Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En het geschieddeG1096 in eenG1520 van dieG1565 dagenG2250, als HijG846 in den tempelG2411 het volkG2992 leerdeG1321, enG2532 het EvangelieG2097 verkondigde, dat de overpriestersG749, enG2532 SchriftgeleerdenG1122, met de ouderlingenG4245 daarover kwamen,
En het geschiedde in een van die dagen, als Hij in den tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen,
KJV
And1
it came to pass,2
that on3
one
of those7
days,6
as he9
taught8
the people11
in12
the temple,14
and15
preached the gospel,16
the chief priests19
and20
the scribes22
came upon17
him with23
the elders,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EnG2532 sprakenG2036 totG4314 HemG846 zeggendeG3004: ZegG2036 ons, doorG1722 wat machtG1849 Gij dezeG3778 dingen doetG4160; ofG2228 wieG5101 Hij isG1510, Die UG4771 deze machtG1849 heeft gegevenG1325?
En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, door wat macht Gij deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven?
KJV
And1
spake
unto3
him,4
saying,2
Tell
us,
by8
what9
authority10
doest thou12
these things?
or13
who14
is he
that gave17
thee
this
authority?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En Hij, antwoordendeG611, zeideG2036 totG4314 henG846: Ik zal uG4771 ookG2532 eenG1520 woordG3056 vragenG2065, en zegtG2036 Mij:
En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij:
KJV
And2
he answered1
and said
unto4
them,5
I8
will6
also
ask
you
one9
thing;10
and11
answer
me:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
De doopG908 van JohannesG2491, wasG1510 die uitG1537 den HemelG3772, ofG2228 uitG1537 de mensenG444?
De doop van Johannes, was die uit den Hemel, of uit de mensen?
KJV
The baptism2
of John,3
was it
from4
heaven,5
or7
of8
men?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
EnG1161 zij overleidenG4817 onder zichG1438, zeggendeG3004: IndienG1437 wij zeggen: UitG1537 den HemelG3772; zo zal Hij zeggen: WaaromG5101 hebt gij dan hemG846 nietG3756 geloofdG4100?
En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd?
Ook in dit vers
zeggenG2046
totG4314
KJV
And2
they reasoned3
with4
themselves,5
saying,6
If8
we shall say,
From10
heaven;11
he will say,12
Why
then15
believed ye17
him18
not?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
EnG1161 indien wij zeggenG2036: UitG1537 de mensenG444; zo zal ons alG3956 het volkG2992 stenigenG2642; wantG1063 zij houdenG2076 voor zekerG3982, dat JohannesG2491 een profeetG4396 wasG1510.
En indien wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was.
KJV
But and2
if1
we say,
Of4
men;5
all6
the people8
will stone9
us:
for12
they be
persuaded11
that John14
was
a prophet.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG2532 zij antwoorddenG611, dat zij nietG3361 wistenG1492, vanwaarG4159 die was.
En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was.
KJV
And1
they answered,2
that they could4
not3
tell
whence
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EnG2532 JezusG2424 zeideG2036 tot henG846: Zo zegG3004 IkG1473 uG4771 ook niet, doorG1722 wat machtG1849 Ik dezeG3778 dingen doeG4160.
En Jezus zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.
KJV
And1
Jesus3
said
unto them,5
Neither6
tell4
I7
you
by10
what11
authority12
I do14
these things.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En Hij begonG756 totG4314 het volkG2992 dezeG3778 gelijkenisG3850 te zeggenG3004: Een zekerG5100 mensG444 plantteG5452 een wijngaardG290, en hijG846 verhuurdeG1554 dien aan landliedenG1092, en trokG589 een langenG2425 tijdG5550 buitenslands.
En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok een langen tijd buitenslands.
KJV
Then2
began he1
to speak6
to3
the people5
this
parable;8
A certain11
man10
planted12
a vineyard,13
and14
let15
it16
forth
to husbandmen,17
and18
went into a far country19
for a long21
time.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En als het de tijdG2540 was, zondG649 hij totG4314 de landliedenG1092 een dienstknechtG1401, opdatG2443 zij hem vanG575 de vruchtG2590 des wijngaardsG290 gevenG1325 zouden; maarG1161 de landliedenG1092 sloegenG1194 denzelvenG846, en zondenG1821 hem ledigG2756 heen.
En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig heen.
KJV
And1
at2
the season3
he sent4
a servant8
to5
the husbandmen,7
that9
they should give15
him16
of10
the fruit12
of the vineyard:14
but18
the husbandmen19
beat20
him,21
and sent him away22
empty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En wederomG4369 zondG3992 hij nog een anderen dienstknechtG1401; maarG1161 ookG2532 dien geslagenG1194 en smadelijkG818 behandeld hebbende, zondenG1821 zij hem ledigG2756 heen.
En wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen.
KJV
And1
again2
he sent3
another4
servant:5
and7
they beat9
him also,8
and10
entreated him shamefully,11
and sent him away12
empty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En wederomG4369 zondG3992 hij nog een derdenG5154; maarG1161 zij verwonddenG5135 ookG2532 dezenG5126, en wierpenG1544 hem uit.
En wederom zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit.
KJV
And1
again2
he sent3
a third:4
and6
they wounded9
him
also,7
and cast him out.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG1161 de heerG2962 des wijngaardsG290 zeideG2036: WatG5101 zal ik doenG4160? Ik zal mijn geliefdenG27 zoonG5207 zendenG3992; mogelijkG2481 dezenG5126 ziendeG1492, zullen zij hem ontzienG1788.
En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien.
KJV
Then2
said
the lord4
of the vineyard,6
What7
shall I do?8
I will send9
my
beloved14
son:11
it may be15
they will reverence18
him when they see
him.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
MaarG1161 als de landliedenG1092 hemG846 zagenG1492, overleidenG1260 zij onder elkander, en zeidenG3004: DezeG3778 isG1510 de erfgenaamG2818; komtG1205, laat ons hemG846 dodenG615, opdatG2443 de erfenisG2817 onze wordeG1096.
Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
But2
when the husbandmen5
saw
him,3
they reasoned6
among7
themselves,8
saying,9
This10
is
the heir:13
come,14
let us kill15
him,16
that17
the inheritance21
may be19
ours.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG2532 als zij hem buitenG1854 den wijngaardG290 uitgeworpenG1544 hadden, dooddenG615 zij hem. WatG5101 zal danG3767 de heerG2962 des wijngaardsG290 hun doenG4160?
En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen?
KJV
So1
they cast2
him3
out of4
the vineyard,6
and killed7
him. What8
therefore9
shall10
the lord13
of the vineyard15
do
unto them?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Hij zal komenG2064 en dezeG3778 landliedenG1092 verdervenG622, en zal den wijngaardG290 aan anderen gevenG1325. En als zij dat hoordenG191, zeidenG2036 zij: Dat zij verreG3361!
Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre!
KJV
He shall come1
and2
destroy3
these
husbandmen,5
and7
shall give8
the vineyard10
to others.11
And13
when they heard12
it, they said,
God forbid.15
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Maar Hij zagG1689 henG846 aan, en zeideG2036: Wat isG1510 dan dit, hetwelk geschrevenG1125 staat: De steenG3037, dienG3739 de bouwliedenG3618 verworpenG593 hebben, dezeG3778 is totG1519 een hoofdG2776 des hoeksG1137 gewordenG1096?
Maar Hij zag hen aan, en zeide: Wat is dan dit, hetwelk geschreven staat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden?
KJV
And2
he beheld3
them,4
and said,
What6
is
this
then7
that is written,10
The stone12
which13
the builders16
rejected,14
the same11
is become18
the head20
of19
the corner?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Een iegelijkG3956, die op dien steenG3037 valtG4098, zal verpletterdG4917 worden, enG1161 op wien hij valtG4098, dien zal hijG846 vermorzelenG3039.
Een iegelijk, die op dien steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.
KJV
Whosoever1
shall fall3
upon4
that5
stone7
shall be broken;8
but11
on9
whomsoever10
it shall fall,13
it will grind14
him15
to powder.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
EnG2532 de overpriesterenG749 enG2532 de SchriftgeleerdenG1122 zochtenG2212 te dierzelver ureG5610 de handenG5495 aanG1909 HemG846 te slaanG1911; maar zij vreesdenG5399 het volkG2992; want zij verstondenG1097, dat HijG846 dezeG3778 gelijkenisG3850 tegen hen gesprokenG2036 had.
En de overpriesteren en de Schriftgeleerden zochten te dierzelver ure de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij verstonden, dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
And1
the chief priests4
and5
the scribes7
the same13
hour16
sought2
to lay8
hands12
on9
him;10
and17
they feared18
the people:20
for22
they perceived21
that23
he had spoken
this
parable27
against24
them.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En zij namenG3906 Hem waar, en zondenG649 verspiedersG1455 uit, die zichzelvenG1438 veinsdenG5271 rechtvaardigG1342 te zijnG1510; opdatG2443 zij Hem in Zijn redeG3056 vangenG1949 mochten, om Hem aanG1519 de heerschappijG746 enG2532 de machtG1849 des stadhoudersG2232 over te leverenG3860.
En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren.
KJV
And1
they watched2
him, and sent forth3
spies,4
which should feign5
themselves6
just men,7
that9
they might take hold10
of his11
words,12
that so13
they might deliver15
him16
unto the power18
and19
authority21
of the governor.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
EnG2532 zij vraagdenG1905 HemG846, zeggendeG3004: MeesterG1320, wij wetenG1492, datG3754 Gij rechtG3723 spreektG3004 enG2532 leertG1321, enG2532 den persoonG4383 nietG3756 aanneemtG2983, maarG235 den wegG3598 GodsG2316 leertG1321 in der waarheidG225.
En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat Gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid.
KJV
And1
they asked2
him,3
saying,4
Master,5
we know6
that7
thou sayest9
and10
teachest11
rightly,8
neither13
acceptest thou14
the person15
of any, but16
teachest23
the way20
of God22
truly:18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Is het ons geoorloofdG1832 den keizerG2541 schattingG5411 te gevenG1325, ofG2228 nietG3756?
Is het ons geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet?
KJV
Is it lawful1
for us
to give5
tribute4
unto Caesar,3
or6
no?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
EnG1161 Hij, hun arglistigheidG3834 bemerkendeG2657, zeideG2036 totG4314 henG846: WatG5101 verzoektG3985 gij MijG1473?
En Hij, hun arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij?
KJV
But2
he perceived1
their3
craftiness,5
and said
unto7
them,8
Why9
tempt ye11
me?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
ToontG1925 MijG1473 een penningG1220; wiens beeldG1504 en opschriftG1923 heeftG2192 hij? En zij, antwoordendeG611, zeidenG2036: Des keizersG2541.
Toont Mij een penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden: Des keizers.
KJV
Shew1
me
a penny.3
Whose4
image6
and7
superscription8
hath it?5
They answered9
and10
said,
Caesar's.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En Hij zeideG2036 tot henG846: GeeftG591 danG1161 den keizerG2541, dat des keizersG2541 is, en GodeG2316, dat GodsG2316 is.
En Hij zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.
KJV
And2
he said
unto them,4
Render5
therefore6
unto Caesar8
the things which be1
Caesar's,9
and10
unto God13
the things which be7
God's.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
EnG2532 zij kondenG2480 Hem in Zijn woordG4487 nietG3756 vattenG1949 voor het volkG2992; enG2532 zich verwonderendeG2296 overG1909 Zijn antwoordG612, zwegenG4601 zijG846 stil.
En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.
KJV
And1
they could3
not2
take hold4
of his5
words6
before7
the people:9
and10
they marvelled11
at12
his15
answer,14
and held their peace.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
EnG1161 tot Hem kwamen sommigenG5100 der SadduceenG4523, welke tegensprekendeG483 zeggen, dat er geenG3361 opstandingG386 isG1510, en vraagdenG1905 HemG846.
En tot Hem kwamen sommigen der Sadduceen, welke tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem.
KJV
Then2
came1
to him certain3
of the Sadducees,5
which4
deny7
that there is
any9
resurrection;8
and they asked11
him,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
ZeggendeG3004: MeesterG1320! MozesG3475 heeft ons geschrevenG1125: ZoG1437 iemandsG5100 broederG80 sterftG599, dieG3778 een vrouwG1135 heeftG2192, enG2532 hijG846 sterftG599 zonder kinderenG815, dat zijn broederG80 de vrouwG1135 nemenG2983 zal, enG2532 zijn broederG80 zaadG4690 verwekkenG1817.
Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broeder sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal, en zijn broeder zaad verwekken.
KJV
Saying,1
Master,2
Moses3
wrote4
unto us,
If6
any man's7
brother8
die,9
having10
a wife,11
and12
he13
die15
without children,14
that16
his20
brother19
should take17
his wife,22
and23
raise up24
seed25
unto his28
brother.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Er warenG1510 nuG3767 zevenG2033 broedersG80; enG2532 de eersteG4413 namG2983 een vrouwG1135, en hij stierfG599 zonder kinderenG815.
Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen.
KJV
There were
therefore2
seven1
brethren:3
and5
the first7
took8
a wife,9
and died10
without children.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
En de tweedeG1208 namG2983 die vrouwG1135, en ook dezeG3778 stierfG599 zonder kinderenG815.
En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen.
KJV
And1
the second4
took2
her to wife,6
and7
he8
died9
childless.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
En de derdeG5154 namG2983 dezelveG846 vrouw; en desgelijks ookG2532 de zevenG2033, en hebben geenG3756 kinderenG5043 nagelatenG2641, en zijn gestorvenG599.
En de derde nam dezelve vrouw; en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven.
KJV
And1
the third3
took4
her;5
and7
in like manner6
the seven10
also:8
and they left16
no15
children,17
and13
died.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En ten laatsteG5305 na allenG3956 stierfG599 ookG2532 de vrouwG1135.
En ten laatste na allen stierf ook de vrouw.
KJV
Last1
of all6
the woman10
died7
also.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
InG1722 de opstandingG386 danG3767, wiens vrouwG1135 van dezenG846 zal zij zijn? WantG1063 die zevenG2033 hebbenG2192 dezelve tot een vrouwG1135 gehad.
In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad.
KJV
Therefore3
in1
the resurrection4
whose5
wife8
of them6
is she?7
for10
seven11
had12
her13
to wife.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
EnG2532 JezusG2424, antwoordendeG611, zeideG2036 tot henG846: De kinderenG5207 dezer eeuwG165 trouwenG1060, enG2532 worden ten huwelijk uitgegevenG1548;
En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven;
KJV
And1
Jesus6
answering2
said
unto them,4
The children8
of this
world10
marry,12
and13
are given in marriage:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
MaarG1161 die waardig zullen geacht zijn dieG1565 eeuwG165 te verwervenG5177 en de opstandingG386 uitG1537 de dodenG3498, zullen noch trouwenG1060, noch ten huwelijk uitgegevenG1548 worden;
Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden;
Ook in dit vers
waardig geachtG2661
KJV
But2
they which shall be accounted worthy3
to obtain7
that6
world,5
and8
the resurrection10
from12
the dead,13
neither14
marry,15
nor16
are given in marriage:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
WantG1063 zij kunnen niet meer stervenG599, wantG1063 zij zijn den engelenG2465 gelijk; enG2532 zij zijn kinderenG5207 GodsG2316, dewijl zijG1510 kinderenG5207 der opstandingG386 zijn.
Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn.
KJV
Neither1
can5
they die3
any more:4
for2
they are
equal unto the angels;6
and9
are
the children10
of God,13
being
the children16
of the resurrection.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
En datG3754 de dodenG3498 opgewektG1453 zullen worden, heeft ookG2532 MozesG3475 aangewezenG3377 bijG1909 het doornenbosG942, alsG5613 hij den HeereG2962 noemtG3004 den GodG2316 AbrahamsG11, en den GodG2316 IzaksG2464, en den GodG2316 JakobsG2384.
En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij den Heere noemt den God Abrahams, en den God Izaks, en den God Jakobs.
KJV
Now2
that1
the dead5
are raised,3
even6
Moses7
shewed8
at9
the bush,11
when12
he calleth13
the Lord14
the God16
of Abraham,17
and18
the God20
of Isaac,21
and22
the God24
of Jacob.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
GodG2316 nuG1161 isG1510 nietG3756 een God der dodenG3498, maar der levendenG2198; wantG1063 zij levenG2198 HemG846 allenG3956.
God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen.
KJV
For2
he is
not3
a God1
of the dead,5
but6
of the living:7
for9
all8
live11
unto him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
EnG1161 sommigenG5100 der SchriftgeleerdenG1122, antwoordendeG611, zeidenG2036: MeesterG1320! Gij hebt wel gezegdG2036.
En sommigen der Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! Gij hebt wel gezegd.
KJV
Then2
certain3
of the scribes5
answering1
said,
Master,7
thou hast well8
said.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
EnG1161 zij durfdenG5111 Hem niet meer ietsG3762 vragenG1905.
En zij durfden Hem niet meer iets vragen.
KJV
And2
after that1
they durst3
not
ask4
him5
any
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
EnG1161 Hij zeideG2036 totG4314 henG846: HoeG4459 zeggenG3004 zij, dat de ChristusG5547 DavidsG1138 ZoonG5207 isG1510?
En Hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus Davids Zoon is?
KJV
And2
he said
unto3
them,4
How5
say1
they that Christ8
is
David's10
son?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
EnG2532 DavidG1138 zelfG846 zegtG3004 inG1722 het boekG976 der psalmenG5568: De HeereG2962 heeft gezegdG2036 tot mijn HeereG2962: ZitG2521 aan Mijn rechterG1188 hand,
En David zelf zegt in het boek der psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand,
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
And1
David3
himself2
saith4
in5
the book6
of Psalms,7
The LORD10
said
unto my
Lord,12
Sit thou14
on15
my
right hand,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
Totdat Ik Uw vijandenG2190 zal gezetG5087 hebben tot een voetbankG5286 Uwer voetenG4228.
Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
KJV
Till1
I make3
thine
enemies5
thy
footstool.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44
DavidG1138 danG3767 noemtG2564 HemG846 zijn HeereG2962; enG2532 hoeG4459 is HijG846 zijn ZoonG5207?
David dan noemt Hem zijn Heere; en hoe is Hij zijn Zoon?
KJV
David1
therefore2
calleth5
him4
Lord,3
how7
is he
then6
his9
son?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45
EnG1161 daar alG3956 het volkG2992 het hoordeG191, zeideG2036 HijG846 tot Zijn discipelenG3101:
En daar al het volk het hoorde, zeide Hij tot Zijn discipelen:
KJV
Then2
in the audience1
of all3
the people5
he said
unto his9
disciples,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46
WachtG4337 u vanG575 de SchriftgeleerdenG1122, die daar willenG2309 wandelenG4043 inG1722 lange klederenG4749, enG2532 beminnenG5368 de groetingenG783 opG1722 de marktenG58, enG2532 de voorgestoeltenG4410 inG1722 de synagogenG4864, enG2532 de vooraanzittingenG4411 inG1722 de maaltijdenG1173;
Wacht u van de Schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange klederen, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;
KJV
Beware1
of2
the scribes,4
which3
desire6
to walk7
in8
long robes,9
and10
love11
greetings12
in13
the markets,15
and16
the highest seats17
in18
the synagogues,20
and21
the chief rooms22
at23
feasts;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47
DieG3739 der weduwenG5503 huizenG3614 opetenG2719, enG2532 onder een schijnG4392 langeG3117 gebedenG4336 doen; dezenG3778 zullen zwaarderG4055 oordeelG2917 ontvangenG2983.
Die der weduwen huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen; dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.
KJV
Which1
devour2
widows'6
houses,4
and7
for a shew8
make10
long9
prayers:
the same11
shall receive12
greater
damnation.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
het Evangelie verkondigde,
Grieks Evangeliseerde.
Hertaald:
het Evangelie verkondigde,
Grieks: evangeliseerde.
door wat
Grieks in hoedanige.
Hertaald:
door wat
Grieks: in welke.
macht Gij
Dat is, autoriteit.
Hertaald:
macht Gij
Dat is: gezag.
deze dingen doet;
Namelijk die in het voorgaande hoofdstuk verhaald worden.
Hertaald:
deze dingen doet;
Namelijk de dingen die in het voorgaande hoofdstuk verteld worden.
een woord vragen,
Dat is een ding, of zaak. Hebreeuws.
Hertaald:
een woord vragen,
Dat is: één ding of zaak; een hebraïsme.
De doop van Johannes,
Zie hiervan de aantekeningen Matt. 21:25 .
Hertaald:
De doop van Johannes,
Zie hierover de aantekeningen bij Matth. 21:25.
uit den Hemel, of uit de mensen?
Dat is, van God, gelijk Luc. 15:18 .
Hertaald:
uit den Hemel, of uit de mensen?
Dat is: van God, zoals Luk. 15:18.
onder zich,
Of, bij zichzelven.
Hertaald:
onder zich,
Of: bij zichzelf.
die was
Namelijk de doop van Johannes.
Hertaald:
die was
Namelijk de doop van Johannes.
door wat macht
Grieks in.
Hertaald:
door wat macht
Grieks: in.
deze gelijkenis te zeggen
Van deze gelijkenis, zie de verklaring Matt. 21:33 .
Hertaald:
deze gelijkenis te zeggen
Zie over deze gelijkenis de verklaring bij Matth. 21:33.
een langen tijd buitenslands
Grieks genoegzamen, of tamelijke tijden.
Hertaald:
een langen tijd buitenslands
Grieks: geruime of tamelijke tijden.
de tijd was,
Namelijk dat de vruchten rijp zijnde, ingezameld worden. Zie Matt. 21:34 .
Hertaald:
de tijd was,
Namelijk de tijd waarop de vruchten rijp zijn en ingezameld worden. Zie Matth. 21:34.
wederom zond hij nog een anderen dienstknecht;
Grieks en hij deed daartoe, en zond. Hebreeuws. Gelijk ook in vs.12.
Hertaald:
wederom zond hij nog een anderen dienstknecht;
Grieks: en hij deed daarbij en zond; een hebraïsme. Zo ook in vers 12.
Wat zal ik doen?
Dit zijn woorden, uitdrukkende niet enige twijfeling, maar naar menselijke wijze van spreken, een grote genegenheid om hen terecht te brengen, gelijk Hos. 6:4 .
Hertaald:
Wat zal ik doen?
Deze woorden drukken geen twijfel uit, maar geven op menselijke wijze van spreken een grote genegenheid weer om hen terecht te brengen, zoals Hos. 6:4.
anderen geven
Namelijk den heidenen; Matt. 21:43 .
Hertaald:
anderen geven
Namelijk aan de heidenen; Matth. 21:43.
Dat zij verre
Namelijk dat wij den Zoon zouden doden, en dat ons zulks zou overkomen, als gij hier zegt.
Hertaald:
Dat zij verre
Namelijk dat wij de Zoon zouden doden, en dat ons zou overkomen wat U hier zegt.
De steen,
Zie de aantekeningen Matt. 21:42 .
Hertaald:
De steen,
Zie de aantekeningen bij Matth. 21:42.
op dien steen valt,
Dat is, die zich aan Hem stoten en Hem ongehoorzaam zijn; 1 Petr. 2:7-8 .
Hertaald:
op dien steen valt,
Dat is: zij die zich aan Hem stoten en Hem ongehoorzaam zijn; 1 Petr. 2:7-8.
op wien hij valt,
Namelijk door de zwaarte zijns oordeels en zijner straf; Ps. 2:9 .
Hertaald:
op wien hij valt,
Namelijk door de zwaarte van Zijn oordeel en Zijn straf; Ps. 2:9.
verspieders uit,
Of, laagleggers.
Hertaald:
verspieders uit,
Of: hinderlaagleggers.
rechtvaardig te zijn;
Dat is, als die oprecht met Hem wilden handelen, en niet gaarne iets zouden doen of lijden, dat onrecht ware, of tegen Gods bevel.
Hertaald:
rechtvaardig te zijn;
Dat is: alsof zij oprecht met Hem wilden handelen en niet graag iets zouden doen of dulden wat onrechtvaardig of tegen Gods gebod zou zijn.
vangen mochten,
Dat is, behalen, of achterhalen, of zijne rede berispen.
Hertaald:
vangen mochten,
Dat is: betrappen of achterhalen, of iets op Zijn woorden aan te merken hebben.
den persoon niet aanneemt,
Grieks aangezicht. Zie der verklaring Matt. 22:16 .
Hertaald:
den persoon niet aanneemt,
Grieks: aangezicht. Zie de verklaring bij Matth. 22:16.
ons geoorloofd
Namelijk die wij Joden en Gods volk zijn, aan een heidensen keizer. Van deze schatting, zie Matt. 17:24 .
Hertaald:
ons geoorloofd
Namelijk wij, die Joden en Gods volk zijn, aan een heidense keizer. Zie over deze belasting Matth. 17:24.
penning;
Grieks denarius; waarvan zie Matt. 22:19 .
Hertaald:
penning;
Grieks: denarius; zie daarover Matth. 22:19.
vatten voor het volk;
Of, behalen, achterhalen. Of, zijn woord berispen.
Hertaald:
vatten voor het volk;
Of: betrappen, achterhalen. Of: iets op Zijn woord aan te merken hebben.
Sadduceën,
Van de leer der Sadduceën, zie breder Hand. 23:8 .
Hertaald:
Sadduceën,
Zie over de leer van de Sadduceeën uitvoeriger Hand. 23:8.
tegensprekende zeggen,
Grieks tegenspreken; namelijk de rechte leer van deze zaak.
Hertaald:
tegensprekende zeggen,
Grieks: tegenspreken; namelijk de juiste leer over deze zaak.
geschreven
Dat is, in zijne schriften bevolen, Deut. 25:5 .
Hertaald:
geschreven
Dat is: in zijn geschriften bevolen, Deut. 25:5.
zaad verwekken
Dat is, een zoon bij haar gewinnen, die des eersten broeders naam zou dragen en zijn erfgenaam zijn.
Hertaald:
zaad verwekken
Dat is: bij haar een zoon verwekken die de naam van de eerste broer zou dragen en zijn erfgenaam zou zijn.
de zeven,
Dat is, de andere vier tot zeven toe.
Hertaald:
de zeven,
Dat is: de andere vier, tot zeven toe.
dezer eeuw trouwen,
Door dezen worden verstaan, niet de wereldse mensen, gelijk Luc. 16:8 , maar degenen, die in deze wereld leven; want het huwelijk is eerlijk onder allen, Hebr. 13:4 .
Hertaald:
dezer eeuw trouwen,
Daarmee worden niet de wereldse mensen bedoeld, zoals in Luk. 16:8, maar zij die in deze wereld leven. Want het huwelijk is eerbaar onder allen, Hebr. 13:4.
geacht zijn
Namelijk van God uit genade, 2 Thess. 1:5 , 2 Thess. 1:11 , alzo wordt dit woord ook genomen in Luc. 21:36 .
Hertaald:
geacht zijn
Namelijk door God, uit genade, 2 Thess. 1:5, 2 Thess. 1:11. Zo wordt dit woord ook gebruikt in Luk. 21:36.
die eeuw te verwerven
Dat is, het eeuwige leven en de opstanding ter heerlijkheid in de toekomende eeuw. Want de goddelozen zullen ook opstaan, maar ter verdoemenis, Joh. 5:29 .
Hertaald:
die eeuw te verwerven
Dat is: het eeuwige leven en de opstanding tot heerlijkheid in de toekomende eeuw. Want de goddelozen zullen ook opstaan, maar tot de verdoemenis, Joh. 5:29.
zijn kinderen Gods,
Namelijk geopenbaard in heerlijkheid, dewijl zij der zalige opstanding deelachtig zijn. Zie 1 Joh. 3:2 .
Hertaald:
zijn kinderen Gods,
Namelijk geopenbaard in heerlijkheid, aangezien zij deel hebben aan de zalige opstanding. Zie 1 Joh. 3:2.
Mozes
Christus bewijst de opstanding der doden uit de schriften van Mozes, omdat de Sadduceën dezelve daartegen hadden voorgebracht.
Hertaald:
Mozes
Christus bewijst de opstanding van de doden uit de geschriften van Mozes, omdat de Sadduceeën die daartegen hadden aangevoerd.
aangewezen bij het doornenbos,
Of, te kennen gegeven, getoond; namelijk in de beschrijving van de verschijning des Heeren in het doornenbos.
Hertaald:
aangewezen bij het doornenbos,
Of: te kennen gegeven, getoond; namelijk in de beschrijving van de verschijning van de HEERE in het braambos.
als hij den Heere noemt den God Abrahams,
Van de kracht van deze besluitrede zie Matt. 22:32 .
Hertaald:
als hij den Heere noemt den God Abrahams,
Zie over de kracht van deze bewijsvoering Matth. 22:32.
zij leven Hem allen
Namelijk niet alleen naar de ziel, die onsterflijk is, maar ook naar het lichaam, omdat hetzelve weder opgewekt zal worden, en bij God alle toekomende dingen reeds als tegenwoordig zijn; Rom. 4:17 .
Hertaald:
zij leven Hem allen
Namelijk niet alleen naar de ziel, die onsterfelijk is, maar ook naar het lichaam, omdat dat weer opgewekt zal worden — en omdat bij God alle toekomende dingen al als tegenwoordig zijn; Rom. 4:17.
zij durfden Hem niet meer iets vragen
Namelijk de schriftgeleerden. Zie Marc. 12:34 .
Hertaald:
zij durfden Hem niet meer iets vragen
Namelijk de schriftgeleerden. Zie Mark. 12:34.
hoe is Hij zijn Zoon?
Dat is, indien Hij alleen een zoon Davids, dat is een bloot mens uit David is, hoe noemt hem dan David, die een souverein koning was, en geen heer boven zich erkende dan God alleen, zijnen Heere. Waarop zij niet konden antwoorden, omdat zij den Messias niet hielden waarachtig God te zijn.
Hertaald:
hoe is Hij zijn Zoon?
Dat is: als Hij alleen een zoon van David is — dat is: enkel een mens uit David — hoe noemt David Hem dan zijn Heere, terwijl hij zelf een soeverein koning was en boven zich geen heer erkende dan God alleen? Daarop konden zij niet antwoorden, omdat zij de Messias niet voor waarachtig God hielden.
lange klederen,
Grieks Stolais. Zie Marc. 12:38 .
Hertaald:
lange klederen,
Grieks: stolai. Zie Mark. 12:38.
maaltijden;
Grieks avondmalen.
Hertaald:
maaltijden;
Grieks: avondmaaltijden.
huizen opeten,
Dat is, de middelen, waardoor zij hare huisgezinnen zouden onderhouden.
Hertaald:
huizen opeten,
Dat is: de middelen waarmee zij hun huisgezinnen zouden onderhouden.
zwaarder
Grieks overvloediger.
Hertaald:
zwaarder
Grieks: overvloediger.
oordeel ontvangen
Dat is, straf in het oordeel.
Hertaald:
oordeel ontvangen
Dat is: straf in het oordeel. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het verbond niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe In de laatste week komen de partijen om beurten met een strikvraag. De Sadduceeën zijn aan de beurt; zij geloven niet in een opstanding, en zij denken die te weerleggen met een geval dat zij zelf bedacht hebben. Hij bewijst de opstanding uit één zin bij een doornstruik, en het bewijs zit in twee kleine woorden. **De vraag.** Zeven broers achter elkaar getrouwd met dezelfde vrouw, allen kinderloos gestorven. Van wie is zij in de opstanding? Zij menen dat de zaak daarmee belachelijk gemaakt is. **Het eerste antwoord.** Zij rekenen met de toekomst alsof die een verlengstuk van nu is. Maar wie die eeuw verwerft, trouwt niet meer, kan niet meer sterven, en is de engelen gelijk. **Het tweede antwoord, en dat is het merkwaardige.** Hij haalt geen profeet aan over de opstanding — Jesaja 26 of Daniël 12 lagen voor de hand. De Sadduceeën erkenden vooral de boeken van Mozes, en dus gaat Hij dáárheen. De kanttekening merkt dat op: Christus bewijst de opstanding uit de geschriften van Mozes, omdat de Sadduceeën juist die ertegen hadden aangevoerd. **Waar Hij het vandaan haalt.** Uit het doornenbos: “En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij den Heere noemt den God Abrahams, en den God Izaks, en den God Jakobs.” Dat is de verbondsnaam. Zo stelde God Zich voor toen Hij Mozes riep, en zo heet Hij door heel het Oude Testament heen. **Wat er in die naam zit.** “God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen.” Abraham was al eeuwen dood toen dit gezegd werd. En toch zegt God niet: Ik wás hun God. Hij zegt: Ik ben het. Daar staat het verbond in zijn kortste vorm. Een verbond met iemand die er niet meer is, is geen verbond. Als God Zich nog steeds naar die drie namen noemt, dan houdt Hij hen ergens vast. **Waarom dit de verbondslijn afmaakt.** Die lijn loopt van een boog in de wolken naar een eed op Moria. Van bloed bij een berg naar een woord over het huis van David, en zo tot een nieuw verbond in het hart. Al die verbonden waren met mensen die stierven. Hier zegt Christus dat de dood aan het verbond niets afdoet — en Hij zegt het met een vervoeging van een werkwoord. De kanttekening voegt er nog iets aan toe. Zij leven niet alleen naar de ziel maar ook naar het lichaam, want dat zal opgewekt worden; en bij God zijn alle toekomende dingen al tegenwoordig. In het Nieuwe Testament: Exodus 3:6; Exodus 3:15; Genesis 17:7; Hebreeën 11:16; Romeinen 4:17; Mattheüs 22:32 Hoever dit reikt: Christus haalt Exodus 3 uitdrukkelijk aan; daarop rust het niveau. Dat Hij uit de boeken van Mozes redeneert, verklaart de kanttekening uit de opvattingen van de Sadduceeën. Wat het gelijk zijn aan de engelen precies inhoudt, wordt hier niet uitgewerkt.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Lukas 20
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Een God der levenden — 20:27-38
Wat betekenen de niveaus?


Lukas 20
Lukas 20:1-8.KruisverwijzingenJohannes 2:18→Mattheüs 21:26→Handelingen 7:27→Markus 11:28→Exodus 2:14→Lukas 15:18→Mattheüs 11:9→Handelingen 4:1→
— En het geschiedde in een van die dagen, als Hij in den tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen, En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, door wat macht Gij deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven? En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij: De doop van Johannes, was die uit den Hemel, of uit de mensen? En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd? En indien wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was. En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was. En Jezus zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.
“En het geschiedde in een van die dagen, als Hij in den tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen, En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, door wat macht Gij deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven? En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij: De doop van Johannes, was die uit den Hemel, of uit de mensen? En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd? En indien wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was. En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was. En Jezus zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.”
De overpriesters en Schriftgeleerden kwamen met een strikvraag, in de hoop Hem in Zijn eigen woorden te vangen. Maar Christus doorziet elke strik en stelt hun een tegenvraag die hen op hun eigen onoprechtheid vastzet. Zij hadden de doop van Johannes zelf al veroordeeld door haar niet te ontvangen, en durfden dat nu niet hardop te zeggen omdat het volk Johannes als profeet eerde. Zo wordt hun eigen weigering om de waarheid te erkennen hun de mond gesnoerd; wie de waarheid van gisteren niet aanvaardt, heeft geen recht op een antwoord vandaag.
Lukas 20:9-16.KruisverwijzingenMattheüs 3:17→Lukas 19:27→Markus 12:1→Mattheüs 21:33→Johannes 3:16→Hooglied 8:11→Jesaja 5:1→Nehemia 9:26→
— En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok een langen tijd buitenslands. En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig heen. En wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen. En wederom zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit. En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien. Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde. En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen? Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre!
“En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok een langen tijd buitenslands. En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig heen. En wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen. En wederom zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit. En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien. Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde. En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen? Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre!”
Het is al lang geleden dat Jezus ons verliet, en Hij is nog niet teruggekeerd. Velen zeggen dat Hij zeer spoedig zal wederkomen; anderen zeggen: de Heere vertraagt Zijn komst. Zo redeneerde de heer van de wijngaard niet: hij zond eerst de een, dan de andere dienstknecht, met lankmoedig geduld dat elk teken van hoop een nieuwe kans gunt.
Zij worden steeds vermetelder en bozer, ziet u wel; eerst slaan, en dan schandelijke behandeling aan de eerdere wreedheid toevoegen. Mensen komen niet in één keer tot het bespotten van de godsdienst en het vervolgen van haar voorstanders; dat is een kunst die satan langzaam aanleert. Zij worden deze keer nog gewelddadiger; het komt tot werkelijke verwonding, en tot het buitenwerpen van de knecht.
Wat een vreemd ogenblik is dit: wanneer de Heere Zelf tot Zichzelf komt en zegt: wat zal Ik doen? Hier is oneindige wijsheid als het ware in het nauw gebracht; en in die uiterste nood is dit het laatste redmiddel van de Heere. U kent het verhaal hoe deze geliefde Zoon van de Allerhoogste enkel liefde en ontferming was. En toch wierpen mensen Hem met wrede handen buiten Gods oude wijngaard, en kruisigden Hem, in de hoop dat zij dan als heren van Gods erfdeel zouden mogen blijven.
Welke straf kan toereikend zijn om zulk een misdaad te vergelden? Welke wraak zal uitgestort worden over hen die Hem gedood hebben, Die kwam om hun goed te doen? En toch: hij deed het, hij verstrooide de Joden en gaf het Koninkrijk, voor een tijd althans, aan de heidenen, en zij horen het Evangelie dat de Joden verworpen hebben. Dat is precies wat u en ik ook zouden zeggen, want ook wij hebben de gezegende Heere van de wijngaard en Zijn geliefde Zoon slecht behandeld. Laat ons, opdat ons de erfenis niet ontnomen wordt, de vrucht afstaan aan Hem Die het meeste recht daarop heeft.
Lukas 20:27-40.KruisverwijzingenDaniël 12:2→2 Thessalonicenzen 1:5→Mattheüs 22:46→Lukas 16:8→Johannes 5:29→Handelingen 5:41→Mattheüs 22:30→Exodus 3:2→
— En tot Hem kwamen sommigen der Sadduceen, welke tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem. Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broeder sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal, en zijn broeder zaad verwekken. Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen. En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen. En de derde nam dezelve vrouw; en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven. En ten laatste na allen stierf ook de vrouw. In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven; Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden; Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn. En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij den Heere noemt den God Abrahams, en den God Izaks, en den God Jakobs. God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen. En sommigen der Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! Gij hebt wel gezegd. En zij durfden Hem niet meer iets vragen.
“En tot Hem kwamen sommigen der Sadduceen, welke tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem. Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broeder sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal, en zijn broeder zaad verwekken. Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen. En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen. En de derde nam dezelve vrouw; en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven. En ten laatste na allen stierf ook de vrouw. In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven; Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden; Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn. En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij den Heere noemt den God Abrahams, en den God Izaks, en den God Jakobs. God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen. En sommigen der Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! Gij hebt wel gezegd. En zij durfden Hem niet meer iets vragen.”
Nu de doden opgewekt worden, heeft ook Mozes zelf het aangetoond bij het doornenbos. Daar noemt hij de Heere de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob. Hij is niet een God van doden, maar van levenden — voor Hem leven zij allen. Wij zijn onze geliefden door hun sterven niet kwijt; zij zijn er nog, en zij zijn nog van ons. Zoals Abraham niet verloren is voor Izak, of voor Jakob, of voor God, of voor zichzelf, zo zijn onze geliefden voor ons evenmin verloren. Laten wij dan niet aan hen denken alsof zij verloren waren.
Onze smart maakt wel een tocht naar het graf om de gestorvenen te zoeken. Wij willen dat deksel van de kist lichten en het lijkkleed loswikkelen. Maar Hij is daar niet; de werkelijke mens is heengegaan. Hij mag voor ons een tijd lang dood zijn, maar hij leeft voor God. Ja, de gestorvene leeft. De engelen van onze Zaligmaker zullen hun gouden bazuinen doen klinken. Op dat welkome geluid zal het graf zijn poorten openen en zijn gevangenen loslaten: uw broeder zal weder opstaan. Vertroost dus elkaar met deze woorden.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-8. Alles wat de evangelist in deze groep van vier verhalen bericht, viel binnen de tempel voor, nog voordat de Heere van deze gescheiden was. Sinds de vorige avond (Hoofdstuk 19: 47) hadden de medeleden van de Hoge raad beraadslaagd en hadden nu een reeks van vragen te berde gebracht, waarmee zij Jezus in verlegenheid zouden kunnen brengen, of Hem een antwoord ontlokken, waardoor Hij Zich zeker óf voor het volk óf voor de Joodse en heidense machten zou blootgeven. Wat nu de eerste vraag, die voor ons ligt, betreft, de vraag naar Zijn macht om zo te handelen, zo verwachtte men zeker dat Hij Zich voor de Zoon van God zou verklaren en had dan het plan Hem van godslastering te beschuldigen; maar nog was voor Jezus het uur niet gekomen om als het offer van zo’n beschuldiging te vallen, integendeel was het voor de tegenstanders juist nu de tijd, om door Hem tot schande gemaakt te worden (vgl. MATTHEUS. 21: 23-27. Mark. 11: 27-33).
1. En a)het gebeurde in een van die dagen, waarvan in Hoofdstuk 19: 47 gesproken is, toen Hij in de tempel het volk leerde, namelijk op de dinsdag van de lijdensweek en Hij het evangelie verkondigde, dat de overpriesters en schriftgeleerden met de ouderlingen, afgezanten van de Hoge raad, daarover kwamen.
Hand. 4: 7; 7: 27.
2. En tot Hem zeiden: Zeg ons door welke macht Gij deze dingen doet, die Gij gisteren deed, namelijk de uitdrijving van de kopers en verkopers (Hoofdstuk 19: 45 v); of, omdat wij de onmiddellijk goddelijke zending waarop Gij u misschien zult beroepen, niet kunnen erkennen, wie hij onder de mensen is, die U deze macht heeft gegeven. Wij die alleen het recht hadden geen volmacht te geven, hebben U geen gegeven.
3. En Hij antwoorddeen gaf hun onmiddellijk bescheid, maar daarom juist slechts onmiddellijk, omdat Hij hen ook hun onbekwaamheid wilde laten voelen tot het ambt, in welke autoriteit zij kwamen 21: 27″). Hij zei dan tot hen: Ik zal u ook een woord vragen en zeg Mij hoe het is, dan zal Ik u ook zeggen, door welke macht Ik deze dingen doe.
4. De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen?
5. En zij overlegden onder elkaar, zeggende. Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij zeggen: Waarom heeft u hem dan niet geloofd in hetgeen hij van Mij getuigd heeft?
6. En als wij zeggen: Uit de mensen dan zal het volk ons stenigen; dat zou ten minste bij de tegenwoordige stemming van het volk niet onmogelijk zijn (Hoofdstuk 19: 37 v. en 48); want zij, het gemene volk, houden voor zeker dat Johannes een profeet was.
7. En zij antwoordden dat zij niet wisten vanwaar die was, menend dat in hun toestand dit nog het antwoord was, waarmee zij het best uit die strik konden komen.
8. En Jezus zei tot hen: Dan zeg Ik u ook niet door welke macht ik deze dingen doe, want dan kan met u over de zaak niet worden gesproken.
In het “daarover kwamen” (vs. 1) wordt het overleg in het meer of minder plechtige in het optreden van deze mannen aangeduid. Het is een wel georganiseerde, zeker niet zonder rijp overleg bij elkaar gebrachte deputatie uit het Sanhedrin, welker verschillende bestanddelen (Uit 2: 4) daarin zorgvuldig zijn vertegenwoordigd, zodat dit gezantschap kan worden vergeleken met een dergelijk (Joh. 1: 19 vv. ), dat eens tot Johannes de Doper was afgezonden. De hoogste geestelijke macht in Israël was zeker volkomen bevoegd een nauwkeurig onderzoek over het openbare gezag van alle leraars, die openlijk optraden, in te stellen en de Heere toont door hen te woord te staan dat Hij het theocratisch karakter van de sprekers erkent en niet ongeneigd is om te antwoorden. De beide vragen in vs. 2 drukken niet met andere woorden hetzelfde uit, maar zijn zo te onderscheiden dat het eerste lid een verklaring is over de hemelse zending, het tweede de aanwijzing wil aangeven welke godsgezant Hem indirect tot die werkzaamheid heeft ingewijd. Maar Jezus kon hen daarop niet antwoorden, zolang zij zich van hun kant over Johannes, die Zijn wegbereider en voorloper was, niet bepaald hadden verklaard.
De vraag die Hij stelt is niet een geschikt middel om er af te komen; zij is door de aard van de zaken geboden. Jezus was toch juist door bemiddeling van de Doper bij het volk van Godswege bevestigd. De erkenning van Zijn macht hing dus werkelijk af van de erkenning van Johannes ambt.
Deze godsgezant hadden zij door een formele deputatie over zijn waardigheid laten ondervragen, hij had hen geantwoord en een teken gegeven tot beproeving van zijn echt goddelijke opdracht, dat de Messias onder hen was (Joh. 1: 26). In plaats van zich nu ten gevolge van deze legitimatie door Johannes te laten dopen en de door hem aangewezen Messias met ernst te zoeken, lieten deze valse herders Johannes aan zijn lot over en lieten zij het volk, dat zij over de bezoeking van God hadden moeten onderrichten, in het duistere. Deze huichelachtige onreinheid openbaart de Heere hen; Zijn tegenvraag moet dus niet worden opgevat als een afwijzing van de tot Hem gerichte vraag, integendeel ligt daarin het antwoord verborgen, maar als positief de Farizeeën bestraffend.
De gedachten van hun hart, die toch zeker hier niet tot woorden werden, worden door alle drie de evangelisten evenwel als een uitwendig zekere gebeurtenis voorgesteld. Alleen wat zij konden zeggen en wat Hij dan zou zeggen, bedenken zij, niet wat juist en waar voor God in het geweten is en toch spreekt hun vooruitziend geweten al hun eigen oordeel: “Waarom heeft u hem dan niet geloofd?” Dat is een vraag uit Zijn mond, die zij tot iedere prijs zouden willen vermijden; daarenboven vrezen zij voor het volk en kunnen zij het daarom niet wagen de waarheid te loochenen, die zij niet willen bekennen. Hun boze slimheid vindt wel snel nog een derde daar tussen, maar juist daardoor wordt zij geheel en al tot dwaasheid – de verheven heren, die anders met hun weten overal bij de hand waren, openbaren na een trotse vraag voor
het rondom staande volk hun naaktheid om in een zaak, die hun ambt bijzonder aangaat en voor Israël hoofdzaak is, te zeggen: “Wij weten het niet. “
De huichelaars houden de waarheid in ongerechtigheid te onder (Rom. 1: 18).
Als de vijanden van de Heere niet eens op één vraag kunnen antwoorden, wat zal het dan zijn als Hij hen duizend vragen voorlegt!
II. Vs. 9-19. De afgezondenen door de Hoge Raad zijn zelf de oorzaken dat zij geen antwoord ontvangen op hun vraag: “Door welke macht doet Gij deze dingen?” hoewel zij ook in hun geweten voelden welk antwoord alleen daarop het ware was. Nu verkrijgen zij echter een welsprekend antwoord op een andere vraag, die voor de hand ligt: door welke macht zij doen wat zij doen, als zij Hem naar het leven staan, die voldoende door de getuigenis van Johannes en door eigen woorden en werken als Gods Zoon is aangewezen? De gelijkenis van de boze wijngaardeniers spreekt onverholen uit dat de macht van de duisternis hun harten regeert en hun besluiten beheerst, maar spreekt ook met onweerstaanbare zekerheid uit welke straf hen wacht, zodat zij er in het geheel niet meer over in twijfel kunnen zijn, of aan hen een profetische voorspelling zal worden vervuld (vgl. MATTHEUS. 21. 33-46 Mark. 12: 1-12).
9. a) En Hij begon na afwijzing van deze deputatie van de Hoge Raad tot het volk, in welks onderwijzing Hij gestoord was, deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard en hij verhuurde die aan landlieden en trok een lange tijd buiten het land.
Ps. 80: 9. Jes. 5: 1. Jer. 2: 21; 12: 10.
10. En toen het de tijd was zond hij tot de landlieden een dienstknecht, zodat zij hem van de vrucht van de wijngaard geven zouden; maar de landlieden sloegen die en zonden hem leeg heen.
11. En weer zond hij nog een andere dienstknecht; maar ook die sloegen zij, handelden smadelijk met hem en zonden hem leeg heen.
12. En weer zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook deze en wierpen hem uit.
13. En de heer van de wijngaard zei: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon zenden; mogelijk zullen zij deze ontzien wanneer zij hem zien.
14. Maar toen de landlieden hem zagen overlegden zij onder elkaar en zeiden: a) Deze is de erfgenaam, b) kom, laat ons hem doden, opdat de erfenis van ons wordt.
Ps. 2: 8. Hebr. 1: 2. b) Gen. 37: 18. Ps. 2: 1 MATTHEUS. 26: 3; 27: 1. Joh. 11: 53.
15. En toen zij hem buiten de wijngaard geworpen hadden doodden zij hem. Wat zal dan de heer van de wijngaard hen, die boze wijngaardeniers, doen?
Het gedrag van de boze “landlieden” is een levendige voorstelling van het gedrag van de mensen jegens God. Het is een getrouw tafereel van de geschiedenis van de Joodse kerk. In weerwil van de voorrechten, zoals nooit een natie genoten heeft, in het gezicht van waarschuwingen, zoals nooit een natie ontvangen heeft, rebelleerden de Joden tegen Gods wettig gezag, weigerden Hem te geven wat Hem rechtmatig toekomt, verwierpen de raad van Zijn profeten en kruisigden eindelijk Zijn eniggeboren Zoon. Het is een niet minder getrouw tafereel van de geschiedenis van alle heiden-Christelijke kerken. Geroepen uit een heidense duisternis door oneindige barmhartigheid, hebben zij niets gedaan dat de roeping, waarmee zij geroepen waren, waardig was. Integendeel, zij hebben valse leringen en boze handelingen weelderig onder hen laten ontkiemen en Christus als opnieuw gekruisigd. Het is een treurige zaak, dat in hardheid, ongeloof, bijgeloof en eigengerechtigheid, de Christelijke kerken, over het geheel genomen, weinig beter zijn dan de Joodse kerk was in de tijd van onze Heer. Beiden worden beschreven met treurige nauwkeurigheid in de gelijkenis van de boze landlieden. In beiden kunnen wij op talloze miskende voorrechten en talloze verachte waarschuwingen wijzen. Het gedrag van de heer van de wijngaard is een levendige voorstelling van Gods handelwijze met de mensen. Het is een getrouw tafereel van Zijn barmhartige handelingen jegens de Joodse kerk. De ene profeet na de andere werd gezonden om Israël voor zijn gevaar te waarschuwen. De ene afgezant na de anderen werd herhaaldelijk gezonden, in weerwil van het onrecht en de beledigingen, die men de afgezanten aandeed. Het is een niet minder getrouw tafereel van Zijn barmhartige handelwijze jegens de Christen-kerken. Gedurende achttienhonderd jaren heeft Hij haar gedrag verdragen. Zij hebben Hem herhaalde malen veracht door valse leerstellingen, bijgeloof en verachting van Zijn woord. Toch heeft Hij haar blijvend tijden van verkoeling geschonken, heilige leraars en krachtige hervormers opgewekt en haar, niettegenstaande al de vervolgingen, niet afgesneden. De kerken van Christus hebben geen recht om te roemen. Zij zijn niet minder dan de Joden in de tijd van onze Heer, talloze barmhartigheden aan God verschuldigd. Haar is niet naar haar zonden gedaan en niet naar haar ongerechtigheden vergolden. Die straf van de boze landlieden is een levendige voorstelling van Gods laatste handelwijze met degenen die nog in de boosheid voortgaan. In de tijd toen onze Heer deze gelijkenis sprak, was zij een profetisch tafereel van de naderende val van de Joodse kerk en natie. De wijngaard van de Heere in het land van Israël zou spoedig zijn ontrouwe bewaarders ontnomen worden. Jeruzalem zou verwoest worden. De tempel zou verbrand worden. De Joden zouden over de aarde verspreid worden. Van deze tijd, wij mogen het vrezen, is het een treurige schets van zaken, die nog over de Christen-kerken in de laatste dagen komen zullen. De oordelen van God zullen nog over de ongelovige Christenen komen, zoals zij over de Joden gekomen zijn. De plechtige waarschuwing van Paulus aan de Romeinen moet nog eenmaal vervuld worden: Als u in de goedertierenheid blijft, anderszins zult ook u afgehouwen worden. (Rom. 11: 22).
16. Zoals u zelf moet toestemmen zal hij komen en deze landlieden verderven en zal de wijngaard aan anderen geven. En toen zij dat hoorden zeiden zij: Dat zij verre! (“Uit 21: 41”).
17. Maar Hij zag hen aan en zei: Wat is dan dit, dat a) geschreven staat (Ps. 118: 22): De steen, die de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd van een hoek geworden?
Jes. 8: 14; 28: 16. Hand. 4: 11. Rom. 9: 33. 1 Petrus 2: 4, 7.
18. a)Een ieder, die op die steen valt, zal verpletterd worden b) en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.
Jes. 8: 15. Zach. 12: 3. b)Dan. 2: 34.
Een geschiedenis van eeuwen in weinige minuten verteld! Gods weg en raad met Israël door Israël miskend en versmaad: 1) de genadige verkiezing (vs. 9), 2) het langdurende genadewerk (vs. 10-12), 3) de volheid van de tijd (vs. 13), 4) de gruwelijkste misdaad (vs. 14), 5) de rechtvaardige straf (vs. 16-18), 6) de in zegen veranderde vloek (vs. 16) (Rom. 11: 11 v. ).
De geschiedenis van Israël is de geschiedenis van de mensheid in het klein. Zoals God Zich steeds gelijk gebleven is in Zijn liefde jegens de mensen, zo zijn de mensen steeds aan zichzelf gelijk gebleven in hun verharding tot de Heere. Nog altijd heerst dezelfde vijandschap en hetzelfde verzet tegen Hem en tegen Zijn gebod, dezelfde tegenzin tegen Jezus en tegen alles wat met Jezus in de wereld samenhangt. Men roemt zeer dat fijne zeden, beschaving, verdraagzaamheid en vrijheid van de geest het karakter van onze tijd uitmaken, ach, en er is tegenwoordig nog dezelfde lust om de Zoon van God te brandmerken in Zijn leden en Hem evenals 1800 jaren geleden uit te werpen! “Laat ons Hem doden!” dat is het bewuste of onbewuste woord van de tijdgeest. “Laat ons Hem doden!” zo heet het in de wetenschap en de filosofie, die alles in het werk stelt om zich van Gods woord zo volkomen als mogelijk is vrij te maken. “Laat ons Hem doden!” zo heet het in de kunst, die in haar beelden de geest van het heidendom veelal de voorrang geeft boven de stempel van het Christendom. “Laat ons Hem doden!” zo heet het in de politiek van de volken, in de huishoudingen van de bijzondere regeringen, in het onderricht van de hogere scholen, in de huiselijke opvoeding van de kinderen, in de grondstellingen van de wereldlijke en burgerlijke verenigingen. Overal hetzelfde geroep, dezelfde taal, nu een ontsproten uit een lichtzinnigheid, die alles wat niet met haar lusten overeenstemt dadelijk verwerpt en in de mening leeft dat de mens kerk noch gebed nodig heeft, dat hij zonder die kan klaar komen, dat het doel van het leven genieten en niets dan genieten is. Hier komt het voort uit al te groot verstand, dat door inbeelding en zelfbedrog zijn grote beperktheid niet eens inziet, dat op het verst verwijderd gebied thuis is, maar omtrent eigen hart geen antwoord weet en de steen der wijzen denkt te hebben gevonden, omdat zij het twijfelachtig maakt dat de bijbel Gods woord en Jezus Gods Zoon is. Dan weer komt het voort uit een trotsheid en eigengerechtigheid, die zichzelf te goed houdt in de volheid van haar deugden en verdiensten om nog bekering nodig te hebben en een eis van deze aard voor de grootste belediging houdt.
19. En de Overpriesters en de Schriftgeleerden, die ook volgens Hoofdstuk 19: 48 het voornemen hadden opgevat om Hem te doden, probeerden in diezelfde tijd de handen aan Hem te slaan, maar zij vreesden het volk, daarom wachtten zij zich nog eerst voor zo’n daad van geweld, hoewel die in hun hart besloten was; want zij begrepen dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.
Er ligt iets tragisch in de ontzettende blindheid waarmee zij op hetzelfde ogenblik waarop zij bewijzen dat zij de gelijkenis maar al te goed begrijpen, zich gereed maken om ook de door
de Heere daarbij gevoegde profetie te vervullen en de steen te verwerpen, die hen spoedig zal verpletteren.
De wereld is tegen de abstracte waarheid niet zo vijandig en vol haat, als tegen haar concrete getuigen.
III. Vs. 20-40. Lukas kon de koninklijke maaltijd, die met de vorige afdeling nauw samenhangt, voorbijgaan, omdat hij de daarmee overeenkomende van het grote avondmaal in Hoofdst. 14: 16 vv. heeft aangevoerd. Hij gaat daarom dadelijk over tot de vraag van de Farizeeën naar de rechtmatigheid van het betalen van schatting aan de Romeinse keizers en tot de vraag van de Sadduceeën over de mogelijkheid van de opstanding. De eersten worden zo beantwoord, dat zij Jezus noch als oproermaker tegen de Romeinse overheid kunnen aanklagen, noch het volk tegen Hem kunnen opzetten als tegen een verrader van het vaderland. De anderen worden zo overtuigend uit Mozes zelf van hun onbekendheid met de Schrift overtuigd, dat ook de Schriftgeleerden, die tot zo’n bewijsvoering tot hiertoe te zwak waren geweest, deze Meester bijval betuigden (vgl. Matth. 22: 15-33. Mark. 12: 13-27).
20. En Zij namen Hem waar en zonden verspieders, die zichzelf veinsden rechtvaardig te zijn en nu op een vraag, die hun godsdienstig geweten bezwaarde, bij Hem antwoord kwamen zoeken. Zij deden dit zodat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, als Hij, zoals zij in de eerste plaats wensten, daarop een Nee ten antwoord gaf, om Hem als een openbaren oproermaker en opruier tegen de Romeinse keizer aan de heerschappij en de macht van de stadhouder over te leveren, zodat Hij door deze zou worden ter dood veroordeeld.
21. En zij vroegen Hem, hun zaak op slim berekende wijze zo inrichtende dat Hij Zich zou laten verleiden de gewenste beslissing van een nee te geven: Meester! Wij weten dat Gij recht spreekt en leert en de persoon niet in aanmerking neemt, maar de weg van God leert in waarheid.
22. Is het ons wel, omdat toch volgens Deut. 17: 15 geen vreemdeling over Gods volk moet heersen, geoorloofd de keizer schatting te geven of is het niet integendeel volgens die wet plicht haar niet te betalen?
23. En Hij bemerkte hun arglistigheid (2 Kor. 11: 14) en zei tot hen: Wat verzoekt u Mij?
24. Toon Mij een penning. En toen zij die tot Hem gebracht hadden ging Hij voort: Wiens beeld en opschrift heeft hij? En antwoordden: Van de keizer.
25. En Hij zei tot hen: Geef dan de keizer wat van de keizer is (Rom. 13: 7) en God dat wat van God is, namelijk uw hart (Hoofdstuk 15: 8. Spr. 23: 26. ).
26. En zij konden Hem in Zijn woord, hoewel Hij hen een ja ten antwoord had gegeven, hoewel zij zich voor dat geval hadden voorgenomen het volk tegen Hem op te zetten, niet vatten voor het volk, omdat het zich binnen zo streng afgemeten grenzen hield dat van Israëls rechten niets werd prijs gegeven; en zich verwonderend over Zijn antwoord zwegen zij stil.
Ook deze smaad, die de Heere hier lijdt, dat men Hem in Zijn rede wilde vangen om Hem vervolgens aan het wereldlijk gericht over te leveren, is nog niet ten einde. Er zijn mensen die slechts tot het einde de Heilige Schrift lezen, of zelfs verklaringen daarvan schrijven om de Heere en de heilige profeten in de rede te vangen, zodat zij de wereld ertoe zouden brengen de bijbel als ieder ander boek te doen beschouwen.
27. a) En tot Hem kwamen sommige Sadduceeën, die menen dat er geen opstanding is en vroegen Hem:
a)Hand. 23: 8.
28. Meester! a) Mozes heeft ons geschreven: als iemands broer sterft, die een vrouw heeft en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal en voor zijn broer zaad verwekken.
a)Deut. 25: 5.
30. En de tweede nam die vrouw en ook deze stierf zonder kinderen.
31. En de derde nam diezelfde vrouw; en op dezelfe manier ook de zeven en hebben geen kinderen nagelaten en zijn gestorven.
32. En ten slotte na allen stierf ook de vrouw.
33. In de opstanding dan; wiens vrouw van deze zal zij zijn? want al die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.
34. En Jezus antwoordde hen: De kinderen van deze eeuw, de mensen die in dit tegenwoordig tijdsverloop leven, trouwen en worden ten huwelijk uitgegeven.
35. Maar die waardig geacht zullen worden die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen noch ten huwelijk uitgegeven worden.
36. Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn a) aan de engelen gelijk en zij zijn kinderen van God naar de wijze der engelen (Job 1: 6), omdat zij kinderen van de opstanding zijn.
1 Joh. 3: 2.
37. En dat de doden opgewekt zullen worden heeft ook Mozes aangewezen – al heeft hij het ook niet met woorden gezegd – bij de doornbos 22: 32), toen hij
a) de Heere de God van Abraham, Izaak en Jakob noemde.
Ex. 3: 6. Hand. 7: 32. Hebr. 11: 16.
38. God nu is niet een God van de doden, maar van de levenden: want zij leven voor Hem allen. Voor Hem zijn zij hierna evenals te voren als persoonlijke wezens, hoewel zij volgens de ervaring en de mening van de mensen hebben opgehouden te bestaan; zij wachten slechts op de herstelling van het volkomen leven ook ten opzichte van het lichamelijke.
Een zeer bijzondere opmerkzaamheid verdient de hoogst eigenaardige manier waarop de Heere hier de leer over de opstanding bekrachtigt. Ver verwijderd van het standpunt van de filosofen, die hun ideeën over onsterfelijkheid uit de natuur van de menselijke ziel proberen af te leiden en het betwijfelde uit het onbekende willen bewijzen, vindt Hij integendeel de meest vaste grond voor de hoop van het eeuwige leven in de persoonlijke gemeenschap van de mens met God. Maar hierdoor geeft Hij ook indirect te kennen dat men, om tot volle overtuiging van Zijn eigen onsterfelijkheid te komen, eerst van de persoonlijke gemeenschap met God verzekerd moet zijn en zichzelf daarvan bewust moet zijn geworden. De Sadduceeën wijst Hij daardoor op de inwendige grond van hun twijfel, die nergens anders in ligt dan in de scheiding van hun inwendig leven van God. Tevens wijst Hij de ware grond aan voor de hoop van de toekomst en de enige weg tot volkomen zekerheid daaromtrent. De godsdienst-filosofie en de apologetiek van vroegere en latere tijden zouden er zeker niets bij verloren hebben als zij dit voorbeeld getrouwer gevolgd waren en niet hadden getracht de onsterfelijkheid van de ziel ook voor degenen te bewijzen die nog niet in de levende God geloven en van een persoonlijke gemeenschap met Hem zelfs geen zwakke voorstelling hebben. De diepste ervaring van ons eigen hart leert ons dat zonder dat dit voorafgaat, het geloof aan onsterfelijkheid deels onzeker, deels zonder verkwikking is en dat men, zolang men God niet heeft gevonden, ook zichzelf verliest.
Een ontmoeting van Christus met de Sadduceeën, de loochenaars van de opstanding en de toekomstige wereld: 1) Hij ontdekt voor hen de grond van hun ongeloof. 2) Hij stelt de valse veronderstellingen ter zijde, waarop hun tegenwerpingen steunen; 3) Hij wijst de zekerheid van de opstanding zegevierend uit de Schrift aan.
39. En sommigen van de Schriftgeleerden antwoordden: Meester! gij hebt wel gezegd.
40. En zij durfden Hem niet meer iets vragen, zodat zij nader zouden beproefd hebben om Hem in Zijn rede te vangen.
Het dadelijke en verheven antwoord van Jezus, omdat Hij eensdeels juist uit Mozes (waarop het juist tegenover de Sadduceeën aankwam, die alleen diens boeken als heilige schrift erkenden) aanwees, dat van die kant geen tegenspraak van de goed begrepen geloofsleer omtrent de opstanding kon worden ontleend, aan de andere kant eveneens uit Mozes de onbetwistbare waarheid van die geloofsleer voorstelde, wekte de bewondering op, zelfs bij de Schriftgeleerden van de Farizese partij. Zij hadden zeker dikwijls geprobeerd om de Sadduceeën een beslist woord van Mozes voor te houden en hadden er geen gevonden; zij konden zich daarom niet terughouden hun blijde verrassing uit te spreken toen de Heere met zo weinig moeite diep graaft en een echte edelsteen uit de groeve te voorschijn brengt. De vraag van een Schriftgeleerde, wat het voornaamste gebod in de wet was, laat Lukas achterwege, omdat hij reeds een dergelijke geschiedenis in Hoofdst. 10: 25 vv. heeft
meegedeeld. Hij meldt daarom dadelijk dat Jezus’ tegenstanders, die inzagen hoe iedere strik die men Hem wilde leggen slechts aanleiding gaf tot een roemvolle openbaring van Zijn wijsheid, van nu aan van dit soort van aanvallen hebben afgezien.
IV. Vs. 41-44. In de eerste geschiedenis van de vorige groep, waarmee het opgaan van de Heere naar Jeruzalem tot Zijn lijden en sterven begon (Hoofdstuk 18: 31 vv. ), liet Hij het toe dat Hij nu openlijk als de Zoon van David, als de Messias werd uitgeroepen en wekte zelfs het gehele volk, dat Hem vergezelde tot deze erkentenis en belijdenis op, toen Hij nabij Jeruzalem te Betfage aan de Olijfberg kwam, door een profetische voorspelling te vervullen (Hoofdstuk 19: 29 vv. ). Nu Hij op het punt staat om van de tempel en de stad te scheiden, moet echter nog tot een nadere erkenning worden gedrongen, een erkenning die nog slechts het eigendom van enige ingewijden is (Uit 14: 33), dat namelijk Christus niet slechts Davids Zoon maar Gods Zoon is (vgl. MATTHEUS. 22: 41-46 Mark. 12: 35-37).
41. En Hij zei – een vraag weer opnemend, die waarschijnlijk al 32 jaar daarvoor bij Zijn eerste zijn in de tempel behandeld was 2: 45″) – tot hen, tot de Farizeeën en Schriftgeleerden, die rondom Hem stonden: Hoe zeggen zij, namelijk de Schriftgeleerden (Mark. 12: 35), dat de Christus, de verwachte Messias, Davids zoon is?
42. En David zelf zegt in het Boek Psalmen (Ps. 110: 1): De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand,
a)Hand. 2: 34. 1 Kor. 15: 25. Hebr. 1: 13; 10: 13.
43. Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank voor Uw voeten.
44. David dan noemt Hem Zijn Heere en stelt Hem daardoor met God gelijk: en hoe is Hij zijn zoon? Denkt toch na, hoe deze schijnbare tegenspraak kan worden weggenomen, zodat u nog een diepere kennis van de waardigheid van de Messias mag verkrijgen dan u tot hiertoe had.
In de gelijkenis van de wijngaardeniers (vs. 14 v. ) had Jezus Zijn dood aangekondigd en de bewerkers daarvan aangewezen. Nu weet Hij wel op grond van welke aanklacht men tegen Hem zal handelen; men zal Hem als godslasteraar veroordelen, omdat Hij Zich Gods Zoon heeft genoemd (Joh. 5: 18; 10: 33. MATTHEUS. 26: 65). Omdat Hij tevens voorzag dat het Hem voor zo’n rechtbank onmogelijk zou zijn Zijn zaak rustig te verdedigen, bewijst Hij vooraf voor het gehele volk en uit het Oude Testament zelf de Godheid van de Messias. Uit dezelfde psalm neemt de Heere bij Zijn antwoord op de bezwering van de Hogepriester (MATTHEUS. 26: 64) aanleiding tot Zijn voorspelling: “Van nu aan zult u zien de Zoon des mensen, komende ter rechterhand van de kracht van God en komende op de wolken van de hemel. “
Wee de Farizeeën en Schriftgeleerden, dat zij hun vijandschap tegen deze Jezus, hun Heere, niet lieten varen! Zij hadden een schone kroon in Zijn hand kunnen worden, nu zijn zij Hem echter tot een voetbank van Zijn voeten geworden.
In de zin “Christus is Davids Zoon” zeiden de Schriftgeleerden eigenlijk alleen dat Jezus een mens was als alle andere mensen, maar van koninklijk geslacht. Het was slechts de halve, niet de hele waarheid, evenals ook onze tijdgenoten, die ook Christus voor een bij uitnemendheid begaafde en deugdzame persoonlijkheid, maar toch altijd slechts voor een mens willen laten doorgaan, evenals zij en alle anderen zijn. Was Jezus werkelijk alleen dat en niets hogers geweest, dan had Hij het antwoord van de Farizeeën moeten prijzen en tot hen zeggen: “U heeft gelijk en Ik zie, dat gij in Mozes en de profeten zeer goed thuis bent; ” maar de Heere is in het geheel niet met het gegeven antwoord tevreden; Hij verlangt als van Christus, de Messias, sprake is, een dieper indringen in de uitspraken van de Schrift en in het wezen van Zijn persoon. Opmerkelijk sloot zich op deze manier de laatste rede, die Jezus in de tempel hield, aan het eerste woord aan, dat Hij daar op zijn twaalfde jaar had gesproken. Hij noemde zowel toen Hij scheidde als toen Hij begon, God Zijn Vader en Zichzelf Gods Zoon. Nog steeds is de vraag: “Wat dunkt u van de Christus?” de belangrijkste van alle vragen, de eigenlijke levensvraag van de duizenden jaren, de alfa en de omega van het hele Christendom. Is Christus niet Gods Zoon, dan zijn wij niet verzoend, dan is er geen gerechtigheid, die voor God geldt, dan mogen wij niet bidden: “Heere Jezus! ontferm u over mij!” dan hebben wij in het geheel geen zekerheid voor onze eeuwige zaligheid, dan is Hij niet bij ons al de dagen tot aan het einde van de wereld en als Hij een leugenaar was, dan zijn wij de ellendigsten onder alle schepselen. Maar God zij lof, zo is het niet!
Wat dunkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij? Een gewetensvraag aan allen, die zich naar Hem Christenen noemen:
1) het is tijd, dat wij ophouden haar bestendig te ontwijken;
2) het is nodig, dat wij ons beproeven wat wij daarop weten te zeggen; 3) het is zalig in het juiste antwoord zich van ganser harte te kunnen verheugen.
Is het dat de Schriftgeleerden, Sadduceeën of Farizeeën moe werden de Meester vragen voor te leggen, wier beantwoording hen telkens verstommen doet, daarom houdt Hij zelf wel niet minder de strijd met hen aan. Verdedigender wijze hen verslagen hebbend, valt Hij hen nu van Zijn kant aan met vragen tot diepzinnige waarheid en wijsheid! Van Zijn jeugd af was het Hem reeds eigen, beiden door Zijn ondervragingen en door Zijn antwoorden (Luk. 2: 46, 47) te doen versteld staan die Hem ondervroegen en hoorden. Het is opnieuw met een Psalmwoord, dat Hij de aanval op hun verzoek doen zal. Besloot Hij de parabel van de heer van de wijngaard en de goddeloze landlieden met een verwijzing naar de honderdenachttiende Psalm, nu bepaalt Hij hun aandacht bij de aanhef van de honderdentiende: De Heere heeft gezegd (spreekt aldaar David), de Heere heeft gezegd tot mijn Heer: zit aan Mijn rechterhand. Dat de Messias David’s zoon moest zijn, werd door niemand ontkend en ook op de vraag deswegen van de Heiland, hier ter plaatse stilzwijgend door de aanwezigen erkend. Maar in die Psalm door David geschreven (in de Heilige Geest, zoals bij Mattheüs en Markus in de overeenstemmende plaatsen uitdrukkelijk tussengevoegd staat), noemt hij die Gezetene aan Gods rechterhand, door wie (insgelijks met stilzwijgende algemene erkentenis) die zelfde Messias te verstaan is, zijn Heer. Het geestelijk raadsel, in deze twee zeer onderscheiden betrekkingen van David tot de Messias en van de Messias tot David, wordt ten slotte aldus voorgesteld: David noemt Hem (zijn) Heere en hoe is Hij (dan) zijn Zoon? Onoplosbaar raadsel, zolang niet in die Christus beide de spruit van David naar het vlees en de Zoon van
God, ja de Heere zelf van David, onderscheiden gehuldigd wordt (Rom. 1: 3, 4). Een dergelijk raadsel, op gelijke wijze op te lossen, stelt Jezus de Joden voor in het Evangelie van Johannes (8: 18) omtrent Zijn betrekking daar tot Abraham, zoals hier tot David. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, eer Abraham werd, ben Ik.
I. Vs. 45-47. In deze derde groep zien wij dat Jezus Zich van de tempel en Zijn volk afscheidt; deze scheiding heeft in voortgaande beweging plaats. In de voor ons liggende rede tot de Farizeeën en Schriftgeleerden, waaruit slechts enige zinnen zijn weergegeven, omdat het meeste al in Hoofdst. 11: 39-52 en 13: 34 en 35 bericht was hij gelegenheid van twee deels in Galilea, deels in Perea gehoudene strafreden, scheidt Hij Zich af van de volksleiders en verleiders en geeft Hij ze over aan het welverdiende gericht (vgl. MATTHEUS. 23: 1-39. Mark. 12: 38-40).
45. En omdat al het volk het hoorde, zei Hij tot Zijn discipelen 12: 40″).
47. a)Die de huizen van de weduwen opeten en onder een schijn lange gebeden doen; deze zullen zwaarder oordeel ontvangen, zodat al de weeën, welke Ik reeds in Hoofdstuk 11 over hen heb uitgesproken, nu op hun hoofd zullen komen.
2 Tim. 3: 6. Tit. 1: 11.
Tot de treffendste plaatsen van het Nieuwe Testament behoort de laatste openlijke rede van Jezus; het is een vonnis dat Hij velt over de Schriftgeleerden en Farizeeën, een diep zielelijden dat zich uitspreekt in de noodzakelijkheid van dit gericht. Hoeveel liever had Hij “zalig” geroepen dan “wee. ” Evenals een stervende vader neemt Hij met brekend hart afscheid van de onverbeterlijke en reddeloos verloren kinderen, die de liefde zolang tevergeefs gebeden en gewaarschuwd heeft en die zich tegen de liefde hebben verborgen en gesloten. De woorden zijn een waarschuwend beeld voor alle Farizeeën ten allen tijde, ook onder ons in de Christenheid.
Een zichtbare gelijkheid bestaat er tussen het beeld dat de Heere van de Farizeeën en Schriftgeleerden heeft ontworpen en het klerikalisme, vooral dat van de Middeleeuwen. Vanzelf denkt men bij het woord in vs. 47 aan de schenkingen, die de kerk en de monnikenorden zich wisten te verschaffen, aan de handel met zielmissen, aan de ongelukkige invloed van de biechtstoel. Ook de waarde, die aan de prachtklederen en ereplaatsen werd gegeven, de voorliefde voor weidse titels en het systeem van wederkerige vergoding, het is alles in velerlei vormen weer levend geworden en nog tot op deze dag niet uitgestorven.
Dit was een stoute en opmerkelijke waarschuwing. Het was, bedenken wij dat wel, een openbare aanklacht tegen mensen die in Mozes’ stoel gezeten waren en de erkende leraars van het Joodse volk waren. Het leert ons duidelijk dat er tijden kunnen zijn dat de zonden van de mensen in hoge stand het tot een stellige plicht maken om in het openbaar daartegen te getuigen. Zij toont ons dat het mogelijk is rond uit te spreken en toch de waardigheden niet te lasteren. Geen zonde schijnt door Christus als zondiger beschouwd te worden dan geveinsdheid. Geen zonde deed zo’n blijvende, sterke en verpletterende veroordeling van Zijn
lippen vloeien gedurende Zijn hele leraarambt. Hij was altijd vol genade en medelijden voor de armsten der zondaren. Toorn was niet in Hem, toen Hij Zachéüs, de boetvaardige zondaar, Saulus de vervolger en de vrouw in Simons huis zag. Maar toen Hij zag dat de Schriftgeleerden en Farizeeën slechts de mantel van de godsdienst droegen en grote uitwendige heiligheid voorgaven, terwijl hun harten vol boosheid waren, schijnt Zijn rechtvaardige ziel vol verontwaardiging geweest te zijn. Acht keer in een hoofdstuk (MATTHEUS. 23) vinden wij dat Hij zegt: “Wee u gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden!” Laat ons niet vergeten dat de Heere Jezus nooit verandert. Hij is gisteren en vandaag dezelfde en tot in de eeuwigheid. Wat wij ook in de godsdienst zijn, laat ons waar zijn. Hoe zwak ons geloof, onze hoop, onze liefde, onze gehoorzaamheid mogen zijn, laat ons toezien dat wij waar, echt en oprecht zijn. Laat ons zelfs het denkbeeld van rolspelerij en huichelarij in ons Christendom verafschuwen. Laat het ons in ieder opzicht geheel en al zijn. Het is een treffend feit dat het eerste deel van de wapenrusting, die Paulus aan de Christelijke krijgsknecht aanbeveelt, de waarheid is. Staat dan, zegt hij, uw lendenen omgord hebbende met de waarheid. (Efeze. 6: 11).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel