Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Het woordH1697 des HEERENH3068, datH834 geschiedH1961 is totH413 MichaH4318, den MorastietH4183, in de dagenH3117 van JothamH3147, AchazH271 en JehizkiaH3169, koningenH4428 van JudaH3063; datH834 hij gezien heeft overH5921 SamariaH8111 en JeruzalemH3389.
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Micha, den Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.
KJV
The word1
of the LORD2
that came to Micah6
the Morasthite7
in the days8
of Jotham,9
Ahaz,10
and Hezekiah,
kings12
of Judah,13
which he saw15
concerning Samaria17
and Jerusalem.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
HoortH8085, gij volkenH5971 altemaal! merkH7181 op, gij aardeH776, mitsgaders derzelver volheidH4393! de Heere HEEREH3069 nu zal tot een getuigeH5707 zijnH1961 tegen ulieden, de Heere uit den tempelH1964 Zijner heiligheidH6944.
Hoort, gij volken altemaal! merk op, gij aarde, mitsgaders derzelver volheid! de Heere HEERE nu zal tot een getuige zijn tegen ulieden, de Heere uit den tempel Zijner heiligheid.
Ook in dit vers
HeereH136
HeereH136
KJV
Hear,1
all ye people;2
hearken,4
O earth,5
and all that therein6
is: and let the Lord8
GOD9
be witness11
against you, the Lord12
from his holy14
temple.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantH3588 zietH2009, de HEEREH3068 gaat uit van Zijn plaatsH4725, en Hij zal nederdalenH3381 en tredenH1869 opH5921 de hoogtenH1116 der aardeH776.
Want ziet, de HEERE gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten der aarde.
KJV
For, behold, the LORD3
cometh forth4
out of his place,5
and will come down,6
and tread7
upon the high places9
of the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En de bergenH2022 zullen onderH8478 Hem versmeltenH4549, en de dalenH6010 gekloofdH1234 worden, gelijk was voor het vuurH784, gelijk waterenH4325, die uitgestortH5064 worden in de laagteH4174.
En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte.
KJV
And the mountains2
shall be molten1
under him, and the valleys4
shall be cleft,5
as wax6
before7
the fire,8
and as the waters9
that are poured10
down a steep place.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
DitH2063 allesH3605, om de overtredingH6588 van JakobH3290, en om de zondenH2403 van het huisH1004 IsraelsH3478; wieH4310 is het begin van de overtredingH6588 van JakobH3290? Is het nietH3808 SamariaH8111? En wieH4310 van de hoogtenH1116 van JudaH3063? Is het nietH3808 JeruzalemH3389?
Dit alles, om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis Israels; wie is het begin van de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wie van de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem?
KJV
For the transgression1
of Jacob2
is all this, and for the sins5
of the house6
of Israel.7
What is the transgression9
of Jacob?10
is it not Samaria?12
and what are the high places14
of Judah?15
are they not Jerusalem?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Daarom zal Ik SamariaH8111 stellenH7760 tot een steenhoopH5856 des veldsH7704, tot plantingenH4302 eens wijngaardsH3754; en Ik zal haar stenenH68 in de valleiH1516 stortenH5064, en haar fundamenten ontdekkenH1540.
Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fundamenten ontdekken.
Ook in dit vers
fondamentenH3247
KJV
Therefore I will make1
Samaria2
as an heap3
of the field,4
and as plantings5
of a vineyard:6
and I will pour down7
the stones9
thereof into the valley,8
and I will discover11
the foundations
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En al haar gesneden beeldenH6456 zullen vermorzeldH3807 worden, en alH3605 haar hoerenbeloningenH868 zullen met vuurH784 verbrandH8313 worden, en alH3605 haar afgodenH6091 zal Ik stellenH7760 tot een woestheidH8077; wantH3588 zij heeft ze van hoerenloonH868 vergaderdH6908, en zij zullen totH5704 hoerenloonH868 wederkerenH7725.
En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon vergaderd, en zij zullen tot hoerenloon wederkeren.
KJV
And all the graven images2
thereof shall be beaten to pieces,3
and all the hires5
thereof shall be burned6
with the fire,7
and all the idols9
thereof will I lay10
desolate:11
for she gathered15
it of the hire13
of an harlot,14
and they shall return19
to the hire17
of an harlot.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilenH3213; ik zal beroofdH7758 en naaktH6174 gaanH3212; ik zal misbaar makenH6213 als de drakenH8577, en treurenH60 als de jongeH1323 struisenH3284.
Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal misbaar maken als de draken, en treuren als de jonge struisen.
Ook in dit vers
misbaarH4553
misbaarH5594
KJV
Therefore I will wail3
and howl,4
I will go5
stripped6
and naked:7
I will make8
a wailing9
like the dragons,10
and mourning11
as the owls.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantH3588 haar plagenH4347 zijn dodelijkH605; wantH3588 zij zijn gekomenH935 tot aan JudaH3063; hij is geraaktH5060 tot aanH5704 de poortH8179 mijns volksH5971, tot aan JeruzalemH3389.
Want haar plagen zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem.
KJV
For her wound3
is incurable;2
for it is come5
unto Judah;7
he is come8
unto the gate10
of my people,11
even to Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
VerkondigtH5046 het nietH408 te GathH1661, weentH1058 zo jammerlijkH1058 nietH408; wenteltH6428 u in het stofH6083 in het huisH1004 van AfraH1036.
Verkondigt het niet te Gath, weent zo jammerlijk niet; wentelt u in het stof in het huis van Afra.
KJV
Declare3
ye it not at Gath,1
weep4
ye not at all:6
in the house of Aphrah7
roll10
thyself in the dust.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Ga door, gij inwoneresH3427 van SafirH8208! met bloteH6181 schaamteH1322; de inwoneresH3427 van ZaananH6630 gaat nietH3808 uit; rouwklageH4553 is te Beth-haezelH1018; hij zal zijn standH5979 vanH4480 ulieden nemenH3947.
Ga door, gij inwoneres van Safir! met blote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet uit; rouwklage is te Beth-haezel; hij zal zijn stand van ulieden nemen.
KJV
Pass ye away,1
thou inhabitant3
of Saphir,4
having thy shame6
naked:5
the inhabitant9
of Zaanan10
came not forth8
in the mourning
of Bethezel;12
he shall receive14
of you his standing.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Want de inwoneresH3427 van MarothH4796 is krankH2342 om des goedsH2896 wilH3588; want een kwaadH7451 is vanH854 den HEEREH3068 afgedaaldH3381, tot aan de poortH8179 van JeruzalemH3389.
Want de inwoneres van Maroth is krank om des goeds wil; want een kwaad is van den HEERE afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem.
KJV
For the inhabitant4
of Maroth5
waited carefully2
for good:3
but evil8
came down7
from the LORD10
unto the gate11
of Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
SpanH7573 de snelle dierenH7409 aan den wagenH4818, gij inwonersH3427 van LachisH3923! (deze is der dochterH1323 SionsH6726 hetH1931 beginselH7225 der zondeH2403) wantH3588 in u zijn IsraelsH3478 overtredingenH6588 gevondenH4672.
Span de snelle dieren aan den wagen, gij inwoners van Lachis! (deze is der dochter Sions het beginsel der zonde) want in u zijn Israels overtredingen gevonden.
KJV
O thou inhabitant4
of Lachish,5
bind1
the chariot2
to the swift beast:3
she is the beginning6
of the sin7
to the daughter9
of Zion:10
for the transgressions14
of Israel15
were found
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
DaaromH3651 geefH5414 geschenkenH7964 aanH5921 Morescheth-GathsH4182; de huizenH1004 van AchzibH392 zullen den koningenH4428 van IsraelH3478 tot een leugenH391 zijn.
Daarom geef geschenken aan Morescheth-Gaths; de huizen van Achzib zullen den koningen van Israel tot een leugen zijn.
KJV
Therefore shalt thou give2
presents3
to Moreshethgath:5
the houses7
of Achzib8
shall be a lie9
to the kings10
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ik zal u nogH5750 een erfgenaamH3423 toebrengenH935, gij inwoneresH3427 van MaresaH4762! Hij zal komenH935 tot aan AdullamH5725, tot aan de heerlijkheidH3519 IsraelsH3478.
Ik zal u nog een erfgenaam toebrengen, gij inwoneres van Maresa! Hij zal komen tot aan Adullam, tot aan de heerlijkheid Israels.
KJV
Yet will I bring3
an heir2
unto thee, O inhabitant5
of Mareshah:6
he shall come9
unto Adullam8
the glory10
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Maak u kaalH7139 en scheerH1494 u, om uw troetelkinderenH8588; verwijdH7337 uw kaalheidH7144, als de arendH5404, omdatH3588 zij gevankelijkH1540 vanH4480 u zijn weggevoerdH1540.
Maak u kaal en scheer u, om uw troetelkinderen; verwijd uw kaalheid, als de arend, omdat zij gevankelijk van u zijn weggevoerd.
KJV
Make thee bald,1
and poll2
thee for thy delicate5
children;4
enlarge6
thy baldness7
as the eagle;8
for they are gone into captivity
Micha
Die onderscheiden moet worden van die anderen Micha, de zoon van Jimia, die geprofeteerd heeft ten tijde van Achab en Josafat; 1 Kon. 22:8 , enz.; 2 Kron. 18:7 , enz.
Hertaald:
Micha
Die onderscheiden moet worden van die andere Micha, de zoon van Jimla, die geprofeteerd heeft in de tijd van Achab en Josafat; 1 Kon. 22:8, enzovoort; 2 Kron. 18:7, enzovoort.
Morastiet
Zie Jer. 26:18 , alwaar deze profeet en zijn profetie uitdrukkelijk gedacht wordt; zie ook onder vs.14,15.
Hertaald:
Morastiet
Zie Jer. 26:18, waar deze profeet en zijn profetie uitdrukkelijk genoemd worden; zie ook vers 14 en 15.
Jotham, Achaz en Jehizkia,
Ten tijde van deze koningen heeft Jesaja ook geprofeteerd, Jes. 1:1 . Zie van de regering van deze koningen 2Ki 15 . tot en met 2Ki 21 en 2Ch 27 tot en met 2Ch 33 .
Hertaald:
Jotham, Achaz en Jehizkia,
In de tijd van deze koningen heeft ook Jesaja geprofeteerd, Jes. 1:1. Zie over de regering van deze koningen 2 Kon. 15 tot en met 21 en 2 Kron. 27 tot en met 33.
gezien heeft
Dat is, welk woord hem van God door gezichten is geopenbaard. Zie Ezech. 13:3 ; Am. 1:1 , enz.
Hertaald:
gezien heeft
Dat is: het woord dat hem door God door gezichten geopenbaard is. Zie Ezech. 13:3; Amos 1:1, enzovoort.
over Samaria en Jeruzalem
Dat is, het koninkrijk Israël, of van de tien stammen, en het koninkrijk van Juda. Samaria was de koninklijke hoofdstad van Israël, gelijk Jeruzalem van Juda.
Hertaald:
over Samaria en Jeruzalem
Dat is: het koninkrijk Israël, of van de tien stammen, en het koninkrijk Juda. Samaria was de koninklijke hoofdstad van Israël, zoals Jeruzalem die van Juda was.
gij volken altemaal
Hebr. volken, die, of zij alle, gelijk elders; een figuurlijke verdagvaarding van alle volken en creaturen, om te verschijnen en te helpen in het oordeel van God, dat Hij over zijn volk wilde uitspreken. Verg. Deut. 32:1 ; Ps. 50:1 ; Jes. 1:2 ; Jer. 6:18-19 ; Am. 3:9 . Verg. ook onder Mi. 6:1-2 . Sommigen verstaan door de volken al de stammen van Gods volk, en door de aarde het land Kanaän.
Hertaald:
gij volken altemaal
Hebreeuws: volken, zij alle, zoals elders. Een beeldende dagvaarding van alle volken en schepselen, om te verschijnen en mee te helpen in het oordeel dat God over Zijn volk wilde uitspreken. Vergelijk Deut. 32:1; Ps. 50:1; Jes. 1:2; Jer. 6:18-19; Amos 3:9. Vergelijk ook Micha 6:1-2. Sommigen verstaan onder de volken alle stammen van Gods volk en onder de aarde het land Kanaän.
aarde
Anders, land.
Hertaald:
aarde
Anders: land.
volheid
Gelijk Ps. 24:1 .
Hertaald:
volheid
Zoals Ps. 24:1.
zal tot een getuige zijn
Of, zij ten getuige,
Hertaald:
zal tot een getuige zijn
Of: zij tot getuige.
tegen
Of, onder; ziende op de volken in welker tegenwoordigheid God als tegen zijn volk wilde getuigen.
Hertaald:
tegen
Of: onder; ziend op de volken in wier tegenwoordigheid God als het ware tegen Zijn volk wilde getuigen.
ulieden
Gij van Samaria en Jeruzalem, om u in volle gericht van uw boosheid en de rechtvaardigheid van zijn straffen te overtuigen. Verg. Ps. 50:7 met de aantekening.
Hertaald:
ulieden
U van Samaria en Jeruzalem, om u in vol gericht van uw boosheid en van de rechtvaardigheid van Zijn straffen te overtuigen. Vergelijk Ps. 50:7 met de aantekening.
tempel zijner heiligheid
Dat is, zijn heilige tempel, of zijn heilig paleis; zullende [om zo te spreken] afkomen uit de hemel, [waar Hij met zijn heerlijkheid woont] of uit de tempel van Jeruzalem, [waar Hij met zijn genadige tegenwoordigheid woont] niet om genade te bewijzen, maar om recht te houden. Zie Ps. 11:4 ; Jona 2:4 , Jona 2:7 met de aantekening.
Hertaald:
tempel zijner heiligheid
Dat is: Zijn heilige tempel of Zijn heilig paleis. Hij zal, om zo te spreken, afkomen uit de hemel, waar Hij met Zijn heerlijkheid woont, of uit de tempel in Jeruzalem, waar Hij met Zijn genadige tegenwoordigheid woont — niet om genade te bewijzen, maar om recht te spreken. Zie Ps. 11:4; Jona 2:4, Jona 2:7 met de aantekening.
gaat uit van zijn plaats
Zie Jes. 26:21 met de aantekening.
Hertaald:
gaat uit van zijn plaats
Zie Jes. 26:21 met de aantekening.
treden op de hoogten der aarde
Zie Am. 4:13 .
Hertaald:
treden op de hoogten der aarde
Zie Amos 4:13.
versmelten, en de dalen gekloofd worden
Als de tegenwoordigheid en de toorn van dezen Rechter niet kunnende verdragen; figuurlijk gesproken, gelijk Ps. 97:5 .
Hertaald:
versmelten, en de dalen gekloofd worden
Omdat zij de tegenwoordigheid en de toorn van deze Rechter niet kunnen verdragen; beeldend gesproken, zoals Ps. 97:5.
vuur
Versta, smelt.
Hertaald:
vuur
Versta: smelt.
wateren, die uitgestort worden
Versta, gespleten worden, dat is die in kleine druppelen verdeeld worden en zich als verliezen, wanneer zij van de hoogte omlaag gestort worden. Verg. 2 Sam. 14:14 .
Hertaald:
wateren, die uitgestort worden
Versta: gespleten worden, dat is: in kleine druppels verdeeld worden en zich als het ware verliezen wanneer zij van een hoogte omlaag storten. Vergelijk 2 Sam. 14:14.
laagte
Hebr. afgang, nederdaling.
Hertaald:
laagte
Hebreeuws: afgang, neerdaling.
Dit alles
Dat in het voorgaande gezegd is, zal alles geschieden.
Hertaald:
Dit alles
Wat in het voorgaande gezegd is, zal alles gebeuren.
wie is
Dat is, wie zijn de voornaamste auteurs en stichters van de boosheid en afgoderij in Israël? Het zijn voorzeker die van Samaria.
Hertaald:
wie is
Dat is: wie zijn de voornaamste aanstichters van de boosheid en de afgoderij in Israël? Dat zijn zeker die van Samaria.
het begin van
Verg. onder vs.13.
Hertaald:
het begin van
Vergelijk vers 13.
de overtreding van Jakob
Of, afval; dat is, wie zijn de auteurs en stichters van de afgodische hoogten en die het volk daartoe verleiden en met hun kwaad voorbeeld voorgaan in Juda? [zie Lev. 26:30 ; Ezech. 20:29 .] Het zijn gewisselijk die van Jeruzalem.
Hertaald:
de overtreding van Jakob
Of: afval; dat is: wie zijn de aanstichters van de afgodische hoogten, die het volk daartoe verleiden en met hun slechte voorbeeld in Juda voorgaan? Zie Lev. 26:30; Ezech. 20:29. Dat zijn zeker die van Jeruzalem.
steenhoop des velds
Of, aardhoop; dat is, de stad, die nu zo prachtig en sierlijk gebouwd is, zal Ik maken tot een aardhoop, een veld dat omgewroet, omgearbeid en overhoop geworpen is, om een wijngaard daarin te planten. Verg. Mi. 3:12 .
Hertaald:
steenhoop des velds
Of: aardhoop; dat is: de stad die nu zo sierlijk en prachtig gebouwd is, zal Ik tot een aardhoop maken, tot een veld dat omgeploegd en overhoop gegooid is om er een wijngaard in te planten. Vergelijk Micha 3:12.
stenen
Hun muren en gebouwen.
Hertaald:
stenen
Hun muren en gebouwen.
vallei
Dewijl Samaria op een berg gelegen was.
Hertaald:
vallei
Omdat Samaria op een berg lag.
ontdekken
De stad omkeren, dat de fundamenten ontbloot worden en niets op zijn plaats blijft. Zie Ezech. 13:14 met de aantekening.
Hertaald:
ontdekken
De stad zo omkeren dat de fundamenten blootgelegd worden en niets op zijn plaats blijft. Zie Ezech. 13:14 met de aantekening.
hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden
Het Hebr. woord wordt voor hoerenloon gebruikt, maar staat hier in het getal van velen. Versta hierdoor alle rijkdom en overvloed, die haar God wel gegeven had, maar zij hielden ze voor giften van hun boelen, dat is, van de Baäls of afgoden, en een beloning van hun hoererij, dat is afgoderij, waarvan zij dan weder geschenken en presenten vereerden aan de afgoden, om dezelve en hun tempels op te pronken. Zie hiervan Hos. 2:4 , Hos. 2:7 , Hos. 2:8 , Hos. 2:11 , en Hos. 9:1 . Buiten dat waren zij zo snood dat zij, in plaats van hoerenloon te ontvangen, zelfs hoerenloon gaven om nieuwe afgoden en afgodische verbonden te verkijgen. Zie Ezech. 16:31 , Ezech. 16:34 , Ezech. 16:41 .
Hertaald:
hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden
Het Hebreeuwse woord wordt gebruikt voor hoerenloon, maar staat hier in het meervoud. Versta hieronder alle rijkdom en overvloed die haar God wel gegeven had, maar die zij beschouwde als gaven van haar minnaars, dat is: van de Baäls of afgoden, en als een beloning voor haar hoererij, dat is: haar afgoderij. Van die rijkdom brachten zij dan weer geschenken aan de afgoden om die en hun tempels op te tooien. Zie hierover Hos. 2:5, Hos. 2:8, Hos. 2:9, Hos. 2:12 en Hos. 9:1. Bovendien waren zij zo laag dat zij in plaats van hoerenloon te ontvangen zelfs hoerenloon gáven, om nieuwe afgoden en afgodische verbonden te verkrijgen. Zie Ezech. 16:31, Ezech. 16:34, Ezech. 16:41.
haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid
Zie 2 Sam. 5:21 .
Hertaald:
haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid
Zie 2 Sam. 5:21.
tot hoerenloon wederkeren
Dat is, als hoerenloon verdwijnen; gelijk wij zeggen: zo gewonnen, zo geronnen. Of, men kan het duiden op de Assyriërs, die het weder zouden roven en buiten, als een gift en beloning van hunlieder afgoden, of hun hoeren daarvan lonen. Verg. Joël 3:3 .
Hertaald:
tot hoerenloon wederkeren
Dat is: verdwijnen als hoerenloon, zoals wij zeggen: zo gewonnen, zo geronnen. Of men kan het betrekken op de Assyriërs, die het weer zouden roven en buitmaken als een gift en beloning van hun afgoden, of om er hun hoeren mee te betalen. Vergelijk Joël 3:3.
Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen
Woorden van de profeet, gelijk Jes. 21:3 , en Jes. 22:4 ; Jer. 4:19 , en Jer. 9:1 , enz. om het volk te bewegen tot nadenken en bekering.
Hertaald:
Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen
Woorden van de profeet, zoals Jes. 21:3 en Jes. 22:4; Jer. 4:19 en Jer. 9:1, enzovoort, om het volk tot nadenken en bekering te bewegen.
beroofd en naakt gaan
Of, berooid,[verg. Job 12:17 ], en naakt. Verg. Jes. 20:2 met de aantekening.
Hertaald:
beroofd en naakt gaan
Of: berooid (vergelijk Job 12:17) en naakt. Vergelijk Jes. 20:2 met de aantekening.
draken
Zie Job 30:29 , en verg. Ps. 102:7 met de aantekening.
Hertaald:
draken
Zie Job 30:29, en vergelijk Ps. 102:7 met de aantekening.
zijn dodelijk
Hebr. is. Alzo ook in de volgende woorden. Dat is, elkeen hare [Samaria] plagen, zij zijn alle ongeneeslijk, wanhopend.
Hertaald:
zijn dodelijk
Hebreeuws: is. Zo ook in de volgende woorden. Dat is: elk van haar plagen — die van Samaria — is ongeneeslijk en hopeloos.
Juda
Tot een teken dat de tien stammen al verwoest waren, en dat de vijand voorts doordrong in Juda. Verg. Jes. 8:7 , Jes. 8:8 , 2 Kon. 18:13 .
Hertaald:
Juda
Een teken dat de tien stammen al verwoest waren en dat de vijand verder doordrong in Juda. Vergelijk Jes. 8:7, Jes. 8:8; 2 Kon. 18:13.
hij is geraakt tot aan de poort
De vijand; of het, te weten kwaad, uit vs.12.
Hertaald:
hij is geraakt tot aan de poort
Namelijk de vijand; of: het, namelijk het kwaad, uit vers 12.
mijns volks
Hieruit leiden sommigen af dat deze profeet uit Juda geweest is, waarmede het verhaal overeenkomt, Jer. 26:19 , en boven vs.1.
Hertaald:
mijns volks
Hieruit leiden sommigen af dat deze profeet uit Juda kwam, wat overeenkomt met het verhaal in Jer. 26:19 en met vers 1.
Gath
Opdat de Filistijnen daarover niet juichen. Zie 2 Sam. 1:20 , met de aantekening.
Hertaald:
Gath
Opdat de Filistijnen daar niet over juichen. Zie 2 Sam. 1:20 met de aantekening.
zo jammerlijk niet
Hebr. wenende weent niet.
Hertaald:
zo jammerlijk niet
Hebreeuws: wenende weent niet.
wentelt u in het stof
Of, besprengt u met stof, tot een teken van rouw. Verg. Jer. 6:26 ; Ezech. 27:30 met de aantekening.
Hertaald:
wentelt u in het stof
Of: bestrooi u met stof, als teken van rouw. Vergelijk Jer. 6:26; Ezech. 27:30 met de aantekening.
in het huis van Afra
Of, over het huis Afra, om deszelfs wil. Men leest wel van Ofra in Manasse en een ander in Benjamin. Zie Richt. 6:11 , maar Afra of Beth-Afra wordt nergens dan hier vermeld, alzo ook de volgende plaatsen Safir, Zaänan, Beth-Ezel, Maroth. Waaruit sommigen afleiden dat het verzonnen namen zijn, door welke de profeet enige bijzondere goede plaatsen heeft willen te verstaan geven, ziende op de betekenis van de woorden. Of immers dat hij gezien heeft op de betekenis van de namen van deze plaatsen, gelijk ook onder vs.14, 15. Beth-Afra is zoveel als huis des stofs, of stofhuis, stoffig huis, alsof de profeet wilde zeggen: Wentel u in het stof, [om of over die plaats] die in het stof zal nedergelegd of verwoest worden. Safir is schoon, fraai. Zaänan waar veel vee is, of [gelijk anderen] daar veel uitgang is; Beth haezel , het huis dat nabij, ter zijde, of afgezonderd, bewaard, gespaard is; Maroth bittere [plaatsen], of, bitterheden, waardoor men dorre magere plaatsen kan verstaan. Al deze plaatsen voorzegt de profeet de nakende ellenden. Sommige gissen dat Afra Efraïm beduidde; Safir Samaria,, Zaänan Zion, Beth haezel Beth el ; Maroth Ramoth in Gilead, enz.
Hertaald:
in het huis van Afra
Of: over het huis Afra, om zijnentwil. Men leest wel van een Ofra in Manasse en een ander in Benjamin (zie Richt. 6:11), maar Afra of Beth-Afra wordt nergens anders dan hier genoemd; en zo ook de volgende plaatsen Safir, Zaänan, Beth-Ezel en Maroth. Daaruit leiden sommigen af dat het bedachte namen zijn waarmee de profeet bepaalde bekende plaatsen heeft willen aanduiden, waarbij hij op de betekenis van de woorden zag. Of in elk geval dat hij gelet heeft op de betekenis van de namen van deze plaatsen, zoals ook in vers 14 en 15. Beth-Afra betekent zoveel als huis van het stof, stoffig huis — alsof de profeet wilde zeggen: wentel u in het stof over die plaats die in het stof gelegd, dat is: verwoest zal worden. Safir betekent schoon, fraai; Zaänan: waar veel vee is, of volgens anderen: waar veel uitgang is; Beth-Ezel: het huis dat nabij, terzijde, of afgezonderd en gespaard is; Maroth: bittere plaatsen of bitterheden, waaronder men dorre, magere plaatsen kan verstaan. Al deze plaatsen voorzegt de profeet de dreigende ellende. Sommigen vermoeden dat Afra op Efraïm doelt, Safir op Samaria, Zaänan op Sion, Beth-Ezel op Bethel en Maroth op Ramoth in Gilead.
Ga door
Hebr. gaat ulieden door, gaat over, in gevangenschap het land henen uit. Aangaande het overtollig bijvoegsel ulieden, zie Am. 7:12 .
Hertaald:
Ga door
Hebreeuws: gaat u door, trekt over, namelijk in gevangenschap het land uit. Over het overtollige woordje u, zie Amos 7:12.
blote schaamte
Hebr. ontbloot [aan] de schaamte. Zie Jes. 47:2-3 ; Jer. 13:22 met de aantekening aldaar.
Hertaald:
blote schaamte
Hebreeuws: ontbloot aan de schaamte. Zie Jes. 47:2-3; Jer. 13:22 met de aantekening daar.
uit
Met hun vee, om dat naar gewoonte te weiden, gelijk sommigen dit nemen. Of, zal niet kunnen uitgaan, als door de vijand benauwd, of voor hem bevreesd zijnde. Sommigen voegen het bij het volgende aldus: Is niet uitgegaan ter rouwklage van Beth haezel , als hun naburen niet kunnende beklagen of troosten, omdat ze zelf in het lijden zijn.
Hertaald:
uit
Met hun vee, om dat naar gewoonte te weiden, zoals sommigen dit opvatten. Of: zij zal niet kunnen uitgaan, omdat zij door de vijand benauwd wordt of bang voor hem is. Sommigen verbinden het met het volgende: is niet uitgegaan tot de rouwklacht van Beth-Ezel, omdat zij hun buren niet konden beklagen of troosten aangezien zij zelf in het lijden zaten.
zal zijn stand van ulieden nemen
Dat is, God zal zijn bijstand of residentie, verblijf van ulieden wegnemen. Of hij, te weten de vijand, zal door uw ondergang gesterkt worden. Anders, [dat] zijn stand van ulieden zal ontvangen, te weten Beth haezel ; dat is, naardat het de voorgemelde schone vette plaatsen gaat, daarnaar zullen de magere naburen ook moeten varen; want als die verwoest worden, zo moeten deze die van hen de leeftocht ontvangen gebrek lijden, waarvan wijders in het volgende.
Hertaald:
zal zijn stand van ulieden nemen
Dat is: God zal Zijn bijstand of Zijn verblijf van u wegnemen. Of: hij, namelijk de vijand, zal door uw ondergang sterker worden. Anders: dat Beth-Ezel zijn stand van u zal ontvangen; dat is: zoals het de genoemde mooie, vruchtbare plaatsen vergaat, zo zal het ook de magere buren vergaan. Want wanneer die verwoest worden, moeten dezen, die daarvandaan hun levensonderhoud betrekken, gebrek lijden — waarover het vervolg gaat.
goeds wil
Dat de ingezetenen verloren hebben, door de verwoesting van de vette aangrenzende streken, zelfs tot Jeruzalem toe. Of, dat de vijand die van Maroth zelf benomen heeft.
Hertaald:
goeds wil
Dat de inwoners verloren hebben door de verwoesting van de vruchtbare aangrenzende streken, tot aan Jeruzalem toe. Of: dat de vijand die van Maroth zelf ontnomen heeft.
kwaad is van den HEERE afgedaald
De straf, te weten de verderving van het land door de Assyriërs.
Hertaald:
kwaad is van den HEERE afgedaald
Namelijk de straf, dat is: de verwoesting van het land door de Assyriërs.
Span de snelle dieren aan den wagen
Hebr. bind of span, [het Hebr. woord wordt alleenlijk hier alzo gevonden] de wagen aan, of met het snelle dier, of kemel, of paard, postpaard. loper, of muilezel. Zie 1 Kon. 4:28 . De profeet wil zeggen: haast u vrij om te vluchten voor de aankomst van de Assyriërs, die u zullen komen belegeren, het zal u niet helpen. Zie 2 Kon. 18:14 , 2 Kon. 18:17 en 2 Kon. 19:8 .
Hertaald:
Span de snelle dieren aan den wagen
Hebreeuws: bind of span de wagen aan het snelle dier — het Hebreeuwse woord komt alleen hier in deze betekenis voor — of aan de kameel, het paard, het postpaard, de loper of de muilezel. Zie 1 Kon. 4:28. De profeet wil zeggen: haast u gerust om te vluchten voor de komst van de Assyriërs die u zullen komen belegeren, maar het zal u niet helpen. Zie 2 Kon. 18:14, 2 Kon. 18:17 en 2 Kon. 19:8.
Lachis
Zie 2 Kon. 14:19 .
Hertaald:
Lachis
Zie 2 Kon. 14:19.
beginsel der zonde
Hieruit nemen sommigen af dat deze stad de eerste geweest is in Juda, die de afgoderij van Israël of van de tien stammen heeft nagevolgd, en met haar voorbeeld Jeruzalem, en alzo voorts de andere, verdorven. Anderen duiden het op de afval van Davids huis, waarin zij de tien stammen gelijk zou geworden zij, omdat zij hun eigen koning Amazia [die voor de samenzweerders daar binnen gevlucht was] heeft laten ombrengen. Beide kan onder deze woorden wel begrepen zijn, alzo, dat zij eerst afgodisch met de tien stammen geworden zijnde, ook voorts hun eigen koning ontrouw is geworden, en hem, de koning van Israël en de samenzweerders ten gevalle, verraderlijk heeft laten vermoorden, dewijl de koning Israëls tegen Amazia krijg voerde, en vermoedelijk deze moord [naar de wijze van het verdorven Israël] gesticht had. Zie 2 Kon. 14:15 , 2 Kon. 14:19 .
Hertaald:
beginsel der zonde
Hieruit leiden sommigen af dat deze stad de eerste in Juda geweest is die de afgoderij van Israël, dat is: van de tien stammen, nagevolgd heeft en die met haar voorbeeld Jeruzalem en zo ook de andere steden bedorven heeft. Anderen betrekken het op de afval van het huis van David, waarin zij aan de tien stammen gelijk geworden zou zijn, omdat zij haar eigen koning Amazia — die voor de samenzweerders daarheen gevlucht was — heeft laten ombrengen. Beide kan onder deze woorden begrepen zijn: dat zij eerst met de tien stammen afgodisch geworden is en vervolgens ook haar eigen koning ontrouw is geworden en hem, de koning van Israël en de samenzweerders ten gevalle, verraderlijk heeft laten vermoorden — aangezien de koning van Israël oorlog voerde tegen Amazia en deze moord vermoedelijk, naar de gewoonte van het verdorven Israël, gesticht had. Zie 2 Kon. 14:15, 2 Kon. 14:19.
Israëls overtredingen gevonden
Dat is, van de tien stammen. Zie de voorgaande aantekening aldaar.
Hertaald:
Israëls overtredingen gevonden
Dat is: van de tien stammen. Zie de vorige aantekening.
geschenken
Alzo wordt het Hebr. woord [dat van] zenden [zijn oorsprong heeft] ook gebruikt 1 Kon. 9:16 .
Hertaald:
geschenken
Zo wordt het Hebreeuwse woord, dat van zenden komt, ook gebruikt in 1 Kon. 9:16.
Morescheth
Zie Jer. 26:18 . Anders, aan de bezitting; dat is omtrek van Gath.
Hertaald:
Morescheth
Zie Jer. 26:18. Anders: aan het bezit, dat is: de omgeving van Gath.
Gaths
Een koninklijke stad van de Filistijnen, [gelijk boven vs.10], welker vriendschap en hulp zij zouden zoeken door geschenken, maar tevergeefs, wil de profeet zeggen. Daar was ook een stad Marescha, toebehorende aan Juda, die bij Achzib gesteld wordt, Joz. 15:44 ; ook worden Gath en Marescha bij elkander gevoegd, 2 Kron. 11:9 . Zie aldaar.
Hertaald:
Gaths
Een koninklijke stad van de Filistijnen, zoals vers 10, wier vriendschap en hulp zij door geschenken zouden zoeken — maar tevergeefs, wil de profeet zeggen. Er was ook een stad Maresa die aan Juda toebehoorde en die naast Achzib genoemd wordt, Joz. 15:44; ook worden Gath en Maresa naast elkaar genoemd in 2 Kron. 11:9. Zie daar.
Achzib
Zie van Achzib in Juda, Joz. 15:44 , en van een ander in de stam Aser, [gelegen aan de Middellandse zee, naar sommige kaarten] Richt. 1:31 . Het kan zijn dat hier door de huizen van Achzib verstaan worden de soldaten, die de koningen van Israël nu en dan gehuurd mogen hebben van de overgebleven Kanaänieten, of dat zij met de ingezetenen van die streken een verbond mogen hebben gemaakt, en nu met hen hadden, om hen bij te staan tegen de Assyriër, doch al tevergeefs. De profeet noemt de stad Achzib alleen om de overeenkomst van de woorden Achzib en Achzab, dat is, leugen, of een leugenaar; gelijk in het volgende Marescha, en erfgenaam. Anderen verstaan, door de koningen van Israël de koningen van Juda, die over Israël of van de tien stammen overblijfsel zouden regeren, maar van de Babyloniërs uitgeroeid worden.
Hertaald:
Achzib
Zie over Achzib in Juda Joz. 15:44, en over een ander Achzib in de stam Aser — volgens sommige kaarten gelegen aan de Middellandse Zee — Richt. 1:31. Het kan zijn dat met de huizen van Achzib de soldaten bedoeld worden die de koningen van Israël nu en dan gehuurd kunnen hebben van de overgebleven Kanaänieten. Of dat zij met de inwoners van die streken een verbond gesloten hadden, en dat nu met hen hielden om bijstand te krijgen tegen de Assyriër — maar tevergeefs. De profeet noemt de stad Achzib alleen vanwege de overeenkomst tussen de woorden Achzib en achzab, dat is: leugen of leugenaar; zoals in het vervolg Maresa en erfgenaam. Anderen verstaan onder de koningen van Israël de koningen van Juda, die over het overblijfsel van Israël zouden regeren maar door de Babyloniërs uitgeroeid zouden worden.
leugen zijn
Dat is, zullen hun faillieren, bedriegen.
Hertaald:
leugen zijn
Dat is: zij zullen hun in de steek laten en bedriegen.
erfgenaam toebrengen
Of, erfelijke bezitter. Versta, de vijand. De profeet ziet op de betekenis van het woord Marescha en Moreschet, die hij [om enerlei betekenis van] erfenis schijnt voor een te nemen.
Hertaald:
erfgenaam toebrengen
Of: erfelijke bezitter. Versta: de vijand. De profeet speelt in op de betekenis van de woorden Maresa en Moreseth, die hij vanwege dezelfde betekenis van erfenis kennelijk als één opvat.
Maresa
Zie Joz. 15:44 ; 2 Kron. 11:8 , en 2 Kron. 14:9 ; idem Jer. 26:18 ; ook 2 Mach.12:35.
Hertaald:
Maresa
Zie Joz. 15:44; 2 Kron. 11:8 en 2 Kron. 14:9; ook Jer. 26:18 en 2 Makk. 12:35.
Hij zal komen tot aan Adullam
De nieuwe bezitter of erfgenaam, de vijand, zal doordringen tot in Juda, waar Adullam gelegen was, eertijds een koninklijke stad. Zie Joz. 12:15 , en Joz. 15:35 ; Neh. 11:30 .
Hertaald:
Hij zal komen tot aan Adullam
De nieuwe bezitter of erfgenaam, de vijand, zal doordringen tot in Juda, waar Adullam lag, vroeger een koninklijke stad. Zie Joz. 12:15 en Joz. 15:35; Neh. 11:30.
tot aan
Dit is hier ingevoegd uit vergelijking van boven vs.9, 12.
Hertaald:
tot aan
Dit is hier ingevoegd naar het voorbeeld van vers 9 en 12.
heerlijkheid Israëls
Te weten Jeruzalem, dat de heerlijkheid van gans Israël was. Omdat deze woorden duister zijn, worden zij verscheidenlijk bij de uitleggers genomen. Anders, hij [de vijand] zal komen tot aan Adullum, de heerlijkheid van Israël; dat is, welke stad heerlijk en vermaard is in Israël, diep in het land, waar de spelonk Adullam, Davids toevlucht, nabij gelegen was.
Hertaald:
heerlijkheid Israëls
Namelijk Jeruzalem, dat de heerlijkheid van heel Israël was. Omdat deze woorden duister zijn, worden zij door de uitleggers verschillend opgevat. Anders: hij, de vijand, zal komen tot Adullam, de heerlijkheid van Israël; dat is: die stad die in Israël heerlijk en vermaard is, diep in het land, waar de spelonk Adullam — de toevlucht van David — vlakbij lag.
u
Gij inwoners van Marescha en de andere vorengemelde plaatsen. Sommigen duiden het op Jeruzalem of Zion, en de wegvoering naar Babel.
Hertaald:
u
U, inwoners van Maresa en de andere eerder genoemde plaatsen. Sommigen betrekken het op Jeruzalem of Sion en op de wegvoering naar Babel.
kaal en scheer u
Tot teken van grote rouw. Zie Jer. 16:6 .
Hertaald:
kaal en scheer u
Als teken van grote rouw. Zie Jer. 16:6.
troetelkinderen
Hebr. kinderen, of zoner van uw wellusten, of vermakingen; dat is, uw lieve kinderen.
Hertaald:
troetelkinderen
Hebreeuws: kinderen of zonen van uw wellusten of vermakingen; dat is: uw lieve kinderen.
verwijd uw kaalheid
Dat is, maak u zeer kaal, wijd en breed; zo kaal gelijk de arend wordt wanneer hij aan het ververen is en al zijn pluimen en veren verliest.
Hertaald:
verwijd uw kaalheid
Dat is: maak u zeer kaal, wijd en breed; zo kaal als de arend wordt wanneer hij ruit en al zijn pluimen en veren verliest.
gevankelijk van u zijn weggevoerd
Te weten uw troetelkinderen.
Hertaald:
gevankelijk van u zijn weggevoerd
Namelijk uw troetelkinderen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een profeet uit Moreseth-Gath, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia (Hizkia), koningen van Juda. Hij profeteerde oordeel over Samaria en Jeruzalem wegens hun zonden, maar ook herstel en vrede, en voorzegde dat de toekomstige Heerser (de Messias) uit Bethlehem-Efratha zou voortkomen (Mi. 1-7; vgl. Matth. 2:5-6). Niet dezelfde persoon als de profeet Micha, de zoon van Jimla, uit de tijd van Achab. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Een reeks kleine plaatsen in het laagland (de Sefela) van Juda, in de omgeving van Micha's eigen geboorteplaats Moreseth-Gath. Geschiedenis: In een van de meest kunstige klaagzangen van de hele Schrift kondigt Micha, dorp na dorp, oordeel aan over de omgeving van Juda ten tijde van de Assyrische dreiging — met een woordspel op de betekenis van bijna elke naam. Naast deze overwegend verder onbekende plaatsjes noemt hij ook het reeds bestaande Gath, Lachis, Adullam en Maresa (zijn eigen woonplaats Moreseth-Gath, vernoemd naar dit gedeelte, sluit er nauw bij aan) en Achzib ("leugen", een plaats die "tot een leugen" voor de koningen van Israël zal worden, Mich. 1:14). Bijbelse betekenis: Dat de HEERE door Micha zelfs de klank van elke plaatsnaam gebruikt om Zijn boodschap kracht bij te zetten, toont hoe doordacht en persoonlijk gericht Zijn profetisch woord is — geen dorp, hoe onaanzienlijk ook, is te klein om in Gods aankondiging van oordeel of herstel te worden opgenomen. Recente inzichten: De meeste van deze kleine plaatsen zijn met slechts beperkte zekerheid te lokaliseren; Achzib wordt doorgaans gezocht bij het huidige Tell el-Beida, in de Sefela van Juda. Micha 1:10-15 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas "Hoort, gij volken altemaal! merk op, gij aarde, mitsgaders derzelver volheid! de Heere HEERE nu zal tot een getuige zijn tegen ulieden" (Micha 1:2). Dan volgt de beschrijving van Zijn komst: "Want ziet, de HEERE gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten der aarde. En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur" (Micha 1:3-4). De reden wordt er meteen bij genoemd: "om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis Israels" (Micha 1:5). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier optreedt als getuige: de HEERE Zelf, tegen Zijn eigen volk. Dat is een ongewone rechtsgang — niet een derde partij die getuigt, maar de gekwetste Zelf. Let vervolgens op de kracht van het beeld: bergen die smelten als was, dalen die gekloofd worden. Wat het vastst en onbeweeglijkst leek in de schepping, buigt voor Zijn komst. Let ten slotte op Micha 1:5, waar de vraag gesteld en beantwoord wordt: wie is het begin van de overtreding? Samaria en Jeruzalem, de hoofdsteden van beide rijken. Het kwaad wordt niet bij het volk in het algemeen gezocht, maar bij de plaatsen waar het bestuur zetelde. Typologie: Dezelfde beeldtaal van smeltende bergen bij Gods komst gebruikt de psalmist: "De bergen smelten als was voor het aanschijn des HEEREN" (reeds behandeld bij Ps. 97:5). Wanneer God verschijnt, wijkt alles wat vast leek. Micha 1:2-5; Ps. 97:5 "Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal misbaar maken als de draken, en treuren als de jonge struisen" (Micha 1:8). De reden staat in het vers erna: "Want haar plagen zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem" (Micha 1:9). Bijbelse betekenis: Merk op wat de profeet hier doet: niet alleen aankondigen, maar zelf rouwen, beroofd en naakt gaan — tekenen van de diepste rouw in Israël. Dit is geen literaire stijlfiguur maar een aangekondigde handeling. Let vervolgens op de twee dieren waarmee hij zijn klacht vergelijkt: draken (een woord voor jakhalzen, die een klagend geluid maken) en jonge struisvogels. Beide zijn beelden van een geluid dat door merg en been gaat. Let ten slotte op de reden: het kwaad is niet ver weg gebleven, maar tot aan de poort van Jeruzalem gekomen. De rouw van de profeet groeit naarmate het gevaar dichterbij komt. Typologie: De Heere Jezus weende over Jeruzalem toen Hij de stad zag, kort voor haar verwoesting (reeds behandeld bij Luk. 19:41-44). Wat een profeet in woorden doet, doet de Heere Jezus zonder woorden — alleen tranen. Micha 1:8-9; Luk. 19:41-44 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De Engel des HEEREN niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Micha profeteert in de dagen van Jotham, Achaz en Hizkia, terwijl Assyrië optrekt. Hij begint niet bij het nieuws van de dag maar bij een dagvaarding: de volken worden opgeroepen om te horen. God blijft niet waar Hij is; Hij verlaat Zijn plaats en daalt af, en de aarde houdt dat niet. De aanhef is die van een rechtszaal, en de getuigenbank is de wereld: “Hoort, gij volken altemaal! merk op, gij aarde, mitsgaders derzelver volheid! de Heere HEERE nu zal tot een getuige zijn tegen ulieden, de Heere uit den tempel Zijner heiligheid.” En dan het vers waar deze post om draait: “Want ziet, de HEERE gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten der aarde.” Dat is de vaste taal van de verschijningen. God is niet ver, maar Hij is ook niet vanzelf hier; er wordt telkens gezegd dat Hij uitgaat, nederdaalt, voorbijgaat. Zo staat het in het lied van Mozes over de Sinaï, en zo bidt Jesaja het: och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt. De kanttekening verwijst bij dit uitgaan naar Jesaja 26 en bij het treden op de hoogten naar Amos 4 — allebei plaatsen waar God opstaat en het land ingaat. Wat er dan gebeurt is een beschrijving van wat de schepping doet als Hij komt: “En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur.” De kanttekening zegt kortweg waarom: zij kunnen de tegenwoordigheid en de toorn van deze Rechter niet verdragen. Was voor het vuur — dat is een huiselijk beeld voor iets ontzaglijks. Bergen zijn het beeld van wat blijft; hier zakken zij in als een kaars. Zo staat deze bladzijde midden in de lijn van de verschijningen, en zij laat er de andere kant van zien. Elders komt Hij en wordt Hij aanbeden of gezien; hier komt Hij als getuige en als Rechter, en de aarde wijkt. En dat maakt begrijpelijk hoe groot het is dat Hij nog een keer nederdaalde. Ditzelfde boek zegt vier hoofdstukken verder waar dat gebeuren zou, en het noemt een dorp: uit Bethlehem Efratha zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Toen ging Hij opnieuw uit van Zijn plaats. En de bergen versmolten niet. In het Nieuwe Testament: Jesaja 64:1; Jesaja 26:21; Psalm 18:10; Micha 5:1; Johannes 1:14; Psalm 97:5 Hoever dit reikt: Micha 1 spreekt over het oordeel dat over Samaria en Juda komt. Dat de wijze waarop God daar beschreven wordt naast de menswording gelegd mag worden, is een gevolgtrekking uit de bewoording. De profeet werkt dat zelf niet verder uit. Wat er van de bergen gezegd wordt, is figuurlijk gesproken, en de kanttekening noemt het zo.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Micha 1
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De HEERE gaat uit van Zijn plaats — 1:2-4
Wat betekenen de niveaus?


Micha 1
Micha 1:12.KruisverwijzingenJeremia 14:19→Amos 3:6→Jesaja 59:9→Jesaja 45:7→Micha 1:9→Ruth 1:20→Job 30:26→Jeremia 8:15→
— Want de inwoneres van Maroth is krank om des goeds wil; want een kwaad is van den HEERE afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem.
“Want de inwoneres van Maroth is krank om des goeds wil; want een kwaad is van den HEERE afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem.”
In de tijd dat de Assyriërs het land binnenvielen, verwachtten de inwoners dat de verlossing hun van de een of andere kant komen zou. Uit het verband maak ik op dat zij enigermate op de Filistijnen steunden. Mogelijk hadden zij enige hoop dat de koning van Egypte zou opkomen om Sanherib aan te vallen.
Blijkbaar zagen zij overal om hulp uit, behalve naar God. En omdat er van de mensen op wie zij gesteund hadden geen goed tot hen kwam, kwamen er beproeving en overweldigende benauwdheid tot hen uit de hand van God. Hij was toornig over hun vertrouwen op mensen en over hun gebrek aan vertrouwen op Hem, en daarom strafte Hij hun ongeloof met hun volslagen ondergang. De Assyriër overstroomde hen en hield niet op voordat hij de poort van Jeruzalem bereikte, waar het geloof van Hizkia in God de vijand deed aarzelen en terugtrekken.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Het woord des HEEREN, dat geschied is (Deut. 18:22) tot Micha (of zo als de naam in zijn geheel luidt: Michajahoe d. i. wie is als Jehova? waar is zulk een God als Gij zijt 1), den Moraschtiet 2), van Moreschet-Gath d. i. van Moreschet bij de Filistijnse hoofdstad Gath (Hoofdst. 1:14), in de vlakte van Juda, niet te verwisselen met het in de nabijheid gelegene Maresa (Joz. 15:14. (2 (Kron. 11:8) in de dagen van Jotham(758-42), Achaz (742-27) en Jehizkia (727-698), wettige koningen van Juda) dat hij in den geest gezien heeft over Samaria en Jeruzalem, de hoofdsteden der beide rijken, en dus over het gehele land van Israël, welker lotgevallen toch van die der hoofdsteden afhingen.
Ten allen tijde waren er in Israël talrijke personen, die in hun namen voor zichzelve en voor hun volksgenoten ene altijddurende, rondwandelende prediking waren van het heerlijke wezen en de grote daden van Jehova, hunnen God, alsmede daarvan hoe het hart voor Hem moet gezind zijn, wat men van Hem bidden en verwachten moet; en ten allen tijde vond zich ieder lid van het Israëlietische volk door zulk ene prediking rondom omgeven. Dit was des te meer het geval, daar de namen in het Oude Oosten veelal gene dode niets betekenende, conventionele eigennamen waren, maar zinrijke, levensvolle aanduidingen van het wezen of van ene karakteristieke eigenaardigheid van degene, die ze droeg. Zulke namen leefden voor de oude Israëlieten, daar de betekenis der met den naam Gods saamgestelde woorden, ook die, welke uit den ouden tijd waren overgekomen, bijna altijd duidelijk was, en door het schone, diepe, zinrijke en opbouwende, dat zij had, noodzakelijk in ‘t oog viel. De namen speelden in de geschiedenis hunner stamvaders ene zo betekenisvolle en gewichtige rol. Hun profeten knoopten zo dikwijls aan den naam hun uitspraken vast, veranderden ze, en legden in nieuw gevormde, symbolische namen hun betekenis neer. Daardoor meest de opmerkzaamheid van Israël zeer op de betekenis der namen worden gevestigd: Men komt, als men de woorden: “Wie is een God, gelijk Gij enz. in Hoofdst. 7:18 leest, onwillekeurig tot de gedachte, dat Micha op zijn naam zal hebben gezinspeeld. Als wij de zaak nader overwegen, wordt die gedachte door zoveel gesteund, dat men nauwelijks aan de juistheid daarvan zou kunnen twijfelen (vgl. Hoofdst. 7:8).
Door deze bijvoeging van zijn vaderland wordt onze Profeet van den anderen Profeet Micha, den zoon van Jemla (1 Kon. 22:8) als ook van andere personen van denzelfden naam in het O. T. van welke er nog 10 zijn, onderscheiden.
Alzo zou Micha’s werkzaamheid even lang als die van Hosea hebben geduurd, het zou ook ene tijdruimte van bijna 60 jaren zijn. Daar toch aan de ene zijde zulk een verval, als Micha bestraft, eerst in den lateren tijd van Jothams regering begon, de aanvang van zijne regering ene soort van bloeitijd voor Juda was, aan de andere zijde in het gehele Boek het rijk der tien stammen als nog bestaande wordt verondersteld, dat toch reeds in het 6de jaar van Hizkia verwoest is, zo is Micha’s werkzaamheid ene tijdruimte, die zeker de helft daarvan niet bedraagt, en wij zullen wel gelijk hebben, wanneer wij het middelpunt daarvan in den tijd van koning Achaz zien. Micha is dus een oudere tijdgenoot van Jesaja, en staat in ieder opzicht dezen zeer nabij (2 Kon. 15:36). Even als Jesaja behoort ook Micha tot den tijd der grote verandering in de 2e helft van de 8e eeuw v. Chr. toen kort vóór zijn zinken het Assyrische rijk onder Salmanasser tot het toppunt zijner kracht zich verhief, en met onwederstaanbare kracht de door Amos (1 en
voorzegde wereldbewegingen van het oordeel Gods over de volken van West-Azië naar Afrika overbracht. Even als de werkzaamheid van Jesaja behoort ook de zijne tot het rijk van Juda; beide staan op hetzelfde toppunt van profeteren, en zijn zowel in de straffende als ook de belovende delen hunner boeken zeer verwant. Ook Micha bestraft voornamelijk het zedelijk verderf van de groten en machtigen van het rijk van Juda, en maakt Zion en Jeruzalem tot middelpunt zijner voorzeggingen, terwijl hij het rijk der tien stammen met zijne hoofdstad Samaria niet meer dan van ter zijde aanroert. Hieruit zowel als uit het gewichtig bericht van Jer. 26:18 vv. is te besluiten, dat Micha te Jeruzalem zelf geleefd en voorzegd heeft. Daar treden namelijk mannen op van de oudsten van Juda, om Jeremia, die wegens zijne voorzeggingen van Jeruzalems ondergang van ene doodmisdaad is aangeklaagd, te rechtvaardigen. Zij stellen daarom met woordelijke aanhaling van Hoofdst. 3:12 voor, dat Micha in de dagen van Hizkia ook de verwoesting van Jeruzalem heeft geprofeteerd, en toch heeft Hizkia en geheel Juda hem niet gedood, maar integendeel geëerd en zich verootmoedigd. Deze plaats maakt den inhoud van vs. 1 ondubbelzinnig. Voordat wij nu tot verklaring van den Profeet overgaan, stellen wij ons voor, hoe bij de vorige profeten en volgens de Boeken der koningen de aard was der tijdsomstandigheden, onder welke de Profeet zijne voorzeggingen uitsprak. Er zijn twee zaken, die Micha’s tijd kenschetsen, namelijk vooreerst een steeds dieper verval van het volk Gods in Juda, zowel als in Israël, en ten tweede ene steeds grotere machtsontwikkeling van Assyrië. Deze beide moeten bij de beschouwing van ons geschrift wel in ‘t oog worden gehouden. Het was schijnbaar een betere tijd, die met Uzzia, den zoon van Jotham, voor Juda begon; deze had in zijnen vader een zeer afmanend voorbeeld gehad, en zich dat wijselijk ten nutte gemaakt; Juda ging onder hem een nieuwen bloei tegemoet. Maar het volk was voor zulk een geluk niet bekwam, de uitwendige welvaart maakte het gerust en overmoedig, ene uiterlijke vroomheid nam meer en meer de overhand, weelde en pronkzucht werden steeds algemeen. Met rasse schreden naderde de jammervolle tijd, welke volgen moest. En nauwelijks had Jotham de ogen gesloten of het werd anders. Een 20-jarig jongeling was Jothams zoon, Achaz, een zwak man vol dwaze luimen, sterk in het vergeten van God en in afgodendienst. De heidense partij had onder hem spoedig de overhand verkregen, en de dienst van Baäl en Moloch, gelijk alle andere soorten van afgoderij kwamen overal in zwang, nauwelijks was er ene soort van heidense verkeerdheid die niet in Juda zou kunnen worden gevonden. Het kwam zelfs zo ver, dat Achaz den tempel des Heeren liet sluiten, hetwelk vóór hem nog geen Davids zoon had gedaan, en na hem niemand meer heeft gewaagd. En wanneer nu de koning voorging in alle gruwelen der afgoderij, wat was dan van het volk te wachten? Het was zo treurig in ‘t land gesteld, dat zelfs zijn voortreffelijke zoon Hizkia, die met ernst ene hervorming zich voornam, slechts langzamerhand daarmee kon doorgaan. Zo gaat van Jothams laatsten tijd tot het begin van Hizkia’s tijd een voortgaande keten van zonden en gruwelen, welke Juda steeds dieper in ‘t verderf stortten. En niet minder treurig was het gesteld in het rijk der tien stammen. Hier regeerde eerst Pekah, een dapper soldaat, die goed het zwaard wist te hanteren, maar dat was ook alles. Hij dacht, dat hij zijn wankelend rijk zou kunnen helpen, wanneer hij het op kosten van het niet minder wankelend broederrijk vergrootte; en alzo vormt oorlog met Juda den hoofdinhoud zijner regering; het gevolg was, dat hij daardoor zijn rijk in steeds dieper verderf stortte. De verwarring was zo groot, dat Hosea, die dezen Pekah door ene zamenzwering troon, rijk en leven ontnomen had, eerst na ongeveer 8 jaren den troon te Samaria kon beklimmen. Maar Hosea wist juist zo weinig te helpen: hij dacht bij Egypte bescherming tegen den dreigenden storm te vinden, en bespoedigde daardoor slechts het onweder, dat dreigend boven het wankelend rijk stond. Dat was de toestand van de beide broederrijken in Micha’s tijd. Het is verder zeer opmerkelijk, hoe met het toenemen van het verval onder Gods volk het Assyrische rijk in macht toeneemt, en met zijne legers het heilige land steeds naderbij komt, ja door diens koningen bijna met geweld wordt ingehaald; het verblinde volk bracht zijne tuchtroede, welke voor hem bestemd was, zelf in het land. Steeds breidde Assur’s macht zich uit; het ene land na het andere had zij reeds weggenomen; ieder kon het met zijne ogen zien, hoe het steeds meer ene veroverende wereldmacht werd, welke alles wilde verslinden; ja in het rijk der tien stammen waren Assyrië’s plannen en gedachten reeds openbaar geworden. Menahems aanzoek om hulp was daarmee geëindigd, dat een gedeelte van Israël naar Assyrië werd weggevoerd. En toch was Achaz zo verblind, dat hij in zijnen nood zich juist tot Assyrië om hulp wendde, en aan dit rijk, dat slechts loerde op gelegenheid om zich uit te breiden den weg in zijn land baande. Tiglath-Pilezer, de Assyrische koning, hielp wel eerst, want het was hem niet minder welkom in Israëls en Syriërs betrekkingen de hand te kunnen slaan, en hoe zal hij zich hebben verheugd, toen hij in beide landen zulke grote overwinningen had behaald! Toen dit geschied was, toonde hij wat hij eigenlijk wilde. Als een stroom overdekte hij met zijne legers ook Juda; reeds stond hij voor de hoofdstad des lands, en slechts onmetelijke geschenken, en de belofte van jaarlijkse schatting bewogen hem eindelijk om heen te gaan. Als vazal van Assyrië mocht Achaz zijne regering nog voortzetten. Zo was Juda even als Israël den Assyrischen koning schatplichtig; de beide rijken waren hem nog wel niet onderworpen, nog bestond een schijn van vrijheid en zelfstandigheid, nog waren er eigen koningen in het land, en steeds had nog kunnen worden geholpen, wanneer men zich maar tot den waren Helper had gewend. Maar reeds was Assyrië als ene donkere onweerswolk, die schrikkelijk dreigend over beide rijken hing, en er behoefde nog maar iets te geschieden dan was het met Juda en Israël gedaan; naar den mens gezien, was het alleen de genade van den koning van Assyrië, die aan de beide rijken nog een kommervol aanzijn toestond. Toch is het niet te ontkennen, dat het in Juda anders gesteld was dan in het rijk der tien stammen. Samaria had Davids huis verlaten; het had des Heeren heiligdom los gelaten, een koning zat op den troon, die niets wist van hetgeen tot heil voor zijn volk dienen kon. Hoe geheel anders was het te Jeruzalem gesteld. Het was diep, zeer diep gevallen, maar toch zat nog Davids huis op den troon, nog stond des Heeren heiligdom, ja juist nu had een spruit van David den troon beklommen, die alle verwachtingen van een beteren tijd weer opwekte. Hizkia was koning in Juda geworden, hoe moesten niet alle betergezinden in het rijk nieuwen moed vatten? Kwamen steeds nieuwe gerichten over Juda, er was toch na de kastijding weer hoop op een beteren tijd, en hoe geheel anders moest een Profeet des Heeren op Juda’s toekomst zien, dan op die van Samaria. Evenmin als Hosea’s Boek is dat van Micha ene verzameling van door hem op verschillende tijden gehoudene reden, maar veeleer ene welgeordende, goed afgeronde zamenvatting der hoofdgedachten van reden, welke de Heere hem gaf uit te spreken. Aan het slot zijner werkzaamheid in den tijd van Hizkia, ongeveer tussen 727 en 722, gaf hij een beeld daarvan in een overzicht van het geheel, en liet dat aan zijn volk als ene erfenis achter. Dit zijn geschrift las hij volgens Jer. 26:18 v. den koning en het volk te Jeruzalem zelf voor, en zijn woord maakte een groten indruk. Het geheel is duidelijk in 3 delen afgedeeld, waarvan elk met een nadrukkelijk “hoort!” begint. I. Hoofdst. 1 en 2. II. Hoofdst 3-5. III. Hoofdst. 6. ieder van deze delen gaat in juisten zamenhang van gedachten, van berisping tot bedreiging van straf, en van deze tot belofte voort. 2. A. De eerste rede (Hoofdst. 1 en 2) is voornamelijk van bestraffenden en dreigenden aard. Eerst aan het einde daarvan dringt door de onwederswolken van het gericht de zon der genade met helder licht door. Zij is in 3 delen verdeeld: in ‘t eerste (Hoofdst. 1:2-16) wordt het gericht Gods aan Samaria en het rijk van Juda en Jeruzalem aangekondigd; in het tweede (Hoofdst. 2:1-11) wordt dit gericht als door de menigte der zonden, in ‘t bijzonder die der groten en machtigen onder het volk veroorzaakt, aangewezen; in het derde (Hoofdst. 2:12, 13) voegt de Profeet er de belofte bij, dat na dit gericht het overblijfsel, van het gehele volk Israël, hetwelk zich bekeert, gered en verheerlijkt zal worden.
I. Vs. 2-16.KruisverwijzingenAmos 4:13→Nahum 1:5→Ezechiël 13:14→Jesaja 1:2→Jesaja 26:21→Psalmen 97:5→2 Samuël 1:20→Psalmen 11:4→
— Hoort, gij volken altemaal! merk op, gij aarde, mitsgaders derzelver volheid! de Heere HEERE nu zal tot een getuige zijn tegen ulieden, de Heere uit den tempel Zijner heiligheid. Want ziet, de HEERE gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten der aarde. En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte. Dit alles, om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis Israels; wie is het begin van de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wie van de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem? Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fundamenten ontdekken. En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon vergaderd, en zij zullen tot hoerenloon wederkeren. Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal misbaar maken als de draken, en treuren als de jonge struisen. Want haar plagen zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem. Verkondigt het niet te Gath, weent zo jammerlijk niet; wentelt u in het stof in het huis van Afra. Ga door, gij inwoneres van Safir! met blote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet uit; rouwklage is te Beth-haezel; hij zal zijn stand van ulieden nemen.
Alle volken, ja, de gehele aarde en al wat daarop is en leeft, moeten letten op de verkondiging, welke de Profeet in den naam des Heeren wil uitspreken. Moge de Heere over degenen, die op zijne oproeping gene boete doen, door vervulling van zijne dreigingen getuigenis geven voor de waarheid zijner woorden, en voor den ernst zijner waarschuwing. Dan zal de Heere uit zijn heiligdom in den hemel tot de aarde nederdalen en voor haar tot een verterend vuur worden. Want het doel is, de zonden van Zijn volk Israël, welke de plaats van haren oorsprong in de beide hoofdsteden hebben, te bezoeken. Haar zal vooral het gericht treffen, en wel in de eerste plaats het afgodische Samaria. Het zal met alle zijne afgodsbeelden van den aardbodem worden verdelgd. Daarover wil de Profeet luide klagen, hij wil als een gevangene heengaan, om aan het volk van Juda het dreigend gericht duidelijk voor ogen te schilderen. Want de onheelbare slagen, welke het broederrijk en vooral Samaria treffen, zullen tot Jeruzalem worden gevoeld, het gericht zal zich van Samaria ook over Juda, Jeruzalem en zijne ganse omgeving uitbreiden. Dan zal Zion klagen en treuren over de beroving zijner kinderen.
Hoort naar mij, gij volken allemaal! 1) merk opmijn woord, gij aarde, mitsgaders derzelver volheid al wat haar vervult (Jes. 1:2. (Deut. 32:1. (1 Kon. 22:28 1); de Heere HEERE van hemel en aarde, die het recht heeft u voor Zich te vergaderen, nu zal tot een getuige) zijn tegen ulieden tegen Samaria en Jeruzalem (vs. 1) die van Hem zijt afgevallen; de Heere zal uit den tempel Zijner heiligheid, uit den hemel, waarin Hij Zijnen troon heeft, Zijn oordeel over u zenden, en het woord van Zijnen Profeet bevestigen.
Alle volken, ja de ganse aarde met alle schepselen op haar moeten horen, omdat het gericht, hetwelk de Profeet moet verkondigen, de ganse aarde aangaat, omdat het gericht over het volk Israël met het gericht over de gehele aarde zamenhangt en een deel daarvan uitmaakt. Opzettelijk begint Micha zijne voorzegging met dezelfde woorden, met welke zijn andere naamgenoot, de zoon van Jemla (1 Kon. 22:28) de zijne gesloten had. Op deze wijze wilde onze Profeet zijne werkzaamheid voorstellen als ene voortzetting van die van zijnen voorganger Micha. Vergelijkt men het Boek der profetieën van onzen Profeet met den toestand en de werkzaamheid van dien ouderen Micha, zo merkt men gemakkelijk overeenkomst op. Even als de zoon van Jemla, zou moet ook onze Micha tegen valse profeten als verleiders des volks strijden (vgl. Hoofdst. 2:6, 11; 3:5, 11). Gelijk gene den goddelozen koning Achab, zo moet deze den koning van beide rijken het gericht Gods voor hun zonden aankondigen, en hij doet dit zo, dat hij in zijne uitdrukkingen veelvoudig op de voorzegging van den ouderen Micha wijst. Het “tot getuigen zijn tegen ulieden, ” ziet niet op de volken, die in het begin van dit vers worden aangesproken, maar op het volk Israëls, zowel op het rijk der Tien, als dat der Twee stammen, die allen te samen van den Heere God waren afgevallen. Dat als getuige optreden zou openbaar worden in het uitoefenen van de strafgerichten.
Want ziet, a) de HEERE gaat nu spoedig uit van Zijneheilige b) plaats 1) die Hij in den hemel met zijne majesteit vervult, en Hij zal tot openbaring van Zijnen toorn en van Zijn gericht over alle goddeloosheid nederdalen, en treden op de c) hoogten der aarde.
(Jes. 26:21. b) (Ps. 115:3. c) Deut. 32:13; 33:29.
God zelf zal tegen hen verschijnen. Zij roemen op zichzelf en op hun betrekking op God, alsof dit hen zou beveiligen. Maar ofschoon God nooit het geloof des oprechten beschaamd maakt, zo zal hij toch de vermetelheid der geveinsden teleurstellen. Want ziet de Heere gaat uit Zijn plaats, verlaat Zijn genadetroon, waar zij dachten Hem vast te hebben en Hij bereidt Zijn troon tot het gericht. Zijne heerlijkheid vertrekt, want zij drijven ze van zich. Gods weg omtrent Zijn volk was lang een weg van genade geweest, maar nu verandert Hij zijn weg. Hij trekt uit Zijn plaats en zal neerkomen. Niet meer in den weg van barmhartigheid zal de Heere onder Zijn volk verschijnen, maar in dien van oordeel en gericht. Hij zal zich openbaren als een verterend vuur voor den zondaar. De troon der genade is voor het volk de troon des gerichts geworden.
En de bergen zullen a) onder Hem als voor een verterend vuur versmelten, en de dalen door Zijne watervloeden gekloofd worden, gelijk was versmelt voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte, zo zullen voor Zijnen troon bergen en dalen geheel worden opgelost.
Ps. 97:5. Amos 9:5. Gods verschijning ten gerichte, en de verwoestende werkingen daarvan worden hier geschilderd met uitdrukkingen, welke aan onweders en aardbevingen ontleend zijn. Eerst legeren zich de duistere onweerswolken op de hoogte der bergen, dan flikkeren daaruit de alles verpletterende bliksemen, eindelijk stort zich de stromende regen uit hen neer, scheurt nieuwe dalen en vervult de oude. Ook elders in de Heilige Schrift komt het onweder voor als het aardse afbeeldsel ja als voertuig of werktuig van het gericht Gods. Want “even als de zaligheid komt met den vrede der natuur (Jes. 11) zo komt het gericht met ontzaglijke verstoringen der natuur (Matth. 24:7, 29), want het is de consequentie der zonde, welke de harmonie der wereld heeft opgeheven.
Dit alles zal echter geschieden om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis Israëls d. i. van het gehele volk: wie is het begin van de overtreding van Jakob, het afgevallen rijk der tien stammen? is het niet Samaria, het geheel en al met zonde vervulde, tot zonde gewordene? Deze is de plaats, waarvan de zonde is uitgegaan, die het gehele land heeft verpest en verontreinigd. En wie van de hoogten (1 (Kor. 3:2) van Juda is het, door welke Mijn naam voortdurend wordt ontheiligd? is het niet Jeruzalem 1), dat op hoogten is gebouwd, en door hoogten is omgeven, welke als heiligdommen Gods moesten zijn, maar nu afgodsbergen zijn geworden?
Uiterlijke voorrechten en belijdenissen zullen een zondig volk tegen Gods oordelen niet beveiligen. Indien er zonden in het huis van Israël worden gevonden indien Jakob schuldig is aan overtreding en afval, zal God hem niet verschonen; neen, hij zal hen eerst straffen, want hun zonden zijn de allerergendste voor Hem, want zij zijn meest versmadende.
Daarom kan het niet twijfelachtig zijn, wien deze openbaring van toorn en oordeel Gods aangaat, en zal Ik Samaria voor allen stellen tot enen steenhoop des velds, tot enen hoop van op het veld zaamgelezene stenen: tot plantingen eens wijngaards. Ik wil het zolang verwoesten, dat landlieden de uitgestorven streek tot akkerland, de vette landstreek tot wijnbergen zullen maken, en Ik zal hare stenen van de hoogte, waarop zij ligt, in de vallei storten, en hare fondamenten ontdekken, haar tot den grond verwoesten. Vergel. omtrent de letterlijke vervulling dezer profetie 1 Kon. 16:24 Waar de mens zonder God bouwt, daar moge het ook nog zo vast op sterken grond met stenen zijn zaamgevoegd, de storm van boven verbreekt, ontbloot den grond en slingert de stenen uit elkaar. Het allervaste kerksysteem, wanneer het voor God in zijne substantie tot zonde wordt, is voor Gods hand een spinneweb. De gerichtsdaden Gods zijn declaratief. Terwijl het den grond ontbloot, openbaart het, dat die zondig is, en daarmee is de vernietiging uitgesproken.
En al hare gesnedene, uit steen gehouwen beeldenvan afgoden zullen vermorzeld worden, en al hare hoeren-beloningen, al de kostbaarheden en schatten, welke zij den afgodsbeelden der gouden kalveren en hunnen altaren als geschenken hebben gewijd, en met welke zij hun geestelijke hoererij als het ware betaald hebben, zullen met vuur verbrand worden, en al hare afgoden zal Ik stellen tot ene woestheid, zodat noch zij, noch de plaats, waar zij hebben gestaan, ooit zal worden gevonden; want zij heeft ze, al die dingen van den valsen godsdienst, van hoerenloon vergaderd, door geschenken en afgodendienaars verworven en zamengebracht, en zij zullen tot hoerenloon wederkeren, doordat de vijanden, die de stad zullen veroveren en verwoesten, hen mede wegvoeren en tot hunnen afgodendienst zullen besteden (Jes. 46:1 v. Dan. 1:2). Is niet alles hoerenloon wat men daardoor verkrijgt, dat men het houdt met de grote hoer, de wereld? En hoe zoekt men haar niet in alles welgevallig en ten dienste te zijn, opdat men daardoor iets verkrijge, een weinig eer of ene goede bezoldiging, een postje of iets dergelijke, zich gunst en vriendschap te verwerven of die te bevestigen. Zo heeft men zijn loon weg, en heeft verder niets te wachten dan het gericht des vuurs, dat de hoer met hare liefhebbers zal treffen.
Hierom zal Ik, wien de Heere die schrikkelijke dingen heeft geopenbaard en bevolen heeft uit te spreken, misbaar bedrijven en huilen; Ik zal met mijne broeders in Juda, tot welke zich dit strafgericht in Juda ook zal uitbreiden, als een gevangene beroofd en naakt gaan, want ook mijne broeders zullen eens als ballingen moeten heengaan; ik zaldaarover misbaar maken als de draken, (de jakhalzen, Richt. 15:5 1), en treuring als de jonge struisen (Job. 30:29). Het behoort tot het godmenselijke in den aard der profetie, dat de profeten aan de ene zijde boven het volk staande, schijnbaar zonder medelijden de raadsbesluiten der Goddelijke gerechtigheid uitspreken, aan de andere zijde als volksgenoten het diepste leed medegevoelen. De droefheid van den Profeet en het in optocht heengaan als van een gevangene zonder opperkleed moet niet alleen het medelijden uitdrukken voor het lot van zijn volk, maar hij wil tevens zich zelven maken tot ene werkelijke profetie van hetgeen Juda wacht. Hij maakt in zijn eigen persoon het toekomstige lot des volks zichtbaar. Een slaaf en balling ging immer zonder opperkleed, om daarmee zijn afhankelijken staat aan te duiden. Alzo wil de Profeet hier in zijn persoon den staat van balling afbeelden, opdat het volk wete dat des Heeren oordelen gewis zijn.
Ja Juda mag niet klagen; want hare, Samaria’s, plagen zijn dodelijk, ten gevolge van het gericht, dat over haar is losgebarsten; want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem, de vijand is genaderd tot aan de hoofdstad, waar mijn volk uit en ingaat, en de tempel des Heeren staat.
Hoe zullen de Filistijnen jubelen over het ongeluk, dat des Heeren land zal treffen! Wanneer ge daarom voor den vijand zult vluchten, verkondigt het niet te Gath, 1) de grensstad der Filistijnen; weent zo jammerlijk niet over uw ongelijk, dat zij het horen, maar onderdrukt liever uwe smart; wentelt U in het stof), in het huis van Afra (liever te Beth-hofra = huis des lofs, in den stem van Benjamin bij Bethel) van smart over de verwoesting der stad.
De woorden: “verkondigt het niet te Gath, ” ontleent de Profeet opzettelijk aan de klacht van David over den dood van Saul en Jonathan (2 Sam. 1:20). Deze toespeling is te opmerkelijker, daar ook bij deze katastrophe, welke de Profeet aankondigt, Israël zijnen koning zal verliezen (Hoofdst. 4:9), maar nu David het lot van Saul zal ondergaan. In het volgende wijst Micha de stations aan, welke het leger der vijanden naar Jeruzalem doordringt; hij laat het zich vervolgens van daar over het gehele land verbreiden tot aan de zuidelijke grenzen, en de bewoners in ballingschap wegvoeren. Hij kiest echter steeds zulke plaatsen, wier namen op enige wijze met hetgeen zij ondergingen in verband konden worden gebracht, zodat de gehele volgende afdeling ene keten van paronomassaieön (woordspelingen) vormt. Dit zijn gene ijdele spellingen. Zij hebben over ‘t algemeen practische bedoeling. De bedreiging moet daardoor worden gelocaliseerd. Wie aan ene van de genoemde plaatsen dacht, in dien werd ook de gedachte aan het goddelijk gericht levendig. Jeruzalem wordt eerst (vs. 9) genoemd als het middelpunt van Juda’s leven, dan komt het ten tweede male voor in vs. 12, in het midden van 5 plaatsen van Juda, die voorgaan, en 5. welke volgen, het tiental, de aanwijzing van volledigheid, daarop doelende, dat het gericht alles omvattende is. De vijf plaatsen, na Jeruzalem genoemd, zijn gezamenlijk ten zuiden daarvan gelegen. Dat men de 5 te voren genoemde noordelijk moet zoeken, het gericht dus hier, even als in Jes. 10:28 vv. in geografische orde van het noorden af voortgaat, blijkt daaruit, dat het eerstgenoemde Beth-Leophra (= Ofra) in het gebied van Benjamin lag, Bethaezel (= Azel) in de nabijheid van Jeruzalem.
Beter: Met stof bestrooi ik mij te Beth-leafra. De Profeet geeft hiermede zijn diepe treurigheid te kennen, om de ellende, welke over zijn volk staat te komen. Met as zijn hoofd bestrooien is dan ook teken van de diepste zielesmart.
Ga door, gij inwoners van Safir (= schone stad), ontbloot van uwe schoonheid, met blote schaamte; de inwoneres van Zaänan1) (= uittocht), de stad tot uittrekken tegen den vijand steeds gereed, gaat niet uit, vrezend voor de vijanden verbergt zij zich achter de muren; rouwklage is te Beth-haezel (= nabij gelegen huis), nabij het leed gelegen: hij, de vijand, zal zijnen stand van ulieden nemen, hij zal alles verwoesten, zodat gij daar niet blijven kunt 2).
Safir niet te verwisselen met Samir, en Zaänan lagen zeker beide noordelijk van Jeruzalem, hun ligging is echter niet meer nauwkeurig te bepalen.
Het brede gedeelte van dit vers is van grote moeilijkheid, en daarom door de verklaarders verschillend vertaald en verklaard. Wij vinden daarin een woordspel: (haezel-ezelo). Latere verklaarders vertalen “de klacht van Beth-Haëzel (= huis daarnaast) over zijn ongeluk door de vijanden zal het u, wanneer gij tot haar vlucht, onmogelijk maken naast haar te staan, dat is daar te vertoeven, zo als men toch naar den naam der plaats zou verwachten.
Want de inwoneres van Marôth (= de bedroefde stad) is ziek 1) om des goeds wil, is niet in staat zich te vertroosten over haar verloren geluk, maar krimpt weg bij het zien van het ongeluk, dat om Jeruzalem over haar komt; want een kwaad van verwoesting en verbanning is van den HEERE over haar en alle andere steden afgedaald tot aan de poort van Jeruzalem 2).
Letterlijk staat er, kromt zich, gelijk een barende vrouw om al het goede dat zij, verloren heeft. Maroth is een tot nu toe onbekende plaats. Wat Jeruzalem zou wedervaren, zou ook haar te beurt vallen. Van daar haar benauwdheid en haar ellende.
Het is een opmerkelijk punt, dat wel moet worden opgemerkt, dat namelijk het ongeluk, oorlog, honger, kwade tijden en ziekte niet bij toeval ontstaan, maar straffen Gods zijn, welke God om de zonde en onboetvaardigheid aan Zijn volk toezendt.
Span de snelle dieren (lakeresch gelijkende in klank op lakisch) aan den wagen, gij inwoners van Lachis, (vaste stad in de vlakte van Juda, ten westen van Eleutheropolis, thans de ruïne Um-Lakis. (Joz. 10:3). Rijd haastig heen of gij misschien het naderend strafgericht moogt ontkomen. Maar het zal onmogelijk zijn. Ja over u zal het oordeel zwaar zijn; want deze is de dochter Zions het beginsel de aanvang der zonde; van daar is voor de bewoners van Jeruzalem de zonde uitgegaan; want beken dat in u zijn in de eerste plaats Israëls overtredingen gevonden, 1) namelijk de afgoden van den beeldendienst van de 10 stammen, en deze hebben zich naar Jeruzalem en Juda verbreid.
Merk hier aan: Zij, die helpen, zonder in een land te brengen, maken zich maar gereed om zelf daaruit gedreven te worden. Zij moesten verwachten de eersten te zijn in de straf, die voorgangers in de zonde geweest zijn.
Daarom, o Jeruzalem geef geschenken (of geef een scheidbrief) aan Morascheth-Gaths 1) laat die stad varen, gij kunt op haar niet vertrouwen, de huizen van Achzib (= leugenstad), eveneens ten zuiden van Jeruzalem en van de vlakte van Juda gelegen (Joz. 15:44), zullen den koningen van Israël tot ene leugen zijn; zij zal haren naam leugenstad bevestigen en tot ene leugenbeek worden, die in den zomer verdroogt en de hoop van den reiziger om water te vinden, bedriegt (Job 6:15 vv.) d. i. ook deze stad zal voor de koningen verloren gaan.
Morescheth, de vaderstad van den Profeet door de bijvoeging “Gaths” duidelijk van het vs. 15 genoemde Moreschet onderscheiden, heeft overeenkomst van klank met Morasa = de verloofde. Op grond dier overeenkomst doelt de Profeet op de bekende gewoonte in Israël, dat de vader aan de dochter bij haar huwelijk uit het huis een geschenk pleegde te geven, en daarmee als het ware een brief van vrijlating. Zion zal aan zijne dochter Morescheth ook onvrijwillig een brief van loslating voor den vijand moeten geven.
Ik zal u nog enen erfgenaam toebrengen, namelijk den vijand, die u zal veroveren en in bezit nemen, gelijk gij eertijds, toen gij nog ene Kanaänietische stad waart, door Jozua en Israël veroverd en tot een erfdeel werd genomen, gij inwoneres van Marescha (= erfgerechtigheid van het volk) eveneens in de vlakte van Juda nabij Achzib gelegen, thans de ruïne Marasch (Joz. 15:44); hij de vijand zal komen tot aan Adullam, de spelonk, uit Davids geschiedenis bekend (1 Sam. 22:1) waarin men zich in tijden van gevaar verborg, ten noorden van Maresa; naar de spelonk gaat tot aan de heerlijkheid Israëls, daarheen vluchten de groten en machtigen.
Maak u kaal aan uw hoofd, en scheer u, gij bedroefde moeder Zions, om uwe troetelkinderen, de zonen van Juda; verwijd uwe kaalheid als de arend, die in Egypte en Syrië meermalen het voorste gedeelte van den kop kaal heeft en het achterdeel slechts met horte haren heeft bedekt: bedrijf rouwe, omdat zij, uwe kinderen, gevankelijk van u zijn weggevoerd. Vergelijk over de gewoonte, om zich ondanks het verbod (Lev. 19:27) kaal te scheren als teken van grote rouwklacht: Deut. 14:2 Dat is ene harde, droevige prediking, even als wanneer iemand opstond en zei: “Hoort hoe het in korten tijd zal gaan. Ons land zal verwoest worden. De vijand zal komen. Gene vesting zal helpen. Dergelijke reden zouden tegenwoordig gevaarlijk, hard en niet te verdragen zijn, zodat men ze niet zou durven zeggen zonder bijzonder grote reden, hoewel de zonden overal in zwang zijn, zodat men van de toekomstige straffen wel zeker is. Dat God door Zijnen Profeet deze donkere schilderij voor het volk laat ontwerpen, is een feit, dat hoop geeft. Want had Hij lust in het verderf der goddelozen, zo zou Hij hen dadelijk en zonder vele woorden te verliezen in het verderf laten lopen. Als Hij Zich nog zoveel moeite geeft om te bedreigen, kan dat dreigen alleen een teken zijn van Zijne lankmoedige liefde. De jongste dag heeft menig ernstig voorspel in voorafgaande dagen van Gods toorn, en het algemene gericht aan het einde wordt in vele voorafgaande gedeeltelijk gerichten over bijzondere volken afgebeeld. De Profeet voorzegt in dit hoofdstuk niet enige bepaalde strafgerichten, maar het gericht over Juda in ‘t algemeen zonder bijzondere aanduidingen zijne verwezenlijking, zodat zijne verwezenlijking eigenlijk is tot stand gebracht door alle gerichten, welke over Juda van den inval en de verovering des lands door de Assyriërs onder Sanherib in den tijd van Hizkia tot aan de verstrooiing des volks door de Romeinen hebben plaats gehad.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel