Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En de FarizeenG5330 enG2532 SadduceenG4523 tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekendeG3985, begeerdenG1905 van Hem, dat Hij hun een tekenG4592 uitG1537 den hemelG3772 zou tonenG1925.
En de Farizeen en Sadduceen tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit den hemel zou tonen.
KJV
The Pharisees4
also1
with the Sadducees6
came,2
and5
tempting7
desired8
him9
that he would shew14
them15
a sign10
from11
heaven.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Maar Hij antwoorddeG611, en zeideG2036 tot hen: Als het avondG3798 gewordenG1096 is, zegtG3004 gij: SchoonG2105 weder; wantG1063 de hemelG3772 is roodG4449;
Maar Hij antwoordde, en zeide tot hen: Als het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder; want de hemel is rood;
KJV
He answered3
and said
unto them,5
When it is7
evening,6
ye say,4
It will be fair weather:9
for11
the sky13
is red.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En des morgensG4404: HedenG4594 onwederG5494; wantG1063 de hemelG3772 is droevigG4768 roodG4449. Gij geveinsdenG5273! het aanschijnG4383 des hemelsG3772 weet gij wel te onderscheidenG1252, en kuntG1410 gij de tekenenG4592 der tijdenG2540 nietG3756 onderscheiden?
En des morgens: Heden onweder; want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden! het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de tekenen der tijden niet onderscheiden?
KJV
And1
in the morning,2
It will be foul weather4
to day:3
for6
the sky9
is red5
and lowring.7
O ye hypocrites,10
ye can16
discern17
the face13
of the sky;15
but19
can ye24
not23
discern the signs20
of the times?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Het boosG4190 enG2532 overspeligG3428 geslachtG1074 verzoektG1934 een tekenG4592; enG2532 hun zal geen tekenG4592 gegevenG1325 worden, dan het tekenG4592 van JonaG2495, den profeetG4396. EnG2532 hen verlatendeG2641, ging HijG846 wegG565.
Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, den profeet. En hen verlatende, ging Hij weg.
KJV
A wicked2
and3
adulterous4
generation1
seeketh after6
a sign;5
and7
there shall no9
sign8
be given10
unto it,11
but
the sign15
of the prophet18
Jonas.16
And19
he left20
them,21
and departed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
EnG2532 als Zijn discipelenG3101 opG1519 de andere zijde gekomenG2064 waren, hadden zijG846 vergetenG1950 brodenG740 mede te nemenG2983.
En als Zijn discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten broden mede te nemen.
KJV
And1
when his5
disciples4
were come2
to6
the other side,8
they had forgotten9
to take11
bread.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En JezusG2424 zeideG2036 tot henG846: ZietG3708 toe, en wachtG4337 u vanG575 den zuurdesemG2219 der FarizeenG5330 en SadduceenG4523.
En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuurdesem der Farizeen en Sadduceen.
KJV
Then2
Jesus3
said
unto them,5
Take heed6
and7
beware8
of9
the leaven11
of the Pharisees13
and14
of the Sadducees.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG1161 zij overlegdenG1260 bijG1722 zichzelvenG1438, zeggendeG3004: Het is omdatG3754 wij geenG3756 brodenG740 mede genomenG2983 hebben.
En zij overlegden bij zichzelven, zeggende: Het is omdat wij geen broden mede genomen hebben.
KJV
And2
they reasoned3
among4
themselves,5
saying,6
It is because7
we have taken10
no9
bread.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EnG1161 JezusG2424, dat wetendeG1097, zeideG2036 tot henG846: WatG5101 overlegtG1260 gij bijG1722 uzelven, gij kleingelovigenG3640! datG3754 gij geenG3756 brodenG740 mede genomenG2983 hebt?
En Jezus, dat wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij uzelven, gij kleingelovigen! dat gij geen broden mede genomen hebt?
KJV
Which when2
Jesus4
perceived,1
he said
unto them,6
O ye of little faith,11
why7
reason ye8
among9
yourselves,10
because12
ye have brought15
no14
bread?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
VerstaatG3539 gij nogG3768 niet? en gedenktG3421 gij niet aan de vijfG4002 brodenG740 der vijf duizendG4000 mannen; enG2532 hoeveleG4214 korvenG2894 gij opnaamtG2983?
Verstaat gij nog niet? en gedenkt gij niet aan de vijf broden der vijf duizend mannen; en hoevele korven gij opnaamt?
KJV
Do ye2
not yet1
understand,
neither3
remember4
the five6
loaves7
of the five thousand,9
and10
how many11
baskets12
ye took up?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Noch aan de zevenG2033 brodenG740 der vier duizendG5070 mannen, enG2532 hoeveleG4214 mandenG4711 gij opnaamtG2983?
Noch aan de zeven broden der vier duizend mannen, en hoevele manden gij opnaamt?
KJV
Neither1
the seven3
loaves4
of the four thousand,6
and7
how many8
baskets9
ye took up?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
HoeG4459 verstaatG3539 gij niet, datG3754 Ik u van geen broodG740 gesprokenG2036 heb, als Ik zeideG3004, dat gij u wachtenG4337 zoudt van den zuurdesemG2219 der FarizeenG5330 enG2532 SadduceenG4523.
Hoe verstaat gij niet, dat Ik u van geen brood gesproken heb, als Ik zeide, dat gij u wachten zoudt van den zuurdesem der Farizeen en Sadduceen.
KJV
How1
is it that4
ye do3
not2
understand
that I spake
it not5
to you
concerning6
bread,7
that ye should beware10
of11
the leaven13
of the Pharisees15
and16
of the Sadducees?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Toen verstondenG4920 zij, datG3754 Hij nietG3756 gezegdG2036 had, dat zij zich wachtenG4337 zouden vanG575 den zuurdesemG2219 des broodsG740, maarG235 vanG575 de leerG1322 der FarizeenG5330 enG2532 SadduceenG4523?
Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van den zuurdesem des broods, maar van de leer der Farizeen en Sadduceen?
KJV
Then1
understood they2
how that3
he bade
them not4
beware6
of7
the leaven9
of bread,11
but12
of13
the doctrine15
of the Pharisees17
and18
of the Sadducees.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Als nuG1161 JezusG2424 gekomenG2064 was inG1519 de delenG3313 van CesareaG2542 FilippiG5376, vraagdeG2065 HijG846 Zijn discipelenG3101, zeggendeG3004: WieG5101 zeggenG3004 de mensenG444, dat IkG1473, de ZoonG5207 des mensenG444, ben?
Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben?
KJV
When2
Jesus4
came1
into5
the coasts7
of Caesarea8
Philippi,10
he asked11
his14
disciples,13
saying,15
Whom16
do men20
say18
that I
the Son23
of man25
am?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En zij zeidenG2036: SommigenG3303: JohannesG2491 de DoperG910; en anderen: EliasG2243; enG1161 anderen: JeremiaG2408 ofG2228 eenG1520 van de profetenG4396.
En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Jeremia of een van de profeten.
KJV
And2
they said,
Some say that thou art5
John6
the Baptist:8
some,9
Elias;11
and10
others,12
Jeremias,14
or15
one16
of the prophets.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Hij zeideG3004 tot hen: MaarG1161 gij, wieG5101 zegtG3004 gij, dat IkG1473 benG1510?
Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?
KJV
He saith1
unto them,2
But4
whom5
say7
ye
that I
am?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
EnG1161 SimonG4613 PetrusG4074, antwoordendeG611, zeideG2036: GijG4771 zijtG1510 de ChristusG5547, de ZoonG5207 des levendenG2198 GodsG2316.
En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.
KJV
And2
Simon3
Peter4
answered1
and said,
Thou6
art
the Christ,9
the Son11
of the living15
God.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EnG2532 JezusG2424, antwoordendeG611, zeideG2036 tot hemG846: ZaligG3107 zijtG1510 gij, SimonG4613, Bar-JonaG920! wantG3754 vleesG4561 enG2532 bloedG129 heeft uG4771 dat nietG3756 geopenbaardG601, maarG235 Mijn VaderG3962, Die inG1722 de hemelenG3772 is.
En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.
KJV
And1
Jesus4
answered2
and said
unto him,6
Blessed7
art thou,
Simon9
Barjona:10
for12
flesh13
and14
blood15
hath17
not16
revealed
it unto thee,
but19
my
Father21
which3
is in24
heaven.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En Ik zegG3004 uG4771 ookG2532, dat gijG4771 zijtG1510 PetrusG4074, en opG1909 dezeG3778 petraG4073 zal IkG1473 Mijn gemeenteG1577 bouwenG3618, en de poortenG4439 der helG86 zullen dezelve nietG3756 overweldigenG2729.
En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.
KJV
And2
I say4
also1
unto thee,
That5
thou3
art
Peter,8
and9
upon10
this
rock13
I will build14
my
church;17
and18
the gates19
of hell20
shall22
not21
prevail against
it.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En Ik zal uG4771 gevenG1325 de sleutelenG2807 van het KoninkrijkG932 der hemelenG3772; enG2532 zoG1437 watG3739 gij zult bindenG1210 op de aardeG1093, zal inG1722 de hemelenG3772 gebondenG1210 zijnG1510; enG2532 zoG1437 watG3739 gij ontbindenG3089 zult op de aardeG1093, zal inG1722 de hemelenG3772 ontbondenG3089 zijnG1510.
En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.
KJV
And1
I will give2
unto thee
the keys5
of the kingdom7
of heaven:9
and10
whatsoever11
thou shalt bind13
on14
earth16
shall be
bound18
in19
heaven:21
and22
whatsoever23
thou shalt loose25
on26
earth28
shall be
loosed30
in31
heaven.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Toen verboodG1291 Hij Zijn discipelenG3101, dat zij iemandG3367 zeggenG2036 zouden, dat HijG846 wasG1510 JezusG2424, de ChristusG5547.
Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus.
KJV
Then1
charged he2
his5
disciples4
that6
they should tell
no man7
that9
he10
was
Jesus12
the Christ.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
VanG575 toen aan begonG756 JezusG2424 Zijn discipelenG3101 te vertonenG1166, datG3754 HijG846 moestG1163 heengaanG565 naarG1519 JeruzalemG2414, enG2532 veelG4183 lijdenG3958 vanG575 de ouderlingenG4245, enG2532 overpriestersG749, enG2532 SchriftgeleerdenG1122, enG2532 gedoodG615 worden, enG2532 ten derdenG5154 dageG2250 opgewektG1453 worden.
Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.
KJV
From1
that time forth2
began3
Jesus5
to shew6
unto his9
disciples,8
how that10
he12
must11
go13
unto14
Jerusalem,15
and16
suffer18
many things17
of19
the elders21
and22
chief priests23
and24
scribes,25
and26
be killed,27
and28
be raised again32
the third30
day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
EnG2532 PetrusG4074, HemG846 tot zich genomenG4355 hebbende, begonG756 HemG846 te bestraffenG2008, zeggendeG3004: HeereG2962, wees UG4771 genadigG2436! ditG3778 zal UG4771 geenszinsG3364 geschiedenG2071.
En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden.
KJV
Then1
Peter5
took2
him,3
and began6
to rebuke7
him,8
saying,9
Be it far10
from thee,
Lord:12
this
shall
not
be
unto thee.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Maar Hij, Zich omkerendeG4762, zeideG2036 tot PetrusG4074: Ga wegG5217 achterG3694 MijG1473, satanasG4567! gij zijt MijG1473 een aanstootG4625, wantG3754 gij verzintG5426 nietG3756 de dingen, die GodsG2316 zijn, maar die der mensenG444 zijn.
Maar Hij, Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.
KJV
But2
he turned,3
and said
unto Peter,6
Get thee7
behind8
me,
Satan:10
thou
art14
an offence11
unto me:
for thou savourest16
not15
the things1
that be of God,19
but20
those that be of men.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Toen zeideG2036 JezusG2424 tot Zijn discipelenG3101: ZoG1487 iemandG1536 achterG3694 MijG1473 wilG2309 komenG2064, die verloocheneG533 zichzelvenG1438, enG2532 nemeG142 zijn kruisG4716 op, enG2532 volgeG190 MijG1473.
Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.
KJV
Then1
said
Jesus3
unto his7
disciples,6
If any
man will10
come13
after11
me,
let him deny14
himself,15
and16
take up17
his20
cross,19
and21
follow22
me.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
WantG1063 zo wie zijn levenG5590 zal willenG2309 behoudenG4982, die zal hetzelveG846 verliezenG622; maarG1161 zo wieG3739 zijn levenG5590 verliezenG622 zal, om MijnentwilG1700, die zal hetzelveG846 vindenG2147.
Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden.
KJV
For2
whosoever1
will4
save8
his7
life6
shall lose9
it:10
and12
whosoever11
will lose14
his17
life16
for18
my
sake
shall find20
it.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
WantG1063 watG5101 baatG5623 het een mensG444, zoG1437 hijG846 de gehele wereldG2889 gewintG2770, enG1161 lijdt schadeG2210 zijner zielG5590? OfG2228 watG5101 zal een mensG444 gevenG1325, tot lossingG465 van zijn zielG5590?
Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel?
KJV
For2
what1
is a man4
profited,3
if5
he shall gain9
the whole8
world,7
and11
lose14
his own13
soul?12
or15
what16
shall a man18
give17
in exchange19
for his22
soul?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
WantG1063 de ZoonG5207 des mensenG444 zal komenG2064 inG1722 de heerlijkheidG1391 Zijns VadersG3962, met Zijn engelenG32, enG2532 alsdanG5119 zal HijG846 een iegelijkG1538 vergeldenG591 naarG2596 zijn doen.
Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijn doen.
KJV
For2
the Son4
of man6
shall1
come7
in8
the glory10
of his13
Father12
with14
his17
angels;16
and18
then19
he shall reward20
every man21
according22
to his25
works.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
VoorwaarG281 zegG3004 Ik uG4771: Er zijnG1510 sommigenG5100 van die hier staanG2476, dewelke den doodG2288 niet smakenG1089 zullen, totdat zij den ZoonG5207 des mensenG444 zullen hebben zienG1492 komenG2064 inG1722 Zijn KoninkrijkG932.
Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, dewelke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.
KJV
Verily1
I say2
unto you,
There be
some5
standing8
here,7
which9
shall12
not
taste
of death,13
till15
they see
the Son18
of man20
coming21
in22
his25
kingdom.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
verzoekende
Willende beproeven of Hij zulks zou kunnen doen, om Hem beschaamd te maken.
Hertaald:
verzoekende
Doordat zij wilden beproeven of Hij dat zou kunnen doen, om Hem te beschamen.
uit den hemel
Dat is, hetwelk uit, aan, of van den hemel zou geschieden, gelijk op het gebed van Jozua de zon en maan stil stonden, Joz. 10:12 ; gelijk het vuur uit den hemel kwam op het gebed van Elia, 2 Kon. 1:9 , en gelijk de zon ten tijde van Jesaja terugging; Jes. 38:8 .
Hertaald:
uit den hemel
Dat is: een teken dat uit, aan of van de hemel zou gebeuren — zoals de zon en de maan op het gebed van Jozua stilstonden, Joz. 10:12; zoals het vuur uit de hemel kwam op het gebed van Elia, 2 Kon. 1:9; en zoals de zon in de tijd van Jesaja terugging; Jes. 38:8.
rood
Grieks, rood als vuur; dat is schoon of klaar rood.
Hertaald:
rood
Grieks: vuurrood; dat is: helder of fel rood.
aanschijn des hemels
Dat is, gestalte of gedaante
Hertaald:
aanschijn des hemels
Dat is: de gestalte of gedaante.
de tekenen der tijden
Namelijk die naar de voorzegging der profeten de komst en tegenwoordigheid van den Messias aanwijzen. Zie Matt. 11:4-5 , en de aantekening bij Luc. 12:56 .
Hertaald:
de tekenen der tijden
Namelijk de tekenen die volgens de voorzegging van de profeten de komst en de aanwezigheid van de Messias aanwijzen. Zie Matth. 11:4-5 en de aantekening bij Luk. 12:56.
Het boos en overspelig geslacht
Zie hetzelfde boven Matt. 12:39 .
Hertaald:
Het boos en overspelig geslacht
Zie hetzelfde in Matth. 12:39.
geen teken
Namelijk om hen krachtiger te overtuigen.
Hertaald:
geen teken
Namelijk om hen krachtiger te overtuigen.
weg
Namelijk over de zee. Zie Marc. 8:13-14 .
Hertaald:
weg
Namelijk over het meer. Zie Mark. 8:13-14.
overlegden bij zichzelven,
Of, zij spraken onder elkander.
Hertaald:
overlegden bij zichzelven,
Of: zij spraken onder elkaar.
leer der Farizeën
Die bij een zuurdesem hier vergeleken wordt, overmits dezelve de zuiverheid der ware leer met valse en van mensen ingestelde leer vermengde, en den mens door een ijdelen waan van eigenrechtigheid en met geveinsheid opgeblazen maakt.
Hertaald:
leer der Farizeën
Die hier met zuurdeeg vergeleken wordt, omdat zij de zuiverheid van de ware leer vermengde met valse en door mensen ingestelde leer, en de mens opgeblazen maakt door een ijdele waan van eigengerechtigheid en door huichelarij.
Cesarea Filippi,
Dit was ene stad aan den voet van de berg Libanon, omtrent den oorsprong van de Jordaan; alzo genaamd omdat zij gebouwd was ter ere van de keizer Tiberius; en wordt toegenaamd Filippi, omdat zij gebouwd is van den viervorst Filippus, JosEf. Antiq. lib. 18, cap. 3, en ter onderscheiding van een ander Cesarea van zijn vader Herodes, ter ere van den keizer Augustus aan de Middelandse zee gebouwd. JosEf. lib. 15, cap. 13 ; Hand. 10:1 .
Hertaald:
Cesarea Filippi,
Dit was een stad aan de voet van de berg Libanon, bij de bron van de Jordaan. Zij heette zo omdat zij gebouwd was ter ere van keizer Tiberius, en zij wordt Filippi toegenoemd omdat zij gebouwd is door de viervorst Filippus (Josefus, Antiquitates boek 18, hoofdstuk 3) en om haar te onderscheiden van een ander Cesarea, dat zijn vader Herodes ter ere van keizer Augustus aan de Middellandse Zee gebouwd had (Josefus, boek 15, hoofdstuk 13; Hand. 10:1).
antwoordende,
Namelijk uit aller naam; alzo Christus hun allen gevraagd had; waarom ook het antwoord van Christus hoewel het tot Petrus geschiedt, tot allen behoort.
Hertaald:
antwoordende,
Namelijk namens hen allen, aangezien Christus het aan hen allen gevraagd had. Daarom geldt ook het antwoord van Christus, hoewel het aan Petrus gericht is, hen allen.
de Christus
Dat is, de Messias, of gezalfde. Zie Joh. 1:42 .
Hertaald:
de Christus
Dat is: de Messias, of Gezalfde. Zie Joh. 1:42.
Bar-Jona,
Dat is, Jonas' zoon: want het woord Bar betekent in de Chaldeeuwse spraak een zoon.
Hertaald:
Bar-Jona,
Dat is: zoon van Jona, want het woord bar betekent in het Chaldeeuws een zoon.
vlees en bloed
Dat is, noch uw eigen, noch enig natuurlijk vernuft, noch enig mens. Zie Gal. 1:16 .
Hertaald:
vlees en bloed
Dat is: noch uw eigen inzicht, noch enig natuurlijk verstand, noch enig mens. Zie Gal. 1:16.
petra
Dat is, steen of steenrots; namelijk op deze uwe belijkdenis, die gij van mij doet. Of, op mij dien gij beleden hebt. Want Christus is alleen het fondament zijner gemeente, 1 Kor. 3:11 , hoewel ook Petrus en ook de andere apostelen ten aanzien van hunne leer, fondamenten der gemeente kunnen genaamd worden, gelijk te zien is Openb. 21:19 .
Hertaald:
petra
Dat is: steen of steenrots; namelijk op deze belijdenis die u van Mij doet. Of: op Mij, Die u beleden hebt. Want Christus is als enige het fundament van Zijn gemeente, 1 Kor. 3:11 — hoewel ook Petrus en de andere apostelen met het oog op hun leer fundamenten van de gemeente genoemd kunnen worden, zoals te zien is in Openb. 21:19.
poorten der hel
Dat is, noch de listigheid noch het geweld des duivels en zijner instrumenten. Want eertijds waren de raadhuizen en sterkten der steden in de poorten: Gen. 22:17 .
Hertaald:
poorten der hel
Dat is: noch de listigheid noch het geweld van de duivel en zijn werktuigen. Want vroeger waren de raadhuizen en sterkten van de steden in de poorten: Gen. 22:17.
sleutelen van het koninkrijk der hemelen;
Dat is, een geestelijke macht, om van Gods wege en in Christus naam te verkondigen den gelovigen en boetvaardigen vergeving hunner zonden, en dat zij deel hebben aan het rijk Gods, en hetzelve door de heilige sacramenten aan hen te verzegelen. En daarentegen, de ongelovigen en onboetvaardigen, dat zij geen deel hebben aan de vergeving der zonden en het rijk Gods, en daarom hen van het gebruik dezer sacramenten te weren en uit te sluiten: welke macht de gemeente, Matt. 18:18 , en al den apostelen, Joh. 20:21 , ook gegeven wordt. Zie 2 Kor. 10:8 .
Hertaald:
sleutelen van het koninkrijk der hemelen;
Dat is: een geestelijke macht om namens God en in de naam van Christus aan de gelovigen en boetvaardigen te verkondigen dat hun zonden vergeven zijn, en dat zij deel hebben aan het Koninkrijk van God. Ook om hun dat door de heilige sacramenten te verzegelen. En omgekeerd om aan de ongelovigen en onboetvaardigen te verkondigen dat zij geen deel hebben aan de vergeving van de zonden en aan het Koninkrijk van God, en hen daarom van het gebruik van deze sacramenten te weren en uit te sluiten. Die macht wordt ook aan de gemeente gegeven, Matth. 18:18, en aan alle apostelen, Joh. 20:21. Zie 2 Kor. 10:8.
zo wat gij zult binden
Namelijk naar Christus' bevel en voorschrift.
Hertaald:
zo wat gij zult binden
Namelijk overeenkomstig het bevel en voorschrift van Christus.
zal in de hemelen gebonden zijn;
Dat is, God zal voor vast en bondig houden hetgeen alzo naar zijn bevel door zijn dienaar gedaan zal zijn.
Hertaald:
zal in de hemelen gebonden zijn;
Dat is: God zal voor vast en bindend houden wat zo, naar Zijn bevel, door Zijn dienaar gedaan zal zijn.
moest heengaan
Namelijk omdat zulks van God besloten, Hand. 2:23 , van de profeten voorzegd, Luc. 24:26-27 , en tot verzoening der zonden nodig was; Hebr. 9:23 .
Hertaald:
moest heengaan
Namelijk omdat dat door God besloten was, Hand. 2:23, door de profeten voorzegd, Luk. 24:26-27, en nodig was voor de verzoening van de zonden; Hebr. 9:23.
ouderlingen
Dat is, de oudsten des volks.
Hertaald:
ouderlingen
Dat is: de oudsten van het volk.
Heere,
Of, God zij u genadig, Heere. Dat is, God behoede u daarvoor. Dat zij verre van u.
Hertaald:
Heere,
Of: God zij U genadig, Heere; dat is: God beware U daarvoor. Dat zij verre van U.
satanas
Dat is, wederpartij. Welke naam wel voornamelijk den duivel wordt toegeschreven, zie Matt. 4:10 , maar hier ook Petrus gegeven, omdat hij Christus uit verkeerde liefde in het uitvoeren van zijn ambt zocht hinderlijk te zijn. Zie 2 Sam. 19:22 .
Hertaald:
satanas
Dat is: tegenstander. Die naam wordt vooral aan de duivel toegekend, zie Matth. 4:10, maar wordt hier ook aan Petrus gegeven, omdat hij Christus uit verkeerde liefde in de uitoefening van Zijn ambt probeerde te hinderen. Zie 2 Sam. 19:22.
mij een aanstoot,
Grieks, mijn aanstoot.
Hertaald:
mij een aanstoot,
Grieks: Mijn aanstoot.
achter mij wil komen,
Dat is, mij als een discipel wil volgen.
Hertaald:
achter mij wil komen,
Dat is: Mij als discipel wil volgen.
verloochene zichzelven,
Zichzelven verloochenen is zijn eigen verstand, wil en genegenheden achterstellen en dezelve aan Gods woord en wil onderwerpen.
Hertaald:
verloochene zichzelven,
Zichzelf verloochenen is: zijn eigen verstand, wil en neigingen achterstellen en die aan Gods Woord en wil onderwerpen.
leven zal willen behouden,
Grieks, ziel. Zie Matt. 10:39 .
Hertaald:
leven zal willen behouden,
Grieks: ziel. Zie Matth. 10:39.
lossing van zijn ziel?
Grieks, verwisseling, tegenlossing, of mangeling, waartegen of waarvoor iemand gelost wordt.
Hertaald:
lossing van zijn ziel?
Grieks: verwisseling, tegenprestatie of ruil, waartegen of waarvoor iemand losgekocht wordt.
naar zijn doen
Dat is, naardat hij gedaan zal hebben, goed of kwaad. Zie de verklaring hiervan Matt. 25:36 .
Hertaald:
naar zijn doen
Dat is: naar wat hij gedaan zal hebben, goed of kwaad. Zie de verklaring hiervan bij Matth. 25:36.
hier staan,
Dat is, die hier tegenwoordig zijn.
Hertaald:
hier staan,
Dat is: zij die hier aanwezig zijn.
zien komen in zijn koninkrijk
Dit kan verstaan worden òf van zijn verrijzenis en hemelvaart, òf van de zendig des Heiligen Geestes en de verbreiding des Evangelies onder de heidenen, of ook van zijne verheerlijking op den berg, waarvan gesproken wordt in het begin van het volgende hoofdstuk.
Hertaald:
zien komen in zijn koninkrijk
Dit kan verstaan worden van Zijn opstanding en hemelvaart, óf van de zending van de Heilige Geest en de verbreiding van het Evangelie onder de heidenen, óf ook van Zijn verheerlijking op de berg, waarover aan het begin van het volgende hoofdstuk gesproken wordt. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een profeet, prediker van bekering in de woestijn van Judea, gekleed in kemelshaar met een lederen gordel, levend van sprinkhanen en wilde honing. Hij doopte het volk in de Jordaan tot bekering, en doopte ook Jezus, ondanks zijn aanvankelijke weigering, waarna de hemel geopend werd en Gods stem Jezus als Zijn geliefde Zoon aanwees (Matth. 3). Een visser aan het meer van Galilea, broer van Andreas. Jezus riep hem, samen met zijn broer, om Hem te volgen en "vissers der mensen" te worden; hij liet terstond zijn netten achter en volgde Jezus na (Matth. 4:18-20). Hij zou uitgroeien tot de voorman onder de twaalf apostelen. Zoon van Zebedeüs en broer van Jakobus; een visser, geroepen door Jezus om Hem te volgen (Matth. 4:21-22); niet dezelfde persoon als Johannes de Doper. Hij zou een van de twaalf apostelen worden en het naar hem genoemde Evangelie en andere boeken van het Nieuwe Testament schrijven. Een van de twaalf apostelen van Jezus, aangeduid als "de Kananiet" (of Zeloot); niet dezelfde persoon als Simon Petrus (Matth. 10:4). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Aan de voet van de berg Hermon (reeds bestaand), bij een van de bronnen van de Jordaan, in het uiterste noorden van het land — van oudsher een centrum van (heidense) godsverering, onder meer van de god Pan. Geschiedenis: In de omgeving van deze overwegend heidense stad, ver van de drukte van Galilea, vroeg de Heere Jezus Zijn discipelen wie de mensen zeiden dat Hij was — waarop Petrus de beroemde belijdenis aflegde: "Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods", gevolgd door de eveneens beroemde toezegging: "op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen" (Matt. 16:13-20; Mark. 8:27-30). Bijbelse betekenis: Dat de Heere Jezus juist op deze plaats, temidden van heidense godenverering en aan de voet van een berg die zelf soms met afgoderij verbonden was, de fundamentele belijdenis van Zijn Godheid en de belofte van Zijn onoverwinnelijke gemeente laat uitspreken, onderstreept dat het ware geloof pal tegenover alle wereldse godsdienst overeind blijft staan. Archeologie: Opgravingen bij het huidige Banias legden een omvangrijk heiligdom voor de god Pan bloot (vandaar de latere Arabische naam "Banias", een verbastering van "Panias"), met nissen voor godenbeelden in de rotswand, alsook resten van het latere paleis van Agrippa II. Recente inzichten: Het huidige Banias, aan de voet van de Hermon, in de Golanhoogten. Matt. 16:13-20; Mark. 8:27-30 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Mattheüs opent zijn boek met de titel en niet met de naam: "Het boek des geslachts van JEZUS CHRISTUS, den zoon van David, den zoon van Abraham" (Matt. 1:1). Het geslachtsregister loopt vervolgens naar dat woord toe: het sluit af met de vermelding dat uit Maria geboren is "JEZUS, gezegd Christus", en telt de geslachten in drie reeksen van veertien (Matt. 1:16-17). Het woord is een ambtsnaam: koningen, priesters en profeten werden in Israël met olie gezalfd en daarmee tot hun dienst afgezonderd. Dat Jezus dé Gezalfde is, betekent dat de drie ambten in Hem samenkomen. Op de belijdenis van Petrus — "Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods" — antwoordt de Heere dat vlees en bloed hem dat niet geopenbaard heeft maar Zijn Vader (Matt. 16:16-17). En Mattheüs verbindt de geboorte aan de naam die Jesaja gaf: Emmanuël, "God met ons" (Matt. 1:22-23). Bijbelse betekenis: Dat de titel vóór de naam komt, is geen stijlfiguur. Mattheüs schrijft voor lezers die de belofte kennen, en zijn eerste zin zegt dat de wachttijd om is. Tegelijk laat het geslachtsregister zien hóe die belofte door de geschiedenis liep: er staan een Thamar, een Rachab, een Ruth en de vrouw van Uria in (Matt. 1:3,5-6) — geen zuivere lijn van verdienste, maar een lijn van genade. En de erkenning van deze titel is nergens een zaak van doorzien: waar Petrus haar belijdt, wordt uitdrukkelijk gezegd dat de Vader haar geopenbaard heeft. Typologie: Het woord Christus bindt heel het Oude Testament aan Eén Persoon samen. Hij is de Profeet als Mozes naar Wie men horen zal (Deut. 18:15; Hand. 3:22), de Priester naar de ordening van Melchizedek (Ps. 110:4; Hebr. 7:17), en de Koning uit Juda aan Wie de volken gehoorzaam zijn (Gen. 49:10). Daarom bidt de gezalfde Koning in Psalm 2 en wordt Hij door de apostelen op Christus toegepast (Ps. 2:2; Hand. 4:26-27). Zie in dit register ook *Zalving* (Lev. 8), waar het gebruik zelf beschreven wordt. Matt. 1:1,16-17,22-23; Matt. 16:16-17; Gen. 49:10; Deut. 18:15; Ps. 2:2; Ps. 110:4; Hand. 3:22; Hand. 4:26-27; Hebr. 7:17 Mattheüs is het enige Evangelie waarin dit woord voorkomt, en het staat er tweemaal. Op de belijdenis van Petrus antwoordt Christus: "op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen", waarna Hij hem de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen toezegt met de macht van binden en ontbinden (Matt. 16:16-19). De tweede plaats staat in het onderwijs over de broeder die zondigt: eerst onder vier ogen, dan met twee of drie getuigen, en hoort hij dan nog niet, "zo zeg het der gemeente". Hoort hij ook de gemeente niet, dan moet hij als een heiden en tollenaar gelden. Daarop volgt dezelfde macht van binden en ontbinden, nu aan de gemeente, met de belofte dat Hij in het midden is waar twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn (Matt. 18:15-20). Bijbelse betekenis: Drie dingen staan hier bij elkaar die in de praktijk gemakkelijk uiteenvallen. De gemeente is Zíjn gemeente en Hij bouwt haar — het werkwoord staat in de eerste persoon, en de belofte tegen de poorten der hel hangt daaraan. Zij is gegrond op de belijdenis die de Vader geopenbaard heeft (Matt. 16:17), niet op een menselijke instemming. En zij heeft werkelijk gezag over haar leden, want de tucht van Matt. 18 wordt door de Heere Zelf met de hemel verbonden. Dat de belofte van Zijn tegenwoordigheid bij twee of drie juist in dat verband staat, is opmerkelijk: zij geldt niet los van de tucht maar er middenin. Typologie: Paulus noemt Christus het Hoofd van het lichaam, namelijk der gemeente, en de eerstgeborene uit de doden (Kol. 1:18), en spreekt van de gemeente die Hij Zich heeft verkregen door Zijn eigen bloed (Hand. 20:28). De gelovigen worden als levende stenen gebouwd tot een geestelijk huis (1 Petr. 2:5), en het einde is een gemeente zonder vlek of rimpel, die Hij Zichzelf heerlijk voorstelt (Ef. 5:25-27). Wie zo over de gemeente denkt, kan haar niet lichtvaardig nemen: zij is met bloed gekocht. Matt. 16:16-19; Matt. 18:15-20; Hand. 20:28; Ef. 5:25-27; Kol. 1:18; 1 Petr. 2:5 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Hij is met de twaalf ver van Jeruzalem, in het noorden bij Cesarea Filippi. Daar stelt Hij de vraag waar het hele evangelie op scharniert, en het antwoord dat Hij krijgt verandert onmiddellijk de richting van Zijn onderwijs. Zodra Hij als de Christus beleden is, begint Hij te zeggen dat Hij lijden moet — en die twee horen bij elkaar, hoewel Petrus dat niet gelooft. Hij vraagt het in twee stappen. Eerst: wie zeggen de mensen dat Ik ben? De antwoorden zijn eervol maar te klein — Johannes de Doper, Elia, Jeremia, een van de profeten. En dan: “Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?” Petrus antwoordt uit aller naam, zegt de kanttekening, want de vraag werd hun allen gesteld: “Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.” Daar staan twee dingen in. Christus betekent Gezalfde, en dat is de titel van de beloofde Koning uit Davids huis. Zoon van de levende God is meer dan een ambt; het is wat in de tweede psalm tot die Koning gezegd wordt. En het is opmerkelijk hoe die belijdenis tot stand komt: “vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.” Wie Hij is, wordt niet uitgerekend. Dan volgen de woorden over de rots en de sleutels. De kanttekening werkt beide zorgvuldig uit. Bij het woord petra tekent zij twee lezingen aan: op deze uw belijdenis, of op Mij Dien gij beleden hebt. Zij houdt daarbij vast dat Christus alleen het fundament van Zijn gemeente is. De sleutels legt zij uit als een geestelijke macht: van Gods wege vergeving verkondigen aan wie gelooft, en die onthouden aan wie niet gelooft. Volgens haar wordt diezelfde macht ook de gemeente en alle apostelen gegeven. Het scharnier zit in het vers daarna: “Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden.” Van toen aan. De belijding en de aankondiging van het lijden staan direct achter elkaar, en dat is geen toeval. Nu zij weten dat Hij de Christus is, moeten zij weten wat voor Christus. Petrus, die zojuist geprezen is, weigert het en wordt scherper terechtgewezen dan wie ook in dit evangelie. Zijn bezwaar is menselijk en welgemeend, en juist daarom gevaarlijk: het is hetzelfde aanbod als in de woestijn, een kroon zonder een kruis. De kanttekening zegt bij dat moeten: omdat het van God besloten was, door de profeten voorzegd, en tot verzoening der zonden nodig. Het slot van het hoofdstuk zet er de andere helft naast. Wie Hem volgt moet zijn eigen kruis opnemen — en dan: “Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen.” Daarmee is de cirkel rond, want Hij is dit hoofdstuk begonnen met diezelfde naam, toen Hij vroeg wie de mensen zeiden dat Hij was. Die naam komt uit Daniël, waar iemand als eens mensen zoon met de wolken des hemels komt en een heerschappij ontvangt die niet vergaan zal. In één hoofdstuk staan dus beide: de weg naar Jeruzalem, en de komst met de wolken. De discipelen krijgen ze in die volgorde te horen, en niet andersom. In het Nieuwe Testament: Psalm 2:7; Daniël 7:13-14; Jesaja 53:3; 1 Korinthiers 3:11; Mattheüs 26:64 Hoever dit reikt: Over de vraag wat de rots is waarop de gemeente gebouwd wordt, geeft de kanttekening twee lezingen naast elkaar: de belijdenis van Petrus, of Christus Zelf Dien hij beleed. Zij houdt vast dat Christus alleen het fundament is, terwijl de apostelen naar hun leer ook fundamenten heten. Wat de sleutelmacht inhoudt, wordt daar uitvoerig omschreven en aan de gemeente als geheel toegekend. Dat de naam Zoon des mensen naar Daniël 7 verwijst, blijkt uit wat er in dit hoofdstuk over Zijn komst bij gezegd wordt.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Hij zal staan en hen weiden in de kracht van de HEERE, in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God. Zij zullen veilig wonen, want… Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesters en Schriftgeleerden, en gedood worden,… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Mattheüs 16
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods — 16:13-28
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Christus en de kerk
De eerste aankondiging van het lijden


Mattheüs 16
Mattheüs 16:13-16.KruisverwijzingenJohannes 11:27→1 Timotheüs 4:10→Mattheüs 27:54→Mattheüs 14:33→Mattheüs 26:63→Markus 14:61→Deuteronomium 5:26→Mattheüs 14:2→
— Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben? En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Jeremia of een van de profeten. Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.
“Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben? En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Jeremia of een van de profeten. Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.”
Hier staat de toetsvraag die aan iedereen gesteld moet worden die in de vergadering van de Heere opgenomen wil worden: wie zegt u dat Jezus is? De eerste vraag voor wie zich bij een gemeente wil voegen, is deze: wat denkt u van Jezus?
U kunt in niets goed staan zolang u niet goed over Hem denkt. Begint u niet bij de waarheid over Jezus — dat Hij de Messias is en de Zoon van de levende God — dan zult u ook niet goed verdergaan.
Bovendien wordt uw aansluiting bij welke zichtbare gemeente dan ook een vergissing die zowel uzelf als die gemeente schade doet. Het moet dus zo zijn: eerst Christus, daarna de gemeente.
Er is een manier van prediken waarin de gemeente de leidende gedachte is. Maar ons voornaamste woord is niet gemeente, het is Christus. Zelfs niet de gemeente van Christus, maar Christus als God Zelf, de Zoon van de Allerhoogste. Eerst Christus, de wortel; dan de gemeente, de uitspruiting. Eerst Christus, de Bouwer; dan de gemeente, Zijn gebouw.
De belangrijkste vraag is niet bij welk deel van de gemeente u hoort. Zij luidt veeleer: hoort u bij Jezus Christus, Die de Zoon van de levende God is? En dat wordt beslist door die andere vraag: wie zegt u dat Jezus is?
Kent u Christus, rust u in Christus, is Christus voor u “de Weg, en de Waarheid, en het Leven”, is Christus u “de Hoop der heerlijkheid” — dan is uw verbinding met de ware gemeente helder en zeker.
Mattheüs 16:21.KruisverwijzingenMattheüs 17:12→Mattheüs 17:22→Mattheüs 27:63→Mattheüs 20:28→Lukas 24:6→Mattheüs 20:17→1 Korinthe 15:3→Lukas 17:25→
— Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.
“Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.”
Hij had al eerder wat bedekt over Zijn dood gesproken. Maar dat was voor Zijn discipelen zo droevig en zo vreemd dat zij niet konden geloven dat Hij werkelijk bedoelde wat Hij zei.
Nu begon Hij hun echter duidelijk en onomwonden over de toekomst te vertellen, en zelfs in te gaan op wat er bij Zijn dood en opstanding gebeuren zou. Hij wist alles wat het werk van de verlossing Hem kosten zou; Hij had de prijs berekend. En toch trok Zijn ontferming zich niet terug toen de Zaligmaker wist dat Zijn eigen bloed de prijs van de vergeving was.
Het moet voor de apostelen heel bedroevend geweest zijn dat hun Heere hen deze kant op leidde. Maar het was tegelijk heel nuttig voor hun gemoed.
Mattheüs 16:22.KruisverwijzingenHandelingen 21:11→Markus 8:32→Johannes 13:6→Mattheüs 26:51→Mattheüs 16:16→1 Koningen 22:13→
— En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden.
“En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden.”
In de kanttekening van de Engelse bijbel staat hier: spaar Uzelf, Heere. Petrus bedoelde als het ware te zeggen: God geve in Zijn oneindige barmhartigheid dat dit niet waar zal zijn! Hoe kan het toch dat Iemand als U sterven moet?
Hij dacht waarschijnlijk dat de dood van Christus het einde van Zijn koninkrijk zou zijn, de ondergang van alle verwachting van Zijn volk, het uitdoven van het licht van Israel. Daarom riep hij, uit ijver voor de zaak van zijn Meester, dat dit Hem toch niet geschieden zou.
Mattheüs 16:23.KruisverwijzingenMattheüs 4:10→Markus 8:33→Filippenzen 3:19→Kolossenzen 3:2→Romeinen 8:5→1 Korinthe 2:14→Johannes 6:70→Romeinen 14:21→
— Maar Hij, Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.
“Maar Hij, Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.”
Let op het verschil tussen vers 18 en vers 23. In vers 18 had Christus gezegd: “En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” En hier zegt Hij: “Ga weg achter Mij, satanas!”
Ik versta het niet zo dat onze Heere Petrus satan noemde. Hij keek dwars door Petrus heen en zag satan achter hem staan, die de apostel gebruikte als zijn woordvoerder.
De besten onder de mensen kunnen soms de duivel beter van dienst zijn dan een slecht mens zou kunnen. Hij kan door hen die de Heere liefhebben woorden spreken die regelrecht tegen de gezindheid van Christus ingaan. Zo ziet Christus satan hier op de loer liggen, als in een schans achter Petrus verscholen, en Hij zegt: “Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot.”
De gedachte om Zichzelf te sparen, de inval om de taak te ontlopen waaraan Hij begonnen was, was Hem een aanstoot. Er zat iets in van de dingen die van de mensen zijn: van het ik en van het redden van het ik. Dat is het tegendeel van zelfverloochening en van die milde, onbaatzuchtige, Godgelijke zelfovergave.
Och, dat wij altijd zo spraken als Christus hier deed, telkens als ons iets voorgesteld wordt waarmee wij het kruis zouden ontwijken dat Hij ons te dragen geeft! Wil iemand dat wij onze ijver matigen of onze overtuiging afzwakken, zodat wij niet om onze trouw hoeven te lijden? Laat ons dan antwoorden: ga weg achter mij, satan.
Wat heeft een strijder van het kruis te maken met het mijden van de strijd tegen het kwaad? Hij hoort altijd gereed te staan voor de goede strijd van het geloof. Wat heeft een erfgenaam van de hemel te maken met het redden van zichzelf? Laat hij met de apostel Paulus zeggen: “Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere.”
Mattheüs 16:24-25.KruisverwijzingenMattheüs 10:38→Lukas 14:27→1 Petrus 4:1→Mattheüs 10:39→Markus 10:21→2 Timotheüs 3:12→Openbaring 12:11→Hebreeën 11:24→
— Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij. Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden.
“Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij. Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden.”
Dit is de wet van de zelfovergave. Zij rust op het offer van Christus en zij loopt uit op de volkomen overgave van de verlosten.
Wij zijn niet van onszelf; wij zijn met een prijs gekocht. Onszelf voor onszelf willen houden zou ingaan tegen heel de geest van de verlossing die Christus voor ons tot stand gebracht heeft. En dat is het laatste waaraan een christen ooit denken moest.
Mattheüs 16:26-28.KruisverwijzingenRomeinen 2:6→2 Korinthe 5:10→Job 27:8→Openbaring 22:12→Lukas 12:20→Lukas 9:25→Psalmen 49:7→Markus 8:36→
— Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel? Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijn doen. Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, dewelke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.
“Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel? Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijn doen. Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, dewelke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.”
Ik meen dat Hij met dat laatste woord bedoelde dat zij Hem in Zijn majesteit zouden zien. Ondanks het kruis zouden zij iets van Zijn kroon van heerlijkheid te zien krijgen.
Dat gebeurde toen zij Hem na Zijn opstanding aanschouwden, en nog duidelijker toen Hij opvoer in de hoogte. En het gebeurde bij sommigen van hen in een gezicht, toen zij Hem zagen staan aan de rechterhand van God, namelijk de Vader.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IV. Vs. 1-12.KruisverwijzingenLukas 11:16→Lukas 12:1→Mattheüs 6:30→Mattheüs 12:39→Lukas 11:29→Mattheüs 14:17→Mattheüs 16:6→Handelingen 4:1→
— En de Farizeen en Sadduceen tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit den hemel zou tonen. Maar Hij antwoordde, en zeide tot hen: Als het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder; want de hemel is rood; En des morgens: Heden onweder; want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden! het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de tekenen der tijden niet onderscheiden? Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, den profeet. En hen verlatende, ging Hij weg. En als Zijn discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten broden mede te nemen. En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuurdesem der Farizeen en Sadduceen. En zij overlegden bij zichzelven, zeggende: Het is omdat wij geen broden mede genomen hebben. En Jezus, dat wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij uzelven, gij kleingelovigen! dat gij geen broden mede genomen hebt? Verstaat gij nog niet? en gedenkt gij niet aan de vijf broden der vijf duizend mannen; en hoevele korven gij opnaamt? Noch aan de zeven broden der vier duizend mannen, en hoevele manden gij opnaamt?
Dadelijk na Zijn aankomst in het gebied van Dalmanutha en Magdala (of liever Magadan; Uit 15: 39) is Jezus weer door een grote menigte volk omringd. De toeloop is zelfs groter dan ooit. Aanstonds zijn echter ook Zijn tegenstanders, de Farizeeën, die zich met de Sadduceeën en de partij van Herodes verbonden hebben, weer hij de hand. Zij eisen opnieuw een teken van de hemel en proberen Hem daardoor in verlegenheid te brengen en voor het volk beschaamd te maken. Na een kort, beslist afwijzen van hen verlaat Hij die landstreek en keert Hij over het meer terug naar de tegenovergestelde oever, het gebied van de viervorst Filippus. Daar houdt Hij gedurende de eerstvolgende drie maanden Zijn verblijfplaats om Zich in de stilte voor te bereiden voor Zijn lijden en te Zijner tijd die weg van Kapernaüm uit op te gaan, naar welke stad Hij tot dat doel nog eens terugkeert. Op de vaart naar gindse oever waarschuwt Hij Zijn discipelen voor het zuurdeeg van de Farizeeën en Sadduceeën. De waarschuwing moet hen onder andere leren, dat zij thans met elkaar uit Galilea uitgaan, dat aan het heidendom is overgegeven, evenals eens Mozes met zijn volk uit het onreine Egypte ging. De discipelen verstaan dit echter niet en moeten eerst nader worden onderricht om iets te begrijpen van hetgeen Hij bedoelt.
In dat eerder genoemde gebied trok de Heere enige tijd rond en nam Zijn weg van Dalmanutha naar Magadan en van daar weer terug tot de eerste plaats. En de a) Farizeeën Sadduceeën tot Hem uit Dalmanutha gekomen zijnde en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen. Zij wilden Hem beproeven of Hij kon doen, zoals in Dan. 7: 13 en Joël 3: 3 omtrent de verschijning van de Messias was gezegd. Kon Hij dat, dan wilden zij Hem als Israël’s Messias erkennen. Zijn wonderen, tot hiertoe verricht, waren in hun ogen nog geen bewijs voor Zijn Messiaanse waardigheid.
MATTHEUS. 12: 38 Mark. 8: 11 Luk. 11: 29; 12: 54 Joh. 6: 30
Om te bewijzen, dat dit gesprek met de Farizeeën en Sadduceeën niet dadelijk na Jezus’ aankomst heeft plaatsgehad, zoals vele uitleggers beweren, maar eerst enige dagen later, toen de Heere reeds in het midden van Zijn werkzaamheid in die landstreek was, beroepen wij ons niet op het gebrek aan brood, dat naderhand bij de discipelen kwam (vs. 5), alsof broodgebrek na het wonder van de spijziging, dat zeven volle korven overgeschoten brokken gegeven had (hoofdstuk 15: 37), pas na verloop van meerdere dagen mogelijk geweest was. Die korven waren zeker van sommigen uit het volk en zonder twijfel werden de daarin opgenomen brokken aan de mensen meegegeven op hun weg naar huis. Dat de discipelen beiden voor zich zouden gehouden hebben, is een onaanneemlijke voorstelling. Daarentegen, wanneer wij Lucas hoofdstuk 12 naar zijn inhoud voor gelijktijdig houden met dit hoofdstuk, zou het blijken, dat de Heere Zich omstreeks een week lang in het gebied van Dalmanutha-Magadan opgehouden heeft. Het behoorde tot de omtrek van Dekapolis, of de tien steden en men meent dat Jezus Zich begeven heeft naar deze landstreek, zowel als naar de landstreek, die onder de viervorst Filippus van Iturea 2: 20) stond, sinds Hij de grenzen van Tyrus en Sydon heeft ontweken (hoofdstuk 15: 21). Hij is later slechts met het doel te Kapernaüm gekomen om daar in stilte met Zijn discipelen te verkeren; een openlijke werkzaamheid heeft Hij echter aan het land van Gennesareth niet gewijd, maar heeft met de geestelijke overheden op die plaats, de Farizeeën en Schriftgeleerden, op een even beslissende wijze gebroken, als Hij het naderhand, op de dinsdag van de lijdensweek, met dezelfde soort mensen te Jeruzalem deed (hoofdstuk 28). Voor zo ver wij weten, is nog geen uitlegger op de gedachte gekomen, de hoofdstukken MATTHEUS. 16: 1-12 en Mark. 8: 11-26 met Luk. 12 parallel te stellen. Men heeft dit hoofdstuk, dat een rij van gezegden van Christus bevat, die wij bij de andere evangelisten in andere zin en in andere samenhang vinden, en daarnaast geheel nieuwe aanbiedt, waarvan bij Mattheus en Markus geen spoor voorhanden is, van het begin af voor zo’n hoofdstuk aangezien, waarvan het vanzelf spreekt, dat het van een geheel andere aard en natuur is, dan de eerstgenoemde hoofdstukken. Intussen berust deze mening alleen op een miskenning van het zogenaamde reisbericht in Luk. 9: 51-18: 30 Hierin wordt ons slechts gedeeltelijk de geschiedenis van het leven van Jezus, van Zijn reis naar Jeruzalem op het loofhuttenfeest van het jaar 22 tot op Zijn laatste reis daarheen op het paasfeest van het jaar 30 verteld. De evangelist richt zich veeleer streng naar de bij de apostolische prediking van Christus gevolgde grondregel om zoals Hij Zich in Hand. 10: 36vv. uitdrukt, over de vroegere werkzaamheid in Judea en Jeruzalem te zwijgen en slechts Zijn laatste aankomst aan die plaats om te lijden en te sterven te beschouwen. Heeft nu Luk. 9: 51-11: 13 de Heere tot voor de poort van de stad gebracht, zo blijft Zijn aanwezigheid in die stad gedurende het loofhuttenfeest en Zijn verdere werkzaamheid tot het feest van de inwijding van de tempels naar die grondregel buiten beschouwing. Pas Zijn terugtocht van Jeruzalem wordt in Luk. 13: 1-9 weer vermeld, de lege plaats echter, die daardoor is ontstaan, dat alles opengevallen is, wat wij in Joh. 7: 11-10: 42 vinden, wordt in Luk. 11: 14-12: 59 met een bericht uit de tijd van de werkzaamheid van Jezus in Galilea aangevuld. Dat Luk. 11: 14-36 zo’n bericht behelst en nauwkeurig parallel staat met MATTHEUS. 12: 22-50 en Mark. 3: 20-35 wordt door niemand miskend; dat dan verder Luk. 11: 37-54 met MATTHEUS. 15: 1-20 en Mark. 7: 1-23 overeenkomt, is eerder verklaard; en dat nu Luk. 12 tot MATTHEUS. 16: 1-12 en Mark. 8: 11-26 in betrekking staat, blijkt gedeeltelijk uit de waarschuwing in vs. 1 : “wacht u voor de zuurdesem van de Farizeeën, ” gedeeltelijk uit de strafrede van Christus in vs. 54-56, die werkelijk op hetzelfde neerkomt met hetgeen de Heere op onze plaats (vs. 2vv. ) tot de Farizeeën en Sadduceeën zegt. Onze bijeenvoeging schijnt zeker het door Luther uitgelaten “daarentussen” tegen te spreken, waarmee Luk. 12: 1 begint. “Daarentussen toen vele duizenden der schare bijeenvergaderd waren. ” Dientengevolge stond het gehele 12e hfdst. bij Lukas in onmiddellijk verband met “het gestoorde gastmaal in het huis van de Farizeeër”, zoals een uitlegger dat gedeelte uit Luk. 11: 37-54 noemt. Toen de Heere van dat gastmaal opstond, om het aandringen van Zijn vijanden te ontwijken, had het volk zich inmiddels in een grote schare rondom het huis van de Farizeër verzameld, Zijn terugkomst afwachtende, en in aanwezigheid van deze volksmenigte, waaronder Hij nu kwam, waarschuwde Hij Zijn discipelen voor de zuurdesem van de Farizeeën. Daaronder wilde Hij volgens Zijn uitdrukkelijke verklaring de huichelarij doen verstaan. Hij had ook alle reden juist tot deze waarschuwing, omdat de Farizeeën Hem zo huichelachtig tot hun gastmaal uitgenodigd hadden. Maar het “allereerst” dat de tegenwoordige uitgaven van onze bijbel bij het “wacht u” plaatsen, wordt door Luther, nadat vele handschriften voorgegaan zijn, bij het voorgaande “tot Zijn discipelen” getrokken; en wanneer nu de eerste verbinding de beste is, zodat de Heere zeggen wil: “vóór alle dingen wacht u enz. ” zo heeft toch ook de tweede haar betekenis, omdat het dient tot een teken, dat de Heere, nadat Hij met de discipelen gesproken heeft, Zich hierop tot de schare gewend en tot haar gezegd heeft hetgeen wij in MATTHEUS. 15: 10-20 en Mark. 7: 14-16 lezen. Daarmee stelt Hij in plaats van de zuurdesem van de Farizeeën het zoete deeg van de reinheid en waarheid, door het opstellen van een nieuwe levenswet. Lukas heeft slechts de eerste rede, die tot de discipelen gehouden werd, in het oog gehad, en de gelegenheid bood zich voor hem aan uit de rede van Christus bij de uitzending van de twaalven (hoofdstuk 10: 26-33 en 19vv. ) iets aan te halen. De belofte Luk. 12: 11vv. komt dan nog eens in Luk. 21: 14vv. voor – een bewijs dat Jezus sommige woorden en zinnen inderdaad meer dan eens in Zijn redenen tot het volk ingevlochten en nu eens in deze, dan weer in die samenhang uitgesproken heeft. Wij kunnen dus geheel onvoorwaardelijk aannemen, dat de Heere toen Hij uit het huis van de Farizeeër kwam, Zich eerst tot Zijn discipelen gewend heeft, en hen niet slechts alleen voor de zuurdesem van de Farizeeën waarschuwt, maar ook in betrekking tot de daarin liggende gedachten enige stellingen uit Zijn vroegere rede herhaald heeft. Dan zou men Luk. 12: 1-12 nog bij de geschiedenis in MATTHEUS. 15: 1-9 kunnen voegen, zoals wij het bij het slot van de Evangeliën zullen doen. Intussen toont de uitdrukking bij het begin van dit hoofdstuk: “Als vele duizenden van de schare (niet alleen “duizenden”, zoals men nu gewoonlijk in de uitgaven van de Duitse bijbel leest – Luther heeft er wel acht op geslagen, dat in de grondtekst van myriaden of tienduizenden sprake is) bijeenvergaderd waren, ” dat de evangelist met de gebeurtenis na de gestoorde maaltijd in het huis van de Farizeeër nog een ander verbindt. Toen toch is bezwaarlijk zo’n onmetelijk grote schare voor het huis samengestroomd, dat het niet voldoende geweest zou zijn, van duizenden te spreken. Integendeel, als de mensen zich zo om Jezus verdrongen dat “zij elkaar vertraden, ” zo doelt dat op een oponthoud van de Heere buiten in de open lucht, op een rondreis waarbij de menigte van hen, die Hem navolgden en hulp bij Hem zochten, zoals een lawine aangroeide en eindelijk ontelbaar was. En wanneer nu Lukas dat gedeelte van de rede van Jezus na de maaltijd van de Farizeeër, waarmee Hij Zich tot het volk wendde, en de daarop betrekking hebbende vraag van de discipelen (MATTHEUS. 15: 10vv. Mark. 7: 14vv. ) geheel overslaat, wanneer hij dan verder niets vertelt van het ontwijken naar de grenzen van Tyrus en Sidon, van de reis naar de oostelijke oever van Galilea, van de spijziging van de 4. 000 man en van de overvaart naar Magadan-Dalmanutha (MATTHEUS. 15: 21-39 Mark. 7: 24-8: 14), laat hij daardoor niet duidelijk genoeg bemerken, dat hij al deze gebeurtenissen in de geest overslaat? Zonder meer brengt hij de Heere uit die omgeving, waarin Hij Zich na het opstaan van de tafel van de Farizeeër bevond in de grotere omgeving, waarin Hij Zich bij Zijn reis door het gebied van Magadan-Dalmanutha bevond. De verbinding tussen deze beide naar tijd en plaats verschillende toestanden, die zoiets in elkaar voeging veroorzaakte, is zonder twijfel de waarschuwing voor de zuurdesem van de Farizeeën geweest, die naderhand in MATTHEUS. 16: 5vv. Mark. 8: 14 voorkomt, en die wij reeds in Luk. 12: 1 voor ons hadden. Bij de andere evangelisten komt het ook soms voor, dat twee geschiedenissen, die in een bepaald karakteristiek punt met elkaar overeenkomen, tot één beeld samenvloeien of tot één weefsel samengevlochten worden, waarvoor de ene geschiedenis de juiste, de andere de dwarse draden geeft. Evenals wij nu Luk. 11: 37-12: 12 vroeger bij MATTHEUS. 15: 1-9 en Mark. 7: 1-13 samengenomen hebben, zo twijfelen wij nu ook niet, of Luk. 12: 13-21 sluit zich chronologisch aan bij MATTHEUS. 15: 39 en Mark. 8: 10 Uit Luk. 12: 1 hebben wij voor dat gedeelte de woorden: “Intussen liep het volk toe: Hij begon en zei tot Zijn discipelen enz. ; ” vooraf echter de zin: toen vele duizenden van de schare bijeen vergaderd waren, zodat zij elkaar vertraden, ” en dan vertellen zij volgens onze uitvoerige samenstelling van het leven van Jezus aan het slot van de vier evangelisten, de gelijkenis van de rijke korenbouwer en haar betekenis. Dan zou de gehele toestand de volgende zijn: Nauwelijks had de Heere het gebied van Magadan-Dalmanutha betreden, en trok nu van de ene plaats naar de andere, en van de laatste weer naar de eerste, toen zich dadelijk de grote volksmassa’s aan Hem aansloten en spoedig als het ware tot lawines aangroeiden. Ja zo’n geestdrift voor de profeet van Nazareth greep het volk aan, dat een uit het volk Hem tot scheidsman in een rechtszaak wilde maken, die hij thuis met zijn broeder had, waarop Jezus toen de gelijkenis van de rijke dwaas vertelde. Toen de Heere dus op het nieuwe arbeidsveld, dat Hij Zich na Zijn verjaging uit het land Gennesareth in het land van Magadan-Dalmanutha gekozen had, dadelijk in de eerste dagen in zo’n groot aanzien stond en zoveel invloed had, dat de mensen met tienduizenden naar Hem toestroomden, en Hem zelfs een koninklijk-rechterlijke macht over hun aangelegenheden wilden geven, begrijpen wij wel het optreden van de Farizeeën en Sadduceeën met de vraag naar een teken van de hemel. Zoals bij Uit 12: 38 aangemerkt is, komt hier een kunstgreep tot rijpheid, die daar nog aan het ontkiemen was, en die kunstgreep had tot doel, Jezus voor de ogen van het volk tot schande te maken. Die eis was een nalatenschap van dat gezantschap uit Jeruzalem, waarover wij bij hoofdstuk 15: 1 gesproken hebben. Dit gezantschap was na het ontwijken van Jezus naar de grenzen van Tyrus en Sidon nog wel enige dagen in Galilea gebleven, maar had dan toch de terugkomst van de Heere van Zijn reis wegens het nabij zijnde pinksterfeest niet kunnen afwachten; het moest zich nu bepalen, om de daar wonende Farizeeën te leren, hoe zij zich tegenover Jezus moesten houden, wanneer Hij weer in hun nabijheid kwam, en zij hadden dit op zo’n uitgebreide wijze gedaan, dat niet alleen de Farizeeën te Kapernaüm en in het gehele land van Gennesareth, maar ook die in de omstreken van Tiberias tot in het gebied van de tien steden wisten hoe zich te houden. In dit laatste gedeelte van het land lag de verbintenis van de daar wonende Farizeeën met de Sadduceeën en de aanhangers van koning Herodes 12: 14) te meer voor de hand, omdat Herodes sinds 8-9 weken in Tiberias zijn residentie genomen had, en het gezantschap van Jeruzalem heeft zeker die verbintenis niettegenstaande alle vijandschap, die anders tussen Farizeeën en Sadduceeën bestond, bedenken aangeknoopt, omdat men zich voor het gezamenlijke doel daarvan voordeel beloofde. Bovendien stond toen de hogepriester Kajafas, een Sadduceeër, aan het hoofd van de Joodse raad; deze sekte was dus in het gezantschap zelf vertegenwoordigd. De Farizeeën komen hier evenwel voor als de woordvoerders, omdat de ongelovige Sadduceeën ook verder geen belang hadden bij een teken uit de hemel; daarom noemt ook alleen de eersten.
De Heere gaf echter geen gehoor aan hun verlangen om een nieuw teken, zoals zij dat tot een bewijs van Zijn Messianiteit nodig achtten, maar verweet hun de verstoktheid ten opzichte van de reeds gegeven tekens. Hij antwoordde en zei tot hen: Als het avond geworden is, en de wolken zijn dan in vuurrood gewaad gekleed door het ondergaan van de zon, zo zegt gij: Morgen mooi weer, want de hemel is rood.
En ‘s morgens, als de zon onder een droevig rood van de wolken opgaat, zegt gij: heden onweer, stormachtig weer, want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden! Gij vraagt om een teken en houdt u daardoor, alsof gij er belang in stelt, tot een liefelijke overtuiging te komen, als behoefde Ik slechts eens aan uw begeerte te voldoen om u allen Mijn aanhangers te zien, terwijl het toch in uw hart reeds vaststaat, dat gij tegen elke prijs Mij wilt verwerpen, terwijl gij die eis slechts hebt verzonnen om het volk van mij afkerig te maken. Het aanschijn van de hemel weet gij wel te onderscheiden, gij weet te zeggen wat het betekent, wanneer de wolkenhemel op zekere tijden een bepaalde kleur aanneemt en kunt gij dan op geestelijk gebied de tekens van de tijd niet onderscheiden, de tekens, die zo duidelijk aanwijzen, dat de tijd gekomen is van de vervulling van de profetie omtrent de komst van de Heiland en Verlosser?
Toen zuchtte de Heere in de geest, omdat Hij wel voorzag, hoever het nog komen zou met die moedwillige verharding en Hij herhaalde het reeds eerder gesproken woord (hoofdstuk 12: 39vv. ): Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van a) Jona, de profeet; want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de vis was, zo zal ook de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn. En hen verlatende als onwaardigen om langer met hen te spreken, naar dat strenge recht, dat Hij ook later in hoofdstuk 21: 17 omtrent hun gelijkgezinden in Jeruzalem volgde; ging Hij weg. Na Zijnaankomst aan de zuidzijde van het Galilese meer ging Hij weer in het schip en voer naar de tegenovergestelde oever (Mark. 8: 13 en 22).
Jona 1: 17
Wij lezen in Plinius (hist. n. XVIII: 78): “De zon kondigt storm aan, als bij haar opgaan de wolken rood gekleurd zijn; worden echter de wolken tegen zonsondergang rood, zo belooft dit helder weer voor de volgende dag. ” Ook in onze streken kan men ditzelfde opmerken, maar in het oosten is het weer veel regelmatiger en daarom zijn de voorboden zekerder dan bij ons. Dat op het avondrood, merkt J. Lange op, mooi weer volgt, komt daarvan, dat dit een teken is van oostewind, die de dampen van de lucht, waarin de zonnestralen gebroken worden, van het oosten tot het westen heeft gedreven, en dientengevolge veroorzaakt, dat de volgende dag de zon helder opgaat, en ook de hemel zonder wolken, wind en regen een tijd lang helder blijft. Wanneer daarentegen ‘s morgens de hemel rood en droevig is, zodat de stralen van de opgaande zon daarin sterk gebroken worden, zo is dat een teken, dat de winden de dampen van het westen naar het oosten drijven, en er licht bij dag een regen of sterke wind zal volgen. Met deze afdeling komt in hoofdzaak die van Luk. 12: 54-59 overeen, met dit onderscheid, dat omdat 1) niet de kleur van de wolken als weerglas wordt genoemd, maar de hemelstreek, van waar de wind komt, of uit het westen of uit het zuiden; 2) de Farizeeën en Sadduceeën het niet zijn, tot wie de bestraffende rede gericht wordt, maar het volk; en 3) in plaats van de klacht over het geslacht, dat tekens wil zien een aanmaning volgt, om zich nog terwijl het tijd is, met Jezus, zijn Heiland (deze is, hetgeen alle uitleggers voorbijzagen, onder “de tegenpartij” in vs. 58 te verstaan, en niet God, noch ook de duivel) te verzoenen. Dit doet de Heere, een woord van de bergrede herhalende (hoofdstuk 5: 25vv. ), dat nu met een nieuwe bedoeling en toepassing voorkomt. Er is dus werkelijk verschil met de plaats van Mattheüs, die voor ons ligt. Toch is de overeenkomst zo sterk, dat er niet kan gedacht worden aan een nieuwe op zichzelf staande gebeurtenis. Wij moeten ons de geschiedkundige samenhang alzo voorstellen. Toen Jezus de Farizeeën en Sadduceeën had laten gaan en zich nu verder wilde begeven, nam Hij waar, dat het Farizees-Sadducese zuurdeeg werkelijk de volksmenigte, die Hem vergezelde, had aangestoken. De gemoederen waren door de eis van een teken in de hoogste spanning gebracht; velen hadden gemeend, dat de Heere, wanneer Hij werkelijk de Messias was, het verlangde teken niet had mogen terughouden, dat de eis rechtmatig was, en dat wie Messias wilde zijn, ook voor de geestelijke macht zich moest wettigen. Terwijl Hij daarentegen verklaarde, dat aan dit geslacht geen teken zou worden gegeven, en door te wijzen op het teken van Jona de profeet, het geslacht van zijn tijd met de heidense Ninevieten op een lijn stelde, kwam in de plaats van de vroegere geestdrift voor Hem een zekere verachting en verbittering. Toen zag Jezus, dat Hij ook het nieuwe arbeidsveld aan de zuidzijde van de Galilese zee moest opgeven, en besloot Hij zich terug te trekken naar de juist tegenovergestelde zijde. Zonder een woord van bestraffing en vermaning wilde Hij die plaats niet verlaten, des te minder omdat inderdaad de tijd gekomen was, die Hij bij wijze van gelijkenis beschrijft met de woorden “als gij heengaat met uw tegenpartij voor de overheid. ” Hier sloot zich het gaan over het meer aan, dat na de weg tussen Dalmanutha en de oever te hebben afgelegd, aanstonds werd begonnen. De discipelen hadden zich niet vooraf van een voorraad brood kunnen voorzien; de Meester hield bij de vaart de gedachte bezig aan de verderfelijke macht van het Farizees-Sadducees zuurdeeg, die Hij in die volkshoop had opgemerkt, en die, naar Hij wist (Joh. 6: 70vv. ), ook in de kring van Zijn discipelen zou indringen.
En toen Zijn discipelen met het schip, waarin Hij ging (Mark. 8: 13), op de andere zijde gekomen waren, (d. i. op weg van de noordzijde van het meer) hadden zij vergeten vóór het ingaan in het schip broden mee te nemen behalve het enige, dat zij nog hadden.
En Jezus zei tot hen, terwijl Hij de gedachten meedeelde, die in Hem waren: Ziet toe en wacht u van de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën, of van Herodes (Mark. 8: 15).
Zij verstonden niet wat Hij met deze gelijkenis wilde zeggen, maar vatten de uitdrukking zuurdeeg in eigenlijke zin op, en zij overlegden bij zichzelf, onder elkaar, wat die waarschuwing bedoelde. Zij meenden het gevonden te hebben, en de een sprak tot den ander, zeggende: Het is omdat wij geen broden meegenomen hebben. Nu was vermijding van elke aanraking met tegenstanders nodig, en wij hebben ons thans juist in de toestand gebracht, dat aanraking onvermijdelijk is, omdat wij dadelijk na het landen brood moeten kopen.
De zuurdesem of het verderfelijk bestaan van de Farizeeën kan slechts die richting zijn, waardoor de Farizeeën de waarheid van het Godsrijk slechts in zoverre en slechts dan willen gehoorzamen, wanneer die waarheid zich zo gevormd heeft, als zij haar in hun eigengerechtige gedachten gemaakt hadden, zodat zij verlangen, in plaats van zich zonder om te zien aan de waarheid over te geven, dat de waarheid zich naar hen zal vormen. Een vroomheid zonder zelfverloochening, die tegenover de waarheid staat en daarom niet tot de waarheid komt, staat dus in de Farizeeën en in hun verhouding tegenover Jezus, voor de ogen van de discipelen. Wanneer nu in Mark. 8: 15 (evenals in 3: 6 bij de Farizeeën de Herodianen gevoegd worden) de zuurdesem van de Herodianen als even verderfelijk erbij komt, zo kan daarmee slechts die gezindheid bedoeld zijn, die Herodes en zijn hovelingen daardoor aan de dag legden, dat hij Johannes om het leven bracht, namelijk de wereldse lichtzinnigheid, die in het geheel niet naar waarheid vraagt, maar haar, waar zij zich aan het geweten openbaart, liefst als een lastige macht met geweld ter zijde stelt. (Ook de zuurdesem van de Sadduceeën bij Mattheüs is, in tegenstelling tot de zuurdesem van de Farizeeën, het schijnheilige, Joods-wettische bestaan, niets anders dan het lichtzinnige heidense wereldse bestaan, dat het ongeloof in Joh. 18: 38 huldigt 12: 14). Voor die valse vroomheid en voor deze wereldsgezindheid, die de mensen eveneens in verderfelijke strijd met de waarheid brengen, moeten de discipelen zich wachten, wanneer zij de zegen van hun gemeenschap met Jezus willen bewaren; want het echt-christelijk bestaan moet ver zijn van die Joodse en deze heidense verkeerdheid, wanneer het zijn karakter wil bewaren. Maar evenals degenen, die dromen, begrijpen de discipelen dit woord van Jezus niet; zij menen, dat Hij bemerkt heeft, waaraan zij niet gedacht hadden, dat zij namelijk geen voedsel meegenomen hebben, en dat Hij hun nu onder het voorwendsel, dat zij brood moesten kopen, maatregelen van voorzichtigheid voor het kopen aanwijst, omdat zij van de vijandige Farizeeën of van de moordenaars van Johannes, die toch beide overal hun spionnen konden hebben, slechts kwaad, mogelijk een vergiftiging te wachten hadden. Zo peinzen zij in angstige verlegenheid over hun toestand, omdat zij genoodzaakt zijn tot het kopen van brood en er toch zeer voorzichtig mee moeten zijn. Hun zorg, die rust op de onomstotelijke overtuiging, dat zij, om niet te verhongeren, op de een of andere wijze brood van anderen moeten verkrijgen, die hun doet geloven, dat ook Jezus aan niets anders denkt, is het, die hen laakbaar maakt, omdat zij na hun ondervindingen op hun rondreizen met Jezus volstrekt tot deze overtuiging geen recht hadden.
De overvaart (vs. 4) scheen voor de Heere een vaart naar de ballingschap te zijn; ook de discipelen voelden dit; zij hadden een lange, droevige vaart, want zoals zij de laatste maal (hoofdstuk 15: 39) het meer niet doorgevaren hadden van het oosten naar het westen, maar in een lange, schuine lijn van het noordoosten naar het zuidwesten, zo ging de vaart nu in dezelfde richting het meer op terug. Voor de tweede maal zagen zij Kapérnaüm slechts van verre: hun thuis scheen reeds half voor hen verloren. Jezus zag hun droevige stemming; zij volgden Hem vol moed na, maar slechts half los van de wereld, het viel hun hart zwaar, zich los te rukken van de plaats van hun liefde en hoop. Toen sprak Jezus het ernstige woord: “Wacht u enz. , ” waarmee Hij Zijn hart ontsloot. Toen de kinderen van Israël uit Egypte trokken, moesten zij al het zuurdeeg vernietigen en achterlaten (Exod. 12: 15vv. ). Het zuurdeeg stelde toen de wereldse geest van Egypte voor als een aanstekelijk en zeer verderfelijk principe, zij moesten geen aanstekelijk verderf uit Egypte meenemen naar Kanaän. De tocht van de Heere met de discipelen was nu evenals de uittocht uit het onreine Egypted: zo rein en afgescheiden voelde Hij Zich van het heidense bestaan van de Farizeeën en Sadduceeën; Hij had een voorgevoel, dat het werkelijke, grote paasfeest, de tijd van Zijn dood naderde. Daarbij bekommerde de gedachte Hem diep, dat Zijn discipelen onbewust nog iets van het zuurdeeg van de Farizeeën en Sadduceeën met zich voerden, namelijk in het hart van Judas. Hij zag het duidelijk, dat zij nog niet rein waren van de aanstekelijke zonden van hun vijanden: daarom Zijn waarschuwing. De discipelen echter begrepen het geheimzinnige woord niet. Zij zeiden onder elkaar: wat zou Hij bedoelen? en dachten, dat zij dat woord letterlijk moesten opnemen, dat de Meester hen dus verbood, naderhand bij mensen van de sekte van de Farizeeën of Sadduceeën brood te kopen, omdat Hij de gemeenschap met hen wilde opheffen, omdat Hij ze wilde excommuniceren.
En Jezus dat, wat zij onder elkaar verhandelden, wetende, zei tot hen: Wat overlegt gij bij uzelf, gij kleingelovigen! wier geloof niet alleen menigmaal nog zwak is in vertrouwen, maar ook gebrekkig in het verstaan (hoofdstuk 6: 30; 8: 26; 14: 31). Wat overdenkt gij bij uzelf, dat gij geen broden meegenomen hebt, alsof van die zijde u het gevaar dreigde, waarvoor Ik u heb gewaarschuwd!
Hij wist het zonder een van hun redewisselingen te hebben gehoord, alleen door Zije alwetendheid; want Hij kende de twijfels en het ongeloof en de bekommernissen van hun geest, zowel als hun geheime gesprekken met elkaar.
a) Verstaat gij nog niet, dat Mijn woord niet op het lichamelijke kon doelen; was een dergelijke opvatting niet afgesneden door uw ervaringen in de laatste dagen? En denkt gij niet aan de vijf broden van de vijfduizend mannen (hoofdstuk 14: 15vv. ), en hoeveel korven met brokken gij opnam?
Mark. 6: 38 Luk. 9: 13 Joh. 6: 9
Noch aan de zeven broden van de vierduizend (MATTHEUS. 15: 32vv. ) mannen, en hoeveel manden gij opnam?
Gij hebt zulke duidelijke bewijzen, dat het weinig verschilt, of wij veel of weinig brood bij ons hebben. Hoe verstaat gij dan niet, dat Ik u van geen brood in de eigenlijke zin van het woord gesproken heb, toen Ik zei (vs. 6), dat gij u wachten zoudt van de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën, maar dat Ik iets geestelijks onder dit zuurdeeg bedoeld moet hebben.
Toen schaamden zij zich, dat zij, die leraars behoorden te zijn, opnieuw nodig hadden, dat men hun de eerste letters van de goddelijke woorden leerde (Hebr. 5: 12). Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zichwachten zouden van de zuurdesem van het brood, zoals Hij ook geen brood had genoemd, maar dat zij door hun gedachten dat woord in Zijn rede hadden tussengevoegd, maar dat zij zich zouden wachten van de leer van de Farizeeën en Sadduceeën. Die leer toch voerde de harten op een dwaalweg en vervulde ze met de geest van de onwaarheid, met uiterlijke vormen en zelfzuchtige verkeerdheid als een aanstekelijk en de inwendige mens verzurend zuurdeeg (1 Kor. 5: 6).
De Farizeeën onderscheidden zich door een in het ooglopend in acht nemen van de uiterlijke gebruiken van het Jodendom: vasten, bidden, offeren, aalmoezen geven, op bepaalde tijden en in vastgezette hoeveelheid, een voor het uiterlijke eerbaar leven, proselieten maken voor hun sekte, – zonder dat zij daarbij op ware gemoedsverandering en boete bijzonder acht gaven; het uiterlijke was hun de hoofdzaak, en zij overdreven de nauwgezetheid in het betrachten daarvan. Zo hadden zij ook een overdreven achting voor hun mondelinge overleveringen of tradities, die zij met de geschreven goddelijke wet gelijk stelden, of zelfs hoger schatten, en waardoor zij alles probeerden op te helderen. Met die werkheiligheid en deze menselijke inzettingen verbonden zij een scherp veroordelen van allen, die niet even nauwgezet en angstvallig dachten en handelden, als zij zelf; zij waren de strengste sekte onder de Joden en verbeeldden zich, alleen in bezit van het ware zaligmakende geloof te zijn. Hun leer was daarom ook een kunstig weefsel van kleingeestige en nutteloze oefeningen, waaruit alle geest en invloed op hart en leven verdwenen was, een dor, dood geraamte, een lijk, waarom zij streden en twistten. Wilt gij met één woord hun dwaalleer en hun geestdrijverij aanduiden, zo was het het bijgeloof, en wilt gij uit de latere Christelijke tijd, wilt gij uit de tegenwoordige tijd een levendig schilderij van deze dwaalleer voor ogen hebben, dan ziet gij het in de roomse kerk met haar uiterlijke godsdienstige oefeningen, met het onnoemelijk aantal van haar menselijke inzettingen, met haar uitsluitend karakter, met haar werkheiligheid en bekeringszucht. De Sadduceeën daarentegen geloofden aan geen bijzondere, zich om kleinigheden bekommerende Voorzienigheid Gods, aan geen alomtegenwoordige, alles besturende regering van de goddelijke wijsheid en liefde, aan geen onzichtbaar geesten- en engelenrijk, aan geen toekomstige beloningen en straffen, aan geen onsterfelijkheid, geen eeuwig leven. Met de dood is alles uit, zo meenden zij; wat hun verstand niet begreep, werd door hen verworpen. Het gevolg van deze verwerping was de lichtzinnigheid, de zedelijke ongebondenheid en zucht naar genot; zij zeiden: “laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij. ” Wilt gij deze Sadducese richting met één woord aanduiden, het is het ongeloof; en verlangt gij voor dit ongeloof namen, gestalten, belijders, waarin dat ongeloof leeft, het zijn de ongelovigen, de rationalisten, de mannen van de verlichting, de aanhangers van de nieuwste filosofie. God, deugd, onsterfelijkheid, dat is in werkelijkheid de dorre inhoud van hun belijdenis. Door God verstaan sommigen van hen een persoonlijk bovennatuurlijk wezen, anderen een geestelijke kracht, die in de wereld, in de mensheid woont, zich in haar ontwikkelt en langzamerhand tot zelfbewustzijn komt, dus eigenlijk de tijdgeest. Deze God laten sommigen rustig op een verheven troon buiten de wereld en zich om niets in deze wereld bekommeren, geen gebeden verhoren, niet ons aller lot in het bijzonder besturen, zodat alles eigenlijk komt en gaat, niet naar Zijn alleen wijze en goede wil, maar naar toeval en willekeur, zoals het komt en gaat. Anderen beschouwen Hem slechts als een Wezen vol liefde en zwakheid, zonder heiligheid en rechtvaardigheid, Jezus is in hun ogen slechts een mens, die echter door Zijn diepe wijsheid en reinheid van hart in een bijzondere verbintenis met God stond en zich daarom in geestelijke zin de Zoon van God noemde. Verlosser is Hij slechts in zoverre, dat Hij door Zijn leer en Zijn voorbeeld de mensen van de dwaling van het bijgeloof en de vooroordelen van Zijn tijd bevrijd heeft. De Heilige Geest eindelijk is voor hen niet de Geest van God, maar de heersende wereldgeest, de tijdgeest, het door het Christelijk idee verlicht verstand. Door deugd verstaan zij niet de betrachting van de goddelijke geboden, maar een uiterlijke plichtsvervulling, een rein zijn van grove zonden en misdrijf, een fijne beschaving, een goede houding, gezellig talent, leven en laten leven naar de grondregel: “rozen op de weg gestrooid en het verdriet vergeten” – in het beste geval: “vrees God, doe recht, vrees niemand. ” Deze, door henzelf gemaakte geboden volbrengen zij voor zo ver het in hun macht staat; voor de overigen zoeken zij geen vergeving bij God, maar zij vergeven zichzelf en eindelijk openen zij de hemel voor iedereen, want de hel behoort ook tot de lang door hen verworpen vooroordelen. Onsterfelijkheid loochenen zij of geheel, of laten die slechts bestaan als onsterfelijkheid van de naam op aarde, of als een voor allen openstaande zaligheid aan gene zijde van het graf. Beide richtingen nu, het Farizeïsme en het Sadduceïsme, het bijgeloof en het ongeloof, vergelijkt Jezus met een zuurdeeg: het zuurdeeg verzuurt wat vroeger aangenaam was en verandert het zoete deeg in zuur. Beschouwt de Roomse kerk met haar menselijke inzettingen en uiterlijke plechtigheden, heeft zij niet de geesten in alle landen tot knechten gemaakt en de gewetens gebonden? heeft zij niet de getuigen van de waarheid onder de naam van ketters in alle eeuwen vervolgd? hebben haar schavotten, haar brandstapels, haar gerechtshoven, haar pijnbanken, haar martelende instrumenten, haar boetedoeningen geen stromen bloed vergoten? En in welke landen is nog heden ten dage de bedelarij op de straten en de armoede in de huizen en het getal onechte kinderen groter dan in de Katholieke landen? in welke landen zijn de meeste revoluties uitgebroken en burgeroorlogen en koningsmoorden? in welke landen is de grondregel gesteld en gehandhaafd: “het doel heiligt de middelen?” in welke landen wordt voor alle onzedelijkheden en misdaden goedkoper aflaat verkocht? Antwoord: in de Rooms-Katholieke! Ja, de geschiedenis van de wereld levert reeds langer dan duizend jaren het bewijs, dat de Roomse kerk als een zuurdeeg de mensheid doorzuurt en onsmakelijk gemaakt heeft. Van de andere zijde heeft echter ook het ongeloof in onze kerk en de dwalingen van de modernen, van de mannen van de verlichting evenals een zuurdeeg verderf gebracht over gehele tijden en geslachten. Vraagt toch eens alle onze dieven, dronkaards, hoereerders, echtbrekers, moordenaars, welk geloof zij hebben: het is het geloof van de modernen, zij zijn vrienden van de verlichting; het geloof van hen, die heden ten dage schaamteloos genoeg zijn, in openlijke volksvergaderingen, van dans, spel en dronkenschap te spreken, en voor matigheid en onthouding van geestrijke dranken te waarschuwen. Vraagt toch eens, wie heeft de kerken leeg gepreekt en de zondagsviering afgeschaft en uit de huizen de oude vroomheid en eenvoudigheid van de zeden, en eerlijkheid en trouw in handel en wandel verjaagd? – het is de dwaalleer van de ongelovigen en de mannen van verlichting. Vraagt toch eens aan de aanhangers van de nieuwe leer, voor wie zij nog vrezen en achting hebben? Voor God? – O nee! die is toch de lieve Vader van alle mensen. Voor de zonde? – O nee! die is toch slechts het onvolkomen, het wordende goed. Voor de dood? – O nee! de dood voert hen toch tot de zaligheid en moet hen zalig maken, omdat zij een rechtschapen leven geleid hebben. Voor het gericht? – Wie zou nu nog aan een toekomstig gericht geloven, daar is onze verlichte tijd lang boven verheven. Voor straffen? – Straffen zijn toch slechts de natuurlijke gevolgen van onze zonde, en die kan men door een weinig verstand gemakkelijk verhinderen. Voor de duivel? – Er is geen duivel, wie heeft hem gezien? Voor de ene of andere menselijke overheid, ouders, onderwijzers, overheden, koningen? – Die zijn toch even veel als wij, en wij als zij, wie zou ons nog iets te bevelen hebben? Vraagt eens uit welke boeken zij deze stellingen ontleend en gevormd hebben? Het is niet de Bijbel, daar zijn zij even weinig in thuis als op de maan; het zijn de romans uit de leesbibliotheken, de boeken, de schimpschriften tegen koning, vaderland en kerk, de liberale dagbladen vol leugen, bedrog, rovers- en liefdesgeschiedenissen. Deze boeken hebben hun het hoofd op hol gebracht en de hersenen verward, hebben hun het Christendom met zijn ernstige en goddelijke waarheden tot een verachtelijke spijs gemaakt, hebben hun ziel bevlekt en hun verbeeldingskracht en hun geweten in slecht gezelschap gevoerd, hebben de lust van het vlees, die in ieder mens van nature reeds sterk genoeg is, nog meer versterkt door allerlei prikkeling en verleiding, maar hen geheel van Christus afgetrokken door verdraaiing en lastering. Waarlijk bij de leer- en stelregels van de ongelovigen en de mannen van verlichting is het slecht gesteld met vrijheid en gehoorzaamheid, recht en onrecht, schuld en verdienste, loon en straf; bij hun dwalingen is eigenlijk geen sprake meer van geweten, noch van het volbrengen van hun geloften en eden; ja, men moest geheel voor hen terugschrikken en iedere gemeenschap met hen afbreken, wanneer zij zelf bij geluk niet meestal beter waren dan hun systeem.
Na de landing aan de noordoostelijke kust van het meer, reisde de Heere verder met de discipelen op weg naar de stad Bethsaïda-Julias Uit (2: 20 en Uit 4: 25), en heeft hen daar met betrekking op het vergeten van de voorraad brood en tegelijk op de gelijkenis van de rijke dwaas (Luk. 12: 13) aan zijn vroegere rede in de bergpredikatie (hoofdstuk 6: 25-34) herinnerd; waarom het hoofdstuk Luk. 12: 22-31 hier zijn plaats vindt. Toen Hij te Bethsaïda aangekomen was, verrichtte de Heere de genezing van de blinde (Mark. 8: 22-26); die genezing voerde Hem uit de plaats en deed Hem daarna niet daarin terugkeren, want Hij wilde gedurende het reeds aangebroken warme jaargetijde (van het midden van juni tot het midden van september), waarin Hij ook het vorig jaar Zich op Zijn reizen had opgehouden 9: 35) of in de stad zelf, of toch in haar omgeving, die tijd in stilte doorbrengen en Zich uitsluitend aan Zijn discipelen wijden. In deze tijd, waarin Jezus als in ballingschap leeft, maar nu ook de stichting van de nieuwe gemeente (voor de eerste maal in vs. 18 spreekt Hij van “Zijn gemeente”) voltooit, nemen wij de in Luk. 12: 32-53 meegedeelde rede van de Heere al Zijn discipelen, en hebben zo voor de samenstelling aan het slot van de vier evangelisten de volgende meer nauwkeurige rangschikking: Gelijkenis van de rijke korenbouwer. De Farizeeën en Sadduceeën vragen een teken, waarschuwing voor hun zuurdesem en vermaning om onbezorgd te zijn (Luk. 12: 13-21 MATTHEUS. 16: 1-12 en Mark. 8: 11-21 Luk. 12: 22-31). Genezing van een blinde bij Bethsaïda (Mark. 8: 22-26). Jezus versterkt Zijn discipelen in de eenzaamheid en bereidt hen voor op de dag van Zijn toekomst. De stichting van de nieuwe gemeente (Luk. 12: 32-53).
I. Vers 13-28KruisverwijzingenJohannes 11:27→1 Timotheüs 4:10→Mattheüs 27:54→Mattheüs 14:33→Galaten 1:16→Kolossenzen 1:18→Efeze 2:19→Mattheüs 18:18→
— Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben? En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Jeremia of een van de profeten. Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus. Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden. En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden.
13 Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesaréa Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des mensen, ben?
Zij gaven nu de Heere trouw bericht, wat zij daaromtrent zowel op hun Apostolische reis (hoofdstuk 10: 1-11: 1) als bij hun verder verkeer met het volk hadden vernomen. En zij zeiden: Sommigen zeggen, dat Gij Johannes de Doper zijt, die uit de dood is opgestaan (hoofdstuk 14: 12); en anderen, dat Gij Elias zijt, van wie de Schriftgeleerden zeggen op grond van Mal. 4: 5 , dat hij moet komen vóórdat de Messias komt (hoofdstuk 17: 10). En weer anderen zeggen, dat Gij de weer verschenen Jeremia 71: 21″) zijt, of een van de profeten, misschien Elisa.
De denkbeelden van het volk van Israël, dat toch hun profeten beter had kunnen en moeten verstaan, waren nog zeer verward. Ieder dacht iets anders van de Heere; trouwens de waarheid is één en de leugen is veelvuldig. En nu was dit bij Israël nog enigszins te verklaren; men was sinds 400 jaar zonder een openbaring van God geweest, en nu kwam God opnieuw tot hen met zulke grote dingen! Het was natuurlijk, dat hiermee aanvankelijk een chaos van gedachten ontstond, waarop de scheiding van licht en duisternis volgen moest. Maar hoe is het te verklaren, dat er nog na 1800 jaar op ditzelfde ogenblik bij zo velen de meest uiteenlopende en verwarde begrippen aangaande de Heere Jezus heersen? Het is alleen te verklaren door de macht van het ongeloof; want het ongeloof is een grote macht, een helse macht, maar juist hierdoor een begrensde macht; de hel is haar begin en zal ook haar einde zijn.
Hij zei tot hen: Maar gij, wie zegt gij, op wier mening het Mij thans vooral aankomt, dat Ik ben?
En Simon Petrus, die ook in Joh. 6: 18vv. de anderen in de goede belijdenis was voorgegaan, antwoordende, zei: Gij zijt de Christus, de Messias van Israël, waarvoor wij U van begin af aan hebben gehouden (Joh. 1: 41), de Zoon van de levende God, waarvoor wij U eerst langzamerhand, maar toch eindelijk met volkomen zekerheid hebben erkend (hoofdstuk 14: 33).
Volgens Markus 8: 27 sluit zich de voor ons liggende gebeurtenis, wat de plaats aangaat, aan het vroeger meegedeelde aan. Bethsaïda-Julias, noordoostelijk van de Galilese zee is het punt, waarvan Jezus met de discipelen uitgaat. Om die reden kon in Luk. 9: 18vv. de gebeurtenis zelfs worden aangesloten aan de geschiedenis van de spijziging van der vijfduizend, omdat die eveneens in de woestijn zuidelijk van die stad had plaatsgehad, hoewel volgens onze berekening nu reeds sinds die tijd vijf maanden waren verlopen. Wat de tijd aangaat moet werkelijk een tussenruimte tussen beide gebeurtenissen geplaatst en die niet naar het voorafgaande maar naar het volgende berekend worden. Het gebeurde, in hoofdstuk 17: 24vv. meegedeeld, omtrent de didrachmen, geeft nu aanleiding om die vast te stellen. Wij moeten, zoals meestal door de nieuwere uitleggers gebeurt, die didrachmen verstaan van de Joodse tempelschatting, die ten tijde van het paasfeest moest worden geïnd. De vraag van de heffers van die belasting geeft echter duidelijk te kennen, dat Jezus daarmee achterstallig is gebleven en reeds het einde van september gekomen is. Omstreeks in het midden van deze maand zou dan het vertrek van Jezus van Bethsaïda en Zijn reis naar de vlekken en dorpen, die tot het gebied van Caesarea-Filippi behoorden, te verplaatsen zijn. In een van die dorpen had Hij de nacht in gebed doorgebracht (Luk. 9: 18); voordat Hij de volgende morgen verder trekt, richt Hij de bovengenoemde vraag tot de discipelen. Naar de voorstelling van Markus en Lukas wordt er alleen gehandeld over de Messianiteit van Christus: de Heere wil Zich overtuigen, of zij, die zich van het begin af in het geloof dat Hij de Messias, de Koning van Israël is, bij Hem hebben aangesloten (Joh. 1: 41, 45, 49), dit geloof hebben bewaard. Hij wil weten of zij dit deden niettegenstaande de vele volksvoorstellingen, die het over het algemeen niet verder gebracht hebben, dan alleen tot een voorloper van de Messias, tot een weeropgestane Profeet uit de oude tijden, of ook, wanneer zij al over iets hogers dachten (hoofdstuk 12: 23), ten gevolge van de tegenwerking van de Farizeeën weer in die lagere stand teruggezonken zijn, en of zij niettegenstaande de ergernis, dat de oversten Hem verworpen en in de ballingschap gedaan hebben, nog vast en onbeweeglijk het ware geloof in zich dragen. De tijd zou toch komen, dat dit geloof nog een heviger stoot zou moeten verduren, de tijd van Zijn lijden en sterven, en om die stoot te kunnen verdragen, moet hun geloof diepgegrond zijn, moeten zij eens plechtig door één uit hun midden als vertegenwoordiger van hen allen hun belijdenis gedaan hebben. Reeds met de belijdenis: “Gij zijt de Christus Gods, ” scheidden zij zich af van het overige volk, en traden zij als een eigen zelfstandige gemeente uit het volk op. De gemeente van het Nieuwe tegenover die van het Oude Testament, die zich in de tijd van de bergrede een jaar geleden in de keuze van de twaalven eerst een weg baande en voorbereidde, was thans, wat de oorsprong betreft, gegrondvest en gewonnen; en wij verstaan volkomen uit het gewicht van het ogenblik, waarom de Heere, evenals vóór die andere keuze (Luk. 6: 12), de nacht te voren in het gebed tot God doorgebracht heeft. Wij kunnen ook wel zeggen: reeds met deze belijdenis: “Gij zijt de Christus” heeft de gemeente van het Nieuwe Testament, de Christelijke kerk, zich dadelijk bij haar eerste optreden als een wezenlijk protestantse gekenmerkt; want als Protestant, tegenover alle miskenning van Christus in de Joodse gemeente, heeft Petrus zijn belijdenis gedaan. Bij Mattheüs daarentegen is er sprake van nog meer dan alleen van de Messianiteit van Jezus, nog van een diepere erkentenis van Zijn persoon en van een gehele scheiding van het door de Farizeeën en Schriftgeleerden beheerste Israël. Want terwijl de Heere daar niet alleen vraagt, evenals bij de beide andere evangelisten: “wie zeggen de mensen, dat Ik ben?” maar Zich dadelijk als “des mensen Zoon” kenmerkt, heeft Hij de bekentenis van Hem als van de ware Messias, alsof dit voor de discipelen vanzelf sprak en van hun zijde in het geheel niet meer twijfelachtig kon zijn, eigenlijk reeds lang geleden genomen. Hij dringt hen daardoor nog op een veel hoger standpunt, waarop zij zich nu moeten plaatsen. Zoals namelijk bij hoofdstuk 14: 33 uit elkaar gezet is, was de verwachte Messias voor de Joden van die tijd geenszins ook de Zoon van God in metafysische of bovennatuurlijke zin, God uit God, licht uit licht, waarachtig God uit waarachtig God, één wezen met de Vader. Zo dikwijls Jezus Zich daarvoor verklaart, beschouwen de Joden dit als godslastering, niet alleen, omdat Hij voor Zijn persoon daartoe geen recht heeft, maar omdat het voor Hem en voor ieder, zelfs voor de Messias, een godslastering is, zich in deze zin Gods Zoon te noemen; en ook diegenen, die Hem reeds erkend hebben als de Profeet, die in de wereld komen zou, en Hem reeds als Koning van Israël hebben willen uitroepen, zeggen hetzelfde, (Joh. 6: 14, 41vv. ; 10: 33vv. ; 19: 7vv. ). Bij het wandelen van Jezus op de zee is de discipelen voor de eerste maal de bekentenis ontsnapt: “Gij zijt waarlijk Gods Zoon. ” Daarbij heeft Petrus het reeds in Joh. 6: 68vv. niet laten blijven; maar hij heeft de nieuwe geloofsbelijdenis vastgesteld en geformuleerd. Hij heeft die van een vluchtige tot een vaste, van een die door de overweldigende macht van de ogenblikkelijke indruk in de mond gelegd was, gemaakt tot een, die in bepaalde woorden van de innerlijke overtuiging was neergelegd. In plaats van de oorspronkelijke formule, die slechts een ethisch of ambtelijk zoonschap van God bevatte en het beperkte Joodse Messiasbegrip niet buitensloot (Joh. 1: 49), “Gij zijt de Zoon van God, de Koning van Israël, ” zette hij een andere, die het ontologische of wezenlijke zoonschap van God uitsprak, en zich hoog boven het gewone Joodse Messiasgeloof verhief: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. ” Wij geloven te mogen aannemen, dat de Heere bij Zijn vraag: “Wie zegt gij dat Ik ben?” bedoeld heeft niet alleen het ene: “Gij zijt de Christus, ” maar ook het andere: “de Zoon van de levende God. ” Hij wil zien of de discipelen zich in ieder opzicht en wezenlijk van de Joodse Synagoge hebben losgemaakt, en tot een bijzondere, nieuwe gemeente hebben aaneengesloten. Wij geloven verder, op grond van het verschil van de berichten bij Markus en Lukas aan de ene en bij Mattheüs aan de andere zijde, te mogen aannemen, dat de overige discipelen alleen het “Ik” in de vraag van de Heere hebben opgemerkt, en het “de Zoon des mensen” hebben voorbijgezien, en zich daarom met het “Gij zijt de Christus” bij hun antwoord hebben vergenoegd. Zo was de scheiding slechts naar ene zijde voltooid, terwijl zij die toch naar de andere zijde in het hart lieten verborgen blijven. Zij verstonden niet de betekenis van het ogenblik in de gehele omvang. Petrus alleen, door een bijzondere aandrang van de Heilige Geest geleid, begreep die in de gehele diepte, en volbracht de scheiding van de nieuwtestamentische gemeente van het Joodse volksgeloof grondig en naar alle zijden! Zo wordt het duidelijk, waarom de Heere, voordat Hij Zich in vs. 20vv. tot de discipelen wendt, te voren in vs. 17-19 een woord tot Simon Petrus richt, waarmee Hij hem in zeker opzicht aan het hoofd van de overigen stelt. Ware de leugen van het pausdom zo oppervlakkig en openlijk, dat zij reeds in haar Bijbelse grond omtrent het primaat van Petrus ongelijk had, hetgeen de gewone mening van de Protestanten is, zo zou zij waarlijk niet tot zo’n macht zijn gekomen, dat de gehele geschiedenis van het Christendom zich om haar draait. Daarin ligt echter het infernale (onderaardse of helse) geheim van Rome en van het pausdom, dat het een volle Bijbelse waarheid met de schijn van rechtmatigheid heeft gestolen. ” Wij zullen daarover nog later en meer moeten spreken, en tevens moeten aanwijzen, van waar het komt, dat wel Mattheüs deze woorden omtrent Petrus meedeelt, maar Lukas en Markus gezwegen hebben. Voor het ogenblik roept ons nog iets anders, namelijk een nadere verklaring van de uitdrukking, waarmee de Heere Zichzelf noemt: “de Zoon des mensen, ” waarvoor wij slechts een voorlopige verklaring met de woorden van een andere uitlegger hebben gegeven (Uit 8: 20). De naam van Jezus’ persoon: “de Zoon des mensen” wordt het meest door Hem voor Zichzelf gebruikt en komt meer dan 80 maal in het Nieuwe Testament voor, meer dan 30 maal bij Mattheüs en 11 maal bij Johannes; na het aftrekken van de paralelle plaatsen blijven er nog 55 maal over voor gebruik door de Heer zelf. Die naam is zowel wat oorsprong als wezen aangaat apocalyptisch 7: 1) d. i. hij is het eerst door de Apocalypticus van het Oude Testament Daniël (7: 13vv. ) gebruikt en dient om het wezen van Hem, die bedoeld wordt, voor onvatbare gemoederen te verbergen en voor de dieper zienden te openbaren. De Joden waren gewend hun Messias als Zoon van David voor te stellen (hoofdstuk 9: 27; 12: 23; 15: 22; 20: 30vv. ; 21: 9; 22: 42). Die omschrijving kon echter de Heere om meer dan een reden niet gebruiken, en wel daarom, omdat zij te duidelijk, te verstaanbaar voor allen was, moest Hij die verwijden, wanneer Hij innerlijk door Zijn woorden en werken en door voortgaande verlichting van de Geest de mensen tot erkentenis van Zijn Messianiteit wilde leiden en van hun ziekelijke, fantastische Messiasverwachtingen wilde genezen. Hij koos daarom een andere, die door haar verwantschap met de eerste geschikt was, in de plaats van de laatste te treden, en in vatbare harten, die met een fijn oor hoorden, hetzelfde teweeg te brengen, zodat zij niet lang in twijfel konden zijn, of Hij verklaarde Zich bepaald en ondubbelzinnig voor de Messias (Joh. 1: 51; 3: 14). Toch kwam die naam door zijn nieuwheid aan de grote, vleselijk gezinde menigte zo vreemd en onverstaanbaar voor, dat zij niet wisten, wat zij daarmee eigenlijk moesten beginnen. Zij merkten wel op, wat die moest te kennen geven, maar werden tevens gewaar, dat Hij, die Zich hun als Messias voorstelde, niets te maken had met hun nietige Messias-gedachten. Hij verklaarde Zich voor een geheel andere, die zij met hun begrip niet konden bereiken (Joh. 12: 34). Is deze de dienst, die de spreekwijze “Zoon des mensen” als omschrijving voor de Messias van Israël geeft, zo is haar mening en bedoeling daarmee toch geenszins uitgeput. De Heere treedt daarmee uit de kring van een particularistisch beperkte Messias, van de Davids Zoon, en stelt Zich in betrekking tot het gehele menselijk geslacht en tot God als Zijn Vader in de hemel. Reeds in Dan. 7: 13vv. opent zich, zoals wij daar hebben opgemerkt, een universele horizon. Hij, die komen zal, verschijnt niet meer alleen als Israëlietisch Koning, maar als wereldbeheerser. De profetie verbindt zich met het eerste Evangelie in Gen. 3: 15 van het zaad van de Vrouw. Weer staat de gehele mensheid, als vóór Israëls verkiezing, in het gezicht van de openbaring. Onmiskenbaar staat dan ook de uitdrukking “Zoon des mensen” in verband met die “zaad van de vrouw. ” De Heere toch kon, wanneer Hij Zich als degene wilde aanwijzen, in wie de belofte, aan de stamouders gegeven, vervuld werd, de laatste uitdrukking niet als naam bezigen. Hij wilde de andere “Davids Zoon” niet gebruiken als omschrijving voor Hem, die de Messiasverwachting van Israël tot vervulling zou brengen, om niet aan valse verwachtingen voedsel te geven. Hij koos dus een naam van gelijke betekenis, die zowel Zijn volkomen gelijkheid met ons als Zijn absolute verhevenheid boven alle mensen uitdrukt. Beide toch zijn in die uitdrukking vervat, zoals blijkt uit de daarbij gegeven verklaring. De Franse theoloog Godet schrijft: “In algemene zin betekent de uitdrukking: “Zoon des mensen” een spruit van het menselijk geslacht, zoals in Ps. 8: 5 gezegd wordt: “wat is de mens dat Gij zijner gedenkt en het kind (de Zoon) des mensen, dat Gij hem acht?” Jezus wilde dus, omdat Hij die naam koos, ons Zijn volkomen gelijkheid met ons doen zien. Wat mens heet, mag bij het horen van die titel zeggen: dat is mijn broeder, mijn plaatsbekleder; dat ben ik zelf, zoals ik had kunnen zijn, zoals ik moest zijn, zoals ik nog heden in Hem kan worden. Maar omdat Hij het artikel voor “Zoon” plaatste: “de Zoon des mensen” stelt Hij duidelijk naast die genoemde gelijkheid Zijn absolute verhevenheid vast. Hij schrijft Zichzelf daardoor onder het geslacht, tot welks medelid Hij Zich gemaakt heeft, een bijzondere plaats toe. Hij verklaart Zich niet slechts voor een mens, voor een waarachtige mens, maar voor de spruit van het menselijk geslacht in de hoogste zin, voor de verwachte, voorafgeziene, moreel-noodzakelijke mens, de normale vertegenwoordiger van de oorspronkelijke mens. Evenals nu de uitdrukking, zo opgevat, inderdaad een zinspeling bevat op de oorspronkelijke belofte, dat door het “zaad van de vrouw” God de volkomen overwinning zal behalen over de doodvijand van ons geslacht, dat wordt des te meer gevoeld, wanneer men zich herinnert, dat in de formule: “de Zoon des mensen” (want ook het woord “mens” heeft het artikel bij zich) de mens niet een individu, een enkel persoon aanwijst, maar het geslacht van de mensen zelf. Plaatst Zich alzo de Heere in verband tot de gehele mensheid, en verklaart Hij Zichzelf voor beide, voor haar spruit en voor haar kroon, voor haar gelijke en voor haar ideaal, zo spreekt Hij daardoor ook Zijn betrekking tot de Vader uit; waar de Heere die omschrijving voor het eerst van Zich gebruikt, namelijk in Joh. 1: 47vv. staat die onmiskenbaar in verband met de titel “Gods Zoon, ” die Nathanaël Hem zo-even heeft gegeven. Zij verklaart die, om valse voorstellingen weg te nemen, die Nathanaël nog daarmee verbindt, en leidt de discipelen tot een voelen van Zijn eenheid met de Vader. Hij, de Heere, was vroeger nog tevreden met het geloof, dat in Hem de hoogste van alle mannen van God, de grootsten van alle profeten erkende, al is het ook dat het Hem, slechts wat de rang en niet wat het wezen aangaat, boven de overige mannen van God of profeten verheft, en alleen weet van een Messias in de zin van het Joodse volksgeloof. Nathanaël zal echter, nadat hij met dit nog onvolkomen, onverhelderd geloof tot het navolgen van de Zoon des mensen gekomen is, bij dat volgen ervaren, dat hetgeen bij anderen, die in de Schrift als “mensenkind” worden aangesproken (Dan. 8: 17 Ezechiël. 2: 1), slechts tijdelijk, op buitengewone en bovennatuurlijke wijze heeft plaatsgehad, namelijk het verkeer van de hemel met hen, en van hen met de hemel, bij deze “Mensenzoon” het dagelijkse, blijvende, eigenaardige is. Hij zal ervaren dat het gezicht van de aartsvader Jakob, van de ladder naar de hemel) metterdaad verwezenlijkt zal worden. Hij zal de Mensenzoon leren kennen als een, wiens betrekking tot de hemel die is van een mens, die God dient, in heilige gehoorzaamheid voor God leeft, tot God bidt, en wie nu weer de geesten van de hemel en de krachten van de hemel als de dienaren van Zijn vaderhuis en als Zijn eigen krachten ten dienste staan. Zo zal hij de volheid van de Godheid, die in deze mens woont, leren kennen, en de Mensenzoon nog in geheel andere zin als Gods Zoon leren begrijpen, dan waarin hij Hem nu zo genoemd heeft. Tot op de tijd, waarbij wij met de voor ons liggende geschiedenis staan, kon het doel, waarmee de Heere toen tot Nathanaël sprak, bij de laatste zowel als bij de overige discipelen bereikt zijn. Om nu duidelijk te maken, dat het werkelijk bereikt was aan het begin van de tegenwoordige nieuwe periode, nu de Heere Zich op Zijn lijdens- en stervensweg voorbereidt, richt Hij tot de discipelen de vraag: “Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben?” Het “des Mensenzoon” komt in de eerste plaats enkel voor als een omschrijving voor “Ik” en als zodanig komt het voor bij de beide andere Evangelisten, omdat de discipelen die uitdrukking ook werkelijk zo hebben opgevat. Als nu bij de tweede vraag: “Wie zegt gij, dat Ik ben?” Jezus in de plaats van die titel “Ik” zet, ontvouwt Petrus met Zijn antwoord de inhoud van het zelfbewustzijn van Zijn Meester eerst naar die zijde, volgens welke Hij de Christus van God is, de van God beloofde en nu ook werkelijk is de wereld gezonden Heiland en Koning van Israël. Daarmee voldoet hij aan de behoefte, zoverre die ook bij de andere discipelen zich verheft. Hij zelf wordt echter gedrongen nog meer te zeggen, en zo ontvouwt hij de inhoud van het zelfbewustzijn van Jezus tevens naar de andere zijde, die hij bij Zijn wandelen op de zee (hoofdstuk 14: 28vv. -men merke op, dat ook deze geschiedenis alleen door Mattheüs bericht wordt!) het diepst is gewaar geworden: “de Zoon van de levende God. ” Naar die stand van zaken zullen wij het voor geheel rechtmatig erkennen, wanneer de Heere van Zijn zijde Petrus een voorrang in de apostelkring toezegt.
Het antwoord van Petrus is kort en goed. Hij antwoordt niet als iemand, die het niet weet en naar woorden zoekt, maar als iemand, die het weet, en met een woord alles zeggen kan. Hij snijdt al de uiteenlopende meningen van de menigte bij de wortel af. Jezus is de Christus, de Messias, de Gezalfde met de Heilige, de Zaligmaker van de zondaren, de Zoon van God; -daarmee was alles gezegd, en op wat een eenvoudige wijze! Petrus is met deze belijdenis de voorganger van allen, die geloven; zijn belijdenis is de belijdenis van allen, die zalig worden. En omdat zijn belijdenis zaligmakend is, verheugt de Heere Zich erover, Hij, die als de Zaligmaker geen andere zaligheid kent, dan onze zaligheid. Op dat juiste antwoord komt het dus aan. Wie als Petrus door de Heere zalig gesproken wil worden, die belijde de Heere zoals Petrus Hem beleed. Maar hoe wist nu Petrus het beter dan al het volk? De Heere zegt het.
De verscheidenheid van de gevoelens bij de menigte van het volk heeft Simon Petrus niet verbijsterd; het eenparig ongeloof van de geleerden, de aanzienlijken, de naar de algemene maatstaf godsdienstigen in Israël ontzet hem niet, noch verleidt hem tot een noodlottige bescheidenheid. Het bedenkelijk niet weten van duizend twijfelaars kan in zijn hart het gewisse weten van het geloof geenszins teniet doen of schokken, Hij wacht niet of ook en totdat een van zijn medediscipelen, de oprechte Nathanaël, de diepdenkende Thomas, de lieve Johannes, het woord zal opvatten. Hij ziet geen van hen naar de ogen voordat hij spreekt, om uit hun blikken moed te scheppen voor het antwoord, dat hij geven zal. De vraag aan allen gedaan, acht hij zich gedaan. Hij heeft een antwoord, en hij geeft het, hij spreekt het uit; niet zichzelf voorbijlopende in ijver, niet in geestvervoering meer zeggende dan hij voelt. Simon Petrus antwoordende zei: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. Hij zegt niet: ik meen, ik acht, ik hoop; zelfs niet; ik zeg dat Gij zijt, maar: Gij zijt. Mijn lezer! op de vraag van Jezus wens ik u het antwoord te geven van Petrus, of juister: wens ik dat gij mag antwoorden op de wijze, waarop hij geantwoord heeft. Op de vraag van Jezus: Gij, wie zegt gij dat Ik ben? zou het antwoord van Petrus, wat zijn inhoud betreft, thans voor u onvoldoende zijn. Gij kunt meer zeggen; want meer dan Petrus zei is sindsdien geopenbaard, erkend, beleden, verkondigd. – Hij zelf heeft het Thomas met aanbidding van hart leren uitspreken, wat hier, als in de diepte van zijn gemoed, zo ook ingewikkeld, in zijn veelbetekende woorden kiemde. Gij moet meer zeggen: want ook dat meerdere heeft onder de mensen verscheidenheid van gevoel uitgelokt en zijn bestrijders gevonden. Gij, wie zegt gij dat Ik ben? Waarde lezer! ik wens dat gij als antwoord op deze vraag met de kerk van de apostelen en de kerken van de Hervorming, dat gij met de wel bestreden maar nog niet verscheurde belijdenis van de Nederlandse Hervormde kerk, de Zoon des mensen zult belijden als de Zoon van de levende God, als het Woord dat in den beginne was, dat bij God was, dat God was; God boven al te prijzen in der eeuwigheid. Maar bovenal wens ik, dat gij dat antwoord geven moogt zoals Petrus het zijne; als uw eigen antwoord, als het antwoord van uw diepste overtuiging, uw innigste ervaring; en daarom graag, en daarom nadrukkelijk, en daarom zonder schromen of vertoning van valse nederigheid; en daarom ten aanhoren van uw mede-christenen zowel als met diepe eerbied en nederige aanbidding voor het aangezicht van Hem, die u vraagt: Gij, wie zegt gij dat Ik ben?
En Jezus, in de eerste plaats antwoordende op dit tweede deel van zijn belijdenis, vóórdat Hij in vs. 20 Zich tot de discipelen in het algemeen wendde, zei tot hem: Zalig zijt gij te prijzen als een, met wie het Goddelijk raadsbesluit opzettelijk iets bijzonders voor heeft, Simon, Bar-Jona! (zoon van Jona of van Johannes (Joh. 21: 17vv. )! want vlees en bloed, zoals gij dat van uw menselijke vader hebt ontvangen, uw natuurlijke kracht en aanleg, heeft u dat, wat gij zo-even beleden hebt, niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is, door de werking van Zijn Geest, waarmee Hij Zich in u op bijzondere wijze wilde verheerlijken en u zo spoedig en zo zeker in alle waarheid wilde leiden (hoofdstuk 11: 27).
a) En zoals gij gezegd hebt, wie Ik ben, zo zeg Ik u nu ook dat gij zijt degene, waarvoor Ik u dadelijk bij uw roeping heb verklaard (Joh. 1: 42 Mark. 3: 16) namelijk Kefas, d. i. Petrus. Gij zijt een rots, of een man, wie in zijn vaste beslistheid, in de onwankelbaarheid, waarmee hij zich van het geloof niet laat scheiden, een rotsennatuur bezit. En op b) deze petra, op u, niet zozeer op uw persoon als zodanig, maar op die rotsennatuur, die zo duidelijk en bepaald in u is gebleken, zal Ik Mijn gemeente bouwen. Gij zult de eerste steen in het fundament van de apostelen zijn, die naast Mij, de hoeksteen (Efe. 2: 20) het gebouw draagt. En de c) poorten van de hel (Job 7: 9 en “1Ki 1: 35”), hoe wijd zij zich openen om Mijndoor het rijk van de duisternis vervolgde gemeente als het ware te verslinden en te doen ondergaan, zullen haar niet overweldigen. Alle machten van de dood en de duivel en zijn werktuigen, hoe ze ook Mijn gemeente op alle wijzen aangrijpen en met alle macht en list ze proberen te vernietigen, zullen toch niet verhinderen, dat het bouwen gelukkig voortgaat en zij tot aan het einde der wereld bestaat.
Ps. 118: 22 Joh. 1: 43 b)Jes. 28: 16; 1 Kor. 3: 11 c) Jes. 33: 20
Op welke plaats van het heilige land zou dit profetisch woord van goddelijke almacht, zoals wij het in vs. 17vv. lezen, treffender hebben kunnen uitgesproken worden, dan onmiddellijk onder de hemelhoge rotsen van de Hermon, op de onbewegelijke gronden waarvan die landstreken van paradijsachtige schoonheid bij de stad Caesarea-Filippi bloeien, en waarin
zich een top omhoog verheft, die onveranderd en onbewegelijk neerziet op het leven van de aarde en de wisseling van de mensen in de loop der eeuwen en duizenden van jaren!
Een rots is het beeld van vastheid, en wel in dubbel opzicht; gedeeltelijk omdat zij vaststaat, gedeeltelijk omdat zij vast steunt: het ene evenals het andere roemt Jezus in Petrus, om het ene zowel als om het andere noemt Hij hem een rots.
Toen Jezus dadelijk bij de eerste begroeting aan Simon bijnaam van Petrus gaf (Joh. 1: 42) hadden de discipelen Jezus als de Messias erkend op het woord van Johannes de Doper en gedragen door de jeugdige en frisse hoop, dat hun gehele volk Hem spoedig jubelend zou erkennen. De belijdenis echter, die Petrus nu aflegt, heeft een geheel andere waarde; het is een belijdenis, waarbij hem het vlees en bloed van zijn afkomst en van zijn volk in het geheel geen hulp geeft, waarin hij zich verlaten ziet van de sympathie van zijn tijd; een belijdenis op gevaar af uit het volk vervallen verklaard en met Christus verbannen te worden; een woord uitgesproken door de goddelijke kracht van de Heilige Geest. En terwijl de geestdrift de belijder thans niet begunstigde, was zijn belijdenis rijker dan ooit. “Gij zijt de Christus, ” dat had hij ook vroeger gezegd, maar de woorden: “Gij zijt de Zoon van de levende God, ” had hij nooit (ook niet in Joh. 6: 69) met die uitdrukking, in die volheid van erkentenis gesproken. Hij zag het afschijnsel van de levende God, die de gehele wereld vervult, het evenbeeld van de Godheid in Jezus lichamelijk voor zich staan, hoewel deze als Mensenzoon thans meer op een arme vluchteling dan op de Messiaanse Koning geleek; Hij verhief zich met die erkentenis zeer beslist boven de Joodse opvatting van de Messias.
Bij al het verwarde, dat de mensen zeggen, is Petrus niet op een dwaalspoor gebracht, maar hij is slechts meer beslist en zeker geworden. Hij antwoordt daarom niet, zoals de vraag gesteld was met een: “Ik zeg, wij zeggen, ” maar rond en open klinkt het vertrouwen van zijn woorden: “Gij zijt het, ” Het woord, nog bij “Christus” gevoegd: “Zoon van God, ” is niet slechts een andere uitdrukking van gelijke betekenis, maar de tweede uitdrukking van een diepere erkentenis. Hij belijdt de Mensenzoon als Zoon van God, zoals hij de Christus tegenover de Doper, Elias en de profeet stelt. Hij versterkt eindelijk nog de uitdrukking, omdat Hij zegt: van de “levende” God, wat hier niet slechts een ereformule kan zijn, noch zoals eerder in het Oude Testament slechts een tegenstelling tegen de valse goden. Het dringt daarentegen reeds in de diepten in van de getuigenis in Joh. 6: 57 Hij vindt in de Mensenzoon Jezus de aan Israël beloofde Christus, de filosofie van het geloof erkent, omdat zij het woord goed leest, hoort, verneemt en verstaat, in deze Christus aanstonds de Zoon van de levende God.
Door het woord “gij zijt Petrus” is uitgesproken, dat Simon in de golven van de verzoeking, die tegen het geloof van de verzoeking aansloegen, ongeschokt is gebleven. Zijn belijdenis: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God” was dus geenszins het eerst ontwaken van zijn geloof (Joh. 6: 69), maar dit was groot, dat Simon in de moeilijke crisis, die sinds enige tijd omtrent de zaak van Christus was begonnen, de vreugde van Zijn geloof aan Jezus’ Messianiteit geen schipbreuk liet lijden. Niet alleen de verstandigen van Chorazin, Bethsaïda en Kapérnaüm waren koud gebleven, ook de geestdrift van de volksmenigte was verkoeld. Eenzaam wandelde Jezus rond, terwijl het lot van de Doper ook Hem bedreigde. Te allen tijde heeft de bijval en het afkeren van de menigte voor het menselijk hart iets indrukwekkends. Wie voelt het niet uit het woord in hfdst. 15: 12 , hoe bang het de discipelen met het oog op de Farizeën begon te worden? Ook dat zij van hun huiselijk leven hadden moeten scheiden, om het zwervende leven van Jezus te delen, is hun zeker niet gemakkelijk geweest. Verscheidene maanden later geeft zich bij Petrus de smart nog lucht (hoofdstuk 17: 27). Vroeger hadden de discipelen vaste grond onder de voeten, thans niet meer. Dat was het wat Jezus vooruit zag, toen Hij na de spijziging over de zee tot de discipelen wandelde. Zij moesten erkennen, dat ook voor Hem de watergolven tot een straat werden. Simon heeft het erkend. Wat hij daar ondervond, toen hij tot Jezus uit het schip was gegaan (hoofdstuk 14: 30vv. ), bleef voor hem niet vruchteloos. Deze onwrikbaarheid van zijn geloof in die zware tijd is de reden, waarom Jezus Zich zo hartelijk verheugt over zijn belijdenis. Wat hij 2 ½ jaar te voren bij de eerste ontmoeting tot hem gezegd heeft, als Hij zijn geestelijke aard op het aangezicht las: “gij zult Céfas heten” kon hij thans, na Simons bevestiging weer herhalen, Hij kan het veranderen in: “gij zijt Petrus.”
Gij zijt juist nu voor Mij, wat gij in de gehele toekomst van uw Apostelambt steeds meer moet worden, en waarom gij sinds lang door Mij Petrus genoemd zijt, namelijk een vast en blij belijder, op wiens belijdenis en geloof iets kan worden gebouwd, een geschikte fundament-steen voor het Godsgebouw op aarde, evenals de oude tempel op een rotsgrond staat. Dat dit thans niet alleen in naam van alle apostelen tot Petrus gezegd is, maar een zekere voorrang van zijn persoon te kennen geeft, had men van de zijde van de Protestanten nooit kunstig moeten loochenen; want de zin van de naamgeving en roeping ligt toch zeker in niets anders, dan dat voor deze Simon, die naam zo juist past. “En op deze Petra, ” dat doelt onweersprekelijk op de persoon van Petrus. “Deze rots, ” dat kan net zo min de kracht hebben, om het geloof en de belijdenis van Petrus van zijn persoon los te rukken, als men gerechtigd is de belofte op de persoon van Petrus, afgezien van zijn geloof, toe te passen. Ook worden in het gehele spraakgebruik van het Nieuwe Testament niet leerstellingen, belijdenissen, gezindheden, maar alleen mensen, personen als pilaren en zuilen van het gebouw aangewezen (vgl. 1 Petrus . 2: 5). Zo behoudt Simon de voorrang van zijn roeping, en de plaats in de apostelkring, die hem hier duidelijk wordt aangewezen, reeds zegerijk heenziende over de daartussen liggende verloochening. “Op u, als degene, die Ik wil maken tot de eerste belijder, verkondiger en hoofdapostel van Israël (Hand. 1: 15; 2: 14 Mark. 16: 7) en zelfs van de heidenen” (Hand. 10: 15). Nu zeggen wij ook verder met gelijk recht: Petrus is de eerste en voornaamste fundamentsteen, maar 1) niet in zijn menselijke natuur als Simon Jona, maar als Petrus; 2) niet alleen, maar met de andere apostelen; 3) eindelijk niet zelf, wat nooit een mens mag zijn, de eigenlijke grond en rots in diepere zin. Zodra vlees en bloed weer wil spreken, wordt hij als satan afgewezen (vs. 22vv. ); ook Johannes en Jakobus zijn met hem pilaren (Gal. 2: 9), en op de twaalf fundamenten (Openbaring . 21: 14) staan twaalf namen zonder onderscheid, zoals in hoofdstuk 19: 28 eveneens twaalf tronen zijn beloofd. Eindelijk, waarop zou dan weer Petrus, die toch niet in zichzelf vaststaat, gebouwd zijn, wanneer het niet ware op de enige door God gestelde fundament- en hoeksteen? De Heere heeft bepaald gezegd: “op u zal Ik bouwen” niet “grondvesten, ” Een mens kan de eerste bouwsteen op Gods fondament zijn, en in zo verre zelf een fundament, meer niets. Evenals op een prediker of zendeling, wiens natuurlijke eigenaardigheid en nieuwe scherping tezamen daartoe verordend is, een afdeling van de gemeente van Christus gebouwd wordt, zo is ook op het Apostolische werken van Petrus in den beginne de gehele gemeente gebouwd. Maar deze fundamentsteen is daarom verder geen hoofd, geen vorst en heerser over de anderen, of over het gehele huis, want op zijn dienen (1 Kor. 3: 5) wordt gebouwd, niet op zijn bevelen, zoals dan ook in de Evangeliën, de Handelingen der Apostelen en het gehele Nieuwe Testament geen spoor van zo’n heerschappij, maar wel het tegendeel (Gal. 2: 11vv. ) gevonden wordt.
In Efe. 2: 20 wordt uitdrukkelijk gezegd, dat de kerk op het fundament van de apostelen gebouwd is. Nu belooft de Heere aan Petrus: Ik zal u tot een eerste fundamentsteen leggen: Ik zal u verwaardigen, dat gij na de uitstorting van de Heilige Geest door de eerste prediking het fundament zult leggen van de kerk van het Nieuwe Testament onder de Joden, en door de prediking in het huis van Cornelius onder de heidenen. De voorrang heeft Petrus gehad; omdat hij vóór al de andere discipelen zijn belijdenis aflegde heeft hij dit primaat als tot erkenning daarvan verkregen. Dat men dit echter in het pausdom daartoe wil brengen, dat Petrus het hoofd van de apostelen, ja van de gehele kerk geweest is, is vals. Christus bestrafte toch zulke gedachten, wie de voornaamste onder hen zou zijn, en wat in vs. 19 van Petrus staat, wordt in hoofdstuk 18: 18 Joh. 20: 23 ook omtrent de andere apostelen gezegd, die daarom in 2 Kor. 11: 5; 12: 11 Gal. 2: 6, 9 allen worden gelijk gesteld. Ja, in het concilie (Hand. 15: 13, 19) deed Jakobus en niet Petrus de uitspraak. Hij wordt ook in Gal. 2: 9 na Jakobus geplaatst en in vs. 11, 14 door Paulus bestraft. Hij was tevreden een ouderling (1 Petrus . 5: 1) en niet de vorst van de apostelen te heten. Hoe zal men bovendien ook maar met de geringste schijn van recht bewijzen, dat de paus te Rome Zijn opvolger is volgens goddelijk recht, omdat de monarchische en wereldgelijkvormige macht, die de paus zich aanmatigt, hemelsbreed verschilt van het geestelijk apostolaat en de nederige gedaante van Petrus. Dat Petrus in het jaar 42 n. Chr. naar Rome is gekomen, en 25 jaar op de pauselijke stoel gezeten heeft, hebben de voornaamste Katholieke geleerden zelf geloochend.
Vraagt men wat het zegt, dat Hij Zijn gemeente op deze Petra zou stichten, wij vinden geen enkel spoor of in het verband van de rede of in het spraakgebruik van het Nieuwe Verbond, dat daarbij aan een door Petrus afgelegde belijdenis op zichzelf gedacht worden moet. Terwijl deze verklaring schijnt uitgedacht om de Roomse opvatting en toepassing van deze plaats langs uitlegkundige weg te bestrijden, schijnt het ons toe, dat zowel de voorafgegane zaligspreking als de verbinding van de woorden ons leidt, om aan de persoon van Petrus te denken; niet op zichzelf natuurlijk, maar zover hij Christus geloofde en beleed. Week hij af van dit laatste, dan was hij niet de Rots, die tot een grondslag verstrekken, maar de satan, die achter Jezus moest gaan.
De hel is het rijk van de dood, dat wel met het rijk van de duivel samenhangt, maar toch uitgestrekter betekenis heeft. Zij is hier gedacht als een burcht met poorten, en deze poorten gedragen zich in zo verre aanvallenderwijze, dat zij zich als een gapende afgrond van de dood hebben geopend, om eerst de Christus, dan Zijn Petrus, de apostelen, de gemeente door de marteldood te verslinden. Het heeft zeker de schijn alsof de gemeente van Christus een roof zal worden van de wijd geopende Hades; maar de poorten van de hel zullen niet overwinnen, zij zullen overmocht worden, Christus zal in Zijn gemeente het rijk van de dood overwinnen en teniet doen.
Wil men, zoals de gewone uitleg doet, de hel in afgeleide zin (in zo verre hij, die de macht van de dood heeft, de duivel is, Hebr. 2: 14 en dus ook in het rijk van de doden heerst) voor van gelijke betekenis nemen als “rijk van de duivel, ” zo komen de poorten van de hel in zoverre als aanvallers in aanmerking, als zij tegen de gemeente van de Heere alle machten van de duisternis, alle stormen uit zich laten uitgaan, en dus voorkomen niet als verslindende, zoals bij de eerste opvatting, maar als uitspuwende. Nog anders verklaart Luther als hij zegt: de poorten in de Schrift zijn een stad en haar bestuur; want bij de poorten worden de gerechtszaken behandeld (Deut. 16: 18). Zo worden hier poorten genoemd alle macht van de duivel met hun aanhang, als daar zijn koningen en vorsten met de wijzen van deze wereld, die zich tegen de rots en het geloof verzetten.”
19. En terwijl Ik u tot een fundamentsteen stel voor het gebouw van Mijn gemeente, zo maak Ik u ook tot een schatmeester in Mijn rijk 1: 3″); Ik zal u geven de sleutels van het koninkrijk der hemelen; gij zult opendoen en niemand zal sluiten, gij zult sluiten en niemand zal opendoen (Jes. 22: 22). En zo wat gij door uw ambt, dat u onbeperkte macht geeft, om over de genade-goederen van Mijn huis te beschikken, zult binden op de aarde, voor onvergeeflijke zonde verklaren zult, zal in de hemelen gebonden zijn. Hij, aan wie gij deschuldvergeving niet kunt toedelen, ontvangt ze ook niet van God, en is buiten het hemelrijk gesloten. En zo wat gij ontbinden, van schuld en verdoemenis vrijspreken zult op de aarde, waar een heilbegerige ziel toch ook verzekerd moet worden van de vergeving van haar zonden en van haardeelgenootschap aan het hemelrijk, zal in de hemelen ontbonden zijn; zodat hij, die gij vrijspreekt, ook vrij is voor God en ongehinderd het koninkrijk der hemelen ingaat.
Wat hier aan Petrus als middelpunt van de kring van de apostelen wordt toegezegd; de macht om op aarde de zonden te houden of te vergeven, dat wordt in hoofdstuk 18: 18 met dezelfde woorden en dus ook in dezelfde omvang de apostelen toegekend als bevoegdheid van hun ambt, evenals in Joh. 20: 23 Hier is dus van een primaat van Petrus in de zin van het Roomse pausdom geen sprake, als kwam die macht uitsluitend Petrus en zijn navolgers toe, of ook slechts voornamelijk. Die macht is intussen later door Petrus, als de woordvoerder van de Apostelen, voor het eerst en hoofdzakelijk uitgeoefend in Hand. 2: 41; 5: 4vv. 9vv. ; 8: 20vv. ; 10: 47vv. , totdat die macht ook bij dezen, die geen apostelen, of ten minste geheel onafhankelijk van hen waren, openbaar werd (Hand. 8: 37; 9: 17vv. ; 1 Kor. 5: 4 en 2 Kor. 2: 10). Nu eist de samenhang van onze plaats, dat aan Petrus iets bijzonders, iets eigenaardigs bij het verlenen van die sleutelmacht blijft, wat in nauwe samenhang staat met zijn belijdenis zowel als met zijn naam. Wij behoeven dan ook niet tevergeefs onderzoek te doen, wat dit is, wij behoeven slechts te herinneren, dat de bijnaam van de toenmalige hogepriester Kajafas geheel dezelfde naam is als Kefas, met een enigzins andere uitspraak. De hogepriester dringt de Heere in hoofdstuk 26: 63 tot dezelfde belijdenis, die hier Petrus op aandrang van de Heilige Geest van hem gedaan heeft. Het is niet te ontkennen, dat Jezus op die beide omstandigheden ziet, wanneer Hij Petrus hier zo op de voorgrond plaatst. Kajafas, die de Joodse bouwlieden voorging in het verwerpen van de steen, die tot een hoeksteen was verordend, heeft zijn ambt verloren, en het gehele huis van Israël met zich in het verderf gestort; het Godsrijk zal voor de Joden worden weggenomen (hoofdstuk 21: 42vv. ). Wordt in Jesaja 22: 15vv. in de plaats van de hofmeester Sebna in Eljakim een ander geplaatst, zo hier in de plaats van de Joodse Kajafas een Christelijke Kefas, als drager van de sleutels van David’s huis, waarvan Christus de Heere is (Openbaring . 3: 7). Dat de Roomse pausen in de verklaring en waardering van deze zaak te ver zijn gegaan, is duidelijk voor ieder onbevooroordeeld gemoed. Zij hebben hun oordeel reeds in hetgeen wij in Openbaring . 17: 15vv. lezen. Wanneer de Heere het had toegelaten, dat de bisschoppen te Rome werkelijk een primaat van zo’n omvang in de kerk hadden verkregen, zoals de geschiedenis van hen vermeldt, en wanneer Hij dit primaat ook eeuwen lang door de vele zegeningen, die Hij voor gehele volken zowel als voor vele zielen daaraan heeft verbonden, zelfs als Zijn werk erkent, zo is dat geen onmiddellijk gevolg van hetgeen hier met Petrus gesproken is. De Roomse bisschoppen hadden in de tijd, toen nog in bijzondere zin het van de Joden genomen rijk van God de heidenen werd gegeven, door hun vastheid van geloof, en door hun ijver voor de Heere en Zijn gemeente zich in geestelijke zin betoont Petrus’ navolgers te zijn. Hun is als in navolging van onze geschiedenis tot een zegen van de Westerse volken een primaat geschonken, dat nog duidelijker in het oog moest vallen en zich nog meer naar de wijze van de Joodse kerkinrichting moest vormen, omdat de volken zelf naar de wijze van Israël eerst onder de wet als de tuchtmeester tot op Christus moesten worden genomen, voordat zij tot de Evangelische vrijheid konden komen, en de voorzegging van dit primaat ligt in Openbaring . 11: 3vv. Niet zonder reden is daar van twee getuigen sprake. In het wezen van de Roomse kerk liggen, zover het van goddelijke oorsprong is, diezelfde twee momenten als in het woord van God zelf, wet en Evangelie. Sinds echter de Roomse kerk haar macht om te binden zozeer heeft misbruikt, dat zij het Evangelie zelf heeft willen binden, is zij met haar hiërarchie in het wezen van Kajafas en van zijn Hoge Raad weggezonken (de pausen hadden beter gedaan, zegt Luther, indien zij, in plaats van de sleutel van Petrus, de beurs van Judas in hun wapen hadden geplaatst). Een ander is Kefas geworden, en de gemeente op deze gebouwd heeft de belofte, dat de poorten van de hel haar niet zullen overweldigen, hetgeen ten tijde van de Antichrist zijn heerlijkste vervulling zal vinden.
Het Evangelie van Mattheüs heeft ten doel, zoals wij later in het slotwoord nog in het bijzonder zullen opmerken, om te rechtvaardigen, dat een gemeente van Galilese oorsprong, slechts geleid door geringe mensen uit het volk, zich had afgezonderd van de gemeente van God, die door de Hoge Raad werd bestuurd, en dat zij zich buiten de grenzen van Israël door de wereld verbreidde. Daarom moest het hier in vs. 17-19 meegedeelde onze Evangelist van groot gewicht zijn; want het is Christus, de Heer, de Zoon van Abraham en van David, en de Zoon van de levende God zelf, die deze zaak tot stand bracht, en in de plaats van de leiding van de gemeente van God door de Hoge Raad en de hogepriester Kajafas, de leiding door het collegie van apostelen, en de actieve vertegenwoordiger Kefas geplaatst heeft. Is nu echter na de gevangenneming van Petrus door Herodes Agrippa I, hoewel hij uit diens macht wonderbaar werd gered (Hand. 12: 1vv. ), toch zijn primaat in de Kerk meer en meer teruggetreden (Hand. 15: 13vv. ), en daarvoor de invloed en de werkzaamheid van de grote apostel van de heidenen op de voorgrond getreden, zoals uit de voorstellingen van de Handelingen der apostelen van hoofdstuk 13 af blijkt, zo zullen wij wel juist oordelen, wanneer wij de vervaardiging van het Evangelie van Mattheüs ongeveer in de tijd van het jaar 45 n. Chr. (vgl. het slotwoord) plaatsen. Eerst na die tijd toch, in het bijzonder na alle gebeurtenissen in Hand. 13-28 vermeld, dus na de vestiging van de Christelijke gemeente onder de heidenen, en in de nabijheid van de steeds naderkomende ondergang van Jeruzalem en de tempel, wordt Petrus van de hem gegeven belofte ontheven, en is die als van geen wezenlijke betekenis meer voor de Christenen uit de heidenen te beschouwen. Van daar het niet vermelden van deze geschiedenis bij de tweede en derde Evangelist, dat een onverklaarbaar raadsel zou zijn, wanneer de aanspraak van de Roomse pausen op de opvolging van Petrus ten opzichte van die belofte werkelijk door de Heere met deze woorden bedoeld was.
Coccejus (Johannes Koch geb. 1603 te Bremen, gestorven 1669 als professor in de dogmatiek te Leiden) schrijft: Petrus zelf noemt, als wilde hij zijn naam verklaren in 1 Petrus . 2: 4vv. eerst Christus een levende steen, in de zin van een levendmakende steen; vervolgens degenen, die in Hem geloven, levende stenen in de zin van levendgemaakte stenen. In dit woord is opmerkelijk, dat Petrus hiermee zijn naam wil verklaren, zoals hij dan ook voor “steen” niet het Griekse woord Petrus, maar lithos gebruikt. Hieruit spreekt het bewustzijn van de apostel, dat zijn roeping hem met zijn naam gegeven, reeds was teniet gegaan, en nu verliest hij zich graag onder de oudsten van de gemeente als hun mede-ouderling (1 Petrus . 5: 1), maar ook onder de leden van de gemeente als een van de levende stenen, die op de levende steen Christus gebouwd worden tot een geestelijk huis. Hetzelfde bewustzijn en dezelfde nederigheid wordt dan ook uitgedrukt in het van hem afhankelijke Evangelie van Markus. Petrus zelf heeft aan de mondelinge overlevering (nadat door Mattheüs er reeds voor was gezorgd, dat het woord van de Heere, tot hem in het bijzonder gericht, niet verloren ging) die vorm gegeven, die nu ook in het Evangelie van Lukas wordt gezien, en die hem onder de andere Apostelen laat verdwijnen, zodat hij alleen als hun mond voorkomt, en niet eens meer het doen van belijdenis voor allen boven hen vooruit heeft.
Toen wendde de Heere Zich van Simon tot de twaalven en verbood Hij Zijn discipelen ten opzichte van hetgeen Petrus uit aller naam beleden had, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus, en niet slechts diens voorloper. Hij wilde dat zij daarmee zouden wachten, totdat de juiste tijd daartoe zou zijn gekomen.
De vreugde over de door Jezus goedgekeurde vaste, zekere belijdenis had de discipelen kunnen verleiden, om allen, die nog anders dachten (vs. 14) te willen onderrichten. De Heere wilde echter niet een uiterlijk opgedrongen kennis, maar wenste een innerlijke ontwikkeling van het volk.
Het was nog geen tijd om Jezus als de Christus of de Messias, de Gezalfde van God openlijk bekend te maken, zolang het laatste, het onweersprekelijke bewijs daarvoor nog niet was gegeven. Ieder kon uit de daden en woorden van Jezus Hem leren kennen. Wie dat niet deed, was ook met de directe uitspraak: “Jezus is de Christus” nog niet gebaat. Pas na het Pinksterfeest was het de tijd daartoe (Hand. 2: 36), want toen was een getuigenis van God gegeven, dat aan het ongeloof ieder voorwendsel ontnam.
Het was om verschillende redenen nog niet voegzaam, dat dit nu door de discipelen gebeurde, en voornamelijk omdat zijzelf nog geen goed begrip hadden van de aard van Zijn koninkrijk als de Christus, en wat nog door Hem moest geleden worden, waarvan Hij daarom hun nu enige kennis geeft.
Zo was de vervulling van de oudtestamentische Messiasbelofte in Zijn persoon voor de eerste maal tussen Hem en de discipelen bepaald en uitdrukkelijk uitgesproken. a) Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen met ronde woorden te vertonen (reeds eerder had Hij op verbloemde wijze, in gelijkenissen daarop gewezen (vs. 4 “Uit 12: 39”), dat Hij naar Gods raadsbesluit en de uitspraken van de Schrift (Joh. 3: 14vv. Luk. 24: 26), moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen en overpriesters en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden, waardoor Hij krachtig zou worden bewezen Gods Zoon te zijn.
MATTHEUS. 17: 22; 20: 18 Mark. 8: 31; 9: 31; 10: 33 Luk. 9: 22; 18: 31; 24: 7
Een moeilijk gebod, het gebod om te zwijgen in vs. 20 ! Want hoezeer zal ieder van de eerder gesproken woorden van de Meester het hart van de twaalven met juichende vreugde hebben vervuld! met wat een vreugde konden zij nu het volk de grote tijding brengen! Maar in plaats daarvan voegt Jezus bij het bevreemdend verbod een nog meer bevreemdende mededeling: Hij moest lijden, gedood worden, op de derde dag opstaan – lijden en gedood worden te Jeruzalem, de stad van de grote Koning (hoofdstuk 5: 35), Hij, die zo-even beleden had de plaatsbekleder van deze Koning te zijn, en wel door de geestelijke hoofden van het volk.
Maar juist na de besliste belijdenis (vs. 16) was die verkondiging van het lijden zowel overeenkomstig met de geschiktheid van de discipelen als met hun behoefte. Nu konden zij de zware mededeling verdragen, en beginnen met de ware en hoogste voorstelling van het Messiaanse werk en het afleggen van valse verwachtingen.
De mededeling van Zijn lijden werd door de Heere driemaal uitgesproken met gelijke, enigzins toenemende zekerheid: de eerste maal hier, voor de tweede keer in hfdst. 17: 22vv. , de derde maal in hfdst. 20: 18vv. Dat de discipelen, ondanks deze bepaalde voorzegging, toen die tot vervulling kwam, zich daarin niet hadden weten te vinden, maar met Jezus’ dood hun verwachtingen voor begraven hielden (Luk. 24: 21), is niet bevreemdend voor ieder, die de trots en vreesachtigheid van het menselijk hart bij ervaring kent en weet dat het verstaan, ook van het duidelijkste, afhangt van de gesteldheid van onze harten omtrent de voorgestelde zaak. Nu liep echter wat Jezus van Zijn lijden en Zijn opstanding zei, zo lijnrecht tegen de verwachtingen en voorstellingen van de discipelen in, dat zij het in het begin niet konden verstaan, noch rijmen. Toen de schrik van het gebeurde over hen kwam was van hen niet zoveel vrijheid en duidelijkheid van de Geest te verwachten, dat zij toen het nu door de Heere gesproken woord, dat zij niet verstonden, zich zouden hebben herinnerd. Pas toen ook Zijn woord omtrent de opstanding vervuld was, en de engelen in het lege graf eraan herinnerden, kwamen hun Jezus woorden weer voor de geest. Zij waren dus niet tevergeefs gesproken, maar bereikten, evenals zo vele andere woorden, die Jezus tot hen gezegd had, later hun doel, toen zij die met de vervulling konden vergelijken (Joh. 14: 26 en 16: 4; 2: 22.
En Petrus Hem tot zich ter zijde genomen hebbende om vertrouwelijk met Hem te spreken, begon Hem te bestraffen, vermaningen te geven, zeggende: Heere! wees U genadig! begeef U niet in zo’n gevaar! dit, wat Gij gezegd hebt van Uw lijden en Uw sterven, zal U geenszins overkomen. Gij moet bijtijds Uw voorzichtigheidsmaatregelen nemen tegenover de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden.
Maar Hij, de Heere, liet de discipel niet eens uitspreken. Zich omkerende ten teken van ontevredenheid, zei Hij tot Petrus, die wel een scherp woord had verdiend: Ga weg achter Mij, satanas! verleider (2 Sam. 19: 22)! Gij zijt Mij een aanstoot met uw hoewel goed gemeende toch geheel verwerpelijke raad; want gij verzint niet de dingen, die van God zijn, gij denkt in dit geval niet aan het heilig raadsbesluit van God, maar gij bedenkt de dingen, die van de mensen zijn, wat met de zondige neiging van de mensen overeenkomt.
Tot hiertoe had de Heere van de voor Zijn discipelen nog niet bevattelijke leer omtrent Zijn lijden en sterven slechts bedekt gesproken. Nu sprak Hij daarvan duidelijker om hen steeds meer voor te bereiden en voor de noodzakelijkheid daarvan vatbaar te maken. Men kan den indruk zich voorstellen, die deze openlijke en bepaalde mededeling op de discipelen in hun toenmalige toestand moest maken naar ieders bijzondere eigenaardigheid: het stille bewonderende nadenken van een Johannes of Nathanaël; de melancholische verslagenheid van een Thomas, tegenover het listige aanhoren van Judas, en dan misschien nog het argeloze vragen van een Andreas of Filippus. Bij niemand komt echter de stille gedachte tot een uitspreken. Petrus alleen, de levendige discipel, die steeds de eerste is in het antwoorden onder de discipelen en ook ongevraagd voor hen Zijn gedachte uit, Petrus alleen is stout genoeg, om zonder veel nadenken te beginnen, en zich door de eerste indruk van de woorden van Christus tot een heftige tegenspraak te laten verleiden. Hij neemt Jezus bij arm of kleed, trekt Hem ter zijde af, en roept uit: “Heere wees U genadig, dit zal U geenszins overkomen. ” Zo gaat het dikwijls in het leven: onze vrienden zijn dikwijls onze slechtste raadgevers. Die ons beminnen en voorgeven het beste met ons te menen, kunnen ons de gevaarlijksten worden, hetzij dat zij ons tot uitlokkende ondernemingen dringen, die boven onze krachten gaan of niet tijdig zijn, ons een eer willen opdringen, die ons meer tot last dan een lust is, hetzij dat zij ons van moeilijke zaken willen terughouden, die onafscheidelijk zijn van de vervulling van onze plicht, of ons tegenhouden in het brengen van de offers, die wij tot welzijn van onze broeders willen brengen. Zij raadplegen dan meer met hun liefde tot ons, dan met de liefde van God en zorgen meer voor ons aardse welzijn dan voor ons eeuwig zielenheil.
De wijze, waarop de Heere het woord van Petrus afwijst, doelt nog op meer dan alleen op het gebrek om de moeilijk te vatten gedachte te verstaan. Petrus verloor geheel en al zijn verhouding tot de Heere uit het oog. Hij trad op als de vermanende, de terechtwijzende. Wat Christus als noodzakelijk voor Zich en Zijn werk had voorgesteld, wil hij verwijderd zien. Dit zelfs is nog niet genoeg; het “gij zijt Mij een aanstoot” brengt op de gedachte, dat de rede van Petrus niet slechts zondig was van zijn standpunt, maar ook een verzoeking was voor de Heere. Zonder twijfel moeten wij ons de Verlosser denken in een voortdurende strijd tegen verzoekingen. De grote verzoekingen aan het begin en aan het einde van Zijn werkzaamheid geven slechts geconcentreerd, wat door Zijn gehele leven heengaat. Hier kwam de verzoeking tot Hem het eerst van die zijde, dat Hem de mogelijkheid werd voorgehouden om lijden en dood te ontgaan. Zij was des te gevaarlijker omdat zij tot Hem kwam door de mond van een dierbare discipel, die zo-even op plechtige wijze Zijn goddelijke waardigheid had erkend. Uit de reine fontein van het leven van Christus kon geen onreine gedachte voortkomen; maar juist omdat Hij de overwinnaar moest zijn over de zonde, moest zij tot Hem komen, opdat zij in alle vormen zou worden overmeesterd. Met de blik van Zijn Geest doorzag de Verlosser dadelijk de bron, waaruit dit “wees U genadig” was ontsproten en Hij doodde de uitspruitende bozen wortel dadelijk in zijn oorsprong. Hieruit blijkt dan ook aanstonds, hoe het woord “satan” moet worden opgevat; de satan is niemand anders dan de vorst van deze wereld, die werkt in de kinderen van het ongeloof, maar ook in de kinderen van het geloof, in zo verre de Geest van Christus ze nog niet heeft geheiligd, d. i. in zo verre de oude, aan de zondige invloed blootgestelde mens nog in hen leeft. Petrus had die invloed in zijn hart toegelaten zonder te weten wat hij deed. De Heere brengt hem nu tot bewustzijn van hetgeen hij deed, omdat Hij het element noemt, waaruit de gedachte werd geboren, en die hij zwak genoeg geweest was uit te spreken. Zoals dus bij de bovenstaande belijdenis (vs. 16) het goddelijke als in Petrus heersende op de voorgrond was getreden, zo verhief zich nu het kwade, het vlees in Hem. Wij hebben hier in Petrus een beeld van eb en vloed van het innerlijke leven, dat ieder in zich opmerkt, die de verlossende kracht van Christus aan zijn hart gewaar werd. Waar de zonde machtig wordt, daar wordt de genade overvloedig; maar ook omgekeerd, waar de genade krachtig is, daar openbaart zich ook de zonde sterk.
Evenals Petrus op het ogenblik van zijn belijdenis een orgaan was geworden van de eeuwige rotssteen, zo stond hij in dit ogenblik van verduistering, hoewel onbewust, niet in satanische boosheid (anders dan Judas, die volhardend en zich welbewust voorstander van het satanische belang werd, dat vooral geen kruis van Christus en geen kruisgemeente wilde), maar in menselijke zonde, de zaak van de satan voor; hij herhaalde de stem van de verzoeking, die Jezus in de woestijn had overwonnen. Deze verzoeking had Jezus reeds achter Zich, daarom kon Hij ook deze verzoeker dadelijk achter Zich wijzen; maar Zijn woord gold niet alleen de verzoekende geest, waarin Petrus thans tot Hem sprak, het gold ook de verdwaalde discipel. Daardoor werd Petrus voor Hem tot een verzoeker, dat hij Hem vooruitliep en Zijn weg wilde versperren. Hij moest daardoor weer tot een getrouwe leerling, tot de gezegende Petrus worden, dat hij ootmoedig achter de Meester terugtrad en Hem navolgde.
In dit conflict van de pseudo-Petrus met Christus kan men zien, ten minste in de verte, als in een voorspellend beeld – hem, die zich aanmatigt de opvolger van deze apostel te zijn, hoe hij, voor het kruisgeheim in het rijk van het kruis blind is, en alzo terwijl hij meent plaatsbekleder van de Heere te zijn, Hemzelf eigenlijk uit het huis drijft.
“Nee, niet door zo’n diepe weg als de voldoening aan de gerechtigheid van God, kan Jezus Christus de zaligheid voor zondaren hebben aangebracht. Zijt U genadig, Heere! dit is U geenszins overkomen! Want. . . . ? niet door zo’n diepe weg van zelfverloochening willen wij U volgen. ” Maar, mijn vrienden! onze schuwheid voor het kruis, dat ons daar wordt voorgesteld, waar wij de verlossing van onze ziel, die ons alles waard geworden is, bij een gekruisigde Zaligmaker zoeken – onze schuwheid voor dat kruis kan de eis van Christus niet verminderen, die Hij aan onze ziel heeft; zo min als zij Hem heeft kunnen terughouden van de liefde, waarmee Hij Zich in lijden en dood heeft overgegeven. Christus is gekruisigd. Zijn kruis is een waarheid. Hij heeft Zich niet laten afschrikken van het vele lijden en van de verschrikkelijke dood, niet in verzoeking laten brengen om lijden en dood ver van Zich te werpen, zoals een onheilig mens de gedachte aan een weinig smaads en een weinig strijd van zich afschudt. Christus is gekruisigd – ook voor Petrus! die niet wilde, dat Hij lijden en sterven zou, omdat hij voor zichzelf liever vasthield aan droombeelden van menselijke grootheid en triomf. En toen Petrus dat zag, toen hij in zijn nu geheel boetvaardige ziel erkende, dat Jezus zelf zijn zonde in Zijn lichaam gedragen had op het hout, dat hij door Zijn striemen genezen was – gaf hij graag tot lossing van zijn ziel al die droombeelden op en was het hem voortaan eer genoeg te lijden als een Christen, en in de strijd met een zondige wereld zijn deel aan te nemen van haar striemen. Zo wie wil zalig worden, daartoe zal het bij hem moeten komen, zo wie het kruis van Christus alles wordt, zijn eigen kruis zal hem niet te veel zijn. In al het lijden en strijden, smaad en haat, nood en dood, zal dit het woord van zijn ziele wezen: “Heere! wat aan U gebeuren moest is gebeurd; aan mij gebeure, wat aan mij moet gebeuren, opdat ik U kenne en de kracht van Uw opstanding en de gemeenschap met Uw lijden, Uw dood gelijkvormig wordende, of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding van de doden. “
Wij leren uit dit stuk, dat er ook in een waar discipel van Jezus nog veel onwetendheid in geestelijke zaken zijn kan.
Zo kan de mens in het ene ogenblik spreken door de Geest van God en in het ander door de geest van de duivel. Laat ons dan de wacht houden over hart en lippen.
Wanneer wij deze taal van de Heiland tot Petrus vergelijken met de lof, die Hij hem in vs. 17 heeft gegeven, leren wij eruit, dat er in Petrus twee beginsels plaatshadden. Het was uit God, dat hij Jezus erkende als de Christus, de beloofde Messias; maar zijn vleselijke vooroordelen maakten, dat hij zozeer verkeerde begrippen had omtrent het oogmerk van de komst van de Messias in de wereld. Wegens het eerste noemt hem de Heiland zalig, wegens het laatste bestraft Hij hem allerernstigst om hem te beschamen en terecht te brengen.
Toen Hij met de beschaamde Petrus weer in de kring van de twaalven, die Hij reeds bij Zijn omkeren (vs. 23) had aangezien, teruggekeerd was, zei Jezus tot Zijn discipelen: a) Als iemand achter Mij wil komen als Mijn discipel en Mijn rijk deelachtig wil worden – want Ik laat het aan ieders vrije keuze over, of hij verder met Mij wil trekken op de kruisweg, die ik bewandelen moet (Joh. 6: 66vv. )- die verloochene zichzelf, die moet afstand doen van zijn lust tot het wereldse leven en zijn genietingen, en hij neme zijn kruis op, dat hij op die weg van God hem beschikt vindt, vastbesloten het te dragen, en volge Mij, de groten kruisdrager, met zijn eigen kruis op de schouders.
MATTHEUS. 10: 38 Mark. 8: 34 Luk. 9: 23; 14: 27
Jezus gaat als leidsman op de weg tot een bepaald doel vooraan. Zo betekent het “Mij navolgen” niet werkzaamheid van het gaan als zodanig, maar het meekomen naar het doel, dat beoogd wordt. Wie dat wil, die moet met zo’n besluit Hem gaan volgen, zoals de woorden “die verloochene zichzelf enz. ” dat te kennen geven. Ten opzichte van het eigen ik, waardoor anders elk handelen geregeld wordt, moet hij als een vreemdeling worden, als dat die opmerkzaamheid niet waard is, omdat men alleen op de voorganger Jezus moet zien. Omdat deze een weg gaat, die over een gerichtsplaats, door geweldige doding leidt, zo is hij, die Hem navolgt, gebonden, dit alles ook voor Hem te wagen. Het besluit daartoe is het opnemen van zijn kruis. Het kruis is toch de straf van oproerige slaven en de veroordeelde tot het kruis moet zijn kruis zelf naar de gerichtsplaats dragen, daarom “zijn” kruis, het bepaalde kruis, waaraan ieder voor zich sterven moet. Jezus gaat dus vooraan door een gericht, waarin de zondige natuur van de mensen in haar opstand tegen God wordt gedood, en aan de uitvoering waarvan ieder in het bijzonder zelf moet meewerken. Alleen hij, die zich niet meer laat regeren door het eigen ik, die besloten is zichzelf over te geven aan het voltrekken van het godsgericht, dat over hem met Jezus zal komen, alleen die kan de leiding van Jezus volgen, en hiervan hangt af, of men mede aan het doel zal komen. Wie namelijk, zo is het verband met vs. 25 , met Jezus aan het doel wil komen, maar op de weg daarheen zich laat leiden door het zoeken naar zelfbehoud, die zal het juist ontzinken. Wie daarentegen eigen leven verliest, omdat hij zich alleen door het zien op Jezus laat leiden, die mag verzekerd zijn, dat hij het het zekerst zal bewaren.
Nee, wij willen het lijden niet, en toch is het ook onze bestemming om door lijden tot de heerlijkheid in te gaan. Reeds de natuur spiegelt ons deze waarheid op veelvuldige wijze af. Toont God ons niet enkel in de nacht de heerlijke sterrenwereld boven ons? Hoe dikwijls moeten de reizigers de vreselijkste steilten of de diepste holen van de aarde met grote inspanning en levensgevaar betreden om de heerlijkste natuurgeheimen te zien? In het geestelijke is het niet anders, en daar heeft het nog een diepere grond en een hogere reden, namelijk de zonde, haar macht en de losmaking van haar macht. O, het is een woord uit het Christelijk leven genomen, wanneer dezelfde Petrus, die nu zo tegen het lijden is, schrijft (1 Petrus 4: 12): “Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte van de verdrukking onder u, die u gebeurt tot verzoeking alsof u iets vreemds overkwame.” Het lijden is ons vreemd, en het moet ons gewoon zijn, Het kruis maakt de Christus en de Christen. En waarin bestaat nu het dragen van het kruis? In zelfverloochening, dat is: in de gedurige bereidwilligheid om niet eigen voordeel, eigen genot, eigen grootheid te zoeken, maar dat van anderen, en bovenal de eer van God.
De Christen verzake eigen mening, eigen wil, begeerlijkheden en aardse inzichten, en ga gewillig de weg, die de Heere hem leiden zal, ook bij de ondervinding van smaad en vervolging en lijden.
Petrus had de Heere geraden Zichzelf te bewaren, maar Christus zegt hem, dat men zo verre moet zijn van het sparen van zichzelf, dat men integendeel zichzelf moet verloochenen, Christus’ geboorte en leven en sterven waren alle een voortgaande daad van zelfverloochening (Fil. 2: 7, 8). Indien zelfverloochening een harde les is, het is niet meer dan onze Meester geleerd heeft en voor ons gedaan heeft en ons heeft voorgedaan, tot onze redding en tot onze onderwijzing. Al de discipelen en volgelingen van Jezus Christus moeten zichzelf verloochenen.
Ondanks het schijnbare verlies heeft men door zo’n afstand doen van het aardse leven, ten einde Mij na te volgen, toch de grootste winst. a) Want wie zijn leven zal willen behouden, wie zich onttrekt aan het volgen van Mij, om van het kruis ontheven te zijn, en een leven te leiden naar de begeerlijkheden van zijn vlees, die zal het verliezen, omdat hij verwerpt, wat alleen aan het leven waarlijk waarde geeft, namelijk het eeuwige leven; maar wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal het vinden, omdat hij ontvangt, wat alles, dat men afstond, oneindig ver overtreft.
MATTHEUS. 10: 38vv. Mark. 8: 35 Luk. 9: 24; 17: 33 Joh. 12: 25
Volstrekt niets wint daarentegen hij, die met verloochening van Mij alles op aarde schijnt te winnen. Want wat baat het een mens, dat hij, stel dat het mogelijk ware, de gehele wereld wint, door Mij te verwerpen, en lijdt schade van zijn ziel, zodat die eeuwig verloren gaat? of wat zal een mens van alles wat hij op aarde bezit, al ware het de gehele wereld, geven als behoorlijke koopprijs tot lossing van zijn ziel, die hij eerst om de wereld te winnen, gegeven heeft (Ps. 49: 8vv. ).
Het waarachtige, eeuwige heil van een menselijke ziel is oneindig meer waard dan de gehele wereld. Men moet winst en verlies tegen elkaar berekenen, en wie niet zo gerekend heeft, zal aan het einde tot zijn eeuwige schade ondervinden, hoe ontzaglijk hij zich verrekend heeft, dan zal het bankroet uitbreken met zijn: “wat baat het de mens?”
Hier laat de Heere een woord vallen over het loskopen van de ziel; dit was onmogelijk door de mens zelf te doen. De Heere herinnert hier kennelijk aan het woord bij Micha (6: 7): “Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding? de vrucht van mijn buik voor de zonde van mijn ziel!” Hierover konden zij nadenken. Elders werkte de Heere dit denkbeeld van lossing van de ziel uit door te zeggen, dat Hij Zijn leven zou geven tot een rantsoen voor velen.
Duchten wij het kruis, schijnt ons de weg te smal toe? laat dan het woord van de Zaligmaker in onze oren weerklinken: “Wat baat het een mens?” en staken wij onze twijfel.
De ziel is het edelste werk van God op aarde, in den beginne gevormd naar Zijn eigen beeld. Zij bezit grote en verbazende krachten, is geschikt voor eeuwig geluk, of oneindige ellende, en is geschapen tot eeuwig bestaan. Zo’n schat bezit ieder kind van Adam, maar hoe weinigen zijn zich bewust van die grote waarde, of van het gevaar dat erin gelegen is Gods gunst te verliezen! De zielen zijn verloren door de zonde, maar door de genade van onze Heere Jezus Christus zal niemand verloren gaan, de onbekeerlijke en ongelovige.
a) Voorwaar zeg Ik u, zo ging Hij voort tot Zijn discipelen, die getroffen en verwonderd waren over hetgeen Hij zei van Zijn wederkomst in heerlijkheid, hun een teken gevende ten bewijze van die wederkomst: er zijn sommigen van die hier staan, die de dood niet smaken zullen, totdat zij de Zoon des mensen, die van hen ten hemel voer, zullen hebben zien komen in Zijn koninkrijk, zodat het reeds met kracht staat opgericht, voordat zijzelf van hier worden genomen (Joh. 21: 22vv. ).
Mark. 9: 1 Luk. 9: 27
Het gebeurde bij Caesarea had grote invloed op de getuigenis van Jezus. Tot hiertoe had Hij Zich weliswaar als de Messias beschreven, maar Zich niet zo genoemd; nu bevestigt Hij het woord van Petrus, die Hem de Messias noemt. Tot hiertoe had Hij meermalen, maar slechts in het voorbijgaan en in raadselachtige woorden op de dood gewezen, die Hem wachtte; nu spreekt Hij het plechtig voor de discipelen uit, dat en waar en door wie Hij moet gedood worden. In de bergrede had Hij de ontmoeting van de mensen met Hem op de dag van het gericht verondersteld en in de rede tot instructie van de twaalven voor de gevaren, verbonden aan het apostelschap, aangemoedigd door Zijn spoedige komst, beide malen zonder opheldering van de raadselachtige woorden. Thans gaat Hij van de aankondiging van Zijn dood over tot een niet minder plechtige aankondiging van Zijn heerlijke komst, waarbij de noodzakelijkheid, dat Zijn discipelen Hem volgen en het kruis dragen, tot overgang dient. Omwille van deze wederkomst is het de moeite waard met Hem te sterven. Eindelijk had Jezus Zijn discipelen in de bergrede aangeduid als het zout en licht der aarde en toen Hij uit de discipelen twaalf tot zendboden verkoos, kon het getal menig denkend gemoed aan de zonen van Jakob herinneren; thans wordt ook dit raadsel opgehelderd, terwijl Hij voor de eerste maal van de stichting van de nieuwe Gemeente spreekt. In de tijd vóór Caesarea was dit het doel van de openbaringen van Jezus, dat degenen, die in Israël voor Zijn Woord ontvankelijk waren, innerlijk overwonnen werden door Zijn heilige macht en Hem als de voorzegde Koning erkenden. Van de tijd van Caesarea af doelt Zijn getuigenis daarop, om de discipelen te doen erkennen, dat de Koning moet sterven en terugkomen. Een arme Nazarener de beloofde Koning van het heil; dit was zozeer tegen alle Israëlitische gedachten in, dat men begrijpt, waarom het waagstuk van Simon om het te geloven en zijn geloof niettegenstaande de afkeer, die het volk van Jezus had, vast te houden, als een werk van de hemelse Vader door Jezus geprezen wordt. Maar dat de Messias gedood zou worden, scheen voor de Israëliet een nog grotere tegenspraak; daarom ging het Jezus als degene, die op een berg klimt: de eerste hoogte was beklommen, toen Simon zijn belijdenis gedaan had, maar dadelijk moet Hij zich gereed maken, om de discipelen op een tweede, niet minder steile trap te leiden. In dit omhoog voeren kunnen wij twee stadiën onderscheiden: tussen Caesarea en de weg ten dode stelt Hij Zich tevreden met van tijd tot tijd te herhalen, wat Hij bij Caesarea gezegd heeft (hoofdstuk 17: 12, 22vv. ; 20: 18vv. ), en wel schijnt Jezus Zich elke maal van bijna dezelfde uitdrukkingen bediend te hebben, zoals men voor moeilijk lerende en vergeetachtige hoorders graag doet. Slechts in zo verre wordt hier verschil gevonden, omdat bij Caesarea slechts de hoofden van Israël als de bewerkers van Zijn dood voorkomen, in hoofdstuk 20: 19 in de tweede plaats ook de heidenen, en dat in de laatste plaats de wijze van de mishandeling en van de dood nader beschreven wordt. Ook het antwoord, aan die Farizeeën, die Hem met de plannen van Herodes verschrikken willen (Luk. 13: 31vv. ), is zeer gewichtig voor Jezus’ voorkennis van de omstandigheden van Zijn dood; om deze vos bekommert Hij Zich niet, de vastbepaalde tijd van Zijn werk koopt Hij uit, en dan komt de dag van de beslissing; maar zelfs nog op deze dag, dus tot dadelijk vóór het einde, moet Hij vrij Zijn reizen voortzetten, omdat het voorrecht van de profetenmoord aan Jeruzalem toekomt. Het zal niet gaan, zoals het bij de Doper ging. Over de reden, waarom Zijn dood moet plaatshebben, spreekt Jezus eerst tegen het einde van Zijn gang ten dode (hoofdstuk 20: 28 Joh. 12: 24 MATTHEUS. 26: 2 en 26vv. ). Over het geheel kan men de verkondiging van Jezus dood in drie stadiën verdelen: 1) tot Caesarea nu en dan een duistere aanwijzing, 2) tussen Caesarea en de reis ten dode een duidelijke uitspraak van de noodzakelijkheid, 3) in de laatste dagen korte, maar krachtige woorden over het doel. Even zo gaat het met het onderwijs van Jezus aan de discipelen over Zijn wederkomst. Wat nu deze wederkomst zelf aangaat, zo mogen wij uit hoofdstuk 26: 64 ontlenen, dat Hij meerdere dagen Zijn komst in gedachten had, waarbij de eerderen tot de laatsten in de verhouding staan als voorbeeld en tegenbeeld, en evenals de weeën vóór de geboorte. Hierdoor wordt Zijn woord in hoofdstuk 10: 23 en op deze plaats verklaard – het is Zijn komst tot verwoesting van Jeruzalem, dat Hij in de beide uitspraken bedoelt. In vs. 27 van deze plaats is zeker evenals in de gelijkluidende woorden in hoofdstuk 25: 31 sprake van de laatste wederkomst; dit verhindert echter niet, dat Jezus in vs. 28 tot een eerdere komst overgaat; veeleer doet de verandering van uitdrukking (komen “in Zijn rijk”, terwijl bij vs. 27 komen “in de heerlijkheid van Zijn Vader met Zijn engelen”), geheel veronderstellen, dat men door vs. 27 het laatste, door vs. 28 een voorafgaande komst moet verstaan.
De tijd zal komen, dat degenen, die omwille van de wereld aan hun ziel schade hebben geleden, haar weer graag zouden willen lossen voor datgene, waarvoor zij eerst hun zaligheid hebben op het spel gezet. a) Want de Zoon des mensen zal zeker eenmaal komen van de hemel, waarheen Hij na de dagen van Zijn lijden en van Zijne opstanding (vs. 21) zal terugkeren, om bij God verheerlijkt te worden met de heerlijkheid, die Hij bij Hem had, eer de wereld was (Joh. 17: 5). Hij zal komen in de b) heerlijkheid van Zijn Vader met Zijn engelen, die door hun geleide Hem kenmerken als de Rechter van de wereld. En c) dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn doen, dan zal Hij Zich ook schamen over degenen, die zich voor Hem en voor Zijn woorden geschaamd hebben, onder dit overspelig en boos geslacht (Mark. 8: 38).
MATTHEUS. 24: 30; 25: 31; 26: 64 b) MATTHEUS. 25: 31 c) Job 34: 11 Ps. 62: 13 Rom. 2: 6
Hoe dieper Jezus’ vernedering is, des te hoger zal Zijn verheerlijking worden, Jezus kon niet anders dan de verheven woorden over Zijn wederkomst hier bijvoegen, anders zou het Zijn discipelen geheel in verwarring gebracht hebben, dat Hij op een en hetzelfde ogenblik van Zijn Messianiteit (en Zoonschap van God) en van Zijn dood spreekt. Als een brug tot het spreken over het komen in heerlijkheid dient Hem het woord, dat de winst van de gehele wereld niet kon opwegen tegen het verlies van de ziel.
De Heere spreekt hier van de openbaring van Zijn Koninkrijk na de opstanding uit de dood en van Zijn hemelvaart, wanneer de Geest op een buitengewone wijze neergezonden en het Evangelie over de gehele wereld verkondigd werd en door tekenen en wonderen bekrachtigd tot bekering en zaligmaking van vele zielen. Het schijnt echter meer te zien op Zijn komst om Zijn koninklijke macht en Zijn gezag te openbaren en de verwachting van het Joodse volk, toen de vijanden die niet wilden, dat Hij Koning over hen zou zijn, voor Hem werden gebracht en voor Hem werden doodgeslagen. Dit beleefde de apostel Johannes als getuige.
a) Voorwaar zeg Ik u, zo ging Hij voort tot Zijn discipelen, die getroffen en verwonderd waren over hetgeen Hij zei van Zijn wederkomst in heerlijkheid, hun een teken gevende ten bewijze van die wederkomst: er zijn sommigen van die hier staan, die de dood niet smaken zullen, totdat zij de Zoon des mensen, die van hen ten hemel voer, zullen hebben zien komen in Zijn koninkrijk, zodat het reeds met kracht staat opgericht, voordat zijzelf van hier worden genomen (Joh. 21: 22vv. ).
Mark. 9: 1 Luk. 9: 27
Het gebeurde bij Caesarea had grote invloed op de getuigenis van Jezus. Tot hiertoe had Hij Zich weliswaar als de Messias beschreven, maar Zich niet zo genoemd; nu bevestigt Hij het woord van Petrus, die Hem de Messias noemt. Tot hiertoe had Hij meermalen, maar slechts in het voorbijgaan en in raadselachtige woorden op de dood gewezen, die Hem wachtte; nu spreekt Hij het plechtig voor de discipelen uit, dat en waar en door wie Hij moet gedood worden. In de bergrede had Hij de ontmoeting van de mensen met Hem op de dag van het gericht verondersteld en in de rede tot instructie van de twaalven voor de gevaren, verbonden aan het apostelschap, aangemoedigd door Zijn spoedige komst, beide malen zonder opheldering van de raadselachtige woorden. Thans gaat Hij van de aankondiging van Zijn dood over tot een niet minder plechtige aankondiging van Zijn heerlijke komst, waarbij de noodzakelijkheid, dat Zijn discipelen Hem volgen en het kruis dragen, tot overgang dient. Omwille van deze wederkomst is het de moeite waard met Hem te sterven. Eindelijk had Jezus Zijn discipelen in de bergrede aangeduid als het zout en licht der aarde en toen Hij uit de discipelen twaalf tot zendboden verkoos, kon het getal menig denkend gemoed aan de zonen van Jakob herinneren; thans wordt ook dit raadsel opgehelderd, terwijl Hij voor de eerste maal van de stichting van de nieuwe Gemeente spreekt. In de tijd vóór Caesarea was dit het doel van de openbaringen van Jezus, dat degenen, die in Israël voor Zijn Woord ontvankelijk waren, innerlijk overwonnen werden door Zijn heilige macht en Hem als de voorzegde Koning erkenden. Van de tijd van Caesarea af doelt Zijn getuigenis daarop, om de discipelen te doen erkennen, dat de Koning moet sterven en terugkomen. Een arme Nazarener de beloofde Koning van het heil; dit was zozeer tegen alle Israëlitische gedachten in, dat men begrijpt, waarom het waagstuk van Simon om het te geloven en zijn geloof niettegenstaande de afkeer, die het volk van Jezus had, vast te houden, als een werk van de hemelse Vader door Jezus geprezen wordt. Maar dat de Messias gedood zou worden, scheen voor de Israëliet een nog grotere tegenspraak; daarom ging het Jezus als degene, die op een berg klimt: de eerste hoogte was beklommen, toen Simon zijn belijdenis gedaan had, maar dadelijk moet Hij zich gereed maken, om de discipelen op een tweede, niet minder steile trap te leiden. In dit omhoog voeren kunnen wij twee stadiën onderscheiden: tussen Caesarea en de weg ten dode stelt Hij Zich tevreden met van tijd tot tijd te herhalen, wat Hij bij Caesarea gezegd heeft (hoofdstuk 17: 12, 22vv. ; 20: 18vv. ), en wel schijnt Jezus Zich elke maal van bijna dezelfde uitdrukkingen bediend te hebben, zoals men voor moeilijk lerende en vergeetachtige hoorders graag doet. Slechts in zo verre wordt hier verschil gevonden, omdat bij Caesarea slechts de hoofden van Israël als de bewerkers van Zijn dood voorkomen, in hoofdstuk 20: 19 in de tweede plaats ook de heidenen, en dat in de laatste plaats de wijze van de mishandeling en van de dood nader beschreven wordt. Ook het antwoord, aan die Farizeeën, die Hem met de plannen van Herodes verschrikken willen (Luk. 13: 31vv. ), is zeer gewichtig voor Jezus’ voorkennis van de omstandigheden van Zijn dood; om deze vos bekommert Hij Zich niet, de vastbepaalde tijd van Zijn werk koopt Hij uit, en dan komt de dag van de beslissing; maar zelfs nog op deze dag, dus tot dadelijk vóór het einde, moet Hij vrij Zijn reizen voortzetten, omdat het voorrecht van de profetenmoord aan Jeruzalem toekomt. Het zal niet gaan, zoals het bij de Doper ging. Over de reden, waarom Zijn dood moet plaatshebben, spreekt Jezus eerst tegen het einde van Zijn gang ten dode (hoofdstuk 20: 28 Joh. 12: 24 MATTHEUS. 26: 2 en 26vv. ). Over het geheel kan men de verkondiging van Jezus dood in drie stadiën verdelen: 1) tot Caesarea nu en dan een duistere aanwijzing, 2) tussen Caesarea en de reis ten dode een duidelijke uitspraak van de noodzakelijkheid, 3) in de laatste dagen korte, maar krachtige woorden over het doel. Even zo gaat het met het onderwijs van Jezus aan de discipelen over Zijn wederkomst. Wat nu deze wederkomst zelf aangaat, zo mogen wij uit hoofdstuk 26: 64 ontlenen, dat Hij meerdere dagen Zijn komst in gedachten had, waarbij de eerderen tot de laatsten in de verhouding staan als voorbeeld en tegenbeeld, en evenals de weeën vóór de geboorte. Hierdoor wordt Zijn woord in hoofdstuk 10: 23 en op deze plaats verklaard – het is Zijn komst tot verwoesting van Jeruzalem, dat Hij in de beide uitspraken bedoelt. In vs. 27 van deze plaats is zeker evenals in de gelijkluidende woorden in hoofdstuk 25: 31 sprake van de laatste wederkomst; dit verhindert echter niet, dat Jezus in vs. 28 tot een eerdere komst overgaat; veeleer doet de verandering van uitdrukking (komen “in Zijn rijk”, terwijl bij vs. 27 komen “in de heerlijkheid van Zijn Vader met Zijn engelen”), geheel veronderstellen, dat men door vs. 27 het laatste, door vs. 28 een voorafgaande komst moet verstaan.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel