Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
WeeH1945 der bloedstadH1818, die gansH3605 volH4392 leugenH3585, en verscheuringH6563 is! de roofH2964 houdtH4185 nietH3808 op.
Wee der bloedstad, die gans vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op.
KJV
Woe1
to the bloody3
city!2
it is all full
of lies5
and robbery;6
the prey10
departeth
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Er is het geklapH6963 der zweepH7752, en het geluidH6963 van het bulderenH7494 der raderenH212; en de paardenH5483 stampenH1725, en de wagensH4818 springenH7540 op.
Er is het geklap der zweep, en het geluid van het bulderen der raderen; en de paarden stampen, en de wagens springen op.
KJV
The noise1
of a whip,2
and the noise3
of the rattling4
of the wheels,5
and of the pransing7
horses,6
and of the jumping9
chariots.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
De ruiterH6571 steekt omhoogH5927, zo het vlammendeH3851 zwaardH2719, als de bliksemendeH1300 spiesH2595, en er zal veelheidH7230 der verslagenenH2491 zijn, en een zwareH3514 menigte der dode lichamenH1472; ja, er zal geenH369 eindeH7097 zijn der lichamenH1472, men zal over hun lichamenH6297 struikelenH3782;
De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende spies, en er zal veelheid der verslagenen zijn, en een zware menigte der dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn der lichamen, men zal over hun lichamen struikelen;
KJV
The horseman1
lifteth up2
both the bright3
sword4
and the glittering5
spear:6
and there is a multitude7
of slain,8
and a great9
number of carcases;10
and there is none end12
of their corpses;13
they stumble14
upon their corpses:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Om der grote hoererijenH2183 wilH2896 der zeer bevalligeH2580 hoerH2181, der meesteresH1172 der toverijenH3785, die met haar hoererijenH2183 volkenH1471 verkochtH4376 heeft, en geslachtenH4940 met haar toverijenH3785.
Om der grote hoererijen wil der zeer bevallige hoer, der meesteres der toverijen, die met haar hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten met haar toverijen.
KJV
Because of the multitude1
of the whoredoms2
of the wellfavoured4
harlot,3
the mistress6
of witchcrafts,7
that selleth8
nations9
through her whoredoms,10
and families11
through her witchcrafts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
ZietH2005, Ik wil aan u, spreektH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635, en Ik zal uw zomenH7757 ontdekkenH1540 bovenH5921 uw aangezichtH6440, en Ik zal den heidenenH1471 uw naaktheidH4626, en den koninkrijkenH4467 uw schandeH7036 wijzenH7200.
Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal den heidenen uw naaktheid, en den koninkrijken uw schande wijzen.
KJV
Behold, I am against thee, saith3
the LORD4
of hosts;5
and I will discover6
thy skirts7
upon thy face,9
and I will shew10
the nations11
thy nakedness,12
and the kingdoms13
thy shame.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En Ik zal verfoeilijkeH8251 dingen opH5921 u werpenH7993, en u tot schandeH5034 maken, en Ik zal u als een spiegelH7210 stellenH7760.
En Ik zal verfoeilijke dingen op u werpen, en u tot schande maken, en Ik zal u als een spiegel stellen.
KJV
And I will cast1
abominable filth3
upon thee, and make thee vile,4
and will set5
thee as a gazingstock.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En het zal geschiedenH1961, dat allenH3605, die u zienH7200, vanH4480 u wegvliedenH5074 zullen en zeggenH559: NineveH5210 is verstoordH7703, wieH4310 zal medelijdenH5110 met haar hebben? Van waar zal ik u troostersH5162 zoekenH1245?
En het zal geschieden, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen en zeggen: Nineve is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Van waar zal ik u troosters zoeken?
KJV
And it shall come to pass, that all they that look3
upon thee shall flee4
from thee, and say,6
Nineveh8
is laid waste:7
who will bemoan10
her? whence12
shall I seek13
comforters
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Zijt gij beterH3190 dan NoH4996, de volkrijkeH527, gelegenH3427 in de rivierenH2975? dieH834 rondomH5439 henen waterH4325 heeft, welker voormuurH2426 de zeeH3220 is, haar muurH2346 is van zeeH3220.
Zijt gij beter dan No, de volkrijke, gelegen in de rivieren? die rondom henen water heeft, welker voormuur de zee is, haar muur is van zee.
KJV
Art thou better1
than populous3
No,2
that was situate4
among the rivers,5
that had the waters6
round about7
it, whose rampart10
was the sea,11
and her wall13
was from the sea?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
MorenlandH3568 en EgypteH4714 waren haar machtH6109, en er was geenH369 eindeH7097; PutH6316 en LybeaH3864 warenH1961 tot uw hulpH5833.
Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde; Put en Lybea waren tot uw hulp.
KJV
Ethiopia1
and Egypt3
were her strength,2
and it was infinite;4
Put6
and Lubim7
were thy helpers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Nog is zijH1931 gevankelijkH1473 gegaanH1980 in de gevangenisH7628; ookH1571 zijn haar kinderenH5768 op het hoofdH7218 van alleH3605 stratenH2351 verpletterdH7376 geworden; en overH5921 haar geeerdenH3513 hebben zij het lotH1486 geworpenH3032, en alH3605 haar grotenH1419 zijn in boeienH2131 gebondenH7576 geworden.
Nog is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis; ook zijn haar kinderen op het hoofd van alle straten verpletterd geworden; en over haar geeerden hebben zij het lot geworpen, en al haar groten zijn in boeien gebonden geworden.
KJV
Yet was she carried away,3
she went4
into captivity:5
her young children7
also were dashed in pieces8
at the top9
of all the streets:11
and they cast14
lots15
for her honourable men,13
and all her great men17
were bound18
in chains.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Ook zult gij dronkenH7937 worden, gij zult u verbergenH1961; ookH1571 zult gijH859 een sterkteH4581 zoekenH1245 vanwege den vijandH341.
Ook zult gij dronken worden, gij zult u verbergen; ook zult gij een sterkte zoeken vanwege den vijand.
KJV
Thou also shalt be drunken:3
thou shalt be hid,5
thou also shalt seek8
strength9
because of the enemy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
AlH3605 uw vastighedenH4013 zijn vijgebomenH8384 metH5973 de eerste vruchtenH1061; indienH518 zij geschudH5128 worden, zo vallenH5307 zij dien opH5921 den mondH6310, die ze etenH398 wil.
Al uw vastigheden zijn vijgebomen met de eerste vruchten; indien zij geschud worden, zo vallen zij dien op den mond, die ze eten wil.
KJV
All thy strong holds2
shall be like fig trees3
with the firstripe figs:5
if they be shaken,7
they shall even fall8
into the mouth10
of the eater.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
ZietH2009, uw volkH5971 zal in het middenH7130 van u tot vrouwenH802 worden; de poortenH8179 uws landsH776 zullen uw vijandenH341 wijdH6605 geopendH6605 worden; het vuurH784 zal uw grendelenH1280 verterenH398.
Ziet, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden; de poorten uws lands zullen uw vijanden wijd geopend worden; het vuur zal uw grendelen verteren.
KJV
Behold, thy people2
in the midst4
of thee are women:3
the gates8
of thy land9
shall be set wide6
open7
unto thine enemies:5
the fire11
shall devour10
thy bars.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
SchepH7579 u waterH4325 ter belegeringH4692; versterkH2388 uw vastighedenH4013; ga in de kleiH2916, en treedH7429 in het leemH2563; verbeterH2388 den tichelovenH4404.
Schep u water ter belegering; versterk uw vastigheden; ga in de klei, en treed in het leem; verbeter den ticheloven.
KJV
Draw3
thee waters1
for the siege,2
fortify5
thy strong holds:6
go7
into clay,8
and tread9
the morter,10
make strong11
the brickkiln.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Het vuurH784 zal u aldaarH8033 verterenH398; het zwaardH2719 zal u uitroeienH3772, het zal u afetenH398, als de keversH3218, vermeerderH3513 u als sprinkhanenH697.
Het vuur zal u aldaar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers, vermeerder u als sprinkhanen.
Ook in dit vers
keversH3218
vermeerderH3513
KJV
There shall the fire3
devour2
thee; the sword5
shall cut thee off,4
it shall eat thee up6
like the cankerworm:7
make thyself many8
as the cankerworm,9
make thyself many10
as the locusts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Gij hebt meer handelaarsH7402, dan er sterrenH3556 aan den hemelH8064 zijn; de keversH3218 zullen invallenH6584, en er van vliegenH5774.
Gij hebt meer handelaars, dan er sterren aan den hemel zijn; de kevers zullen invallen, en er van vliegen.
KJV
Thou hast multiplied1
thy merchants2
above the stars3
of heaven:4
the cankerworm5
spoileth,6
and flieth away.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Uw gekroondenH4502 zijn als de sprinkhanenH697, en uw krijgsoverstenH2951 als de grote keversH1462, die zich in de heiningmurenH1448 legerenH2583 in de koudeH7135 der dagenH3117; wanneer de zonH8121 opgaatH2224, zo vliegenH5074 zij weg, alzo dat hun plaatsH4725 onbekendH3808 is, waar zij geweest zijn.
Uw gekroonden zijn als de sprinkhanen, en uw krijgsoversten als de grote kevers, die zich in de heiningmuren legeren in de koude der dagen; wanneer de zon opgaat, zo vliegen zij weg, alzo dat hun plaats onbekend is, waar zij geweest zijn.
KJV
Thy crowned1
are as the locusts,2
and thy captains3
as the great grasshoppers,4
which camp6
in the hedges7
in the cold9
day,8
but when the sun10
ariseth11
they flee away,12
and their place15
is not known14
where
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Uw herdersH7462 zullen sluimerenH5123, o koningH4428 van AssurH804! uw voortreffelijkenH117 zullen zich leggenH7931, uw volkH5971 zal zich opH5921 de bergenH2022 wijd uitbreidenH6335, en niemandH369 zal ze verzamelenH6908.
Uw herders zullen sluimeren, o koning van Assur! uw voortreffelijken zullen zich leggen, uw volk zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen.
KJV
Thy shepherds2
slumber,1
O king3
of Assyria:4
thy nobles6
shall dwell5
in the dust: thy people8
is scattered7
upon the mountains,10
and no man gathereth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Er is geen samentrekkingH3545 voor uw breukH7667, uw plageH4347 is smartelijkH2470; allenH3605, die het geruchtH8088 van u horenH8085, zullen de handenH3709 over u klappenH8628; wantH3588 overH5921 wienH4310 is uw boosheidH7451 niet geduriglijkH8548 gegaanH5674?
Er is geen samentrekking voor uw breuk, uw plage is smartelijk; allen, die het gerucht van u horen, zullen de handen over u klappen; want over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?
KJV
There is no healing2
of thy bruise;3
thy wound5
is grievous:4
all that hear7
the bruit8
of thee shall clap9
the hands10
over thee: for upon whom hath not thy wickedness17
passed16
continually?
der bloedstad,
Hier wordt nog steeds gesproken van de stad Nineve; verg. Ezech. 22:2 . Hebr. stad der bloeden. Alzo ook Ezech. 24:9 .
Hertaald:
der bloedstad,
Hier wordt nog steeds over de stad Ninevé gesproken; vergelijk Ezech. 22:2. Hebreeuws: stad van de bloeden. Zo ook Ezech. 24:9.
verscheuring is
Het Hebr. woord past eigenlijk op de verscheurende dieren, gelijk Ps. 7:3 .
Hertaald:
verscheuring is
Het Hebreeuwse woord past eigenlijk bij verscheurende dieren, zoals Ps. 7:3.
houdt niet op
Hebr. wijkt niet, gelijk Ex. 33:11 , en Jes. 46:7 . De zin is: De Ninevieten varen steeds voort in het begaan van allerlei roverij en geweld.
Hertaald:
houdt niet op
Hebreeuws: wijkt niet, zoals Ex. 33:11 en Jes. 46:7. De betekenis is: de Ninevieten gaan onophoudelijk voort in het bedrijven van allerlei roverij en geweld.
het geklap der zweep,
Hebr. de stem der zweep, en de stem der beweging van het rad.
Hertaald:
het geklap der zweep,
Hebreeuws: de stem van de zweep, en de stem van het rammelen van het wiel.
de paarden stampen,
Of, der paarden, de aarde met den voet stampende.
Hertaald:
de paarden stampen,
Of: van de paarden die met hun hoeven de aarde stampen.
springen op
Of, opspringende. In dit vers wordt afgemaald de aankomst van het vijandelijk leger, met zeer bekwame en levendige manieren van spreken.
Hertaald:
springen op
Of: opspringend. In dit vers wordt de komst van het vijandelijke leger geschilderd met zeer treffende en levendige uitdrukkingen.
men zal over hun lichamen struikelen;
De zin is: Men zal over de straten niet kunnen gann, zonder over de dode lichamen te treden.
Hertaald:
men zal over hun lichamen struikelen;
De betekenis is: men zal niet over de straten kunnen gaan zonder op de dode lichamen te treden.
Om der grote hoererijen
Of, om de veelheid der hoererijen; versta hier zowel geestelijke hoererij, dat is, afgoderij, als vleselijke ontucht.
Hertaald:
Om der grote hoererijen
Of: om de veelheid van de hoererijen. Versta hier zowel geestelijke hoererij, dat is: afgoderij, als lichamelijke ontucht.
der zeer bevallige hoer,
Alzo noemt hij de stad Nineve. Hebr. de hoer goed van gunst.
Hertaald:
der zeer bevallige hoer,
Zo noemt hij de stad Ninevé. Hebreeuws: de hoer, goed van gunst.
der meesteres der toverijen,
Of, der voorstandster, der patrones van de toverijen.
Hertaald:
der meesteres der toverijen,
Of: de voorstandster, de beschermvrouwe van de toverijen.
met haar hoererijen
Of, door.
Hertaald:
met haar hoererijen
Of: door.
verkocht heeft,
Dat is, tot slaven en lijfeigenen gemaakt heeft.
Hertaald:
verkocht heeft,
Dat is: tot slaven en lijfeigenen gemaakt heeft.
Ik wil aan u,
Zie boven Nah. 2:13 , en Jes. 47:3 .
Hertaald:
Ik wil aan u,
Zie Nah. 2:13 en Jes. 47:3.
Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht,
De zin is: Ik zal uwe zomen, of lijsten, of slippen laten oplichten tot op uw aangezicht; dat is, Ik zal u de allergrootste schande aandoen. Verg. Jes. 47:3 ; Jer. 13:22 , Jer. 13:26 , en Ezech. 16:37 .
Hertaald:
Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht,
De betekenis is: Ik zal uw zomen, slippen of rokken laten oplichten tot over uw gezicht; dat is: Ik zal u de allergrootste schande aandoen. Vergelijk Jes. 47:3; Jer. 13:22, Jer. 13:26 en Ezech. 16:37.
verfoeilijke dingen op u werpen,
Als slijk en modder, enz., waarmede men openbare en uit de steden gebannen hoeren pleegt te werpen.
Hertaald:
verfoeilijke dingen op u werpen,
Zoals slijk en modder, waarmee men openbare, uit de steden verbannen hoeren placht te bekogelen.
Ik zal u als een spiegel stellen
Dat is, Ik zal u zo straffen en zo ganselijk te schande maken, dat gij anderen volken en natiën tot een spiegel en voorbeeld zult wezen, alzo dat als zij van een grote straf, die enige natie is overkomen, spreken zullen, u tot een exempel zullen noemen en voorbrengen; anders: als een gaapspel; anders: als drek, als vuiligheid.
Hertaald:
Ik zal u als een spiegel stellen
Dat is: Ik zal u zo straffen en zo volkomen te schande maken dat u voor andere volken en naties tot een spiegel en voorbeeld zult zijn — zodat zij, wanneer zij spreken over een grote straf die een volk overkomen is, u als voorbeeld zullen noemen. Anders: als een schouwspel; anders: als drek, als vuiligheid.
van u wegvlieden zullen en zeggen
Als de walg en een afkeer van u hebbende.
Hertaald:
van u wegvlieden zullen en zeggen
Omdat zij van u walgen en een afkeer van u hebben.
verstoord,
Dat is, verwoest, verdelgd, vernield.
Hertaald:
verstoord,
Dat is: verwoest, verdelgd, vernietigd.
wie zal medelijden met haar hebben?
Verg. Jes. 51:19 ; Jer. 15:5 .
Hertaald:
wie zal medelijden met haar hebben?
Vergelijk Jes. 51:19; Jer. 15:5.
Zijt gij beter
Of, zou het u beter gaan dan No?
Hertaald:
Zijt gij beter
Of: zou het u beter vergaan dan No?
No,
Dit is de naam ener stad in Egypte, naderhand Alexandrië genoemd omdat zij van Alexander den Grote is herbouwd, verbeterd en vergroot geworden; zie Jer. 46:25 ; Ezech. 30:14-16 .
Hertaald:
No,
Dit is de naam van een stad in Egypte, die later Alexandrië genoemd is omdat zij door Alexander de Grote herbouwd, verbeterd en vergroot is; zie Jer. 46:25; Ezech. 30:14-16.
de volkrijke,
Verg. Jer. 46:25 . Of, de voedster; dat is, die als ene moeder en voedster is van gans Egypte, zijnde een grote, volkrijke en machtige koopstad. Anders: die nerige [stad], te weten die met hare koopmanschap vele landen en volken geneerde; anders: No-Amon.
Hertaald:
de volkrijke,
Vergelijk Jer. 46:25. Of: de voedster, dat is: zij die als een moeder en voedster van heel Egypte was, aangezien zij een grote, volkrijke en machtige handelsstad was. Anders: die nijvere stad, namelijk die met haar handel veel landen en volken van levensonderhoud voorzag. Anders: No-Amon.
gelegen in de rivieren?
Zie Strabonem, lib 17, van Alexandrië.
Hertaald:
gelegen in de rivieren?
Zie Strabo, boek 17, over Alexandrië.
voormuur de zee is,
Of, voorwerk, vesting. Anders, wiens rijkdom de zee is.
Hertaald:
voormuur de zee is,
Of: voorwerk, vesting. Anders: wier rijkdom de zee is.
haar muur is
Of, haar muur bestaat uit de zee.
Hertaald:
haar muur is
Of: haar muur bestaat uit de zee.
zee
Te weten, de Egyptische zee, of, het meer Mareias, of, Mareotis.
Hertaald:
zee
Namelijk de Egyptische zee, of het meer Mareia of Mareotis.
er was geen einde;
Dat is, hare bondgenoten en helpers waren ontelbaar.
Hertaald:
er was geen einde;
Dat is: haar bondgenoten en helpers waren ontelbaar.
Put en Libyë
Dat is, Afrika, of, Mauritanië. Zie Jer. 46:9 .
Hertaald:
Put en Libyë
Dat is: Afrika, of Mauritanië. Zie Jer. 46:9.
waren tot uw hulp
De zin is: A; die volken hielpen u, o stad No, maar evenwel konden zij u niet redden of verlossen uit de hand van den koning Nebukadnezar.
Hertaald:
waren tot uw hulp
De betekenis is: al die volken hielpen u, o stad No, en toch konden zij u niet redden of verlossen uit de hand van koning Nebukadnezar.
zij gevankelijk gegaan in de gevangenis;
Dat is, hare inwoners zijn gevangkelijk weggevoerd; dat is, zij zullen gevankelijk weggevoerd worden, alzo doorgaans. Dit schijnt geschied te zijn ten tijde als Nebukadnezar Egypte heeft overheerd; zie Jer 46 .
Hertaald:
zij gevankelijk gegaan in de gevangenis;
Dat is: haar inwoners zijn gevankelijk weggevoerd; dat is: zij zullen gevankelijk weggevoerd worden, zoals doorgaans. Dit lijkt gebeurd te zijn in de tijd waarin Nebukadnezar Egypte overheerste; zie Jer. 46.
op het hoofd van alle straten
Dat is, op de hoeken aller straten.
Hertaald:
op het hoofd van alle straten
Dat is: op de hoeken van alle straten.
verpletterd geworden;
Zie voorbeelden van dergelijke wreedheid, 2 Kon. 8:12 ; Ps. 137:9 ; Jes. 13:16 ; Hos. 14:1 .
Hertaald:
verpletterd geworden;
Zie voorbeelden van dergelijke wreedheid in 2 Kon. 8:12; Ps. 137:9; Jes. 13:16; Hos. 14:1.
geëerden hebben zij
Of, voortreffelijke, aan zienlijke lieden, of, eerwaardige, eerzamen.
Hertaald:
geëerden hebben zij
Of: voortreffelijke, aanzienlijke lieden, of: eerwaardige, eerzame mensen.
het lot geworpen,
Te weten, als men hen als gevangenen onder de krijgslieden uitdeelde.
Hertaald:
het lot geworpen,
Namelijk toen men hen als gevangenen onder de krijgslieden verdeelde.
in boeien gebonden geworden
Of, aan ketens, of, aan ijzeren banden.
Hertaald:
in boeien gebonden geworden
Of: aan kettingen, of: aan ijzeren banden.
gij
O Nineve.
Hertaald:
gij
O Ninevé.
dronken worden,
Te weten, van den beker der gramschap Gods; zie Jer. 25:15 , Jer. 25:27 , enz.
Hertaald:
dronken worden,
Namelijk van de beker van Gods gramschap; zie Jer. 25:15, Jer. 25:27, enzovoort.
gij zult u verbergen;
Te weten, van schaamte, u verstekende en verbergende, dat u de mensen niet zien, in plaatsen wwar gij pleegt met een opgericht hoofd stout heen te gaan; verg. Hos. 10:8 ; Luc. 23:30 ; Openb. 6:16 . Anders: gij zult verborgen zijn; dat is, gij zult teniet komen.
Hertaald:
gij zult u verbergen;
Namelijk van schaamte, terwijl u zich verstopt en verbergt zodat de mensen u niet zien, op plaatsen waar u placht met opgeheven hoofd brutaal rond te gaan; vergelijk Hos. 10:8; Luk. 23:30; Openb. 6:16. Anders: u zult verborgen zijn, dat is: u zult tenietgaan.
vanwege den vijand
Dat is, om u te verbergen voor uwen vijand; of om uwen vijand te stuiten.
Hertaald:
vanwege den vijand
Dat is: om u voor uw vijand te verbergen; of: om uw vijand tegen te houden.
Al uw vastigheden zijn vijgebomen
De zin is: Al uwe forten zijn zo zwak, dat zij den vijand zonder moeite in de handen zullen vallen als de vijgebomen geschud worden.
Hertaald:
Al uw vastigheden zijn vijgebomen
De betekenis is: al uw vestingen zijn zo zwak dat zij zonder moeite in de handen van de vijand zullen vallen, zoals wanneer men vijgenbomen schudt.
met de eerste vruchten;
Anders: en de eerste vruchten, die niet lang duren.
Hertaald:
met de eerste vruchten;
Anders: en de eerste vruchten, die niet lang blijven hangen.
die ze eten wil
Hebr. des eters; dat is, die ze begeert te eten.
Hertaald:
die ze eten wil
Hebreeuws: van de eter; dat is: van wie ze wil eten.
tot vrouwen worden;
Dat is, verbaasd zijn, huilen en wenen, gelijk de vrouwen, weerloos en machteloos. Verg. Jes. 3:12 ; Jer. 50:37 , en Jer. 51:30 .
Hertaald:
tot vrouwen worden;
Dat is: zij zullen verbijsterd zijn, huilen en wenen als vrouwen, weerloos en machteloos. Vergelijk Jes. 3:12; Jer. 50:37 en Jer. 51:30.
wijd geopend worden;
Hebr. openende geopend worden. Zie vs.2
Hertaald:
wijd geopend worden;
Hebreeuws: openende geopend worden. Zie vers 2.
het vuur
Versta, het vuur van den toorn Gods, of het stoffelijke vuur, of het vuur van den oorlog.
Hertaald:
het vuur
Versta: het vuur van Gods toorn, of het stoffelijke vuur, of het vuur van de oorlog.
uw grendelen verteren
Dat is, uwe vastigheden. Aldus wordt het woord grendels genomen. 1 Sam. 23:7 ; 1 Kon. 4:13 ; 2 Kron. 8:5 , en 2 Kron. 14:7 ; Ps. 147:13 ; Jer. 49:31 , en Jer. 51:30 ; Klaagl. 2:9 ; Am. 1:5 ; Jona 2:6 , en elders meer.
Hertaald:
uw grendelen verteren
Dat is: uw vestingen. Zo wordt het woord grendels opgevat in 1 Sam. 23:7; 1 Kon. 4:13; 2 Kron. 8:5 en 2 Kron. 14:7; Ps. 147:13; Jer. 49:31 en Jer. 51:30; Klaagl. 2:9; Amos 1:5; Jona 2:6, en nog elders.
Schep u water ter belegering;
Of, put water; dat is, doe provisie van water, heb water in voorraad, opdat gij het moogt genieten in den tijd der aanstaande belegering. Het is ene spotrede. Men kan hier door water [gelijk elders door brood] verstaan alle noodwendigheid tot onderhoud voor het leven van node.
Hertaald:
Schep u water ter belegering;
Of: put water; dat is: leg een watervoorraad aan, zodat u die kunt gebruiken in de tijd van de aanstaande belegering. Het is een spottende aansporing. Men kan hier onder water — zoals elders onder brood — alle levensbehoeften verstaan.
ga in de klei,
Dat is, bereid alles wat tot het metselen van muren en vastigheden van node is.
Hertaald:
ga in de klei,
Dat is: bereid alles wat nodig is voor het metselen van muren en vestingwerken.
verbeter den ticheloven
Hebr. versterk. Zie Neh. 3:4 , enz. De zin is: Bak vrij, en heb in voorraad een groot getal bakstenen, om uwe stadsmuren te verbeteren en te versterken.
Hertaald:
verbeter den ticheloven
Hebreeuws: versterk. Zie Neh. 3:4, enzovoort. De betekenis is: bak gerust een grote hoeveelheid bakstenen en leg die in voorraad, om uw stadsmuren te verbeteren en te versterken.
Het vuur zal u
Gelijk in vs.13.
Hertaald:
Het vuur zal u
Zoals vers 13.
aldaar verteren;
Te weten, in uwe sterkten en vastigheden. Of, als gij zult bezig zijn om u te versterken.
Hertaald:
aldaar verteren;
Namelijk in uw sterkten en vestingen. Of: terwijl u bezig zult zijn u te versterken.
uitroeien,
Of, afsnijden.
Hertaald:
uitroeien,
Of: afsnijden.
als de kevers;
De zin is: Gelijk de kevers in een korten tijd het kruid des velds afeten, alzo zullen de vijanden u haast vernielen. Anders: als kevers; dat is, God zal de Assyriërs verteren en te schande maken, gelijk de kevers vernield worden door den regen en koud onweder.
Hertaald:
als de kevers;
De betekenis is: zoals de kevers in korte tijd het kruid van het veld kaalvreten, zo zullen de vijanden u spoedig vernietigen. Anders: als kevers, dat is: God zal de Assyriërs verteren en te schande maken zoals de kevers vernietigd worden door regen en koud onweer.
vermeerder u als kevers,
Hier spreekt de profeet den koning aan, want het woord staat in het mannelijk geslacht.
Hertaald:
vermeerder u als kevers,
Hier spreekt de profeet de koning aan, want het woord staat in het mannelijk geslacht.
vermeerder u
Hier spreekt hij Nineve aan, want het woord staat in het vrouwelijk geslacht. Aldus zou de rede volkomener zijn: Vermeerder, u o koning, als de kevers; vermeerder u, o Nineve als de sprinkhanen. de zin is: O gij koning van Assyrië en gij Nienevieten, doet al wat gij kunt, het is al tevergeefs, de grote legers zullen u in tijd van nood niet kunnen helpen. Vermeerder u. Hebr. verzwaart u; dat is, brengt een zwaar leger te velde.
Hertaald:
vermeerder u
Hier spreekt hij Ninevé aan, want het woord staat in het vrouwelijk geslacht. Zo zou de zin voluit luiden: vermeerder u, o koning, als de kevers; vermeerder u, o Ninevé, als de sprinkhanen. De betekenis is: o koning van Assyrië en u, Ninevieten, doe alles wat u kunt, het is toch tevergeefs; de grote legers zullen u in tijd van nood niet kunnen helpen. Vermeerder u — Hebreeuws: maak u zwaar, dat is: breng een zwaar leger te velde.
als sprinkhanen
Grote heirlegers worden meermalen bij sprinkhanen en kevers vergeleken, gelijk Richt. 6:5 , en Richt. 7:12 ; Jer. 46:23 .
Hertaald:
als sprinkhanen
Grote legers worden vaker met sprinkhanen en kevers vergeleken, zoals Richt. 6:5 en Richt. 7:12; Jer. 46:23.
handelaars,
Of, kooplieden, die hun handel drijven door de gehele wereld, of omliggende landen. Hebr. gij hebt uwe handelaars vermenigvuldigd meer dan, enz.
Hertaald:
handelaars,
Of: kooplieden, die door de hele wereld of de omliggende landen handeldrijven. Hebreeuws: u hebt uw handelaars vermenigvuldigd meer dan, enzovoort.
de kevers zullen invallen,
De zin is: De soldaten zullen als kevers bij menigte in uw land vallen, dat plunderen, beroven, bederven, vernielen en daarvan trekken met den buit. Doch anderen verstaan dit alzo, dat de kooplieden vluchten en vlieden zullen, als de vreemde kevers in het land komen.
Hertaald:
de kevers zullen invallen,
De betekenis is: de soldaten zullen als kevers bij menigten in uw land vallen, dat plunderen, beroven, verderven en vernietigen, en er met de buit vandoor gaan. Maar anderen vatten het zo op dat de kooplieden zullen vluchten en wegvliegen wanneer de vreemde kevers het land binnenkomen.
Uw gekroonden
Aldus noemt de profeet de voortreffelijkste heren en ambtdragende personen van den koning van Assyrië. Anders: uwe gehaarde, omdat de grote heren lang haar plachten te dragen.
Hertaald:
Uw gekroonden
Zo noemt de profeet de voornaamste heren en ambtsdragers van de koning van Assyrië. Anders: uw gehaarden, omdat de grote heren lang haar plachten te dragen.
zijn als de sprinkhanen,
Te weten, in menigte als de sprinkhanen.
Hertaald:
zijn als de sprinkhanen,
Namelijk even talrijk als de sprinkhanen.
krijgsoversten
Zie van dit woord Jer. 51:27 .
Hertaald:
krijgsoversten
Zie over dit woord Jer. 51:27.
als de grote kevers,
Hebr. als kevers der kevers. Alzo zegt men: Heere der heren, Koning der koningen, Lied der liederen, enz.
Hertaald:
als de grote kevers,
Hebreeuws: als kevers van de kevers. Zo zegt men ook: Heere der heren, Koning der koningen, Lied der liederen, enzovoort.
in de koude der dagen;
Dat is, ten tijde der koude, namelijk des nachts, als de zon onder is: of ten dage der koude, dat is, als het koud is.
Hertaald:
in de koude der dagen;
Dat is: in de tijd van de kou, namelijk 's nachts wanneer de zon onder is; of: op de dag van de kou, dat is: wanneer het koud is.
vliegen zij weg,
Dat is, zij trekken haastelijk het land uit. Alzo wordt vlieden voor haastelijk komen genoemen, Hoogl. 8:14 , en de aantekening aldaar, en Matt. 10:23 .
Hertaald:
vliegen zij weg,
Dat is: zij trekken haastig het land uit. Zo wordt vlieden opgevat als haastig komen in Hoogl. 8:14 met de aantekening daar, en Matth. 10:23.
Uw herders
Dat is, uwe regenten, gelijk Jer. 49:19 , en Jer. 50:6 .
Hertaald:
Uw herders
Dat is: uw bestuurders, zoals Jer. 49:19 en Jer. 50:6.
zullen sluimeren,
Dat is, zij zullen traag en onachtzaam zijn, of zij zullen dood zijn, gelijk Ps. 76:6 .
Hertaald:
zullen sluimeren,
Dat is: zij zullen traag en onachtzaam zijn; of: zij zullen dood zijn, zoals Ps. 76:6.
uw voortreffelijken
Dat is, uwe krijgsoversten, uwe vorsten.
Hertaald:
uw voortreffelijken
Dat is: uw legeraanvoerders, uw vorsten.
zich leggen,
Dat is, zij zullen tehuis blijven, of, zij zullen terneder gelegd worden; of de zin is: Zij zullen stil zitten, en zij zullen op hunne bedden blijven liggen, zorgeloos zijn en hun wellust plegen. Of, zij zullen begraven zijn. Verg. Ps. 94:17 .
Hertaald:
zich leggen,
Dat is: zij zullen thuisblijven; of: zij zullen neergelegd worden. Of de betekenis is: zij zullen stilzitten en op hun bedden blijven liggen, zorgeloos zijn en zich aan hun genot overgeven. Of: zij zullen begraven zijn. Vergelijk Ps. 94:17.
uw volk
De zin is: Uw volk dat veel in getal is, zal op de bergen verspreid worden, gelijk de schapen, die geen herder hebben.
Hertaald:
uw volk
De betekenis is: uw volk, dat groot in aantal is, zal over de bergen verspreid worden als schapen die geen herder hebben.
niemand zal ze verzamelen
Want de herders zullen òf slof en onachtzaam, òf dood zijn.
Hertaald:
niemand zal ze verzamelen
Want de herders zullen óf traag en onachtzaam, óf dood zijn.
geen samentrekking voor uw breuk,
Dat is, gene genezing, dat is, uwe breuk of kwetsuur kan niet tezamen getrokken noch genezen worden. Als de wonde begint te genezen, zo wordt zij droog, als zij droog wordt, zo rimpelt zij en trekt tezamen.
Hertaald:
geen samentrekking voor uw breuk,
Dat is: geen genezing; dat is: uw breuk of verwonding kan niet dichtgetrokken en niet genezen worden. Wanneer een wond begint te genezen wordt zij droog, en wanneer zij droog wordt rimpelt zij en trekt zij samen.
is smartelijk;
Zie Jer. 14:17 . Alzo ook Jer. 10:19 , en Jer. 30:12 ; Mi. 1:9 . De zin is: Gij zijt alzo geslagen, dat gij ongeneeslijk zijt.
Hertaald:
is smartelijk;
Zie Jer. 14:17. Zo ook Jer. 10:19 en Jer. 30:12; Micha 1:9. De betekenis is: u bent zo geslagen dat u ongeneeslijk bent.
allen, die het gerucht van u horen,
Hebr. allen die uwe horing horen, dat is, het gerucht van uwe breuk, dat is, allen die horen zullen hoe gij verstoord en geplaagt zijt.
Hertaald:
allen, die het gerucht van u horen,
Hebreeuws: allen die uw horing horen; dat is: het gerucht over uw breuk, dat is: allen die zullen horen hoe u verwoest en geplaagd bent.
de handen over u klappen;
Tot een teken van vreugde en blijdschap over uwen val.
Hertaald:
de handen over u klappen;
Als teken van vreugde en blijdschap over uw val.
over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?
De zin is: Daar is geen volk noch Natie, dat gij niet gekweld hebt zonder ophouden; daarom zullen zij allen zich verheugen als zij uwen ondergang zullen vernemen, de rechtvaardige oordelen van God prijzende.
Hertaald:
over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?
De betekenis is: er is geen volk en geen natie die u niet onophoudelijk gekweld hebt; daarom zullen zij zich allen verheugen wanneer zij van uw ondergang horen, en de rechtvaardige oordelen van God prijzen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Wee der bloedstad, die gans vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op" (Nah. 3:1). Wat volgt is een korte, snelle opsomming van wat er komt: "Er is het geklap der zweep, en het geluid van het bulderen der raderen; en de paarden stampen, en de wagens springen op" (Nah. 3:2), tot aan "een zware menigte der dode lichamen" (Nah. 3:3). Bijbelse betekenis: Merk op de drie dingen die Ninevé hier verweten worden: leugen, verscheuring, roof — een stad die op bedrog en geweld gebouwd was en er nooit mee ophield. Let vervolgens op het woord bloedstad. Diezelfde aanduiding gebruikt de Schrift ook voor Jeruzalem, wanneer die stad zelf onrecht bedreef (reeds behandeld bij Ezech. 22:2). Het is dus geen naam die uitsluitend voor heidense steden gereserveerd is, maar voor elke stad die zich met bloed bezoedelt, ongeacht wie zij is. Let ten slotte op het tempo van Nah. 3:2-3: korte zinnen, snel na elkaar, zonder verbindingswoorden — de tekst zelf jaagt voort zoals de wagens die zij beschrijft. Typologie: Wat hier over een bloedstad gezegd wordt, herhaalt zich in het laatste boek over een andere stad: "Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld" (Op. 18:20, reeds behandeld). Nah. 3:1-3; Ezech. 22:2; Op. 18:20 "Zijt gij beter dan No, de volkrijke, gelegen in de rivieren? die rondom henen water heeft, welker voormuur de zee is, haar muur is van zee. Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde; Put en Lybea waren tot uw hulp" (Nah. 3:8-9). Toch viel die stad: "Nog is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis; ook zijn haar kinderen op het hoofd van alle straten verpletterd geworden; en over haar geeerden hebben zij het lot geworpen, en al haar groten zijn in boeien gebonden geworden" (Nah. 3:10). Bijbelse betekenis: Merk op wat No — de Egyptische stad die later Thebe genoemd werd — allemaal had: water rondom als bescherming, machtige bondgenoten, rijkdom zonder einde. Alles wat een stad onneembaar zou moeten maken, had zij. Let vervolgens op de vraag waarmee dit gedeelte opent: "zijt gij beter dan No?" Ninevé wordt niet met een zwakkere stad vergeleken, maar met een sterkere, om te laten zien dat ook overvloedige verdediging geen garantie is. Let ten slotte op wat er van No overbleef: gevangenschap, verpletterde kinderen, geboeide vorsten. Wat Ninevé aan een ander volk had aangedaan, overkwam eerst een andere grote stad, en zal Ninevé zelf ook overkomen. Typologie: Dezelfde les — dat een eerder oordeel als waarschuwing dient — trekt Petrus uit de geschiedenis van Sodom en Gomorra: God stelde ze "tot een voorbeeld gezet dengenen, die goddelooslijk zouden leven" (2 Petr. 2:6). Nah. 3:8-10; 2 Petr. 2:6 "Uw herders zullen sluimeren, o koning van Assur! uw voortreffelijken zullen zich leggen, uw volk zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen" (Nah. 3:18). Het laatste vers van het boek: "Er is geen samentrekking voor uw breuk, uw plage is smartelijk; allen, die het gerucht van u horen, zullen de handen over u klappen; want over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?" (Nah. 3:19). Bijbelse betekenis: Merk op wat er in Nah. 3:19 ontbreekt: geen genezing, geen herstel, geen laatste hoop voor Ninevé zelf. Het boek eindigt zonder de mildering die andere profetieën tegen de volken soms wel kennen. Let vervolgens op de reactie van de omstanders: de handen klappen — geen leedvermaak om het klappen zelf, maar de opluchting van wie eindelijk verlost is van een langdurige onderdrukker. Let ten slotte op de vraag waarmee het boek sluit: "over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?" Die vraag verwacht geen antwoord, omdat het antwoord al vaststaat: er was niemand die aan Assyriës boosheid ontkwam. Typologie: Dat vreugde om het einde van een onderdrukker geen wraakzucht is maar een lofprijzing op recht dat eindelijk geschiedt, is dezelfde toon als in het laatste boek bij de val van het grote Babylon (reeds behandeld bij Op. 18:20). Nah. 3:18-19; Op. 18:20 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het is het werk van de dienaar van Christus om troost te zoeken voor wie in benauwdheid zijn. Het hoort bij onze roeping om, onder de leiding van de Heilige Geest, de Trooster, woorden van vertroosting te brengen aan wie zwaar van hart zijn. © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Nahum 3
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten


Nahum 3
Nahum 3:1.KruisverwijzingenNahum 2:12→Sefanja 3:1→Ezechiël 24:6→Habakuk 2:12→Hosea 4:2→Ezechiël 22:2→Jesaja 17:14→Jesaja 24:9→
— Wee der bloedstad, die gans vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op.
Assur werd een groot rijk door geweld, leugen en roof. De krijgslieden hadden geen ontzag voor het recht; zij trapten de laatste vonk van de vrijheid uit en vertrapten alle volken onder hun voeten.
Nahum 3:2-3.KruisverwijzingenJeremia 47:3→Habakuk 3:11→Richteren 5:22→Nahum 2:3→Job 39:22→Ezechiël 39:4→Jesaja 37:36→Jesaja 9:5→
— Er is het geklap der zweep, en het geluid van het bulderen der raderen; en de paarden stampen, en de wagens springen op. De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende spies, en er zal veelheid der verslagenen zijn, en een zware menigte der dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn der lichamen, men zal over hun lichamen struikelen;
Toen het Medisch-Babylonische leger tegen de grote stad optrok, richtte het een verschrikkelijke slachting aan. Het doodde de inwoners zonder erbarmen en maakte een waar brandoffer van menselijke lichamen. Maar omdat het een hol van misdadigers was, was die afschuwelijke voltrekking wel verdiend. En toch is het verhaal ontzettend.
Nahum 3:4-5.KruisverwijzingenJesaja 47:9→Nahum 2:13→Jeremia 13:26→Jeremia 13:22→Jesaja 47:12→Ezechiël 16:37→Jesaja 47:2→Habakuk 2:16→
— Om der grote hoererijen wil der zeer bevallige hoer, der meesteres der toverijen, die met haar hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten met haar toverijen. Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal den heidenen uw naaktheid, en den koninkrijken uw schande wijzen.
Deze mensen waren in de zonde van de ergste soort doortrokken; zij hadden andere volken erin meegetrokken en de toverijen bedreven die God verafschuwt. Daarom zegt de HEERE opnieuw: Ik wil aan u. Wanneer God in de wapenen is tegen een zegevierend volk, maakt Hij er spoedig een einde aan.
Nahum 3:5-6.KruisverwijzingenNahum 2:13→Jeremia 13:26→Jeremia 13:22→Job 9:31→Maleachi 2:9→Jeremia 51:37→Ezechiël 16:37→Jesaja 47:2→
— Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal den heidenen uw naaktheid, en den koninkrijken uw schande wijzen. En Ik zal verfoeilijke dingen op u werpen, en u tot schande maken, en Ik zal u als een spiegel stellen.
Zie wat God doen kan. Zij waren de trotsten van de trotsen, en nu maakt Hij hen tot de spot van de spotter en stelt Hij hen tot een schouwspel. Mocht God nooit op die manier handelen met enige hoogmoedige hier! Hij kan het gemakkelijk doen. Wanneer wij onszelf tot kleine goden opwerpen, kan Hij ons spoedig volslagen gering en verachtelijk maken en ons tot niets terugbrengen. Het is Zijn gewoonte zo met de hoogmoedigen te handelen.
Nahum 3:7.KruisverwijzingenJesaja 51:19→Jeremia 15:5→Openbaring 18:10→Jeremia 51:9→Klaagliederen 2:13→Jeremia 51:41→Openbaring 18:16→Nahum 2:9→
— En het zal geschieden, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen en zeggen: Nineve is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Van waar zal ik u troosters zoeken?
“En het zal geschieden, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen en zeggen: Nineve is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Van waar zal ik u troosters zoeken?”
Kon u vandaag gaan kijken naar de reusachtige puinhopen van Koejoendzjik en naar de grote gedenktekens van die machtige stad, alle verwoest en tot poeder verkruimeld? Dan zou u iets weten van wat God doen kan. Het lijkt u niet waarschijnlijk dat Londen ooit een puinhoop kan worden. En toch kan het zijn, want haar zonden stinken naar de hemel zoals de zonden van Ninevé deden. De HEERE kan deze stad slaan zoals Hij die stad sloeg.
Het is het werk van de dienaar van Christus om troost te zoeken voor wie in benauwdheid zijn. Wij hebben ander werk te doen, maar ook dit hoort bij onze opdracht. God wil niet dat het hoofd van Zijn volk gebogen hangt. Hij wil dat hun hart vol blijdschap en vrede is in het geloven. Daarom zendt Hij ons met tedere, meelevende woorden om allen die treuren te vertroosten.
En terwijl dit onze plicht is, is het ook onze blijdschap wanneer wij erin slagen. De last van een zwaar hart wegnemen is een grote vreugde. Telkens wanneer ik treurenden vertroost heb, heb ik zelf nog meer vertroosting ontvangen dan de vertroosten. U kunt anderen geen vertroosting meedelen zonder haar tegelijk, tenminste tot op zekere hoogte, zelf te genieten.
Nahum 3:8.KruisverwijzingenAmos 6:2→Ezechiël 30:14→Jeremia 46:25→Ezechiël 31:2→Jesaja 19:5→
— Zijt gij beter dan No, de volkrijke, gelegen in de rivieren? die rondom henen water heeft, welker voormuur de zee is, haar muur is van zee.
De profeet haalt de verwoesting aan van de stad die No-Amon heette, waarschijnlijk Thebe, als een voorbeeld van wat God doen kan.
Nahum 3:9.KruisverwijzingenEzechiël 30:5→Ezechiël 27:10→Jeremia 46:9→Ezechiël 38:5→Genesis 10:6→Jesaja 20:5→2 Kronieken 12:3→1 Kronieken 1:8→
— Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde; Put en Lybea waren tot uw hulp.
Er leek geen maat aan haar sterkte te zijn. Had zij hulp van andere volken nodig, dan hoefde zij die maar te roepen, en de huurlingenstammen stonden gereed om haar te verdedigen.
Nahum 3:9-10.KruisverwijzingenJesaja 20:4→Ezechiël 30:5→Ezechiël 27:10→Obadja 1:11→Hosea 13:16→Joël 3:3→Jeremia 46:9→Ezechiël 38:5→
— Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde; Put en Lybea waren tot uw hulp. Nog is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis; ook zijn haar kinderen op het hoofd van alle straten verpletterd geworden; en over haar geeerden hebben zij het lot geworpen, en al haar groten zijn in boeien gebonden geworden.
Zo is de ene stad een waarschuwing voor de andere. No in Egypte is een waarschuwing voor Ninevé in Assur, en beide zijn een waarschuwing voor onze stad. En een waarschuwing voor elk mens die hoogmoedig en trots is, die heerszuchtig is en de armen verdrukt. Voor elk mens die groot is in zijn eigen wijsheid en zonder zorg voor het welzijn van anderen.
Nahum 3:11.KruisverwijzingenJesaja 49:26→Jesaja 2:10→Nahum 1:10→Openbaring 6:15→Lukas 23:30→Jesaja 2:19→Hosea 10:8→Jeremia 4:5→
— Ook zult gij dronken worden, gij zult u verbergen; ook zult gij een sterkte zoeken vanwege den vijand.
Ninevé had daar nooit van gedroomd. Zij zei: ik ben een koningin, ik zal geen droefheid zien; ik ben de grootste van alle steden.
Nahum 3:12.KruisverwijzingenOpenbaring 6:13→Habakuk 1:10→Jesaja 28:4→
— Al uw vastigheden zijn vijgebomen met de eerste vruchten; indien zij geschud worden, zo vallen zij dien op den mond, die ze eten wil.
Zoals de vijgen doen wanneer zij rijp zijn. Deze burchten, torens en vestingen, gebouwd om een beleg te doorstaan, zouden niet eerder aangevallen worden of zij zouden de vijand in handen vallen.
Nahum 3:13.KruisverwijzingenJeremia 51:30→Jesaja 19:16→Nahum 2:6→Jeremia 50:37→Jesaja 45:1→Psalmen 107:16→Psalmen 147:13→
— Ziet, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden; de poorten uws lands zullen uw vijanden wijd geopend worden; het vuur zal uw grendelen verteren.
U ziet op die grote Assyrische stenen de sterke mannen uitgehouwen, met hun geweldige spieren die van reuzenkracht getuigen. Maar toen God met hen kwam handelen, werden zij zwak en laf.
Nahum 3:14.KruisverwijzingenNahum 2:1→2 Kronieken 32:3→Jeremia 46:9→Jesaja 37:25→Jeremia 46:3→2 Kronieken 32:11→Jesaja 22:9→Jesaja 8:9→
— Schep u water ter belegering; versterk uw vastigheden; ga in de klei, en treed in het leem; verbeter den ticheloven.
Dat was om de muren te herstellen zodra zij doorbroken waren. Zij deden dat met grote naarstigheid. Doe het, zegt God, en toch zult u niet kunnen standhouden.
Nahum 3:15-17.KruisverwijzingenJoël 1:4→Nahum 2:13→Nahum 3:13→Jeremia 51:27→Openbaring 9:7→Exodus 10:13→Sefanja 2:13→Joël 2:25→
— Het vuur zal u aldaar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers, vermeerder u als sprinkhanen. Gij hebt meer handelaars, dan er sterren aan den hemel zijn; de kevers zullen invallen, en er van vliegen. Uw gekroonden zijn als de sprinkhanen, en uw krijgsoversten als de grote kevers, die zich in de heiningmuren legeren in de koude der dagen; wanneer de zon opgaat, zo vliegen zij weg, alzo dat hun plaats onbekend is, waar zij geweest zijn.
Wat een wonderlijke dichtkunst is dit! En hoe verschrikkelijk! Hun soldaten, hun heersers en hun oversten waren zo talrijk als de sprinkhanen en de kevers; maar wanneer zij nodig waren, zouden al die scharen wegvliegen.
Wat kan God niet doen wanneer Hij uittrekt om met mensen te strijden? “De HEERE is een krijgsman; HEERE is Zijn Naam!” Hij brengt verwarring over Zijn vijanden. Och, strijd niet tegen Hem! Geliefden, laten wij vrede met Hem hebben, de sterke en machtige God. Laten wij Hem onze fouten belijden, ons met Hem bekendmaken, en vrede hebben.
Nahum 3:18.Kruisverwijzingen1 Koningen 22:17→Psalmen 76:5→Jeremia 50:18→Jeremia 51:57→Jesaja 13:14→Ezechiël 31:3→Jeremia 51:39→Nahum 2:5→
— Uw herders zullen sluimeren, o koning van Assur! uw voortreffelijken zullen zich leggen, uw volk zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen.
Zij die voor het volk hadden moeten zorgen, de voornaamste bestuurders, verwaarloosden het. Zij die het volk hadden moeten verdedigen, waren er niet toen zij nodig waren: uw herders sluimeren, o koning van Assur.
Laat dat niet van Londen gezegd worden. Zijn er hier die zeggen kunnen dat niemand naar hun ziel omziet? Laat hen niet zonder helper blijven. Broeders en zusters, wekt uzelf op; wees herders voor het volk van dit hedendaagse Ninevé, en zoek de verstrooide kudde van Christus te vergaderen.
Nahum 3:19.KruisverwijzingenKlaagliederen 2:15→Micha 1:9→Job 27:23→Jeremia 46:11→Jesaja 37:18→Ezechiël 25:6→Jesaja 14:8→Openbaring 13:7→
— Er is geen samentrekking voor uw breuk, uw plage is smartelijk; allen, die het gerucht van u horen, zullen de handen over u klappen; want over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?
“Er is geen samentrekking voor uw breuk, uw plage is smartelijk; allen, die het gerucht van u horen, zullen de handen over u klappen; want over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?”
Gode zij dank, zover zijn wij nog niet gekomen: er is genezing voor de gewonde zondaar! Al zijn de wonden van ons volk smartelijk, er is een balsem voor. Wij weten waar die is en wat het is; laten wij niet traag zijn hun ervan te vertellen.
Ninevé was zo goddeloos geweest en had zoveel kwaad gedaan! Toen mensen van haar verwoesting hoorden, klapten zij zelfs in de handen van louter blijdschap dat zo’n kwaaddoener uit de weg geruimd was. Ik weet niet met welk doel ik bewogen werd deze plaats te lezen; maar zij is bijzonder voor iemand bedoeld, en mocht God haar op hem toepassen door Zijn Geest!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-18.KruisverwijzingenJesaja 47:9→Nahum 2:13→Jeremia 13:26→Jesaja 51:19→Jeremia 15:5→Jesaja 20:4→Nahum 2:12→Sefanja 3:1→
— Wee der bloedstad, die gans vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op. Er is het geklap der zweep, en het geluid van het bulderen der raderen; en de paarden stampen, en de wagens springen op. De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende spies, en er zal veelheid der verslagenen zijn, en een zware menigte der dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn der lichamen, men zal over hun lichamen struikelen; Om der grote hoererijen wil der zeer bevallige hoer, der meesteres der toverijen, die met haar hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten met haar toverijen. Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal den heidenen uw naaktheid, en den koninkrijken uw schande wijzen. En Ik zal verfoeilijke dingen op u werpen, en u tot schande maken, en Ik zal u als een spiegel stellen. En het zal geschieden, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen en zeggen: Nineve is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Van waar zal ik u troosters zoeken? Zijt gij beter dan No, de volkrijke, gelegen in de rivieren? die rondom henen water heeft, welker voormuur de zee is, haar muur is van zee. Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde; Put en Lybea waren tot uw hulp. Nog is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis; ook zijn haar kinderen op het hoofd van alle straten verpletterd geworden; en over haar geeerden hebben zij het lot geworpen, en al haar groten zijn in boeien gebonden geworden.
In deze laatste afdeling ontwikkelt nu de Profeet hoe dit treurige lot van Ninevé en van het Assyrische rijk volkomen rechtvaardige vergelding is, daar hij aanwijst, hoe grote schuld het op zich had geladen. Het is in drie delen verdeeld. In het eerste (vs. 1-7) schildert de Profeet het roofzuchtige, boosaardige, bedrieglijke, afgodische en gewelddadige wezen van Ninevé, waarom het nu een schandelijk einde zal nemen. In het tweede (vs. 8-13) wijst hij Ninevé op het even zo machtige Thebe in Opper-Egypte, dat de verovering niet had kunnen ontgaan, maar zijn lot zou nog veel treuriger zijn. In het derde (vs. 14-18 ontneemt hij het de laatste sleutels van vertrouwen. Al was Ninevé nog veel sterker bevestigd, al had het een veel talrijker bevolking, zo zou het toch een verschrikkelijk einde hebben.
Wee der bloedstad, die gans vol leugen, en verscheuring is!Door leugenachtige voorspiegelingen, welke zij den volken in hunnen nood doet, belooft zij bescherming en hulp, maar zij misleidt de volken, en berooft ze dan van hun vrijheid en van hun schatten, bijv. Juda; de roof houdt niet op. God is een lankmoedig God. Hij heeft bij Ninevé gewacht, maar het houdt niet op met roven. Natuurlijk, want de wortel is vergiftigd; bloedschulden komen voort uit afgoderij. Waar godsdienst in het land is, blijft toch nog altijd een overblijfsel, welks voorbede het gericht terughoudt, en dat niet weer kan verloren gaan. Maar Ninevé, de wereldmacht, is geheel en al bedrog, en moet daarom geheel verdorven worden. Niet om de afgoderij alleen zou God het vernietigd hebben, anders zou Hij Jona niet hebben gezonden. Zijne gerechtigheid heeft gewacht op het openbaar maken der bloedschulden. Maar nadat deze de gehele stad zijn doorgedrongen, nadat al hun werk het bepaald heidens karakter hebben aangenomen, om zichzelven in plaats van God, die zegt dat bedrog en moord zonden zijn, met voeten te treden, moet de ondergang komen.
Daarom moet het tot een gericht over hen komen. Een vijandelijk leger zal binnendringen. Er is het geklap der zweep en het geluid van het bulderen der raderen, en de paarden stampen, en de wagens springen op van wege de oneffene wegen.
De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard als de bliksemende spies. En welke zal de uitslag zijn van dezen aanval der vijanden door Ninevé? Ziet! er zal veelheid der verslagenen zijn, en ene zware menigte der dode lichamen; Ja er zal geen einde zijn der lichamen, men zal over hun lichamen struikelen. Ktesias, die de verovering der stad bericht, verhaalt, dat de golven van den Tiger op een aanmerkelijken afstand rood waren; zo groot was het getal der verslagenen geweest.
Dat alles wedervaart der bloedstad om der grote hoererijen wil, om de arglistige bedrieglijke sluwheid, waarmee zij zich in de vriendschap der zwakkere volken indrong, en ze onderdrukte. Daarom wee der zeer bevallige hoer, die door pracht en weelderigheid de zinnen der volken verblindde, der meesteres der toverijen, der verborgene, heimelijk werkende listen, die met hare hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten met hare toverijen in schandelijke slavernij heeft gebracht. Met de hoererij is natuurlijk niet de ontrouw jegens den Heere bedoeld; want er is sprake van ene heidense stad. De hoererij der grote wereldstad, waarmee zij, gelijk ene wellustige vrouw, anderen tot zich heeft gelokt, en met hare toverkunsten heeft verstrikt, om ze met land en ketenen aan zich te boeien en nut van hen te trekken, is hier bedoeld. Het is de hoererij der grote wereldstad, welke zich tot middelpunt der volken maakt, van welke de gehele wereld afhankelijk is.
Daarom ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen. Gelijk gij den volken gedaan hebt, zo zal ook u geschieden, en Ik zalvoor uwe schaamteloze hoererij, met welke gij de volken hebt misleid, uwe zomen, de zomen van uw schoon koninklijk gewaad ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal den Heidenen, den door u onderdrukte volken, uwe naaktheid en den koninkrijken uwe schande wijzen, zodat zij zien, dat gij niets anders den ene listige boeleerster zijt. Niet om hare deugd, maar als ene nog niet onderworpene stad wordt Ninevé als jonkvrouw gedacht. Hare onderwerping wordt voorgesteld onder het beeld van hetgeen voor ene maagd het onterendste is. (vgl. Jes. 47:3.) .
En Ik zal verfoeielijke dingen op u werpen, en u tot schande maken, en Ik zal u als enen spiegel stellen; gij zult tot een schandaal en uitwerpsel worden.
En het zal geschieden, dat allen, die u zo met smaad en schande bedekt zien, van u wegvlieden zullen, zonder enig medelijden met uwen toestand te hebben, en zeggen: Ninevé is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben, daar zij haren ondergang meer den verdiend heeft? van waar zal ik, de Profeet van den heiligen en rechtvaardigen God, dan, als allen zo spreken, u troosters zoeken? Het is hier, alsof koning, stad en rijk voor den rechterstoel stonden van den Heere der heirscharen zelven, en zij het daarvan uitgaande besluit des toorns met alle daarbij behorende oorkonden moesten aanhoren. Het is rechtvaardig bij God om Zijne vijanden niet alleen zo te slaan, dat de slag de genezing van alle vertroosting van vrienden te boven gaat; en dat de schrik daarvan hen zo overstelpt, dat zij niet kunnen of durven verschijnen, om hen te beklagen of te vertroosten, maar het is ook rechtvaardig, dat dezulken, die zonder barmhartigheid te oefenen, onderdrukt hebben, ook niemand hebben, om hen te beklagen in hun rechtvaardig verdiende straf. Daar zou geen droefheid zijn, dat haar oordeel zou kunnen uitdrukken, noch geen vertoningen maken om haar te verlichten; hare vrienden verschrikt zijnde, zouden voor haar niet durven te voorschijn komen, en zij zou van allen in hare ellenden gehaat en verfoeid worden.
Ja, zeer zeker en ontwijfelbaar is dit uw lot, o Ninevé! Zijt gij beter naar uwe gedachten den No 1), de volkrijke stad Thebe, de beroemde koningsstad van Opper-Egypte, gelegen in de rivieren, aan beide oevers van den Nijl en zijne kanalen? zijt gij zo veiliger dan zij, diein de armen van den Nijl rondom henen water heeft tot muren? welker voormuur de zee is, haar muur is van zee, namelijk de diepe Nijlstroom, welke als ene zee is (Job 41:22). En toch is zij bij al hare schijnbaar onwederstaanbare macht de verovering door den koning Sargon van Assyrië niet ontkomen.
No-Amon (waarschijnlijk: woning van Amon) was de heilige naam van de beroemde koningsstad Thebe in Opper-Egypte, en werd door de Grieken Diospolis overgezet. Reeds Homerus roemt haar als van honderd poorten voorzien; in haar resideerden de Faraö’s in de 18de-20ste dynastie van Amasis tot aan den laatsten Ramses. Zij maakten die werken van bouwkunst, welke reeds door de Grieken bewonderd, in hun overblijfsels nog heden de bezoekers in verbazing brengen. Zij lag aan beide zijden van den Nijl, welke daar 1500 voet breed is, in ene vlakte, gevormd door het teruglopen van den Lybischen en Arabischen bergmuur, op welke nu negen grotere en kleinere dorpen verstrooid zijn, waaronder op den oostelijken oever Karnak en Luxor, met hun beplantingen van dadels, suikerriet, koren enz.
En over welke krijgslegers had zij te gebieden! Morenlandof Ethiopië, en het eigenlijke Egypte waren hare macht, en er was geen einde er waren bovendien nog meerdere volken bijv. Put, Lybie, dat zich over Noord-Afrika tot Mauretanië uitbreidde, en Lybea, ten westen van de Delta (Gen. 10:13) waren als vasallenstaten tot uwe hulp, o koninklijk Thebe!
Nog is zij of, ook zij is uit hare koninklijke woning gevankelijk gegaan in de gevangenis; ook zijn, zo als gewoonlijk bij veroveringen, harekleine kinderen op het hoofd van alle straten verpletterd geworden, en over hare geëerden hebben zij het lot geworpen als over slaven, en al hare groten zijn in boeien gebonden geworden. Ziet daar een spiegel van uw eigen lot! Nauwkeuriger berichten omtrent deze verovering van Thebe, want alleen van ene zodanige, niet van verwoesting, spreekt onze plaats, hebben wij helaas niet. De gebeurtenis moet niet lang vóór den tijd van onzen Profeet hebben plaats gehad, zodat zij nog in levendige herinnering der tijdgenoten stond. Het is nauwelijks aan twijfel onderhevig, of de Assyrische koning Sargon, de opvolger van Salmanassar en voorganger van Sanherib, na de verovering van Asdod en Filistea een veldtocht naar Egypte en Ethiopië ondernomen heeft, de toenmalige residentie der Faraö’s, No-Amon, veroverd en, zo als Jes. 20:3 vv. voorzegd heeft, de gevangenen van Egypte en Ethiopië in ballingschap heeft gedeporteerd. Dit blijkt vooral ook uit de opschriften op de talrijke monumenten van het door Sargon gebouwde paleis te Khorsabad.
Ook zult gij eens van den bedwelmenden drank des toorns Gods dronken worden, gij zult u verbergen, en worden als waart gij er nooit geweest; ook zult gij te vergeefs ene sterkte, ene veilige wijkplaats zoeken van wege den aanrukkenden vijand.
Al uwe vastigheden, op welke gij u zo vol vertrouwen verliet, zijn vijgebomen met de eerste, met vroegrijpe vruchten; indien zij geschud worden, zo vallen zij dien op den mond, die ze eten wil, 1) zo gemakkelijk zullen ook de vijanden uwe burchten innemen en vernietigen.
Het doel van de vergelijking is dit, dat de vernietiging en verwoesting gemakkelijk zal plaats hebben. Was No-Amon ten leste bezweken, die sterke stad, hoe veel te lichter zou Ninevé veroverd kunnen worden, als God, de Heere, daartoe besloot. Als Gods besluit uitgevaardigd is, om te verwoesten, dan baat geen versterking, dan helpen geen machtige krijgers. De krijgers zouden toch tot vrouwen worden. De moed zou vergaan, de kracht en fierheid zou worden verbroken.
Ziet, uw eens zo dapper en onbedwingbaar krijgsvolk zal in het midden van u van angst en schrik tegenover de macht van het Godsgericht, dat u overvalt, tot vrouwen worden; de poorten uws lands, door welke de vijanden zouden kunnen indringen, als de passen van de in het noorden gelegene bergen, zullen uwen vijanden wijd geopend worden, zonder enige moeite als van zelf; het vuur zal uwe grendelen verteren, uwe vestingen, welke uwe bergpassen beschermen en uw land sluiten.
Schep u rijken voorraad van drinkwater ter belegering, gij zult het nodig hebben in den tijd van het beleg; versterk uwe vastigheden, ga in de klei, en treed in het leem, om stenen te maken voor de bolwerken; verbeter den ticheloven, maak dien gereed, om bakstenen en tichels te branden. Gelijk de Assyrische monumenten aanwijzen, bouwden de Assyrischen zowel met ongebrande alleen in de zon gedroogde als ook met gebrande bakstenen.
Het vuur zal u aldaar in deze uwe vestingwerken verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u, zo zult gij zonder tegenweer zijn, afeten, als de kevers, ene soort van sprinkhanen (Joël 1:4), die al het kruid der velden kaal afvreten; vermeerder u als kevers, vermeerder u, maak dichte, talrijke zwermen als sprinkhanen. Volgens oude berichten liet de koning, aan redding wanhopende, zelf zijn burg in brand steken, en verbrandde hij die met zijne vrouwen en alle opgehoopte schatten (vgl. Jes. 30:33).
Gij hebt inderdaad meer handelaars, of kooplieden dagelijks binnen uwe muren, dan er sterren aan den hemel zijn; de kevers, de zwermen van sprinkhanen, de vijandelijke legers zullen in uwe muren invallen, alles haastig wegroven, en er van vliegen. Dat Ninevé ene zeer rijke handelstad geweest is kan men reeds uit hare ligging afleiden. Zij lag daar, waar naar Oosterse mening, oosten en westen scheiden, en de Tiger bevaarbaar wordt, zodat men van daar gemakkelijk in den Perzischen zeeboezem kon varen, gelijk dan ook Mosul, dat tegenover Ninevé is aangelegd, door uitgebreiden handel groot en machtig is geworden.
Uwe gekroonden, de u onderworpene vorsten, die met u in den krijg trekken, zijn als de sprinkhanen, en uwe krijgsoversten, die uwe legers aanvoeren, als de grote kevers, die zich in de heiningmuren legeren in de koude der dagen, als hun kracht om te vliegen verlamd is; wanneer de zon opgaat, en hun lichamen weer verwarmt, zo vliegen zij weg, alzo dat hun plaats onbekend is, waar zij geweest zijn. Zo zullen ook uwe krijgsbenden spoorloos verdwijnen. Waar zijn zij? zal men dan vragen.
Uwe herders, de over de kudde uws legers geplaatste oversten, zullen sluimeren, in doodslaap, o koning van Assur! uwe voortreffelijken, wien de bevordering van ‘s rijks welvaart ten plicht is gezet, zullen zich tot de rust des doods leggen, uw herderloos volk zal zich op de bergen, welke het in het noorden omgeven, na de verwoesting van zijn land wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen, zij zullen daar ellendig omkomen. In den grondtekst zijn in dit en het vorig vers alleen vormen van den tegenwoordigen tijd gebruikt. Het toekomstige gericht Gods aan Ninevé is den Profeet zo goddelijk zeker, dat het voor zijn oog als reeds nu voltooid voorkomt.
Er is gene zamentrekking gene genezing voor uwe breuk, uwe plage is smartelijk; uw staatsgebouw valt onherroepelijk in een, en niemand heeft medelijden met u; allen, die het gerucht van u horen, zullen van vreugde de handen over u klappen; want over wien is uwe boosheid, uwe tyrannie en wreedheid, met welke gij landen en volken ten onder bracht, niet geduriglijk gegaan! “Als in een groten, treffenden klaagtoon eindigt het krachtige gezang van onzen Profeet. ” Over de vervulling der profetie van Nahum is reeds in Hoofdst. 1:1 en 2 Kon. 15:20 gehandeld. Hierop steunende voegen wij er nog het volgende als tegenwoordig vrij algemeen aangenomen bij: Reeds de opvolger van Dejoces van Medië, Fraötes, begon grote stukken van het Assyrische Rijk los te scheuren; hij waagde zelfs een aanval op de centraalprovincie, welke echter werd afgeslagen. In het zuiden deden de Egyptenaars, wier land de Assyrische koningen sedert den tijd van Sargon gaarne hun provincie noemden, onder Tirhaka hun zelfstandigheid met kracht gelden; en Assurbanibal, Azar Haddon’s zoon, vermocht slechts weinig tegen hen. Onder Psammetichus begonnen zij reeds veroverend in Azië te dringen. Wel bevrijdden de in Azië invallende Scythen Assur een tijd lang van het gevaar van de zijde van Medië, terwijl daar Fraörtes opvolger, Cyaxares, genoodzaakt was, zijn eigen land te beschermen. Spoedig stond er voor Assur in zijn eigen land een nog gevaarlijker vijand op in Babel, dat, vooral sedert Nabopolassar machtig geworden, om het wederverkrijgen van de vroegere zelfstandigheid en heerlijkheid worstelde. Terwijl Cyaxeres door voortgezette oorlog en Ninevé en het noorden als ene halve maan met zijne veroveringen omringde, had Nabopolassar reeds aanstalten gemaakt om af te vallen. Hij dacht er over, om Ninevé en het Assyrische rijk te doen vallen, om een eigen rijk te stichten. Daartoe had hij echter de hulp van Medië nodig, dat toen in een oorlog met Lydië was gewikkeld. Ene verduistering der lucht op helderen dag, welke de strijdende partijen hevig verschrikte, maakte het Nabopolassar gemakkelijker, om vrede tussen hen te maken, ten gevolge waarvan hij zich met Cyaxares tot een gemeenschappelijken veldtocht tegen Ninevé verbond, waar het tot de gedenkwaardige driejarige belegering der sterk bevestigde stad en eindelijk tot hare verwoesting en tot den val van het Assyrische rijk kwam. Als tijdpunt voor Ninevé’s verwoesting nemen wij het jaar 606 aan. Want, wanneer ten tijde van Jona nog een koning van Assur wordt genoemd (2 Kon. 23:29), zo volgt daaruit, dat Ninevé niet vóór Jona’s dood (609) kon verwoest zijn. Wanneer verder Jeremia (Hoofdst. 25) in het 4e jaar van Jojakim de rijken der wereld, welke nog vernietigd zouden worden optelt, en onder deze Assur niet meer noemt, zo kan zijne verwoesting niet na 605 vallen. Tobias werd in het jaar 710 blind en leefde daarna nog 100 jaren; en toch werd eerst na zijnen dood Ninevé verwoest. Volgens Herodotus heeft zij verder na den Lydischen oorlog van Cyaxares plaats. De legers der verbondenen konden daarom niet vóór de lente van 609 voor Ninevé verschijnen. In het derde jaar der belegering werd de stad ingenomen; daar zij echter door het overstromen der rivier werd gesteund, moet zij in de lente hebben plaats gehad. Toen de inneming volgde was Nabopolassar nog in leven. Hij stierf in Jan. 604. Het kon dus slechts twijfelachtig zijn of 606 of 605 moest worden genomen. Daar echter Nebukadnezar in 605 Necho bij Karchemis verslaat, en hem tot Syrië vervolgt, waar hij verder in Syrië de ziekte en vervolgens den dood zijns vaders verneemt, zo moet de inneming van Ninevé in 606 hebben plaats gehad. ” De verwoesting der stad was zo vreselijk, dat zij spoedig daarop geheel verdween, en Xenophon op zijnen beroemden terugtocht der 10. 000 Grieken, wel de ruinen van twee delen ener stad wedervond, maar van de weinige bewoners, die er leefden, den naam niet meer kon te weten komen. De ruïnen dienden later voor het pas gebouwde Mosul tot steengroeven, zodat men niets anders dan heuvels puin opmerkte. Eerst in het jaar 1842 werden de zo belangrijke opgravingen in die overblijfsels der eens zo machtige stad begonnen. Zij, die hun naburen mishandelen, zullen den enen of anderen tijd ook mishandeld worden. Zij bereiden zich maar vijanden tegen dat de dag van hunnen val komt, en zij die de handen niet aan hen durven leggen, zullen over hen in de handen klappen en hen hun vorige goddeloosheid verwijten, voor welke zij nu wel genoeg gediend en met hun eigene munt betaald worden. De beroerden zullen beroerd worden, het zal de last van velen worden, gelijk het hier de last van Ninevé is. Met algehele vernieling wordt hier Ninevé, de eerste wereldmacht, gedreigd. Gene genezing zou mogelijk zijn, geen redding mogelijk. En dat, omdat Ninevé, omdat Assur Gods volk had aangerand en zich tegen God had opgemaakt. Ninevé is hier dan ook het beeld van alle wereldmachten, die zich tegen het volk Gods, in geestelijken zin, stellen. Algehele vernietiging zal eenmaal het deel zijn, in den zin, niet dat het rijk der duisternis zal worden opgeheven, zodat alleen het rijk des lichts overblijft, maar in den zin, dat het rijk der duisternis zal onschadelijk worden gemaakt. Satan en de hel zullen er tot in aller eeuwen eeuwigheid zijn, maar als eenmaal de dag der dagen is, zal voor eeuwig Satan onschadelijk gemaakt zijn voor alle verlosten en gekochten Gods. SLOTWOORD OP HET BOEK NAHUM. De Profeet Nahum had de bijzondere roeping van God ontvangen, om te wijzen op de vernietiging van de wereldmachten, die zich vijandig stelden tegen het volk Gods. Zijn Boek onderscheidt zich hierin van de andere Profeten, behalve Habakuk, dat het niet zozeer wijst op de zonden en ongerechtigheden van het volk Israëls, als wel op wat de Heere God zal doen tegen Zijne vijanden. Het bevat daarom geen bedreigingen tegen Juda, noch afmaningen van de zonde tot het volk rechtstreeks. De Profeet wijst er op, dat eenmaal de tijd zal komen, dat Ninevé, dat is, de wereldmacht van die dagen, ten onder zal gaan, zodat niet de vijand, maar Gods volk ten slotte zal in stand blijven. Nahum is derhalve, of liever, zijn roeping is het een getuige van de Goddelijke gerechtigheid te zijn, en als getuige van de Goddelijke gerechtigheid een troostwoord te brengen tot het verdrukte volk. DE PROFEET HABAKUK. Het Boek der Profetieën van Habakuk bevat de voorspelling omtrent de opkomst van de tweede wereldmacht, Babel, die, als tuchtroede in de hand Gods, Juda zou kastijden, maar ook, hoe tot troost van het volk deze macht ten leste weer zou vernietigd worden. Hij voorspelt het, hoe om der zonden wil het land van Juda zal verwoest worden door Babels legermacht, maar ook hoe het rijk van den Christus Gods niet zal uitblijven. Levende onder den koning Manasse, leefde hij dus in een tijd van diep verval, na de opleving onder den vromen koning Hizkia, in een tijd van openlijke misdaad en velerhande gruwelen. Het Boek laat zich verdelen in twee delen. Het eerste deel (Hoofdst. 1 en 2) bevat zowel het gericht over Juda als den val van Babel. Het tweede deel (Hoofdst. 3) bevat een gebed van den Profeet, waarin hij op de meest verhevene wijze de glorierijke komst van den Heere God schildert, een komst, die zowel de vernietiging der vijanden uitwerkt, als ook geschiedt tot heil en zaligheid van Zijn volk. De Profeet Habakuk is de eerste onder de kleine Profeten, die op Babel wijst.
II. Hoofdst. 3:1-9. In dit 2e hoofddeel van het Boek der Profetieën heft de Profeet in naam van het gehele gelovige deel des volks Zijne handen op, en spreekt in enen verheven Psalm de gevoelens uit, welke de in hoofddeel (Hoofdstuk 1 en 2) ontvangene openbaring des Heeren van het gericht over het volk Gods, alsmede over het werktuig van Zijnen toorn, het rijk der Chaldeën in zijn hart heeft gevoed, en in de harten der gelovigen opwekken moet. Het is aan de ene zijde de echo der Goddelijke antwoorden in de gelovige ziel van den knecht Gods, zo als dit van alle Psalmen kan worden gezegd, aan de andere zijde toch geheel uit den profetischen geest geboren “zelfs ene grote profetie van het wereldgericht, welke zich aan het voorafgaande: “zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!” nauw aansluit. Het geheel, dat uitdrukkelijk wordt voorgesteld als een gebed en als een lied, bestemd om bij den godsdienst te worden voorgedragen, is in 2 delen verdeeld, aan welke vs. 2 als een inleidend thema voorafgaat. Diep geschokt over de geopenbaarde gerichten Gods, welke nabij zijn, smeekt hij in vs. 2, dat de Heere dit Zijn werk binnen weinige jaren volbrenge, en in de openbaring van Zijnen toorn toch barmhartigheid moge betonen. Vervolgens schildert hij in profetisch-lyrischen vorm de majesteit van de komst des Heeren ten gerichte over de wereld, om daardoor Zijn volk en Zijne gezalfden te verlossen en zalig te maken (vs. 3-15). Eindelijk ontwikkelt hij de in het thema aangeduide bede om verschoning en ontferming verder, daar hij de vruchten des geloofs schildert, welke deze openbaring Gods van Zijne gerichten zal werken, namelijk eerst vrees en sidderen voor de verdrukking en daarna juichen en jubelen in den God des heils (vs. 16-19).
Een gebed van Habakuk, den Profeet, een profetisch, door den geest der voorzegging hem ingegeven gebed, op Sjigjonôth (ene muzikaal-liturgische uitdrukking, die den toon en de zangwijze aangeeft, misschien om op de wijze der dithyramben, van levendig opgewekte liederen voor te dragen (Ps. 7:1).
HEERE! als ik zo even (Hoofdst. 1:5 vv. 2:2 vv.) Uwe rede, Uwe mij gegevene openbaring van de nadere gerichten over Juda en het rijk der Chaldeën, gehoord heb, heb ik gevreesdvoor uwe wereldrichtende macht, want Uwe almacht, welke zich daarin openbaart, is vreselijk. Uw werk, o HEERE! over Uw volk zowel als over de goddeloze Chaldeën (Hoofdst. 1:5) behoud of, roep dat in het leven in het midden der jaren, breng het na niet te langen tijd aan het licht, maak het bekend in het midden der jaren 1), binnen de jaren, welke tot het door U in Hoofdst. 2:3 genoemde doel moeten verlopen, in den toorn, in de openbaring van Uw rechtvaardig gericht over Uw volk door de macht van het wereldrijk, zowel als over dit zelf, gedenk des ontfermens 2) en verzacht de wreedheid van de werktuigen Uws toorns; maak aan hun dwingelandij door hunnen val een spoedig einde!
Met de uitdrukking “in het midden der jaren” ziet de Profeet terug naar Hoofdst. 2:3, waar de Heere gezegd had, dat de profetie tot enen bestemden tijd zou zijn, in de verre toekomst zou worden vervuld. Terwijl de Profeet op dit nog ver af zijnde doel der profetie ziet, komt hem de tijdruimte van den tegenwoordigen tijd tot dat einddoel der voorzegging voor als ene lange reeks van jaren, aan welker einde eerst het gericht over de verdrukkers van zijn volk, de Chaldeën, tot vervulling zal komen; en hij smeekt dat de Heere met dat gericht niet al te lang moge talmen, maar te midden dier lange reeks van jaren moge doen komen. De voortreffelijke A. Bengel heeft de uitdrukking welke hier staat, door “het midden van de jaren der wereld” overgezet en tot uitgangspunt genomen van zijne chronologische berekening van den gehelen loop der wereld. Hoewel deze overzetting onhoudbaar is, zo is het toch terecht, dat het gericht over de Gode vijandige wereldmacht, als welker type het rijk der Chaldeën ook hier overal moet worden opgevat, de grensscheiding tussen den tijd der oude en der nieuwe wereld, en het einde van de gehele aardse ontwikkeling der wereld en het begin van den tijd der eeuwige rust van Gods volk, welks verlossing uit de macht der wereld met dit gericht begint, vormen zal. In zo verre is “het midden der jaren” zeker het midden van de jaren der wereld, het begin van de eeuwige sabbatsrust der wereld.
De Profeet zegt: dat zeggen de historiën van U, dat Gij zulk een wonderbare God zijt, die midden in den nood helpt. Gij laat zinken en heft op; Gij laat afbreken, wanneer Gij wilt bouwen, en doodt dien Gij het leven wilt geven. (1 Sam. 2:6 vv.). Gij doet niet als de wereld, die dadelijk bij het begin het omvallen terughoudt, en er in blijft steken, maar laat er ons midden in gaan, en trekt er ons dan weer uit. Midden in de jaren is zoveel als ter rechter tijd. Hij weet wel het midden te vinden, dat Hij niet te spoedig en niet te laat helpt. Want zo Hij te spoedig hielp zouden wij niet aan ons zelven wanhopen, en wij zouden hoogmoedig blijven. Hielp Hij te langzaam, zo leerden wij niet geloven. Levend maken en het gewaar worden is bijna ene zaak, alleen dat levend maken is het doen van het wonder en het geven van hulp, het leren kennen is dat men het ook gevoelt en er vreugde over heeft. Wie zalig wil worden moet God zo leren kennen. Den gelovigen is het troostvol, maar den goddelozen onverdraaglijk. De Profeet wil het werk Gods niet herstellen. Hij weet, dat wat God besloten heeft, zal volvoerd worden, maar waar hij dit weet, daar smeekt hij om erbarming ten dage des toorns. Daar smeekt hij dat de Heere niet Zijn vollen toorn over Zijn volk moge uitstorten, maar ook Zijn genadige liefde nog late werken.
Reeds zie ik in den geest de toekomstige openbaring van het gericht en der ontferming Gods naderen. God, de Schepper en Regeerder der wereld kwam (komt) 1) even als Hij in oude tijden aan den Sinaï Zijn uit Egypte verlost volk van het gebergte Edom en van Paran in hemelsen glans verscheen, om het verbond Zijner genade op te richten, en het tot een volk van Zijn erfdeel te verheffen, van Theman, het zuidelijk deel van ‘t land der Edomieten; en de Heilige, die gene misdaad kan dulden, van den berg Paran, het hoge bergland, dat de oostelijke helft der woestijn van denzelfden naam vormt, en van Edom alleen door Arabah is afgescheiden (Num. 13:1). Hij komt om Zijn toen uitverkoren volk uit alle dwingelandij te verlossen, en de goddeloze te verpletteren (Deut. 33:2) Sela. De muziek valle hier bij de voordracht van het lied in den tempel met Forte in, om de verheven gedachte van de spoedige komst des Heeren uit te drukken (Ps. 3:3). Zijne heerlijkheid, de heldere glans van de verschijning Zijner majesteit bedekte (bedekt) de hemelen, en het aardrijk was(wordt) vol van Zijnen lof, even als wanneer het morgenrood den hemel bestraalt, en als ene zee van vuur over de aarde verspreidt.
Onze Staten overzetting nam met vele andere uitleggers aan, dat de Profeet hier en in ‘t volgende de grote daden Gods in den vroegeren tijd voorstelde, namelijk de verkiezing van het volk en de wetgeving aan den Sinaï, om daarmee reden tegen en voor zijne bede en om bevrijding van Israël uit de ellende der ballingschap, die het in de toekomst wachtte. Het futurum Jabo = hij zal komen, werd door het praeteritum “hij kwam” overgezet. Dit is spraakkunstig onmogelijk. Deze gehele schildering van de verschijning des Heeren rust op Deut. 33:2, waar Mozes in verheven woorden het komen des Heeren tot Zijn volk, om het uit Egypteland te verlossen en aan den Sinaï te heiligen, voorstelt. Daar gebruikt Hij natuurlijk het praet. ba, dat onze Profeet opzettelijk in het fut. verandert, om iets toekomstigs te kennen te geven. Staat echter een fut. vooraan, dan hebben volgens de Hebr. grammatica alle volgende praet. eveneens de betekenis van futura. Daar toch voor het oog des geestes van den Profeet deze toekomstige openbaring des Heeren, welke Hij ziet, niet absoluut toekomstig is, hij ze integendeel reeds ziet hoe ze nu begint tot uitvoering te komen, zet men deze futura het best als praesentia over.
Het komen Gods is organisch verbonden met hetgeen waarnaar het gericht moet plaats hebben. Het is een komen als van den Sinaï. Als een komen tot bevrijding van het gevangen Israël is het tevens aangesloten aan de prototype Zijner verlossingen, de bevrijding uit Egypte. Wel is het altijd iets nieuws, dat Jehovah doet, en toch altijd slechts ene vernieuwing van het oude; Hij is een onveranderlijk God en altijd gelijkmatig in Zijne openbaringen, altijd zich houdende aan dezelfde beginselen van Zijn handelen. Hoe bevreemdend ook Zijne werken en openbaringen bij den eersten aanblik voorkomen, zodat hun aanblik onverdraaglijk is; wanneer het einde daar is, strekt toch alles tot zegen voor Zijn volk. Hij is een getrouw en verborgen God. Men mag den Profeet niet zo mis verstaan, als bedoelde hij, dat de Heere van de Arabah met hare beide vleugels, het Edomieten en Paran gebergte, kwam; hij wil integendeel zeggen met Deut. 33:2, dat de lichtglans der goddelijke verschijning zich over Theman uitbreidde en over het Paran gebergte, en de lichtstralen schitterden van deze beide bergachtige landschappen.
En er was (is) een glans als des lichts, voortvloeiende uit de verschijning des Heeren Hij had (heeft) hoornen, stralen, aan Zijne hand. Aan beide zijden komen, even als de zonnestralen bij het opgaan door het verbergend morgenrood als bliksemstralen doorschieten, lichtglanzen voort, en aldaar, namelijk in dien lichtglans als de zon met de stralen, die daarvan uitgaan, was, (is) Zijne sterkte, Zijne almacht, voor de ogen der stervelingen, verborgen(Ps. 104:2. 1 Tim. 6:16 God verschijnt hier als de Heilige (vs. 3). Daarom ziet de Profeet Zijne goddelijke heerlijkheid niet in het donkere der wolken verborgen zo als anders dikwijls het geval was, wanneer Hij in onweder of in de wolkkolom verscheen. “Het zonlicht is zijn schitterende glans, is het meest gepaste aardse element, het voorstellen der vlekkeloze reinheid van den Heilige, bij wien gene afwisseling van licht en duisternis is (Jak 1:17), ” Als zodanig verschijnt Hij ook aan Mozes bij den Sinaï, waarom ook zijn aangezicht van den lichtglans van God blonk (Ex. 19:6). Het licht, waarin Hij woont en hier verschijnt, is echter de bedekking Zijner almacht, waardoor Hij Rechter der wereld is. Zijne almacht is dus gene willekeurige, welke het schepsel verdrukt, maar wordt altijd door Zijne heiligheid geleid en bestuurd. Aan Zijne hand wil hier zeggen, aan Zijne beide handen, het deel wordt voor het geheel genomen, en aan Zijne beide handen betekend aan Zijne beide zijden. Waar God verschijnt gaat van Hem van alle zijden de gloed Zijner heiligheid uit. De Profeet spreekt in het tweede gedeelte uit, hoe Zijne almacht in dien lichtglans verborgen is.
Voor Zijn aangezicht ging (gaat), nu Hij ten gerichte komt, als Zijn voorloper, de pestilentie, en de vurige kool 1) ging(gaat) voor (achter) Zijne voeten henen; met deze trawanten begint Hij Zijn gericht (Openb. (6:7 v.).
In het Hebr. Resjef Beter: de koortshitte, of een besmettelijke ziekte, gelijk luidende met de pestilentie in het eerste gedeelte van het vers. De Profeet wil er mede zeggen, dat voor den Heere uitging de pestilentie om het volk te verderven. Hoofd en voeten duiden hier den gehelen Persoon aan.
Hij stond (staat) daar, Hij heeft Zich in gereedheid gesteld om de volken te slaan, en mat 1) het land, om een rechtvaardig gericht uit te oefenen. Hij zag (ziet) toe met een onderzoekenden blik 2), en maakte de Heidenen los, doet hen beven en de gedurige, de onveranderlijke bergen zijn verstrooid geworden, zullen uit elkaar en in stof vallen; de heuvelen der eeuwigheid, uit den voortijd, de oudste en vaste bestanddelen van den aardbol, hebben zich gebogen, moeten zich buigen en verdwijnen, de gangen der eeuw zijn Zijne, de paden van den vroegeren tijd, op welke Hij eens ging, toen Hij Zijn volk uit Egypte leidde (Ps. 68:25), slaat Hij weer in 3).
In het Hebr. Wajemodeed. Dit kan betekenen: Hij mat, maar ook: Hij bewoog, en deze laatste vertaling moeten we hier o. i. hebben. Want veeleer komt van bewegen, wat hier wordt gezegd, dan van meten. De heidenen zijn los gemaakt, de bergen zijn verstrooid geworden. Nu is dit doen beven en verstrooien veeleer gevolg van bewegen dan van meten.
God is een Geest en Zijne geestelijke handelingen zijn vol energie en uitwerking; Zijn horen is verhoren, Zijn zien helpen of richten, Zijn schelden vernietigen.
Even als Hij eens, om Israël tot Zijn verbondsvolk te verheffen, in de duisternis van wolken, donder, bliksem en vuur op den Sinaï nederdaalde, zodat de bergen beefden, zo beven en versmelten nu bij Zijne komst de bergen en heuvels. Zo als Hij eens voor Zijn volk heentrok en de kennis van Zijne wonderdaden aan de Schelfzee de daarbij wonende volken in vrees en siddering bracht, zo geraken nu, als de tocht Gods van Theman naar de Schelfzee gaat, de volken aan beide zijden daarvan in schrik. Wat Hij eens gedaan heeft, zal Hij wederom doen. De wegen der mensen zijn veranderlijk, maar Gods wegen zijn eeuwig. Er zijn vele oorzaken voor deze zeer vertroostende waarheid; daaronder zijn de volgende: Des Heeren wegen zijn het gevolg van wijs beleid; Hij verordineert alle dingen volgens den raad van Zijn eigen wil. Menselijke daden zijn dikwijls het haastige voortbrengel van hartstocht of vreze, en worden gevolgd door berouw of verandering, maar niets kan den Almachtige verrassen of anders gebeuren, dan Hij het voorzien heeft. Zijne wegen zijn het voortbrengsel van een onveranderlijk Wezen en in hen kan men Gods eigenschappen duidelijk aanschouwen. Tenzij de Eeuwige zelf verandere, moeten Zijne wegen, die ons Hem zelven handelend voor ogen stellen, eeuwig dezelfde blijven. Is Hij rechtvaardig, genadig, getrouw, wijs en teder, dan moeten Zijne wegen zich altoos door dezelfde volkomenheden onderscheiden. Alle wezens handelen volgens hun aard; wanneer die aard verandert, verandert hun gedrag insgelijks; maar wijl God gene schaduw van omkering kent, zullen Zijne wegen eeuwig dezelfde blijven. Bovendien, gene uitwendige reden is er, die de Goddelijke wegen zou kunnen omverwerpen, want zij zijn de uitdrukking van ene onwederstaanbare macht. De Profeet zegt, dat de aarde gespleten wordt door rivieren, dat de bergen sidderen, dat de afgronden de handen uitstrekken, en zon en maan stilstaan, wanneer Jehova Zich opmaakt om Zijn volk te verlossen. Wie kan Hem weerstaan, of tot Hem zeggen: “wat doet Gij?” Maar het is niet alleen de macht, die de onveranderlijkheid geeft, Gods wegen zijn de uitdrukking van de eeuwige beginselen des rechts, en daarom kunnen zij niet veranderen. Het onrecht bereidt verval en sleept verwoesting na zich, maar waarheid en recht hebben ene levenskracht, die door de eeuwen niet verminderd kan worden.
Ik zag (zie) even als toen de tenten van Kusan, van de Afrikaanse Ethiopiërs onder de ijdelheid, in angst van wege de verschrikkelijkheid Zijner majestueuze verschijning; de gordijnen des lands van Midian, de tegenover deze wonende Arabische Midianieten met hun bewoners schudden vol siddering en vrees. De Profeet noemt juist deze twee volken als vertegenwoordigers van alle volken; welke eens voor de verschijning van den Rechter der wereld zullen sidderen, omdat Hij in het voorgaande deze toekomstige verschijning met hare uitwerkingen op de volken in vergelijking heeft gesteld met de verschijning Gods op den Sinaï, en bij de doorleiding van het volk door de Schelfzee, aan welker beide zijden deze volken wonen. Het is ene aanmerkelijke weg, om het geloof te versterken, wanneer wij overwegen, hoe voldoende God te eniger tijd Zijn Woord vervuld heeft, en wanneer wij zulke gronden veel overdenken, die door God aan ons geloof zijn voorgesteld, totdat wij tot de volle verzekerdheid komen.
Ziet, Mijn profetisch oog aanschouwt u, o Heere! hoe gij even als een ten krijg uitgerust krijgsheld, ten gerichte over de wereld, daar dreigende staat. Tegen wien is Uw geweldige toorn gericht? Was de HEERE ontstoken tegen de grote rivieren der aarde, was Uw toorn tegen de rivieren? was Uwe verbolgenheid tegen de wereld-zee? toen Gij op Uwe paarden reedt, uwe Wegens waren heil, 1) omdat Gij ten strijde gingt als een onwederstaanbaar held tegen de verdrukkers, tot heil en redding van Uw volk.
De met paarden bespannen wagens van overwinning en heil, waarop God als Rechter verschijnt en overwinnend rondrijdt, zijn de Cherubim, die Ezechiël (Hoofdst. 1 en 10) gezien en beschreven heeft. De vraag, die geboren is uit de gemoedsbeweging van den Profeet, over de ontzaglijke majesteit der door hem aanschouwde openbaring Gods ten gerichte, moet de grootheid der rechterlijke macht Gods, welke zich over de gehele wereld, zelfs over zeeën en rivieren, uitstrekt, en welke de mensen dus zeker niet zullen ontgaan, verduidelijken. De vraag is historisch en verwacht geen of slechts een bevestigend antwoord . In het Hebr. Ki thirkab al-soesèka markebotèka jesjoeah. Beter: Toen Gij reeds op Uwe paarden, op de wagenen Uwer Overwinning. Het voorzetsel al moet ook voor wagenen herhaald worden. Het waren de wagenen der overwinning, waarop de Heere als de Overwinnaar reed.
De naakte grond werd ontbloot door uwen boog 1), Gij ontbloot uwen boog, brengt dien te voorschijn, ten einde Uwe pijlen op de vijanden af te schieten, om de eden aan de stammen gedaan door het woord, omdat gij in een plechtigen eed door Uw heilig Godswoord (Deut. 32:4 vv.) U hebt verbonden straffen over Uwe vijanden te brengen. Sela. Gij hebt de rivieren der aarde gekloofd? 2) vloeden doorkloven het land, zij vullen de aarde, door aardbevingen van een gespleten.
In het Hebr. Erjàh theeoor kasjèka. Beter: Uwe boog werd naakt ontbloot, d. w. z. van de bedekking ontdaan, opdat de pijlen er op konden gelegd worden, en hij tot schieten gereed was. Wat nu volgt is zeer duister, maar de bedoeling kan niet anders zijn, dan dat God door Zijn Woord gebonden was, om den vijand te treffen, en daarom ook den boog gereed hield.
Het is een plicht der godzaligen, om elke vervulling van het Woord met bedaardheid op te merken, en dat zulk een stoffe mocht zijn van lof, en een klaarder grond van vertrouwen in het toekomende, om op Zijn Woord te bouwen. Aan Gods volk zal zelfs in een woestijn geen verkwikking ontbreken, zelfs niet in aan groten overvloed, maar God zal hun noden vervullen, al zou ook echter alles het tegendeel beloven.
De bergen zagen U (zien U) als Rechter naderen, en leden (lijden) smart, zodat zij als ene, die baart, zich krampachtig heen en weer wenden; de waterstroom van stortvlagen als ten tijde van den zondvloed ging (gaat) door; de afgrond, de watermassa in het binnenste der aarde en in de wereldzee gaf (geeft) zijne stem, breekt met ontzaglijk gedruis door de opengebarsten aarde heen; hij hief(heft) zijne zijden, zijne handen, op in de hoogte, als hulp smekende van schrik en angst. Even als bij den zondvloed, welke een type is van het laatste oordeel (Jes. 24:18) tevens de sluizen des hemels, en de bronnen der diepte zich openden, zodat de wateren boven en beneden, die door het uitspansel (Gen. 1:6 vv.) gescheiden zijn, wederom samen vloeiden, en de aarde als het ware tot haren toestand vóór den 2den scheppingsdag werd teruggebracht, zo komen ook hier de stromen der aarde en de regens des hemels te zamen, zodat de afgrond een luid geraas maakt.
Maar ook aan den hemel openbaart zich de werking van ontzaglijke majesteit van God, die komt om de wereld te richten. De zon en de maan stonden (staan) stil in hare woning uit vrees voor Uwe schitterende wapenen, en verliezen haar schijnsel, zodat de chaotische toestand der aarde nog door de duisternis wordt verergerd; met het licht met hemelsen glans, ten bewijze dat ze van U. die in het licht woont, uitgaan, gingen(gaan) Uwe pijlen, waarmee Gij, almachtige krijgsheld, Uwe vijanden doet vallen, daarhenen, met glans Uwe bliksemende spies.
De ouden verklaren dit meestal van den stilstand der zon en der maan op het geloofswoord van Jozua (Joz. 10:12 vv.) Maar amadseboelah kan niet betekenen “stilstaan. ” Woordelijk is het: Zij treden in hun woning, de plaats, van waar zij uitgaan, en waarheen zij bij den ondergang terugkeren. Er is toch niet aan een eigenlijken ondergang der zon, maar alleen aan ene verduistering te denken ten gevolge van het gericht Gods, dat door Zijne pijlen wordt volvoerd. Het heilige licht waarin God woont, wordt in het gericht tot een wegvretend vuur door Zijne bliksemende pijlen. Even als de verwoesting der oorspronkelijke zedelijke eenheid tussen God en de mensheid zich in de natuur openbaarde, en daarom de Profeten van den tijd der zaligheid de opheffing der verschrikkingen en disharmoniën verwachten (Jes. 11), zo is de laatste consequentie der zonde, het gericht, vergezeld van de vreselijkste beweging der elementen. Voor den richtenden God gaan de ontzettendste plagen heen; het zuchten der natuur (Rom. 8) wordt tot een steunen en een geschrei, welke wederom slechts de geboorteweeën der reine en verhoogde nieuwe geboorte zijn (vs. 10). Op de duisternis en de aardbeving bij den dood van Jezus volgt de opstanding der doden. Tot hiertoe heeft de Profeet voorgesteld, hoe de gehele natuur bij de komst des Heeren in de ontzaglijke glorie der majesteit van den Wereldrechter beeft, en zich tot haren chaotischen toestand schijnt op te lossen. Nu gaat hij over tot de schildering van het gericht over de volken met het doel der verlossing van Gods volk. “Wanneer hemel en aarde, zon en maan, bergen en zeeën alzo de ontzettende overmacht des Heeren ondervinden, zo kan daaruit worden opgemaakt, in welk een schrik eerst de volken komen, wanneer Hij, tegen wiens heiligen wil het in opstand is, straffende en het land doorgaat, om heil aan zijn mishandeld volk en Zijnen ontheiligden Gezalfde aan te brengen. Beter: De zon en de maan treden in hare woning bij het licht van uw pijlen, die afgeschoten worden, bij den glans van den bliksem van Uw spies. Aan den pijl en de spies des Heeren wordt hier een helle lichtglans toegeschreven, waarbij dan de zon en maan zich terugtrekken. De Heere komt ten gerichte, en het licht Zijner Majesteit overtreft alles in glans en heerlijkheid.
Met gramschap tradt (treedt) Gij door het land, met toorn dorstet (dorst) Gij de U vijandige Heidenen, vertreedt Gij ze onder den voet.
Niet allen volken treft echter Uw gericht. Gij toogt(trekt) uit ten strijde tot verlossing Uws volks, dat tot hiertoe gedrukt ging onder dwingelandij der vijandige wereldmacht, tot verlossing met of van Uwen Gezalfde, den Zoon Davids, dien Gij aan Uw volk zult zenden, om het uit alle dienstbaarheid tot volkomene heerlijkheid en rust te brengen. Gij doorwonddet (doorwondt) verplettert het hoofd, den gevel van het huis des goddelozen konings van Chaldea, in hetwelk de boosheid van het gehele wereldrijk tegen Gods rijk zich verenigt, ontblotende den grond van zijn huis tot den hals toe, tot het middelste gedeelte tussen gevel en fundamenten, zodat van onderen en boven tegelijk met enen slag het geheel wordt verwoest. Gij rukt grondslag en gevelspits omver. Sela. Even als voor het Profetische oog van den Ziener zich het gericht Gods over het toenmalige wereldrijk der Chaldeën tot een algemeen gericht over de gehele goddeloze wereld heeft uitgebreid, zo moet ook onder den door God gezalfden Koning Israël niet deze of gene worden verstaan, maar Hij, in wien de idee van het koningschap van Gods rijk haar toppunt heeft bereikt en vervuld is, Jezus Christus, Gezalfde in den hoogsten zin. God helpt Hem door het oordeel over de wereld, zo als zich dit in den dood des Heeren, welke toch ook een gericht Gods over de wereld moet worden genoemd, en de daarop volgende opwekking eerst vervuld is. Ene, wanneer het laatste oordeel komt, waardoor God Zijn volk ten volle zal helpen, zal zich deze Zijnen Gezalfde betoonde hulp daarin openbaren, dat deze zelf de ware Helper, de Jozua of Jezus zal zijn, die Zijn volk van alle verdrukking bevrijdt. De door God Gezalfde wordt hier met gestrengheid tegenover den goddeloze geplaatst. Dus zal onder den laatsten ook niet alleen de koning van Chaldea in den tijd, maar der Chaldeën koning in de hoogste macht, de anti-christelijke wereldbeheerser van den laatsten tijd moeten worden verstaan, even als ook onder het te verwoesten rijk niet alleen het toenmalige rijk der Chaldeën, maar het wereldrijk in ‘t algemeen, in ‘t bijzonder in zijne hoogste volmaking. Het huis, waarvan gevel, fundament en zijwanden of hals door God worden vermeld, is een beeld van de Chaldeeuwse koningsfamilie of dynastie, of liever van het geslacht der anti-christelijke wereldbeheersers in het algemeen.
Gij doorboordet (doorboort) met zijne staven, met de eigene wapenen der goddelozen, het hoofd zijner dorplieden 1), zijner vorsten, der aanvoerders van de legermacht met hun krijgslieden, zo als een Jaël het hoofd van Sisera doorboorde (Richt. 5:26); zij die hoofdlieden hebben gestormd, om mij met het volk van het rijk Gods als kaf te verstrooien, zij zijn het, die zich verheugdenin het vooruitzicht, als of zij de ellendigen, de arme, hulpeloze en machteloze gemeente der ware gelovigen in het verborgen zouden opeten, in hun geheime schuilhoeken, even als rovers, die zich verheugen de weerlozen te kunnen beroven en verslinden.
Perazaw wordt verschillend vertaald. Onze Overzetters leiden het af van Perasi: de bewoners van het platte land, de dorpelingen in tegenstelling van de hoofdstad, hier Babylon, waaruit men vervolgens de betekenis “legerschaar” gevonden heeft, zodat de zin zou zijn, dat God met de eigene wapenen van den wereldbeheerser het hoofd of de hoofden zijner legerscharen doorboorde. Of men leidt het beter af van perason: de rechter, de aanvoerder, en neemt aan, dat in den aanvoerder de krijgschaar mede begrepen is. Dit zal geschieden “met zijne staven” zijne speren. Eveneens voorzeggen Ezechiël (38:21) en Zacharia (14:13 #Zec), dat de laatste vijandige legermacht, welke tegen het rijk Gods aanvalt, haren ondergang door hare eigene wapenen zal vinden, zo als dit in de oorlogen (1 Sam. 14:20. 2 Kron. 20:23 v. het geval was, welke dien laatsten strijd voorspellen.
Gij betradt (betreedt) met uwe paarden, die uwen hemelsen zegewagen der Cherubim, op welken Gij zelf als Rechter zetelt, voorttrekken, de zee, de geweldige wateren werden een hoop, zij bruisten op, zij kookten van wege de snelheid, waarmee Gij kwaamt, om Uw volk uit de macht zijner vijanden te redden, even als Gij in den ouden tijd door de Rode zee heentrokt, om Israël door te leiden en het Egyptische leger te vernietigen. Tot hiertoe heeft de Profeet geschilderd, wat hij van het gericht van God over Zijn volk en daarna over het wereldrijk tot verlossing en verheerlijking van Zijn volk heeft gezien. Hij maakt hier ene pauze; krachtig is de indruk van hetgeen Hij in de verre toekomst heeft gezien op zijn binnenste; siddering en schrik met blijde verrukking op hetzelfde ogenblik.
Als ik het gerucht (vs. 2) van de nabijzijnde gerichten hoorde, zo werd mijn buik, mijn gehele lichaam beroerd, inwendig geschokt; voor de stem van U, die zulke ontzettende dingen verkondigde, hebben mijne lippen gebeefd, zij sloegen van schrik op elkaar; verroting, een gevoel van volslagen machteloosheid, kwamten gevolge van den schrik in mijne gebeenten; mijne benen sidderden van schrik, en ik werd beroerd in mijne plaats, mijne knieën knikten. Zeker ik zal rusten ten dage der benauwdheid, welke mij is geopenbaard, en het rijk der Chaldeën over mijn volk zal brengen, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle. Het woord noeach is hier genomen van de rust in het graf, en asjer in de betekenis van “zeker”. De vertaling “zeker” is niet te verdedigen, integendeel wordt hier de reden genoemd, waarom de Profeet zo diep bedroefd is naar lichaam en ziel; het komt overeen met het Latijnse quod. Noeasch kan ook niet van de rust des grafs gezegd zijn, maar moet verstaan worden van het rustig, zwijgend wachten. Alzo luidt het laatste deel van het vers nauwkeuriger: ik werd beroerd in mijne plaats, omdat ik rustig den dag der benauwdheid moet verwachten, op welken hij tegen het volk (Israël) zal optrekken, die het (naar Uw raadsbesluit) met benden zal aanvallen. Hier leert de Profeet, dat hij zich in alle deze rampen zou opbeuren en staande houden in zijn gemoed, door een verzekerd en godvruchtig vertrouwen op de goedheid en macht van God. En hierdoor onderwijst de Profeet niet alleen de godvruchtigen van die tijden, welke stonden ingewikkeld te worden in de rampen, die op dat volk zouden komen, maar ook de godvruchtigen van alle tijden, hoe zij zich kunnen staande houden, wanneer alle dingen een allersomberst aanzien hebben en alle natuurlijke middelen van veiligheid en vertroosting feilen. (ENGELSE GODGEL.).
Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en gene vrucht aan den wijnstok zijn zal, deze beide edelste voortbrengselen van het heilige land in de eerste plaats verwoest zullen zijn, dat het werk des olijfbooms liegen zal, dat het produkt zal bedriegen, die er op rekende, en de velden gene spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal, omdat de vijanden, de Chaldeën, alles door den krijg verwoesten en roven;
Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en gene vrucht aan den wijnstok zijn zal, deze beide edelste voortbrengselen van het heilige land in de eerste plaats verwoest zullen zijn, dat het werk des olijfbooms liegen zal, dat het produkt zal bedriegen, die er op rekende, en de velden gene spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal, omdat de vijanden, de Chaldeën, alles door den krijg verwoesten en roven;
Zo zal ik nochthans, verblijd zijn. Ik zal, hoewel ik sidderen en beven moet, toch in gelovig uitzien op de naderende verlossing, in den HEERE van vreugde opspringen; Ik zal mij verheugen in die onverdraagbare, eeuwige bron van alle ware vreugde, die Zich eens zal openen, en ons na het tranenzaad een vreugdeoogst zal bereiden, in den God mijns heils. Op Zijne genade en trouw berust al onze zaligheid. Hij zal het gericht over de volken houden, opdat wij gered, eeuwig zalig mogen zijn (Micha 7:7. Ps. 18:47; 25:5). De droefheid is niet te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. Blijmoedig is de vernedering, dan zijn wij er te zekerder van, dat Hij ons op de hoogte zal stellen. Dat alleen moet uit ons weg wat niet Gods kracht is, en wat Zijn heil onwaardig is, wat ons bezwaart. En hoe moeilijk het ons is, dat weg te doen, zo zullen wij toch vrij en verruimd zijn. Hoe geringer de last is, des te sneller de gang tot zegen. Hier vertoont zich het geloof in al zijn kracht, welke het van zijn God ontvangt. De Profeet worstelt met de ellende. Hij stelt hier de mogelijkheid, dat alle middelen van bestaan zullen ophouden, dat alle vertroostingen in het schepsel zullen te niet gaan. Maar hij vat moed, om dan met een David zich te versterken in den Heere, zijn God. Ja, het zal bij hem ook gaan door den dood tot het leven, door de duisternis tot het licht. Het zal ook hem gegeven worden, om eerst geheel ten onder te gaan, maar dan zich in zijn God terug te vinden. Hij spreekt het daarom hier uit, dat hij zich verheugen zal in den God zijns heils en komt dan tot de slotsom van Micha, dat, als hij in de duisternis zal gezeten zijn, de Heere, zijn God, hem tot een licht zal zijn.
De HEERE Heere is mijne sterkte, waardoor ik alles, ook de zwaarste droefheid overwin (Ps. 18:33), en Hij zal mijne voeten maken als der hinden. In vrolijk, onversaagd vertrouwen op God zal ik nieuwe kracht verkrijgen, om de moeilijke toekomst te verwachten (Jes. 40:29 vv.), en Hij zal mij met al Zijne gelovigen, wanneer Zijne wegen van smart hun einde bereiken, doen treden op mijne hoogten, de hoogten der eeuwige zaligheid, welke Hij beloofd heeft aan alle door het geloof gerechtvaardigden, en dus hoog boven alle verdrukking dezer wereld (Ps. 18:35; vgl. Deut. 33:29). De Heere is nog mijn God. Daarom zullen wij ons verheugen, zodat wij zullen huppelen en springen als de hinden; zo licht zullen onze voeten worden; wij zullen niet meer in het slijk woelen en kruipen, maar van vreugde in de hoogte zweven en vliegen en niets doen, dan vrolijk zingen, en allerlei vreugde betonen. Dat zal geschieden als de Babylonische scepter zal vervloekt en vernietigd zijn, en wij verlost zullen zijn, en Zijn rijk zal komen. In den storm en het onweder en de aardbeving, die voorafgaan, is God zelf nog niet, ook nog niet in de vurige wagens en ruiters, maar achter dat alles in het stille, zachte suizen. Wanneer die voorvallen de hoogten rein geveegd hebben, plaatst Hij daarop Zijn eveneens gereinigd volk. Dan is de berg Zion hoger dan alle bergen. Wanneer alle steunselen en gronden van bemoediging op aarde komen te feilen en ons te begeven, dan is er nog een overvloed van voorraad om Gods volk te ondersteunen, en om hen te doen bestaan, te doen dolen, of te doen lijden, naar dat Hij hen zal believen te roepen, welke zal gegeven worden aan de zelfverloochenden, die op God wachten. Ziet eens welk een heerlijk geloof er uit de benauwdheid wordt geboren. Bewijst zich het geloof ook niet hier wederom te zijn ene kracht uit God, voor welke al de natuurkrachten wijken en bezwijken? Hoe! opspringen van vreugde in het midden der uiterste verwoesting, verdrukking, beroving, ja omdat God voor het geloof de God des heils is, omdat het geloof zijn Jezus in God heeft. Daarom zongen letterlijk Paulus en Silas in den nacht in den kerker, de benen in het blok liggende, op den wondgegeselden rug. Dat God, hun Zaligmaker de God des Verbonds was, ziet daar den grond van der Profeten en Apostelen vreugde. Zonder dit geloof is deze vreugde onmogelijk. Het ongeloof geeft enkel wanhoop aan het einde; het kan zich niet staande houden in de ure der verschrikking, want het heeft geen heil in God. Daarom mogen wij wel gedurig elkaar vragen: geloven wij in God, in Zijn Woord, in Zijne bedreigingen, in Zijne beloften? En hebben ook wij reeds de keuze gedaan, om als onwaardigen in ons zelven het leven te ontvangen uit de hand van God, van Christus? Heeft niet de godzaligheid en zij alleen de beloften van dit en van het toekomende leven? En kunnen er niet ook voor ons tijden komen, waarin alle spijs ontbreekt, en de algemene nood de plaats inneemt van de algemene welvaart! Wij hebben er reeds iets van gezien, doch wie verzekert ons, dat God ons niet gestrenger zal bezoeken? Of zijn er gene redenen voor? Meent gij wellicht, dat God de verwerping van Zijn woord door voorgangers en gemeente, de schending Zijner eer door de machten van den staat, de verachting van zijne geboden door het volk niet meer straffen zal? Wee ons, zo dit waarheid was; Hij zou ons hiermede aan het ongeloof, en daarmee aan den eeuwigen dood overgeven; doch neen, Christus zal Zijne kerk niet aan haar zelf overlaten, maar haar louteren door het vuur Zijner oordelen, en door dat van den Heiligen Geest. Heil ons derhalve, wanneer wij geloven als Habakuk. Wie gelooft, heeft God tot zijn deel, en met God kan ons niets ontbreken. Daarom is het woord van onzen Profeet ook zulk een goed woord voor de armen. De rijken kunnen Habakuk ook iets niet nazeggen; zij hebben er gene ondervinding van; het gebrek komt hen nooit zo nabij. Wat toch weten de rijken van misgewas aan vijgeboom of wijnstok of olijfboom; van mislukte oogsten des velds en ledige stallen! Zij hebben slechts een weinigje meer van hun overvloed voor hun onderhoud uit te geven; en dat is dan ook alles. Maar de armen, die reeds in gewone tijden van vrede en overvloed altijd minder hebben dan zij nodig hebben, deze hebben in tijden van nood in het geheel geen brood, en de meervermogende mensen zijn zo karig jegens anderen, als zij mild zijn jegens zich zelven. Immers is dit veler gewone regel: het goud is voor het vermaak, het koper voor den arme. Hoe gelukkig dan als de arme bij zijn gebrek het geloof bezit, dat met Habakuk zich verheugt in den God zijne heils. En toch; rijken of armen, wij allen moeten zowel leren zeggen: “God is mijn zilver en mijn goud in mijn dagelijks brood” als: God is mijn heil!” Want ongelukkig de rijke, die zijn rijkdom heeft zonder God, en ongelukkig de arme, wien met het brood de broodgever ontbreekt. Wij allen moeten geloven. Het geloof heeft met geen schepsel te doen maar met God en met God alleen, en met God vermogen wij alles te lijden en alles te doen. En daarom: er zijn nog wel gelovigen als Hababuk, doch zij zijn gewoonlijk de onbekenden in den lande. In het verborgene der natuur liggen de meeste schatten, zo ook in het verborgene der kerk. God laat Zijne kostbaarste juwelen niet zo maar aan ieder in het openbaar zien. Zijne schatkameren zijn de binnenkameren. Ja er zijn er nog wel, die als het etenstijd is zonder dat er eten is, durven zeggen: “Dek de tafel en laat ons bidden!” Bidden voor het eten, dat er niet is, en die het daarna door de mensen in huis zien gebracht. En nu begrijpt gij ook, waarom de Heere Jezus toen Hem hongerde geen gebruik maakte van de macht, die Hem gegeven was. Hij wilde gene stenen tot broden maken, maar Hij wilde dit woord van den Profeet Habakuk gelijk als de andere woorden Gods verwezenlijken, en daarmee den Vader verheerlijken. Hij wilde openbaar maken, dat Hij met God leven zonder brood. En hoe dikwijls moet nog heden bij de gelovigen de geestelijke kracht van God het gebrek aan lichaamskracht vergoeden! Hoe dikwijls moeten zwakke, ziekelijke mensen als predikers, onderwijzers en onderwijzers evenals schrijvers en schrijfsters en wat niet al de belangrijkste werkzaamheden in het koninkrijks Gods verrichten, zó dat het lichaam bijna alleen van de Geestelijke kracht leeft. Ja, zo volbrengt God nog heden Zijne kracht in menselijke zwakheden. Doch hetzij zwak of sterk naar het lichaam altijd moeten wij doen wat Christus deed, Hij verwezenlijkte allereerst en allerhoogst Zijn eigen woord: “Zoek eerst het koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. ” Wij moeten Christus en Zijn koninkrijk als de hoofdzaak beschouwen, en al het andere als bijzaak. Doen wij dit? God geeft ons eerst en voor alles den persoon Zijns Zoons, en achter Hem alle dingen. Zo moeten wederkerig ook wij met onze personen voorgaan in den hemel en onze goede werken moeten ons volgen. De Roomsen willen, dat de goede werken ons voorgaan en ons den hemel openen, zodat wij achter hen kunnen ingaan. Zij dwalen. Neen wij gaan in achter Christus en niet achter onze werken; deze gaan achter ons. Hier hebt ge weer de kracht en de sterkte van den Profeet. Alles is hem ontvallen, maar zijn God niet. Op Hem is alleen al zijn hope gevestigd. Hij is de kracht van zijn kracht, het leven van zijn leven, het licht van zijn licht. En met dien God zal hij niet beschaamd uitkomen. Voor den opperzangmeester, het hoofd der tempelmuziek op mijn Neginôth onder begeleiding van mijn snarenspel (vgl. Ps. 4, 6, 54 enz.) De Profeet heeft dus zijn Psalm bestemd tot gebruik voor den godsdienst, Hij wil dan zelf het gezang met zijn snarenspel begeleiden. Hij heeft dus zeker behoord tot de Levieten, wien het muzikale spel was opgedragen, en die bij de openbare uitvoering van godsdienstige zangstukken medewerkten. Hij wil dus dat dit gebed de Kerk van die dagen en van later tijd, zal sterken in de ellende. Abrahams nakroost moet het weten in welk een smeltkroes het zal geworpen worden. Daaraan moet het gedurig worden herinnerd, maar Israëls vromen moeten het ook weten, dat alleen te midden van hooggaande noden er alle kracht en sterkte is in dien Verbond-God, die alleen is de Getrouwe, die nooit, begeeft of verlaat, wie op Hem hopen. SLOTWOORD OP HET BOEK HABAKUK. Ook de Profeet Habakuk arbeidt gelijk Nahum in het rijk van Juda, nadat het rijk der Tien stammen reeds was verwoest. Met de zachtheid des gemoeds van een Jeremia treedt hij op, om de zifting van Gods volk door de gerichten te voorspellen. Sprak Nahum tegen Nineve, voorspelde deze de verwoesting van die anti-goddelijke wereldmacht, den Profeet Habakuk werd het door de ingeving des Heiligen Geestes te verstaan gegeven, dat datzelfde Babel, hetwelk reeds Juda had beroerd, en eenmaal ook Juda’s volk in ballingschap zou weg voeren, de wereldmacht zou zijn, die, ja, wel tegen God zich zou stellen, maar ook op haar beurt weer door de gerichten Gods met vernietiging zou worden getroffen. Met die vernietiging van Babel zou dan tevens gepaard gaan de verlossing van het volk Gods. Van grote betekenis is dan ook het woord over de geloofsgerechtigheid, hetwelk hij doet horen en goddelijk verheven, maar ook innig roerend is het gebed, hetwelk hij uitspreekt, en hetwelk hij de gemeente tot een blijvend troostwoord overgeeft. Breed slaat hij daarin de wieken des geloofs uit, en toont het zo glashelder, dat te midden van de ellende, die reeds, en van de verdrukking en jammer, die aanstaande is, hij al zijn vertrouwen gesteld heeft, door de genade van zijn God, op Hem, die immer de Toevlucht en Sterkte van Zijn volk is geweest.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel