Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1De geschiedenissenH1697 van NehemiaH5166, zoonH1121 van HachaljaH2446. En het geschieddeH1961 in de maandH2320ChisleuH3691, in het twintigsteH6242jaarH8141, als ikH589 te SusanH7800 in het paleisH1002wasH1961;De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was;
KJVThe words1of Nehemiah2the son3of Hachaliah.4And it came to pass in the month6Chisleu,7in the twentieth9year,8as I was in Shushan12the palace,
2Zo kwam Hanani, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Zo kwamH935HananiH2607, eenH259 van mijn broederenH251, hijH1931 en sommige mannenH582 uit JudaH3063, en ik vraagdeH7592 hen naar de JodenH3064, die ontkomenH6413 waren (die overgeblevenH7604 waren vanH4480 de gevangenisH7628), en naar JeruzalemH3389.Zo kwam Hanani, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem.
KJVThat Hanani,2one3of my brethren,4came,1he and certain menof Judah;7and I asked8them concerning the Jews10that had escaped,11which were left13of the captivity,15and concerning Jerusalem.
1וַיָּבֹ֨אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2חֲנָ֜נִיH2607HananiHanani3אֶחָ֧דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,4מֵאַחַ֛יH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'5ה֥וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who6וַאֲנָשִׁ֖יםH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)7מִֽיהוּדָ֑הH3063JudaJudah8וָאֶשְׁאָלֵ֞םH7592vraagde, vragen, begeerdask (counsel, on), beg, borrow, lay to charge, consult, demand, desire, [idiom] earnestly, enquire, [phrase] greet, obtain leave, lend, pray, request, require, [phrase] salute, [idiom] straitly, [idiom] surely, wish9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10הַיְּהוּדִ֧יםH3064Joden, Jood, JoodsJew11הַפְּלֵיטָ֛הH6413ontkomen, ontkoming, ontkomenendeliverance, (that is) escape(-d), remnant12אֲשֶֽׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13נִשְׁאֲר֥וּH7604overgebleven, overblijven, overgelatenleave, (be) left, let, remain, remnant, reserve, the rest14מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with15הַשֶּׁ֖בִיH7628gevangenis, gevangenen, gevangenecaptive(-ity), prisoners, [idiom] take away, that was taken16וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with17יְרוּשָׁלִָֽםH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
3En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En zij zeidenH559 tot mij: De overgeblevenenH7604, dieH834vanH4480 de gevangenisH7628aldaarH8033 in het landschapH4082 zijn overgeblevenH7604, zijn in groteH1419ellendeH7451 en in versmaadheidH2781; en JeruzalemsH3389muurH2346 is verscheurdH6555, en haar poortenH8179 zijn met vuurH784verbrandH3341.En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand.
KJVAnd they said1unto me, The remnant3that are left5of the captivity7there in the province9are in great11affliction10and reproach:12the wall13of Jerusalem14also is broken down,15and the gates16thereof are burned17with fire.
1וַיֹּאמְרוּ֮H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לִי֒3הַֽנִּשְׁאָרִ֞יםH7604overgebleven, overblijven, overgelatenleave, (be) left, let, remain, remnant, reserve, the rest4אֲשֶֽׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5נִשְׁאֲר֤וּH7604overgebleven, overblijven, overgelatenleave, (be) left, let, remain, remnant, reserve, the rest6מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with7הַשְּׁבִי֙H7628gevangenis, gevangenen, gevangenecaptive(-ity), prisoners, [idiom] take away, that was taken8שָׁ֣םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither9בַּמְּדִינָ֔הH4082landschappen, landschap, landschaps([idiom] every) province10בְּרָעָ֥הH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)11גְדֹלָ֖הH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very12וּבְחֶרְפָּ֑הH2781smaadheid, smaad, versmaadheidrebuke, reproach(-fully), shame13וְחוֹמַ֤תH2346muur, muren, muurswall, walled14יְרוּשָׁלִַ֨ם֙H3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem15מְפֹרָ֔צֶתH6555gescheurd, brak, doorgebroken[idiom] abroad, (make a) breach, break (away, down, -er, forth, in, up), burst out, come (spread) abroad, compel, disperse, grow, increase, open, press, scatter, urge16וּשְׁעָרֶ֖יהָH8179poort, poorten, stadspoortcity, door, gate, port ([idiom] -er)17נִצְּת֥וּH3341aansteken, aangestoken, verbrandburn (up), be desolate, set (on) fire (fire), kindle18בָאֵֽשׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot
4En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En het geschiedde, als ik dezeH428woordenH1697hoordeH8085, zo zat ik nederH3427, en weendeH1058, en bedreef rouwH56, enige dagenH3117; en ik wasH1961vastendeH6684 en biddendeH6419 voor het aangezichtH6440 van den GodH430 des hemelsH8064.En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.
KJVAnd it came to pass, when I heard2these words,4that I sat down6and wept,7and mourned8certain days,9and fasted,11and prayed12before13the God14of heaven,
1וַיְהִ֞יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כְּשָׁמְעִ֣יH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הַדְּבָרִ֣יםH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work5הָאֵ֗לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)6יָשַׁ֨בְתִּי֙H3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry7וָֽאֶבְכֶּ֔הH1058weende, weenden, wenen[idiom] at all, bewail, complain, make lamentation, [idiom] more, mourn, [idiom] sore, [idiom] with tears, weep8וָאֶתְאַבְּלָ֖הH56rouw, treuren, treurtlament, mourn9יָמִ֑יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger10וָֽאֱהִ֥יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use11צָם֙H6684vastten, vasten, gevast[idiom] at all, fast12וּמִתְפַּלֵּ֔לH6419bidden, bad, bidintreat, judge(-ment), (make) pray(-er, -ing), make supplication13לִפְנֵ֖יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you14אֱלֹהֵ֥יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty15הַשָּׁמָֽיִםH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)
5En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En ik zeideH559: OchH577, HEEREH3068, God des hemelsH8064, Gij, groteH1419 en vreselijkeH3372 God! Die het verbondH1285 en de goedertierenheidH2617houdtH8104 dien, die Hem liefhebbenH157, en Zijn gebodenH4687houdenH8104.En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden.
Ook in dit vers
GodH410
GodH430
KJVAnd said,1I beseech2thee, O LORD3God4of heaven,5the great7and terrible8God,6that keepeth9covenant10and mercy11for them that love12him and observe13his commandments:
6Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Laat tochH4994 Uw oorH241opmerkendeH7183, en Uw ogenH5869openH6605 zijn, om te horenH8085naarH413 het gebedH8605 Uws knechtsH5650, datH834 ik hedenH3117 voor Uw aangezichtH6440bidH6419, dagH3119 en nachtH3915, voor de kinderenH1121IsraelsH3478, Uw knechtenH5650; en ik doe belijdenisH3034overH5921 de zondenH2403 der kinderenH1121IsraelsH3478, dieH834 wij tegen U gezondigdH2398 hebben; ook ik en mijns vadersH1huisH1004, wij hebben gezondigdH2398.Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.
KJVLet thine ear3now be attentive,4and thine eyes5open,6that thou mayest hear7the prayer9of thy servant,10which I pray13before14thee now,15day16and night,17for the children19of Israel20thy servants,21and confess22the sins24of the children25of Israel,26which we have sinned28against thee: both I and my father's32house31have sinned.
1תְּהִ֣יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2נָ֣אH4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh3אָזְנְךָֽH241oren, oor, Oren[phrase] advertise, audience, [phrase] displease, ear, hearing, [phrase] show4קַשֶּׁ֣בֶתH7183opmerkendeattent(-ive)5וְֽעֵינֶ֪יךָH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)6פְתֻוּח֟וֹתH6605open, opende, geopendappear, break forth, draw (out), let go free, (en-) grave(-n), loose (self), (be, be set) open(-ing), put off, ungird, unstop, have vent7לִשְׁמֹ֣עַH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness8אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9תְּפִלַּ֣תH8605gebed, gebeden, gebedsprayer10עַבְדְּךָ֡H5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant11אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12אָנֹכִי֩H595ik, mijI, me, [idiom] which13מִתְפַּלֵּ֨לH6419bidden, bad, bidintreat, judge(-ment), (make) pray(-er, -ing), make supplication14לְפָנֶ֤יךָH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you15הַיּוֹם֙H3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger16יוֹמָ֣םH3119dag, daags, Dagdaily, (by, in the) day(-time)17וָלַ֔יְלָהH3915nacht, nachts, nachten(mid-)night (season)18עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with19בְּנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth20יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael21עֲבָדֶ֑יךָH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant22וּמִתְוַדֶּ֗הH3034loven, Looft, belijdencast (out), (make) confess(-ion), praise, shoot, (give) thank(-ful, -s, -sgiving)23עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with24חַטֹּ֤אותH2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)25בְּנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth26יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael27אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection28חָטָ֣אנוּH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass29לָ֔ךְ30וַאֲנִ֥יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who31וּבֵיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)32אָבִ֖יH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'33חָטָֽאנוּH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass
7Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Wij hebben het ganselijkH2254 tegen U verdorvenH2254; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingenH2706, noch de rechtenH4941, dieH834 Gij Uw knechtH5650MozesH4872 geboden hebt.Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt.
Ook in dit vers
gebodenH4687
gebodenH6680
KJVWe have dealt very1corruptly2against thee, and have not kept5the commandments,7nor the statutes,9nor the judgments,11which thou commandedst13thy servant16Moses.
1חֲבֹ֖לH2254verderven, pand, verdorven[idiom] at all, band, bring forth, (deal) corrupt(-ly), destroy, offend, lay to (take a) pledge, spoil, travail, [idiom] very, withhold2חָבַ֣לְנוּH2254verderven, pand, verdorven[idiom] at all, band, bring forth, (deal) corrupt(-ly), destroy, offend, lay to (take a) pledge, spoil, travail, [idiom] very, withhold3לָ֑ךְ4וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without5שָׁמַ֣רְנוּH8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הַמִּצְוֺ֗תH4687geboden, gebod, bevolen(which was) commanded(-ment), law, ordinance, precept8וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9הַֽחֻקִּים֙H2706inzettingen, inzetting, bescheidenappointed, bound, commandment, convenient, custom, decree(-d), due, law, measure, [idiom] necessary, ordinance(-nary), portion, set time, statute, task10וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11הַמִּשְׁפָּטִ֔יםH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong12אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13צִוִּ֖יתָH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15מֹשֶׁ֥הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses16עַבְדֶּֽךָH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant
8Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8GedenkH2142tochH4994 des woordsH1697, datH834 Gij Uw knechtH5650MozesH4872gebodenH6680 hebt, zeggendeH559: GijliedenH859 zult overtredenH4603, IkH589 zal u onder de volkenH5971verstrooienH6327.Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien.
KJVRemember,1I beseech thee, the word4that thou commandedst6thy servant9Moses,8saying,10If ye transgress,12I will scatter you abroad14among the nations:
1זְכָרH2142gedenken, gedacht, Gedenk[idiom] burn (incense), [idiom] earnestly, be male, (make) mention (of), be mindful, recount, record(-er), remember, make to be remembered, bring (call, come, keep, put) to (in) remembrance, [idiom] still, think on, [idiom] well2נָא֙H4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הַדָּבָ֔רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work5אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6צִוִּ֛יתָH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8מֹשֶׁ֥הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses9עַבְדְּךָ֖H5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant10לֵאמֹ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11אַתֶּ֣םH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you12תִּמְעָ֔לוּH4603overtreden, begaan, overtradtransgress, (commit, do a) trespass(-ing)13אֲנִ֕יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who14אָפִ֥יץH6327verstrooid, verstrooien, verstrooidebreak (dash, shake) in (to) pieces, cast (abroad), disperse (selves), drive, retire, scatter (abroad), spread abroad15אֶתְכֶ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16בָּעַמִּֽיםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people
9En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En gij zult u tot Mij bekerenH7725, en Mijn gebodenH4687houdenH8104, en die doenH6213; al warenH1961 uw verdrevenenH5080 aan het eindeH7097 des hemelsH8064, Ik zal hen vandaarH4480verzamelenH6908, en zal ze brengenH935totH413 de plaatsH4725, dieH834 Ik verkorenH977 heb, om Mijn NaamH8034aldaarH8033 te doen wonenH7931.En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen.
KJVBut if ye turn1unto me, and keep3my commandments,4and do5them; though there were of you cast out9unto the uttermost part10of the heaven,11yet will I gather13them from thence, and will bring14them unto the place16that I have chosen18to set19my name
1וְשַׁבְתֶּ֣םH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw2אֵלַ֔יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3וּשְׁמַרְתֶּם֙H8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)4מִצְוֺתַ֔יH4687geboden, gebod, bevolen(which was) commanded(-ment), law, ordinance, precept5וַעֲשִׂיתֶ֖םH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use6אֹתָ֑םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet8יִהְיֶ֨הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use9נִֽדַּחֲכֶ֜םH5080gedreven, verdreven, verdrevenenbanish, bring, cast down (out), chase, compel, draw away, drive (away, out, quite), fetch a stroke, force, go away, outcast, thrust away (out), withdraw10בִּקְצֵ֤הH7097einde, uiterste, deel[idiom] after, border, brim, brink, edge, end, (in-) finite, frontier, outmost coast, quarter, shore, (out-) side, [idiom] some, ut(-ter-) most (part)11הַשָּׁמַ֨יִם֙H8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)12מִשָּׁ֣םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither13אֲקַבְּצֵ֔םH6908vergaderen, vergaderd, vergaderdeassemble (selves), gather (bring) (together, selves together, up), heap, resort, [idiom] surely, take up14וַהֲבִֽיאוֹתִים֙H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way15אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)16הַמָּק֔וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)17אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection18בָּחַ֔רְתִּיH977verkoren, verkiezen, verkoosacceptable, appoint, choose (choice), excellent, join, be rather, require19לְשַׁכֵּ֥ןH7931wonen, woont, woneabide, continue, (cause to, make to) dwell(-er), have habitation, inhabit, lay, place, (cause to) remain, rest, set (up)20אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)21שְׁמִ֖יH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report22שָֽׁםH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
10Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10ZijH1992 zijn toch Uw knechtenH5650 en Uw volkH5971, datH834 Gij verlostH6299 hebt door Uw groteH1419krachtH3581 en door Uw sterkeH2389handH3027.Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand.
KJVNow these are thy servants2and thy people,3whom thou hast redeemed5by thy great7power,6and by thy strong9hand.
1וְהֵ֥םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye2עֲבָדֶ֖יךָH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant3וְעַמֶּ֑ךָH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people4אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5פָּדִ֨יתָ֙H6299verlost, lossen, verlossen[idiom] at all, deliver, [idiom] by any means, ransom, (that are to be, let be) redeem(-ed), rescue, [idiom] surely6בְּכֹחֲךָ֣H3581kracht, macht, vermogenability, able, chameleon, force, fruits, might, power(-ful), strength, substance, wealth7הַגָּד֔וֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very8וּבְיָדְךָ֖H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves9הַחֲזָקָֽהH2389sterke, sterk, sterkenharder, hottest, [phrase] impudent, loud, mighty, sore, stiff(-hearted), strong(-er)
11Och, HEERE, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des konings schenker.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11OchH577, HEEREH136, laatH1961tochH4994 Uw oorH241opmerkendeH7183 zijn op het gebedH8605 Uws knechtsH5650, en op het gebedH8605 Uwer knechtenH5650, dieH2088lustH2655 hebben Uw NaamH8034 te vrezenH3372; en doe het tochH4994 Uw knechtH5650hedenH3117 wel gelukkenH6743, en geefH5414 hem barmhartigheidH7356 voor het aangezichtH6440 dezes mansH376. IkH589 nu wasH1961 des koningsH4428schenkerH8248.Och, HEERE, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des konings schenker.
KJVO Lord,2I beseech1thee, let now thine ear5be attentive6to the prayer8of thy servant,9and to the prayer11of thy servants,12who desire13to fear14thy name:16and prosper,17I pray thee, thy servant19this day,20and grant21him mercy22in the sight23of this man.24For I was the king's29cupbearer.
1אָנָּ֣אH577Och, Ei, ochI (me) beseech (pray) thee, O2אֲדֹנָ֗יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord3תְּהִ֣יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use4נָ֣אH4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh5אָזְנְךָֽH241oren, oor, Oren[phrase] advertise, audience, [phrase] displease, ear, hearing, [phrase] show6קַ֠שֶּׁבֶתH7183opmerkendeattent(-ive)7אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)8תְּפִלַּ֨תH8605gebed, gebeden, gebedsprayer9עַבְדְּךָ֜H5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant10וְאֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11תְּפִלַּ֣תH8605gebed, gebeden, gebedsprayer12עֲבָדֶ֗יךָH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant13הַֽחֲפֵצִים֙H2655lust, behaagt, wildedelight in, desire, favour, please, have pleasure, whosoever would, willing, wish14לְיִרְאָ֣הH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)15אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16שְׁמֶ֔ךָH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report17וְהַצְלִֽיחָהH6743voorspoedig, vaardig, gedijenbreak out, come (mightily), go over, be good, be meet, be profitable, (cause to, effect, make to, send) prosper(-ity, -ous, -ously)18נָּ֤אH4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh19לְעַבְדְּךָ֙H5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant20הַיּ֔וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger21וּתְנֵ֣הוּH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield22לְרַחֲמִ֔יםH7356barmhartigheden, barmhartigheid, baarmoederbowels, compassion, damsel, tender love, (great, tender) mercy, pity, womb23לִפְנֵ֖יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you24הָאִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)25הַזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)26וַאֲנִ֛יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who27הָיִ֥יתִיH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use28מַשְׁקֶ֖הH4945drank, drinkvaten, bevochtigdebutler(-ship), cupbearer, drink(-ing), fat pasture, watered29לַמֶּֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
De ruïnes van het Achaemenidische paleis te SusanOpgravingen op de plaats van het paleis van Susan, waar Nehemia als schenker diende toen hem het bericht over Jeruzalems muur bereikte.
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Nehemia 1:1— De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was;Zacharia 7:1→Nehemia 10:1→Esther 1:2→Daniël 8:2→Nehemia 2:1→Ezra 7:7→Esther 3:15→Ezra 10:9→
Nehemia 1:2— Zo kwam Hanani, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem.Nehemia 7:2→Ezechiël 24:26→Ezechiël 6:9→Psalmen 122:6→Jeremia 44:14→Ezra 9:8→Ezra 9:14→Ezechiël 7:16→
Nehemia 1:3— En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand.Nehemia 2:17→2 Koningen 25:10→Nehemia 2:13→Nehemia 7:6→Nehemia 2:3→Jeremia 44:8→Jesaja 43:28→Klaagliederen 5:1→
Nehemia 1:4— En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.Nehemia 2:4→Psalmen 137:1→Ezra 10:1→Jona 1:9→Sefanja 3:18→1 Samuël 4:17→Daniël 2:18→Ezra 5:11→
Nehemia 1:5— En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden.Deuteronomium 7:21→Exodus 20:6→Nehemia 4:14→Deuteronomium 7:9→Daniël 9:4→Psalmen 47:2→Nehemia 9:32→1 Kronieken 17:21→
Nehemia 1:6— Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.Daniël 9:20→2 Kronieken 29:6→Psalmen 106:6→2 Kronieken 6:40→Daniël 9:17→Efeze 2:3→Ezra 10:11→Lukas 2:37→
Nehemia 1:7— Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt.Psalmen 106:6→Nehemia 9:29→Deuteronomium 28:14→Deuteronomium 4:1→Daniël 9:5→Deuteronomium 6:1→2 Kronieken 25:4→Openbaring 19:2→
Nehemia 1:8— Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien.Deuteronomium 4:25→Deuteronomium 28:64→Leviticus 26:33→Deuteronomium 32:26→1 Koningen 9:6→Lukas 1:72→Psalmen 119:49→
Nehemia 1:9— En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen.Deuteronomium 30:2→Deuteronomium 4:29→Deuteronomium 12:5→Leviticus 26:39→Jeremia 32:37→Ezra 6:12→Jeremia 50:19→Jeremia 29:11→
Nehemia 1:10— Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand.Deuteronomium 9:29→Exodus 32:11→Deuteronomium 15:15→Jesaja 63:16→Psalmen 74:2→Psalmen 136:12→Jesaja 64:9→Exodus 6:1→
Nehemia 1:11— Och, HEERE, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des konings schenker.Nehemia 2:1→Nehemia 1:6→Genesis 40:21→Genesis 32:11→Spreuken 21:1→Ezra 7:27→Hebreeën 13:18→Genesis 43:14→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Nehemia 1 vers 1— De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was;
geschiedenissen
Of, woorden.
Hertaald:geschiedenissen
Of: woorden.
Chisleu,
Zie Ezra 10:9 . Naar het heilig of kerkelijk jaar der Joden, was het de negende maand; maar naar der Chaldeën rekening, die het jaar in September begonnen, was het de derde maand.
Hertaald:Chisleu,
Zie Ezra 10:9. Naar het heilige of kerkelijke jaar van de Joden was het de negende maand; maar volgens de telling van de Chaldeeën, die het jaar in september lieten beginnen, was het de derde maand.
twintigste jaar,
Van den koning Arthasasta, gelijk onder, Neh. 2:1 ; zie aldaar.
Hertaald:twintigste jaar,
Van koning Arthahsasta, zoals hieronder Neh. 2:1; zie daar.
Susan
De hoofdstad van Susiana, gebouwd [zo enigen schrijven] door Darius Histaspis.
Hertaald:Susan
De hoofdstad van Susiana, gebouwd [zoals sommigen schrijven] door Darius Hystaspis.
Nehemia 1 vers 2— Zo kwam Hanani, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem.
broederen,
Dat is, bloedverwanten, of landslieden, Joden.
Hertaald:broederen,
Dat is: bloedverwanten, of landgenoten, Joden.
die ontkomen waren
Hebreeuws, de ontkoming.
Hertaald:die ontkomen waren
Hebreeuws: de ontkoming.
Nehemia 1 vers 3— En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand.
landschap
Of, provincie, zoals het land Kanaän genoemd wordt, omdat het nu was onder het gebied der Perzische monarchie.
Hertaald:landschap
Of: provincie, zoals het land Kanaän genoemd wordt, omdat het nu onder het gezag van de Perzische heerschappij viel.
ellende
Hebreeuws, in groot kwaad; dat is, ellende en treurigheid.
Hertaald:ellende
Hebreeuws: in groot kwaad; dat is: ellende en droefheid.
Nehemia 1 vers 6— Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.
oor
Dat is, verhoor toch; menselijker wijze van God gesproken.
Hertaald:oor
Dat is: verhoor toch; op menselijke wijze over God gesproken.
ogen
Zie 1 Kon. 8:29 .
Hertaald:ogen
Zie 1 Kon. 8:29.
heden
Dat is, te dezer tijd.
Hertaald:heden
Dat is: in deze tijd.
Nehemia 1 vers 7— Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt.
ganselijk
Hebreeuws, wij hebben met verderving, of verdervende verdorven; dat is, wij hebben gans verdorvenlijk tegen U gehandeld en ons in alle manieren aan U schuldig gemaakt, door onze zonden.
Hertaald:ganselijk
Hebreeuws: wij hebben met verderving, of verdervend, verdorven; dat is: wij hebben ons volledig verdorven tegen U gedragen en ons op allerlei manieren aan U schuldig gemaakt door onze zonden.
geboden,
Zie van deze drie volgende woorden Deut. 5:31 .
Hertaald:geboden,
Zie over deze drie volgende woorden Deut. 5:31.
Nehemia 1 vers 8— Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien.
geboden hebt,
Zie Deut. 30:2-4 met de aantekening.
Hertaald:geboden hebt,
Zie Deut. 30:2-4 met de aantekening.
Nehemia 1 vers 11— Och, HEERE, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des konings schenker.
geef
Hebreeuws, geef hem ter barmhartigheden, of ontfermingen, dat is, werk nu in het hart des konings, dat hij zich mijns en mijns volks ontferme, en mijn verzoek gunstiglijk toesta; zie Jer. 42:12 .
Hertaald:geef
Hebreeuws: geef hem tot barmhartigheden, of ontfermingen, dat is: werk nu in het hart van de koning zodat hij Zich over mij en mijn volk ontfermt en mijn verzoek gunstig inwilligt; zie Jer. 42:12.
mans
Namelijk, van den koning Arthasasta, gelijk de volgende woorden en het begin van Neh 2 uitwijzen.
Hertaald:mans
Namelijk: van koning Arthahsasta, zoals de volgende woorden en het begin van Neh. 2 laten zien.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Nehemia — de HEERE troost
Zoon van Hachalja, schenker van koning Arthahsasta te Susan. Op het bericht dat Jeruzalems muur verwoest was, bad en vastte hij, en verkreeg van de koning verlof en volmacht om naar Jeruzalem te gaan; daar leidde hij, ondanks tegenstand van Sanballat en Tobia, de herbouw van de stadsmuur, diende twaalf jaar als landvoogd zonder zich op kosten van het volk te verrijken, en voerde later sociale en religieuze hervormingen door (Neh. 1-13).
Hanani (broeder van Nehemia) — genadig
Een broeder van Nehemia, die hem te Susan bericht bracht over de ellendige toestand van de overgebleven Joden en de verwoeste muur van Jeruzalem — de aanleiding tot Nehemia's zending (Neh. 1:2); later door Nehemia mede aangesteld over Jeruzalem (Neh. 7:2).
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Susan (Susa) — vermoedelijk verwant aan het Elamitische woord voor "lelie", naar de vele lelies die in de omgeving groeiden — de burcht wordt in de Schrift dan ook "Susan, het paleis" genoemd (Neh. 1:1)
Ligging: Aan de rivier de Ulai, in de vlakte van Elam, ten oosten van Babel, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Geschiedenis: Van oorsprong de hoofdstad van het oude Elam; na de Perzische verovering liet Darius I hier een groots winterpaleis bouwen, waardoor Susan naast Babel, Ekbatana en Persepolis een van de vier residentiesteden van het Perzische wereldrijk werd. Hier ontving Nehemia, schenker aan het hof van Arthahsasta, het aangrijpende bericht dat de muur van Jeruzalem nog altijd verbroken lag en haar poorten met vuur verbrand waren — een bericht dat hem tot dagen van rouw, vasten en gebed bracht, voordat hij de koning om verlof vroeg om zelf naar Jeruzalem te gaan (Neh. 1:1-2:8). Ook het boek Esther speelt zich geheel binnen deze burcht af, en de profeet Daniël ontving hier, jaren eerder, zijn visioen van de ram en de bok (Dan. 8:2).
Bijbelse betekenis: Een sprekend voorbeeld van hoe de HEERE, geheel buiten het gezichtsveld van Zijn volk in Jeruzalem, in het hart van een heidens wereldrijk trouwe dienstknechten als Nehemia en Esther op de juiste plaats en het juiste ogenblik plaatste om Zijn beloften aan Sion te vervullen.
Archeologie: Franse opgravingen (Marcel Dieulafoy, later Jacques de Morgan) legden vanaf 1884 het Achaemenidische paleis van Susan bloot, met de beroemde, met geglazuurde tegels versierde friezen van boogschutters en gevleugelde leeuwen, nu grotendeels in het Louvre.
Recente inzichten: Het huidige Shush, in de Iraanse provincie Choezestan.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt — Nehemia pleit in zijn gebed niet op eigen recht maar op een gegeven belofte: "Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt" (Neh. 1:8)
Nehemia is schenker aan het hof te Susan wanneer zijn broeder Hanani met mannen uit Juda komt (Neh. 1:1-2). Op zijn vraag naar de ontkomenen en naar Jeruzalem krijgt hij het antwoord dat de overgeblevenen in grote ellende en smaad verkeren, dat de muur verscheurd is en de poorten met vuur verbrand (Neh. 1:3). Hij gaat zitten, weent en bedrijft rouw, en is enige dagen lang vastende en biddende voor het aangezicht van de God des hemels (Neh. 1:4). Zijn gebed begint bij Wie God is: de grote en vreselijke God, Die het verbond en de goedertierenheid houdt aan wie Hem liefhebben (Neh. 1:5). Daarna volgt de belijdenis, en die is in de wij-vorm gesteld; hij rekent zichzelf en zijns vaders huis er uitdrukkelijk bij (Neh. 1:6-7). Vervolgens legt hij God Zijn eigen woord aan Mozes voor: bij overtreding zou Hij hen verstrooien, maar bij bekering zou Hij hen verzamelen, al waren hun verdrevenen aan het einde des hemels (Neh. 1:8-9). Hij besluit met twee gronden: zij zijn Gods knechten en Zijn volk, verlost door Zijn grote kracht, en hij vraagt of God het heden wel wil doen gelukken en hem barmhartigheid geven voor het aangezicht van deze man (Neh. 1:10-11).
Bijbelse betekenis: Vier maanden liggen er tussen dit gebed en het ogenblik waarop Nehemia de koning aanspreekt. Hij vraagt dus lang voordat hij handelt, en hij handelt pas als er een gelegenheid komt. Opmerkelijk is de opbouw. Hij begint niet bij de puinhopen maar bij God, gaat dan naar de schuld, dan naar de belofte, en pas in de laatste zin naar zijn eigen verzoek. Dat de belijdenis in de wij-vorm staat, is voor een man die zelf niets misdaan had veelzeggend; net als Ezra en Daniël gaat hij in de schuld staan in plaats van erboven. En het pleiten zelf is leerzaam. Hij vraagt God niet iets nieuws te doen, maar te gedenken wat Hij door Mozes gezegd had. Bidden is hier: God bij Zijn woord houden. Ten slotte is er de laatste zin van het hoofdstuk. Hij spreekt van deze man, en dat is de machtigste vorst van de wereld; in het gebed heeft die koning al zijn plaats gekregen voordat er één woord tegen hem gezegd is.
Typologie: Het woord dat Nehemia aanhaalt staat in de wet: "Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, van daar zal u de HEERE, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen" (Deut. 30:4). De belofte was gegeven vóór de ballingschap zelfs maar begonnen was. Dezelfde gestalte van gebed vinden wij in deze jaren bij Ezra en bij Daniël (reeds behandeld bij Een nagel in Zijn heilige plaats, Ezra 9:5-15). Drie mannen, ver van elkaar, belijden alle drie de schuld van het volk als de hunne.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het verbondniveau 2Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsenuitwerking
Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels — 1:1-11
Nehemia is schenker aan het hof van Susan en hoort van een broer hoe het in Jeruzalem staat: de muur is doorgebroken en de poorten zijn met vuur verbrand. Hij zit neer, weent, en vast en bidt enige dagen.
In zijn gebed grijpt Nehemia terug op een belofte van Mozes, en die belofte gaat over verzamelen wat verstrooid is.
Zijn gebed begint bij God en niet bij de muur: o HEERE, God des hemels, Gij grote en vreselijke God, Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien die Hem liefhebben.
Dan belijdt hij, en hij doet dat zoals Ezra: wij hebben tegen U gezondigd, ook ik en mijns vaders huis. Hij rekent zich mee.
En dan doet hij iets waar het hele gebed op rust. Hij herinnert God aan Zijn eigen woord: gedenk toch des woords dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt. Hij haalt het aan uit Deuteronomium: al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen.
Dat is de grond van zijn bidden. Niet de beterschap van het volk, want die was al zo vaak beloofd. Maar Gods eigen woord: Hij zal verzamelen, hoe ver het ook weg is.
Het gebed eindigt kort en praktisch: geef hem heden voorspoed, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Die man is de koning van Perzië, en Nehemia noemt hem niet eens bij naam.
Het verzamelen van wat verstrooid is loopt door de hele Schrift, en het krijgt in het Nieuwe Testament een naam. Christus spreekt van andere schapen, niet van dezen stal, die Hij ook moet toebrengen. En het zal worden één kudde en één Herder. En Johannes schrijft dat Hij sterven zou opdat Hij de kinderen Gods die verstrooid waren tot één zou vergaderen.
Deuteronomium 30:4 — Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, vandaar zal Ik u verzamelen.
Nehemia 1:9 — Nehemia bidt God om dat eigen woord te gedenken.
Ezechiël 34:12 — Ik zal Mijn schapen redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn.
Johannes 10:16 — Andere schapen die Ik ook moet toebrengen: één kudde, één Herder.
Johannes 11:52 — Opdat Hij de verstrooide kinderen Gods tot één zou vergaderen.
Efeze 2:13 — Gij die verre waart, zijt nabij geworden door het bloed van Christus.
In het Nieuwe Testament: Johannes 10:16; Johannes 11:52; Efeze 2:13-17; Mattheüs 24:31
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Nehemia 1:1-2.KruisverwijzingenZacharia 7:1→Nehemia 10:1→Nehemia 7:2→Esther 1:2→Daniël 8:2→Nehemia 2:1→Ezra 7:7→Esther 3:15→ — De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was; Zo kwam Hanani, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem. Nehemia bekleedde een hoog ambt te Susan, het paleis van koning Arthahsasta, maar zijn hart was te Jeruzalem. Daarom onthield hij zelfs de datum, “in de maand Chisleu”, waarop enkele van zijn broeders uit Juda kwamen om hem te bezoeken; want hun komst ging hem meer aan dan enige zaak van het hof waar hij voor een tijd in dienst was. Let op het onderwerp van het gesprek van deze goede man: hij vroeg hun naar de Joden die ontkomen waren, die van de gevangenis overgebleven waren, en naar Jeruzalem. Wanneer christenen samenkomen, behoren zij het onderwerp van hun onderling gesprek te maken tot een navraag naar de voortgang van het Koninkrijk van God op de plaats waar zij ieder wonen. Bent u van buiten gekomen, dan willen wij dat u ons vertelt over het werk van God in uw dorp of in de stad waar u hoort; zijn er daar veel bekeringen? En wij zullen u vertellen over het werk hier. Zo behoren christenbroeders met elkaar om te gaan en naar het koninkrijk van Christus onder de mensen te vragen, en naar de voortgang die Zijn Evangelie maakt.
Nehemia 1:3.KruisverwijzingenNehemia 2:17→2 Koningen 25:10→Nehemia 2:13→Nehemia 7:6→Nehemia 2:3→Jeremia 44:8→Jesaja 43:28→Klaagliederen 5:1→ — En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand. Zij gaven een juiste beschrijving van de werkelijke staat van zaken te Jeruzalem; zij verbloemden die niet, maar zij noemden de feiten zoals ze waren. Het is soms goed onze christenbroeders over de lage staat van Sion te vertellen. Waar de dingen niet gaan zoals zij behoorden te gaan, is het beste dat te zeggen, en niet de waarheid te trachten toe te dekken en een vals verslag te geven.
Nehemia 1:4.KruisverwijzingenNehemia 2:4→Psalmen 137:1→Ezra 10:1→Jona 1:9→Sefanja 3:18→1 Samuël 4:17→Daniël 2:18→Ezra 5:11→ — En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels. Deze goede man werd zeer aangedaan door het droeve nieuws dat hij hoorde. Hij was niet onverschillig over de toestand van zijn landgenoten; hij zei niet: “Wij hebben het hier heel goed; ik ben een Jood, en ik ben in het paleis van Arthahsasta, maar ik kan niets doen om mijn broeders te helpen. U die daar te Jeruzalem bent, moet doen wat u kunt.” Nee, Nehemia zei niets van dien aard; hij beschouwde zichzelf als deel en lid van heel het Joodse volk, zoals iedere ware gelovige alle christenen behoort te beschouwen als nauw aan hemzelf verwant. Wij zijn geen twintig gemeenten, broeders, en ook geen tweehonderd; onze Heere Jezus Christus is het Hoofd, en wij zijn leden van dat ene lichaam dat Zijn gemeente is. Wij behoren mede te gevoelen met allen die in Christus zijn; en vooral wanneer de zaak van God ergens niet voorspoedig is, behoren wij te doen zoals Nehemia deed: hij weende en treurde en vastte en bad voor het aangezicht van de God des hemels. Hij vertelt ons wat hij in zijn gebed zei; dit zijn als het ware de aantekeningen in het kort van zijn smeking.
Nehemia 1:5-6.KruisverwijzingenDaniël 9:20→Deuteronomium 7:21→Exodus 20:6→Nehemia 4:14→2 Kronieken 29:6→Psalmen 106:6→2 Kronieken 6:40→Daniël 9:17→ — En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden. Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd. Dit is een volkomen voorbeeldgebed. Hoe ernstig is het, en hoe waarachtig! Nehemia erkent de verschrikkelijke zijde van Gods karakter zowel als Zijn barmhartigheid. Hij had klaarblijkelijk rechte gedachten van God. Sommigen trachten alle plaatsen van de Schrift die God als een vreselijk God voorstellen weg te verklaren; of zij het weten of niet, zij zullen bevinden dat die handelwijze hun een grote bron van zwakheid is in de omgang met de ongodvruchtigen. Nehemia noemt Jehova Gij, grote en vreselijke God, maar hij voegt eraan toe: Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben.
Hij vertelt ons dat hij dag en nacht voor de Heere bad. Hij had natuurlijk zijn dagelijkse plichten te behartigen, zodat hij niet altijd op zijn kniëën kon liggen; maar zijn hart bad zelfs terwijl hij met andere zaken bezig was, en zo vaak als hij kon trok hij zich in zijn kamer terug om tot God te roepen. Merk ook op dat hij belijdenis doet van de zonden van de kinderen Israëls. Het is onze plicht als christenen om als het ware de zware last van de zonden van het volk op onszelf te nemen en die voor God te belijden. Willen de schuldigen zich niet bekeren, dan moeten wij ons voor hen bekeren; willen zij hun zonden niet belijden, dan moeten wij hun zonden belijden alsof wij in hun plaats stonden. Heel aandoenlijk zegt Nehemia dat hij de zonden belijdt van de kinderen Israëls, die wij tegen U gezondigd hebben; en dan komt hij nog dichter bij zichzelf en voegt eraan toe: ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.
Nehemia 1:7-9.KruisverwijzingenDeuteronomium 4:25→Deuteronomium 28:64→Leviticus 26:33→Deuteronomium 32:26→Deuteronomium 30:2→Deuteronomium 4:29→Deuteronomium 12:5→Psalmen 106:6→ — Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt. Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien. En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen. Nehemia haalt het verbond aan en pleit op de belofte van Jehova. Nu is er geen krachtiger middel om iemand een gunst te doen bewijzen dan dit: zijn eigen belofte aan te halen — “u hebt gezegd dat u het doen zou”. Zo zegt Nehemia hier: Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt.
Nehemia 1:11.KruisverwijzingenNehemia 2:1→Nehemia 1:6→Genesis 40:21→Genesis 32:11→Spreuken 21:1→Ezra 7:27→Hebreeën 13:18→Genesis 43:14→ — Och, HEERE, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des konings schenker. Nehemia rekent het een hoog voorrecht dat hij voor zijn volk zou mogen spreken tot de grote koning, die hem de gelegenheid zou geven heen te gaan en de muren van Jeruzalem weer op te bouwen. En de barmhartigheid waar hij om vraagt, is de barmhartigheid voor het aangezicht van koning Arthahsasta, tot wie hij op het punt stond te spreken.
In dit ene opzicht houd ik meer van Nehemia dan van Elia. Beiden waren edele mannen, zeer bezorgd voor het hoogste welzijn van hun landgenoten; maar Elia had, althans op één ogenblik, geen ware of billijke schatting van de dingen zoals zij werkelijk waren. Hij bestond het zelfs tegen God te zeggen: ik alleen ben overgebleven (1 Kon. 19:10). Nehemia handelde echter op een ander en een hoopvoller beginsel. Toen hij zijn eigen persoonlijke smeking gebracht had, was hij ervan overtuigd dat er anderen waren die ook tot de Heere baden, en daarom zei hij: en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen.
Er zijn elders in de wereld andere goede mensen, en er zijn andere mensen die even ernstig in het gebed zijn als wij. Beginnen wij te menen dat wij de enigen zijn die de gezonde leer overgehouden hebben, dan worden wij dweepzieke ijveraars. En menen wij dat wij de enige biddende mensen op aarde zijn, dan zullen wij heel waarschijnlijk eigengerechtig blijken. Verbeelden wij ons dat wij de enigen zijn met een diepe geestelijke bevinding, dan doen wij waarschijnlijk de andere knechten des Heeren groot onrecht en spreken wij kwaad van hen die Hij aangenomen heeft. Het is veel beter met Nehemia te geloven dat onze biddende stem geen alleenstaande stem is, en dat er velen zijn die, zoals wij, dag en nacht tot God roepen. Nemen wij een hoopvol gezicht op de dingen, dan zullen wij eerder bij het doel zijn dan wanneer wij anderen streng beoordelen en ons inbeelden dat wij de enige getrouwe knechten des Heeren zijn.
I. Vs. 1-11.KruisverwijzingenNehemia 2:17→Deuteronomium 4:25→Deuteronomium 28:64→Zacharia 7:1→Nehemia 10:1→Nehemia 7:2→2 Koningen 25:10→Daniël 9:20→ — De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was; Zo kwam Hanani, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem. En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand. En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels. En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden. Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd. Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt. Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien. En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen. Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand. Nehemia, een van de schenkers van den Perzischen koning Artaxerxes I, ontvangt, door zijnen broeder Hanani, bericht van den toestand van Jeruzalem, hoe de muren van een gereten en de poorten door vuur verbrand zijn. Hij is daardoor diep ter neer gebogen en stort zijn innig bedroefd hart in gebed en belijdenis van zonden voor den Heere uit. Daar hij echter als ambtenaar van den koning, niet zonder verlof van zijnen aardsen heer naar Jeruzalem mag gaan, en hij niet in staat is iets te doen om den druk van zijn volk te verlichten, bidt hij tot God, dat de Heere hem genade zal doen vinden in de ogen van Artaxerxes, en dat hij de krachtige ondersteuning van dezen koning zal mogen genieten.
KruisverwijzingenZacharia 7:1→Nehemia 10:1→Esther 1:2→Daniël 8:2→Nehemia 2:1→Ezra 7:7→Esther 3:15→Ezra 10:9→— De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was;
Wat in de volgende hoofdstukken zal verhaald worden, zijn de geschiedenissen van Nehemia 1) d.i. Troost of Trooster des Heren; hij was de zoon van Hachalja, volgens sommigen uit een priesterlijk geslacht, volgens anderen en met meer waarschijnlijkheid uit den stam van Juda, misschien zelfs van koninklijken bloede. En het geschiedde in de maand Chisleu, d.i. December (Exodus 12: 2 ), in het twintigste jaar 2) van de regering van den koning Artaxerxes Longimanus (Ezra 1: 4 ), in het jaar 445 v. Chr., als ik te Susan in het paleis des konings was, waar deze gedurende den zomer gewoon was verblijf te houden.
In het Hebr. Dibree Nechemjah. Terecht door de Staten-Vert. overgezet met, de geschiedenissen of nog beter: de geschiedenis van Nehemia. Het eerste woord heeft hier niet de betekenis van, daden of verhalen, maar van geschiedenis. Nehemia beschrijft zelf zijne geschiedenis in betrekking tot Jeruzalem en Juda.
KruisverwijzingenNehemia 7:2→Ezechiël 24:26→Ezechiël 6:9→Psalmen 122:6→Jeremia 44:14→Ezra 9:8→Ezra 9:14→Ezechiël 7:16→— Zo kwam Hanani, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem.
Dewijl Ezra optoog in het zevende jaar (Ezra 7: 8) van dezen koning en Nehemia in het twintigste, zo ligt er een tijdsverloop van 13 jaren tussen beide.
Zo kwam Hanani, een van mijne broederen naar den vleze (Hoofdstuk 7: 2), hij en sommige mannen uit Juda, met welke hij kort te voren uit Jeruzalem was wedergekeerd; en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren, (die overgebleven waren van de gevangenis)
en naar den toestand van Jeruzalem.
Die ontkomen waren, die overgebleven waren, zijn de teruggekeerden naar Jeruzalem, en worden hiermede onderscheiden van degenen, die niet naar het land der vaderen waren teruggekeerd, maar in Babel en andere heidense landen waren achtergebleven.
KruisverwijzingenNehemia 2:17→2 Koningen 25:10→Nehemia 2:13→Nehemia 7:6→Nehemia 2:3→Jeremia 44:8→Jesaja 43:28→Klaagliederen 5:1→— En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand.
En zij zeiden, tot mij: De overgeblevenen die van de gevangenis uit Babel aldaar waren in het landschap Juda zijn overgebleven, die, ontkomen uit de ballingschap, in Juda verkeren, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd en hare poorten zijn met vuur verbrand 1) (Ezra 6: 22 Aanm).
Bij het lezen van deze woorden komt men van zelf tot de gedachte, dat hier gesproken wordt van gebeurtenissen van den laatsten tijd, en dat ene zware beproeving over het volk, dat in Juda woonde, gekomen was. Die uitleggers, die hetgeen in Ezra 4: 6-23 beschreven wordt, tot den tijd van Xerxes I en zijn zoon Artaxerxes I brengen (zie 2 op Ezra 4: 6) verklaren dit op de volgende wijze. De Joden hadden beproefd om Jeruzalem te versterken, ene omstandigheid, die zeer gemakkelijk is te verklaren, daar Ezra bij het volk ene begeerte had opgewekt om in strenge afzondering van de Heidense naburen, op grond van de Mozaïsche instellingen te leven. De vriendelijke gezindheid van den koning van Perzië, blijkbaar uit de zending van Ezra, kon hen op den gelukkigen uitslag hunner pogingen doen hopen; maar dit was ook de oorzaak dat de Perzische ambtenaren wantrouwen begonnen op te vatten en den koning overhaalden om te verbieden dat Jeruzalem zou versterkt worden. Terstond maakten de ambtenaren gebruik van dit verbod, zij verwoestten wat er van gebouwd was, en werden daarin door der Joden vijandige naburen geholpen. De 85ste Psalm, die door vele Schriftverklaarders tot dezen tijd gebracht wordt, is door ons bij Ezra 6: 22 aangehaald, wellicht behoort hier ook Psalm 129 genoemd te worden.
Dit ziet kennelijk op hetgeen Ezra 4: 6-23 is medegedeeld. Tengevolge van de samenspanning der vijanden is het bevel door Arthahsasta uitgevaardigd, dat de muren der stad, die door Nebukadnezar verwoest waren, niet mochten worden opgebouwd. De heilige stad lag dus open en bloot voor elke vijandelijken aanval. Er was geen muur en geen poort, om de vijanden te houden buiten Jeruzalem, en alzo den heiligen tempel te beschermen tegen de listen en lagen der Samaritanen. Israël had zijne vrijheid en zijn tempel terug, maar het had in Juda den strijd tegen de heidenen en Samaritanen, en ook het Perzische hof scheen meer vijandig gezind. Het is daarom, dat Hanani en de zijnen zich naar Nehemia begeven, opdat deze zijn invloed mocht aanwenden bij den koning, dat het verbod werd opgeheven en deze, dewijl hij een aanzienlijke betrekking bij den koning bekleedde en zeer bij hem in gunst stond, alles mocht aanwenden, opdat ook de heilige stad weer werd opgebouwd en de muur, die nog immer, tengevolge van Nebukadnezar’s verwoesting, verbroken was, weer werd hersteld.
KruisverwijzingenNehemia 2:4→Psalmen 137:1→Ezra 10:1→Jona 1:9→Sefanja 3:18→1 Samuël 4:17→Daniël 2:18→Ezra 5:11→— En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.
En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat 1) ikdoor smart overweldigd neer en weende, en bedreef rouw, enige dagen, en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels2) (Ezra 1: 2; 9: 3).
Dit zitten geeft aan, een diep droevige gemoedsgesteldheid en de gestalte van een treurende, gelijk dan ook de profeet Jeremia (Klaagl. 3: 28) den treurende toeroept: “Hij zitte eenzaam, en zwijge stil.” Vandaar ook, dat hier terstond er op volgt, dat Nehemia weende en rouw bedreef.
In de volgende verzen hebben wij ene korte samenvatting van hetgeen Nehemia dag en nacht (vs. 6) voor des Heeren aangezicht bad. Nehemia doet zich in dit Boek kennen, als een teder godzalig man, die toegerust met macht en rijkdom en wijsheid, juist de man in Gods hand was, die het aangevangen werk van Ezra tot een gewenst einde zou kunnen brengen.
KruisverwijzingenDeuteronomium 7:21→Exodus 20:6→Nehemia 4:14→Deuteronomium 7:9→Daniël 9:4→Psalmen 47:2→Nehemia 9:32→1 Kronieken 17:21→— En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden.
En ik zei: a) Och HEERE, God des hemels 1), Gij grote en vreselijke God! b) die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijne geboden houden (Hoofdstuk 4: 14; 9: 32; (Deuteronomium 7: 9,21).
Nehemia spreekt hier God aan, in de eerste plaats als de Bestuurder van alles, wat plaats heeft, en daarna als de God des Verbonds, die immer die God blijft, zoals Hij zich geopenbaard heeft als degene, die Zijne goedertierenheid houdt, aan hen, die Hem liefhebben. Hij is bekend met God, dit straalt hierin duidelijk door, zoals Hij zich aan Mozes en in de gangen met Zijn volk heeft bekend gemaakt, en daarom neemt hij vrijmoedigheid, om voor Hem de bedrukte ziele uit te storten.
KruisverwijzingenDaniël 9:20→2 Kronieken 29:6→Psalmen 106:6→2 Kronieken 6:40→Daniël 9:17→Efeze 2:3→Ezra 10:11→Lukas 2:37→— Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.
Laat toch Uw oor opmerkende, en Uwe ogen open zijn, die voor onzen nood schijnen gesloten te zijn (Psalm 130: 2),om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden in dezen tijd voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israëls, Uwe knechten; en ik doe belijdenis of, en hoe ik belijdenis doe over de zonden der kinderen Israëls, die wij 1) tegen U gezondigd hebben: ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd (Ezra 9: 6. (Dan. 9: 6,8).
Ook hier bij Nehemia, gelijk vroeger bij Ezra, is een zich één gevoelen, wat de zonde en schuld betreft, met Israëls volk. Hij plaatst zich niet buiten de schuld van zijn volk, maar hij erkent het, dat ook hij er aan schuldig staat. Daarom voegt hij er bij: “Ook ik en mijns vaders huis”, waarmee hij betuigt, dat dit wijniet is een frase, maar overtuiging van het waarlijk verbroken hart.
KruisverwijzingenPsalmen 106:6→Nehemia 9:29→Deuteronomium 28:14→Deuteronomium 4:1→Daniël 9:5→Deuteronomium 6:1→2 Kronieken 25:4→Openbaring 19:2→— Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt.
Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven, wij zijn door ijdele dingen van den rechten weg afgevoerd, en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die gij Uwen knecht Mozes geboden hebt 1).
In de zondebelijdenis moet men deze twee dingen erkennen, ten aanzien van de snoodheid der zonde, als eerst, dat zij is een bederf van ons zelven, en ten anderen, een belediging van God; want men leeft dan naar de bedorven begeerlijkheden van zijn eigen hart, en ontkent en hoont de Godheid, door het verachten en versmaden van ‘s Heeren Geboden.
KruisverwijzingenDeuteronomium 4:25→Deuteronomium 28:64→Leviticus 26:33→Deuteronomium 32:26→1 Koningen 9:6→Lukas 1:72→Psalmen 119:49→— Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien.
Gedenk toch des woords 1) a), dat Gij Uwen knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien.
Deuteronomium 4: 25-27; 30: 2-4.
God had de Israëlieten te voren gewaarschuwd dat, zo zij Zijne geboden overtraden, zij verstrooid zouden worden, maar wanneer zij tot Hem zouden terugkeren, zou Hij hen terugvoeren naar hun eigen land. Indien God Zijner beloften niet meer gedacht, dan wij Zijner geboden, dan waren wij allen verloren. In het gebed op de beloften van God te pleiten is de beste weg om verhoring te erlangen. Hij leert ons zelf op Zijn woord te hopen.
KruisverwijzingenDeuteronomium 30:2→Deuteronomium 4:29→Deuteronomium 12:5→Leviticus 26:39→Jeremia 32:37→Ezra 6:12→Jeremia 50:19→Jeremia 29:11→— En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen.
En gij zult u tot Mij bekeren en Mijne geboden houden en die doen; al waren uwe verdrevenen aan het einde des hemels, tot aan de verste streken, waar het uitspansel de aarde schijnt te raken, Ik zal hen van daar verzamelen, en Ik zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb tot Jeruzalem, om Mijnen naam aldaar te doen wonen. Wat Nehemia hier den Heere voorhoudt, waarop Hij pleit, is niet ene letterlijke aanhaling van een of andere belofte, maar een korte samenvatting van de bedreigingen en beloften des Verbonds, met Zijn volk gesloten. De Heere had Zijn volk gedreigd, dat, indien het Zijn Verbond zou breken, Hij het zou verstrooien onder de volken, maar ook beloofd, dat, indien het zich zou bekeren, Hij het weer naar de erve der vaderen zou terugbrengen, en weer Zijne genade en Zijne genadige tegenwoordigheid zou openbaren. Op dit laatste is wel te letten, ook om deze bede wel te verstaan. Want toch Israël had er niet genoeg aan, dat het al weer in Kanaän was. Zou het zijn en wonen in het vaderland een gezegend, een waarlijk gelukkig wonen zijn, dan moest het ook en bovenal ervaren, dat de Heere God weer in gunste op Zijn volk neerzag, weer in hun midden Zijn Naam deed wonen, d.i. de heerlijkheid en genade van Zijn Wezen deed ervaren. De gemeenschap Gods moest worden genoten. En dit is het, waarom Nehemia smeekt. Want, ja, Israël was al voor een groot gedeelte teruggekeerd, de tempel was al gebouwd, maar de heilige stad lag nog open en bloot voor den vijand. Het scheen wel, dat de Heere nog niet met Zijn volle gunstbetoning was gekomen, dat er nog een breuke was. En daarom smeekt Nehemia en wijst Hij den Heere er op, dat Hij beloofd heeft, om daar Zijn Naam te doen wonen, d.i. de heerlijkheid van Zijn Wezen te openbaren.
KruisverwijzingenDeuteronomium 9:29→Exodus 32:11→Deuteronomium 15:15→Jesaja 63:16→Psalmen 74:2→Psalmen 136:12→Jesaja 64:9→Exodus 6:1→— Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand.
Zij, die nu weer in Judea en Jeruzalem wonen, zijn toch, ofschoon thans slechts een zwak overblijfsel van de vroegere theocratische gemeente, Uwe knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uwe grote kracht en door Uwe sterke hand, en daarmee hebt Gij weer het oude Israël hersteld, dat Gij eens uit de Egyptische dienstbaarheid hebt verlost.
KruisverwijzingenNehemia 2:1→Nehemia 1:6→Genesis 40:21→Genesis 32:11→Spreuken 21:1→Ezra 7:27→Hebreeën 13:18→Genesis 43:14→— Och, HEERE, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des konings schenker.
Och HEERE! laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts (Nehemia), en op het gebed Uwer knechten (de overige vrome Israëlieten), die lust hebben, die begeren Uwen naam te vrezen; en doe het toch Uwen knecht heden wel gelukken wat hij ten beste van Uw volk zich heeft voorgenomen te doen (Hoofdstuk 2: 1 vv.), en geef hem, Uwen knecht barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans1), den koning Artaxerxes 1. Ik nu was des konings schenken 2), een van de schenkers des konings; door hem en met hem alleen kan ik iets doen; daarom bad ik zo als hierboven gezegd is.
Hoe aangenaam is het als iemand, dien wij liefhebben, en die ons helpen kan, de oren tot ons neigt, om ons te horen. Nehemia vraagt dit van God. Hoe gemeenzaam. In hoe noemt hij den groten koning van Perzië? Dien man. Ja voor God staande is de grootste monarch maar een man, een mens, die stof en asse is.
Dit laatste dient, om aan te duiden, wie hij met dezen man bedoelt, n.l. den koning van Perzië. Met de laatste woorden van zijn bede legt Nehemia zijne diepe afhankelijkheid voor zijn God neer. Wel heeft de koning een groot vertrouwen in hem, anders had hij hem niet tot schenken benoemd, maar hij gevoelt het ook zeer goed, dat de Heere God zelf ook dezen monarch moet tonen, dat hij een mens is, die onderworpen is aan Hem, den Koning der koningen, opdat zijn hart vermurwd worde en hij volkomen toestemming geeft, om de muren van Jeruzalem te herstellen. En Nehemia heeft niet te vergeefs gebeden en zijn vertrouwen gesteld op den Heere Heere!
Nehemia was schenken of bottelier van den koning en dit gaf hem bijzondere gelegenheid om den koning dikwijls te spreken; om zulk ene plaats te bekleden moest hij wel vertrouwen van den koning bezitten. Geen Oosters vorst zou een schenken bij zich genomen hebben, aan wie hij zijn leven niet kon toevertrouwen; want menigmaal was het reeds gebeurd, dat enen vorst in zijnen drank vergif was ingegeven;
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Nehemia 1
Nehemia 1:1-2.KruisverwijzingenZacharia 7:1→Nehemia 10:1→Nehemia 7:2→Esther 1:2→Daniël 8:2→Nehemia 2:1→Ezra 7:7→Esther 3:15→
— De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was; Zo kwam Hanani, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem.
Nehemia bekleedde een hoog ambt te Susan, het paleis van koning Arthahsasta, maar zijn hart was te Jeruzalem. Daarom onthield hij zelfs de datum, “in de maand Chisleu”, waarop enkele van zijn broeders uit Juda kwamen om hem te bezoeken; want hun komst ging hem meer aan dan enige zaak van het hof waar hij voor een tijd in dienst was. Let op het onderwerp van het gesprek van deze goede man: hij vroeg hun naar de Joden die ontkomen waren, die van de gevangenis overgebleven waren, en naar Jeruzalem. Wanneer christenen samenkomen, behoren zij het onderwerp van hun onderling gesprek te maken tot een navraag naar de voortgang van het Koninkrijk van God op de plaats waar zij ieder wonen. Bent u van buiten gekomen, dan willen wij dat u ons vertelt over het werk van God in uw dorp of in de stad waar u hoort; zijn er daar veel bekeringen? En wij zullen u vertellen over het werk hier. Zo behoren christenbroeders met elkaar om te gaan en naar het koninkrijk van Christus onder de mensen te vragen, en naar de voortgang die Zijn Evangelie maakt.
Nehemia 1:3.KruisverwijzingenNehemia 2:17→2 Koningen 25:10→Nehemia 2:13→Nehemia 7:6→Nehemia 2:3→Jeremia 44:8→Jesaja 43:28→Klaagliederen 5:1→
— En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand.
Zij gaven een juiste beschrijving van de werkelijke staat van zaken te Jeruzalem; zij verbloemden die niet, maar zij noemden de feiten zoals ze waren. Het is soms goed onze christenbroeders over de lage staat van Sion te vertellen. Waar de dingen niet gaan zoals zij behoorden te gaan, is het beste dat te zeggen, en niet de waarheid te trachten toe te dekken en een vals verslag te geven.
Nehemia 1:4.KruisverwijzingenNehemia 2:4→Psalmen 137:1→Ezra 10:1→Jona 1:9→Sefanja 3:18→1 Samuël 4:17→Daniël 2:18→Ezra 5:11→
— En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.
Deze goede man werd zeer aangedaan door het droeve nieuws dat hij hoorde. Hij was niet onverschillig over de toestand van zijn landgenoten; hij zei niet: “Wij hebben het hier heel goed; ik ben een Jood, en ik ben in het paleis van Arthahsasta, maar ik kan niets doen om mijn broeders te helpen. U die daar te Jeruzalem bent, moet doen wat u kunt.” Nee, Nehemia zei niets van dien aard; hij beschouwde zichzelf als deel en lid van heel het Joodse volk, zoals iedere ware gelovige alle christenen behoort te beschouwen als nauw aan hemzelf verwant. Wij zijn geen twintig gemeenten, broeders, en ook geen tweehonderd; onze Heere Jezus Christus is het Hoofd, en wij zijn leden van dat ene lichaam dat Zijn gemeente is. Wij behoren mede te gevoelen met allen die in Christus zijn; en vooral wanneer de zaak van God ergens niet voorspoedig is, behoren wij te doen zoals Nehemia deed: hij weende en treurde en vastte en bad voor het aangezicht van de God des hemels. Hij vertelt ons wat hij in zijn gebed zei; dit zijn als het ware de aantekeningen in het kort van zijn smeking.
Nehemia 1:5-6.KruisverwijzingenDaniël 9:20→Deuteronomium 7:21→Exodus 20:6→Nehemia 4:14→2 Kronieken 29:6→Psalmen 106:6→2 Kronieken 6:40→Daniël 9:17→
— En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden. Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.
Dit is een volkomen voorbeeldgebed. Hoe ernstig is het, en hoe waarachtig! Nehemia erkent de verschrikkelijke zijde van Gods karakter zowel als Zijn barmhartigheid. Hij had klaarblijkelijk rechte gedachten van God. Sommigen trachten alle plaatsen van de Schrift die God als een vreselijk God voorstellen weg te verklaren; of zij het weten of niet, zij zullen bevinden dat die handelwijze hun een grote bron van zwakheid is in de omgang met de ongodvruchtigen. Nehemia noemt Jehova Gij, grote en vreselijke God, maar hij voegt eraan toe: Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben.
Hij vertelt ons dat hij dag en nacht voor de Heere bad. Hij had natuurlijk zijn dagelijkse plichten te behartigen, zodat hij niet altijd op zijn kniëën kon liggen; maar zijn hart bad zelfs terwijl hij met andere zaken bezig was, en zo vaak als hij kon trok hij zich in zijn kamer terug om tot God te roepen. Merk ook op dat hij belijdenis doet van de zonden van de kinderen Israëls. Het is onze plicht als christenen om als het ware de zware last van de zonden van het volk op onszelf te nemen en die voor God te belijden. Willen de schuldigen zich niet bekeren, dan moeten wij ons voor hen bekeren; willen zij hun zonden niet belijden, dan moeten wij hun zonden belijden alsof wij in hun plaats stonden. Heel aandoenlijk zegt Nehemia dat hij de zonden belijdt van de kinderen Israëls, die wij tegen U gezondigd hebben; en dan komt hij nog dichter bij zichzelf en voegt eraan toe: ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.
Nehemia 1:7-9.KruisverwijzingenDeuteronomium 4:25→Deuteronomium 28:64→Leviticus 26:33→Deuteronomium 32:26→Deuteronomium 30:2→Deuteronomium 4:29→Deuteronomium 12:5→Psalmen 106:6→
— Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt. Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien. En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen.
Nehemia haalt het verbond aan en pleit op de belofte van Jehova. Nu is er geen krachtiger middel om iemand een gunst te doen bewijzen dan dit: zijn eigen belofte aan te halen — “u hebt gezegd dat u het doen zou”. Zo zegt Nehemia hier: Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt.
Nehemia 1:11.KruisverwijzingenNehemia 2:1→Nehemia 1:6→Genesis 40:21→Genesis 32:11→Spreuken 21:1→Ezra 7:27→Hebreeën 13:18→Genesis 43:14→
— Och, HEERE, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des konings schenker.
Nehemia rekent het een hoog voorrecht dat hij voor zijn volk zou mogen spreken tot de grote koning, die hem de gelegenheid zou geven heen te gaan en de muren van Jeruzalem weer op te bouwen. En de barmhartigheid waar hij om vraagt, is de barmhartigheid voor het aangezicht van koning Arthahsasta, tot wie hij op het punt stond te spreken.
In dit ene opzicht houd ik meer van Nehemia dan van Elia. Beiden waren edele mannen, zeer bezorgd voor het hoogste welzijn van hun landgenoten; maar Elia had, althans op één ogenblik, geen ware of billijke schatting van de dingen zoals zij werkelijk waren. Hij bestond het zelfs tegen God te zeggen: ik alleen ben overgebleven (1 Kon. 19:10). Nehemia handelde echter op een ander en een hoopvoller beginsel. Toen hij zijn eigen persoonlijke smeking gebracht had, was hij ervan overtuigd dat er anderen waren die ook tot de Heere baden, en daarom zei hij: en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen.
Er zijn elders in de wereld andere goede mensen, en er zijn andere mensen die even ernstig in het gebed zijn als wij. Beginnen wij te menen dat wij de enigen zijn die de gezonde leer overgehouden hebben, dan worden wij dweepzieke ijveraars. En menen wij dat wij de enige biddende mensen op aarde zijn, dan zullen wij heel waarschijnlijk eigengerechtig blijken. Verbeelden wij ons dat wij de enigen zijn met een diepe geestelijke bevinding, dan doen wij waarschijnlijk de andere knechten des Heeren groot onrecht en spreken wij kwaad van hen die Hij aangenomen heeft. Het is veel beter met Nehemia te geloven dat onze biddende stem geen alleenstaande stem is, en dat er velen zijn die, zoals wij, dag en nacht tot God roepen. Nemen wij een hoopvol gezicht op de dingen, dan zullen wij eerder bij het doel zijn dan wanneer wij anderen streng beoordelen en ons inbeelden dat wij de enige getrouwe knechten des Heeren zijn.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-11.KruisverwijzingenNehemia 2:17→Deuteronomium 4:25→Deuteronomium 28:64→Zacharia 7:1→Nehemia 10:1→Nehemia 7:2→2 Koningen 25:10→Daniël 9:20→
— De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was; Zo kwam Hanani, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem. En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand. En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels. En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden. Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd. Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt. Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien. En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen. Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand.
Nehemia, een van de schenkers van den Perzischen koning Artaxerxes I, ontvangt, door zijnen broeder Hanani, bericht van den toestand van Jeruzalem, hoe de muren van een gereten en de poorten door vuur verbrand zijn. Hij is daardoor diep ter neer gebogen en stort zijn innig bedroefd hart in gebed en belijdenis van zonden voor den Heere uit. Daar hij echter als ambtenaar van den koning, niet zonder verlof van zijnen aardsen heer naar Jeruzalem mag gaan, en hij niet in staat is iets te doen om den druk van zijn volk te verlichten, bidt hij tot God, dat de Heere hem genade zal doen vinden in de ogen van Artaxerxes, en dat hij de krachtige ondersteuning van dezen koning zal mogen genieten.
Wat in de volgende hoofdstukken zal verhaald worden, zijn de geschiedenissen van Nehemia 1) d.i. Troost of Trooster des Heren; hij was de zoon van Hachalja, volgens sommigen uit een priesterlijk geslacht, volgens anderen en met meer waarschijnlijkheid uit den stam van Juda, misschien zelfs van koninklijken bloede. En het geschiedde in de maand Chisleu, d.i. December (Exodus 12: 2 ), in het twintigste jaar 2) van de regering van den koning Artaxerxes Longimanus (Ezra 1: 4 ), in het jaar 445 v. Chr., als ik te Susan in het paleis des konings was, waar deze gedurende den zomer gewoon was verblijf te houden.
In het Hebr. Dibree Nechemjah. Terecht door de Staten-Vert. overgezet met, de geschiedenissen of nog beter: de geschiedenis van Nehemia. Het eerste woord heeft hier niet de betekenis van, daden of verhalen, maar van geschiedenis. Nehemia beschrijft zelf zijne geschiedenis in betrekking tot Jeruzalem en Juda.
Dewijl Ezra optoog in het zevende jaar (Ezra 7: 8) van dezen koning en Nehemia in het twintigste, zo ligt er een tijdsverloop van 13 jaren tussen beide.
Zo kwam Hanani, een van mijne broederen naar den vleze (Hoofdstuk 7: 2), hij en sommige mannen uit Juda, met welke hij kort te voren uit Jeruzalem was wedergekeerd; en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren, (die overgebleven waren van de gevangenis)
en naar den toestand van Jeruzalem.
Die ontkomen waren, die overgebleven waren, zijn de teruggekeerden naar Jeruzalem, en worden hiermede onderscheiden van degenen, die niet naar het land der vaderen waren teruggekeerd, maar in Babel en andere heidense landen waren achtergebleven.
En zij zeiden, tot mij: De overgeblevenen die van de gevangenis uit Babel aldaar waren in het landschap Juda zijn overgebleven, die, ontkomen uit de ballingschap, in Juda verkeren, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd en hare poorten zijn met vuur verbrand 1) (Ezra 6: 22 Aanm).
Bij het lezen van deze woorden komt men van zelf tot de gedachte, dat hier gesproken wordt van gebeurtenissen van den laatsten tijd, en dat ene zware beproeving over het volk, dat in Juda woonde, gekomen was. Die uitleggers, die hetgeen in Ezra 4: 6-23 beschreven wordt, tot den tijd van Xerxes I en zijn zoon Artaxerxes I brengen (zie 2 op Ezra 4: 6) verklaren dit op de volgende wijze. De Joden hadden beproefd om Jeruzalem te versterken, ene omstandigheid, die zeer gemakkelijk is te verklaren, daar Ezra bij het volk ene begeerte had opgewekt om in strenge afzondering van de Heidense naburen, op grond van de Mozaïsche instellingen te leven. De vriendelijke gezindheid van den koning van Perzië, blijkbaar uit de zending van Ezra, kon hen op den gelukkigen uitslag hunner pogingen doen hopen; maar dit was ook de oorzaak dat de Perzische ambtenaren wantrouwen begonnen op te vatten en den koning overhaalden om te verbieden dat Jeruzalem zou versterkt worden. Terstond maakten de ambtenaren gebruik van dit verbod, zij verwoestten wat er van gebouwd was, en werden daarin door der Joden vijandige naburen geholpen. De 85ste Psalm, die door vele Schriftverklaarders tot dezen tijd gebracht wordt, is door ons bij Ezra 6: 22 aangehaald, wellicht behoort hier ook Psalm 129 genoemd te worden.
Dit ziet kennelijk op hetgeen Ezra 4: 6-23 is medegedeeld. Tengevolge van de samenspanning der vijanden is het bevel door Arthahsasta uitgevaardigd, dat de muren der stad, die door Nebukadnezar verwoest waren, niet mochten worden opgebouwd. De heilige stad lag dus open en bloot voor elke vijandelijken aanval. Er was geen muur en geen poort, om de vijanden te houden buiten Jeruzalem, en alzo den heiligen tempel te beschermen tegen de listen en lagen der Samaritanen. Israël had zijne vrijheid en zijn tempel terug, maar het had in Juda den strijd tegen de heidenen en Samaritanen, en ook het Perzische hof scheen meer vijandig gezind. Het is daarom, dat Hanani en de zijnen zich naar Nehemia begeven, opdat deze zijn invloed mocht aanwenden bij den koning, dat het verbod werd opgeheven en deze, dewijl hij een aanzienlijke betrekking bij den koning bekleedde en zeer bij hem in gunst stond, alles mocht aanwenden, opdat ook de heilige stad weer werd opgebouwd en de muur, die nog immer, tengevolge van Nebukadnezar’s verwoesting, verbroken was, weer werd hersteld.
En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat 1) ikdoor smart overweldigd neer en weende, en bedreef rouw, enige dagen, en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels2) (Ezra 1: 2; 9: 3).
Dit zitten geeft aan, een diep droevige gemoedsgesteldheid en de gestalte van een treurende, gelijk dan ook de profeet Jeremia (Klaagl. 3: 28) den treurende toeroept: “Hij zitte eenzaam, en zwijge stil.” Vandaar ook, dat hier terstond er op volgt, dat Nehemia weende en rouw bedreef.
In de volgende verzen hebben wij ene korte samenvatting van hetgeen Nehemia dag en nacht (vs. 6) voor des Heeren aangezicht bad. Nehemia doet zich in dit Boek kennen, als een teder godzalig man, die toegerust met macht en rijkdom en wijsheid, juist de man in Gods hand was, die het aangevangen werk van Ezra tot een gewenst einde zou kunnen brengen.
En ik zei: a) Och HEERE, God des hemels 1), Gij grote en vreselijke God! b) die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijne geboden houden (Hoofdstuk 4: 14; 9: 32; (Deuteronomium 7: 9,21).
Dan. 9: 4
Exodus 20: 6; 34: 7. Numeri 14: 18. Deuteronomium 5: 10. Psalm 86: 15; 103: 8; 145: 8.
Nehemia spreekt hier God aan, in de eerste plaats als de Bestuurder van alles, wat plaats heeft, en daarna als de God des Verbonds, die immer die God blijft, zoals Hij zich geopenbaard heeft als degene, die Zijne goedertierenheid houdt, aan hen, die Hem liefhebben. Hij is bekend met God, dit straalt hierin duidelijk door, zoals Hij zich aan Mozes en in de gangen met Zijn volk heeft bekend gemaakt, en daarom neemt hij vrijmoedigheid, om voor Hem de bedrukte ziele uit te storten.
Laat toch Uw oor opmerkende, en Uwe ogen open zijn, die voor onzen nood schijnen gesloten te zijn (Psalm 130: 2),om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden in dezen tijd voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israëls, Uwe knechten; en ik doe belijdenis of, en hoe ik belijdenis doe over de zonden der kinderen Israëls, die wij 1) tegen U gezondigd hebben: ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd (Ezra 9: 6. (Dan. 9: 6,8).
Ook hier bij Nehemia, gelijk vroeger bij Ezra, is een zich één gevoelen, wat de zonde en schuld betreft, met Israëls volk. Hij plaatst zich niet buiten de schuld van zijn volk, maar hij erkent het, dat ook hij er aan schuldig staat. Daarom voegt hij er bij: “Ook ik en mijns vaders huis”, waarmee hij betuigt, dat dit wijniet is een frase, maar overtuiging van het waarlijk verbroken hart.
Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven, wij zijn door ijdele dingen van den rechten weg afgevoerd, en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die gij Uwen knecht Mozes geboden hebt 1).
In de zondebelijdenis moet men deze twee dingen erkennen, ten aanzien van de snoodheid der zonde, als eerst, dat zij is een bederf van ons zelven, en ten anderen, een belediging van God; want men leeft dan naar de bedorven begeerlijkheden van zijn eigen hart, en ontkent en hoont de Godheid, door het verachten en versmaden van ‘s Heeren Geboden.
Gedenk toch des woords 1) a), dat Gij Uwen knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien.
Deuteronomium 4: 25-27; 30: 2-4.
God had de Israëlieten te voren gewaarschuwd dat, zo zij Zijne geboden overtraden, zij verstrooid zouden worden, maar wanneer zij tot Hem zouden terugkeren, zou Hij hen terugvoeren naar hun eigen land. Indien God Zijner beloften niet meer gedacht, dan wij Zijner geboden, dan waren wij allen verloren. In het gebed op de beloften van God te pleiten is de beste weg om verhoring te erlangen. Hij leert ons zelf op Zijn woord te hopen.
En gij zult u tot Mij bekeren en Mijne geboden houden en die doen; al waren uwe verdrevenen aan het einde des hemels, tot aan de verste streken, waar het uitspansel de aarde schijnt te raken, Ik zal hen van daar verzamelen, en Ik zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb tot Jeruzalem, om Mijnen naam aldaar te doen wonen. Wat Nehemia hier den Heere voorhoudt, waarop Hij pleit, is niet ene letterlijke aanhaling van een of andere belofte, maar een korte samenvatting van de bedreigingen en beloften des Verbonds, met Zijn volk gesloten. De Heere had Zijn volk gedreigd, dat, indien het Zijn Verbond zou breken, Hij het zou verstrooien onder de volken, maar ook beloofd, dat, indien het zich zou bekeren, Hij het weer naar de erve der vaderen zou terugbrengen, en weer Zijne genade en Zijne genadige tegenwoordigheid zou openbaren. Op dit laatste is wel te letten, ook om deze bede wel te verstaan. Want toch Israël had er niet genoeg aan, dat het al weer in Kanaän was. Zou het zijn en wonen in het vaderland een gezegend, een waarlijk gelukkig wonen zijn, dan moest het ook en bovenal ervaren, dat de Heere God weer in gunste op Zijn volk neerzag, weer in hun midden Zijn Naam deed wonen, d.i. de heerlijkheid en genade van Zijn Wezen deed ervaren. De gemeenschap Gods moest worden genoten. En dit is het, waarom Nehemia smeekt. Want, ja, Israël was al voor een groot gedeelte teruggekeerd, de tempel was al gebouwd, maar de heilige stad lag nog open en bloot voor den vijand. Het scheen wel, dat de Heere nog niet met Zijn volle gunstbetoning was gekomen, dat er nog een breuke was. En daarom smeekt Nehemia en wijst Hij den Heere er op, dat Hij beloofd heeft, om daar Zijn Naam te doen wonen, d.i. de heerlijkheid van Zijn Wezen te openbaren.
Zij, die nu weer in Judea en Jeruzalem wonen, zijn toch, ofschoon thans slechts een zwak overblijfsel van de vroegere theocratische gemeente, Uwe knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uwe grote kracht en door Uwe sterke hand, en daarmee hebt Gij weer het oude Israël hersteld, dat Gij eens uit de Egyptische dienstbaarheid hebt verlost.
Och HEERE! laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts (Nehemia), en op het gebed Uwer knechten (de overige vrome Israëlieten), die lust hebben, die begeren Uwen naam te vrezen; en doe het toch Uwen knecht heden wel gelukken wat hij ten beste van Uw volk zich heeft voorgenomen te doen (Hoofdstuk 2: 1 vv.), en geef hem, Uwen knecht barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans1), den koning Artaxerxes 1. Ik nu was des konings schenken 2), een van de schenkers des konings; door hem en met hem alleen kan ik iets doen; daarom bad ik zo als hierboven gezegd is.
Hoe aangenaam is het als iemand, dien wij liefhebben, en die ons helpen kan, de oren tot ons neigt, om ons te horen. Nehemia vraagt dit van God. Hoe gemeenzaam. In hoe noemt hij den groten koning van Perzië? Dien man. Ja voor God staande is de grootste monarch maar een man, een mens, die stof en asse is.
Dit laatste dient, om aan te duiden, wie hij met dezen man bedoelt, n.l. den koning van Perzië. Met de laatste woorden van zijn bede legt Nehemia zijne diepe afhankelijkheid voor zijn God neer. Wel heeft de koning een groot vertrouwen in hem, anders had hij hem niet tot schenken benoemd, maar hij gevoelt het ook zeer goed, dat de Heere God zelf ook dezen monarch moet tonen, dat hij een mens is, die onderworpen is aan Hem, den Koning der koningen, opdat zijn hart vermurwd worde en hij volkomen toestemming geeft, om de muren van Jeruzalem te herstellen. En Nehemia heeft niet te vergeefs gebeden en zijn vertrouwen gesteld op den Heere Heere!
Nehemia was schenken of bottelier van den koning en dit gaf hem bijzondere gelegenheid om den koning dikwijls te spreken; om zulk ene plaats te bekleden moest hij wel vertrouwen van den koning bezitten. Geen Oosters vorst zou een schenken bij zich genomen hebben, aan wie hij zijn leven niet kon toevertrouwen; want menigmaal was het reeds gebeurd, dat enen vorst in zijnen drank vergif was ingegeven;
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel