Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En totG4314 HemG846 vergaderdenG4863 de FarizeenG5330, enG2532 sommigenG5100 der SchriftgeleerdenG1122, die vanG575 JeruzalemG2414 gekomenG2064 waren;
En tot Hem vergaderden de Farizeen, en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren;
KJV
Then1
came together2
unto3
him4
the Pharisees,6
and7
certain8
of the scribes,10
which came11
from12
Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EnG2532 ziendeG1492, dat sommigenG5100 van Zijn discipelenG3101 met onreineG2839, datG3778 isG1510, met ongewassenG449 handenG5495 broodG740 atenG2068, berisptenG3201 zij henG846.
En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen.
KJV
And1
when they saw
some3
of his6
disciples5
eat12
bread13
with defiled,7
that is to say,
with unwashen,11
hands,8
they found fault.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantG1063 de FarizeenG5330 enG2532 alG3956 de JodenG2453 etenG2068 niet, tenzijG3362 dat zij eerst de handenG5495 dikmaalsG4435 wassenG3538, houdendeG2902 de inzettingenG3862 der oudenG4245.
Want de Farizeen en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wassen, houdende de inzettingen der ouden.
KJV
For2
the Pharisees,3
and4
all5
the Jews,7
except
they wash11
their hands13
oft,10
eat15
not,14
holding16
the tradition18
of the elders.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG2532 vanG575 de marktG58 komende, etenG2068 zij niet, tenzijG3362 dat zij eerst gewassenG907 zijn. EnG2532 veleG4183 andere dingen zijnG1510 er, dieG3739 zij aangenomenG3880 hebben te houdenG2902, als namelijk de wassingenG909 der drinkbekersG4221, enG2532 kannenG3582, enG2532 koperen vatenG5473, enG2532 beddenG2825.
En van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden.
KJV
And1
when they come from2
the market,3
except
they wash,6
they eat8
not.7
And9
many11
other things10
there be,
which13
they have received14
to hold,15
as the washing16
of cups,17
and18
pots,19
brasen vessels,21
and20
of tables.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Daarna vraagdenG1905 HemG846 de FarizeenG5330 enG2532 de SchriftgeleerdenG1122: WaaromG5101 wandelenG4043 Uw discipelenG3101 nietG3756 naarG2596 de inzettingG3862 der oudenG4245, maarG235 etenG2068 het broodG740 met ongewassenG449 handenG5495?
Daarna vraagden Hem de Farizeen en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewassen handen?
KJV
Then1
the Pharisees5
and6
scribes8
asked2
him,3
Why
walk15
not14
thy
disciples12
according16
to the tradition18
of the elders,20
but21
eat24
bread26
with unwashen22
hands?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Maar Hij antwoorddeG611 en zeideG2036 tot henG846: Wel heeft JesajaG2268, van uG4771, geveinsdenG5273, geprofeteerdG4395, gelijkG5613 geschrevenG1125 is: DitG3778 volkG2992 eertG5091 MijG1473 met de lippenG5491, maarG1161 hunG846 hartG2588 houdtG568 zich verreG4206 van MijG1473.
Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.
KJV
He answered3
and2
said
unto them,5
Well7
hath Esaias9
prophesied8
of10
you
hypocrites,13
as14
it is written,15
This16
people18
honoureth22
me
with their lips,20
but24
their26
heart25
is28
far27
from29
me.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
DochG1161 tevergeefsG3155 erenG4576 zij MijG1473, lerendeG1321 leringenG1319, die gebodenG1778 zijn der mensenG444;
Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden zijn der mensen;
KJV
Howbeit2
in vain1
do they worship3
me,
teaching5
for doctrines6
the commandments7
of men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WantG1063, nalatendeG863 het gebodG1785 GodsG2316, houdtG2902 gij de inzettingenG3862 der mensenG444, als namelijk wassingenG909 der kannenG3582 enG2532 drinkbekersG4221; enG2532 andere dergelijke dingen doetG4160 gij veleG4183.
Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, als namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele.
KJV
For2
laying aside1
the commandment4
of God,6
ye hold7
the tradition9
of men,11
as the washing12
of pots13
and14
cups:15
and16
many20
other17
such19
like things18
ye do.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
EnG2532 Hij zeideG3004 tot henG846: Gij doet zeker GodsG2316 gebodG1785 wel te niet, opdatG2443 gijG4771 uw inzettingenG3862 zoudt onderhoudenG5083.
En Hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden.
KJV
And1
he said2
unto them,3
Full well4
ye reject5
the commandment7
of God,9
that10
ye may keep14
your own
tradition.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantG1063 MozesG3475 heeft gezegdG2036: EerG5091 uw vaderG3962 enG2532 uw moederG3384; enG2532: wie vaderG3962 ofG2228 moederG3384 vloektG2551, die zal den doodG2288 stervenG5053.
Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.
KJV
For2
Moses1
said,
Honour4
thy
father6
and8
thy
mother;10
and,12
Whoso curseth14
father15
or16
mother,17
let him die19
the death:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
MaarG1161 gijliedenG4771 zegt: ZoG1437 een mensG444 tot vaderG3962 ofG2228 moederG3384 zegt: Het is korbanG2878 (datG3739 is te zeggen, een gaveG1435), zoG1437 watG3739 u vanG1537 mijG1473 zou kunnen ten nutte komenG5623, die voldoet.
Maar gijlieden zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, die voldoet.
Ook in dit vers
zegtG3004
KJV
But2
ye
say,3
If4
a man6
shall say
to his father8
or9
mother,11
It is Corban,12
that is to say,
a gift,15
by18
whatsoever13
thou mightest be profited by20
me;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
EnG2532 gij laat hemG846 niet meer toe, ietsG3762 aan zijn vaderG3962 ofG2228 zijn moederG3384 te doenG4160;
En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijn vader of zijn moeder te doen;
KJV
And1
ye suffer3
him4
no more2
to do6
ought5
for his9
father8
or10
his13
mother;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
MakendeG208 alzo GodsG2316 woordG3056 krachteloosG208 door uw inzettingG3862, dieG3739 gijG4771 ingezetG3860 hebt; enG2532 veleG4183 dergelijke dingen doetG4160 gij.
Makende alzo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet gij.
KJV
Making1
the word3
of God5
of none effect
through your
tradition,7
which9
ye have delivered:10
and11
many14
such13
like things12
do ye.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En tot Zich de ganseG3956 schareG3793 geroepenG4341 hebbende, zeideG3004 Hij tot hen: HoortG191 MijG1473 allenG3956 enG2532 verstaatG4920.
En tot Zich de ganse schare geroepen hebbende, zeide Hij tot hen: Hoort Mij allen en verstaat.
KJV
And1
when he had called2
all3
the people5
unto him, he said6
unto them,7
Hearken8
unto me
every one10
of you, and11
understand:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Er isG1510 nietsG3762 van buitenG1855 den mensG444 inG1519 hem ingaandeG1531, hetwelkG3739 hem kanG1410 ontreinigenG2840; maarG235 de dingen, die vanG575 hem uitgaanG1607, die zijnG1510 het, welke den mensG444 ontreinigenG2840.
Er is niets van buiten den mens in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, welke den mens ontreinigen.
KJV
There is
nothing1
from without3
a man,5
that9
entering6
into7
him8
can10
defile12
him:11
but13
the things which come15
out of16
him,17
those18
are they
that defile21
the man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
ZoG1487 iemandG1536 orenG3775 heeftG2192 om te horenG191, die horeG191.
Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
KJV
If any man
have3
ears4
to hear,5
let him hear.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EnG2532 toen HijG846 van de schareG3793 inG1519 huisG3624 gekomen was, vraagdenG1905 HemG846 Zijn discipelenG3101 van de gelijkenisG3850.
En toen Hij van de schare in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de gelijkenis.
KJV
And1
when2
he was entered3
into4
the house5
from6
the people,8
his10
disciples12
asked9
him13
concerning14
the parable.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En Hij zeideG3004 tot henG846: ZijtG1510 ookG2532 gijG4771 alzoG3779 onwetendeG801? VerstaatG3539 gij nietG3756, datG3754 alG3956 wat van buitenG1855 inG1519 den mensG444 ingaatG1531, hemG846 nietG3756 kanG1410 ontreinigenG2840?
En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzo onwetende? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?
KJV
And1
he saith2
unto them,3
Are
ye
so4
without understanding7
also?5
Do ye10
not9
perceive,
that11
whatsoever thing12
from without14
entereth15
into16
the man,18
it cannot19
defile22
him;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
WantG3754 het gaat nietG3756 in zijn hartG2588, maarG235 inG1519 den buikG2836, enG2532 gaat inG1519 de heimelijkheidG856 uit, reinigendeG2511 alG3956 de spijzenG1033.
Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen.
KJV
Because1
it entereth3
not2
into5
his4
heart,7
but8
into9
the belly,11
and12
goeth out16
into13
the draught,15
purging17
all18
meats?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG1161 Hij zeideG3004: Hetgeen uitgaatG1607 uitG1537 den mensG444, datG3754 ontreinigtG2840 den mensG444.
En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens.
KJV
And2
he said,1
That which cometh8
out of5
the man,7
that9
defileth10
the man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WantG1063 van binnenG2081 uitG1537 het hartG2588 der mensenG444 komen voortG1607 kwadeG2556 gedachtenG1261, overspelenG3430, hoererijenG4202, doodslagenG5408,
Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen,
KJV
For2
from within,1
out of3
the heart5
of men,7
proceed12
evil11
thoughts,9
adulteries,13
fornications,14
murders,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
DieverijenG2829, gierighedenG4124, booshedenG4189, bedrogG1388, ontuchtigheidG766, een boosG4190 oogG3788, lasteringG988, hovaardijG5243, onverstandG877.
Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.
KJV
Thefts,1
covetousness,2
wickedness,3
deceit,4
lasciviousness,5
an evil7
eye,6
blasphemy,8
pride,9
foolishness:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
AlG3956 dezeG3778 bozeG4190 dingen komen voortG1607 van binnenG2081, enG2532 ontreinigenG2840 den mensG444.
Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mens.
KJV
All1
these
evil things4
come6
from within,5
and7
defile8
the man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
EnG2532 van daar opstaandeG450, ging Hij wegG565 naarG1519 de landpalenG3181 van TyrusG5184 enG2532 SidonG4605; enG2532 inG1519 een huisG3614 gegaanG1525 zijnde, wildeG2309 Hij niet, dat het iemandG3762 wistG1097, enG2532 Hij konG1410 nochtans niet verborgenG2990 zijn.
En van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon nochtans niet verborgen zijn.
KJV
And1
from thence2
he arose,3
and went4
into5
the borders7
of Tyre8
and9
Sidon,10
and11
entered12
into13
an house,15
and would have17
no man16
know18
it: but19
he could21
not20
be hid.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
WantG1063 een vrouwG1135, welker dochtertjeG2365 een onreinenG169 geestG4151 had, vanG4012 HemG846 gehoordG191 hebbende, kwamG2064 en viel nederG4363 aanG4314 Zijn voetenG4228.
Want een vrouw, welker dochtertje een onreinen geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan Zijn voeten.
KJV
For2
a certain woman,3
whose6
young daughter9
had7
an unclean12
spirit,11
heard1
of4
him,5
and came13
and fell14
at15
his10
feet:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Deze nuG1161 wasG1510 een GriekseG1674 vrouwG1135, van geboorteG1085 uitG1537 Syro-FenicieG4949; en zij badG2065 HemG846, datG2443 Hij den duivelG1140 uitwierpG1544 uit haarG846 dochterG2364.
Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syro-Fenicie; en zij bad Hem, dat Hij den duivel uitwierp uit haar dochter.
KJV
The woman4
was
a Greek,5
a Syrophenician6
by nation;8
and9
she besought10
him11
that12
he would cast forth15
the devil14
out of16
her19
daughter.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
MaarG1161 JezusG2424 zeideG2036 tot haarG846: Laat eerstG4412 de kinderenG5043 verzadigdG5526 worden; wantG1063 het isG1510 nietG3756 betamelijkG2570 dat men het broodG740 der kinderenG5043 nemeG2983, en den hondekensG2952 voor werpeG906.
Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens voor werpe.
KJV
But2
Jesus3
said
unto her,5
Let6
the children10
first7
be filled:8
for12
it is
not11
meet13
to take15
the children's19
bread,17
and20
to cast21
it unto the dogs.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
MaarG1161 zij antwoorddeG611 en zeideG3004 tot HemG846: Ja, HeereG2962, doch ookG2532 de hondekensG2952 etenG2068 onder de tafelG5132 vanG575 de kruimkensG5589 der kinderenG3813.
Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen.
KJV
And2
she answered3
and4
said5
unto him,6
Yes,7
Lord:8
yet9
the dogs12
under13
the table15
eat16
of17
the children's21
crumbs.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
EnG2532 Hij zeideG2036 tot haar: OmG1223 dezes woordsG3056 wilG5217 ga heen, de duivelG1140 is uitG1537 uw dochterG2364 uitgevarenG1831.
En Hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.
KJV
And1
he said
unto her,3
For4
this
saying7
go thy way;8
the devil11
is gone9
out of12
thy
daughter.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
En als zij inG1519 haar huisG3624 kwam, vondG2147 zij, dat de duivelG1140 uitgevarenG1831 was, enG2532 de dochterG2364 liggendeG906 op het bedG2825.
En als zij in haar huis kwam, vond zij, dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed.
KJV
And1
when she was come2
to3
her6
house,5
she found7
the devil9
gone out,10
and11
her daughter13
laid14
upon15
the bed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
EnG2532 Hij wederomG3825 weggegaanG1831 zijnde vanG1537 de landpalenG3725 van TyrusG5184 enG2532 SidonG4605, kwamG2064 aanG4314 de zeeG2281 van GalileaG1056, door het middenG3319 der landpalenG3725 van DekapolisG1179.
En Hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden der landpalen van Dekapolis.
KJV
And1
again,2
departing3
from4
the coasts6
of Tyre7
and8
Sidon,9
he came10
unto11
the sea13
of Galilee,15
through16
the midst17
of the coasts19
of Decapolis.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
EnG2532 zij brachtenG5342 tot HemG846 een doveG2974, die zwaarlijk sprakG3424, enG2532 badenG3870 Hem, datG2443 Hij de handG5495 op hemG846 legdeG2007.
En zij brachten tot Hem een dove, die zwaarlijk sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde.
KJV
And1
they bring2
unto him3
one that was deaf,4
and had an impediment in his speech;5
and6
they beseech7
him8
to9
put10
his hand13
upon him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
En hem vanG575 de schareG3793 alleen genomenG618 hebbende, stakG906 HijG846 Zijn vingerenG1147 inG1519 zijn orenG3775, enG2532 gespogenG4429 hebbende, raakteG680 HijG846 zijn tongG1100 aan;
En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak Hij Zijn vingeren in zijn oren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijn tong aan;
KJV
And1
he took2
him3
aside7
from4
the multitude,6
and put9
his12
fingers11
into13
his16
ears,15
and17
he spit,18
and touched19
his22
tongue;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
EnG2532 opwaarts ziendeG308 naarG1519 den hemelG3772, zuchtteG4727 Hij, enG2532 zeideG3004 tot hemG846: EffathaG2188! datG3739 isG1510: wordt geopendG1272!
En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte Hij, en zeide tot hem: Effatha! dat is: wordt geopend!
KJV
And1
looking up2
to3
heaven,5
he sighed,6
and7
saith8
unto him,9
Ephphatha,10
that is,
Be opened.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
EnG2532 terstondG2112 werden zijn orenG189 geopendG1272, enG2532 de bandG1199 zijner tongG1100 werd losG3089, enG2532 hijG846 sprakG2980 rechtG3723.
En terstond werden zijn oren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht.
KJV
And1
straightway2
his4
ears6
were opened,3
and7
the string10
of his13
tongue12
was loosed,8
and14
he spake15
plain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
En Hij geboodG1291 hunlieden, datG2443 zij het niemandG3367 zeggenG2036 zouden; maarG1161 wat HijG846 hunG846 ookG2532 geboodG1291, zo verkondigdenG2784 zij het des te meer.
En Hij gebood hunlieden, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het des te meer.
KJV
And1
he charged2
them3
that4
they should tell
no man:5
but8
the more7
he9
charged11
them,10
so much the more12
a great deal
they published
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
En zij ontzettenG1605 zich bovenmateG5249 zeer, zeggendeG3004: Hij heeft allesG3956 wel gedaan, en Hij maaktG4160, dat de dovenG2974 horenG191, enG2532 de stommenG216 sprekenG2980.
En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, en Hij maakt, dat de doven horen, en de stommen spreken.
KJV
And1
were beyond measure2
astonished,3
saying,4
He hath done7
all things6
well:5
he maketh11
both8
the deaf10
to hear,12
and13
the dumb15
to speak.
die van Jeruzalem gekomen waren;
Namelijk van de kloekste en bitterste, daartoe van Jeruzalem uitgezonden, om op Zijne leer en werken te letten en die te berispen en bij het volk verdacht te maken.
Hertaald:
die van Jeruzalem gekomen waren;
Namelijk de scherpzinnigste en felste, die daartoe uit Jeruzalem uitgezonden waren om op Zijn leer en werken te letten, die te bekritiseren en Hem bij het volk verdacht te maken.
onreine,
Grieks, gemene; alzo wordt doorgaans genaamd hetgeen onrein of onheilig is. Zie Hand. 10:14 . Want de Farizeën meenden als zij iets gemeens konden aangetast hebben, hoewel het in de wet niet was voor onrein verklaard, dat zij evenwel onrein of onheilig waren, zolang zij niet weder gewassen waren, hetwelk Christus hier bestraft, niet om de burgerlijke eerbaarheid in het wassen van de handen voor het eten, maar om hun bijgelovigheden en geveinsdheid te wederspreken.
Hertaald:
onreine,
Grieks: gemene; zo wordt gewoonlijk genoemd wat onrein of onheilig is. Zie Hand. 10:14. Want de Farizeeën meenden dat zij, wanneer zij iets gewoons hadden aangeraakt, toch onrein of onheilig waren zolang zij zich niet opnieuw gewassen hadden — ook al was dat in de wet niet onrein verklaard. Dat bestraft Christus hier, niet om de gewone welvoeglijkheid van het handen wassen vóór het eten, maar om hun bijgeloof en huichelarij te weerspreken.
brood aten,
Dat is, spijs.
Hertaald:
brood aten,
Dat is: voedsel.
berispten zij hen
Of, klaagden daarover.
Hertaald:
berispten zij hen
Of: klaagden daarover.
dikmaals wassen,
Of, met de vuist; gelijk degenen, die hunne handen wel schoon willen wassen, met de vuist in de hand plachten te wrijven. Of, naarstiglijk, of tot den elleboog toe, gelijk sommigen getuigen de gewoonte der Joden geweest te zijn.
Hertaald:
dikmaals wassen,
Of: met de vuist, zoals zij die hun handen goed schoon willen wassen met de vuist in de hand plegen te wrijven. Of: nauwgezet, of: tot aan de elleboog, zoals sommigen getuigen dat de gewoonte van de Joden geweest is.
houdende de inzettingen
Grieks, vasthoudende de overlevering.
Hertaald:
houdende de inzettingen
Grieks: vasthoudend aan de overlevering.
ouden
Of, der ouderlingen.
Hertaald:
ouden
Of: van de ouderlingen.
markt komende,
Omdat zij daar met allerlei soorten van mensen als heidenen en anderen handelden, en andere dingen aanraakten, waardoor zij meenden verontreinigd te zijn.
Hertaald:
markt komende,
Omdat zij daar met allerlei soorten mensen omgingen, zoals heidenen en anderen, en andere dingen aanraakten waardoor zij meenden verontreinigd te zijn.
gewassen zijn
Grieks, gedoopt; hetwelk indopen in het water en ook afwassen betekent, waarvan de heilige doop zijn naam heeft.
Hertaald:
gewassen zijn
Grieks: gedoopt; dat betekent indopen in het water en ook afwassen, waaraan de heilige doop zijn naam ontleent.
en kannen,
Het Griekse Xestes betekent het zesde deel van en congius; dat is, omtrent anderhalve pint naar onze maat.
Hertaald:
en kannen,
Het Griekse xestes betekent het zesde deel van een congius; dat is ongeveer anderhalve pint naar onze maat.
bedden
Dat is, de bedsteden, of de sponden van de bedden, waarop de ouden om te eten aan de tafel lagen of leunden, inplaats dat wij aanzitten.
Hertaald:
bedden
Dat is: de bedsteden of de rustbanken van de bedden waarop de ouden bij het eten aan tafel lagen of leunden, in plaats van dat wij aanzitten.
wandelen Uw discipelen niet
Dat is, leven; een Hebreeuwse manier van spreken, gelijk Ps. 1:1 , en doorgaans.
Hertaald:
wandelen Uw discipelen niet
Dat is: leven; een Hebreeuwse manier van spreken, zoals Ps. 1:1 en overal.
ouden,
Of, der ouderlingen.
Hertaald:
ouden,
Of: van de ouderlingen.
Wel heeft Jesája,
Zie van dit gehele antwoord de aantekeningen Matt. 15:7 , enz.
Hertaald:
Wel heeft Jesája,
Zie over dit hele antwoord de aantekeningen bij Matth. 15:7, enzovoort.
houdt zich verre van Mij
Dat is, is ver van mij.
Hertaald:
houdt zich verre van Mij
Dat is: is ver van Mij.
tevergeefs
Dat is, zonder vrucht, daar zulk een dienst den Heere niet aangenaam is.
Hertaald:
tevergeefs
Dat is: zonder vrucht, aangezien zo'n dienst de Heere niet aangenaam is.
eren zij Mij,
Of, dienen.
Hertaald:
eren zij Mij,
Of: dienen.
vloekt,
Dat is, met kwade woorden aanspreekt, scheldende of dreigende.
Hertaald:
vloekt,
Dat is: met kwade woorden aanspreekt, scheldend of dreigend.
Het is korban
Of de corban; dat is gave, die van mij geofferd wordt, zal u ten nutte komen. Zie hiervan de aantekeningen Matt. 15:5 . Of, het is corban, hetgeen u van mij zou mogen ten nutte komen.
Hertaald:
Het is korban
Of: het is korban; dat is: een gave die door mij geofferd wordt, zal u ten goede komen. Zie hierover de aantekeningen bij Matth. 15:5. Of: het is korban, wat u van mij ten goede zou mogen komen.
Makende alzo
Grieks, afkeurende, of zijn aanzien en kracht benemende.
Hertaald:
Makende alzo
Grieks: afkeurend, of: het zijn aanzien en kracht ontnemend.
niets,
Namelijk van spijs of drank, matig en met dankzegging gebruikt zijnde; 1 Tim. 4:4 .
Hertaald:
niets,
Namelijk van spijs of drank, wanneer die matig en met dankzegging gebruikt wordt; 1 Tim. 4:4.
ontreinigen;
Grieks, gemeen maken.
Hertaald:
ontreinigen;
Grieks: gemeen maken.
Zo iemand oren heeft om te horen,
Zie Matt. 11:15 .
Hertaald:
Zo iemand oren heeft om te horen,
Zie Matth. 11:15.
gelijkenis
Grieks, parabel; welk woord betekent niet alleen ene gelijkenis, maar ook een bijzondere lering of spreuk.
Hertaald:
gelijkenis
Grieks: parabel; dat woord betekent niet alleen een gelijkenis, maar ook een bijzondere lering of spreuk.
reinigende al de spijzen
Dat is, hetgeen onbekwaam is tot voedsel, wordt daardoor als onrein uitgeworpen, en wordt het blijvende voedsel daardoor gereinigd.
Hertaald:
reinigende al de spijzen
Dat is: wat ongeschikt is als voedsel wordt daardoor als onrein uitgeworpen, en het voedsel dat blijft wordt daardoor gereinigd.
gedachten,
Of, overleggingen, overdenkingen, of samensprekingen.
Hertaald:
gedachten,
Of: overleggingen, overdenkingen, of gesprekken met zichzelf.
gierigheden,
Of, begeerten van altijd meer en meer te hebben.
Hertaald:
gierigheden,
Of: begeerten om altijd meer en meer te hebben.
ontuchtigheid,
Of, dartelheid, geilheid.
Hertaald:
ontuchtigheid,
Of: dartelheid, wellustigheid.
boos oog,
Dat is, nijdigheid, of afgunstigheid. Zie Matt. 20:15 .
Hertaald:
boos oog,
Dat is: jaloersheid of afgunst. Zie Matth. 20:15.
onverstand
Of, dwaasheid.
Hertaald:
onverstand
Of: dwaasheid.
komen voort van binnen,
Dat is, hebben hun oorsprong in het hart, en worden daarna uiterlijk volbracht. Zie Jak. 1:15 .
Hertaald:
komen voort van binnen,
Dat is: zij hebben hun oorsprong in het hart en worden daarna uiterlijk uitgevoerd. Zie Jak. 1:15.
naar de landpalen van Tyrus en Sidon;
Dat is, tot omtrent. Want Christus schijnt zelf nooit in de steden der heidenen gepredikt te hebben. Zie vs.27, 31; Matt. 15:24 .
Hertaald:
naar de landpalen van Tyrus en Sidon;
Dat is: tot in de buurt daarvan. Want Christus lijkt Zelf nooit in de steden van de heidenen gepredikt te hebben. Zie vers 27 en 31; Matth. 15:24.
Griekse vrouw,
Dat is, heidense, gelijk de Joden en Grieken doorgaans tegen elkander gesteld worden.
Hertaald:
Griekse vrouw,
Dat is: heidense, zoals de Joden en de Grieken doorgaans tegenover elkaar gesteld worden.
van geboorte
Dat is, van afkomst.
Hertaald:
van geboorte
Dat is: van afkomst.
Syro-fenicië;
Want Tyrus en Sidon waren gelegen in Fenicië, hetwelk een deel van Syrië was, gelegen aan de Middellandse zee.
Hertaald:
Syro-fenicië;
Want Tyrus en Sidon lagen in Fenicië, dat een deel van Syrië was en aan de Middellandse Zee lag.
betamelijk dat men het brood der kinderen neme,
Grieks, eerlijk, of goed.
Hertaald:
betamelijk dat men het brood der kinderen neme,
Grieks: eervol, of goed.
hondekens voor- werpe
Zie Matt. 15:26 .
Hertaald:
hondekens voor- werpe
Zie Matth. 15:26.
woords wil ga heen,
Namelijk waarmede gij uw geloof en betrouwen op mij betuigd hebt.
Hertaald:
woords wil ga heen,
Namelijk het woord waarmee u uw geloof en vertrouwen op Mij betuigd hebt.
uitgevaren was,
Grieks, uitgegaan.
Hertaald:
uitgevaren was,
Grieks: uitgegaan.
liggende op het bed
Grieks, geworpen.
Hertaald:
liggende op het bed
Grieks: geworpen.
Dekápolis
Zie van dit land Matt. 4:25 .
Hertaald:
Dekápolis
Zie over dit land Matth. 4:25.
de hand op hem legde
Namelijk om hem te genezen; alzo hij gewoon was zulks met oplegging zijner handen, aanraken en andere uitwendige tekenen te doen.
Hertaald:
de hand op hem legde
Namelijk om hem te genezen, aangezien Hij dat gewoonlijk deed met oplegging van Zijn handen, aanraking en andere uiterlijke tekenen.
alleen genomen hebbende,
Of, bezijden.
Hertaald:
alleen genomen hebbende,
Of: terzijde.
stak Hij Zijn vingeren in zijn oren,
Deze tekenen heeft Christus gebruikt, omdat tussen dezelve en de kracht Gods, in het doorboren van de oren en de losmaking van de tong, enige gelijkenis is.
Hertaald:
stak Hij Zijn vingeren in zijn oren,
Deze tekenen heeft Christus gebruikt omdat er tussen die tekenen en de kracht van God enige overeenkomst is bij het doorboren van de oren en het losmaken van de tong.
opwaarts ziende naar den hemel,
Namelijk om Zijnen Vader te bidden, gelijk te zien is Joh. 11:41 .
Hertaald:
opwaarts ziende naar den hemel,
Namelijk om Zijn Vader te bidden, zoals te zien is in Joh. 11:41.
zuchtte Hij,
Namelijk uit medelijden over de ellende der mensen, waarvan deze man als een spiegel was.
Hertaald:
zuchtte Hij,
Namelijk uit medelijden met de ellende van de mensen, waarvan deze man als een spiegel was.
niemand zeggen zouden;
De reden hiervan zie Matt. 12:16 .
Hertaald:
niemand zeggen zouden;
Zie de reden hiervan bij Matth. 12:16.
meer
Grieks, overvloediger.
Hertaald:
meer
Grieks: overvloediger. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het eerste wonder dat Markus verhaalt is een uitdrijving, en het gebeurt in de synagoge te Kapernaüm. De onreine geest roept het uit voordat iemand anders het zegt: "Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods." Jezus bestraft hem met twee woorden: zwijg stil, en ga uit van hem. De omstanders verbazen zich niet over een genezing maar over gezag: Hij gebiedt de onreine geesten en zij zijn Hem gehoorzaam (Mark. 1:23-27). Markus verhaalt daarna nog meer van deze geschiedenissen dan de andere Evangelisten. Hij vertelt van de bezetene in het land der Gadarenen die "Legio" heet omdat de geesten met velen waren (Mark. 5:1-20), de dochter van de Syro-Fenicische vrouw (Mark. 7:24-30) en de jongen die de discipelen niet konden helpen (Mark. 9:14-29). Hij geeft ook macht tot uitdrijving aan de twaalf (Mark. 3:14-15; 6:7). Bijbelse betekenis: Drie dingen vallen in Markus op. De geesten weten precies wie Hij is, terwijl de mensen om Hem heen het niet weten — en juist die belijdenis wordt hun verboden. Verder is er nergens een bezweringsformule of een ritueel: Hij spreekt en het geschiedt, en dat is voor de omstanders de eigenlijke schok. En de geschiedenissen worden zonder opsmuk verteld, met de ellende erin: de man in het land der Gadarenen woonde in de graven en sloeg zichzelf met stenen (Mark. 5:5). Bij de jongen in Mark. 9 wijst Christus daarnaast op gebed, en op het geloof van de vader die bidt: ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark. 9:24,29). Typologie: Christus legt Zelf uit wat er in deze uitdrijvingen te zien is: niemand kan het huis van een sterke ingaan en zijn vaten ontroven, tenzij hij eerst die sterke bindt (Mark. 3:27). De uitdrijvingen zijn dus geen losse wonderen maar tekenen dat de Sterkere gekomen is. Johannes vat het samen: hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou (1 Joh. 3:8). En Paulus zegt dat Hij de overheden en machten uitgetogen en openlijk ten toon gesteld heeft, over hen getriomfeerd hebbende in het kruis (Kol. 2:15). Daarom is de strijd van de gelovige niet tegen vlees en bloed, en zijn de wapenen geestelijk (Ef. 6:11-12). Mark. 1:23-27; Mark. 3:14-15,27; Mark. 5:1-20; Mark. 6:7; Mark. 7:24-30; Mark. 9:14-29; Ef. 6:11-12; Kol. 2:15; 1 Joh. 3:8 Het loopt door heel Markus heen. De onreine geesten die Hem kennen, moeten zwijgen (Mark. 1:25,34; 3:11-12). De genezen melaatse krijgt te horen: "Zie, dat gij niemand iets zegt" (Mark. 1:44). Bij de dochter van Jaïrus beveelt Hij nadrukkelijk dat niemand het weten zal (Mark. 5:43). Na de genezing van de dove bij Dekapolis verbiedt Hij het opnieuw, en en hoe meer Hij het verbood, hoe meer zij het uitriepen (Mark. 7:36). Het scherpst staat het bij de belijdenis van Petrus: op "Gij zijt de Christus" volgt niet een bevestiging voor het volk maar een streng gebod dat zij het niemand zouden zeggen van Hem (Mark. 8:29-30). Onmiddellijk daarna volgt de eerste aankondiging van Zijn lijden (Mark. 8:31). Na de verheerlijking op de berg geldt het verbod tot na de opstanding (Mark. 9:9). Bijbelse betekenis: De reden ligt in de tekst zelf en niet in geheimzinnigheid. De titel Christus was in die dagen met politieke verwachtingen beladen; wie Hem als Messias uitriep zonder het kruis, riep iets anders uit dan Hij was. Vandaar de vaste orde in Markus 8: eerst de belijdenis, dan het zwijggebod, dan het lijden — en wie die orde omkeert, krijgt hetzelfde antwoord als Petrus. Opvallend is dat het verbod eindigt waar het lijden begint: vanaf Mark. 9:9 geldt het tot na de opstanding, en voor de hogepriester zwijgt Hij niet meer maar belijdt Hij openlijk (Mark. 14:61-62). Wie Hij is, kan pas gezegd worden als duidelijk is wat Hij doen zou. Typologie: Jesaja had die stilte al getekend: Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem op de straten laten horen (Jes. 42:2), en juist die woorden past Mattheüs op Hem toe bij een van deze verboden (Matt. 12:16-19). Paulus noemt hetzelfde met een ander woord een verborgenheid die van alle eeuwen verzwegen is geweest maar nu geopenbaard (Rom. 16:25-26). Hij zegt ook dat geen van de oversten dezer wereld haar gekend heeft, want indien zij haar gekend hadden, zo zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben (1 Kor. 2:7-8). Het zwijgen was dus geen achterhouden maar een tijdorde: eerst het kruis, dan de prediking — en na de opstanding volgt het bevel om het juist overal te zeggen (Mark. 16:15). Mark. 1:25,34,44; Mark. 3:11-12; Mark. 5:43; Mark. 7:36; Mark. 8:29-31; Mark. 9:9; Mark. 14:61-62; Mark. 16:15; Jes. 42:2; Matt. 12:16-19; Rom. 16:25-26; 1 Kor. 2:7-8 Farizeeën en Schriftgeleerden uit Jeruzalem nemen aanstoot omdat Zijn discipelen eten met ongewassen handen, en Markus legt voor zijn lezers uit dat de Joden dit doen naar de overlevering der ouden (Mark. 7:1-5). Het antwoord bestaat uit drie stappen. Eerst een aanhaling uit Jesaja over een volk dat God met de lippen eert terwijl het hart ver van Hem is en dat leert naar geboden van mensen (Mark. 7:6-7; Jes. 29:13). Dan de aanklacht: "nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen", en scherper nog: gij doet Gods gebod wel te niet opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden (Mark. 7:8-9). En dan één voorbeeld dat alles blootlegt: wie zijn bezit "korban" verklaart, een gave, hoeft er zijn vader en moeder niet meer mee te onderhouden. Zo wordt Gods woord krachteloos gemaakt door mensen die menen het te beschermen (Mark. 7:10-13). Bijbelse betekenis: De aanklacht is niet dat er overlevering bestond. Het gaat om de rangorde: waar mensenwerk naast het gebod komt te staan, komt het er onvermijdelijk vóór, en dan wordt het gebod niet openlijk afgeschaft maar via een regel omzeild. Het korban-voorbeeld is met opzet gekozen: het misbruikt een vroom middel — iets aan God wijden — om aan het vijfde gebod te ontkomen. En Christus verlegt daarna het hele vraagstuk van buiten naar binnen: niet wat de mens ingaat maakt hem onrein, maar wat uit hem voortkomt (Mark. 7:14-23). Typologie: Paulus, die zelf in die school gevormd was, noemt zijn eigen vooruitgang in de overleveringen der vaderen (Gal. 1:14) en waarschuwt de gemeente tegen filosofie en ijdele verleiding naar de overlevering der mensen en niet naar Christus (Kol. 2:8). Hij noemt met naam wat zulke inzettingen doen: raak niet, smaak niet, roer niet aan — een schijn van godsdienst en wijsheid, zonder enige kracht tegen het vlees (Kol. 2:20-23). Daartegenover stelt hij dat de heilige Schriften wijs kunnen maken tot zaligheid en dat alle Schrift van God ingegeven is, nuttig tot lering en onderwijzing (2 Tim. 3:15-17). Vandaar dat de Reformatie hier haar grondbeginsel vond: het Woord staat boven de overlevering en niet ernaast. Mark. 7:1-23; Jes. 29:13; Gal. 1:14; Kol. 2:8,20-23; 2 Tim. 3:15-17 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Susannah Spurgeon vertrouwde God, zelfs toen haar man overleed en ze veel verdriet had. Ze geloofde dat God nooit fouten maakt en altijd doet wat goed is. Dit zegt de HEERE. (Ezechiël 11:5) Lees verder Markus 7:1—13. Echte dienaren van God verlangen in alle kerkelijke instellingen en in elk onderwijs naar het uitdrukkelijke gezag van… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Markus 7
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Gods wil
Dit zegt de HEERE


Markus 7
Markus 7:27-28.KruisverwijzingenMattheüs 7:6→Handelingen 22:21→Mattheüs 15:23→Mattheüs 10:5→Efeze 2:12→Psalmen 145:16→Lukas 15:30→Jesaja 49:6→
— Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens voor werpe. Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen.
“Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens voor werpe. Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen.”
Deze Syro-Fenicische was een vrouw van een verbazend geloof. Zij liet zich er niet van afbrengen voor haar dochtertje te pleiten, want zij geloofde dat Jezus allerlei ziekten genezen kon. Zij was van plan Hem te blijven smeken tot Hij aan haar aanhouden toegaf.
Haar geloof werd niet gehinderd door een leer die de zegen tot de kinderen van Israel scheen te beperken. Zij had kunnen denken: dan is Hij niet tot mij gezonden; tevergeefs zoek ik wat Hij voor de Joden bewaart.
Haar geloof werd ook niet gehinderd door een besef van erkende onwaardigheid. Jezus sprak over hondjes — Hij bedoelde dat de heidenen voor Israel als honden waren. Zij betwistte dat helemaal niet, maar gaf het punt toe. Zij voelde dat zij alleen waard was met een hond vergeleken te worden.
Zij verwachtte de zegen die zij zocht niet te verkrijgen om enige verdienste van haarzelf. Zij steunde op de goedheid van het hart van Jezus, niet op haar eigen goedheid.
Haar geloof werd evenmin gehinderd door de toon van het antwoord van Jezus, die bij velen de hoop zou hebben neergedrukt en het gebed zou hebben ingehouden. Het is niet betamelijk, zei Jezus, het is niet passend, het is nauwelijks geoorloofd het brood van de kinderen te nemen en het de hondjes voor te werpen.
Zijn woorden waren genoeg om koud water te gieten op de vlammen van haar hoop. En toch werd haar geloof niet gedoofd. Het was een geloof van dat onsterfelijke slag dat door niets te doden is.
Bovendien stemde haar geloof in met alles wat Jezus zei. Hij zei: laat de kinderen eerst verzadigd worden — en dat betwist zij niet. Zij ging niet redetwisten over de vraag of het ongepast was het brood van de kinderen af te nemen en het aan de onbesneden heidenen te geven. Zij wenste nooit dat Israel om harentwil beroofd werd.
Hond als zij was, zij wilde niet dat enig voornemen van God of enige orde van het goddelijke huisgezin om haar verschoven en veranderd werd. Dát is het geloof dat de ziel behoudt: het geloof dat instemt met de zin van God, ook wanneer die tegen zichzelf schijnt in te gaan.
Het is het geloof dat de geopenbaarde uitspraken van God gelooft, of zij nu aangenaam of verschrikkelijk schijnen. Het is het geloof dat het Woord van God beaamt, of dat Woord nu een balsem op zijn wond is of een zwaard om te snijden en te doden.
Zij stemde niet alleen in met alles wat Jezus zei, maar zij erkende Hem ook als Heere. En zij zegt niet: zet mij bij de kinderen. Zij vraagt alleen behandeld te worden zoals een hond behandeld wordt: “ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen”.
Het betoog van deze vrouw rustte op de eigen vooronderstellingen van Jezus. Zij komt niet met nieuwe vooronderstellingen aan en betwist de oude niet. Zij aanvaardt Zijn uitspraak en gebruikt die om Hem te overwinnen. Alles wat zij nodig had, alles wat zij begeerde, waren de kruimels: niet het brood van de kinderen, maar alleen de kruimels van de hond.
Markus 7:29.KruisverwijzingenJesaja 66:2→Mattheüs 8:9→Mattheüs 5:3→Jesaja 57:15→1 Johannes 3:8→
— En Hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.
“En Hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.”
Ten slotte won haar geloof haar zaak; zij verkreeg wat zij begeerde. Jezus was zo verrukt over de wijze, verstandige, ootmoedige maar moedige manier waarop zij antwoordde, dat Hij zei: ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.
Christus gaf Zich meteen gewonnen. Hij bezweek voor de sterke armen van het overwinnende gebed en geloof, en zo kreeg de pleitende vrouw haar zin.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-23.KruisverwijzingenJesaja 29:13→Mattheüs 15:7→Titus 1:16→Ezechiël 33:31→Exodus 20:12→Jakobus 2:14→Lukas 11:39→Deuteronomium 5:16→
— En tot Hem vergaderden de Farizeen, en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren; En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen. Want de Farizeen en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wassen, houdende de inzettingen der ouden. En van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden. Daarna vraagden Hem de Farizeen en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewassen handen? Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij. Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden zijn der mensen; Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, als namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele. En Hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden. Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.
In de vier groepen van verhalen die tot hiertoe voorkomen, heeft Markus de tijd van de openbare werkzaamheid in Galilea tot in het begin van die periode beschreven, dat Zijn reis door het land het karakter van een vlucht aanneemt. Deze periode, waarin de toestand van het rijk Gods op de tijd van de vervaardiging van dit Evangelie is afgebeeld, zweefde hem meteen van het begin af zo zeer voor ogen, dat hij bij zijn mededelingen niet op de geschiedkundige tijdsopvolging het oog had, maar op bepaalde gezichtspunten voor de inwendige ontwikkeling. Nu hij echter zijn doel bereikt heeft, houdt hij zich streng aan de chronologische op volgorde van de gebeurtenissen, zoals die ook bij Mattheus wordt gevonden (vgl. het overzicht bij MATTHEUS. 6: 1); hij brengt daar zelfs nog twee eigenaardige verhalen (Hoofdstuk 7: 31-37 en 8: 22-26) bij. Het eerste stuk van deze vijfde groep, die in 2 x 5 afdelingen verdeeld is, vormt de strijdvraag van de farizeeën over het wassen van de handen.
En bij Hem vergaderden, de dag na Zijn terugkeer van Nazareth (Hoofdstuk 6: 1-6), de farizeeën te Kapernaum en sommige van de schriftgeleerden, die volgens de aanleiding, welke in MATTHEUS. 15: 1 uitvoeriger is voorgesteld, uit Jeruzalem gekomen waren. Zij wilden een onderzoek beginnen om een punt van aanklacht tegen Hem te vinden. Terwijl een daar wonend farizeeer Hem met Zijn discipelen aan tafel uitnodigde om Hem beter te kunnen waarnemen, bevonden zij zich eveneens gezamenlijk in het huis van den gastheer als samengezworenen tegen Hem (Luk. 11: 37).
Zij vonden bij die gelegenheid bevestigd wat men bij de Hoge raad had aangebracht (“Uit 12: 1”). En ziende, dat sommige van Zijne discipelen met onreine, dat is, met ongewassen, met niet volgens de door de oude voorgeschreven wassingen godsdienstig geheiligde handen brood aten, omdat Hij Zich zonder die met Zijn discipelen aan tafel zette (Luk. 11: 37), berispten zij hen; zij maakten dat tot een zaak van verwijt.
Want om eerst de lezers die met de Joodse gebruiken onbekend zijn, de samenhang van de zaken te verklaren: de farizeeën en al de Joden die nog altijd onder hunverordeningen staan, eten niet tenzij zij eerst de handen vaak wassen. Zo belangrijk vinden zij de Levitische reiniging, dat zij de verordening van de ouden houden zoals die in de school van de farizeeën wordt opgevolgd 5: 22″).
En als zij van de markt kwamen, waar zij door aanraking met de menigte zich Levitisch onrein zouden hebben kunnen maken (Joh. 18: 28), aten zij niet, tenzij zij eerst in een bepaald bad gewassen waren. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassing van de houten drinkbekers en aarden kannen, en koperen vaten en bedden, ligbanken voor het middagmaal. Deze allen reinigen zij voor het gebruik op een tot in bijzonderheden geregelde manier, om zich niet in enig opzicht te bevlekken met iets, dat in tegenspraak met de Levitische reinheid is 11: 25″).
Dit zijn allen uitbreidende toevoegsels aan de Mozaische geboden, die dergelijke, tot bijzonderheden afdalende bepalingen, niet bevatten. Zij worden ook verordeningen, of overleveringen van de ouden, of van de oude wetgeleerden genoemd. Nog vandaag is de wet van Mozes bij de Joden door de Talmud verdrongen en door de instellingen van deze overschaduwd.
Niet onbewust maar met het meest duidelijk bewustzijn verhieven de Rabbijnen hun verordeningen boven de wet van Mozes. Afgevaardigden van de Hoge Raad te Jeruzalem bezochten vlijtig de provincies en waren bijzonder opmerkzaam op die leraars die van de grondstellingen van het farizeesme afweken, aan wiens spits het dogma van de overlevering stond.
Veel uitwendige ceremonien en menselijke verordeningen zijn niet goed in de kerk van God, want zo men die stijf en strak houden wil, verlaat men gemakkelijk daardoor Gods gebod. De mensen doen echter gewoonlijk graag alles wanneer zij maar hun hart niet hoeven te veranderen en de eigenliefde is zo dwaas, dat men liever zorgvuldig en vlijtig is voor kruiken en bekers dan voor zichzelf.
Dat was het ook waarom de Heere zelf zei, dat Zijn juk zacht en Zijn last licht was (MATTHEUS. 11: 30), omdat Hij Zichzelf en de gemeenschap die Hij in Zijn naam wilde stichten, vergeleek met het juk en met het menigvuldige van uitwendige lasten bij de Joden, die de oudsten nooit moe werden uit te leggen.
Daarna vroegen de farizeeën en de schriftgeleerden Hem, omdat zij nu het punt van aanklacht, waarom zij zich rondom Hem hadden vergaderd, voorstelden (vs. 2): Waarom wandelen Uw discipelen, die Gij Uzelf vormt, niet naar de verordening van de ouden, maar eten het brood met ongewassen handen? Zoals wij toch aan uw eigen voorbeeld hebben opgemerkt, legt Gij het er op toe, om U te verheffen boven de verordeningen van de ouden -Gij wilt dus zeker een geheel nieuwe school stichten?
Maar Hij weerlegde eerst het verwijt omtrent het niet in acht nemen van de instellingen van de ouden. Hij antwoordde en zei tot hen: Jesaja heeft wel op treffende wijze (in Jes. 29: 13) van u, geveinsden! geprofeteerd, zoals geschreven is: a) Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich ver van Mij.
Ezechiel. 33: 31.
a) Zij eren Mij echter tevergeefs, in plaats van dat hun godsdienst Mij welgevallig zou zijn, want zij onderwijzen leringen die de geboden van de mensen zijn, terwijl zij die als een eigen gebod van God voorstellen, door ieder voor heilig te houden.
Kol. 2: 18, 20. Tit. 1: 14.
Met alle recht mag dat woord op u worden toegepast: want, terwijl u het gebod van God metterdaad nalaat, houdt u de verordeningen van de mensen, om ten sterkste Levitische reinheid in acht te nemen, als namelijk wassingen van de kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet u veel (vgl. vs. 4).
En Hij zei tot hen: U doet welzeker Gods gebod te niet en zet het blijvend terzijde, opdat u uw verordening zou onderhouden, die u aangenamer en meer welgevallig is dan de goede en volmaakte wil van God, tegenover welke u een geheime tegenzin koestert.
Hoort toe hoe u Gods gebod opheft, uit deze tegenover elkaar staande stellingen: want Mozes heeft (Efod. 20: 12 en 21: 17) volgens Gods last of ingeving gezegd: a) Eert uw vader en uw moeder, en b) wie vader of moeder vervloekt, die zal de dood sterven.
Deut. 5: 16. Efeze. 6: 2. b)Lev. 20: 9. Deut. 27: 16. Spr. 20: 20.
Maar u zegt: als een mens tot vader of moeder zegt: Het is Korban, (dat is te zeggen, een offergave, zo wat u van mij ten nutte zou kunnen komen; het is door een gelofte eigendom van de tempel geworden, God zal u om die gelofte iets veel beters geven; die zo spreekt, voldoet.
En gij laat hem zo niet meer toe iets voor zijn vader of zijn moeder te doen.
13. a) En u maakt zo het woord van God, dat beveelt vader en moeder te eren, krachteloos door uw verordening, die u ingezet hebt. In plaats van de mensen terug te houden van zulke onheilige plichten, die een verkorting van de kinderplichten betekenen; in plaats van dergelijke dingen op alle manieren te verhinderen, verhindert u het goede; en veel dergelijke dingen doet u (vgl. vs. 8).
1 Tim. 4: 3. 2 Tim. 3: 2.
Markus geeft de beide delen van de rede van Jezus in omgekeerde opvolging, zodat bij hem de hoofdgedachte voorafgaat, die bij Mattheus volgt; de laatste heeft zeker ten doel om de wet voor de profeten te plaatsen.
Daarentegen laat Markus op de algemene schildering van de Farizees-Joodse gewoonte misschien daarom het door Jezus toegepaste oordeel van Jesaja volgen, om aan te tonen dat de ijverige waarneming van die gewoonten zelfs de profeet van Israël er toe moest brengen, in de plaats van het eigenlijke zedelijke doel van de mens, namelijk het doen van de wil van God, de gehoorzaamheid aan zuiver menselijke uitvindingen toe te laten.
Jesaja, Christus en de Reformatie in hun eenstemmig oordeel over de ware en de valse godsdienst.
Mensen die openlijk goddeloos leven verzwakken de waarheid van de Goddelijke wet niet zo erg door hun zondig leven, dan zij die zich voor vrienden uitgeven en het tegenovergestelde tonen.
Hierop hield de Heere nog verder een scherp bestraffende rede tegen de farizeeën en schriftgeleerden; Hij verliet het huis van degene die Hem aan tafel had genodigd, zonder verder aan de maaltijd deel te nemen. En bij het uitgaan uit de deur weer de hele menigte bij zich geroepen te hebben dieHem vroeger had omgeven, voordat Hij de uitnodiging van de farizeeer had ontvangen, zag Hij hoe deze gedurende Zijn afwezigheid nog aanmerkelijk was toegenomen (Luk. 11: 39-12 : 1). Daarop zei Hij tot hen: Hoor Mij allen en begrijp het, want het is een zeer gewichtige zaak die Ik u te zeggen heb, tot waarschuwing voor de zuurdesem van de farizeeën.
a) Er is niets van buiten de mens dat hem ingaat, dat hem kan ontreinigen, geen spijs of drank maakt hem onrein, maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het die de mens ontreinigen; wat uit zijn boos hart opwelt, dat maakt hem onheilig, dat verlaagt hem.
Hand. 10: 15. Rom. 14: 17, 20. Tit. 1: 15.
Als iemand oren heeft om te horen, die horen (MATTHEUS. 11: 15; 13: 9).
Jezus lost de vraag op, waarvoor de mens moet opletten, wil hij werkelijk voor verontreiniging bewaard worden. Dit doet Hij in een openlijk woord de oren van het volk, waarvoor het gedrag van Zijn discipelen (vs. 2) niet aanstotelijk mocht blijven, al ergerden ook Zijn vijanden zich daaraan. Het is toch niet een bijzonder privilege, dat Zijn discipelen rechtvaardigt, maar een algemene waarheid, die Hij tegenover de leerwijze der farizeeën wil doen kennen.
En toen Hij van de menigte, tot welke Hij voor de deur van het huis van de farizeeer gesproken had, in het huis gekomen was waar Zijn woning was, vroegen Zijn discipelen Hem door de mond van Petrus (MATTHEUS. 15: 15)van de gelijkenis die Hij te voren tot het volk had gesproken.
En Hij zei tot hen: Bent ook u, die bestemd bent om de eerstelingen te zijn in het koninkrijk der hemelen en een nieuwe tijd, de tijd van de genade, bekend te maken, u, die u al overeenkomstig de waarheid hebt gedragen, dat uitwendige reinigingen niets uitwerken op de inwendige toestand (vs. 2), bent ook u zo onwetend dat u de uitdrukking niet eens begrijpt waarmee Ik u gerechtvaardigd heb? Begrijpt u niet, alhoewel uw gemeenschap met Mij u al tot een nieuwe godsdienstige leefwijze gebracht heeft en u nu ook een bepaald bewustzijn omtrent de grond van die nieuwe leefwijze moest hebben, dat al wat van buiten in de mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?
Want het gaat niet in zijn hart, welke gesteldheid toch alleen over reinheid en onreinheid beslist, maar in de buik en gaat van daar ook weer in de heimelijkheid uit, ten gevolge van een afzonderingsproces, reinigend al het voedsel. Het onreine gaat weg en zo wordt de eigenlijke plaats van het leven daarvoor bewaard.
En Hij zei, nadat Hij Zich zo verklaard had over de eerste helft van Zijn woord in vs. 15, nu ook de andere helft verklarend: Dat wat uitgaat uit de mens, dat ontreinigt de mens, omdat het van hemzelf komt en een voortbrengsel is van zijn eigen inwendige natuur; het verontreinigt hem, wanneer het van die aard is dat hij zich daardoor als vleselijk, onzedelijk en verwerpelijk openbaart.
a) Want van binnen uit het hart van de mensen komen voort kwade gedachten, die zich ontwikkelen tot kwade daden, namelijk overspel, hoererij, doodslag.
Gen. 6: 5; 8: 21. Spr. 6: 14. Jer. 17: 9.
Dieverij, gierigheid, boosheid tegen de naaste, bedrog, ontuchtigheid (uitgelatenheid, ordeloosheid), een boos oog (MATTHEUS. 20: 17), lastering, hovaardij, overmoed, onverstand.
Al deze boze dingen komen voort van binnen als een vrucht van kwade gedachten en verontreinigen de mens. Het werk van de reiniging bestaat daarom alleen daarin, dat men de gedachten onderzoekt die te voorschijn komen, hoe zegesteld zijn, dat men de onreine niet voedt, noch zich door deze laat beheersen.
Evenals de Heere Jezus alle gerechtigheid vervuld heeft die Hij leerde en eiste, zo heeft Hij ook het gebod Joh. 7: 24 : “Oordeel niet naar het aanzien, maar oordeel een rechtvaardig oordeel” zelf vervuld. Hij oordeelde altijd naar het recht, nooit naar gevoel en hartstocht; Hij oordeelde altijd waarachtig, naar de inwendige grond, naar de eigenlijke waarde, nooit naar aanzien en uiterlijk. Er is ook in die zin geen bedrog in Zijn mond gevonden, dat Hij geen half waar en scheef, geen overdreven of verkeerd oordeel heeft geveld, waarbij te veel of te weinig gezegd was. Het kon dan ook niet anders of Zijn oordeel moest meestal van het oordeel van de mensen zeer verschillen. Zijn hele manier en wijze om de zaken aan te zien en te waarderen moest een bijzondere, Zijn maatstaf, waarmee Hij zaken en mensen mat en waarnaar Hij hun waarde bepaalde, moest des te ongewoner zijn, omdat de meeste mensen naar gevoel en hartstocht, naar overgeleverde gewoonten en menselijke opvattingen oordelen, afmeten en waarderen. Zo is dan ook hier het oordeel van de Heere Jezus over hetgeen de mens verontreinigt tegenover een ander oordeel geplaatst, namelijk tegenover de mening en het oordeel van Zijn tijdgenoten onder Zijn volk en de mening en het oordeel van de wereld van elke tijd en van elk land. De Joden hielden iemand in die mate onrein, slecht, onwaardig en verachtelijk, als hij de opvolging van Gods geboden naar de letter en naar de uiterlijken vorm en nog meer dan dat, de vervulling en opvolging van de verordeningen van de ouden, van zekere bij hen in hoog aanzien staande leermeesters, naliet. Die deze met de grootste nauwkeurigheid hield, was in hun ogen heilig; die ze niet waarnam, werd voor een gemene, slechte, nietswaardige mens gehouden. Rijkdom en voorname stand maakte bij hen de mens niet voornaam en waardig, gaf hem geen waarde, en armoede en geringheid maakte bij hen niemand onrein; de rijkste tollenaar was bij hen een gemeen mens, omdat hij een Romeins tollenaar was en de voornaamste Jood werd voor een gemeen mens gehouden, wanneer hij de verordeningen van de ouden niet hield; daarentegen was de armste en geringste Jood, wanneer hij die waarnam, geacht en heilig. – Wat maakt daarentegen in de ogen en volgens het oordeel van de wereld een mens gemeen? wie en wat noemt men een gemeen man of een gemeen mens, gemene lieden of gemeen volk? Noemt men zo zondige, boze, misdadige mensen? of mensen, die zonder God en zonder hoop in de wereld zijn? of misschien mensen, die met het heilige spotten? Nee zulke mensen noemt men zo niet! Men noemt ook geen rijken, geen geleerden, geen voornamen gemeen. Een rijke, hoe slecht, hoe ruw, hoe onwetend, hoe belachelijk trots hij moge zijn, in hoe grote gierigheid en schreeuwende onbarmhartigheid of in welke verkwisting en overdaad hij moge leven; hoe veel bedrog en ongerechtigheid aan zijn geld moge kleven, telt niemand onder het gemene volk. Ja, wanneer een arme, een geringe, die vroeger niemand achtte, plotseling tot grote rijkdom komt en nu prachtige huizen bouwt, prachtige tuinen aanlegt, prachtig huisraad aanschaft, kostbare klederen draagt, de fijnste en duurste spijzen en dranken geniet, dan houdt hij dadelijk op tot de gemene lieden te behoren. Als hij over jaar en dag al zijn rijkdom weer verliest, dan behoort hij dadelijk weer tot het gemene volk; met zijn geld verliest hij zijn waarde. Een geleerde, hoe weinig waarde zijn geleerdheid op zichzelf moge hebben, hoe slecht hij ze aanwendt, welk een zondig, schadelijk, verderfelijk mens hij moge zijn, telt men niet onder de gemene mensen; evenmin een voorname, hoe slecht hij moge zijn, hoe ellendig en nutteloos in lediggang, hoe slecht en schadelijk in allerlei laagheid, schelmerij, dronkenschap, hoererij, echtbreuk, verachting van God en mensen hij openlijk moge leven, dat alles ontneemt hem in de wereld zijn waarde niet, bij blijft daarom toch een voornaam man en als men zijn gruwelijk gedrag ook berispt, rekent men hem toch niet onder het gemene volk. Een mens daarentegen die arm en nederig is, hoe goed hij moge zijn, hoe onbesproken zijn gehele gedrag ook is, hoe braaf en trouw, hoe vlijtig en arbeidzaam hij is, al is en doet hij nog meer, al jaagt hij ook in de vreze Gods en in geloof aan Gods beloften met de zwaarste en edelste inspanning de heiligmaking na, al leeft hij voor God en de eeuwigheid, maar is hij, zoals gezegd is, arm en nederig, woont hij in een kleine hut, heeft hij slechts het meest nodige en slechtste huisraad, draagt hij een grof kleed, moet hij in het zweet zijns aangezichts zijn brood eten, die heeft in de wereld geen waarde, die is en blijft volgens haar spraakgebruik een gemeen mens. En hoe oordeelt en spreekt de Heere in deze zaak? wat maakt naar Zijn waarachtig en beslissend oordeel de mens gemeen of onrein? Hij ziet op de mens zelf en alleen op de mens, wanneer Hij bepaalt wat de mens gemeen maakt; ja Hij wil eigenlijk in deze zaak niet eens het lichaam van de mens meegerekend hebben. Al het uitwendige, lichamelijke, zegt Hij kan de mens niet verontreinigen, het lichamelijke, aardse voedsel kan hem niet gemeen maken, want het raakt hemzelf niet aan, het komt niet in en tot de mens zelf, maar in de buik; het behoort slechts tot het lichaam van de mens en het lichaam is niet de eigenlijke mens, maar alleen zijn tent en woning voor de korte tijd van zijn verblijf op aarde. De mens zelf, die van geestelijke aard en natuur is, kan ook alleen door geestelijke zaken onrein en gemeen worden en alleen geestelijke zaken kunnen hem waarde geven; daarom wat van binnen uit het hart van de mensen voortkomt, dat beslist over hem, want het getuigt hoe hij in zichzelf is, hoe goed of hoe slecht de verborgen grond en schat van zijn eigenlijk wezen is en daarnaar kan men hem waarderen en schatten. Wat zo van binnen uit het hart, uit de mens zelf, voor goeds, reins, schoons, goddelijks voortkomt, dat vereert hem en geeft hem waarde; want het getuigt dat hij inwendig in zichzelf goed, rein en schoon is en iets goddelijke in zich heeft. Het kwade, onreine, verkeerde dat van binnen uit het hart, uit de mens te voorschijn komt, dat strekt hem tot schande en maakt hem gemeen, want het getuigt dat hij inwendig, in zichzelf, verkeerd, onrein en gruwelijk is. Oordeelt dan over uw eigen onreinheid en die van andere mensen een rechtvaardig oordeel, zoals u volgens deze woorden van de Heere kunt doen! Bovendien, wat u uitwendig in deze wereld bent, dat bent u slechts een paar ogenblikken in vergelijking met de eeuwigheid; maar wat u in de andere wereld zult zijn, dat bent u eeuwig. O maakt dat u daar niet gemeen genoemd en als zodanig behandeld wordt! Ook dat maakt de mens gemeen, wanneer hij hier graag veel wil zijn en hebben, maar daar niet; daar niets te willen zijn en te willen betekenen is geen ootmoedige, nee, dat is lage gezindheid.
II. Vs. 24-30.KruisverwijzingenMattheüs 15:21→Mattheüs 11:21→Markus 3:7→Mattheüs 7:6→Markus 6:31→Mattheüs 15:22→Jesaja 49:12→Handelingen 22:21→
— En van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon nochtans niet verborgen zijn. Want een vrouw, welker dochtertje een onreinen geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan Zijn voeten. Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syro-Fenicie; en zij bad Hem, dat Hij den duivel uitwierp uit haar dochter. Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens voor werpe. Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen. En Hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren. En als zij in haar huis kwam, vond zij, dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed.
Niet alleen tijdrekenkundig, maar ook naar zijn betekenis voor het koninkrijk Gods, sluit aan het vorige stuk van het handen wassen van de farizeeën en schriftgeleerden zich het nu volgende aan, namelijk dat van het grote geloof van de Kananese vrouw, wier dochter, welke door de duivel gekweld werd, gezond werd gemaakt door Jezus, toen Hij in het gebied van Tyrus en Sidon vertoefde. “Met de gemeente van Christus discipelen, die zich tegenover het oude als het nieuwe Israël openbaarde, dat niet in de waarneming van uitwendige instellingen en onthoudingen zijn heiligheid stelt, maar deze in de heiliging van het hart zoekt, zullen, gemakkelijker dan het door de farizeeën vertegenwoordigde Israël, die heidenen samengaan die zonder het dienen van de wet in ootmoed en geloof hun hart gereinigd hebben tot het ontvangen van de zaligheid die in Jezus is. “
In Kapernaum was Hij door de farizeeën en schriftgeleerden met vijandige vervolgingen van stap tot stap omgeven. En daarom van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpaal van Tyrus en Sidon aan de westzijde vanGalilea. En hij ging in een buis om daar in stilte enige tijd door te brengen en Hij wilde niet, dat iemand wist dat Hij daar was, om niet door hulpbehoevenden uit de heidenen lastig gevallen te worden en Hij kon noch niet verborgen zijn. God beschikte het dat Zijn aanwezigheid bekend werd om hier een gebeurtenis van profetische betekenis voor detoekomst te laten plaats hebben.
Want een vrouw wiens dochtertje een onreine geest had, van Hem gehoord hebbend, wachtte op een gelegenheid dat Hij Zich vertoonde; zij kwam en viel neer aan Zijn voeten (MATTHEUS. 15: 25).
Deze nu was een Griekse (een Grieks sprekende) vrouw van geboorte uit Syro-Fenicie (een ander Fenicie dan dat wat tot Libie in Noord-Afrika behoorde, het gebied van het oude Carthago); en zij bad Hem, dat Hij de duivel uitwierp uit haar dochter, zeggende: Heere! help mij.
De Fenicische kusten waren oorspronkelijk Israël als erfdeel gegeven (Gen. 49: 13, Deut. 33: 14. Joz. 19: 28); die landstreek is echter nooit door Israël veroverd, maar in de handen van de Fenicische Kanaänieten gebleven. Jezus, de ware Zoon van David, de eigenlijke Jozua, wiens naam Hij verwezenlijkt, heeft niet nagelaten dat gebied van Israël, waarin noch Jozua noch Salomo gekomen is, te betreden. Hij heeft hier de Kanaänieten niet uitgeroeid, zoals aan het volk van Israël als knecht van de Heere was opgedragen, ter volvoering van het goddelijk gericht over het meest verdorven gedeelte van de heidenwereld. Hij is niet gekomen om te richten, omdat gebleken was dat het gericht de mensheid niet meer kon redden sinds het volk van God, dat het gericht aan de wereld moest volvoeren, zelf boven alle volken onder de woede van God was. Daarom heeft het betreden van de landstreek van Tyrus en Sidon door Jezus een geheel tegenovergesteld gevolg. Hij redt ziel en lichaam van een Kanaänitische en van haar dochter uit de macht van de duisternis.
Maar Jezus liet eerst haar naroepen onopgemerkt en wees vervolgens ook de voorspraak van de discipelen af (MATTHEUS. 15: 23, 24). Daarna, bij het derde aandringen, waarover hier hoofdzakelijk gehandeld wordt, zeiHij tot haar. 1) Laat eerst de kinderen verzadigd worden voordat de beurt aan u en uw gelijken komt; want het is niet betamelijk dat men het brood van de kinderen neemt en het aan de honden geeft zolang dezen nog aan tafel zitten en het hun etenstijd is. Dat zou tegen alle recht zijn en schennis van het recht van de kinderen.
Deze verzoeking gaat verder dan alle voorgaande, toen haar de Heere eerst geen woord antwoordde en vervolgens tegen de discipelen op hun voorspraak zei: “Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis van Israël. ” Markus heeft dit zozeer gevoeld dat zij de enige is die hij in zijn verhaal vermeldt. Jezus heeft hier alles wat er van verachting voor de heidenen in de taal en in de vooroordelen van Zijn volk bestond, overgenomen, ja ten toppunt opgevoerd. Nu is niet alleen de geest van de Kanaänitische in verwarring gebracht, nu is ook haar hart gewond, ter aarde geworpen, vertreden – ik zeg, haar hart, want het zou te weinig zijn, wanneer ik zei, hare eigenliefde. Men beantwoordt haar vertrouwen met koudheid, haar overgave met ongevoeligheid, haar liefde met verachting. Ach, nu zal zij overwonnen zijn? – Ja, zo zij overwonnen had kunnen worden! Maar zij kan niet overwonnen worden omdat zij niet wil twijfelen; zij laat zich niet afschrikken, niet in verwarring brengen; die vernederende vergelijking, die naar het uiterlijk aanzien haar gehele hart in opstand moest brengen, neemt zij zonder bedenking aan, zij ontleent daaraan een nieuw punt om de tegenstand van de Heere te overwinnen.
Zij had geloofd dat zo’n man voor alle mensen was en dat allen, die in nood waren en hulp nodig hadden, hetzelfde recht op Hem hadden. Nu dit echter niet is, nu zij hoort dat de Joden de kinderen zijn en het brood hen toekomt, blijft zij dadelijk achter. Zij kan dan geen brood verlangen, zij verlangt het ook niet; slechts een kruimel van dit brood, een brok is haar genoeg – slechts een woord, een blik en mijn dochter zal genezen zijn. (M. CLAUDIUS).
Maar zij antwoordde en zei tot Hem: Ja, Heere! maar ook de honden eten onder de tafel van de kruimels van de kinderen, die deze genoegzaam laten vallen.
En Hij zei tot haar: Omwille van dit woord, dat u niet is ingegeven door vlees en bloed, maar door Mijn Vader in de hemel en waaraan Ik als een gebod van de vader gehoorzaam ben, ga heen! de duivel is op dit ogenblik dat Ik tot u spreek uit uw dochter uitgevaren.
Wij hebben vaak de macht van het woord van God bewonderd; het is tijd nu de macht van het mensenwoord te bewonderen. Het woord van de Kanaänitische opent de hemel, triomfeert over de Heere, verdrijft de duivel en werkt wat het wil. “Zo waarachtig als de Heere, de God van Israël leeft, ” zegt Elia in 1 Kon. 17: 1 , “als er in deze jaren dauw of regen zal zijn, zal het zijn omdat ik het zeg. ” Dit is het woord van het geloof en het geloof maakt ons, ik weet niet op welk een geheime manier, de almacht van God deelachtig. Zoals geschreven staat: “bij God zijn alle dingen mogelijk, ” zo staat ook geschreven: “alle dingen zijn mogelijk voor degene die gelooft.”
Heerlijk schittert ook bij zware proeven het geloofslicht van die heldin. Jezus zwijgt, de hulp wordt uitgesteld, maar zij laat de Helper niet los. Zo wil ook ik U, o Jezus! niet loslaten, ik wil U met de armen van mijn geloof aangrijpen: geef mij maar, wanneer het U welbehaaglijk is, wat van Uw tafel valt.
En toen zij in haar huis kwam, merkte zij dat de duivel uitgevaren was en de dochter nog wel afgemat door een laatste aanval van de boze geest (Hoofdstuk 9: 26), maar toch tot rust gebracht en genezen, liggend op het bed.
III. Vs. 31-37.KruisverwijzingenMarkus 8:23→Markus 6:41→Markus 8:12→Mattheüs 4:25→Markus 5:20→Markus 7:24→Mattheüs 15:29→Lukas 11:14→
— En Hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden der landpalen van Dekapolis. En zij brachten tot Hem een dove, die zwaarlijk sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde. En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak Hij Zijn vingeren in zijn oren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijn tong aan; En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte Hij, en zeide tot hem: Effatha! dat is: wordt geopend! En terstond werden zijn oren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht. En Hij gebood hunlieden, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het des te meer. En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, en Hij maakt, dat de doven horen, en de stommen spreken.
De vrouw, van wie wij zo even gehoord hebben, sprak juist; door het woord van haar belijdenis won zij voor zich, onder Jezus genadig welbehagen, de genezing die zij zocht. Zij sprak echter recht, omdat zij met brandend verlangen het gerucht van Hem had gehoord. Nu ontmoeten wij hier een uit Israël die onbekwaam is om te spreken; bij deze moet Jezus eerst de erkentenis opwekken van het goed, dat in Hem is en het verlangen daarnaar opwekken. ” Hij is zo een zeer juist beeld van Zijn volk, dat met horende oren toch niet wilde horen, daar stompzinnigheid en hardheid het hart toesloot en dat nu ook zijn roeping verzuimde om getuige van de zaligheid onder de volken te zijn. Alleen door bijzondere genademiddelen van Christus zal nog eenmaal de ban worden weggenomen en het tot horen worden gebracht, om dan te spreken op volkomen normale wijze, als was het nooit stom geweest (Openbaring . 14: 3).
EVANGELIE OP DE 12DE ZONDAG NA TRINITATIS.
Evenals de doofstomme zich door het gevoel van zijn ellende tot Christus liet dringen, zo moet ook ons de kennis van onze zonden ons dwingen hulp te zoeken bij Hem die gekomen is om zondaren zalig te maken. Waar werkelijk berouw en leedwezen over de zonde is wekt ook de Heilige Geest begeerte en verlangen naar genade en vergeving en voert Hij zo tot de Heere. De Heere opent ons oor en hart om het woord van het leven te geloven en doet ons de mond open tot belijdenis en lof van Zijn naam. De waarachtige bekering is niet ons werk, maar een werk van de Heere. Berouw over de zonde is het eerste stuk daarvan, het gelovig toevlucht nemen tot de Heere onze Verlosser, is het tweede.
En Hij ging weer weg van de landpalen van Tyrus en Sidon, waar Hij toch niet verborgen had kunnen blijven zoals Hij het wilde (vs. 24) en ging in een halve kring, die Hem eerst door de bergwoestijnen en dalkloven aan de voet van de Libanon van de Anti-Libanon bracht, vervolgens voorbij de met sneeuw bedekte top van de grote Hermon en vervolgens naar Iturea en Auranitis voerde. Zo kwam Hij weer aan de zee van Galilea en wel aan de oostzijde, door het midden van de landpalen van Dekapolis, bij de stad Hippos.
En zij brachten, onder de vele zieken die Hij op die tocht genas, (MATTHEUS. 15: 29 vv. ) een dove tot Hem die moeilijk sprak en baden Hem dat Hij de hand op hem legde, om zo hulp te verlenen (Hoofdstuk 6: 5; 8: 23 en 25).
Markus toont bij de keuze van de wonderen een voorliefde voor die genezingen bij welke het middel ter genezing en de genezing zelf in haar voortgang aanschouwelijk voor de ogen kwam. Zo ligt ook volgens hem de dochter van de Kanaänitische na de genezing nog uitgeput op het bed (vs. 30); zo beveelt Jezus volgens hem dat men de dochter van Jairus te eten gaf (Hoofdstuk 5: 43); zo vertelt hij alleen de genezing van de blinde te Bethsa?da, welke langzamerhand en in twee delen plaats heeft (Hoofdstuk 8: 22 vv. ). Zo deelt ook hij alleen hier een geschiedenis mee waarin het wonderbare werk van de Heere met aanwending van spuug nauwkeurig is beschreven.
Dit Evangelie wil ons aanwijzen wat God, de Heere, doet bij het werk van onze wedergeboorte, opdat wij nieuwe mensen worden. Het stelt ons duidelijk en aanschouwelijk in de lichamelijk doofstomme drie zaken voor, waarop het bij de geestelijke geboorte aankomt: 1) in welke toestand de Heere ons van nature vond tegenover Zijn werk; 2) welke middelen Hij tot onze genezing aanwendt; 3) welk gevolg de aanwending van deze middelen bij ons heeft.
En Hij nam hem uit de menigte alleen, stak Zijn vingers, van elke hand de wijsvinger, in zijn oren, spuugde, raakte zijn tong aan en bracht het speeksel op de tong van de doofstomme, om ook met zijn andere gebreken in onmiddellijke aanraking te komen (8: 23).
De Heere kon tot de dove niet spreken, de stem kon tot de ongelukkige niet doordringen, daarom sprak de Heere hem niet aan, maar raakte Hij hem aan. Hij stak de vingers in de oren van de dove en raakte vervolgens met Zijn speeksel de tong van de zwaar bespraakte aan. Hij deelde de man op deze manier iets van Zich mee en wekte hierdoor de opmerkzaamheid van de man. Om dezelfde reden bestreek de Heere de ogen van de blindgeborene. Er moest iets zijn waarmee de lijder werkzaam kon zijn en waarmee hij zijn geloof kon oefenen. -Geschiedde nu de genezing van de dochter van de Kananese vrouw onmiddellijk, de genezing van deze man geschiedde indirect door opvolgende betastingen. De Heere deed het om te tonen en te leren dat Hij indirect en onmiddellijk helpt en dat ieder op zijn manier geholpen wordt. De Heere is aan niets gebonden, maar is zo vrijmachtig als machtig. Daarom moeten wij ook in de bekering niet op een ander neerkijken. De wijsheid van de Heere verheugt zich in de eenheid van het doel in de veelvuldigheid van de wegen.
Deze proef strekt tot bewijs, met hoeveel recht Jezus Zich tot staving van Zijn Messiaswaardigheid op het “de doven horen” beriep (Jes. 35: 6; vgl. MATTHEUS. 11: 5); niet slechts is zij een nieuw bewijs van wonderkracht, die onmogelijk uit natuurlijke oorzaken verklaard kan worden – immers nergens is speeksel als geneesmiddel voor het spraakvermogen aangewezen door de artsen van de oudheid, – maar bovenal is zij een treffend bewijs van de wijsheid waarmee de Heere de vorm van Zijn wonderdaden inrichtte naar de behoefte van de lijders. Men bedriegt zich als men meent, dat alleen de zucht om verborgen te blijven en geen aanstoot aan Zijn vijanden te geven, Hem de glans van het wonder deed temperen door schijnbaar natuurlijke werking; uit die zucht mag het gebod van de stilzwijgendheid volkomen verklaard worden, de wijze van de genezing ontvangt alleen haar licht uit de eigenaardige toestand van de zieke. Omdat Jezus hier met een lijder te doen heeft, die evenmin hoort als verstaanbaar spreken kan, bezigt Hij zinnebeeldige tekenen en wel die, welke Hem het minst raadselachtig moesten zijn. Hij onttrekt de lijder aan het gewoel van de menigte om zijn gemoed in ernstige stemming te brengen en zijn pas ontsloten oor straks niet te doen beledigen door haar onstuimig gedruis. Hij slaat de blik ten hemel om zo de neergezonken moed op te beuren van een man, die niet tot Hem had kunnen naderen met de betuiging van geloof en vertrouwen. Als Hij Zich van speeksel bedient hebben wij zeker in dat uitwendig middel geen toereikende oorzaak, maar slechts een stoffelijke geleider van de wonderkracht te erkennen; dat Hij het hier te baat nam was waarschijnlijk om in de man de gedachte te wekken dat nu zijn lijden zou eindigen, omdat het bekend is welke weldadige werking de Oosterling toekent aan dit eenvoudige vocht. Wij zien zo, door de sluier die de Heere over Zijn wonderdaad werpt, Zijn grootheid even helder als wanneer Hij het teken in de meest schitterende vorm had verricht. Niet minder hebben wij in het bevel van de stilzwijgendheid, bij het teken gevoegd, een oefenschool op te merken, even weldadig voor het innerlijk leven van de bewelddigden als aanraking en speeksel voor zijn oor en tong was geweest. Het oude opschrift van de schepping mag zo veilig ook op deze bladzijde van het Evangelie van de herschepping geplaatst worden: “Hij heeft alles welgemaakt.”
En Hij zag nu op naar de hemel, zuchtte en zei tot hem: Effatha! 5. 41″), dat is: word geopend, zowel wat de gesloten oren als de gebonden tong aangaat.
Waarom zuchtte de Heere bij deze gelegenheid en richtte Hij de ogen op? De reden daarvan is niet moeilijk te vinden. Velerlei redenen liepen daartoe samen. Hij deed het omdat Hij de ziekten die Hij genas, op Zich en voor Zijn rekening nam; omdat Hij, alvorens de genezing te geven, Zichzelf als de doofstomme voelde en Zich in zijn plaats stelde; omdat Hij te kennen wilde geven dat onze vreugde uit Zijn smart, onze genezing uit Zijn verwonding, ons leven uit Zijn dood voortkomt. Voeg hierbij het smartgevoel van de Heere over de vijandigheid jegens God van de satan, die door de zonde zo’n macht over de mens kan uitoefenen dat deze onderworpen is aan alle denkbare kwaal en ellende, terwijl de Heere tegelijkertijd in deze geslotene van oren en gebondene van tong het juiste en treurige beeld zag van Zijn volk, dat oren had zonder te horen en een mond zonder God te verheerlijken. – Opent u! o hoe menig zendeling heeft dit woord, zo niet openbaar, dan toch in zijn harte gesproken tot het land, tot het volk waarnaar hij gezonden werd en dat hij gesloten vond als een rots; en hoe menig getrouw leraar, biddende vader, wenende moeder, hebben niet gezegd van het afgedwaalde schaap van de kudde of van het weerspannig kind van het huis: Och of het dove oor en het gesloten hart geopend werd! Wie het echter, als de Heere, met de ogen naar boven en met verzuchting van het hart heeft gedaan of nog doet, hij hoeft niet te wanhopen; hij zal verhoord worden.
O, als wij echt de overtuiging hadden dat God ons hoort en verhoort, dat de Heilige Geest ons hart nabij is en niet ophoudt daar aan te kloppen; als wij deelden in het vertrouwen op onze hemelse Vader, dat Jezus met ten hemel geslagen ogen en heilige verzuchting tot de doofstomme zeggen deed: “Effatha, word geopend, ” wij zouden vaker, vuriger, met hartelijker aandrang bidden, wij zouden geen arbeid aanvangen, geen besluit nemen, dan van te voren onze harten tot God te hebben gericht.
En meteen toen de Heere dit woord sprak werden zijn oren geopend en de band van zijn tong werd los en hij sprak juist, volkomen en duidelijk.
In de heilige doop brengen de ouders, evenals hier de mensen de doofstomme, het (van nature in geestelijk opzicht eveneens doofstomme, 1 Kor. 2: 14. Joh. 3: 6) kindje tot Jezus. Evenals de doofstomme de Heere nog niet kende, zo kent ook het kindje Hem bij de doop niet. Evenals de Heere het geloof in dezen door Zijn genadige nabijheid en Zijn voorbereidend werken teweegbracht, zo ook bij het kindje. (G. LANG).
Zijn het al blije uren, wordt het leven pas een leven, wanneer ik met mensen kan omgaan en spreken, wat voor een vreugde, wanneer ik met mijn God en Heiland kan spreken en omgaan! Dan wordt het leven pas inderdaad leven. Maar juist hier is de hoofdziekte van ons geslacht. Het grootste gedeelte van de tegenwoordige Christenen is in deze geloofstaal doofstom, geen woord van Gods grote daden ter zaligheid en van Zijn lof, geen woord van inwendige ervaring gaat over hun lippen. Met hun vrienden spreken zij van wind en weer, van oorlog en vrede, van courantenberichten en praatjes, van hun beroep en werk; maar van de grote tijding, van de boodschap, die hemel en aarde bewogen heeft, van hun roeping tot het kindschap van God en tot het eeuwige leven, zegt men geen woord. Zij gaan in hun huis, zij spreken met vrouw en kinderen over brood, kleren en dergelijke dingen, maar een woord over het brood des levens en van het kleed der gerechtigheid wordt niet gesproken, de lippen willen daartoe niet van elkaar.
Jezus neemt deze doofstomme ter zijde: al het andere moet uit zijn ogen verdwijnen; hij moet zo veel mogelijk tot nadenken komen. Jezus alleen moet hem voor ogen en in het hart zijn, op Hem alleen moeten al zijn zinnen en gedachten zich concentreren. Wat voor een beweging moest in de ziel van deze ongelukkige plaats hebben toen hij de Heere in Zijn lichtgevende ogen zag, toen hij niets zag dan deze Jezus alleen! Hij had niets van Hem gehoord, ten hoogste was hij door tekenen en gebaren op Zijn persoon en Zijn werk opmerkzaam gemaakt. Misschien had hij met zijn eigen ogen, als hij er bij gebracht werd, gezien, hoe Jezus anderen hielp; mar al had hij ook niets gezien, nu de Heere Zijn oog op dat van hem vestigde, toen het oog van de Heiland als de lieve zon op hem rustte, moest het in hem licht en warm worden en een voorgevoel vol verwachting moest zijn ziel vervullen.
Over de uitwendige lotgevallen van de wereld wordt openlijk voor de ogen van de wereld gehandeld, op slagvelden, in volksvergaderingen, op bijeenkomsten van de vorsten, maar de dingen van de ziel worden niet op de markt uitgemaakt. Waar het te doen is om opwekking, verlichting, bekering en zaligmaking van het hart van de mensen, neemt de Heere ons graag afzonderlijk en leidt Hij ons in de stilte, opdat Zijn Geest hoorbaarder met ons zou kunnen spreken, Zijn werk ongestoorder in ons zou kunnen plaats hebben. Zo heeft de Heere al Zijn grote werktuigen in de stilte toebereid en van het volk afgezonderd, om ze geschikt te maken voor hun bestemming. Zo nam Hij Abraham afzonderlijk, toen Hij hem beval uit zijn vaderland te gaan en van zijn maagschap, opdat hij alleen onder Gods leiding de vader van de gelovigen zou worden. Zo heeft Hij Mozes afgezonderd veertig jaren lang in de woestijn van Midian, om hem daar te vormen tot een leidsman van zijn volk. Zo werd David onder de moeilijke omstandigheden van zijn jeugd, toen hij als een gejaagd wild in het eenzame gebergte doolde, gevormd tot een herder van zijn volk. Elia leerde als kluizenaar aan de beek Krith de levende God, die hij aan het afvallige Israël moest prediken echt kennen. De apostel Paulus moest zijn drie dagen van boete te Damascus blind en eenzaam doorbrengen in het stille kamertje, hij at niet, dronk niet, zag niet, opdat het werk van zijn bekering tot stand zou worden gebracht. In de stilte van zijn kloostercel leerde Luther de Evangelische weg naar het leven kennen en vernam hij het Effatha van de goddelijke waarheid, dat de banden van dwalingen, waarin hij was opgevoed, verbrak. En nu, toen de Heere uit de drukte van uw dagwerk, waar u nooit tot uzelf komt, u op een wekenlang ziekbed neerlegde, waar u weer tijd had over uzelf na te denken, of toen Hij door enig ongeval in de kring van uw familie u aan uw gewone verstrooiingen een poos onttrok en in de stilte bracht, of toen Hij door tegenspoed u het gezelschap van de mensen ontnam, zodat u zich uit de wereld meer terugtrok, hoe heet dat dan anders als: hij nam u uit de menigte alleen? En wat wilde Hij daarmee anders dan u tijd en gelegenheid geven tot uzelf te komen uit de verstrooiing van de wereld en uw God en Heer weer ernstiger te zoeken? Hebt u dan deze genadige leiding van Hem ook verstaan en u ten nutte gemaakt? Hebt u in de eenzaamheid van uw ziekenkamer ook nagedacht over uzelf, over uw vergankelijkheid, over uw toekomst? Hebt u in de stilte van het huis van de rouwe uzelf ook aan uw eigen graf geplaatst; hebt u, waar de wereld u verliet, uw God gezocht? O zie, dan zouden juist zulke bezoekingen van de Heere tijden van zegen voor u kunnen worden, gelukkige keerpunten in uw inwendig leven! Of hebt u de genadige bedoeling van uw God niet verstaan? hebt u slechts over verveling geklaagd en voedsel verlangd voor uw gewone leven, zoals de kinderen van Israël naar de vleespotten van Egypte? Bent u de woorden van de Heere in uw hart ontweken en hebt u gezocht uzelf te bedwelmen en te verstrooien door ijdele dingen en nietswaardig tijdverdrijf? Lagen er slechts romans op uw bed in plaats van Gods woord en hebt u naar dartele kameraden gezonden in plaats van naar de geestelijke? Zie, dan hebt u zichzelf van de zegen beroofd die de Heere u had toegedacht.
Wij moeten drie stukken in de genezing van de Heere onderscheiden: ten eerste de aanraking van de ogen en de tong, vervolgens het zuchten van Jezus en ten slotte het effatha. Jezus begint met Zijn vingers in de beide oren van de zieke te doen, vervolgens Zijn vingers met speeksel nat te maken en de tong van de zieke daarmee aan te raken. Hij kan niet met de doofstomme spreken, omdat Hij iets heeft te zeggen voordat Hij hem geneest. Omdat Hij nu geen woorden kan gebruiken spreekt Hij door tekenen die ons raadselachtig voorkomen, maar voor de doofstomme verstaanbaar waren. Jezus raakt de zieke delen, oren en tong aan. De doofstomme bemerkt daaruit dat daarmee iets moet gebeuren. Zag hij daarenboven Jezus medelijdend aangezicht aan, zo was het voor hem niet twijfelachtig, dat de aangeraakte delen, tong en oren, door Jezus genezen zouden worden. Wat dus Jezus door deze tekenen in hem opwekt is het verlangen om genezen te worden, in het geloof dat Jezus hem wil genezen. Na deze voorbereiding kan de Heere Zijn eigenlijk werk beginnen. De mens is wel nog niets, maar hij is toch zo veel dat hij iets kan worden en zo ziet Jezus op naar de hemel en zucht. Op aarde is een gedeelte van het werk geschied. Zal het niet bij de geringe aanvang blijven en weer teruggaan, dan moet het tweede gedeelte van het werk, waarvan alles afhangt, in de hemel geschieden. Heeft Jezus het geloof van de doofstomme met zijn vingers opgewekt, zo voert Hij het geloof door Zijn blik tot de troon van de goddelijke ontferming; daar moet hij zoeken wat hem ontbreekt, daar moet hij zijn om vrij te worden van alle nood. De zielen, die de Heere met Zijn vinger opwekt, voert Hij met Zich uit de wereld in Zijn hemels heiligdom en Hij leidt ze met Zijn ogen tot de schatten die voor deze verkrijgbaar zijn; want toen Jezus naar de hemel opzag, zuchtte Hij tevens, met die blik stijgt de zucht tot God op en beide dragen de doofstomme die zij voor de troon van God plaatsen. Dat is het medelijden van Jezus, dat met voorbede voor ons voor God verschijnt. Wel worden hier op aarde de zondaars bekeerd en van de dood tot het leven gebracht, maar alleen in de hemel tussen Vader en Zoon wordt uitgemaakt wat op aarde geschiedt en geen ziel zou komen tot het leven wanneer niet de Zoon met Zijn lijden en met Zijn voorbede het leven van God verwierf. Het Effatha had de Heere hier niet kunnen spreken wanneer Hij de ongelukkige niet door Zijn zuchten voor God had gesteld. Het is wel waar dat geschiedt wat Hij zegt en door Zijn woord kan Hij alle dingen aan Zich onderwerpen; maar het is iets anders water in wijn te veranderen en een zondaar te helpen. Het eerste vermag Hij alleen door Zijn woord, zondaars zijn daarentegen geen hulp en genade waard. Zal Hij hen helpen, dan moet Hij dat door Zijn lijden doen; Hij moet hen eerst met God verzoenen, vervolgens kan Hij in Zijn woord de genadekrachten van God leggen en dat met de verdienste van Zijn lijden vervullen. Dan is het zo krachtig dat Hij ook de zondaren allerlei hulp kan verlenen.
De Heere leidt de zieke uit het geraas van het volks; hij moet weten dat het nu om hem alleen te doen is. Dan legt Hij hem de vingers in de oren; hij moet weten dat het om zijn gehoor te doen is. Vervolgens spuwt Hij, niet alsof Hij door speeksel wilde genezen; Hij wil de ongelukkige met zijn gedachten op de plaats brengen waar het werk van de genade moet worden volbracht. Dan ziet Hij op naar de hemel; Hij wil de ziel van de arme man mee opvoeren, Hij leidt ze als het ware bij de hand, zij moet ook een, al is het ook nog zo nietig gebed mee voor de troon van de genade brengen, Hij zucht, het gaat Hem door de ziel dat de zonde het evenbeeld van God zozeer verwoest heeft en dan volgt het Effatha, d. i. open u -hemel der genade daarboven, gesloten oor en gebonden tong hier beneden.
Het is de Heere bij Zijn zuchten niet alleen te doen geweest om de tong en de oren van deze ongelukkige, maar het is een algemeen zuchten geweest over alle tongen en oren, ja over alle harten, lichamen en zielen en over alle mensen van Adam af tot op de laatste, zodat Hij in de hele klomp van vlees en bloed heeft gezien hoe de duivel die in het paradijs heeft gebracht in dodelijke ellende, de mensen stom en doof gemaakt heeft en zo tot de dood en het helse vuur heeft gebracht. Daarbij heeft Hij, de liefdevolle Heiland, ook wel gezien welke schade en ongeluk nog door tongen en oren zou worden teweeg gebracht. Dat toch is niet de grootste schade, wanneer de Christenen door de tirannen worden vervolgd en gedood, wanneer de vuist tegenover het woord wordt gesteld, maar het stukje vlees, dat tussen de tanden bleef steken, doet het meeste nadeel aan het rijk van Christus. Ik bedoel dit, dat nadat Christus de tong heeft losgemaakt en het Evangelie aan haar heeft gegeven, zij daarna zulk een aanmerkelijke schade veroorzaakt. Het ziet er wel erger uit wanneer men iemand het hoofd afslaat, maar een valse prediking, ja een vals woord, dat op leugenachtige wijze in Gods naam komt, houwt een menigte zielen af.
Jezus zag in de doofstomme een beeld van het volk, dat tot het horen van het geloof en tot het spreken van de belijdenis (Rom. 10) onbekwaam was.
Het leggen van de vingers in de oren heeft nog niet aangegeven hoe de genezing plaats zal hebben. Door het spuwen en aanraken van de tong wordt de ongelukkige ook aangewezen, dat van de mond van de Heere Jezus datgene zal uitgaan wat gehoor en spraak herstelt, dat de Heere de zegen in eigen persoon is en uit Zichzelf door het woord van Zijn mond de zegen mededeelt. In de goddelijke macht, die roept wat niet is alsof het was. (Rom. 4: 17) wendt Hij Zich vervolgens tot de niet horende als tot een horende. Effatha, e. i. Open u 1) gij oog en zie uw Heiland; 2) gij oor en hoor Zijn woord; 3) gij mond en roem Zijn eer, 4) gij hart en word Zijn woning.
Evenals in het sacrament van de Heere het water alleen geen genadevol levenswater is, maar dat eerst wordt door het daarmee verbonden woord; evenals het brood en de wijn bij het avondmaal zonder het woord van de Heere slechts brood en wijn zijn en geen zielen genezende krachten van het leven bezitten, zo is het ook met ons wonder. Pas door het Effatha wordt de aanraking met de vinger en het speeksel van Jezus tot een krachtig hulpmiddel voor de doofstomme. Nu toont de Heere ons hoe Zijn wijsheid onder de kinderen van de mensen graag in verbergende omhulsels werkt, hoe Hij Zich zo graag met Zijn genade met allerlei middenoorzaken omkleedt. Zo doet Hij in de natuur, zo doet Hij in het rijk van de genade. Hij bestrooit niet onmiddellijk de aarde met koren en druiven; Hij schudt niet onmiddellijk uit Zijn hemelse voorraadkamers de appelen, maar Hij onderhoudt met Zijn geduld het veld, de wijnberg, de boomgaard en reikt ons door velerlei armen en handen Zijn zoete gaven. Alle gaven schenkt Hij indirect en geen van Zijn gaven is voor de ziel tot een zegen zonder Zijn heilig woord. De zon in haar heerlijkheid, de maan in haar aantrekkelijkheid, de sterren in haar wondervolle menigte, alle engelen in hun hemelsen glans – zonder het woord van de Heere zijn zij slechts vertoningen; maar deze creaturen, deze verstandeloze wezens verkrijgen een spraak, zij worden zegeningen voor ons, zij worden ons tot een paradijs van het geloof en de engelen, die de heiligen verschijnen, worden tot boden van God, wanneer door hen en met hen het woord van de Heere tot ons komt. Niets is heilzaam zonder Gods zegenend woord; alles wat niet behoort tot het rijk van de hel, van de verlorenheid, wordt een zegen wanneer het woord daarmee verbonden is. De appelboom lacht u tegen zonder uitwerking, wanneer hij zonder woord is, maar schrijf boven zijn bloesems “Gods beloften bedriegen niet, wat Hij toezegt, volbrengt Hij zeker, ” dan is de stomme sprekende geworden, of liever uw gesloten oor is ontvangbaar geworden voor de stem van het schepsel. Het woord is de levende ziel van alle dingen; alles is ledig en woest, evenals een nest dat weggenomen is om te verbranden, wanneer het woord niet meer daarover zweeft.
In de woorden: “meteen werden zijn oren geopend. ” wordt te kennen gegeven dat de doofheid hier haar grond niet heeft in een uitwendig zichtbaar gebrek aan het oor, maar aan een gebrek in het inwendige van het oor, in de gehoorgangen; het tweede wonder: “de band van zijn tong werd los, ” wijst daarop terug, dat de tong daarvoor niet in staat was haar gewone dienst te verrichten. In het derde punt: “hij sprak juist, ” is het toppunt van het wonder. Het heeft een dubbele bedoeling – hij sprak juist, omdat hij niet duidelijk, gebroken, dof en moeilijk sprak en hij sprak juist, omdat hij hetgeen hij wilde uitdrukken ook met de juiste woorden en in juist gevormde zinnen uitsprak. Hieruit blijkt dat de arme mens niet van zijn geboorte af doofstom was, maar later door een ongeluk in die betreurenswaardige toestand was gekomen, dat hij dus vroeger kon spreken en een zekere graad van ontwikkeling had verkregen. De namen van de dingen, de wendingen van de taal, de vorming van zinnen behoefde hij niet meer te leren. Evenals het een matroos vergaat die jarenlang het vaste land niet heeft betreden en nu in zijn gang op bijzondere wijze heen en weer wandelt, of zoals die zieke die maandenlang heeft gelegen, al keren ook de krachten weer, toch niet dadelijk goed loopt, omdat hij het heeft verleerd, zo zou het ook deze mens hebben kunnen vergaan, die jarenlang stom moest zijn; zijn spreken had in het begin meer een onzeker aanslaan van tonen, een radbraken en geen spreken kunnen zijn. Dat was echter zo niet; de wonderbaar genezene sprak vloeiend en wanneer de Evangelist ook niet bepaald zegt, wat hij sprak. Zo bedriegen wij ons niet wanneer wij zeggen dat het volk in vs. 37 slechts op dezelfden toon voortgaat, die de doofstomme had aangeslagen; door deze lofspraak klinkt zijne stem als de toongevende, toonhoudende, krachtig door.
De Heere heeft alles wel gedaan! Ja wel gedaan gedurende Zijn hele leven. Zijn moederlijk dragen bracht mij in de wereld, voerde mij uit de begeerlijkheden van deze wereld, droeg mij door de woestijnen van de verzoeking, leidde mij in het schone Kanaän, waar ik temidden van velden, die overvloeien van melk en honing, de waren Jozua kan zien, die grote dingen met mij heeft gedaan.
En Hij gebood hen, toen Hij met de genezene naar het volk terugkeerde, dat zij het tegen niemand buiten de kring van degenen die het wonder aanschouwd hadden, zouden zeggen. Al had men toch zoveel zieken en ongelukkigen tot Hem gebracht (MATTHEUS. 15: 30), dat Hij Zijn eigenlijke roeping, de armen het Evangelie te prediken, niet zo kon volbrengen als Hij graag wilde (MATTHEUS. 12: 16 vv. ). Maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het des te meer toen zij later huiswaarts keerden en mensen uit de tien steden ontmoetten.
En zij verbaasden zich erg over Hem en zeiden tot elkaar: Hij, het beeld van Hem, die in den beginne alles zo goed heeft gemaakt (Gen. 1: 31), heeft alles wel gedaan en Hij maakt, om hier het bijzondere geval te noemen dat ons Zijn handelen het duidelijkst voor ogen stelde, dat de doven horen en de stommen spreken.
Jezus wil niet worden geroemd, wanneer niet de Vader in en met Hem wordt geroemd. (G. LANG).
De mensen moeten de genezene niet tot een voorwerp van bewondering maken en hem zo de ontvangen zegen, wat het uitwendige aangaat, bederven.
De mensen hadden het gebod gehoord en waren wel bereid op te volgen wat Hij zei, maar dit gebod leek hen niet als enig ander gebod; zulke ongehoorde dingen moesten en mochten niet verborgen blijven; naar hun mening was dat toch zeker geen onrecht, wanneer zij iedereen vertelden hoe barmhartig en wonderbaar Jezus de zieken man had geholpen.
Hoe sterker verboden werd, des te meer maakten zij het bekend, zo waren zij meegesleept door het wonder.
Zij waren aan Jezus verschijning nog niet gewend en evenmin door de oversten nog niet tegen Hem opgezet. Zijn persoon is voor hen geheel overweldigend; Zijn werk overtreft alles wat ooit een oog zag, een oor gehoord heeft en ooit in een mensenhart is opgekomen; men moet verwonderd staan en kan van zijn verwondering niet bekomen, maar wordt van de ene trap van verwondering tot de anderen gevoerd. De mensen zijn dus te verontschuldigen, maar daarom nog niet te prijzen.
Ga niet uit van wat u goeddunkt, maar op hetgeen dat voor God welgevallig is; het verstand niet meester willen zijn over Christus. (G. LANG).
Het juiste horen bestaat in gehoorzamen; men gebruikt de niet gebonden tong juist wanneer men het vrijwillig bindt tot gehoorzaamheid.
Toch draagt Jezus dat verbreiden met geduld, omdat zij het niet uit boosheid deden maar uit menselijke zwakheid.
De nederigheid van de Weldoener en de dankbaarheid van hen, die de weldaad ontvangen, kunnen met elkaar in strijd zijn, toch heeft het plaats zonder dat de vrede schade lijdt.
Uit de lof van de mensen klinkt een voorgevoel van de nieuwe schepping, die door Christus volbracht is. Zijn Effatha met de dadelijke en almachtige, wonderbare werking herinnert aan het scheppingswoord: “er zij licht” en er was licht.
De Heere wilde in de dagen van Zijn vernedering het geroep bedwingen, want Hij wandelde in de gedaante van de armoede; Hij schreeuwde en twistte niet, Hij ging zacht voort; men moet Zijn nog onvoltooid werk niet storen, de hindernissen niet al te veel opeenhopen. Nu is het anders; nu wil Hij het lofgezang; nu is het Zijn nederigheid dat aan te nemen; van de cherub van Zijn troon, van de oudste op Zijn zetel tot op het kleinste toe is het een geroep: Hij heeft alles welgedaan.
Dat wonder was een bewijs dat Hij de Christus was, want het was voorzegd dat door Zijn macht de oren van de doven zouden worden geopend en de tong van de stommen zou juichen. (Jes. 35: 5 en 6). Het was dus een bewijs van de werkingen van het Evangelie op de harten van de mensen.
Niet door Beelzebub, de overste van de duivels, zoals de schriftgeleerden en farizeeën zeiden; niet om eer en toejuiching, bij mensen te verkrijgen, zoals zij duidelijk zagen, maar ten nutte van het mensdom en tot eer van God; en zoals alle wonderdadige werken van Christus door Hem wel gedaan waren, zo ook al Zijn andere werken en alles wat Hij in de tijd heeft gedaan in het grote werk van de verlossing; en ook al wat Hij hierna doen zal als Rechter van levenden en doden zal op dezelfde manier wel gedaan zijn.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel