Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Het gezichtH2377 van ObadjaH5662. AlzoH3541 zegtH559 de HeereH136 HEEREH3069 van EdomH123: Wij hebben een geruchtH8052 gehoordH8085 vanH854 den HEEREH3068, en er is een gezantH6735 geschiktH7971 onder de heidenenH1471: StaatH6965 op, en laat ons opstaanH6965 tegenH5921 hen ten strijdeH4421.
Het gezicht van Obadja. Alzo zegt de Heere HEERE van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van den HEERE, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde.
KJV
The vision1
of Obadiah.2
Thus saith4
the Lord5
GOD6
concerning Edom;7
We have heard9
a rumour8
from the LORD,11
and an ambassador12
is sent14
among the heathen,13
Arise15
ye, and let us rise up16
against her in battle.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
ZietH2009, Ik heb u kleinH6996 gemaakt onder de heidenenH1471, gijH859 zijt zeerH3966 verachtH959.
Ziet, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, gij zijt zeer veracht.
KJV
Behold, I have made3
thee small2
among the heathen:4
thou art greatly7
despised.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
De trotsheidH2087 uws hartenH3820 heeft u bedrogenH5377; hij, die daar woontH7931 in de klovenH2288 der steenrotsenH5553, in zijn hogeH4791 woningH3427; die in zijn hartH3820 zegtH559: WieH4310 zou mij ter aardeH776 nederstotenH3381?
De trotsheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstoten?
KJV
The pride1
of thine heart2
hath deceived3
thee, thou that dwellest4
in the clefts5
of the rock,6
whose habitation
is high;7
that saith9
in his heart,10
Who shall bring me down12
to the ground?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Al verhieftH1361 gij u gelijk de arendH5404, en al steldetH7760 gij uw nestH7064 tussenH996 de sterrenH3556, zoH518 zal Ik u van daarH8033 nederstotenH3381, spreektH5002 de HEEREH3068.
Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE.
KJV
Though thou exalt2
thyself as the eagle,3
and though thou set7
thy nest8
among the stars,6
thence will I bring thee down,10
saith11
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Zo er dievenH1590, zo er nachtroversH7703 tot u gekomenH935 waren (hoeH349 zijt gij uitgeroeidH1820!), zouden zij nietH3808 gestolenH1589 hebben zoveel hun genoegH1767 wareH518? Zo er wijnlezersH1219 tot u gekomenH935 waren, zouden zij nietH3808 een nalezingH5955 hebben overgelatenH7604?
Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren (hoe zijt gij uitgeroeid!), zouden zij niet gestolen hebben zoveel hun genoeg ware? Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten?
KJV
If thieves2
came3
to thee, if robbers6
by night,7
(how art thou cut off!)9
would they not have stolen11
till they had enough?12
if the grapegatherers14
came15
to thee, would they not leave18
some grapes?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
HoeH349 zijn EzauH6215's goederen nagespeurdH2664, zijn verborgenH4710 schatten opgezochtH1158!
Hoe zijn Ezau's goederen nagespeurd, zijn verborgen schatten opgezocht!
KJV
How are the things of Esau3
searched out!2
how are his hidden5
things sought up!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
AlH3605 uw bondgenotenH582 hebben u tot aan de landpaleH1366 uitgeleidH7971; uw vredegenotenH582 hebben u bedrogenH5377, zij hebben u overmochtH3201; die uw broodH3899 eten zullen een gezwelH4204 onderH8478 u zettenH7760, er is geenH369 verstandH8394 in hem.
Al uw bondgenoten hebben u tot aan de landpale uitgeleid; uw vredegenoten hebben u bedrogen, zij hebben u overmocht; die uw brood eten zullen een gezwel onder u zetten, er is geen verstand in hem.
KJV
All the men
of thy confederacy6
have brought3
thee even to the border:2
the men
that were at peace11
with thee have deceived7
thee, and prevailed8
against thee; they that eat thy bread12
have laid13
a wound14
under thee: there is none understanding
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Zal het nietH3808 te dien dageH3117 zijn, spreektH5002 de HEEREH3068, dat Ik de wijzenH2450 uit EdomH123, en het verstandH8394 uit EzauH6215's gebergteH2022 zal doen vergaanH6?
Zal het niet te dien dage zijn, spreekt de HEERE, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan?
KJV
Shall I not in that day,2
saith4
the LORD,5
even destroy6
the wise7
men out of Edom,8
and understanding9
out of the mount10
of Esau?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Ook zullen uw heldenH1368, o ThemanH8487! versaagdH2865 zijn; opdatH4616 een iederH376 uit EzauH6215's gebergteH2022 door den moordH6993 worde uitgeroeidH3772.
Ook zullen uw helden, o Theman! versaagd zijn; opdat een ieder uit Ezau's gebergte door den moord worde uitgeroeid.
KJV
And thy mighty2
men, O Teman,3
shall be dismayed,1
to the end that every one6
of the mount7
of Esau8
may be cut off5
by slaughter.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Om het geweldH2555, begaan aan uw broederH251 JakobH3290, zal schaamteH955 u bedekkenH3680; en gij zult uitgeroeidH3772 worden in eeuwigheidH5769.
Om het geweld, begaan aan uw broeder Jakob, zal schaamte u bedekken; en gij zult uitgeroeid worden in eeuwigheid.
KJV
For thy violence1
against thy brother2
Jacob3
shame5
shall cover4
thee, and thou shalt be cut off6
for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Ten dageH3117 als gij tegenoverH4480 stondtH5975, ten dageH3117 als de uitlandersH2114 zijn heirH2428 gevangenH7617 voerden, en de vreemdenH5237 tot zijn poortenH8179 introkkenH935, en overH5921 JeruzalemH3389 het lotH1486 wierpenH3032, waartH859 gij ookH1571 als eenH259 van hen.
Ten dage als gij tegenover stondt, ten dage als de uitlanders zijn heir gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, waart gij ook als een van hen.
KJV
In the day1
that thou stoodest2
on the other side, in the day4
that the strangers6
carried away captive5
his forces,7
and foreigners8
entered9
into his gates,10
and cast13
lots14
upon Jerusalem,12
even thou wast as one
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Toen zoudt gij nietH408 gezienH7200 hebben op den dagH3117 uws broedersH251, den dagH3117 zijner vervreemdingH5235; noch u verblijdH8055 hebben over de kinderenH1121 van JudaH3063, ten dageH3117 huns ondergangsH6; noch uw mondH6310 grootH1431 gemaakt hebben, ten dageH3117 der benauwdheidH6869;
Toen zoudt gij niet gezien hebben op den dag uws broeders, den dag zijner vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, ten dage huns ondergangs; noch uw mond groot gemaakt hebben, ten dage der benauwdheid;
KJV
But thou shouldest not have looked2
on the day3
of thy brother4
in the day5
that he became a stranger;6
neither shouldest thou have rejoiced8
over the children9
of Judah10
in the day11
of their destruction;12
neither shouldest thou have spoken15
proudly14
in the day16
of distress.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Noch ter poorteH8179 Mijns volksH5971 ingegaanH935 zijn, ten dageH3117 huns verderfsH343; noch gezienH7200 hebben, ookH1571 gijH859, op zijn kwaadH7451, ten dageH3117 zijns verderfsH343; noch uw handen uitgestrektH7971 hebben aan zijn heirH2428, ten dageH3117 zijns verderfsH343;
Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn heir, ten dage zijns verderfs;
KJV
Thou shouldest not have entered2
into the gate3
of my people4
in the day5
of their calamity;6
yea, thou shouldest not have looked8
on their affliction11
in the day12
of their calamity,13
nor have laid15
hands on their substance16
in the day17
of their calamity;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Noch gestaanH5975 hebben opH5921 de wegscheidingH6563, om zijn ontkomenenH6412 uit te roeienH3772; noch zijn overgeblevenenH8300 overgeleverdH5462 hebben, ten dageH3117 der benauwdheidH6869.
Noch gestaan hebben op de wegscheiding, om zijn ontkomenen uit te roeien; noch zijn overgeblevenen overgeleverd hebben, ten dage der benauwdheid.
KJV
Neither shouldest thou have stood2
in the crossway,4
to cut off5
those of his that did escape;7
neither shouldest thou have delivered up9
those of his that did remain10
in the day11
of distress.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Want de dagH3117 des HEERENH3068 is nabijH7138, overH5921 alH3605 de heidenenH1471; gelijk als gij gedaanH6213 hebt, zal u gedaan worden; uw vergeldingH1576 zal op uw hoofdH7218 wederkerenH7725.
Want de dag des HEEREN is nabij, over al de heidenen; gelijk als gij gedaan hebt, zal u gedaan worden; uw vergelding zal op uw hoofd wederkeren.
KJV
For the day3
of the LORD4
is near2
upon all the heathen:7
as thou hast done,9
it shall be done10
unto thee: thy reward12
shall return13
upon thine own head.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WantH3588 gelijk gijlieden gedronkenH8354 hebt opH5921 den bergH2022 Mijner heiligheidH6944, zo zullen alH3605 de heidenenH1471 geduriglijkH8548 drinkenH8354; ja, zij zullen drinkenH8354 en inzwelgenH3886, en zullen zijn alsof zij er nietH3808 geweest waren.
Want gelijk gijlieden gedronken hebt op den berg Mijner heiligheid, zo zullen al de heidenen geduriglijk drinken; ja, zij zullen drinken en inzwelgen, en zullen zijn alsof zij er niet geweest waren.
KJV
For as ye have drunk3
upon my holy6
mountain,5
so shall all the heathen9
drink7
continually,10
yea, they shall drink,11
and they shall swallow down,12
and they shall be as though they had not
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Maar op den bergH2022 SionsH6726 zal ontkomingH6413 zijnH1961, en hij zal een heiligheidH6944 zijnH1961; en die van het huisH1004 JakobsH3290 zullen hun erfgoederenH4180 erfelijkH3423 bezitten.
Maar op den berg Sions zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn; en die van het huis Jakobs zullen hun erfgoederen erfelijk bezitten.
KJV
But upon mount1
Zion2
shall be deliverance,4
and there shall be holiness;6
and the house8
of Jacob9
shall possess7
their possessions.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En JakobsH3290 huisH1004 zal een vuurH784 zijnH1961, en JozefsH3130 huisH1004 een vlamH3852, en EzauH6215's huisH1004 tot een stoppelH7179; en zijH1961 zullen tegen hen ontbrandenH1814, en zullen ze verterenH398, zodat EzauH6215's huisH1004 geenH3808 overgebleveneH8300 zal hebben; wantH3588 de HEEREH3068 heeft het gesprokenH1696.
En Jakobs huis zal een vuur zijn, en Jozefs huis een vlam, en Ezau's huis tot een stoppel; en zij zullen tegen hen ontbranden, en zullen ze verteren, zodat Ezau's huis geen overgeblevene zal hebben; want de HEERE heeft het gesproken.
KJV
And the house2
of Jacob3
shall be a fire,4
and the house5
of Joseph6
a flame,7
and the house8
of Esau9
for stubble,10
and they shall kindle11
in them, and devour13
them; and there shall not be any remaining16
of the house17
of Esau;18
for the LORD20
hath spoken
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En die van het zuidenH5045 zullen EzauH6215's gebergteH2022, en die van de laagteH8219 zullen de FilistijnenH6430 erfelijkH3423 bezitten; ja, zij zullen het veldH7704 van EfraimH669 en het veldH7704 van SamariaH8111 erfelijkH3423 bezitten; en BenjaminH1144 GileadH1568.
En die van het zuiden zullen Ezau's gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen erfelijk bezitten; ja, zij zullen het veld van Efraim en het veld van Samaria erfelijk bezitten; en Benjamin Gilead.
KJV
And they of the south2
shall possess1
the mount4
of Esau;5
and they of the plain6
the Philistines:8
and they shall possess9
the fields11
of Ephraim,12
and the fields14
of Samaria:15
and Benjamin16
shall possess Gilead.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En de gevankelijkH1546 weggevoerden van ditH2088 heirH2426 der kinderenH1121 IsraelsH3478, hetgeenH834 der KanaanietenH3669 was, totH5704 ZarfathH6886 toe; en de gevankelijkH1546 weggevoerden van JeruzalemH3389, hetgeenH834 in SefaradH5614 is, zij zullen de stedenH5892 van het zuidenH5045 erfelijkH3423 bezitten.
En de gevankelijk weggevoerden van dit heir der kinderen Israels, hetgeen der Kanaanieten was, tot Zarfath toe; en de gevankelijk weggevoerden van Jeruzalem, hetgeen in Sefarad is, zij zullen de steden van het zuiden erfelijk bezitten.
KJV
And the captivity1
of this host2
of the children4
of Israel5
shall possess that of the Canaanites,7
even unto Zarephath;9
and the captivity10
of Jerusalem,11
which is in Sepharad,13
shall possess14
the cities16
of the south.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En er zullen heilandenH3467 op den bergH2022 SionsH6726 opkomenH5927, om EzauH6215's gebergteH2022 te richtenH8199; en het koninkrijkH4410 zal des HEERENH3068 zijnH1961.
En er zullen heilanden op den berg Sions opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des HEEREN zijn.
KJV
And saviours2
shall come up1
on mount3
Zion4
to judge5
the mount7
of Esau;8
and the kingdom11
shall be the LORD'S.
gezicht
Zie Jes. 1:1 .
Hertaald:
gezicht
Zie Jes. 1:1.
Obadja
Te onderscheiden van dien Obadja, die bij Achabs tijd geleefd heeft. Zie 1 Kon. 18:3 , en onder vs.11.
Hertaald:
Obadja
Te onderscheiden van de Obadja die in de tijd van Achab geleefd heeft. Zie 1 Kon. 18:3 en vers 11.
van Edom
Of, tegen, tot.
Hertaald:
van Edom
Of: tegen, tot.
Wij hebben een gerucht gehoord
Ik en andere profeten, mijne mededienaars. Hiervoor staat Jer. 49:14 :Ik heb, enz., alwaar een gelijke profetie over Edom verhaald wordt, bijkans met dezelfde woorden. Zie de aantekening aldaar en wijders Ezech. 25:12 , enz. en Ezech. 35:2 , enz., en Am. 1:11-12 .
Hertaald:
Wij hebben een gerucht gehoord
Ik en de andere profeten, mijn mededienaars. In Jer. 49:14 staat hiervoor: Ik heb, enzovoort, waar een soortgelijke profetie over Edom verteld wordt, bijna met dezelfde woorden. Zie de aantekening daar, en verder Ezech. 25:12, enzovoort, en Ezech. 35:2, enzovoort, en Amos 1:11-12.
hem ten strijde
Idumea.
Hertaald:
hem ten strijde
Namelijk Idumea.
De trotsheid uws harten
Verg. Jer. 49:16 .
Hertaald:
De trotsheid uws harten
Vergelijk Jer. 49:16.
hij,
Dat is, gij die, enz. gelijk Jer. 49:16 , of, hen die daar, enz.
Hertaald:
hij,
Dat is: u die, enzovoort, zoals Jer. 49:16; of: hen die daar, enzovoort.
in zijn hoge woning;
Of, [zijnde] [te weten de voorzeide steenrotsen] zijn hoge woning, of, zitplaats. Hebr. de hoogte zijner woning.
Hertaald:
in zijn hoge woning;
Of: terwijl de genoemde steenrotsen zijn hoge woning of zetel zijn. Hebreeuws: de hoogte van zijn woning.
zegt
Dat is, denkt, zich inbeeldt, gelijk Ps. 10:6 , enz.
Hertaald:
zegt
Dat is: denkt, zich inbeeldt, zoals Ps. 10:6, enzovoort.
Al verhieft gij u gelijk de arend,
Verg. Jer. 49:16 ; Am. 9:2-4 .
Hertaald:
Al verhieft gij u gelijk de arend,
Vergelijk Jer. 49:16; Amos 9:2-4.
Zo er dieven,
Verg. Jer. 49:9 .
Hertaald:
Zo er dieven,
Vergelijk Jer. 49:9.
zoveel hun genoeg ware?
Hebr. hunne genoegzaamheid.
Hertaald:
zoveel hun genoeg ware?
Hebreeuws: hun genoegzaamheid.
Ezau's goederen nagespeurd,
Of, die van Ezau's, dat is, Ezau's nakomelingen, of Ezau's [plaatsen] doorgespreurd. Verg. Jer. 49:10 .
Hertaald:
Ezau's goederen nagespeurd,
Of: hoe zijn die van Ezau, dat is: Ezau's nakomelingen, of Ezau's plaatsen, doorzocht. Vergelijk Jer. 49:10.
schatten opgezocht
Of, verborgen [plaatsen]. Het Hebr. woord wordt alleenlijk hier alzo gevonden en kan worden vergeleken met een ander, dat van dezelfden oorsprong komt; Ps. 17:14 .
Hertaald:
schatten opgezocht
Of: verborgen plaatsen. Het Hebreeuwse woord komt alleen hier in deze betekenis voor en kan vergeleken worden met een ander woord van dezelfde oorsprong; Ps. 17:14.
bondgenoten
Hebr. lieden, of mannen van uw verbond; alzo in het volgende: lieden van uwen vrede; dat is, met wie gij vrede hadt. Zie Ps. 41:10 ; Jes. 41:11-12 ; Jer. 20:10 , en Jer. 38:22 met de aantekening.
Hertaald:
bondgenoten
Hebreeuws: lieden of mannen van uw verbond; zo ook in het vervolg: lieden van uw vrede, dat is: met wie u vrede had. Zie Ps. 41:10; Jes. 41:11-12; Jer. 20:10 en Jer. 38:22 met de aantekening.
uitgeleid;
Bewijzende uwen gezanten grote eer, alsof zij het getrouwelijk met u meenden en uwe zaken wilden behartigen, maar zij hebben u [gelijk volgt] bedrogen; of, zij zijn met u opgetogen ten strijde, maar hebben u aan de landpale verlaten. Anders: hebben u uitgedreven, dat is, hel;pen uitstoten, zijnde van vrienden vijanden geworden.
Hertaald:
uitgeleid;
Terwijl zij uw gezanten grote eer bewezen, alsof zij het trouw met u meenden en uw zaken wilden behartigen — maar zij hebben u bedrogen, zoals volgt. Of: zij zijn met u ten strijde opgetrokken, maar hebben u aan de grens in de steek gelaten. Anders: zij hebben u uitgedreven, dat is: helpen uitstoten, terwijl zij van vrienden vijanden geworden zijn.
overmocht;
Met hun bedriegelijke aanrading; verg. Jer. 38:22 .
Hertaald:
overmocht;
Met hun bedrieglijke raad; vergelijk Jer. 38:22.
die uw brood eten
Verg. Ps. 41:10 . Hebr. [uit het voorgaande] [lieden, of mannen] van uw brood; dat is, uwe gasten, uw gemeenzaamste vrienden.
Hertaald:
die uw brood eten
Vergelijk Ps. 41:10. In het Hebreeuws staat er, uit het voorgaande: lieden of mannen van uw brood; dat is: uw gasten, uw vertrouwdste vrienden.
zullen
Hier en in het volgende blijkt dat dit ene profetie is van het toekomende, hoewel in het voorgaande gesproken is in den verleden tijd, naar der profeten wijze, vermits de zekerheid der zaak.
Hertaald:
zullen
Hier en in het vervolg blijkt dat dit een profetie over de toekomst is, hoewel in het voorgaande in de verleden tijd gesproken is — naar de gewoonte van de profeten, vanwege de zekerheid van de zaak.
een gezwel onder u zetten,
Gelijk schalken of vijanden heimelijk iets verbergen ter plaatse, waar iemand gewoon is te zitten, liggen, staan, gaan, of verkeren, omhem buiten zijn weten te kwetesen, verwonden en in het verdriet te brengen. Hierdoor kan men verstaan enig verraad, of bedriegelijke handelingen tot verwarring van hunnen staat. Anders aldus: Zij hebben uw brood [tot] een gezwel onder u gezet; dta is, uwe maaltijden, met welke gij hen ontvangen hebt, hebben zij tot uw verderf gekeerd.
Hertaald:
een gezwel onder u zetten,
Zoals bedriegers of vijanden heimelijk iets verbergen op de plaats waar iemand gewoonlijk zit, ligt, staat of loopt, om hem buiten zijn weten te kwetsen, te verwonden en in het verdriet te brengen. Hieronder kan men verraad of bedrieglijke handelingen verstaan die hun staat in verwarring brengen. Anders aldus: zij hebben uw brood tot een gezwel onder u gemaakt; dat is: de maaltijden waarmee u hen onthaald hebt, hebben zij tot uw verderf gekeerd.
er is geen verstand in hem
Te weten, in Edom. Anders: waarvan [gij] geen verstand [zult hebben]. En dienvolgens zult dij daarvan niet kunnen genezen worden, of daartegen voorzien, hoe kloek gij ook meent te wezen; uw verstand zal u te dien tijde benomen zijn, gelijk in het volgende vers gezegd wordt.
Hertaald:
er is geen verstand in hem
Namelijk in Edom. Anders: waarvan u geen inzicht zult hebben, en daardoor zult u er niet van kunnen genezen en er niets tegen kunnen ondernemen, hoe knap u ook meent te zijn; uw verstand zal u in die tijd ontnomen zijn, zoals in het volgende vers gezegd wordt.
wijzen uit Edom,
Regenten of raadslieden. Verg. Jer. 49:7 .
Hertaald:
wijzen uit Edom,
Bestuurders of raadslieden. Vergelijk Jer. 49:7.
helden,
Gelijk bij u alsdan geen verstand noch raad, alzo zal er ook geen moed zijn.
Hertaald:
helden,
Zoals er bij u dan geen inzicht en geen raad zal zijn, zo zal er ook geen moed zijn.
Theman
Zie Jer. 40:7 .
Hertaald:
Theman
Zie Jer. 49:7.
opdat een ieder uit Ezau's gebergte
Want als de helden versagen, zo wordt alles verslagen en nedergehouwen, zonder tegenstand.
Hertaald:
opdat een ieder uit Ezau's gebergte
Want wanneer de helden bezwijken, wordt alles verslagen en neergehouwen, zonder tegenstand.
begaan aan uw broeder Jakob,
Hebr. om, of vanwege het geweld van uwen broeder Jakob; dat is, hetwelk gij aan hem, [dat is, zijnen nakomelingen, uwen bloedverwanten] gepleegd hebt. Verg. de manier van spreken met Jer. 2:2 ; Hab. 2:8 , Hab. 2:17 , en zie de aantekening aldaar, en wijders Ps. 137:7 ; Ezech. 25:12 , en Ezech. 35:5 .
Hertaald:
begaan aan uw broeder Jakob,
Hebreeuws: om of vanwege het geweld van uw broer Jakob; dat is: het geweld dat u hem — dat is: zijn nakomelingen, uw bloedverwanten — aangedaan hebt. Vergelijk de manier van spreken met Jer. 2:2; Hab. 2:8, Hab. 2:17, en zie de aantekening daar, en verder Ps. 137:7; Ezech. 25:12 en Ezech. 35:5.
bedekken;
Verg. Job 8:22 met de aantekening.
Hertaald:
bedekken;
Vergelijk Job 8:22 met de aantekening.
stondt,
Om uwe lust te scheppen in het aanschouwen van de ellende uwer broeders.
Hertaald:
stondt,
Om uw genoegen te scheppen in het aanzien van de ellende van uw broeders.
de uitlander
De Babyloniërs met hun krijgsvolk; waaruit men afnemen kan dat Obadja dit geprofeteerd heeft omtrent of na de inneming van Jeruzalem en de wegvoering van het volk naar Babel, ten tijde als Jeremia te Jeruzalem, òf onder de overgebleven Joden in Juda òf in Egypte, en Ezechiel in Babel, onder de gevangen Joden profeteerden.
Hertaald:
de uitlander
De Babyloniërs met hun krijgsvolk. Daaruit kan men afleiden dat Obadja dit geprofeteerd heeft rond of na de inname van Jeruzalem en de wegvoering van het volk naar Babel. Dat was de tijd waarin Jeremia profeteerde, onder de overgebleven Joden in Juda of in Egypte, en Ezechiël in Babel onder de gevangen Joden.
heir gevangen voerden,
Of, vermogen, te weten van Jakob; verg. vs.13, 20.
Hertaald:
heir gevangen voerden,
Of: vermogen, namelijk van Jakob; vergelijk vers 13 en 20.
Jeruzalem het lot wierpen,
Dat is, den buit en de gevangenschap. Zie Joël 3:3 .
Hertaald:
Jeruzalem het lot wierpen,
Dat is: over de buit en de gevangenen. Zie Joël 3:3.
van hen
Als een Chaldeër, vreemde en vijand.
Hertaald:
van hen
Als een Chaldeeër, vreemdeling en vijand.
gezien hebben
Anders: Maar ziet niet, enz. en zo achtervolgens, te weten, met lust en vermaak. Alzo vs.13, zie ook Ps. 22:18 . Alsof God zeide: Verlustig u dus niet over de ellende uwer broeders, wacht wat; de uwe, die veel zwaarder zal vallen, is voor de deur, gelijk volgt in vs.15; het is een verwijtende aanspraak en voorwerping van hun bedreven boosheid, die God zwaarlijk wilde straffen, maar zijn volk daarna genade bewijzen.
Hertaald:
gezien hebben
Anders: maar zie niet, enzovoort, en zo ook in het vervolg — namelijk met genoegen en vermaak. Zo ook vers 13; zie ook Ps. 22:18. Alsof God zei: verlustig u zo niet in de ellende van uw broeders, wacht maar af: uw eigen ellende, die veel zwaarder zal uitvallen, staat voor de deur, zoals volgt in vers 15. Het is een verwijtende aanspraak en een voorhouden van hun bedreven boosheid, die God zwaar wilde straffen — waarna Hij Zijn volk genade zou bewijzen.
dag uws broeders,
De tijd zijner bezoeking, of straf, gelijk in het volgende verklaard wordt. Verg. Ps. 37:13 .
Hertaald:
dag uws broeders,
De tijd van zijn bezoeking of straf, zoals in het vervolg verklaard wordt. Vergelijk Ps. 37:13.
vervreemding;
Waarin hij in de hand der vreemden is overgeleverd en uit zijn land in een vreemd land vervoerd, zodat God zelf zich als vreemd tegen hem hield.
Hertaald:
vervreemding;
Waarin hij aan de vreemden overgeleverd is en uit zijn land naar een vreemd land weggevoerd, zodat God Zelf Zich als een vreemde tegenover hem hield.
uw mond groot gemaakt hebben,
Dat is, gij zoudt den mond zo wijd niet opengesperd en zo niet getrotst hebben met spijt en spot. Verg. Ezech. 35:12-13 ; Ps. 22:14 , en Ps. 35:26 met de aantekening aldaar.
Hertaald:
uw mond groot gemaakt hebben,
Dat is: u had uw mond niet zo wijd moeten opensperren en zo niet moeten opscheppen met spijt en spot. Vergelijk Ezech. 35:12-13; Ps. 22:14 en Ps. 35:26 met de aantekening daar.
gij,
Wien het, als bloedverwant, niet betaamt te doen wat de vreemden en vijanden doen.
Hertaald:
gij,
U, aan wie het als bloedverwant niet betaamt te doen wat de vreemden en vijanden doen.
kwaad,
Dat is, ellende, kwaad der straf. Zie Gen. 19:10 .
Hertaald:
kwaad,
Dat is: de ellende, het kwaad van de straf. Zie Gen. 19:10.
aan zijn heir,
Jakobs heir, of vermogen, gelijk vs.11. Zij hebben ongetwijfeld beide gedaan, slaande hunne handen aan hunne personen, gelijk volgt, en aan hunne goederen; verg. Gen. 37:22 met de aantekening aldaar.
Hertaald:
aan zijn heir,
Namelijk het leger of het vermogen van Jakob, zoals vers 11. Zij hebben ongetwijfeld allebei gedaan: hun handen geslagen aan hun personen, zoals volgt, en aan hun goederen; vergelijk Gen. 37:22 met de aantekening daar.
wegscheiding,
Anders: verscheuring, doorbreking, te weten, der stad, om te beletten dat er niemand ontkwam.
Hertaald:
wegscheiding,
Anders: verscheuring, doorbraak, namelijk van de stad, om te verhinderen dat er iemand ontkwam.
ontkomenen uit te roeien;
Om den Joden, die door den een of anderen weg voor den vijand zochten te vluchten, of al ontkomen waren, den weg te onderscheppen, of den pas te stoppen en hen te vermoorden.
Hertaald:
ontkomenen uit te roeien;
Om de Joden die langs de ene of andere weg voor de vijand probeerden te vluchten of al ontkomen waren, de weg af te snijden of de pas af te sluiten en hen te vermoorden.
overgeblevenen
Die de vijand mag hebben overgezien, of overgelaten, en dien gij het leven niet gunt.
Hertaald:
overgeblevenen
Die de vijand over het hoofd gezien of gespaard kan hebben en aan wie u het leven niet gunt.
overgeleverd hebben,
In de hand van den vijand.
Hertaald:
overgeleverd hebben,
In de hand van de vijand.
dag des HEEREN is nabij,
Dat is, de bestemder tijd hunner straf. Zie Joël 1:15 ; Ps. 37:13 met de aantekening aldaar.
Hertaald:
dag des HEEREN is nabij,
Dat is: de vastgestelde tijd van hun straf. Zie Joël 1:15; Ps. 37:13 met de aantekening daar.
vergelding
Zie van het Hebr. woord 2 Kron. 20:11 ; Ps. 13:6 ; alzo Richt. 9:16 , enz.
Hertaald:
vergelding
Zie over het Hebreeuwse woord 2 Kron. 20:11; Ps. 13:6; zo ook Richt. 9:16, enzovoort.
gijlieden
Gij Joden, zijnde mijn volk en kerk.
Hertaald:
gijlieden
U, Joden, Mijn volk en Mijn kerk.
gedronken hebt
Uit den beker mijns toorn zal op hen rusten en blijven liggen.
Hertaald:
gedronken hebt
Namelijk uit de beker van Mijn toorn.
berg Mijner heiligheid,
Zion, afbeeldende Gods kerk. Zie Ps. 2:6 .
Hertaald:
berg Mijner heiligheid,
Sion, dat Gods kerk afbeeldt. Zie Ps. 2:6.
geduriglijk drinken;
Zonder ophouden, mijn toorn zal op hen rusten en blijven liggen.
Hertaald:
geduriglijk drinken;
Zonder ophouden; Mijn toorn zal op hen rusten en blijven liggen.
inzwelgen,
Het ganse grondsop. Zie Ps. 75:9 .
Hertaald:
inzwelgen,
Namelijk het hele bezinksel. Zie Ps. 75:9.
alsof zij er niet geweest waren
Zij zullen zo drinken, dat zij door mijnen toorn en plagen gans vernield worden. Maar bij mijne kerk zal Ik doen als volgt. Sommigen verstaan dit vers als alzo: Gelijk gij [Edomieten] van vreugde gedronken hebt over mijn heilige berg, als die verwoest werd, alzo zullen de heidenen weder over u drinken, ja u inzwelgen en verslinden, dat het zal zijn alsof er nooit een Edomiet geweest ware.
Hertaald:
alsof zij er niet geweest waren
Zij zullen zo drinken dat zij door Mijn toorn en plagen geheel vernietigd worden. Maar met Mijn kerk zal Ik doen wat volgt. Sommigen verstaan dit vers zo: zoals u, Edomieten, van vreugde gedronken hebt over Mijn heilige berg toen die verwoest werd, zo zullen de heidenen op hun beurt over u drinken, ja u inzwelgen en verslinden, zodat het zal zijn alsof er nooit een Edomiet geweest was.
ontkoming zijn,
De verstoring van mijn volk zal niet algemeen zij, maar Ik zal mijn uitverkoren overblijfsel behouden, en mijn kerk daaruit herstellen en heiligen, enz. onder de Messias.
Hertaald:
ontkoming zijn,
De verwoesting van Mijn volk zal niet algemeen zijn, maar Ik zal Mijn uitverkoren overblijfsel behouden en Mijn kerk daaruit herstellen en heiligen, enzovoort, onder de Messias.
hij zal een heiligheid zijn;
De berg, dat is, die daarop wonen, Ps. 15:1 . Te weten, de kerk zal zeer heilig zijn. Zie Ezech. 43:12 ; Joël 3:17 met de aantekening aldaar.
Hertaald:
hij zal een heiligheid zijn;
Namelijk de berg, dat is: zij die daarop wonen, Ps. 15:1. Versta: de kerk zal zeer heilig zijn. Zie Ezech. 43:12; Joël 3:17 met de aantekening daar.
die van het huis Jakobs
Hebr. het huis van Jokob zullen, enz.
Hertaald:
die van het huis Jakobs
Hebreeuws: het huis van Jakob zal, enzovoort.
hun erfgoederen erfelijk bezitten
Te weten, hunne eigene, die hun van God in den Messias beloofd zijn, den zegen van het verbond, waartoe mede behoort de bezitting hunner vijanden, der voorzeide volken. Zie Am. 9:12 met de aantekening aldaar.
Hertaald:
hun erfgoederen erfelijk bezitten
Namelijk hun eigen erfgoederen, die hun door God in de Messias beloofd zijn: de zegen van het verbond, waartoe ook het bezit van hun vijanden behoort, de genoemde volken. Zie Amos 9:12 met de aantekening daar.
Jakobs huis zal een vuur zijn,
De kerk zal, door de kracht van haar Hoofd Jezus Christus, al hare vijanden, door de Edomieten afgebeeld, verteren. Verg. de manier van spreken met Richt. 9:15 , Richt. 9:20 ; Jes. 29:6 .
Hertaald:
Jakobs huis zal een vuur zijn,
De kerk zal door de kracht van haar Hoofd Jezus Christus al haar vijanden verteren, die door de Edomieten afgebeeld worden. Vergelijk de manier van spreken met Richt. 9:15, Richt. 9:20; Jes. 29:6.
zij zullen
Die van het huis van Jakob en JoZEf.
Hertaald:
zij zullen
Namelijk die van het huis van Jakob en van Jozef.
hen ontbranden,
De Edomieten. Verg. Ps. 7:14 , en Ps. 10:2 .
Hertaald:
hen ontbranden,
Namelijk de Edomieten. Vergelijk Ps. 7:14 en Ps. 10:2.
die van het zuiden
Hebr. het zuiden zullen, enz. Juda strekte zich in het zuiden van Kanaän tot aan het gebergte van Ezau. De Joden, die in de laagte woonden, grensden aan het land der Filistijnen, gelegen westwaarts langs de Middelandse zee. Anders aldus: en zij zullen erfelijk bezitten het zuiden [namelijk] het gebergte van Ezau, en de laagte [namelijk] de Filistijnen, enz. Verg. Deut. 1:7 ; Joz. 10:40 ; Richt. 1:9 ; 2 Kron. 28:18 . Het is ene profetie [naar de stijl en staat van het Oude Testament] van de uitbreiding van het Evangelie van Christus onder de vijandelijke heidenen. Verg. Am. 9:12 ; Sef. 2:7 , Sef. 2:9 , enz. met de aantekening aldaar.
Hertaald:
die van het zuiden
Hebreeuws: het zuiden zal, enzovoort. Juda strekte zich in het zuiden van Kanaän uit tot aan het gebergte van Ezau. De Joden die in de laagte woonden grensden aan het land van de Filistijnen, dat westwaarts langs de Middellandse Zee lag. Anders aldus: en zij zullen erfelijk bezitten het zuiden, namelijk het gebergte van Ezau, en de laagte, namelijk de Filistijnen, enzovoort. Vergelijk Deut. 1:7; Joz. 10:40; Richt. 1:9; 2 Kron. 28:18. Het is een profetie, naar de stijl en de staat van het Oude Testament, over de uitbreiding van het Evangelie van Christus onder de vijandige heidenen. Vergelijk Amos 9:12; Zef. 2:7, Zef. 2:9, enzovoort, met de aantekening daar.
veld van Efraïm
Dat is, land, gelijk Hos. 12:13 . Dat is, de voornaamste der tien stammen, welke Efraïm was, een verleider van de rest en Samaria de hoofdstad daarvan.
Hertaald:
veld van Efraïm
Dat is: land, zoals Hos. 12:13. Efraïm was de voornaamste van de tien stammen, een verleider van de rest, met Samaria als hoofdstad.
Gilead
Versta, zal Gilead bezitten, gelegen over de Jordaan, toebehorende Ruben, den halven stam van Manasse en Gad.
Hertaald:
Gilead
Versta: zal Gilead bezitten, dat aan de overzijde van de Jordaan lag en toebehoorde aan Ruben, de halve stam van Manasse en Gad.
gevankelijk weggevoerden
Hebr. gevankelijke wegvoering, vervoering, ballingschap, gelijk dikwijls. Alzo in het volgende; dat is, dit weggevoerde heir.
Hertaald:
gevankelijk weggevoerden
Hebreeuws: gevankelijke wegvoering, ballingschap, zoals vaker; zo ook in het vervolg. Dat is: dit weggevoerde leger.
heir der kinderen Israëls,
Gelijk boven vs.11, 13.
Hertaald:
heir der kinderen Israëls,
Zoals vers 11 en 13.
hetgeen
Versta, zullen erfelijk bezitten hetgeen, enz.
Hertaald:
hetgeen
Versta: zullen erfelijk bezitten wat, enzovoort.
Kanaänieten was,
Der afgodische en vijandelijke volken.
Hertaald:
Kanaänieten was,
Namelijk van de afgodische en vijandige volken.
Zarfath toe;
Zie 1 Kon. 17:9 .
Hertaald:
Zarfath toe;
Zie 1 Kon. 17:9.
hetgeen
Versta, zullen bezitten, hetgeen enz. Anders: die in Sefarad [zijn] zullen de steden, enz.
Hertaald:
hetgeen
Versta: zullen bezitten wat, enzovoort. Anders: die in Sefarad zijn zullen de steden, enzovoort.
Sefárad is,
Wat door Sefarad te verstaan is, daarvan is verscheiden gevoelen, enz.
Hertaald:
Sefárad is,
Wat men onder Sefarad moet verstaan, daarover verschilt men van mening.
heilanden op den berg Sions opkomen,
Die enige, grote en volkomen Heiland, Verlosser en Zaligmaker der ker, Jezus Christus, die daarvan den naam Jezus draagt, afgebeeld door Jozua en de andere helden, de richters die God zijn volk gaf. Zie Matt. 1:21 ; Richt. 2:16 , en Hebr. 4:8 . Alzo wordt het veelvoudig getal somtijds genomen voor iets groots en bijzonders. Zie Job 40:10 ; Spr. 1:20 ; Ps. 73:22 , met de aantekening aldaar, enz. Ondertussen is het waar dat deze Heiland zijne dienstknechten gebruikt om zijn heil den mensen te verkondigen tot hunne behoudenis, waarvan hun dan, als bedienaars des heils en instrumenten van den Heilige Geest, wordt toegeschreven dat zij de mensen behouden. Zie 1 Tim. 4:16 ; Jak. 5:20 , en verg. Jer. 1:10 ; Ezech. 3:18 ; gelijk deze Heiland zijn volk ook dikwijls lichamelijke helden, heilanden en verlossers geeft, die hen uit nood en verdrukking der tirannen verlossen. Verg. Mi. 5:4 .
Hertaald:
heilanden op den berg Sions opkomen,
Namelijk die enige, grote en volkomen Heiland, Verlosser en Zaligmaker van de kerk, Jezus Christus, Die daarnaar de naam Jezus draagt, afgebeeld door Jozua en de andere helden, de richters die God Zijn volk gaf. Zie Matth. 1:21; Richt. 2:16 en Hebr. 4:8. Zo wordt het meervoud soms gebruikt voor iets groots en bijzonders. Zie Job 40:10; Spr. 1:20; Ps. 73:22 met de aantekening daar, enzovoort. Intussen is het waar dat deze Heiland Zijn dienstknechten gebruikt om Zijn heil aan de mensen te verkondigen tot hun behoud; als bedienaars van het heil en werktuigen van de Heilige Geest wordt hun dan toegeschreven dat zij de mensen behouden. Zie 1 Tim. 4:16; Jak. 5:20, en vergelijk Jer. 1:10; Ezech. 3:18. Zo geeft deze Heiland Zijn volk ook vaak lichamelijke helden, redders en verlossers, die hen uit de nood en de verdrukking van de tirannen bevrijden. Vergelijk Micha 5:4.
richten;
De vijanden der kerk naar hunne verdiensten te straffen, en Gods volk uit hunne hand te verlossen, gelijk de richters van het Oude Testamentlichamelijk deden. Zie Gen. 15:14 ; Richt. 2:16 , en versta wijders het geestelijk bestraffen en overtuigen der wereld, enz.; zie Joh. 16:8 , enz.
Hertaald:
richten;
Namelijk om de vijanden van de kerk naar hun verdiensten te straffen en Gods volk uit hun hand te verlossen, zoals de richters van het Oude Testament lichamelijk deden. Zie Gen. 15:14; Richt. 2:16. Versta verder het geestelijk bestraffen en overtuigen van de wereld, enzovoort; zie Joh. 16:8, enzovoort.
des HEEREN zijn
Of, den HEERE toebehoren, de HEERE zal het koninkrijk hebben; dat is, Hij zal Koning en Regeerder zijn, te weten, de Heere Christus, die van zijnen Vader tot een eeuwigen Koning zijner kerk en der ganse wereld gesteld is; Ps. 2:6 , Ps. 2:8 ; Luc. 1:33 , enz.
Hertaald:
des HEEREN zijn
Of: aan de HEERE toebehoren; de HEERE zal het koningschap hebben, dat is: Hij zal Koning en Regeerder zijn, namelijk de Heere Christus, Die door Zijn Vader tot een eeuwige Koning van Zijn kerk en van de hele wereld aangesteld is; Ps. 2:6, Ps. 2:8; Luk. 1:33, enzovoort. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een profeet, verder onbekend qua afkomst, wiens korte profetie (het kortste boek van het Oude Testament) het oordeel aankondigt over Edom vanwege diens vijandschap tegen Jakob (Israël) op de dag van Jeruzalems ondergang; hij besluit met de belofte van herstel voor Sion (Obadja 1). Niet dezelfde persoon als Obadja, de hofmeester van Achab (1 Kon. 18). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Onbekend met zekerheid; door oude uitleggers doorgaans gezocht in Sardis, de hoofdstad van het Lydische rijk in Klein-Azië; door latere Joodse (met name Spaans-Joodse) overlevering geïdentificeerd met Spanje, vanwaar de traditionele naam "Sefardische Joden" voor de Joden van het Iberisch schiereiland afkomstig is. Geschiedenis: Obadja noemt Sefarad als een van de verre plaatsen waarheen een deel van de weggevoerden van Jeruzalem verstrooid was — en profeteert dat juist deze ballingen ooit de steden van het Zuiderland (Edom, reeds bestaand) in bezit zullen nemen (Obadja 1:20). Bijbelse betekenis: Ongeacht de precieze, omstreden identificatie onderstreept de vermelding van deze verre, voor Israël nagenoeg onbekende plaats hoe wijd verstrooid Gods volk destijds reeds was — en hoe de HEERE, ondanks die verstrooiing, hen niet vergeet en hun uiteindelijke herstel en overwinning belooft. Recente inzichten: De identificatie blijft onopgelost; deze onzekerheid raakt uitsluitend de exacte aardrijkskundige plaatsbepaling, niet de betrouwbaarheid van de profetische belofte zelf. De naam leeft, ongeacht de oorspronkelijke locatie, voort in het Hebreeuwse woord voor Spanje ("Sefarad") en in de aanduiding "Sefardische Joden". Obadja 1:20 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas "De trotsheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstoten?" (Ob. 1:3). Het antwoord op die eigen vraag komt onmiddellijk: "Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE" (Ob. 1:4). Bijbelse betekenis: Merk op waar Edoms vertrouwen op rust: niet op een leger of een verbond, maar op de plaats zelf — rotsen met kloven, een hoge woning die niemand leek te kunnen bereiken. Wie in de bergen van Edom is geweest, begrijpt waarom dit volk zich onaantastbaar waande. Let vervolgens op de vraag die Edom zichzelf stelt: "Wie zou mij ter aarde nederstoten?" Dat is geen onschuldige vraag maar een uitdaging, en de rest van het vers is Gods antwoord erop. Let ten slotte op het beeld van de arend in Ob. 1:4. Zelfs een nest tussen de sterren — de hoogst denkbare plaats — biedt geen ontkoming, want het is God Die neerhaalt, niet de mens die hoog genoeg klimt. Typologie: Dezelfde les klinkt telkens terug in de Schrift: "God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade" (Jak. 4:6). Hoogte die op zichzelf vertrouwt, wordt in de Schrift keer op keer neergehaald. Ob. 1:3-4; Jak. 4:6 "Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren (hoe zijt gij uitgeroeid!), zouden zij niet gestolen hebben zoveel hun genoeg ware? Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten?" (Ob. 1:5). Dan volgt de vaststelling die dit alles overtreft: "Hoe zijn Ezau's goederen nagespeurd, zijn verborgen schatten opgezocht!" (Ob. 1:6). Bijbelse betekenis: Merk op de twee vergelijkingen die hier gebruikt worden: dieven die stelen wat hun genoeg is, en wijnlezers die een nalezing overlaten. Beide plegen normaal gesproken geen totale plundering; er blijft altijd iets over. Let vervolgens op het woordje hoe, tweemaal herhaald (Ob. 1:5-6). Het is geen vraag maar een verzuchting over een verwoesting die zelfs de gewoonten van rovers te boven gaat. Let ten slotte op wat er precies gebeurt: niet alleen het zichtbare wordt geroofd, maar de verborgen schatten worden opgezocht. Niets blijft achter, ook niet wat men had proberen te verbergen. Typologie: Wat hier over Edom gezegd wordt, is één van de vele oordelen over de volken die de Schrift optekent; hetzelfde oordeel over Edom komt breder aan de orde bij Ezechiël (reeds behandeld bij Ezech. 25:12-14, en bij Ezech. 35). Ob. 1:5-6; Ezech. 25:12-14; Ezech. 35 "Ten dage als gij tegenover stondt, ten dage als de uitlanders zijn heir gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, waart gij ook als een van hen" (Ob. 1:11). Dan volgt een reeks van wat Edom had moeten laten: "Toen zoudt gij niet gezien hebben op den dag uws broeders, den dag zijner vervreemding" (Ob. 1:12), "noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs" (Ob. 1:13), "noch gestaan hebben op de wegscheiding, om zijn ontkomenen uit te roeien" (Ob. 1:14). Bijbelse betekenis: Merk op de opklimming in deze aanklacht. Eerst toekijken (Ob. 1:11-12), dan meedoen aan de plundering (Ob. 1:13), en ten slotte actief de vluchtenden uitleveren aan de vijand (Ob. 1:14). Edom begon als toeschouwer en eindigde als handlanger. Let vervolgens op het woord broeder in Ob. 1:12. Edom stamde af van Ezau, de broer van Jakob; wat hier gebeurt, is geen vreemde die een vreemde treft, maar een broeder die zijn broeder in de rug valt. Let ten slotte op wat er allemaal níet gedaan had moeten worden — vier keer "noch". Er wordt Edom geen daad ten laste gelegd die het niet zelf begaan heeft; de aanklacht is precies aangepast aan wat er werkelijk gebeurde. Typologie: Dat een broedervolk zich zo tegen zijn broeder keerde, is elders in het register al vastgesteld als een blijvende vijandschap (reeds behandeld bij Ezech. 35). Ob. 1:11-14; Ezech. 35 "Want de dag des HEEREN is nabij, over al de heidenen; gelijk als gij gedaan hebt, zal u gedaan worden; uw vergelding zal op uw hoofd wederkeren" (Ob. 1:15). Het vers erna zet dat om in het beeld van een beker: "Want gelijk gijlieden gedronken hebt op den berg Mijner heiligheid, zo zullen al de heidenen geduriglijk drinken" (Ob. 1:16). Bijbelse betekenis: Merk op wat hier de maatstaf van het oordeel is: niet een willekeurige straf, maar precies wat Edom zelf gedaan heeft. Dat is geen wraakzucht maar recht: de dader ontvangt terug wat hij de ander aandeed. Let vervolgens op de verbreding in Ob. 1:15: de dag des HEEREN is nabij, over al de heidenen. Wat met Edom begon, wordt hier een uitspraak over alle volken. Let ten slotte op het beeld van drinken in Ob. 1:16. Edom vierde feest op Gods heilige berg terwijl Jeruzalem viel; het beeld van de beker die rondgaat, keert die vreugde om in een oordeel dat iedereen zal treffen. Typologie: De Heere Jezus spreekt dezelfde maatstaf uit: "met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden" (Matt. 7:2). En Paulus vat het samen: "zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien" (Gal. 6:7, reeds behandeld). Ob. 1:15-16; Matt. 7:2; Gal. 6:7 Tegenover het oordeel over Edom staat een belofte: "Maar op den berg Sions zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn; en die van het huis Jakobs zullen hun erfgoederen erfelijk bezitten" (Ob. 1:17). Het boek werkt dit uit in een reeks gebiedsuitbreidingen (Ob. 1:18-20) en sluit met de kortste en breedste uitspraak van het geheel: "En er zullen heilanden op den berg Sions opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des HEEREN zijn" (Ob. 1:21). Bijbelse betekenis: Merk op de tegenstelling tussen dit slot en het begin van het boek. Edom vertrouwde op zijn eigen hoge rotsen (Ob. 1:3-4); hier is het de berg Sions die overeind blijft, niet door eigen hoogte maar omdat de HEERE hem tot een heiligheid maakt. Let vervolgens op het woord heilanden in Ob. 1:21. Het register spreekt zich niet uit over de precieze identiteit of het tijdstip van deze verlossers — de tekst zelf werkt dat niet verder uit, en dezelfde terughoudendheid geldt hier als bij andere toekomstbeloften in de Schrift. Let ten slotte op de laatste woorden van het boek: het koninkrijk zal des HEEREN zijn. Een profetie die begon met het oordeel over één trotse natie eindigt bij de heerschappij van God over alles. Typologie: Wat hier in het kleinst mogelijke boek van het Oude Testament wordt aangekondigd, klinkt in het laatste boek van de Schrift in zijn volle omvang: "De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid" (Op. 11:15, reeds behandeld). Ob. 1:17-21; Op. 11:15 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen Het kortste boek van het Oude Testament gaat over Edom, het volk van Ezau, dat toekeek en meedeed toen Jeruzalem viel. Obadja zegt hun aan dat wie in de rotsen woont niet zo hoog zit als hij denkt. Het boek eindigt niet bij het oordeel over Edom maar bij een koninkrijk, en het laatste woord is: des HEEREN. De aanklacht is scherp en concreet. Gij zult niet zien op den dag uws broeders, den dag zijner vervreemding; en gij zult u niet verblijden over de kinderen van Juda ten dage huns ondergangs. Edom stond erbij en keek ernaar, en dat wordt hem aangerekend als daad. Dan komt de omslag: maar op den berg Sions zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn. De kanttekening legt dat uit: de verwoesting van Mijn volk zal niet algemeen zijn, maar Ik zal Mijn uitverkoren overblijfsel behouden en Mijn kerk daaruit herstellen en heiligen, onder de Messias. Het slotvers is het merkwaardigste van het boek: en er zullen heilanden op den berg Sions opkomen om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des HEEREN zijn. De kanttekening werkt dat woord heilanden uit, en zij doet dat verrassend breed. Zij noemt eerst die enige, grote en volkomen Heiland en Zaligmaker van de kerk: Jezus Christus, Die daarnaar de naam Jezus draagt. Hij is afgebeeld door Jozua en door de richters die God Zijn volk gaf. Zij verwijst daarbij naar Mattheüs 1, waar de engel zegt dat Hij Zijn volk zalig maken zal, en naar Hebreeën 4, waar over Jozua gesproken wordt. En bij het koninkrijk schrijft zij: de HEERE zal Koning en Regeerder zijn, namelijk de Heere Christus, Die door Zijn Vader tot een eeuwige Koning van Zijn kerk en van de hele wereld aangesteld is. Zo eindigt dit kleine boek waar heel de Schrift op uitloopt. De laatste woorden van Obadja zijn bijna dezelfde als de stemmen die Johannes hoort: de koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 1:21; Hebreeën 4:8; Openbaring 11:15; Lukas 1:33 Hoever dit reikt: Niveau 2. Het Nieuwe Testament haalt Obadja niet aan. De kanttekenaars betrekken de heilanden en het koninkrijk wel uitdrukkelijk op Christus.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Wanneer Hij komt, zal er zeker een vloek ter linkerhand zijn zoals er een zegen ter rechterhand is, en beide zullen eeuwig wezen. De hel is even diep als de hemel hoog is; want God, Die lust heeft aan barmhartigheid, haat ook de ongerechtigheid en zal de goddelozen van de aarde wegdoen als afval. Een preek gehouden op zondagochtend, 23 maart 1890, door C. H. Spurgeon, in het Metropolitan Tabernacle te Newington. Maar op de berg Sion zal ontkoming zijn: die… De trotsheid van uw hart heeft u bedrogen. Obadja 1:3 Dit is waar van alle hovaardigen, want hoogmoed is zelfbedrog. Er kunnen hoogmoedige mensen in deze vergadering zijn.… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Obadja 1
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Er zullen heilanden op den berg Sions opkomen — 1:15-21
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
Bezittingen in bezit nemen
Obadja 1:3 - Zelfbedrog.


Obadja 1
Spurgeon heeft dit hoofdstuk niet doorlopend uitgelegd. Wel liet hij bij vers 17 een overdenking en bij vers 15 een uitspraak na.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Het Boek wordt volgens zijne hoofdstukken in 4 grote afdelingen verdeeld, van welke de 1e Jona’s roeping naar Ninevé, zijne vlucht en bestraffing, de 2e Jona’s redding, de 3e Jona’s boetprediking te Ninevé, de 4e zijne mismoedigheid en terechtwijzing verhaalt.
I. Vs. 1-16.KruisverwijzingenPsalmen 41:9→Jesaja 29:14→Jesaja 14:13→Jesaja 14:12→Habakuk 2:9→Jeremia 49:9→Deuteronomium 24:21→Amos 1:11→
— Het gezicht van Obadja. Alzo zegt de Heere HEERE van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van den HEERE, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde. Ziet, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, gij zijt zeer veracht. De trotsheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstoten? Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE. Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren (hoe zijt gij uitgeroeid!), zouden zij niet gestolen hebben zoveel hun genoeg ware? Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten? Hoe zijn Ezau's goederen nagespeurd, zijn verborgen schatten opgezocht! Al uw bondgenoten hebben u tot aan de landpale uitgeleid; uw vredegenoten hebben u bedrogen, zij hebben u overmocht; die uw brood eten zullen een gezwel onder u zetten, er is geen verstand in hem. Zal het niet te dien dage zijn, spreekt de HEERE, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan? Ook zullen uw helden, o Theman! versaagd zijn; opdat een ieder uit Ezau's gebergte door den moord worde uitgeroeid. Om het geweld, begaan aan uw broeder Jakob, zal schaamte u bedekken; en gij zult uitgeroeid worden in eeuwigheid.
Jona ontvangt van den Heere bevel om aan de grote heidense hoofdstad Ninevé bekering te prediken, om aan het volk Israëls feitelijk te bewijzen, dat ook de heidenen tot deelgenootschap aan Gods genade geroepen zijn, wanneer zij boete doen. De Profeet onttrekt zich in zijne Joods-vleeselijke gezindheid aan de vervulling van dit bevel door over zee te vluchten om naar Tarsis te varen. Een vreselijke storm, welke aan het schip den ondergang dreigt, brengt zijne misdaad aan den dag, en het lot wijst hem als de schuldige aan. Hij zelf verklaart zich strafschuldig, spreekt het oordeel over zich uit en wordt alzo door de scheepslieden in zee geworpen.
En het woord des HEEREN geschiedde door, duidelijke ingeving des Heiligen Geestes tot Jona (= duif), den zoon van Amitthaï (waarheid van Jehova). Deze was zonder twijfel, dezelfde, die in het begin 1) der regering van Jerobeam II van Israël dezen het gelukkig gevolg zijnen wapenen in den strijd tegen de Syriërs tot herstelling van de oude grenzen van het rijk profeteerde (2 (Kon. 14:15, 27), uit Gath Hepher, een klein vlek in den stam Zebulon, ten noorden van Nazareth, aan den straat naar Tiberias (Joz. 19:13). Dat woord Gods geschiedde tot hem zeggende:
Daar de oorlog van Jerobeam tegen de Syriërs de voortzetting en het eindigen van den reeds door zijnen vader Joas begonnen zegerijken strijd tegen deze vijanden van Israël was, zo moet deze in dien eersten tijd van Jerobeams regering hebben plaats gehad. Jona’s zending naar Ninevé zal later vallen dan zijne voorzegging over de overwinning van Jerobeam, maar toch nog in de regering van dezen koning en niet eerst onder Menahem ten tijde van den eersten inval der Assyriërs in Israël, zo als enigen willen, omdat in dit laatste geval, toen Menahem eerst 53 jaren na het begin van Jerobeams regering den troon beklom, Jona zeer oud zou moeten geweest zijn, als hij van den Heere het bevel ontving voor Ninevé, hetgeen niet gelooflijk is. Behalve de berichten, welke de Heilige Schrift ons geeft, is ons niets naders omtrent Jona’s persoon bekend. De Joden vertellen, dat hij de zoon was van die weduwe te Zarfath, dien Elia uit den dode opwekte (1 Kon. 17:17-24); deze bewering rust echter meer op de overeenkomst van het Hebr. woord emeth (waarheid) en van den naam Amitthaï: de weduwe heeft, zegt Hiëronymus, den zoon Amitthaï genaamd, omdat zij tot Elia gezegd heeft: “Nu weet ik, dat het woord Gods in uwen mond waarheid (emeth) is. ” Even ongelofelijk als deze overlevering is de andere, dat Jona bij Gath Hefer, het tegenwoordige el Mesched begraven ligt; want ook bij Ninevé wordt het graf van Jona getoond.
Maak u op; ga naar de grote (Hoofdst. 3:3; 4:11) stad, die Mij om het groot getal zielen zozeer ter harte gaat, en voor Mijn rijk van grote betekenis is, naar Ninevé, de hoofdstad van het Assyrische wereldrijk, dat Ik nu spoedig tot werktuig Mijner gerichten voor Mijn volk wil gebruiken, en de hoofdstad der heidenwereld in ‘t algemeen is 1) (2 (Kon. 15:20), en predik tegen haar, verkondig haar Mijne almacht, gerechtigheid en genade, of zij Mij, den alleen waren God, misschien zouden willen erkennen en Mij dienen; want hunlieder boosheid, hun verdorvenheid door den afgodendienst, is opgeklommen a) voor Mijn aangezicht, en roept tot Mij om wrake (Gen. 18:21. 1 Sam. 5:12 Toen de tijd naderde, dat Israël wegens zijn hardnekkigen afval van den Heere in de macht der Heidenen zal worden overgegeven en door deze vertreden, lag het in den aard van Israëls eigengerechtige gezindheid de heidenen alleen als vijanden van Gods volk en rijk te beschouwen, en niet alleen hun geschiktheid voor de zaligheid te loochenen, maar ook de profetische verkondiging van het gericht over de heidenen zo te verklaren, als zouden deze geheel en al ten ondergang bestemd zijn. Dezen waan, die in de verkiezing van Israël tot drager des heils een schijnbaren steun had, en door de neiging tot Farizees vertrouwen op het uitwendig behoren tot het uitverkoren volk, en door de afstamming van Abraham voedsel verkreeg, energisch te bestrijden en met der daad te wederleggen, is het doel der zending van Jona naar Ninevé. Terwijl andere profeten de verhouding der heidenen tot Israël in de meer nabij zijnde en verder verwijderde toekomst in woorden verkondigen, en even als de overgave van Israël en de macht der heidenen, zo ook de latere bekering der heidenen tot den levenden God en hun opname in het rijk Gods profeteerden, werd den profeet Jona de zending ten deel, om Israëls verhouding tot de heidenwereld op symbolisch-type wijze te verkondigen, niet alleen de vatbaarheid der heidenen voor de Goddelijke genade maar ook Israëls verhouding tot den Goddelijken heilsraad van begenadiging der heidenen met zijne gevolgen afbeeldend en voorafbeeldend voor te stellen.
God weet wel alles van eeuwigheid. Maar Hij spreekt dikwijls zo: “Dit of dat is voor Mijn aangezicht gekomen, ” opdat Hij aantone, dat de mensen zich met hun boosheden voor Hem niet kunnen verbergen of bedekken. En omdat de mensen niet begrijpen, wat het eeuwige weten is, zo spreekt God op onze wijze: “het is voor Mijn aangezicht gekomen, ” opdat iedereen wete, dat niets voor God verborgen kan blijven.
Maar Jona, hoewel een vroom, godvruchtig man, wilde er niets van weten, dat ook de heidenen Gods genade zouden kunnen ontvangen en misgunde hun ieder deelhebben aan de beloften en voorrechten van Gods volk (Hoofdst. 4:2). Daarna maakte hij zich opniet om Gods bevel te gehoorzamen en naar het Oosten te reizen, maar omweerspannig tegen God te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des HEEREN, die in het allerheilige te Jeruzalem Zijnen troon heeft. Hij was in de dwaze mening buiten het land Kanaän de roeping Gods tot profeet ten minste ditmaal te kunnen ontgaan. Hij ging naar het Westen tot de Middellandse zee, en hij kwam af te Jafo (= schoonheid), in de havenstad Joppe (Joz. 19:46), en vond een koopvaardijschip zeilree liggen, gaande naar Tarsis (= onderwerping), of Tartessus, de Fenicische handelskolonie in zuid-westelijk Spanje, nabij de monding der tegenwoordige Guadalquivir (Jes. 23:10), en hij gaf de vracht daarvan, en ging neer in hetzelve, om met henlieden, met deze Fenicische zeelieden, te gaan naar Tarsis, van het aangezicht des HEEREN, die in Israël woont.
De mensen zijn in hun rebellie gewoonlijk zo gezet op hun eigen wil, dat zij blind en onopmerkend zijn, geen achtgevend op eigen ongelegenheden, die zouden kunnen volgen, maar veeleer veel liever alles wagen, dan in hun voornemen overdwarst te worden. Dit blijkt hier in Jona, hij die den Heere kende, wilde Hem nochthans ongehoorzaam zijn en evenwel nog denkt voorspoedig te zullen wezen. Hij wilde liever dat groot voorrecht van voor den Heere staan, om de Profetische openbaring te ontvangen verliezen, dan zijn eigen zin verloochenen. Dit wordt tweemaal opgemerkt om zijn dwaasheid aan te stippen, ja hij wil liever de onkosten doen van de vracht te geven en zichzelf op zee wagen met heidense mensen, dan dat hij op Gods bevel tot de heidenen wilde gaan. Wij verwonderen ons billijk over deze handelwijze van Jona, niet alleen om de ongehoorzaamheid, maar bijna nog meer om de dwaasheid, welke er in lag. Hij was een profeet; hij kende zijnen Heere goed als degene, die de zee en het droge gemaakt heeft, en toch hoopte hij, dat op de zee en ook in het verre vreemde land de arm Gods, die te Jeruzalem woont, hem niet zou bereiken. Ondanks beter weten in de theorie legde hij toch onwillekeurig voor de praktijk den menselijken maatstaf aan de goddelijke macht, en dacht van Tarsis zou God hem toch wel niet zo licht naar Ninevé brengen als van Jeruzalem. Er ligt ene opmerkelijke psychologische waarheid in dezen trek, en zo onze geschiedenis verdicht ware, zouden wij haren vervaardiger als een meester in menschenkennis en fijne tekening bewonderen. In de gezindheid van den profeet spiegelt zich de gezindheid en de stemming van het Israëlietische volk omtrent de heidenen af. Naar zijnen natuurlijken mens deelt Jona deze gezindheid, en is juist daardoor geschikt vertegenwoordiger van het op zijne verkiezing trotse Israël. Omdat het Jona leed deed, dat God zo goed was, daarom wilde hij beter niet prediken, ja veel liever dood zijn, dan dat Gods genade, die het eigendom van het volk van Israël zou zijn, ook den heidenen zou worden meegedeeld, die noch Gods woord, noch de wetten van Mozes, noch godsdienst, noch profeten, noch iets hadden, maar wel tegen God en Zijn woord en Zijn volk streden. Even als de Apostelen eerst vleselijk meenden, dat Christus koninkrijk lichamelijk zijn zou, en later, als zij zagen, dat het geestelijk was, toch meenden, dat het alleen voor de Joden zou zijn, en alleen den Joden het Evangelie predikten. Want het was voor de Joden zeer moeilijk om te geloven, dat behalve Israël nog meer mensen Gods volk waren, omdat daar de uitspraken der Schrift stonden, en van Israël en van Abraham’s zaad spraken, en alleen bij hen Gods woord en dienst enz. waren. Deze dwaze ongehoorzaamheid van Jona is tot vertroosting van alle boetvaardige zondaars opgetekend. Wanneer Jona, David, Petrus, enz. niet in den Bijbel stonden, zegt Luther, waar zouden we arme zondaars blijven, als de zonde ontwaakt en levendig wordt? Wij willen niet schelden op Jona, die zeker in groten kommer, angst en nood geweest is, hoewel hij niet goed heeft gedaan, maar wij willen er deze lering uit trekken, dat, daar wij zien, hoe ook de allerheiligste mannen hun verkeerdheden, misslagen en gebreken hebben, wij ook niet moeten wanhopen, al is het dat wij velerlei gebreken en ellendigheid in ons bevinden; wij moeten aan het woord van Paulus denken: “die meent te staan, zie toe dat hij niet valle. ” Want de misslagen en struikelingen van voortreffelijke, heilige en grote mannen moeten ons een troost zijn en niet ene reden om te veroordelen. Het is toch waar, dat ons de gebreken der heiligen meer vertroosten dan hun grote daden en wonderen. Wanneer wij aan hun voortreffelijke tekenen denken ontzinkt ons het hart, want wij gevoelen en weten, dat wij hun in ‘t minst niet gelijk zijn. Wanneer wij echter zien, hoe zij ook hun gebreken hebben gehad, dan krijgen wij moed, en zeggen: Ik ben toch in dit hospitaal niet alleen ziek; ik ben toch niet alleen een arm zondaar, maar alle heiligen moeten mij de hand geven en met mij bidden: “Ach Heere! ga niet in ‘t gericht met Uwen knecht, want niemand, die leeft, zal voor U rechtvaardig zijn. ” . Bovenal is Jona’s ongehoorzaamheid aan alle dienaren en predikers van Gods woord ter waarschuwing nedergeschreven, dat zij niet, als het natuurlijke hart, vlees en bloed, steeds geneigd zijn, uit menschenliefde of mensenvrees den Heere en Zijne bevelen, om den zondaren het gericht, den boetvaardigen Gods genade te verkondigen, ontlopen, en zich liever overgeven aan de gedachten en bezigheden van het dagelijks leven, aan de zorgen voor het dagelijks brood en aan gemak, en de dwaze hoop, dat de Heere ze niet zal vinden en straffen. Wat u God te doen geeft, moet gij doen zonder enige tegenspraak. Die den last geeft, geeft ook de schouders om te dragen. Die vlucht verzwaart den last.
Maar de HEERE, wien wind en zee gehoorzaam zijn, wierpdoor bijzondere beschikking, als Jona in die dwaze hoop om den Heere te kunnen ontvlieden, op zee was gegaan (Ps. 149:9), enen groten wind op de zee, en er werd een grote storm in de zee, zelfs zogroot, dat het schip dacht te breken. De wind gehoorzaamt zijnen Heere, maar de mens wil het niet doen! Hoe blind zijn dikwijls de mensen, dat zij daar rust zoeken, waar zij die het minst vinden. Jona vlucht op de zee, waarop het toch zo onbestendig en gevaarlijk is (2 Kor. 11:25. Ps. 107:29)! hij vlucht onder de menigte van ongelovigen, en wil bij hen raad zoeken tegen den toorn Gods, terwijl hij in het scheepje van Gods kerk en aan het roer daarvan had moeten blijven. Gods dienaar had bij deze zondaars niets te doen. Zo brengt ons ons vlees en bloed, als wij deze volgen, in velerlei gezelschap, waar wij niet bij behoren. (Ps 50:18 Het is gene kleine weldaad, als God enen zondaar dadelijk na de begane zonde ernstig bestraft.
Toen vreesden de zeelieden zeer, en riepen, daar zij heidenen waren, en uit verschillende streken van Fenicië, een iegelijk tot zijnen god, en, als de storm toch niet ophield, wierpen zij de vaten, die in het schip waren, in de zee, om het van dezelve te verlichten1), en het gevaar van wegzinken onder de golven te verminderen; maar Jona was reeds vóór het uitbreken van den storm nedergegaan aan de zijden van het schip, en lag daar neer in zorgeloze gerustheid
, zonder te vermoeden dat de straffende hand van zijnen God reeds over hem was, en was met enen diepen slaap bevangen 3).
De zeelieden wierpen het gereedschap uit; maar het schip werd in ‘t geheel niet verlicht. Waarom? Omdat niets een zo drukkende last is als de zonde en de ongehoorzaamheid.
De meningen der uitleggers over de oorzaak van Jona’s diepen slaap zijn verschillend. De meesten geloven, dat zijn kwaad geweten hem zo gekweld heeft, dat hij moedeloos, mistroostig en ten gevolge zijner inspanning zich te slapen zal hebben gelegd, om zo wanhopig te wachten, wat hem om zijne ongehoorzaamheid zou overkomen. “Jona lag in doffe droefheid ingeslapen in het ruim. Hem wekte de storm niet, want in zijn hart had hij enen groten storm gehad, en hij dacht dien te zijn ontlopen. ” . Het meest juiste is zeker aan te nemen, dat de zorgeloosheid, waarmee Jona het schip had beklommen, bij hem nog voortduurde op de zee, zodat hij zich zelfs legde te slapen. “Dat mag wel een doodslaap heten, dien hij ten laatste sliep, terwijl hij spoedig daarop in den dood moest gaan. Maar zo gaat het overal met den zondaren God handelt alzo met hem, even als hier met Jona, want Jona had zich zeer bezondigd tegen God: omdat echter God zwijgt en stil houdt met straffen, en de zonde niet terughoudt, en er niet dadelijk in slaat, zo is de natuur en aard der zonde, dat zij den mens verblindt en verstokt, opdat hij in veiligheid komt en niet vreest, maar zich nederlegt en slaapt en niet ziet, welk een groot onweder er boven hem is, dat hem ontzaglijk opwekken zal. Vermoeid van de reis, en verblijd, dat hij zijn oogmerk bereikt had, was hij ingesluimerd, en de beweging van het schip deed hem nog dieper inslapen. Ook de slaap van Jona behoorde tot zijne vlucht. Judas vluchtte nog verder, daar hij zich verhing.
Het woord in den grondtekst wijst een diepen slaap aan. Hij sliep zo vast, dat hem noch het geschrei der mensen, noch het geraas bij het uitwerpen der waren, noch het woeden van storm en golven wekte, maar de opperschipper hem eerst schudden moest. Hierbij was zeker Gods bijzondere besturing, opdat Jona in zijn ontwaken te gemakkelijker van zijne zonde zou kunnen overtuigd worden, want wanneer hij gewaakt had, zou de schipper gene gelegenheid hebben gehad, hem door zijne harde toespraak het geweten te treffen. Jona bedacht niet, dat God hem ook hier kon bereiken, wanneer hij zich onttrekken wilde aan den last, hem opgedragen. Daarom legde hij zich als een zorgeloze te slapen, en sliep zelfs zeer vast6. En de opperschipper de eerste stuurman naderde, toen het gevaar op het hoogst was, tot hem, en wekte hem op, en zei tot hem: wat is u, gij hard slapende? hoe is het mogelijk, dat gij in zo groot een levensgevaar voor ons allen zo zorgeloos slaapt! Sta op, roep tot uwen God, zo als ieder van ons reeds zijnen God heeft aangeroepen; misschien zal die God aan ons gedenken, en ons Zijnen almachtigen bijstand schenken, (Ps. 40:18), dat wij niet vergaan? “Misschien vermag uw God iets” ach enkel dolksteken in Jona’s hart, die God geheel anders kende, dan deze, en hij was aan Zijne school ontlopen. De verst verwijderden moeten naar God vragen, en hij, die zo nabij Hem was, had zich verwijderd, alsof bij Hem verderf te vinden was. Welk een beschaming! . Zo moet dikwijls een in onze ogen onkundige komen, om ons de waarheid te zeggen. Welke gedachten, welk verborgen lijden een Jona moet gehad hebben, kan ieder Christen gemakkelijk begrijpen. Hij weet, dat hij tegen Gods bevel gehandeld heeft. Hij weet dat deze storm om zijnentwil geschiedt. Zal hij nu God om hulp aanroepen? Hij ziet, dat hij het ongeluk niet kan ontkomen, en nu ligt de hand Gods op hem, en drukt hem ter neer. Als een gelovige aan het vallen is, dan is hij minder in geestelijke werkzaamheid dan de onbekeerde. Hoe beschaming was deze toespraak voor Jona, zij, die den waren God niet kennen, bidden, waken en werken, en de enige man op het schip, die den waren God kent, bidt, waakt en arbeidt niet, maar slaapt De Hebreër, ja de Profeet des Heeren moet door den afgodendienaar wakker geschud, tot het gebed geroepen, tot zijnen plicht gebracht worden. En gaat het niet nog zo in het geloofsleven van een iegelijk onzer, dat wij door dezulken, die gene gelovigen zijn, meermalen aan onze verplichtingen herinnerd worden, alsof juist zij ons moeten toeroepen: “Bedenkt welk een schat gij in uw geloof bezit, waarvan gij geen gebruik maakt?” Roep tot uwen God! Hoe liefelijk is het te zien aan boord van een schip, dat in nood, dat in gevaar is van te vergaan, dat men elkaar opwekt tot het gebed, omdat men nog gelooft, dat God het gebed verhoren kan. O hoe beschaamt die Heidense opperschipper hiermede die geleerden onder ons, die God deze macht ontzeggen, en hoe beschaamt hij velen onzer opperschippers en zeelieden, die, ofschoon den driemaal heiligen naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes op hun voorhoofd dragende, aan boord van hun schepen van God niet willen weten dan om Zijnen heiligen naam vloekend, en zich en anderen vervloekende schandelijk te misbruiken! .
Jona deed nu wel, waartoe de opperschipper hem had gevraagd, doch het geweld van den storm verminderde niet. Toen vermoedde de schipper, dat een van hen door een heimelijke misdaad den toorn der goden had opgewekt. Voorts zeiden zij, naar Gods bijzondere ingeving, een ieder tot zijnen metgezel: Komt, en laat ons loten werpen (Esth. 3:7) opdat wij der goden verborgen raadsbesluit mogen weten, en alzo om wiens wil ons dit kwaad overkomt, want dat Gods toorn zich openbaarde in het dreigend element was voor hen ontwijfelbaar. Alzo wierpen zij loten, en het lot viel naar ‘s Heeren beschikking op Jona. Het lot valt op Jona niet naar de macht van het heidense lot, maar van Hem, die het onzekere lot bestuurde (Spr. 16:33), Als door een bliksemstraal zal Jona zich getroffen hebben gevoeld, even als Petrus door het hanegekraai. “Gij zijt die man, ” riep het hem toe.
Toen zeiden zij tot hem, om hem te bewegen met eigen mond zijne misdaad te openbaren: Verklaar ons nu, om wiens wil ons dit kwaad overkomt? Hij moet het weten, want u heeft het lot als de schuldige oorzaak van Gods toorn aangewezen; wat is uw werk? is het iets oneerlijks, dat den toorn der goden opgewekt heeft, en van waar komt gij? welk is uw land? en van welk volk zijt gij? 1) Zeg ons alles nauwkeurig, opdat wij daaruit mogen besluiten welke uwe misdaad is en van welken aard.
De Heere weet in het vervolgen van de zonde, de beschuldigingen te bestieren, zodat die de zonde het meest bittere zullen maken van den schuldige. Hierom bestiert Hij de scheepslieden, om deze vragen te doen, wat is uw werk, en van waar komt gij, welke is uw land en van welk volk zijt gij? waar van elk een prikkel moest zijn voor Jona’s inzicht, dat hij, een Profeet zijnde, van het aangezicht Gods zou vlieden, dat hij van het heilige land en de kerk komende weerspannig zou zijn en achtervolgend meer wist dan de heidenen, dat hij in een weg zou zijn, daar hij geen bevel van God toe had.
En hij zei tot hen: Ik ben een Hebreër (deze naam werd door de Israëlieten zelf gebruikt in het verkeer met buitenlanders of in tegenstelling tegen andere volken), en ik vreze, ik vereer wat mijnen godsdienst aangaat, den HEERE Jehova, den God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft. Hierop verhaalde hij hun, welk bevel hij van God had ontvangen, en hoe hij zich door de vlucht tegen Hem zwaar had bezondigd. Si homo velat, deus revelat; si homo tegit, Deus detegit; ei homo agnoscit, Deus ignoscit. (Als de mens verbergt openbaart God; als de mens bedekt ontdekt God; als de mens belijdt, vergeeft God. Door het vrezen van den Heere kan Jona niet willen zeggen, dat hij den God van Israël in waarheid diende. Het tegendeel was blijkbaar uit zijn gedrag. Hij schijnt derhalve ene slaafse vrees te bedoelen, zodat hij, in antwoord op de vragen der overige schepelingen, zeggen wilde: Ik vrees den Heere, den God des hemels, den enigen en waren God. De reden van het ontzettend gevaar, waarin wij thans verkeren, is niet gelegen in mijn beroep, in mijne land- en volksgenoten. Maar uit vrees, omdat ik de bevelen des Heeren, den God mijns volks schroomde te volbrengen, vlucht ik voor Zijn aangezicht, en nu vrees ik Zijne geduchte wraak, welke mij zo kennelijk achtervolgt. Het is om mijnentwil, dat deze storm zo vreselijk woedt. Hij, die de zee en het droge gemaakt heeft, zendt dit onweder om mij te straffen. Ik beef voor den God des hemels, den God van mijne vaderen, wiens last ik versmaad heb.
Toen vreesden die mannen met grote vrees want zij zagen den verschrikkelijken toorn van dezen machtigen God over Jona’s zonde in den storm en het doodsgevaar voor zich. Ontzet riepen zij, en zeiden zij tot hem: Wat hebt gij gedaan? want de mannen wisten, dat hij van des HEEREN aangezicht vlood; want hij had het hun zo even (vs. 9)te kennen gegeven.
Voorts zeiden zij tot hem, om zich door eigendunkelijke bestraffing van enen vereerder en Profeet van dezen zo machtigen God niet op nieuw in doodsgevaar te brengen: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil wordt van ons. Spreek zelf uw oordeel uit, want als vereerder van dezen God kunt gij zelf het best de grootheid uwer zonde afmeten. Zij vraagden hem dit, want de zee word hoe langer hoe onstuimiger, en woedde steeds voort.
En hij zei tot hen, in berouwvolle belijdenis, dat zijne zonde van opstand tegen God den dood verdient had, en Gods toorn alleen door zijnen dood kon worden verzoend: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, ik ben bereid den dood te lijden, dien in verdiend heb, zo zal de zee stil worden van ulieden a), en gij zult van den dood gered worden; want ik weet zeker, dat deze grote storm ulieden om mijnentwil overkomt.
Niet als Profeet velt Jona dit oordeel, maar als gelovig Israëliet, die den ernst der gerechtigheid van den heiligen God uit de wet en uit de geschiedenis van zijn volk kent.
Jona is, al is het ook zeer zwak, een voorbeeld van Christus. Christus was de getrouwe, en gaf zich voor hen, die altijd ontrouw waren, in den dood, maar Jona heeft de trouw verloochend; daarom was hij ook nog niet de rechte “duif” des vredes, maar ene voorzegging van haar. Hij geeft zich toch voor anderen in den dood, in welke hij ze hoofdzakelijk zelf gebracht had; zij hebben zegen daarvan voor het lichaam en nog meer voor de ziel. Jona vluchtte van het land en ontvluchtte Gods toorn niet. Hij vluchtte van het land en bracht op zee den storm. Niet alleen verkreeg bij door de vlucht geen goed, maar bracht ook nog diegenen, die met hem waren, in het hoogste gevaar, opdat wij daaruit leren dat gelijk hem, die in zonden leeft, ook de vaart niets helpt, zo degene, die de zonde van zich heeft gedaan, noch de zee vernietigt, noch de wilde dieren verteren. Jona zegt: “neemt mij, en werpt mij in de zee, ” maar hij stort er zichzelven niet in. Dat onderscheid is er tussen een ontwaakt en wanhopend geweten. Welk een woord! het opent ons de geschiedenis der wereld. Hoe, om de ongehoorzaamheid van één mens is geheel de zee in beroering, en is alles wat haar bevaart in gevaar van te vergaan! En wat doet dien storm liggen en bedaren? De ondergang van dien ongehoorzamen mens. Het is ons een treffend beeld van de grote waarheid, dat alleen de zonde Gods heerlijke schepping in beroering brengt, en dat alleen de tenietdoening der zonde de verstoorde orde herstelt. Doch hierin was dan ook Jona het grote beeld, de type van Christus. De Heere Christus zou Zich overgeven tot behoud der kerk, gelijk Jona zich overgaf tot behoud van het schip, de hittigheid van Gods toorn zou zich afwenden van den zondaar door de nederdaling van Christus in de diepte des grafs, gelijk de woedende golven zich stilden door het werpen van Jona in de zee. Doch ziet dan hier de kleine, zwakke Jona in al de kracht en heerlijkheid des geloofs; ja ziet en bewondert en aanbidt de goddelijke genade, die zulk een held uit zulk een vervaagd man maken kan. Zo vreesachtig hij was om naar Ninevé te gaan, zo moedig was hij nu om zich in de zee te laten werpen. Dat was een veel erger lot dan hem te Ninevé wachtte, want daar zou hem niets gebeuren; maar hij zou beschaamd worden over zijne vrees. In den dienst van God wordt enkel moed vereist. Zo gaat menig zendeling naar een volk, waar nog nimmer een zendeling kwam, en hij slaagt in zijne zending. Wie slechts met God durft, dien zal het gelukken. Jona biedt zich zelven ten offer aan. Hij geeft terstond bewijs van zijne profetische bediening door de uitlegging te geven van hetgeen er gebeurde, en Gods wil en bedoeling er mede te verkondigen. Het was om hem, Jona, te doen, hij moest uitgeworpen worden, en hij is dan ook nu geheel gewillig bereid om zijn leven over te geven, ten einde de schepelingen te behouden. Trouwens het komt in de liefde tot God en den naaste daarop aan, dat wij ons zelven willen geven. Velen geven hun geld en goed en alles wat zij hebben aan den Heere, maar hun hart, hun leven behouden zij voor zich zelven. En toch begeert reeds de ene mens van den anderen niet zozeer zijne gaven als wel zijn hart en zijne liefde. Hoeveel te meer moet God dit eisen. Nu kunnen wij op tweeërlei wijze Gode ons leven geven: door voor Hem te leven en voor Hem te sterven. Het laatste was bijzonder het voorrecht der martelaren, zij leefden en stierven voor den Heere; in onze dagen en in onze maatschappelijke toestanden kunnen wij voor den Heere leven en in Hem sterven, maar niet voor Hem sterven, ofschoon niemand weet, waartoe hij nog door den Heere kan geroepen worden. Jona spreekt hier alzo niet om van het leven af te zijn, en van de verdrietelijkheden van het leven, maar als Profeet, wetende wat Gods wil was, maar ook uit een gevoel van de rechtvaardigheid der straf over de zonde. Hij weet dat hij tegen Gods bevel was ingegaan, dat alleen om hem deze grote storm was gekomen, maar ook dat God machtig was om hem te redden, indien het Hem behaagde. Den dood had hij verdiend, maar uit genade kon God hem ook nog redden.
Maar de mannen waagden het toch niet, dat harde oordeel te volvoeren, maar roeiden, om door de bruisende golven heen te breken, en het schip weer te brengen aan het droge, en zonder zulk een offer het verderf te ontkomen, doch zij konden niet; want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen.
Toen besloten zij in hunnen nood ten laatste Jona’s vonnis te volvoeren. Vooraf echter riepen zij, daar zij in Jona enen dienaar en Profeet van den almachtigen God zagen, door wiens dood zij vreesden zich bijzonder voor dezen God schuldig te maken, tot den HEERE, tot Jehova, den God van Jona, die Zich aan hen in den storm over Jona’s woorden had geopenbaard. Zij baden en zeiden: Och HEERE! laat ons toch niet als misdadigers des doods waardig zijn in Uwe ogen, laat ons toch niet vergaan om dezes mans ziel, die wij thans in den dood willen geven; En legin zijnen dood geen onschuldige bloed op ons 1), want Gij, HEERE! hebttoch door het zenden van storm en door bestiering van het lot op Jona gedaan, gelijk het U heeft behaagd. Gij hebt zelf ons Uwen heiligen wil daardoor aangewezen, dat wij hem als des doods schuldig tot verzoening van Uwen toorn in de zee moeten werpen 2).
Wij zien, dat deze mensen, hoewel zij nooit de lering der wet hadden gehad, toch van nature reeds zo geleerd waren, dat zij wisten, dat mensenbloed Gode lief en dierbaar was. Uiterste noodzakelijkheden geven aan den mens geen ruimte, om recht te doen, dan hetgeen zij daartoe van God recht hebben. Want deze zeelieden oordeelden dat geen noodzakelijkheid hen kon bevrijden van de schuld van onschuldig bloed, in het uitwerpen van Jona, dan alleen Gods geopenbaarde wil.
Wanneer de ontrouw van Jona dit reeds had teweeggebracht, dat de heidenen naar Gods woord en wil leerden luisteren, Hem vreesden en Hem in gebed naderden, wat zou God niet met Zijnen getrouwen dienaar hebben volbracht! . Deze mannen doen hier belijdenis van Gods Soevereiniteit. Dat het de Heere is, die met het heir des hemels en de inwoners der aarde doet naar Zijn welbehagen. Daarom roepen zij tot Hem en doen hiervan bekentenis om daarmee hun conscientie te bevrijden en vrijmoedigheid te ontvangen om Jona in zee te werpen.
En zij namen Jona op, nadat zij alzo in vrees van te zondigen hadden gebeden, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zeeplotseling stil van hare verbolgenheid, want zij had gevonden wat zij zocht. Het is niet te verwonderen dat zij, die aan gene verzoening van den zondaar door de voldoening aan de gerechtigheid van God geloven, ook het boek Jona als een verdichtsel beschouwen, want deze waarheid wordt hier zo historisch duidelijk geleerd, dat men zich moedwillig blind moet houden, om dit niet te zien. De verbolgenheid der zee ontstaat door de verbolgenheid Gods, eiste voldoening van den schuldige, eiste hem zelven ten offer en nauwelijks is deze voldoening gegeven, dat offer gebracht of de zee staat stil van hare verbolgenheid; de ban was opgeheven en alles keerde tot zijne gewone orde terug.
Dies vreesden de mannen, die schippers, den HEERE, den God Israëls, den Schepper van hemel en aarde, met grote vreze, want zij erkenden daarin duidelijk de hand van den heiligen God; en zij slachtten den HEERE reeds op het schip slachtoffer, zoen- en dankoffer, en beloofden geloften, dat zij Hem na gelukkige aankomst aan het doel hunner vaart nog meerdere offers zouden brengen. Met dat alles bewezen zij duidelijk, dat ook heidenen voor de openbaring van den waren God vatbaar konden gemaakt worden, en hoe groot Jona’s zonde was. Wat hier met deze zeelieden gebeurt was een voorteken van wat op de prediking van Jona met Ninevé zou geschieden. Het was geen waarachtige bekering, maar een ogenblikkelijk erkennen van Gods oppermajesteit. De storm, Jona, de stilte na den storm, alles werkt zamen om hen een hogen dunk van Gods Almacht en Opperhoogheid te doen krijgen, en daarom slachtten zij slachtoffers en deden beloften voor de toekomst.
II. Vs. 17KruisverwijzingenAmos 9:11→Joël 2:32→Jesaja 14:1→Amos 9:8→Jesaja 4:3→Openbaring 21:27→Jeremia 46:28→Zacharia 8:3→
— Maar op den berg Sions zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn; en die van het huis Jakobs zullen hun erfgoederen erfelijk bezitten.
-Hoofdst 2:10. Het was echter den Heere niet te doen, om den dood van Zijnen Profeet maar dat hij zelf uit de zonde gered, een voorbeeld zou worden voor de toekomstige bekering van zijn volk, en ene voorzegging van Hem, die door Zijnen dood en Zijne opstanding de redding van Israël en van de heidenen uit de zonde en den dood zou te weeg brengen. Daarom beschikt de Heere enen groten vis, dat die Jona verslond zonder hem schade aan te doen. In diens buik brengt Jona drie dagen en drie nachten door, en wordt, gelijk hij door het innig gebed uit den buik van den vis bewijst, door berouw en bekering een ander mens. Daarop moet de vis op Gods bevel den Profeet weer op het land spuwen.
De HEERE nu beschikte enen groten vis, en gebood dien om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van den vis, daarin door Gods wondermacht levend gehouden, drie dagen en drie nachten, (niet juist 3 maal 24 uren, maar naar onze wijze van spreken zo lang, dat Jona op den derden dag weer werd uitgespuwd. (Esth. 5:1). Volgens het spraakgebruik des volks zou men menen, dat die vis de walvis is geweest; doch men bedenke dat in onze taal het woordje “wal” “groot” betekent in walvis en walnoot. God geeft menigmaal zijne goedertierenheid en een blijk van Zijn liefde aan Zijn volk, in een tijd en op een plaats, daar zij zulks het minst verwachten. Want Jona ontmoet Gods goedertierenheid in het hart van een onstuimige zee, in dewelke hij in toorn geworpen werd om bedorven te worden. Het woord walvis komt viermaal in onze Statenvertaling voor, namelijk bij Genesis 1:12. Job 7:12, Ps. 148:7 en Jona 1:17. In het Hebreeuws leest men op de drie eerstgenoemde plaatsen het woord Tariim, hetgeen betekent: Grote vis, draak, grote slang, krokodil. Hetzelfde Hebreeuwse woord staat in Exod. 7:9. Deut. 32:33. Ps. 74:13; 91:13. Jes. 51:9. Jer. 28:1; 51:34. Ezech. 28:3; 32:3. Dit woord is niet alleen door de onzen met verschillende woorden overgezet, maar ook door de 70 (griekse vertalingen van het Oude Testament), welke in het N. Testament wordt gevolgd. Gen. 1:21 is daar overgezet door het woord Kétas. Ay Job. 1:12. Ps. 48:7 door drakoon, dat draak betekent. In Jona 1:17 staat echter in het Hebr. een geheel ander woord, en wel daag gadool, dat is grote vis. Dat woord stamt af van het werkwoord dagah, hetwelk betekent vermenigvuldigen en komt voor in Gen. 48:16, is overgezet “vermenigvuldigen als vissen in menigte. ” Het woordenboek van Winer geeft dan ook terecht de betekenis van het woord daag op “een vis, die zich zeer vermenigvuldigt” (de walvis brengt jaarlijks slechts één jong ter wereld). Bij Matth. 12:48 nu is de vertaling der Zeventigen gevolgd, die op de bedoelde plaatsen bij Jona Ketos hebben gebruikt. Dat woord komt in het Nieuwe Testament nergens anders voor; alleen gebruiken het de Zeventigen. De gewone woordenboeken vertalen Kètos voor: “een grote zeevis, zeemonster, dolfijn, ook walvis. ” Van den Es geeft in zijn woordenboek die laatste betekenis niet op. Het gewone woord, door de Grieken gebruikt voor walvis, heet balaina, in het Latijn balaena, bij ons balein. In het Boek van Jona blijkt alzo bedoeld te zijn: een zeemonster zonder nadere aanduiding, doch met bepaalde uitsluiting van den walvis, waaraan toch de bijzondere grote vermenigvuldiging niet kan worden toegeschreven. In plaats van grote vis wordt in Matth. 12:40 door onze overzetting: ” walvis”overgezet. De walvis, die in de noordelijke zeeën leeft en den vangers zulk een rijke winst van baleinen enz. geeft, kan het niet geweest zijn, daar deze slechts zelden tot in het kanaal tussen Engeland en Frankrijk, bijna nooit in de Middellandse zee komt, en omdat deze een veel te nauwe keel heeft om een mens te verslinden. Algemeen namen nu de uitleggers aan, dat het een grote haai of zeehond (canis carcharias of equalus carscharias 1) geweest is. Deze bereikt volgens den beroemden Fransen zoöloog Cuvier (overl. 1831) ene lengte van ongeveer 25 voet, en heeft in zijn muil ongeveer 400 lansvormige tanden in 6 rijen, welke het dier kan oprichten en neerleggen, omdat zij alleen in huidcellen staan. Deze is veelvuldig in de Middellandse zee, waar hij zich meestal in de diepte ophoudt. Hij is zeer vraatzuchtig, verslindt alles, wat hem voorkomt, schollen, robben, tonijnen, met welke hij dikwijls aan de kusten van Sardinië in de netten geraakt en gevangen wordt. Men heeft daar in enen die 3-4 centenaars zwaar was, ongeveer een dozijn onverteerde tonijnen gezonden, in enen zelfs een geheel paard en het gewicht van dezen op 15 centenaars geschat. Aan de westkust van Frankrijk is een gezien; door wiens muil zeer gemakkelijk een vet mens zou zijn gegaan. In het jaar 1758 viel een matroos bij stormachtig weer van een fregat in de Middellandse zee over boord, en werd dadelijk door een zeehond (carcharias) in zijnen muil opgevangen, zodat hij verdween. De scheepskapitein liet een op het verdek staand stuk geschut op den haai losbranden, en de kanonskogel trof hem zo, dat hij den matroos, welken hij in zijn muil had opgenomen, wederuitspuwde, die toen in de ondertussen nabijgekomen sloep levend en nog slechts weinig gedeerd werd opgevist. Bijna hetzelfde gebeurde in 1867 bij Triest. Het grote en wonderbare in Jona’s geschiedenis is dus niet zozeer daarin gelegen, dat Jona door een haai levend verslonden werd, als dat hij 3 dagen in den buik bewaard bleef en daarna ongedeerd weer uitgespuwd werd, terwijl ieder schepsel volgens de ervaring na korten tijd moet sterven, wanneer hij zonder lucht is. Tegen dit wonder richten zich daarom ook van ouds af voornamelijk de twijfelingen van het ongeloof en van den spot, hoewel hier kan gedacht worden aan een toestand, welke met schijndood overeenkomt, waarin adem en hartslag stilstaat en het geestelijk bewustzijn uit het leven des lichaam, zich terugtrekt, zonder dat de gehele scheiding tussen geest en lichaam plaats heeft, welke wij sterven noemen. Er is nauwelijks een gedeelte der heilige geschiedenis, waarover sedert den heidensen spotter Lucianus van Samosath (ongeveer 150 n. C.) meer gespot is en nog meer gespot wordt dan over de geschiedenis van den Profeet Jona. In de Christelijke kerk vond die spot eerst ingang, toen omstreeks het midden van de vorige eeuw de loochening van de wonderen en van de goddelijke autoriteit der Heilige Schrift geschiedde tot bevordering van het vrije onderzoek. Ongeloof en spot zegt, dat de gehele geschiedenis van Jona ene mythe is of ene sage, of het spel der fantasie. Het leven van Jona in den buik van den vis zonder te stikken, het opschieten van den wonderboom bij nacht tot de hoogte van iemand, die zit (Hoofdst. 4), ook het wonderbare toeval, dat het lot juist op den rechten man valt, dat de storm zich verheft en bedaart, als het de bedoeling der geschiedenis eiste, dat de vis dadelijk aanwezig is, om Jona te verslinden en ook weer uit te spuwen, dat de boom juist uitspruit en de worm dien ter rechter tijd doodt; eindelijk dat de hete wind juist op den rechten tijd waait, om Jona het verlies der schaduw te doen gevoelen-dat alles is wonderbaar en sprookjesachtig en daarom ongelofelijk. Wie echter aan enen levenden God gelooft, wie door verhoring zijner gebeden bij eigene ervaring weet, dat achter de voor ons tastbare en bekende wetten der noodzakelijkheid, in de natuur andere wetten der vrijheid staan, welke aan het rijk Gods en de vervulling van het raadsbesluit der verlossing dienstbaar zijn, wier doorstralen door de natuurwetten wij wonderen noemen, die stoot zich noch aan de wonderen van het Boek van Jona noch aan enig ander wonder der Heilige Schrift (Job. 1:6), al hadden wij niet de onomstotelijke waarborg voor de waarheid van het feit, welke des Heeren woord in Matth. 12:39 vv. 16:4. Luk. 11:29 vv. ons geeft. Gelijk reeds in Hoofdst. 1:2 werd gezegd, is de gehele geschiedenis van Jona een voorbeeld en profetie in den engsten zin. Benevens het doel Gods, om dezen Profeet terecht te brengen, en het wereldrijk Assyrië tot erkentenis van dien waren God te brengen, wiens werktuig het nu spoedig zou worden, was Gods hoofdbedoeling om Jona en zijne geschiedenis aan het vleeslijk gezinde Israël voor te houden: een spiegel van zijne eigene gezindheid en van zijne toekomstige geschiedenis, ene voorzegging van de latere opname der heidenen in Gods rijk en hun vatbaarheid daartoe, ene voorzegging van den Heere en Heiland die door Zijnen dood, Zijn verblijf in de diepte van het dodenrijk en Zijne opstanding na drie dagen aan Israël zegen, en aan de heidenen genade en zaligheid zou geven.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel