Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Voorts zeideH559 ik: HoortH8085 nu, gij hoofdenH7218 JakobsH3290, en gij overstenH7101 van het huisH1004 IsraelsH3478! BetaamtH3808 het ulieden niet het rechtH4941 te wetenH3045?
Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! Betaamt het ulieden niet het recht te weten?
KJV
And I said,1
Hear,2
I pray you, O heads4
of Jacob,5
and ye princes6
of the house7
of Israel;8
Is it not for you to know11
judgment?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Zij hatenH8130 het goedeH2896, en hebben het kwadeH7451 liefH157; zij rovenH1497 hun huidH5785 van hen af, en hun vleesH7607 van hun beenderenH6106.
Zij haten het goede, en hebben het kwade lief; zij roven hun huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen.
KJV
Who hate1
the good,2
and love3
the evil;4
who pluck off5
their skin6
from off them, and their flesh8
from off their bones;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Ja, zij zijn het, dieH834 het vlees mijns volksH5971 etenH398, en hun huidH5785 afstropenH6584, en hun beenderenH6106 verbrekenH6476; en vaneen leggenH6566, gelijk als in een potH5518, en als vlees in het middenH8432 eens ketelsH7037.
Ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, gelijk als in een pot, en als vlees in het midden eens ketels.
Ook in dit vers
vleesH1320
vleesH7607
KJV
Who also eat2
the flesh3
of my people,4
and flay7
their skin5
from off them; and they break10
their bones,9
and chop them in pieces,11
as for the pot,13
and as flesh14
within15
the caldron.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
AlsdanH227 zullen zij roepenH2199 totH413 den HEEREH3068, doch Hij zal hen nietH3808 verhorenH6030; maar zal Zijn aangezichtH6440 te dier tijdH6256 voor hen verbergenH5641, gelijk als zijH1931 hun handelingenH4611 kwaadH7489 gemaakt hebben.
Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE, doch Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dier tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.
KJV
Then shall they cry2
unto the LORD,4
but he will not hear6
them: he will even hide8
his face9
from them at that time,11
as they have behaved themselves ill14
in their doings.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
AlzoH3541 zegtH559 de HEEREH3068, tegenH5921 de profetenH5030, die Mijn volkH5971 verleidenH8582; die met hun tandenH8127 bijtenH5391, en roepenH7121 vredeH7965 uit; maar dieH834 niets geeftH5414 in hun mondH6310, tegenH5921 dien zo heiligenH6942 zij een krijgH4421.
Alzo zegt de HEERE, tegen de profeten, die Mijn volk verleiden; die met hun tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niets geeft in hun mond, tegen dien zo heiligen zij een krijg.
KJV
Thus saith2
the LORD3
concerning the prophets5
that make my people8
err,6
that bite9
with their teeth,10
and cry,11
Peace;12
and he that putteth15
not into their mouths,17
they even prepare18
war
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
DaaromH3651 zal het nachtH3915 voor ulieden worden vanwege het gezichtH2377, en ulieden zal duisternisH2821 zijn vanwege de waarzeggingH7080; en de zonH8121 zal overH5921 deze profetenH5030 ondergaanH935; en de dagH3117 zal overH5921 hen zwartH6937 worden.
Daarom zal het nacht voor ulieden worden vanwege het gezicht, en ulieden zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze profeten ondergaan; en de dag zal over hen zwart worden.
KJV
Therefore night2
shall be unto you, that ye shall not have a vision;4
and it shall be dark5
unto you, that ye shall not divine;7
and the sun9
shall go down8
over the prophets,11
and the day14
shall be dark
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En de zienersH2374 zullen beschaamdH954, en de waarzeggersH7080 schaamroodH2659 worden; en zij zullen al te zamenH3605 de bovenste lipH8222 bewimpelenH5844; wantH3588 er zal geenH369 antwoordH4617 GodsH430 zijn.
En de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al te zamen de bovenste lip bewimpelen; want er zal geen antwoord Gods zijn.
KJV
Then shall the seers2
be ashamed,1
and the diviners4
confounded:3
yea, they shall all cover5
their lips;7
for there is no answer11
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Maar waarlijkH199, ikH595 ben volH4390 krachtsH3581 van den GeestH7307 des HEERENH3068; en vol van gerichtH4941 en dapperheidH1369, om JakobH3290 te verkondigenH5046 zijn overtredingH6588, en IsraelH3478 zijn zondeH2403.
Maar waarlijk, ik ben vol krachts van den Geest des HEEREN; en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israel zijn zonde.
KJV
But truly1
I am full3
of power4
by the spirit6
of the LORD,7
and of judgment,8
and of might,9
to declare10
unto Jacob11
his transgression,12
and to Israel13
his sin.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
HoortH8085 nu ditH2063, gij hoofdenH7218 van het huisH1004 JakobsH3290, en gij overstenH7101 van het huisH1004 IsraelsH3478! die van het gerichtH4941 een gruwelH8581 hebt, en alH3605 wat rechtH3477 is verkeertH6140;
Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! die van het gericht een gruwel hebt, en al wat recht is verkeert;
KJV
Hear1
this, I pray you, ye heads4
of the house5
of Jacob,6
and princes7
of the house8
of Israel,9
that abhor10
judgment,11
and pervert15
all equity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
BouwendeH1129 SionH6726 met bloedH1818, en JeruzalemH3389 met onrechtH5766.
Bouwende Sion met bloed, en Jeruzalem met onrecht.
KJV
They build up1
Zion2
with blood,3
and Jerusalem4
with iniquity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Haar hoofdenH7218 rechtenH8199 om geschenkenH7810, en haar priestersH3548 lerenH3384 om loonH4242, en haar profetenH5030 waarzeggenH7080 om geldH3701; nog steunenH8172 zij opH5921 den HEEREH3068, zeggendeH559: Is de HEEREH3068 nietH3808 in het middenH7130 van ons? Ons zal geenH3808 kwaadH7451 overkomenH935.
Haar hoofden rechten om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld; nog steunen zij op den HEERE, zeggende: Is de HEERE niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen.
KJV
The heads1
thereof judge3
for reward,2
and the priests4
thereof teach6
for hire,5
and the prophets7
thereof divine9
for money:8
yet will they lean12
upon the LORD,11
and say,13
Is not the LORD15
among16
us? none evil20
can come
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
DaaromH3651, om uwentwil, zal SionH6726 als een akkerH7704 geploegdH2790 worden, en JeruzalemH3389 zal tot steenhopenH5856 worden, en de bergH2022 dezes huizesH1004 tot hoogtenH1116 eens woudsH3293.
Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds.
KJV
Therefore shall Zion3
for your sake2
be plowed5
as a field,4
and Jerusalem6
shall become heaps,7
and the mountain9
of the house10
as the high places11
of the forest.
hoofden Jakobs
Dat is, regenten.
Hertaald:
hoofden Jakobs
Dat is: bestuurders.
oversten van het huis Israëls
Zie Richt. 11:6 .
Hertaald:
oversten van het huis Israëls
Zie Richt. 11:6.
Betaamt het ulieden niet het recht te weten?
Hebr. en [is het] niet ulieder, of aan ulieden? dat is, hoort het, staat het u niet toe? betaamt het u niet? is het niet uw plicht, uws Gods recht te weten? Ganselijk, wil de profeet zeggen; verg. Jer. 5:4-5 ; zie van zulk vragen Richt. 4:6 , enz.
Hertaald:
Betaamt het ulieden niet het recht te weten?
Hebreeuws: en is het niet aan u? Dat is: hoort en past het u niet, betaamt het u niet, is het niet uw plicht om het recht van uw God te kennen? Zeker wel, wil de profeet zeggen; vergelijk Jer. 5:4-5; zie over zulk vragen Richt. 4:6, enzovoort.
zij roven
Door deze manier van spreken wordt de uiterste wreedheid, schenderij, schrobberij en tirannie van de regenten over hun onderdanen en medebroeders uitgedrukt, mnet welke zij handelden als leeuwen, beren en wolven.
Hertaald:
zij roven
Met deze manier van spreken wordt de uiterste wreedheid, uitbuiting en tirannie van de bestuurders over hun onderdanen en medebroeders uitgedrukt, met wie zij omgingen als leeuwen, beren en wolven.
huid van hen af
Zij villen de arme onderdanen de huid af, zij mergelen en zuigen hen uit, gelijk men van zulke mensen gemeenlijk zegt.
Hertaald:
huid van hen af
Zij villen de arme onderdanen de huid af, zij mergelen hen uit en zuigen hen leeg, zoals men van zulke mensen gewoonlijk zegt.
die het vlees mijns volks eten,
Anders; dat zij eten, is het vlees van mijn volk, enz. Zie Ps. 14:4 .
Hertaald:
die het vlees mijns volks eten,
Anders: wat zij eten is het vlees van Mijn volk, enzovoort. Zie Ps. 14:4.
verbreken
Of, in stukken klinken. Want het Hebr. woord heeft de betekenis van sterk geluid, gekraak, geklank, naar sommiger gevoelen. De zin is, dat zij al het vermogen van de onderdanen, [over welke zij als vaders en herders behoorden te zijn] met openbaar geweld, zonder enige schroom of deernis, verbrijzelen, vernielen en tot zich trekken, doende daarmede als volgt.
Hertaald:
verbreken
Of: aan stukken slaan. Want het Hebreeuwse woord heeft volgens sommigen de betekenis van hard geluid, gekraak of geklank. De betekenis is dat zij al het bezit van de onderdanen — over wie zij als vaders en herders behoorden te zijn — met openlijk geweld en zonder enige schroom of deernis verbrijzelen, vernietigen en naar zich toe trekken, en daarbij handelen zoals volgt.
vaneen leggen
Hebr. uitbreiden, dat is, zij gaan met de mensen en de roof te werk, alsof zij vlees en benen van geslachte beesten in een pot leggen om te koken. Verg. Ezech. 11:6-7 , met de aantekening. En zie gelijke manier van spreken in de beschrijving van de straf van deze booswichten, Ezech. 24:3-4 , enz.
Hertaald:
vaneen leggen
Hebreeuws: uitspreiden; dat is: zij gaan met de mensen en de buit te werk alsof zij vlees en botten van geslachte dieren in een pot leggen om te koken. Vergelijk Ezech. 11:6-7 met de aantekening, en zie een soortgelijke manier van spreken in de beschrijving van de straf van deze booswichten in Ezech. 24:3-4, enzovoort.
Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE,
Gelijk de plagen [in Mi. 2:3-5 , Mi. 2:10 , vermeld] hen zullen treffen, dan zullen zij nog wel zo onbeschaamd zijn dat zij God zullen aanroepen, alsof Hij hen behoorde te helpen; maar zij doen het zonder ware bekering van het hart, alleen uit gevoel van straf, daarom, enz.
Hertaald:
Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE,
Wanneer de plagen die in Micha 2:3-5 en Micha 2:10 genoemd zijn hen zullen treffen, zullen zij nog zo onbeschaamd zijn dat zij God aanroepen alsof Hij hen zou moeten helpen; maar zij doen het zonder ware bekering van het hart, alleen uit gevoel van de straf. Daarom, enzovoort.
verbergen
Zie Deut. 31:17 , en Job 13:24 .
Hertaald:
verbergen
Zie Deut. 31:17 en Job 13:24.
hun handelingen kwaad gemaakt hebben
Of, zich kwalijk gedragen hebben [in] hun handelingen, gelijk van de bekeerden gezegd wordt, dat zij hun wegen goed maakten. De zin is: Gelijk zij de arme onderdanen geplaagd hebben en zich over die niet hebben ontfermd, alzo zal Ik hun wederom doen, enz. Verg. Jak. 2:13 .
Hertaald:
hun handelingen kwaad gemaakt hebben
Of: zich slecht gedragen hebben in hun handelingen, zoals van de bekeerden gezegd wordt dat zij hun wegen goed maakten. De betekenis is: zoals zij de arme onderdanen geplaagd hebben en zich niet over hen ontfermd hebben, zo zal Ik met hen doen, enzovoort. Vergelijk Jak. 2:13.
bijten, en roepen vrede uit;
Onder voorwensel van liefde en vriendelijkheid, als grijpende wolven, de zielen moorden, door hun valse verleidende profetieën. Verg. Ezech. 13:18-19 en Ezech. 22:25 ; Matt. 7:15 . Of, als verhongerde beesten, verscheuren en veslinden wat men hun geeft, en roepen dan van vrede, geluk en voorspoed, als zij de buik vol hebben. Verg. Mi. 2:11 ; Jes. 56:10 , Jes. 56:11 ; Ezech. 13:3 met de aantekening.
Hertaald:
bijten, en roepen vrede uit;
Onder het voorwendsel van liefde en vriendelijkheid de zielen vermoorden als grijpende wolven, door hun valse, verleidende profetieën. Vergelijk Ezech. 13:18-19 en Ezech. 22:25; Matth. 7:15. Of: als uitgehongerde dieren verscheuren en verslinden wat men hun geeft, en dan van vrede, geluk en voorspoed roepen wanneer zij hun buik vol hebben. Vergelijk Micha 2:11; Jes. 56:10, Jes. 56:11; Ezech. 13:3 met de aantekening.
heiligen zij een krijg
Dat is, tegen die ruien en hitsen zij een ieder op, rusten toe, en nemen oorlog tegen hem aan, of verkondigen en profeteren hem alle kwaad, als zijnde een verachter van God en Zijn Woord, dat zij valselijk voorwenden. Zie van het Hebr. woord Jer. 6:4 .
Hertaald:
heiligen zij een krijg
Dat is: tegen zo iemand hitsen zij iedereen op, rusten zij zich toe en beginnen zij oorlog, of profeteren zij hem allerlei kwaad — alsof hij een verachter van God en Zijn Woord is, wat zij vals voorwenden. Zie over het Hebreeuwse woord Jer. 6:4.
nacht voor ulieden worden
Met deze manier van spreken voorzegt God deze valse profeten niet alleen verblinding van hun verstand [gelijk sommigen dat nemen], maar ook zware plagen, van allerlei ongeluk, lijden en droefenis. Zie Gen. 15:12 en Jer. 15:9 ; Joël 2:2 , Joël 2:31 , enz.
Hertaald:
nacht voor ulieden worden
Met deze manier van spreken voorzegt God deze valse profeten niet alleen verblinding van hun verstand, zoals sommigen dat opvatten, maar ook zware plagen van allerlei ongeluk, lijden en droefheid. Zie Gen. 15:12 en Jer. 15:9; Joël 2:2, Joël 2:31, enzovoort.
gezicht,
Dat is, om uw valse prefetieën die gij u beroemt door mijne openbaringen ontvangen te hebben. Verg. Zach. 13:4 . Of, Zodat gij geen gezicht zult hebben; dat is, niet meer kunnen profeteren. Alzo in het volgende: zodat gij niet zult kunnen waarzeggen; gij zult dan wat anders te doen hebben, dan met uw voorzeggingen of waarzeggerij om te gaan, dat zal u dan wel vergaan. Verg. Ezech. 12:23 .
Hertaald:
gezicht,
Dat is: om uw valse profetieën, waarvan u zich beroemt dat u ze door Mijn openbaringen ontvangen hebt. Vergelijk Zach. 13:4. Of: zodat u geen gezicht zult hebben, dat is: niet meer zult kunnen profeteren. Zo ook in het vervolg: zodat u niet zult kunnen waarzeggen; u zult dan wel wat anders te doen hebben dan u met uw voorzeggingen of waarzeggerij bezig te houden — dat zal u dan wel vergaan. Vergelijk Ezech. 12:23.
waarzegging
Verg. Ezech. 13:6-7 , enz. en zie van het Hebr. woord Spr. 16:10 .
Hertaald:
waarzegging
Vergelijk Ezech. 13:6-7, enzovoort, en zie over het Hebreeuwse woord Spr. 16:10.
zwart worden
Dat is, donker.
Hertaald:
zwart worden
Dat is: donker.
zieners zullen beschaamd,
Dat is, die valse profeten, die zich van mijn gezichten valselijk beroemen. Zie van het woord ziener. 1 Sam. 9:9 ; Ezech. 13:3 .
Hertaald:
zieners zullen beschaamd,
Dat is: die valse profeten, die zich ten onrechte op Mijn gezichten beroemen. Zie over het woord ziener 1 Sam. 9:9; Ezech. 13:3.
bovenste lip bewimpelen;
Of, knevelbaard, tot een teken van rouw. Zie Lev. 13:45 ; Ezech. 24:17 , Ezech. 24:22 met de aantekening.
Hertaald:
bovenste lip bewimpelen;
Of: knevelbaard, als teken van rouw. Zie Lev. 13:45; Ezech. 24:17, Ezech. 24:22 met de aantekening.
antwoord Gods zijn
Geen goddelijk gezicht of profetie, dat men God mocht raad vragen of troost bij Hem zoeken in het lijden. Verg. Ps. 74:9 ; Ezech. 7:26 ; Am. 8:11-12 , of geen verhoring; gelijk vs.4.
Hertaald:
antwoord Gods zijn
Geen goddelijk gezicht of profetie, zodat men God om raad zou kunnen vragen of troost bij Hem zou kunnen zoeken in het lijden. Vergelijk Ps. 74:9; Ezech. 7:26; Amos 8:11-12. Of: geen verhoring, zoals vers 4.
Maar waarlijk,
De profeet, verzekerd zijnde van zijn roeping, de waarheid van de goddelijke openbaringen en de gaven van de Heiligen Geest, die hem gezonden had, onderscheidt zich van de valse profeten, bevestigt zijn profetieën met het goddelijk gezag, tot onderwijs van de vromen en overtuiging van de wederspannigen, en toont zijn vrijmoedigheid en onbeschroomheid in het straffen van de zonden, niettegenstaande het tegendeel onbeschaamd voorgeven en pluimstrijken van de valse proefeten en de wederhorigheid van het volk. Verg. Jes. 50:4 , enz.; Jer. 6:11 met de aantekening.
Hertaald:
Maar waarlijk,
De profeet is zeker van zijn roeping, van de waarheid van de goddelijke openbaringen en van de gaven van de Heilige Geest Die hem gezonden had. Hij onderscheidt zich daarom van de valse profeten, bevestigt zijn profetieën met goddelijk gezag tot onderwijs van de vromen en tot overtuiging van de weerspannigen, en toont zijn vrijmoedigheid en onbeschroomdheid in het bestraffen van de zonden — ondanks het onbeschaamde tegendeel dat de valse profeten voorwendden en hun vleierij, en ondanks de weerbarstigheid van het volk. Vergelijk Jes. 50:4, enzovoort; Jer. 6:11 met de aantekening.
van den Geest des HEEREN;
Dat het Hebr. woord Eth voor van somstijd genomen wordt, zie daarvan Jer. 51:59 .
Hertaald:
van den Geest des HEEREN;
Dat het Hebreeuwse woord eth soms als van opgevat wordt, zie daarover Jer. 51:59.
gericht
Om Gods oordeel, volgens zijn last, te verkondigen, gelijk Jer. 6:11 , vol van des Heeren grimmigheid, enz. Of, [vol] van recht; dat is Gods recht, gelijk Jer. 5:4-5 . Ook kan het zien op de regenten, vs.1, 9, die het recht behoorden te weten, maar daarvan een gruwel hadden; geheel anders was Gods dienstknecht gesteld.
Hertaald:
gericht
Om Gods oordeel naar Zijn opdracht te verkondigen, zoals Jer. 6:11 spreekt van vol zijn van de grimmigheid van de HEERE. Of: vol van recht, dat is: van Gods recht, zoals Jer. 5:4-5. Het kan ook zien op de bestuurders van vers 1 en 9, die het recht behoorden te kennen maar er een gruwel van maakten; met Gods dienstknecht was het heel anders gesteld.
dapperheid,
Of, macht, kloekmoedigheid, om het kwaad te verdragen en in mijn ambt onverdrietelijk voort te gaan, gelijk volgt.
Hertaald:
dapperheid,
Of: macht, kloekmoedigheid, om het kwaad te verdragen en onvermoeibaar in mijn ambt voort te gaan, zoals volgt.
overtreding,
Met de verdiende straffen.
Hertaald:
overtreding,
Met de verdiende straffen.
gericht
Of, recht.
Hertaald:
gericht
Of: recht.
gruwel hebt,
Of, het gericht gruwelijk maakt; te weten door het goddeloos misbruik van justitie.
Hertaald:
gruwel hebt,
Of: het gericht gruwelijk maakt, namelijk door het goddeloze misbruik van de rechtspraak.
recht is
Of, richtig, rechtmatig, billijk.
Hertaald:
recht is
Of: rechtmatig, billijk.
verkeert;
Hebr. verkeren; dat is, diegenen zijt die verkeren, enz. gelijk elders dikwijls.
Hertaald:
verkeert;
Hebreeuws: verkeren; dat is: u bent degenen die verkeren, enzovoort, zoals elders vaker.
Bouwende Sion
Hebr, in het eenvoudig getal; dat is, elkeen van hen is bouwende. zij bebouwen het met grote huizen en paleizen.
Hertaald:
Bouwende Sion
Het Hebreeuws heeft het enkelvoud: ieder van hen is aan het bouwen. Zij bebouwen het met grote huizen en paleizen.
bloed,
Hebr, bloeden; dat is, moord en doodslag, [zie Gen. 37:26 ; Ezech. 22:27 ; Sef. 3:3 ] , en voorts, het geld dat zij daardoor, of door het voorstaan en verschonen van moordenaars en geweldenaars bekomen.
Hertaald:
bloed,
Hebreeuws: bloeden; dat is: moord en doodslag (zie Gen. 37:26; Ezech. 22:27; Zef. 3:3), en verder het geld dat zij daardoor verkrijgen, of door het beschermen en sparen van moordenaars en geweldenaars.
onrecht
Roverij en allerleid onrechtvaardige middelen. Zie, Jer. 22:13 .
Hertaald:
onrecht
Roverij en allerlei onrechtvaardige middelen. Zie Jer. 22:13.
Hare hoofden rechten
Zions en Jeruzalems regenten en rechters. God wil zeggen dat alles in burgerlijke en kerkelijke stand bedorven en om geld te koop was. Verg. Jes. 1:23 .
Hertaald:
Hare hoofden rechten
De bestuurders en rechters van Sion en Jeruzalem. God wil zeggen dat alles in de burgerlijke en de kerkelijke stand bedorven en voor geld te koop was. Vergelijk Jes. 1:23.
geschenken,
Hebr. geschenk.
Hertaald:
geschenken,
Hebreeuws: geschenk.
loon,
Laten zich omkopen, om te leren naar der lieden lust, daat zij van God hun toegelegd onderhoud hadden, en zonder aanzien van mensen Gods woord behoorden voor te dragen. Zie Mal. 2:6-7 .
Hertaald:
loon,
Zij laten zich omkopen om te leren naar de zin van de mensen, terwijl God hun onderhoud toegewezen had en zij Gods Woord zonder aanzien des persoons behoorden voor te houden. Zie Mal. 2:6-7.
profeten waarzeggen om geld;
De valse, waarvan boven.
Hertaald:
profeten waarzeggen om geld;
Namelijk de valse profeten, over wie hierboven.
steunen zij op den HEERE,
Niet met een heilig vertrouwen, [dat met godzaligheid vergezelschapt is], maar met huichelarij, uit onbeschaamde hoogmoed en ijdele, stoute, vleselijke vermeteldheid. Zie Jes. 48:2 ; Jer. 7:4 , Jer. 7:8-10 . Hoe ondragelijk zulks bij God was, blijkt in vs.12.
Hertaald:
steunen zij op den HEERE,
Niet met een heilig vertrouwen dat met godzaligheid gepaard gaat, maar met huichelarij, uit onbeschaamde hoogmoed en ijdele, brutale, vleselijke overmoed. Zie Jes. 48:2; Jer. 7:4, Jer. 7:8-10. Hoe onverdraaglijk dat voor God was, blijkt uit vers 12.
Is de HEERE niet in het midden van ons?
Dat is toch buiten alle twijfel, willen zij zeggen; niet anders dan of hun God verplicht was, al evenveel hoe zij het maakten.
Hertaald:
Is de HEERE niet in het midden van ons?
Dat staat buiten alle twijfel, willen zij zeggen — alsof hun God verplicht was, hoe zij het ook maakten.
kwaad overkomen
Dat is, ongeluk, elllende, waarvan de andere profeten zoveel hebben te zeggen. Verg. Am. 9:10 .
Hertaald:
kwaad overkomen
Dat is: ongeluk, ellende, waarover de andere profeten zoveel te zeggen hebben. Vergelijk Amos 9:10.
uwentwil,
Om uw zonden, waarmee gij alles vervuld en bedorven hebt.
Hertaald:
uwentwil,
Om uw zonden, waarmee u alles gevuld en bedorven hebt.
Sion
Zo weinig vraagt God naar Zion, Jeruzalem, ja zijn tempel zelfs, als zij verontreinigd waren.
Hertaald:
Sion
Zo weinig geeft God om Sion, Jeruzalem, ja zelfs om Zijn tempel, wanneer die verontreinigd zijn.
akker geploegd worden,
Dat is, geheel en al verwoest worden. Deze scherpe en verschrikkelijke profetieën heeft de vrome koning Hizkia bij zijn tijd [in welke Micha profeteerde] met een boetvaardig hart aangenomen, God om genade gesmeekt, en ontwijfelijk alles gedaan wat hij kon, tot verbetering. Zie Jer. 26:18-20 , en verg. Mi. 1:6 .
Hertaald:
akker geploegd worden,
Dat is: geheel en al verwoest worden. Deze scherpe en verschrikkelijke profetieën heeft de vrome koning Hizkia in zijn tijd — waarin Micha profeteerde — met een boetvaardig hart aangenomen; hij heeft God om genade gesmeekt en ongetwijfeld alles gedaan wat hij kon om verbetering te brengen. Zie Jer. 26:18-20, en vergelijk Micha 1:6.
huizes tot hoogten
Van de tempel.
Hertaald:
huizes tot hoogten
Namelijk van de tempel.
wouds
Gelijk Jer. 26:18 . Op deze verschrikkelijk profetie volgt een uitermate heerlijke evangelische belofte van de berg van het huis des Heeren, in het begin van het volgende hoofdstuk van gelijke in het einde van het vierde en begin van het vijfde hoofdstuk.
Hertaald:
wouds
Zoals Jer. 26:18. Op deze verschrikkelijke profetie volgt een buitengewoon heerlijke evangelische belofte over de berg van het huis van de HEERE, aan het begin van het volgende hoofdstuk, en evenzo aan het einde van hoofdstuk 4 en het begin van hoofdstuk 5. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Hoort nu, gij hoofden Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! Betaamt het ulieden niet het recht te weten? Zij haten het goede, en hebben het kwade lief; zij roven hun huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen" (Micha 3:1-2). Het beeld wordt uitgewerkt: "zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, gelijk als in een pot" (Micha 3:3). Het gevolg staat in Micha 3:4: wanneer zij roepen tot de HEERE, zal Hij hen niet verhoren. Bijbelse betekenis: Merk op wie hier wordt aangesproken: niet vreemde onderdrukkers, maar de eigen hoofden en oversten, van wie het volk juist recht en bescherming mocht verwachten. Let vervolgens op het beeld zelf. Het is geen letterlijke beschrijving maar een felle beeldspraak voor uitbuiting: leiders die het volk leeggezogen hebben zoals een slager een dier verwerkt. De tekst blijft bij het beeld en werkt het niet verder in bijzonderheden uit. Let ten slotte op Micha 3:4: het gebed van deze leiders wordt niet verhoord, precies zoals zij eerder het recht van het volk niet verhoorden. Wat zij anderen niet gaven, wordt hun ook niet gegeven. Typologie: Ezechiël gebruikt hetzelfde beeld van herders die zichzelf weiden in plaats van de kudde (reeds behandeld bij Ezech. 34:2-3). Beide profeten richten zich tegen leiders die hun ambt tot eigen voordeel gebruiken. Micha 3:1-4; Ezech. 34:2-3 "Alzo zegt de HEERE, tegen de profeten, die Mijn volk verleiden; die met hun tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niets geeft in hun mond, tegen dien zo heiligen zij een krijg" (Micha 3:5). Het oordeel over hen: "zal het nacht voor ulieden worden vanwege het gezicht, en ulieden zal duisternis zijn vanwege de waarzegging" (Micha 3:6), zodat "de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden" (Micha 3:7). Bijbelse betekenis: Merk op hoe deze profeten werken: hun boodschap hangt af van wat zij ervoor krijgen. Wie hen voedt, hoort vrede; wie hun niets geeft, hoort oorlog. Hun profetie is dus geen boodschap van God maar een spiegel van hun eigen buik. Let vervolgens op het woord bijten. Het beeld is dat van een dier dat vleit zolang het gevoerd wordt en aanvalt zodra dat ophoudt. Let ten slotte op het oordeel: nacht en duisternis over hun eigen gezicht en waarzeggerij. Wie het licht van Gods woord voor geld verkocht, verliest ten slotte zelf het licht. Typologie: Wat hier over huurprofeten gezegd wordt, herhaalt Petrus over valse leraars, die het volk uit hebzucht zullen uitbuiten met gemaakte woorden (reeds behandeld bij 2 Petr. 2:1-3). Micha 3:5-7; 2 Petr. 2:1-3 Tegenover de profeten die zwijgen zodra het geld ophoudt, stelt Micha zichzelf: "Maar waarlijk, ik ben vol krachts van den Geest des HEEREN; en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israel zijn zonde" (Micha 3:8). Bijbelse betekenis: Merk op de drie dingen waarvan Micha zegt vol te zijn: kracht van de Geest, gericht (rechtvaardig oordeel) en dapperheid. Alle drie zijn nodig voor wat volgt: het verkondigen van overtreding en zonde aan de eigen leiders. Let vervolgens op het woordje maar waarmee dit vers begint. Het staat tegenover de vorige verzen; waar de huurprofeten zwijgen als de betaling stopt, spreekt Micha juist door, ongeacht de kosten. Let ten slotte op wat hij verkondigt: niet een algemene waarheid, maar specifiek Jakobs overtreding en Israels zonde — de zonde van zijn eigen volk, aan datzelfde volk. Typologie: Dezelfde vervulling met de Geest om te spreken wat kost, kenmerkt Paulus: "de nood is mij opgelegd. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig!" (reeds behandeld bij 1 Kor. 9:16). Micha 3:8; 1 Kor. 9:16 Na een herhaalde aanklacht tegen de hoofden en priesters die "van het gericht een gruwel hebt" en toch menen dat de HEERE in hun midden is en hun geen kwaad zal overkomen (Micha 3:9-11), volgt het vonnis: "Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds" (Micha 3:12). Bijbelse betekenis: Merk op wat er precies wordt aangekondigd: niet zomaar een verwoesting, maar dat de tempelberg zelf tot een woeste wildernis wordt — de plaats waarvan het volk meende dat God er nooit kwaad zou toelaten. Let vervolgens op de zelfgenoegzaamheid in Micha 3:11: zij bouwen Sion met bloed en onrecht, en steunen tegelijk op de gedachte dat de HEERE in hun midden is. Godsdienstige schijnzekerheid en onrecht gaan hier hand in hand. Let ten slotte op wat er later met dit ene vers gebeurt. Meer dan honderd jaar na Micha wordt het letterlijk aangehaald door oudsten om Jeremia's leven te redden, omdat koning Hizkia destijds deze profetie hoorde en de HEERE vreesde in plaats van de profeet te doden (reeds behandeld bij Jer. 26:10-24). Typologie: Wat hier over de tempelberg wordt aangekondigd, zag Micha's tijdgenoot Jesaja al eerder in zijn tegendeel: die berg zou juist verheven worden boven alle heuvelen (reeds behandeld bij Jes. 2:2). Micha zelf keert in het volgende hoofdstuk naar diezelfde belofte terug. Micha 3:9-12; Jer. 26:10-24; Jes. 2:2 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Profeet, priester en koning niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding ambt Micha spreekt in een tijd waarin het aan godsdienstige leiders niet ontbreekt. Er zijn hoofden, er zijn priesters, er zijn profeten. Het probleem is niet dat de ambten leeg staan, maar wat ermee gedaan wordt. Tegenover profeten die zeggen wat betaalt, staat één man die zegt waaraan hij zijn woorden ontleent: aan de Geest van de HEERE. De aanklacht in dit hoofdstuk is scherp en tegelijk pijnlijk nauwkeurig. De profeten doen Gods volk dwalen, en Micha zegt precies hoe: wie hun iets te bijten geeft, krijgt vrede aangezegd, en wie niets in hun mond steekt, tegen die heiligen zij een oorlog. Hun boodschap hangt af van hun beloning. Verderop worden alle drie de ambten in één vers genoemd, en zij zijn alle drie te koop: “Haar hoofden rechten om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld.” Recht, onderwijs en profetie — de drie dingen waarmee een volk geleid wordt, en alle drie in de aanbieding. En het aangrijpendste staat in de tweede helft van datzelfde vers: en tóch steunen zij op de HEERE en zeggen dat Hij in hun midden is, zodat hun geen kwaad zal overkomen. Godsdienst en gewetenloosheid gaan hier gewoon samen. Midden in die opsomming staat één zin waarin Micha over zichzelf spreekt, en hij begint met het woordje maar: “Maar waarlijk, ik ben vol krachts van den Geest des HEEREN; en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israël zijn zonde.” Hij beroept zich niet op zijn afkomst, zijn opleiding of zijn geloofwaardigheid. Hij zegt waar de kracht vandaan komt. Daar raakt dit hoofdstuk aan de lijn van de ambten. In het Oude Testament worden profeten, priesters en koningen tot hun taak gezalfd, en die zalving is niet alleen een teken maar een uitrusting: de Geest maakt bekwaam om te doen wat God beveelt. Van Saul en van David staat het er met zoveel woorden bij, en van Ezechiël wordt verteld dat de Geest in hem kwam en hem deed staan. Micha zegt hier hetzelfde van zichzelf, en het geeft hem de vrijmoedigheid om te zeggen wat niemand horen wil. Wat hij zegt is dan ook onverdraaglijk: “Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden.” Dat woord is zo hard aangekomen dat het meer dan honderd jaar later nog werd nagesproken: toen Jeremia terechtstond om een soortgelijke boodschap, hebben oudsten van het land dit vers woordelijk aangehaald om zijn leven te redden. En hier ligt de lijn naar Christus. Al die gezalfden werden door de Geest bekwaam gemaakt voor een deel van het werk. De een sprak, de ander offerde, de derde regeerde. En geen van hen deed het lang goed; dit hoofdstuk laat zien hoe grondig zij konden falen. Maar bij de Jordaan daalt de Geest neer op Eén Die de drie ambten in Zich verenigt, en in Nazareth leest Hij hardop voor wat er van Hem geschreven staat: de Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd. Wat Micha van zichzelf mocht zeggen bij wijze van uitzondering, geldt van Hem zonder maat. In het Nieuwe Testament: Lukas 4:18-21; Johannes 3:34; Handelingen 10:38; Jesaja 61:1; Jeremia 26:18 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Micha 3:8 nergens aan. In Jeremia 26:18 wordt wel vers 12 geciteerd, maar dat gaat over het oordeel en niet over de Messias. Wat hier gelegd wordt is de lijn van de zalving: in het Oude Testament worden ambtsdragers door de Geest bekwaam gemaakt voor hun taak, en het Nieuwe Testament zegt van Christus dat Hij de Geest zonder maat ontving. Dat is een gevolgtrekking uit twee reeksen gegevens en geen aanhaling van dit hoofdstuk.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Eén reden waarom velen van ons traag zijn om de raad van de HEERE te zoeken, is deze: wij zijn niet grondig van onze eigen hoogmoed ontledigd. © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Micha 3
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Vol krachts van den Geest des HEEREN — 3:5-12
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten


Micha 3
Spurgeon heeft dit hoofdstuk niet doorlopend uitgelegd. Wel liet hij bij vers 8 een uitspraak na.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
B. De tweede rede van ons Boek (Hoofdst. 3-5) is eveneens voornamelijk van belovenden inhoud, als de eerste van dreigenden en bestraffenden aard was. Wel begint de Profeet dadelijk wederom de verdorvenheid der geestelijke overheden en der geestelijke leidslieden van het volk te schilderen, en het daarom te bedreigen met de gehele verwoesting van Zion; maar deze bedreiging der diepste vernedering van Gods volk dient tevens alleen daartoe, om de volgende beloften der latere hoogste verheffing van Zion, de verlossing van het bekeerde overblijfsel, en daardoor de genade Gods in des te schitterender licht te plaatsen. De rede bevat 4 afdelingen: In de eerste (Hoofdst. 3) wordt nogmaals een wee uitgeroepen over de goddeloze vorsten en geestelijke leidslieden des volks; het gezegde in Hoofdst. 2:1 vv. wordt nader ontwikkeld. In de tweede afdeling (Hoofdst. 4:1-7) wordt het toekomstige heil der verlossing in zijne voltooiing geschilderd, in het derde (Hoofdst. 4:8-14) wordt dat in zijne langzame ontwikkeling tot dit hoogste toppunt, de wederoprichting der vroegere heerschappij van de dochter Zions door hare verlossing uit Babel, en hare overwinning over alle machten der wereld voorgesteld; en eindelijk in de vierde (Hoofdst. 5) de toekomstige verwezenlijking van al die zaligheid door den Heerser, die uit Bethlehem zal voortkomen en door zijn krachtig bestuur den grootsten zegen zal verbreiden. Zo stelt hij tegenover dwaze verwachtingen de ware verwachtingen der zaligheid en de waarachtige beloften Gods, opdat het volk zijne valse verwachtingen late varen, en bedenken moge wat werkelijk tot zijnen vrede dient.
I. Vs. 1-12.KruisverwijzingenJesaja 58:1→Ezechiël 22:27→Spreuken 1:28→Jesaja 1:15→Jesaja 8:20→Psalmen 53:4→Psalmen 18:41→Jeremia 14:14→
— Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! Betaamt het ulieden niet het recht te weten? Zij haten het goede, en hebben het kwade lief; zij roven hun huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen. Ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, gelijk als in een pot, en als vlees in het midden eens ketels. Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE, doch Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dier tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben. Alzo zegt de HEERE, tegen de profeten, die Mijn volk verleiden; die met hun tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niets geeft in hun mond, tegen dien zo heiligen zij een krijg. Daarom zal het nacht voor ulieden worden vanwege het gezicht, en ulieden zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze profeten ondergaan; en de dag zal over hen zwart worden. En de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al te zamen de bovenste lip bewimpelen; want er zal geen antwoord Gods zijn. Maar waarlijk, ik ben vol krachts van den Geest des HEEREN; en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israel zijn zonde. Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! die van het gericht een gruwel hebt, en al wat recht is verkeert; Bouwende Sion met bloed, en Jeruzalem met onrecht.
De Profeet ontwikkelt nog eens een uitvoerig, donker beeld van de zonden van ‘s volks leidslieden, en de daarom nabijzijnde verwoesting van Jeruzalem. Vooreerst verkondigt hij den vorsten, omdat zij het recht in onrecht verkeren en het arme volk uitzuigen, Gods rechtvaardige vergelding (vs. 1-4); vervolgens den valsen profeten, omdat zij het volk verleiden en door leugenachtige vredesbeloften in zijne zonde versterken, gestrenge bestraffing (vs. 5-8), en eindelijk aan alle van God geordende leidslieden des volks, aan de vorsten, priesters en Profeten, omdat zij het tegendeel waren geworden van hetgeen zij moesten zijn, dat Jeruzalem verwoest zou worden, Zion en de tempelberg in akkerveld zouden worden veranderd. (vs. 9-12).
Voorts zei ik, om het gezegde in het vorige hoofdstuk nader te ontwikkelen: Hoort nu, gij hoofden Jakobs, vorsten der stammen onder het volk van Israël, en gij oversten van het huis Israëls, hoofden der bijzondere geslachten en families! betaamt het ulieden, wien de gerechtspleging onder het volk is opgedragen (Jes. 1:10; 22:3), niet het recht te weten, daar dit toch bij uw ambt behoort? Kent gij het niet, wie zal het dan kennen? Even als de persoon, omdat hij een ambt bekleedt, openbaar is, zo zijn ook de zonden en gebreken der overheden openbaar en veel meer vruchtbaar dan de zonden der gewone burgers, niet alleen om de grote ergernis, daarom dat het volk in ‘t algemeen geneigd is de gebreken der groten na te volgen, maar ook daarom dat diensvolgens de overheid nalatiger wordt, om zulke zonden en gebreken in de onderdanen te bestraffen, die zij in zich zelf vindt en gevoelt.
Zij weten het recht wel, maar doen juist het tegendeel; zij haten in hun hart het goede, en hebben het kwade lief; zij rovenbij degenen, die recht bij hen zoeken, zelfs hun huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen, zij beroven hen van alle middelen, om hun leven te onderhouden.
Ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken, en van één leggen even als slachtvee, dat ten hunnen nutte is gemest gelijk als in enen pot, en als vlees in het midden eens ketels 1); zo mest gij u met hun goed.
Op zeer plastische wijze schetst de Profeet hier de gruwelen van de Overheid. Schrikkelijker is er niet als dat van de zijde der Overheid het kwade geliefd wordt en het goede gehaat. Dan moet noodwendig een volk te gronde gaan. Het is dan ook daarom dat de Heere waarschuwt, dat Hij niet zal horen als zij in de dagen der benauwdheid tot Hem zullen roepen. Dan zal het bevestigd worden, dat het gebed des goddelozen den Heere een gruwel is.
Als de tijd van het gericht komt, dan zullen zijin hunnen angst roepen tot den HEERE, doch Hij zal hen niet verhoren(Spr. 1:28), maar zal, omdat zij den tijd Zijner genade hebben laten voorbijgaan, Zijn aangezicht, die bron van alle waarachtig leven, te dier tijd voor hen verbergen, zodat wanhoop en dood over hen zullen komen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben. Al is het anders weinig de zaak der machtigen om tot den Heere te roepen, zo kunnen er toch omstandigheden komen, oorlog enz. waaronder het roepen ontwaakt. Even als de belofte van de verhoring des gebeds het troostelijkste voor een arm mens, zo is de bedreiging van het niet verhoren het verschrikkelijkste. O, wie menigen noodlijdenden, die gerechtigd was om van zijn ambt nut te hebben, zo afwijst, zijn aangezicht voor hem verbergt, zich laat verloochenen, zie wel toe wat hij doet. Op voortreffelijke wijze keert zich Micha van de hoofden en vorsten, die het rechterambt bekleden, tot de valse profeten, want deze zijn het, die hun handelwijze bevorderen en versterken. Zij zijn hun helpers, hun verbondenen, daar zij voor een stuk brood en een stuk geld wijzen op hun ijverig waarnemen van den uitwendigen godsdienst, en hun alles goeds, het genieten van alle zegeningen, die in de wet op gehoorzaamheid zijn beloofd, aankondigen, hoewel zij door hun misdadig gedrag toch alleen de daarin gedreigde straffen over zich kunnen teweegbrengen, en hen door hun beloften van vrede en vreugde, ook voor alle bestraffingen en bedreigingen der ware profeten onvatbaar maken.
Alzo zegt de HEERE verder tegen de valse profeten, die Mijn volk moesten leren, wat voor God recht en waar is, maar in plaats daarvan het verleiden, het van de ware erkentenis van ‘t geen tot zijnen vrede dient, af brengen, daar zij geluk en vrede verkondigen in plaats van de zonde voor te houden en bekering te prediken, die met hun tanden bijten, die als zij wat te eten krijgen geluk aanzeggen, en roepen vrede uit; maar die niet geeft in hunnen mond, tegen dien zo heiligen zij enen krijg, dien kondigen zij aan dat krijg of enige straf van God over hen komen zal. Dit blijft voor alle tijden een teken van de valse profeten, dat het hun om winst, om uitwendige aardse rust en gemak, om de gemeente met zich in vrede te houden, om de liefde en toegenegenheid der grote menigte en ten gevolge daarvan ook allerlei handtastelijke bewijzen van vriendschap te verkrijgen, te doen is; om spot en hoon, haat en vervolging te ontwijken, aan de goddelijke waarheid en gerechtigheid de scherpe kanten ontnemen, zodat zij niet meer wonden, misschien zelfs wel voor het vlees aangenaam zijn. Dit is een teken der valse profeten, dat zij het eerste en voornaamste stuk der prediking, de duidelijke straffen der bijzondere zonden, en de vermaning tot bekering, zonder voor het vlees nog een uitweg te laten, achterwege laat. Het valse profeteren heeft in win- eer- en zelfzucht van den ouden mens zijn wortel en oorzaak. Het is wel een groot ongeluk onder ene tirannieke overheid te leven, maar nog gevaarlijker is het valse en goddeloze leraars te hebben; want zij prediken niet alleen het volk uit het land, maar ook in de hel. Het is een zeker kenteken van anti-christelijke gezindheid, welke zich steeds heeft geopenbaard, zodra de waarheid zich hier of daar in de wereld heeft verheven, dat de duivel dadelijk lasteraars verwekt heeft, de getuigen der waarheid heeft aangevallen en hen van de verschrikkelijkste misdaden heeft beschuldigd. Zo gaat het nog en zo zal het blijven tot den jongsten dag. De tegenwoordige tijd betoont ook daarin zijne grote zwakheid, dat de dwaalleraars rustig in de kerk blijven ja zelfs beweren recht te hebben, om daar in te blijven. Velen in de christelijke kerk hebben zelfs de gave van onderscheiding tussen de ware en de valse leer geheel verloren.
Daarom zal het een nacht van ellende voor ulieden worden van wege het gezicht, dat gij de lieden hebt voorgelogen, en ulieden zal duisternis des gerichts zijn, van wege de waarzegging, die gij in den naam Gods uitspreekt en waarmee gij den heiligen naam Gods lastert; en {a} de zon des heils zal over deze leugen-profeten ondergaan, en de dag zal over hen b) zwart, zal een gerichtsdag worden. {a} (Jer. 15:9. (Amos 8:9. b) Joël 2:10.
En de zieners dier leugengezichten zullen op dien dag, dat hun straf over hen komt, voor hun vroegere vrienden beschaamd, en de waarzeggers, die den naam van profeet niet waard zijn, omdat zij uit hun eigen hart waarzeggen, zullen voor de mensen schaamrood worden, daar al hun vroegere voorzeggingen zullen blijken leugen te zijn. Zodra toch de wereld ziet, dat zij bedrogen is, keert zij zich met verachting van hare eigene profeten af. En zij zullen dan al te zamen, beschaamd en vol smart over den smaad, die op hen rust, de bovenste lip bewimpelen); want er zal, wanneer zij in hunnen nood om licht zullen roepen, geen antwoord Gods zijn, geen dat hun door God als een openbaring wordt toegezonden. Zo lang zij konden liggen deden zij het, maar eindelijk zijn zij door God zelven weerlegd, en moeten zij, die vroeger zoveel troost gaven, als troostelozen beschaamd daar staan.
Het voorzeggen en waarzeggen is een zien; zien kan men alleen in licht en door middel daarvan; het licht waarin en waardoor de valse profeten nu zien, is de aanwezige toestand van geluk en vrede, welke het hun alleen mogelijk maakt met hun leugenprofetiën op te treden; want ene waarachtige, van alle geluk en ongeluk onafhankelijke profetische verlichting hebben zij toch niet; zodra daar om de nacht des ongeluks zal komen, zal het ook met hun voorzeggen gedaan zijn.
Zij zullen mond en kin met enen sluier bedekken, hetwelk men niet alleen deed in grote treurigheid en rouw, gelijk men zien kan Ezech. 24:17, maar ‘t geen ook inzonderheid de melaatsen betrof, die niet anders dan aldus in het openbaar mochten verschijnen volgens Lev. 13:45; schande, walging en afkeer zouden hun deel zijn.
Maar 1) waarlijk, ik, Gods ware, door Hem gezondene Profeet, ben vol krachts van den Geest des HEEREN 2), in Wien alleen kracht en licht is (Jes. 31:3), zodat ik niet als gene, uit eigen geest spreek (Ezech. 13:3. (Jer. 5:13). En ik ben vol van gericht, om onpartijdig de rechtvaardige oordelen Gods uit te spreken, en vol dapperheid, welke niet als de slaafse gezindheid der leugenprofeten voor een maal eten te koop is. Mij niet bekommerende om vriendschap of vijandschap, heb ik moed om Jakob, het verdorven volk van God en al zijne standen te verkondigenniet de leugen van valsen vrede, maar zijne overtreding en Gods rechtvaardige straf daarover, en Israël zijne zonde, om hen daarmee tot boete te roepen.
Leert hieruit, dat het gans niet strijdig is tegen de ware nederigheid, dat iemand zijn roeping en gaven die hij van God ontvangen heeft, openlijk staande houdt, wanneer anders zijn persoon en zijn bezending in hem, gereed is om door de boosheid der mensen in verachting gebracht te worden. Dit wordt ons uit het voorbeeld van Micha geleerd, die zichzelven tegen alle verachting, die de valse profeten, en degenen die hen aanhingen, op hem zochten te werpen, verdedigt.
Door het adversatiepartikel “oelaam”, dat hier staat, plaatst Micha zijn persoon in de sterkste tegenstelling tegenover de valse profeten. Ik ben, zegt hij (nu en over ‘t algemeen) vol kracht, en alzo zijn de profeten krachteloos. De kracht van den Profeet is echter gene natuurlijke, maar ene hem door den Heere geschonkene; zij is de Geest des Heeren, met welken hij vervuld is, en die den valsen profeten, die naar hunnen eigen geest spreken, geheel ontbreekt. Zonder den Geest zijn zij krachteloos. De Profeet is geheel vervuld met de gedachte aan, met gevoel voor het gericht, met gerechtigheidszin, met moed en kracht, om dat gericht in de bestraffing der ongerechtigheid te doen vrezen. Gericht en sterkte zijn beide werkingen der kracht, des Geestes des Heeren. De valse profeten kunnen Israëls zonde niet bestraffen, omdat het hun aan gevoel voor gerechtigheid en mannelijken moed daartoe ontbreekt; maar deze ontbreken hun, omdat zij geest- en krachteloos zijn. Een Evangelisch prediker moet ook alle die voorrechten hebben, zal hij met nut prediken. Hij moet met goddelijke kracht zijn aangedaan, om niet in zijn ambt met zwakheid te arbeiden. De gerechtigheid moet hem voor alle dingen naar waarheid doen oordelen. Hij moet sterkte des geestes Gods hebben, opdat zijne woorden een indruk en werking in de zielen hebben. Wanneer iemand zonder groten strijd zich tot zijn leraarsambt voorbereidt, is ene gewone mate des Geestes voldoende, om dien dienst te verrichten; maar wanneer iemand in een hevigen, zwaren strijd wordt gevoerd, zo wordt hij tevens door den Heere toegerust. Dagelijks zien wij hiervan voorbeelden. Want vele ongeleerden, die nooit de wetenschap geproefd hebben, zijn toch met hemelse gaven bekleed geweest, zodra het tot een strijd kwam, zodat zij die hooggeleerde doctoren, die alle spreuken der wijsheid schenen machtig te zijn, den mond stopten. Het is ook niet voldoende, getrouw te leren, wat God beveelt zo wij niet tevens strijden. Al verheffen zich de goddelozen zeer, zo moeten wij toch een ijzeren voorhoofd hebben, mogen wij voor hun woede niet wijken, maar onoverwinnelijk standvastigheid betonen. Daar wij met den duivel, de wereld en alle goddelozen te strijden hebben, moeten wij ons ambt getrouw willen waarnemen, ook met dezen moed zijn toegerust. Want met deze vastheid moeten de dienaren Gods door alle hinderpalen doorbreken, met welke de satan ze beproeft op te houden of terug te drijven.
Hoort nu dit, wat u tot straf voor al uwe verkeerdheid zal overkomen (v. 12), gij hoofden van het huis Jakobs, en gij oversten van het huis Israëls, gij allen, wien het gericht en het staatsbestuur is toevertrouwd (vs. 1); die van het gericht, van het recht, hetwelk voor u het onveranderlijk richtsnoer uwer handelingen moest zijn, enen gruwel hebt, en al wat recht is door uwe heilloze kunstgrepen en listen a) verkeert. Zo veroordeelt gij, vertrouwende op uwe macht, omdat gij door de tegenpartij zijt omgekocht.
Amos 5:7; 6:12.
Bouwende Zion met a) bloed 1); en Jeruzalem, de heilige stad, met onrecht; daar gij, even als Achab, u daarin paleizen opricht van geld, door geweld, afpersing, omkoping en veroordeling van onschuldigen verworven.
Ezech. 22:7. Zef. 3:3.
Hiermede zegt God het aan de Overheid, dat zij zich door allerlei geldafpersingen, dat is door bloedgeld, ja door zogenaamde rechterlijke moorden verontreinigt, Zion, dat is hier Jeruzalem, met al wat daarbij behoort daardoor opbouwt. Zich zelf vergroot ten koste van de ellendigen, en paleizen bouwt ten koste van het bloed der verdrukten, gelijk Achab en Jojachim hadden gedaan (1 Kon. 21 en Jer. 22:13-17). Onder Zion en Jeruzalem wordt hier hetzelfde verstaan.
Hare hoofden, Jeruzalems oversten en rechters, rechten om geschenken, zodat de armen nooit tot hun recht kunnen komen, maar voor de macht der rijken, die de middelen hebben om te kopen, moeten onderdoen, en hare priesters, aan welke toch uitdrukkelijk bevolen is, alle bepalingen omtrent offeranden en andere wetten voor niet mede te delen (Lev. 10:11. Deut. 10:11; 33:10), leren om loon, dus dengenen, die ze daarvoor betalen, zodat de armen aan de rechten en woorden Gods geen deel hebben (Jes. 5:23), en hare profeten waarzeggen om geld,
zo als die mensen het gaarne hebben, en zij betalen even als de heidenen (Num. 22:6); nog steunen zij daarbij op den HEERE, zeggende in hun vleselijke gerustheid en blindheid: Is de HEERE niet hier te Jeruzalem in het midden van ons, gezeten op den troon boven de cherubim in het Allerheilige? Daarom ons zal geen kwaad overkomen 2), zo als de Profeten Micha en Jesaja beweren. Zij bedenken daarbij niet, dat de Heere een heilig God is, en van Zijn volk heiligheid verlangt, maar gedreigd heeft de goddelozen uit te roeien.
Alhoewel hetgeen goddeloos is nooit kan geheiligd worden door een ijver voor de Kerk, zo kan toch hetgeen heilig is ontheiligd worden en wordt dikwijls ontheiligd door de liefde der wereld. Wanneer de mens datgene doet, wat in zich zelf goed is, maar het doet om vuil gewin verliest het zijne voortreflijkheid en wordt het een gruwel voor God en mensen. God geeft Zich in Zijn woord aan diegenen, die het gelovig aannemen; maar nooit volgens de namen en de afstamming der mensen. Des te groter is ons oordeel, hoe nader God Zich tot ons heeft geplaatst, wanneer wij daarbij naar het vlees wandelen. Wat nut geeft ons de zuivere leer, wanneer men die niet op het leven toepast, zo men dat niet dagelijks daarnaar richt? De ware leer is alleen daar, waar men tegen alle eigene gedachten, begeerten en lusten, dus tegen vlees, wereld en duivel in den strijd ligt, anders wordt zij misbruikt en kan zij ons slechts veroordelen.
Wat hier zich uitspreekt is het vleselijk vertrouwen der goddelozen. Dit vertrouwen gebruikt den Heere God als een steun, terwijl het zijn grondslag heeft in de wereld. Het is het tegenovergestelde van het geloof, hetwelk zijn grondslag heeft in den Heere God zelven, en daarom op Hem alleen steunt, maar ook Hem alleen wenst te dienen en te vrezen.
Daarom, om uwentwil, o goddeloze vorsten, priesters en profeten! zal Zion door Gods gericht even als Samaria eens geheel worden verwoest en vervolgens als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg dezen huizes, de tempelberg, waar nu nog des Heeren huis op staat, tot hoogten eens wouds 1), die met wilde struiken zijn begroeid, en waarop van de heerlijkheid en tegenwoordigheid des Heeren niets meer zal te zien zijn (Ezech. 10:18 vv. 11:22 vv.).
Geen plaats of zichtbare kerk heeft zulk een voorrecht, of de zonde zal dezelve woest maken. Want daar was geen plaats, die zulke beloften had als Zion, Jeruzalem en de berg des Heeren, en nochthans zullen zij als een akker geploegd worden.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel