Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Toen sprakG2980 JezusG2424 tot de scharenG3793 enG2532 tot Zijn discipelenG3101,
Toen sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen,
KJV
Then1
spake4
Jesus3
to the multitude,6
and7
to his10
disciples,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
ZeggendeG3004: De SchriftgeleerdenG1122 enG2532 de FarizeenG5330 zijn gezetenG2523 opG1909 de stoelG2515 van MozesG3475;
Zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeen zijn gezeten op de stoel van Mozes;
KJV
Saying,1
The scribes8
and9
the Pharisees11
sit6
in2
Moses'4
seat:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Daarom, alG3956 wat zij u zeggen, dat gijG4771 houdenG5083 zult, houdtG5083 dat en doetG4160 het; maarG1161 doet niet naarG2596 hun werkenG2041; wantG1063 zij zeggen het, en doen het niet.
Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet.
Ook in dit vers
zeggenG3004
KJV
All1
therefore2
whatsoever4
they bid
you
observe,7
that observe8
and9
do;10
but12
do17
not16
ye after11
their15
works:14
for19
they say,5
and20
do22
not.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantG1063 zij bindenG1195 lastenG5413, die zwaarG926 zijn en kwalijk om te dragen, en leggenG2007 ze opG1909 de schouderenG5606 der mensenG444; maarG1161 zijG846 willenG2309 die met hunG846 vingerG1147 nietG3756 verroerenG2795.
Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren.
Ook in dit vers
kwalijk dragenG1419
KJV
For2
they bind1
heavy4
burdens3
and5
grievous to be borne,6
and7
lay8
them on9
men's13
shoulders;11
but15
they themselves will19
not18
move20
them17
with one of their21
fingers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En alG3956 hun werkenG2041 doenG4160 zij, om van de mensenG444 gezien te worden; want zij maken hun gedenkcedelsG5440 breedG4115, en maken de zomenG2899 van hunG846 klederenG2440 groot.
En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gedenkcedels breed, en maken de zomen van hun klederen groot.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
But2
all1
their5
works4
they do6
for7
to be seen9
of men:11
they make broad12
their16
phylacteries,15
and17
enlarge18
the borders20
of their23
garments,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En zij beminnenG5368 de vooraanzittingG4411 inG1722 de maaltijdenG1173, enG2532 de voorgestoeltenG4410 inG1722 de synagogenG4864;
En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen;
KJV
And2
love1
the uppermost rooms4
at5
feasts,7
and8
the chief seats10
in11
the synagogues,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Ook de begroetingenG783 opG1722 de marktenG58, enG2532 vanG5259 de mensenG444 genaamdG2564 te worden: RabbiG4461, RabbiG4461!
Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen genaamd te worden: Rabbi, Rabbi!
KJV
And1
greetings3
in4
the markets,6
and7
to be called8
of9
men,11
Rabbi,12
Rabbi.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Doch gij zult nietG3361 RabbiG4461 genaamdG2564 worden; wantG1063 EenG1520 isG1510 uw MeesterG2519, namelijk ChristusG5547; enG1161 gijG4771 zijtG1510 allenG3956 broedersG80.
Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders.
KJV
But2
be4
not3
ye
called
Rabbi:5
for7
one6
is
your
Master,11
even Christ;13
and15
all14
ye
are
brethren.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
EnG2532 gijG4771 zult niemandG3361 uw vaderG3962 noemenG2564 op de aardeG1093; wantG1063 EenG1520 isG1510 uw VaderG3962, namelijk Die inG1722 de hemelenG3772 is.
En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Een is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is.
KJV
And1
call4
no3
man your
father2
upon6
the earth:8
for10
one9
is
your
Father,13
which7
is in16
heaven.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Noch zult gijG4771 meestersG2519 genoemdG2564 worden; wantG1063 EenG1520 isG1510 uw MeesterG2519, namelijk ChristusG5547.
Noch zult gij meesters genoemd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus.
KJV
Neither1
be ye called2
masters:3
for5
one4
is
your
Master,9
even Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
MaarG1161 de meesteG3187 van uG4771 zal uw dienaarG1249 zijnG1510.
Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn.
KJV
But2
he that is greatest
among you
shall be
your
servant.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En wie zichzelven verhogenG5312 zal, die zal vernederdG5013 worden; en wie zichzelvenG1438 zal vernederenG5013, die zal verhoogdG5312 worden.
En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.
KJV
And2
whosoever1
shall exalt3
himself4
shall be abased;5
and6
he7
that shall humble8
himself9
shall be exalted.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
MaarG1161 weeG3759 u, gij SchriftgeleerdenG1122 en FarizeenG5330, gij geveinsdenG5273! wantG3754 gij sluitG2808 het KoninkrijkG932 der hemelenG3772 voor de mensenG444, overmitsG1063 gijG4771 daar nietG3756 ingaatG1525, noch degenen, die ingaanG1525 zouden, laat ingaanG1525.
Maar wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden! want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan.
KJV
But6
woe3
unto you,
scribes9
and10
Pharisees,11
hypocrites!12
for13
ye shut up14
the kingdom16
of heaven18
against19
men:21
for23
ye
neither26
go in25
yourselves, neither24
suffer ye29
them that are entering28
to go in.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
WeeG3759 u, gij SchriftgeleerdenG1122 en FarizeenG5330, gij geveinsdenG5273, wantG3754 gij eetG2719 de huizenG3614 der weduwenG5503 op, en dat onder den schijnG4392 van langG3117 te biddenG4336; daarom zult gij te zwaarderG4055 oordeelG2917 ontvangenG2983.
Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.
KJV
Woe3
unto you,
scribes9
and10
Pharisees,11
hypocrites!12
for13
ye devour14
widows'18
houses,16
and19
for a pretence20
make22
long21
prayer:
therefore23
ye shall receive25
the greater
damnation.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
WeeG3759 u, gijG4771 SchriftgeleerdenG1122 enG2532 FarizeenG5330, gij geveinsdenG5273, wantG3754 gij omreistG4013 zeeG2281 enG2532 landG3584, om een JodengenootG4339 te maken, enG2532 als hij het gewordenG1096 is, zo maaktG4160 gij hemG846 een kindG5207 der helleG1067, tweemaalG1362 meer dan gij zijt.
Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt.
KJV
Woe1
unto you,
scribes3
and4
Pharisees,5
hypocrites!6
for7
ye compass8
sea10
and11
land13
to make14
one15
proselyte,16
and17
when18
he is made,19
ye make20
him21
twofold more24
the child22
of hell23
than yourselves.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WeeG3759 u, gij blindeG5185 leidsliedenG3595, die zegtG3004: Zo wie gezworenG3660 zal hebben bijG1722 den tempelG3485, dat isG1510 nietsG3762; maarG1161 zo wie gezworenG3660 zal hebben bijG1722 het goudG5557 des tempelsG3485, die is schuldigG3784.
Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud des tempels, die is schuldig.
KJV
Woe1
unto you,
ye blind4
guides,3
which5
say,6
Whosoever7
shall swear9
by10
the temple,12
it is
nothing;13
but16
whosoever15
shall swear18
by19
the gold21
of the temple,23
he is a debtor!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Gij dwazenG3474 enG2532 blindenG5185, wantG1063 watG5101 isG1510 meerderG3187, het goudG5557, ofG2228 de tempelG3485, die het goudG5557 heiligtG37?
Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt?
KJV
Ye fools1
and2
blind:3
for5
whether4
is
greater,
the gold,9
or10
the temple12
that sanctifieth14
the gold?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En zoG1437 wieG3739 gezworenG3660 zal hebben bijG1722 het altaarG2379, dat isG1510 nietsG3762; maarG1161 zo wie gezworenG3660 zal hebben bijG1722 de gaveG1435, die daarop is, die is schuldigG3784.
En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig.
KJV
And,1
Whosoever2
shall swear4
by5
the altar,7
it is
nothing;8
but11
whosoever10
sweareth13
by14
the gift16
that is upon18
it,19
he is guilty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Gij dwazenG3474 enG2532 blindenG5185, wantG1063 watG5101 is meerderG3187, de gaveG1435, ofG2228 het altaarG2379, dat de gaveG1435 heiligtG37?
Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?
KJV
Ye fools1
and2
blind:3
for5
whether4
is greater,
the gift,8
or9
the altar11
that sanctifieth13
the gift?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Daarom wie zweertG3660 bijG1722 het altaarG2379, die zweertG3660 bijG1722 hetzelveG846, enG2532 bijG1722 alG3956 wat daarop is.
Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daarop is.
KJV
Whoso therefore2
shall swear3
by4
the altar,6
sweareth7
by8
it,9
and10
by11
all things12
thereon.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
EnG2532 wie zweertG3660 bijG1722 den tempelG3485, die zweertG3660 bijG1722 denzelvenG846, enG2532 bijG1722 Dien, Die daarin woontG2730.
En wie zweert bij den tempel, die zweert bij denzelven, en bij Dien, Die daarin woont.
KJV
And1
whoso shall swear3
by4
the temple,6
sweareth7
by8
it,9
and10
by11
him that dwelleth13
therein.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
EnG2532 wie zweertG3660 bijG1722 den hemelG3772, die zweertG3660 bijG1722 den troonG2362 GodsG2316, enG2532 bijG1722 Dien, Die daarop zitG2521.
En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Dien, Die daarop zit.
KJV
And1
he that shall swear3
by4
heaven,6
sweareth7
by8
the throne10
of God,12
and13
by14
him that sitteth16
thereon.17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
WeeG3759 u, gijG4771 SchriftgeleerdenG1122 enG2532 FarizeenG5330, gij geveinsdenG5273, wantG3754 gij vertientG586 de munteG2238, enG2532 de dilleG432, enG2532 den komijnG2951, en gij laat na het zwaarsteG926 der wetG3551, namelijk het oordeelG2920, enG2532 de barmhartigheidG1656, enG2532 het geloofG4102. DezeG3778 dingen moestG1163 men doenG4160, en de andere nietG3361 nalatenG863.
Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.
KJV
Woe1
unto you,
scribes3
and4
Pharisees,5
hypocrites!6
for7
ye pay tithe8
of mint10
and11
anise13
and14
cummin,16
and17
have omitted18
the weightier20
matters of the law,22
judgment,24
mercy,27
and25
faith:30
these
ought ye32
to have done,33
and not35
to leave36
the other34
undone.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Gij blindeG5185 leidsliedenG3595, die de mugG2971 uitzijgtG1368, enG1161 den kemelG2574 doorzwelgtG2666.
Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt.
KJV
Ye blind2
guides,1
which strain at4
a gnat,6
and8
swallow10
a camel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
WeeG3759 u, gijG4771 SchriftgeleerdenG1122 en FarizeenG5330, gij geveinsdenG5273, wantG3754 gij reinigtG2511 het buitensteG1855 des drinkbekersG4221, en des schotelsG3953, maarG1161 van binnenG2081 zijn zij volG1073 vanG1537 roofG724 en onmatigheidG192.
Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij reinigt het buitenste des drinkbekers, en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid.
KJV
Woe1
unto you,
scribes3
and4
Pharisees,5
hypocrites!6
for7
ye make clean8
the outside10
of the cup12
and13
of the platter,15
but17
within16
they are full18
of19
extortion20
and21
excess.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Gij blindeG5185 FarizeerG5330, reinigG2511 eerstG4412 wat binnen in den drinkbekerG4221 enG2532 den schotelG3953 is, opdatG2443 ookG2532 het buitensteG1622 derzelve reinG2513 wordeG1096.
Gij blinde Farizeer, reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde.
KJV
Thou blind2
Pharisee,1
cleanse3
first4
that which is within6
the cup8
and9
platter,11
that12
the outside16
of them17
may be13
clean18
also.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
WeeG3759 u, gijG4771 SchriftgeleerdenG1122 en FarizeenG5330, gij geveinsdenG5273, wantG3754 gij zijt den witgepleisterdenG2867 gravenG5028 gelijk, die van buitenG1855 wel schoonG5611 schijnenG5316, maarG1161 van binnenG2081 zijn zij volG1073 doodsbeenderenG3498 en alleG3956 onreinigheidG167.
Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.
KJV
Woe1
unto you,
scribes3
and4
Pharisees,5
hypocrites!6
for7
ye are like8
unto whited10
sepulchres,9
which11
indeed13
appear14
beautiful15
outward,12
but17
are within16
full18
of dead20
men's bones,19
and21
of all22
uncleanness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
AlzoG3779 ookG2532 schijntG5316 gij wel den mensenG444 van buitenG1855 rechtvaardigG1342, maarG1161 van binnenG2081 zijtG1510 gij volG3324 geveinsdheidG5272 en ongerechtigheidG458.
Alzo ook schijnt gij wel den mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.
KJV
Even so1
ye
also2
outwardly4
appear6
righteous9
unto men,8
but11
within10
ye are
full12
of hypocrisy14
and15
iniquity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
WeeG3759 u, gijG4771 SchriftgeleerdenG1122 enG2532 FarizeenG5330, gij geveinsdenG5273, wantG3754 gij bouwtG3618 de gravenG5028 der profetenG4396 op, enG2532 versiertG2885 de graftekenenG3419 der rechtvaardigenG1342;
Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen;
KJV
Woe1
unto you,
scribes3
and4
Pharisees,5
hypocrites!6
because7
ye build8
the tombs10
of the prophets,12
and13
garnish14
the sepulchres16
of the righteous,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
EnG2532 zegtG3004: IndienG1487 wij inG1722 de tijdenG2250 onzer vaderenG3962 warenG1510 geweest, wij zouden metG1722 henG846 geenG3756 gemeenschapG2844 gehad hebben aan het bloedG129 der profetenG4396.
En zegt: Indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten.
KJV
And1
say,2
If3
we had been
in5
the days7
of our
fathers,9
we would12
not11
have been
partakers14
with them15
in16
the blood18
of the prophets.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
AldusG5620 getuigtG3140 gij tegen uzelven, datG3754 gij kinderenG5207 zijtG1510 dergenen, die de profetenG4396 gedoodG5407 hebben.
Aldus getuigt gij tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben.
KJV
Wherefore1
ye be witnesses2
unto yourselves,3
that4
ye are
the children5
of them which killed8
the prophets.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
GijG4771 dan ookG2532, vervultG4137 de mateG3358 uwer vaderenG3962!
Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen!
KJV
Fill3
ye
up
then1
the measure5
of your
fathers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Gij slangenG3789, gij adderengebroedselsG1081! hoeG4459 zoudt gij de helseG1067 verdoemenisG2920 ontvliedenG575?
Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?
KJV
Ye serpents,1
ye generation2
of vipers,3
how4
can ye5
escape6
the damnation8
of hell?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Daarom zietG3708, IkG1473 zendG649 totG4314 uG4771 profetenG4396, enG2532 wijzenG4680, enG2532 schriftgeleerdenG1122, enG2532 uitG1537 dezelve zult gij sommigen dodenG615 enG2532 kruisigenG4717, enG2532 sommigen uitG1537 dezelve zult gijG4771 geselenG3146 in uw synagogenG4864, enG2532 zult henG846 vervolgenG1377 vanG575 stadG4172 totG1519 stadG4172;
Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;
KJV
Wherefore,1
behold,
I4
send5
unto6
you
prophets,8
and9
wise men,10
and11
scribes:12
and13
some of14
them15
ye shall kill16
and17
crucify;18
and19
some of20
them21
shall ye scourge22
in23
your
synagogues,25
and27
persecute28
them from29
city30
to31
city:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
Opdat opG1909 uG4771 komeG2064 alG3956 het rechtvaardigeG1342 bloedG129, dat vergotenG1632 is opG1909 de aardeG1093, vanG575 het bloedG129 des rechtvaardigenG1342 AbelsG6 af, tot op het bloedG129 van ZachariaG2197, den zoonG5207 van BarachiaG914, welkenG3739 gij gedoodG5407 hebt tussen den tempelG3485 enG2532 het altaarG2379.
Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar.
KJV
That1
upon3
you
may come2
all5
the righteous7
blood6
shed8
upon9
the earth,11
from12
the blood14
of righteous17
Abel15
unto18
the blood20
of Zacharias21
son22
of Barachias,23
whom24
ye slew25
between26
the temple28
and29
the altar.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
VoorwaarG281 zegG3004 Ik uG4771: AlG3956 dezeG3778 dingen zullen komenG2240 overG1909 ditG3778 geslachtG1074.
Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.
KJV
Verily1
I say2
unto you,
All6
these things
shall come4
upon7
this
generation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
JeruzalemG2419, JeruzalemG2419! gij, die de profetenG4396 doodtG615, enG2532 stenigtG3036, die totG4314 u gezondenG649 zijn! hoe menigmaalG4212 heb Ik uw kinderenG5043 willenG2309 bijeenvergaderenG1996, gelijkerwijsG5158 een hen haar kiekensG3556 bijeenvergadertG1996 onderG5259 de vleugelsG4420; enG2532 gijlieden hebt nietG3756 gewildG2309.
Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild.
KJV
O Jerusalem,1
Jerusalem,2
thou that killest4
the prophets,6
and7
stonest8
them which are sent10
unto11
thee,12
how often13
would I14
have gathered15
thy19
children17
together,21
even as20
a hen22
gathereth
her25
chickens24
under26
her wings,28
and29
ye would31
not!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
ZietG3708, uw huisG3624 wordt uG4771 woestG2048 gelatenG863.
Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.
KJV
Behold,
your
house5
is left2
unto you
desolate.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
WantG1063 Ik zegG3004 u: Gij zult Mij vanG575 nu aan niet zienG1492, totdat gij zeggenG2036 zult: GezegendG2127 is Hij, Die komtG2064 inG1722 den NaamG3686 des HeerenG2962!
Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!
KJV
For2
I say1
unto you,
Ye shall
not
see
me
henceforth,8
till10
ye shall say,
Blessed13
is he that cometh15
in16
the name17
of the Lord.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
zijn gezeten
Dat is, zij zijn daartoe geroepen en gesteld om de wet van Mozes het volk voor te lezen en te verklaren; Hand. 13:15 en Hand. 15:21 .
Hertaald:
zijn gezeten
Dat is: zij zijn daartoe geroepen en aangesteld om de wet van Mozes aan het volk voor te lezen en uit te leggen; Hand. 13:15 en Hand. 15:21.
al wat zij u zeggen
Namelijk uit de wet van Mozes en de profeten, want anderszins hetgeen zij daar tegen of buiten leerden, moet Christus den zuurdesem der Farizeën, en vermaant zijne discipelen zich daarvan te wachten; Matt. 16:6 , Matt. 16:12 .
Hertaald:
al wat zij u zeggen
Namelijk uit de wet van Mozes en de profeten. Want wat zij daartegen of daarbuiten leerden noemt Christus het zuurdeeg van de Farizeeën, en Hij vermaant Zijn discipelen daarvoor op hun hoede te zijn; Matth. 16:6, Matth. 16:12.
binden lasten,
Een gelijkenis, genomen van bossen of pallen van verscheidene dingen, die men samenbindt om iemand op de schouders te leggen om te dragen.
Hertaald:
binden lasten,
Een vergelijking, ontleend aan bundels of pakken van allerlei dingen die men samenbindt om iemand op de schouders te leggen om te dragen.
gedenkcedels
Grieks, Phylacteria; dat is, bewaarcedels, welke briefjes of cedeltjes van perkament waren, waarop de wet Gods of enig deel derzelve geschreven stond, die zij aan hunne voorhoofden en armen vonden, om te schijnen de gedachtenis der wet altijd voor ogen te hebben, en meenden daarin te volgen hetgeen God beveelt Ex. 13:9 , Ex. 13:16 ; Deut. 6:8 .
Hertaald:
gedenkcedels
Grieks: phylacteria; dat is: bewaarbriefjes. Dat waren briefjes of strookjes perkament waarop de wet van God of een deel daarvan geschreven stond, die zij aan hun voorhoofd en armen bonden om de schijn te wekken dat zij de gedachtenis van de wet altijd voor ogen hadden. Zij meenden daarmee te doen wat God beveelt in Ex. 13:9, Ex. 13:16; Deut. 6:8.
zomen van hunne klederen
Dit waren franjes met blauwe snoertjes aan de hoeken van de bovenste klederen, die zij, volgens de wet, Num. 15:38 ; Deut. 22:12 , moesten dragen om daardoor te gedenken aan de hemelse leer der wet.
Hertaald:
zomen van hunne klederen
Dit waren franjes met blauwe snoertjes aan de hoeken van de bovenkleren, die zij volgens de wet moesten dragen, Num. 15:38; Deut. 22:12, om daardoor aan de hemelse leer van de wet te denken.
Rabbi, rabbi
Dit is een Hebr. woord, betekende iemand, die geleerdheid en aanzien uitsteekt, en meer is dan anderen, dat is Meester, Meester.
Hertaald:
Rabbi, rabbi
Dit is een Hebreeuws woord dat iemand aanduidt die uitmunt in geleerdheid en aanzien en meer is dan anderen; dat is: meester, meester.
rabbi
Het gebruik van deze, alsook van de volgend titels, wordt niet geheel verboden, want zij worden somtijds den profeten en apostelen wel toegeschreven, maar de ijdele eer en heerschappij of meesterschap over het geloof en de conscientie van anderen, die zij daarin zochten, vs.11.
Hertaald:
rabbi
Het gebruik van deze en van de volgende titels wordt niet volledig verboden, want zij worden soms wel aan de profeten en apostelen toegekend. Verboden wordt de ijdele eer en de heerschappij of het meesterschap over het geloof en het geweten van anderen, die zij daarin zochten, vers 11.
Meester,
Grieks, Voorganger, leidsman of leidsmeester. Want hij alleen is de enige wetgever en onze opperste profeet, die in zaken, het geloof en den godsdienst aangaande, alleen moet gehoord en gevolgd worden. Matt. 17:5 , en die den weg der zaligheid niet alleen aanwijst, maar ook zelf met zijn voorbeeld volmaakt voorgaat; Hebr. 2:10 , en Hebr. 12:2 .
Hertaald:
Meester,
Grieks: voorganger, leidsman of leidsmeester. Want Hij alleen is de enige wetgever en onze hoogste Profeet, Die in zaken van het geloof en de godsdienst als enige gehoord en gevolgd moet worden, Matth. 17:5. Hij wijst de weg van de zaligheid niet alleen aan, maar gaat er ook Zelf met Zijn voorbeeld volmaakt in voor; Hebr. 2:10 en Hebr. 12:2.
Een is uw Vader,
Overmits wij van Hem alleen ons wezen en onderhoud naar lichaam en ziel oorspronkelijk hebben, van Hem alleen alles goeds moeten verwachten en op Hem alleen vertrouwen.
Hertaald:
Een is uw Vader,
Omdat wij ons bestaan en ons onderhoud naar lichaam en ziel alleen aan Hem ontlenen, alleen van Hem al het goede moeten verwachten en alleen op Hem moeten vertrouwen.
Een is uw Meester
Dat is, voorganger. Zie vs.8.
Hertaald:
Een is uw Meester
Dat is: voorganger. Zie vers 8.
meeste van u zal uw dienaar zijn
Grieks, meerder of groter.
Hertaald:
meeste van u zal uw dienaar zijn
Grieks: meerdere of grotere.
Degenen, die ingaan zouden,
Of, de ingaande; dat is, die op den weg zijn om de leer des Evangelies aan te nemen, belet gij, zoveel in u is, dat zij niet voortgaan.
Hertaald:
Degenen, die ingaan zouden,
Of: de ingaanden; dat is: zij die op weg zijn om de leer van het Evangelie aan te nemen, belet u zoveel u kunt om verder te gaan.
den schijn van
Of dekmantel.
Hertaald:
den schijn van
Of: dekmantel.
lang te bidden;
Dat is, onder schijn van godsvrucht en voor haar te bidden, berooft gij haar van hare middelen. Zie ook 2 Tim. 3:6 . Of, onder een schijn of tot een dekmantel, zijt lang biddende.
Hertaald:
lang te bidden;
Dat is: onder de schijn van godsvrucht en van voor haar te bidden, berooft u haar van haar middelen. Zie ook 2 Tim. 3:6. Of: onder een schijn of als dekmantel bidt u lang.
zwaarder oordeel
Grieks, overvloediger.
Hertaald:
zwaarder oordeel
Grieks: overvloediger.
land
Grieks, het droge; Gen. 1:10 .
Hertaald:
land
Grieks: het droge; Gen. 1:10.
Jodengenoot
Grieks, Proselyton; dat is, een aankomeling, die namelijk van den heidense godsdienst zich begeeft tot de Joodse, gelijk daar was Nikolaus, een aankomeling van Antiochië; Hand. 6:5 ; zie 1 Kron. 2:55 ; Ezech. 14:7 ; Hand. 2:10 .
Hertaald:
Jodengenoot
Grieks: proseliet; dat is: een nieuwkomer, namelijk iemand die zich van de heidense godsdienst tot de Joodse wendt, zoals Nicolaüs, een proseliet van Antiochië; Hand. 6:5; zie 1 Kron. 2:55; Ezech. 14:7; Hand. 2:10.
kind der hel,
Grieks, zoon; dat is, waardig der helse verdoemenis; 2 Sam. 12:5 .
Hertaald:
kind der hel,
Grieks: zoon; dat is: iemand die de helse verdoemenis waard is; 2 Sam. 12:5.
dat is niets;
Dat is, dat geldt niet, of die is niet gehouden te betalen hetgeen hij met zulk een eed beloofd heeft.
Hertaald:
dat is niets;
Dat is: dat geldt niet, of: hij is niet verplicht te betalen wat hij met zo'n eed beloofd heeft.
die is schuldig
Dat is, die is gehouden zijne belofte te betalen.
Hertaald:
die is schuldig
Dat is: hij is verplicht zijn belofte na te komen.
Gij dwazen en blinden;
Christus kent hiermede niet voor goed de eden bij de creaturen gedaan, maar toont alleen hoe verkeerdelijk zij daarvan oordeelden, en de conscientiën der mensen kwalijk onderrichtten.
Hertaald:
Gij dwazen en blinden;
Christus keurt hiermee de eden bij de schepselen niet goed, maar laat alleen zien hoe verkeerd zij daarover oordeelden en hoe slecht zij het geweten van de mensen onderwezen.
de gave,
Dat is, offerande. Zie Matt. 5:24 .
Hertaald:
de gave,
Dat is: de offerande. Zie Matth. 5:24.
die daarin woont
Of, die denzelven bewoont. Hoe God in den tempel woont, zie 1 Kon. 8:27 .
Hertaald:
die daarin woont
Of: Die hem bewoont. Zie over de manier waarop God in de tempel woont 1 Kon. 8:27.
vertient
Dat is, tienden geeft, of leert dat men daarvan tienden moet geven.
Hertaald:
vertient
Dat is: tienden geeft, of leert dat men daarvan tienden moet geven.
de munte
Het Griekse woord Hedyosmos heeft zijn naam van zoet of welrieken.
Hertaald:
de munte
Het Griekse woord hedyosmos ontleent zijn naam aan het zoet of aangenaam ruiken.
het zwaarste der wet,
Dat is, de gewichtigste stukken.
Hertaald:
het zwaarste der wet,
Dat is: de gewichtigste onderdelen.
het oordeel
Dat is, hetgeen recht en billijk is.
Hertaald:
het oordeel
Dat is: wat recht en billijk is.
de barmhartigheid
Dat is, de werken der liefde.
Hertaald:
de barmhartigheid
Dat is: de werken van de liefde.
het geloof
Dat is, getrouwheid in alle handelingen met de mensen.
Hertaald:
het geloof
Dat is: trouw in alle omgang met de mensen.
de mug uitzijgt
Of, een mug kleinst en een kemel doordrinkt. Dit is een algemeen spreekwoord tegen degenen, die in het kleine nauw zien en het grote niet achten.
Hertaald:
de mug uitzijgt
Of: een mug uitzeeft en een kameel doorslikt. Dit is een gangbaar spreekwoord tegen hen die in kleine dingen nauw toezien maar de grote niet achten.
van roof en onmatigheid
Dat is, vol van spijs en drank met onrechtvaardigheid verkregen en met onmatigheid gebruikt.
Hertaald:
van roof en onmatigheid
Dat is: vol spijs en drank die met onrechtvaardigheid verkregen en met onmatigheid gebruikt is.
reinig eerst
Dat is, laat af van onrechtvaardigheid en onmatigheid, waardoor uw spijs en drank verontreinigd was, zo zullen uw schotels en drinkbekers ook rein zijn.
Hertaald:
reinig eerst
Dat is: laat de onrechtvaardigheid en de onmatigheid varen, waardoor uw spijs en drank verontreinigd waren, dan zullen uw schotels en drinkbekers ook rein zijn.
graftekenen
Dat is, de gebouwen, die over de graven boven de aarde tot gedachtenis der overledenen opgericht worden, die men tomben noemt.
Hertaald:
graftekenen
Dat is: de bouwwerken die boven de graven ter gedachtenis van de overledenen opgericht worden, en die men tomben noemt.
ten tijde onzer vaderen
Grieks, in de dagen.
Hertaald:
ten tijde onzer vaderen
Grieks: in de dagen.
aan het bloed der profeten
Grieks, in het bloed; dat is, in het bloedvergieten of doden.
Hertaald:
aan het bloed der profeten
Grieks: in het bloed; dat is: aan het bloedvergieten of het doden.
kinderen zijt dergenen,
Grieks, zonen.
Hertaald:
kinderen zijt dergenen,
Grieks: zonen.
vervult de maat uwer vaderen
Dat is, gaat zo vrij voort, volgt en voleindigt uwer vaderen boosheid in het doden der profeten, totdat u de verdiende straf zal overkomen.
Hertaald:
vervult de maat uwer vaderen
Dat is: ga gerust zo door; volg en voltooi de boosheid van uw vaderen in het doden van de profeten, totdat de verdiende straf u zal overkomen.
slangen,
Zie Rom. 3:13 , enz.
Hertaald:
slangen,
Zie Rom. 3:13, enzovoort.
helse verdoemenis ontvlieden?
Grieks, het oordeel der hel.
Hertaald:
helse verdoemenis ontvlieden?
Grieks: het oordeel van de hel.
schriftgeleerden,
Dit woord wordt hier genomen voor oprechte leraars, hoedanig een schriftgeleerde Ezra is geweest; Ezra 7:6 ; Matt. 13:52 .
Hertaald:
schriftgeleerden,
Dit woord wordt hier gebruikt voor oprechte leraars, zoals Ezra een schriftgeleerde geweest is; Ezra 7:6; Matth. 13:52.
bloed, dat vergoten is
Dat is, de straffen om al het bloedvergieten der rechtvaardigen, gelijk Matt. 27:25 ; want de kinderen die het kwade voorbeeld van de misdaden hunner ouders volgen, worden derzelver zonde en straf deelachtig; Ex. 20:5 .
Hertaald:
bloed, dat vergoten is
Dat is: de straffen voor al het vergieten van het bloed van de rechtvaardigen, zoals Matth. 27:25. Want de kinderen die het slechte voorbeeld van de misdaden van hun ouders volgen, krijgen deel aan hun zonde en straf; Ex. 20:5.
Barachia,
Deze wordt ook Jochannan genaamd, 1 Kron. 6:9 , en Jojada, 2 Kron. 24:22 , en hier Barachia. En deze Zacharias is een van de laatste profeten geweest, wiens door of vermoorden in het Oude Testament met name verhaald wordt, en wiens bloed, gelijk ook het bloed van Abel, tot God om wraak geroepen heeft.
Hertaald:
Barachia,
Deze wordt ook Johanan genoemd, 1 Kron. 6:9, en Jojada, 2 Kron. 24:22, en hier Berechja. Deze Zacharia is een van de laatste profeten geweest van wie de dood of moord in het Oude Testament met name verteld wordt, en wiens bloed — evenals het bloed van Abel — tot God om wraak geroepen heeft.
uwe kinderen
Dat is, uwe inwoners.
Hertaald:
uwe kinderen
Dat is: uw inwoners.
hebt niet gewild
Dat is, gij hebt zulks altijd gezocht te verhinderen, zie vs.13, en nochtans heeft Christus, tegen hun dank, al de zijnen uit hen vergaderd; Jes. 1:8 ; Rom. 9:29 .
Hertaald:
hebt niet gewild
Dat is: u hebt dat altijd proberen te verhinderen, zie vers 13. En toch heeft Christus, tegen hun zin in, al de Zijnen uit hen vergaderd; Jes. 1:8; Rom. 9:29.
wordt u woest gelaten
Dat is, zal verwoest worden en verwoest blijven: hetwelk omtrent veertig jaren daarna door de Romeinen geschied is.
Hertaald:
wordt u woest gelaten
Dat is: het zal verwoest worden en verwoest blijven, wat ongeveer veertig jaar daarna door de Romeinen gebeurd is.
totdat gij zeggen zult
Namelijk ten uitersten dage, wanneer Hij in zijne heerlijkheid zal komen ten oordeel, en zij alsdan zullen moeten bekennen dat Hij de gezegende des Heeren, dat is de ware Messias is; Openb. 1:7 .
Hertaald:
totdat gij zeggen zult
Namelijk op de laatste dag, wanneer Hij in Zijn heerlijkheid ten oordeel zal komen en zij dan zullen moeten erkennen dat Hij de Gezegende van de Heere is, dat is: de ware Messias; Openb. 1:7.
is Hij,
Of, zij.
Hertaald:
is Hij,
Of: zij. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Door Jezus genoemd als laatste in de reeks rechtvaardigen wier bloed vergoten is, gedood tussen de tempel en het altaar (Matth. 23:35). Deze beschrijving komt overeen met de moord op Zacharia, de zoon van Jojada, in 2 Kron. 24:20-22; de hier genoemde vadersnaam Barachia wijkt daarvan af, en onder geleerden bestaat onzekerheid of het om dezelfde persoon gaat. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Het woord komt in Mattheüs telkens uit de mond van Christus Zelf en steeds als waarschuwing. In de Bergrede staat het driemaal: wie tegen zijn broeder "gij dwaas" zegt, is strafbaar door het helse vuur, en het is beter een oog of hand te verliezen dan dat het gehele lichaam in de hel geworpen wordt (Matt. 5:22,29-30). Verder: vreest niet hen die het lichaam doden, maar Hem die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel (Matt. 10:28), en de scherpste toepassing van alle staat tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën (Matt. 23:33). De achtergrond is het dal van Hinnom, waar koningen van Juda kinderen door het vuur lieten gaan — een gruwel die Jeremia een gericht aankondigde (Jer. 7:31-32; 19:5-6; vgl. 2 Kon. 23:10). Bijbelse betekenis: Het is van gewicht wie hier spreekt. Niet een profeet van het gericht maar de Zaligmaker Zelf gebruikt dit woord het meest, en Hij gebruikt het niet tegen buitenstaanders maar tegen hoorders en tegen godsdienstige mensen. De waarschuwing staat bovendien in het verband van de vreze Gods, niet in dat van willekeur: het gaat om Hem die beide ziel en lichaam kan verderven. Dat de aanduiding aan een dal met een geschiedenis van kinderoffers ontleend is, geeft het woord zijn gewicht — de plaats van de diepste gruwel werd het beeld van het uiterste gericht. Typologie: Openbaring noemt het einde de tweede dood en de poel des vuurs (Op. 20:14-15; 21:8), en Paulus spreekt van eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren (2 Thess. 1:9). Tegenover die ernst staat in hetzelfde Evangelie de enige uitweg die het kent: de Zoon des mensen is gekomen om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen (Matt. 20:28). En wie in Hem gelooft, komt niet in het oordeel maar is uit de dood overgegaan in het leven (Joh. 5:24). Wie over dit onderwerp spreekt zonder dat erbij te zeggen, spreekt niet zoals de Schrift spreekt. Matt. 5:22,29-30; Matt. 10:28; Matt. 23:33; 2 Kon. 23:10; Jer. 7:31-32; Jer. 19:5-6; Joh. 5:24; 2 Thess. 1:9; Op. 20:14-15; Op. 21:8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Profeet, priester en koning niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe ambt In de tempel, in Zijn laatste dagen, spreekt Hij over de Schriftgeleerden en Farizeeën. Zij zitten op de stoel van Mozes, zegt Hij — en juist daarom moet er iets over titels gezegd worden. Er is er maar Eén Die Meester genoemd mag worden, en de grootste in Zijn koninkrijk is dienaar. **Wat er verboden wordt.** “Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders.” En twee verzen verder nog eens: noch zult gij meesters genoemd worden, want Eén is uw Meester. **Wat er niet verboden wordt.** De kanttekening is hier precies, en dat is nodig: het gebruik van deze titels wordt niet geheel verboden, want zij worden soms aan profeten en apostelen wel toegeschreven. Wat verboden wordt is de ijdele eer en de heerschappij over het geloof en het geweten van anderen die zij daarin zochten. **Wat het woord betekent.** De kanttekening vertaalt het: voorganger, leidsman. En zij zegt waarom er maar Eén zo heten kan — Hij is de enige wetgever en onze opperste Profeet, Die in zaken van geloof en godsdienst alleen gehoord en gevolgd moet worden. En dan komt er iets bij dat geen mens kan navolgen: Hij wijst de weg der zaligheid niet alleen aan, maar gaat er Zelf volmaakt in voor. Dat is het onderscheid in dit register tussen Hem en elke profeet vóór Hem. Mozes wees een land aan dat hij zelf niet binnenkwam. Jona preekte bekering en zat er zelf verbolgen bij. Hier valt de boodschapper met de boodschap samen. **De omkering die volgt.** “Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden.” Hetzelfde als bij het gesprek over de ereplaatsen: wie in dit koninkrijk hoog wil, moet weten hoe de Koning eraan gekomen is. **En waar het misging.** Het wee dat het zwaarst weegt is niet over grove zonde maar over verhoudingen: zij vertienden de munt, de dille en de komijn, en lieten het zwaarste van de wet na — het oordeel, de barmhartigheid en het geloof. En Hij voegt er iets aan toe dat men graag overslaat: deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten. In het Nieuwe Testament: Deuteronomium 18:15; Mattheüs 17:5; Hebreeën 12:2; Micha 6:8; Mattheüs 20:26; Jakobus 3:1 Hoever dit reikt: De kanttekening waarschuwt uitdrukkelijk tegen een te ruime lezing: de titels zelf worden niet verboden — de Schrift gebruikt ze voor profeten en apostelen — maar wel het zoeken van eer en het heersen over het geloof van anderen. Het tienden geven wordt hier niet afgeschaft, maar ondergeschikt gemaakt.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Mattheüs 23
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Een is uw Meester — 23:8-12, 23-24
Wat betekenen de niveaus?


Mattheüs 23
Mattheüs 23:29-31.KruisverwijzingenHandelingen 7:51→Lukas 11:47→1 Thessalonicenzen 2:15→Handelingen 2:29→2 Kronieken 36:15→Mattheüs 21:35→Mattheüs 23:34→Jeremia 2:30→
— Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen; En zegt: Indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten. Aldus getuigt gij tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben.
“Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen; En zegt: Indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten. Aldus getuigt gij tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben.”
Zij spreken op dezelfde verwaande manier en maken dezelfde aanspraak op eigen gerechtigheid als hun vaderen deden. En doodden hun voorouders de profeten, dan versieren deze mannen hun graven en delen zij zo in de daden van hun vaderen.
Hoe vaak gebeurt het dat mensen zeggen dat zij zulke misdaden als anderen bedreven hebben nooit gedaan zouden hebben, terwijl zij de vuilheid van hun eigen hart niet kennen. Verkeerden zij in dezelfde omstandigheden als die anderen, dan zouden zij precies zo handelen.
Het zou een beter teken geweest zijn als de schriftgeleerden en farizeeën voor God geklaagd hadden dat zij Zijn profeten zélf niet behandelden zoals het behoorde.
Wat was onze Meester getrouw! Hij was heel teder van geest, en toch sprak Hij heel scherp. Het oude spreekwoord zegt dat een goed heelmeester dikwijls diep snijdt, en zo was het met de Heere Jezus Christus. Hij bedekte het kwaad niet met een vliesje; Hij opende de wond. Niet hij heeft de meeste liefde die de gladste woorden spreekt. Ware liefde dwingt een eerlijk mens dikwijls te zeggen wat hemzelf veel meer pijn doet dan het zijn verharde hoorders raakt.
Mattheüs 23:32-33.KruisverwijzingenMattheüs 12:34→Mattheüs 3:7→Lukas 3:7→Johannes 8:44→Genesis 15:16→Mattheüs 5:22→Numeri 32:14→1 Thessalonicenzen 2:16→
— Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen! Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?
“Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen! Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?”
Dit zijn de woorden van Christus, laat ik u daaraan herinneren. Onze hedendaagse predikers zouden zo niet spreken, zelfs niet tot schriftgeleerden en farizeeën die Christus opnieuw kruisigden en openlijk te schande maakten. Zij zouden het hele woordenboek doorzoeken om heel gladde en fraaie woorden voor de vijanden van Christus te vinden. Wij denken en spreken niet op hun manier, en wij zullen dat ook niet doen zolang wij in de voetstappen van onze Heere wensen te gaan.
Mattheüs 23:34.KruisverwijzingenMattheüs 10:16→Mattheüs 13:52→Handelingen 13:1→Mattheüs 10:23→Handelingen 15:32→Handelingen 5:40→Handelingen 9:1→1 Korinthe 2:6→
— Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;
“Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;”
En dat deden zij ook. De dienstknechten van Christus werden zo door het hele land opgejaagd en vervolgd.
Mattheüs 23:35-36.KruisverwijzingenZacharia 1:1→Mattheüs 24:34→Genesis 4:8→Hebreeën 11:4→Openbaring 18:24→2 Kronieken 24:20→Mattheüs 10:23→Jeremia 26:15→
— Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar. Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.
“Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar. Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.”
En zo is het gegaan. De verwoesting van Jeruzalem was verschrikkelijker dan iets wat de wereld ooit gezien heeft, ervoor of erna. Er moeten tijdens die vreselijke belegering bijna anderhalf miljoen mensen omgekomen zijn.
Zelfs Titus zei, toen hij de ontzettende slachting zag: hoe dwaas moet dit volk wel niet zijn, dat het mij tot zulk werk als dit dwingt! Waarlijk, de hand van een wrekend God moet hierin zijn. Werkelijk, het bloed van de martelaren die in Jeruzalem gedood waren is ruimschoots gewroken toen de hele stad een waar bloedveld werd.
Mattheüs 23:37-38.KruisverwijzingenDeuteronomium 32:11→Mattheüs 5:12→Ruth 2:12→Psalmen 63:7→Nehemia 9:26→Jeremia 6:16→Lukas 13:34→Jeremia 22:5→
— Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild. Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.
“Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild. Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.”
Wat een beeld van medelijden en teleurgestelde liefde moet het gelaat van de Koning geboden hebben toen Hij deze woorden met stromende tranen sprak! Het was de uitspraak van de rechtvaardige Rechter, verstikt door aandoening. Jeruzalem was te ver heen om nog van zijn zelfgezochte ondergang gered te worden. En zijn schuld stond op het punt haar hoogtepunt te bereiken in de dood van de Zoon van God.
Dit vers laat zien dat de ondergang van mensen bij henzelf ligt. Christus zegt het onomwonden: “hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen … en gijlieden hebt niet gewild”. Wij moeten er onwrikbaar aan vasthouden dat de zaligheid geheel uit genade is. Maar met dezelfde vastheid geloven wij dat de ondergang van een mens geheel het gevolg is van zijn eigen zonde. De wil van God maakt zalig; het is de wil van de mens die veroordeelt.
Jeruzalem stond en werd bewaard door de genade en de gunst van de allerhoogste God. Maar Jeruzalem is uiteindelijk tot de grond toe verbrand en haar stenen zijn geslecht. En dat om de overtreding en de ongerechtigheid van hen die de gerechtigheid van God tergden. Toch heeft Jezus de Messias vóór het zover was gezegd dat Hij hen in een plaats van zegen wilde brengen. En is iemand begerig en verlangend die te ontvangen, dan is Jezus even bereid ook hem die zegen te geven — de zegen van het eeuwige leven.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IX. Vs. 1-39.KruisverwijzingenMattheüs 6:1→Maleachi 1:6→Lukas 11:46→Handelingen 15:10→1 Johannes 3:1→Romeinen 8:14→Hebreeën 12:9→Job 32:21→
— Toen sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen, Zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeen zijn gezeten op de stoel van Mozes; Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet. Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren. En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gedenkcedels breed, en maken de zomen van hun klederen groot. En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen; Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen genaamd te worden: Rabbi, Rabbi! Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders. En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Een is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is. Noch zult gij meesters genoemd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus.
Nadat Jezus Zijn vijanden voor altijd tot zwijgen heeft gebracht, laat Hij hen nu iets zien van de majesteit van de Rechter temidden van de nederigheid van de Mensenzoon; terwijl zij daar staan, beschaamd en vertoornd tegelijk over de gunstige indruk, die Zijn rede op het volk gemaakt heeft (Mark. 12: 37), wendt Hij Zich tot Zijn discipelen en tot Zijn volk en waarschuwt Hij alle vrome harten voor de werken van diegenen, die zich nu nog gedragen als de heren van de tempel, maar die met de door hen ontwijde tempel reeds tot de ondergang bestemd zijn (vs. 1-12). Zijn waarschuwing voor deze aanvoerders, die echter niets zijn dan verleiders, gaat dan over in een verschrikkelijk wee over de huichelaars zelf (vs. 13-33). Het is de ernstige tegenstelling tegen de bergrede (Hoofdstuk 5: 1 vv. ), die wij hier lezen. Daar lokte Hij de mensen tot Zich door de een zaligspreking na de andere, wie slechts begeerde door een betere gerechtigheid dan die van de Farizeeën het koninkrijk der hemelen binnen te gaan; hier spreekt Hij wee op wee uit over de huichelachtige rechtvaardigen, die zichzelf buitensluiten en op alle mogelijke manier pogen anderen buiten te sluiten. Hun dode godsdienst, hun eerzucht, hun hebzucht en gierigheid, hun ijveren met een slecht voornemen, alle bedeksels om de dood en het verderf te verbergen, straft Hij in zo’n verschrikkelijke rede, dat zij tot aan het einde van de dagen tegen de geest van de Farizeeën, die gedurig weer de kerk binnensluipt, een onomstotelijke getuigenis blijft. Hij weet, terwijl Hij zo spreekt, dat de goddelijke ijver Hem zelf zal verteren; want de geveinsden, die de graven van de profeten bouwen en er zich op beroemen, dat zij niet evenals hun vaderen de hand aan de profeten gelegd hadden, zij verraden zich door hun eigen woorden als de zoon van hun vaderen en wel als zoon, die hun vaderen maar al te zeer gelijken in verblinding en eigengerechtigheid, zo zullen zij ook de mate van de geërfde schuld vol maken. Deze voleindiging van de schuld gebeurt door vervolging van de nieuwe profeten, wijzen en schriftgeleerden, die Hij hen zal zenden en brengt de vloek over hen, over Jeruzalem en over dit huis. Terwijl Hij echter de bedreiging uitspreekt zal dit Zijn laatste woord niet zijn, veeleer zet Hij in de plaats van de jongstleden Palmzondag, die snel voor Hem in een kruisdag zal veranderen een andere, waarop uit de mond van het volk, dat door het zware gericht eindelijk verootmoedigd en tot de God van zijn vaderen bekeerd is, nog eenmaal de juichtoon zal klinken: “Geloofd zij Hij, die daar komt in de naam van de Heere!” (vs. 34-39 vgl. Mark. 12: 38-40. Luk. 20: 45-47).
Toen sprak Jezus tot de menigten, die in dichte kringen rondom Hem en tot Zijn discipelen, die het dichtst bij Hem stonden.
Beslist en plechtig brak Hij met de hiërarchie, die zich tegen het woord van de waarheid verstokte en zei: a) De schriftgeleerden en de Farizeeën, welke laatsten het hoofdbestanddeel van de eersten uitmaken, zijn gezeten op de stoel van Mozes, als opvolgers van hem in het ambt van leren en wetgeving. Zo is nu eenmaal de toestand, die ook niet met geweld moet worden omvergestoten, hoeveel aanmatiging daarbij in het spel geweest en hoeveel schade daarvan ook het gevolg is.
Neh. 8: 14.
a) Daarom, al wat zij overeenkomstig de bestaande orde in hun uitlegging en verkondiging van de wet u zeggen, hou dat en doe het; maar doe niet naar hun werken, niet zo zij leven, alsof dat de juiste volvoering was van de grondstellingen in hun leer vervat; b) want zij zeggenhet wel wat goed is en wat de Heere van u eist (Micha 5: 17. Mal. 2: 7) en doen het niet; zij laten zich door de ingevingen van hun zelfzuchtig en boos hart leiden.
Deut. 17: 19. b) Rom. 2: 19.
Niet de aanbeveling van de inzettingen en geboden van de Farizeeën “onbegrensd” is het doel van deze woorden van de Heere (het tegendeel blijkt reeds uit vs. 4 en Hoofdstuk 15: 3 vv. ), maar hier heeft Hij slechts met de tegenstelling te doen, die tussen de geboden en inzettingen en het eigenlijke leven van deze plaatsvervangers van Mozes” bestaat. Uit dit oogpunt kan de Heere zeggen: “naar hun woorden kunt u zich wel richten: u zondigt tenminste niet, wanneer u het doet, maar hetzelfde kan men niet zeggen van hun daden; want bij de woorden wordt altijd het doel van de gerechtigheid en waarheid voorgehouden, ten minste nooit de verloochening daarvan toegestaan; de fout ligt hier in de juiste waardering en bepaling van de voorschriften, die zij opeenstapelen (vs. 23-26); in hun daden heersen echter geheel andere stelregels en drijfveren, zij logenstraffen daarmee hun eigen woorden.
Het schijnt verwonderlijk, dat zelfs de inzettingen van de schriftgeleerden door de discipelen moeten worden geëerbiedigd; maar liever nog een tijdlang een keten dragen, dan door een overijld afwerpen de schijn geven, alsof niet de vrijheid van de geest, maar de losbandigheid van het vlees de beweegreden van de afwerping was. Het verbod van het huwelijk van de priesters is een slechte inzetting van de Roomsen; maar wanneer een priester zijn overgang tot het Evangelie met het huwelijk begint, zo oordelen de Evangelischen, dat hij weinig te vertrouwen is. In deze zelfde rede spreekt Jezus uit, dat nog over de tegenwoordige generatie de verwoesting van de tempel zou komen (vs. 36); dan namen de inzettingen een einde, het voorschrift van Jezus had dus een voorlopig karakter. De veronderstelling van bevreesdheid voor schending van de sabbat bij de gelovigen ten tijde van de verwoesting van Jeruzalem in Hoofdstuk 24: 20 verkrijgt hierdoor licht; met één woord: dat de Heere Zijn discipelen over hun verhouding tot de wet geen bepaald voorschrift geeft 28: 20), is een bewijs temeer daarvoor, hoe voor Hem het hoogste punt van Zijn werk gelegen was in de verwerving van de Geest door Zijn sterven en heengaan en dat het onderwijzen in de nog overige dagen van Zijn leven slechts voorbereiding was.
Evenals Christus in het begin (Luk. 2: 46. Joh. 3: 10) de meesters in Israël erkend heeft, zo laat Hij hen ook nu ten slotte nog voor een tijd (tot aan het gericht vs. 12) gelden. Hij wil hen niet vóór de tijd naar beneden stoten, maar hen laten zitten zoals ze nu eenmaal zitten; al was het nu, dat zij zich daar met hoogmoed neergezet hadden en zaten, toch waren zij de werkelijke, in de grond nog orthodoxe vertegenwoordigers van het wettig Jodendom, waarom Paulus zich naderhand uitsluitend op hen kon beroepen.
“Men moest”, om de woorden van een groot godgeleerde te gebruiken, “naar hen luisteren zolang zij de woorden van Mozes spraken”, maar ook verder niet.
a) Want zij maken vele instellingen, die de wet verscherpen en tot in kleinigheden voortzetten. Daardoor binden zij lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, tot één juk tezamen en leggen ze op de schouders van de mensen als iets, dat zij moeten doen tot hun zaligheid: maar zij willen die voor zichzelf met hun vinger niet verroeren, laat staan, dat zij die last op zich zouden willen nemen. Wat zij doen is niets meer dan een spel van hun spitsvondigheid en scherpzinnigheid, om zichzelf te verheffen (Luk. 11: 46).
Jes. 10: 1. Hand. 15: 10.
Ruim voor zichzelf willen zij bij anderen de angstvalligste nauwgezetheid. Ja, het is een doorgaand kenmerk van degenen, die het zelf niet nauw nemen met de innerlijke godsdienst van het hart, de naleving van de uitwendige vormelijke godsdienst bij anderen op de gestrengste manier te eisen. Niet God, maar zij leggen de mensen ondragelijke lasten op. Gods geboden zijn niet zwaar, mits men een kind van God is.
En al hun werken, waardoor zij voor anderen de schijn aannemen, als was de waarneming daarvan voor hen een zaak van het hoogste gewicht, maar zij, om door de mensen gezien en als toonbeelden van heiligheid geprezen te worden. Dit is daaraan te zien, dat zij zich alleen zulke godsdienstige plechtigheden kiezen, waarbij men in het oog kan lopen (Hoofdstuk 6: 1, 5, 16); want zij maken hun gedenkcedels, de riemen van de wet of gebedstekenen aan het voorhoofd en de linkerarm 6: 9″), breed en maken de zomen of kwasten van hun kleren (Num. 15: 38 vv. ) groot.
Alle huichelaars zijn tegen anderen scherp, in zichzelf houden zij echter alles goed.
Een getrouw leraar moet scherp over zichzelf zijn, maar zijn onderdanen regeert hij met zachtmoedigheid en naar de regel van het goddelijk woord 2 Tim. 2: 24.
Geestelijke trotsheid, zucht naar eer en rang is een hoofdklip van de geestelijke stand. Niets staat de Christen zozeer tegen dan zich te laten zien. Leer het juiste midden, u evenmin over uw geloof te schamen als ermee te pronken.
Farizese dwaasheid is het: grote, met zilver of goud versierde gebedenboeken en bijbels te hebben, maar daarbij weinig opgewektheid en godsdienstzin!
De zichzelf zoekende mens mist het vereiste van het kind van God, dat niet door de mensen wil gezien worden in zijn aanbidding van God in geest en in waarheid, in het verborgene van het hart en in het verborgene van de binnenkamer.
a) En zij, begerig naar ijdele eer (Gal. 5: 26), beminnen als voornameren dan anderen, de vooraanzitting in de maaltijden (Luk. 14: 7) en bij godsdienstige vergaderingen de voorgestoelten in de synagogen.
Ook zoeken zij de begroetingen op de markten en het door de mensen a) genoemd te worden: Rabbi, Rabbi! Zij willen niet met hun eigen naam worden aangesproken, maar met een eretitel.
Jak. 3: 1.
Niemand werd met die naam genoemd dan alleen diegenen, aan welke getuigenis was gegeven van hun geleerdheid door oplegging van de handen. De Joden gebruikten in hun begroetingen het woord “Rabbi” twee keer. Deze naam is pas in gebruik gekomen een tijdje vóór de komst van Christus. De zoon van Hillel en Schammai hebben die eerst aangenomen.
Er vindt een opklimming plaats in de drie leden van de rede: zij houden van de vooraanzittingen aan de maaltijden, om de eerste plaatsen te hebben in de synagogen en gegroet te worden op de markten (vrije plaatsen van de stad); het laatste lid: en door de mensen Rabbi genaamd te worden, geeft dadelijk de grond aan, waarop zij hun aanspraak op de zo-even genoemde onderscheidingen vestigen.
Rab, Rabbi, Rabban, Rabbijn is sinds de laatste of voorlaatste eeuw vóór Christus de naam van een leraar van de Mozaïsche wet. De eerste van deze uitdrukkingen: “Rab” (d. i. grote), komt in het Oude Testament voor en wordt reeds in 2 Kon. 25: 8 en later in Esth. 1: 8 in het bijzonder vaak in Daniël in de betekenis van “overste”, van de hoogsten van de hovelingen van alle soort gebruikt; met het opkomen van de scholen schijnt die titel ook in die kringen gebruikt en na de oorlogen algemeen aan de grote schoolhoofden gegeven te zijn. Toen nu in de tijd van Jezus de invloed van de wetgeleerden op het volk meer en meer toenam, werd ook het gebruik van die titel van de geleerden meer uitgebreid. Had men in het begin slechts de oversten van de scholen tegenover hun discipelen Rabbijnen genoemd, zo werd nu langzamerhand ieder, die zich tot leraar mocht opwerpen, tegenover de leken Rab geheten, met “Rabbi” (d. i, mijn Rab) aangesproken en deze titel evenals het Franse Monsieur (mijnheer”) ten slotte in de eerste naamval (nominativus) als titel van elke wetgeleerde gebruikt. Terwijl men nu met deze titel zo mild was, moest men toch altijd nog een onderscheiding voor de meest gevierde leraars hebben; daarom werden deze in plaats van Rab nu Rabban (oorspronkelijk wel van rabbanoe, d. i. “onze leraar” verkort) genoemd. De eerste leraar, die deze titel gehad heeft, zoals in de Talmud aangewezen kan worden, is de grote Gamaliël; het Nieuwe Testament geeft deze titel reeds aan Jezus door een blinde (Mark. 10: 51) en Maria Magdalena (Joh. 20: 16), want “Rabbouni” is niets anders dan de Galilese uitdrukking in plaats van Rabbani =” mijn Rabban. ” Behalve deze twee gevallen wordt Jezus 12 maal met Rabbi (mijn Rab) aangesproken, maar enkel in het Evangelie van Mattheus (26: 25, 49), Markus (9: 5; 11: 21; 14: 45) en Johannes (1: 39, 50; 3: 2; 4: 31; 6: 25; 9: 2; 11: 2), terwijl Lukas zich steeds van een Griekse uitdrukking bedient; de tijd van Jezus was ook zelfs voor de titel van Rabbi, evenals voor het gehele Rabbinisme, een tijd van snelle ontwikkeling. Van het begin van de tweede eeuw de Christelijke tijdrekening staat voor de naam van iedere wetgeleerde de titel Rabbi en blijft ook door alle volgende eeuwen door; onze Europese volken hebben daarvan “Rabbijn” gemaakt.
Maar u, Mijn discipelen en apostelen, met die allen, die uw opvolgers in de Christelijke gemeente zullen zijn, zult niet Rabbi, mijn meester genoemd worden, want één is uw Meester, namelijk Christus 1); en u bent allen broeders volgens de onderlinge betrekking, die u reeds onder het oude verbond is verkondigd (Jer. 31: 34).
Het woord Christus ontbreekt in vele handschriften misschien is hier eerder te denken aan de Heilige Geest als de leraar, die de Heere bedoelt (Joh. 6: 45; 14: 26. 1 Joh. 2: 27).
En u zult, evenmin als u zich boven anderen mag verheffen, u op valse manier aan iemand onderwerpen; u zult niemand uw vader noemen op de aarde, hem daardoor de eer van geestelijke voogdijschap over u gevend; a) want één is uw Vader, namelijk God, die is de hemelen is en naast hetvaderschap van deze mag u geen ander stellen (Efeziers . 3: 14 vv. ).
Mal. 1: 6.
Noch zult u meesters, regeerders en leidslieden genoemd worden, want één is uw Meester en Heer (Joh. 13: 13) namelijk Christus.
Op de Rabbi of leraar (vs. 8) volgt de Vader in de hemel (vs. 9) en Christus (vs. 10) als enige leidsman en voorganger, een wenk op het drievoudig “Ik” en God, waarvoor elk trots “ik” bukken moet. Hierdoor wordt alle menselijke aanzien, dat zich tussen God en ons met aangematigd gezag, wil indringen, terzijde gesteld: wie het zich aanmatigt zondigt en eveneens wie het anderen toekent. Men merkt toch op, hoe de Heere hier alle Oud-Testamentische voogdijschap wegnemende, een nieuw instelt in de ware vrijheid en gelijkheid, die tevens grond heeft in ootmoed voor de nu geheel geopenbaarden, voor allen toegankelijke God en hoe Hij Zichzelf even verheven als de Vader in de hemel stelt.
“Meester” (vs. 10) is meer dan “Rabbi” (vs. 8); de Rabbi is leraar in een school voor een aantal leerlingen; Meester is aanvoerder, vorst, opperhoofd van een gehele partij, die weer vele Rabbijnen volgden. Geen apostel heeft ooit een eigen school, een partij willen stichten. De Hervormers waren eveneens verre daarvan en hebben hun naam daaraan niet willen geven. Christenen moeten daartoe komen, dat zij Christus uit Zijn woord leren kennen en in Hem één zijn, Hem alleen volgen; mensen zijn nooit onfeilbaar.
Dat er in het algemeen geen leermeesters en geestelijke vaders meer zijn, noch iemand die namen mag dragen, kan de bedoeling van Jezus niet zijn (1 Kor. 4: 15. , maar de hiërarchische aanmatiging wordt bestraft, waardoor de mensen zich verheffen en voor hun persoon een autoriteit van eerbied eisen, die God en Christus toekomt, terwijl alles, wat zij zelf kunnen geven, slechts het karakter van dienst draagt. Deze gedachte (vs. 11 v. ) wordt als grondstelling uitgesproken door het geven van de één leraar, vader en leidsman, tegenover wie al de zijnen op gelijke lijn staan, alle in de betrekking van onderwezenen, van geleiden, van kinderen.
Het pausdom wordt hier veroordeeld, dat het ambt van zorg en leiding tot een ongeestelijke heerschappij over de gemeente probeert te maken en de geestelijke kudde niet weidt, maar zichzelf weidt ten gevolge van haar onmondigheid en haar misbruikt tot zondige bedoelingen van wereldse voorrang en eigenbaat.
Het ergste is iemand “vader” te noemen, d. i. in een mens een absoluut geestelijke autoriteit vereren.
De regel ons hier voorgeschreven moet overeenkomstig de Heilige Schrift worden verklaard. Geenszins wordt het ons hier verboden de leraars hoog te schatten omwille van hun werk (1 Thessalonicenzen. 5: 13). Paulus zelf, die nederige apostel noemde Titus “zijn zoon in het geloof” en zegt tot de Korinthiërs: “Ik heb u door het Evangelie geteeld” (1 Kor. 4: 15). Nochtans moeten wij zeer omzichtig zijn, opdat wij aan leraars niet een rang en een eer toekennen, die hun niet toekomen. Wij moeten hun nooit een plaats geven tussen ons en Christus. Ook de besten onder hen zijn geenszins onfeilbaar. Zij zijn geen priesters, die verzoening voor ons zouden kunnen doen. Zij zijn geen middelaars, die de behoeften van onze ziel bij God zouden kunnen bepleiten. Zij zijn mensen van gelijke bewegingen als wij, die behoefte hebben aan hetzelfde reinigende bloed en dezelfde vernieuwende Geest, die weliswaar afgezonderd zijn en geroepen tot een hoog en heerlijk ambt, maar met dat al mensen zijn.
De Roomse kerk vindt hier een scherpe bestraffing, die tevens voor ons, die niet haar leden zijn, het bewijs bevat, dat haar godsdienst ten enenmale verwerpelijk is te achten, omdat zij het waagt om haar opperhoofd als vader (paus = papa = vader) niet alleen, maar zelfs als heilige vader te begroeten. (F. de TALMA).
Maar de meeste van u, aan wie het meest aan gaven en krachten, aan waardigheid en invloed verleend is, zal uw dienaar zijn, zal alles, wat hem geschonken is, ten dienste van de broeders aanwenden, maar er geen recht in mogen zien om over anderen te heersen.
Wie dat evenwel zou doen, zou daardoor zichzelf verderf bereiden. a) En wie zich zelf verhogen zal, die zal vernederd worden en aan de andere kant ook: wie zichzelf zal vernederen, die zal verhoogd worden (Luk. 14: 11; 18: 14 het woord in vs. 11 heeft dus dezelfde betekenis als in Hoofdst. 20: 26 vv. ).
Job 22: 29. Spr. 29: 23. Jak. 4: 6, 10. 1 Petrus . 5: 5.
Het is dus duidelijk, dat met de afkondiging van het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid ook de grootste zonde is gepleegd tegen het woord van Christus vs. 8 vv. en deze de ondergang van het pausdom ten gevolge moet hebben. Reeds wordt die val voorbereid, om binnen een bepaalde tijd plaats te hebben. Uit (25: 4 en Uit 25: 30).
Hij is de meeste in de kerk, die haar het meeste dient.
Christus schijnt door de menigvuldige herhaling van dit gezegde te kennen te geven, dat hij daarmee niet alleen degenen beoogde, die leraars van anderen waren, maar al Zijn discipelen zonder uitzondering. Het is onze opmerking waardig te bedenken, dat geen gezegde van onze Heer zo vaak herhaald is als dit, dat ten minste tien malen bij de Evangelisten voorkomt (Vgl. Hoofdstuk 18: 4; 20: 26, 27; 23: 10, 11. Mark. 9: 35; 10: 43, 44. Luk. 14: 11; 18: 14; 22: 6. Joh. 13: 14.
Maar wee u, u schriftgeleerden en Farizeeën, u geveinsden! Want u sluit door de sleutel van de kennis weg te nemen (Luk. 11: 52) het koninkrijk der hemelen, dat zich in de verschijning van Christus heeft geopend, voor de mensen, omdat u voor uw persoon, hoe dringend u ook bent uitgenodigd (Luk. 14: 17 vv. ), daar niet ingaat, noch degenen, die uit het volk ingaan zouden, ja, de voet reeds op de drempel hebben gezet, laat ingaan; door bedrieglijke redenen trekt u ze weer in hun ongeloof terug (Hoofdstuk 12: 22 vv. Joh. 9: 22 vv. ).
Hij laadt een zware verantwoording op zich, die anderen daardoor in hun zaligheid hindert, dat hij ze van het Christendom, van Jezus aftrekt door dwaalleer, valse wijsheid en verleiding, ook daardoor dat hij de ware leraars in verdenking en kwade reuk brengt (Jes. 32: 6). Het Christelijk begrip van obscurantisme (ijver om te verduisteren) is de boosheid om het ware bijbelse Evangelie voor dweperij uit te krijten, het te willen verduisteren, het makkelijk te willen wegnemen, zo als in de Katholieke kerk gebeurt, omdat zij de bijbel wegneemt. Wat ongelovigen verlichting noemen is in waarheid verduistering.
a) Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, geveinsden! Want u eet de huizen van de weduwen op; omdat u zich door haar laat onderhouden, leeft u in overdaad van haar vermogen en dat onder de schijn van lang te bidden, alsof u mensen zou zijn, die u met heilige dingen en godsdienstige oefeningen zo bezig houdt, dat u voor de mindere levensbehoeften niet zelf kunt zorgen. Daarom, omdat u het afzetten onder de schijn van vroomheid pleegt en eenvoudige harten door misbruik van de naam van God misleidt (2 Tim. 3: 6), zult u te zwaarder oordeel ontvangen.
Mark. 12: 40. Luk. 20: 47. Tit. 1: 11.
Dat vrome vrouwen het onderhoud van heilige mannen bekostigden kwam vaker voor (1 Kon. 17: 9 vv. 2 Kon. 4: 8 vv. Luk. 8: 2 v. ); maar de mogelijkheid van misbruik van zo’n vrome gezindheid en de vrees ook voor de schijn daarvan maakte, dat Paulus niet dan ongraag bewilligde om daarvan gebruik te maken (Hand. 16: 15). Daarentegen maakten de Farizeeën en schriftgeleerden er werk van, om die genegenheid van godsdienstige vrouwen ten hun nutte aan te wenden en zij vergrootten de schuld van hun hebzucht, doordat zij zelfs aan behoeftigen het hare probeerden te ontnemen.
Wat hebben wij wel in de kloosters gedaan? Wij hebben van de gehele wereld haar geld en goed genomen, want men zei: “de monniken bidden voor ons dag en nacht. ” Ieder kon geven en er werden grote domkerken en kloosters gebouwd, die nu geen koning zou kunnen bouwen. Hoe hebben wij gebeden? De monniken, hebben zij gezegd, zullen in het decretaal hun horae lezen; wanneer zij dat gedaan hebben, hebben zij het hunne verdiend, zijn aan de kerk gehoorzaam geweest en het is nodig, dat zij verstaan wat zij bidden.
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, geveinsden! Want u omreist in fanatieke, zelfzuchtige bekeringsijver zee en land om één Jodengenoot te maken, om, al is het ook maar een enkel proseliet 17: 9″) te winnen; en als hij het geworden is, dan maakt u hem, die u voorspiegelt, dat u hem ten hemel zult helpen, een kind van de hel, tweemaal meer dan u bent. U vervult hem met de geest van uw fanatisme en niet met de geest van het ware geloof en zo’n bekeerde is gewoonlijk een veel erger drijver dan zijn bekeerder.
Alsof zij zelf volmaakte toonbeelden van heiligheid waren, als hadden zij hun herdersambt in Israël wel volbracht en thuis niets meer te doen, gaan zij zee en land rond om proselieten te maken, alsof een zeer grote ijver hen dreef om zielen voor het rijk der hemelen te winnen. De godvruchtigen echter, die uit inwendige drang van de waarheid zich aan het Jodendom aansluiten en in het Nieuwe Testament voorkomen als een klasse van mensen, die de overgang van het Evangelie tot de heidenen vormen, zijn niet de hier bedoelde proselieten. Die werden integendeel door de Farizeeën met nijd en verachting behandeld en nauwelijks toegelaten. Hier wordt gesproken van werkelijke Jodengenoten, van zogenaamde proselieten van de rechtvaardigheid. Zulken waren zeldzaam, omdat een heiden er zich moeilijk toe liet brengen om het gehele juk van de Joodse wet op de hals te nemen. Hadden daarom de Farizeeën ook maar zo’n proseliet gevonden, dan hadden zij genoeg om voortaan zich te verheffen op hun verovering. Hier wordt de valse proselietenmakerij geoordeeld, die streeft naar uitwendige groei van de valse kerk, die alleen geweld pleegt zonder te overtuigen en de gewetens misleidt om zielen te vangen zonder te kunnen of te willen bekeren. Elke godsdienstige overgang zonder behoefte en erkentenis van het hart is alleen tot schade; want het zedelijk bederf, dwaling en verkeerde wandel verergert van de ene hand in de andere, waarin zij worden overgeleverd en overal zijn de – anen en – isten nog erger dan hun meesters.
In onze tijd zijn vaak Joden, die uit onzuivere beginselen tot het Christendom overgingen, eerst in de grond bedorven en de ergste vijanden van het Christendom geworden. Zij profaneren de goddelijke waarheid d. i. God zelf en hebben nu niets heiligs meer, zoals bijvoorbeeld Heine. Vooral de Jezuïtische bekeringen lopen vaak alleen uit op uitwendig belijden en meegaan. De alleen uitwendig bekeerden ontdekken echter gemakkelijk, hoe godsdienst en geloof van hun bekeerders alleen middel of masker zijn en zien in het geheime weefsel van hun kunsten in, waardoor hun de godsdienst zelf verachtelijk wordt; zij worden ingewijd in de geheimen en overtreffen nog hun bekeerders.
Wee u, blinde leidslieden (Hoofdstuk 15: 14), die in de door u verbreide leerstellingen zegt: Wie gezworen zal hebben bij de tempel, dat is niets; zo’n eed is een kleinigheid, waarmee men het zo nauwkeurig niet hoeft te nemen; maar wie gezworen zal hebben bij hetgoud van de tempel, bij de gouden sieraden en de gouden gereedschappen van de tempel of bij de tempelschat, die is schuldig zijn eed te houden en alleen waarheid daardoor te betuigen.
U dwazen en blinden! Zo kan Ik u met volle recht noemen, wanneer u zo onverstandig oordeelt en in het geheel de waarheid niet meer erkent; want wat is meerd? het goud of de tempel, die het goud heiligt? Moest het niet het omgekeerde zijn, als er tussen onverschillige en verbindende eden onderscheiden moest worden?
En, zo zegt u verder: wie gezworen zal hebben bij het altaar in de voorhof van de priesters, dat is niets; maar wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig.
U dwazen en blinden! zo noem Ik u voor de tweede maal, want wat is meer? De gave, zoals u voorgeeft, of, zoals een verstandig mens moet oordelen, het a) altaar, dat door zijn heiligheid de gave heiligt?
Ex. 29: 37.
Daarom, omdat het karakter van heiligheid oorspronkelijk en eigenlijk aan het altaar verbonden is en van daar op alles, wat er mee in betrekking gebracht wordt, overgaat, zeg Ik u: Wie zweert, zoals u uitdrukkelijk belijdt, bij hetaltaar, die zweert daarbij en, al zegt hij het niet uitdrukkelijk, bij al wat daarop is; hij ontgaat dus het verbindende van zijn eed niet, hij heeft die eed ook gedaan, die u zelf voor verbindend (vs. 18) verklaart.
En op gelijke wijze, omdat het karakter van heiligheid oorspronkelijk en eigenlijk aan de tempel verbonden is en van daar zich meedeelt aan alles wat aan en in de tempel is: wie zweert bij de tempel, die zweert bij deze en bij het goud van de tempel; en op welke tijd en in welke vorm de eed wordt uitgesproken, hij zweert bij Die, die daarin, die in de tempel woont, bij de levende God (1 Kon. 8: 13).
a) En wie zweert (Hoofdstuk 5: 34 vv. ) bij de hemel, die zweert bij de troon van God en bij Die, die daarop zit.
2 Kron. 6: 33. Jes. 66: 1. Hand. 7: 49.
Evenals ten allen tijde de zelfzucht, wanneer zij er belang bij heeft om zich onder godsdienstige vormen te bewegen, de ernst van de waarheid door misleiding probeert te ontwijken, zo had dit ook onder de Farizeeën plaats. Om tot zelfzuchtige bedoelingen zich van eden te kunnen losmaken (want: die met het opleggen van geboden en het binden zeer streng zijn (vs. 4) weten ook, wanneer het hen te pas komt, ze ook weer te ontbinden en los te maken.
Maken zij onderscheid tussen eden die gehouden moeten worden en eden, die niet onverbrekelijk verbinden. Evenals in Hoofdst. 5: 34 vv. toont nu Christus het ijdele van zulke onderscheidingen, omdat Hij aanwijst, hoe elke eed eigenlijk bij God de alleen Waarachtige gezworen is. De eden bij tempel, hemel, altaar hebben alleen zin, wanneer men deze geschapen dingen in hun betrekking tot de Eeuwige opvat.
Zo is het heden nog bij de geesteloze geestelijken en buikdienaars; het is hun niet om God, maar om goud, niet om het altaar, maar hetgeen daarop is te doen; het belang van de kerk, dat is hun eigen, gaat ver boven alles, wat God en goddelijk is. Maar wee hen!
Men staat verbaasd over de kleingeestige spitsvondigheden van deze in eigen oog zo verstandig grote mannen. Maar men ziet het doorgaans, wanneer geleerden de smaak verloren hebben voor de grote waarheden van God naar de Schrift, dan hebben zij vermaak in de nietigste haarkloverijen en verdiepen zich in uitpluizingen, waar ieder verstandig man de schouders voor ophaalt.
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, geveinsden! Want u vertient de munt en de dille en de komijn, u legt anderen die plichten op, u handelt alsof het gebod van de tienden (Deut. 14: 22 vv. ) het belangrijkst was, want zelfs op de minste tuingewassen past u het toe en a) u laat na, alsof dat niet noodzakelijk ter zaligheid was, het zwaarste van de wet, dat wat de hoofdzaak is. U verwaarloost namelijk het oordeel, het uitoefenen van gerechtigheid volgens de grondstellingen van het recht (Ps. 33: 5. ) en de barmhartigheid in uw gedrag jegens de naaste, en het geloof, trouw enrechtschapenheid in handel en wandel (Jer. 5: 1. Gal. 5: 22). b) Deze dingen, de zo-even genoemde belangrijkere stukken, moest men doen en de andere, het vertienen van munt, dille en komijn, niet nalaten, omdat ook niemand mag menen, dat het op zogenaamde kleinigheden van de wet niet verder zou aankomen (Hoofdstuk 5: 18. Luk. 11: 42).
1 Sam. 15: 22. Hos. 6: 6. Micha 6: 8. b) MATTHEUS. 9: 13; 12: 7.
Munt is een zeer bekend kruid en heeft in het Grieks de naam van zijn aangename reuk, waarom de Joden het strooiden op de vloeren van hun synagogen. Anijs is een zaad, dat algemeen bekend is, dat de Joden “sjabath” noemen en komijn is een soort van anijs, het zaad is zeer gelijk aan venkelzaad. Bij Lukas wordt er bijgevoegd, “en alle moeskruid”, want volgens de overleveringen van de ouden waren die in het algemeen aan de tiende onderworpen en het is een gewoon zeggen onder de Joden, dat de tienden te geven van het koren is volgens de wet, maar de vertiening van de moeskruiden volgens de Rabbijnen.
Men lette op de tegenstellingen: wat u heeft nagelaten moet u doen en tevens: wat u doet, niet nalaten. Het ene is de hoofdzaak, maar het mindere, uw angstvallige betaling van tienden wordt daarmee niet opgeheven, maar alleen in zijn juiste verhouding gebracht.
De ware inwendige zorg voor de wet stelt de hoofdzaak vooraan, zonder het kleine voorbij te zien.
U blinde leidslieden, zoals Ik u reeds vroeger (vs. 16) heb genoemd, die in de allergrootste Levitische angstvalligheid, om bij het drinken ook maar het kleinste onreine diertje (Lev. 11: 42) niet mee binnen te slikken, de mug uitzijgt, wijn, melk enzovoorts eerst nauwkeurig doorzoekt voordat u die drinkt en daarentegen in de grootste zedelijke onverschilligheid de kameel doorzwelgt, u door uw gedrag aan de grootste zonden en ongerechtigheden schuldig maakt!
Voor de grofste zonden hadden de Farizeeën een wijde keel en een grote maag, die veel kon verdragen, maar in kleinigheden wilden zij een nauwgezet geweten hebben.
Menigeen denkt zijn naaste niet ontnomen te hebben wat een mug waard is en onttrekt toch de arme wel zoveel als de waarde is van een kameel door gierigheid, verkwisting, gebrek aan liefde enz. Jak. 2: 16.
a) Wee U, schriftgeleerden en Farizeeën, geveinsden! Want u breidt wel de voorschriften (Lev. 15: 1 vv. Num. 31: 20 vv. ) omtrent de wassingen uit en reinigt het buitenste van de drinkbeker, waaruit u drinkt en van de schotels, waarvan u eet, opdat uop generlei manier Levitisch verontreinigd wordt (Mark. 7: 4); maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid; voedsel en drank, die u in schotels en bekers heeft, is in onrecht verkregen en wordt in onmatigheid verteerd.
Luk. 11: 39.
U blinde farizeeër, die niet wilt inzien, wat eigenlijk Gods heilige wil, wat Zijn wet is, reinig eerst het inwendige; zie voor alle dingen toe dat voedsel en drank juist verworven en matig genoten wordt. Zuiver a) wat binnen in de drinkbeker en de schotel is, opdat ook het buitenste van deze rein wordt; dan pas is de Levitische reinheid een werkelijke en geen zuiver gehuichelde en ingebeelde (Luk. 11: 39 vv. )
Tit. 1: 15.
Het woord “wordt” heeft de betekenis: “opdat dan plaats heeft, dan teweeg gebracht wordt, wat u bedoelt, namelijk de reinheid ook van het uitwendige. De uitwendige reinheid wordt niet voor ontbeerlijk verklaard; zij is echter niet de ware, die integendeel pas door de reinheid van inhoud plaats heeft.
Het uitwendige en inwendige van de mens staat vaak in lijnrechte tegenspraak en de uitwendige beschaving is vaak het bedeksel van de ergste ontaarding.
Zie niet op de reine schotel, maar of uw drank en voedsel u voegt en eerlijk verkregen is. Wij weten, de natuurlijke mens, de mens, die nog geen genade heeft, zoekt het altijd in het uitwendige. Als dat maar schoon en goed is, dan is hij tevreden, over het inwendige bekommert hij zich niet. Maar uitwendige dingen brengen het genoegen niet aan, als er geen innerlijk genoegen is. Als het hart niet in liefde en wederliefde kan leven, dan zijn de uitwendige genoegens zonder smaak en zonder kracht. In het geestelijke is het niet anders. Uiterlijke godsdienstigheid zonder innerlijke godsvrucht geeft geen vrede, maar neemt haar weg. Daarenboven is het een bedrog, dat men pleegt jegens God en de naaste. Ons hart moet zijn als het horloge; als dit een goed binnenwerk heeft, dan wijst het uitwendig de uren vanzelf nauwkeurig aan, maar zonder dat kunt u de wijzers gedurig verzetten, maar niet goed doen lopen.
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, geveinsden, want u bent a) als de witgepleisterde graven, die van buiten door hun lichte kleur wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinheid, zodat verontreinigd wordt, wie ze nabij komt.
Hand. 23: 3.
Zo ook schijnt u wel de mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen bent u vol geveinsdheid en ongerechtigheid.
De aanraking van een dode en van alles wat met doden in verband staat, maakt volgens de wet onrein, dus ook het betreden of aanraken van een graf en grafsteen (Num. 19: 11 vv). Opdat nu dit niet iemand onvoorziens overkomt (Luk. 11: 44) werden de stenen, die op de graven lagen, of de ingangen van de in rotsen uitgehouwen graven (jaarlijks op de 15de Adar na het eindigen van de regentijd en bij het naderen van het paasfeest) met witte kalk bepleisterd. Dit gaf aan deze wel een vriendelijk aanzien, desalniettemin bedekten zij slechts de plaatsen van onreinheid en verrotting. Zo’n bedrieglijke schijn is ook de gerechtigheid van de Farizeeën, slechts een dekmantel over hun huichelachtige gezindheid en hun gehele vervreemding van de geest van de wet.
a) Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, geveinsden! Want u bouwt rondom Jeruzalem de graven van de profeten op en versiert de graftekenen van de rechtvaardigen, u onderhoudt en verfraait ze.
Luk. 11: 47.
En zegt: Als wij in de tijden van onze vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed van de profeten; wij zouden ze integendeel in ere hebben gehouden.
Aldus, omdat u die profetenmoordenaars uwe vaderen noemt, getuigt u tegen uzelf, a)dat u kinderen bent van degenen, die de profeten gedood hebben en u zult ook snel metterdaad bewijzen, dat u ook hun gezindheid geërfd heeft en in hun voetstappen wandelt (Luk. 11: 47 vv. Hand. 7: 51 vv. ).
Hand. 7: 51. 1 Thessalonicenzen. 2: 15.
U dan ook, wanneer u dan niet anders wilt, vervult de mate van uw vaderen! Draag ook tot hun bloedschuld het uwe bij en maakt dat de mate, die reeds tot de rand komt, tot overlopens vol wordt, opdat ook het oordeel in volle mate kan invallen!
U slangen, u addergebroedsels, zoals Johannes de Doper u met recht genoemd heeft, u waarschuwend voor de toekomende toorn (Hoofdstuk 3: 7)! Hoe zou u de helse verdoemenis, het vonnis dat ter helle luidt, ontvluchten?
Bij het zo vaak uitgesproken wee en het uitdrukkelijk noemen van de schriftgeleerden en Farizeeën voegt de Heere nog altijd: “u geveinsden”, dat Hij zonder twijfel altijd met een bijzondere nadruk zal hebben uitgesproken; Hij toont daardoor, dat de geveinsdheid hun hoofdzonde geweest is en boven alle zonden iets afschuwelijks is in de ogen van God, die men daardoor meent te bedriegen.
Dat is de aard van de huichelaars, zij prijzen de getrouwe getuigen van de waarheid na hun dood, die zij in hun leven zelfs niet konden aanzien; zij mogen zalig genoemd worden, wanneer zij maar niet levend zijn (sit licet divus, dummodo non vivus). Men versiert de graven van de oude martelaren en maakt daarentegen nieuwe in hun plaats: wee, wee de bloeddorstige huichelaars!
De papisten zijn hier juist goed getroffen, die houden de beenderen van de apostelen en profeten voor heilig en waard en vervolgen te vuur en te zwaard degenen, die de apostolische leer belijden.
U laat, zo wil de Heere tot de Farizeeën en schriftgeleerden zeggen, de vaderen, niettegenstaande zij de moordenaars van de profeten zijn, in de volle zin van het woord krachtens uw overleveringen als uw vaders gelden en behandelt de oude bloedschuld, die daardoor op u gekomen is, slechts als toevallige misslagen van de vaderen. Of geeft de schuld aan de wreedheid van de vroegere tijd. Evenals in onze dagen de gruwelen van de inquisitie verontschuldigd worden met de wreedheid van de middeleeuwen, terwijl zij toch hun eigenlijke grond in dweperij hebben. Maar de voortdurende belijdenis van de oude, valse grondstellingen, waaruit die bloedschulden gesproten zijn, bevestigt de echtheid van de overtuiging, dat zij ook schuld hebben aan hetgeen de vaderen gedaan hebben. Ja dat de oude schuld voortgaat tot aan het laatste gericht.
Er ligt een diepe betekenis voor de eenheid van de gehele Schrift en van de wegen tussen God en de mensen daarin, dat Israël hier ophoudt met hetzelfde, wat in het begin (Gen. 15: 16) van de voor hen verdrevene Ammonieten gezegd was, met het vol zijn van de maat van de zonde. De molens van de goden malen langzaam, maar zij malen zuiver; dat wisten ook de heidenen, omdat de geschiedenis het leert; zo moeten wij ook zonder valse vitterij, beide, de wachtende lankmoedigheid en de ten slotte uitbrekende toorn van God in Zijn handelen erkennen. De goddelijke grondregel, om geslachten en volken een gezamenlijke schuld gezamenlijk toe te rekenen en ten slotte de gezamenlijke straf op de laatsten te zenden, gaat door de gehele geschiedenis; de sleutel tot dit raadsel ligt reeds (maar niet altijd!) in de omgekeerde zin van de huichelachtige rede vs. 30 en luidt: waren zij in de tijd van de vaderen geweest, dan hadden zij ook al dat bloed vergoten. Hij, bij wie de innerlijke boosheid hoog gestegen is, wordt aangezien, alsof hij al datgene begaan had, wat anderen van gelijke boosheid ook begaan hebben: een moordenaar komt in de gemeenschap van alle moordenaars, een hoereerder in de gemeenschap van alle hoereerders en echtbrekers enz. Zij staan allen als takken op één wortel, zij werken als voor één doel, zij rechtvaardigen allen onder elkaar hun werken.
De Farizeeën worden ten slotte onverholen met de naam van slangen en adderengebroedsel aangeduid, die het zaad van hun vader in zich dragen en naar zijn werken doen (Joh. 8: 44). Die woorden zouden uit de mond van de Zoon van de liefde bijna te hard klinken; maar tegenover de boosheid is dat juist de openbaring van de liefde, dat zij als zodanig gehaat en gericht wordt. De zachtmoedige Verlosser is dezelfde, die ook de wijnpersbak van de toorn van God treedt Jes. 63: 13. Openbaring . 19: 13.
De Heere gebruikt hier dezelfde woorden, die reeds Johannes de Doper van deze diep bedorven mensen gebruikte, MATTHEUS. 3: 7 zij zijn een andere uitdrukking voor die van kinderen van de duivel, de oude slang of draak. Daarom zei de Heere tot Zijn discipelen, doelend op de helse geesten: Ik heb u macht gegeven op slangen en schorpioenen te treden. Zeker, de genoemde woorden klinken hard en steken sterk af bij de grote beleefdheid, waarmee niet zelden zelfs gelovige geleerden de ongelovige Schrift- en Christusbestrijders van onze tijd behandelen, de personen afscheidend van hun dwalingen; maar de Schrift kent geen verschil tussen de verleiding en de verleider en ook niemand van ons zal tot een dief zeggen: Ik ben de vijand van uw zaak, maar de vriend van uw persoon. En waarom zegt men dit dan tot iemand, die zo al niet ons, dan toch onze naaste de enige troost in leven en in sterven ontsteelt, zodat er menige Maria bij het lege graf van de Heere eeuwig zou moeten wenen en zeggen: Zij hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar ze Hem gelegd hebben, – als de Heere zelf Zich niet aan de Zijnen openbaarde. – Wat de Heere voegt, voegt niet altijd de discipel. Het oordeel van de Heere is altijd rechtvaardig; ons oordeel kan feilen de Heere kent het hart, wij kennen het niet. Daarom zegt de apostel tot ons: zegen en vervloek niet, Rom. 12: 14 en zegt de Heere zelf: oordeel niet, opdat u niet geoordeeld wordt, MATTHEUS. 7: 1. Dit geldt echter het persoonlijk oordeel over de ongelovige en goddeloze als zodanig. Wij kunnen niet alleen, maar wij moeten gedurig zeggen: die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op Hem. Dezelfde apostel, die zei: zegen en vervloek niet, zei: wie een ander Evangelie verkondigt dan hetgeen u verkondigd is, die zij vervloekt. En dezelfde Heer, die zei oordeelt niet, zei tot de huichelaars: Hoe zult u de helse verdoemenis ontvluchten?
EVANGELIE OP DE TWEEDE KERSTDAG, TEVENS de DAG VAN STEFANUS, DE MARTELAAR
Het gebruik om de sterfdag van Stefanus op de tweede Kerstdag te vieren, komt reeds uit de eerste en beste tijden van de Christelijke kerk. Dat de Christen door de dood het eeuwige leven binnengaat, was voor de eerste Christenen zo’n vertrouwde voorstelling, dat zij moedig en verheugd in het geloof de sterfdagen van de bloedgetuigen van Christus hun geboortedagen noemden en op de geboortedag van Christus op aarde stelden zij de geboortedag van de eerste bloedgetuige in de hemel (heri natus est Christus in terra, hodie nascitur Stefanus in coelo). Naar hun mening moest men de dood niet alleen onderworpen en getroost, maar zelfs vrolijk en verlangend, met het gevoel van de overwinning in het hart tegemoet gaan.
Er ligt slechts één nacht tussen gisteren en heden; nog weerklinken de Halelujah gezangen van de feestdag van gisteren in de muren van onze kerken, in de diepte van ons hart en toch -hoe geheel anders is de toon, waarop onze prediking heden zal klinken, hoe geheel anders het beeld, dat de tekst van heden ons voor ogen stelt. Het nieuw geboren Christuskind hebben wij gisteren begroet bij het begin van Zijn aardse loopbaan; heden staat de man Jezus Christus voor ons aan het einde van Zijn goddelijke loopbaan; het is Zijn afscheidswoord, dat wij vernemen en hoe geheel anders klinkt Zijn afscheidswoord, dan de groet, die bij Zijn komst op aarde klonk! Toen de Heiland geboren was, werd er grote vreugde aan Zijn volk verkondigd; maar toen Hij afscheid nam van dit volk, was het een zwaar wee, dat Hij dit volk tot erfenis naliet. Toen Hij in de kribbe lag, verschenen de engelen van God gelukwensend over Bethlehem. Toen was Israël het begenadigde en gezegende onder de volken; maar toen Hij afscheid nam, wendde Jeruzalems beschermgeest wenend Zijn aangezicht af van het volk, waarover hij zo lang beschermend en zegenend gezweefd had, alsof hij plaats wilde maken voor de adelaars, die zich boven de ongelukkige stad verzamelden; want van nu af was het uit met dit volk, de band was verbroken, de brief was verscheurd, het verbond was weggevallen tussen het volk en zijn God. Hoe was dat gekomen? Hoe werd die zegen in vloek en dat wel in wee veranderd? Wat ligt er dan tussen de zalige dag van Christus’ geboorte en tussen het duistere uur, toen Hij afscheid nam van Zijn volk? Wanneer u wilt, hetzelfde wat tussen heden en gisteren ligt – een nacht; maar een zwarte nacht, de nacht van de zonde, van het ongeloof, van de verharding had zich over het volk verspreid. Daarom werd de zegen in vloek veranderd; daarom moest de Heiland zo’n zwaar afscheid nemen van Jeruzalem; daarom moest Stefanus onder steenworpen zijn edel hoofd tot de dood neigen; daarom moest Israël tot een vloek worden onder de volken en zijn huis woest blijven op aarde.
Daarom, omdat u de maat van uw vaderen vervult (vs. 32), zend Ik, wanneer Ik verhoogd zal zijn van de aarde (Hoofdstuk 26: 64), als de besturende hand van de goddelijke wijsheid (Luk. 11: 49) in Mijn apostelen en hun helpers tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden, mannen, die onder het Nieuwe Testament hetzelfde zijn, wat de profeten en na hen in de tijd zonder openbaring, de rabbijnen en schriftgeleerden hadden moeten zijn (Luk. 21: 15. Hand. 13: 1). En uit deze zult u sommigen, als Stefanus (Hand. 7: 56 vv. ), Jakobus I en II (Hoofdstuk 10: 2 Nr. 3 en vs. 3 Nr. 9) doden en anderen, zoals Petrus te Rome kruisigen en sommigen uit hen, zoals Paulus, zult u geselen in uw synagogen (2 Kor. 11: 24) en zult hen vervolgen van stad tot stad (Hand. 8: 1 vv. ; 9: 1 vv. ; 13: 50 vv; 14: 5 vv. ; 19 enz).
Opdat op u, die de helse verdoemenis niet kunt ontgaan, al het rechtvaardige bloed komt, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abel af (Gen. 4: 8 vv. ) tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia (2 Kron. 24: 21 vv. ), die u inuw vaderen gedood heeft tussen de tempel en het brandoffer-altaar.
Voorwaar zeg Ik u: al deze dingen, al die straffen voor het bloed vergieten zullen komen over dit geslacht, zodat velen van degenen, die nu leven, nog de verwoesting van Jeruzalem zullen beleven.
In het algemeen, is wel de verklaring bij 2 Kron. 24: 22 gegeven, voldoende tot juist verstaan van vs. 35 Daar is gezegd, dat de Heere, terwijl Hij op grond van de Schrift de som wil nemen van al het bloed, dat reeds in de dienst van de waarheid en gerechtigheid vergoten is en daarom met het eerste kanonieke boek van het Oude Testament het laatste (naar de rangschikking in de Hebreeuwse bijbel) verbindt en dus aan het vermoorden van Abel dat van Zacharia aansluit. Toch voelt men, dat, om volkomen rechtvaardig en waar te zijn, Zijn woord op profetische manier ook in de toekomst moet grijpen en op apocalyptische manier aanduiden, hoe het tegenwoordige geslacht betonen zal kinderen te zijn van hen, die de profeten gedood hebben. Wanneer nu tegenover de moord van de rechtvaardige Abel de dood van Jezus zelf staat Hebr. 12: 24), heeft ook die van Zacharias zijn tegenhanger in die van Jakobus II, in het jaar 62 na Christus. Op die moord doelt ook, zoals wij menen, de plaats Openb. 6: 9 v. ; en daar wordt nu werkelijk van het gericht gesproken over Jeruzalem en Israël, wat echter de uitleggers voor het grootste gedeelte miskennen. – Omdat het antichristelijke pausdom in de plaats van het afvallige en bloeddorstige Joodse volk is gekomen, zal de straf van de ontelbaar vele bloedschulden ook eens zich samenhopen en in de latere gerichten uitbreken. Daarvan handelt Hoofdst. 16-18 van de Openbaring; in Openbaring . 18: 24 lezen wij dan ook: “in haar is gevonden het bloed van de profeten en van de heiligen en van al degenen, die gedood zijn op aarde”.
Jeruzalem, Jeruzalem, u, die de profeten doodt, het als het ware tot uw roeping gemaakt heeft om hen als godslasteraars te doden (Luk. 13: 33 vv. ) en stenigt, die tot u gezonden zijn (Neh. 9: 26. Jer. 2: 34), a) hoe vaak heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen. Ik heb u gezocht dadelijk bij het begin van Mijn openbare werkzaamheid (Joh. 2: 13 tot 4: 3 , daarna vooral in het laatste half jaar (Joh. 7: 10-10: 40 en in het bijzonder in deze laatste drie dagen (Hoofdstuk 21: 1-22: 46). Als de ware Verlosser en Zaligmaker trachtte Ik u tot Mij te lokken tegen de adelaars van het gericht, dat reeds nadert (Hoofdstuk 24: 28), zoals een hen haar kuikens bijeen vergadert onder de vleugels, opdat zij daar beveiligd zijn voor roofzucht en voor kou; en jullie hebben niet gewild. Er blijft dus niets anders over, dan u over te geven aan het verderf, dat u moedwillig over u heeft gebracht.
Ps. 17: 8; 91: 4.
Men mag niet voorbijzien, dat dit vers een herhaald oponthoud en een vaker herhaalde werkzaamheid van Jezus te Jeruzalem veronderstelt. Zo iets wordt in de drie eerste Evangeliën, die bijna alleen Jezus’ werkzaamheid in het noorden van het land beschrijven, vóór het begin van de tijd van lijden niet bericht. Het Evangelie van Johannes, dat daarentegen hoofdzakelijk de redenen en daden van de Heere in Jeruzalem en Judea vertelt, is daarom een wezenlijke en noodzakelijke aanvulling en wat door Johannes bericht is, wordt weer op onze plaats bevestigd.
Deze woorden verdienen op een bijzondere manier onze aandacht. Zij verspreiden licht over een duistere zaak, die, helaas, door menselijke verklaringen, nog duisterder gemaakt is. Zij tonen ons dat Christus met medelijden en ontferming is vervuld geweest jegens velen, die nochtans niet behouden zijn en dat het grote geheim van ‘s mensen eeuwig verderf gelegen is in zijn niet willen. Onmachtig als de mens van nature is – onbekwaam om een goede gedachte te denken als uit zichzelf – buiten staat zichzelf te bekeren tot het geloof in God en tot de gehoorzaamheid aan zijn roepstemmen – blijkt het nochtans dat hij zeer wel bij machte is zijn eigen ziel in het verderf te storten. Machteloos tot het goede, is hij nochtans zeer machtig in het kwade. Wij zeggen terecht, dat een mens niets kan doen uit zichzelf, maar wij moeten steeds bedenken, dat de zetel van die onmacht gelegen is in zijn wil. Niemand kan zichzelf een wil geven tot bekering en geloof, maar een wil tot verwerping van Christus en tot het bewandelen van onze eigen wegen hebben wij van nature allen en als iemand van ons verloren gaat, zal het blijken, dat die wil de oorzaak is geweest van zijn verderf. “U wilt tot Mij niet komen”, zegt Christus, “opdat u het leven mag hebben. ” (Joh. 5: 40).
a)Zie, uw huis, tempel, stad en land, wordt u woest gelaten en zo de vloek in Ps. 69: 26 vervuld tot op de tijd door Mijn Vader bestemd (Luk. 21: 24).
Jes. 1: 7. Jer. 7: 34. Micha 3: 12. Hand. 1: 20.
Want Ik zeg u: u zult Mij van nu aan, nu Ik Mij van de tempel terugtrek, om door lijden en sterven Mijn heerlijkheid in te gaan, niet zien, totdat u zeggen zult: a) Gezegend is Hij, die komt in de naam van de Heere. Door de prediking van Mijn apostelen zult u u niet laten bewegen tot het geloof, maar wanneer u ten slotte na meer dan 1800 jaren u tot Mij zult bekeren (Rom. 11: 25 vv. ) en met een ander hart en in betere geest dan twee dagen hiervoor (Hoofdstuk 21: 9) uw Hosanna roept, zal Ik Mij weer aan u openbaren (Openbaring . 11: 11 vv. ; 14: 1 vv. ).
Ps. 118: 26.
Volgens de Joodse verhalen ging de lamp in de tempel in het 40e jaar van de verwoesting van Jeruzalem vanzelf uit; inderdaad valt naar onze chronologie de voorgaande rede van Jezus in dit 40e jaar en nog tegenwoordig is de Joodse synagoge leeg, omdat zij Christus niet kent (2 Kor. 3: 15); en wat de stad en de tempel aangaat, zo heeft de vergeefse proef van keizer Julianus Apostata, om de Joden hun huis weer op te bouwen, het woord van de Heere bevestigd. “Het woord van de vloek zal echter niet het laatste woord zijn bij dit afscheid: totdat u (late nakomelingen van dit geslacht) de nu verworpene eens erkent, Hem vol vreugde als de Messias begroet, wanneer, evenals voor een paar dagen het ijdele Hosanna weerklonk, het dan in waarheid zal klinken (omdat dit Hosanna niets betekende, omdat het ijdel was, kan de Heere niet zeggen: totdat u weer spreekt). Zo scheidt Hij van hen met de zekere profetie, dat eens het volk van God Hem zal eren, evenals de toekomstige terugbrenging van het Israël naar het vlees door het gehele Oude Testament verkondigd wordt, van Deut. 4: 30 tot aan Zach. 12: 10; 14: 8 vv.
De Heere had dus afscheid genomen van de tempel, maar niet met het vuur van van een opgewondene, maar in de diepste rust van de geest, al was Hij ook in de hevigste gemoedsbeweging; Hij snelde daarom ook evenmin voort van de tempel, toen Hij later van het graf voortsnelde; daar bracht Hij eerst de grafdoeken in orde en legde ze rustig terzijde, hier ging Hij nog een ogenblik in het voorhof van de vrouwen, tegenover de altaren, die tot de tempelschat behoorden en zag naar het volk, dat zijn giften in de schatkist wierp (Mark. 12: 41 vv. Luk. 21: 1 vv. ). Men heeft met reden opgemerkt, dat deze geschiedenis hier geheel past, omdat zij juist het verwijt van Jezus tegen de schriftgeleerden en farizeeën, dat zij de huizen van de weduwen opaten, bevestigt. Men zag het aan een voorbeeld, hoezeer de gemoederen van de vrome in de lande door de vaders van het volk beheerst en heen en weer gedreven werden, omdat zij alles, wat zij slechts geloofden te kunnen ontberen, in de schatkist wierpen, terwijl de rijken, waaronder ook de farizeeën en schriftgeleerden, niet veel aan dit offer deden. Hierdoor wordt ons echter tegelijk aangetoond de stille, verheven en rustige stemming van de geest, de hemelse reinheid van het gemoed, waarmee Christus afscheid neemt van de tempel. Evenals een heilige vreemdeling, als een onderzoekende reiziger uit een hogere wereld, kon Hij Zich tegenover het altaar neerzetten en dat offer beschouwen, dat toen het middelpunt was van het bijgeloof van Zijn volk. Hij ziet met scherpe blik naar de giften, dat is het teken van Zijn hemelse onbevangenheid. De twee penningen van de arme weduwe ontgaan Zijn oog niet, dat is de blik van de liefde; Hij ziet in haar bijna dwaze poging, om de schatkist met haar laatste middelen te ondersteunen, de vrome zin, de reine bedoeling, het offer van het hart, dat aan God gegeven wordt; dit is de blik van de hemelse waarheid, Hij schat de gave van deze vrouw tegen de blinkende geldstukken, die de rijken geven en oordeelt, dat de vrouw het meeste gegeven heeft: dat is de stem van de gerechtigheid. Daarin openbaart zich echter ook de eeuwige frisheid, helderheid en kracht van de volkomen getrouwheid in Zijn beroep, dat Hij nu in deze stemming nog geneigd is, voor Zijn discipelen over dit onderwerp, de twee penningen van de arme weduwe een rede te houden; zij is wel een rede, die in Zijn gemeente duizendvoudige zegen gewerkt heeft en werken zal tot aan het einde van de wereld.
Nu laten heidense Grieken aan Jezus de vraag doen om Hem te mogen spreken (Joh. 12: 20 vv. ); hierdoor aan Zijn nabijzijnd einde herinnerd, bidt Hij tot Zijn Vader, waarop een teken van de hemel volgt. Nadat Hij hieraan nog een vermaning geknoopt heeft, verlaat Hij voor altijd de tempel.
Het was een merkwaardige beschikking, dat juist op de dag, toen de Heere van de Joden afscheid nam en Zich in de verborgenheid terugtrok, deze Grieken hun verlangen bekend maakten; Hij werd daardoor in de gelegenheid gesteld om de nabij zijnde uitbreiding van Zijn rijk, ook over de heidenen uit te spreken. Evenals de wijzen uit het oosten bij Zijn geboorte, zo kan men ook deze Grieken als typen en vertegenwoordigers van de heidenwereld, die tot de opneming in Zijn rijk bestemd is, beschouwen. Zijn verzoeningsdood is het dan, die de scheidsmuur doorbreekt, die Hem en Zijn volk nog van de heidenen scheidt; omdat deze dood nu snel zal volgen, moeten de heidenen nog slechts een beetje geduld hebben.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel