Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
HoortH8085 nu, watH834 de HEEREH3068 zegtH559: MaakH6965 u op, twistH7378 metH854 de bergenH2022, en laat de heuvelenH1389 uw stemH6963 horenH8085.
Hoort nu, wat de HEERE zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen.
KJV
Hear1
ye now what the LORD5
saith;6
Arise,7
contend8
thou before the mountains,10
and let the hills12
hear11
thy voice.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
HoortH8085, gij bergenH2022! den twistH7379 des HEERENH3068, mitsgaders gij sterkeH386 fondamentenH4146 der aardeH776! wantH3588 de HEEREH3068 heeft een twistH7379 metH5973 Zijn volkH5971, en Hij zal Zich metH5973 IsraelH3478 in recht begevenH3198.
Hoort, gij bergen! den twist des HEEREN, mitsgaders gij sterke fondamenten der aarde! want de HEERE heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israel in recht begeven.
KJV
Hear1
ye, O mountains,2
the LORD'S5
controversy,4
and ye strong6
foundations7
of the earth:8
for the LORD11
hath a controversy10
with his people,13
and he will plead16
with Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
O Mijn volkH5971! watH4100 heb Ik u gedaanH6213, en waarmede heb Ik u vermoeidH3811? BetuigH6030 tegen Mij.
O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.
KJV
O my people,1
what have I done3
unto thee? and wherein have I wearied6
thee? testify
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Immers heb Ik u uit EgyptelandH776 opgevoerdH5927, en u uit het diensthuisH1004 verlostH6299; en Ik heb voor uw aangezichtH6440 henen gezondenH7971 MozesH4872, AaronH175 en MirjamH4813.
Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht henen gezonden Mozes, Aaron en Mirjam.
KJV
For I brought thee up2
out of the land3
of Egypt,4
and redeemed7
thee out of the house5
of servants;6
and I sent8
before9
thee Moses,11
Aaron,12
and Miriam.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Mijn volkH5971! gedenkH2142 tochH4994 wat BalakH1111, de koningH4428 van MoabH4124, beraadslaagdeH3289, en watH4100 hem BileamH1109, de zoonH1121 van BeorH1160, antwoorddeH6030; en wat geschied is van SittimH7851 af tot GilgalH1537 toe, opdatH4616 gij de gerechtighedenH6666 des HEERENH3068 kentH3045.
Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des HEEREN kent.
Ook in dit vers
[geschied]H4480
KJV
O my people,1
remember2
now what Balak6
king7
of Moab8
consulted,5
and what Balaam12
the son13
of Beor14
answered10
him from Shittim16
unto Gilgal;18
that ye may know20
the righteousness21
of the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Waarmede zal ik den HEEREH3068 tegenkomenH6923, en mij bukkenH3721 voor den hogenH4791 GodH430? Zal ik Hem tegenkomenH6923 met brandofferenH5930, met eenjarigeH8141 kalverenH5695?
Waarmede zal ik den HEERE tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren?
KJV
Wherewith shall I come before2
the LORD,3
and bow4
myself before the high6
God?5
shall I come before7
him with burnt offerings,8
with calves9
of a year11
old?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zou de HEEREH3068 een welgevallenH7521 hebben aan duizendenH505 van rammenH352, aan tien duizendenH7233 van oliebekenH5158? Zal ik mijn eerstgeboreneH1060 gevenH5414 voor mijn overtredingH6588, de vruchtH6529 mijns buiksH990 voor de zondeH2403 mijner zielH5315?
Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?
KJV
Will the LORD2
be pleased1
with thousands3
of rams,4
or with ten thousands5
of rivers6
of oil?7
shall I give8
my firstborn9
for my transgression,10
the fruit11
of my body12
for the sin13
of my soul?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Hij heeft u bekendH5046 gemaakt, o mensH120! watH4100 goedH2896 is; en watH4100 eistH1875 de HEEREH3068 van u, dan rechtH4941 te doenH6213, en weldadigheidH2617 liefH160 te hebben, en ootmoediglijkH6800 te wandelenH3212 metH5973 uw GodH430?
Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?
KJV
He hath shewed1
thee, O man,3
what is good;5
and what doth the LORD7
require8
of thee, but to do12
justly,13
and to love14
mercy,15
and to walk17
humbly16
with thy God?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
De stemH6963 des HEERENH3068 roeptH7121 tot de stadH5892 (want Uw NaamH8034 ziet het wezen): HoortH8085 de roedeH4294, en wieH4310 ze besteldH3259 heeft!
De stem des HEEREN roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!
KJV
The LORD'S2
voice1
crieth4
unto the city,3
and the man of wisdom5
shall see
thy name:7
hear8
ye the rod,9
and who hath appointed
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Zijn er niet nogH5750, in eens ieders goddelozenH7563 huisH1004, schattenH214 der goddeloosheidH7562 en een schaarseH7332 efaH374, dat te verfoeienH2194 is?
Zijn er niet nog, in eens ieders goddelozen huis, schatten der goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verfoeien is?
KJV
Are there2
yet the treasures5
of wickedness6
in the house3
of the wicked,4
and the scant8
measure7
that is abominable?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Zou ik reinH2135 zijn, met een goddelozeH7562 weegschaalH3976 en met een zakH3599 van bedriegelijkeH4820 weegstenenH68?
Zou ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen?
KJV
Shall I count them pure1
with the wicked3
balances,2
and with the bag4
of deceitful6
weights?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Dewijl haar rijke liedenH6223 volH4390 zijn van geweldH2555, en haar inwonersH3427 leugenH8267 sprekenH1696, en haar tongH3956 bedriegelijkH7423 is in haar mondH6310;
Dewijl haar rijke lieden vol zijn van geweld, en haar inwoners leugen spreken, en haar tong bedriegelijk is in haar mond;
KJV
For the rich men2
thereof are full3
of violence,4
and the inhabitants5
thereof have spoken6
lies,7
and their tongue8
is deceitful9
in their mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Zo zal IkH589 u ookH1571 krenkenH2470, u slaandeH5221, en verwoestendeH8074 om uw zondenH2403.
Zo zal Ik u ook krenken, u slaande, en verwoestende om uw zonden.
KJV
Therefore also will I make thee sick3
in smiting4
thee, in making thee desolate5
because of thy sins.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
GijH859 zult etenH398, maar nietH3808 verzadigdH7646 worden, en uw nederdrukkingH3445 zal in het middenH7130 van u zijn; en gij zult aangrijpenH5253, maar nietH3808 wegbrengenH6403, en watH834 gij zult wegbrengenH6403, zal Ik aan het zwaardH2719 overgevenH5414.
Gij zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw nederdrukking zal in het midden van u zijn; en gij zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat gij zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.
KJV
Thou shalt eat,2
but not be satisfied;4
and thy casting down5
shall be in the midst6
of thee; and thou shalt take hold,7
but shalt not deliver;9
and that which thou deliverest11
will I give up13
to the sword.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Gij zult zaaienH2232, maar nietH3808 maaienH7114; gijH859 zult olijvenH2132 tredenH1869, maar u met olieH8081 nietH3808 zalvenH5480, en mostH8492, maar geenH3808 wijnH3196 drinkenH8354.
Gij zult zaaien, maar niet maaien; gij zult olijven treden, maar u met olie niet zalven, en most, maar geen wijn drinken.
KJV
Thou shalt sow,2
but thou shalt not reap;4
thou shalt tread6
the olives,7
but thou shalt not anoint9
thee with oil;10
and sweet wine,11
but shalt not drink13
wine.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Want de inzettingenH2708 van OmriH6018 worden onderhoudenH8104, en het ganseH3605 werkH4639 van het huisH1004 van AchabH256; en gij wandeltH3212 in derzelver raadslagenH4156; opdatH4616 Ik u stelleH5414 tot verwoestingH8047, en haar inwonersH3427 tot aanfluitingH8322; alzo zult gij de smaadheidH2781 Mijns volksH5971 dragenH5375.
Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het ganse werk van het huis van Achab; en gij wandelt in derzelver raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; alzo zult gij de smaadheid Mijns volks dragen.
KJV
For the statutes2
of Omri3
are kept,1
and all the works5
of the house6
of Ahab,7
and ye walk8
in their counsels;9
that I should make11
thee a desolation,13
and the inhabitants14
thereof an hissing:15
therefore ye shall bear18
the reproach16
of my people.
met de bergen,
Sommigen nemen dit, als tegen de bergen, verstaande door de bergen de groten, en door de heuvelen den gemenen man; maar het schijnt dat met hier zoveel is alsof de Heere zeide: Neem de bergen als te hulp, tot getuigen. Of, doe het, voor, bij, in tegenwoordigheid, enz., want God gebiedt den profeet in het volgende, de bergen aan te spreken, tot overtuiging en beschaming der mensen; verg. Deut. 4:26 , en Deut. 32:1 ; idem Mi. 1:2 met de aantekening.
Hertaald:
met de bergen,
Sommigen vatten dit op als tegen de bergen, waarbij zij onder de bergen de groten en onder de heuvels de gewone man verstaan. Maar het lijkt erop dat met hier zoveel betekent als: neem de bergen als het ware te hulp, tot getuigen. Of: doe het voor, bij of in tegenwoordigheid van de bergen, want God gebiedt de profeet in het vervolg de bergen aan te spreken, tot overtuiging en beschaming van de mensen; vergelijk Deut. 4:26 en Deut. 32:1, en ook Micha 1:2 met de aantekening.
sterke fondamenten der aarde
Dat is, gij vastgefondeerde aarde; of, gij gronden, wortelen, afsnijdingen [gelijk Jona 2:6 ] der bergen, rotsen en klippen, die als ene vastigheid of sterkte des aardrijks zijt.
Hertaald:
sterke fondamenten der aarde
Dat is: u, vastgegronde aarde; of: u, gronden, wortels of afsnijdingen (zoals Jona 2:6) van de bergen, rotsen en klippen, die als een vastheid of sterkte van het aardrijk zijn.
twist met Zijn volk,
Of, pleit, rechtzaak. Verg. Jes. 1:18 , en Jes. 5:3-4 , en Jes. 43:26 , met de aantekening.
Hertaald:
twist met Zijn volk,
Of: pleit, rechtszaak. Vergelijk Jes. 1:18, Jes. 5:3-4 en Jes. 43:26 met de aantekening.
wat heb Ik u gedaan,
Verg. Jer. 2:5 , Jer. 2:31 .
Hertaald:
wat heb Ik u gedaan,
Vergelijk Jer. 2:5, Jer. 2:31.
vermoeid
Of, moede gemaakt, ben Ik u moeilijk, lastig geweest? alsof de Heere zeide: Gij zijt immers in uwe conscientiën overtuigd, dat Ik u nooit kwaad, maar integendeel alles goeds heb gedaan; wat reden hebt gij dan dat gij u zo afkerig en wrevelig tegen mij gedraagt?
Hertaald:
vermoeid
Of: moe gemaakt; ben Ik u tot last geweest? Alsof de HEERE zei: u bent toch in uw geweten overtuigd dat Ik u nooit kwaad maar juist alleen goed gedaan heb; welke reden hebt u dan om u zo afkerig en wrevelig tegenover Mij te gedragen?
diensthuis verlost;
Hebr. huis der dienstknechten, of slaven, gelijk dikwijls. Zie Ex. 20:2 .
Hertaald:
diensthuis verlost;
Hebreeuws: huis van de dienstknechten of slaven, zoals vaker. Zie Ex. 20:2.
henen gezonden Mozes, Aäron
Om u in het geestelijke en lichamelijke te geleiden en te helpen. Zie Jes. 63:11-12 .
Hertaald:
henen gezonden Mozes, Aäron
Om u geestelijk en lichamelijk te leiden en te helpen. Zie Jes. 63:11-12.
Mirjam
Die ook ene profetes was. Zie Ex. 15:20 ; Num. 12:2 .
Hertaald:
Mirjam
Die ook een profetes was. Zie Ex. 15:20; Num. 12:2.
beraadslaagde,
Hoe hij met alle middelen mijn vloek over u zocht te brengen, en hoe Ik dien in zulk een heerlijken zegen veranderde. Zie Num. 22:5 , en Num. 23:7 , en Num. 24:1 , Num. 24:14 ; Deut. 23:4-5 ; Joz. 24:9-10 ; Openb. 2:14 .
Hertaald:
beraadslaagde,
Hoe hij met alle middelen Mijn vloek over u probeerde te brengen, en hoe Ik die in zo'n heerlijke zegen veranderde. Zie Num. 22:5, Num. 23:7 en Num. 24:1, Num. 24:14; Deut. 23:4-5; Joz. 24:9-10; Openb. 2:14.
Sittim
Waar gij zo schandelijk hoereerdet met den Baäl-Peor, Num 25 .
Hertaald:
Sittim
Waar u zo schandelijk hoereerde met Baäl-Peor, Num. 25.
Gilgal
Waar Ik, volgens mijne beloften, u, niettegenstaande uw veelvoudige ondankbaarheid, droogvoets door de Jordaan geleid en in het beloofde land gebracht hebbende, mijn verbond als opnieuw met u bevestigd heb door de besnijdenis. Zie Jos 3 en Joz. 5:2 .
Hertaald:
Gilgal
Waar Ik, volgens Mijn beloften, u ondanks uw veelvuldige ondankbaarheid droogvoets door de Jordaan geleid en in het beloofde land gebracht heb, en waar Ik Mijn verbond als het ware opnieuw met u bevestigd heb door de besnijdenis. Zie Joz. 3 en Joz. 5:2.
gerechtigheden des HEEREN kent
Dat is, de rechtvaardige daden, die de Heere voor u gedaan heeft tegen uwe vijanden, verlenende u die heerlijke overwinningen, van de koningen der Midianieten, idem Sihon en Og. Zie Num. 31:7-8 ; Deut. 2:33 , en Deut. 3:3 . Sommigen verstaan door de gerechtigheden des Heeren zijn grote getrouwheid in het houden zijner beloften, of zijn oneindige barmhartigheid. Verg. Richt. 5:11 ; 1 Sam. 12:7 ; Dan. 9:16 , met de aantekening.
Hertaald:
gerechtigheden des HEEREN kent
Dat is: de rechtvaardige daden die de HEERE voor u gedaan heeft tegen uw vijanden, doordat Hij u die heerlijke overwinningen gaf op de koningen van de Midianieten en op Sihon en Og. Zie Num. 31:7-8; Deut. 2:33 en Deut. 3:3. Sommigen verstaan onder de gerechtigheden van de HEERE Zijn grote trouw in het houden van Zijn beloften, of Zijn oneindige barmhartigheid. Vergelijk Richt. 5:11; 1 Sam. 12:7; Dan. 9:16 met de aantekening.
Waarmede zal ik den HEERE
Hier wordt het volk ingevoerd, als antwoordende op de voorgaande woorden van den profeet, en vragende wat zij dan zouden moeten doen, dat God behagen mocht.
Hertaald:
Waarmede zal ik den HEERE
Hier wordt het volk sprekend ingevoerd, dat op de voorgaande woorden van de profeet antwoordt en vraagt wat zij dan zouden moeten doen om God te behagen.
tegenkomen,
Dat is, bejegenen, tegemoet gaan. Alzo wordt het Hebr. woord genoemn, Deut. 23:4 ; Neh. 13:2 , enz.; of voorkomen, dat is, zijn toorn en straf ontgaan.
Hertaald:
tegenkomen,
Dat is: tegemoet gaan. Zo wordt het Hebreeuwse woord gebruikt in Deut. 23:4; Neh. 13:2, enzovoort. Of: voorkomen, dat is: Zijn toorn en straf ontgaan.
hogen God?
Hebr. den God der hoogheid.
Hertaald:
hogen God?
Hebreeuws: de God van de hoogte.
eenjarige kalveren?
Hebr. zonen, of kinderen van een jaar.
Hertaald:
eenjarige kalveren?
Hebreeuws: zonen of kinderen van een jaar.
Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen,
Dit kan men nemen als het antwoord van den profeet op de voorgaande vraag van het volk, waarop hij met deze manier van vragen wel uitdrukkelijk ontkent dat het met het uiterlijk offeren zou te doen zijn, al deden zij dat nog zoveel.
Hertaald:
Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen,
Dit kan men opvatten als het antwoord van de profeet op de voorgaande vraag van het volk. Met deze vraagvorm ontkent hij uitdrukkelijk dat het om het uiterlijke offeren zou gaan, hoeveel zij er ook zouden brengen.
Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,
Tegenbewijs des volks, alsof zij zeiden: Is het met beesten te offeren niet te doen, zullen wij dan mensen, ja onze eerstgeboren zonen, offeren? Zouden wij daarmede den vrede met God kunnene maken? Gelijk zij gewoon waren hunne kinderen, op zijn heidens, den afgoden te offeren; zie Lev. 18:21 ; 2 Kon. 23:10 ; Jer. 7:31 , en Jer. 19:5-6 ; Ezech. 16:20-21 , en Ezech. 23:39 met de aantekening. Aldus drukt de profeet zeer levendig uit met hoedanige gedachten zij zwanger gingen, en waarin zij [als huichelaars] den waren godsdienst en bekering stelden.
Hertaald:
Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,
Een tegenwerping van het volk, alsof zij zeiden: als het niet om het offeren van dieren gaat, moeten wij dan mensen offeren, ja onze eerstgeboren zonen? Zouden wij daarmee vrede met God kunnen maken? Zij waren namelijk gewoon hun kinderen op heidense wijze aan de afgoden te offeren; zie Lev. 18:21; 2 Kon. 23:10; Jer. 7:31 en Jer. 19:5-6; Ezech. 16:20-21 en Ezech. 23:39 met de aantekening. Zo drukt de profeet zeer levendig uit met wat voor gedachten zij rondliepen en waarin zij als huichelaars de ware godsdienst en bekering stelden.
Hij heeft
Namelijk den Heere.
Hertaald:
Hij heeft
Namelijk de HEERE.
bekend gemaakt, o mens
Door zijn woord; zodat gij gene ontwetendheid kunt voorwenden, en evenwel doet gij regelrecht daartegen, [gelijk hun in het volgende verweten wordt] en dan wilt gij u nog wijsmaken dat God met uw offeren moet tevreden zijn, alsof er dan niets aan schortte en niets anders van u te eisen zij.
Hertaald:
bekend gemaakt, o mens
Door Zijn Woord, zodat u geen onwetendheid kunt voorwenden. En toch doet u er regelrecht tegenin, zoals u in het vervolg verweten wordt, en dan wilt u zichzelf nog wijsmaken dat God met uw offeren tevreden moet zijn, alsof er dan niets aan schortte en er niets anders van u geëist zou worden.
recht te doen,
Of, gericht. Zie Gen. 18:19 ; 1 Kon. 10:9 ; Jer. 4:2 met de aantekening. Deze eis Gods was zo klaar en overvloedig in zijn Woord uitgedrukt, dat zij, het tegendeel doende [gelijk zij deden] zonder alle onschuld waren.
Hertaald:
recht te doen,
Of: gericht. Zie Gen. 18:19; 1 Kon. 10:9; Jer. 4:2 met de aantekening. Deze eis van God stond zo duidelijk en zo overvloedig in Zijn Woord uitgedrukt, dat zij door het tegendeel te doen — wat zij deden — geen enkel excuus hadden.
ootmoediglijk te wandelen
Hebr. ootmoedig zijn wandelen, of zich verootmoedigen [met wandelen, of wandelende. Zie van zulke samenvoeging van twee woorden Ps. 45:5 .
Hertaald:
ootmoediglijk te wandelen
Hebreeuws: ootmoedig zijn wandelen, of: zich verootmoedigen met wandelen. Zie over zo'n samenvoeging van twee woorden Ps. 45:5.
met uw God?
Zie Gen. 5:22 .
Hertaald:
met uw God?
Zie Gen. 5:22.
stem des HEEREN roept
Alsof de profeet zeide: Dat gij nu geheel anders doet dan gij wel weet dat God van u eist, en dat gij daarmede zijne straffen verdient en veroorzaakt, zulks wordt dagelijks door zijne profeten, en nu door mij, gepredikt en openlijk aangezegd.
Hertaald:
stem des HEEREN roept
Alsof de profeet zei: dat u nu heel anders doet dan u heel goed weet dat God van u eist, en dat u daarmee Zijn straffen verdient en veroorzaakt, wordt dagelijks door Zijn profeten en nu door mij gepredikt en openlijk aangezegd.
stad
Jeruzalem: sommigen duiden het op Samaria uit vs.16, of op beide deze hoofdsteden.
Hertaald:
stad
Namelijk Jeruzalem; sommigen betrekken het op Samaria uit vers 16, of op beide hoofdsteden.
Naam ziet
Dat is, Gij zelf, o Heere, [vol van heerlijkheid en majesteit] weet alles. Zie Deut. 28:58 .
Hertaald:
Naam ziet
Dat is: U Zelf, o HEERE, vol heerlijkheid en majesteit, weet alles. Zie Deut. 28:58.
het wezen)
Of, water is, dat is alle ding; of wat er omgaat, hoe het er gesteld is. Anders: ziet naar de wijsheid [die in de ware bekering bestaat]. Anders: de wijsheid [dat is een wijs man] zal uwen naam zien; dat is, zal merken dat Gij het zijt, dat het uwe woorden en werken zijn, en zich daarnaar regelen. Zie van het Hebr. woord Job 5:12 .
Hertaald:
het wezen)
Of: wat er is, dat is: alle dingen; of: wat er omgaat en hoe het ervoor staat. Anders: ziet naar de wijsheid, die in de ware bekering bestaat. Anders: de wijsheid — dat is: een wijs man — zal Uw naam zien, dat is: zal merken dat U het bent, dat het Uw woorden en werken zijn, en zich daarnaar richten. Zie over het Hebreeuwse woord Job 5:12.
roede,
Dat is, de profetie van Gods roede, dat is, straffen en plagen. Zie Job 9:34 ; Jes. 10:5 ; Klaagl. 3:1 met de aantekening.
Hertaald:
roede,
Dat is: de profetie van Gods roede, dat is: van Zijn straffen en plagen. Zie Job 9:34; Jes. 10:5; Klaagl. 3:1 met de aantekening.
wie ze besteld heeft
Dat is, dien die deze roede, of dat [kwaad] verordineerd, plaats en tijd bestemd heeft. Of, vragenderwijze: Wie heeft ze besteld? Te weten, anders dan God. Zie gelijke woorden van het zwaard des Heeren, Jer. 47:7 , en verg. Jes. 30:32 met de aantekening.
Hertaald:
wie ze besteld heeft
Dat is: Hem Die deze roede, of dat kwaad, verordend en er plaats en tijd voor bepaald heeft. Of vragenderwijs: wie heeft haar besteld? Namelijk niemand anders dan God. Zie soortgelijke woorden over het zwaard van de HEERE in Jer. 47:7, en vergelijk Jes. 30:32 met de aantekening.
Zijn er niet nog,
Of, [heeft niet] nog een ieder een goddeloos huis? [of] een huis eens goddelozen? [en] schatten der goddeloosheid? of, [met sommigen] aldus: Zijn er niet nog, in het huis der goddelozen, schatten der goddeloosheid? maar het schijnt dat de profeet ziet op de algemeenheid der boosheid, dat een ieder doorgaans met onrechtvaardigheid omging. Verg. Mi. 7:2-3 , enz. Doch het Hebr. woord, [zoals het hier in den Hebr. tekst staat] kan ook genomen worden voor is, of zijn. Zie dergelijke 2 Sam. 14:19 , in de aantekening, waaruit deze verscheidenheid ontstaat.
Hertaald:
Zijn er niet nog,
Of: heeft niet nog ieder een goddeloos huis, of een huis van een goddeloze, en schatten van goddeloosheid? Volgens sommigen aldus: zijn er niet nog in het huis van de goddelozen schatten van goddeloosheid? Maar het lijkt erop dat de profeet ziet op de algemeenheid van de boosheid, dat vrijwel iedereen met onrecht omging. Vergelijk Micha 7:2-3, enzovoort. Overigens kan het Hebreeuwse woord zoals het hier in de tekst staat ook opgevat worden als is of zijn; zie iets dergelijks bij 2 Sam. 14:19 in de aantekening — daaruit ontstaat dit verschil.
goddelozen huis,
Na zoveel goddelijke waarschuwingen en kastijdingen, is het nog evenwel overal vol van goddeloosheid en onrecht.
Hertaald:
goddelozen huis,
Na zoveel goddelijke waarschuwingen en kastijdingen is het toch nog overal vol goddeloosheid en onrecht.
goddeloosheid
Die met goddeloosheid, schenderij en onrecht verkregen zijn.
Hertaald:
goddeloosheid
Die met goddeloosheid, schending en onrecht verkregen zijn.
schaarse
Of, scherp, dat is, wat te klein is. Hebr. ene efa der magerheid.
Hertaald:
schaarse
Of: krappe, dat is: wat te klein is. Hebreeuws: een efa van de magerheid.
efa,
Zie Ex. 16:36 , en Deut. 25:15-16 ; Ezech. 45:10-11 , enz.
Hertaald:
efa,
Zie Ex. 16:36 en Deut. 25:15-16; Ezech. 45:10-11, enzovoort.
te verfoeien is?
Of, verfoeid wordt, behoort verfoeid te worden.
Hertaald:
te verfoeien is?
Of: verfoeid wordt, verfoeid behoort te worden.
Zou ik rein zijn,
Dat is, zou iemand kunnen rein zijn, enz.
Hertaald:
Zou ik rein zijn,
Dat is: zou iemand rein kunnen zijn, enzovoort.
goddeloze weegschaal
Hebr. weegschalen der goddeloosheid, en alzo weegstenen des bedrogs.
Hertaald:
goddeloze weegschaal
Hebreeuws: weegschalen van de goddeloosheid; en zo ook: weegstenen van het bedrog.
weegstenen?
Namelijk van gewicht, dat zij in zakken hadden. Zie Lev. 19:36 , en Deut. 25:13 , enz. Geenszins [wil de Heere zeggen] zal Ik zulken voor rein houden; maar voor alzulken houden, en alzo behandelen, gelijk volgt.
Hertaald:
weegstenen?
Namelijk gewichten, die zij in zakken bij zich hadden. Zie Lev. 19:36 en Deut. 25:13, enzovoort. Volstrekt niet, wil de HEERE zeggen: Ik zal zulke mensen niet voor rein houden, maar hen beschouwen en behandelen zoals volgt.
haar rijke lieden vol zijn van geweld,
Van Jeruzalem, in vs.9, of aldus, welker, [namelijk, stad Jeruzalem] rijken, enz., en welker inwoners, enz.
Hertaald:
haar rijke lieden vol zijn van geweld,
Namelijk van Jeruzalem, uit vers 9. Of aldus: waarvan — namelijk van de stad Jeruzalem — de rijken, enzovoort, en waarvan de inwoners, enzovoort.
haar tong
Der inwoners.
Hertaald:
haar tong
Namelijk van de inwoners.
bedriegelijk is in haar mond;
Hebr. bedrog.
Hertaald:
bedriegelijk is in haar mond;
Hebreeuws: bedrog.
u ook krenken,
Gij inwoners van Jeruzalem, of gij volk, Ik zal u krenken, krank, zwak maken, enz.
Hertaald:
u ook krenken,
U, inwoners van Jeruzalem, of: u, volk; Ik zal u krenken, zwak maken, enzovoort.
nederdrukking
Gij die nu zo fier daarhenen praalt en het hoofd omhoog steekt. Zie Mi. 2:3 .
Hertaald:
nederdrukking
U die nu zo fier rondloopt en het hoofd omhoog steekt. Zie Micha 2:3.
midden van u zijn;
Of, binnen in u, in uw binnenste. Dit kan men duiden op de grote benauwdheid, die zij binnen de stad zouden lijden ten tijde der Babylonische belegering. Sommigen nemen het alsof God zeide: Gij zelf zult de oorzaak zijn van uwe ellenden, en niemand anders: of, gij zult voor uwe ogen moeten zien, dat gij van tijd tot tijd zult vervallen, totdat gij te gronde gaat.
Hertaald:
midden van u zijn;
Of: binnen in u, in uw binnenste. Dit kan men betrekken op de grote benauwdheid die zij binnen de stad zouden lijden tijdens de Babylonische belegering. Sommigen vatten het op alsof God zei: u zult zelf de oorzaak van uw ellende zijn en niemand anders; of: u zult voor uw ogen moeten zien dat u van tijd tot tijd verder achteruitgaat, totdat u te gronde gaat.
aangrijpen,
Of, verrukken, verroeren, verbrengen, van ene plaats in de andere, te weten, vrouw en kinderen, idem, goed en have, om die te behouden en daarvan te brengen, of te bergen, maar tevergeefs.
Hertaald:
aangrijpen,
Of: verplaatsen, van de ene plaats naar de andere brengen, namelijk vrouw en kinderen, en ook goed en have, om die te behouden en in veiligheid te brengen — maar tevergeefs.
wegbrengen,
Dat is, zoudt mogen verkrijgen en menen al vrij en geborgen te zijn.
Hertaald:
wegbrengen,
Dat is: wat u nog zou kunnen redden en waarvan u meent dat het veilig geborgen is.
olijven
Hebr. den olijfboom.
Hertaald:
olijven
Hebreeuws: de olijfboom.
treden,
Dat is, persen.
Hertaald:
treden,
Dat is: persen.
most,
Dat is, druiven treden. Verg. Am. 5:11 ; Sef. 1:13 .
Hertaald:
most,
Dat is: druiven treden. Vergelijk Amos 5:11; Zef. 1:13.
inzettingen van Omri worden onderhouden,
Versta, de afgoderijen die Omri en zijn zoon Achab onder de tien stammen op het allerhoogste hebben bevorderd; zie 1 Kon. 16:16 , 1 Kon. 16:25 , 1 Kon. 16:30-31 met de aantekening.
Hertaald:
inzettingen van Omri worden onderhouden,
Versta: de afgoderijen die Omri en zijn zoon Achab onder de tien stammen ten zeerste bevorderd hebben; zie 1 Kon. 16:16, 1 Kon. 16:25, 1 Kon. 16:30-31 met de aantekening.
derzelver raadslagen;
Raadslagen van Omri en Achab, om bij alle wegen en met alle handelingen de afgoderij te stijven en den gansen staat van het land daarnaar te vormen.
Hertaald:
derzelver raadslagen;
De raadslagen van Omri en Achab, om langs alle wegen en met alle middelen de afgoderij te versterken en de hele staat van het land daarnaar te vormen.
opdat Ik u stelle tot verwoesting,
Waardoor gij het alzo maakt, dat Ik u zal moeten stellen, enz.; verg. Jer. 18:16 , en Jer. 27:10 , Jer. 27:15 , en Jer. 32:31 ; Klaagl. 2:14 ; Ezech. 8:6 , enz. met de aantekening.
Hertaald:
opdat Ik u stelle tot verwoesting,
Doordat u het zo maakt dat Ik u wel tot verwoesting moet stellen, enzovoort; vergelijk Jer. 18:16, Jer. 27:10, Jer. 27:15 en Jer. 32:31; Klaagl. 2:14; Ezech. 8:6, enzovoort, met de aantekening.
haar inwoners
Van Jeruzalem.
Hertaald:
haar inwoners
Namelijk van Jeruzalem.
aanfluiting;
Zie 1 Kon. 9:8 .
Hertaald:
aanfluiting;
Zie 1 Kon. 9:8.
smaadheid Mijns volks dragen
Dat is, de straf der smaadheid en schande, die gij mijn volk, [bijzonderlijk den armen en nooddruftigen] met de voorzeide schandelijke werken hebt aangedaan. Of, de smadheid van mijn volk; dat is, die mijn volk verdiend heeft. Alzo, smaadheid mijner jeugd; dat is, die ik in mijne jeugd verdiend, of op mijn hals gehaald heb; Jer. 31:19 .
Hertaald:
smaadheid Mijns volks dragen
Dat is: de straf voor de smaad en schande die u Mijn volk — en in het bijzonder de armen en behoeftigen — met de genoemde schandelijke daden aangedaan hebt. Of: de smaad van Mijn volk, dat is: die Mijn volk verdiend heeft. Zo ook: de smaad van mijn jeugd, dat is: die ik in mijn jeugd verdiend of over mij gehaald heb; Jer. 31:19. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Hoort nu, wat de HEERE zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen" (Micha 6:1). Het vers erna herhaalt de oproep en noemt de reden: "want de HEERE heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israel in recht begeven" (Micha 6:2). Dan volgt Gods eigen vraag: "O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij" (Micha 6:3). Het antwoord dat volgt, is geen verwijt maar een opsomming van weldaden: "Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht henen gezonden Mozes, Aaron en Mirjam" (Micha 6:4), met de herinnering aan Balak en Bileam en de weg "van Sittim af tot Gilgal toe" (Micha 6:5). Bijbelse betekenis: Merk op de ongewone vorm van deze rechtszaak: bergen en heuvelen worden als getuigen opgeroepen. Diezelfde soort vaste elementen van de schepping — bergen die smelten, dalen die splijten — kondigden al aan het begin van dit boek Gods eigen komst aan (reeds behandeld bij Micha 1:2-5). Let vervolgens op Gods eigen vraag in Micha 6:3: wat heb Ik u gedaan? Hij daagt Zijn volk niet uit om Zijn misstappen te noemen — die zijn er niet — maar om te laten zien dat er geen reden is voor hun ontrouw. Let ten slotte op wat er wordt opgesomd: niet straffen maar bevrijding, leiders, en trouw op de hele weg door de woestijn. De rechtszaak begint dus niet met een aanklacht tegen het volk, maar met een herinnering aan wat God gedaan heeft. Typologie: Datzelfde middel — hemel en aarde als getuigen bij een verbondsrechtszaak — gebruikte Mozes al bij het begin van zijn afscheidslied: "Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds" (Deut. 32:1). Micha 6:1-5; Micha 1:2-5; Deut. 32:1 Op Gods rechtszaak volgt een vraag van de kant van het volk: "Waarmede zal ik den HEERE tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren?" (Micha 6:6). De vraag klimt op tot het uiterste: "Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?" (Micha 6:7). Dan komt het antwoord, kort en helder: "Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?" (Micha 6:8). Bijbelse betekenis: Merk op de opklimming in de vragen: van gewone offers naar de grootste offergave die een mens zich kan voorstellen. Beide worden afgewezen, niet omdat offers op zichzelf verkeerd waren, maar omdat zij niet is wat God werkelijk vraagt. Let vervolgens op het woordje bekend gemaakt in Micha 6:8: dit is geen nieuwe eis, maar iets dat God al eerder had laten weten, onder meer door Zijn wet. Let ten slotte op de drie dingen die genoemd worden: recht doen, weldadigheid liefhebben, en ootmoedig wandelen met God — één naar buiten (recht), één naar de naaste (weldadigheid liefhebben), en één naar boven (wandelen met God). Dezelfde les is elders in het register al gegeven: gehoorzamen is beter dan slachtoffer (reeds behandeld bij 1 Sam. 15:22), en Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer (reeds behandeld bij Hos. 6:6). Typologie: De Heere Jezus vat de wet op vergelijkbare wijze samen: "Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand" (Matt. 22:37), en: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven" (Matt. 22:39). Wat bij Micha in drie delen komt, komt daar in twee samen. Micha 6:6-8; 1 Sam. 15:22; Hos. 6:6; Matt. 22:37-39 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Mocht de Heilige Geest ons leren wat een verbroken en verslagen geest betekent, en ons altijd laag houden voor de HEERE. © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Micha 6
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten


Micha 6
Micha 6:1.KruisverwijzingenDeuteronomium 32:1→Micha 1:2→Jeremia 22:29→Ezechiël 36:1→Psalmen 50:1→Psalmen 50:4→1 Samuël 15:16→Ezechiël 37:4→
— Hoort nu, wat de HEERE zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen.
En toch twijfelen sommigen aan de onfeilbare ingeving van de Schrift. Ik zou elke schriftlezing willen beginnen met zo’n woord van vermaning als dit: hoort nu wat de HEERE zegt. Dat zei de profeet — maar God sprak door de profeet.
Omdat de mensen verhard waren en hun oren afkeerden, kreeg de profeet bevel tot de bergen te spreken. Die bergen waren met de heiligdommen van afgoden misvormd, met altaren op elke hoge heuvel. Of misschien die hogere heuvels die nooit bebouwd waren en die door de bezoedelende hand van mensen onaangeroerd gebleven waren. God doet een beroep op deze oude dingen.
Micha 6:2.KruisverwijzingenHosea 4:1→Hosea 12:2→Jesaja 1:18→Psalmen 104:5→2 Samuël 22:16→Jeremia 2:29→2 Samuël 22:8→Spreuken 8:29→
— Hoort, gij bergen! den twist des HEEREN, mitsgaders gij sterke fondamenten der aarde! want de HEERE heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israel in recht begeven.
Het was een wonderlijke neerbuiging van Gods kant dat Hij Zich verwaardigde als verweerder te verschijnen voor het verheven gerechtshof van de bergen. En dat in de tegenwoordigheid van de diepe grondvesten van de aarde. Het is een edele voorstelling, als dichtkunst voortreffelijk en in grootsheid God waardig. Hij deed een beroep op de oude heuvels om Zijn pleidooi te horen. Zo verwaardigde Hij Zich te redetwisten en Zijn volk te vragen waarom zij hun God verworpen hadden en zich tot afgoden gewend.
Micha 6:3.KruisverwijzingenJeremia 2:5→Psalmen 81:13→Jesaja 43:22→Psalmen 50:7→Jeremia 2:31→Romeinen 3:19→Romeinen 3:4→Psalmen 81:8→
— O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.
“O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.”
Wat anders dan goed, wat anders dan barmhartigheid heb Ik u gedaan? Hij vraagt hun ook maar één reden op te geven waarom zij zich van Hem afgekeerd hadden.
Geliefde vrienden, is iemand van u, die het volk van God bent, koud geworden in uw liefde tot Hem? Verwaarloost u de dienst van de Allerhoogste? Begint u op een arm van vlees te vertrouwen? Zoekt u uw genoegens in de wereld? Bent u de liefde van uw ondertrouw kwijt, uw eerste liefde tot uw gezegende Heere? Hoor Hem dan met u pleiten. Wees niet als Israël, maar laat de HEERE tot ú spreken in plaats van tot de heuvels. O HEERE, wij hebben niets tegen U te betuigen! Wij hebben zeer veel vóór U te betuigen, en wij schamen ons dat wij het niet vaker gedaan hebben.
Micha 6:4.KruisverwijzingenExodus 12:51→Deuteronomium 7:8→Amos 2:10→2 Samuël 7:23→Numeri 12:1→Exodus 20:2→Jesaja 63:9→Jeremia 32:21→
— Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht henen gezonden Mozes, Aaron en Mirjam.
God verwijst voortdurend naar Israëls uittocht uit Egypte; bij elke grote gelegenheid begint Hij: “Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.” En tot Zijn volk zegt de HEERE nog altijd: Ik heb u uit het land van Egypte opgevoerd en u uit het huis van de slavernij verlost.
Is het niet zo? Verlustigen wij ons niet nog altijd in Zijn verlossend werk en in de besprenging van het bloed van het Paaslam? En in de sterke hand en de uitgestrekte arm waarmee de HEERE ons uit de slavernij van onze zonde verloste? Bedenk dat ook u een dienstknecht was; vergeet niet Wie u gekocht heeft en met welke prijs; herinner u Wie u verloste en uitleidde, en met welke machtige kracht. Denk daaraan, en laat uw koude liefde weer ontbranden en uw onverschilligheid in geestdrift veranderen.
De HEERE zegt verder tot Zijn volk dat Hij Mozes, Aäron en Mirjam voor hun aangezicht gezonden heeft: de wetgever, de priester en de profetes. De een om hen te onderwijzen en de ander om voor hen te pleiten en te offeren. En de derde om voor hen te zingen: om hun lied van blijdschap aan de Schelfzee aan te heffen. God heeft Zijn volk vele bedieningen in allerlei vorm gegeven, en zij zijn alle samengevat in Zijn Zoon, Die ons alles is.
Micha 6:5.KruisverwijzingenNumeri 25:1→Jozua 5:9→Richteren 5:11→Jozua 4:19→Jozua 10:42→Deuteronomium 23:4→Numeri 33:49→Romeinen 3:25→
— Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des HEEREN kent.
Balak trachtte Bileam ertoe te brengen het volk van God te vervloeken; maar zij konden door menselijke macht niet overwonnen worden. Hij zocht hen door bovenmenselijke middelen te verderven, maar de vloeken van Bileam veranderden in zegeningen. God stond de valse profeet niet toe Israël te vervloeken; en in ons geval heeft Hij de vloek van de grote tegenstander in een zegen veranderd.
Sittim was de laatste legerplaats aan de overzijde van de Jordaan, Gilgal de eerste in het beloofde land. Daarom worden zij hier verbonden met de gerechtighéden van de HEERE aan Zijn volk, want het woord staat in het meervoud. Het is een opmerkelijke wending: opdat u de gerechtighéden van de HEERE kent. Hij is altijd rechtvaardig, in alles, jegens alles, en onder elk opzicht. Ik wilde wel dat wij dat wisten, want soms beginnen wij te denken dat Hij hard met ons handelt. Worden wij zwaar beproefd, dan gaan wij aan de gerechtigheid van de HEERE twijfelen. Denk aan alles wat Hij van de eerste dag tot de laatste aan u gedaan heeft.
Micha 6:6-7.Kruisverwijzingen2 Koningen 16:3→Psalmen 50:9→1 Samuël 15:22→Jesaja 40:16→Romeinen 10:2→2 Koningen 3:27→Jeremia 7:31→Leviticus 18:21→
— Waarmede zal ik den HEERE tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren? Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?
Het volk wil God alles geven behalve wat Hij vraagt. U ziet dat zij beginnen met te zeggen dat zij brandoffers zullen brengen; daartoe zijn zij bereid. De bijl zal vallen op de kop van talloze jonge stieren, zoals God onder de wet eiste. Voor dat offer is het volk bereidwillig genoeg. En wat de rammen betreft: die zullen zij bij duizenden hun bloed doen storten. Is er olie nodig voor het spijsoffer, dan zullen er stromen van vloeien.
Als zij geofferd hebben wat God wíl hebben, bieden zij aan wat Hij niet hebben wil. Zij boden aan hun eerstgeborene te geven voor hun overtreding — iets wat God verafschuwde en waarvan Hij walgde. Zij beledigden de HEERE met de offers van Moloch, met mensenslachting, door hun kinderen te offeren om verzoening voor hun zonden te verkrijgen. Zij waren bereid zelfs zo ver te gaan en alles te doen behalve wat God vraagt. En mensen geven God nog altijd alles behalve wat Hij vraagt: verheven gebouwen, prachtige diensten, verrukkelijke muziek, goud en zilver — alles behalve wat de HEERE eist.
Micha 6:8.KruisverwijzingenDeuteronomium 10:12→1 Samuël 15:22→Jeremia 22:3→Hosea 6:6→Kolossenzen 3:12→1 Petrus 5:5→Jesaja 66:2→Spreuken 21:3→
— Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?
“Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?”
Het was een geestelijke eredienst die de HEERE eiste: geen uitwendigheden, geen uitwendige gaven, maar het hart. Wilt u een offer brengen, breng dan uzelf; er is geen andere gave die de HEERE zozeer begeert.
De profeet noemt drie dingen die de HEERE van Zijn volk eiste. Recht te doen: hier zijn de billijkheden van het leven. Weldadigheid lief te hebben: hier zijn de vriendelijkheden van het leven, die opgewekt bewezen moeten worden. De profeet zegt niet: weldadigheid te dóen, maar haar lief te hébben en er behagen in te scheppen. Groot genoegen te vinden in het vergeven van beledigingen, in het helpen van de armen en in het opbeuren van de zieken. En in het onderwijzen van de onwetenden en het terugwinnen van zondaars voor de wegen van God. En ootmoediglijk te wandelen met uw God.
Het wándelen met God duidt op een werkzame gewoonte, op een omgang in de gewone bewegingen van de dag. Sommigen buigen zich ootmoedig voor God in het uur van het gebed. Anderen zitten ootmoedig in Zijn tegenwoordigheid in de tijd van de overdenking, en weer anderen werken zich op om tot God te naderen in tijden van godsdienstige opwinding. Maar dat alles schiet tekort bij het wándelen met God.
Wandelen is een gewone gang, een alledaagse voortgang, en het lijkt geen grote inspanning te vergen. Maar het is een praktische, werkzame gang, een tempo waarin men door en door kan gaan en tegen zonsondergang een dagreis afgelegd heeft. Met God wandelen betekent dus altijd bij God zijn, ook bij Hem zijn in de gewone dingen. Bij Hem zijn op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag, zowel als op de dag des HEEREN. Het betekent bij Hem zijn in de winkel, bij Hem in de keuken, bij Hem op het veld. Het is Zijn tegenwoordigheid gevoelen in het kopen en verkopen, in het wegen en meten, in het ploegen en maaien. Het is de meest gewone handelingen van het leven doen als voor de HEERE.
En dan komt het bepalende woord erbij: oótmoediglijk. Wanneer onze wandel met God het nauwst en het helderst is, moeten wij overweldigd worden door aanbiddende verwondering. Wat een neerbuiging, die ons toestaat eraan te denken met de Eeuwige te spreken! Bij die eerbied moet een bestendig besef van afhankelijkheid komen. Ootmoedig met God wandelen betekent dat wij dagelijks al onze voorraad uit Hem putten en dankbaar erkennen dat het zo is. Wij mogen nooit een gedachte van onafhankelijkheid van God koesteren, alsof wij iets waren of iets buiten Hem konden doen.
Ootmoedig met God wandelen sluit ook een diepe eerbied voor Zijn wil in, en een blijde onderwerping eraan: zowel werkzame gehoorzaamheid als lijdelijke berusting. Onder snijdende verdrukkingen roept het ootmoedig wandelen met God uit: “Hij is de HEERE; Hij doe, wat goed is in Zijn ogen!” Beveelt de HEERE mij Hem te dienen, dan moet ik om genade pleiten om in de weg van Zijn geboden te lopen. En kastijdt de HEERE mij, dan moet ik om lijdzaamheid bidden om Zijn beschikkingen te dragen. De praktische uitkomst van al die inwendige verootmoediging zal zijn dat wij ons jegens anderen gedragen en ons in alles bewegen onder de invloed van een ootmoedige geest.
Micha 6:9.KruisverwijzingenJesaja 30:27→Sefanja 3:2→Jesaja 10:5→Amos 2:5→Hosea 13:16→Psalmen 9:16→Micha 3:12→Jesaja 40:6→
— De stem des HEEREN roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!
Gods stem tot Zijn volk klinkt vaak door hun verdrukking heen: hoort de roede. Hij wil dat wij verstaan dat oordelen en rampen Zijn stem zijn die tot de stad roept. Och, dat wij mannen van wijsheid waren en hoorden wat God te zeggen heeft! Helaas, Israël hoorde niet, en Juda wilde niet luisteren, zelfs niet naar de eigen stem van God.
Micha 6:10.KruisverwijzingenAmos 3:10→Amos 8:5→Jeremia 5:26→Deuteronomium 25:13→Jakobus 5:1→2 Koningen 5:23→Leviticus 19:35→Hosea 12:7→
— Zijn er niet nog, in eens ieders goddelozen huis, schatten der goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verfoeien is?
Hier komt Hij op de praktijk. In de dagen van Micha waren mensen rijk geworden door verdrukking, door een gebrek aan recht. Zij hadden hun medemensen onrecht gedaan. En God vroeg hun of zij verwachtten Hem aangenaam te zijn, terwijl hun huizen vol schatten waren die zij feitelijk gestolen hadden door krappe maat en te licht gewicht.
God verwaardigt Zich zelfs deze kleine bijzonderheden van het zedelijk gedrag aan te wijzen, en zo behoren Zijn knechten dat ook te doen. Het is niet aan ons, Zijn dienaren, om in de wolken te zweven en u met de grootsheid van onze gedachten en woorden te verbazen. Het is aan ons om in uw winkels te komen en naar uw maten en gewichten te kijken.
Micha 6:11-12.KruisverwijzingenHosea 12:7→Hosea 7:13→Jesaja 1:23→Jeremia 9:8→Jeremia 9:2→Jesaja 3:8→Micha 2:1→Jesaja 5:7→
— Zou ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen? Dewijl haar rijke lieden vol zijn van geweld, en haar inwoners leugen spreken, en haar tong bedriegelijk is in haar mond;
Zij waren, denk ik, ongeveer zoals oosterlingen nog altijd zijn: u kunt niet met hen handelen zonder meer dan twee ogen nodig te hebben. Hun prijs moet omlaag gepraat worden; hun hoeveelheden moeten nageteld worden. God wilde niet dat Zijn volk zo zou zijn. Hij zegt niets over de Moabieten of de Babyloniërs die dat deden; maar dat Zíjn volk het deed, was Hem zeer smartelijk.
Micha 6:13.KruisverwijzingenPsalmen 107:17→Handelingen 12:23→Jesaja 1:5→Deuteronomium 28:21→Hosea 5:9→Jesaja 6:11→Klaagliederen 1:13→Hosea 13:16→
— Zo zal Ik u ook krenken, u slaande, en verwoestende om uw zonden.
Zij logen en zij bedrogen, en daarom zou God hun een kwalijke tong geven, die van hun slechte gezondheid getuigde. Hij zou hun tegenwoordige benauwdheid steeds erger maken, totdat zij ziek zouden zijn van hun wonden.
Micha 6:14.KruisverwijzingenHosea 4:10→Leviticus 26:26→Amos 9:1→Deuteronomium 32:22→Jesaja 9:20→Jesaja 3:6→Jesaja 24:17→Jesaja 65:13→
— Gij zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw nederdrukking zal in het midden van u zijn; en gij zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat gij zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.
De voldoening die het eten ons geeft, komt uit Zijn barmhartigheid. En wil Hij het, dan kan Hij zeggen: “Gij zult eten, maar niet verzadigd worden.” U zult een innerlijke leegte gevoelen; ook wanneer u gegeten hebt, zult u mat zijn als iemand die niets gegeten heeft. Zo zouden zij in elk plan teleurgesteld worden en in elk voornemen verijdeld, omdat God tegen hen zou zijn.
Micha 6:15.KruisverwijzingenSefanja 1:13→Amos 5:11→Jeremia 12:13→Deuteronomium 28:38→Hagai 1:6→Leviticus 26:20→Joël 1:10→Jesaja 65:21→
— Gij zult zaaien, maar niet maaien; gij zult olijven treden, maar u met olie niet zalven, en most, maar geen wijn drinken.
God kan mensen elke vorm van uitwendige voorspoed geven en er toch niets van laten worden. Ik vrees dat sommigen, misschien sommigen die hier zijn, elke uitwendige godsdienstige zegen hebben en dat er toch niets van komt. U hoort preken, u komt naar de samenkomsten, u treedt de olijven — maar u wordt niet met de olie gezalfd. De druiven liggen in de perskuip, maar u drinkt de wijn niet. God beware ons voor die droeve toestand!
Micha 6:16.KruisverwijzingenJeremia 51:51→Jeremia 7:24→1 Koningen 16:25→Psalmen 44:13→Jeremia 19:8→Jesaja 25:8→1 Koningen 21:25→Daniël 9:16→
— Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het ganse werk van het huis van Achab; en gij wandelt in derzelver raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; alzo zult gij de smaadheid Mijns volks dragen.
Zij wilden de inzettingen van God niet houden, maar de vuile inzettingen van Omri konden zij wél houden. Achab was een aartsopstandeling tegen God; denk aan zijn moord op Naboth om de wijngaard van die man te krijgen. En deze mensen volgden zijn boze voorbeeld.
Het was zeer zwaar die smaad te dragen, terwijl er geen vertroostingen van de Geest bij zouden zijn. Er zijn belijders die de smaad van Christus dragen maar Zijn kroon nooit zullen delen; dat is een vreselijke toestand. Graag genoeg zouden wij die smaad opnemen om waarlijk de Zijnen te zijn. Maar belijden wij het volk van God te zijn en handelen wij daarmee in strijd, dan zullen wij alle smaad dragen en niets hebben om ons eronder staande te houden. O HEERE, verlos ons daarvan door Uw barmhartigheid!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
C. Het derde of laatste deel van ons Boek bevat de beide laatste hoofdstukken, en beschrijft voor het volk den weg, die alleen uit de gerichten tot die zaligheid voert, welke in het vorige beschreven is, namelijk alleen oprechte boete en onderwerping onder het gericht, dat over het volk komt om zijne ondankbaarheid. Dit is geen andere heilsweg, dan die in het Nieuwe Verbond is geopenbaard en eeuwig blijft: niet eigen werken, maar alleen de barmhartigheid en de genade Gods, en de ootmoedig gelovige aanneming daarvan van de zijde der mensen. Volgens de twee hoofdstukken is het geheel in twee delen verdeeld. In de eerste afdeling spreekt de Heere, en in de tweede het volk des Heeren. In de eerste zien wij wat de Heere tot zaligheid van Zijn volk doet, en in de tweede wat het volk doet, om deze deelachtig te worden. Zo vonden wij eerst de vermaning tot bekering, en vervolgens het berouwvol gebed.
I. Vs. 1-16.KruisverwijzingenDeuteronomium 10:12→Jeremia 22:3→Hosea 6:6→Kolossenzen 3:12→1 Petrus 5:5→Jesaja 66:2→Deuteronomium 32:1→Micha 1:2→
— Hoort nu, wat de HEERE zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen. Hoort, gij bergen! den twist des HEEREN, mitsgaders gij sterke fondamenten der aarde! want de HEERE heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israel in recht begeven. O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij. Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht henen gezonden Mozes, Aaron en Mirjam. Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des HEEREN kent. Waarmede zal ik den HEERE tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren? Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel? Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God? De stem des HEEREN roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft! Zijn er niet nog, in eens ieders goddelozen huis, schatten der goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verfoeien is?
De Profeet begint in den naam des Heeren enen rechtsstrijd te voeren met het afvallige volk, waarin hij het zijne snode ondankbaarheid voor alle de grote weldaden des Heeren voorhoudt (vs. 1-5). Daar Israël deze weldaden niet kan loochenen, moet het bekennen, dat het de liefde van Zijnen God schandelijk heeft beantwoord en het vraagt hoewel zonder diepe belijdenis van zijn verderf, hoe het den toorn Gods over zijn afval weer kan verzoenen. De Profeet wijst hen aan, dat generlei uitwendig werk, zelfs niet de grootste offers Gods genade weer kunnen verwerven, naar alleen gerechtigheid, liefde en ootmoed, de drie hoofdeischen der wet (vs. 6-8). Omdat echter Israël dit niet wil, zo zal de Heere Zijn volk straffen. De Profeet houdt het volk hierop nog eerst de zonden voor, welke onder hen heersen, het tegendeel dier drie deugden, namelijk de ongerechtigheden, de leugen en zelfzucht. Zulk een verderf verdient ook zware straf; daarom zal de Heere zwaard en hongersnood over Zijn volk brengen, zodat de heidenen met hen zullen spotten en zich daarover ontzetten (vs. 9-16).
Hoort nu, gij leden van Mijn volk! wat de HEEREtot mij, Zijnen profeet, zegt: Maak u op, twist, begin als Mijn pleitbezorger in Mijnen naam enen rechtsstrijd met dit volk, met de bergen, en laat de heuvelen, uwe stem horen (Deut. 32:1. Jes. 1:2). Laat hen, die gezien hebben, wat Ik in den vorigen tijd en tot nu toe voor Mijn volk gedaan heb, en die weten hoe het Mij daarvoor van ouds beloond heeft, getuigen, of Mijne klacht die Ik zal aanheffen, rechtvaardig is. Het menselijk hart is harder dan een steen. De rotsen moeten bewogen worden door de grondeloze goedertierenheid van God, en door Zijne kracht; de mensen blijven ongeroerd. Zo deze zwijgen, zo zullen de stenen roepen.
Hoort dan, gij bergen! den twist des HEEREN, de klacht, welke Hij door mijnen mond tegen Zijn volk wil aanheffen, mitsgaders gij sterke, eeuwig gelijke, onveranderlijke, en daarom getrouw getuigenis gevende fondamenten der aarde 1), want de a) HEERE heeft enen twist met Zijn volk, dat door Hem duur gekocht, en trouw en gehoorzaamheid aan Hem verschuldigd is; Hij zal een rechtsstrijd of proces met hen voeren, en Hij zal Zich met Israël in recht begeven. Hij zal het aanklagen, en horen wat het te klagen of hoe het zich te verdedigen heeft.
Hos. 4:1. Micha roept hier gene andere getuigen op dan de bergen, en wel in hun bijzondere eigenschap als de eeuwig getrouwe toeschouwers van al de daden Gods en der mensen. Ene omschrijving der bergen, die in dichterlijken stijl worden voorgesteld als de pilaren, waarop het aardrijk rust, waarop ook hun voet of wortelen gezegd worden te reiken tot aan het dodenrijk. De bergen en de fundamenten der aarde worden hier opgeroepen om te horen en te besluiten als het ware, aan wiens zijde het recht is. Of de Heere terecht een twist heeft met zijn volk of niet. De Heere wil den twist onderzocht hebben, opdat het blijken moge, dat Hij rechtvaardig is en rechtvaardig handelt, wanneer Hij met Zijn volk in tegenheden wandelt.
O Mijn 1) volk! wat heb Ik u gedaan? Ik heb u groot gebracht, gij behoort Mij alleen toe, waarom hebt gij Mij vergeten? En waarmee heb Ik u vermoeid, u gekweld, u beledigd, dat gij een afkeer van Mij hebt gekregen en van Mij zijt afgevallen? Heb Ik iets van u geëist, dat te zwaar en te groot was, of heb Ik niet gehouden wat Ik u heb beloofd? Betuig tegen Mij en klaag Mij aan, zo Ik onrecht deed 2).
Die Hem geen God wilden noemen, noemt Hij Zijn volk; die Hem het bestuur ontnemen, behandelt Hij niet als oproermakers, maar Hij lokt ze zacht tot zich, en zegt: Mijn volk, wat heb Ik u gedaan? Ben Ik u ooit tot last of onverdraaglijk geweest? Maar gij kunt niets van dat alles zeggen: dan hadt gij ook niet mogen afvallen. Want waar is een zoon, dien de Vader niet kastijdt? Gij meent echter niet eens nodig te hebben daarvan te spreken.
De Heere spreekt niet met den donder der wet, maar met de veel dieper doorsnijdende innigheid der gekrenkte liefde. Wat God ook aan ons van der jeugd af gedaan heeft, het zijn enkel weldaden. Zo moeten wij ook bij smartelijke dagen weten, dat de ure komt, waarin wij die als gunste Gods zullen erkennen. Wat voor Israël de verlossing uit Egypte is, dat is voor ons de verlossing van alle zonden van den dood en van het geweld des duivels. Daardoor zijn wij Zijn heilig volk en Zijn eigendom geworden. Hoezeer uwe verdorvenheden opzien tegen de vermanende woorden van den dienst Gods, zo kan er nochthans geen ware reden gehoord worden, waarom iemand verkiezen zou om God te verlaten, maar veel meer om Hem aan te kleven, nademaal Zijne geboden niet zwaar zijn, zijn juk zacht is en de beproevingen, die van Hem worden toegezonden, niet boven mate, noch Zijne straffen boven onze verdiensten zijn, en daar ook een Middelaar is, om voor Zijn volk in te staan in alle angsten en benauwdheden. Hierom wil de Heere het bepleit hebben, en dat Hem de conscientie van alle verlosten Hem zouden rechtvaardigen.
Gij kunt niets tegen Mij inbrengen, gij moet verstommen, Ik heb u niets dan weldaden bewezen. Immers, om u het eerste en grootste van al Mijne liefdebewijzen te herinneren, heb Ik u uit a) Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost, zodat gij eerst door Mij een vrij zelfstandig volk werdt, en Ik heb voor uw aangezicht henen gezonden Mozes, met wien Ik als met een vriend heb gesproken, Aäron, den Hogepriester, die u steeds Mijnen raad en wil verkondigde, en Mirjam, de door Mijnen Geest verlichte profetes, die drie voorbeelden van al degenen, die Ik u tot onderhouding van mijn verbond met u heb gezonden.
Ex. 12:51; 14:30 Even als de verlossing uit Egypte als begin der schepping van Gods volk alle volgende werken van bescherming en redding hiermede insluit, zo zijn de drie personen, Mozes, Aäron en Mirjam de typen der gehele wetgeving, van het gehele priesterschap, en van alle profeten, dus van alle goddelijke instellingen der zaligheid van Israël.
Mijn volk, overzie toch alle bewijzen Mijner genade omtrent u, gedurende den tocht door de woestijn, welke even zo vele bevestigingen waren van uwe eerste verkiezing door Mij tot aan uwen intocht in het heilige land. Hoe groot was onder anderen Mijne laatste wonderdaad in de woestijn! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab. beraadslaagde, namelijk om u door zijnen vloek te verderven, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoorddeop zijn herhaalde eis om u te vervloeken. Daar de Heilige Geest hem drong, kon hij niet anders dan met de grootste zegeningen zegenen, hoewel hij u wilde vloeken (Num. 22-24). Denk er aan hoe die zegen zichtbaar was in alles, en wat geschied zij van Sittim af, uw laatste station aan gene zijde van den Jordaan tot Gilgal toe, het eerste station in het land Kanaän. Dat alles moet gij bedenken, opdat gij de gerechtigheden des HEEREN kennet, opdat gij weet, hoe Hij door wonderen Zijner almacht u de gerechtigheid heeft betoond, welke getrouw vervult wat zij toezegt. In den tijd der reize van Israël van Sittim naar Gilgal heeft niet alleen de raadslag van Balak en het antwoord van Bileam plaats, waardoor het plan, tot vernietiging van Israël uitgedacht, werd afgewend, maar ook de overwinning der Midianieten, die Israël door verleiding tot afgodendienst wilden verderven, de wondere overtocht over den Jordaan, de intocht in het beloofde land, en de besnijdenis te Gilgal, waardoor het geslacht, opgegroeid in de woestijn, in het verbond met Jehova werd opgenomen, en het gehele volk weer in de normale betrekking tot zijnen God werd geplaatst. Door deze daden heeft de Heere den raadslag van Balak factisch beschouwd, en het antwoord van Bileam als door God ingegeven bekrachtigd.
De Heere is rechtvaardig, zo zal Mij wel Israël antwoorden, voor zover het zijne ogen niet voor de wonderen sluit: ik heb met schandelijken ondank en afval al Zijne goedheid en trouw beloond. O zeg mij, gij Profeet en mond van God: Waarmee zal Ik den HEERE tegenkomen? Hoe zal ik mijne misdaden weer goed maken, en mij in ootmoed bukken voor den hogenboven alles machtigen God? Zal ik, zo als mij is geboden, Hem tegenkomen met brandofferen, en in ‘t bijzonder met eenjarige kalveren, de voornaamste offerande? In plaats van zoenoffers aan te bieden, door welke de door de zonde verstoorde verbondsbetrekking weer zon kunnen hersteld worden, spreekt het volk alleen van brandoffers, welke toch alleen door het volk, dat nog in het verbond stond tot versterking der gemeenschap met God, en alleen als teken zijner gehele overgave aan Hem konden worden gebracht. Daardoor toont het duidelijk, dat het nog gene erkentenis van zijnen afval bezit, maar nog altijd in den waan en het zelfbedrog leeft, als stond het werkelijk in het verbond Gods, en had het op ‘t hoogst ene versterking nodig in de genade des verbonds, als waren misstappen zo weinig in staat, zijne verhouding tot God te schaden, dat het maar enige offers nodig had, om den toorn te stillen. God had de offers geboden, maar Hij wilde ze aannemen als zekere getuigenissen van gehoorzaamheid jegens Hem, wanneer zij niet ongehoorzaam waren in veel grotere en gewichtiger zaken. Maar omdat zij den meer betekenden dienst Gods nalieten, en de mindere diensten met zulk ene goddeloze mening verrichtten, dat namelijk de offeranden ene betaling hunner zonde zouden zijn, zo heeft God een afkeer van de offeranden, en belacht ze.
Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, zo wij Hem die brachten ten brandoffer? aan tien duizenden van oliebeken, zo wij die als spijsoffers aan de brandoffers toevoegden? Wij zouden ze gaarne brengen. Zal ik, zo offeranden niet voldoende zijn, wat mij het dierbaarst en liefst is, mijnen eerstgeborene geven tot een offer voor mijne overtreding, of iets anders, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel? 1)
Aan deze aanbieding ligt zeker de juiste gedachte ten grondslag, dat het offer de overgave des mensen aan God afschaduwt, en het dus gene voldoende betaling is voor den mens; maar deze ware idee werd toch door de eigenlijke (lichamelijke) mensenoffers niet verwezenlijkt, maar integendeel in een goddelozen gruwel verkeerd, omdat de overgave, welke God verlangt, niet in vlees bestaat, maar in den geest. Dit kon en zou Israël niet alleen uit de van God geëiste offering van Izak, maar ook uit de wet over de wijding of heiliging der eerstgeboorte (Ex. 13:12 vv.) leren. Alzo toont ook deze aanbieding des volks, dat het de ware kennis van den wil zijns Gods mist, dat het nog in den heidensen waan verkeert, dat Gods toorn door mensenoffers zou kunnen worden verzoend.
Neen nooit kan zulk een uitwendig handelen, waaraan de ziel ontbreekt, den toorn van den sterken en ijverigen God verzoenen, noch de zonde bedekken. Hij heeft u bekend gemaakt, door Mozes in de wet duidelijk gezegd, o mens! wat goed is, en Gode, den alleen Goede, welgevallig; en wat eist de HEERE van u? Gij moest dat weten en behoeft gene uitvluchten voor uw geweten te zoeken. Zeker gene uitwendige offeranden van welken aard ook, maar alleen vervulling van de volgende drie plichten: niet anders dan recht te doen omtrent uwen naaste, en weldadigheid omtrent hem lief te hebben en uit te oefenen, in welke drie plichten de geboden der 2de tafel begrepen zijn, en ootmoediglijk, vol vreze, liefde en vertrouwen te wandelen met uwen God, waarin de geboden der eerste tafel zijn begrepen (Deut. 10:12)? Gij doet echter van die allen het tegendeel, daarom kan de Heere aan gene offeranden, hoe groot ook, een welgevallen hebben (1 Sam. 15:22. Hos. 6:6) Wanneer gij God zoekt, zo vraag uzelven voor alle dingen af: wat zoekt God in mij, Het “recht doen (Hand. 10:35) is een moeilijk stuk, en wie dat goed doordenkt, bemerkt, dat voor God niemand, die leeft, rechtvaardig is. De kracht daartoe komt echter uit de genade. Wel is de milddadigheid jegens den naaste bedoeld (Hos. 6:6), maar opzettelijk is de uitdrukking zo gesteld, dat men denken moet aan de grondeloze genade van Hem, die ons eerst heeft liefgehad. Die zich inbeeldt, dat hij de eerste is, die lief heeft, zal tot het derde, den ootmoedigen wandel niet komen. Of toont hij ook uitwendig ootmoed, zo is dat toch ene armzalige bedekking over een opgeblazen en trots hart. En hoogmoed in Gods huis is het ergste. Wanneer gij doet wat Hij u beveelt, zo komt in u gericht en gerechtigheid; Vooreerst gericht in u zelven? Dat gij een afkeer hebt van hetgeen gij waart, en erkent dat gij kondet geweest zijn, wat gij niet waart. Een gericht, zeg ik, in uzelven over u zelven zonder aanzien des persoons, dat gij uwe zonden niet verschoont, en ze u niet behagen, omdat gij ze hebt gedaan. Gij zult uzelven niet prijzen om iets goeds in u, en daarentegen God aanklagen om iets kwaads aan u; dat zou een verkeerd oordeel zijn, en juist daarom geen gericht, maar zonde. Dit is de vraag van een ontwaakt geweten. “Waarmee zal ik den Heere tegenkomen? Een niet ontwaakt zondaar komt nooit tot die vraag. Een natuurlijk mens begeert niet voor God te verschijnen, of zich neer te buigen voor den Allerhoogste. Hij denkt niet gaarne aan God. Hij denkt liever over alle andere dingen. Hij vergeet spoedig wat van God tot hem gesproken was. Een natuurlijk mens heeft geen geheugen voor goddelijke zaken, omdat hij er geen hart voor heeft. Hij kent geen verlangen om voor God te verschijnen in het gebed. Niets is er, dat een natuurlijk mens meer haat, dan juist het gebed. Hij zou liever elken morgen een half uur zijn lichaam kastijden, of zwaren arbeid verrichten, dan het in de gemeenschap met God door te brengen. Hij verlangt ook niet voor God te verschijnen, als hij gaat sterven. Hij weet, dat hij voor God verschijnen moet; maar dit is hem gene oorzaak van blijdschap. Liever zou hij in het niet terugzinken, liever zou hij nooit Gods aangezicht aanschouwen. Och, mijne vrienden, is dat uw gemoedstoestand? Twijfel er dan niet aan, of gij zijt in het vlees, dat vijandschap is tegen God. Gij zijt gelijk Faraö: Wie is de Heere, dat ik Hem dienen zou? Gij zegt tot God: wijkt van mij, want in de kennis uwer wegen heb ik geen lust. Welk een vreselijke toestand voor een mens, geen lust te hebben aan de kennis van Hem, die de Fontein is van levend water! I. Dit is de grote vraag van den ontwaakten zondaar. a. Ene ontwaakte ziel gevoelt, dat voor God te verschijnen haar hoogste geluk is. Dat maakte ook vóór den val, Adams grootste gelukzaligheid uit. Hij gevoelde zich als een kind onder het oog van zijn liefhebbenden Vader. Het was zijne hoogste vreugde tot God te mogen naderen, door Hem bemind te worden, te mogen zijn als een stofje in den zonnestraal, zich zonder ophouden te baden in den zonnegloed Zijner liefde, zonder wolk of voorhangsel, die hem van God scheidde. Dit is de zaligheid der heilige engelen, voor den Heere te verschijnen en zich neer te buigen voor den hogen God. Verzadiging der vreugde is voor Zijn aangezicht. Ook de gelovige verlangt naar God, om voor Zijn aangezicht te verschijnen, Zijne liefde te gevoelen, zich in de eenzaamheid nabij Hem te gevoelen, en in het woelige leven verzekerd te zijn, dat hij nader bij Hem is dan enig schepsel. Mijne geliefde broeders! Hebt gij ooit deze gelukzaligheid gesmaakt? Er is groter zielsrust en hoger vreugde te smaken in ééne ure in gemeenschap met God doorgebracht, dan in ene eeuwigheid bij de mensen. Bij God te zijn, onder Zijne liefde, onder Zijn oog, dat is de hemel; waar het ook zij, God kan u gelukkig doen zijn onder alle omstandigheden. Zonder Hem zal niets ter wereld dit vermogen. b. Een ontwaakt gemoed gevoelt de moeilijkheden, die het in den weg staan, om voor God te verschijnen. Er bestaan twee grote bezwaren: vooreerst: de natuur des zondaars. O, mijne broeders, als God u ooit aan uzelven ontdekt heeft, zult gij u verwonderen, dat zulk een werktuig der zonde en der hel zo lang heeft mogen leven en adem halen; dat God u met zoveel lankmoedigheid verdragen heeft. Dan zult gij uitroepen: Waarmee zal ik den Heere tegenkomen? Al verscheen de gehele wereld voor Zijn aangezicht, hoe zou ik kunnen bestaan? Ten tweede: De natuur van God. Hij is “de hoge God. ” Als God werkelijk de ziel doet ontwaken, openbaart Hij haar gewoonlijk iets van Zijne eigene heiligheid en majesteit. Zo deed Hij met Jesaja (Jes. 6). II. Het antwoord des vredes tot de ontwaakte ziel. Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is. Niets, dat de mens zelf aanbiedt, kan hem rechtvaardig maken voor God. Het natuurlijke hart streeft er altijd naar zelf iets aan te brengen, dat hem als een mantel der gerechtigheid voor God kan bedekken. Er is niets, dat de mens niet gaarne zou willen doen, niets dat hij niet zou willen lijden, als hij zich zelven slechts daarmee bedekken kon voor God. Tranen, gebeden, stipte plichtsbetrachting, zelfverbetering, godsdienstige verrichtingen, alles wil dat hart zich opleggen om rechtvaardig te zijn voor God (Mc. CHEYNE). Duidelijk en onbetwistbaar is het, dat de profeet met de woorden: “Hij heeft u bekend gemaakt wat goed is, ” terugwijst op zijne vroegere Evangelieprediking, door welke de zondaar op den Messias als op den Immanuël Gods gewezen werd, in en door wien de Heere doen wilde, hetgeen der wet onmogelijk was om te doen (4:8 en 5:2-4a). Met de gerechtigheid van dezen Middelaar kan en mag de schuldige zondaar alleen tot God komen en in Zijne gunst staan, hetwelk in enen anderen weg onmogelijk is. Daaraan dan ook te beantwoorden, door recht te doen weldadigheid lief te hebben, en met God, als met zijnen vertrouweling, in heiligen omgang te wandelen, dat is het wat door alle tijden heen het gehele Godsdoel is, tot redding van een zondigen mens en van een schuldig volk, en hetwelk juist het tegenovergestelde in zich bevat van hetgeen in onze zondige natuur gevonden wordt. Indien dit nu, ook voor ons, de weg der behoudenis is, dan hebben wij vóór alle dingen kennis der zonden nodig, en zal die niet onder den goddelijken zegen bevorderd worden door den indruk: God spreekt tot ons. Zal deze indruk niet verdiept worden door de treffende herinnering aan de alwetendheid Gods, door welke Hij het wezen, de zaak, de eigen gesteldheid van een mens en van een volk door en door kent en doorgrondt? . De Heere God treedt hier op met den eis der Wet. Als Israël vraagt, waarmee zal ik den Heere tegenkomen, dan wijst God op wat Hij in Zijn Wet eist. En dat om Israël in het stof te doen bukken, opdat Israël zou weten, dat het aan alle de geboden Gods schuldig staat en dat het niets kan doen, om Gods gunst te verdienen. God handelt hier met Israël als eeuwen daarna de Zone Gods en des mensen handelde met den rijken jongeling.
De stem des HEEREN roept daarop krachtig richtende tot de stad Jeruzalem, waar de zonde des volks hare bron en haardstede heeft, (want Uw naam, die Zich ook in het gericht openbaart, o Heere, ziet het wezen1); Gij kent de werkelijkheid): Hoort de roede des gerichts, waarmee de Heere u dreigt, en wie ze besteld heeft! 2)
In het Hebr. Wethoesjiach jirah sjemèka Beter: En wijsheid zal Uw naam zien. Dat is: Wie wijs is, zal in die stem den naam Gods in het oog vatten. Zal zien, dat het God is, die aldus spreekt en niet anders kan spreken. Terecht merkt Henry hierbij op: “Wanneer Gods stem tot ons roept, kunnen wij daardoor Zijn Naam zien, wij kunnen dikwijls onderscheiden en begrijpen, waardoor hij zich bekend maakt. “
Elke roede heeft een stem, en het is Gods stem, welke in Gods roede moet gehoord worden. En het is goed voor hen, die dezelve taal verstaan, hetwelk indien wij willen doen, zo moeten wij een oog hebben op Hem, die ze besteld heeft.
Zijn er niet nog opgehoopt in eens ieders goddelozen huis schatten der goddeloosheid, rijkdommen, door allerlei misdaad verworven? en ene van God gehate en vervloekte schaarse efa, dat te verfoeien is? (Deut. 25:16).
Zou Ik rein zijn met of, bij ene goddeloze weegschaal? Zou Ik die kunnen dulden? en Mij kunnen verdragen met enen zak van bedrieglijke a) weegstenen? Zou ik u ondanks uwe dagelijks terugkerende zware zonden van bedrog voor rechtvaardig verklaren en onstrafbaar houden?
Hos. 12:8. Vele verklaarders nemen in dit vers niet den Heere als subject, maar de onrechtvaardige rijken, aan welke de Profeet de vraag in den mond legt; ongeveer in dezen zin; vraag toch eens uzelven af: kan men bij ene onrechtvaardige weegschaal rein en onschuldig blijven?
Dewijl hare rijke lieden vol zijn van bedrog en geweld, en, wat de overigen aangaat, hare inwoners leugen spreken, en hare tong a) bedrieglijk is in haren mond, ja het ganse volk een volk is geworden van leugenaars en bedriegers.
Jer. 9:8.
Zo zal Ik u nu ook krenken, u slaande, 1) en u al uwe zonden vergeldende, zodat niemand uwe slagen kan genezen, en u met uw land verwoestende om uwe zonden.
Dat is: Ik zal u onherstelbaar slaan. De Heere God begint hier weer met de dreiging van straf. In vs. 10-12 wordt de zonde des volks opgesomd en hier de straf op de zonde. De zonde is ook hier weer inzonderheid die van onrecht en bedreiging tegen den naaste, het verdrukken van den ellendige, het zich verrijken ten koste van den arme. Het recht werd gebogen en de meesten wandelden geheel naar het goeddunken van hun hart, onder den schijn van recht te doen. Inderdaad noemt men daarmee God tot een bondgenoot in de zonde, en het is daarom, dat de Heere God zo schrikkelijk toornt tegen die zonde en die ongerechtigheid. De zonde van hen, die van God en Zijn dienst afweten, is veel schrikkelijker in de ogen Gods, dan die van hen, die van de waarheid Gods onkundig zijn.
Gij zult voor de vijanden, die Ik als roede van Mijnen toorn over u zend, in uwe vestingen vluchten, eten, maar daarin niet verzadigd worden, en uwe nederdrukking zal in het midden van u zijn, de honger zal u doen versmachten, en gij zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, ontwijken maar niet ontkomen, en wat gij zult wegbrengen, wat den honger ontkomt, zal ik den vijand in handen laten komen, en aan het zwaard overgeven, zodat het daardoor wordt vernietigd, zo als Ik dat alles reeds in Lev. 26:25 vv. Deut. 28:39 vv. gedreigd heb. Ten opzichte der vervulling bij de verovering van Jeruzalem door de Assyriërs worde vergeleken Jer. 52:6. 2 Kon. 6:25.
Gij zult den a) zaaien, maar niet maaien, want de vijand zal de vrucht uwer moeite verteren en verderven, gij zult olijven treden, maar u met olie niet zalven, en most persen, maar genen wijn drinken, want ook dezen zal de vijand wegroven en verderven.
Deut. 28:38-40. Hagg. 1:6.
Zulk een ongeluk hebt gij meer dan verdiend, want de inzettingen van Omri worden onder u onderhouden in plaats van de rechten des Heeren. Gij leeft algemeen in den Baälsdienst, dien Omri, de vader van Achab en stichter van dat goddeloze koningshuis, invoerde (1 Kon. 16:25). Gij pleegt die afgoderij en het gansegoddeloze werk van het huis van Achab, die in den geest van zijnen vader voortging den Baälsdienst openlijk te begunstigen, de ware profeten te vervolgen, en roof en moord te plegen; en gij wandelt in derzelver raadslagen, gij zijt van dezelfde gezindheid als deze goddeloze regent, en maakt dus Jeruzalem wat Samaria onder die goddeloze koningen was. Gij doet dat, o volk! naardien gij opzettelijk en misdadig Mijne rechten veracht, opdat Ik u stelle tot verwoesting, en hare inwoners tot aanfluiting, zodat zij als een veracht geslacht op alle straten met hoon en spot worden overladen, alzo zult gij, ieder voor zijn aandeel, de smaadheid Mijns volks dragen, den smaad, dien het gehele volk, als het onder de heidenen zal zijn overgegeven, als Gods volk moet ondervinden. Zo luidt des Heeren vermaning tot boete-ene prediking van Gods goedheid en Gods ernst, vol liefde en trouw, maar ook van verpletterende bedreigingen, en overal blinkt klaar en duidelijk de weg door, waar zaligheid voor allen op is te vinden, die er naar begeren.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel