Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1EnG2532 Hij begonG756doorG1722gelijkenissenG3850 tot hen te zeggenG3004: Een mensG444plantteG5452 een wijngaardG290, enG2532zetteG4060 een tuinG5418 daarom, enG2532groefG3736 een wijnpersbakG5276, enG2532bouwdeG3618 een torenG4444, enG2532verhuurdeG1554 dien aan de landliedenG1092, enG2532 reisde buitenslands.En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands.
Ook in dit vers
buiten landsG589
KJVAnd1he began2to speak6unto them3by4parables.5A certain man9planted8a vineyard,7and10set11an hedge about12it, and13digged14a place for the winefat,15and16built17a tower,18and19let20it21outto husbandmen,22and23went into a far country.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ηρξατοG756begon, begonnen, beginnen(rehearse from the) begin(-ning)3αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)5παραβολαιςG3850gelijkenis, gelijkenissen, afbeeldingcomparison, figure, parable, proverb6λεγεινG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter7αμπελωναG290wijngaard, wijngaardsvineyard8εφυτευσενG5452geplant, plant, plantteplant9ανθρωποςG444mensen, mens, Menscertain, man10καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet11περιεθηκενG4060stak, zette, omlegdenbestow upon, hedge round about, put about (on, upon), set about12φραγμονG5418tuin, afscheidsels, heggenhedge (+ round about), partition13καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet14ωρυξενG3736groefdig15υποληνιονG5276wijnpersbakwinefat16καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet17ωκοδομησενG3618bouwen, gebouwd, bouwde(be in) build(-er, -ing, up), edify, embolden18πυργονG4444torentower19καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet20εξεδοτοG1554verhuurde, verhurenlet forth (out)21αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which22γεωργοιςG1092landlieden, landman, Landmanhusbandman23καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet24απεδημησενG589buiten lands, reisde buiten, trokgo (travel) into a far country, journey
2En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2EnG2532 als het de tijdG2540 was, zondG649 hij een dienstknechtG1401totG4314 de landliedenG1092, opdatG2443 hij van de landliedenG1092ontvingG2983vanG575 de vruchtG2590 des wijngaardsG290.En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards.
KJVAnd1at the season7he sent2to3the husbandmen5a servant,8that9he might receive13from10the husbandmen12of14the fruit16of the vineyard.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2απεστειλενG649gezonden, zond, zondenput in, send (away, forth, out), set (at liberty)3προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)4τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5γεωργουςG1092landlieden, landman, Landmanhusbandman6τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7καιρωG2540tijd, tijden, gelegenhedenX always, opportunity, (convenient, due) season, (due, short, while) time, a while8δουλονG1401dienstknecht, dienstknechten, dienstknechtsbond(-man), servant9ιναG2443opdat, dat, wilalbeit, because, to the intent (that), lest, so as, (so) that, (for) to10παραG3844van, bij, naastabove, against, among, at, before, by, contrary to, X friend, from, + give (such things as they), + that (she) had, X his, in, more than, nigh unto, (out) of, past, save, side…by, in the sight of, than, (there-)fore, with11τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12γεωργωνG1092landlieden, landman, Landmanhusbandman13λαβηG2983ontvangen, nam, genomenaccept, + be amazed, assay, attain, bring, X when I call, catch, come on (X unto), + forget, have, hold, obtain, receive (X after), take (away, up)14αποG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with15τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16καρπουG2590vrucht, vruchten, oorbaarfruit17τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18αμπελωνοςG290wijngaard, wijngaardsvineyard
3Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3MaarG1161 zij namenG2983 en sloegenG1194 hem, en zondenG649 hem ledigG2756 heen.Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.
KJVAnd2they caught3him, and beat5him,4and6sent him away7empty.
1οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3λαβοντεςG2983ontvangen, nam, genomenaccept, + be amazed, assay, attain, bring, X when I call, catch, come on (X unto), + forget, have, hold, obtain, receive (X after), take (away, up)4αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5εδειρανG1194geslagen, sloegen, slaatbeat, smite6καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet7απεστειλανG649gezonden, zond, zondenput in, send (away, forth, out), set (at liberty)8κενονG2756ijdel, ledig, ijdeleempty, (in) vain
4En hij zond wederom een anderen dienstknecht tot hen, en dien stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En hij zondG649wederomG3825 een anderen dienstknechtG1401totG4314henG846, en dien stenigdenG3036 zij, en wondden hem het hoofdG2775, enG2532zondenG649 hem henen, schandelijk behandeldG821 zijnde.En hij zond wederom een anderen dienstknecht tot hen, en dien stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde.
KJVAnd1again2he sent3unto4them5another6servant;7and at him8they cast stones,9and wounded him in the head,10and11sent him away12shamefully handled.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2παλινG3825wederom, opnieuwagain3απεστειλενG649gezonden, zond, zondenput in, send (away, forth, out), set (at liberty)4προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)5αυτουςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which6αλλονG243ander, andersmore, one (another), (an-, some an-)other(-s, -wise)7δουλονG1401dienstknecht, dienstknechten, dienstknechtsbond(-man), servant8κακεινονG2548Dezen, dezenand him (other, them), even he, him also, them (also), (and) they9λιθοβολησαντεςG3036gestenigd, stenigden, stenigtstone, cast stones10εκεφαλαιωσανG2775hoofdwound in the head11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12απεστειλανG649gezonden, zond, zondenput in, send (away, forth, out), set (at liberty)13ητιμωμενονG821schandelijk behandeldhandle shamefully
5En wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En wederomG3825zondG649 hij een anderen, en dien dooddenG615 zij; en veleG4183 anderen, waarvan zij sommigen sloegenG1194, en sommigen dooddenG615.En wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden.
6Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Als hij dan nog eenG1520zoonG5207hadG2192, die hem liefG27 was, zo heeft hij ookG2532 dien ten laatsteG2078totG4314henG846gezondenG649, zeggendeG3004: Zij zullen immers mijn zoonG5207ontzienG1788.Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.
KJVHaving5yet1therefore2one3son,4his7wellbeloved,6he sent8him10also9last13unto11them,12saying,14They will reverence16myson.
1ετιG2089nog, verderafter that, also, ever, (any) further, (t-)henceforth (more), hereafter, (any) longer, (any) more(-one), now, still, yet2ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore3εναG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some4υιονG5207Zoon, zoon, kinderenchild, foal, son5εχωνG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use6αγαπητονG27geliefden, geliefde, Geliefden(dearly, well) beloved, dear7αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8απεστειλενG649gezonden, zond, zondenput in, send (away, forth, out), set (at liberty)9καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet10αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which11προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)12αυτουςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which13εσχατονG2078laatste, laatsten, Laatsteends of, last, latter end, lowest, uttermost14λεγωνG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter15οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why16εντραπησονταιG1788ontzien, beschaamd, beschamenregard, (give) reference, shame17τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18υιονG5207Zoon, zoon, kinderenchild, foal, son19μουG1473mij, ikI, me
7Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7MaarG1161 die landliedenG1092zeidenG2036 onder elkander: DezeG3778isG1510 de erfgenaamG2818; komtG1205, laat ons hem dodenG615, en de erfenisG2817 zal onze zijnG1510.Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn.
Ook in dit vers
totG4314
KJVBut2those1husbandmen4saidamong6themselves,7This8isthe heir;12come,13let us kill14him,15and16the inheritance20shall beours.
1εκεινοιG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4γεωργοιG1092landlieden, landman, Landmanhusbandman5ειπονG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter6προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)7εαυτουςG1438zichzelven, zich, onszelvenalone, her (own, -self), (he) himself, his (own), itself, one (to) another, our (thine) own(-selves), + that she had, their (own, own selves), (of) them(-selves), they, thyself, you, your (own, own conceits, own selves, -selves)8οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why9ουτοςG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who10εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was11οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12κληρονομοςG2818erfgenaam, erfgenamen, Erfgenaamheir13δευτεG1205Komt, komt, Volgtcome, X follow14αποκτεινωμενG615doden, gedood, dooddenput to death, kill, slay15αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which16καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet17ημωνG1473mij, ikI, me18εσταιG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was19ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20κληρονομιαG2817erfenis, erfdeel, erveinheritance
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
8En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten den wijngaard.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En zij namenG2983 en dooddenG615 hem, enG2532wierpenG1544 hem uit, buitenG1854 den wijngaardG290.En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten den wijngaard.
KJVAnd1they took2him,3and killed4him, and5cast6him out of7the vineyard.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2λαβοντεςG2983ontvangen, nam, genomenaccept, + be amazed, assay, attain, bring, X when I call, catch, come on (X unto), + forget, have, hold, obtain, receive (X after), take (away, up)3αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4απεκτεινανG615doden, gedood, dooddenput to death, kill, slay5καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet6εξεβαλονG1544werpt, wierpen, uitgeworpenbring forth, cast (forth, out), drive (out), expel, leave, pluck (pull, take, thrust) out, put forth (out), send away (forth, out)7εξωG1854buiten, weg, uitgedrevenaway, forth, (with-)out (of, -ward), strange8τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9αμπελωνοςG290wijngaard, wijngaardsvineyard
9Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9WatG5101 zal danG3767 de heerG2962 des wijngaardsG290doenG4160? Hij zal komenG2064, en de landliedenG1092verdervenG622, en den wijngaardG290 aan anderen gevenG1325.Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven.
KJVWhat1shall3therefore2the lord5of the vineyard7do?he will come8and9destroy10the husbandmen,12and13will give14the vineyard16unto others.
1τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why2ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore3ποιησειG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield4οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5κυριοςG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir6τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7αμπελωνοςG290wijngaard, wijngaardsvineyard8ελευσεταιG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set9καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet10απολεσειG622verloren, verliezen, verdervendestroy, die, lose, mar, perish11τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12γεωργουςG1092landlieden, landman, Landmanhusbandman13καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet14δωσειG1325gegeven, geven, gafadventure, bestow, bring forth, commit, deliver (up), give, grant, hinder, make, minister, number, offer, have power, put, receive, set, shew, smite (+ with the hand), strike (+ with the palm of the hand), suffer, take, utter, yield15τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16αμπελωναG290wijngaard, wijngaardsvineyard17αλλοιςG243ander, andersmore, one (another), (an-, some an-)other(-s, -wise)
10Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Hebt gij ook dezeG3778SchriftG1124 niet gelezenG314: De steenG3037, dienG3739 de bouwliedenG3618verworpenG593 hebben, dezeG3778 is gewordenG1096totG1519 een hoofdG2776 des hoeksG1137;Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks;
KJVAnd have ye5not1readthisscripture;3The stone6which7the builders10rejected8is4become13the head14of the corner:
1ουδεG3761ook niet, nochneither (indeed), never, no (more, nor, not), nor (yet), (also, even, then) not (even, so much as), + nothing, so much as2τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc3γραφηνG1124Schrift, Schriften, Schriftuurscripture4ταυτηνG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who5ανεγνωτεG314gelezen, leest, lezenread6λιθονG3037steen, stenen, gesteente(mill-, stumbling-)stone7ονG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc8απεδοκιμασανG593verworpendisallow, reject9οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10οικοδομουντεςG3618bouwen, gebouwd, bouwde(be in) build(-er, -ing, up), edify, embolden11ουτοςG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who12εγενηθηG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought13ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with14κεφαληνG2776hoofd, hoofden, Hoofdhead15γωνιαςG1137hoeks, hoeken, hoekcorner, quarter
11Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Van den HeereG2962 is ditG3778geschiedG1096, enG2532 het isG1510wonderlijkG2298inG1722 onze ogenG3788.Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.
1παραG3844van, bij, naastabove, against, among, at, before, by, contrary to, X friend, from, + give (such things as they), + that (she) had, X his, in, more than, nigh unto, (out) of, past, save, side…by, in the sight of, than, (there-)fore, with2κυριουG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir3εγενετοG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought4αυτηG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who5καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet6εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was7θαυμαστηG2298wonderlijk, wonder, wonderbaarmarvel(-lous)8ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)9οφθαλμοιςG3788ogen, oog, Ogeneye, sight10ημωνG1473mij, ikI, me
12En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12EnG2532 zij zochtenG2212HemG846 te vangenG2902, maar zij vreesdenG5399 de schareG3793; want zij verstondenG1097, datG3754HijG846 die gelijkenisG3850 op hen sprakG2036; enG2532 zij verlietenG863HemG846 en gingen wegG565.En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.
Ook in dit vers
totG4314
KJVAnd1they sought2to lay hold4on him,3but5feared6the people:8for10they knew9that11he had spokenthe parable15against12them:13and17they left18him,19and went their way.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2εζητουνG2212zoekt, zochten, zoekenbe (go) about, desire, endeavour, enquire (for), require, (X will) seek (after, for, means)3αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4κρατησαιG2902grepen, houdt, vangenhold (by, fast), keep, lay hand (hold) on, obtain, retain, take (by)5καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet6εφοβηθησανG5399bevreesd, vreest, vreesdenbe (+ sore) afraid, fear (exceedingly), reverence7τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8οχλονG3793schare, scharen, volkcompany, multitude, number (of people), people, press9εγνωσανG1097gekend, weten, kentallow, be aware (of), feel, (have) know(-ledge), perceived, be resolved, can speak, be sure, understand10γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet11οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why12προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)13αυτουςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which14τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15παραβοληνG3850gelijkenis, gelijkenissen, afbeeldingcomparison, figure, parable, proverb16ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter17καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet18αφεντεςG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up19αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which20απηλθονG565ging, weg, weggegaancome, depart, go (aside, away, back, out, … ways), pass away, be past
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
13En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13EnG2532 zij zondenG649totG4314HemG846enigenG5100 der FarizeenG5330enG2532 der HerodianenG2265, opdatG2443 zij Hem in Zijn redeG3056vangenG64 zouden.En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.
KJVAnd1they send2unto3him4certain5of the Pharisees7and8of the Herodians,10to11catch13him12in his words.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2αποστελλουσινG649gezonden, zond, zondenput in, send (away, forth, out), set (at liberty)3προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)4αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5τιναςG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)6τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7φαρισαιωνG5330Farizeen, Farizeer, FarizeersPharisee8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10ηρωδιανωνG2265Herodianen, HerodeanenHerodians11ιναG2443opdat, dat, wilalbeit, because, to the intent (that), lest, so as, (so) that, (for) to12αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which13αγρευσωσινG64vangencatch14λογωG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work
14Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14DezenG1161 nu kwamenG2064 en zeidenG3004 tot HemG846: MeesterG1320, wij wetenG1492, datG3754 Gij waarachtigG227zijtG1510, enG2532 naar niemandG3762vraagtG4671; want Gij ziet den persoonG1519 der mensenG444nietG3756aanG1909, maarG235 Gij leertG1321 den wegG3598GodsG2316 in der waarheidG225; is het geoorloofdG1832, den keizerG2541schattingG2778 te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?
KJVAnd2when they were come,3they say4unto him,5Master,6we know7that8thou arttrue,9and11carest12for15no man:16for18thou regardest19not17the person20of men,22but23teachest30the way27of God29in24truth:25Is it lawful31to give34tribute32to Caesar,33or35not?
1οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ελθοντεςG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set4λεγουσινG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter5αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which6διδασκαλεG1320Meester, leraars, meesterdoctor, master, teacher7οιδαμενG1492weet, zag, ziendebe aware, behold, X can (+ not tell), consider, (have) know(-ledge), look (on), perceive, see, be sure, tell, understand, wish, wot8οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why9αληθηςG227waarachtig, waarachtige, waarachtigentrue, truly, truth10ειG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but13μελειG3199Zorgt, bekommeren, bekommert(take) care14σοιG4771u, gij, gijliedenthou15περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with16ουδενοςG3762niemand, niets, Niemandany (man), aught, man, neither any (thing), never (man), no (man), none (+ of these things), not (any, at all, -thing), nought17ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but18γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet19βλεπειςG991zien, zie, ziendebehold, beware, lie, look (on, to), perceive, regard, see, sight, take heed20ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with21προσωπονG4383aangezicht, aangezichten, aangezichts(outward) appearance, X before, countenance, face, fashion, (men's) person, presence22ανθρωπωνG444mensen, mens, Menscertain, man23αλλG235maar, dochand, but (even), howbeit, indeed, nay, nevertheless, no, notwithstanding, save, therefore, yea, yet24επG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with25αληθειαςG225waarheid, Waarheid, waretrue, X truly, truth, verity26τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc27οδονG3598weg, wegen, Wegjourney, (high-)way28τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc29θεουG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)30διδασκειςG1321lerende, leerde, lerenteach31εξεστινG1832geoorloofdbe lawful, let, X may(-est)32κηνσονG2778schatting, schattingpenningtribute33καισαριG2541keizer, keizers, KeizerCæsar34δουναιG1325gegeven, geven, gafadventure, bestow, bring forth, commit, deliver (up), give, grant, hinder, make, minister, number, offer, have power, put, receive, set, shew, smite (+ with the hand), strike (+ with the palm of the hand), suffer, take, utter, yield35ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea36ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
15En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15EnG1161 Hij, wetendeG1492hunG846geveinsdheidG5272, zeideG2036 tot henG846: WatG5101verzoektG3985 gij Mij? BrengtG5342MijG1473 een penningG1220, datG2443 Ik hem zieG1492.En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.
KJVShall we give,1or2shall we not3give?4But6he, knowing7their8hypocrisy,10saidunto them,12Why13tempt ye15me?bring16mea penny,18that19I may see
1δωμενG1325gegeven, geven, gafadventure, bestow, bring forth, commit, deliver (up), give, grant, hinder, make, minister, number, offer, have power, put, receive, set, shew, smite (+ with the hand), strike (+ with the palm of the hand), suffer, take, utter, yield2ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea3μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without4δωμενG1325gegeven, geven, gafadventure, bestow, bring forth, commit, deliver (up), give, grant, hinder, make, minister, number, offer, have power, put, receive, set, shew, smite (+ with the hand), strike (+ with the palm of the hand), suffer, take, utter, yield5οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)7ειδωςG1492weet, zag, ziendebe aware, behold, X can (+ not tell), consider, (have) know(-ledge), look (on), perceive, see, be sure, tell, understand, wish, wot8αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which9τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10υποκρισινG5272geveinsdheid, oordeel, veinzingcondemnation, dissimulation, hypocrisy11ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter12αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which13τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why14μεG1473mij, ikI, me15πειραζετεG3985verzocht, verzoekende, verzoektassay, examine, go about, prove, tempt(-er), try16φερετεG5342brachten, draagt, gebrachtbe, bear, bring (forth), carry, come, + let her drive, be driven, endure, go on, lay, lead, move, reach, rushing, uphold17μοιG1473mij, ikI, me18δηναριονG1220penning, penningenpence, penny(-worth)19ιναG2443opdat, dat, wilalbeit, because, to the intent (that), lest, so as, (so) that, (for) to20ιδωG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
16En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des keizers.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16En zij brachtenG5342 een. En Hij zeideG3004 tot henG846: Wiens is ditG3778beeldG1504, en het opschriftG1923? En zij zeidenG2036 tot HemG846: Des keizersG2541.En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des keizers.
1οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ηνεγκανG5342brachten, draagt, gebrachtbe, bear, bring (forth), carry, come, + let her drive, be driven, endure, go on, lay, lead, move, reach, rushing, uphold4καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet5λεγειG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter6αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7τινοςG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why8ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9εικωνG1504beeld, Beeld, beeldeimage10αυτηG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13επιγραφηG1923opschriftsuperscription14οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)16ειπονG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter17αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which18καισαροςG2541keizer, keizers, KeizerCæsar
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
17En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17EnG2532JezusG2424, antwoordendeG611, zeideG2036 tot henG846: GeeftG591 dan den keizerG2541, dat des keizersG2541 is, enG2532GodeG2316, dat GodsG2316 is. EnG2532 zij verwonderdenG2296 zich overG1909 Hem.En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.
KJVAnd1Jesus4answering2saidunto them,6Render7to Caesar9the things that are3Caesar's,10and11to God14the things that are8God's.16And17they marvelled18at19him.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2αποκριθειςG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4ιησουςG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus5ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter6αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7αποδοτεG591vergelden, betaald, betalendeliver (again), give (again), (re-)pay(-ment be made), perform, recompense, render, requite, restore, reward, sell, yield8ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9καισαροςG2541keizer, keizers, KeizerCæsar10καισαριG2541keizer, keizers, KeizerCæsar11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14θεουG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)15τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16θεωG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)17καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet18εθαυμασανG2296verwonderden, verwonderde, verwonderdadmire, have in admiration, marvel, wonder19επG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with20αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
18En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende:
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18EnG2532 de SadduceenG4523kwamenG2064totG4314HemG846, welke zeggenG3004, dat er geenG3361opstandingG386isG1510, enG2532vraagdenG1905HemG846, zeggendeG3004:En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende:
19Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19MeesterG1320! MozesG3475 heeft ons geschrevenG1125: IndienG1437iemandsG5100broederG80sterftG599, enG2532 een vrouwG1135achterlaatG2641, enG2532geenG3361kinderenG5043nalaatG863, dat zijn broederG80 deszelfs vrouwG1135nemenG2983 zal enG2532 zijn broederG80zaadG4690verwekkenG1817.Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken.
20Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Er warenG1510nuG3767zevenG2033broedersG80, enG2532 de eersteG4413namG2983 een vrouwG1135, enG2532stervendeG599lietG863geenG3756zaadG4690 na.Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na.
KJVNow there wereseven1brethren:6and8the first10took11a wife,12and13dying14left16no15seed.
1επταG2033zeven, Zeven, zevendeseven4ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore6αδελφοιG80broeders, broeder, broederenbrother7ησανG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10πρωτοςG4413eerste, eersten, eerstbefore, beginning, best, chief(-est), first (of all), former11ελαβενG2983ontvangen, nam, genomenaccept, + be amazed, assay, attain, bring, X when I call, catch, come on (X unto), + forget, have, hold, obtain, receive (X after), take (away, up)12γυναικαG1135vrouw, vrouwen, Vrouwwife, woman13καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet14αποθνησκωνG599gestorven, sterven, sterftbe dead, death, die, lie a-dying, be slain (X with)15ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but16αφηκενG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up17σπερμαG4690zaad, zade, zadenissue, seed
21De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21De tweedeG1208namG2983haarG846 ook, enG2532 is gestorvenG599, en ook deze lietG863 geen zaadG4690 na; enG2532 de derdeG5154 desgelijks.De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks.
22En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22En al de zevenG2033namenG2983dezelveG846, en lietenG863geenG3756zaadG4690 na; de laatsteG2078 van allenG3956 is ookG2532 de vrouwG1135gestorvenG599.En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven.
23In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23InG1722 de opstandingG386danG3767, wanneer zij zullen opgestaanG450 zijn, wiens vrouwG1135 zal zijG1510 van dezenG846 zijn? WantG1063 die zevenG2033hebbenG2192 haar tot een vrouwG1135 gehad.In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.
KJVIn1the resurrection4therefore,3when5they shall rise,6whose7wife10shall she beof them?8for12the seven13had14her15to wife.
1ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)2τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc3ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore4αναστασειG386opstanding, Opstandingraised to life again, resurrection, rise from the dead, that should rise, rising again5οτανG3752wanneer, zodraas long (soon) as, that, + till, when(-soever), while6αναστωσινG450stond, opgestaan, opstaanarise, lift up, raise up (again), rise (again), stand up(-right)7τινοςG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why8αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which9εσταιG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was10γυνηG1135vrouw, vrouwen, Vrouwwife, woman11οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet13επταG2033zeven, Zeven, zevendeseven14εσχονG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use15αυτηνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which16γυναικαG1135vrouw, vrouwen, Vrouwwife, woman
24En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24EnG2532JezusG2424, antwoordendeG611, zeideG2036 tot henG846: DwaaltG4105 gij niet, daarom, datG3778 gij de SchriftenG1124 niet weetG1492, noch de krachtG1411GodsG2316?En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods?
KJVAnd1Jesus4answering2saidunto them,6Do ye10not7therefore8err,because ye know12not11the scriptures,14neither15the power17of God?
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2αποκριθειςG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4ιησουςG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus5ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter6αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but8διαG1223door, om, vanwegeafter, always, among, at, to avoid, because of (that), briefly, by, for (cause) … fore, from, in, by occasion of, of, by reason of, for sake, that, thereby, therefore, X though, through(-out), to, wherefore, with (-in)9τουτοG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who10πλανασθεG4105verleiden, Dwaalt, verleidgo astray, deceive, err, seduce, wander, be out of the way11μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without12ειδοτεςG1492weet, zag, ziendebe aware, behold, X can (+ not tell), consider, (have) know(-ledge), look (on), perceive, see, be sure, tell, understand, wish, wot13ταςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14γραφαςG1124Schrift, Schriften, Schriftuurscripture15μηδεG3366en niet, ook niet, nochneither, nor (yet), (no) not (once, so much as)16τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17δυναμινG1411kracht, krachten, vermogenability, abundance, meaning, might(-ily, -y, -y deed), (worker of) miracle(-s), power, strength, violence, mighty (wonderful) work18τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19θεουG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
25Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25WantG1063 als zij uitG1537 de dodenG3498 zullen opgestaanG450 zijn, zo trouwenG1060 zij niet, noch worden ten huwelijk gegevenG1061; maarG235zijG1510 zijn gelijkG5613engelenG32, die inG1722 de hemelenG3772 zijn.Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn.
KJVFor2when1they shall rise5from3the dead,4they neither6marry,7nor8are given in marriage;9but10areas12the angels13which14are in15heaven.
1οτανG3752wanneer, zodraas long (soon) as, that, + till, when(-soever), while2γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet3εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)4νεκρωνG3498doden, dood, dodedead5αναστωσινG450stond, opgestaan, opstaanarise, lift up, raise up (again), rise (again), stand up(-right)6ουτεG3777noch, ook nietneither, none, nor (yet), (no, yet) not, nothing7γαμουσινG1060trouwen, trouwt, getrouwdmarry (a wife)8ουτεG3777noch, ook nietneither, none, nor (yet), (no, yet) not, nothing9γαμισκονταιG1061huwelijk gegevengive in marriage10αλλG235maar, dochand, but (even), howbeit, indeed, nay, nevertheless, no, notwithstanding, save, therefore, yea, yet11εισινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was12ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed13αγγελοιG32engel, engelen, engelsangel, messenger14οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)16τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17ουρανοιςG3772hemel, hemelen, hemelsair, heaven(-ly), sky
26Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26DochG1161aangaandeG4012 de dodenG3498, datG3754 zij opgewektG1453 zullen worden, hebt gij nietG3756gelezenG314inG1722 het boekG976 van MozesG3475, hoeG5613GodG2316 in het doornenbosG942totG1909hemG846gesprokenG2036 heeft, zeggendeG3004: IkG1473 ben de GodG2316AbrahamsG11, en de GodG2316IzaksG2464, en de GodG2316JakobsG2384?Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs?
1περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4νεκρωνG3498doden, dood, dodedead5οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why6εγειρονταιG1453opgewekt, opgestaan, Staawake, lift (up), raise (again, up), rear up, (a-)rise (again, up), stand, take up7ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but8ανεγνωτεG314gelezen, leest, lezenread9ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)10τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11βιβλωG976boek, boeken, boeksbook12μωσεωςG3475MozesMoses13επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with14τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15βατουG942doornenbos, bramenbramble, bush16ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed17ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter18αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which19οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20θεοςG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)21λεγωνG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter22εγωG1473mij, ikI, me23οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc24θεοςG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)25αβρααμG11Abraham, AbrahamsAbraham26καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet27οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc28θεοςG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)29ισαακG2464Izak, Izaks, IzaakIsaac30καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet31οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc32θεοςG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)33ιακωβG2384Jakob, Jakobsalso an Israelite:--Jacob
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
27God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27GodG2316isG1510nietG3756 een GodG2316 der dodenG3498, maarG235 een God der levendenG2198. GijG4771dwaaltG4105danG3767 zeer.God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.
KJVHe isnot1the God4of the dead,5but6the God7of the living:8yetherefore10do12greatly11err.
1ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but2εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4θεοςG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)5νεκρωνG3498doden, dood, dodedead6αλλαG235maar, dochand, but (even), howbeit, indeed, nay, nevertheless, no, notwithstanding, save, therefore, yea, yet7θεοςG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)8ζωντωνG2198leven, levenden, leeftlife(-time), (a-)live(-ly), quick9υμειςG4771u, gij, gijliedenthou10ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore11πολυG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly12πλανασθεG4105verleiden, Dwaalt, verleidgo astray, deceive, err, seduce, wander, be out of the way
28En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van allen?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28EnG2532eenG1520 der SchriftgeleerdenG1122horendeG191, dat zij te zamen in woorden waren, en wetendeG1492, datG3754 Hij hun wel geantwoordG611 had, kwam tot Hem, en vraagdeG1905HemG846: Welk isG1510 het eersteG4413gebodG1785 van allenG3956?En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van allen?
Ook in dit vers
tezamen woordenG4802
KJVAnd1one3of the scribes5came,2and having heard6them7reasoning together,8and perceiving9that10he had answered13them12well,11asked14him,15Which16isthe first18commandment20of all?
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2προσελθωνG4334komende, gingen, gaande(as soon as he) come (unto), come thereunto, consent, draw near, go (near, to, unto)3ειςG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some4τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5γραμματεωνG1122Schriftgeleerden, Schriftgeleerde, schriftgeleerdescribe, town-clerk6ακουσαςG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand7αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8συζητουντωνG4802handelde, ondervraagden, tezamen woordendispute (with), enquire, question (with), reason (together)9ειδωςG1492weet, zag, ziendebe aware, behold, X can (+ not tell), consider, (have) know(-ledge), look (on), perceive, see, be sure, tell, understand, wish, wot10οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why11καλωςG2573wel, goed, recht(in a) good (place), honestly, + recover, (full) well12αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which13απεκριθηG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer14επηρωτησενG1905vraagde, vraagden, vragenask (after, questions), demand, desire, question15αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which16ποιαG4169welk?, wat voor een?what (manner of), which17εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was18πρωτηG4413eerste, eersten, eerstbefore, beginning, best, chief(-est), first (of all), former19πασωνG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever20εντοληG1785gebod, geboden, bevelcommandment, precept
29En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel, de Heere, onze God, is een enig Heere.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29EnG1161JezusG2424antwoorddeG611hemG846: Het eersteG4413 van alG3956 de gebodenG1785 is: HoorG191, IsraelG2474, de HeereG2962, onze GodG2316, isG1510 een enigG1520HeereG2962.En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel, de Heere, onze God, is een enig Heere.
30En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30EnG2532gij zultG25 den HeereG2962, uw GodG2316, liefhebbenG25uitG1537geheelG3650 uw hartG2588, enG2532uitG1537geheelG3650 uw zielG5590, enG2532uitG1537geheelG3650 uw verstandG1271, enG2532uitG1537geheelG3650 uw krachtG2479. DitG3778 is het eersteG4413gebodG1785.En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.
KJVAnd1thou shalt love2the Lord3thyGod5with7all8thyheart,10and12with13all14thysoul,16and18with19all20thymind,22and24with25all26thystrength:28this30is the first31commandment.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2αγαπησειςG25liefhebben, lief, liefgehad(be-)love(-ed)3κυριονG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir4τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5θεονG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)6σουG4771u, gij, gijliedenthou7εξG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)8οληςG3650geheel, alles, gansenall, altogether, every whit, + throughout, whole9τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10καρδιαςG2588hart, harten, harte(+ broken-)heart(-ed)11σουG4771u, gij, gijliedenthou12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13εξG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)14οληςG3650geheel, alles, gansenall, altogether, every whit, + throughout, whole15τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16ψυχηςG5590ziel, leven, zielenheart (+ -ily), life, mind, soul, + us, + you17σουG4771u, gij, gijliedenthou18καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet19εξG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)20οληςG3650geheel, alles, gansenall, altogether, every whit, + throughout, whole21τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc22διανοιαςG1271verstand, gedachten, verstandsimagination, mind, understanding23σουG4771u, gij, gijliedenthou24καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet25εξG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)26οληςG3650geheel, alles, gansenall, altogether, every whit, + throughout, whole27τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc28ισχυοςG2479sterkte, kracht, krachtelijkability, might(-ily), power, strength29σουG4771u, gij, gijliedenthou30αυτηG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who31πρωτηG4413eerste, eersten, eerstbefore, beginning, best, chief(-est), first (of all), former32εντοληG1785gebod, geboden, bevelcommandment, precept
31En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31EnG2532 het tweedeG1208 aan dit gelijk, is ditG3778: Gij zultG25 uw naasteG4139liefhebbenG25alsG5613 uzelven. Er isG1510geenG3756anderG243gebodG1785, groterG3187 dan deze.En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2δευτεραG1208tweede, tweeden, tweeden maleafterward, again, second(-arily, time)3ομοιαG3664hoornen, gelijkelike, + manner4αυτηG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who5αγαπησειςG25liefhebben, lief, liefgehad(be-)love(-ed)6τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7πλησιονG4139naaste, nabijnear, neighbour8σουG4771u, gij, gijliedenthou9ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed10σεαυτονG4572uzelfthee, thine own self, (thou) thy(-self)11μειζωνG3173grote, groot, groten(+ fear) exceedingly, great(-est), high, large, loud, mighty, + (be) sore (afraid), strong, X to years12τουτωνG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who13αλληG243ander, andersmore, one (another), (an-, some an-)other(-s, -wise)14εντοληG1785gebod, geboden, bevelcommandment, precept15ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but16εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
32En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32EnG2532 de schriftgeleerdeG1122zeideG2036totG1909HemG846: MeesterG1320, Gij hebt wel in der waarheidG225gezegdG2036, datG3754 er een enigG1520GodG2316 is, enG2532 er isG1510geenG3756anderG243 dan HijG846;En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij;
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5γραμματευςG1122Schriftgeleerden, Schriftgeleerde, schriftgeleerdescribe, town-clerk6καλωςG2573wel, goed, recht(in a) good (place), honestly, + recover, (full) well7διδασκαλεG1320Meester, leraars, meesterdoctor, master, teacher8επG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with9αληθειαςG225waarheid, Waarheid, waretrue, X truly, truth, verity10ειπαςG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter11οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why12ειςG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some13εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was14θεοςG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)15καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet16ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but17εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was18αλλοςG243ander, andersmore, one (another), (an-, some an-)other(-s, -wise)19πληνG4133doch, behalvebut (rather), except, nevertheless, notwithstanding, save, than20αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
33En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33EnG2532HemG846liefG25 te hebben uitG1537geheelG3650 het hartG2588, enG2532uitG1537geheelG3650 het verstandG4907, enG2532uitG1537geheelG3650 de zielG5590, enG2532uitG1537geheelG3650 de krachtG2479; enG2532 den naasteG4139liefG25 te hebben alsG5613zichzelvenG1438, isG1510 meer dan alG3956 de brandofferenG3646enG2532 de slachtofferenG2378.En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc3αγαπανG25liefhebben, lief, liefgehad(be-)love(-ed)4αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5εξG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)6οληςG3650geheel, alles, gansenall, altogether, every whit, + throughout, whole7τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8καρδιαςG2588hart, harten, harte(+ broken-)heart(-ed)9καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet10εξG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)11οληςG3650geheel, alles, gansenall, altogether, every whit, + throughout, whole12τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13συνεσεωςG4907verstand, verstands, wetenschapknowledge, understanding14καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet15εξG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)16οληςG3650geheel, alles, gansenall, altogether, every whit, + throughout, whole17τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18ψυχηςG5590ziel, leven, zielenheart (+ -ily), life, mind, soul, + us, + you19καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet20εξG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)21οληςG3650geheel, alles, gansenall, altogether, every whit, + throughout, whole22τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc23ισχυοςG2479sterkte, kracht, krachtelijkability, might(-ily), power, strength24καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet25τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc26αγαπανG25liefhebben, lief, liefgehad(be-)love(-ed)27τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc28πλησιονG4139naaste, nabijnear, neighbour29ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed30εαυτονG1438zichzelven, zich, onszelvenalone, her (own, -self), (he) himself, his (own), itself, one (to) another, our (thine) own(-selves), + that she had, their (own, own selves), (of) them(-selves), they, thyself, you, your (own, own conceits, own selves, -selves)31πλειονG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly32εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was33παντωνG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever34τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc35ολοκαυτωματωνG3646Brandofferen, brandofferen, brandoffers(whole) burnt offering36καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet37τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc38θυσιωνG2378offerande, offeranden, slachtofferensacrifice
34En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34EnG2532JezusG2424ziendeG1492, datG3754hijG846verstandelijkG3562geantwoordG611 had, zeideG2036 tot hemG846: Gij zijtG1510nietG3756verreG3112vanG575 het KoninkrijkG932GodsG2316. EnG2532niemandG3762durfdeG5111HemG846 meer vragenG1905.En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc3ιησουςG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus4ιδωνG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed5αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which6οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why7νουνεχωςG3562verstandelijkdiscreetly8απεκριθηG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer9ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter10αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which11ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but12μακρανG3112verre, ver(a-)far (off), good (great) way off13ειG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was14αποG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with15τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16βασιλειαςG932Koninkrijk, koninkrijk, Koninkrijkskingdom, + reign17τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18θεουG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)19καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet20ουδειςG3762niemand, niets, Niemandany (man), aught, man, neither any (thing), never (man), no (man), none (+ of these things), not (any, at all, -thing), nought21ουκετιG3765niet meer, voortaan nietafter that (not), (not) any more, henceforth (hereafter) not, no longer (more), not as yet (now), now no more (not), yet (not)22ετολμαG5111durfde, durven, stoutbe bold, boldly, dare, durst23αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which24επερωτησαιG1905vraagde, vraagden, vragenask (after, questions), demand, desire, question
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
35En Jezus antwoordde en zeide, lerende in den tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35En JezusG2424antwoorddeG611 en zeideG3004, lerendeG1321inG1722 den tempelG2411: HoeG4459zeggenG3004 de SchriftgeleerdenG1122, datG3754 de ChristusG5547 een ZoonG5207 van DavidG1138isG1510?En Jezus antwoordde en zeide, lerende in den tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is?
KJVAnd1Jesus4answered2and said,5while he taught6in7the temple,9How10say11the scribes13that14Christ16isthe Son17of David?
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2αποκριθειςG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4ιησουςG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus5ελεγενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter6διδασκωνG1321lerende, leerde, lerenteach7ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)8τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9ιερωG2411tempel, tempels, heiligetemple10πωςG4459hoe?, op welke wijzehow, after (by) what manner (means), that11λεγουσινG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter12οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13γραμματειςG1122Schriftgeleerden, Schriftgeleerde, schriftgeleerdescribe, town-clerk14οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why15οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16χριστοςG5547Christus, Christus', CHRISTUSChrist17υιοςG5207Zoon, zoon, kinderenchild, foal, son18εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was19δαβιδG1138David, DavidsDavid
36Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36WantG1063DavidG1138zelfG846 heeft doorG1722 den HeiligenG40GeestG4151gezegdG2036: De HeereG2962 heeft gezegdG2036 tot mijn HeereG2962: ZitG2521 aan Mijn rechterG1188 hand, totdat IkG1473 Uw vijandenG2190 zal gezetG5087 hebben tot een voetbankG5286 Uwer voetenG4228.Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
1αυτοςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which2γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet3δαβιδG1138David, DavidsDavid4ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter5ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)6τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7πνευματιG4151Geest, geest, Geestesghost, life, spirit(-ual, -ually), mind8τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9αγιωG40heiligen, Heiligen, Heilige(most) holy (one, thing), saint10ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter11οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12κυριοςG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir13τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14κυριωG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir15μουG1473mij, ikI, me16καθουG2521zittende, zit, zittendwell, sit (by, down)17εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)18δεξιωνG1188rechter, rechterhand, rechter-right (hand, side)19μουG1473mij, ikI, me20εωςG2193tot, totdateven (until, unto), (as) far (as), how long, (un-)til(-l), (hither-, un-, up) to, while(-s)21ανG302drukt voorwaardelijkheid uit; blijft meestal onvertaald(what-, where-, wither-, who-)soever22θωG5087gelegd, gesteld, gezet+ advise, appoint, bow, commit, conceive, give, X kneel down, lay (aside, down, up), make, ordain, purpose, put, set (forth), settle, sink down23τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc24εχθρουςG2190vijanden, vijand, vijandigenemy, foe25σουG4771u, gij, gijliedenthou26υποποδιονG5286voetbankfootstool27τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc28ποδωνG4228voeten, voet, voetstapfoot(-stool)29σουG4771u, gij, gijliedenthou
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
37David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37DavidG1138danG3767zelfG846noemtG3004 Hem zijn HeereG2962, enG2532hoeG4159 is Hij zijn ZoonG5207? EnG2532 de menigteG4183 der schareG3793hoordeG191 Hem gaarneG2234.David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.
38En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38EnG2532 Hij zeideG3004 tot hen inG1722 Zijn leerG1322: WachtG991 u voor de schriftgeleerdenG1122, die daar gaarne willenG2309wandelenG4043inG1722lange klederenG4749, enG2532gegroetG783 zijn opG1722 de marktenG58;En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten;
39En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39En de voorgestoeltenG4410 hebben inG1722 de synagogenG4864, enG2532 de vooraanzittingenG4411inG1722 de maaltijdenG1173;En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;
40Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40Welke de huizenG3614 der weduwenG5503opetenG2719, enG2532 dat onder den schijnG4392 van langG3117 te biddenG4336. DezenG3778 zullen zwaarderG4055oordeelG2917ontvangenG2983.Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.
KJVWhich devour2widows'6houses,4and7for a pretence8make10long9prayers:these11shall receive12greaterdamnation.
1οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2κατεσθιοντεςG2719aten, eet, opetendevour3ταςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4οικιαςG3614huis, huizen, huizehome, house(-hold)5τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6χηρωνG5503weduwen, weduwe, zekere weduwewidow7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8προφασειG4392schijn, deksel, voorwendselcloke, colour, pretence, show9μακραG3117lang, ver, langefar, long10προσευχομενοιG4336bidden, bidt, badpray (X earnestly, for), make prayer11ουτοιG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who12ληψονταιG2983ontvangen, nam, genomenaccept, + be amazed, assay, attain, bring, X when I call, catch, come on (X unto), + forget, have, hold, obtain, receive (X after), take (away, up)13περισσοτερονG4053onnodig, overvloed, voordeelexceeding abundantly above, more abundantly, advantage, exceedingly, very highly, beyond measure, more, superfluous, vehement(-ly)14κριμαG2917oordeel, oordelen, rechtzakenavenge, condemned, condemnation, damnation, + go to law, judgment
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
41En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41EnG2532JezusG2424, gezetenG2523 zijnde tegenoverG2713 de schatkistG1049, zagG2334, hoeG4459 de schareG3793geldG5475wierpG906inG1519 de schatkistG1049; enG2532veleG4183rijkenG4145wierpenG906veelG4183 daarin.En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.
KJVAnd1Jesus4sat2over against5the treasury,7and beheld8how9the people11cast12money13into14the treasury:16and17many18that were rich19cast in20much.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2καθισαςG2523gezeten, zitten, nedercontinue, set, sit (down), tarry3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4ιησουςG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus5κατεναντιG2713tegenoverbefore, over against6τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7γαζοφυλακιουG1049schatkisttreasury8εθεωρειG2334zien, zag, zagenbehold, consider, look on, perceive, see9πωςG4459hoe?, op welke wijzehow, after (by) what manner (means), that10οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11οχλοςG3793schare, scharen, volkcompany, multitude, number (of people), people, press12βαλλειG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust13χαλκονG5475geld, koper, metaalbrass, money14ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with15τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16γαζοφυλακιονG1049schatkisttreasury17καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet18πολλοιG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly19πλουσιοιG4145rijk, rijken, rijkerich20εβαλλονG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust21πολλαG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly
42En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42EnG2532 er kwamG2064eenG1520armeG4434weduweG5503, die tweeG1417kleineG3016 penningen daarin wierpG906, hetwelk isG1510 een oortG2835.En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.
KJVAnd1there came2a certainpoor5widow,4and she threw in6two8mites,7which makea farthing.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ελθουσαG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set3μιαG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some4χηραG5503weduwen, weduwe, zekere weduwewidow5πτωχηG4434armen, arme, armbeggar(-ly), poor6εβαλενG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust7λεπταG3016kleine, penningskenmite8δυοG1417twee, Twee, tweeenboth, twain, two9οG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc10εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was11κοδραντηςG2835oort, penningfarthing
43En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43EnG2532 Jezus, Zijn discipelenG3101 tot Zich geroepenG4341 hebbende, zeideG3004 tot henG846: VoorwaarG281, Ik zegG3004uG4771, dat dezeG3778armeG4434weduweG5503 meer ingeworpenG906 heeft, dan allenG3956, die inG1519 de schatkistG1049geworpenG906 hebben.En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben.
KJVAnd1he called2unto him his5disciples,4and saith6unto them,7Verily8I say9unto you,That11this14poor16widow13hath cast19morein,21than all18they which have castinto22the treasury:
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2προσκαλεσαμενοςG4341geroepen, riep, kinderkenscall (for, to, unto)3τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4μαθηταςG3101discipelen, discipel, discipelsdisciple5αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which6λεγειG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter7αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8αμηνG281Voorwaar, Amen, voorwaaramen, verily9λεγωG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter10υμινG4771u, gij, gijliedenthou11οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why12ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13χηραG5503weduwen, weduwe, zekere weduwewidow14αυτηG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who15ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16πτωχηG4434armen, arme, armbeggar(-ly), poor17πλειονG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly18παντωνG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever19βεβληκενG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust20τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21βαλοντωνG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust22ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with23τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc24γαζοφυλακιονG1049schatkisttreasury
44Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44WantG1063 zij allen hebben vanG1537 hun overvloedG4052 daarin geworpenG906; maarG1161dezeG3778 heeft vanG1537 haar gebrekG5304, alG3956 wat zij hadG2192, daarin geworpenG906, haar ganse leeftochtG979.Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.
Ook in dit vers
gansenG3650
KJVFor2all1they did cast in7of3their6abundance;5but9she8of10her13want12did cast in17all14that15she had,16even all18her21living.
1παντεςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever2γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet3εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)4τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5περισσευοντοςG4052overvloedig, overvloed, overgeschoten(make, more) abound, (have, have more) abundance (be more) abundant, be the better, enough and to spare, exceed, excel, increase, be left, redound, remain (over and above)6αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7εβαλονG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust8αυτηG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who9δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)10εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)11τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12υστερησεωςG5304gebrekwant13αυτηςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which14πανταG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever15οσαG3745zoveel als, allen dieall (that), as (long, many, much) (as), how great (many, much), (in-)asmuch as, so many as, that (ever), the more, those things, what (great, -soever), wheresoever, wherewithsoever, which, X while, who(-soever)16ειχενG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use17εβαλενG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust18ολονG3650geheel, alles, gansenall, altogether, every whit, + throughout, whole19τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20βιονG979goed, leeftocht, levensgood, life, living21αυτηςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Markus 12:1— En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands.Jesaja 5:1→Markus 13:34→Markus 4:2→Markus 4:11→Markus 4:33→Mattheüs 25:14→Hooglied 8:11→Psalmen 80:8→
Markus 12:2— En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards.Micha 7:1→Lukas 20:10→Lukas 12:48→Richteren 6:8→Jeremia 35:15→2 Koningen 17:13→Mattheüs 21:34→Zacharia 7:7→
Markus 12:3— Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.Nehemia 9:26→Hebreeën 11:36→1 Thessalonicenzen 2:15→2 Kronieken 36:16→Handelingen 7:52→Daniël 9:10→1 Koningen 19:14→Jeremia 26:20→
Markus 12:5— En wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden.Mattheüs 22:6→Markus 9:13→Mattheüs 5:12→Lukas 6:22→Lukas 6:36→Mattheüs 23:37→Jeremia 7:25→Mattheüs 21:35→
Markus 12:6— Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.Hebreeën 1:1→Mattheüs 3:17→Mattheüs 11:27→Openbaring 5:9→Psalmen 2:12→Mattheüs 17:5→Hebreeën 1:6→Markus 1:11→
Markus 12:7— Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn.Handelingen 5:28→Jesaja 49:7→Handelingen 13:27→Johannes 11:47→Mattheüs 2:16→Psalmen 2:2→Psalmen 22:12→Jesaja 53:7→
Markus 12:8— En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten den wijngaard.Mattheüs 21:33→Lukas 20:15→Mattheüs 21:39→Hebreeën 13:11→
Markus 12:9— Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven.Lukas 19:27→Mattheüs 21:43→Handelingen 28:23→Leviticus 26:15→Romeinen 9:30→Deuteronomium 4:26→Daniël 9:26→Mattheüs 12:45→
Markus 12:10— Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks;Psalmen 118:22→Mattheüs 21:16→Jesaja 28:16→Mattheüs 12:3→Romeinen 9:33→Mattheüs 19:4→Mattheüs 21:42→Markus 2:25→
Markus 12:11— Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.Handelingen 2:32→Handelingen 3:12→1 Timotheüs 3:16→Handelingen 2:12→Kolossenzen 1:27→Psalmen 118:23→Habakuk 1:5→Efeze 3:8→
Markus 12:12— En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.Markus 11:18→Markus 11:32→Mattheüs 22:22→Johannes 7:30→Johannes 7:44→Johannes 7:25→Lukas 20:19→2 Samuël 12:7→
Markus 12:13— En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.Lukas 11:54→Markus 3:6→Lukas 20:20→Markus 8:15→Psalmen 38:12→Psalmen 56:5→Jesaja 29:21→Jeremia 18:18→
Markus 12:14— Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?2 Korinthe 5:16→Jeremia 15:19→2 Kronieken 18:13→Ezra 4:12→Deuteronomium 16:19→Galaten 2:11→Nehemia 9:37→Mattheüs 17:25→
Markus 12:15— En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.Openbaring 2:23→Johannes 2:24→Mattheüs 22:18→Ezechiël 17:2→1 Korinthe 10:9→Handelingen 5:9→Johannes 21:17→Hebreeën 4:13→
Markus 12:16— En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des keizers.Mattheüs 22:19→2 Timotheüs 2:19→Lukas 20:24→Openbaring 3:12→
Markus 12:17— En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.Romeinen 13:7→1 Petrus 2:17→Job 5:12→Prediker 5:4→Mattheüs 22:46→Spreuken 24:21→Spreuken 23:26→Mattheüs 22:22→
Markus 12:18— En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende:Handelingen 4:1→Mattheüs 22:23→Lukas 20:27→2 Timotheüs 2:18→Handelingen 23:6→1 Korinthe 15:13→
Markus 12:19— Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken.Genesis 38:8→Ruth 1:11→Deuteronomium 25:5→Ruth 4:5→
Markus 12:20— Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na.Lukas 20:29→Mattheüs 22:25→
Markus 12:24— En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods?Johannes 20:9→Hosea 6:2→Mattheüs 22:29→Jesaja 25:8→2 Timotheüs 3:15→Handelingen 17:11→Markus 10:27→Efeze 1:19→
Markus 12:25— Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn.1 Johannes 3:2→Lukas 20:35→Mattheüs 22:30→1 Korinthe 15:42→Hebreeën 12:22→
Markus 12:26— Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs?Lukas 20:37→Mattheüs 22:31→Genesis 31:42→Genesis 26:24→Jesaja 41:8→Exodus 3:16→Genesis 33:20→Exodus 3:2→
Markus 12:27— God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.Romeinen 14:9→Romeinen 4:17→Spreuken 19:27→Hebreeën 3:10→Markus 12:24→Hebreeën 11:13→
Markus 12:28— En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van allen?Mattheüs 22:34→Lukas 20:39→Lukas 10:25→Mattheüs 19:18→Lukas 11:42→Mattheüs 23:23→Mattheüs 5:19→
Markus 12:29— En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel, de Heere, onze God, is een enig Heere.Deuteronomium 6:4→Jakobus 2:19→Galaten 3:20→1 Korinthe 8:4→Romeinen 3:30→Judas 1:25→1 Timotheüs 2:5→Mattheüs 23:9→
Markus 12:30— En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.Deuteronomium 6:5→
Markus 12:31— En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze.Galaten 5:14→Romeinen 13:8→Mattheüs 19:18→1 Korinthe 13:4→Mattheüs 7:12→1 Johannes 4:21→Leviticus 19:18→Jakobus 2:8→
Markus 12:32— En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij;Jesaja 45:14→Jesaja 46:9→Jesaja 45:18→Deuteronomium 4:35→Jesaja 44:8→Deuteronomium 4:39→Jesaja 45:5→Jesaja 45:21→
Markus 12:33— En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen.Hosea 6:6→Micha 6:6→1 Samuël 15:22→Mattheüs 9:13→Mattheüs 12:7→1 Korinthe 13:1→Psalmen 50:8→Hebreeën 10:8→
Markus 12:34— En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.Lukas 20:40→Mattheüs 22:46→Titus 1:9→Kolossenzen 4:6→Romeinen 3:19→Mattheüs 12:20→Galaten 2:19→Romeinen 7:9→
Markus 12:35— En Jezus antwoordde en zeide, lerende in den tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is?Lukas 20:41→Mattheüs 26:55→Johannes 18:20→Mattheüs 22:41→Johannes 7:42→Lukas 19:47→Lukas 21:37→Lukas 20:1→
Markus 12:36— Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.Psalmen 110:1→1 Korinthe 15:25→Hebreeën 1:13→Hebreeën 10:12→Handelingen 2:34→Mattheüs 22:43→2 Samuël 23:2→2 Timotheüs 3:16→
Markus 12:37— David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.Romeinen 1:3→Jakobus 2:5→1 Timotheüs 3:16→Johannes 12:9→Mattheüs 11:5→Mattheüs 1:23→Lukas 21:38→Mattheüs 21:46→
Markus 12:38— En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten;Lukas 11:43→Lukas 20:45→Mattheüs 23:1→3 Johannes 1:9→Markus 4:2→Mattheüs 6:5→Lukas 14:7→Mattheüs 10:17→
Markus 12:39— En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;Jakobus 2:2→
Markus 12:40— Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.Lukas 20:47→Mattheüs 23:13→Mattheüs 6:7→Mattheüs 23:33→Micha 3:1→Ezechiël 22:25→Mattheüs 11:22→Lukas 12:47→
Markus 12:41— En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.Johannes 8:20→2 Koningen 12:9→Lukas 21:1→Mattheüs 27:6→
Markus 12:43— En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben.2 Korinthe 8:2→2 Korinthe 9:6→2 Korinthe 8:12→Exodus 35:21→Handelingen 11:29→Mattheüs 10:42→
Markus 12:44— Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.Lukas 8:43→Lukas 15:30→2 Kronieken 35:7→Lukas 15:12→2 Kronieken 31:5→Filippenzen 4:10→2 Korinthe 8:2→Lukas 21:2→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Markus 12 vers 1— En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands.
gelijkenissen tot hen te zeggen
Grieks, parabelen; zie daarvan de verklaring Matt. 13:3 .
Hertaald:gelijkenissen tot hen te zeggen
Grieks: parabelen; zie daarover de verklaring bij Matth. 13:3.
Een mens plantte een wijngaard,
Van deze gelijkenis zie de verklaring Matt. 21:33 .
Hertaald:Een mens plantte een wijngaard,
Zie over deze gelijkenis de verklaring bij Matth. 21:33.
tuin daarom,
Of, heining, heg.
Hertaald:tuin daarom,
Of: heining, heg.
wijnpersbak,
Namelijk waar de wijn onder de pers inloopt en vergaderd wordt.
Hertaald:wijnpersbak,
Namelijk de bak waarin de wijn onder de pers vandaan loopt en verzameld wordt.
verhuurde dien
Grieks, gaf uit.
Hertaald:verhuurde dien
Grieks: gaf uit.
de landlieden,
Of, landbouwers; waardoor hier voornamelijk wijngaardeniers verstaan worden.
Hertaald:de landlieden,
Of: landbouwers; daarmee worden hier vooral wijngaardeniers bedoeld.
Markus 12 vers 2— En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards.
tijd was,
Dat is, ter bekwamer of rechter tijd, wanneer de vruchten, rijp zijnde, ingezameld waren.
Hertaald:tijd was,
Dat is: op de geschikte of juiste tijd, wanneer de vruchten rijp waren en ingezameld.
Markus 12 vers 4— En hij zond wederom een anderen dienstknecht tot hen, en dien stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde.
Markus 12 vers 6— Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.
ten laatste tot hen gezonden,
Grieks, den laatsten.
Hertaald:ten laatste tot hen gezonden,
Grieks: als laatste.
Markus 12 vers 9— Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven.
Hij zal komen,
Dit antwoorden de Farizeën zelf op de vraag van Christus, bij Matt. 21:41 , en wordt hier aan Christus toegeschreven, omdat Hij dit antwoord herhaalde en voor goed erkende.
Hertaald:Hij zal komen,
Dit antwoorden de Farizeeën zelf op de vraag van Christus in Matth. 21:41. Hier wordt het aan Christus toegeschreven, omdat Hij dit antwoord herhaalde en als juist erkende.
Markus 12 vers 10— Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks;
De steen,
Zie hiervan de verklaring Matt. 21:42 .
Hertaald:De steen,
Zie hierover de verklaring bij Matth. 21:42.
Markus 12 vers 11— Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.
dit geschied,
Anders, deze zaak, of dit, namelijk hoofd des hoeks, is van den Heere geworden.
Hertaald:dit geschied,
Anders: deze zaak, of: dit — namelijk dat Hij hoofd van de hoek is — is van de Heere geworden.
Markus 12 vers 13— En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.
der Herodianen,
Van de Herodianen zie de verklaring Matt. 22:16 .
Hertaald:der Herodianen,
Zie over de Herodianen de verklaring bij Matth. 22:16.
in Zijn rede
Of, met hun woord; dat is met hunne vraag.
Hertaald:in Zijn rede
Of: met hun woord; dat is: met hun vraag.
vangen zouden
Het Griekse woord is genomen van de gelijkenis van jagers, en ook van vissers, die door strikken, netten en lagen het wild of de vissen vangen.
Hertaald:vangen zouden
Het Griekse woord is ontleend aan de vergelijking met jagers en ook met vissers, die met strikken, netten en lagen het wild of de vissen vangen.
Markus 12 vers 14— Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?
persoon der mensen niet aan,
Grieks, het aangezicht. Zie hiervan Matt. 22:16 .
Hertaald:persoon der mensen niet aan,
Grieks: het aangezicht. Zie hierover Matth. 22:16.
den weg Gods in der waarheid;
Dat is, de leer, die God voorschrijft om tot de zaligheid te komen.
Hertaald:den weg Gods in der waarheid;
Dat is: de leer die God voorschrijft om tot de zaligheid te komen.
Markus 12 vers 15— En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.
Markus 12 vers 18— En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende:
Sadduceën kwamen tot Hem,
Van de sekte der Sadduceën zie Hand. 23:8 .
Hertaald:Sadduceën kwamen tot Hem,
Zie over de sekte van de Sadduceeën Hand. 23:8.
Markus 12 vers 19— Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken.
Mozes heeft ons geschreven
Deze wet behoorde tot de burgerlijke wetten der Joden, en had ook iets ceremonieels, en heeft daarom met den staat der Joden opgehouden.
Hertaald:Mozes heeft ons geschreven
Deze wet behoorde tot de burgerlijke wetten van de Joden en had ook iets ceremonieels; daarom is zij met de Joodse staat opgehouden.
zaad verwekken
Dat is, een zoon, die des afgestorvenen naam voerde en zijn erfgenaam was.
Hertaald:zaad verwekken
Dat is: een zoon die de naam van de gestorvene droeg en zijn erfgenaam was.
Markus 12 vers 26— Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs?
het doornenbos
Of, braambos, of braam, gelijk Luc. 6:44 .
Hertaald:het doornenbos
Of: braambos, of braam, zoals Luk. 6:44.
Markus 12 vers 27— God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.
God is niet een God der doden,
Van den zin en de kracht van dit bewijs zie Matt. 22:32 .
Hertaald:God is niet een God der doden,
Zie over de betekenis en de kracht van dit bewijs Matth. 22:32.
zeer
Grieks, veel.
Hertaald:zeer
Grieks: veel.
Markus 12 vers 28— En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van allen?
zamen in woorden waren,
Dat is, tezamen twistten met onderling vragen en antwoorden.
Hertaald:zamen in woorden waren,
Dat is: samen redetwistten met vragen en antwoorden over en weer.
eerste gebod van allen?
Dat is, het voornaamste en grootste van de gehele wet Gods.
Hertaald:eerste gebod van allen?
Dat is: het voornaamste en grootste van de hele wet van God.
Markus 12 vers 29— En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel, de Heere, onze God, is een enig Heere.
de Heere, onze God,
Met het woord Heere wordt overgezet het Hebreeuwse woord JHWH, hetwelk betekent het goddelijk wezen, dat van eeuwigheid in en van Zichzelven bestaat, en allen dingen hun wezen geeft.
Hertaald:de Heere, onze God,
Met het woord HEERE wordt het Hebreeuwse woord JHWH weergegeven, dat het goddelijke wezen aanduidt: dat van eeuwigheid in en uit Zichzelf bestaat en aan alle dingen hun bestaan geeft.
Markus 12 vers 30— En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.
verstand, en uit geheel uw kracht
Of, gedachte; dat is overlegging des verstands.
Hertaald:verstand, en uit geheel uw kracht
Of: gedachte; dat is: de overlegging van het verstand.
Markus 12 vers 31— En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze.
deze
Namelijk deze twee voornaamste geboden.
Hertaald:deze
Namelijk deze twee voornaamste geboden.
Markus 12 vers 33— En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen.
brandofferen en de slachtofferen
Brandoffers waren offeranden, die op het altaar gelegd en aldaar geheel verbrand werden; slachtoffers, waarvan maar een deel op het altaar verbrand werd, en de andere stukken, zo van de priesters en Levieten als van degenen, die offerden, gegeten worden. Zie Lev 1 en Lev 2 enz. Hoewel somwijlen dit woord ook breder genomen wordt.
Hertaald:brandofferen en de slachtofferen
Brandoffers waren offeranden die op het altaar gelegd en daar geheel verbrand werden. Van slachtoffers werd maar een deel op het altaar verbrand, terwijl de andere stukken gegeten werden, zowel door de priesters en Levieten als door hen die offerden. Zie Lev. 1 en Lev. 2, enzovoort. Al wordt dit woord soms ook ruimer opgevat.
Markus 12 vers 34— En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.
niet verre van het Koninkrijk Gods
Overmits deze zijne belijdenis uit een leerzaam gemoed scheen voort te komen, vs.32, en met de leer van Christus in zoverre overeenkwam; en de bekentenis van de wet een middel kon zijn om hem verder te brengen tot kennis van zichzelven, en alzo voorts tot Christus, Gal. 3:19 .
Hertaald:niet verre van het Koninkrijk Gods
Omdat deze belijdenis van hem uit een leerzaam gemoed leek voort te komen, vers 32, en in zoverre met de leer van Christus overeenkwam. De erkenning van de wet kon voor hem een middel zijn om hem verder te brengen tot kennis van zichzelf, en zo vervolgens tot Christus, Gal. 3:19.
Markus 12 vers 36— Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Hertaald:Zit aan Mijn rechter- hand,
Zie hierover uitvoeriger Matth. 22:44.
Markus 12 vers 37— David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.
hoe is Hij zijn Zoon?
Grieks, van waar.
Hertaald:hoe is Hij zijn Zoon?
Grieks: vanwaar.
Markus 12 vers 38— En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten;
Wacht u voor de schriftgeleerden,
Grieks, ziet voor u; namelijk dat gij door hunne schijnheiligheid niet bedrogen, of door hun voorbeeld tot dergelijke geveinsdheid niet gebracht wordt.
Hertaald:Wacht u voor de schriftgeleerden,
Grieks: ziet voor u; namelijk dat u niet door hun schijnheiligheid bedrogen wordt, of door hun voorbeeld tot dezelfde huichelarij gebracht.
lange klederen,
Grieks, Stolais; hetwelk betekent lange rokken of tabbaarden tot de voeten toe, om daardoor te aanzienlijker bij de mensen te wezen. Zodat Christus hier niet verwerpt de klederen, maar de eergierigheid, die daaronder schuilde.
Hertaald:lange klederen,
Grieks: stolai; dat betekent lange rokken of tabbaarden tot op de voeten, om daardoor bij de mensen des te aanzienlijker te zijn. Christus verwerpt hier dus niet de kleren, maar de eerzucht die daarachter schuilging.
gegroet zijn op de markten;
Grieks, de groetenissen; namelijk hebben.
Hertaald:gegroet zijn op de markten;
Grieks: de begroetingen; namelijk ontvangen.
Markus 12 vers 39— En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;
maaltijden;
Grieks, avondmalen.
Hertaald:maaltijden;
Grieks: avondmaaltijden.
Markus 12 vers 40— Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.
zwaarder
Grieks, overvloediger.
Hertaald:zwaarder
Grieks: overvloediger.
oordeel ontvangen
Dat is, zwaarder straf in het oordeel.
Hertaald:oordeel ontvangen
Dat is: zwaardere straf in het oordeel.
Markus 12 vers 41— En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.
schatkist,
Van deze schatkist, zie 2 Kon. 12:9 , en Matt. 27:6 .
Hertaald:schatkist,
Zie over deze schatkist 2 Kon. 12:9 en Matth. 27:6.
geld wierp in de schatkist;
Grieks, koper.
Hertaald:geld wierp in de schatkist;
Grieks: koper.
Markus 12 vers 42— En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.
oort
Grieks, Kodrantes; van het Latijnse Quadrans; dat is, een vierde deel van een obolus, welke was het zesde deel van een drachma zilvers, welk zesde deel, naar onze rekening, is omtrent een stuiver, zodat een quadrans, naar onze rekening, is omtrent een oortje (ruim een cent).
Hertaald:oort
Grieks: kodrantes, van het Latijnse quadrans; dat is een vierde deel van een obolus, die het zesde deel van een zilveren drachme was. Dat zesde deel is naar onze rekening ongeveer een stuiver, zodat een quadrans naar onze rekening ongeveer een oortje is.
Markus 12 vers 44— Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.
haar gebrek,
Of, van hetgeen zij zelve gebrek had.
Hertaald:haar gebrek,
Of: van wat zij zelf tekortkwam.
leeftocht
Grieks, leven; dat is, wat zij overig en nodig had om te leven.
Hertaald:leeftocht
Grieks: leven; dat is: wat zij overhad en nodig had om van te leven.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Het penningske van de weduwe — Christus zet Zich tegenover de schatkist en beoordeelt de gaven op wat er overblijft, niet op wat er in gaat (Mark. 12:41-44)
Hij zit tegenover de schatkist en ziet hoe de schare geld inwerpt; vele rijken werpen veel (Mark. 12:41). Dan komt een arme weduwe die twee kleine penningen inwerpt, samen een oort (Mark. 12:42). Christus roept Zijn discipelen bij Zich en spreekt een oordeel uit dat tegen het zichtbare ingaat: "deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben" (Mark. 12:43). De reden staat in het vers erna: "zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht" (Mark. 12:44).
Bijbelse betekenis: De rekenwijze van dit oordeel is de moeite waard. Christus telt niet wat er gegeven is maar wat er ná het geven overblijft. Naar dat criterium gaf zij het meest, want zij hield niets over. Twee dingen horen erbij. Het eerste is dat Hij haar niet aanspreekt en haar gave niet tegenhoudt, ook al ging alles wat zij had naar een tempel die Hij kort tevoren scherp veroordeeld had. Het tweede is dat dit geen maatstaf is om anderen mee te meten. Hij zegt het tegen Zijn discipelen en niet tegen de rijken; het oordeel over de gave van een ander blijft bij Hem, Die als enige ziet wat er thuis nog staat.
Typologie: Paulus geeft dezelfde maat wanneer hij over de inzameling schrijft: de bereidwilligheid is aangenaam naar wat iemand heeft, en niet naar wat hij niet heeft (2 Kor. 8:12). En in het Oude Testament staat de weduwe van Zarfath, die haar laatste handvol meel gebruikte en daarna niet meer tekortkwam (1 Kon. 17:12-16, reeds behandeld).
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Deze is de erfgenaam — 12:6-11, 35-37
Het koninkrijkniveau 1Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
Hij staat in de tempel, twee dagen voor het pascha, en de overpriesters hebben zojuist gevraagd door welke macht Hij dit alles doet. Zijn antwoord is een gelijkenis over een wijngaard die verpacht is.
De eigenaar stuurt ten laatste zijn zoon, en de pachters rekenen uit wat hun dat oplevert.
**De reeks.** Er worden knechten gestuurd om de vrucht te halen; zij worden geslagen, gestenigd, gedood. Dat is de geschiedenis van de profeten in één zin.
**De laatste.** “Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.”
Dat woord *ten laatste* staat er niet toevallig. Er komt niemand meer na hem.
**De rekensom.** De pachters denken hardop: “Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn.” Zij weten dus wie hij is. Het is geen vergissing maar een berekening.
En er staat bij waar het gebeurt: zij wierpen hem uit, buiten de wijngaard — dezelfde plaats waar Hij een paar dagen later werkelijk lijdt, buiten de poort.
**De wending.** Dan haalt Hij een psalm aan: “De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.”
Bouwlieden verwerpen een steen omdat hij niet in hun plan past. In deze psalm blijkt die steen het hoekpunt te zijn waar het hele gebouw op uitgemeten wordt. Wat afgekeurd werd, bepaalt de maat.
**De vraag aan het slot.** Later in dezelfde dag stelt Hij Zelf een vraag over Psalm 110: hoe kan de Christus een zoon van David zijn, terwijl David Hem zijn Heere noemt?
“De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.”
Daar staat de koningslijn in haar diepste vorm. De beloofde Koning komt uit David voort en staat tegelijk boven hem. Het antwoord op die vraag krijgt niemand die dag. Maar de erfgenaam van de gelijkenis en de Heere van de psalm zijn Dezelfde.
Jesaja 5:1 — Israël wordt bezongen als de wijngaard van de HEERE.
2 Kronieken 36:16 — De knechten die Hij zond, werden bespot en gedood.
Markus 12:6 — Ten laatste zendt de heer zijn geliefde zoon.
Markus 12:8 — En zij werpen hem uit, buiten de wijngaard.
Psalm 118:22 — De verworpen steen wordt het hoofd des hoeks.
Psalm 110:1 — En David noemt zijn eigen Nakomeling zijn Heere.
In het Nieuwe Testament: Psalm 118:22-23; Psalm 110:1; Jesaja 5:1-2; Hebreeën 13:12; Handelingen 4:11; 2 Kronieken 36:15-16
Hoever dit reikt: Christus haalt Psalm 118 en Psalm 110 hier Zelf aan; daarop rust het niveau. Wat de wijngaard is, staat er niet met zoveel woorden, maar Jesaja 5 noemt Israël zo, en de omstanders begrepen dat de gelijkenis op hen zag. Dat het uitwerpen buiten de wijngaard vooruitwijst naar het lijden buiten de poort, is een gevolgtrekking uit de overeenkomst met Hebreeën 13.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Markus 12:12.KruisverwijzingenMarkus 11:18→Markus 11:32→Mattheüs 22:22→Johannes 7:30→Johannes 7:44→Johannes 7:25→Lukas 20:19→2 Samuël 12:7→ — En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg. “En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.”
De vijanden van Christus konden Hem toen geen kwaad doen. Dat kwam ten dele doordat het volk Hem graag hoorde en bereid was Hem te beschermen. Maar het kwam nog veel meer doordat de vastgestelde tijd voor Zijn lijden en Zijn dood nog niet ten volle gekomen was.
Markus 12:13-14.KruisverwijzingenLukas 11:54→Markus 3:6→Lukas 20:20→Markus 8:15→Psalmen 38:12→Psalmen 56:5→Jesaja 29:21→Jeremia 18:18→ — En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden. Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven? “En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden. Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?”
Zij wilden Hem in Zijn woorden vangen, als zij dat konden. Daarom aasden zij hun val met vleierij.
Begint iemand u te vleien, wees dan op uw hoede voor hem. Probeert hij een gesprek te openen met woorden van overdreven bewondering, reken er dan op dat hij iets bewondert dat u hébt, meer dan dat hij ú bewondert.
Onze Zaligmaker moet in Zijn hart deze mensen volstrekt veracht hebben, die zo dwaas waren te menen dat zij Hem met hun vleiende woorden konden vangen. Na dat voorwoord stelden zij de vragen waarmee zij Hem in het nauw dachten te drijven.
Markus 12:14-15.Kruisverwijzingen2 Korinthe 5:16→Jeremia 15:19→2 Kronieken 18:13→Ezra 4:12→Deuteronomium 16:19→Galaten 2:11→Nehemia 9:37→Mattheüs 17:25→ — Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven? En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie. “Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven? En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.”
Zij wisten heel goed hoe het lag. Zei Christus: geef de keizer geen schatting, dan zouden de Romeinen Hem opgepakt en gevangengezet hebben wegens opruiing.
Maar zei Hij: betaal de keizer schatting, dan zouden de Joden gezegd hebben dat Hij hun vijand was en geen echte vaderlander. Anders zou Hij immers niet toegegeven hebben dat het uitverkoren volk gehouden was belasting te betalen aan zijn Romeinse overwinnaars.
Markus 12:15-17.KruisverwijzingenRomeinen 13:7→Openbaring 2:23→Johannes 2:24→Mattheüs 22:18→Ezechiël 17:2→1 Korinthe 10:9→Handelingen 5:9→Johannes 21:17→ — En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie. En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des keizers. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem. “En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie. En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des keizers. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.”
Hij had hun met weergaloze wijsheid geantwoord, zonder Zich op enige manier bloot te geven.
Markus 12:18-23.KruisverwijzingenHandelingen 4:1→Mattheüs 22:23→Lukas 20:27→2 Timotheüs 2:18→Handelingen 23:6→1 Korinthe 15:13→Genesis 38:8→Ruth 1:11→ — En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken. Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na. De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks. En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven. In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad. “En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken. Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na. De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks. En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven. In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.”
Zij dachten Hem ongetwijfeld deze keer volkomen verstrikt te hebben. Hoe kon Hij zo’n moeilijke vraag beantwoorden?
Maar u ziet dat zij hun vraag gebouwd hadden op de verkeerde veronderstelling dat de dingen in de andere staat zijn zoals zij hier zijn. Daarom kon Jezus hen meteen even doeltreffend antwoorden als Hij zojuist de farizeeën en de Herodianen geantwoord had.
Markus 12:24-27.KruisverwijzingenJohannes 20:9→Lukas 20:37→Romeinen 14:9→Hosea 6:2→Mattheüs 22:29→Jesaja 25:8→2 Timotheüs 3:15→Handelingen 17:11→ — En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods? Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn. Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs? God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer. “En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods? Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn. Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs? God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.”
Zijn antwoord droeg de strijd het kamp van de vijand binnen. Zij beleden in Mozes te geloven, en toch ontkenden zij het bestaan van geesten en het feit van de opstanding.
Maar Jezus Christus bewees onweerlegbaar dat God niet de God van de doden kan zijn. Is Hij dus de God van Abraham, Izak en Jakob, dan leven Abraham, Izak en Jakob nog. En is Hij uw God en mijn God, lieve vrienden, dan hoeven wij de uitdoving niet te vrezen. Wij móeten leven, en wij moeten voor eeuwig leven.
Markus 12:28-34.KruisverwijzingenDeuteronomium 6:4→Galaten 5:14→Romeinen 13:8→Hosea 6:6→Micha 6:6→1 Samuël 15:22→Deuteronomium 6:5→Mattheüs 22:34→ — En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van allen? En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel, de Heere, onze God, is een enig Heere. En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze. En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij; En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen. En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen. “En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van allen? En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel, de Heere, onze God, is een enig Heere. En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze. En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij; En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen. En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.”
Hij had al Zijn vragenstellers zo beslist op de vlucht gejaagd dat geen ander mens meer de vrijmoedigheid had een nederlaag uit Zijn hand te zoeken. De onfeilbare wijsheid van Christus had al Zijn aanklagers en verzoekers doen vluchten.
Markus 12:36-37.KruisverwijzingenPsalmen 110:1→1 Korinthe 15:25→Hebreeën 1:13→Hebreeën 10:12→Handelingen 2:34→Mattheüs 22:43→Romeinen 1:3→2 Samuël 23:2→ — Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten. David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne. “Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten. David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.”
Zij konden dat raadsel niet oplossen, maar wij kunnen het wel. Wij weten dat Jezus zowel de Zoon van David is als de Heere van David. Hij is een mens als wij, uit het grote menselijke geslacht, en toch waarachtig God uit waarachtig God. Gezegend zij Zijn heilige Naam!
Markus 12:37-40.KruisverwijzingenLukas 11:43→Romeinen 1:3→Lukas 20:45→Mattheüs 23:1→Lukas 20:47→Mattheüs 23:13→Jakobus 2:5→1 Timotheüs 3:16→ — David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne. En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten; En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden; Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen. “David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne. En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten; En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden; Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.”
Wij horen dwaze mensen dikwijls zeggen: u moet altijd in liefde preken en niets tegen iemand zeggen; Jezus heeft niemand aan de kaak gesteld. Och, wat dan te doen met deze aanklacht tegen de schriftgeleerden?
Was Jezus vandaag hier, dan zou Hij niet het weekdier zijn dat sommigen van ons willen maken. Hij had een ruggengraat, en een geweten, en een heel zware rechterhand. En die hand bracht Hij als een voorhamer neer op schijnvroomheid, huichelarij en dwaling. En willen wij aan Christus gelijk zijn, dan moeten wij manmoedig, vrijmoedig en onomwonden zijn.
Men zegt ons dat om ons gemakkelijk door de wereld te laten glijden, en om te maken dat alle mensen goed van ons spreken. Maar zo deden hun vaderen ook met de valse profeten.
Denkt u dat wij die het Woord van God prediken enig deel van ons getuigenis zullen achterhouden omdat het ons bij de goddelozen in een kwade naam brengt? Dat zij verre! Wij leven voor iets hogers en edelers dan gevoed te worden met de adem van boze mensen.
Is er dwaling op hoge plaatsen, of is er ergens ondeugd? Dan is het de plicht van de dienaar van Christus die in de Naam van zijn Meester met alle macht aan te vallen.
Hier verklaart onze Heere en Meester onomwonden dat de schriftgeleerden, de grote meesters van de wet, een stel aanmatigende huichelaars waren. Zij beroofden zelfs de weduwe en de wees, en zij zouden te zijner tijd een zwaarder oordeel ontvangen. Zo moet de waarheid nog altijd gesproken worden, wie er ook aanstoot aan neemt.
Markus 12:41-42.KruisverwijzingenJohannes 8:20→2 Koningen 12:9→Lukas 21:1→Mattheüs 27:6→ — En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort. “En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.”
Dubbel arm, want zij was niet alleen weduwe maar ook behoeftig: een zekere arme weduwe.
Markus 12:43-44.KruisverwijzingenLukas 8:43→2 Korinthe 8:2→2 Korinthe 9:6→2 Korinthe 8:12→Exodus 35:21→Handelingen 11:29→Mattheüs 10:42→Lukas 15:30→ — En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht. “En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.”
Christus meet wat wij werkelijk geven af aan wat wij óverhouden. Hij meet het naar de verhouding die het gegevene heeft tot wat wij bezitten. Zij gaf dus meer dan alle anderen samen.
KruisverwijzingenJesaja 5:1→Markus 13:34→Markus 4:2→Markus 4:11→Markus 4:33→Mattheüs 25:14→Hooglied 8:11→Psalmen 80:8→— En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands.
En Hij begon naar de uitwendige vorm tot het volk, naar het inwendige eigenlijk tot de overpriesters en oudsten (Hoofdstuk 11: 27) door gelijkenissen tot hen te zeggen wat Hem op het harte lag. Zo kon Hij beter Zijn mening uitdrukken dan het, bij al hetgeen waarop gelet moestworden, in een gewone rede mogelijk zou zijn geweest. Eerst stelde Hij in de gelijkenis van de twee zonen hun gedrag als private personen tegenover dat van de tollenaars en zondaars, vervolgens karakteriseerde Hij hen naar hun gedrag als oversten van het volk in de nu volgende gelijkenis. Hij zei tot hen: Een mens a) plantte een wijngaard, zette een tuin daarom, groef een wijnpersbak, bouwde een toren, verhuurde die aan de landlieden en reisde naar het buitenland.
Ps. 80: 9. Jes. 5: 1. Jer. 2: 21; 12: 10.
KruisverwijzingenMicha 7:1→Lukas 20:10→Lukas 12:48→Richteren 6:8→Jeremia 35:15→2 Koningen 17:13→Mattheüs 21:34→Zacharia 7:7→— En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards.
En toen het tijd was, zond Hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden van de vrucht van de wijngaard zou ontvangen, zoveel als hij voor zichzelf bedongen had.
KruisverwijzingenNehemia 9:26→Hebreeën 11:36→1 Thessalonicenzen 2:15→2 Kronieken 36:16→Handelingen 7:52→Daniël 9:10→1 Koningen 19:14→Jeremia 26:20→— Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.
Maar zij namen en sloegen hem en zonden hem zonder aandeel weg.
— En hij zond wederom een anderen dienstknecht tot hen, en dien stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde.
En hij zond weer een andere dienstknecht tot hen en die stenigden zij en verwondden hem aan het hoofd en zonden hem heen tot zijn heer, schandelijk behandeld zijnde.
KruisverwijzingenMattheüs 22:6→Markus 9:13→Mattheüs 5:12→Lukas 6:22→Lukas 6:36→Mattheüs 23:37→Jeremia 7:25→Mattheüs 21:35→— En wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden.
En weer zond hij een andere en die doodden zij en vele anderen zond hij daarna, waarvan zij sommigen sloegen en sommigen doodden.
KruisverwijzingenHebreeën 1:1→Mattheüs 3:17→Mattheüs 11:27→Openbaring 5:9→Psalmen 2:12→Mattheüs 17:5→Hebreeën 1:6→Markus 1:11→— Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.
Toen hij dan nog een zoon had, die hem lief was, heeft hij ook die tenslotte tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.
KruisverwijzingenHandelingen 5:28→Jesaja 49:7→Handelingen 13:27→Johannes 11:47→Mattheüs 2:16→Psalmen 2:2→Psalmen 22:12→Jesaja 53:7→— Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn.
Maar die landlieden zeiden onder elkaar: a) Deze is de erfgenaam, b)komt laat ons hem doden en de erfenis zal van ons zijn.
Ps. 2: 8. b) Gen. 37: 18. MATTHEUS. 26: 3. Joh. 11: 53.
KruisverwijzingenMattheüs 21:33→Lukas 20:15→Mattheüs 21:39→Hebreeën 13:11→— En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten den wijngaard.
En zij namen en doodden hem en wierpen hem, het lijk, buiten de wijngaard.
KruisverwijzingenLukas 19:27→Mattheüs 21:43→Handelingen 28:23→Leviticus 26:15→Romeinen 9:30→Deuteronomium 4:26→Daniël 9:26→Mattheüs 12:45→— Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven.
Wat zal dan de heer van de wijngaard doen? Hij zal komen, zo herhaalde Jezus nog eens langzaam en met aandrang het antwoord, dat de overpriesters en schriftgeleerden en ouderlingen Hem op deze Zijn vraag gaven en de landlieden verderven en de wijngaard aan anderen geven.
KruisverwijzingenPsalmen 118:22→Mattheüs 21:16→Jesaja 28:16→Mattheüs 12:3→Romeinen 9:33→Mattheüs 19:4→Mattheüs 21:42→Markus 2:25→— Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks;
Hebt u ook deze schrift (Ps. 118: 22 vv. ) niet gelezen: De a) steen, die de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoeksteen geworden.
KruisverwijzingenHandelingen 2:32→Handelingen 3:12→1 Timotheüs 3:16→Handelingen 2:12→Kolossenzen 1:27→Psalmen 118:23→Habakuk 1:5→Efeze 3:8→— Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.
Door de Heere is dit gebeurd en het is wonderlijk in onze ogen?
KruisverwijzingenMarkus 11:18→Markus 11:32→Mattheüs 22:22→Johannes 7:30→Johannes 7:44→Johannes 7:25→Lukas 20:19→2 Samuël 12:7→— En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.
En zij wilden hem grijpen, maar waren bang voor de menigte, zodat zij hem niet meteen aan durfden te doen wat zij wilden: want zij begrepen dat die gelijkenis op hen sloeg; en zij verlieten Hem en gingen weg.
Volgens Mattheus (21: 28-32; 33-46; 22: 1-14) verbond de Heere met Zijn antwoord aan de commissie uit het Sanhedrin drie gelijkenissen. Door deze toonde Hij aan wat Hij van hen verwachtte, hoe zij als Messias-moordenaars aan het gericht zouden vervallen en het Messiasrijk verliezen. Markus deelt ons van deze alleen de middelste mede en het is juist die gelijkenis, waarin zij verenigd met de vervolgers van de profeten als moordenaars van de Messias voorkomen. Daarbij geeft Hij toch in vs. 1 zelf te kennen, dat Jezus Zijn vijanden meerdere gelijkenissen heeft voorgehouden en nu bericht hij die van de boze wijngaardeniers, deels korter dan Mattheus en weer langer dan Lukas, hoewel in de opklimming van de zendingen van de bezitter van de wijngaard nauwkeuriger dan Mattheus. Volgens hem wordt de eerste knecht op de rug geslagen en zonder aandeel weggezonden, de tweede op het hoofd geslagen en beschimpt en dus met schande weggezonden, de derde gedood. In dit derde lot delen vervolgens vele anderen; hierop volgt de zending van de zoon, van wie wordt opgemerkt dat de Heere van de wijngaard er slechts een had. Mattheus spreekt van een dubbele zending van knechten, eerst in kleiner, vervolgens in groot aantal; en hun lot is: geslagen, gedood, gestenigd te worden. Lukas heeft slechts een toenemende mishandeling van drie na elkaar afgezonden knechten. De wezenlijke hoofdgedachte is overal dezelfde; verschillende zendingen, toenemende mishandeling en zo opklimmende verharding en opstand; daarna de tegenstelling van de gezonden knechten en van de gezonden zoon, de edelmoedige hoop van de Heere op vrees en berouw en van de roekeloze aanslag van de wijngaardeniers op de erfgenaam. Hoe de genadige grootmoedigheid van God worstelt met het zich verstokkend ongeloof van de mensen tot de hoogste eindbeslissing! De Heere in de hemel neemt liever de schijn van dwaasheid aan in het zenden van Zijn Zoon, dan dat Hij Zijn genade niet op het allerhoogst zou openbaren. Het laatste aanknopingspunt voor de genade van God is de vreze in de mens, het laatste overblijfsel van het geloof in het ongeloof is de erkentenis: “Dat is de erfgenaam” en datgene, wat hen eindelijk doemwaardig maakt, is het besluit: “Kom, laat ons Hem doden!”
KruisverwijzingenLukas 11:54→Markus 3:6→Lukas 20:20→Markus 8:15→Psalmen 38:12→Psalmen 56:5→Jesaja 29:21→Jeremia 18:18→— En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.
En zij zonden, nadat Hij nog de gelijkenis van de koninklijke bruiloft had voorgedragen (MATTHEUS. 22: 1-14) tot Hem enige farizeeen en herodianen, opdat zij hem in Zijn rede vangen zouden. Zij wilden Hem tot een openlijk woord dwingen, dat Hem tot de val moest brengen.
Kruisverwijzingen2 Korinthe 5:16→Jeremia 15:19→2 Kronieken 18:13→Ezra 4:12→Deuteronomium 16:19→Galaten 2:11→Nehemia 9:37→Mattheüs 17:25→— Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?
Dezen kwamen en zeiden tot Hem: Meester wij weten dat Gij waarachtig bent en naar niemand vraagt; want Gij ziet de persoon van de mensen niet aan, maar Gij leert de weg van God in de waarheid. Is het geoorloofd de keizer belasting tegeven of niet? Zullen wij volgens uw mening geven of niet geven?
KruisverwijzingenOpenbaring 2:23→Johannes 2:24→Mattheüs 22:18→Ezechiël 17:2→1 Korinthe 10:9→Handelingen 5:9→Johannes 21:17→Hebreeën 4:13→— En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.
En Hij kende hun geveinsdheid en wist dat zij deden alsof zij dit Hem vroegen uit gewetensbezwaren en door Zijn verklaring tot een zekere overtuiging wilden komen, terwijl zij iets heel anders zochten en Hij zei tot hen: Waarom vraagt u dat Mij? breng Mij een penning, een denarie, waarmee de schatting wordt betaald, zodat Ik hem zie.
KruisverwijzingenMattheüs 22:19→2 Timotheüs 2:19→Lukas 20:24→Openbaring 3:12→— En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des keizers.
En zij brachten er een. En Hij zei tot hen: Van wie is dit beeld en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Van de keizer.
KruisverwijzingenRomeinen 13:7→1 Petrus 2:17→Job 5:12→Prediker 5:4→Mattheüs 22:46→Spreuken 24:21→Spreuken 23:26→Mattheüs 22:22→— En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.
En Jezus antwoordde hen: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is en aan God dat wat van God is. En zij verwonderden zich over Hem, dat Hij op zo’n manier aan hun valstrikken was ontkomen. (Rom. 13: 7).
Het stellen van de vraag komt voort uit een valse opvatting van Israels betrekking aan de ene kant tot God en aan de andere kant tot de keizer. De keizer verlangt van de Israelieten met de belasting niets anders, dan hetgeen voor hen is voortgekomen uit de betrekking tot de Romeinse staat, iets zo uitwendigs, dat dit aan de goddelijke roeping van Israel niets toedoet noch afdoet. God eist daarentegen van de Isra?lieten geen munt om hen als Zijn onderdanen te erkennen; Hij eist de inwendige overgave van zichzelf. Het is een vernedering van God, dat men Hem zo tegenover de Romeinse keizer plaatst en met die gelijk stelt, alsof men Hem iets onttrok wanneer men de keizer iets gaf, waartoe aan deze de door God geleide gang van de geschiedenis van de volken het recht gegeven heeft; want dan meent men ook, dat Gods eis met iets dergelijks als wat men den keizer geeft, vervuld zou kunnen worden. Jezus’ woord bestraft die verkeerde gedachte, dat men in plaats van de overgave van het hart aan God, die men Hem boven alles verschuldigd is en altijd te volbrengen, meent, dat men Hem zou kunnen dienen door enig uitwendig werk, waarbij toch in waarheid de mens alleen zichzelf dient.
KruisverwijzingenHandelingen 4:1→Mattheüs 22:23→Lukas 20:27→2 Timotheüs 2:18→Handelingen 23:6→1 Korinthe 15:13→— En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende:
a) En de sadduceeën, die zeggen dat er geen opstanding is, kwamen tot Hem en vroegen Hem: (Hand. 23: 8).
KruisverwijzingenGenesis 38:8→Ruth 1:11→Deuteronomium 25:5→Ruth 4:5→— Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken.
Meester! Mozes heeft ons in de wet over de leviraatsecht (Deut. 25: 5 vv. ) geschreven: als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder diens vrouw nemen zal en voor zijn broeder nakomelingen zal verwekken.
KruisverwijzingenLukas 20:29→Mattheüs 22:25→— Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na.
Er waren nu zeven broers bij ons, in de kring van onze bekenden en de eerste nam een vrouw en stierf en liet geen nakomeling na.
— De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks.
De tweede nam haar ook en is gestorven en ook deze liet geen nakomeling na; en de derde verging het hetzelfde, ook die nam haar en stierf zonder kinderen.
— En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven.
En al de zeven namen haar en lieten geen zaad na. Geen enkele van deze had dus bepaald recht op haar verkregen, ten gevolge van het verwekken van kinderen; zij hadden allen evenveel aanspraak op haar. Als laatste van allen is ook devrouw gestorven.
— In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.
In de algemene opstanding dan, wanneer zij, ook deze zeven broers met de vrouw opgestaan zullen zijn, wiens vrouw zal zij van deze zijn? want die zeven hebben haar als vrouw gehad, allen, zoals gezegd is, op dezelfde manier, zonder dat de één een voorrecht boven de anderen had.
KruisverwijzingenJohannes 20:9→Hosea 6:2→Mattheüs 22:29→Jesaja 25:8→2 Timotheüs 3:15→Handelingen 17:11→Markus 10:27→Efeze 1:19→— En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods?
En Jezus antwoordde hen: Dwaalt u niet, zoals uw rede duidelijk aanwijst, omdat u de schriften niet kent en ook de kracht van God niet? Juist dit door uzelf aangehaalde geval is er een bewijs voor, dat u met uw loochening van deopstanding, met voorbijzien van de schriftwoorden en de macht van God die de verwezenlijking waarborgt, op een valse weg bent.
Kruisverwijzingen1 Johannes 3:2→Lukas 20:35→Mattheüs 22:30→1 Korinthe 15:42→Hebreeën 12:22→— Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn.
Want als zij uit de doden opgestaan zullen zijn, dan trouwen zij niet en worden ook niet ten huwelijk gegeven, maar zij zijn a) als engelen, die in de hemelen zijn.
1 Joh. 3: 2.
KruisverwijzingenLukas 20:37→Mattheüs 22:31→Genesis 31:42→Genesis 26:24→Jesaja 41:8→Exodus 3:16→Genesis 33:20→Exodus 3:2→— Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs?
Maar over de doden, dat zij opgewekt zullen worden, heeft u daarover niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in de doornenbos tot Hem gesproken heeft en Efod. 3: 6), zeggende: a) Ik ben de God van Abraham en de God van Izaak en de God van Jakob.
Hand. 7: 32. Hebr. 11: 16.
KruisverwijzingenRomeinen 14:9→Romeinen 4:17→Spreuken 19:27→Hebreeën 3:10→Markus 12:24→Hebreeën 11:13→— God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.
God is niet een God van de doden, maar een God van de levenden. U dwaalt daarom erg.
De Heere geeft niet aan de sadduceeen, zoals hij dat de farizeeen gaf, een spitsvondig antwoord, maar Hij bestraft de spotters, dat zij de Schrift niet kennen, dat zij van de levende God, die daaruit spreekt, niets weten en evenmin van Gods scheppende kracht, die het leven uit de dood wekt. Van het leven van de opstanding echter, dat de sadduceeen loochenen, leert Hij dat het geen voortzetting van het vleselijk leven is, maar een verheerlijkt leven door de kracht van de God van Abraham, Izaak en Jakob; want zij leven voor Hem allen. Waarom hebt u uit die aanwijzing niet de opstanding van de doden gelezen? Als het geen waarheid was dat God Zichzelf zo genoemd heeft, wanneer alleen menselijke mening Hem zo genoemd had, dan zou het niet meer betekenen, dan die God, die in hun tijd de vaderen vereerden. Maar wanneer Hij zelf God is, die lang na die gelovige vaderen Zich nog altijd hun God noemt, dan kunnen die vaderen niet dood zijn en kan het niet voor altijd met hen gedaan zijn; want God, de levende noemt Zich niet naar doden, verteerden, met welke het uit is.
KruisverwijzingenMattheüs 22:34→Lukas 20:39→Lukas 10:25→Mattheüs 19:18→Lukas 11:42→Mattheüs 23:23→Mattheüs 5:19→— En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van allen?
En een van de schriftgeleerden hoorde dat Jezus en de sadduceeen samen in gesprek waren, wist dat Hij hen wel had geantwoord en hoopte dat hij ook op zijn vraag een juist antwoord zou ontvangen. Hij kwam tot Hem en vroeg Hem: Wat is het eerste gebod van allen, dat, wat boven aan staat enhet voornaamste is?
KruisverwijzingenDeuteronomium 6:4→Jakobus 2:19→Galaten 3:20→1 Korinthe 8:4→Romeinen 3:30→Judas 1:25→1 Timotheüs 2:5→Mattheüs 23:9→— En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel, de Heere, onze God, is een enig Heere.
En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle geboden is dat uit Deut. 6: 4 vv. : Hoor Israel! de Heere onze God is een enig God.
KruisverwijzingenDeuteronomium 6:5→— En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.
En u zult de Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.
KruisverwijzingenGalaten 5:14→Romeinen 13:8→Mattheüs 19:18→1 Korinthe 13:4→Mattheüs 7:12→1 Johannes 4:21→Leviticus 19:18→Jakobus 2:8→— En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze.
En het tweede (Lev. 19: 18) aan dit gelijk, is dit: a) Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod, groter dan dit.
Rom. 13: 9. Gal. 5: 14. Jak. 2: 8.
KruisverwijzingenJesaja 45:14→Jesaja 46:9→Jesaja 45:18→Deuteronomium 4:35→Jesaja 44:8→Deuteronomium 4:39→Jesaja 45:5→Jesaja 45:21→— En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij;
En de schriftgeleerde zei tot Hem: Meester! U hebt wel in de waarheid gezegd dat er een enig God is en er is geen ander dan Hij.
KruisverwijzingenHosea 6:6→Micha 6:6→1 Samuël 15:22→Mattheüs 9:13→Mattheüs 12:7→1 Korinthe 13:1→Psalmen 50:8→Hebreeën 10:8→— En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen.
En Hem lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel het verstand en uit geheel de ziel en uit geheel de kracht en de naaste lief te hebben als zichzelf, is, zoals de profeten al te kennen hebben gegeven (1 Sam. 15: 22. Hos. 6: 6. Ps. 51: 18 vv. ), meer dan al de brandoffers en de slachtoffers, meer dan uitwendige godsdienst, die in gaven en rituele waarnemingen bestaat.
KruisverwijzingenLukas 20:40→Mattheüs 22:46→Titus 1:9→Kolossenzen 4:6→Romeinen 3:19→Mattheüs 12:20→Galaten 2:19→Romeinen 7:9→— En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.
En Jezus zag dat hij verstandelijk en openhartig geantwoord had en zei tot hem: U bent niet zoals anderen, die door Mijn leer te meer verbitterd worden, ver van het koninkrijk van God. Als u op de ingeslagen weg voortgaat, kunt u nog tot volle kennis van de waarheid komen. En niemand durfde Hem meer vragen (MATTHEUS. 22: 46), terwijl Hij laatst nog (vs. 35-37) de farizee?n en schriftgeleerden helemaal in het nauw bracht.
Het gebod van de liefde is een kort en een lang gebod, een enkel en een veelbevattend gebod: het is geen gebod en een gebod over alles; het is kort en enkelvoudig op zichzelf en met het verstand snel gevat, maar lang en veel omvattend wat de beoefening betreft, want het omvat alle geboden. Het is geen gebod als men op werken let, want het noemt geen bijzonder werk met name; maar het is een gebod over alles, omdat het volbrengen van alle geboden zijn werk is en zijn moet. De liefde heft daarom alle geboden op en volbrengt toch alle geboden. Wij moeten daarom liever geen gebod, geen werk meer doen of achten dan in zoverre de liefde het eist.
Aan het gebod van de liefde tot God en de naaste hangt eigenlijk alles en toch heeft God vanwege onze verdorven toestand het niet bij dit gebod alleen kunnen laten, maar Hij heeft ons het gevangen zijn onder de zonde door zo veel (afzonderlijk uitgelegde) geboden moeten openbaren en doen voelen. Pas wanneer de wet in dat opzicht Zijn werk aan ons gedaan heeft, kunnen wij door de genade van Christus in deze wet van de Geest worden ingeleid.
Het woord aan de farizeeën (vs. 17) en dat aan de Sadduceeën (vs. 24 vv. ) was voor alle Christenen van grote betekenis, maar vooral voor heidense. Het grootste gewicht heeft echter Markus gelegd op de rede van Jezus, waartoe het gezantschap aanleiding gaf, waarin Hij van het opbouwen van een nieuwe godsdienstige gemeente spreekt, waarnaast de Isra?litische haar recht zou verliezen (vs. 9 vv. ), vervolgens op het woord (vs. 29) waartoe door de schriftgeleerde aanleiding werd gegeven, waarin Jezus als het wezen van de ware godsdienst noemt één God te hebben en deze met onverdeelde overgave lief te hebben, maar ook omwille van Hem de medemensen als zichzelf; en op de bevestigende uitspraak van een rechtschapen en verstandig wetgeleerde (vs. 32 vv. ), die het door Jezus? aangewezene hoger stelt dan de hele Isra?litische tempeldienst. Juist maar de mening van Markus moest dit slot van de gesprekken bijzondere betekenis hebben voor zulke Christenen, die zich van de vele valse goden tot de Ene hadden gewend en van een godsdienst van uitwendige gebruiken en gaven tot de dienst van de liefde, die berust op een gehele en bestendige persoonlijke overgave.
De zin aan het slot van vs. 34 : “En niemand durfde Hem meer vragen” hoort niet meer tot de vorige geschiedenis, maar leidt de nieuwe in vs. 35-37 in en heeft de bedoeling: terwijl niemand meer de moed had Hem te vragen en door vragen in het nauw te brengen, begon de Heere uit Zijn leer van Zijn kant een vraag op te werpen, die hen in het nauw bracht, omdat Hij daardoor een stelling van de schriftgeleerden als halve waarheid voorstelde en zij daarop moesten antwoorden. Zo stemt in hoofdzaak Markus met Mattheus overeen; de Evangelisten vertellen echter van een verschillend gezichtspunt, zoals zij ook een onderscheiden vorm voor hun verhaal kiezen (vgl. bij vs. 37).
KruisverwijzingenLukas 20:41→Mattheüs 26:55→Johannes 18:20→Mattheüs 22:41→Johannes 7:42→Lukas 19:47→Lukas 21:37→Lukas 20:1→— En Jezus antwoordde en zeide, lerende in den tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is?
En Jezus, die leerde in de tempel, zei, Zijn tegenstanders nu ook van Zijn kant een vraag voorleggend: Waarom zeggen de schriftgeleerden, waarin zij zeker juist zijn, dat de Christus een Zoon van David is?
KruisverwijzingenPsalmen 110:1→1 Korinthe 15:25→Hebreeën 1:13→Hebreeën 10:12→Handelingen 2:34→Mattheüs 22:43→2 Samuël 23:2→2 Timotheüs 3:16→— Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Want a) David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd (Ps. 110: 1): De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben als een voetbank voor Uw voeten.
Hand. 2: 34. 1 Kor. 15: 25. Hebr. 1: 13; 10: 13.
KruisverwijzingenRomeinen 1:3→Jakobus 2:5→1 Timotheüs 3:16→Johannes 12:9→Mattheüs 11:5→Mattheüs 1:23→Lukas 21:38→Mattheüs 21:46→— David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.
David zelf noemt Hem zijn Heere en hoe kan Hij dan Zijn Zoon zijn? Die waarheid, die de schriftgeleerden erkennen, moet dus niet de volle waarheid zijn. En de menigte hoorde Hem graag, hoorde graag dat Hij de Schrift zo voortreffelijk handhaafde en toch werd zij niet dieper door Zijn leergetroffen.
Evenals in de Christelijke gemeente een liefde tot God en de naaste aanwezig is als wezen van de godsdienst die de schriftgeleerde als de ware vervulling van de wet erkend had, zo is ook in het geloof dat de gekruisigde Davidszoon Jezus van Nazareth tot de heerlijkheid van de goddelijke troon verhoogd is, de oplossing van het raadsel aanwezig dat de onbegrepen profetie de schriftgeleerden van Israel voorlegde.
De grote wedervraag, die Jezus na alle verleidende vragen van Zijn vijanden tot de farizeeen richtte, heeft Mattheus in haar volle historische betekenis als de beslissende eindvraag aan de vergaderde farizeeen op de voorgrond geplaatst; zij heeft daarom ook de vorm van een verhandeling of Rabbijnse disputatie. Markus laat daarentegen de geestelijke triomf van de Heere sterker voorkomen. Door het “Jezus antwoordde” duidt hij toch aan, dat deze vraag het eigenlijke antwoord was op de vorige verzoekingen en ook op de laatste.
Al spannen alle farizeeen en herodianen, alle sadduceeen en alle schriftgeleerden tezamen om Jezus Christus in Zijn woorden te vangen en Zijn wijsheid te schande te maken, zolang er nog een menigte is die Hem graag hoort, is er nog een verwachting voor het Koninkrijk van God. En deze blijft, al wisselen in de loop van de eeuwen en in het midden van de volkeren die de leer van Christus ontvangen, de stelsels van menselijke wijsheid elkaar af en al volgt de ene vorm van Christusbestrijding op de andere.
KruisverwijzingenLukas 11:43→Lukas 20:45→Mattheüs 23:1→3 Johannes 1:9→Markus 4:2→Mattheüs 6:5→Lukas 14:7→Mattheüs 10:17→— En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten;
a) En Hij hield in Zijn leer een langere voordracht, die Hij nu liet volgen en waarin Hij Zich hoofdzakelijk tot de bij Hem staande discipelen wendde: behoed u voor de schriftgeleerden, die daar graag willen wandelen in lange kleren en gegroet worden op de markten.
Luk. 11: 43; 20: 46.
KruisverwijzingenJakobus 2:2→— En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;
En de eerste stoelen hebben in de synagogen en de eerste plaats bij de maaltijden (MATTHEUS. 23: 3, 5-7).
KruisverwijzingenLukas 20:47→Mattheüs 23:13→Mattheüs 6:7→Mattheüs 23:33→Micha 3:1→Ezechiël 22:25→Mattheüs 11:22→Lukas 12:47→— Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.
a) Die de huizen van de weduwen opeten en dat onder de schijn van lang te bidden (MATTHEUS. 23: 14). Dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen.
Luk. 20: 47. 2 Tim. 3: 6. Tit. 1: 11.
Alleen Joden-Christenen, voor wie Mattheus schreef, konden in de eerste plaats geroepen zijn om het farizese Jodendom in het hele einde van zijn diep gezonken zijn te aanschouwen; voor jeugdige heiden-Christenen was de grote strafprediking voor een deel onverstaanbaar, voor een deel een te vast voedsel. Daarom wordt bij Markus alleen in het kort het beeld van de schriftgeleerden meegedeeld in de drie grondtrekken van eergierigheid, hebzucht en gehuichelde vroomheid; en is hier de reden samengetrokken uit het inleidende woord van de waarschuwing van de Heere tegen de farizee?n en het eerste wee over hen; bovendien is de bij Mattheus voorkomende aanspraak overal veranderd in de voorstelling van derde personen. Met Markus stemt Lukas bijna woordelijk overeen.
41. a) En Jezus zal in de voorhof van de vrouwen, tegenover b) de schatkist en zag hoe de menigte geld wierp in de schatkist en veel rijken wierpen daar veel in.
Luk. 21: 1. b) 2 Kon. 12: 9.
— En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.
En er kwam een arme weduwe, die daar twee kleine penningen (Efod. 30: 13) in wierp, ter waarde van een oort.
Kruisverwijzingen2 Korinthe 8:2→2 Korinthe 9:6→2 Korinthe 8:12→Exodus 35:21→Handelingen 11:29→Mattheüs 10:42→— En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben.
En Jezus riep Zijn discipelen tot Zich en zei tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat a) deze arme weduwe, wat de inwendige waarde van haar gave aangaat, meer ingeworpen heeft dan allen die in de schatkist geworpen hebben.
2 Kor. 8: 12.
KruisverwijzingenLukas 8:43→Lukas 15:30→2 Kronieken 35:7→Lukas 15:12→2 Kronieken 31:5→Filippenzen 4:10→2 Korinthe 8:2→Lukas 21:2→— Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.
Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek al wat zij had, haar hele voorraad, daarin geworpen (vgl. bij MATTHEUS. 23: 39).
Uit het beeld van de schriftgeleerden zoals Jezus het (vs. 38-40) getekend heeft en uit de handelwijze van de weduwe, op welker waarde Hij hen hier opmerkzaam maakt, moeten de discipelen als hoofden van een nieuwe godsdienstige gemeente afleiden, dat in dezelfde mate als zij uit hun vroomheid een middel tot eer en winst zouden laten worden, die hun tot een oorzaak van het oordeel zou moeten worden en weer, dat hun godsdienst en hun vroomheid in dezelfde mate een opbouwen van het huis van God is, als zij in verborgen overgave van de hele mens aan God bestaat. Jezus zegt dat die weduwe meer dan alle andere gevers in de schatkist geworpen heeft, zeker in de veelbetekenende zin dat de Heer van de tempel door haar gave om zo te zeggen objectief meer gediend was, dan met de gaven van de anderen tezamen. Er lag wel, wanneer die gaven voor den verdere bouw van de tempel moesten dienen, voor het natuurlijk oog geen waarde in deze gave tegenover de andere, maar voor het doel van God, die door de tempel wordt voorgesteld om een mensheid te verkrijgen die zichzelf in gehele overgave van de liefde opoffert, is niet dat van waarde, wanneer iemand naast andere dingen ook aan God gedachtig is, maar wanneer een mens zichzelf geheel Hem overgeeft. En dat is hier het geval; want terwijl de anderen alleen gegeven hebben van hetgeen zij voor eigen gebruik niet hoefden, heeft de weduwe, die in een toestand verkeerde waarin haar vermogen altijd bij haar behoeften achterstond, alles wat zij had, hoewel zij van de twee penningen een had kunnen behouden, de gave had kunnen verdelen, dus haar hele voorraad overgegeven.
Vele rijken verdringen elkaar met grote gaven rondom de schatkist in de tempel van God. Uit hun midden treedt een weduwe te voorschijn, een arme weduwe. Twee kleine penningen zijn in haar hand en in die twee kleine penningen, al wat zij heeft, haar hele behoefte. En in alle eenvoud, met alle blijmoedigheid voegt zij ze bij vele grote schatten die geofferd zijn, de twee penningen als haar hele schat. Niemand op aarde ziet, niemand weet dat dan Eén, van wie zij dit mogelijk niet vermoedt. Jezus is daar; Hij is daar bij gelegenheid van Zijn laatste tempelbezoek. Hij heeft, zoals de Evangelist ons vermeldt (11: 11) alles nog eens over en rond gezien. Hij rust uit van een lange straf- en boetrede, die Hij in heilige verontwaardiging en toorn heeft besloten, Hij heeft zoveel kwaads gezien in deze tempel. Ook bij deze schatkist ontmoet Zijn oog menige ergernis, als het gaat over alle gevers, alle gaven, het hart van allen. Het goede dat Hij ziet in het hart van deze weduwe, verkwikt Hem. Hij spaart haar kies gevoel, maar roept Zijn discipelen tot Zich en preekte hen haar twee penningen, vergeleken met de gaven van de overvloed, openbaart Hij Zich aan hen als de opmerkzame, de rechtvaardige, de liefderijke getuige en beoordelaar van alle werken van liefde en godsvrucht. Zoals Hij Zich op aarde betoonde, zo is Hij in de grootste nadruk in de hemel. Zoals Hij Zich in de tempel neerzette tegenover de schatkist, zo ziet Hij van de troon van Zijn heerlijkheid elke gelegenheid die daar is om weldadigheid te oefenen, om handreiking te doen te behoeve van de naaste of ter uitbreiding van Zijn rijk. Hij heeft deze gelegenheid gegeven. Hij vermeerdert ze, Hij stelt ze ons voor, Hij ziet of en hoe wij ze aangrijpen, of en hoe wij er aan beantwoorden, met welke gaven, met welk gevoel. Hij is tegenwoordig bij elke inzameling van liefdegiften. Hij ziet alles; Hij denkt er het Zijne van. Eenmaal zal Hij er het Zijne van zeggen. Ontzaglijke gedachte, heilzaam voor ons hart! Ik wil er bij stilstaan en in enige bijzonderheden nagaan wat het zegt, dat Jezus Christus zelf getuige is van alle liefdewerk, de wettige getuige, uit hoofd van de nauwe betrekking, die Hij met ons heeft; de rechtvaardige getuige, die in staat is de ware maatstaf aan de arbeid van onze liefde aan te leggen.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Markus 12
Markus 12:12.KruisverwijzingenMarkus 11:18→Markus 11:32→Mattheüs 22:22→Johannes 7:30→Johannes 7:44→Johannes 7:25→Lukas 20:19→2 Samuël 12:7→
— En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.
“En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.”
De vijanden van Christus konden Hem toen geen kwaad doen. Dat kwam ten dele doordat het volk Hem graag hoorde en bereid was Hem te beschermen. Maar het kwam nog veel meer doordat de vastgestelde tijd voor Zijn lijden en Zijn dood nog niet ten volle gekomen was.
Markus 12:13-14.KruisverwijzingenLukas 11:54→Markus 3:6→Lukas 20:20→Markus 8:15→Psalmen 38:12→Psalmen 56:5→Jesaja 29:21→Jeremia 18:18→
— En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden. Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?
“En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden. Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?”
Zij wilden Hem in Zijn woorden vangen, als zij dat konden. Daarom aasden zij hun val met vleierij.
Begint iemand u te vleien, wees dan op uw hoede voor hem. Probeert hij een gesprek te openen met woorden van overdreven bewondering, reken er dan op dat hij iets bewondert dat u hébt, meer dan dat hij ú bewondert.
Onze Zaligmaker moet in Zijn hart deze mensen volstrekt veracht hebben, die zo dwaas waren te menen dat zij Hem met hun vleiende woorden konden vangen. Na dat voorwoord stelden zij de vragen waarmee zij Hem in het nauw dachten te drijven.
Markus 12:14-15.Kruisverwijzingen2 Korinthe 5:16→Jeremia 15:19→2 Kronieken 18:13→Ezra 4:12→Deuteronomium 16:19→Galaten 2:11→Nehemia 9:37→Mattheüs 17:25→
— Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven? En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.
“Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven? En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.”
Zij wisten heel goed hoe het lag. Zei Christus: geef de keizer geen schatting, dan zouden de Romeinen Hem opgepakt en gevangengezet hebben wegens opruiing.
Maar zei Hij: betaal de keizer schatting, dan zouden de Joden gezegd hebben dat Hij hun vijand was en geen echte vaderlander. Anders zou Hij immers niet toegegeven hebben dat het uitverkoren volk gehouden was belasting te betalen aan zijn Romeinse overwinnaars.
Markus 12:15-17.KruisverwijzingenRomeinen 13:7→Openbaring 2:23→Johannes 2:24→Mattheüs 22:18→Ezechiël 17:2→1 Korinthe 10:9→Handelingen 5:9→Johannes 21:17→
— En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie. En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des keizers. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.
“En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie. En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des keizers. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.”
Hij had hun met weergaloze wijsheid geantwoord, zonder Zich op enige manier bloot te geven.
Markus 12:18-23.KruisverwijzingenHandelingen 4:1→Mattheüs 22:23→Lukas 20:27→2 Timotheüs 2:18→Handelingen 23:6→1 Korinthe 15:13→Genesis 38:8→Ruth 1:11→
— En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken. Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na. De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks. En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven. In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.
“En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken. Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na. De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks. En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven. In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.”
Zij dachten Hem ongetwijfeld deze keer volkomen verstrikt te hebben. Hoe kon Hij zo’n moeilijke vraag beantwoorden?
Maar u ziet dat zij hun vraag gebouwd hadden op de verkeerde veronderstelling dat de dingen in de andere staat zijn zoals zij hier zijn. Daarom kon Jezus hen meteen even doeltreffend antwoorden als Hij zojuist de farizeeën en de Herodianen geantwoord had.
Markus 12:24-27.KruisverwijzingenJohannes 20:9→Lukas 20:37→Romeinen 14:9→Hosea 6:2→Mattheüs 22:29→Jesaja 25:8→2 Timotheüs 3:15→Handelingen 17:11→
— En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods? Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn. Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs? God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.
“En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods? Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn. Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs? God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.”
Zijn antwoord droeg de strijd het kamp van de vijand binnen. Zij beleden in Mozes te geloven, en toch ontkenden zij het bestaan van geesten en het feit van de opstanding.
Maar Jezus Christus bewees onweerlegbaar dat God niet de God van de doden kan zijn. Is Hij dus de God van Abraham, Izak en Jakob, dan leven Abraham, Izak en Jakob nog. En is Hij uw God en mijn God, lieve vrienden, dan hoeven wij de uitdoving niet te vrezen. Wij móeten leven, en wij moeten voor eeuwig leven.
Markus 12:28-34.KruisverwijzingenDeuteronomium 6:4→Galaten 5:14→Romeinen 13:8→Hosea 6:6→Micha 6:6→1 Samuël 15:22→Deuteronomium 6:5→Mattheüs 22:34→
— En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van allen? En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel, de Heere, onze God, is een enig Heere. En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze. En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij; En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen. En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.
“En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van allen? En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel, de Heere, onze God, is een enig Heere. En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze. En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij; En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen. En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.”
Hij had al Zijn vragenstellers zo beslist op de vlucht gejaagd dat geen ander mens meer de vrijmoedigheid had een nederlaag uit Zijn hand te zoeken. De onfeilbare wijsheid van Christus had al Zijn aanklagers en verzoekers doen vluchten.
Markus 12:36-37.KruisverwijzingenPsalmen 110:1→1 Korinthe 15:25→Hebreeën 1:13→Hebreeën 10:12→Handelingen 2:34→Mattheüs 22:43→Romeinen 1:3→2 Samuël 23:2→
— Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten. David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.
“Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten. David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.”
Zij konden dat raadsel niet oplossen, maar wij kunnen het wel. Wij weten dat Jezus zowel de Zoon van David is als de Heere van David. Hij is een mens als wij, uit het grote menselijke geslacht, en toch waarachtig God uit waarachtig God. Gezegend zij Zijn heilige Naam!
Markus 12:37-40.KruisverwijzingenLukas 11:43→Romeinen 1:3→Lukas 20:45→Mattheüs 23:1→Lukas 20:47→Mattheüs 23:13→Jakobus 2:5→1 Timotheüs 3:16→
— David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne. En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten; En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden; Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.
“David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne. En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten; En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden; Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.”
Wij horen dwaze mensen dikwijls zeggen: u moet altijd in liefde preken en niets tegen iemand zeggen; Jezus heeft niemand aan de kaak gesteld. Och, wat dan te doen met deze aanklacht tegen de schriftgeleerden?
Was Jezus vandaag hier, dan zou Hij niet het weekdier zijn dat sommigen van ons willen maken. Hij had een ruggengraat, en een geweten, en een heel zware rechterhand. En die hand bracht Hij als een voorhamer neer op schijnvroomheid, huichelarij en dwaling. En willen wij aan Christus gelijk zijn, dan moeten wij manmoedig, vrijmoedig en onomwonden zijn.
Men zegt ons dat om ons gemakkelijk door de wereld te laten glijden, en om te maken dat alle mensen goed van ons spreken. Maar zo deden hun vaderen ook met de valse profeten.
Denkt u dat wij die het Woord van God prediken enig deel van ons getuigenis zullen achterhouden omdat het ons bij de goddelozen in een kwade naam brengt? Dat zij verre! Wij leven voor iets hogers en edelers dan gevoed te worden met de adem van boze mensen.
Is er dwaling op hoge plaatsen, of is er ergens ondeugd? Dan is het de plicht van de dienaar van Christus die in de Naam van zijn Meester met alle macht aan te vallen.
Hier verklaart onze Heere en Meester onomwonden dat de schriftgeleerden, de grote meesters van de wet, een stel aanmatigende huichelaars waren. Zij beroofden zelfs de weduwe en de wees, en zij zouden te zijner tijd een zwaarder oordeel ontvangen. Zo moet de waarheid nog altijd gesproken worden, wie er ook aanstoot aan neemt.
Markus 12:41-42.KruisverwijzingenJohannes 8:20→2 Koningen 12:9→Lukas 21:1→Mattheüs 27:6→
— En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.
“En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.”
Dubbel arm, want zij was niet alleen weduwe maar ook behoeftig: een zekere arme weduwe.
Markus 12:43-44.KruisverwijzingenLukas 8:43→2 Korinthe 8:2→2 Korinthe 9:6→2 Korinthe 8:12→Exodus 35:21→Handelingen 11:29→Mattheüs 10:42→Lukas 15:30→
— En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.
“En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.”
Christus meet wat wij werkelijk geven af aan wat wij óverhouden. Hij meet het naar de verhouding die het gegevene heeft tot wat wij bezitten. Zij gaf dus meer dan alle anderen samen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
En Hij begon naar de uitwendige vorm tot het volk, naar het inwendige eigenlijk tot de overpriesters en oudsten (Hoofdstuk 11: 27) door gelijkenissen tot hen te zeggen wat Hem op het harte lag. Zo kon Hij beter Zijn mening uitdrukken dan het, bij al hetgeen waarop gelet moestworden, in een gewone rede mogelijk zou zijn geweest. Eerst stelde Hij in de gelijkenis van de twee zonen hun gedrag als private personen tegenover dat van de tollenaars en zondaars, vervolgens karakteriseerde Hij hen naar hun gedrag als oversten van het volk in de nu volgende gelijkenis. Hij zei tot hen: Een mens a) plantte een wijngaard, zette een tuin daarom, groef een wijnpersbak, bouwde een toren, verhuurde die aan de landlieden en reisde naar het buitenland.
Ps. 80: 9. Jes. 5: 1. Jer. 2: 21; 12: 10.
En toen het tijd was, zond Hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden van de vrucht van de wijngaard zou ontvangen, zoveel als hij voor zichzelf bedongen had.
Maar zij namen en sloegen hem en zonden hem zonder aandeel weg.
En hij zond weer een andere dienstknecht tot hen en die stenigden zij en verwondden hem aan het hoofd en zonden hem heen tot zijn heer, schandelijk behandeld zijnde.
En weer zond hij een andere en die doodden zij en vele anderen zond hij daarna, waarvan zij sommigen sloegen en sommigen doodden.
Toen hij dan nog een zoon had, die hem lief was, heeft hij ook die tenslotte tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.
Maar die landlieden zeiden onder elkaar: a) Deze is de erfgenaam, b)komt laat ons hem doden en de erfenis zal van ons zijn.
Ps. 2: 8. b) Gen. 37: 18. MATTHEUS. 26: 3. Joh. 11: 53.
En zij namen en doodden hem en wierpen hem, het lijk, buiten de wijngaard.
Wat zal dan de heer van de wijngaard doen? Hij zal komen, zo herhaalde Jezus nog eens langzaam en met aandrang het antwoord, dat de overpriesters en schriftgeleerden en ouderlingen Hem op deze Zijn vraag gaven en de landlieden verderven en de wijngaard aan anderen geven.
Hebt u ook deze schrift (Ps. 118: 22 vv. ) niet gelezen: De a) steen, die de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoeksteen geworden.
Jes. 28: 16. Hand. 4: 11. Rom. 9: 33. 1 Petrus . 2: 6.
Door de Heere is dit gebeurd en het is wonderlijk in onze ogen?
En zij wilden hem grijpen, maar waren bang voor de menigte, zodat zij hem niet meteen aan durfden te doen wat zij wilden: want zij begrepen dat die gelijkenis op hen sloeg; en zij verlieten Hem en gingen weg.
Volgens Mattheus (21: 28-32; 33-46; 22: 1-14) verbond de Heere met Zijn antwoord aan de commissie uit het Sanhedrin drie gelijkenissen. Door deze toonde Hij aan wat Hij van hen verwachtte, hoe zij als Messias-moordenaars aan het gericht zouden vervallen en het Messiasrijk verliezen. Markus deelt ons van deze alleen de middelste mede en het is juist die gelijkenis, waarin zij verenigd met de vervolgers van de profeten als moordenaars van de Messias voorkomen. Daarbij geeft Hij toch in vs. 1 zelf te kennen, dat Jezus Zijn vijanden meerdere gelijkenissen heeft voorgehouden en nu bericht hij die van de boze wijngaardeniers, deels korter dan Mattheus en weer langer dan Lukas, hoewel in de opklimming van de zendingen van de bezitter van de wijngaard nauwkeuriger dan Mattheus. Volgens hem wordt de eerste knecht op de rug geslagen en zonder aandeel weggezonden, de tweede op het hoofd geslagen en beschimpt en dus met schande weggezonden, de derde gedood. In dit derde lot delen vervolgens vele anderen; hierop volgt de zending van de zoon, van wie wordt opgemerkt dat de Heere van de wijngaard er slechts een had. Mattheus spreekt van een dubbele zending van knechten, eerst in kleiner, vervolgens in groot aantal; en hun lot is: geslagen, gedood, gestenigd te worden. Lukas heeft slechts een toenemende mishandeling van drie na elkaar afgezonden knechten. De wezenlijke hoofdgedachte is overal dezelfde; verschillende zendingen, toenemende mishandeling en zo opklimmende verharding en opstand; daarna de tegenstelling van de gezonden knechten en van de gezonden zoon, de edelmoedige hoop van de Heere op vrees en berouw en van de roekeloze aanslag van de wijngaardeniers op de erfgenaam. Hoe de genadige grootmoedigheid van God worstelt met het zich verstokkend ongeloof van de mensen tot de hoogste eindbeslissing! De Heere in de hemel neemt liever de schijn van dwaasheid aan in het zenden van Zijn Zoon, dan dat Hij Zijn genade niet op het allerhoogst zou openbaren. Het laatste aanknopingspunt voor de genade van God is de vreze in de mens, het laatste overblijfsel van het geloof in het ongeloof is de erkentenis: “Dat is de erfgenaam” en datgene, wat hen eindelijk doemwaardig maakt, is het besluit: “Kom, laat ons Hem doden!”
En zij zonden, nadat Hij nog de gelijkenis van de koninklijke bruiloft had voorgedragen (MATTHEUS. 22: 1-14) tot Hem enige farizeeen en herodianen, opdat zij hem in Zijn rede vangen zouden. Zij wilden Hem tot een openlijk woord dwingen, dat Hem tot de val moest brengen.
Dezen kwamen en zeiden tot Hem: Meester wij weten dat Gij waarachtig bent en naar niemand vraagt; want Gij ziet de persoon van de mensen niet aan, maar Gij leert de weg van God in de waarheid. Is het geoorloofd de keizer belasting tegeven of niet? Zullen wij volgens uw mening geven of niet geven?
En Hij kende hun geveinsdheid en wist dat zij deden alsof zij dit Hem vroegen uit gewetensbezwaren en door Zijn verklaring tot een zekere overtuiging wilden komen, terwijl zij iets heel anders zochten en Hij zei tot hen: Waarom vraagt u dat Mij? breng Mij een penning, een denarie, waarmee de schatting wordt betaald, zodat Ik hem zie.
En zij brachten er een. En Hij zei tot hen: Van wie is dit beeld en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Van de keizer.
En Jezus antwoordde hen: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is en aan God dat wat van God is. En zij verwonderden zich over Hem, dat Hij op zo’n manier aan hun valstrikken was ontkomen. (Rom. 13: 7).
Het stellen van de vraag komt voort uit een valse opvatting van Israels betrekking aan de ene kant tot God en aan de andere kant tot de keizer. De keizer verlangt van de Israelieten met de belasting niets anders, dan hetgeen voor hen is voortgekomen uit de betrekking tot de Romeinse staat, iets zo uitwendigs, dat dit aan de goddelijke roeping van Israel niets toedoet noch afdoet. God eist daarentegen van de Isra?lieten geen munt om hen als Zijn onderdanen te erkennen; Hij eist de inwendige overgave van zichzelf. Het is een vernedering van God, dat men Hem zo tegenover de Romeinse keizer plaatst en met die gelijk stelt, alsof men Hem iets onttrok wanneer men de keizer iets gaf, waartoe aan deze de door God geleide gang van de geschiedenis van de volken het recht gegeven heeft; want dan meent men ook, dat Gods eis met iets dergelijks als wat men den keizer geeft, vervuld zou kunnen worden. Jezus’ woord bestraft die verkeerde gedachte, dat men in plaats van de overgave van het hart aan God, die men Hem boven alles verschuldigd is en altijd te volbrengen, meent, dat men Hem zou kunnen dienen door enig uitwendig werk, waarbij toch in waarheid de mens alleen zichzelf dient.
a) En de sadduceeën, die zeggen dat er geen opstanding is, kwamen tot Hem en vroegen Hem: (Hand. 23: 8).
Meester! Mozes heeft ons in de wet over de leviraatsecht (Deut. 25: 5 vv. ) geschreven: als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder diens vrouw nemen zal en voor zijn broeder nakomelingen zal verwekken.
Er waren nu zeven broers bij ons, in de kring van onze bekenden en de eerste nam een vrouw en stierf en liet geen nakomeling na.
De tweede nam haar ook en is gestorven en ook deze liet geen nakomeling na; en de derde verging het hetzelfde, ook die nam haar en stierf zonder kinderen.
En al de zeven namen haar en lieten geen zaad na. Geen enkele van deze had dus bepaald recht op haar verkregen, ten gevolge van het verwekken van kinderen; zij hadden allen evenveel aanspraak op haar. Als laatste van allen is ook devrouw gestorven.
In de algemene opstanding dan, wanneer zij, ook deze zeven broers met de vrouw opgestaan zullen zijn, wiens vrouw zal zij van deze zijn? want die zeven hebben haar als vrouw gehad, allen, zoals gezegd is, op dezelfde manier, zonder dat de één een voorrecht boven de anderen had.
En Jezus antwoordde hen: Dwaalt u niet, zoals uw rede duidelijk aanwijst, omdat u de schriften niet kent en ook de kracht van God niet? Juist dit door uzelf aangehaalde geval is er een bewijs voor, dat u met uw loochening van deopstanding, met voorbijzien van de schriftwoorden en de macht van God die de verwezenlijking waarborgt, op een valse weg bent.
Want als zij uit de doden opgestaan zullen zijn, dan trouwen zij niet en worden ook niet ten huwelijk gegeven, maar zij zijn a) als engelen, die in de hemelen zijn.
1 Joh. 3: 2.
Maar over de doden, dat zij opgewekt zullen worden, heeft u daarover niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in de doornenbos tot Hem gesproken heeft en Efod. 3: 6), zeggende: a) Ik ben de God van Abraham en de God van Izaak en de God van Jakob.
Hand. 7: 32. Hebr. 11: 16.
God is niet een God van de doden, maar een God van de levenden. U dwaalt daarom erg.
De Heere geeft niet aan de sadduceeen, zoals hij dat de farizeeen gaf, een spitsvondig antwoord, maar Hij bestraft de spotters, dat zij de Schrift niet kennen, dat zij van de levende God, die daaruit spreekt, niets weten en evenmin van Gods scheppende kracht, die het leven uit de dood wekt. Van het leven van de opstanding echter, dat de sadduceeen loochenen, leert Hij dat het geen voortzetting van het vleselijk leven is, maar een verheerlijkt leven door de kracht van de God van Abraham, Izaak en Jakob; want zij leven voor Hem allen. Waarom hebt u uit die aanwijzing niet de opstanding van de doden gelezen? Als het geen waarheid was dat God Zichzelf zo genoemd heeft, wanneer alleen menselijke mening Hem zo genoemd had, dan zou het niet meer betekenen, dan die God, die in hun tijd de vaderen vereerden. Maar wanneer Hij zelf God is, die lang na die gelovige vaderen Zich nog altijd hun God noemt, dan kunnen die vaderen niet dood zijn en kan het niet voor altijd met hen gedaan zijn; want God, de levende noemt Zich niet naar doden, verteerden, met welke het uit is.
En een van de schriftgeleerden hoorde dat Jezus en de sadduceeen samen in gesprek waren, wist dat Hij hen wel had geantwoord en hoopte dat hij ook op zijn vraag een juist antwoord zou ontvangen. Hij kwam tot Hem en vroeg Hem: Wat is het eerste gebod van allen, dat, wat boven aan staat enhet voornaamste is?
En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle geboden is dat uit Deut. 6: 4 vv. : Hoor Israel! de Heere onze God is een enig God.
En u zult de Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.
En het tweede (Lev. 19: 18) aan dit gelijk, is dit: a) Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod, groter dan dit.
Rom. 13: 9. Gal. 5: 14. Jak. 2: 8.
En de schriftgeleerde zei tot Hem: Meester! U hebt wel in de waarheid gezegd dat er een enig God is en er is geen ander dan Hij.
En Hem lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel het verstand en uit geheel de ziel en uit geheel de kracht en de naaste lief te hebben als zichzelf, is, zoals de profeten al te kennen hebben gegeven (1 Sam. 15: 22. Hos. 6: 6. Ps. 51: 18 vv. ), meer dan al de brandoffers en de slachtoffers, meer dan uitwendige godsdienst, die in gaven en rituele waarnemingen bestaat.
En Jezus zag dat hij verstandelijk en openhartig geantwoord had en zei tot hem: U bent niet zoals anderen, die door Mijn leer te meer verbitterd worden, ver van het koninkrijk van God. Als u op de ingeslagen weg voortgaat, kunt u nog tot volle kennis van de waarheid komen. En niemand durfde Hem meer vragen (MATTHEUS. 22: 46), terwijl Hij laatst nog (vs. 35-37) de farizee?n en schriftgeleerden helemaal in het nauw bracht.
Het gebod van de liefde is een kort en een lang gebod, een enkel en een veelbevattend gebod: het is geen gebod en een gebod over alles; het is kort en enkelvoudig op zichzelf en met het verstand snel gevat, maar lang en veel omvattend wat de beoefening betreft, want het omvat alle geboden. Het is geen gebod als men op werken let, want het noemt geen bijzonder werk met name; maar het is een gebod over alles, omdat het volbrengen van alle geboden zijn werk is en zijn moet. De liefde heft daarom alle geboden op en volbrengt toch alle geboden. Wij moeten daarom liever geen gebod, geen werk meer doen of achten dan in zoverre de liefde het eist.
Aan het gebod van de liefde tot God en de naaste hangt eigenlijk alles en toch heeft God vanwege onze verdorven toestand het niet bij dit gebod alleen kunnen laten, maar Hij heeft ons het gevangen zijn onder de zonde door zo veel (afzonderlijk uitgelegde) geboden moeten openbaren en doen voelen. Pas wanneer de wet in dat opzicht Zijn werk aan ons gedaan heeft, kunnen wij door de genade van Christus in deze wet van de Geest worden ingeleid.
Het woord aan de farizeeën (vs. 17) en dat aan de Sadduceeën (vs. 24 vv. ) was voor alle Christenen van grote betekenis, maar vooral voor heidense. Het grootste gewicht heeft echter Markus gelegd op de rede van Jezus, waartoe het gezantschap aanleiding gaf, waarin Hij van het opbouwen van een nieuwe godsdienstige gemeente spreekt, waarnaast de Isra?litische haar recht zou verliezen (vs. 9 vv. ), vervolgens op het woord (vs. 29) waartoe door de schriftgeleerde aanleiding werd gegeven, waarin Jezus als het wezen van de ware godsdienst noemt één God te hebben en deze met onverdeelde overgave lief te hebben, maar ook omwille van Hem de medemensen als zichzelf; en op de bevestigende uitspraak van een rechtschapen en verstandig wetgeleerde (vs. 32 vv. ), die het door Jezus? aangewezene hoger stelt dan de hele Isra?litische tempeldienst. Juist maar de mening van Markus moest dit slot van de gesprekken bijzondere betekenis hebben voor zulke Christenen, die zich van de vele valse goden tot de Ene hadden gewend en van een godsdienst van uitwendige gebruiken en gaven tot de dienst van de liefde, die berust op een gehele en bestendige persoonlijke overgave.
De zin aan het slot van vs. 34 : “En niemand durfde Hem meer vragen” hoort niet meer tot de vorige geschiedenis, maar leidt de nieuwe in vs. 35-37 in en heeft de bedoeling: terwijl niemand meer de moed had Hem te vragen en door vragen in het nauw te brengen, begon de Heere uit Zijn leer van Zijn kant een vraag op te werpen, die hen in het nauw bracht, omdat Hij daardoor een stelling van de schriftgeleerden als halve waarheid voorstelde en zij daarop moesten antwoorden. Zo stemt in hoofdzaak Markus met Mattheus overeen; de Evangelisten vertellen echter van een verschillend gezichtspunt, zoals zij ook een onderscheiden vorm voor hun verhaal kiezen (vgl. bij vs. 37).
En Jezus, die leerde in de tempel, zei, Zijn tegenstanders nu ook van Zijn kant een vraag voorleggend: Waarom zeggen de schriftgeleerden, waarin zij zeker juist zijn, dat de Christus een Zoon van David is?
Want a) David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd (Ps. 110: 1): De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben als een voetbank voor Uw voeten.
Hand. 2: 34. 1 Kor. 15: 25. Hebr. 1: 13; 10: 13.
David zelf noemt Hem zijn Heere en hoe kan Hij dan Zijn Zoon zijn? Die waarheid, die de schriftgeleerden erkennen, moet dus niet de volle waarheid zijn. En de menigte hoorde Hem graag, hoorde graag dat Hij de Schrift zo voortreffelijk handhaafde en toch werd zij niet dieper door Zijn leergetroffen.
Evenals in de Christelijke gemeente een liefde tot God en de naaste aanwezig is als wezen van de godsdienst die de schriftgeleerde als de ware vervulling van de wet erkend had, zo is ook in het geloof dat de gekruisigde Davidszoon Jezus van Nazareth tot de heerlijkheid van de goddelijke troon verhoogd is, de oplossing van het raadsel aanwezig dat de onbegrepen profetie de schriftgeleerden van Israel voorlegde.
De grote wedervraag, die Jezus na alle verleidende vragen van Zijn vijanden tot de farizeeen richtte, heeft Mattheus in haar volle historische betekenis als de beslissende eindvraag aan de vergaderde farizeeen op de voorgrond geplaatst; zij heeft daarom ook de vorm van een verhandeling of Rabbijnse disputatie. Markus laat daarentegen de geestelijke triomf van de Heere sterker voorkomen. Door het “Jezus antwoordde” duidt hij toch aan, dat deze vraag het eigenlijke antwoord was op de vorige verzoekingen en ook op de laatste.
Al spannen alle farizeeen en herodianen, alle sadduceeen en alle schriftgeleerden tezamen om Jezus Christus in Zijn woorden te vangen en Zijn wijsheid te schande te maken, zolang er nog een menigte is die Hem graag hoort, is er nog een verwachting voor het Koninkrijk van God. En deze blijft, al wisselen in de loop van de eeuwen en in het midden van de volkeren die de leer van Christus ontvangen, de stelsels van menselijke wijsheid elkaar af en al volgt de ene vorm van Christusbestrijding op de andere.
a) En Hij hield in Zijn leer een langere voordracht, die Hij nu liet volgen en waarin Hij Zich hoofdzakelijk tot de bij Hem staande discipelen wendde: behoed u voor de schriftgeleerden, die daar graag willen wandelen in lange kleren en gegroet worden op de markten.
Luk. 11: 43; 20: 46.
En de eerste stoelen hebben in de synagogen en de eerste plaats bij de maaltijden (MATTHEUS. 23: 3, 5-7).
a) Die de huizen van de weduwen opeten en dat onder de schijn van lang te bidden (MATTHEUS. 23: 14). Dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen.
Luk. 20: 47. 2 Tim. 3: 6. Tit. 1: 11.
Alleen Joden-Christenen, voor wie Mattheus schreef, konden in de eerste plaats geroepen zijn om het farizese Jodendom in het hele einde van zijn diep gezonken zijn te aanschouwen; voor jeugdige heiden-Christenen was de grote strafprediking voor een deel onverstaanbaar, voor een deel een te vast voedsel. Daarom wordt bij Markus alleen in het kort het beeld van de schriftgeleerden meegedeeld in de drie grondtrekken van eergierigheid, hebzucht en gehuichelde vroomheid; en is hier de reden samengetrokken uit het inleidende woord van de waarschuwing van de Heere tegen de farizee?n en het eerste wee over hen; bovendien is de bij Mattheus voorkomende aanspraak overal veranderd in de voorstelling van derde personen. Met Markus stemt Lukas bijna woordelijk overeen.
41. a) En Jezus zal in de voorhof van de vrouwen, tegenover b) de schatkist en zag hoe de menigte geld wierp in de schatkist en veel rijken wierpen daar veel in.
Luk. 21: 1. b) 2 Kon. 12: 9.
En er kwam een arme weduwe, die daar twee kleine penningen (Efod. 30: 13) in wierp, ter waarde van een oort.
En Jezus riep Zijn discipelen tot Zich en zei tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat a) deze arme weduwe, wat de inwendige waarde van haar gave aangaat, meer ingeworpen heeft dan allen die in de schatkist geworpen hebben.
2 Kor. 8: 12.
Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek al wat zij had, haar hele voorraad, daarin geworpen (vgl. bij MATTHEUS. 23: 39).
Uit het beeld van de schriftgeleerden zoals Jezus het (vs. 38-40) getekend heeft en uit de handelwijze van de weduwe, op welker waarde Hij hen hier opmerkzaam maakt, moeten de discipelen als hoofden van een nieuwe godsdienstige gemeente afleiden, dat in dezelfde mate als zij uit hun vroomheid een middel tot eer en winst zouden laten worden, die hun tot een oorzaak van het oordeel zou moeten worden en weer, dat hun godsdienst en hun vroomheid in dezelfde mate een opbouwen van het huis van God is, als zij in verborgen overgave van de hele mens aan God bestaat. Jezus zegt dat die weduwe meer dan alle andere gevers in de schatkist geworpen heeft, zeker in de veelbetekenende zin dat de Heer van de tempel door haar gave om zo te zeggen objectief meer gediend was, dan met de gaven van de anderen tezamen. Er lag wel, wanneer die gaven voor den verdere bouw van de tempel moesten dienen, voor het natuurlijk oog geen waarde in deze gave tegenover de andere, maar voor het doel van God, die door de tempel wordt voorgesteld om een mensheid te verkrijgen die zichzelf in gehele overgave van de liefde opoffert, is niet dat van waarde, wanneer iemand naast andere dingen ook aan God gedachtig is, maar wanneer een mens zichzelf geheel Hem overgeeft. En dat is hier het geval; want terwijl de anderen alleen gegeven hebben van hetgeen zij voor eigen gebruik niet hoefden, heeft de weduwe, die in een toestand verkeerde waarin haar vermogen altijd bij haar behoeften achterstond, alles wat zij had, hoewel zij van de twee penningen een had kunnen behouden, de gave had kunnen verdelen, dus haar hele voorraad overgegeven.
Vele rijken verdringen elkaar met grote gaven rondom de schatkist in de tempel van God. Uit hun midden treedt een weduwe te voorschijn, een arme weduwe. Twee kleine penningen zijn in haar hand en in die twee kleine penningen, al wat zij heeft, haar hele behoefte. En in alle eenvoud, met alle blijmoedigheid voegt zij ze bij vele grote schatten die geofferd zijn, de twee penningen als haar hele schat. Niemand op aarde ziet, niemand weet dat dan Eén, van wie zij dit mogelijk niet vermoedt. Jezus is daar; Hij is daar bij gelegenheid van Zijn laatste tempelbezoek. Hij heeft, zoals de Evangelist ons vermeldt (11: 11) alles nog eens over en rond gezien. Hij rust uit van een lange straf- en boetrede, die Hij in heilige verontwaardiging en toorn heeft besloten, Hij heeft zoveel kwaads gezien in deze tempel. Ook bij deze schatkist ontmoet Zijn oog menige ergernis, als het gaat over alle gevers, alle gaven, het hart van allen. Het goede dat Hij ziet in het hart van deze weduwe, verkwikt Hem. Hij spaart haar kies gevoel, maar roept Zijn discipelen tot Zich en preekte hen haar twee penningen, vergeleken met de gaven van de overvloed, openbaart Hij Zich aan hen als de opmerkzame, de rechtvaardige, de liefderijke getuige en beoordelaar van alle werken van liefde en godsvrucht. Zoals Hij Zich op aarde betoonde, zo is Hij in de grootste nadruk in de hemel. Zoals Hij Zich in de tempel neerzette tegenover de schatkist, zo ziet Hij van de troon van Zijn heerlijkheid elke gelegenheid die daar is om weldadigheid te oefenen, om handreiking te doen te behoeve van de naaste of ter uitbreiding van Zijn rijk. Hij heeft deze gelegenheid gegeven. Hij vermeerdert ze, Hij stelt ze ons voor, Hij ziet of en hoe wij ze aangrijpen, of en hoe wij er aan beantwoorden, met welke gaven, met welk gevoel. Hij is tegenwoordig bij elke inzameling van liefdegiften. Hij ziet alles; Hij denkt er het Zijne van. Eenmaal zal Hij er het Zijne van zeggen. Ontzaglijke gedachte, heilzaam voor ons hart! Ik wil er bij stilstaan en in enige bijzonderheden nagaan wat het zegt, dat Jezus Christus zelf getuige is van alle liefdewerk, de wettige getuige, uit hoofd van de nauwe betrekking, die Hij met ons heeft; de rechtvaardige getuige, die in staat is de ware maatstaf aan de arbeid van onze liefde aan te leggen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel