Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En Hij ging wederomG3825 inG1519 de synagogeG4864; enG2532 aldaar wasG1510 een mensG444, hebbendeG2192 een verdordeG3583 handG5495.
En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand.
KJV
And1
he entered2
again3
into4
the synagogue;6
and7
there was
a man10
there9
which had12
a withered11
hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EnG2532 zij namenG3906 HemG846 waar, ofG1487 Hij op den sabbatG4521 hem genezenG2323 zou, opdatG2443 zij Hem beschuldigenG2723 mochten.
En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.
KJV
And1
they watched2
him,3
whether4
he would heal7
him8
on the sabbath day;6
that9
they might accuse10
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
EnG2532 Hij zeideG3004 tot den mensG444, die de verdordeG3583 handG5495 hadG2192: StaG1453 op in het middenG3319.
En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden.
KJV
And1
he saith2
unto the man4
which had7
the withered6
hand,9
Stand10
forth.11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En Hij zeideG3004 tot henG846: Is het geoorloofdG1832 op sabbatdagenG4521 goedG15 te doen, ofG2228 kwaadG2554 te doen, een mensG5590 te behoudenG4982, ofG2228 te dodenG615? En zij zwegen stilG4623.
En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.
KJV
And1
he saith2
unto them,3
Is it lawful4
to do good7
on the sabbath days,6
or8
to do evil?9
to save11
life,10
or12
to kill?13
But15
they held their peace.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
EnG2532 als Hij hen metG3326 toornG3709 rondom aangezienG4017 had, meteen bedroefdG4818 zijnde overG1909 de verhardingG4457 van hun hartG2588, zeideG3004 Hij tot den mensG444: StrekG1614 uw handG5495 uit. EnG2532 hij strekteG1614 ze uit; enG2532 zijn handG5495 werd hersteldG600, gezondG5199 gelijkG5613 de andere.
En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
KJV
And1
when he had looked round about2
on them3
with4
anger,5
being grieved6
for7
the hardness9
of their12
hearts,11
he saith13
unto the man,15
Stretch forth16
thine
hand.18
And20
he stretched it out:21
and22
his26
hand25
was restored23
whole27
as28
the other.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
EnG2532 de FarizeenG5330, uitgegaanG1831 zijnde, hebben terstondG2112 metG3326 de HerodianenG2265 te zamen raadG4824 gehouden tegenG2596 HemG846, hoeG3704 zij HemG846 zouden dodenG622.
En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem zouden doden.
KJV
And1
the Pharisees4
went forth,2
and straightway5
took10
counsel9
with6
the Herodians8
against11
him,12
how13
they might destroy15
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG2532 JezusG2424 vertrokG402 metG3326 Zijn discipelenG3101 naarG4314 de zeeG2281; enG2532 HemG846 volgdeG190 een grote menigteG4128 vanG575 GalileaG1056, enG2532 vanG575 JudeaG2449.
En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galilea, en van Judea.
KJV
But1
Jesus3
withdrew himself4
with5
his8
disciples7
to9
the sea:11
and12
a great13
multitude14
from15
Galilee17
followed18
him,19
and20
from21
Judaea,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En van JeruzalemG2414, enG2532 van IdumeaG2401, enG2532 van over de JordaanG2446; enG2532 die van omtrentG4012 TyrusG5184 enG2532 SidonG4605, een grote menigteG4128, gehoordG191 hebbende, hoeG3745 grote dingen Hij deedG4160, kwamenG2064 totG4314 HemG846.
En van Jeruzalem, en van Idumea, en van over de Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem.
KJV
And1
from2
Jerusalem,3
and4
from5
Idumaea,7
and8
from beyond9
Jordan;11
and12
they about14
Tyre15
and16
Sidon,17
a great19
multitude,18
when they had heard20
what great things21
he did,22
came23
unto24
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
EnG2532 Hij zeideG2036 tot Zijn discipelenG3101, dat een scheepjeG4142 steeds omtrent HemG846 blijven zou, omG1223 der schareG3793 wilG2443, opdat zij Hem nietG3361 zouden verdringenG2346.
En Hij zeide tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds omtrent Hem blijven zou, om der schare wil, opdat zij Hem niet zouden verdringen.
KJV
And1
he spake
to his5
disciples,4
that6
a small ship7
should wait on8
him9
because10
of the multitude,12
lest
they should throng15
him.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantG1063 Hij had er velenG4183 genezenG2323, alzo dat Hem al degenen, die enige kwalenG3148 haddenG2192, overvielenG1968, opdatG2443 zij Hem mochten aanrakenG680.
Want Hij had er velen genezen, alzo dat Hem al degenen, die enige kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.
KJV
For2
he had healed3
many;1
insomuch that4
they pressed upon5
him6
for to7
touch9
him,8
as many as10
had11
plagues.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En de onreineG169 geestenG4151, als zij HemG846 zagenG2334, vielenG4363 voor HemG846 nederG4363 enG2532 riepenG2896, zeggendeG3004: GijG4771 zijtG1510 de ZoneG5207 GodsG2316.
En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods.
KJV
And1
unclean5
spirits,3
when6
they saw8
him,7
fell down before9
him,10
and11
cried,12
saying,13
Thou15
art
the Son18
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
EnG2532 Hij geboodG2008 hunG846 scherpelijkG4183 datG2443 zij Hem nietG3361 zouden openbaarG5318 makenG4160.
En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken.
KJV
And1
he straitly2
charged3
them4
that
they should9
not
make
him7
known.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En Hij klomG305 opG1519 den bergG3735, enG2532 riepG4341 totG4314 Zich, dieG3739 HijG846 wildeG2309; en zij kwamen tot Hem.
En Hij klom op den berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem.
KJV
And1
he goeth up2
into3
a mountain,5
and6
calleth7
unto him whom8
he10
would:9
and11
they came12
unto13
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
EnG2532 Hij steldeG4160 er twaalfG1427, opdatG2443 zij metG3326 Hem zouden zijnG1510, enG2532 opdatG2443 Hij dezelve zou uitzendenG649 om te predikenG2784;
En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken;
KJV
And1
he ordained2
twelve,3
that4
they should be
with6
him,7
and8
that9
he might send10
them11
forth
to preach,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG2532 om machtG1849 te hebbenG2192, de ziektenG3554 te genezenG2323, enG2532 de duivelenG1140 uit te werpenG1544.
En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen uit te werpen.
KJV
And1
to have2
power3
to heal4
sicknesses,6
and7
to cast out8
devils:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
EnG2532 SimonG4613 gaf Hij den toe naamG3686 PetrusG4074;
En Simon gaf Hij den toe naam Petrus;
KJV
And1
Simon4
he surnamed2
Peter;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EnG2532 JakobusG2385, den zoon van ZebedeusG2199, enG2532 JohannesG2491, den broederG80 van JakobusG2385; enG2532 gaf hunG846 toe namenG3686, BoanergesG993, hetwelkG3739 isG1510, zonenG5207 des dondersG1027;
En Jakobus, den zoon van Zebedeus, en Johannes, den broeder van Jakobus; en gaf hun toe namen, Boanerges, hetwelk is, zonen des donders;
KJV
And1
James2
the son3
of Zebedee,5
and6
John7
the brother9
of James;11
and12
he surnamed13
them14
Boanerges,16
which is,
The sons19
of thunder:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En AndreasG406, enG2532 FilippusG5376, enG2532 BartholomeusG918, enG2532 MattheusG3156, enG2532 ThomasG2381, enG2532 JakobusG2385, den zoon van AlfeusG256, enG2532 ThaddeusG2280, enG2532 SimonG4613 KananitesG2581,
En Andreas, en Filippus, en Bartholomeus, en Mattheus, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alfeus, en Thaddeus, en Simon Kananites,
KJV
And1
Andrew,2
and3
Philip,4
and5
Bartholomew,6
and7
Matthew,8
and9
Thomas,10
and11
James12
the son13
of Alphaeus,15
and16
Thaddaeus,17
and18
Simon19
the Canaanite,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
EnG2532 JudasG2455 IskariotG2469, dieG3739 HemG846 ookG2532 verradenG3860 heeft.
En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
KJV
And1
Judas2
Iscariot,3
which4
also5
betrayed6
him:7
and8
they went9
into10
an house.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En zij kwamen in huisG3624; en daar vergaderdeG4905 wederomG3825 en schareG3793, alzo dat zijG846 ook zelfsG3383 nietG3361 kondenG1410 broodG740 etenG5315.
En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom en schare, alzo dat zij ook zelfs niet konden brood eten.
KJV
And1
the multitude4
cometh together2
again,3
so that5
they8
could7
not6
so much as9
eat11
bread.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
EnG2532 als degenen, die Hem bestondenG3844, dit hoordenG191, gingenG1831 zij uit, om Hem vast te houdenG2902; want zij zeidenG3004: Hij is buiten Zijn zinnen.
En als degenen, die Hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.
Ook in dit vers
buiten zinnenG1839
KJV
And1
when his5
friends4
heard2
of it, they went out6
to lay hold7
on him:8
for10
they said,9
He is beside himself.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
EnG2532 de SchriftgeleerdenG1122, die vanG575 JeruzalemG2414 afgekomenG2597 waren, zeidenG3004: Hij heeftG2192 BeelzebulG954, enG2532 doorG1722 den oversteG758 der duivelenG1140 werptG1544 Hij de duivelenG1140 uit.
En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beelzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit.
KJV
And1
the scribes3
which2
came down7
from5
Jerusalem6
said,8
He hath11
Beelzebub,10
and12
by14
the prince16
of the devils18
casteth he out19
devils.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
EnG2532 hen tot Zich geroepenG4341 hebbende, zeideG3004 Hij tot hen inG1722 gelijkenissenG3850: HoeG4459 kanG1410 de satanG4567 den satanG4567 uitwerpenG1544?
En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen?
KJV
And1
he called2
them3
unto him, and said6
unto them7
in4
parables,5
How8
can9
Satan10
cast out12
Satan?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
EnG2532 indien een koninkrijkG932 tegenG1909 zichzelfG1438 verdeeldG3307 is, zo kanG1410 dat koninkrijkG932 nietG3756 bestaanG2476.
En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan.
KJV
And1
if2
a kingdom3
be divided6
against4
itself,5
that12
kingdom11
cannot7
stand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
EnG2532 indienG1437 een huisG3614 tegenG1909 zichzelfG1438 verdeeldG3307 is, zo kanG1410 dat huisG3614 nietG3756 bestaanG2476.
En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan.
KJV
And1
if2
a house3
be divided6
against4
itself,5
that12
house11
cannot7
stand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En indienG1487 de satanG4567 tegenG1909 zichzelvenG1438 opstaatG450, enG2532 verdeeldG3307 is, zo kanG1410 hij nietG3756 bestaanG2476, maarG235 heeftG2192 een eindeG5056.
En indien de satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.
KJV
And1
if2
Satan4
rise up5
against6
himself,7
and8
be divided,9
he cannot10
stand,12
but13
hath15
an end.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Er kanG1410 niemandG3762 inG1519 het huisG3614 eens sterkenG2478 ingaanG1525 en zijn vatenG4632 ontrovenG1283, indienG1437 hij niet eerstG4412 den sterkeG2478 bindtG1210; enG2532 alsdanG5119 zal hijG846 zijn huisG3614 berovenG1283.
Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven.
KJV
No man3
can1
enter8
into9
a strong man's7
house,11
and spoil13
his12
goods,5
except
he will19
first16
bind
the strong man;18
and20
then21
he will spoil25
his24
house.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
VoorwaarG281, Ik zegG3004 uG4771, datG3754 al de zondenG265 den kinderenG5207 der mensenG444 zullen vergevenG863 worden, enG2532 allerlei lasteringenG988, waarmede zij zullen gelasterdG987 hebben;
Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben;
KJV
Verily1
I say2
unto you,4
All5
sins8
shall be forgiven6
unto the sons10
of men,12
and13
blasphemies14
wherewith15
soever16
they shall blaspheme:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Maar zo wieG3739 zal gelasterdG987 hebben tegen den HeiligenG40 GeestG4151, die heeftG2192 geenG3756 vergevingG859 inG1519 der eeuwigheidG165, maar hij isG1510 schuldigG1777 des eeuwigenG166 oordeelsG2920.
Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.
KJV
But2
he1
that3
shall blaspheme4
against5
the Holy9
Ghost7
hath11
never10
forgiveness,12
but16
is
in danger17
of eternal19
damnation:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
WantG3754 zij zeidenG3004: Hij heeftG2192 een onreinenG169 geestG4151.
Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.
KJV
Because1
they said,2
He hath5
an unclean4
spirit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Zo kwamenG2064 dan Zijn broedersG80 enG2532 Zijn moederG3384; enG2532 buitenG1854 staandeG2476, zondenG649 zij totG4314 HemG846, en riepenG5455 HemG846.
Zo kwamen dan Zijn broeders en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem.
KJV
There came1
then2
his8
brethren4
and5
his mother,7
and,9
standing11
without,10
sent12
unto13
him,14
calling15
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En de schareG3793 zat rondomG4012 HemG846; en zij zeidenG2036 tot Hem: ZieG2400, Uw moederG3384 en Uw broedersG80 daar buitenG1854 zoekenG2212 UG4771.
En de schare zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders daar buiten zoeken U.
KJV
And1
the multitude3
sat2
about4
him,5
and7
they said
unto him,8
Behold,
thy
mother11
and13
thy
brethren15
without17
seek for18
thee.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
EnG2532 Hij antwoorddeG611 hunG846, zeggendeG3004: WieG5101 isG1510 Mijn moederG3384, ofG2228 Mijn broedersG80?
En Hij antwoordde hun, zeggende: Wie is Mijn moeder, of Mijn broeders?
KJV
And1
he answered2
them,3
saying,4
Who5
is
my
mother,8
or10
my
brethren?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
EnG2532 rondomG2945 overzienG4017 hebbende, die om HemG846 zatenG2521, zeideG3004 Hij: ZietG3708, Mijn moederG3384 enG2532 Mijn broedersG80.
En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.
KJV
And1
he looked2
round about3
on them which4
sat7
about5
him,6
and said,8
Behold
my
mother11
and13
my
brethren!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
WantG1063 zo wieG3739 den wilG2307 van GodG2316 doetG4160, die isG1510 Mijn broederG80, en Mijn zusterG79, enG2532 moederG3384.
Want zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder.
KJV
For2
whosoever1
shall do4
the will6
of God,8
the same9
is
my
brother,10
and12
my
sister,13
and15
mother.
synagoge;
Want de Joden vergaderden op alle sabbaten in hunne synagogen om de wet te horen verklaren. Zie Openb. 15:21 .
Hertaald:
synagoge;
Want de Joden kwamen op alle sabbatten in hun synagogen bijeen om de wet te horen verklaren. Zie Hand. 15:21.
hand
In Luc. 6:6 blijkt dat het zijne rechterhand was.
Hertaald:
hand
Uit Luk. 6:6 blijkt dat het zijn rechterhand was.
zij namen Hem waar,
Namelijk de schriftgeleerden en Farizeën; Luc. 6:7 .
Hertaald:
zij namen Hem waar,
Namelijk de schriftgeleerden en Farizeeën; Luk. 6:7.
sabbat hem genezen zou,
Grieks, sabbaten.
Hertaald:
sabbat hem genezen zou,
Grieks: sabbatten.
een mens te behouden,
Grieks, ene ziel; hetwelk ook somtijds voor het leven, somtijds voor den gehelen mens genomen wordt.
Hertaald:
een mens te behouden,
Grieks: een ziel; dat woord wordt soms opgevat als het leven, soms als de hele mens.
met toorn rondom aangezien had,
Deze toorn is geweest een ijverige beweging des gemoeds tegen de zonde en verharding van dit volk, welke in zichzelven goed is, blijvende binnen de behoorlijke palen; Ef. 4:26 .
Hertaald:
met toorn rondom aangezien had,
Deze toorn was een ijverige beweging van het gemoed tegen de zonde en de verharding van dit volk. Zo'n toorn is op zichzelf goed, zolang hij binnen de behoorlijke grenzen blijft; Ef. 4:26.
verharding van hun hart,
Het Griekse woord betekent eigenlijk zulk een hardigheid, als aan handen en voeten komt door weer of eelt, waardooor zij hard en ongevoelig worden.
Hertaald:
verharding van hun hart,
Het Griekse woord duidt eigenlijk zo'n hardheid aan als er aan handen en voeten ontstaat door weer of eelt, waardoor die hard en ongevoelig worden.
Herodianen te zamen
Van de Herodianen zie Matt. 22:16 .
Hertaald:
Herodianen te zamen
Zie over de Herodianen Matth. 22:16.
vertrok met Zijn discipelen naar de zee;
Namelijk om hunne lagen te ontgaan; Matt. 12:15 .
Hertaald:
vertrok met Zijn discipelen naar de zee;
Namelijk om hun lagen te ontgaan; Matth. 12:15.
Idumea,
Waar de nakomelingen van Ezau of de Edomieten woonden, Num. 20:14 .
Hertaald:
Idumea,
Waar de nakomelingen van Ezau, de Edomieten, woonden, Num. 20:14.
Tyrus en Sidon,
Van deze twee steden zie Matt. 11:21 .
Hertaald:
Tyrus en Sidon,
Zie over deze twee steden Matth. 11:21.
een grote menigte,
Of, met grote menigte; of makende tezamen een grote menigte.
Hertaald:
een grote menigte,
Of: met grote menigte; of: die samen een grote menigte vormden.
zeide tot Zijn discipelen,
Dat is, beval; gelijk Matt. 8:8 .
Hertaald:
zeide tot Zijn discipelen,
Dat is: beval, zoals Matth. 8:8.
kwalen hadden,
Grieks, gesels; met welk woord de ziekten en gebreken der mensen genoemd worden, omdat God door dezelve de mensen straft of tuchtigt; Marc. 5:29 ; Hebr. 12:6 .
Hertaald:
kwalen hadden,
Grieks: gesels. Met dat woord worden de ziekten en gebreken van de mensen genoemd, omdat God de mensen daarmee straft of tuchtigt; Mark. 5:29; Hebr. 12:6.
vielen voor Hem neder
Namelijk in de mensen, die zij bezeten hadden.
Hertaald:
vielen voor Hem neder
Namelijk in de mensen die zij bezeten hadden.
gebood hun scherpelijk
De reden hiervan zie tevoren Marc. 1:25 .
Hertaald:
gebood hun scherpelijk
Zie de reden hiervan in Mark. 1:25.
klom op den berg,
Namelijk om te bidden en daarna zijne apostelen te kiezen.
Hertaald:
klom op den berg,
Namelijk om te bidden en daarna Zijn apostelen te kiezen.
stelde er twaalf,
Grieks, maakte; namelijk tot zijne apostelen; Luc. 6:13 .
Hertaald:
stelde er twaalf,
Grieks: maakte; namelijk tot Zijn apostelen; Luk. 6:13.
Simon
Sommigen hebben: namelijk Simon, wien hij den toenaam gaf van Petrus.
Hertaald:
Simon
Sommigen hebben: namelijk Simon, aan wie Hij de toenaam Petrus gaf.
Petrus;
Dat is, steen; Joh. 1:43 . De reden hiervan wordt verklaard Matt. 16:18 .
Hertaald:
Petrus;
Dat is: steen; Joh. 1:43. De reden hiervan wordt verklaard in Matth. 16:18.
Boanerges,
Dit is een gebroken Hebreeuws of Syrisch woord, betekenende, gelijk hier verklaard wordt, zonen des donders; en hun wordt deze naam gegeven vanwege hun bijzonderen ijver en doordringende kracht in het prediken, gelijk men nog zien kan in de schriften van Johannes.
Hertaald:
Boanerges,
Dit is een verbasterd Hebreeuws of Syrisch woord dat, zoals hier verklaard wordt, zonen van de donder betekent. Deze naam wordt hun gegeven vanwege hun bijzondere ijver en doordringende kracht in het prediken, zoals men nog kan zien in de geschriften van Johannes.
Thaddeüs,
Anders genaamd Lebbeus. Zie Matt. 10:3 .
Hertaald:
Thaddeüs,
Ook wel Lebbeüs genoemd. Zie Matth. 10:3.
Kananites,
Zie Matt. 10:4 ; gelijk ook van de anderen.
Hertaald:
Kananites,
Zie Matth. 10:4, zoals ook over de anderen.
in huis;
Namelijk te Kapernaüm, waar Hij woonde, Matt. 4:13 , om voortaan Hem te volgen en Hem ten dienste te staan.
Hertaald:
in huis;
Namelijk in Kapernaüm, waar Hij woonde, Matth. 4:13.
brood eten
Dat is hunne spijs of nooddruft op zijnen tijd nemen.
Hertaald:
brood eten
Dat is: hun voedsel of levensbehoeften op de gewone tijd nemen.
die Hem bestonden,
Grieks, die van Hem, of van de zijnen waren. Want ook velen van Zijne bloedverwanten geloofden niet in Hem, Joh. 7:5 .
Hertaald:
die Hem bestonden,
Grieks: die van Hem of van de Zijnen waren. Want ook veel van Zijn bloedverwanten geloofden niet in Hem, Joh. 7:5.
buiten Zijn zinnen
Grieks, buiten zichzelven gesteld.
Hertaald:
buiten Zijn zinnen
Grieks: buiten zichzelf geraakt.
de Schriftgeleerden,
Zie hiervan Matt. 10:25 .
Hertaald:
de Schriftgeleerden,
Zie hierover Matth. 10:25.
heeft een einde
Dat is, het is met hem en met zijn rijk gedaan.
Hertaald:
heeft een einde
Dat is: het is met hem en met zijn rijk gedaan.
eens sterken ingaan
Zie de verklaring Matt. 12:29 .
Hertaald:
eens sterken ingaan
Zie de verklaring in Matth. 12:29.
den kinderen der mensen
Dat is, den mensen. Eene manier van spreken bij de Hebreën zeer gebruikelijk.
Hertaald:
den kinderen der mensen
Dat is: de mensen. Een manier van spreken die bij de Hebreeën heel gebruikelijk is.
tegen den Heiligen Geest,
Van deze lastering tegen den Heiligen Geest zie Matt. 12:31 .
Hertaald:
tegen den Heiligen Geest,
Zie over deze lastering tegen de Heilige Geest Matth. 12:31.
oordeels
Dat is, verdoemenis, die hij niet alleen verdiend heeft, maar ook zekerlijk zal onderworpen zijn.
Hertaald:
oordeels
Dat is: verdoemenis, die hij niet alleen verdiend heeft, maar waaraan hij ook zeker onderworpen zal zijn.
broeders en Zijn moeder;
Dat is, bloedverwanten. Zie in de aantekeningen Matt. 12:46 , en Matt. 13:55 .
Hertaald:
broeders en Zijn moeder;
Dat is: bloedverwanten. Zie de aantekeningen bij Matth. 12:46 en Matth. 13:55.
Wie is Mijn moeder,
Christus wil hiermede zijne moeder niet verachten, maar tonen dat de geestelijke maagschap in zaken der zaligheid gesteld moet worden voor het vleselijke.
Hertaald:
Wie is Mijn moeder,
Christus wil Zijn moeder hiermee niet verachten, maar laten zien dat de geestelijke verwantschap in zaken van de zaligheid boven de vleselijke gesteld moet worden.
den wil van God doet,
Den wil Gods doen, is in Christus te geloven en heilig te leven; Joh. 6:40 ; 1 Thess. 4:3 .
Hertaald:
den wil van God doet,
De wil van God doen is: in Christus geloven en heilig leven; Joh. 6:40; 1 Thess. 4:3. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Ligging: Ten tijde van het Nieuwe Testament niet langer het oorspronkelijke Edom ten zuidoosten van de Dode Zee, maar het gebied ten zuiden van Judea (rondom Hebron) waarheen de Edomieten na de Babylonische ballingschap geleidelijk waren opgeschoven. Geschiedenis: Markus vermeldt dat een grote menigte "van Idumea, en van over de Jordaan" tot de Heere Jezus kwam om Zijn onderwijs te horen en van hun kwalen genezen te worden (Mark. 3:8) — een aanwijzing dat Zijn faam zich reeds vroeg tot buiten de grenzen van Galilea en Judea had verspreid. Idumea was in deze tijd, sinds de gedwongen bekering onder de Hasmonese vorst Johannes Hyrcanus, formeel jood geworden — en juist uit dit gebied stamde de familie van Herodes de Grote. Bijbelse betekenis: Dat mensen uit Idumea, de nakomelingen van Ezau die van oudsher Israëls broedervolk en tegelijk hardnekkige tegenstander waren, nu zelf tot de Heere Jezus komen om genezing en onderwijs, is een stille, vroege aanwijzing dat het Evangelie zich, zelfs vóór het formele zendingsbevel, reeds over de grenzen van het natuurlijke Israël begon uit te breiden. Recente inzichten: Overeenkomend met het gebied rondom het huidige Hebron, Palestijnse Gebieden. Mark. 3:8 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het eerste wonder dat Markus verhaalt is een uitdrijving, en het gebeurt in de synagoge te Kapernaüm. De onreine geest roept het uit voordat iemand anders het zegt: "Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods." Jezus bestraft hem met twee woorden: zwijg stil, en ga uit van hem. De omstanders verbazen zich niet over een genezing maar over gezag: Hij gebiedt de onreine geesten en zij zijn Hem gehoorzaam (Mark. 1:23-27). Markus verhaalt daarna nog meer van deze geschiedenissen dan de andere Evangelisten. Hij vertelt van de bezetene in het land der Gadarenen die "Legio" heet omdat de geesten met velen waren (Mark. 5:1-20), de dochter van de Syro-Fenicische vrouw (Mark. 7:24-30) en de jongen die de discipelen niet konden helpen (Mark. 9:14-29). Hij geeft ook macht tot uitdrijving aan de twaalf (Mark. 3:14-15; 6:7). Bijbelse betekenis: Drie dingen vallen in Markus op. De geesten weten precies wie Hij is, terwijl de mensen om Hem heen het niet weten — en juist die belijdenis wordt hun verboden. Verder is er nergens een bezweringsformule of een ritueel: Hij spreekt en het geschiedt, en dat is voor de omstanders de eigenlijke schok. En de geschiedenissen worden zonder opsmuk verteld, met de ellende erin: de man in het land der Gadarenen woonde in de graven en sloeg zichzelf met stenen (Mark. 5:5). Bij de jongen in Mark. 9 wijst Christus daarnaast op gebed, en op het geloof van de vader die bidt: ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark. 9:24,29). Typologie: Christus legt Zelf uit wat er in deze uitdrijvingen te zien is: niemand kan het huis van een sterke ingaan en zijn vaten ontroven, tenzij hij eerst die sterke bindt (Mark. 3:27). De uitdrijvingen zijn dus geen losse wonderen maar tekenen dat de Sterkere gekomen is. Johannes vat het samen: hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou (1 Joh. 3:8). En Paulus zegt dat Hij de overheden en machten uitgetogen en openlijk ten toon gesteld heeft, over hen getriomfeerd hebbende in het kruis (Kol. 2:15). Daarom is de strijd van de gelovige niet tegen vlees en bloed, en zijn de wapenen geestelijk (Ef. 6:11-12). Mark. 1:23-27; Mark. 3:14-15,27; Mark. 5:1-20; Mark. 6:7; Mark. 7:24-30; Mark. 9:14-29; Ef. 6:11-12; Kol. 2:15; 1 Joh. 3:8 Het loopt door heel Markus heen. De onreine geesten die Hem kennen, moeten zwijgen (Mark. 1:25,34; 3:11-12). De genezen melaatse krijgt te horen: "Zie, dat gij niemand iets zegt" (Mark. 1:44). Bij de dochter van Jaïrus beveelt Hij nadrukkelijk dat niemand het weten zal (Mark. 5:43). Na de genezing van de dove bij Dekapolis verbiedt Hij het opnieuw, en en hoe meer Hij het verbood, hoe meer zij het uitriepen (Mark. 7:36). Het scherpst staat het bij de belijdenis van Petrus: op "Gij zijt de Christus" volgt niet een bevestiging voor het volk maar een streng gebod dat zij het niemand zouden zeggen van Hem (Mark. 8:29-30). Onmiddellijk daarna volgt de eerste aankondiging van Zijn lijden (Mark. 8:31). Na de verheerlijking op de berg geldt het verbod tot na de opstanding (Mark. 9:9). Bijbelse betekenis: De reden ligt in de tekst zelf en niet in geheimzinnigheid. De titel Christus was in die dagen met politieke verwachtingen beladen; wie Hem als Messias uitriep zonder het kruis, riep iets anders uit dan Hij was. Vandaar de vaste orde in Markus 8: eerst de belijdenis, dan het zwijggebod, dan het lijden — en wie die orde omkeert, krijgt hetzelfde antwoord als Petrus. Opvallend is dat het verbod eindigt waar het lijden begint: vanaf Mark. 9:9 geldt het tot na de opstanding, en voor de hogepriester zwijgt Hij niet meer maar belijdt Hij openlijk (Mark. 14:61-62). Wie Hij is, kan pas gezegd worden als duidelijk is wat Hij doen zou. Typologie: Jesaja had die stilte al getekend: Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem op de straten laten horen (Jes. 42:2), en juist die woorden past Mattheüs op Hem toe bij een van deze verboden (Matt. 12:16-19). Paulus noemt hetzelfde met een ander woord een verborgenheid die van alle eeuwen verzwegen is geweest maar nu geopenbaard (Rom. 16:25-26). Hij zegt ook dat geen van de oversten dezer wereld haar gekend heeft, want indien zij haar gekend hadden, zo zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben (1 Kor. 2:7-8). Het zwijgen was dus geen achterhouden maar een tijdorde: eerst het kruis, dan de prediking — en na de opstanding volgt het bevel om het juist overal te zeggen (Mark. 16:15). Mark. 1:25,34,44; Mark. 3:11-12; Mark. 5:43; Mark. 7:36; Mark. 8:29-31; Mark. 9:9; Mark. 14:61-62; Mark. 16:15; Jes. 42:2; Matt. 12:16-19; Rom. 16:25-26; 1 Kor. 2:7-8 De Schriftgeleerden uit Jeruzalem verklaren Christus' uitdrijvingen uit Beëlzebul. Op die aanklacht volgt eerst een redenering: een rijk dat tegen zichzelf verdeeld is kan niet bestaan, en niemand kan het huis van een sterke ingaan tenzij hij die sterke eerst bindt (Mark. 3:22-27). Daarna valt het woord dat velen bezwaard heeft: alle zonden en allerlei lasteringen zullen de kinderen der mensen vergeven worden. Maar wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest, heeft geen vergeving in der eeuwigheid en is schuldig des eeuwigen oordeels (Mark. 3:28-29). Markus voegt er onmiddellijk de aanleiding aan toe, en dat is beslissend voor het verstaan: "Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest" (Mark. 3:30). Bijbelse betekenis: Vers 30 is de sleutel. Het gaat hier niet om een ongelukkig woord, een aanvechting of een benauwde gedachte, maar om mensen die het werk van Gods Geest onder hun ogen zien en het welbewust aan de duivel toeschrijven. Wie in vreze verkeert of hij deze zonde begaan heeft, geeft door die vreze zelf al te kennen dat hij de Geest niet verworpen heeft — een verhard mens vraagt er niet naar. Dat is geen troost die de ernst wegneemt: het woord staat er, en het staat er tegen godsdienstige mensen. Maar het staat er tegen wie de deur van binnenuit sluit, en niet tegen wie bang is dat zij gesloten zou zijn. Typologie: Het Nieuwe Testament kent nog twee plaatsen van dezelfde soort ernst: het is onmogelijk hen die verlicht geweest zijn en daarna afvallen opnieuw tot bekering te vernieuwen (Hebr. 6:4-6). En wie de Zoon van God vertreedt en het bloed des verbonds onrein acht, valt in de handen van de levende God (Hebr. 10:26-31). Daarnaast staat, even vast, het aanbod: die tot Mij komt zal Ik beslist niet uitwerpen (Joh. 6:37), en Christus is machtig volkomen zalig te maken degenen die door Hem tot God gaan (Hebr. 7:25). Paulus, die zelf een lasteraar en vervolger geweest was, noemt zich juist daarom een voorbeeld voor wie zouden geloven (1 Tim. 1:13-16). Wie over dit onderwerp spreekt zonder dat erbij te zeggen, spreekt niet zoals de Schrift spreekt. Mark. 3:22-30; Joh. 6:37; 1 Tim. 1:13-16; Hebr. 6:4-6; Hebr. 7:25; Hebr. 10:26-31 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Wie in geloof tot Jezus gaat, zal ontdekken dat Gods genadige werk onstuitbaar doorgaat, dwars door alle duisternis en tegenstand heen. Zondaar kom! Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" En Hij klom de berg op en riep bij Zich wie Hij wilde; en zij kwamen naar Hem toe. Markus 3… En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de volharding van hun hart, zeide Hij tot de mens: Strek uw hand uit. Markus 3:5… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Markus 3
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Een krachtige reden om tot Christus te komen
Hij klom de berg op en riep bij Zich wie Hij wilde
Jezus toorn en droefheid over harde harten


Markus 3
Markus 3:1-5.KruisverwijzingenLukas 6:6→Mattheüs 12:9→Lukas 6:10→Lukas 14:1→Markus 1:21→Psalmen 37:32→Lukas 20:20→Lukas 6:7→
— En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand. En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten. En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden. En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil. En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
“En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand. En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten. En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden. En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil. En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.”
In de synagoge was een man met een verschrompelde hand. In dezelfde synagoge was de Zaligmaker, gereed om die hand al haar bekende kracht terug te geven. Wat een gelukkige ontmoeting!
De farizeeën zaten Jezus gade te slaan — niet om zich over een daad van Zijn macht te verblijden, maar om iets te vinden waarvan zij Hem beschuldigen konden. Toen alles voorbij was, kon het meeste dat zij Hem ten laste konden leggen dit zijn: dat Jezus op de sabbat een verschrompelde hand genezen had.
De Zaligmaker legde hun de vraag onomwonden voor: is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen? Op die vraag was maar één antwoord mogelijk. En toch weigerden zij een van de eenvoudigste vragen uit de zedenleer te beantwoorden.
Zij hadden náár Hem gekeken; nu keek Hij naar hén. In die blik lagen twee dingen: toorn en droefheid, verontwaardiging en innerlijk verdriet.
Jezus was toornig dat zij hun ogen moedwillig sloten voor een waarheid die zo duidelijk was. Hij had hun een vraag gesteld waarop maar één antwoord mogelijk was, en zij wilden het niet geven.
Met Zijn toorn was droefheid vermengd. Het brak Zijn hart om de verharding van hun hart. Hun blinde vijandschap bedroefde Hem, omdat zij hun eigen ondergang zeker maakte.
Maar Zijn toorn eindigde bij die blik; Hij sprak geen woord van bestraffing. Jezus sprak geen woord, en toch zei Hij zonder woorden meer dan een ander met woorden had kunnen zeggen. Zijn woorden bewaarde Hij voor de man met de verschrompelde hand: strek uw hand uit.
Wat een schande voor ons geslacht, dat mensen zo onmenselijk kunnen zijn dat zij een medemens misvormd wensen te zien blijven! En zij durven de zachtmoedige Geneesmeester te laken Die hem geheel gezond ging maken! De mens is werkelijk in vijandschap met God wanneer hij in een daad van liefde een reden tot haat vindt.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
V. Vs. 1-12.KruisverwijzingenLukas 6:6→Mattheüs 12:9→Lukas 6:10→Lukas 14:1→Mattheüs 22:16→Markus 12:13→Lukas 6:17→Mattheüs 4:25→
— En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand. En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten. En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden. En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil. En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem zouden doden. En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galilea, en van Judea. En van Jeruzalem, en van Idumea, en van over de Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem. En Hij zeide tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds omtrent Hem blijven zou, om der schare wil, opdat zij Hem niet zouden verdringen. Want Hij had er velen genezen, alzo dat Hem al degenen, die enige kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.
Zowel chronologisch als pragmatisch 3. 23) is aan de vorige geschiedenis de nu volgende op het nauwste verbonden. Daags na het plukken van de aren geneest Jezus in de synagoge van de stad, in wier nabijheid dat had plaats gehad, een man met een verdorde hand. De vijandschap van de daar wonende farizeeën stijgt nu al zo hoog dat men er aan denkt Hem om het leven te brengen. Met dat doel verbinden zij zich met de dienaren van Herodes, hoewel men anders met deze op geen goede voet stond.
En Hij ging de volgende dag, de laatste feestdag van pasen, die met een sabbat gelijk stond, wederom in de synagoge te Chorazin. En daar was, waarschijnlijk met opzet, door de farizeeën (vgl. Luk. 14: 2) een mens gebracht, hebbende een verdorde hand, die ten gevolge van enig ongeluk verstorven en zo onbruikbaar was geworden.
En zij, door het woord in Hoofdstuk 2: 27 geenszins tot rechte erkenning van de eigenlijke betekenis van de sabbat gebracht, maar door het andere (Hoofdstuk 2: 28) integendeel bevestigd in de argwaan dat Jezus op geen sabbatsgebod meer acht gaf, namen Hem waar met vijandige bedoeling, of Hij heden op de sabbat hem genezen zou. Zij bespiedden Hem, opdat zij Hem beschuldigen mochten en van sabbatsschennis aanklagen; want dat was volgens hun mening zelfs de genezing van een zieke wanneer die op die dag plaats had, omdat het toch een soort van arbeid was.
Het bezoeken van de synagoge op de sabbat was een vaste gewoonte in het leven van Jezus. Waar Hij Zich ophield, daar kon men Hem op de sabbat in de synagoge verwachten. Zijn vijanden lieten niet na deze gewoonte van Zijn leven vijandig aan te wenden en het zo aan te leggen dat Hij in de synagoge aanleiding kreeg om iets te spreken of te doen dat men tegen Hem kon aanwenden.
En nadat Hij de tegenstanders al door een voorlopige toespraak tot zwijgen had gebracht 12: 12″), zei Hij tot de mens die de verdorde hand had: Sta nu op hier in het midden van de kamer.
En Hij zei verder tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen? iemand een weldaad te bewijzen of hem leed te veroorzaken? een mens te behouden door de zieke en ongelukkige de gezondheid weer te geven, of hem te doden door hem in zijn ellende te laten? En zij zwegen stil, omdat zij niet wilden antwoorden.
En toen Hij hen met woede rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zei Hij tot de mens, zonder er Zich om te bekommeren welke gevolgen Zijn woord en Zijn daad bij hen zouden hebben: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit in gehoorzaamheid van het geloof; a)en zijn hand werd hersteld, gezond zoals de andere.
1 Kon. 13: 6.
Op de vorige sabbat werd het werk van de noodzakelijkheid gerechtvaardigd; op deze rechtvaardigt de Heere het werk van de liefde.
De farizeeën dwingen Jezus te antwoorden op de vraag of het geoorloofd was op de sabbat te genezen; Jezus doet de wedervraag of het op de Sabbat geoorloofd was goed te doen of kwaad te doen? want een mens in ellende te laten die men kan helpen, was toch inderdaad een kwaad doen.
Onder de categorie van goed doen, recht handelen, behoort natuurlijk de werkzaamheid van de liefde tot de naaste, terwijl het nalaten daarvan slechts in de categorie van het kwaad doen kan vallen, waartoe ook zonder twijfel de zonde van nalatigheid behoort. Uit hetzelfde gezichtspunt is het tweede alternatief gesteld: een leven behouden of doden? Het toont aan hoe juist Luther het vijfde gebod verklaart (bij ons het 6e. Zie de verklaring van de Heidelbergse Catechismus Zondag 40). Wanneer hij daarin leest: “dat wij onze naaste aan zijn lichaam geen schade of leed aandoen, maar hem in alle lichamelijke nood helpen en bijstaan. ” Dat na te laten behoort tot de categorie van de doodslag, dat te beoefenen tot die van redding van het leven. De instelling van de sabbat kan niet tegen dit gebod zijn. Ook Jezus? tegenstanders kunnen die stelling niet loochenen; omdat zij die echter niet willen erkennen zwijgen zij.
Zij geven nu alleen het antwoord van hooghartig zwijgen, wat zegt dat zij niet kunnen tegenspreken. Na de genezing daarentegen geven zij het antwoord door hun schandelijke daad, dat zij zich veroorloven, in vereniging met de wereldse macht voor de eerste maal het moordplan te bespreken.
a) En de farizeeën, verbitterd over de nederlaag die hen in de strijd tegen Jezus nog veel erger dan de vorigen dag overkomen was, gingen uit de synagoge en hebben meteen met de Herodianen, die toen juist naar Chorazin waren gekomen 12: 14″), tezamen raad gehouden tegen Hem. Zij beraadslaagden hoe zij Hem, met behulp van de arm van de wereldse overheid, onverschillig onder welk voorwendsel, zouden doden.
Joh. 10: 39; 11: 53.
En Jezus, die nu het jaar inging van verbanning en vluchtend rondzwerven (“Uit 12: 21”), vertrok met Zijn discipelen naar de zee bij Kapernaum, om van daar reizen door het omliggende land te beginnen. a)En Hem volgde op die eerste tocht, zowel als op de volgende, die Hij in de zomermaanden maakte, een grote menigte van Galilea en van Judea.
MATTHEUS. 4: 25. Luk. 6: 17.
En van Jeruzalem en van Idumea, het zuidelijk gedeelte van Judea 4: 25″) en van over de Jordaan; en die van rondom Tyrus en Sidon, kwam een grote menigte, die hierheen samengekomen was langs de grote handelsweg. Deze, gehoord hebbende welke grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem om ooggetuigen van Zijn wonderen te zijn en bij Zijn redenen aan de oever van de zee Zijn toehoorders te wezen.
En Hij zei tot Zijn discipelen, die Hij Zich had gekozen (vs. 13 vv. ) en van welke niet weinigen schippers van beroep waren (Hoofdstuk 1: 16 vv. ), dat een scheepje steeds rondom Hem blijven zou. Dit moest Hem opnemen wanneer Hij Zich van het land wilde verwijderen omwille van de menigte, opdat zij Hem niet zouden verdringen (Hoofdstuk 4: 2).
Want Hij had er velen genezen, zodat Hem al degenen die enige kwalen hadden, overvielen. Op een onstuimige manier drongen zij op Hem aan, opdat zij Hem mochten aanraken en zo Zijn wondermacht toch aan zich mochten ondervinden, ook wanneer hij niet met ieder in het bijzonder spreken kon (Hoofdstuk 5: 27 vv. Luk. 6: 19).
En de onreine geesten in de bezetenen, die tot Hem gebracht werden, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neer en riepen zeggende: U bent de Zoon van God. Daardoor vermeerderden zij nog de aandrang.
En Hij, wie het niet om dit woord der waarheid maar om de waarheid en reinheid van de belijdenis te doen was, gebood hen scherp dat zij Hem niet openbaar zouden maken, maar zwijgen.
Nu begon het leren op de zee, op het schip, dat nu Zijn voornaamste leerplaats was, in tegenstelling tot de synagoge. Dat schip diende Hem meermalen om Zich terug te trekken naar de anderen oever. Het naaste doel “opdat zij Hem niet zouden verdringen” (vs 9) sluit het andere niet uit, dat hij van nu af een vrijere plaats op dat schip had en Zich vaak over de zee, in het gebied aan de overzijde terugtrok. Deze verplaatsing van de prediking van Christus uit de synagoge naar het schip heeft een voorafschaduwende betekenis – denk aan het schip van de kerk.
Datgene wat Jezus kan plaatsen tegenover de vijandschap van de oversten tegen Zijn werk, als een vrucht van Zijn werkzaamheid door woord en daad onder het volk, namelijk het voortdurend omgeven zijn door een talrijke, bonte menigte die Hem overal nastroomt, is niet van die aard, dat men daarvan de veiligheid van Zijn werk ook tegenover de haat van de farizeeën zou kunnen verwachten. Alleen dit heeft Hij daardoor, dat Hem die menigte door hare onstuimigheid en haar zoeken naar lichamelijke genezing het naar lichaam en ziel lastig maakt. Wezenlijke erkenning van Zijn persoon vindt Hij niet, behalve bij de bezetenen; maar daar is zij van zo’n aard dat Hij ze niet kan dulden noch aannemen.
I. Vs. 13-19.KruisverwijzingenJohannes 15:16→Lukas 9:1→Johannes 1:42→Markus 2:14→Lukas 6:12→Mattheüs 10:1→Markus 6:7→Mattheüs 5:1→
— En Hij klom op den berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem. En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken; En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen uit te werpen. En Simon gaf Hij den toe naam Petrus; En Jakobus, den zoon van Zebedeus, en Johannes, den broeder van Jakobus; en gaf hun toe namen, Boanerges, hetwelk is, zonen des donders; En Andreas, en Filippus, en Bartholomeus, en Mattheus, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alfeus, en Thaddeus, en Simon Kananites, En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
Aan het einde van het laatste stuk zagen wij Jezus iets doen om Zijn werk uitwendig te beschermen ten eerste tegen de vijandschap van de volksleiders, die door hun aanslagen Zijn leven bedreigden, ten tweede tegen de woeste aandrang van de volksmenigte en ten slotte tegen de bezetenen, die Hem het staan op het land bijna onmogelijk maakten. Het was het gereed houden van een schip, waartoe Hij de discipelen opdracht gaf. Dit uitwendig hulpmiddel was tevens profetie voor Zijn kerk, dat Hij, wanneer Hij ten slotte met Zijn zegen en Zijn rijk uit Israel gedrongen zou zijn, een plaats daarvoor op de zee van de heidenwereld wilde stichten. In het eerste stuk van de derde groep, die nu volgt, zien wij Hem de grond daartoe leggen in de keuze en roeping van de twaalf Apostelen.
a) En Hij klom, niet pas na de voorvallen in de beide vorige afdelingen meegedeeld, maar na de vorige conflicten met de farizeeën (Hoofdstuk . 2: 1-22), welke Hem toen al begonnen te lasteren (MATTHEUS. 9: 27 vv. ), op de berg, dezelfde waarop Hij later de bergprediking hield. Daar bracht Hij de nacht door in gebed en riep de volgende morgen uit de kring van hen, die tot hiertoe in het algemeen de kring van Zijn discipelen gevormd hadden, tot Zich die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem, zich gewillig begevende in de dienst waartoe Hij ze riep.
Mark. 6: 7. Luk. 9: 1.
En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn zo lang Hij op aarde was en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken wanneer Hij van hen zou zijn weggenomen.
En om, ter bevestiging van hun werk in Zijn plaats en tot voortzetting van Zijn wonderen die de prediking van het Evangelie vergezelden, macht te hebben de ziekten te genezen en de duivelen uit te werpen (Hoofdstuk 6: 7, 13).
Hoe zal de Heere, die in MATTHEUS. 9: 38 tot de discipelen zei: “Bidt dan de Heere om de oogst, dat Hij arbeiders voor zijn oogst zal zenden, ” gebeden hebben in de nacht dien Hij voor de gewichtige keus van de Apostelen doorwaakte! Inderdaad, het was een grote zaak uit Zijn vrijwillige volgelingen juist de geschiktsten uit te kiezen. Eenvoudige mannen, die niet door priester-instellingen beheerst noch door de duisternis van de geleerden waren aangestoken, wier karakter in frisse kracht, gereinigd door de geboorte van boven en versterkt door onderlinge aanvulling door middel van de verscheidenheid van hun gaven, bekwaam waren de vaste fundamenten van de nieuwe gemeente te vormen. Want tegelijk had Hij het oog op hetgeen het meest nabij en op hetgeen het verst af was. Hij zorgt voor deugdelijke werktuigen die Hij met de boodschap van het heil in Israel kon laten uitgaan, twee aan twee, opdat zij elkaar zouden ondersteunen en aanvullen en de een in de ander de broeder zou leren dragen. In deze eerste kiem zag het oog van Zijn Geest de heerlijke volmaking wanneer zij in het rijk van Zijn heerlijkheid op twaalf tronen zouden zitten en de twaalf geslachten van Israel zouden oordelen. Tussen deze palen beweegt zich hun zending. Zij zouden Hem voortdurend vergezellen en Zijn dienaren zijn, in deze school gevormd worden tot broederlijk verbondene herauten van Zijn koninkrijk en getuigen van Zijn leven. Zij moesten herauten en getuigen worden die Hij eenmaal als zelfstandige boden in de kracht van de Geest kon uitzenden en wier onvergankelijke roeping door hun twaalftal werd uitgedrukt. Die roeping namelijk was het nieuwe verbond op het fundament van het oude te planten, de eersten van het werk Gods van het begin af voor te stellen, als nieuwe aartsvaders van het ware Israel te staan, als pilaren van het hemelse Jeruzalem in eeuwigheid te schitteren. (Openbaring . 21: 14). Daarom bad Hij in die nacht, opdat Hij de zekerheid zou hebben (Joh. 15: 16; 17: 12) dat Hij in waarheid diegenen koos die de Vader Hem gegeven had.
De Apostelen werden door Jezus ten eerste geroepen om van nu af geheel in een persoonlijke gemeenschap tot Hem te staan, met Hem te leven, te eten en te drinken, een geestelijke familie met Hem te vormen en in het algemeen steeds in Zijn nabijheid te zijn, alleen de kleine zendingen in de nabijheid uitgezonderd die zij als oefeningen voor hun toekomstige grote zending konden beschouwen. Ten tweede moesten zij in de toekomt in de wereld optreden (Hand. 1: 8 en 21 v. ) als Zijn getuigen, als de getuigen van Zijn leven, van Zijn dood en van Zijn opstanding, als getuigen van Zijn Geest en van Zijn kracht. Tot deze getuigenis moesten zij echter de Geest van Christus ontvangen en in de kracht van deze Geest moesten zij het verborgen aanzijn van Zijn leven in de wereld, de eerste totaliteit van Zijn geestelijke, eeuwige tegenwoordigheid in de wereld zich voorstellen. Omdat zij echter ook al nu het werk van Jezus moesten verrichten en verbreiden geeft de Heere hen bij de opdracht om het Evangelie te prediken, de macht om de onreine geesten uit te drijven en de zieken te genezen.
En in de eerste plaats riep Hij Simon; die gaf Hij de bijnaam Petrus, d. i. rots. Bij een latere gelegenheid verklaarde Hij hem ook deze naam in zijn betekenis (MATTHEUS. 16: 18).
Terwijl Markus de overige elf optelt als aanwezig en uitdrukkelijk als gekozen heeft hij Simon, als iets dat vanzelf sprak, aanwezig gedacht. Daaruit blijkt dat hij herinneringen van Simon Petrus weer verhaalt, zoals daarvoor in de eigenaardige uitdrukking in Hoofdstuk 1: 29 al een aanduiding lag.
En daarna riep Hij Jakobus, de zoon van Zebedeus en Johannes, de broeder van Jakobus en gaf hun toenamen Boanerges, hetwelk is overgezet zonen van de donder;
Men verklaart deze bijnaam veelal met het oog op het karakter van de vuurijver van de beide broeders, zoals die zich in Luk. 9: 54 openbaart. Het is echter in tegenspraak met het begrip van een nieuwe naam, dat die beiden zo een bij hun keuze tot het apostelambt zouden hebben ontvangen, die hun misslag enigermate vereeuwigde. Integendeel staat de naam, zonen van de donder, geheel op gelijke trap met die van “Petrus” welke Simon ontvangt en dan zal de nieuwe naam zeker de nieuwe mens van deze zonen van Zebedeus karakteriseren, of de nieuwe natuur aanwijzen die hen onder het discipelental van Christus ten deel zal worden. Men heeft er zich aan gewend zich Johannes als zeer zacht voor te stellen, maar al zijn schriften bewijzen dat bij alle receptiviteit toch een grote kracht en scherpheid van ernst tegenover het kwade in hem was. “Tegenover Christus was hij geheel receptief, maagdelijk, waar door Christus vervuld was hij tegenover al het onchristelijke mannelijk, ja verpletterend als een echte zoon van de donder, die de kracht van het vuur, dat van boven nederdaalde, tegen al het ongoddelijke keerde. ” (vgl. 1 Joh. 4: 1 vv. ).
En daarna riep Hij Andreas tot zich, de broer van Simon (vs. 16) en Filippus en Bartholomeus of Nathanael en Mattheus, vroeger Levi genoemd (Hoofdstuk 2: 14) en Thomas en Jakobus de zoon van Alfeus en Thaddeus 1) of Lebbeus (MATTHEUS. 10: 3), ook Judas, de broer van Jakobus (Luk. 6: 16) genaamd en Simon Kananites of Zelotes, de derde onder Zijn broers;
Het is gemakkelijk te begrijpen dat men de Apostel Judas graag van de boze Judas onderscheidde en veel liever de verschillende bijnamen gebruikte; ook Johannes (14: 22) zegt uitdrukkelijk dat de Heere Judas, niet de Iskariot, gevraagd heeft.
En Judas Iskariot, die Hem naderhand ook verraden heeft.
II. Vs. 20-35.KruisverwijzingenHandelingen 26:24→Markus 6:31→Johannes 10:20→Mattheüs 10:25→Mattheüs 15:1→Mattheüs 12:24→Mattheüs 9:34→Markus 3:31→
— En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom en schare, alzo dat zij ook zelfs niet konden brood eten. En als degenen, die Hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen. En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beelzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit. En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen? En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan. En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan. En indien de satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde. Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven. Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben; Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.
Door de keuze van de twaalf, van wie wij zo even gehoord hebben, heeft de Heere in degenen die voortaan blijvend bij Hem zouden zijn (vs. 14) Zich een geestelijke familie of huisgezin gevormd. Nu gaat de Evangelist niet alleen de bergpredikatie, maar ook een langere tijdruimte van 2/3 jaar voorbij. Daaruit zal hij pas later de belangrijkste geschiedenissen mededelen (Hoofdstuk . 6: 7 vv. ), nadat hij vroeger al enige geschiedenissen heeft gemeld (Hoofdstuk . 1: 40 vv; 2: 23 vv. ). Nu gaat hij die geschiedenis vertellen in welke Hij die geestelijke verwantschap ook openlijk legitimeerde en hen in de plaats van Zijn bloedverwanten stelde. Het is dezelfde gebeurtenis bij welke Zijn bloedverwanten gemene zaak schenen te maken met Zijn eigenlijke doodvijanden. Zoals toch die van Hem zeiden; “Hij heeft Beelzebul, ” zo spraken zij ook van Hem en gedroegen zich als was Hij buiten Zijn zinnen. Daarvoor hadden zij wel verdiend dat Hij hen in hun eigenschap als naaste betrekkingen verloochende voor de mensen en alle rechten van bloedverwantschap afsneed.
En zij, Jezus met de twaalf geroepenen, daalden neer van de berg op welke Hij na hun roeping de bergrede (MATTHEUS. 5: 2-7 : 27. Luk. 6: 20-49) gehouden had. Zij gingen door de stad waarbij Hij de melaatse genezen had, waarop Hij Zich in een woeste plaats begaf (Hoofdstuk 1: 41-45). Daarop kwamen zij in huis te Kapernaum, waar de geschiedenis met de hoofdman voorviel (MATTHEUS. 8: 5-13. Luk. 7: 1-10). Acht maanden later, nadat de Heere Zich van de farizeeën (vs. 7) had teruggetrokken en een tweede reis door het omliggende land had geeindigd 12: 22″), kwam Hij weer daar. En daar (er) vergaderde weer een menigte aan het strand van de zee bij Bethsaida, zodat zij, de Heere met de twaalf, vanwege de volksmassa die hen insloot, geen ruimte hadden om naar Kapernaum te gaan en ook zelfs a) niet hun middagbrood konden eten, waarvoor het al lang tijd was.
Mark. 6: 31.
En toen degenen die Hem nastonden, Zijn huisgenoten, Zijn familie (behalve Maria en Joses, ook zeker wel de zusters met haar mannen, die voor een bezoek in het huis van Simon te Kapernaum aanwezig waren 19: 2″) dit hoorden, gingen zij uit naar het strand van de zee om hem vast te houden en met geweld naar binnen te brengen; zij meenden dit te moeten doen, want zij zeiden, in de eerste plaats de zwagers, door wier spreken zich ook Maria en Joses tot geheel nodeloze zorg lieten brengen: Hij is buiten Zijn zinnen; Hij drijft het met Zijn geestdrift voor Zijn profetische roeping te ver en is op het punt om krankzinnig te worden (Hand. 26: 24).
De betrekkingen van Jezus was het bericht ter ore gekomen hoe Hij door de menigte werd overvallen en bezig gehouden en met welk een bijna bovenmenselijke inspanning en zelfopoffering Hij Zich aan de aandringende volksmassa toewijdde (zij vonden de bevestiging daarvan hierin, dat Hij niet naar huis kwam om te eten). Dit verontrustte hen en vervulde hen met bezorgdheid, die zeker niet uit het geloof voortkwam, maar des te meer begrijpelijk is op grond van hun natuurlijke gehechtheid en menselijke manier van beschouwing (ten minste van de zijde van de moeder van Jezus en van Joses, terwijl bij de overige bloedverwanten dezelfde oorzaak aanwezig is die in Joh. 7: 5 voor de dag komt; hoe aanstekelijk een uit een onrein hart voortgekomen woord dikwijls is voor eenvoudige en oprechte gemoederen en deze in verwarring brengt, vgl. daarover Joh. 12: 4 vv. en MATTHEUS. 26: 8 v. ). In die opwelling van het gemoed stonden zij op en gingen naar buiten om Hem met geweld terug te houden van die overmatige werkzaamheid. “Buiten zijn zinnen zijn” is een uitdrukking voor een gedrag dat de regels van de gewone werkzaamheid en de maat van het gewone levensgedrag te boven gaat en voor de natuurlijke manier van beschouwing onvatbaar is (2 Kor. 5: 13). Zo kwam aan Jezus betrekkingen Zijn handelwijze voor en daarom voelden zij zich geroepen Hem terug te houden. Vijandig is hun bedoeling niet (al was ook van de kant van degenen van wie het woord is uitgegaan een zekere frivoliteit niet te miskennen). Het is een werking van vleselijke beperktheid die zich niet weet te vinden in het buitengewone van Jezus? handelwijze en die nu door een woord van bestraffing (vs. 33. v. ) moest worden overwonnen.
En de schriftgeleerden, die juist toen Hij zo in het drukste van Zijn leren en weldoen was, uit Jeruzalem gekomen waren om op Hem te loeren en een punt van aanklacht tegen Hem te vinden 15: 1″) hadden weldra gelegenheid Hem aan te vallen. De Heere dreef een duiveluit; dit wekte zeer sterk de verwondering op van al het volk, dat nu Jezus als de Messias erkende (MATTHEUS. 12: 22. Luk. 11: 14). Maar zij fluisterden met de daar wonende farizeeën de mensen in het oor en zelden: a) Hij heeft Beelzebub en door de overste van de duivelen werpt Hij de duivelen uit.
MATTHEUS. 9: 34. Joh. 8: 48.
Markus bericht ons de aanleiding niet die er voor de schriftgeleerden tot deze stap was. Het is hem alleen te doen om het oordeel van de bloedverwanten (vs. 21) tegenover hen welke Hij door Zijn, van de hemelsen Vader geleide, keus tot Zijn huisgenoten en medearbeiders gemaakt had, met een ander nog veel erger oordeel, maar dat toch in zeker verband daarmee stond, in verbintenis te brengen. Wordt door de schriftgeleerden beweerd dat Hij een door de duivel bezetene is, die door macht van de duivel de demonen uit de bezetenen drijft, zo hebben de bloedverwanten Hem als een waanzinnige beschouwd die zijn verstand heeft verloren en eveneens een begin gemaakt om de Zoon des mensen te lasteren.
En omdat Hij wel wist wat zij zo in het geheim tot de menigte spraken, hen tot Zich geroepen hebbende, zei Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan de satan uitwerpen?
En indien een koninkrijk tegen zich zelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan.
En indien een huis tegen zich zelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan.
En indien de satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.
Er kan niemand in het huis van een sterke ingaan en zijn vaten ontroven a), indien hij niet eerst de sterke bindt en pas dan zal hij zijn huis beroven.
Kol. 2: 15.
Bij hun oordeel (vs. 22) hebben de tegenstanders zeer juist verondersteld dat alle machten van de duisternis, de demonen in de door hen bezeten mensen, door een overste, de vorst van de duisternis of de duivel geleid en beheerst worden, wie zij onvoorwaardelijk moeten gehoorzamen; nu is echter hun oordeel zelf, dat een door de Overste zelf opgewekte en ondersteunde strijd van Hem onderworpen machten onder elkaar aanneemt, een openlijke tegenspraak tegen hun eigen bewering; want geen op zijn heerschappij jaloerse vorst voert de hem onderworpene krachten tegen elkaar in het veld; hij weet dat hij daardoor zelf de verwoester van zijn rijk of van het gebied van zijn heerschappij zou zijn. Integendeel is op grond van die eerste veronderstelling uit het openbare feit dat hier een het huis van de sterken plundert, alleen die gevolgtrekking verstandig en mogelijk dat de sterke door de plunderaar van zijn huis vooraf in de strijd overwonnen moet zijn. Laat het dus de satan toe dat Jezus de door hem in bezit genomen hem met geweld als een buit ontrukt, zo is daaruit af te leiden dat Jezus op de satan een overwinning behaald heeft, ten gevolge waarvan hij Zijn werken als Heiland niet meer kan verhinderen. Dit woord is zo een bevestiging uit de eigen mond van de Heere dat een geschiedenis, als de door de Evangelisten medegedeelde verzoeking door de duivel (Hoofdstuk 1: 12 v. ) moet zijn voorgevallen.
voorwaar Ik zeg u, a) dat al de zonden van de mensenkinderen vergeven zullen worden en allerlei lasteringen, waarmee zij gelasterd zullen hebben;
1 Sam. 2: 25. Luk. 12: 10. 1 Joh. 5: 16.
Maar wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest die heeft geen vergeving in de eeuwigheid, maar hij is schuldig aan het eeuwige oordeel.
Zulk een zonde van lastering van de Heilige Geest waren de schriftgeleerden (vs. 22) al zeer dicht genaderd want zij zeiden, ondanks de getuigenis van de Heilige Geest, die in het wonder van de genezing drong om de heerlijkheid van de Zoon van God als van de ware Messias te erkennen: Hij heeft een onreine geest.
Er is geen twijfel aan dat de lastering van Jezus een lastering van de Heilige Geest kan bevatten. De lastering tegen Zijn persoon gericht geeft toch Jezus aanleiding tot de waarschuwing voor de lastering van de Geest. Echter, is het mogelijk een woord te zeggen tegen de Mensenzoon en vergeving te ontvangen, dus de Zoon des mensen te lasteren, zonder dat de Geest gelasterd wordt, ook hierin zien wij de grootste zachtmoedigheid. De Heere denkt: de menselijke duisternis zou voor menigeen het inwendige wezen kunnen verbergen van Hem die zij smaden.
Zo kwamen dan gedurende dit gesprek met de schriftgeleerden Zijn broeders en Zijn moeder, gedreven door bezorgdheid en met het doel in vs. 21 gemeld; en buiten de Hem omringende volksmenigte staande zonden zij tot Hem, door middel van enkelen die zich door de menigteheendrongen en riepen Hem.
En de menigte zat rondom Hem toen de boodschap tot Hem kwam; en zij die ze overbrachten zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders (enige handschriften voegen hierbij en Uw zusters) (Hoofdstuk 6: 3) daarbuiten zoeken U.
En Hij antwoordde hen, zeggende: Wie is Mijn moeder of Mijn broeders?
En rondom overzien hebbende die om Hem zaten, zei Hij: Zie Mijn moeder en Mijn broeders.
a) Want zo wie de wil van God doet, die is Mijn broeder en Mijn zuster en moeder.
Joh. 15: 14. 2 Kor. 5: 16, 17.
Voor de discipelen was het geen kleine verzoeking, nu Hij, aan wie zij zich bij hun roeping tot bestendige dienst hadden overgegeven nu hier door degenen die Hem lichamelijk het naaste waren en schijnbaar een rechtvaardig oordeel over Hem konden vellen, voor een krankzinnige werd gehouden; bovendien door hen die ambtshalve Zijn leren en werken moesten onderzoeken, voor een door de duivel bezetene werd uitgegeven. Zij hadden wel tot twijfel kunnen komen of zij verstandig hadden gehandeld dat zij Zijn zaak zo geheel tot de hunne gemaakt hadden. Het tegenwicht tegen de macht van deze verzoeking is echter de inwendig geestelijke verwantschap in welke zij al met Jezus staan. Waar die aanwezig is daar laat ook heden nog geen gelovige zich door het geschreeuw en geschrijf van de wereld op het dwaalspoor brengen, maar hij bloeit slechts op in de genade en kennis van Christus hoe erger dit geschreeuw begint te razen.
Er is in de hele bijbel geen woord dat ons nietige schepsels liefelijker in de oren kan klinken dan dit. Het denkbeeld, in deze woorden vervat, is treffend en verheft het hart; hoe vaak men dit beschouwt of herhaalt, altijd blijven die woorden nieuw en behouden een frisheid waardoor zij een verkwikkende balsem over onze zielen uitstorten. De broeder van Gods Zoon, de zuster van Jezus Christus te zijn! Tot het huisgezin van de Schepper van het heelal en van de Zaligmaker van de mensen te behoren! O, dit roert het hart, dit veredelt de geest, dit dwingt tot liefde, dit doet ons voelen hoe hoog wij bij God geacht zijn. – Om een broeder van Jezus te zijn is het niet noodzakelijk om een gelijke trap van verstand of heiligheid met Hem bereikt te hebben, het is daartoe genoeg te willen wat Hij wil, te doen wat Hij doet, lief te hebben wat Hij lief heeft; zoals een grootvader en zijn kleinzoon, ondanks hun verschil in leeftijd, lichaamskrachten en geestvermogens op elkaar gelijken, bloedverwanten zijn, met een gelijke liefde elkaar beminnen en in gelijke mate gelukkig zijn. U, die gelooft, hebt u bij het ontmoeten van een gelovige niet gevoeld dat gij beiden tot eenzelfde huisgezin behoort. U voelde dat u bloedverwanten voor de eeuwigheid bent. Indien dit al het geval is tussen ons, zwakke zuigelingen van eenzelfde Evangelie, door de weinige denkbeelden, verwachtingen en liefde die wij als een voedende melk uit dezelfde borst hebben genoten, hoe zou dit dan niet veel meer plaats vinden tussen elk van ons en Jezus, de bron zelf van die denkbeelden, verwachtingen en liefde? Het is Zijn leven dat wij leven; het is Zijn kiem, die zich in ons ontwikkelt en opwast; Zijn levensgeest, die van de wijnstok en de ingeenten tak een enige en zelfde boom vormt. Ja, degene die de wil van God doet wordt naar Zijn beeld van gedaante veranderd, wordt een lid van Zijn huisgezin, wordt een broeder, zuster of moeder van Jezus Christus.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel