Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG1161 opziendeG308, zagG1492 Hij de rijkenG4145 hun gavenG1435 inG1519 de schatkistG1049 werpenG906.
En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen.
KJV
And2
he looked up,1
and saw
the rich men12
casting5
their8
gifts7
into9
the treasury.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En Hij zagG1492 ookG2532 een zekereG5100 armeG3998 weduweG5503 tweeG1417 kleineG3016 penningen daarin werpenG906.
En Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine penningen daarin werpen.
Ook in dit vers
[penningen]G1563
KJV
And2
he saw
also3
a certain4
poor6
widow5
casting7
in thither8
two9
mites.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
EnG2532 Hij zeideG2036: WaarlijkG230, Ik zegG3004 uG4771, dat dezeG3778 armeG4434 weduweG5503 meer dan allenG3956 heeft in geworpenG906.
En Hij zeide: Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft in geworpen.
KJV
And1
he said,
Of a truth3
I say2
unto you,
that6
this11
poor10
widow8
hath cast14
in more than
they all:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantG1063 die allen hebben van hunG846 overvloedG4052 geworpenG906 totG1519 de gavenG1435 GodsG2316; maarG1161 dezeG3778 heeft van haar gebrekG5303, al den leeftochtG979, dienG3739 zij hadG2192, daarin geworpenG906.
Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze heeft van haar gebrek, al den leeftocht, dien zij had, daarin geworpen.
Ook in dit vers
uit/metG1537
uit/metG1537
KJV
For2
all1
these3
have of4
their7
abundance6
cast8
in unto9
the offerings11
of God:13
but15
she14
of16
her19
penury18
hath cast25
in all20
the living22
that23
she had.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
EnG2532 als sommigenG5100 zeidenG3004 vanG4012 den tempelG2411, datG3754 hij met schonen stenenG3037 enG2532 begiftigingenG334 versierdG2885 was, zeideG2036 Hij:
En als sommigen zeiden van den tempel, dat hij met schonen stenen en begiftigingen versierd was, zeide Hij:
Ook in dit vers
schoneG2570
KJV
And1
as some2
spake3
of4
the temple,6
how7
it was adorned12
with goodly9
stones8
and10
gifts,11
he said,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Wat deze dingen aangaat, dieG3739 gij aanschouwtG2334, er zullen dagenG2250 komenG2064, inG1722 welke niet een steenG3037 op den anderen steenG3037 zal gelatenG863 worden, die nietG3756 zal worden afgebrokenG2647.
Wat deze dingen aangaat, die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.
KJV
As for these things
which2
ye behold,3
the days5
will come,4
in6
the which7
there shall9
not8
be left
one stone10
upon11
another,12
that13
shall15
not14
be thrown down.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En zij vraagdenG1905 HemG846, zeggendeG3004: MeesterG1320, wanneer zullen dan dezeG3778 dingen zijn, en welk is het tekenG4592, wanneer dezeG3778 dingen zullen geschiedenG1096?
En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden?
KJV
And2
they asked1
him,3
saying,4
Master,5
but7
when6
shall
these things
be?
and10
what11
sign13
will there be when14
these things
shall15
come to pass?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En Hij zeideG2036: Ziet, datG3754 gij nietG3361 verleidG4105 wordt; want velenG4183 zullen er komenG2064 onder Mijn NaamG3686, zeggendeG3004: IkG1473 ben de Christus; en de tijdG2540 is nabijG1448 gekomen, gaat dan henG846 nietG3361 na.
En Hij zeide: Ziet, dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na.
KJV
And2
he said,
Take heed4
that ye be6
not5
deceived:
for8
many7
shall come9
in10
my
name,12
saying,3
I13
am17
Christ; and18
the time20
draweth near:21
go ye24
not22
therefore23
after25
them.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En wanneer gij zult horenG191 van oorlogenG4171 en beroertenG181, zo wordt niet verschriktG4422; wantG1063 dezeG3778 dingen moetenG1163 eerstG4412 geschiedenG1096; maar nog is terstondG2112 het eindeG5056 niet.
En wanneer gij zult horen van oorlogen en beroerten, zo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden; maar nog is terstond het einde niet.
KJV
But2
when1
ye shall hear3
of wars4
and5
commotions,6
be8
not7
terrified:
for10
these things
must9
first13
come to pass;12
but14
the end18
is not15
by and by.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Toen zeideG3004 Hij tot hen: Het ene volkG1484 zal tegenG1909 het andere volkG1484 opstaanG1453, enG2532 het ene koninkrijkG932 tegenG1909 het andere koninkrijkG932.
Toen zeide Hij tot hen: Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk.
KJV
Then1
said he2
unto them,3
Nation5
shall rise4
against6
nation,7
and8
kingdom9
against10
kingdom:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En er zullen groteG3173 aardbevingenG4578 wezenG1510 in verscheidene plaatsenG5117, enG2532 hongersnodenG3042, enG2532 pestilentienG3061; er zullen ook schrikkelijkeG5400 dingen, enG2532 groteG3173 tekenenG4592 vanG575 den hemelG3772 geschiedenG2071.
En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentien; er zullen ook schrikkelijke dingen, en grote tekenen van den hemel geschieden.
KJV
And2
great3
earthquakes1
shall be
in4
divers places,5
and6
famines,7
and8
pestilences;9
and12
fearful sights11
and13
great17
signs14
shall there be
from15
heaven.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
MaarG1161 voor ditG3778 allesG537, zullen zij hun handenG5495 aan ulieden slaanG1911, en u vervolgenG1377, u overleverendeG3860 inG1519 de synagogenG4864 en gevangenissenG5438; en gij zult getrokkenG71 worden voor koningenG935 en stadhoudersG2232, om Mijns NaamsG3686 wilG1752.
Maar voor dit alles, zullen zij hun handen aan ulieden slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil.
KJV
But2
before1
all4
these,
they shall lay5
their10
hands9
on6
you,
and11
persecute12
you, delivering13
you up14
to the synagogues,15
and16
into prisons,17
being brought18
before19
kings20
and21
rulers22
for23
my
name's25
sake.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG1161 dit zal uG4771 overkomenG576 totG1519 een getuigenisG3142.
En dit zal u overkomen tot een getuigenis.
KJV
And2
it shall turn1
to you
for4
a testimony.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
NeemtG5087 danG3767 inG1519 uw hartenG2588 voor, van te vorenG4304 nietG3361 te overdenkenG4304, hoe gij u verantwoordenG626 zult;
Neemt dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe gij u verantwoorden zult;
KJV
Settle1
it therefore2
in3
your
hearts,5
not7
to meditate before8
what ye shall answer:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
WantG1063 IkG1473 zal uG4771 mondG4750 enG2532 wijsheidG4678 gevenG1325, welkeG3739 nietG3756 zullen kunnen tegensprekenG471, noch wederstaanG436 allenG3956, die zich tegen uG4771 zettenG480.
Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten.
KJV
For2
I1
will give3
you
a mouth5
and6
wisdom,7
which8
all14
your
adversaries16
shall10
not9
be able
to gainsay
nor12
resist.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En gij zult overgeleverdG3860 worden ookG2532 vanG5259 oudersG1118, en broedersG80, en magenG4773, en vriendenG5384; en zij zullen er sommigen uitG1537 uG4771 dodenG2289.
En gij zult overgeleverd worden ook van ouders, en broeders, en magen, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u doden.
KJV
And2
ye shall be betrayed1
both3
by4
parents,5
and6
brethren,7
and8
kinsfolks,9
and10
friends;11
and12
some of14
you
shall they cause to be put to death.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EnG2532 gij zult vanG5259 allen gehaatG3404 worden omG1223 Mijns NaamsG3686 wil.
En gij zult van allen gehaat worden om Mijns Naams wil.
KJV
And1
ye shall be
hated3
of4
all5
men for6
my
name's sake.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Doch niet een haar uitG1537 uw hoofdG2776 zal verlorenG622 gaan.
Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan.
KJV
But1
there shall not
an hair2
of3
your
head5
perish.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
BezitG2932 uw zielenG5590 inG1722 uw lijdzaamheidG5281.
Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.
KJV
In1
your
patience3
possess ye5
your
souls.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
MaarG1161 wanneer gij zienG1492 zult, dat JeruzalemG2419 vanG5259 heirlegersG4760 omsingeldG2944 wordt, zo weet alsdanG5119, datG3754 haarG846 verwoestingG2050 nabijG1448 gekomen is.
Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.
KJV
And2
when1
ye shall see
Jerusalem8
compassed4
with5
armies,6
then9
know10
that11
the desolation14
thereof15
is nigh.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
AlsdanG5119 die in JudeaG2449 zijn, dat zij vliedenG5343 naarG1519 de bergenG3735; enG2532 die in het middenG3319 van dezelve zijn, dat zij daaruit trekkenG1633; enG2532 die op de veldenG5561 zijn, dat zij in dezelve nietG3361 komenG1525.
Alsdan die in Judea zijn, dat zij vlieden naar de bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in dezelve niet komen.
KJV
Then1
let them6
which are in3
Judaea5
flee
to7
the mountains;9
and10
let them15
which are in12
the midst13
of it14
depart out;
and16
let22
not21
them that are in18
the countries20
enter
thereinto.23
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
WantG3754 dezeG3778 zijn dagenG2250 der wraakG1557, opdat allesG3956 vervuldG4137 worde, dat geschrevenG1125 is.
Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is.
KJV
For1
these4
be
the days2
of vengeance,3
that all things8
which6
are written10
may be fulfilled.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
DochG1161 weeG3759 den bevruchtenG1064 en den zogendenG2337 vrouwen inG1722 die dagenG2250, wantG1063 er zal groteG3173 noodG318 zijnG1510 inG1722 het landG1093, en toornG3709 overG1909 ditG3778 volkG2992.
Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk.
KJV
But2
woe1
unto4
them that are with child,5
and7
to them that give suck,9
in10
those11
days!13
for15
there shall be
great17
distress16
in18
the land,20
and21
wrath22
upon23
this
people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En zij zullen vallenG4098 door de scherpteG4750 des zwaardsG3162, enG2532 gevankelijkG163 weggevoerd worden onder alleG3956 volkenG1484; enG2532 JeruzalemG2419 zal vanG5259 de heidenenG1484 vertredenG3961 worden, totdat de tijdenG2540 der heidenenG1484 vervuldG4137 zullen zijn.
En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.
KJV
And1
they shall fall2
by the edge3
of the sword,4
and5
shall be led away captive6
into7
all8
nations:10
and11
Jerusalem12
shall be
trodden down14
of15
the Gentiles,16
until17
the times19
of the Gentiles20
be fulfilled.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En er zullen tekenenG4592 zijnG1510 inG1722 de zonG2246, enG2532 maanG4582, enG2532 sterrenG798, enG2532 op de aardeG1093 benauwdheidG4928 der volkenG1484 metG1722 twijfelmoedigheidG640, als de zeeG2281 enG2532 watergolvenG4535 groot geluidG2278 zullen geven;
En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid der volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven;
KJV
And1
there shall be
signs3
in4
the sun,5
and6
in the moon,7
and8
in the stars;9
and10
upon11
the earth13
distress14
of nations,15
with16
perplexity;17
the sea19
and20
the waves21
roaring;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En den mensenG444 het hart zal bezwijken vanG575 vreesG5401 enG2532 verwachtingG4329 der dingen, die het aardrijkG3625 zullen overkomenG1904; wantG1063 de krachtenG1411 der hemelenG3772 zullen bewogenG4531 worden.
En den mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden.
Ook in dit vers
hart bezwijkenG674
KJV
Men's2
hearts failing them1
for3
fear,4
and5
for looking after6
those things which are coming on8
the earth:10
for12
the powers13
of heaven15
shall be shaken.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
EnG2532 alsdanG5119 zullen zij den ZoonG5207 des mensenG444 zienG3700 komenG2064 inG1722 een wolkG3507, met grote krachtG1411 enG2532 heerlijkheidG1391.
En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.
KJV
And1
then2
shall they see
the Son5
of man7
coming8
in9
a cloud10
with11
power12
and13
great15
glory.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Als nuG1161 dezeG3778 dingen beginnenG756 te geschiedenG1096, zo ziet omhoogG352, en heftG1869 uw hoofdenG2776 opwaartsG1869, omdat uw verlossingG629 nabijG1448 is.
Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.
KJV
And2
when these things
begin1
to come to pass,4
then look up,5
and6
lift up7
your
heads;9
for11
your
redemption14
draweth nigh.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
En Hij zeideG2036 tot hen een gelijkenisG3850: ZietG3708 den vijgeboomG4808, enG2532 alG3956 de bomenG1186.
En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Ziet den vijgeboom, en al de bomen.
KJV
And1
he spake
to them4
a parable;3
Behold
the fig tree,7
and8
all9
the trees;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Wanneer zij nu uitspruitenG4261, en gij dat ziet, zo weet gij uitG575 uzelven, datG3754 de zomerG2330 nu nabijG1451 isG1510.
Wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zo weet gij uit uzelven, dat de zomer nu nabij is.
KJV
When1
they now3
shoot forth,2
ye see4
and know7
of5
your own selves6
that8
summer12
is
now9
nigh at hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Alzo ookG2532 gij, wanneer gij dezeG3778 dingen zult zienG1492 geschiedenG1096, zoG3779 weet, dat het KoninkrijkG932 GodsG2316 nabijG1451 isG1510.
Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het Koninkrijk Gods nabij is.
KJV
So1
likewise2
ye,
when4
ye see
these things
come to pass,7
know ye8
that9
the kingdom13
of God15
is
nigh at hand.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
VoorwaarG281 Ik zegG3004 uG4771, dat ditG3778 geslachtG1074 geenszinsG3364 zal voorbijgaanG3928, totdat allesG3956 zal geschiedG1096 zijn.
Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn.
KJV
Verily1
I say2
unto you,4
This10
generation9
shall7
not
pass away,12
till11
all13
be fulfilled.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
De hemelG3772 en de aardeG1093 zullen voorbijgaanG3928, maarG1161 Mijn woordenG3056 zullen geenszinsG3364 voorbijgaanG3928.
De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
KJV
Heaven2
and3
earth5
shall pass away:6
but8
my
words9
shall13
not
pass away.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
En wachtG4337 uzelven, dat uw hartenG2588 niet te eniger tijdG3379 bezwaardG925 worden metG1722 brasserijG2897 en dronkenschapG3178, en zorgvuldighedenG3308 dezes levensG982, en dat uG4771 dieG1565 dagG2250 niet onvoorziensG160 overG1909 komeG2186.
En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome.
KJV
And2
take heed1
to yourselves,3
lest at any time4
your
hearts8
be overcharged5
with9
surfeiting,10
and11
drunkenness,12
and13
cares14
of this life,15
and16
so that23
day22
come20
upon18
you
unawares.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
WantG1063 gelijkG5613 een strikG3803 zal hij komenG1904 over al degenen, die op den gansenG3956 aardbodemG4383 gezetenG2521 zijn.
Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op den gansen aardbodem gezeten zijn.
KJV
For3
as1
a snare2
shall it come4
on5
all6
them that dwell8
on9
the face10
of the whole11
earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
WaaktG69 danG3767 te allerG3956 tijdG2540, biddendeG1189, dat gij moogt waardig geachtG2661 worden te ontvliedenG1628 al dezeG3778 dingen, die geschiedenG1096 zullen, enG2532 te staanG2476 voor den ZoonG5207 des mensenG444.
Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen.
KJV
Watch ye1
therefore,2
and pray6
always,3
that7
ye may be accounted worthy8
to escape9
all4
these things
that shall13
come to pass,14
and15
to stand16
before17
the Son19
of man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
Des daagsG2250 nuG1161 wasG1510 Hij lerendeG1321 in de tempelG2411; maarG1161 des nachtsG3571 ging Hij uit, en vernachtteG835 op den bergG3735, genaamdG2564 den OlijfG1636 berg.
Des daags nu was Hij lerende in de tempel; maar des nachts ging Hij uit, en vernachtte op den berg, genaamd den Olijf berg.
KJV
And2
in the day time4
he was
teaching8
in5
the temple;7
and10
at night11
he went out,12
and abode13
in14
the mount16
that is called18
the mount of Olives.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
EnG2532 alG3956 het volkG2992 kwam des morgens vroegG3719 totG4314 HemG846 inG1722 den tempelG2411, om HemG846 te horenG191.
En al het volk kwam des morgens vroeg tot Hem in den tempel, om Hem te horen.
KJV
And1
all2
the people4
came early in the morning5
to6
him7
in8
the temple,10
for to hear11
him.
schatkist werpen
Zie van deze schatkist 2 Kon. 12:9 ; Matt. 27:6 .
Hertaald:
schatkist werpen
Zie over deze schatkist 2 Kon. 12:9; Matth. 27:6.
kleine penningen daarin werpen
Of, kleintjes; zie van de waarde derzelve Marc. 12:42 .
Hertaald:
kleine penningen daarin werpen
Of: kleintjes; zie de waarde daarvan bij Mark. 12:42.
overvloed geworpen
Of, overschot.
Hertaald:
overvloed geworpen
Of: overschot.
tot de gaven Gods;
Dat is, tot andere gaven, die Gode gegeven of toegeëigend en in de schatkist bewaard werden.
Hertaald:
tot de gaven Gods;
Dat is: bij de andere gaven die aan God gegeven of toegewijd waren en in de schatkist bewaard werden.
van haar gebrek,
Dat is, van hetgeen zij zelve gebrek of van node had om te leven.
Hertaald:
van haar gebrek,
Dat is: van wat zij zelf tekortkwam of nodig had om van te leven.
leeftocht,
Grieks leven. Zie Marc. 12:44 .
Hertaald:
leeftocht,
Grieks: leven. Zie Mark. 12:44.
begiftigingen versierd was,
Dit waren eigenlijk zulke giften, die in den tempel Gode geheiligd en tot sieraad opgehangen waren. Zie dergelijke 2 Kon. 11:10 .
Hertaald:
begiftigingen versierd was,
Dit waren eigenlijk zulke gaven die in de tempel aan God gewijd en als versiering opgehangen waren. Zie iets dergelijks in 2 Kon. 11:10.
onder Mijn Naam,
Grieks in mijnen naam; dat is, mijnen naam zichzelven valselijk toeschrijvende.
Hertaald:
onder Mijn Naam,
Grieks: in Mijn naam; dat is: terwijl zij zich ten onrechte Mijn naam toe-eigenen.
Ik ben de Christus ;
Grieks Ik ben; namelijk de Christus, gelijk uitgedrukt staat Matt. 24:5 .
Hertaald:
Ik ben de Christus ;
Grieks: Ik ben; namelijk de Christus, zoals uitgedrukt staat in Matth. 24:5.
beroerten,
Het Griekse woord betekent zulke beroerten of verwarringen, waardoor gans niets in zijn stand of plaats gelaten wordt.
Hertaald:
beroerten,
Het Griekse woord duidt zulke beroeringen of verwarringen aan waardoor helemaal niets op zijn plaats of in zijn stand gelaten wordt.
eerst geschieden;
Namelijk eer de stad en tempel van Jeruzalem zullen verwoest worden.
Hertaald:
eerst geschieden;
Namelijk voordat de stad en de tempel van Jeruzalem verwoest zullen worden.
schrikkelijke dingen,
Zie hiervan den Joodsen historieschrijver Josefus, van de Joodse oorlogen, lib.7. cap.12.
Hertaald:
schrikkelijke dingen,
Zie hierover de Joodse geschiedschrijver Josefus, De Joodse oorlog, boek 7, hoofdstuk 12.
geschieden
Grieks zijn.
Hertaald:
geschieden
Grieks: zijn.
synagogen en gevangenissen;
In welke de gelovigen ook gegeseld werden, gelijk te zien is Hand. 5:40 , en Hand. 22:19 , en Hand. 26:11 .
Hertaald:
synagogen en gevangenissen;
Waarin de gelovigen ook gegeseld werden, zoals te zien is in Hand. 5:40, Hand. 22:19 en Hand. 26:11.
overkomen
Grieks afkomen, afdalen; dat is, gedijen, strekken.
Hertaald:
overkomen
Grieks: afkomen, neerdalen; dat is: uitlopen op, strekken tot.
getuigenis
Namelijk zo van hunne wreedheid en hardnekkigheid, als van uwe standvastigheid in het belijden van mijnen naam en der waarheid mijner voorzeggingen.
Hertaald:
getuigenis
Namelijk zowel van hun wreedheid en hardnekkigheid als van uw standvastigheid in het belijden van Mijn naam en van de waarheid van Mijn voorzeggingen.
Neemt dan in uw harten voor,
Grieks stelt, of zet dan in uwe harten.
Hertaald:
Neemt dan in uw harten voor,
Grieks: stelt of zet dan in uw harten.
mond en wijsheid geven,
Dat is, bekwaamheid en vrijmoedigheid in het spreken door mijnen Geest. Zie Marc. 13:11 .
Hertaald:
mond en wijsheid geven,
Dat is: bekwaamheid en vrijmoedigheid in het spreken, door Mijn Geest. Zie Mark. 13:11.
overgeleverd worden
Of, verraden worden.
Hertaald:
overgeleverd worden
Of: verraden worden.
van allen gehaat worden
Namelijk wereldse mensen. Zie Joh. 15:18 .
Hertaald:
van allen gehaat worden
Namelijk door de wereldse mensen. Zie Joh. 15:18.
haar uit uw hoofd zal verloren gaan
Dat is, niemand zal u in het minste beschadigen kunnen zonder den wil uws hemelsen Vaders. Gelijke manier van spreken zie 1 Sam. 14:45 ; 1 Kon. 1:52 .
Hertaald:
haar uit uw hoofd zal verloren gaan
Dat is: niemand zal u ook maar in het minst kunnen schaden buiten de wil van uw hemelse Vader om. Zie een soortgelijke manier van spreken in 1 Sam. 14:45; 1 Kon. 1:52.
dat zij in dezelve niet komen
Namelijk in de stad Jeruzalem.
Hertaald:
dat zij in dezelve niet komen
Namelijk in de stad Jeruzalem.
wraak,
Namelijk Gods, over de hardnekkigheid des Joodsen volks.
Hertaald:
wraak,
Namelijk van God, over de hardnekkigheid van het Joodse volk.
wee den bevruchten
Dit woord gebruikt Christus niet dreigende, gelijk Hij doet tegen de Farizeën, Luc. 11:42 , enz., maar hen beklagende vanwege de zwarigheden, die alsdan zouden overkomen.
Hertaald:
wee den bevruchten
Dit woord gebruikt Christus niet dreigend, zoals Hij dat doet tegen de Farizeeën in Luk. 11:42, enzovoort, maar terwijl Hij hen beklaagt vanwege de zwarigheden die hun dan zouden overkomen.
het land,
Grieks op de aarde.
Hertaald:
het land,
Grieks: op de aarde.
scherpte des zwaards,
Grieks den mond.
Hertaald:
scherpte des zwaards,
Grieks: de mond.
totdat de tijden der heidenen
Namelijk bestemd tot de roeping der heidenen, Rom. 11:25 , na welker vervulling die dingen geschieden zullen, die hierna volgen, of bestemd tot straf en wraak over de heidenen, wanneer de maat hunner zonden zal vervuld zijn.
Hertaald:
totdat de tijden der heidenen
Namelijk de tijden die bestemd zijn voor de roeping van de heidenen, Rom. 11:25; na de vervulling daarvan zullen de dingen gebeuren die hierna volgen. Of: de tijden die bestemd zijn voor de straf en de wraak over de heidenen, wanneer de maat van hun zonden vol zal zijn.
groot geluid zullen geven;
Grieks weerklank.
Hertaald:
groot geluid zullen geven;
Grieks: weerklank.
het hart zal bezwijken
Of, de mensen den geest zullen geven, of mismoedig zullen worden.
Hertaald:
het hart zal bezwijken
Of: de mensen de geest zullen geven, of mismoedig zullen worden.
het aardrijk zullen overkomen;
Grieks de bewoonde; namelijk aarde.
Hertaald:
het aardrijk zullen overkomen;
Grieks: de bewoonde, namelijk aarde.
bewogen worden
Namelijk op en neder, gelijk de baren van de zee. Zie Matt. 24:29 .
Hertaald:
bewogen worden
Namelijk op en neer, zoals de golven van de zee. Zie Matth. 24:29.
grote kracht
Grieks vele.
Hertaald:
grote kracht
Grieks: veel.
heerlijkheid
Namelijk in zijn hemelse majesteit, en vergezeld van de heilige engelen, Matt. 25:31 .
Hertaald:
heerlijkheid
Namelijk in Zijn hemelse majesteit, vergezeld van de heilige engelen, Matth. 25:31.
ziet omhoog,
Of, richt u op; namelijk van vreugde en verlangen, Matt. 24:33 .
Hertaald:
ziet omhoog,
Of: richt u op; namelijk van vreugde en verlangen, Matth. 24:33.
uw verlossing nabij is
Namelijk uw volkomen verlossing van alle kwaad, Rom. 8:23 .
Hertaald:
uw verlossing nabij is
Namelijk uw volkomen verlossing van alle kwaad, Rom. 8:23.
Koninkrijk Gods nabij is
Namelijk der heerlijkheid. Zie 1 Kor. 15:24 ; 2 Tim. 4:18 .
Hertaald:
Koninkrijk Gods nabij is
Namelijk het Koninkrijk van de heerlijkheid. Zie 1 Kor. 15:24; 2 Tim. 4:18.
geslacht geenszins zal voorbijgaan,
Namelijk van het Joodse volk.
Hertaald:
geslacht geenszins zal voorbijgaan,
Namelijk van het Joodse volk.
voorbijgaan,
Zie hiervan 2 Petr. 3:10 .
Hertaald:
voorbijgaan,
Zie hierover 2 Petr. 3:10.
zorgvuldigheden dezes levens,
Namelijk al te grote of onmatige, die de mensen verhindert op de toekomst van Christus te wachten.
Hertaald:
zorgvuldigheden dezes levens,
Namelijk al te grote of onmatige zorgen, die de mensen verhinderen om op de komst van Christus te wachten.
op den gansen aardbodem gezeten zijn
Grieks op het aangezicht der ganse aarde.
Hertaald:
op den gansen aardbodem gezeten zijn
Grieks: op het aangezicht van de hele aarde.
al deze dingen,
Dat is, al deze straffen en ellenden.
Hertaald:
al deze dingen,
Dat is: al deze straffen en ellende.
staan voor den Zoon des mensen
Dat is, bestaan, en met vrijmoedigheid voor Hem verschijnen.
Hertaald:
staan voor den Zoon des mensen
Dat is: staande blijven en met vrijmoedigheid voor Hem verschijnen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De Engel des HEEREN niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Men bewondert de tempel: wat een stenen, wat een geschenken. Hij zegt dat er geen steen op de andere gelaten zal worden, en daarop volgt de vraag wanneer dat gebeuren zal. Zijn antwoord loopt door tot het einde. Terwijl de mensen bezwijken van vrees, krijgen de Zijnen de opdracht omhoog te kijken. **Wat er beschreven wordt.** Tekenen in zon, maan en sterren; benauwdheid van volken; de zee die groot geluid geeft. En dan: “En den mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen.” Dat is geen bangmakerij maar een beschrijving van wat mensen doen als de bodem wegvalt: zij kijken naar beneden. **Wat er dan te zien is.** “En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.” Daar staat de wolk weer. Zij ging voor het volk uit door de woestijn en zij vervulde de tabernakel. Zij nam Hem weg van hun ogen bij de hemelvaart, en Daniël zag Iemand als eens mensen zoon ermee komen. Wat Daniël van boven af zag en de discipelen van beneden af, staat hier als wat iedereen zien zal. **De opdracht ertussen.** En dan de zin waar dit hoofdstuk om draait, en zij staat haaks op alles eromheen: “Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.” Het hart van de wereld bezwijkt; de Zijnen richten hun hoofd op. Niet omdat het meevalt, maar omdat wat er aankomt hún verlossing is. **Het houvast.** Er staat één zin bij die alles draagt: “De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.” Wat het vastst lijkt gaat voorbij; wat gesproken is niet. **Waarom dit bij deze lijn hoort.** De verschijningen in het Oude Testament waren voor enkelen: Mozes bij de struik, Jozua bij Jericho, Ezechiël bij de rivier. Zij eindigden telkens met een mens op de grond. Deze verschijning is voor allen, en de mensen van wie het hart bezwijkt kijken naar beneden — terwijl de enigen die reden hebben om bang te zijn geweest, omhoog mogen zien. In het Nieuwe Testament: Daniël 7:13; Handelingen 1:9; Exodus 13:21; Openbaring 1:7; Jesaja 40:8; Mattheüs 24:35 Hoever dit reikt: Dit hoofdstuk vermengt het oordeel over Jeruzalem en de laatste dingen; hoe die twee zich verhouden, wordt verschillend uitgelegd, en deze post spreekt zich daarover niet uit. Wat vaststaat is dat de Zoon des mensen komen zal in een wolk, met dezelfde beeldspraak als in Daniël 7.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Waar het woord van een koning is, daar is macht; maar waar het Woord van God is, daar is oneindige macht. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. Lukas 21:33 Deze tekst betreft ook kerkmensen, vooral u, heel schuchtere ziel, die af en… De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. Lukas 21:33 Elk woord van belofte, door Christus gegeven, zal standhouden, en zo zal het… De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. Lukas 21:33 De Heere Jezus heeft Zijn volk zulke grote dingen beloofd, dat ik u… De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. Lukas 21:33 De woorden van Christus zullen blijven, zelfs wanneer hemel en aarde zijn voorbijgegaan,… Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor de Zoon des mensen.… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Lukas 21
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Heft uw hoofden opwaarts — 21:25-28, 33
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Kom niet opnieuw in twijfel
Elk woord zal standhouden
Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan
Zij houdt eeuwig stand
Dagelijks bidden


Lukas 21
Lukas 21:1-4.KruisverwijzingenMarkus 12:41→Johannes 8:20→Mattheüs 27:6→Markus 12:42→2 Korinthe 8:12→Lukas 8:43→1 Koningen 14:26→2 Koningen 24:13→
— En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen. En Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine penningen daarin werpen. En Hij zeide: Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft in geworpen. Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze heeft van haar gebrek, al den leeftocht, dien zij had, daarin geworpen.
“En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen. En Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine penningen daarin werpen. En Hij zeide: Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft in geworpen. Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze heeft van haar gebrek, al den leeftocht, dien zij had, daarin geworpen.”
De Heere waardeert een gave niet naar wat zij is, maar naar wat zij kóst. De rijken wierpen van hun overvloed; niemand van hen zou het missen. De arme weduwe wierp haar hele levensonderhoud; van haar gebrek gaf zij alles wat zij had. Zo weegt de hemel geen munten, maar harten.
Lukas 21:5-9.Kruisverwijzingen2 Thessalonicenzen 2:3→1 Johannes 4:1→Efeze 5:6→Jeremia 29:8→Markus 13:5→Mattheüs 24:6→Markus 13:7→Lukas 21:28→
— En als sommigen zeiden van den tempel, dat hij met schonen stenen en begiftigingen versierd was, zeide Hij: Wat deze dingen aangaat, die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken. En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden? En Hij zeide: Ziet, dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na. En wanneer gij zult horen van oorlogen en beroerten, zo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden; maar nog is terstond het einde niet.
“En als sommigen zeiden van den tempel, dat hij met schonen stenen en begiftigingen versierd was, zeide Hij: Wat deze dingen aangaat, die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken. En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden? En Hij zeide: Ziet, dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na. En wanneer gij zult horen van oorlogen en beroerten, zo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden; maar nog is terstond het einde niet.”
Deze plaats slaat, in de eerste plaats, op het beleg van Jeruzalem, en in haar tweede en nog rijkere betekenis op de komst van de Heere. Het lijkt mij dat onze Heere de verwoesting van Jeruzalem beschouwde als het begin van het einde. Het is het grote voorbeeld en de voorafschaduwing van alles wat gebeuren zal wanneer Hijzelf in de laatste dag op de aarde zal staan. En zoals er vóór de verwoesting van Jeruzalem vele valse christussen waren, zo zullen er des te meer zijn naarmate het einde van de wereld nadert. Dit zal voor ons een van de tekenen zijn van de spoedige verschijning van de Heere. Maar wij zullen ons daardoor niet laten misleiden: ziet toe dat u niet verleid wordt, want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen. Gaat hen dan niet na.
Lukas 21:10-11.KruisverwijzingenMarkus 13:8→Handelingen 2:19→2 Kronieken 15:5→Hebreeën 12:27→Zacharia 14:13→Openbaring 6:2→Zacharia 14:2→Jesaja 19:2→
— Toen zeide Hij tot hen: Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk. En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentien; er zullen ook schrikkelijke dingen, en grote tekenen van den hemel geschieden.
“Toen zeide Hij tot hen: Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk. En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentien; er zullen ook schrikkelijke dingen, en grote tekenen van den hemel geschieden.”
Iemand zegt misschien: dit alles hebben wij al talloze malen gehad, en toch is Christus niet gekomen. Juist zo, want deze tekenen zijn niet gegeven om onze nieuwsgierigheid te voeden, maar om ons voortdurend waakzaam te houden. Telkens wanneer wij deze aardbevingen, oorlogen, hongersnoden en pestilentiën opmerken, moeten wij denken: zie, Hij komt, en des te ernstiger waken.
Zo is het menigmaal met iemand die zeer ziek is: men bericht dat hij niet lang meer leven kan; u bezoekt hem menigmaal, en toch leeft hij nog. Besluit u daaruit dat hij niet zal sterven? Nee, maar u verwacht des te zekerder dat hij spoedig heengaan zal. Zo is het ook met Christus’ wederkomst. Hij gebiedt ons de tekenen van Zijn komst waar te nemen. En toch, wanneer sommige van die tekenen verschijnen, komt Hij niet; dit alles dient om ons voortdurend waakzaam te houden, wachtend op Hem. Zelfs in Zijn eigen dagen, toen Hij zo sprak dat Zijn dienstknechten Hem terstond verwachtten, voegde Hij er woorden aan toe. Daaruit konden zij redelijkerwijs opmaken dat Hij niet onmiddellijk zou komen.
Lukas 21:12-19.KruisverwijzingenJeremia 1:9→Efeze 6:19→Kolossenzen 4:3→Lukas 12:11→Markus 13:11→2 Timotheüs 4:16→Romeinen 5:3→Hebreeën 10:36→
— Maar voor dit alles, zullen zij hun handen aan ulieden slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil. En dit zal u overkomen tot een getuigenis. Neemt dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe gij u verantwoorden zult; Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten. En gij zult overgeleverd worden ook van ouders, en broeders, en magen, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u doden. En gij zult van allen gehaat worden om Mijns Naams wil. Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan. Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.
“Maar voor dit alles, zullen zij hun handen aan ulieden slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil. En dit zal u overkomen tot een getuigenis. Neemt dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe gij u verantwoorden zult; Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten. En gij zult overgeleverd worden ook van ouders, en broeders, en magen, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u doden. En gij zult van allen gehaat worden om Mijns Naams wil. Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan. Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.”
Tegenwoordig is het de gewoonte om altijd te overdenken, te peinzen, zelf een evangelie voor zich uit te denken. Een denker te zijn — dat is voor sommige geesten de allerhoogste kroon; maar zo is het niet naar de mening van onze Meester. Zijn dienstknechten moeten niet hun eigen gedachten spreken, maar Zijn gedachten. Blijven zij bij Zijn Evangelie, dan zal Hij hun een mond en wijsheid geven, die al hun tegenstanders niet zullen kunnen weerspreken of weerstaan. Wij zijn de doorgevers van een boodschap die ons gegeven is, niet de vervaardigers van tijdingen. En worden wij daardoor in moeite gebracht, dan zullen wij ons op Hem verlaten om ons een mond en wijsheid te geven, die al onze tegenstanders niet zullen kunnen weerspreken noch weerstaan. Hoe waar is dat menigmaal geweest! Hoelang duurde de tijd van de vervolging van de heiligen! En de dagen van het martelaarschap zijn nog niet voorbij.
Lukas 21:20-24.KruisverwijzingenRomeinen 11:25→Openbaring 11:2→Lukas 19:43→Jesaja 63:18→Daniël 12:7→Daniël 9:27→Hosea 9:7→Jesaja 63:4→
— Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is. Alsdan die in Judea zijn, dat zij vlieden naar de bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in dezelve niet komen. Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is. Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk. En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.
“Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is. Alsdan die in Judea zijn, dat zij vlieden naar de bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in dezelve niet komen. Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is. Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk. En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.”
Zo is het ook tot op deze dag. Ook hier gebiedt de Heere Zijn volk Zijn komst te verwachten, en zegt Hij hun tegelijk dat Hij niet zal komen zolang Jeruzalem door de heidenen vertreden wordt. Dat de tijden van de heidenen vervuld worden, betekent de tijd waarin de Messias die heidenen tot Zich zal vergaderen. Want wanneer Hij verschijnt, zullen zij zien op Hem Die zij veracht hebben, en zich keren tot Hem Die zij zo lang verworpen hebben.
Lukas 21:25-28.KruisverwijzingenJesaja 13:10→Mattheüs 26:64→Openbaring 1:7→Daniël 7:13→Jesaja 51:15→Daniël 12:1→Jesaja 24:23→Openbaring 6:12→
— En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid der volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven; En den mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden. En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid. Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.
“En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid der volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven; En den mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden. En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid. Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.”
Zulke tekenen waren er bij de verwoesting van Jeruzalem, en zulke tekenen zullen er ook zijn bij de tweede komst van Christus. Wij hebben een generale repetitie van die komst gehad in de verwoesting van de begunstigde stad; maar wie zal de grote gebeurtenis zelf naar waarheid beschrijven? Of zij het willen zien of niet, zij zullen Hem zien — de Zoon des mensen, komend in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.
Lukas 21:29-33.KruisverwijzingenMattheüs 5:18→Jesaja 40:8→1 Petrus 1:25→Markus 13:31→Mattheüs 24:35→Psalmen 102:26→Jesaja 51:6→Mattheüs 24:34→
— En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Ziet den vijgeboom, en al de bomen. Wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zo weet gij uit uzelven, dat de zomer nu nabij is. Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het Koninkrijk Gods nabij is. Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
“En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Ziet den vijgeboom, en al de bomen. Wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zo weet gij uit uzelven, dat de zomer nu nabij is. Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het Koninkrijk Gods nabij is. Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.”
Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, ziet dan omhoog en heft uw hoofden op, want uw verlossing is nabij. De verwoesting van Jeruzalem was, om zo te zeggen, het oprollen van het gordijn voor het grote drama van het wereldoordeel. Het zal niet weer vallen totdat alles wat wij nu zien voorbijgegaan zal zijn. Enkel de dingen zullen overblijven die niet geschud kunnen worden — de dingen van God en van de eeuwigheid, die wij niet zien kunnen. Wij moeten het beleg van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel beschouwen als een soort generale repetitie van wat nog komen moet. Dan zal alle uiterlijke godsdienst — als het niets meer is dan uiterlijk — in het vuur vergaan, en alleen het geestelijke en het ware zal leven.
Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Zijn woorden zullen nooit voorbijgaan. Onze Heere Jezus Christus sprak niets dan zuivere, onvervalste waarheid — de waarheid van God — en daarom zal zij tot in eeuwigheid vaststaan. Geen macht kan het woord van Christus doeltreffend weerstaan. Wat Hij zegt, moet geschieden. Voordat Hij zei: er zij licht, was er geen vonk te vinden te midden van heel de duisternis van de aarde die de dag had kunnen helpen aanbreken. Er lag niets dat het licht had kunnen scheppen, en toch week de duisternis voor dat bevel van God. Zo is het ook heden. Kan niets op aarde helpen aan de vervulling van Christus’ Woord, dan heeft Hij tot deze arme, donkere wereld gezegd: er zij licht. En dat licht dat Hij ontstoken heeft, wordt gestadig helderder, en zal toenemen tot de volle dag. Christus’ Woord moet vaststaan.
Lukas 21:34.KruisverwijzingenMarkus 4:19→Lukas 12:45→1 Petrus 4:3→Mattheüs 13:22→Leviticus 10:9→Openbaring 3:3→Lukas 12:40→1 Korinthe 5:11→
— En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome.
“En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome.”
Let erop dat de zorgvuldigheden van dit leven op één lijn gesteld worden met brasserij en dronkenschap. Een mens kan immers evengoed bedwelmd en verzadigd raken door zorg — hetzij de zorg om te verkrijgen, hetzij de zorg om te behouden, hetzij de zorg om uit te geven, hetzij de zorg om te verliezen. Elk van deze zorgen kan een verzadiging en een dronkenschap teweegbrengen. Daarom: wacht uzelf, dat uw hart niet bezwaard wordt met brasserij en dronkenschap en de zorgen van dit leven.
Alles wat u in deze wereld kunt zien, moet u beschouwen als gedoemd tot vergaan; die ondergang begon, om zo te zeggen, toen Jeruzalem viel onder het Romeinse zwaard. Al het aardse is gedoemd. U leeft niet in uw eeuwige woningen, maar u leidt een tijdelijk leven. U trekt door een woestijn, u bent een pelgrim, u bent een vreemdeling; dit is niet uw rust. Krijg dit niet lief; laat het u niet innemen. Wortel er niet in; u bent niet geroepen hier te blijven wonen en altijd hier te leven. U wandelt tussen schaduwen; beschouw ze als zodanig. Omhels ze niet aan uw hart; voed uw ziel er niet mee. Anders wordt u, wanneer die dag komt waarvoor al deze dingen zullen wegsmelten, met verbazing en schaamte vervuld.
Lukas 21:35-38.Kruisverwijzingen1 Petrus 5:8→1 Johannes 2:28→1 Korinthe 16:13→Lukas 18:1→Mattheüs 25:13→Markus 13:37→Handelingen 10:2→1 Petrus 4:7→
— Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op den gansen aardbodem gezeten zijn. Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen. Des daags nu was Hij lerende in de tempel; maar des nachts ging Hij uit, en vernachtte op den berg, genaamd den Olijf berg. En al het volk kwam des morgens vroeg tot Hem in den tempel, om Hem te horen.
“Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op den gansen aardbodem gezeten zijn. Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen. Des daags nu was Hij lerende in de tempel; maar des nachts ging Hij uit, en vernachtte op den berg, genaamd den Olijf berg. En al het volk kwam des morgens vroeg tot Hem in den tempel, om Hem te horen.”
U weet wat Hij daar deed, want: de koude bergen en de nachtlucht waren getuigen van de vurigheid van Zijn gebed. Jezus bracht altijd in de praktijk wat Hij predikte. Hij zei tot Zijn discipelen: waakt dan te allen tijde en bidt altijd; zo waakte en bad Hijzelf ook.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Vs. 1-4. Markus en Lukas hebben de rede van de Heere tot de Farizeeën en Schriftgeleerden in een zo verkorten vorm meegedeeld, dat de verwachting omtrent Israël’s laatste toekomt geen plaats kon vinden. Daarom voegen zij nu nog, voordat zij de Heere werkelijk van de tempel laten scheiden, deze liefelijke geschiedenis van het penninkje van de weduwe bij, die tegenover de vroeger berispte schijnheilige hebzucht, die de huizen van de weduwen opeet, een oprecht vrome ziel stelt, die in de drang van haar geloof al haar leeftocht aan God ten offer brengt. Bovendien laat zij ook van de heilloze door God verlaten plaats een troost meenemen, dat onder de goddeloze verzorgers van de dode offerdienst toch nog zo’n in de stilte verborgen ziel is. Moge dan de tempel uit kostelijke stenen nu de lang verdiende verwoesting dreigen, er is een levende tempel; deze zal uit de verwoesting worden gered en daaruit zal een nieuwe tempel worden gebouwd (vgl. Mark. 12: 41-44).
1. En a)toen Hij opzag, toen Hij, na die rede tot de Schriftgeleerden en Farizeeën, Zich in de voorhof der vrouwen had neergezet, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen.
2 Kon. 12: 9.
2. En Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine penningen daarin werpen.
Van de gave van deze arme weduwe leren wij dat wat wij weggeven tot ondersteuning van de armen en onderhoud van Gods eredienst, aan God geheiligd is. Onze Zaligmaker ziet met blijdschap wat wij met onze harten geven, tot hulp van Zijn leden of tot Zijn dienst. Hij ziet elke hand aan, die tot hulp is uitgestrekt. Ponden waren weinig voor rijken, twee penningen waren al het hare. Christus oordeelde bij het geven naar het gemoed van de gevers, meer dan naar de waarde van de gift. De armste is bekwaam om werken van liefde te doen en kan naar vermogen weldadigheid uitoefenen. Gezegende Heere, de armste van Uw dienaren heeft twee penningen, zij hebben een ziel en een lichaam, overreed ons en maak ons bekwaam om beiden U te offeren. Hoewel zij al de Uwe zijn, neem ze genadig aan en hoe gelukkig zullen wij zijn als Gij ze beiden ontvangt.
3. En Hij zei: Waarlijk Ik zeg u, dat deze a) arme weduwe wat de inwendige waarde van haar gave aangaat meer dan allen heeft ingeworpen.
2 Kor. 8: 12.
4. Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven van God; maar deze heeft van haar gebrek, terwijl zij zeker niet voldoende heeft om te leven, al de leeftocht, die zij had, daarin geworpen.
Het is als kon de Heere na zodanige woorden van toorn als Hij vooraf had gesproken, van de tempel niet scheiden, als moest ten minste Zijn laatste woord een woord van zegen en vrede zijn, zodat wij nauwelijks weten in welk karakter wij in dit uur van scheiden de Koning van het Godsrijk het meest moeten bewonderen: of meer als Vergelder van het verborgen kwaad, of als beloner van het verborgen goede. Het is de vraag niet of deze gave niet een vergeefse zal zijn, of het goed is met zulke offeranden de tempelkas en haar misbruik te steunen, of door weduwen nog een godsdienst moest worden onderhouden die enkele jaren later voor het zwaard van de vijanden zou bezwijken. Hij ziet alleen op grond, karakter en doel van haar daad, de arme, die alles in goed geloof had geofferd, maar haar geloof heeft behouden, verkrijgt nu met haar beide koperen stukjes een rente van onvergankelijke eer. Door dit voorbeeld van de vrouw zijn de stuivers en centsverenigingen van de zending gesanctioneerd.
Wij kunnen ons deze vrouw niet anders denken, dan: zij kwam daarheen in de weduwensluier, met het oog nat van tranen naar de aarde, op de ootmoedigste manier gebogen voor de Heere, die haar door de dood van haar gade zo zwaar bezocht had. Zij kwam daar, als zond- en brandoffer voor de zonden werden gebracht, en psalmen waren gezongen, waar gezegd werd (Ps. 119: 107): “Ik ben gans zeer verdrukt, Heere! Maak mij levend naar Uw woord. ” Haar ziel moet naar God, naar de levende God en Zijn genade verlangd hebben. Met de twee penningen, die zij nog slechts over had, werpt zij haar hele vermogen in de tempelkas. Nu zal zij gedankt hebben, hoewel de Heere haar verootmoedigd heeft en van een Naomi tot een Mara heeft gemaakt (Ruth. 1: 20 v. ), dat Hij toch waard is, de zij Hem alles ten offer brengt. Want gesteld ook dat haar hart aan de twee penningen heeft gehangen, dan trokken die, nu zij in de tempelkas vielen, het hart mee en inderdaad gaf zij met de twee penningen God haar hart, een hart vol liefde en dankbaarheid. Maar tevens ook een hart vol kinderlijk vertrouwen op God; want “zij heeft al haar leeftocht daarin geworpen” getuigt de Heere van haar. Al haren leeftocht. Waarvan zou zij nu morgen leven? En als zij nu inkwam en haar kinderen schreeuwden om brood, waarmee zou zij haar honger stillen? Of heeft zij gedacht: met de twee penningen kan ik toch niets van belang beginnen; daarom is het hetzelfde of ik ze behoud of weggeef? Zo denken, helaas, velen onder de armen, zodat zij Gods gave verachtend, de laatste penning en zelfs nog voor nietige doeleinden verkwisten; maar dat zijn ook de allerwanhopigsten onder de armen en tot deze behoort de arme weduwe niet. Als u uw laatste penning tot onderhoud van geen betekenis meer is, dan wil de Heere die ook niet, maar de Heere heeft de arme weduwe geprezen, haar gave met welgevallen aangenomen en daaraan een waarde toegekend, die de gaven van de rijkste gevers in Zijn ogen niet hadden. Dat moet ons genoeg zijn om daaruit het besluit te trekken dat de twee penningen in het bezit van deze vrouw ook een groot kapitaal van gelovig vertrouwen op God geweest zijn. Dit offer was het, dat de Heere zo welbehaaglijk was en gelooft u niet dat de Heere haar ook werkelijk voor het in Zijn ogen zo grote en veel betekenende offer van haar ootmoedig, dankbaar liefhebbend hart alle haar zorgen zal hebben ontnomen? Wie kan er aan twijfelen! Die zijn God met zo’n vertrouwen tegen gaat, die mag ook alle zijn zorgen op Hem werpen. O, dat toch ook wij allen onze gaven zo de Heere offerden als deze arme weduwe!
Als er maar velen geweest waren als deze weduwe, die bereid was alles, wat zij voor het hare kon aanzien, tot onderhoud van de godsdienst bij te dragen, dan zou zich wel een reine ijver hebben kunnen ontwikkelen, die, verre er van om te ontaarden tot die zonde, die de tempel
verwoestte, integendeel er meer zou toe hebben bijgedragen om de ondergang tegen te houden.
De geschiedenis staat daar als een teken dat God Zijn oog heeft op het offer in de tempel en dat Hij uit al het stro van godsdienstigen schijn, de edele vrucht van oprechtheid en trouw weet te vinden.
De welgevallige, erkennende blik van Jezus, die op de gave van de weduwe rust: 1) een blik vol weldoende, vertroostende liefde, 2) een blik vol vragenden ernst aan ons allen.
De oefening van de milddadige barmhartigheid 1) is een dure plicht en 2) brengt grote zegen aan.
Er is iets onbeschrijfelijk roerends in, dat de Heere juist op zo’n ogenblik een schamele met Zijn aandacht verwaardigde en gestemd was om zo’n vergelijking tot hare eer te maken. Hadden wij nog een bewijs nodig, in wat voor hemelreine stemming Hij na zoveel woorden van boosheid (MATTHEUS. 23) de vervloekten tempel verliet, wij zouden het uit dit verhaal kunnen afleiden. Het is als kan Hij nog de voorhof niet verlaten zonder dat althans het laatste woord een woord van zegen geweest is, nadat Hij heeft moeten vloeken wie Hem niet wilden erkennen. En zouden wij de liefde van de Vader voorbij zien, die Hem, na zo’n hartverscheurend uur nog een zaliger ogenblik in de tempel beleven deed en als het ware een roos voor Zijn voet deed ontluiken op dit veld vol distels en doornen. In geen geval achten wij de weduwe met hare penningen te gering om een ogenblik onze aandacht te trekken. Wij weten nauwelijks of wij de Koning van het Godsrijk dieper bewonderen zullen, waar Hij Zich op dit uur van afscheid als de Vergelder van het verborgen kwaad, dan waar Hij zich als Beloner van het verborgen goede toont. En wanneer wij Hem zo hoge prijs horen stellen op de deugd van de vrome barmhartigheid is het als vernemen wij reeds het voorspel van de tonen van het jongste gericht waarvan Hij binnen weinige uren Zijn jongeren het tafereel zal onthullen. Met hen in de geest uit de prachtige tempelpoort tredend, maken wij ons gereed, om te horen hoe de Heer hun de verborgenheden van Zijn toekomst beschrijft.
Alleropmerkelijkst is het terwijl de discipelen over de tempel spraken, over de reusachtige stenen, waaruit hij gebouwd en de kostbare edelgesteenten, waarmee hij versierd was, Jezus uitsluitend de aandacht had op iets, dat Hij het schoonst, het heerlijkst van alles achtte, niet enige grote steen, niet het gouden dak of de gouden poorten, die Herodes ten geschenke had gegeven, maar iets dat Farizeeër en Schriftgeleerde niet opmerkten, een levende steen, een arme weduwe, die in de schatkist haar hele leeftocht geofferd had. Als Christus uit de hoge op onze kerken neerziet, bemerkt Hij niet de hoogte van haar torens, de schoonheid van haar stenen, de fijnheid van haar snijwerk, dit alles is vergankelijk, maar slechts de plaats keurt Hij de naam van kerk waardig, waar twee of drie oprechte Christenen met hun oprechte penningen in Zijn naam vergaderd zijn. Duizenden, die wel in naam maar niet metterdaad in Zijn naam vergaderd zijn, beschouwt Hij in het geheel niet als een kerk of als een gemeente.
III. Vs. 5-36. Hier zien wij Jezus van de tempel weggaan en na het verlaten ook van de stad Zich boven op de Olijfberg met de discipelen neerzetten om Zijn grote eschatologische rede
te houden. Deze hele gebeurtenis komt overeen met het gezicht van de profeet Ezechiël (11: 23) van het heengaan van de heerlijkheid van de Heere uit de stad en haar plaats nemen op de Olijfberg 11: 23). Nog meer bepaald valt zo’n overeenkomst in het oog in de volgende vierde afdeling, waarmee deze groep van verhalen, die op de tempel zien, besloten wordt.
Vs. 5-24. In dit eerste deel van de rede deelt de evangelist de woorden van Christus mee op zo’n manier, dat de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel dadelijk op de voorgrond treedt en voert daarna een voorspelling aan, die alleen hier voorkomt en het zegel er op drukt, dat juist over deze gebeurtenis gehandeld is en niet tegelijk van de laatste verschijning van de Heere (vgl. MATTHEUS. 24: 1-28 Mark. 13: 1-23).
5. En toen bij het heengaan uit de tempel sommigen van degenen, die Hem vergezelden, zeiden van de tempel dat hij met schone tenen en begiftigingen versierd was, zodat het hen nauwelijks mogelijk scheen dat zo’n gebouw door God zouworden prijs gegeven, zoals Hij al had te kennen gegeven (Hoofdstuk 13: 35; 19: 43 v. MATTHEUS. 23: 38), zei Hij:
6. Wat deze dingen aangaat, die u aanschouwt, a) er zullen dagen komen waarin niet een steen op de andere steen gelaten zal worden, die niet zal worden afgebroken. Mijn woord blijft in zijn kracht en betekenis, hoezeer ook het uiterlijke daartegen spreekt (Jer. 26: 18. Micha 3: 12).
1 Kon. 9: 7.
7. En zij vroegen Hem, toen Hij Zich nu met hen op de Olijfberg bevond (MATTHEUS. 24: 3. Mark. 13: 3 v. ): Meester! Wanneer zullen dan deze dingen zijn, die Gij voorspelt hebt? En wat is het voorafgaand teken, wanneer deze dingen zullen gebeuren en dan ook Uwtoekomst en het einde van de wereld volgt?
Josefus (de b. Jud. VI 5, 2) bericht: “Toen de tempel geheel in vuur opging, hielden de Romeinen het sparen van de overige gebouwen voor nutteloos en staken alles aan, de overblijfsels van de portalen en poorten, twee uitgezonderd, die zij daarna omverhaalden, de oostelijke en de zuidelijke; vervolgens verbrandden zij ook de schatkamers, waarin onmetelijke schatten, kleinodiën, kortom de hele rijkdom van Judea lag opgestapeld, omdat de rijken van alle kanten hun kostbaarste bezittingen daarheen hadden geborgen. ” Op onze plaats zijn onder de kleinodiën of bezittingen vooral bedoeld de vele geschenken van de tempel, waaronder ook die van vorstelijke personen zich bevonden, als de reuzenwijnstok aan het voorportaal van het eigenlijke tempelgebouw, die door Herodes was geschonken. De discipelen komt het ongelooflijk voor dat een zo kostbaar en onwankelbaar vast gebouwd Godshuis door God aan de verwoesting zal worden overgegeven, vooral omdat de vrome gewilligheid om te geven zo veel besteed had om het te verfraaien. Nu had Jezus in de voorafgaande geschiedenis van de twee penningen van de weduwe toch zelf een zo grote waarde gehecht aan dergelijke tempelgaven, want had Hij aan deze uitwendige allerminste gave de hoogste innerlijke waarde toegekend, zo had Hij toch aan de gaven van de rijken niet alle waarde ontzegd, maar die steeds in de hun toekomende betekenis laten gelden. Volgens ons begrip van het profetische woord wagen wij de stelling uit te spreken dat aan het einde
van deze eeuw het Jeruzalem van de tegenwoordige Christenheid in vuur zal opgaan en de tempel van de uit de heidenen gebouwde kerk zal worden verwoest. Deze bewering zal aan menigeen voorkomen als een vermetelheid, zelfs wel als waanwijsheid; zij menen integendeel, wanneer juist nu deze tempel door nieuwe organisatie een heerlijke verandering verkrijgt, wanneer het westelijke Jeruzalem toch zoveel doet om Godshuizen en scholen op te richten en de inrichtingen van weldadigheid te vermeerderen, wanneer er een grote menigte van vrome zielen is, die aan de discipelen van Christus, aan de Hem aanhangende harten en op de weduwe bij de schatkist lijken en als in het bijzonder ook de Thyatira-gemeente het in Openbaring 2: 19 haar toegeschreven karakter opnieuw betoonde, dan zouden dat zekere onderpanden zijn dat de kerk een tijd van nieuwe bloei tegemoet ging. Wij kunnen ons echter op grond van de voor ons liggende verzen door al die tegenspraak niet van onze mening laten afbrengen, maar moeten alleen onze opvatting van het profetische woord aan een steeds vernieuwd onderzoek onderwerpen, of het overeenkomstig de Schrift is en met de Geest van de Heere overeenkomt. Is zij dat, dan zijn wij van onze zaak zeker, zodat wij tegen al die tegenspraak de volgende stellingen plaatsen: 1) De dag van de Heere zal komen als een dief in de nacht. Dat betreft ook de voorafgaande openbaringen van Zijn heerlijkheid en de betoningen van Zijn rechterlijke macht. De mensen zullen versmachten van vrees en verwachting van de dingen, die komen zullen op aarde, maar juist dat, wat later werkelijk komt, zullen zij het allerminst hebben verwacht, omdat ook degenen die de Schrift geloven in de regel er niet toe kunnen komen de Schrift in vele punten juist te verklaren (Hoofdstuk 18: 34). 2) Die de Heere met een oprecht hart in geloof aanhing, die zou het gericht over Jeruzalem geen schade doen, integendeel zouden het voor alle waarlijk vrome zielen een verlossing worden van de verdrukkingen van de ongelovigen, van het bedrog en de heerschappij van de valse geesten en de uitleiding uit het diensthuis naar het beloofde land. Wat van het gebouw op de goddelijke grondslag werkelijk echt goud, zilver en edelgesteenten was, dat zou toch niet mee verbranden in het vuur van de stenen tempel, maar alleen hout, hooi en stoppelen (1 Kor. 3: 12 v. ). Wij hebben ook, evenals bij het gericht over het Joodse volk achter het uitroeien van de moerbeziënboom uit de grond, waarin hij tot hiertoe stond, een verplaatsing in de zee stond (Hoofdstuk 17: 6. Rom. 11: 11 v. ), bij het gericht over de beiden, wier genadetijd nu ten einde spoedt (vs. 24), de vervulling van de tweede helft van het vijftiende vers in Rom. 1) en een verwezenlijking van het gezicht in Ezechiël. 47 te wachten, zodat het ons waarlijk geen schade zal doen als de Heere Zich nu op Zion een gemeente sticht, die geen vlek of rimpel of iets dergelijks heeft (Openbaring 14: 1 vv. ). 3) Wanneer het dier, dat in Openbaring 11: 7 vv. allengs uit de afgrond opstijgt, met de twee getuigen strijdt, ze overwint en doodt, dan moet dat juist in een tijd gebeuren dat de twee getuigen zich in volle levenskracht vertonen, zodat men later, wanneer zij als lijken op de straten van de grote stad liggen en men ze beschouwt en zich over hen verheugt, niet zou kunnen zeggen dat zij gestorven zijn door verzwakking van de ouderdom, maar het duidelijk voor de hand ligt dat zij gedood zijn. Die verstand heeft denke na en die gelooft heden geroepen te zijn om te bouwen, vergete 1 Kor. 3: 11-15 niet.
8. a) En Hij zei: Zie toe dat u niet verleid wordt: want velen zullen er komen onder Mijn naam en zeggen: Ik ben de Christus en de tijd is nabij gekomen a) dat het Messiaanse rijk zich in heerlijkheid vertoont. Ga dan hen niet na, geef hun geen geloof, dat u hen volgen zou.
Jer. 29: 8. Efeze. 5: 6. Kol. 2: 18. 2 Thes. 2: 2. 1 Joh. 4: 1. Jer. 14: 14; 23: 21.
9. En wanneer u zult horen van oorlogen en beroerten, wordt dan niet verschrikt, dat u zich tot haastige ondernemingen zou laten verleiden: want deze dingen moeten eerst gebeuren, maar nog is meteen het einde niet.
10. Toen zei Hij tot hen, om in een nieuw toevoegsel van Zijn rede van het zo-even gezegde nader te verklaren: a) Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk.
Jer. 19: 2.
11. En er zullen, omdat bij de grote staatkundige stormen tevens zekere natuurverschijnselen zullen komen, grote aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen en hongersnodenen pestilentiën: er zullen ook schrikkelijke dingen en grote tekenen van de hemel geschieden, waarvan in vs. 25 v. nog eens zal worden gesproken (MATTHEUS. 24: 4-7. Mark. 13: 5-8).
Onze evangelist verkort in vs. 7 de vraag van de discipelen zoals wij die volledig in MATTHEUS. 24: 3 lezen, op de wijze van Markus (13: 4), zodat de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel voornamelijk in het oog valt. Daardoor heeft hij zich de weg gebaand om die zaak nu ook in de rede van Christus zelf hoofdzakelijk op de voorgrond te laten treden. Van vs. 12-24 wordt daarover dan ook bijna uitsluitend gehandeld; daarentegen is de inleiding daartoe in de verzen 8-11 geheel in het licht van het einde der tijden gehouden, waarop de Heere zelf voor alles de ogen van de discipelen had gericht. “Wij vinden bij Lukas een vrijere, meer fragmentarische redactie van de hele rede. Menig woord van bijzonder gewicht wordt vollediger door Mattheüs en Markus bewaard, daarentegen treffen wij bij Lukas enkele bijzonderheden aan, die op zichzelf de hoogste opmerkzaamheid verdienen en het overzicht over het grote geheel in menig opzicht gemakkelijker maken. ” Wat de inhoud van vs. 8-11 vooral aangaat, kunnen wij ook daar niet ontkennen dat veel ziet op de tijd die Jeruzalems verwoesting onmiddellijk voorafging. Ondertussen zien zij toch nog meer op de laatste tijd; men mag ze echter niet beperken tot de zichtbare wederkomst van Christus tot het laatste oordeel en op de herstelling van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, zoals gewoonlijk gebeurt, terwijl men aanneemt als onmiddellijk deze gebeurtenissen voorafgaande, het optreden van de antichrist en als onmiddellijk daarmee samenkomende de bekering van de Joden. De Openbaring van Johannes geeft ons integendeel een gehele andere beschouwing van de volgorde van de zogenaamde laatste dingen. Zij beginnen met die wederkomst van Christus, waarop Hij in Hoofdstuk 13: 35 gewezen heeft, dus met de bekering van Israël, die dan volgt, als de tijden van de heidenen (vs. 24) zijn voorbijgegaan en over deze een gericht komt; zij gaan daar voort tot het optreden van de persoonlijke antichrist die te voorschijn komt in de kerk, die in haar eigen wegen is overgegeven en verstokt is, zij lopen na de vernietiging van dezen uit in de oprichting van het duizendjarige rijk, na welks einde de wereldmacht en goddeloosheid nog eens poging doet om het rijk van God te vernietigen, maar deze poging wordt plotseling en in een ogenblik teniet gedaan door de Christus, die nu pas zichtbaar te voorschijn treedt, terwijl Hij tot hiertoe slechts onzichtbaar en geestelijk kan worden aanschouwd in buitengewone werken van Zijn macht en genade en
nu de oude wereld laat vergaan, om een nieuwe in haar plaats te stellen (Openbaring 11: 11-21: 8). Gaan wij tot die bovengenoemde wederkomst terug, welks komst van de tijd af, dat de uitkomst van Openbaring 6: 1-9: 21 vervuld is, geenszins meer zal plaats hebben op een onbepaald gelaten tijd, maar haar vast punt in het verloop van de eeuwen van de Christelijke tijdrekening heeft (Openbaring 10: 6 v. ), zo zijn het hoofdzakelijk haar voortekenen, die ons in vs. 8-11 worden aangegeven. En omdat wij juist zo nabij deze verschijning van de Mensenzoon tot wederaanneming van Zijn eigen volk (Hos. 2: 19. v. ) zijn, zo zou het goed zijn wanneer vele andere ernstig gezinde Christenen het “wordt niet verschrikt” in vs. 9 beter in het oog hielden en zich niet lieten verleiden om hetzij geestelijk te vluchten naar een kerkelijke gemeenschap, die zij voor vaster houden, of lichamelijk naar een ander land, dat men veiliger acht tegen het woeden van de antichrist, die men verwacht.
13. En dit zal u overkomen tot een getuigenis, zodat u namelijk gelegenheid krijgt uw getuigenis van Mij ook af te leggen op die plaatsen: , waar u zonder die aanleiding niet gekomen zou zijn (Hand. 9: 15; 23: 11; 27: 24. Filippenzen 1: 12 vv. ).
14. Neem dan in uw harten voor van tevoren niet te overdenken hoe u zich verantwoorden zult, bereid u daarop niet met eigen wijsheid voor.
15. a)Want Ik zelf, uw Heer en Meester, zal u door de ingeving van Mijn Geest mond en wijsheid geven, die niet zullen kunnen tegenspreken noch weerstaan allen, die zich tegen u zetten (Hand. 6: 10; 7: 51. 13: 8-10).
Ex. 4: 12. Jes. 54: 17. MATTHEUS. 10: 19.
16. a) En u zult, om op het gezegde in vs. 12 terug te komen, aan koningen en stadhouders overgeleverd worden, ook van ouders en broeders en familie en vrienden, van diegenen, die u het allernaaste zijn, van uw eigene volksgenoten; en zij zullen er zelfs sommigen uitu doden (Hoofdstuk 11: 49. Hand. 7: 56; 12: 1 v. MATTHEUS. 23: 35).
Micha 7: 6.
17. En u zult door allen gehaat worden omwille van Mijn naam (Joh. 15: 21).
18. Maar u hoeft daarom niet bezorgd te zijn, als of u uw aandeel aan Mijn rijk zou verliezen. a)Niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan. Niet het minste van hetgeen Ik u heb toegekend zal u ontgaan, maar het zal u alles in rijke mate ten deel vallen en eindelijk volkomen in de opstanding van de rechtvaardigen (Openbaring 6: 11; 20: 4 vv. ).
1 Sam. 14: 45. 2 Sam. 14: 11. 1 Kon. 1: 52. MATTHEUS. 10: 30.
19. Bezit dan uw zielen in uw lijdzaamheid (Hebr. 10: 36) en wacht met getrouwheid tot aan het einde.
Lukas geeft hier een uitbreiding van Christus’ woord in Matth. 24: 9 , zoals dat reeds gedeeltelijk in Mark. 9: 9-13 wordt gevonden. Het zijn echter niet hun eigen woorden, die de evangelisten er aan toe doen, maar slechts een herhaling van hetgeen de Heere zelf de apostelen in hun instructie MATTHEUS. 10: 17-22 had gezegd omdat dit juist, voor zover het de apostelen persoonlijk aanging, op die tijd zou worden vervuld, waarvan de afdeling, die voor ons ligt, spreekt. Bij Lukas kan men hier duidelijk merken dat hij zijn evangelie na het jaar 63 na Christus heeft geschreven, toen het vermoorden van Jakobus II en de ter dood brenging van Paulus te Rome reeds feiten waren geworden, van welke laatste de ongelovige Joden toch eveneens de schuld waren. Ook Markus schrijft in een tijd, toen bovenstaande rede van Christus vervuld was, of wat Petrus en Johannes betreft, op het punt was vervuld te worden. Wij hoeven ons daarom niet te verwonderen dat zij vroeger bij de uitzending van de twaalf (Hoofdstuk 9: 1-5 en Mark. 6: 7-11) de Heere alleen dat tot hen hebben laten zeggen, wat vooral voor hen van belang was en het andere hierheen hebben verplaatst.
20. Maar wanneer u zien zult, dat Jeruzalem door heirlegers omsingeld wordt (“Uit 24: 20”), weet dan dat zoals reeds in Hoofdst. 19: 43 v. is te kennen gegeven, haar verwoesting, waarvan in Dan. 9: 26 v. is geprofeteerd, nabij gekomen is.
21. Dan is het geen tijd meer om te wachten en zich te vleien met de dwaze hoop, als zou die nood weer voorbijgaan. Die in Judea zijn dat zij vluchten naar de bergen; en die in het midden daarvan, namelijk in de stad zijn, dat zijdaaruit trekken en die op de velden in Jeruzalems omtrek zijn, dat zij in haar niet komen, om daar veiligheid te zoeken zoals de ongelovige Joden zullen doen.
23. Maar wee de bevruchte en de zogende vrouwen in die dagen! Want er zal grote nood zijn in het land en toorn over dit volk (MATTHEUS. 24: 15-20. Mark. 13: 14-18).
24. En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal door de heidenen vertreden worden totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn (vgl. de verklaring in Ezechiël. 30: 3).
a)Rom. 11: 25.
Bij het weergeven van dit gedeelte van Jezus’ rede blijft Lukas uitsluitend staan bij het voorwerp, dat in de eerste plaats is voorspeld. Daarvan ontbreekt bij hem de inhoud van MATTHEUS. 24: 21-27 en Mark. 13: 19-23 De trekken door hem in vs. 20 en 24 bewaard zijn duidelijker en bepaalder, omdat zij beperkt zijn tot de catastrofe over Jeruzalem, dan dit in Matth. 24: 15 en 28 Mark. 13: 14 het geval is, waar ook op de laatste tijd wordt gezien. Wat inzonderheid de inhoud van vs. 24 aangaat (over vs. 20 werd reeds bij MATTHEUS. 24: 20 het nodige opgemerkt), zo stelt de eerste helft het lot van het volk voor, de tweede de toestand van Jezus zelf tot aan de tijd van zijn wederoprichting.
Het vertreden worden door de heidenen vinden wij weer in Openbaring 11: 2, welke woorden ogenschijnlijk op onze plaats zien, waardoor geen geringe betekenis verkrijgt dat deze uitspraak van de Heere door Lukas alleen meegedeeld tot Zijn eschatologische rede
behoort. Hoogst opmerkelijk zijn de slotwoorden “Totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn. ” De roeping van Israël is volgens Rom. 11 geen gehele, daarom moet de vervulling van de tijden van de heidenen gedacht worden als verbonden met de wederaanneming van de Joden, maar aan de andere kant ook beschouwd worden in betrekking op deze, als een over haar op nieuw komend gericht van straf en zifting.
De hand van de Heere rust wonderbaar op deze stad en haar gehele typische geschiedenis door alle tijden heen. Zion en Jeruzalem moet, omdat zijn bezitters tot Amorieten zijn geworden in een volle mate van zonden en het heiligdom zelf ontheiligd en vertreden hebben, ook in voortdurende gruwel van de verwoesting eerst weer een Jebus (d. i. vertreden, vertreding) (Richt. 19: 10 v. 1 Kron. 12: 4 v. ) worden, voordat het oude Salem van Melchizedek (Gen. 14: 18) terugkeert; want de overtreding duurt wel een lange tijd, maar niet altijd. Julianus probeert wel tevergeefs het te bouwen 1) en de kruistochten willen het wel weer heiligen, maar tevergeefs. De Heere heeft een perk gesteld: “Tot de tijden van de heidenen vervuld zijn. ” Deze tijden van de heidenen kunnen alleen de tijden van de roeping zijn, die ook hen evenals Israël door Gods genade en lankmoedigheid zijn gesteld. Deze zijn vol geworden, of voorbijgegaan (d. i. tevens: de tijd van het einde, de dag van het gericht is gekomen), als de heidenen tot eenzelfde gericht als Israël rijp zijn. Deze heidenen zijn alle niet-theocratische volken door de gehele geschiedenis heen, met name de Christenheid uit hen ontstaan. In deze hele lange periode heeft de vergadering plaats van de gelovigen uit alle volken, het ingaan van de volheid (Rom. 11: 25) d. i. deels tot aanvulling van Israëls plaats, deels het door God verkoren gehele getal, maar dan houdt Jeruzalems vertreding op en het wordt gebouwd, dan wordt Israël uit alle volken weer gebracht – alles, zoals de profeten daarvan voorspellen en de Heere, alles bevestigend, hen daarop wijst.
In Hoofdstuk 19: 44 is door “de tijd van Israël” de periode aangewezen, waarin God Zijn volk bezoekt om hun de zaligheid aan te bieden; zo geven “de tijden van de heidenen” de gehele periode aan waarin God deze volken tot hiertoe aan Zijn rijk vreemd, met Zijn genade nabij komt (2 Kor. 6: 2); de meervoudige vorm “tijden” moet hier verklaard worden uit de betrekking tot de meervoudige vorm “heidenen”. De heidense volken worden na elkaar geroepen, waaruit binnen die ene tijdruimte meerdere ontwikkelingen voortkomen.
Om eindelijk nog Israëls ballingschap onder de volken af te werken is de tegenwoordige toestand van dit volk het grootste bewijs voor de autoriteit van de Profeet, die dit alles achttien eeuwen geleden verkondigde en die zij ondankbaar verwierpen. Juist daaruit wordt ook het beslist onchristelijke van zo’n emancipatie der Joden duidelijk, zoals men die in onze dagen onder het motto van vrijheid en beschaving pleegt voor te staan. (vgl. Ezechiël. 20: 32). Het recht van gastvrijheid voor de verbannenen uit Juda kan niet dringend genoeg worden aanbevolen, niet te ruim worden gehandhaafd. Maar het wordt een wezenlijk onrecht, wanneer de Christenen juist door de Joden, die zich slechts tijdelijk onder hen ophouden, in het genot van hun christelijke voorrechten en in de uitoefening van hun christelijke plichten op enige wijze worden gehinderd. Daarom wordt ook deze Christus-verloochening niet minder gewroken dan de Joodse Messias verwerping. Wanneer de Christenen de Joden hun Christus ten offer brengen, beginnen de Joden met materiële en morele kracht de staat te beheersen en het liberalisme, dat vooral ook door Joodse invloed wordt verdedigd, baant de
weg tot het indifferentisme, dat eindelijk – natuurlijk steeds onder de schone naam van verlichting en recht – tot atheïsme leidt. Ook hier is het (vs. 8): “Zie, dat u niet verleid wordt!”
Julianus keizer van Rome (van november 361 tot juni 363 na Christus) was van half geloof van het Evangelie tot het heidendom teruggekeerd. In zijn haat tegen Christus wilde hij het eens door de Hoge raad tegen Hem gevelde vonnis van godslastering na verloop van 300 jaren nog bevestigen en de kruisiging van Hem rechtvaardigen. Tot dat einde deed hij tot alle Joden in zijn rijk een keizerlijke oproep komen, dat zij zich mochten verenigen en naar hun vaderland Palestina terugkeren, om daar door weer opbouw van de heilige stad en van de verwoeste tempel het woord van de Gekruisigde te beschamen en daardoor tevens het voorgeven van Hem, dat Hij Gods Zoon was, met een slag te vernietigen en voor de gehele wereld te logenstraffen. Zoals men denken kan vond de proclamatie bij de kinderen Abrahams grote instemming en dit te meer omdat de keizer hun zijn woord gaf dat hij het werk, dat de val van het Christendom bedoelde, met alle hem ten dienste staande middelen zou ondersteunen. Een geestdrift zonder voorbeeld maakte zich van de Joden op alle plaatsen meester. Wat zich maar bewegen kon ondernam de reis; zelfs grijsaards, vrouwen en kinderen sloten zich aan de zogenaamde heilige optochten aan. In korte tijd wemelde het beloofde land weer van de late nakomelingschap van het oude verbondsvolk; het scheen tot zijn vorige grootheid te willen terugkeren. Reeds triomfeerden de vijanden van Jezus in de geest en zelfs de Christenen zagen niet zonder toenemende bezorgdheid het einde van deze zonderlinge strijd tegemoet. Met moed vatten de Joden na hun aankomst het werk aan; ieder meende persoonlijk mede de hand aan het werk te moeten leggen; zelfs tedere vrouwen en meisjes zag men het puin wegdragen in haar met zilver geborduurde klederen. De verwonderde wereld twijfelde er nauwelijks meer aan of Jeruzalem zou zich binnenkort uit haar puinhopen tot een heerlijkheid verheffen, die zelfs de vorige in de schaduw zou stellen. In dit geloof werd zij volkomen versterkt toen het de keizer opeens in de gedachte kwam persoonlijk met die cohorten en legioenen de arbeiders te hulp te snellen, waarmee hij landen had veroverd, evenals men vogelnesten uithaalt en koningen aanstelde en afzette zoals men op een schaakbord ze wegschuift. Wat gebeurde er nu? Geheel iets anders dan men had vermoed; het bleek dat gemakkelijker kon worden oorlog gevoerd tegen een wereld, dan tegen de Galileeër met de doornenkroon. Er werd gearbeid, maar er was geen zegen bij het werk, de ene nieuwe poging na de andere werd genomen, maar de krachten verlamden op het ogenblik dat men meende ze juist geconcentreerd te hebben. Ondanks alle inspanning vorderde de bouw niet, de kalk hield niet vast, de stenen voegden niet; ziekten en allerlei ongemakken braken uit, ja volgens het door niemand weerlegde getuigenis kwamen vlammen van vuur uit de diepte, waarin men de fundamenten wilde leggen en riepen in hun stomme taal de arbeiders nadrukkelijk toe: “Weg van hier, hier is eerst niets te bouwen. “
EVANGELIE OP DE TWEEDE ZONDAG VAN ADVENT
b. Vs. 25-36. Van het laatste gericht over het volk Israël, waarover de vorige afdeling hoofdzakelijk handelde, gaat in dit tweede deel de rede over tot het laatste gericht over alle volken, dat aan de eigenlijke wederkomst van Christus onmiddellijk voorafgaat. De eerste afdeling (vs. 25-33) loopt nog parallel met Mattheus en Markus. Evenals echter reeds hier bij Lukas het woord ontbreekt, dat niemand dag en ure weet, zo ontbreken bij onze Evangelist
verder alle gelijkenissen, zoals ze namelijk bij Mattheüs worden gevonden. De vermaningen en waarschuwingen van de Heere aan de Zijnen worden daarentegen in enige korte nauw gedrongen zinnen samengevat (vs. 34-36), die ons in het slotwoord duidelijk genoeg het wereldgericht voor ogen stellen (vgl. MATTHEUS. 24: 29-25: 46 Mark. 13: 24-37).
Evenals er drie tijden zijn, het verleden, tegenwoordige en toekomende, zo is er ook een drievoudig komen van Jezus Christus: een komen in het verledene of in het vlees, een voortdurend komen in de geest, namelijk in onze harten, huizen en gemeenten en een toekomstig, laatste komen ten oordeel. Over die eerste komst handelen de beide laatste Adventszondagen, want zij willen onmiddellijk voorbereiden voor het heilige Kerstfeest, dat zij aankondigen en voor de ogen schilderen. Over het tweede komen heeft het evangelie van de vorige Zondag gehandeld en dan is het geheel in de orde, dat voor deze Zondag ons een evangelie wordt voorgelegd dat ons aan de laatste komst van de Heere herinnert. Maar het moet niet het gericht over levenden en doden en de verandering van hemel en aarde zijn, waarop de advent onze aandacht vestigt; daarop zullen de laatste Zondagen in het kerkelijk jaar (24-27 na Trinitatis) ons wijzen. Het is de Mensenzoon zelf die ons wordt voorgesteld en wel zoals Hij komt met grote kracht en heerlijkheid. Geheel anders is dan ook dit evangelie dan dat voor acht dagen: daar kwam Christus van de Olijfberg, hier komt Hij van de troon van de eeuwige heerlijkheid “van de rechterhand van Zijn hemelse Vaders” neer. Daar kwam Hij temidden van een arm hoopje volk en van kinderen rijdend op een ezelin en hier komt Hij te midden van de hemelse legerscharen op de wolken van de hemel. Daar kwam Hij onder het Hosanna van Zijn begeleiders, hier bruisen de zee en de watergolven en de krachten van de hemel bewegen zich. Daar trekt Hij tot Jeruzalem en hier tot de hele aardbol. Daar drijft Hij uit die niet in de tempel behoren en hier stoot Hij uit die niet tot Zijn rijk worden gerekend. “
De wederkomst van Christus ten laatsten dage: 1) welke uitzichten zij ons schenkt? zij brengt a) de volle openbaring van Zijn goddelijke kracht en heerlijkheid b), de gehele ontvouwing van de ons bereide zaligheid; 2) welke eisen zij ons stelt? dat wij a) ons geheel losmaken van de begeerlijkheden en zorgen van deze wereld en b) ons geheel begeven in de liefde en zorgen van de Mensenzoon.
Hoezeer juist onze tijd het nodig heeft dat haar ernstig wordt gepredikt van Hem, die komt; want 1) de godsvrucht is verminderd, de wereldliefde breidt zich steeds uit; 2) het geloof moet zich verbergen, het ongeloof mag daarentegen vrij te voorschijn treden; 3) zeer ruim is ons geweten, des te enger wordt echter de omvang van alle waarlijk christelijke deugden.
25. a) En er zullen later, als het in vs. 24 gezegde is vervuld en de tijd van het einde van alle dagen aanwezig is, tekenen zijn in de zon en maan en sterren en op de aarde benauwdheid van de volken met twijfelmoedigheid, als de zee en de watergolven groot geluidzullen geven;
a)Jes. 13: 10. Ezechiël. 32: 7. Joël 2: 31, 3: 15 Openbaring 6: 12.
26. En het hart van de mensen zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen die het aardrijk zullen overkomen: want de krachten van de hemelen zullen bewogen worden.
28. Als nu deze dingen, die in vs. 25 en 26 gezegd zijn, beginnen te gebeuren, zie dan omhoog, in plaats van met de overige mensen in angst en verschrikking te zijn en heft uw hoofden opwaarts, a)omdat uw verlossing nabij is (in MATTHEUS. 24: 31 en Mark. 13: 27 staat hiervoor een geheel andere zin, die op een vroegere gebeurtenis ziet, ten minste bij Mattheus 13: 37″).
Rom. 8: 23.
29. En Hij zei tot hen een gelijkenis: Zie de vijgeboom en al de bomen.
32. Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan totdat alles, ten minste wat het begin, de eerste daad van Mijn wederkomst betreft gebeurd zal zijn en heeft u eerst het begin van de vervulling gezien, dan is datu waarborg genoeg ook voor het einde.
33. a) De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan (MATTHEUS. 24: 32-35. Mark. 13: 28-31).
a)Ps. 102: 27. Jes. 51: 6. Hebr. 1: 11.
Naar alles wat de Schrift over Christus’ wederkomst mededeelt heeft deze in vier akten plaats, die elk een dubbel moment bevat, een straffend tegen de tegenstanders en een zegen aanbrengend voor de vrienden. De eerste akte is de verwoesting van Jeruzalem, waardoor aan de ene kant de berg uit de weg geruimd en in de zee geworpen, aan de andere kant de uit zijn grond uitgerukte moerbeziënboom in de zee verplant wordt (vgl. de verklaring bij Hoofdst. 17: 6). De tweede akte is de verschijning van de Mensenzoon, die in Openbaring 11: 11 vv. is genoemd, tot wederopneming van Israël, die ook in Hoofdst. 13: 35 wordt gevonden en aan de Christenheid, zoals zij tot hiertoe bestond, een gericht van vernietiging aanbrengt, om daarna de daaruit geredde kerk door het bouwen van een nieuwe tempel te Jeruzalem (Ezechiël. 40-48) tot nieuw leven op te wekken en nader te brengen tot het doel van de volmaaktheid. De derde akte is de verschijning tot vernietiging van de anti-christ en zijn aanhang en tot oprichting van een uitwendig heerlijk rijk in Israël (Openbaring 19: 11-20: 6 De vierde akte is de wederkomst, die nu werkelijk zichtbaar is, tot vernietiging van de legerbende van Gog en Magog en de oplossing van de tegenwoordige wereld, alsook ten gerichte over de levenden en de doden en tot verheerlijking van hemel en aarde (Openbaring 20: 7-21: 8). De door ons vroeger meermalen behandelde wet van de geschiedenis van het Godsrijk, volgens welke de vervulling van een profetie, als zij eenmaal niet volledig genoeg was, zich zolang in steeds nieuwe wendingen voortzet, totdat de toestand van verwezenlijking geheel gedekt is met de zin en de woorden van het voorspelde, wordt dus ook bevestigd ten opzichte van hetgeen de Heere over Zijn komst heeft gezegd. Nu maakt ook dit hier de uitlegging van Zijn profetische woorden zo moeilijk, dat de vier akten niet gestreng uit elkaar zijn gehouden, integendeel juist in elkaar worden geschoven en zo bijna het voorkomen hebben van een enkele akte. Eerst de geschiedkundige verwezenlijking kan de uiteenzetting van de vier ontwikkelingsfasen op geheel bevredigende wijze teweeg brengen, tot die tijd moet onze kennis van de Schrift zich tevreden stellen met het erkennen van de hoofdgrondtrekken. Terwijl nu Lukas omtrent de eerste akte, de wederkomst van Christus ten
gerichte over Jeruzalem, al een scheiding in het eerste deel van de eschatologische rede van de Heere zover heeft gemaakt, dat deze akte geheel uitsluitend op de voorgrond treedt en er nog slechts weinig van de verdere toekomst van Christus bijgekomen is, heeft daarentegen Mattheüs in de scheiding van de tweede en derde akte voor de vierde de voorrang van meerdere juistheid. Dit hangt samen met de tijd waarin en de kring van lezers, waarvoor de heilige evangelisten schreven. Mattheüs had een nog niet voorbijgegane genadetijd van Israël voor zich, die hij daarom tot een stuk met de heerlijke toekomst van het uitverkoren volk kon verbinden, Lukas stond daarentegen al midden in het gericht over Jeruzalem en overzag nauwkeurig hoever de profetie van de Heere vervuld was, daarentegen gaf zijn belangstelling in de heidenwereld aanleiding de beide delen van de middelste toekomst van Christus in het licht van het eigenlijke einde, van de zichtbare openbaring van de Mensenzoon van de hemel te plaatsen en de overgang van die evangelist tot deze vormt Markus. Ligt in de persoon van Christus zo’n overvloed van stof, dat alle bijzondere kanten van het godsdienstig-zedelijk leven in gelijke mate door Hem worden beheerst en nu één evangelist niet bij machte was Zijn beeld volledig weer te geven, maar ter vermijding van eenzijdigheden vier van hen ons Zijn leven moesten beschrijven, zo heeft ook de wederkomst van de Heere zoveel kanten aan zich (17: 22), dat wederom een enkel vat de hele inhoud van hetgeen Hij de discipelen daar op de Olijfberg verkondigde, niet kon bevatten. Wij geloven echter dat, evenals Markus van de vier in Mark. 13: 3 genoemde discipelen Petrus vertegenwoordigt, met wie zijn broeder Andreas verbonden is, Mattheüs daarentegen Jakobus en Lukas Johannes weergeeft, waarop reeds het woord in vs. 24 , vergeleken met Openbaring 11: 2 moest wijzen; eveneens is de uitdrukking “die op de ganse aardbodem gezeten zijn” (vs. 35) van de aardse en vleselijk gezinde mensen, die zich hier beneden thuis voelen en een goed en aangenaam leven voor hun hoogste geluk houden, een, die in het boek van de Openbaring zeer vaak wordt gebruikt (Openbaring 3: 10; 6: 10; 8: 10; 11: 10. 12: 12; 13: 8 en 14). Deze gedachte leidt ons nu ook meer tot de beantwoording van de vraag: van waar komt het, dat van Christus’ woord in MATTHEUS. 24: 36 en Mark. 13: 32 bij Lukas geen spoor wordt gevonden? In Johannes werd te zijner tijd de verdere geldigheid van dat woord daardoor opgeheven, dat de Heere hem de Openbaring op Patmos gaf en daar zeker ook dag en uur, ten minste in de voornaamste omtrekken ontvouwde 10: 7). Dit zou er ons verder toe leiden dat het evangelie van Lukas niet reeds ten tijde van de dood van de apostel Paulus, het einde van het jaar 63 na Christus gereed was, waarvoor vele omstandigheden schijnen te spreken, maar pas in de tijd tussen de vlucht van de Jeruzalemse gemeente naar Pella en de verwoesting van de stad 66-70 na Christus. Wij zullen daarover handelen in het slotwoord op de Handelingen.
Evenals een adventstijd ons in het Kerstfeest inleidt, zo zal ook een adventstijd het laatste komen van Christus aankondigen en voorbereiden. Wij willen nader letten op de drie tekenen, die onze tekst ons aan de hand doet, om in het dreigend gevaar een versterkte roepstem te horen tot behartiging van het woord: “Houd wat u heeft, opdat niemand uw kroon neemt!” Zon, maan en sterren zullen hun schijnsel verliezen: dat is het eerste teken. Zon en maan zijn lichten van de hemel, de zon is het oorspronkelijke licht waaruit de dag geboren wordt, met welke glans het pad van de mensen wordt verlicht (Joh. 11: 9). De maan is het afgeleide licht dat aan de zon wordt ontleend, dat wel geen dag voortbrengt en geen leven teweeg kan brengen, maar toch de verschrikkingen van de nacht verzacht en haar ontzettend duister door haar glans verlicht.
Zon en maan zijn op deze, evenals op vele plaatsen van de heilige Schrift het beeld van de menselijke waarheid en van de in haar dienst staande wetenschap (?) In de tijd die de eerste verschijning van Christus voorafging was de glans van deze beide lichten uitgeblust; het was duister geworden op aarde in het rijk van de geestenwereld; de mensen hadden de menselijke waarheid veranderd in de leugen, zoals de apostel zegt (Rom. 1: 25 en 28) en hadden het schepsel geëerd en gediend meer dan de Schepper, waarom God ze had overgegeven in verkeerden zin om dingen te doen die niet betamen. Met de geboorte van Christus werd het weer licht op de aarde en uit het licht van de goddelijke openbaring ontsproot een christelijke kunst en wetenschap die veel beloofde. In de laatste tijd nu, die aan de laatste komst van Christus voorafgaat, zullen weer, maar op veel omvattender wijze, deze beide lichten worden verduisterd en hun schijnsel verliezen. U zult wellicht zeggen daarvan nu niets op te merken, omdat het geloof in voortdurende groei is en dat de menselijke wetenschap nooit heerlijker triomfen heeft gehad. Ja, het is waar, er is een verlangen onder de mensen ontstaan, een verlangen naar een eeuwige waarheid, naar een vastheid voor de zielen, naar een vrede die de wereld niet kent; maar dat zijn toch slechts weinigen; onder de menigte wordt het steeds donkerder, zij weten altijd minder van het zalige licht, zij worden ondanks Christelijke scholen, leraars en predikers steeds minder bewogen door de ervaring van een leven in Christus en onze gelovigen, zij zijn zo koud, zo dood, het woord heeft ook voor zo velen onder hen zijn glans verloren: het geeft kracht meer, het maakt niet meer vrolijke zalige mensen, niet meer moedige belijders, niet meer dappere strijders; het Christendom is bij velen in een gevoelsleven ontaard, ach bij velen is het tot een zaak van mode geworden, het heeft een met de wereld overeenkomstige gedaante aangenomen en slechts zelden heeft men van onze Christenen het gevoel dat hun leven voortkomt uit de verborgen omgang met de Heere, dat hun gezindheid huiswaarts en hemelwaarts gericht is. En de maan, de wereldse wetenschap, die uit de Schrift moest putten, aan de eeuwige waarheid haar licht moest ontlenen, wat is zij duister geworden sinds zij geen licht meer van de zon ontvangt! Waar is het ongeloof stouter dan onder de wijzen van deze wereld? En deze stoute wetenschap, die zich de krachten van de natuur wist onderdanig te maken, wat heeft zij, dronken van het bewustzijn van haar almacht en alwetendheid, aan de zuilen geschud, die het heiligdom dragen! En omdat zij het heiligdom van de Heere verwoestte, omdat zij niet bouwde, maar neerstortte, omdat zij de mensen geen eeuwige vastheid wist te geven, maar hen de laatste, de enige steun verbrak, daarom moest op de verduistering van de zon en de maan het tweede teken volgen: “De sterren zullen van de hemel vallen. ” De sterren zijn lichtgevende werelden in de verwijderde ruimte van de hemel; zij zijn daar in een onmetelijk aantal uitgestrooid, zodat op welk punt van onze ronde aarde de mens ook moge staan en naar de hemel kijken, overal ziet hij de gouden sterren, die wel een zwak, maar toch zeker licht uit de verre wolken tot hem dragen en in hun verre, fonkelende en trillende glans hem de gindse wereld afbeelden, die met mat maar zeker licht in het duistere van ons leven schijnt. Daarom zijn de sterren het beeld van de hoop, want de sterren ziet men niet als de zon schijnt, in het vrolijk genot van het leven is er geen ruimte voor de hoop, maar als de zon is neergedaald, als de nacht zijn duistere schaduw over de aarde uitbreidt, dan fonkelen de sterren de hoop ontstaat uit de nacht van rouw en aanvechting. Wanneer echter de zon voor de mensen in het geheel niet meer aanwezig is, voor altijd verduisterd is, als het geloof op aarde wegsterft, dan zinken de sterren weer, dan wordt ook de hoop begraven, die zelfs nog in de duistere tijd aan de bovenwereld vasthield, dan zal men de bittere vruchten smaken, die de vroegere prediking
van het ongeloof ten gevolge had. Ja, het is gemakkelijk met het heilige te spotten, met menselijke wijsheid de wonderen van de bijbel aan te vallen, het woord van God als priesterbedrog en als een toom voor het volk voor te stellen, maar ontneem eerst de mensen het geloof in de eeuwige liefde van God, die in de Heiland vrijwillig het leven in de dood overgaf, verscheurt de laatste draden, die hen met hun God en Heiland nog verbindt, wat zal er plaats hebben als de nood komt? Dan zullen de ongelukkigen willen bidden en het niet kunnen, want het heilige is hen in het leven een spot geweest. Hun oog zal naar boven zien en daar geen God vinden en wanneer de mens die bronnen van troost en van hulp van boven en van binnen verdroogd zijn, dan zullen de machten van de duisternis over en in hem plaats verkrijgen en verwoestende krachten zullen van hem uitgaan, de ziel in zijn binnenste zal hem jagen om dood en verderf in de menselijke maatschappij te brengen. Dan zal echter het derde teken komen, dat niet zal kunnen worden afgewend: de zee en de watergolven zullen groot geluid geven. De zee is volgens de profetie van de Schrift het minste van de schepping, omdat zij de mens geen woonplaats aanbiedt, ook niet aan de andere schepselen van de wereld, omdat slechts de mindere schepselen in haar wonen. Daarom zal ook de nieuwe wereld geen zee meer hebben (Openbaring 21: 1). De zee scheidt de mensen van elkaar, zij plaatst zich als een brede kloof tussen landen en volken en slechts met moeite wordt op de schepen de kloof overschreden, de noodzakelijke verbinding weinig maar nooit zonder gevaar teweeggebracht. Wanneer echter de zee woedt en de watergolven bruisen, dan is ook deze anders reeds moeilijke en zeldzame verbinding afgebroken, dan ligt het een volk gescheiden van het andere en kunnen zij zich niet verenigen. Die het toch in deze tijd van stormen en aardbevingen, die tot in de diepte doordringen, wilden beproeven de vereniging te onderhouden, die komen bij die poging om de vermetele schipper met zijn gebrekkig vaartuig wordt door de verbolgen golven in de duistere diepte geslingerd. Het schrikwekkend beeld van de verbolgen watergolven, die de laatste zwakken band van de menselijke maatschappij geheel verbreken, doelt dus op het gehele wegsterven van de liefde, dat noodzakelijk dan plaats moet hebben, als geloof en hoop zullen zijn uitgeblust. Dit is het laatste, het verschrikkelijkste teken. Alle vallenden, alle verschrikkelijke gerichten van God kunnen worden gedragen zolang de mens nog met de mens is verbonden. Al is het dat verwoestende oorlogen de volken onderling verdelen, zo zal de oorlog nog zo lang kunnen verdragen worden als er nog enige banden van liefde aanwezig zijn, die de mens aan de mens verbinden zolang hij nog thuis in het stille heiligdom van de familiekring een plaats van liefde vindt, een beschermend toevluchtsoord uit de strijd en de verdeeldheid van de buitenwereld. Wanneer echter ook deze laatste band van een scheurt, wanneer ook dit heiligdom door de vlammen van de tweedracht wordt aangestoken, als eerst degenen, die door de sterkste banden van bloed, van gewoonten en woning ten einde elkaar gelukkig te maken, tegen elkaar opstaan, wanneer er in vader en moederharten geen liefde meer leeft voor de kinderen, als in de kinderen de eerbiedige liefde voor hun ouders is vernietigd, wanneer de heiligste gevoelens van het menselijk hart in het tegendeel daarvan worden veranderd, in moord van ouders, echtgenoten, broeders en kinderen, dan heeft de toestand van de menselijke zaken haar einde bereikt, want de krachten van de maatschappij, die alleen bestand zijn, werken om haar te verwoesten en – “als een rijk tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal het bestaan?” Hoe het op dit punt met de liefde in het heiligdom van de familiekring onder geslachten bij hoge en lage standen gesteld is, daarover zou ik behalve hetgeen de openbare bladen van tijd tot tijd over zodanige wandaden berichten, uit het verkeer, waarin mijn ambt mij leidt, een reeks van
geschiedenissen kunnen vertellen, die de haren te bergen doen rijzen; maar ik mag het niet, juist omdat velen het te graag horen, dan dat men zou kunnen geloven, dat zij er de rechte smart over zonden voelen. Wanneer nu profeten heden ten dage de tijd, waarin wij leven, in rozenkleurig licht voorstellen, als zij van zedelijke vooruitgang spreken, als zij een algemene zegen en een verbroedering van de wereld als zeer nabij geloven, o, dan voelt men het wee nog smartelijker in het hart; want het ergste in het kwade is het als de mensen het nabijzijnd gevaar niet bemerken, als zij de worm niet zien, die aan de kern knaagt, omdat dan onverwacht als uit een heldere hemel de bliksemslag van de verwoesting neervalt en hem uit alle hemelen en zoete dromen wakker schudt tot een ontzaglijke werkelijkheid.
Wij stellen op de voorgrond, dat Jeruzalems verwoesting van geheel dit onderwijs het hoofdonderwerp is. Maar deze gebeurtenis kon beschouwd worden en wordt hier werkelijk beschouwd van twee verschillende kanten: de historische en de ideale. Uit het eerste oogpunt wordt zij allereerst voorgesteld. De Heere geeft voortekenen voor, omstandigheden bij, gevolgen van die omkering op, waarvan men binnen weinige jaren getuige zou wezen en geen van de voortekenen, die Hij hier aangeeft, of zij zijn aanvankelijk reeds binnen de grenzen van een mensenleven in het aanzijn getreden. Als men zich slechts wacht om beeldspraak eigenlijk op te vatten en haar op gelijke wijze als in de profetische schriften verklaart, men zal hier geen zwarigheid vinden. Maar dat historisch feit heeft tevens symbolisch-typische strekking. Het doet in het klein aanschouwen wat zich eens aan het eind der eeuwen in het groot zal herhalen en ook de voortekenen, hier opgegeven, zijn, waar zij bij de verwoesting van stad en tempel aanvankelijk gezien worden, slechts spiegel van wat later de afloop van deze hele tegenwoordige huishouding aankondigt. Vraagt men nu, op welke manier de Heere het een met het ander verbindt, wij willen ons liefst beroepen op het kenmerkende van het profetisch visioen, dat de toekomst als iets tegenwoordigs aanschouwt en de gebeurtenissen als in perspectief ziet verschijnen, zodat de tijdruimte, die tussen de ene en andere ligt, voor het oog van de geest terugtreedt. De tussen tijdvakken, die het een van het andere scheiden, worden voor de blik van de ziener als het ware vernauwd en aan elkaar geschoven; de afstanden krimpen samen en het tijdperk van het einde der eeuwen vertoont zich, of het slechts een tijdstip onmiddellijk na het tegenwoordige was. – Vraagt men al verder met welk recht de Heere in Jeruzalems verwoesting tegelijk een symbool van Zijn laatste wederkomst ziet, wij wijzen op het geheel enig belang van de eerstgenoemde gebeurtenis. Aan de ene kant is het historisch bewezen dat de val van de Joodse staat de volstrekt noodzakelijke voorwaarde was om het Christendom uit de perken van een begrensde nationaliteit te verheffen, tot wereldgodsdienst te verheffen en zo de openbaring van Jezus’ heerlijkheid, zichtbaar in de triomf van Zijn rijk over de heidense wereld, voor te bereiden. En van de andere kant mogen wij het symbolisch karakter niet voorbijzien, dat ook in de profetische schriften aan Jeruzalem en de tempel wordt toegekend. Zion staat daar niet slechts als plaatselijke zetel, maar ook als zinnebeeld van de hele theocratie, in haar vastheid en schoonheid beschouwd en de hele Christelijk geworden wereld kan in zeker opzicht een nieuw, geestelijk Jeruzalem heten. Is het een wonder dat het oordeel over Jeruzalem als zinnebeeld wordt voorgesteld van geheel het wereldgericht? En heeft men eindelijk tegen de volkomen waarheid van deze samenvoeging bezwaar, omdat het dan toch altijd twee zeer verschillende gebeurtenissen zijn, die hier aanéén zijn geschakeld, wij antwoorden eerst dat de Heere, naar de vatbaarheid van Zijn jongeren sprekend, zich niet anders uitdrukken kon,
omdat Hij eerst wilde aanvangen hun lang gekoesterde voorstellingen van de grond af aan te bestrijden. Ten tweede dat het karakter van Zijn laatste toekomst als een onzekere en onverwachte gebeurtenis, waartegen waakzaamheid te aller ure vereist werd, Hem vanzelf verbood, de verzekering, dat zij eens na vele eeuwen geschieden zou, op de voorgrond te plaatsen. Ten derde dat de Heere op aarde, naar Zijn eigene verklaring, de dag en het uur niet wist van een gebeurtenis, die van de menselijke kant beschouwd, door het ongeloof of het geloof van de wereld vertraagd en bespoedigd kon worden en dat Hij dus moeilijk een scherpe grenslijn tussen de ene en de andere gebeurtenis kon trekken. Ten slotte dat het ook in dit onderwijs niet aan sporen ontbreekt voor de meer opmerkzame toehoorder dat Hij aan uitstel van Zijn laatste toekomst gedacht heeft. Men lette op de waarschuwing tegen zorgeloosheid, die alleen bij zo ongedacht een uitstel heersend kon worden (MATTHEUS. 24: 37-39); aan het “vertoeven” van de bruidegom in de gelijkenis (MATTHEUS. 25: 5), aan “de lange tijd” waarna de Heere rekening van de aan vertrouwde talenten komt eisen (MATTHEUS. 25: 19). En waartoe anders de waarschuwing tegen het gedrag van de dienstknecht, die in zijn hart spreekt: “Mijn heer vertoeft te komen” dan om hem ook met het denkbeeld van langduriger wachten gemeenzaam te maken? Voegen wij hier ten slotte bij dat het de Heere minder te doen was om de jongeren een volledig onderricht omtrent de verborgenheden van de toekomst te geven, dan wel om hen door een blik op dit geheimzinnig verschiet tot waakzaamheid en hoop te stemmen, dan is er volstrekt geen reden om zich aan de wijze, waarop Hij dit onderricht inkleedt, te stoten.
34. a) En hoed uzelf ervoor dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap door deelneming aan weelderige maaltijden of andere feestelijkheden, waarbij de nachten worden doorgezondigd en met de zorgvuldigheden van dit leven, die op een andere manier u onttrekken aan uw hemelse roeping en dat u die dag niet onvoorzien overkomt.
a)Rom. 13: 13. 1 Thessalonicenzen. 5: 6. 1 Petrus 4: 7.
35. a)Want zoals een strik, die de jager onverwacht over het wild werpt, zal hij komen over al degenen die op de hele aardbodem gezeten zijn, namelijk de wereldlingen, die in het aardse zijn verzonken.
1 Thessalonicenzen. 5: 2. 2 Petrus 3: 10. Openbaring 3: 3; 16: 15.
36. a)Waak dan te allen tijd, biddend dat u waardig geacht mag worden al deze dingen te ontvluchten die gebeuren zullen; en te staan voor de Zoon des mensen (MATTHEUS. 25: 31-46).
a)Luk. 12: 40. 1 Thessalonicenzen. 5: 6.
Ons hele leven moet een wandelen zijn voor het aangezicht van Hem, die komt. Hem tegemoet gaan moeten wij allen en in betrekking tot Hem, tot Zijn toekomst en de eeuwigheid moet in ons alles, moet iedere minuut van het leven staan. Ons hele leven moet een boom zijn, die zijn wortels heeft geschoten in de troon van Hem, die komt, die de grond van die wereld
sappen en krachten schenkt, waarvan niets hier beneden is dan vrucht en schaduw. Omdat wij nauwelijks zo ver kunnen komen moesten wij ten minste handelen en wandelen als de wegvluchtenden, als die de wereld ontvluchten en op een betere wereld hopen; niet treurig, omdat wij toch alle dagen meer van het leed achter ons krijgen, dat ons is toegemeten, maar vrolijk, als die de dag van Christus dagelijks meer naderen, moeten wij leven en elke ons toegereikte aardse gave als beeld en onderpand van die eeuwige gaven, die wij wachten, tot ons nemen en gebruiken. Moeten wij dan alleen zo? Willen wij ook niet? Zijn wij geen schapen van Zijn weide? Eten en drinken, waar daar het hart bezwaard wordt, zijn dat zaken, die wij kunnen kiezen bij levend geloof in Hem, die zal komen? Dat wordt door ons niet gezegd, dat zij verre van ons! Daarvan reinigt, daarvoor behoedt Hij zelf ons door de krachten van de toekomende wereld! Alles wat het hart bezwaart, wat het terughoudt de Heere tegemoet te gaan, wordt weg en uitgeworpen, dat werpt Jezus weg! Hij verdrijft ook de zorgen, die het hart bezwaren, de lasten, die om medelijden roepen en het niet verdienen, die moeten sterven en uitgeroeid moeten worden; want zij zijn zonden, die het waardig zijn door de onbedrieglijke Rechter van al het verborgene geopenbaard te worden en op een lijn geplaatst met eten en drinken. Daarentegen geeft Hij ons ten allen tijde wakend te zijn. Wakend, ja betaamt hen, die op de dag wachten, die zal komen. Wie valt in slaap, wanneer hij zijn vriend tegemoet mag gaan? Wie verzamelt niet alle krachten om te zien, wie scherpt niet zijn blik, als hij de weg weet, waarlangs een gewenst mens zal komen! Hoe is dan in het oog het gehele leven, de gehele werkzaamheid van der ziel! En zouden wij Hem dan niet wachten, die wij boven alle mensen liefhebben? Laat ons toch wakende zijn! Ieder uur zij gewijd aan Hem, die komt. Generlei hartstocht benevelt ons, ontneemt ons de bekwaamheid om ieder uur als een uur van Jezus’ mogelijke komst door te brengen! Wees ten allen tijde waakzaam en -bid! Wij willen zoals wij moeten; maar wij vrezen dat wij, als de discipelen in Gethsemane, niet zouden kunnen waken, wij zouden gemakkelijk kunnen inslapen, licht de opgewektheid, licht ijver en geduld om te waken, verliezen. Als de Heere dan kwam en wij waren niet wakend, maar ingesluimerd in hartstocht, werelds genot en zorgen! Welaan, laat ons bidden! Bid, dat de Heere komt, dat Hij de tijd van waakzaamheid verkort, de tijd van verzoeking eindigt, dat Hij spoedig komt. Bid dat u waardig mag worden dit alles te ontvluchten en te staan voor de Zoon des mensen. Bid, dat u bewaard mag worden voor zorgen en begeerlijkheid, dat u wakend kunt zijn, dat u altijd kunt bidden. “Bidt”, zegt de Heere en niet “bid”; want Hij wil niet, dat iemand alleen, maar dat allen, allen voor een en een voor allen bidden om de zaligheid van de jongste dag. Allen voor elkaar en allen met elkaar, want voor Hem zijn zij allen vergaderd en verenigd. Wij zijn allen vol sterk verlangen naar Zijn dag, zo velen van ons de Zijnen zijn. Onze gezamenlijke begeerte moet het gemeenschappelijk gebed worden, wij moeten een vereniging, een gemeente van bidders zijn. Hef uw ogen op naar de hemel en zie aan gindse zijde van die kristallen zee, waarvan Johannes getuigt, aan de troon de geesten van de volmaakt rechtvaardigen: zij bidden, zij bidden om de toekomst van de dag van de wraak, de overwinning, de eeuwige dank. En met hen bidden alle zalige engelen. Allen uitverkorenen en engelen doordringt een en hetzelfde heilige verlangen naar het einde van de tijd en het begin van de eeuwigheid, naar de jongste dag. En toch hebben de engelen die dag niet nodig en de uitverkorenen niet in die mate als wij: zij bidden en zouden wij niet bidden? Bid, bid, laat ons bidden met de engelen en uitverkorenen, dat de dag komen zal!
Vraagt u hoe wij waardig zullen bevonden worden om voor Christus op die dag te verschijnen? Wees ootmoedig voor God omtrent uw voorbijgegaan leven, kom tot Hem met oprecht, hartelijk ongeveinsd berouw, bekeer u, wees een nieuw schepsel, bid ernstig om genade voor uw zonden om Christus’ wil, bid aanhoudend, dat God uw harten afkeert van uw oude zonden, erken dan meer en meer, dan, komt het laatste oordeel, wanneer het wil, u zult waardig worden bevonden om voor Christus te staan als Hij komt. De berouwvolle zondaar zal op die dag genade vinden in het oog van God. Zeker, de bedenking hiervan moet ons bewegen tot verandering van het leven, zij die zich nooit verootmoedigden vanwege hun zonden, dat zij nu beginnen; zij die al begonnen zijn, laat ze voortgaan en volharden.
Waak en bid altijd! Waken en bidden moet samen gaan. Waken tegen zonde, waken tot iederen plicht en om van elke gelegenheid tot het doen van het goede gebruik te maken. Bid altijd, wees altijd in een stemming tot het goede, bid hij elke gelegenheid. Deze zullen waardig worden geacht om te leven in de andere wereld een leven van lof, die een leven van gebed in deze wereld hebben geleid.
IV. Vs. 37 en 38 Aan het einde van deze eerste dagen van de lijdensweek overziet Lukas nog eens de levenswijze van de Heere gedurende die, hoe Hij telkens als Hij overdag het volk in de tempel geleerd had, ‘s avonds wegging en de nacht aan de Olijfberg doorbracht. Hoe graag het volk Hem ook hoorde, toch vertrouwde Hij Zich daaraan niet toe. Nu was ook de tijd reeds gekomen dat het profetisch gezicht in Ezechiël. 11: 22 v. vervuld werd (vgl. Hoofdstuk 20: 47 v. ).
37. a)Overdag nu leerde Hij in de tempel, nadat Hij op Palmzondag ‘s avonds Jeruzalem was binnengetrokken; maar ‘s nachts ging Hij uit en overnachtte te Bethanië op de berg, de Olijfberg genoemd (MATTHEUS. 21: 17. Mark. 11: 11.
Joh. 8: 2.
IV. Vs. 37 en 38 Aan het einde van deze eerste dagen van de lijdensweek overziet Lukas nog eens de levenswijze van de Heere gedurende die, hoe Hij telkens als Hij overdag het volk in de tempel geleerd had, ‘s avonds wegging en de nacht aan de Olijfberg doorbracht. Hoe graag het volk Hem ook hoorde, toch vertrouwde Hij Zich daaraan niet toe. Nu was ook de tijd reeds gekomen dat het profetisch gezicht in Ezech. 11: 22 v. vervuld werd (vgl. Hoofdst. 20: 47 v. ).
37. a)Overdag nu leerde Hij in de tempel, nadat Hij op Palmzondag ‘s avonds Jeruzalem was binnengetrokken; maar ‘s nachts ging Hij uit en overnachtte te Bethanië op de berg, de Olijfberg genoemd (MATTHEUS. 21: 17. Mark. 11: 11.
Joh. 8: 2.
38. En al het volk kwam ‘s morgens vroeg, op maandag en dinsdag na die Zondag tot Hem in de tempel om Hem te horen, totdat Hij Zich op dinsdagavond geheel naar Bethanië terugtrok en op woensdag en donderdag niet weer in de tempel verscheen.
Als het einde van het leven zichtbaar nadert, moeten Gods knechten vooral hun ambt getrouw waarnemen en het dus loffelijk proberen te besluiten (2 Petrus 1: 13 v. ).
Het geheim van de ongebroken kracht, die de Heere tot in het laatste uur van Zijn openbaar leven toonde, is in de nachtelijke uren op de Olijfberg te zoeken.
Als Jezus het nodig had Zich te verfrissen en uit te rusten van het werk van overdag en door stilzijn en gebed tot Zichzelf te komen, zo hebben wij het nog veel meer nodig. De ongelukkigen die geen stille uren kennen in hun leven weten niet hoeveel zij ontberen. Niet zonder reden plaatst het oude spreekwoord het werken en bidden bij elkaar, om daardoor te kennen te geven dat het gebed, hoewel zelf een arbeid, toch ook tevens een genot, ja het genot aller genietingen is en de hoogste herstelling van de arbeid, de hoogste wijding tot de arbeid. Waarlijk, zij hebben het meest in hun leven gedaan, die het meest gebeden hebben en een rijke inhoud heeft daarom het kleine rijmpje: “Houd u rein, acht u klein, wees graag alleen, met God gemeen. “
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel