbaring van de waarheid er toe bijdragen, dat deze moeilijkheden voor de hele wereld als rechtvaardige vergelding voorkomen, als straf voor de vervolging, door haar zelf verricht. En heeft Rome de dienstknechten van God rijkelijk de bittere kelk van versmading ingeschonken, heeft het hen vooral daardoor bedroefd, dat het waarheid als dwaalleer en haar belijders als ketters veroordeeld heeft, zo zullen zij nu door openlijk en zonder achterhouden de afval van Rome te openbaren, duidelijk maken, dat Rome dubbel datgene misdaan heeft, waarvan het anderen aanklaagt. Onze plaats van Rome te verklaren, daartoe ziet zich ten slotte ook Steffann bij 7b en 8 genoodzaakt, hoe geneigd hij ook overigens is om ook andere kerkelijke toestanden in de gezichten van Babel mee in te trekken. Zie daar zo schrijft hij die hoogmoedige gerustheid, die zich in het woord vs. 7b uitspreekt een treffende voorstelling van de Roomse kerk! Men zou die gerustheid groots kunnen noemen, als zij niet een zo ontzettend getuigenis gaf van de diepe verblinding, waarin die Kerk gesloten ligt. Dat geven de ware leden van de Kerk van de hervorming graag toe, dat de Kerk in haar geschiedkundige ontwikkeling sinds de dagen van de apostelen kan dwalen en ontvluchten daarom, waar zij gedwaald en gezondigd hebben, met smartvol berouw tot de Heere, die hun het zuivere en zekere woord van God heeft gegeven, de lamp voor hun voet en het licht op hun pad. De bovengenoemde Kerk daarentegen kent voor de Kerk het woord “berouw” evenmin als voor haar conciliebesluiten het woord “dwaling. ” “Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe” dat is reeds lang de getuigenis van haar trotsheid. Ja, zij is een koningin; zij heeft sinds haar Gregorius VII in haar Urbanussen, Innocentiussen en Bonifaciussen haar nek gezet op keizers en koningen. Zij heeft zich heerlijk gemaakt en is weelderig geweest, en heeft de koningen en volken hun onderworpenheid aan haar met de drank van een beker van de bedwelming vergolden, met valse leer, met bevlekte dienst, met wetenschap, die in het heidendom was teruggezonken; zij heeft nog in onze dagen door de onschriftuurlijke plaats, door de heilige maagd gegeven, bij de oude een nieuwe gevoegd; welnu, als haar mate vol is geworden, als zij tot de vorm zal zijn gekomen, waarin de heilige Johannes haar ziet, dan zal ook vervuld worden wat de stem van de hemel hier heeft gesproken.
In Hoofdstuk 15: 6 komen de zeven engelen, die de zeven plagen hadden uit de tempel. Door middel van de hervorming van de Kerk zouden de plagen over de antichrist komen; zo ook deze, hetzij dat de verwoesters van Rome in belijdenis tot de Kerk zouden behoren, hetzij dat zij helpers zouden zijn en dat met hen zullen aanspannen degenen, die wel enig licht uit de hervorming kregen en daarom de antichrist vrijmoediger zullen durven aantasten, maar nog blijven hangen aan de paapse godsdienst en de leken van de Kerk zouden deel hebben aan de verwoesting van Rome, hetzij met daden, hetzij met gebeden tot God, hetzij met de verwoesters tot het werk uit Gods Woord aan te zetten. Rome zou geheel zorgeloos zijn en nergens minder op denken, dan op haar verwoesting. Zij zou zich inbeelden, dat Rome koningin van de aarde zou blijven tot het einde van de wereld en nooit aan enig kwaad onderworpen zijn, maar zij zou dubbele straffen hebben; haar zou dubbel vergolden worden al het kwaad, dat zij van de Kerk aangedaan had. Zij zou verwoest en verbrand worden, zoals Jeruzalem en tot een puinhoop zonder inwoners blijven liggen; haar verwoesting zou op één dag komen, schielijk en tegelijk onverwachts.
Hoe moet worden verklaard, dat Gods volk vergeldt. Niets verhindert Gods volk aan te merken als werktuigen van Zijn wraak, meewerkende tot verdelging van het vijandig Babel, lichamelijker wijze onder godvruchtige vorsten het zwaard met recht dragend, geestelijkerwijze door het zwaard van Gods woord en de kracht van de Geest. De wraak wordt door God zelf bevolen; het volk wreekt dus niet, maar God door het volk.
Dit moet niet zo verstaan worden, dat God alle volken, die de ware godsdienst aanhangen, tot bijzondere wraak wil nopen, dat met de heilige wet van de Heiland niet zou overeenkomen, maar de zin van de profetie is, dat God door Zijn voorzienigheid gelegenheid zal geven aan de koningen en vorsten, om Zijn oordelen tegen Babel uit te voeren, waarvan zij zelf begrijpen zouden, dat zij Gods eer en het welzijn van de Kerk zouden bevorderen, in welke oordelen men duidelijk zou zien, dat Gods gerechtigheid de plagen, die de vijanden van de waarheid aan de Kerk hadden toegebracht, volgens de strengste wet van wedervergelding met de zwaarste straffen wilde vergelden; dus zullen zij niet hun eigen, maar Gods zaak behartigen en uitvoeren, daartoe geleid door gelegenheid, die God zelf zal doen voorkomen en door rechtvaardige redenen daartoe aangezet. Het zal daarom veeleer het werk van God, dan van de mensen zijn, zoals het Gods zaak is en niet de zaak van de mensen.
Van verre staande als degenen, die haar toch niet kunnen helpen en tevens uit vrees van haar pijniging, omdat zij wel voelen, dat zij deel hebben aan de schuld, die die ondergang heeft bewerkt en zij dus in het laatste oordeel (Hoofdstuk 20: 15 deel aan haar kwelling zullen hebben, zeggende: a) “Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad! want uw oordeel is in het vuur, dat u verteert, in een uur gekomen.”
Jes. 21: 9 Jer. 51: 8 Openb. 14: 8
En de kooplieden van de aarde (vgl. Ezech. 27: 12 vv.) zullen wenen en rouw maken over haar, omdat niemand hun waren meer koopt.
Die waren zijn vier artikelen van harde voorwerpen tot pronk en sieraad, namelijk van goud en van zilver en van kostelijk gesteente en van parels; en zo ook vier artikelen van zachte prachtstoffen, namelijk kostbare kleren van fijnlijnwaad en van purper en van zijde en van scharlaken en drie artikelen van meubelen en evenzo vele van gereedschappen, namelijk allerlei welriekend hout, afkomstig van de Thyia of Thija, een welriekende, altijd groene boom in Afrika, gelijk aan de cipres en allerlei ivoren vaten “1Ki 10: 18 en allerlei vaten van het kostelijkste hout, als cederen en cypressen hout en van koper en van ijzer en van marmersteen.
En weer vier artikelen van specerijen, namelijk kaneel Ex 30: 23 en reukwerk en welriekende zalf en wierook, en weer twee drietallen van voedingstoffen, wijn en olie en meelbloem en tarwe en lastbeesten (liever vee, runderen) en schapen en verder twee artikelen tot vervoer, van paarden en van koetswagens en eindelijk twee artikelen van slavendienst, van lichamen en de zielen van de mensen.
En, zo roept hier de stem van de hemel (vs. 4), die onmiddellijk tot Babel zich wendt, tot besluit van deze optelling, de vrucht van de begeerlijkheid van uw ziel, waaraan zij als aan een bijzondere lekkernij lust had, is van u weggegaan; en al wat lekker en wat heerlijk was, om u eveneens tot heerlijke spijs te dienen, is van u weggegaan en u zult het niet meer vinden.
De kooplieden van deze dingen, die in vs. 12 vv. zijn genoemd, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vrees voor haar pijniging, wenend en rouw makend.
En zeggend: “Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad en purper en scharlaken en versierd met goud en met kostelijk gesteente en met parels (Hoofdstuk 17: 4), hoe kwalijk is het haar gegaan; want in één uur is zo grote rijkdom verwoest.
En alle stuurlieden en al het volk op de schepen, die geregelde vaarten naar andere landen doen (Hand. 27: 2) en in het algemeen alle bootsgezellen en allen, die ter zee handelen, voor wie de zee het gebied van hun werk en de bron van hun winst is, stonden van verre (vgl. Ezech. 27: 29 vv.).
En riepen, ziende a) de rook van haar brand (vs. 9), en zeggende: b) “Wat stad was deze grote stad gelijk? geen andere wordt na deze weer aan haar in grootte gelijk; daarom juist is haar ondergang zo smartelijk.”
Jes. 34: 10 b) Openb. 13: 4
En zij wierpen, ten teken van diepe rouw, stof op hun hoofden en riepen, wenend en rouw bedrijvend, zeggende: “Wee, wee, de grote stad! waarin allen, die schepen in de zee hadden, van haar kostelijkheid rijk geworden zijn; watzij is in één uur verwoest geworden (Hoofdstuk 17: 16).
Aan de zijde van de koningen op aarde (vs. 9) staan de kooplieden op aarde (vs. 11); daarbij komen dan zij, die met de zee te doen hebben (vs. 17). De algemene tegenstelling tegenover die allen vormt in de volgende afdeling (vs. 20) de hemel met zijn bewoners, want deze zucht, terwijl aarde en zee weeklagen. Bij alle drie, de koningen, kooplieden en schippers, wordt vermeld, dat zij van verre stonden (vs. 10, 15 en 17); bij alle drie begint de klacht met de woorden: “wee, wee de grote stad! ” en eindigt met de woorden: “zij is in één ure verwoest geworden” (vs. 10, 16 v. en 19). Dit overeenkomstige verhoedt het van elkaar scheiden van de afzonderlijke schilderijen en toont aan, dat zij bij elkaar behoren. Wat nu in de eerste plaats de koningen aangaat, degenen, als volgens de tegenwoordige betekenis van dit woord, als door God beschikte en erfelijke regenten, zijn in de tijd, waarin Babels val plaats heeft, niet meer aanwezig, maar de geweldhebbers, die in Hoofdstuk 17: 12 onder het beeld van de tien horens van het beest bedoeld zijn, zijn dan reeds op het toneel. En omdat deze volgens Hoofdstuk 17: 16 de hoer haten en haar vernietigen, dus niet kunnen worden gerekend onder de koningen, die haar bewenen en beklagen, vindt hier een dergelijke klacht uit hun hart en in hun geest plaats, als wanneer in Jer. 31: 15 en Matth. 2: 17 v. van Rachel wordt gezegd, dat zij haar kinderen beweent. In het gezicht stijgen als het ware hun schimmen uit de aarde op, staan spookachtig van verre en verkondigen hun deelneming, zoals dat ook van de kooplieden en schepelingen wordt gezegd, waaronder niet bedoeld zijn die nog werkelijk in leven zijn, maar allen te samen, die ooit hun aardse belangen en hun op de wereldsgezindheid berekende speculaties door Rome bevorderd zagen. Zij, de koningen, hebben de Roomse kerk, zolang die in volle bloei stond, voldoende in de dienst van hun politiek gebruikt en terwille van haar de ware Kerk vervolgd en onderdrukt, of ten minste haar niet de invloed laten behouden, die haar toekomt. In de verheffing en bevordering van het ware geloof, in de uitbreiding van een geest, die de harten vernieuwt en het leven werkelijk heiligt, hebben zelfs Protestantse vorsten vaak minder belang gesteld, dan in de gunst van het grote Babylon, de sterke stad. Zij hebben haar vaak de wegen gebaand in hun landen, opdat zij ook daar zich zou verheerlijken en naar haar welgevallen zou kunnen doen, waar toch in hete strijd en met zware opofferingen de vrijheid van het Evangelie was verkregen. Hoe geheel anders zou de geschiedenis van de Kerk en van de wereld geweest zijn, als de koningen van de aarde niet met Babylon hadden gehoereerd en met haar hadden willen heulen. Immers is toch zolang dat vorstenhuis, dat de verzorgers en voedsters voor de Protestantse kerk heeft voortgebracht, uit zulke “weelde” in de schoot van die andere Kerk teruggegaan. Wij allegoriseren niet, als wij onze tekst zo uitleggen; wij halen slechts iets aan, dat de allegorieën van de gezichten van Johannes verstaanbaar maakt en het woord van de van hem ontvangen Openbaring bevestigt als een vast profetisch woord. Wat verder de kooplieden aangaat, de waren door hen op de grote wereldmarkt gebracht en daar ten toon gesteld, zijn berekend op de fijnste behoefte en gemakkelijkheid, op de hoogste pracht en pronkzucht en bevatten alles in zich, waarin zich de heerlijkheid van de mensen, die als een bloem van het gras vergaat, de kracht en kunst van de vindingrijke mensengeest, zijn vlijt en bedrevenheid in het aanwenden van de wereld en de ontwikkeling van het tijdelijk leven, op het sterkst openbaart. Zij kunnen in zeven klassen verdeeld worden: 1) kleinoden en kostbaarheden; 2) stoffen voor kleren; 3) pronkmeubelen; 4) specerijen; 5) levensmiddelen; 6) voorwerpen van dagelijks gebruik; 7) slaven. De voorstelling is zo gegeven, dat men ziet, dat, als Babylon er niet meer is, ook niemand meer wordt gevonden, die de waren koopt. Hoe moet dat op Rome worden toegepast? Is dat dan de pauselijke Kerk, die al deze producten en fabrikaten consumeert? Dat zeker niet, maar het is de wereldsgezindheid en de zucht van het geraffineerde levensgenot, waarbij alleen een vragen naar al deze handelsartikelen aanwezig is; bij eenvoudigheid van zeden en tevredenheid, bij een volksontwikkeling, waarop de stempel is gedrukt: “onze wandel is in de hemelen, de wereld vergaat met haar begeerlijkheid”, zouden zij in massa van de markt van het leven verdwijnen. Nu hebben wij reeds aan het slot van de aanmerking bij Ezech. 27: 12-25 opmerkzaam opgemaakt, hoe de pauselijke Kerk door haar liefde tot de wereld, ook de wereld tot het hoogste goed, tot afgod van de volken heeft verheven, juist daardoor, dat zij van onthouding van de wereld, hemelse gezindheid en onophoudelijk bidden een verdienstelijk werk van enkele orden en personen maakt, die anderen van de last, die zoals men meent daarin ligt, kunnen bevrijden, opdat deze dan zonder gewetensbezwaar, ja met de overtuiging van het volste recht daartoe, zich aan de begeerlijkheid van de ogen, de begeerlijkheid van het vlees en de grootsheid van het leven des te geruster overgeven, heeft zij teweeggebracht, dat de dienst van Mammon en vlees de Christenen als een zedelijk typhus heeft aangegrepen, waartegen alle middelen tevergeefs zijn; en is het nu evenwel niet Rome zelf, dat in staatkunde en koopmanschap geen rol meer speelt, de kweekplaats en de verkoopplaats van alle modeartikelen in de wereld, het is toch het oudste en meest bevoorrechte kind van Rome Frankrijk met zijn hoofdstad, dat land, dat zich beroemt aan de spits van de beschaving te staan en bij de nederlaag, die het in de laatste jaren door Duitsland heeft geleden, op voorafbeeldende wijze reeds heeft vervuld, dat de kooplieden op aarde weenden en leed voelden en uitriepen: wee, wee, de grote stad! Men kan ook op de kruistochten wijzen die grootse honderdvijftigjarige strijd van de Kerk, om de schelpen, die zij voor parels hield, in zoverre de glans van het goud, van de edelgesteenten en de parels, de kracht van de specerijen en de pracht van de kleren het Westen bekoorden en verblindden en zijn wereldse zin voedden. Deze zijn het geworden, die de handel van de Christelijke volken van Europa het zeerst bevorderen, namelijk van Italië en Duitsland. Het is zeker niet zonder bedoeling, dat in bovengenoemde optelling van waren juist die stof op de voorgrond is geplaatst, die voor de pronk van de godsdienst van de werelds geworden Kerk en van de wereldse pracht van haar dienaren voornamelijk hebben gediend. Nauwelijks hebben de koningen van de aarde zoveel goud, zilver, edelgesteenten, parels en elpenbeen gebruikt, als de katholieke kerk, de Griekse ook ingesloten, tot versiering van haar heilige vaten, beelden, altaren en statuën gedaan heeft. En wie denkt bij de optelling van purper, zijde en scharlaken niet aan de priesterkleren van die Kerk, ook bij reukwerk, zalf en wierook niet aan het reukwerk, in deze Kerk in zo’n mate gebruikt, dat het gebruik van wierook in een enkele aanzienlijke Kerk dat van een geheel land ver overtreft? Hoe hoog de luxe van de hoofden van de Rooms-katholieke kerk bijvoorbeeld in de 18de eeuw was gestegen, daarvan geeft W. Menzel in zijn geschiedenis van de laatste 120 jaren de doorslaandste voorbeelden. “De aartsbisdommen en bisdommen”, zegt hij, “waren langzamerhand domeinen van de adel geworden. Om een domheer te Mainz te kunnen worden moest men 16 adellijke kwartieren van voorouders kunnen aanwijzen, om het te Keulen te kunnen worden rijksgraaf zijn. De jongste zonen van de adel werden niet alleen in de rijkste plaatsen als domheren geplaatst, maar vonden ook gelegenheid, toen zij bisschoppen werden, hun familie te verrijken. De Maintzer domproost van Eltz trok jaarlijks 75. 000 aan geestelijke revenuën. De pen weigert alle dingen neer te schrijven, die verder zouden kunnen worden meegedeeld, als bijvoorbeeld, dat men bij de afschaffing van een nonnenklooster 6800 emmers wijn vond in 8 kelders, die lasterlijke namen droegen; zij dienen echter als commentaar tot de klacht van de kooplieden bij het ineenstorten van een Kerk, die, in plaats van tegen overdaad en weelde haar stem te verheffen, haar eigen genot vindt in de vreugde en overdaad van deze wereld.”
Ten opzichte van de slotwoorden van het 13de vers merkt Ebrard op: “In de grondtekst sluit zich het “lichaam” onmiddellijk aan het voorgaande “paarden en koetswagens” aan; “zielen van de mensen” is echter opzettelijk (door een andere constructie) ervan afgezonderd, opdat men niet “lichamen en zielen van de mensen” bij elkaar neemt. “Lichamen” staat duidelijk in de zin, die het ook overigens bij de Grieken heeft, namelijk het aanwijzen van slaven, die slechts als het vee met hun lichamen als bruikbaar tot het dragen van lasten en andere arbeid in aanmerking kwamen. Dan kon echter het “zielen van de mensen”, dat bepaald afgezonderd is, onmogelijk weer hetzelfde betekenen; deze staan tot al het voorgaande niet als een laatste onder de vele handelsartikelen, maar dat grote wereldverkeer, waarbij Babel de kooplieden in de hand werkt en deze weer Babel bezoldigden en in zijn geest de aardbewoners aan de aarde boeiden wordt op een wijze gevoerd, dat daarbij de zielen te gronde worden gericht en daarom volgt zo vol betekenis en “de zielen van de mensen. ” Zielen van de mensen” schrijft Kemmler, waren vanouds te Rome een zeer gezochte waar, de paus maakt toch op alle zielen van de mensen, ten minste van de gedoopten, aanspraak en om dat door te drijven heeft het reeds menig stuk geld opgeofferd. Ook de aflaathandel, die eveneens de zielen van de mensen aangaat, heeft te zijner tijd niet slechts aan de paus zelf, maar ook handelaars van een zekere soort aanzienlijke sommen bezorgd. Wat ten slotte de schippers aangaat, deze dienen om op de internationale, wereldomvattende uitbreiding te wijzen van dat verkeer, dat Rome met de volken heeft onderhouden en maken aanschouwelijk het “die op vele wateren zit” in Hoofdstuk 17: 1 En evenals nu de koningen haar voorstelden als de sterke en machtige stad, waarop zij zich met hun heerschappij hadden verlaten en de kooplieden als de weelderige en verkwistende stad, door welker bemiddeling zij rijk waren geworden, zo beklagen de stuurlieden haar als de onvergelijkelijk grote stad, na welker ondergang zo’n internationaal verkeer en verband van volken, zo’n eenheid in de wereld, als tot hiertoe bestond, niet weer tot stand komt en hun klacht is nog hartstochtelijker dan die van de anderen. Inderdaad, als nu opeens de duizendjarige banden, die de volken aan Rome hebben verbonden, verscheurd zijn, dan zal deze wereld zeker uiteenspatten. Dat moet echter ook geschieden, opdat de antichrist zijn rijk tot ontwikkeling zou kunnen brengen want alles, wat enigermate op een ontwikkeling van de dingen lijkt, behoort ook tot hetgeen het openbaar worden van de boosheid nog terughoudt (2 Thess. 2: 2).
Zij, die weeklagen, spreken uit het hart van hen, die leven in een tijd, waarin de antichrist reeds is begonnen zijn gruweldaden uit te breiden (Hoofdstuk 17: 3), waarin de vaste instellingen in de staten zijn verbroken, waarin al het oude, waarbij het verkeer van volken in-en uitwendig was verzekerd, overhoop is geworpen, waarin reeds de algemene verwoesting is begonnen. Nu komt de val van Rome, dat zich in het pausdom nog tegenover het antichristendom had gesteld en de verwoesting gaat voorwaarts daar kwijnt de handel, daar wordt de scheepvaart onzeker en brengt geen winst meer aan, daar moet alle welvaart te gronde gaan en zo wordt de weeklacht over Rome’s val een profetie van het algemene en hele verval onder de tirannieke macht van het beest uit de zee.
Onze vertaling is in vs. 14 niet zeer duidelijk; er wordt gesproken van het ooit, waarnaar aldus wordt het voorgesteld de eens zo rijk uitgedoste zozeer begerig was en dat nu niet voor haar, maar voor anderen geplukt zou worden. Voor zover die geurige vruchten niet vernield en vertrapt zullen worden, heeft u er nochtans niets van te wachten op uw tafel en het blijde gejuich, dat de inoogsting van deze placht te vergezellen, wordt door klaagtonen vervangen. Ook in het Oude Verbond treffen wij dergelijke beelden aan tot schildering van de ellende van de strijd en het akelige van verwoesting. Aldus spreekt Jesaja: “Ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleale; want het vreugdegeschrei over uw zomervruchten en over uw oogst is gevallen, zodat de blijdschap en vrolijkheid weggenomen zijn van het vruchtbare veld; en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt; de druiventreder treedt geen wijn uit in de wijnbakken: Ik heb het vreugdegeschrei doen ophouden. ” En Jeremia: “De verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst. ” In de woorden: “en al wat lekker en wat heerlijk was, is van u weggegaan, en u zult het niet meer vinden” wordt al het voorgaande nog kort samengetrokken. Maar niemand meent, dat het alleen bij de val van Rome plaats had, nee, zo is het bij allen, die van deze wereld zijn. Hetgeen zij op aarde genoten hebben, zinkt alles weg in het niet, wanneer zij, of wellicht nog eer zij op het doodbed liggen uitgestrekt. Die vroeger als een rijke man alle dagen leefde vrolijk en prachtig en de Lazarussen aan de dorpel had van zijn prachtige woning, begerende verzadigd te worden van de kruimels, die van zijn tafel vallen, zie! wanneer hij sterft en begraven wordt, kan hij niet het geringste met zich nemen van alles, waarop hij zijn ziel had gezet. “U zult het niet meer vinden”, zo heet het tot degenen. Arm, onbeschrijfelijk arm zijn zij te midden van de overvloed in schatten van deze wereld; arm en ellendig en jammerlijk en naakt. O, zien wij toe, dat wij ons schatten verwerven, die door mot noch roest worden verteerd. Zij zullen ons niet begeven in het jongste uur; zij hebben waarde in de hemel en bij de engelen van God!
Niemand kan ontkennen, dat Rome de geestelijke koopstad is van dat gebied, waarvan het de hoofdstad is, omdat men daar koophandel drijft, hetzij van geestelijke, hetzij zelfs van wereldlijke waren, die onder de schijn van geestelijke daar ter markt worden gebracht en geveild. Allen, die naar kerkelijke waardigheden staan, moeten te Rome hun gaven, vermogens, leergronden en gevoelens voordragen, allen, die de bedieningen van kerkelijke waardigheden genieten, zijn verplicht van het gezag van die koopstad de collatie of confirmatie voor zekere som te kopen, daar worden bullen, dispensatiën en aflaatbrieven vervaardigd voor levenden en doden en de reliquiën, paternosters, rozenkransen, kruisen, agnus Dei en dergelijke waren te koop gebracht. Hier is goud, zilver, edelgesteenten, zijde en andere kostelijkheden in een dierbaar gebruik tot versiering van de kerken. Hier moet purper en scharlaken in de kleren van de gepurperde pausen en kardinalen enz. enz. Zo moet ook
geestelijk worden verstaan wat van stuurlieden, schippers enz. gezegd wordt. Door schepen kan men verstaan de mindere sociëteiten of gemeenschappen, die in de paapse zee zijn, als kloosters, abdijen, akademiën; door “schippers” hun oversten, abten, rectoren, officialen van onderscheiden soort en rang, door “stuurlieden en schippers” de gezanten en nuntiussen van allerlei soort. Maar al die waardigheden zullen veracht worden, al die koopmanschappen van de Roomse markt niet meer zijn.
Wij moeten hier bedenken wat het einde is van de overvloed, de hoogmoed en de wellusten en hoe ongestadig de gunst en de vriendschap van de mensen is. Hier gaat het een met het ander te gronde en niets blijft geheel. Het gaat in één uur te gronde, wat in vele jaren vergaderd is. In het gevaar vluchten zij van ons weg, die van ons groot genot hadden, ja zij staan van verre en bewenen het groot ongeluk, maar niemand nadert om te helpen, een ieder vreest voor zichzelf. Daarom moeten wij God leren vertrouwen, de wellust verachten, het vlees en het gezelschap van de mensen niet betrouwen. Want zolang als het welgaat zijn er vrienden genoeg, maar als het onweer komt en het begint kwalijk te gaan, varen zij allen weg en zij, die u wel vertrouwd had, laten u in de nood.
Bedrijf vreugde over haar, in tegenstelling tot de koningen en kooplieden van de aarde en de stuurlieden van de zee, die over haar klagen, zo riep de stem (vs. 4); bedrijft vreugde, u hemel! en u heilige apostelen (volgens andere lezing: “u heiligen en apostelen, en u profeten; want God heeft uw oordeel, het oordeel van de verwerping en verdoemenis, dat zij over u gesproken hebben, a) aan haar geoordeeld, omdat zij nu zelf de verworpene en verdoemde is.
Openb. 19: 2
En een sterke engel, dezelfde als in vs. 1. Hoofdstuk 5: 2; 8: 13 en 10: 1, een steen op als een grote molensteen en wierp die in de zee, zeggende: “Aldus, zoals deze steen plotseling en met groot gedruis neervalt, zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden en zal niet meer worden gevonden, zoals in Jer. 51: 64 van haar wordt voorspeld.
a) En, zoals verder in de profetische uitspraken van het Oude Testament is verkondigd (Ezechiël. 26: 13), de stem van de citerspelers en van de zangers en van de fluiters en van de bazuiners zal niet meer in u, de stad, anders zo rijk in gezang en muziek, gehoord worden, en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u, die anders vanwege de kunstgewrochten zo beroemd was, gevonden worden en geen geluid van de molens zal in u meer gehoord worden.
Jer. 25: 10
En het licht van de kaars, hoewel dit zo zwak is, zal in u niet meer schijnen, die steeds in de glans van een menigte tempels en altaren, stralende van licht, heeft geschitterd. En de stem van een bruidegom en van een bruid zal in u niet meer gehoord worden; want er is voor u geen hoopvolle toekomst meer. Wat aan Juda en Jeruzalem is geschied voor een bepaald afgemeten tijd wel als straf voor hun zonde maar tevens tot kastijding, opdat de verwoesting weer van haar mocht worden genomen (Jes. 24: 8 Jer. 7: 34; 16: 9; 25: 10; 33: 11) zal aan u tot een eeuwige verwerping en verwoesting plaatshebben (Hoofdstuk 17: 16); want wat reeds Jes. 23: 8, als hij van Tyrus spreekt, in u heeft veroordeeld, uw kooplieden waren, om nog een tweede schuld te noemen die in Jes. 47: 9 vv. wordt genoemd, de groten van de aarde, want door uw toverij zijn alle volken verleid geweest (vs. 3. 17: 2; 9: 21).
En wat een derde schuld van deze Rome betreft, die in het Oude Testament van haar voorbeelden Tyrus en Sidon nog niet zo bepaald kon worden gezegd, maar pas in haar eigen geschiedenis openbaar is geworden, in haar is gevonden het bloed van de profeten en van de heiligen en al van degenen, die gedood zijn op de aarde (Hoofdstuk 17: 6).
De ondergang van Rome brengt een gejuich in de hemel teweeg, evenals Rome zelf in haar tijd vreugdefeesten heeft gevierd en Te Deum’s gezongen bij de tranen en het gejammer van de kinderen van God; ja zelfs apostelen en profeten verblijden zich over de val van de apostelstad, die, hoewel zij de graven van de profeten en apostelen bouwt en hun met kniebuiging eer bewijst, toch zo geheel onapostolisch geworden is, ja zelfs de vervolgster van de door hen verkondigde waarheid.
De gelovigen op aarde, die door de drie categorieën “heiligen, apostelen en profeten” worden voorgesteld (vgl. Hoofdstuk 11: 18), terwijl het naast algemene begrip vooraan staat, vervolgens twee bijzondere klassen worden genoemd, omdat deze door Babels haat het eerst getroffen, (vs. 24) ook een bijzondere reden hebben, om zich over de wraak van de rechtende God te verheugen, worden naar de hemel gevoerd. Er moet worden uitgedrukt, dat voor het geheel van die allen, de ondergang van de stad een vreugdevol bewijs is van de gerechtigheid en heerlijkheid van hun God. Het oordeel, dat haar heeft getroffen (vs. 8 en 10) wordt een oordeel van de gelovigen genoemd, in zoverre dit aan haar volvoerde gericht de rechtvaardiging en bevrediging van de door haar vervolgde, maar nu ook aan haar gewrokene gelovigen is.
Nu is het bloed van de heiligen, dat de valse Kerk met stromen vergoten heeft gewroken en de dag van de verlossing van de bruid uit de strikken van de hoer is nabij; moesten dan niet de heiligen met de apostelen, de stichters van de ware Kerk, de profeten en verkondigers van het oordeel over Babel hun vreugde uiten? Nu wordt vervuld wat eens de profeet (Jer. 51: 48) bij het zien op het oordeel over het Babel van de geschiedenis heeft geroepen: “en de hemel en de aarde, mitsgaders al wat daarin is, zullen juichen over Babel.”
De ene voorname vijand van Christus is geoordeeld; snel zal het oordeel ook die overvallen, die in duivelse leugen de troon op aarde meent te hebben gegrepen, die daar hoopt de gemeente van Christus op de aarde te verdelgen en op de duivel de verloren heerschappij weer te veroveren.
Kan de hele vernietiging van de afgevallen Kerk duidelijker worden voorgesteld, dan dat de zinnebeeldige handeling van de sterke engel in vs. 21 doet? Evenals een steen niet meer wordt gezien, als die in de stromen verdwenen is, zo zal de afgevallen Kerk niet meer worden gevonden.
Het is opmerkelijk, dat niet van een zware steen in het algemeen wordt gesproken, maar een molensteen wordt genoemd. Christus heeft toch gezegd (Matth. 18: 6), dat het hem, die ergernis geeft, beter was, als een molensteen om zijn hals was gedaan en hij in het diepste van de zee was geworpen. Daaraan moet zeker worden herinnerd; want het moet een reden hebben, dat het beeld van de rol met een steen bezwaard, in Jer. 51: 63 v. in dat van een molensteen wordt veranderd.
Wat een onnoembare ergernis heeft Rome reeds gegeven, niet alleen aan de zogenaamde ketters, maar ook aan zijn eigen aanhangers, in zoverre zij een kern van echt geloof en van ongehuichelde godsvrucht in zich hadden! Aan hoevele miljoenen kleinen en geestelijk zwakken heeft het zijn macht om te verblinden en te verleiden uitgeoefend! Daarom zal ook de molensteen aan de hals niet ontbreken.
Zeker hebben ook andere kerken ten tijde van haar ontaarding en door leer en leven van haar dienaren ergernis genoeg teweeg gebracht, maar geen andere Kerk heeft zich toch met haar geestelijkheid zo hoog verheven, als de Rooms-katholieke heeft gedaan, die het geloof aan haar vrijheid van dwaling en haar heiligheid, aan haar onbegrensde autoriteit en alleen zaligmakend gezag tot een onvoorwaardelijke eis voor allen heeft gemaakt, die in het algemeen op de naam van Christen aanspraak willen maken, zodat naar haar met alle middelen van geweld doorgezette en vastgehouden grondstelling van de heilige Christelijke Kerk, ja zelfs van het koninkrijk der hemelen zijn uitgesloten zovelen dit geloof niet aannemen. Daarmee en met de titel voor hun opperhoofd: “heilige vader, stedehouder en plaatsbekleder van Christus, hogepriester en bemiddelaar van alle geestelijke zegen in hemelse goederen”, heeft zij voor God en mensen zich plechtig verbonden nooit een dwaling te begaan, geheel heilig en onberispelijk te wandelen, in elk geval het woord van de goddelijke waarheid tot de zuiverste uitdrukking te brengen en in het algemeen zich in een gedaante te vertonen, dat, die haar, haar paus, of enige van haar dienaren ziet, daaraan zou kunnen zien, op welke wijze Christus in Zijn gelovigen een gestalte moet verkrijgen (Gal. 4: 19) en wie de volkomene man is, die gekomen is tot de mate van de grootte van de volheid van Christus (Efez. 4: 13). Hoe ontzettend zwaar zal nu ook hare verantwoording zijn voor al dat boze, schandelijke en godslasterlijke, bij haar en door haar geschied, omdat dat alles tot een ergernis in de hele, volle betekenis van het woord wordt en als zij zelf moet bekennen, dat aan de namen van haar pausen veelal treurige herinneringen en aan de wandel van haar priesters vele aanstotelijke gebreken kleven, dan moet zij het zich nu ook laten welgevallen, dat men de profetie van de molensteen, die in zee wordt geworpen, ook in het bijzonder van haar verklaart. En opdat het recht daartoe in elk opzicht boven iedere twijfel wordt verheven, vraagt men zich af: wie anders dan aan een Kerk kan het gemaakt worden tot een verwijt dat het oordeel van de verwoesting meebrengt, dat haar kooplieden vorsten, groten waren op aarde? ” Want aan de macht van de wereld heeft God het toegelaten, dat haar koningen heersen en de opperheren macht hebben, maar aan Zijn gemeente heeft Hij het verboden. En wie anders dan de Rooms-katholieke kerk verklaart het voor haar ongeschonden bestaan volstrekt noodzakelijk, dat haar opperhoofd het in onze dagen verloren wereldlijk gebied weer verkrijgt en doet tot bereiking van dit doel vele gebeden en offers en schrikt er ook niet voor terug als het nodig is, oorlog en bloed vergieten daartoe teweeg te brengen? Verder varagt men zich af: als dan zonder twijfel in onze afdeling gedoeld wordt op een Kerk, die is dan de Kerk, die getreden is in de voetstappen van het profetenmoordend Jeruzalem, waartoe hoofden en leidslieden de Heere in Matth. 23: 32 vv. spreekt: “U ook vervult de mate van uw vaderen! opdat op u komt al het rechtvaardig bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abel af tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, die u gedood heeft tussen de tempel en het altaar? ” Als ergens bloed als water wordt vergoten, zo merkt Bengel op, dan was dat voor Rome een genot, de grootste vreugdebetoningen worden daar gemaakt. Koning Karel IX in Frankrijk beroemde er zich in een schrijven aan Gregorius XIII op, dat hij 70. 000 Hugenoten had omgebracht en van 1518 tot 1548 moeten meer dan 15 miljoen Protestanten door de pauselijke inquisitie het leven hebben verloren. O, wij Protestanten, roept Rieger met recht uit, kunnen onze uitleiding uit de gemeenschap van zulke zonden en zulke straffen, zoals die op deze plaats voor ogen zijn gesteld, niet hoog genoeg waarderen; het mocht ons wel een drang zijg, om het Evangelie en van de daardoor verkregen vrijheid waardig te wandelen.
Dit achttiende Hoofdstuk schetst het verwoestingswerk van den antichrist in Europa met zijn Avondlandse en Morgenlandse onderkoningen, van hun roofhorden en brandstichters-benden vergezeld. Hoe hij als antichrist met hen handelt, die hem niet aanbidden, hebben wij vroeger gezien; hoe hij inzonderheid met de Christenen te werk gaat, is ons uit het voorbeeld van Antiochus Epiphanes en uit de profeet Daniël bekend. Deze (Antiochus) is zijn voorloper als godsdienst-vervalser en heiligen-moordenaar, Attila, (9: 11 de engel van de afgrond, de Appollyon en Abaddon en verderver) zijn type als moordenaar en brandstichter. De vrouw, die op het beest in de woestijn rijdt, of de hiërarchie, met de Christenheid tot de volksheerschappij overgegaan, zal de getuigen doden en de uitstekendste Christenen uit de weg ruimen. De antichrist zal er ook nog velen doden, waarschijnlijk al degenen, die wij onder de zevenduizend namen van mensen hebben te verstaan (11: 13). Evenwel zal het getal van aanhangers van de toekomst-religie, die hem niet als God willen erkennen, het getal van de omgebrachte Christenen overtreffen. Terwijl hij zo in Europa huishoudt, om alle sporen van de vroegere godsdienst uit te roeien en een nieuwe tijd te beginnen, zullen zich die Joden (het volk van God, dat opgeroepen wordt om Babel te verlaten 18: 4), die niet met hem te doen willen hebben, naar Palestina vluchten, terwijl anderen van hun stam zich bij de mens van de zonde aansluiten. Er bestaat in deze tijd geen Islam meer in het Morgenland, geen pausdom, geen Christenheid en geen volksheerschappij meer in het Avondland; Europa is in een woestenij verkeerd, de steden zijn gevallen en verwoest. De antichrist woedt met zijn breidelloze onheilstichters als een kudde van wilde roofdieren, en is met zijn verwoestingswerken in Europa nu gereed. Hij heeft een onberekenbare menigte van schatten bijeengehoopt en aan zijn getrouwen bereid het land als beloning uitgedeeld (Dan. 11: 39). Nu zijn de hinderpalen uit de weg geruimd en de nieuwe tijd van zijn godsdienst op aarde vangt aan. Alleen weet hij niet, dat de vrouw in de woestijn is gevlucht en zich Joden te Jeruzalem verzameld hebben; hij meent dat de Christennaam van de aarde is uitgeroeid. Maar plotseling verneemt hij geruchten uit het Noorden en Oosten en trekt naar het Morgenland op om de Joden te vernietigen. Dat is, behalve het bijzondere bestuur van God (Ezech. 38), de aanleiding, die hem met zijn geducht leger derwaarts voert. De beide Christussen, de ware in de hemel, de valse op aarde, maken zich tot een beslissend treffen gereed. Ezechiël in zijn indrukwekkende voorstelling van Gog (Hoofdstuk 38 en 39) en Daniël (11: 36-45) beschrijven ons de toerusting en oproeping, die aan de veldtocht van de antichrist voorafgaan. Het gejubel in de hemel over het oordeel van de grote hoer en de toerusting tot Christus’ terugkomst, zijn veldtocht van de hemel neerwaarts op witte triomfrossen met de schaar van de volmaakt rechtvaardigen, die op die tijd tot de eerste opstanding zullen zijn gekomen, ontmoeten wij in Hoofdstuk 19 Met Hoofdstuk 18 zijn de zeven toornschalen, de zeven bazuinen en zeven zegels geëindigd en is Christus’ terugkomst daar.
Zoals eens de klaagstem van Israël over Babel uitriep: “Het geweld, dat mij en mijn vlees is aangedaan, zij op Babel; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldea”, “zoals Babel geweest is tot een val van de verslagenen van Israël, zo zullen te Babel de verslagenen van het hele land vallen”; zo wordt aan Rome niet alleen het bloed van de heiligen gewroken, maar ook dat van allen, die door deze stad van de gruwelen zijn vermoord. Haar verdelgende heerszucht bracht niet enkel de Christenen om, maar ook de heidenen. Zij was ten tijde van Johannes de grote moordenares en zij baadde zich in stromen bloed.
Door de hemel verstaan wij de inwoners van de derde hemel; de engelen en de zielen van de volmaakten. Als er blijdschap in de hemel is over één zondaar, die zich bekeert (Luk. 15: 10); als de zielen van de gedoodde martelaren onder het altaar om wraak roepen (Openb. 6: 9, 10); als door de gemeente van engelen de veelvuldige wijsheid van God bekend wordt gemaakt (Efez. 3: 10), waarom zou in de hemel, waar duizenden van martelaren en duizenden, die op aarde om de val van de antichrist gebeden hebben, geen kennis hebben van dit grote werk van God? En als de engelen het daar verkondigen, hoe kan het anders zijn, of zij verblijden zich en verheerlijken God daarover. Onder al de hemelingen worden de apostelen en profeten genoemd, omdat zij bijzondere liefhebbers zijn van de Kerk van God, zeer veel tot haar stichting en opbouw gedaan hebben en van de val van de antichrist de vervulling van hun profetieën zien, daarom wordt het oordeel over de antichrist hun oordeel, uw oordeel genoemd, namelijk, omdat zij het verkondigd hadden. Een herhaling van dezelfde zaak geeft de zekerheid te kennen en het vertonen door een zinnebeeld is tot verklaring en duidelijker bevatting. Een molensteen, in de zee geworpen, zinkt en kan er niet weer uitgehaald worden; zo zal Rome door groot geweld en krijgsmacht verwoest en verbrand worden, of verzinken en niet weer gebouwd noch door enig mens bewoond worden. Zie ditzelfde van het heidense Babylon (Jer. 51: 63, 64).
Zoals het antichristisch Rome niet geheel vóór Christus’ toekomst verdelgd zal worden, noopt dit verder om hier niet alleen een tijdelijk oordeel te verstaan, maar ook het eeuwige, waardoor Babel in de helse poel zal worden geworpen, waaruit geen opkomst is, noch hoop van opkomst.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel