Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG1161 er waren te dierzelfderG846 tijdG2540 enigenG5100 tegenwoordigG3918, dieG3739 Hem boodschaptenG518 vanG4012 de GalileersG1057, welker bloedG129 PilatusG4091 met hun offerandenG2378 gemengdG3396 had.
En er waren te dierzelfder tijd enigen tegenwoordig, die Hem boodschapten van de Galileers, welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had.
KJV
There were present1
at4
that season5
some3
that told8
him9
of10
the Galilaeans,12
whose13
blood15
Pilate16
had mingled17
with18
their21
sacrifices.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En JezusG2424 antwoorddeG611, en zeideG2036 tot henG846: MeentG1380 gij, dat dezeG3778 GalileersG1057 zondaarsG268 zijn geweestG1096 boven alG3956 de GalileersG1057, omdatG3754 zij zulks geledenG3958 hebben?
En Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galileers zondaars zijn geweest boven al de Galileers, omdat zij zulks geleden hebben?
KJV
And1
Jesus4
answering2
said
unto them,6
Suppose ye7
that8
these11
Galilaeans10
were17
sinners12
above13
all14
the Galilaeans,16
because18
they suffered20
such things?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Ik zegG3004 uG4771: NeenG3780 zij; maarG235 indienG1437 gij u nietG3361 bekeertG3340, zo zult gij allenG3956 desgelijks vergaanG622.
Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.
KJV
I tell2
you,
Nay:1
but,4
except
ye repent,7
ye shall10
all8
likewise9
perish.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
OfG2228 die achttienG1176, op welkeG3739 de torenG4444 inG1722 SiloamG4611 vielG4098, enG2532 dooddeG615 ze; meentG1380 gij, dat dezeG3778 schuldenaarsG3781 zijn geweestG1096, boven alleG3956 mensenG444, die inG1722 JeruzalemG2419 wonenG2730?
Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent gij, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen?
KJV
Or1
those2
eighteen,4
upon7
whom8
the tower11
in12
Siloam14
fell,9
and5
slew16
them,17
think ye18
that19
they20
were22
sinners21
above23
all24
men25
that dwelt27
in28
Jerusalem?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Ik zegG3004 uG4771: NeenG3780 zij; maarG235 indienG1437 gij u nietG3361 bekeertG3340, zo zult gij allenG3956 insgelijksG3668 vergaanG622.
Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan.
KJV
I tell2
you,
Nay:1
but,4
except
ye repent,7
ye shall10
all8
likewise9
perish.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En HijG846 zeideG3004 dezeG3778 gelijkenisG3850: Een zekerG5100 man hadG2192 een vijgeboomG4808, geplantG5452 inG1722 zijn wijngaardG290; en hijG846 kwamG2064 en zochtG2212 vruchtG2590 daarop, en vondG2147 ze nietG3756.
En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.
KJV
He spake1
also2
this
parable;5
A certain8
man had7
a fig tree6
planted13
in9
his12
vineyard;11
and14
he came15
and sought17
fruit16
thereon,18
and20
found22
none.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En hij zeideG2036 totG4314 den wijngaardenierG289: ZieG2400, ik komeG2064 nuG1161 drieG5140 jarenG2094, zoekendeG2212 vruchtG2590 opG1722 dezenG5026 vijgeboomG4808, en vindG2147 ze nietG3756; houwG1581 hemG846 uit; waartoeG2444 beslaatG2673 hij ookG2532 onnuttelijkG2673 de aardeG1093?
En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kome nu drie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?
KJV
Then2
said he
unto3
the dresser of his vineyard,5
Behold,
these three7
years8
I come9
seeking10
fruit11
on12
this
fig tree,14
and16
find18
none:17
cut19
it20
down;
why23
cumbereth26
it
the ground?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En hij, antwoordendeG611, zeideG3004 tot hemG846: HeerG2962, laat hemG846 ookG2532 nog ditG3778 jaarG2094, totdat ik om hemG846 gegravenG4626 en mestG2874 gelegdG906 zal hebben;
En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben;
KJV
And2
he answering3
said4
unto him,5
Lord,6
let7
it8
alone
this
year12
also,9
till13
I shall dig15
about16
it,17
and18
dung19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En indien hij vruchtG2590 zal voortbrengenG4160, laat hem staan; maarG1161 indien niet, zo zult gij hemG846 namaalsG1519 uithouwenG1581.
En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem namaals uithouwen.
KJV
And if1
it bear3
fruit,4
well: and if not,7
then after that8
thou shalt cut11
it12
down.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
EnG1161 Hij leerdeG2258 op den sabbatG4521 in eenG1520 der synagogenG4864.
En Hij leerde op den sabbat in een der synagogen.
KJV
And2
he was
teaching3
in4
one
of the synagogues7
on8
the sabbath.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
EnG2532 zietG3708, er wasG1510 een vrouwG1135, die een geestG4151 der krankheidG769 achttienG1176 jarenG2094 langG2192 gehad had, enG2532 zij wasG1510 samengebogenG4794, enG2532 konG1410 zich ganselijkG1519 nietG3361 oprichtenG352.
En ziet, er was een vrouw, die een geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen, en kon zich ganselijk niet oprichten.
KJV
And,1
behold,
there was
a woman3
which had6
a spirit5
of infirmity7
eighteen9
years,8
and10
was
bowed together,14
and12
could17
in19
no16
wise21
lift up
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En JezusG2424, haarG846 ziendeG1492, riepG4377 haar tot Zich, en zeideG2036 tot haarG846: VrouwG1135, gijG4771 zijt verlostG630 van uw krankheidG769.
En Jezus, haar ziende, riep haar tot Zich, en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uw krankheid.
KJV
And2
when Jesus5
saw
her,3
he called6
her to him, and7
said
unto her,9
Woman,10
thou art loosed11
from thine
infirmity.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En Hij legdeG2007 de handenG5495 op haar; enG2532 zij werd terstondG3916 weder rechtG461, enG2532 verheerlijkteG1392 GodG2316.
En Hij legde de handen op haar; en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God.
KJV
And1
he laid2
his hands5
on
her:3
and6
immediately7
she was made straight,8
and9
glorified10
God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En de overste der synagogeG752, kwalijk nemendeG23, dat JezusG2424 op den sabbatG4521 genezenG2323 had, antwoorddeG611 en zeideG3004 tot de schareG3793: Er zijnG1510 zesG1803 dagenG2250, inG1722 welkeG3739 men moetG1163 werkenG2038; komtG2064 dan inG1722 dezelveG3778, en laat u genezenG2323, en nietG3361 op den dagG2250 des sabbatsG4521.
En de overste der synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op den sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Er zijn zes dagen, in welke men moet werken; komt dan in dezelve, en laat u genezen, en niet op den dag des sabbats.
KJV
And2
the ruler of the synagogue4
answered1
with indignation,5
because6
that Jesus11
had healed9
on the sabbath8
day, and said12
unto the people,14
There are
six15
days16
in18
which19
men ought20
to work:21
in22
them
therefore24
come25
and be healed,26
and27
not28
on the sabbath32
day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
De HeereG2962 dan antwoorddeG611 hemG846 enG2532 zeideG2036: Gij geveinsdeG5273, maaktG3089 nietG3756 een iegelijkG1538 van u op den sabbatG4521 zijn osG1016 ofG2228 ezelG3688 vanG575 de kribbeG5336 losG3089, enG2532 leidtG520 hemG846 heen om te doen drinkenG4222?
De Heere dan antwoordde hem en zeide: Gij geveinsde, maakt niet een iegelijk van u op den sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken?
KJV
The Lord5
then2
answered1
him,3
and6
said,
Thou hypocrite,8
doth14
not13
each one9
of you
on the sabbath12
loose
his17
ox16
or18
his ass20
from21
the stall,23
and24
lead him away25
to watering?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En dezeG3778, die een dochterG2364 AbrahamsG11 isG1510, welkeG3739 de satanG4567, zietG3708, nuG1161 achttienG1176 jarenG2094 gebondenG1210 had, moestG1163 die nietG3756 losgemaaktG3089 worden vanG575 dezenG5127 bandG1199, op den dagG2250 des sabbatsG4521?
En deze, die een dochter Abrahams is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band, op den dag des sabbats?
KJV
And2
ought16
not15
this woman,
being
a daughter3
of Abraham,4
whom6
Satan9
hath bound,7
lo,
these eighteen11
years,14
be loosed17
from18
this
bond20
on the sabbath25
day?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EnG2532 als Hij ditG3778 zeideG3004, werden zijG846 allen beschaamdG2617, die zich tegen HemG846 steldenG480; enG2532 alG3956 de schareG3793 verblijddeG5463 zich overG1909 alG3956 de heerlijkeG1741 dingen, die vanG5259 HemG846 geschieddenG1096.
En als Hij dit zeide, werden zij allen beschaamd, die zich tegen Hem stelden; en al de schare verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die van Hem geschiedden.
KJV
And1
when he4
had said3
these things,
all6
his9
adversaries8
were ashamed:5
and10
all11
the people13
rejoiced14
for15
all16
the glorious things18
that were done20
by21
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En Hij zeideG3004: Wien isG1510 het KoninkrijkG932 GodsG2316 gelijk, en waarbijG5101 zal Ik hetzelveG846 vergelijkenG3666?
En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken?
KJV
Then2
said he,1
Unto what3
is
the kingdom7
of God9
like?4
and10
whereunto11
shall I resemble12
it?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Het is gelijk aan een mostaardzaadG2848, hetwelkG3739 een mensG444 genomenG2983 en in zijn hofG2779 geworpenG906 heeft; enG2532 het wiesG837 op, enG2532 werdG1096 totG1519 een grotenG3173 boomG1186, enG2532 de vogelenG4071 des hemelsG3772 nesteldenG2681 in zijn takkenG2798.
Het is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het wies op, en werd tot een groten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken.
KJV
It is
like1
a grain3
of mustard seed,4
which5
a man7
took,6
and cast8
into9
his11
garden;10
and12
it grew,13
and14
waxed15
a great18
tree;17
and19
the fowls21
of the air23
lodged24
in25
the branches27
of it.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG2532 Hij zeideG2036 wederomG3825: WaarbijG5101 zal Ik het KoninkrijkG932 GodsG2316 vergelijkenG3666?
En Hij zeide wederom: Waarbij zal Ik het Koninkrijk Gods vergelijken?
KJV
And1
again2
he said,
Whereunto4
shall I liken5
the kingdom7
of God?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Het isG1510 gelijk aan een zuurdesemG2219, welkenG3739 een vrouwG1135 namG2983, en verborgG1470 inG1519 drieG5140 matenG4568 meelsG224, totdat het geheelG3650 gezuurdG2220 was.
Het is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam, en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.
KJV
It is
like1
leaven,3
which4
a woman6
took5
and hid7
in8
three11
measures10
of meal,9
till12
the whole15
was leavened.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En Hij reisdeG1279 van de ene stadG4172 enG2532 vlekG2968 totG1519 de andere, lerendeG1321, enG2532 richtendeG4160 Zijn reisG4197 naar JeruzalemG2419.
En Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem.
KJV
And1
he went2
through3
the cities4
and5
villages,6
teaching,7
and8
journeying10
toward11
Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En er zeideG2036 een totG4314 HemG846: HeereG2962, zijn er ook weinigenG3641, die zaligG4982 worden? En Hij zeideG2036 tot hen:
En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zeide tot hen:
KJV
Then2
said
one3
unto13
him,4
Lord,5
are there few6
that be saved?9
And11
he said
unto them,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
StrijdtG75 om in te gaan door de engeG4728 poortG4439; wantG3754 velenG4183, zegG3004 Ik uG4771, zullen zoekenG2212 in te gaan, enG2532 zullen nietG3756 kunnen;
Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen;
KJV
Strive1
to enter in2
at3
the strait5
gate:6
for7
many,8
I say9
unto you,
will seek11
to enter in,12
and13
shall15
not14
be able.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Namelijk nadatG575 de Heer des huizesG3617 zal opgestaanG1453 zijn, en de deurG2374 zal geslotenG608 hebben, enG2532 gij zult beginnenG756 buitenG1854 te staanG2476, enG2532 aan de deurG2374 te kloppenG2925, zeggendeG3004: HeereG2962, HeereG2962, doe ons openG455! en Hij zal antwoordenG611 en tot u zeggenG2046: IkG1473 kenG1492 uG4771 nietG3756, van waar gij zijtG1510.
Namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt.
KJV
When once1
the master of the house6
is risen up,4
and7
hath shut8
to the door,10
and11
ye begin12
to stand14
without,13
and15
to knock16
at the door,18
saying,19
Lord,20
Lord,21
open22
unto us;
and24
he shall answer25
and say26
unto you,
I know29
you
not28
whence31
ye are:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
AlsdanG5119 zult gij beginnenG756 te zeggenG3004: Wij hebben in Uw tegenwoordigheidG1799 gegetenG5315 enG2532 gedronkenG4095, enG2532 Gij hebt inG1722 onze stratenG4113 geleerdG1321.
Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd.
KJV
Then1
shall ye begin2
to say,3
We have eaten4
and7
drunk8
in thy
presence,5
and9
thou hast taught14
in10
our
streets.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
EnG2532 Hij zal zeggenG2046: Ik zegG3004 uG4771, Ik kenG1492 u nietG3756, van waar gij zijtG1510; wijktG868 vanG575 MijG1473 af, alleG3956 gij werkersG2040 der ongerechtigheidG93!
En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid!
KJV
But1
he shall say,2
I tell3
you,
I know6
you
not5
whence8
ye are;
depart10
from11
me,
all13
ye workers15
of iniquity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Aldaar zal zijnG1510 weningG2805 en knersingG1030 der tandenG3599, wanneer gijG4771 zult zienG3700 AbrahamG11, en IzakG2464, en JakobG2384, en alG3956 de profetenG4396 inG1722 het KoninkrijkG932 GodsG2316, maarG1161 ulieden buitenG1854 uitgeworpenG1544.
Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen.
KJV
There1
shall be
weeping4
and5
gnashing7
of teeth,9
when10
ye shall see
Abraham,12
and13
Isaac,14
and15
Jacob,16
and17
all18
the prophets,20
in21
the kingdom23
of God,25
and27
you
yourselves thrust28
out.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
En daar zullen er komenG2240 vanG575 OostenG395 enG2532 WestenG1424, enG2532 vanG575 NoordenG1005 enG2532 ZuidenG3558, enG2532 zullen aanzittenG347 inG1722 het KoninkrijkG932 GodsG2316.
En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods.
KJV
And1
they shall come2
from3
the east,4
and5
from the west,6
and7
from8
the north,9
and10
from the south,11
and12
shall sit down13
in14
the kingdom16
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
En zietG3708, er zijnG1510 laatstenG2078, dieG3739 de eerstenG4413 zullen zijn; enG2532 er zijn eerstenG4413, dieG3739 de laatstenG2078 zullen zijn.
En ziet, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn; en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn.
KJV
And,1
behold,
there are
last4
which5
shall be
first,7
and8
there are
first10
which11
shall be
last.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Te dienzelfden dageG2250 kwamen er enigeG5100 FarizeenG5330, zeggendeG3004 tot HemG846: Ga wegG1831, enG2532 vertrekG4198 van hier; wantG3754 HerodesG2264 wilG2309 UG4771 dodenG615.
Te dienzelfden dage kwamen er enige Farizeen, zeggende tot Hem: Ga weg, en vertrek van hier; want Herodes wil U doden.
KJV
The same1
day4
there came5
certain6
of the Pharisees,7
saying8
unto him,2
Get thee out,10
and11
depart12
hence:13
for14
Herod15
will16
kill18
thee.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En Hij zeideG2036 tot hen: Gaat heen, en zegtG2036 dien vosG258: ZieG2400, Ik werpG1544 duivelenG1140 uit, enG2532 maakG2005 gezondG2392, hedenG4594 enG2532 morgenG839, enG2532 ten derdenG5154 dage worde Ik voleindigdG5048.
En Hij zeide tot hen: Gaat heen, en zegt dien vos: Zie, Ik werp duivelen uit, en maak gezond, heden en morgen, en ten derden dage worde Ik voleindigd.
KJV
And1
he said
unto them,3
Go ye,4
and tell
that
fox,7
Behold,
I cast out10
devils,11
and12
I do14
cures13
to day15
and16
to morrow,17
and18
the third20
day I shall be perfected.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Doch IkG1473 moetG1163 hedenG4594, enG2532 morgenG839, enG2532 den volgendenG2192 dag reizenG4198; wantG3754 het gebeurtG1735 nietG3756, dat een profeetG4396 gedoodG622 wordt buitenG1854 JeruzalemG2419.
Doch Ik moet heden, en morgen, en den volgenden dag reizen; want het gebeurt niet, dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem.
KJV
Nevertheless1
I
must2
walk10
to day,4
and5
to morrow,6
and7
the day following:9
for11
it cannot be12
that a prophet14
perish15
out of16
Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
JeruzalemG2419, JeruzalemG2419! gij, die de profetenG4396 doodtG615, enG2532 stenigtG3036, die totG4314 u gezondenG649 zijn, hoe menigmaalG4212 heb Ik uw kinderenG5043 willenG2309 bijeenvergaderenG1996, gelijkerwijsG5158 een hen haar kiekensG3555 onderG5259 de vleugelenG4420 vergadert; enG2532 gijlieden hebt nietG3756 gewildG2309?
Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild?
KJV
O Jerusalem,1
Jerusalem,2
which3
killest4
the prophets,6
and7
stonest8
them that are sent10
unto11
thee;12
how often13
would14
I have gathered15
thy
children17
together,
as19
a hen21
doth gather her23
brood24
under25
her wings,27
and28
ye would30
not!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
ZietG3708, uw huisG3624 wordt ulieden woestG2048 gelatenG863. EnG1161 voorwaarG281, Ik zegG3004 u, datG3754 gij Mij niet zult zienG1492, totdat de tijd zal gekomen zijn, als gij zult zeggenG2036: GezegendG2127 is Hij, Die komtG2064 inG1722 den NaamG3686 des HeerenG2962!
Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar, Ik zeg u, dat gij Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn, als gij zult zeggen: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!
KJV
Behold,
your
house5
is left2
unto you
desolate:7
and9
verily8
I say10
unto you,12
Ye shall
not
see
me,
until17
the time come19
when20
ye shall say,
Blessed22
is he that cometh24
in25
the name26
of the Lord.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
van de Galileërs,
Josefus verhaalt, Antiq. lib.18, cap.5, wel iets dergelijks, doch de omstandigheden, zo van den tijd als anderszins, tonen dat het dezelfde geschiedenis niet is. Sommige oude leraars menen dat dit zou geschied zijn binnen Jeruzalem, toen enige Galileërs wilden verhinderen dat voor den keizer van Rome in den tempel zou geofferd worden.
Hertaald:
van de Galileërs,
Josefus vertelt in Antiquitates boek 18, hoofdstuk 5 wel iets dergelijks, maar de omstandigheden — zowel wat de tijd betreft als anderszins — laten zien dat het niet dezelfde geschiedenis is. Sommige oude leraars menen dat dit in Jeruzalem gebeurd zou zijn, toen enkele Galileeërs wilden verhinderen dat er in de tempel voor de keizer van Rome geofferd werd.
vergaan
Dat is, door Gods rechtvaardige straf omkomen; gelijk ook daarna door de Romeinen geschied is.
Hertaald:
vergaan
Dat is: door Gods rechtvaardige straf omkomen, zoals daarna ook door de Romeinen gebeurd is.
toren in Siloam viel,
Dat is, die aan of over de fontein of beek Siloa was gebouwd; van welke beek zie Jes. 8:6 ; Joh. 9:7 .
Hertaald:
toren in Siloam viel,
Dat is: de toren die aan of over de bron of beek Siloa gebouwd was; zie over die beek Jes. 8:6; Joh. 9:7.
schuldenaars zijn geweest,
Dat is zondaars, die meer schuld of zonden hadden. Zie Matt. 6:12 , en Matt. 18:24 .
Hertaald:
schuldenaars zijn geweest,
Dat is: zondaars die meer schuld of zonden hadden. Zie Matth. 6:12 en Matth. 18:24.
beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?
Grieks maakt de aarde onnut, of onvruchtbaar; in welke wat anders zou kunnen geplant worden, dat vruchten zou voortbrengen.
Hertaald:
beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?
Grieks: maakt de aarde onnut of onvruchtbaar, terwijl daar iets anders geplant zou kunnen worden dat wel vruchten voortbrengt.
den sabbat in een der synagogen
Grieks sabbatdagen.
Hertaald:
den sabbat in een der synagogen
Grieks: sabbatdagen.
een geest der krankheid
Dat is, een boze geest, die haar krank maakte; zie vs.16.
Hertaald:
een geest der krankheid
Dat is: een boze geest die haar ziek maakte; zie vers 16.
samengebogen,
Grieks tezamen gebukt.
Hertaald:
samengebogen,
Grieks: samengebogen.
verlost van uw krankheid
Grieks losgemaakt, of ontbonden.
Hertaald:
verlost van uw krankheid
Grieks: losgemaakt of ontbonden.
recht,
Dat is recht gemaakt.
Hertaald:
recht,
Dat is: rechtgemaakt.
de overste der synagoge,
Dat is, een van de oversten; want elke synagoge had meer dan een overste. Zie Marc. 5:22 ; Hand. 13:15 .
Hertaald:
de overste der synagoge,
Dat is: een van de oversten; want elke synagoge had meer dan één overste. Zie Mark. 5:22; Hand. 13:15.
men moet werken;
Dat is, geoorloofd en geboden is te werken.
Hertaald:
men moet werken;
Dat is: waarop het geoorloofd en geboden is te werken.
een dochter Abrahams is,
Dat is, afkomstig is van het geslacht Abrahams, en behorende tot het verbond, dat God met Abraham en zijne nakomelingen gemaakt heeft. Zie Luc. 19:9 .
Hertaald:
een dochter Abrahams is,
Dat is: afkomstig is uit het geslacht van Abraham en behoort tot het verbond dat God met Abraham en zijn nakomelingen gemaakt heeft. Zie Luk. 19:9.
gebonden had,
Dat is, die haar met krankheden, als met banden, benauwd had.
Hertaald:
gebonden had,
Dat is: die haar met ziekten als met banden benauwd had.
het Koninkrijk Gods gelijk,
Dat is, de predikatie des Evangelies, waardoor het koninkrijk Gods opgericht wordt.
Hertaald:
het Koninkrijk Gods gelijk,
Dat is: de prediking van het Evangelie, waardoor het Koninkrijk van God opgericht wordt.
aan een mosterdzaad,
Zie van deze twee gelijkenissen Matt. 13:31 .
Hertaald:
aan een mosterdzaad,
Zie over deze twee gelijkenissen Matth. 13:31.
richtende Zijn reis naar Jeruzalem
Grieks makende.
Hertaald:
richtende Zijn reis naar Jeruzalem
Grieks: makende.
Strijdt om in te gaan
Dat is, doet naarstigheid en arbeidt; Ef. 6:11 , enz.; Fil. 3:12 ; 2 Tim. 4:7 .
Hertaald:
Strijdt om in te gaan
Dat is: doe uw best en span u in; Ef. 6:11, enzovoort; Filipp. 3:12; 2 Tim. 4:7.
de enge poort;
Namelijk die tot het leven leidt; Matt. 7:14 .
Hertaald:
de enge poort;
Namelijk de poort die tot het leven leidt; Matth. 7:14.
niet kunnen;
Namelijk omdat het te laat zal zijn, gelijk uit het volgende blijkt.
Hertaald:
niet kunnen;
Namelijk omdat het dan te laat zal zijn, zoals uit het vervolg blijkt.
de Heer des huizes
Deze gelijkenis wordt genomen van het houden der bruiloften in dien tijd, waarvan breder te zien is Matt. 25:1 , enz.
Hertaald:
de Heer des huizes
Deze gelijkenis is ontleend aan het houden van de bruiloften in die tijd, waarover uitvoeriger te zien is in Matth. 25:1, enzovoort.
Koninkrijk Gods,
Namelijk der heerlijkheid in den hemel.
Hertaald:
Koninkrijk Gods,
Namelijk het Koninkrijk van de heerlijkheid in de hemel.
laatsten,
Door de laatsten worden verstaan de heidenen, die nog vreemd waren van het verbond Gods, en door de eersten de Joden; en wordt daarmede te kennen gegeven dat de heidenen velen Joden zullen voorgetrokken worden, Rom. 11:17 .
Hertaald:
laatsten,
Met de laatsten worden de heidenen bedoeld, die nog vreemd waren aan Gods verbond, en met de eersten de Joden. Daarmee wordt te kennen gegeven dat de heidenen de voorrang zullen krijgen boven veel Joden, Rom. 11:17.
Ga weg,
Namelijk uit Galilea, waar Heródes viervorst was; Luc. 3:1 , en Luc. 23:7 .
Hertaald:
Ga weg,
Namelijk uit Galilea, waar Herodes viervorst was; Luk. 3:1 en Luk. 23:7.
want Heródes wil U doden
Deze waarschuwing geschiedt van hen, niet uit liefde tot Christus, maar omdat zij Hem gaarne kwijt waren geweest. Zie dergelijke waarschuwing Am. 7:13 ; Neh. 6:10-11 .
Hertaald:
want Heródes wil U doden
Deze waarschuwing komt van hen, niet uit liefde tot Christus, maar omdat zij Hem graag kwijt waren. Zie een soortgelijke waarschuwing in Amos 7:13; Neh. 6:10-11.
vos
Zo noemt Hij hem vanwege zijne listigheid en schalkheid.
Hertaald:
vos
Zo noemt Hij hem vanwege zijn listigheid en sluwheid.
maak gezond,
Grieks volbreng genezingen.
Hertaald:
maak gezond,
Grieks: volbreng genezingen.
heden en morgen,
Dat is, nog een kleinen tijd. Zie Hos. 6:2 .
Hertaald:
heden en morgen,
Dat is: nog een korte tijd. Zie Hos. 6:2.
ten derden dage
Dat is, naar het voleinden van mijn leerambt in dien korten tijd.
Hertaald:
ten derden dage
Dat is: wanneer Ik Mijn leerambt in die korte tijd voleindigd zal hebben.
worde Ik voleindigd
Of, wordt volmaakt, of geheiligd, of opgeofferd; Joh. 17:4 , en Joh. 19:30 . Zie van de betekenis van dit woord breder Hebr. 2:10 en Hebr. 5:9 .
Hertaald:
worde Ik voleindigd
Of: word Ik volmaakt, of geheiligd, of geofferd; Joh. 17:4 en Joh. 19:30. Zie over de betekenis van dit woord uitvoeriger Hebr. 2:10 en Hebr. 5:9.
Doch Ik moet heden,
Dat is, Ik moet nog een kleinen tijd hier en daar wandelen om mijn ambt voorts te bedienen, en daarna zal Ik naar Jeruzalem gaan om van ulieden zelf daar gedood te worden.
Hertaald:
Doch Ik moet heden,
Dat is: Ik moet nog een korte tijd hier en daar rondgaan om Mijn ambt verder te bedienen, en daarna zal Ik naar Jeruzalem gaan om daar door u zelf gedood te worden.
niet,
Dat is nauwelijks, of zeer zelden.
Hertaald:
niet,
Dat is: nauwelijks, of: zeer zelden.
Jeruzalem, Jeruzalem
Zie hiervan de verklaring Matt. 23:37 .
Hertaald:
Jeruzalem, Jeruzalem
Zie hierover de verklaring bij Matth. 23:37.
kiekens onder de vleugelen
Grieks broedsel, of nestkiekens.
Hertaald:
kiekens onder de vleugelen
Grieks: broedsel, of nestkuikens.
uw huis wordt ulieden woest gelaten
Dat is, de tempel en stad.
Hertaald:
uw huis wordt ulieden woest gelaten
Dat is: de tempel en de stad.
gekomen zijn,
Dat is kort daarna enigszins vervuld, zie Luc. 19:38 , en zal volkomen volbracht worden ten uitersten dage.
Hertaald:
gekomen zijn,
Dat is: kort daarna enigszins vervuld, zie Luk. 19:38, en het zal volkomen volbracht worden op de laatste dag. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Enkele Farizeeën waarschuwen Hem dat Herodes Hem zoekt te doden en raden Hem aan te vertrekken. Zijn antwoord is dat Hij Zijn eigen weg en Zijn eigen tijd heeft, en dat die weg naar Jeruzalem loopt. Hij spreekt de stad aan als Iemand Die haar al eeuwen bij Zich heeft willen halen, en Hij kondigt aan dat het huis leeg achterblijft. Eerst de boodschap aan Herodes, en die is koel: zegt die vos dat Ik duivelen uitwerp en gezond maak, heden en morgen, en ten derden dage worde Ik voleindigd. Een bedreiging verandert Zijn rooster niet. Dan volgt de klacht over de stad, en die begint met de naam tweemaal: “Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn.” En dan de zin die deze bladzijde bij deze lijn brengt: “hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild?” Hoe menigmaal. Dat zegt geen mens over een stad die hij hooguit enkele malen bezocht heeft. Wie zo spreekt, spreekt over eeuwen — over al die keren dat er profeten gezonden werden en de stad hen doodde. En het beeld dat Hij kiest komt uit het lied van Mozes, waar God met een arend vergeleken wordt die over zijn jongen zweeft en hen op zijn vleugels draagt. Daarna komt het oordeel, en het is geen donderslag maar een vertrek: “Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten.” De kanttekening zegt kort wat met dat huis bedoeld is: de tempel en de stad. Dat is de zwaarste zin van dit hoofdstuk. Het huis blijft staan; er wordt niets afgebroken. Alleen wordt het van nu af hún huis genoemd, en het is leeg. Ezechiël had dat eerder zien gebeuren, en hij beschreef het stap voor stap. De heerlijkheid des HEEREN ging van boven de dorpel van het huis weg. Zij stond boven de cherubs. Zij ging naar de oostpoort. En ten slotte rees zij van het midden der stad omhoog, en bleef staan boven de berg ten oosten daarvan: de Olijfberg. God verliet Zijn huis niet met een ruk, maar langzaam, alsof het Hem moeite kostte. Hier gebeurt hetzelfde, en nu loopt de tegenwoordigheid van God de stad uit op twee voeten. En toch eindigt het hoofdstuk niet in het donker. Er staat een grens aan het niet zien: “En voorwaar, Ik zeg u, dat gij Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn, als gij zult zeggen: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!” Dat is een regel uit de psalm die bij het feest gezongen werd. De kanttekening merkt op dat dit kort daarna al enigszins vervuld werd, bij de intocht, en volkomen zal worden op de laatste dag. Het laatste woord is dus niet woest, maar gezegend. In het Nieuwe Testament: Deuteronomium 32:11; Ezechiël 10:18-19; Ezechiël 11:23; Psalm 118:26; Lukas 19:38; Mattheüs 23:37-39 Hoever dit reikt: Dat het vertrek van de heerlijkheid bij Ezechiël hier meeklinkt, is een gevolgtrekking uit de overeenkomst tussen beide taferelen; Lukas legt dat verband niet. Wat het huis is, verklaart de kanttekening als de tempel en de stad. Wanneer het laatste vers vervuld wordt, wordt in tweeën gelegd: gedeeltelijk bij de intocht, volkomen op de laatste dag.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Het is een regel met weinig uitzonderingen, dat een mens het meest waarschijnlijk vángt waarnaar hij víst. Van vier jongens in een schuur tot vijfhonderd kinderen! Spurgeon opende de East Street Baptist Church. Zo groeit Gods Koninkrijk van mosterdzaad tot boom (Luk. 13:19). Spurgeon waarschuwt: Velen proberen het Koninkrijk binnen te gaan, maar falen. Onderzoek uzelf! Bekeert u tot Jezus voor eeuwig heil. Spurgeon sprak deze boodschap uit naar aanleiding van twee rampen die zich kort daarvoor in zijn directe omgeving hadden voltrokken. Op zondag 25 augustus 1861 vond een ernstige… Strijd om binnen te gaan door de nauwe poort, want velen, zeg Ik u, zullen proberen binnen te gaan en het niet kunnen. Lukas 13:24 Nu wil ik… Er waren … enigen bij Hem, die Hem berichtten over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed met hun offers vermengd had. En Jezus antwoordde en zei tegen… En er waren te dierzelfder tijd enigen tegenwoordig, die Hem boodschapten van de Galileers, welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had. En Jezus antwoordde, en zeide tot hen:… Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen; Lukas 13:24 Het verbaasd me… En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken? Het is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof… En Hij leerde op de sabbat in een van de synagogen. En ziet, er was een vrouw, die een geest der ziekte achttien jaren lang gehad had, en… Houw hem uit: waartoe beslaat hij ook nutteloos de aarde? En hij, antwoordende, zei tot hem: Heere, laat hem ook nog dit jaar. Lukas 13:7,8. De vergelijking van… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Lukas 13
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Uw huis wordt ulieden woest gelaten — 13:31-35
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Een klein begin
Zelfbedrog
Ongelukken, geen Straffen
Geen toegang!
Al die dingen moeten gebeuren
Nog niet het einde
Bedrieg uzelf niet
De tuin van de gelovigen
Het oprichten van de neergebogene
De onvruchtbare vijgenboom


Lukas 13
Lukas 13:1-3.KruisverwijzingenJohannes 9:2→Handelingen 28:4→Mattheüs 3:2→Mattheüs 12:45→Klaagliederen 2:20→Mattheüs 27:2→1 Petrus 4:17→Handelingen 5:37→
— En er waren te dierzelfder tijd enigen tegenwoordig, die Hem boodschapten van de Galileers, welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had. En Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galileers zondaars zijn geweest boven al de Galileers, omdat zij zulks geleden hebben? Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.
“En er waren te dierzelfder tijd enigen tegenwoordig, die Hem boodschapten van de Galileers, welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had. En Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galileers zondaars zijn geweest boven al de Galileers, omdat zij zulks geleden hebben? Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.”
Dit was het gesprek van de dag in de stad, en dus brachten zij het nieuws natuurlijk ook bij Jezus.
Let erop hoe wijs Hij dit schandelijke voorval gebruikte. U en ik horen maar al te vaak het nieuws van wat er gebeurt, zonder er iets uit te leren. Maar het genadige gemoed van onze Zaligmaker wendde alles ten goede aan; Hij was als de bij die uit elke bloem honing haalt.
Het is alsof Hij zegt: verbeeldt u zich dat er een buitengewone schuld was die dit oordeel over hen bracht, en dat wie gespaard bleven onschuldiger zouden zijn dan zij?
Ook over hén zou om hun zonde een plotselinge en overweldigende ramp komen. Lezen wij van de verschrikkelijkste dingen die anderen overkomen, dan mogen wij besluiten dat ons iets dergelijks overkomen zal als wij onboetvaardig blijven. Zo niet in deze wereld, dan toch in de toekomende.
Lukas 13:4-5.KruisverwijzingenJohannes 9:11→Johannes 9:7→Lukas 13:3→Ezechiël 18:30→Nehemia 3:15→Lukas 11:4→Mattheüs 6:12→Jesaja 28:10→
— Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent gij, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen? Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan.
“Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent gij, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen? Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan.”
Dit was een voorafschaduwing van de val van Jeruzalem en van het slechten van haar muren en torens, wat niet lang daarna gebeurde. En zelfs die val van Jeruzalem was niet meer dan een voorproef van het ontzaglijke oordeel dat komen zal over allen die onboetvaardig blijven.
Lukas 13:6-7.KruisverwijzingenMattheüs 7:19→Lukas 3:9→Exodus 32:10→Romeinen 2:4→Jeremia 2:21→Mattheüs 21:19→Galaten 5:22→Leviticus 25:21→
— En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kome nu drie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?
“En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kome nu drie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?”
Laat ieder van ons deze gelijkenis lezen alsof onze Heere Jezus Christus haar nu voor het eerst tot ons persoonlijk sprak. Er ligt hier een les die wij goed ter harte moeten nemen.
Het was een víjgenboom, een boom die naar zijn aard vrucht moest dragen. Hij was geplánt; het was geen wilde boom, maar hij stond in een wijngaard, op de juiste plaats voor vijgenbomen, in goede grond. De eigenaar had er dus recht op te komen en vrucht op die boom te zoeken — maar hij vond er geen.
Zijn er hier vanavond niet sommigen die in de gemeente van God geplant zijn en die naar hun belijdenis vrucht behoorden te dragen, maar het niet doen? Christus is gekomen en heeft vrucht gezocht, maar Hij heeft er geen gevonden.
Het is alsof de eigenaar zegt: had ik het eerste jaar geen vrucht gevonden, dan zou ik gedacht hebben dat het jaargetijde ongunstig was. Had ik het tweede jaar geen vrucht gevonden, dan zou ik misschien gedacht hebben dat de boom wat van slag was en er wel weer bovenop zou komen. Maar kom ik drie jaar achtereen en vind ik telkens geen vrucht, dan is het duidelijk dat deze vijgenboom onvruchtbaar is. Waarom zou hij hier blijven staan, de grond bederven, de plaats innemen die een goede vijgenboom had kunnen innemen, en de voeding aan de andere bomen onttrekken?
Hebt u dan na vele jaren geen vrucht voortgebracht, dan mag God wel over u klagen. U eet het brood dat een heilige had kunnen voeden. U neemt een plaats in waar uw invloed anderen schaadt. Anderen doen minder omdat u niets doet.
Lukas 13:8-9.KruisverwijzingenJoël 2:17→Jeremia 15:1→Romeinen 10:1→Jeremia 14:13→Psalmen 106:23→Jeremia 18:20→Romeinen 11:14→Exodus 32:11→
— En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben; En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem namaals uithouwen.
“En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben; En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem namaals uithouwen.”
De wijngaardenier vraagt uitstel, maar slechts een beperkt uitstel: geef hem nog één jaar. Hij geeft toe dat de tijd komen moet waarop de bijl de onvruchtbare boom omhakt.
Blijft de boom ook na de beproeving van dat ene jaar vruchteloos, dan zal zelfs de voorspreker geen verder uitstel meer vragen.
De boom die de grond bederft kan niet eeuwig blijven staan; dat zou onredelijk zijn. En zo kan ook u niet worden toegestaan eeuwig in de zonde te leven; u kunt niet nog eens vijftig jaar de lucht met godslastering bezoedelen. Er moet aan zo’n leven als het uwe een einde komen, en dat einde kan heel spoedig komen. De snede van de bijl is scherp, en de hand die hem zwaait is sterk. Pas op, onvruchtbare boom!
Lukas 13:10-11.KruisverwijzingenLukas 13:16→Mattheüs 4:23→Lukas 8:2→Lukas 8:43→Lukas 4:44→Psalmen 6:2→Johannes 9:19→Johannes 5:5→
— En Hij leerde op den sabbat in een der synagogen. En ziet, er was een vrouw, die een geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen, en kon zich ganselijk niet oprichten.
“En Hij leerde op den sabbat in een der synagogen. En ziet, er was een vrouw, die een geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen, en kon zich ganselijk niet oprichten.”
Hier gebeurde een heel opmerkelijk wonder. De gelijkenis die eraan voorafging was een gelijkenis van oordeel; het wonder dat erop volgde was een wonder van barmhartigheid en genade.
Was deze vrouw erbij toen Christus over de onvruchtbare vijgenboom sprak, dan weet ik vrij zeker dat zij gezegd heeft: dat moet op mij slaan, ik ben die onvruchtbare vijgenboom. Maar de Meester bedoelde haar niet; Hij had andere en veel bemoedigender woorden voor haar.
Let op het woordje “ziet” hier. In oude boeken zette men wel eens een handje in de kantlijn om de aandacht op iets bijzonders te vestigen. Zo lijkt dit woord te zeggen dat niemand in de synagoge zoveel bijzondere aandacht waard was als de meest verlaten en troosteloze mens die er zat.
Het zou voor haar een gelukkige sabbat worden, al wist zij dat nog niet. Zij ging altijd naar de synagoge, al moet het haar veel pijn gekost hebben om er te zijn. Misschien kon zij de voorganger niet eens zien, zo krom stond zij. Wat moet het haar verrast hebben toen de Zaligmaker haar tot Zich riep!
Deze vrouw kreeg geen enkel goed van het bezoeken van de synagoge, zolang zij er alleen maar héénging. Zij ging krom naar de synagoge, en zij kwam krom weer terug. Ging zij er al die achttien jaar heen — en ik durf te zeggen dat zij dat deed — dan kon zij zich al die lange tijd niet oprichten.
Wij moeten dus oppassen voor deze gedachte: wij hoeven alleen maar zoveel keer naar de kerk te gaan, en dan krijgen wij wel een zegen. Deze arme vrouw werd niet genezen voordat zij de Heere Jezus Christus ontmoette.
Komt iemand alleen uit ijdele nieuwsgierigheid naar de kerk, dan is het mogelijk — al is het niet zeker — dat zijn nieuwsgierigheid bevredigd wordt. Komt iemand om aanmerkingen te maken, dan twijfel ik er niet aan dat hij genoeg vindt om over te klagen. Maar komt iemand met het vaste voornemen Christus te vinden als Hij te vinden is, dan zou het mij verbazen als hij zonder Hem weer weg moest gaan. En dát is wat u werkelijk nodig hebt als u hersteld zult worden van alle kwalen die de zonde gewrocht heeft: u moet tot Christus Zélf komen.
Lukas 13:12-13.KruisverwijzingenLukas 18:43→Markus 5:23→Psalmen 103:1→Lukas 6:8→Lukas 13:16→Jesaja 65:1→Joël 3:10→Mattheüs 8:16→
— En Jezus, haar ziende, riep haar tot Zich, en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uw krankheid. En Hij legde de handen op haar; en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God.
“En Jezus, haar ziende, riep haar tot Zich, en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uw krankheid. En Hij legde de handen op haar; en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God.”
U kunt haar langzaam zien voortgaan, krom gebogen. Het was een pijnlijke gang, maar zij kwam op de roep van Christus.
Och, wat een blijde tijding moet dit voor haar geweest zijn! Hoe moet het haar hele lichaam doortrild hebben! Wat een verrukking moet haar hart vervuld hebben toen zij vernam dat zij weer rechtop zou staan!
Zie wat Christus doen kan. Nadat ik vanmorgen gepreekt had, moest ik spreken met juist zo’n vrouw als deze, iemand die al jaren het slachtoffer is van diepe neerslachtigheid. Wat wenste ik dat ik haar de handen kon opleggen en zeggen: “Vrouw, gij zijt verlost van uw krankheid.” Maar zo’n wonder kunnen wij niet doen. Christus moet het alles doen — en Zijn Naam zij geloofd, Hij is altijd groot in de nood. Wanneer wij het helemaal niet meer weten en de mens aan het einde van zijn kunnen is, dan is dat de gelegenheid van Christus.
Wat een woorden van vurige dankbaarheid, wat een tonen van blijde jubel kwamen er van de lippen van die vrouw! Zelfs cherubs en serafs konden God niet hartelijker en ernstiger loven dan zij deed toen zij rechtop gemaakt werd en God verheerlijkte.
Wij hebben geen bericht van wat zij zei; misschien riep zij enkel: hallelujah. Maar haar hele voorkomen, haar stromende ogen vol dankbaarheid, haar gezicht dat straalde van vreugde — het diende alles om God te verheerlijken.
Ja, ook al had zij niets gezegd, haar rechtop gemaakt worden zou op zichzelf al God verheerlijkt hebben. En zoals die eens kromme vrouw God verheerlijken kon, zo kan ook een schuldige zondaar, verpletterd en hulpeloos, God verheerlijken. Het was toen de handen van Christus op haar gelegd werden dat zij rechtop gemaakt werd. Och, dat Hij Zijn handen op sommigen van u legde!
Lukas 13:14.KruisverwijzingenExodus 20:9→Lukas 8:41→Mattheüs 12:2→Handelingen 18:17→Romeinen 10:2→Markus 5:22→Markus 3:2→Lukas 14:3→
— En de overste der synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op den sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Er zijn zes dagen, in welke men moet werken; komt dan in dezelve, en laat u genezen, en niet op den dag des sabbats.
“En de overste der synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op den sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Er zijn zes dagen, in welke men moet werken; komt dan in dezelve, en laat u genezen, en niet op den dag des sabbats.”
Wat een ellendig mens, om verontwaardigd te zijn omdat Christus goeddeed! Met eigengerechtige mensen valt niet te rekenen. Zij zijn zelf onwijs, en zij menen dat anderen het zijn.
Hij durfde Christus niet aan te spreken. Ik vermoed dat de majesteit van de houding van Christus hem ontzag inboezemde, en daarom richtte hij zich rechtstreeks tot het volk en trof hij Christus door hén. Arme man! Hij was zeker krommer dan de gebogen vrouw — maar helaas, híj werd niet genezen.
Aan de koudbloedige, harteloze manier waarop hij dit gezegd moet hebben kunt u zich wel iets voorstellen. Deze man verheugde zich niet toen hij zijn arme medeschepsel genezen zag. Dat laat zien dat hij van alle menselijke goedheid ontbloot moet zijn geweest, en dat de dweepzucht zijn ziel had uitgedroogd.
Lukas 13:15-17.KruisverwijzingenLukas 14:5→Lukas 19:9→Handelingen 13:9→Johannes 8:44→Lukas 3:8→1 Petrus 3:16→Psalmen 132:18→Mattheüs 15:7→
— De Heere dan antwoordde hem en zeide: Gij geveinsde, maakt niet een iegelijk van u op den sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken? En deze, die een dochter Abrahams is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band, op den dag des sabbats? En als Hij dit zeide, werden zij allen beschaamd, die zich tegen Hem stelden; en al de schare verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die van Hem geschiedden.
“De Heere dan antwoordde hem en zeide: Gij geveinsde, maakt niet een iegelijk van u op den sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken? En deze, die een dochter Abrahams is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band, op den dag des sabbats? En als Hij dit zeide, werden zij allen beschaamd, die zich tegen Hem stelden; en al de schare verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die van Hem geschiedden.”
Onze Heere pakte het niet zijdelings aan toen Hij hem antwoordde. Het geschiedde hem recht. Dit is juist het woord dat vanzelf op de lippen van de Zaligmaker komen moest. Juist omdát Hij liefdevol en teder was, kon Hij deze huichelachtige verontwaardiging niet verdragen.
Het was een heel sluitend betoog. U mag zulke daden op de sabbat doen — en u mag op de sabbat komen om genezen te worden, ook al kost u dat een reis. Het is zo nodig dat u het brood van de hemel krijgt, en zo nodig dat u de zegen van Christus krijgt. Daarom mag u juist op deze dag komen om genezen te worden.
De Joden hadden de sabbat teruggebracht tot een dag van ledigheid en weelde. Het enige wat zij zichzelf verboden, was het dóén van iets. Maar de sabbat is nooit bedoeld geweest om in ledigheid en weelde doorgebracht te worden. Hij behoort besteed te worden aan de aanbidding van God. Werken van barmhartigheid en werken van godsvrucht maken de sabbat juist heilig, in plaats van dat zij tegen zijn eisen ingaan. En door aan die arme belaste vrouw rust te geven, maakte onze Zaligmaker in waarheid sabbat in haar lichaam en in haar ziel.
Lukas 13:18-19.KruisverwijzingenLukas 13:20→Mattheüs 17:20→Mattheüs 13:24→Mattheüs 13:31→Klaagliederen 2:13→Lukas 17:21→Markus 4:26→Lukas 7:31→
— En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken? Het is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het wies op, en werd tot een groten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken.
“En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken? Het is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het wies op, en werd tot een groten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken.”
Zij waren in de goede gemoedsgesteldheid om te horen, want de bewondering voor Zijn wonderdaad en Zijn wonderlijke woord had hen aandachtig gemaakt.
Mensen leren veel door overeenkomsten, en de dingen die gezien worden helpen ons dikwijls om de dingen te schetsen die niet gezien worden. Omdat God één is in alles wat Hij gedaan heeft, kunnen wij dikwijls uit het ene deel van Zijn werken het andere leren verstaan.
Waaraan is het Koninkrijk van God dan gelijk? Is het als een machtig leger dat oprukt met banieren en trompetten? Nee. Is het als de razende zee, die voortrolt en alles voor zich uit veegt? Ook niet — althans niet zichtbaar.
Een mosterdzaadje kunt u nauwelijks zien, maar u kunt het wel proeven. Probeer het maar, en u zult merken dat het scherp genoeg is; toch is het zo klein dat u er gemakkelijk aan voorbijgaat. En het moet in toebereide grond gezaaid worden. Er is een mens die het zo weet te werpen dat het valt waar het leven zal en groeien zal.
De vogels van de hemel, die het eens hadden kunnen opeten, nestelden in de takken ervan. Zie in dit zinnebeeld hoe het Koninkrijk van God groeit en hoe levenskrachtig de waarheid van God is. Zie met welke kracht Gods Koninkrijk van een klein begin naar een groot einde voortschrijdt.
Hebt u dit mosterdzaad in uw hart? Het lijkt u misschien zelf een heel klein ding, en anderen nemen het nauwelijks waar. Maar laat het met rust, en het zal groeien. Toch groeit het niet zonder besproeiing. Zaden kunnen lang in de grond liggen, maar zij ontkiemen niet voordat de regen de aarde vochtig gemaakt heeft.
Een weinig genade groeit uit tot grote genade. Hebt u op dit ogenblik maar weinig geloof, wees dan dankbaar voor dat weinige. Breng het bij Christus; laat het zich met Hem voeden, en uw mosterdzaad zal groeien tot het een boom wordt.
Hetzelfde geldt voor het evangelie in heel de wereld. Wij hoeven nooit bang te zijn omdat wij toevallig maar met weinigen zijn. Hebben wij de waarheid, dan zal de waarheid leven. En is die waarheid klein als het mosterdzaad, er zit leven in, er zit levenskracht in, en zij zal eerlang zeker groeien. Wij hoeven niet bang te zijn in de minderheid te zijn; meerderheden hebben niet altijd gelijk.
Lukas 13:20-21.KruisverwijzingenMattheüs 13:33→1 Korinthe 5:6→Johannes 15:2→Johannes 4:14→Hosea 6:3→Jakobus 1:21→Filippenzen 1:9→1 Thessalonicenzen 5:23→
— En Hij zeide wederom: Waarbij zal Ik het Koninkrijk Gods vergelijken? Het is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam, en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.
“En Hij zeide wederom: Waarbij zal Ik het Koninkrijk Gods vergelijken? Het is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam, en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.”
Sommige uitleggers menen dat dit een beeld is van het koninkrijk van de duivel, maar dat staat er niet. Had onze Heere de macht van het kwaad willen afbeelden, dan zou Hij ons daarvan wel enige aanwijzing gegeven hebben, maar Hij heeft er geen gegeven. Hij bedoelt precies te beschrijven wat Hij hiervoor beschreef, want Hij vraagt: waarbij zal Ik het Koninkrijk van God vergelijken?
De zuurdesem wordt als het ware begraven: verborgen in drie maten meel. Hij raakt zoek, hij wordt bedekt. Maar laat hem met rust; door de kracht die in hemzelf zit begint hij zich een weg door het meel te banen. Hij doorzuurt alles om zich heen, totdat ten slotte al die drie maten meel ervan doortrokken zijn en zijn kracht moeten erkennen.
Zo gaat het met de genade van God waar zij in een menselijk hart gelegd wordt. En zo gaat het met het Koninkrijk van God waar het onder de mensenkinderen zijn invloed uitoefent.
Toch werkt de zuurdesem ook naar de andere kant. De vrouw van Rome heeft haar zuurdesem in de kerk verborgen, en die heeft het geheel doorzuurd. En nu heeft de vrouw van het verstand háár zuurdesem in de kerk gedaan: het eigenwijs uitvinden van nieuwe leerstukken, het verdraaien van de eenvoud van het evangelie. God helpe ons de zuurdesem van Rome én die van het rationalisme buiten te houden!
Lukas 13:22-23.KruisverwijzingenLukas 9:51→Markus 6:6→Mattheüs 7:14→Mattheüs 9:35→Markus 10:32→Handelingen 10:38→Lukas 4:43→Mattheüs 19:25→
— En Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem. En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zeide tot hen:
“En Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem. En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zeide tot hen:”
Zijn aangezicht was naar het kruis gekeerd. Hij werkte Zich een weg naar Zijn offerande en predikte Zich een weg naar die plaats waar Hij onze verlossing voltooien zou. Dat is een wonderlijk beeld van Christus: lerende en reizende naar Jeruzalem.
Zijn er weinigen die zalig worden? Dat is een vraag die ik heel vaak gehoord heb. Wat trekt mensen er toch zo in aan om juist die vraag te stellen?
Ik meen dat sommigen haar stellen alsof zij bijna hópen dat het er weinigen zullen zijn. Er zijn mensen die heel tevreden zijn wanneer het antwoord luidt: ja, er zullen er heel weinig zalig worden, en die gaan allemaal naar ónze gemeente. Sommigen weten niet eens zeker of allen die dáár komen wel zalig worden. Zij scheppen er kennelijk behagen in het getal van de zaligen tot het allerlaagste terug te snoeien.
Met zo’n geest hebben wij geen enkele gemeenschap, en onze Heere ook niet. Broeders, God verheffe ons boven die geest en doe ons begeren dat er menigten zalig worden. Ik vermoed dat het een van de verrassingen van de hemel zal zijn dat wij er veel meer zullen zien dan wij ooit gedroomd hadden dat die plaats bereiken zouden.
Jezus Christus gaf een heel praktisch antwoord. Het was geen antwoord, en toch was het het beste van alle antwoorden.
Lukas 13:24.Kruisverwijzingen2 Petrus 1:10→Spreuken 21:25→Johannes 7:34→Filippenzen 2:12→Prediker 10:15→Markus 6:18→Johannes 6:27→Lukas 21:36→
— Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen;
“Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen;”
Ga er voor uzelf maar van uit dat er zo weinigen zullen ingaan, dat u zich erdoorheen zult moeten dringen. Ook al bent u zelf niet eng van geest — en het zou jammer zijn als u dat was — bedenk dan toch dat de poort naar de hemel eng is. Neem u dus voor dat er niet doorheen te komen is dan met veel duwen en persen.
Lukas 13:25-28.KruisverwijzingenMattheüs 25:10→Lukas 13:27→Mattheüs 7:21→Lukas 6:46→Lukas 13:25→Psalmen 6:8→Mattheüs 22:13→Mattheüs 25:30→
— Namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt. Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd. En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid! Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen.
“Namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt. Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd. En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid! Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen.”
Zij worden weggedreven, en toch kunnen zij de heiligen daar zien, en hun eigen vlees en bloed, want zij waren Joden. Zij zien Abraham, Izak en Jakob en al de profeten daar, terwijl zijzelf buitengeworpen zijn. Zij worden uitgestoten, met geweld weggedreven, als mensen die God een gruwel zijn omdat zij Zijn barmhartigheid veracht hebben.
En u had gemeend dat u deel had aan het Koninkrijk van God, en dat u door geboorte de natuurlijke erfgenaam ervan was.
Lukas 13:29-30.KruisverwijzingenMattheüs 19:30→Markus 10:31→Mattheüs 20:16→Efeze 3:6→Maleachi 1:11→Handelingen 28:28→Jesaja 66:18→Jesaja 49:6→
— En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods. En ziet, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn; en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn.
“En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods. En ziet, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn; en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn.”
Volslagen buitenstaanders, verre heidenen, buitensporige zondaars, hoeren: zíj zullen komen en zich bekeren en aanzitten in het Koninkrijk van God. En dat zal tot in het merg snijden bij wie het Woord wel hoorden maar omkwamen omdat zij werkers van de ongerechtigheid waren.
Wie het minst geschikt lijken om zalig te worden, zullen zalig worden. De zwartste zondaars, de laagste verworpenen, de grofste ongelovigen zullen tot bekering en geloof gebracht worden. En wie het eerst waren in voorrechten, die zullen tot het laatst gelaten worden en buiten het Koninkrijk van God gesloten worden. Denk aan kinderen van godvruchtige ouders, aan belijders van de godsdienst, aan mensen die in elk opzicht het eerst zalig schenen te zullen worden.
Velen die vandaag onwaarschijnlijke bekeerlingen lijken, en die de laatsten zijn naar hun karakter, zullen toch de eersten zijn in de bekering. En anderen die de eersten zijn in voorrechten en zelfs in hoopgevendheid, zullen de laatsten zijn op de grote dag van de afrekening. Mogen wij deze plechtige waarschuwing ter harte nemen!
Lukas 13:31-32.KruisverwijzingenHebreeën 2:10→Hebreeën 5:9→Nehemia 6:9→Psalmen 11:1→Amos 7:12→Mattheüs 14:1→Sefanja 3:3→Markus 6:26→
— Te dienzelfden dage kwamen er enige Farizeen, zeggende tot Hem: Ga weg, en vertrek van hier; want Herodes wil U doden. En Hij zeide tot hen: Gaat heen, en zegt dien vos: Zie, Ik werp duivelen uit, en maak gezond, heden en morgen, en ten derden dage worde Ik voleindigd.
“Te dienzelfden dage kwamen er enige Farizeen, zeggende tot Hem: Ga weg, en vertrek van hier; want Herodes wil U doden. En Hij zeide tot hen: Gaat heen, en zegt dien vos: Zie, Ik werp duivelen uit, en maak gezond, heden en morgen, en ten derden dage worde Ik voleindigd.”
Stel u voor: de farizeeën bezorgd over het leven van Christus! Wat een gemaakte belangstelling. En toch was het niets dan gemaaktheid. Wij moeten altijd op onze hoede zijn voor de vijanden van God, ook wanneer zij het vriendelijkst spreken. Het zijn juist hun innemende, hartelijke woorden die wij het meest te duchten hebben.
Jezus noemde Herodes een vos, omdat Herodes Christus uit zijn gebied wilde hebben zonder de schande op zich te laden Hem te verdrijven. Daarom zond hij deze omweg van een boodschap, om de Heere bang te maken en Hem uit zichzelf te laten vertrekken.
Het is alsof Christus zegt: Ik zal Mijn volle tijd hier blijven. Zolang Ik werk te doen heb, zal Ik het doen, en Ik ga niet weg voordat het volbracht is. Ik ben niet bang dat Herodes dreigt Mij te doden, want Ik ben onsterfelijk tot Mijn werk gedaan is.
Hij raakt door zo’n boodschap niet eens van Zijn stuk. Bovendien: wie werkelijk van plan zijn te bijten, blaffen gewoonlijk niet. Had Herodes Christus op dat ogenblik werkelijk willen doden, dan zou hij Hem niet verteld hebben wat hij van plan was.
Lukas 13:33-34.KruisverwijzingenHandelingen 7:52→Deuteronomium 32:11→Mattheüs 23:37→Mattheüs 21:11→Ruth 2:12→Jesaja 30:15→Lukas 19:41→Jeremia 7:23→
— Doch Ik moet heden, en morgen, en den volgenden dag reizen; want het gebeurt niet, dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild?
“Doch Ik moet heden, en morgen, en den volgenden dag reizen; want het gebeurt niet, dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild?”
Wat een droevig woord voor Christus om te moeten zeggen! Er waren in Jeruzalem zoveel heilige mannen vermoord, dat Hij het in het algemeen als waar mocht stellen dat alle profeten daar de marteldood stierven. De uitzonderingen bevestigen alleen de regel.
Daar lag hun zwakheid: zij waren als een broedsel kuikens. En daar lag Zijn macht om hen te beschermen, zoals een hen haar broedsel onder haar vleugels vergadert. Maar daar lag ook hun verblinding: zij wilden liever omkomen dan komen en onder Zijn almachtige vleugels schuilen: “en gijlieden hebt niet gewild”.
Wat een verschrikkelijke tegenstelling: Ik heb gewild, en ú hebt niet gewild. Moge de Heere Jezus dat nooit tot een van ons hoeven te zeggen!
Lukas 13:35.KruisverwijzingenPsalmen 118:26→Mattheüs 21:9→Markus 11:9→Johannes 8:22→Johannes 14:19→Jesaja 40:9→Zacharia 11:1→Lukas 21:24→
— Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar, Ik zeg u, dat gij Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn, als gij zult zeggen: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!
“Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar, Ik zeg u, dat gij Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn, als gij zult zeggen: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!”
Er zal voor Jeruzalem geen ware heerlijkheid zijn voordat de Joden bekeerd worden. Er zal geen terugkeer van Christus tot die koninklijke stad zijn voordat zij Hem verwelkomen met luider hosanna’s dan tevoren. Toen reed Hij in triomf door de straten en ging Hij de tempel binnen.
De HEERE geve dat wij Christus nooit verwerpen! Laten wij, ook nu, als kleine kuikens toelopen en schuilen onder de vleugels van de Eeuwige.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-5.KruisverwijzingenJohannes 9:2→Johannes 9:11→Johannes 9:7→Handelingen 28:4→Mattheüs 3:2→Mattheüs 12:45→Lukas 13:3→Ezechiël 18:30→
— En er waren te dierzelfder tijd enigen tegenwoordig, die Hem boodschapten van de Galileers, welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had. En Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galileers zondaars zijn geweest boven al de Galileers, omdat zij zulks geleden hebben? Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan. Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent gij, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen? Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan.
Twee keer was de Heere (Joh. 8: 59 en 10: 39) bij Zijn werkzaamheid te Jeruzalem en in de tempel gedurende het loofhuttenfeest en de tempelwijding in groot levensgevaar, zodat Hij Zich nu geheel van daar moest terugtrekken en Zich naar die steden en plaatsen moest wenden, waaraan Hij al een kwart jaar geleden Zijn aankomst door de zeventig discipelen (Hoofdst. 10: 1. Joh. 10: 40) had laten aankondigen en waarbij zeker, zoals wij later zullen zien (Hoofdst. 15: 1-32; 18: 10-17), een betere ontvangst, met name van de kant van de tollenaars en zondaars Hem ten dele werd (Joh. 10: 41 v. ). Hier zien wij Hem nu weer op die plaats, waarop wij Hem bij Lukas in Hoofdst. 11: 1-13 vóór Zijn intreden in de stad hebben verlaten, namelijk aan de Olijfberg, met dit verschil dat Hij nu van Jeruzalem wegtrekt, zoals Hij toen het voornemen had binnen te gaan.
En er waren in diezelfde tijd, die in de hoofdafdelingen (Hoofdst. 9: 51-11: 13 besproken werd, toen de Heere weer van Jeruzalem in het land aan de andere kant van de Jordaan overging om Zich naar de Olijfberg te wenden – enigen tegenwoordig die Hem boodschapten, als een ontzettende geschiedenis uit de laatste tijd van de Galileeërs, welker bloed de Romeinse landvoogd (Hoofdst. 3: 1) Pilatus met hun offeranden gemengd had. Pilatus had hen laten doden, terwijl zij daar juist een offer brachten.
De Griekse woorden, die hier met “in diezelfde tijd” worden vertaald, wijzen niet zo bepaald chronologisch op die tijd, die wij hadden in Hoofdst. 12, zoals het bij die vertaling de schijn heeft. Zij hebben integendeel slechts een pragmatische bedoeling en betekenen: onder gelijke omstandigheden als vroeger en zo komen dan ook, zoals Godet treffend opmerkt, de drie volgende woorden van de Heere in vs. 2-9 uit dezelfde wens van het hart voort als de voorgaande reden: Jezus stelt Zijn begeleiders en de berichtgevers de noodzakelijkheid van de bekering dringend voor ogen, waarvan Hij in Hoofdstuk 12: 54-59 had aangetoond, wat voor haast daarmee was. Zonder twijfel zijn het eveneens Galileeërs, waartoe Hij spreekt (vgl. vs. 2) en daaruit blijkt dan de pragmatische samenhang met het vorige. Omdat nu echter de klank van de woorden van onze vertaling ertoe noodzaakt om de chronologie in het oog te houden, bleef ons alleen over te verklaren op de manier waarop dat boven is gebeurd.
Wat de gebeurtenis zelf aangaat, nergens wordt ons iets daarover bericht; zij verdwijnt onder de vele andere misdaden, die de Romeinse stadhouders in Judea pleegden, evenals de kindermoord te Bethlehem (MATTHEUS. 2: 16) onder de vele moorden, die Herodes de Grote liet plegen, slechts een kleinigheid is voor de geschiedbeschrijving. Eveneens kunnen de nadere omstandigheden worden vermoed. De Galileeërs waren, zoals het voorbeeld van Judas Gaulonites bewijst, zeer geneigd tot oproerige bewegingen en waarschijnlijk was het feest van de tempelwijding van het jaar 29, dat juist ten einde was (Joh. 10: 22), gelegenheid geworden voor een poging tot oproer, zoals bij de feesten te Jeruzalem vaker oproepen plaats hadden en juist dit feest aan de roemrijke tijd van de Makkabeeën, aan hun opstand tegen het tirannieke juk van vreemde vorsten en hun eindelijke overwinning herinnerde (1 Makk. 4: 36 vv. ). De hoofdaanleggers, zo schijnt het, had Pilatus gevangen gezet en hen veroordeeld; wij hebben al bij MATTHEUS. 27: 18 aangewezen hoe het voor de hand ligt aan te nemen dat de drie, over wier kruisiging omtrent pasen van het jaar 30 gehandeld wordt (Barrabas werd losgelaten en Jezus in zijn plaats gesteld; met hem werden echter twee anderen naar de gerichtsplaats geleid, die zich aan oproer hadden schuldig gemaakt), juist die hoofden van het oproer geweest zijn. Anderen, die daaraan mede schuldig waren, had de landvoogd op de boven medegedeelde manier dadelijk laten neerhouwen; daarmee was hij echter Herodes Antipas te na gekomen 27: 14). Hij had ze, omdat ze Galileërs waren, voor diens gericht kunnen brengen; hij maakte echter niet veel omstandigheden en oefende zelf dadelijk recht uit. Zonder twijfel kende Jezus zelf het voorval al, toen men Hem dat bekend maakte; Hij kwam toch juist van Jeruzalem en wel van het feest van de tempelwijding; maar als een Hem onbekende geschiedenis willen ook Zijn Galilese reisgenoten het Hem niet vermelden (in de grondtekst staat bij “Galileërs” het artikel, dat het lot van deze al als bekend veronderstelt); zij brengen slechts het gesprek op die gebeurtenis, die hun gedachten bezig houdt en willen Hem tot een woord daarover aanleiding geven. Nu is het niet zo zeer Pilatus’ geweldige daad, waarover zij bezwaard zijn. Zoals de zaken waren kon van een zodanige eigenlijk geen sprake zijn. Integendeel, omdat volgens Num. 15: 30 voor een zonde uit opzet geen offers baten, maar een aldus zondigende ziel moet worden uitgeroeid uit haar volk, beschouwen zij zeker de zaak als een gericht van God, dat die Galileërs als misdadigers bestempelt en omdat zij voor hun persoon geen aandeel namen aan de poging tot oproer, willen zij dat ook doen opmerken met de Farizese verborgen gedachte: Ik dank U, o God, dat ik niet ben als andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, enz. Hoofdstuk 18: Deze verborgen gedachte nu is het, waarop Jezus Zijn antwoord geeft.
En Jezus antwoordde en zei tot hen: Meent u dan, omdat u Mij de zaak voordraagt met zo’n gezindheid van het hart, dat u niet aan uzelf wilt oordelen wat juist is (Hoofdstuk 12: 57), dat deze Galileërs zondaars zijn geweest (liever: geworden d. i. door de daad door God gesteld) boven alle Galileërs, omdat zij zo iets geleden hebben?
Ik, de wijsheid van God (Hoofdstuk 11: 49), zeg u: nee zij, maar als u zich niet bekeert, niet van uw boosheid afstand doet, die Mij zo duidelijk in Galilea gebleken is (Hoofdstuk 11: 14-12: 59) en boete doet en u bekeert, dan zult u allen hetzelfde overkomen, wanneer het gericht door de Romeinen over het hele volk komt.
De Heere kent en bestrijdt zo de verkeerdheid van velen, die als zij van openbare onheilen vernemen, veel meer geneigd zijn het oog naar buiten dan naar binnen te wenden; hier tegenover geeft Hij de ernstige wenk dat het lot van enkelen een spiegel voor anderen moet zijn. Voor Zijn ogen stond geheel Judea als reeds rijp voor het toekomstig gericht en zoals het de bestemming van de Romeinen was om de misdaad van de verwerping van de Messias op ontzettende wijze te wreken. Welke stromen bloed moesten later in diezelfden tempel worden vergoten, waarin nu deze Galileërs bij gelegenheid van hun offer waren omgekomen! Dit beweegt de Heere een dergelijk voorval hieraan toe te voegen.
De Heere ziet hier op de verwoesting van Jeruzalem. Ook toen werd het bloed van de offeraars met hun offers gemengd. U ziet, de woorden van Christus zijn vol profetie; de profetie ligt in zijn reden zoals de figuren liggen in ons damast tafelgoed. Alles wat Christus aanroert wordt profetie. Nochtans spreekt Hij hier slechts op aanduidende wijze, verborgen en schijnbaar geheel andere dingen bedoelend; en toch wij weten het allen: wat hier gezegd wordt, is werkelijk gebeurd. Omdat nu elk afzonderlijk oordeel van God het voorbeeld is van en de heenwijzing naar het algemeen oordeel van God, geeft de Heere hier eens voor altijd de regel aan, volgens welke wij van de gebeurtenissen van de dag moeten gebruik maken. Wij moeten ze op onszelf toepassen. Horen wij uit de couranten de berichten van rampen, dan moeten wij zeggen: Zij die door deze rampen getroffen werden, waren geen zondaren boven ons, nee, al wat mensen treft kan ook ons treffen. Dit geeft stof tot nadenken, maar ook tot inkeer in onszelf, tot verootmoediging: als u zich niet bekeert, of bekeerd zijnde, altijd weer opnieuw bekeert (want de bekering heeft evenals het leven een dagelijkse vernieuwing nodig), dan zal het u net zo vergaan. En als wij lezen of horen lezen, dat weer iemand van onze bekenden gestorven is, dan hebben wij ook reden te zeggen: “Dat hem dit overkomen is, komt niet omdat hij een zondaar is boven mij; nee, ik ben een zondig en sterfelijk mens als hij; zijn dood roept mij tot bekering of vernieuwing van de bekering. ” Zo moeten wij het nieuws van de dag niet horen als de Atheners, uit nieuwsgierigheid, uit lichtzinnigheid, maar als Christenen, uit belangstelling en met ernst.
Of, en hier wend Ik Mij in het bijzonder tot u onder Mijn begeleiders, die uit Judea en van Jeruzalem bent, die achttien, waarop, zoals u bekend is, de toren in Siloam viel en ze doodde; meent u dat deze schuldenaars zijn geweest boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen, omdat een zo plotseling gericht hen trof?
Ik zeg u: nee zij, maar als u zich niet bekeert, u niet van uw boosheid, zoals die zich onlangs te Jeruzalem weer openbaarde (Joh. 7: 11-10: 39 , met berouw en geloof afkeert, dan zal het u allen gelijk zo vergaan, wanneer de stad ten onder zal gaan en huizen en muren zullen ineenstorten.
De vijver Siloam (vgl. bij 2 Sam. 17: 17) ligt in het benedenste Tyropeon-dal, dat de tempelberg van de berg Zion afscheidt, enige minuten ten zuiden van de stad Jeruzalem. In de tijd van Jezus strekte zich de stadsmuur tot aan de bron Siloam uit, die enige voeten boven de vijver ligt en daarheen het water voert. Nu heeft de toren zonder twijfel tot de vestingwerken van de muur aan dit deel van de stad behoord. Het instorten had waarschijnlijk plaats bij gelegenheid dat er gebouwd werd, zodat wij de achttien man moeten denken als arbeiders met bouwen bezig – de geschiedenis geeft ook over dit op zichzelf niet zo veel betekenend voorval, dat slechts als profetie voor de latere ondergang van de stad belangrijk is, geen nader bericht. Dat echter de Heere van de Galileeërs de rede dadelijk op de bewoners van Jeruzalem overbracht is het onweersprekelijk bewijs dat hetgeen Johannes in het boven aangevoerde hoofdstuk over Jezus’ werkzaamheid in Jeruzalem op het feest van loofhutten en tempelwijding bericht, onmiddellijk moet zijn voorafgegaan. Toen pas werd Jeruzalem rijp voor de profeten-moord, die ook de Messias aantastte (vs. 33 en 34) en van toen aan kon Jezus pas spreken van de verwoesting van Jeruzalem als van een al zo goed als niet af te wenden lot. De hele stemming van het hart, waardoor Zijn woorden zijn aangegeven, getuigt er van dat Hem nog iets zwaarders dan het ongeloof van de Galileeërs, dat van Jeruzalem op de ziel ligt en nog zwaarder dan de verwerping, die Hij in Galilea ondervond, datgene die Hem in de heilige stad zelf en in de tempel ten dele was geworden. Hij is geheel vol van de indruk: “Het gebeurt niet, dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem” en daarom zal ook Jeruzalem de voornaamste schouwplaats zijn van het gericht, dat aan het ongelovige volk zal worden volvoerd. Zo leidt Hij dan al bij het “zo zal het u allen ook vergaan” in vs. 2 , hoewel Hij daar nog met de Galileeërs te doen heeft, de opmerkzaamheid van Zijn toehoorders naar dat schouwtoneel van het gericht heen; maar daarmee nog niet tevreden, voegt Hij bij het naaste onderwerp van het gesprek vs. 1 dadelijk een ander voorval uit Jeruzalems omtrek. Met Jeruzalem, de leidster en vertegenwoordigster van het volks, houdt Hij Zich hierop nog meer uitsluitend bezig in de gelijkenis van de volgende afdeling. Er kan geen twijfel meer zijn of wij bevinden ons bij deze en de volgende afdelingen niet meer in Galilea, zoals de uitleggers meestal willen, maar in de onmiddellijke omtrek van de stad, aan de voet van de Olijfberg, waarop later, de Maandag van de lijdensweek (MATTHEUS. 21: 18 vv. ) de vervloeking van de onvruchtbare vijgeboom is gevolgd.
Pilatus, de landvoogd van Judea, had de handen aan Galileeërs geslagen; hij, de heiden, had zelfs het heilige niet heilig geacht, maar in de tempel zijn soldaten gezonden, die het bloed van de offeraars met dat van hun offers vermengd hadden. Welke de aanleiding tot deze daad was geweest, laat zich slechts bij gissing bepalen; er is geen grond om met sommige oudere uitleggers bij de hier verslagenen juist aan aanhangers van Judas Gaulonites te denken. Maar zeker is het dat de Galileeërs in die tijd zeer tot volksbewegingen neigden, dat zelfs op de feesten te Jeruzalem niet zelden oproeren voorvielen en dat Pilatus de man niet was om een noodzakelijk geachte strafoefening om de heiligheid van een plaats te verbieden. Roepen wij ons de gruwelen voor de geest, die de Romeinen vooral later tegen de Joden gepleegd hebben, dan is de moord op deze Galileeërs slechts één druppel in een onafzienbare zee en het hoeft ons niet te verwonderen dit feit alleen door Lukas vereeuwigd te vinden. Hij vermeldt ons niet dat deze treurmare met een vijandelijk doel tot Jezus gebracht werd en omdat hij zelf geen wenk geeft aangaande de tijd wanneer of het feest waarop deze moord was gebeurd, laat hij ons evenzeer buiten de mogelijkheid om enig chronologisch besluit uit deze bijzonderheid op te maken. Maar zeker is het, dat zij, die Jezus deze tijding brachten, in de dwaling verkeerden, alsof een zo plotseling sterven te midden van een zo heilige taak, als bijzonder bewijs van Gods misnoegen over de dus gevelden aangezien moest worden. Sloeg die kennisgeving misschien terug op hetgeen de Heere pas (12: 47, 48) over een juist geëvenredigde vergelding had aangemerkt en moest zij, tegenover zijn heenwijzing naar een toekomstig gericht, het doen gelden, hoe al hier het onderscheid tussen vroom en goddeloos kenbaar werd door zichtbare oordelen? Althans, Jezus keurt het nodig de dwalingen te weerspreken, als waren deze Galileeërs grotere zondaars dan anderen. Hij ontkent niet de algemene samenhang tussen natuurlijk en zedelijk kwaad. Hij wil ook volstrekt niet bestrijden dat bijzondere onheilen vaak in zeer nauw verband met bijzondere overtredingen staan. Maar Hij betwist de onfeilbaarheid van de regel, dat iedere individuele bezoeking een straf voor persoonlijke afwijking is en ontzegt aan de beschouwers van een enig onheil het recht om tot de zedelijke slechtheid van anderen te besluiten, uit het leed dat hen boven anderen treft. Veeleer wil Hij dat men de blik richt op eigen schuld en strafwaardigheid en in de noodkreet van anderen de roepstem verneemt tot boete: als u zich niet bekeert, zal het u allen op dezelfde manier vergaan! Te treffender zou zeker deze wending zijn als men aannemen mocht dat het noodlottig bericht tot Hem gebracht was om Hem door de wenk te ontzetten, wat hem en zijn aanhangers wel eens te wachten kon staan. Nee, niet voor Hem veeleer voor henzelf kon er stof van vrees voor een dreigend Godsgericht zijn. Voor zijn oog lag daar geheel Galilea, als reeds rijp voor het oordeel van de hemel en om te tonen dat Judea in dit opzicht evenmin voor gevaar was beveiligd, voegt Hij er de herinnering bij van een feit, waaruit zij bij oppervlakkige beschouwing dezelfde ongegronde gevolgtrekking hadden kunnen afleiden, maar waarin zij eveneens een spiegel van hun toekomst mochten zien, als zij op de weg van de zonde volhardden. Door een voor ons onbekende reden was een van de torens in de nabijheid van de bron Siloam ingestort en had achttien mensen onder zijn puinen begraven. Ook hier waren regel en toepassing gelijk: meent u, dat zij grotere zondaars dan anderen waren? Nee, Ik zeg u, als u zich niet bekeert, zal het u op dezelfde manier vergaan. Bij dit woord, aan een voorval nabij Jeruzalem ontleend, speelt de Heere niet slechts het lot van elke onboetvaardige, maar bepaaldelijk ook dat van de Joodse staat voor de geest. Hij ziet van verre meer dan een enkele toren, Hij ziet stad en tempel gevallen en op de vraag, die kon oprijzen, waaraan dan – als dit te wachten stond – even grote zondaars, als de pas omgekomenen, hun bewaring te danken hadden van lang verdiende ellende, antwoordt Hij: “Een zeker man had enz. “
II. Vs. 6-9.KruisverwijzingenMattheüs 7:19→Lukas 3:9→Exodus 32:10→Romeinen 2:4→Jeremia 2:21→Mattheüs 21:19→Galaten 5:22→Leviticus 25:21→
— En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kome nu drie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde? En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben; En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem namaals uithouwen.
De Heere neemt aanleiding in de gelijkenis van de onvruchtbare vijgeboom, om het nog nader uit te spreken wat de toestand van Jeruzalem in deze tijd was, toen Hij de stad, die Hij in drie jaren nu telkens op een hoog feest had bezocht, om de vruchten van de voorbereidende genade van God bij het volvoeren van het werk van Zijn genade in te oogsten, verlaten moest zonder zulke vruchten te vinden, ja Hij zelfs Zijn leven daar niet zeker was. Eigenlijk was de stad al volkomen rijp ter verdelging, maar nog heeft Hij een jaar van genade voor haar teweeg gebracht, waarin Hij het hoogste aan haar zal doen; bleef ook dat vruchteloos, dan kon niets meer het verdiende gericht afwenden.
En Hij sprak deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop en vond ze niet.
Ook ons heeft God geplant. Wij werden geboren uit Christen-ouders; wij werden in het prille van de jeugd door de doop aan de drieëenigen God opgedragen; wij werden van kindsbeen af – althans de meesten van ons – onderwezen in de waarheid, die naar de godzaligheid is. En later? Nee! De Allerhoogste heeft Zich niet aan ons onttrokken; Hij klopte aan de deur van ons hart, Zijn hand werkte aan onze volmaking; Zijn vinger wees ons de weg naar het leven; en door de daden van Zijn voorzienigheid en door de leidingen van Zijn liefde probeerde Hij ons voor Zijn dienst te winnen. Zeg mij, waren ook in dit jaar Zijn bemoeiingen niet groot met ons? Sta, ik bid u, sta stil en denk! Kijk terug! Herinnert u vooral hoe vaak Gods almacht onheilen van u keerde, hoe vaak Hij uw vrees beschaamde, uw hoop bevestigde, hoe vaak Hij u redde uit uw noden. En – schaamt u zich niet, dat u Hem niet hartelijker en trouwer hebt gediend!
En hij zei tot de wijngaardenier: Zie, ik kom nu al drie jaren hier en zoek vrucht op deze vijgeboom en vind ze niet; houw hem uit: waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde? Hij bereidt mij behalve het verdriet, dat hij zelf niets voortbrengt, ook nog het nadeel dat ik de grond tot niets anders kan aanwenden zolang hij daar staat.
En de wijngaardenier antwoordde: Heer! Laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben.
De hovenier is de voorspreker en uit de manier van voorspraak zien wij wie de hovenier is. Christus is hier de hovenier, die Hij niet was in de hof, waar Maria Hem zocht. De Heere is lankmoedig. Wij onbarmhartig als wij zijn zouden de straf althans bij anderen onmiddellijk op de overtreding willen zien volgen, maar God is Goddelijk grootmoedig en lankmoedig te midden van Zijn toorn. Er moet een mogelijkheid van bezinning, een tijd van bekering aan de overtreder gegeven worden. Er moesten nog veertig jaren voorbijgaan eer de vijgeboom uitgehouwen mocht worden, eer de verwoesting van stad en tempel kwam en in die tussentijd zou Christus over de schuldigen wenen, voor hun stad en voor hen bidden op Zijn kruis, opdat zij niet onherroepelijk zouden worden uitgeroeid. En hoe liefelijk is het dan ook dat deze gedachte van genade in de gelijkenis niet uitgesproken wordt door de heer van de wijngaard, maar door de wijngaardenier. Niet alsof de Vader niet dezelfde gedachten van vrede had over de zondaar als de Zoon die heeft, nee, het is één wezen, één liefde, maar omdat de Vader de Zoon alles in handen heeft gegeven om het te behouden, er voor te lijden en te sterven, te pleiten en te bidden, zoals de Zoon dit dan ook nu in de gelijkenis evenals in de werkelijkheid doet. “Totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben. ” Uit zichzelf kan de vijgeboom niet vruchtbaar worden, daarom wil de hovenier alles aan hem doen wat er nog te doen is om hem tot vruchtbaarheid te brengen. Het is een beeld van de bewerking van een mens en van een volk door het woord van God, door de prediking van het Evangelie, door de vermaning tot bekering en geloof. De ziel van de mensen moet door de waarheid van God blijvend te horen, blijvend oplettend gemaakt worden op haar gevaarlijke toestand wanneer zij geen toevlucht neemt tot de Goddelijke genade, maar zich verhardt tegen de roepstemmen van God en die ontvlucht om de eigen wegen te blijven bewandelen. Och, dat dan ieder de dag van de genade in acht nemen zal, opdat hij niet onbekeerd overgaat in de dag des toorns van de openbaring van Gods rechtvaardig oordeel; want deze volgt zeker na de dood en wie weet of het niet al over een jaar is dat deze volgt, want wie verzekert ons het leven langer dan een jaar, ja wie verzekert het ons zo lang?
En als hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar zo niet, dan zult u hem alsnog uithouwen.
Is de wijngaard het hele volk Israël of de Joodse theocratie, zoals uit Jes. 5: 1-7 en MATTHEUS. 21: 33 vv. ontwijfelbaar blijkt, dan is de in deze wijngaard geplante vijgeboom zeker Jeruzalem, de heilige stad. Op zo’n bijzondere rang in de theocratie wijst reeds Jes. 5: 7. “Want de wijngaard van de Heere der heirscharen is het huis van Israël en de mannen van Juda zijn een planting van Zijn verlustiging”. Is nu verder de wijngaardenier, zoals uit de hele samenhang blijkt, de Heere Christus, dan moeten de drie jaren ook verklaard worden met bijzondere betrekking tot Christus’ openbare werkzaamheid. Inderdaad spreekt Johannes ook drie keer van een bezoeken van de Heere van het feest (Hoofdstuk 2: 13 vv. ; 5: 1 vv. 7: 10 vv. ). Dat bezoek moest niet vluchtig, niet voorbijgaand zijn, maar een proef of niet uit Sion de schone glans van God kon aanbreken, zoals geprofeteerd was (Ps. 50: 2), of niet daar zoveel vrucht en boete en geloof door de theocratie was gerijpt dat de Heiland, die nu verschenen was, een welkome opname kon vinden. Degene die de vrucht zocht was de Heere der heirscharen, de Heer van de wijngaard, die door de woorden en werken van Hem, die Hij gezonden had, de harten onderzocht, in hoeverre zij vatbaar waren voor de oprichting van het Messiasrijk. Maar telkens bleek dat Jezus te Jeruzalem geen boden vond voor Zijn verdere werkzaamheid, integendeel juist van daar Zich weer moest terugtrekken en elders een plaats voor Zijn werkzaamheid moest zoeken, wanneer Hij in het algemeen Zijn werk niet geheel wilde opgeven en vóór de tijd uit Zijn volk uitgeroeid worden (vgl. Joh. 4: 1-3; 5: 16; 7: 32; 8: 59; 10: 39). Nu vallen bovengemelde feesten in de jaren 27, 28 en 29 na Christus, zoals de door ons aangenomen chronologie aanwijst. Omdat het eerste het Paasfeest is en het derde het loofhuttenfeest, ligt het voor de hand onder het tweede feest, dat niet genoemd is, het Pinksterfeest te verstaan. “Drie keer in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van de Heere, uw God, verschijnen, in de plaats die Hij verkiezen zal; op het feest van de ongezuurde broden en op het feest van de weken en op het loofhuttenfeest; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van de Heere verschijnen”, zo had de Heere van de wijngaard gesproken (Deut. 16: 16 v. ) en met de gave, naar mate van de hem verleende zegen, die Hij van Zijn hand eiste, natuurlijk op iets geestelijks gedoeld. Degene dus die deze geestelijke gave voor de Heere van de wijngaard van geheel Israël, op de plaats, die Hij verkozen had, in ontvangst moest nemen, was de Zoon (Hoofdstuk 19: 13) en zijn nu op die plaats uitdrukkelijk als de drie tijden van invordering genoemd: het feest van de ongezuurde broden, het feest van de weken en het loofhuttenfeest”, zo had Johannes in Hoofdstuk 5: 1 niet nodig het daar bedoelde feest eerst te noemen. De bij iedere bijbelkundige lezer bekende regel in de instelling van God zei vanzelf dat het het middelste van de drie feesten was. Wanneer nu verder, als Jezus de gelijkenis voordraagt, de Heer van de wijngaard nu al spreekt: “Zie ik kom nu drie jaren en zoek vrucht op deze vijgeboom en vind ze niet”, dan zegt dit zo duidelijk als mogelijk is dat wij ons dus na het loofhuttenfeest van het jaar 29 bevinden. Met het loofhuttenfeest van het jaar 27 is de openbare werkzaamheid, ingesloten die van Zijn voorloper Johannes, die daarbij behoort, begonnen, met het loofhuttenfeest van het jaar 28 eindigen dus de drie jaren en deze hele werkzaamheid bleek vruchteloos geweest te zijn. Waar anders is de juiste plaats voor zo’n getuigenis uit Jezus’ mond dan bij Jeruzalem en het juiste tijdstip daarvoor, dan het ogenblik van Zijn weggaan van de stad, die onvruchtbare vijgeboom? Hij gaat echter niet heen in toorn; integendeel spreekt Hij bij de Heere van de wijngaard, hoewel het bevel omtrent de vijgeboom al is gegeven: “Houw hem uit: waartoe beslaat hij ook onnuttig de aarde”, nog voor “Laat hem ook nog dit jaar, dat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben. ” Jezus wil nog eens terugkomen. Hij zal Zich naar Jeruzalem wenden op Pasen van het jaar 30, maar dan komt Hij niet zozeer om als profeet werkzaam te zijn, maar om als Hogepriester Zichzelf ten offer te geven en te sterven voor het volk (Joh. 11: 51 v. ). Dat is het wat Hij met het omgraven bedoelt; de prediking van Zijn dood, Zijn opstanding en hemelvaart moet de harde harten bewegen en de doffe gemoederen in beweging brengen, zodat zij leren vragen: “Wat moeten wij doen?” Hand. 2: 14-41). Het mest omleggen zal plaats hebben door oprichting van een Christelijke gemeente te Jeruzalem en door vele betoningen van de geest en de kracht (Hand. 2: 41 vv. 5: 12 vv. enz). Maar het: “Als hij vrucht zal voortbrengen laat hem staan, maar zo niet, ” enz. , geeft al te kennen dat aan de vijgeboom als zodanig, dat aan Jeruzalem en het Joodse volk als geheel, alle moeite en arbeid verloren zou zijn. Het gevraagde: “Laat hem nog dit jaar” omvat de tijd van Pasen van het jaar 30 tot het paasfeest van het jaar 62. na Christus, toen Jakobus II gedood werd (vgl. Hoofdstuk 11: 49-51), dus een volle mensenleeftijd, opdat ook de pas geboren kinderen de zegen van de voorbede van de wijngaardeniers een vol jaar van zegen door zouden kunnen genieten en het omgraven van en mest leggen om de vijgeboom zich ten nutte zouden kunnen maken. Ten slotte moet het toch komen tot het: “houw hem uit” en terwijl de Christelijke gemeente zich vooraf nog kon redden, werd hij overgegeven in het gericht van de goddelijke toorn. Dit is de eerste betekenis van de gelijkenis, in het volgende geven wij de toepassing op onszelf.
De vijgeboom heeft zoete vruchten en wordt in Gods woord als een van de voortreffelijkste bomen geprezen; verdienen wij met zo’n boom vergeleken te worden? Veelmeer zijn wij gelijk aan de doornstruik, die bittere vruchten draagt en door zijn stekels iedereen afweert, die hem te na komt; want bitterheid, haat, vijandschap en nijd, dat is het boze vergif van onze natuur. God heeft ons echter tot vijgebomen gemaakt door Zijn woord en de sacramenten; Hij heeft in het wilde hout van onze natuur het edel sap van Zijn Heilige Geest gegoten; toen is de kwade boom door Gods grote genade vernieuwd en een goede boom geworden, zodat hij nu een vijgeboom kan heten. Opdat hij echter blijven zal wat hij is geworden en opgroeien en gedijen heeft God hem in een vruchtbare aarde, in de wijngaard van Zijn Kerk gezet. Daar laat Hij de zon van Zijn licht tot allerlei kennis en verlichting op hem schijnen en drenkt hem met de dauw van Zijn evangelie en de stromen van Zijn levend makenden Geest. Hij geeft hem over aan de wijngaardenier Jezus Christus, opdat die een zorgend oog op hem zal hebben en hem naar Zijn grote trouw en liefde verplegen zal. Dat doet Hij ook en Hij bestelt bovendien nog wachters, die de wilde dieren van dwaling en de zwijnen van ongeloof verre van hem moeten houden en dag en nacht op hem acht moeten geven. Hij zelf kweekt de boom en snijdt de waterloten af en doet alles, opdat hij wel gedijen zal. Hij mag zeggen: wat is er meer te doen aan Mijn vijgeboom, dat ik aan hem niet gedaan heb!” Bedenk het, lieve mens! God heeft niets aan u gespaard; u bent niet onder Heidenen opgegroeid en u kunt niet zeggen: “Ik wist niet beter; ik wist niets van God; ik heb Hem ook niet kunnen dienen”. Verontschuldig u toch niet; u zou anders God in het gezicht liegen en uw kwade zaak nog erger maken – alles is gedaan wat tot uw zaligheid kon gebeuren.
Hoe zou het zijn als God na al deze voorbereidingen en zegeningen kwam en vrucht bij ons zocht, ons vroeg: heeft u zich bekeerd, bent u in Mijn rijk ingegaan, heeft u iedere morgen u opnieuw aan Mij overgegeven, leidt u een verborgen leven met Christus en kunt u zeggen -dat u wedergeboren bent en een waar kind van God bent geworden? – Ach, ik vrees dat het ons ook zal gelden wat Hij in de tekst zegt: Ik kom nu drie jaren en zoek vrucht op deze vijgeboom en vind ze niet. God kwam tot ons in onze jeugd, in de blijde dagen van ons leven; het was Zijn eerste jaar van genade aan onze ziel: ach! Hij vond een tegenstreven, eigenzinnigheid, weerbarstigheid en overmoed; het jaar ging voorbij onder velerlei indrukken van Zijn goddelijke liefde en trouw, maar de vrucht was weggebleven. Toen kwam Hij weer in onze jeugd. Jongelingen, jonge dochters, hoe spreekt de Heere tot u in de hoopvolste dagen van uw leven; hoeveel wekt Hij op, welke werelden van krachtige gevoelens en heilige voornemens roept Hij te voorschijn! – ach, het is een tweede jaar van Zijn genade. Maar het gaat voorbij en de hoofdzaak blijft lichtzinnigheid en zinnelijke begeerte. Nu komen de meer ernstige dagen van de mannelijke leeftijd, de stemmen van God tot bekering worden nadrukkelijker, de levenservaringen sterker; het is het derde jaar van Zijn genade. Heeft het vrucht gedragen? Wel vruchten van eergierigheid en aardsgezindheid, maar niet van godzaligheid. Hoe zou het zijn als de Heere tot de wijngaardenier sprak: houw hem af, waartoe beslaat hij nutteloos de aarde?”
Hoor het, mens, en vrees: de kruik gaat zolang te water tot zij breekt; wat nog niet gekomen is, dat kan komen in één ogenblik. Zal u het verderf plotseling overvallen? Kijk achter u, Zijn voetstappen ruisten al; en als u geen harde oren had, zou u al lang het ruisen hebben kunnen horen. Omdat u voor God geen goede vruchten wilde brengen is voor u menige bittere vrucht gegroeid. Wat is uw huwelijksleven? Het is een bitter leven; met kwade luimen staat u op, met verdriet gaat u naast elkaar, met twist legt u zich weer neer. Wat is het huisgezin? Er zijn ongehoorzame, lastige kinderen, er is ontrouw, er zijn zware verliezen, er is allerlei ongeluk. Wat is uw beroep en uw dagwerk? Veel moeite en weinig vreugde, veel verdriet en weinig voorspoed, veel vijandschap en weinig rust. Wat is uw leven? Een reeks van verwachtingen, die met bittere teleurstellingen eindigen, allerlei strijd en leed van het hart, zodat u niet echt blij kunt worden. En kunt u toch dit leven leiden zoals u het leed? En komt toch de gedachte niet bij u op dat gij de weg van de vrede geheel hebt gemist en moet omkeren? Merkt u dan in het geheel niet op dat er geen zegen van God bij u is, dat het met uw werk en toestand enkel bedrog is? Dat alles heeft God gedaan, opdat Hij u tot nadenken zou brengen. Hij waarschuwde u, en bracht u terug uit het verderf; waarom bent u zo stomp, dat u het niet voelt en zo gedachteloos, dat u daarop geen acht slaat? Dat heeft God nu drie, zes, tien, twintig en meerdere jaren voortgezet en u bent niet bekeerd; o hoezeer is het te beklagen dat al Zijn arbeid aan u verloren is! En dan? Ja, dan is het gedaan met u: de bijl wordt al gescherpt, opdat zij aan de wortel van de onvruchtbaren boom gelegd wordt. Of zou God daaraan voor altijd de plaats gunnen? “Waartoe beslaat hij ook nutteloos de aarde?” hoor het, onvruchtbare vijgeboom, u bent de plaats niet waard waar u staat; u bent het niet waard dat de zon u beschijnt; u bent het niet eens waard dat men u op uw plaats laat verdorren en verrotten. Dat is de wijngaard van God, waar u staat, dat is de heilige gemeente van God, waar Hij Zijn genade en waarheid openbaart en Zich heerlijk openbaart aan Zijn gelovigen. Daartoe behoort u niet, daar is geen plaats voor zulke verkeerde, onboetvaardige mensen. Ga onder de Turken en heidenen, misschien zal men u daar laten groeien, met uw vuile vruchten de lucht laten verpesten en eindelijk vergaan, maar in de wijngaard behoort u niet. Daar neemt u door uw brede takken zon en licht en door uw wortels het voedsel van de jonge tedere bomen weg. Op uw plaats kan beter een ander staan, al was het ook maar een heiden. Als deze het woord van God hoorde en hem de weg van het leven werd geleerd, dan was er misschien nog hoop dat hij nog de moeite zou vergelden en voor de Heere van de wijngaard vrucht voortbrengen. Wat zou men dan aan u nog verder de kostbare genade van God verkwisten? Weg met u! Weg, weg, uit de wijngaard, in het vuur!
Wij kennen haar, de liefelijke stem, die zo liefderijk voor de onvruchtbare boom vraagt: “Heere! laat hem ook nog dit jaar. ” Het is de stem van onze trouwe Heiland, die gekomen is, niet opdat Hij de wereld oordelen zal, maar opdat Hij haar zalig maken zal. Dat is de stem van de goddelijke lankmoedigheid zelf, die de dood van de zondaars niet wil, maar dat Hij Zich bekeert en leeft. Laat hem nog dit jaar, totdat Ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben”, zie, zo wordt nog eens voor u en mij gesproken: nog één jaar zal ons worden geschonken, voor menigeen onder ons misschien het laatste. Nog eens wil de hemelse hovenier aan ons werken, de harde bodem van ons hart omgraven met de ijzeren spade van Zijn ernstige bezoekingen, de dorre wortels van ons leven mesten met de reinigende en vernieuwende kracht van Zijn bloed, de zachte zon van Zijn genade over ons laten lichten, de vruchtbaarmakende regen van Zijn woord over ons uitgieten, of er misschien nog leven komt in de verstorven boom, of er zich misschien nog vruchten openbaren, late vruchten van ware bekering, van levend geloof, van nieuwe gehoorzaamheid, opdat niet eindelijk nog wordt vervuld: of zo niet, dan zult gij hem uithouwen!”
Wordt de bijl eenmaal aan de boom gelegd, dan een slag, en met stam en kroon ligt hij in het stof. Dat is de dag waarop het lichaam neerzinkt, getroffen door de slag van de dood en waar de ziel voor de Rechter verschijnt, die Zijn aangezicht in toorn eenmaal tot haar en dan voor eeuwig van haar afwendt. O u, die door de ontferming, die u zo lang droeg, duldde, verschoonde, niet werd geroerd, siddert voor de heilige God, wiens gerechtigheid een verterend vuur is en die op dat uur, dat niemand weet dan Hij alleen, aan Zijn genade een perk heeft gesteld, om nu al Zijn ernst te laten ondervinden.
I. Vs. 10-17.KruisverwijzingenLukas 13:16→Exodus 20:9→Lukas 14:5→Lukas 19:9→Mattheüs 4:23→Lukas 8:2→Lukas 8:43→Lukas 18:43→
— En Hij leerde op den sabbat in een der synagogen. En ziet, er was een vrouw, die een geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen, en kon zich ganselijk niet oprichten. En Jezus, haar ziende, riep haar tot Zich, en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uw krankheid. En Hij legde de handen op haar; en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God. En de overste der synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op den sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Er zijn zes dagen, in welke men moet werken; komt dan in dezelve, en laat u genezen, en niet op den dag des sabbats. De Heere dan antwoordde hem en zeide: Gij geveinsde, maakt niet een iegelijk van u op den sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken? En deze, die een dochter Abrahams is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band, op den dag des sabbats? En als Hij dit zeide, werden zij allen beschaamd, die zich tegen Hem stelden; en al de schare verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die van Hem geschiedden.
De evangelist verplaatst ons hier, zoals ondubbelzinnig blijkt uit de vergelijking van de volgende afdeling met de parallelle plaatsen bij Mattheüs en Markus, weer, evenals in Hoofdst. 11: 14-12: 59 , in de tijd van Christus’ werkzaamheid in Galilea. Hij laat ons zo nog meer bepaald zien dat het middelste stuk, in Hoofdst. 13: 1-9 vv. op zichzelf staat en tot de reis naar Jeruzalem en Judea, die in Hoofdst. 9: 51 vv. beschreven is, behoort als aanwijzing van het terugkeren van daar. Zoals het ingelaste in Hoofdst. 11: 14-12: 59 vooral gaat over de laatste tijd van Jezus’ openbaar optreden in Galilea , zo verplaatst de voor ons liggende en de volgende afdeling ons in de eerste tijd van deze werkzaamheid, zoals duidelijk daaruit blijkt, dat de overste van de synagoge zijn oppositie tegen de Heere nog niet onmiddellijk doet gelden en wij ook gezien hebben dat de gelijkenissen van mosterdzaad en zuurdeeg tot de eerste prediking van Christus aan de zee behoren. Het schijnt dat de genezing van de achttienjarige zieke op de Sabbat het eerste wonder was waarmee Jezus in het begin van september in het jaar 28 na Christus na het rondreizen van Kapérnaüm uit (Hoofdst. 4: 42 vv. ) en de daarop volgende rust gedurende de hete zomertijd Zijn werkzaamheid weer opnam. Het schijnt ook dat de opziener van de Synagoge die het volk wilde terughouden op de Sabbat met beden om hulp tot Jezus te komen geen ander was dan die Jaïrus, die enige dagen later zelf zich genoodzaakt zag om de hulp van de Heere voor zijn kind te vragen (Hoofdst. 8: 41 vv. ), zodat dadelijk de eerste opwelling van de door de Farizeeën en Schriftgeleerden daarna zo opzettelijk doorgezette aanklacht van Jezus over Sabbatsschennis door Gods bestiering verstikt werd in de ziel van hem, die tot hen behoorde. Daarom heeft ook de evangelische traditie, zoals die door Mattheüs en Markus ons is voorgesteld, onze geschiedenis liever ter zijde gelaten, zolang Jaïrus nog leefde. Lukas is in Hoofdst. 4: 14-9: 50 deze traditie gevolgd, hier brengt hij echter de geschiedenis bij buiten de volgorde zonder enige nadere bepaling van plaats en tijd. Hij hoefde, evenals Johannes (Hoofdst. 18: 10) in zijn tijd de naam van de dienstknecht kon noemen, die Petrus bij het gevangen nemen van Jezus het oor afhieuw, niets te verzwijgen, terwijl de evangelische traditie die om zekere redenen oorspronkelijk had verzwegen.
En Hij leerde, toen Hij nog in Galilea was, op de sabbat in een van de synagogen van die stad, namelijk van Kapérnaüm (Hoofdst. 4: 15 en 31).
En zie, er was een vrouw onder de toehoorders die een geest van de ziekte achttien jaren lang gehad had; zij was door een boze geest gebonden, die haar ziek en zwak maakte, zodat zij haar natuurlijke lichaamskrachten niet kon gebruiken en zij was samengebogen, omdat de geest van de ziekte haar zo geheel samentrok, dat zij neergebogen naar de aarde liep en zij kon zich helemaal niet oprichten; zij was dus geheel buiten staat haar hoofd naar boven op te richten.
“De Heere is op een sabbat in de synagoge en wel om te leren, ook de zieke vrouw had deze plaats, niet zoals die met de bloedvloeiing in Hoofdst. 8: 43 vv. , om met de wonderdoende Jezus in aanraking te komen, maar om de sabbat te vieren, betreden. Aan de ene kant kan men hierin een berusting zien, die zich sinds lang in het nu eenmaal bescheiden lot gevonden heeft en niet meer naar genezing verlangt, zoals dan ook Jezus hierna (vs. 12 v. ) uit eigen aandrang haar tot Zich roept, haar de verlossing moet voorhouden en eerst door Zijn handoplegging daartoe brengen, dat zij van haar bevrijding gebruik maakt. Aan de andere kant is het echter ook een teken dat het leren van Christus in de synagoge en het doen van wonderen aan de zieken een geruime tijd heeft stil gestaan en men het niet meer gewoon is zijn toevlucht tot Hem te nemen. Om die reden noemen wij deze geschiedenis het wederopnemen van Zijn werkzaamheid na een pauze van verscheidene maanden. Hij had Zich volgens Hoofdstuk 4: 42-44 aan de bewoners van Kapérnaüm, nadat Hij slechts een week lang Zijn heerlijkheid daar ontvouwd had, dadelijk weer onttrokken, Zich in de omtrek begeven en vervolgens voor de tijd van een vierde jaar in de stilte van het bijzonder leven teruggetrokken. Toen wist men nauwelijks meer van Hem, Zijn vroegere werkzaamheid was voor hen als een van de hemel weer verschenen meteoor en zo moet Hij zelf ongevraagd ingrijpen om het de mensen te laten opmerken dat Hij Zich weer over hen wilde ontfermen. Wij zullen later zien hoe daarin iets voorafbeeldends over de toekomst van Israël ligt. Dat Lukas van de vrouw de uitdrukking gebruikt, dat zij een geest van de ziekte had gehad en niet van een gewoon en natuurlijk zenuwen- of ruggegraatslijden spreekt, wijst ons indirect op Kapérnaüm als de plaats van gebeurtenis, terwijl hij, de vroegere arts (Col. 4: 14), al in Hoofdst. 4: 38 vv. ons de koorts van Petrus’ schoonmoeder als van zeer ernstige aard liet kennen en ook overigens liet opmerken dat juist Kapérnaüm met zeer veel demonisch lijden bezocht was 8: 15). Men heeft wel willen ontkennen dat met “geest van de ziekte” op de demonische toestand zou worden gewezen; maar in vs. 16 spreekt toch de Heere uitdrukkelijk van een band, waarmee satan de vrouw had gebonden; er moeten dus met de ziekte toestanden verbonden zijn geweest die op een diepere grond doelden dan een zuiver lichamelijke stoornis. Een gewone ziekte, zo merkt Olshausen op, werd nooit van de boze geest afgeleid; er moesten altijd nog andere verschijnselen bijkomen; misschien was het lijden van de vrouw met nu en dan terugkomende razernij verbonden, of er openbaarde zich bij haar, die vóór de 18 jaren juist door bijzondere gaven van de geest zich had onderscheiden, een doffe, bijna dierlijke aard. Hier kunnen wij nu ook de vraag behandelen naar het voorafbeeldende van de gebeurtenis en dan zal blijken dat de verbinding van deze aan de gelijkenis van de onvruchtbare vijgenboom niet maar een toevallige was, maar werkelijk bedoeld door de Heilige Geest, die de bijbelse schrijvers bestuurde. In deze vijgenboom moesten wij een beeld zien van Israël en in het gedreigde omhouwen een beeld van de verwerping van dit volk, als het vroegere verbondsvolk. De vrouw, die door een demon geen macht meer heeft om zich vrij te bewegen, ter aarde gekromd is en niet meer naar behoren kan zien, maar stomp en dof in haar lijdenstoestand is, beeldt het tegenwoordige Israël onder Gods vloek af en in hoeverre daar werkelijk van een toestand van bezetenheid sprake kan zijn werd al bij MATTHEUS. 12: 48 opgemerkt. Maar ook de 18 jaren zijn niet zonder betekenis; de 42 maanden = 1260 jaren, die in Openbaring 11: 2 voor de duur van Jeruzalem’s vertreding zijn genoemd, zijn = 18 x 70 jaren (Jer 29: 4) en nu zal ook de bekering en wederopname van het volk overeenkomstig de gezichten in Openbaring 11: 11, 12 en 12: 7-12 ten gevolge van een buitengewone wending door het plotseling weer optreden van Christus, nadat Hij voor een geruime tijd aan andere steden gepredikt of zich in de stilte zal hebben gehouden, plaats hebben en als een eigen tegemoet komen zijn tot diegenen, die in doffe rust zich aan hun lot hebben overgegeven, alsof er niets meer aan te veranderen was; vgl. het zinnebeeldige in de 38-jarige zieke aan het badwater te Bethesda in Joh. 5
En Jezus zag haar nadat Hij Zijn rede had gehouden en ontfermde Zich over haar ellende in genade (Jes. 65: 24), riep haar tot Zich en zei tot haar toen zij nu, als een dier gebogen, voor Hem stond: Vrouw! u bent verlost van uw ziekte, die een vreemde macht u heeft opgelegd; de tijd van uw gevangenschap is nu voorbij (Hoofdstuk 4: 18).
En Hij legde de handen op haar om haar van die vreemde macht te verlossen en haar in het bereik van Zijn macht te brengen en daar meteen met Zijne levenskracht te vervullen (Gen. 48: 14. en “Le 1: 4”); en zij werd meteen weer recht, omdat de band van de satan werd verscheurd en zij verheerlijkte God, evenals de verlamde, toen hij zijn bed ophief en heenging (Hoofdstuk 5: 25).
De dag des Heeren als een dag van blijde oprichting voor lichaam en ziel; hij roept ons 1) van het gewoel van de werkdagen tot sabbatsrust 2) van aardse smart tot hemelse vreugd, 3) van het juk van de zonde tot de dienst van de Heere.
Bezwaard hart, leg af de zorgen. Verhef u, neergebogen hoofd! De aangename morgen komt, als God veroorlooft om te rusten en zelf de rust heeft gewijd; kom, kom, u heeft te voren zoveel tijd aan de dienst van de Heere ontstolen.
U vraagt wellicht: waartoe was deze handoplegging; was het woord van de Heere niet genoeg? Nee, beiden behoren bij elkaar. Alle verlossing door Christus gebeurt zoals deze genezing gebeurde in twee momenten of bewegingen buiten ons en in ons. Zodra de Heere het woord van de verlossing had gesproken was zij verlost, want de Heere is de Verlosser. Hij kan verlossen wie hij wil en dat Hij deze vrouw verlossen wilde, openbaarde Hij in zijn woord: U bent verlost. Maar door tegelijk de handen op haar te leggen deelde Hij haar Zijne verlossende, genezende kracht mee en wekte Hij haar geloof in het uitgesproken woord van de verlossing op en haar lichaam rees overeind. Het is hiermee als met een geketende in de gevangenis, tot wie men de pardonbrief van de koning brengt. Door deze brief is de man vrij, nochtans moet hij eerst van zijn ketenen losgemaakt worden, zal hij werkelijk vrij zijn: en gesteld nu dat deze ketenen niet willen losgaan, dat de sleutel ervan breekt en men nieuwe hulp moet halen om de ketenen te ontsluiten, dan kan dit vrij lang duren en toch is de gebonden man geen gevangene meer, want hij weet uit de pardonbrief dat hij vrij is. Maar daar gaan de ketenen los en nu is hij ten volle vrij. Zo is het nu ook in het geestelijke. Wij zijn verlost door Christus in Zijn dood. Dat is onze vrijbrief. Christus is opgestaan en heeft daarmee de dood overwonnen en nu gaat Hij over om de gebondenen van de satan, die het geweld van de dood heeft, de een na den ander te ontbinden. Evenals Lazarus, op het bevel van de Heere opgestaan uit dood, nochtans door een afzonderlijk bevel van de Heere van zijn omwindselen moest worden losgemaakt, zo ook de geestelijk wedergeborene. Ook hij heeft nog vele bewindselen die hij afzonderlijk van hem moet laten wegnemen. Bij Lazarus was dit een uitwendige zaak en geen geloof was er bij nodig, want anderen konden en moesten dit door Hem doen; maar deze vrouw moest geloven in het woord van de Heere, evenals wij allen moeten doen; want wat buiten ons door God gezegd wordt moet in ons tot waarheid worden en dat gebeurt alleen door het geloof. Daarom, wij herhalen het, moest Christus de handen op de vrouw leggen, om haar als gelovige Zijn genezende kracht mee te delen en moet Hij op ons geestelijk de handen leggen om ons als gelovigen, de Heilige Geest, het eigen leven van de Heere mee te delen. Wie gelooft leeft uit Hem; wie niet gelooft heeft geen deel aan Hem.
En de overste van de synagoge meende dat deze daad een terechtwijzing nodig maakte. Hij nam het Jezus, in onverstandige ijver voor de Farizese instellingen, die hijaanhing, kwalijk dat Hij op de sabbat genezen had, wat hij Hem zeker ook door een blik te kennen gaf. En hij zei tot de menigte met de houding als van een man van goddelijk gezag (MATTHEUS. 23: 2): a) Er zijn volgens de wet (Ex. 20: 8 vv. ) zes dagen in de week, waarin men moet werken; komt dan in deze dagen en laat u genezen en niet op de dag van de sabbat, voor welke zevende dag de rust is bevolen, dat niemand dan enig werk doe.
Deut. 5: 13. Ezechiël. 20: 12.
De man voelde niets van de heerlijkheid van dit ogenblik; hij was slechts ontevreden over de genezing op de sabbat; hij behoorde nog tot de vreesachtige tegenstanders van de Heere en waagde slechts hem ter zijde verwijten te doen, door het arme volk te berispen. Hij sprak daarbij geheel volgens het toenmalig vooroordeel van de Joden, dat, waar slechts uitstel mogelijk was, de genezing van de zieken op de sabbat onvoorwaardelijk verbood en slechts bij duidelijk levensgevaar een uitzondering toeliet.
Wat heeft de arme vrouw gedaan, dat hij iets dergelijks aan het volk voor het vervolg verbiedt? Niets voor haar persoon; zij heeft geen enkel woord als verzoek gesproken; zij is slechts toegetreden op het roepen van de Heere, zij heeft zich opgericht toen zij het weer kon. Had zij misschien moeten zeggen: O nee, Heere! Vandaag is het sabbat, ik ben nog niet los; pas morgen mag ik mij oprichten en God prijzen? Men ziet, de man spreekt in zijn blinde ijver niets dan onzin.
De Heere dan, die toch eigenlijk de aangevallene door deze scherpe strafrede was, antwoordde hem: Geveinsde (volgens een andere lezing: geveinsden! gij en uw gelijken, de Farizeeën en schriftgeleerden) a) maakt niet een ieder van u op de sabbat zijn os of ezel van de kribbe los? Dat zou toch naar uw begrip ook een verboden arbeid zijn – losmaken, leiden, drenken is immers een werkelijk arbeiden, een inspanning en toch leidt u hem heen om te doen drinken, zonder daarvan een gewetenszaak te maken.
Ex. 23: 5. Deut. 22: 4. Luk. 14: 5.
Dat doet u, omdat uw aardse belang daarbij in het spel komt. En deze, die een dochter van Abraham is, die de satan, zie, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van deze band, van die zware ziekte, op de dag van de sabbat?
De plaatsing van de woorden doet eerst opmerken hoeveel waardiger in dit geval het voorwerp van de hulp was; hier is een dochter van Abraham, een lid van het volk Israël, van Gods verbondsvolk, waarop zij anders zo trots waren. Vervolgens waren haar banden zoveel smadelijker, smartelijker en – wat door het tussen gevoegde “zie” wordt uitgedrukt langer van duur geweest; en zou dan haar niet worden geschonken wat ieder zijn os of ezel gunt en voor een noodzakelijk werk op de sabbat houdt?
Jezus roept de hele partij, wier vertegenwoordiger de man is, tot verantwoording. Het scherpe van Zijn aanspraak: “huichelaars” rechtvaardigt zich door naast elkaar te plaatsen de vrijheid, waarin zij met de sabbatswet handelen, wanneer hun geringste belangen in het spel komen en de kleingeestigheid, waarmee zij handelen, wanneer het de belangrijkste belangen van hun medemensen betreft. De tegenstelling tussen ossen of ezels en Abrahams dochter, tussen kribbe en laten, eindelijk tussen die beide los te maken banden, de lichamelijke en geestelijke, is in het oog vallend; het woord “achttien jaar”, dat een diep medelijden uitdrukt, is de kostelijkste kroon van het antwoord.
De koude, ingebeelde heiligen zouden misschien zeggen: nu, als zij 18 jaren gebonden was, dan kon zij ook nog wel één dag wachten: maar Hij maakt juist dat tot grond voor het tegendeel, want wie de naaste lief heeft als zichzelf, zegt integendeel: daarom ook geen ogenblik langer, zodra er kan worden geholpen!
Wat een woorden, wat een stroom van goddelijke welsprekendheid! Wie kon zoiets op deze manier zeggen dan de Heere der heerlijkheid? Eerst zien wij dat het losmaken van banden het werk van de Heere is. Is het ook ons werk? Zo niet, dan moet het ons werk worden. Wij moeten niemand banden aanleggen, maar ieder vrijmaken van banden die hem kwellen en onteren, banden die niet God, maar die de satan gebonden heeft. Daarom hebben wij ze lief, al die mannen, die ijveren voor de vernietiging van de slavernij en niet ophouden te ijveren voordat zij hun doel bereikt hebben. Immers het Evangelie is juist en alleen in de wereld gekomen om alle plaag op te heffen en alle zegen te doen neerdalen. Ten anderen zien wij hoe de Heere altijd het beeld kiest overeenkomstig de zaak. Wij merkten al op dat de vrouw door haar rugverkromming meer de houding van een dier dan van een mens vertegenwoordigde. Zij was evenals het rund of de ezel door een touw aan de krib, aan haar lichaam gebonden, met een door mensen onlosmakelijke band. Al achttien jaar had zij begeerd, gewenst, verlangd naar het slaken van die band, maar vruchteloos, het was altijd meer een zaak buiten hoop geworden; en zie, nu breekt daar voor haar een sabbat van de ruste, van de rust van haar last en haar lijden aan, een sabbat van de verlustiging in Gods werken, van de verheerlijking van Gods grote daden. De sabbat werd aan haar geheiligd. Door wie? Door de Heer van de sabbat zelf. Hij maakt haar los van de band door de satan gebonden, Hij maakt haar vrij en zij is vrij en verheugt zich in haar vrijheid, verheerlijkt er God voor en al het volk verheerlijkt God met haar. Welnu zegt de Heere tot de nijdige, schijnheilige verstoorder van al deze vreugde, door God verwekt, u en uw medegenoten bent landbezitters en veehouders en wie van u zal de sabbat te heilig houden om het vee, dat aan de kribbe vastgebonden is, los te maken van zijn banden, opdat het niet versmacht, maar drinkt? En hoe kunt u nu willen dat Ik de sabbat heilig houdt, om een mens – en wel een dochter van Abraham – los te maken van een band, waaraan de satan haar nu achttien jaar lang gebonden hield – en haar smachtenden dorst naar verlossing te lessen?
De “dochter van Abraham” herinnert al vanzelf aan de zoon van Abraham in Hoofdstuk 19: 9; het “de satan heeft gebonden” staat tegenover het gewone gebonden zijn van het dier aan de kribbe; de achttien jaar in tegenstelling tot de betrekkelijk slechts korte tijd, waarin het dier het water moest ontberen en “deze band” staat tegenover de zeker dragelijke ontbering die het dier moest lijden, wanneer het op een sabbat niet tot het drinken werd geleid.
Niet zonder reden heeft de Heere hier gesproken van een losmaken van de kribbe; in Hoofdstuk 14: 5 echter van een uittrekken uit de put. Op de laatste plaats is de waterzuchtige in gevaar te verstikken in het water evenals het dier in de put; op onze plaats wordt de gebogen toestand van de vrouw vergeleken met het staan van het dier aan de kribbe.
En toen Hij dit zei werden zij allen door de juistheid van het gezegde getroffen en van de verkeerdheid van hun eigen mening overtuigd. En zij, die te voren (vs. 14) met de overste van de synagoge in hun hartinstemden, werden beschaamd. Allen, die zich tegen Hem stelden; en de hele menigte die in de genezing van de vrouw van harte deelnam, verblijdde zich over al de heerlijke dingen die door Hem gebeurden, niet alleen nu, maar ook verder, nu Jezus Zijn goddelijke macht weer aan hen betoonde; zij erkenden toch allen, dat er nog veel van zulke daden zouden volgen.
De ware heiliging van de rustdag heeft de Heere vooral daardoor aan het volk getoond, dat Hij een menigte van Zijn genezingen vooral op de sabbat verrichtte. De ware sabbatswerken waren, als Hij Zich over de mensen in hun ellende ontfermde en hen van hun valse wettelijkheid probeerde te genezen.
II. Vs. 18-21.KruisverwijzingenMattheüs 13:33→1 Korinthe 5:6→Lukas 13:20→Mattheüs 17:20→Mattheüs 13:24→Mattheüs 13:31→Klaagliederen 2:13→Lukas 17:21→
— En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken? Het is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het wies op, en werd tot een groten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken. En Hij zeide wederom: Waarbij zal Ik het Koninkrijk Gods vergelijken? Het is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam, en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.
Ook de beide gelijkenissen, die nu volgen als tweede aanhangsel tot Jezus’ werkzaamheid in Galilea, die van het mosterdzaad (vs. 18 en 19) en die van het zuurdeeg (vs. 19 en 20) staan in onmiskenbare samenhang met de gelijkenis van de onvruchtbare vijgeboom in vs. 6-11 De eerste verklaart het “waartoe beslaat hij nutteloos de aarde” en wijst er op dat het rijk van God, dat de Joden ontnomen is, aan de Heidenen zal worden gegeven. De andere staat tegenover het “geen vrucht voortbrengend” en geeft op het vruchtdragen van de Heidenen uitzicht (Matth. 21: 23 Voor een Schriftgeleerde scheen het bijna onmogelijk een samenhang voor de herhaling van deze twee gelijkenissen juist hier te vinden; maar er is hier geen sprake van een herhaling van de kant van Christus, maar alleen een bijvoeging als aanhangsel van de kant van de evangelist, die in Hoofdst. 8: 4-21 opzettelijk een vermenging van de beide predikingen aan de zee, zoals die bij Mattheüs en Markus is, vermeden heeft. Zoals hij nu voor de tweede van deze beide predikingen zich beperkt heeft tot de gelijkenis van het zaad op de verschillende grond, zo bepaalt hij zich hier voor de eerste tot de beide, die wij voor ons hebben (vgl. Matth. 18: 31-33 en Mark. 4: 30-32).
En Hij zei, toen Hij de volgende dag na de in de vorige afdeling meegedeelde gebeurtenis het aan de oever staande volk van een schip leerde 8: 18″): Waaraan is het koninkrijk van God gelijk en waarmee zal Ik het vergelijken?
Het is gelijk aan een mosterdzaad, dat een mens genomen en in zijn hof (bij Mattheus staat akker, bij Markus aarde; de hof komt meer overeen met wijngaard in vs. 6) geworpen heeft en het groeide op en werd tot een grote boom en de vogelen van de hemel nestelden in zijn takken.
Een zaad in de hof geworpen is niet weggeworpen, al schijnt het zo voor een tijd; hij heeft veel gedaan; die gezaaid heeft, al schijnt hij niets gedaan te hebben, al bedekt de zwarte aarde zijn arbeid, al komt er nog vele dagen geen enkel uitspruitsel te voorschijn. Kan hij niets meer doen, hij mag het zich getroosten; God laat groeien. Het mosterdzaad groeit op en wordt tot een grote boom – niet opeens, of in een enkele dag; maar naar de wetten van zijn groei en leven, van lieverlede en door regen en zonneschijn.
En Hij zei weer: Waarmee zal Ik het koninkrijk van God vergelijken?
Het is gelijk aan een zuurdesem, die een vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was (Markus 4: 30-32).
Het rijk van God heeft tweeërlei macht; een kracht van uitbreiding, waardoor het gaandeweg alle volken omvat en een kracht van verandering, waardoor het het hele menselijke leven langzamerhand nieuw maakt. Het natuurlijke zinnebeeld van de eerste is een zaad dat in korte tijd een groei verkrijgt, die met zijn vroegere kleinheid niet in overeenstemming is; dat van de tweede, een materieel onaanzienlijk gisting middel, dat echter zijn grote kracht tot assimileren aan een grote massa kan betonen.
Beide gelijkenissen behoren geheel tot degenen die een profetisch karakter hebben; de eerste vond haar vervulling vooral ten tijde van Constantijn de Grote, de tweede in de Middeleeuwen bij de verbreiding van het Christendom in verschillende Europese staten door de invloed van de Katholieke kerk; toch worden natuurlijk deze gelijkenissen in iedere eeuw van het Christendom in meerdere of mindere mate vervuld.
De grote boom uit goddelijk zaad spreidt ook over ons zijn verkwikkende schaduw uit; liefelijk is de rust onder zijn lommer. Wij kunnen nog genieten de vertroostingen van het Evangelie, wij delen in al de uitwendige voorrechten, die het overal brengt waar het reikt. Maar zijn wij evenzeer doortrokken, zijn wij al geheel doortrokken door zijn kracht? Doordringt het zowel ons innerlijk als ons uiterlijk leven? En ons uiterlijk leven in al zijn uitingen? het beroepsleven niet minder dan het huiselijke en niet slechts onze bezigheden, maar ook onze uitspanning? Zijn onze drie maten meel in de volle Efa gezuurd? Is de gehele mens een Christen? Verstand en hart en wil gelijkelijk geheiligd? Of onttrekken wij een gedeelte van de menselijke stof aan de goddelijke werking? Werken wij haar tegen, houden wij haar op door hoogmoedige overleggingen, vleselijke neigingen, zondige traagheid? Dat zou zijn het Evangelie bespotten, de Heilige Geest bedroeven, het Koninkrijk van God bestrijden en zijn Koning de eer betwisten; dat onze voorrechten verijdelen. Wij willen de voleindiging van het Godsrijk, dat wij haar dan allereerst willen in onszelf. De geluksstaat komt niet dan door de voleindiging; voordat de mensheid er geheel door geheiligd is het geluk van onder het Evangelie te leven niet geheel.
I. Vs. 22-35.KruisverwijzingenMattheüs 25:10→Lukas 9:51→Lukas 13:27→Mattheüs 19:30→2 Petrus 1:10→Markus 6:6→Mattheüs 7:14→Spreuken 21:25→
— En Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem. En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zeide tot hen: Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen; Namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt. Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd. En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid! Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen. En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods. En ziet, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn; en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn. Te dienzelfden dage kwamen er enige Farizeen, zeggende tot Hem: Ga weg, en vertrek van hier; want Herodes wil U doden.
In vs. 1-9 zagen wij Jezus, nadat Hij Zich voor de vervolgingen van de Joden uit de tempel moest terugtrekken, de stad verlaten en onder gesprekken met een aantal begeleiders, die eveneens van het feest van de tempelwijding terugkeerden, over de beek Kedron naar de Olijfberg gaan. Hier nu vinden wij Hem deels op de verdere weg naar het naaste doel van Zijn reis, deels aan dat doel zelf, dat waarschijnlijk de stad Livias in Perea is. 1) De gedachten, waarmee Hij van Jeruzalem gescheiden is en die Hij in de gelijkenis van de onvruchtbare vijgeboom heeft uitgedrukt, bewegen nog steeds Zijn hart. Opnieuw openbaren zij zich in hetgeen Hij antwoordt op hetgeen Hem iemand onder weg vraagde: Heere! Zijn er ook weinigen, die zalig worden? En in zijn antwoord dat Hij de Farizeeën geeft, die bij Zijn aankomst te Livias Hem raden, van daar heen te gaan, omdat Herodes Hem probeerde te doden.
Volgens meer nauwkeurig onderzoek moeten wij de samenhang van de gebeurtenissen nog enigszins anders rangschikken dan in het chronologisch overzicht bij MATTHEUS. 19: 2; en de daarbij behorende aanmerkingen gebeurd is. De uitdrukking in Joh. 10: 40 : “wederom over de Jordaan tot de plaats waar Johannes eerst doopte”, ziet wel niet uitsluitend op Bethabara (Joh. 1: 28), maar omvat integendeel het hele Oostelijke gebied van de Jordaan van Bethabara tot Zuidelijk beneden aan de uitwatering rivier in de Dode zee, zoals het ook in Joh. 11: 48 van het gehele land staat. De juistere chronologie geven wij later in een aanhangsel.
En Hij reisde, nadat Hij in het land aan de andere kant van de Jordaan gekomen was (Joh. 10: 40), van de ene stad en dorp tot de andere, zoals Hij Zich in Hoofdstuk 10: 1 had voorgenomen, lerend, om nu ook in dit deel van Palestina Zijn profetisch ambt waar te nemen en hij richtte daarbij Zijn reis naar Jeruzalem, terwijl Hij het doel, dat Hij sinds Hoofdstuk 9: 52 steeds nader kwam, vast in het oog hield.
Deze is van de verdelingen, die Lukas in zijn bericht van de reis maakt, al het tweede; het derde zal volgen in Hoofdstuk 17: 11 Tot deze eigenaardige indeling heeft het woord van de Heere hem aanleiding gegeven (vs. 33): “Ik moet heden en morgen en de volgende dag reizen poreuesyai, want het gebeurt niet dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem”. Hier heeft het “reizen” zozeer het bepaalde begrip van een reizen in het bijzonder naar Jeruzalem om te lijden en te sterven, dat zonder alle tussengedachten dadelijk de zin wordt aangesloten met “want”, dat natuurlijk onverklaarbaar bleef, als dat woord in algemene zin van een reizen in het algemeen stond geschreven en niet ook het doel van de reis in zich sloot. Bij alle drie de afdelingen nu is ook het eens in de grondtekst gebezigde woord vast behouden, en alleen hier nog het “naar Jeruzalem” tot nadere bepaling bijgevoegd en niet zoals in (vs. 33) weggelaten. Zowel in Hoofdstuk 9: 51 als in 17: 11 lezen wij een poreuesyaieiv Ierousalhm op onze plaats moest echter het eenvoudige werkwoord omdat een (dienoreueod “ging door”) al was voorafgegaan worden omschreven en daar is dan opzettelijk poreian (niet odou “weg”) poioumenov voor deze omschrijving gekozen, om de uitdrukking ook hier te bezigen. Zo hebben wij dit vers niet op te vatten als een bijzondere opgaaf van plaats voor hetgeen in vs. 23 vv. wordt meegedeeld, maar als opschrift of liever als aanwijzing van de categorie, waaronder de hele volgende afdeling valt en die tot Hoofdstuk 16: 31 voortgaat en met het aanhangsel Hoofdstuk 17: 1-10 eindigt. Het is dezelfde categorie, waartoe ook de afdeling Hoofdstuk 9: 52-11: 13 en 13: 1-9 met de aanhangsels 11: 14-12: 59 en 13: 10-21 en de afdeling Hoofdst. 17: 12-18: 30 , welke beide in Hoofdst. 9: 51 en 17: 11 een geheel gelijk opschrift hebben, behoren. De uitleggers zien deze betrekking zo geheel voorbij, dat, zoals zij Hoofdst. 13: 1 vv. naar Galilea verplaatsen, zij ook hier zo aan Galilea denken; maar juist het poreuesya of poreian poieisyai eiv Ierousalhm wijst zo bepaald mogelijk daarop, dat de Heere Zich nu geheel van Galilea heeft verwijderd en de weg van het “reizen” in de vs. 33 genoemde zin Zich heeft begeven.
En een van Zijn begeleiders zei, door de hoge ernst van die rede getroffen, tot Hem, toen Hij van daar, waar het medegedeelde in vs. 1-9 was voorgevallen, verder ging: Heere! zijn er ook, zoals uit Uw woorden schijnt te blijken, weinigen die, in het Messiasrijk overgebracht, zalig worden, terwijl daarentegen in het algemeen Israël aan het oordeel van de verwerping zal worden overgegeven? En Hij zei tot hen, niet alleen tot de vrager, maar tot al zijn reisgenoten:
Nu wil men niets meer van aanvechting horen; men moet geloven, ineens ten volle en dan zeker zijn dat men Christen is en er nooit aan twijfelen. Wat echter mijzelf betreft, ik wil het graag bij herhaling bekennen dat ik over het denkbeeld van de weinigen, die zalig worden, ook angstzweet heb gehad. Maar mijn Heer en mijn God had het antwoord al voor mij gereed gemaakt en ik had het maar te nemen om gerust te zijn. Het ingaan is een strijd en dat het een strijd is heb ik ondervonden en ondervind ik nog.
Strijd om in te gaan door de enge poort, die voor u vandaag nog openstaat tot het koninkrijk der hemelen (MATTHEUS. 7: 13 v. ); want velen, zeg Ik u, zullen, als die poort is gesloten, proberen in te gaan in het rijk van God en zij zullen het op hun eigen wegen ondanks alle inspanning niet kunnen, omdat het binnenkomen niet kan worden gedwongen, maar afhangt van Gods genade, die haar tijd heeft en alleen op de enige, door Hem bepaalde smalle weg plaats kan hebben.
Het Koninkrijk van de Messias wordt hier voorgesteld onder het beeld van een paleis, waarin men niet, zoals men natuurlijk zou denken, door een groots portaal binnentreedt, maar door een nauwe, lage, nauwelijks zichtbare poort, een hulpdeur. De uitgenodigden weigeren daarin te gaan, dan wordt die gesloten en wij vragen tevergeefs aan de heer des huizes om die weer te openen, zij blijft gesloten en zij blijven buitengesloten. De “enge poort” stelt het geloof in de vernederde Messias voor. De grootse poort, waardoor de Joden hadden willen ingaan, zou, als die genoemd was, de verschijning van de verwachte Messias in Zijn heerlijkheid zijn. Het “strijdt” drukt in een beeld van de angst uit, die door de moeilijkheid om door ene zo nauwe opening te komen, veroorzaakt wordt. In de toepassing betekent het de verootmoedigingen van het berouw, de strijd van de bekering. Jezus zegt niet of er velen of weinigen zalig worden; Hij verzekert alleen dat er velen verloren gaan; dat alleen is voor de praktische persoonlijke toepassing belangrijk, waarbij niet in de weg staat dat ook velen zalig worden.
Op de vraag, die elders en herhaaldelijk tot Hem wordt gericht: “wat moet ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërf?” heeft Jezus steeds een duidelijk, beslist, openlijk antwoord gegeven. Zijn antwoord in onze tekst draagt daarentegen een ander merk. Vanwaar dit? Dat ligt juist in het verschil in de vragen. Wanneer de mens vraagt: “Wat moet ik doen om zalig te worden?” dan zal hem Gods woord steeds en zonder veel onderzoeken zeggen wat hij moet doen; waar echter de mens vraagt: “Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden?” daar heeft Gods woord steeds het antwoord: “Zorg vooral dat u zalig wordt. ” Daarom zegt ook de Heere: “Strijdt om in te gaan door de enge poort” en wijst met deze woorden hem, die gevraagd heeft, zowel als degenen, die om Hem staan, zonder gevraagd te hebben, op henzelf terug; Hij keert de vraag naar het getal van de zaligen om tot een vraag naar hun eigen zaligheid. Daarmee laat de Heere ons een blik slaan in het Christendom in het algemeen. Het Christendom is niet iets waaraan uw persoonlijk ik geen deel zou moeten hebben, maar het is iets waarbij uw ik steeds in de eerste plaats en het meeste belang heeft. Het is daar te doen met vragen, die niet alleen de wereld in het algemeen, maar vooral uzelf aangaan – het Christendom is uw meest betekenende vraag, het is uw hoogste levensvraag. Of u in de Heere gelooft of niet, of u de Heere of de zonde dient, of u de eer van de Heere zoekt of die minacht, het gaat niet in de eerste plaats de Heere aan; Zijn eer, Zijn heerschappij, Zijn heerlijkheid blijven onaangeroerd; het gaat in eerste plaats het Koninkrijk van God aan, dat gaat zijn gang al moet het ook over u heengaan. Het gaat in de eerste plaats u aan, of u aangenomen of verworpen, of u goddelijk welgevallen of ongenoegen zult oogsten, of u zich verblijden zult in het kindschap van God, of u over Zijn nabijheid zult vertroosten. Het gaat uw toekomst aan of die eeuwig leven of eeuwige dood zal zijn, uw erfenis, of die de hemelse erve van de uitverkorene zal zijn, of de vloek van de verworpenen. Christelijk geloof en leven geldt de personen, waarbij niemand meer belang heeft dan uzelf; en u bent het niet naar een gering, maar naar uw beste deel, niet alleen naar die kant, dat u zich tijdelijk gelukkig, maar vooral naar die kant, dat u zich eeuwig zalig gevoelt. Het Christelijk leven komt voort uit de zorg voor onszelf en in Zijn beloften wordt de zorg voor onszelf gekroond. Terwijl het Christendom aan de ene kant de overgave van ons eigen ik verlangt, terwijl het zelfverloochening, zelfopoffering eist, is het toch aan de andere kant ook de meest ware en diepe zorg voor zichzelf. Niet daardoor onderscheidt zich het leven van de wereld van het leven van de Christen, dat men in het eerste alleen voor zich zorgt en in het andere niet, maar dit is het onderscheid, dat men in het ene voor zijn mindere, aardse ik zorgt, in het andere voor zijn hoger eeuwig ik zorg draagt, dat men in het ene het zijn zoekt zonder God, in het andere dat wat van God is, om het tot het zijne te maken.
Laat Mij dit u nog dringender op het hart leggen in een nieuwe wending van de gelijkenis, die nog meer bepaald zegt met wie u in eenheid behoort te leven (Hoofdstuk 12: 58), namelijk nadat de heer des huizes, dieover het binnenlaten in het rijk van God heeft te beslissen, die daarbinnen huisvader is (Hoofdstuk 14: 21, 24. MATTHEUS. 10: 25; 13: 27; 20: 11), opgestaan zal zijn van zijn zitplaats, dan zal de tijd voorbij zijn, tot waarop hij zich voorgenomen had te wachten op de van hem heengegane huisgenoten (Hoofdstuk 11: 49). En als hij de deur gesloten zal hebben zal hij niemand meer toelaten van degenen die tot hiertoe niet zijn gekomen. En u zult te laat komen en beginnen buiten te staan en vol angst en vrees aan de deur te kloppen, zeggende: Heere! Heere! doe ons open! Wij behoren toch ook tot uw huis (Rom. 10: 2 v. ) En hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, vanwaar u bent, zo zeer heeft u uw afkomst van de vaderen, waarop u zich beroemt, in het tegendeel verkeerd (Joh. 8: 33-44).
Dan zult u zich beroepen op uw bijzonder toebehoren tot de gastheer, die te voren u zo na was (Rom. 9: 4 v. Hebr. 2: 16) en beginnen te zeggen: Wij hebben, toen u nog op aarde was, in uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken en u heeft in onze straten geleerd, u zult ons toch niet zo hard behandelen; u zult toch niet uwallernaasten, uw vrienden, uw landslieden, buiten laten staan.
En hij zal hen toch verwerpen en ook hun zware zonden van ongeloof, waarom zij hem vroeger verworpen hebben, verwijten (Rom. 9: 32 v. ); hij zal zeggen: Ik zeg u en herhaal mijn vroeger woord (vs. 25): ik ken u niet, vanwaar u bent, wijk van mij af, u werkersvan de ongerechtigheid.
“De beslissende handeling van de huisheer, die van zijn zetel opstaat om de deur te sluiten, is het zinnebeeld van de onmogelijkheid van alle bekering en van alle begenadiging van dit ogenblik af” zo wordt zeer juist door een uitlegger erkend. Wanneer deze echter op de volgende vraag, “Wat is dit voor een ogenblik?” ontkent dat het dat van Israëls verwerping en verstrooiing is, dan zou het behoorlijk acht geven op hetgeen Paulus in Rom. 11: 7-10 zegt, hem overtuigd hebben dat het nu geen ander dan dat ogenblik is. Duidelijker – zo zeggen wij met P. Lange – had Jezus de snel nabijzijnde afval van de Joodse natie van het middelpunt van haar geloof, haar uitsluiting uit het rijk van God en het ingaan van de heidenen van alle einden van de aarde in dit rijk niet kunnen verkondigen. Wel heeft het volk van Israël de inwendige betekenis van die verhouding niet met duidelijkheid ingezien, maar in duizend gedaanten heeft het de jammer van zijn buitengesloten zijn met een duister bewustzijn geuit. ” In de eerste tijd van de verbreiding van het Christendom onder de heidenen werden de Joden met nijdigheid vervuld, omdat het evangelie van Jezus Christus, dat zij zelf van zich stootten, aan de heidenen zou worden gebracht (Hand. 13: 45; 17: 5 en 13; 18: 12). Waarom dat? Waarom moesten ook anderen niet hebben wat zij zelf niet wilden? Dat is zeker ook anders de aard van nijd en afgunst, zowel in aardse als in hemelse zaken (Hoofdstuk 11: 52), maar bij de Joden was er toch nog een bijzondere reden dat zij zeer goed voelden hoe deze Jezus van Nazareth, die zij verwierpen, eigenlijk de hunne was en hoe zij met Hem ook het rijk van God en de hele erfenis van de aan de vaderen geschonken beloften moesten overgeven. Datzelfde beheerst hen nog vandaag, als zij tegen het positieve Christendom te velde trekken en alle krachten inspannen om het uit de Staat en de Kerk van die Christelijke volken, waaronder zij wonen, teniet te doen en daarvoor een humaniteitsgodsdienst in de plaats te stellen, maar al hun aandringen op emancipatie en gelijkstelling met de Christenen is niets meer dan een buitenstaan voor de deur, een aankloppen en roepen: “Heere, Heere! Doe ons open!” Het zal tevergeefs zijn; zij zullen daardoor in het rijk van God niet komen, want een geciviliseerde staat is nog geen rijk van God en de van zichzelf afgevallen kerk is dat niet meer. Daaruit, dat de zending onder de Joden zo uiterst geringe gevolgen heeft en dat de Joden uitdrukkelijk vragen hen niet tot gelovigen van Christus te willen maken, blijkt dat de gastheer de deur voor hen gesloten heeft. Nu zal het zeker zo niet blijven tot aan het einde van de wereld, zoals Luther in de latere tijd van zijn leven meende; ook niet zoals vele van de tegenwoordige theologen beweren, tot aan het beslissend ogenblik van de terugkomst van Christus uit de hemel, maar wel zal het zo blijven tot de bepaalde tijd voorbij is en de machten van de hemels ingrijpen, opdat in de plaats van Gods toorn de genade opnieuw kan komen. Dat zal anders plaats hebben dan men gewoonlijk verwacht en vroeger dan men denkt. Het juiste begrip van Gods woord brengt ook hier het juiste inzicht; wij willen, nadat wij herhaalde malen het onze al hebben meegedeeld, niet weer daarop terugkomen, maar geven nog enige wenken voor de toepassing van de voor ons liggende plaats op ons eigen Christelijk leven.
Die niet in de lente zaait, mag zich in de herfst nog zo ernstig voor de oogst moeite geven, hij mag op geen gelukken hopen.
Over de voortgang van de Christelijke ontwikkeling is niet de ene tijd als de andere; ieder Christenhart weet dat bij ervaring. Er zijn tijden waarin de voortgang in de heiligmaking sneller en andere, waarin die langzamer voortgaat; er zijn tijden dat de krachten van de genade ons rijkelijker toestromen en andere, waarin zij kariger vloeien. Er zijn tijden waarin men in moeilijken strijd sterk blijft door de genade en weer andere, waarin men door nietige omstandigheden wordt omvergeworpen als door een sterke arm. Er zijn tijden waarin men gewaar wordt dat het koninkrijk der hemelen geweld wordt aangedaan in het hart en weer andere, waarin men daarvan niets bemerkt. Daarom is het van belang, de gezegende tijden met scherpe blik op te merken en te ijveriger zich ten nutte te maken.
Daar zal onder u – de oorspronkelijke kinderen van het koninkrijk, die nu moeten buiten blijven – wening zijn en knersing van de tanden, weeklagen en wanhoop (MATTHEUS. 8: 12), wanneer u Abraham en Izak en Jakob en al de profeten zult zien die op Christus gehoopt en van Christus geprofeteerd hebben (Hoofdstuk 10: 24), in het koninkrijk van God, in zoverre nu werkelijk een rijk van God is opgericht, waarin hopen en voorspellen hun ware vervulling en zij zelf hun volmaking hebben gevonden (Joh. 1: 45. Luk. 24: 25 vv. Hand. 10: 43. Hebr. 11: 39 v. ), maar u, die als hun kinderen en als erfgenamen van de belofte (Hand. 2: 39) voor alle andere volken de naaste betrekking op dit rijk heeft gehad (MATTHEUS. 15: 24. Rom. 15: 8) buiten uitgeworpen.
a) En daar zullen er in de loop van de eeuwen, gedurende welke het rijk van God aan de heidenen gegeven is (MATTHEUS. 21: 43) komen uit al de vier hemelstreken van de heidenwereld, namelijk van Oosten en Westen en van Noorden en Zuiden en zullen met uw vaderen ende profeten aanzitten in het koninkrijk van God, rijkelijk de goederen daarvan genietend (MATTHEUS. 8: 11), terwijl u ze moet missen en zeer ellendig bent (Openbaring 6: 12 vv. ).
Jes. 2: 2. Mal. 1: 11.
En zie, er zijn, wat de toelating tot het rijk van God ten opzichte van de oorspronkelijke juiste aanspraken daarop betreft, laatsten, die de eersten zullen zijn (Rom. 15: 9. Efeze. 2: 11-13); en er zijn eersten, namelijk de kinderen van het geslacht van Abraham (MATTHEUS. 10: 6. Hand. 13: 46), die de laatsten zullen zijn, daar, als de volheid van de heidenen zal zijn ingegaan, ook nog eens voor hen de beurt komt (Rom. 11: 25 v. ).
Op diezelfde dag, als de Heere tegen de avond aan het eerste rustpunt van Zijn reis was gekomen, namelijk te Livias, kwamen er enige Farizeeën, die door de viervorst Herodes waren gesteld om Hem uit Zijn nabijheid te houden enzeiden tot Hem: Ga weg uit deze stad en vertrek van hier uit deze gehele landstreek, want Herodes wil U doden en Gij weet, hoe het vroeger met Johannes de Doper hier is gegaan (MATTHEUS. 14: 3 vv. ).
Wij weten hoe diep het Herodes schokte toen hij kort na de hem afgeperste terdoodbrenging van de Doper, zijn woonplaats van Livias naar Tiberias verplaatste en nu daar van de machtige profeet vernam, die in Galilea werkte. Onder de velerlei meningen van het volk, die over Hem bestonden, nam hij dadelijk die als het meest met zijn gemoedstoestand overeenkomende aan, die Jezus voor de wederopgestane Johannes hield. Hij werd zelfs de voornaamste vereerder hiervan, ja, het gebeurde wel mee met de bedoeling om voor deze mening zekerheid te verkrijgen, dat hij Jezus wilde zien Uit (12: 14 en Uit 14: 2). Deze begeerte werd eerst niet vervuld, integendeel, het spreken van Jezus stierf zo goed als geheel uit; hij hoorde verder niets nieuws van deze profeet, die zich meer en meer uit het openlijke van Zijn werk in Galilea in de stilte en het verborgene terugtrok. Toen nu de viervorst na 8-9 maanden weer lust en moed kreeg om naar Livias en Perea te verhuizen, kwam het bericht van Jezus hier opnieuw tot hem; de 70 discipelen hadden daar die duiveluitbanning volbracht, die hen zelf in verbazing bracht (Hoofdst. 10: 17), en die de daar aanwezige Farizeeën in des te grotere beweging bracht, omdat de discipelen toch ook het toekomstige persoonlijke optreden van Jezus in deze streek moesten vermelden (Hoofdstuk 10: 1). Zo’n persoonlijke verschijning meenden zij op alle mogelijke manieren te moeten verhinderen; zij wendden zich tot Herodes en vonden in deze een bondgenoot, die door een gelijk belang bewogen werd. Deze wist al bij ervaring wat het betekende een profetenmoord op het geweten te hebben. Hij had geen lust in een nieuwe daad van geweld, maar misschien lukte het om Jezus bevreesd te maken en Hem daardoor ver te houden van deze plaats en in het algemeen van geheel Perea. Het heeft dus plaats in overeenstemming met Herodes, ja, volgens zijn bepaalde opdracht, wat de Farizeeën hier tot de Heere zeggen, zoals zeer duidelijk daaruit blijkt dat de Heere hun weer een opdracht ten antwoord geeft De weg van Jeruzalem naar Jericho en de Jordaan tot Livias bedraagt wel meer dan 6 mijlen, maar als wij aannemen dat Jezus in vs. 1 vv. ‘s morgens vroeg van Jeruzalem is vertrokken, dan kan Hij tegen de avond het doel van Zijn reis wel hebben bereikt, wanneer Hij in een enkele dagreis tot Livias wilde komen. En bedenken wij dat de Farizeeën daar al Zijn aankomst verwachtten en zich gereed hielden om dadelijk bij Zijn intreden in de stad hun raad aan Hem te kunnen geven, waarvan de opvolging voor hen zo belangrijk was, dan heeft het niets bevreemdends dat zij nog diezelfde dag tot Hem kwamen. Maar wie weet, dat Hij op Gods wegen gaat en een bepaalde goddelijke opdracht moet vervullen, die laat zich niet wegdringen; dat zou Herodes met zijn Farizeeën ook duidelijk ondervinden.
En Hij zei tot hen: U bent onderricht door Herodes, wat u moest zeggen, hoewel u zich houdt alsof u uit eigen beweging kwam en het met Mij goed meende; deze Herodes heeft zich al aan Mijn voorloper betoond als een verwoester van de wijnberg van God (Hoogl. 2: 15). Ga heen en zegdie vos: Zie, Ik werp duivels uit en maak de zieken gezond, die in geloof tot Mij worden geleid, heden in deze periode van Mijn leven – die Ik juist nu ben begonnen (vs. 22 vv. ) en die met de stilte in Joh. 11: 54 als haar nacht eindigt en morgen en de verder volgende periode van Mijn heengaan naar Efraïm tot het einde van de Dinsdag van de lijdensweek (MATTHEUS. 24: 1) en op de derde dag, die van groene Donderdag tot de hemelvaart duurt (Hoofdstuk 22: 7; 24: 51) – word Ik, zoals Herodes wenst, voleindigd, al is het ook in andere zin dan men denkt.
De Farizeeën hadden zich gehouden alsof zij het goed met Jezus meenden, alsof zij met het oog op Johannes de Doper over Zijn lot bezorgd waren, alsof zij in Zijn belang hadden uitgezien of de viervorst Hem wel zou dulden en zij dan gevaar voor Hem hadden opgemerkt. Jezus laat hen echter dadelijk bemerken dat, toen zij zich bij Herodes in zijn paleis bevonden en door hem werden onderricht, de Heere in de hemel oog- en oorgetuige was van alles, wat heimelijk was besproken en dat de Zoon des mensen iemand was aan wie de Vader alles openbaart wat Hij voor Zijn werk moest weten (Joh. 5: 20). Hij laat hen ook weten hoe weinig Hij bevreesd was voor de machthebbende, die achter hen stond en geeft hen een antwoord dat aan deze zelf gericht is. De titel “vos”, die hij aan Herodes geeft, doelt zeker in de eerste plaats op diens list. Het plan was slim genoeg aangelegd, en zoals de aanleg was, zo was ook de uitvoering; het was, als men met een gewoon mens te doen gehad, zeker een meesterstuk van sluwheid geweest. Die titel ziet ook ontwijfelbaar op Herodes’ misdaad aan Johannes en geeft te kennen dat hij zich al eens als een verwoester van de wijnberg van God had doen kennen, om van hem een voornemen van die aard, als hier van Hem werd gezegd, te vertrouwen; maar dat hem ditmaal zijn voornemen niet zou lukken, zelfs wanneer hij het met ernst wilde volbrengen. Men heeft het aanstotelijk gevonden dat Jezus van de vorst van Zijn volk, die toch eigenlijk ook Zijn landsheer was, met zo weinig eerbied sprak. Intussen staat bij handelingen tot verzorging van de zielen ambt tegenover ambt en een profeet heeft daar niet met de vorst, maar met de mens te maken (Mark. 6: 18. 1 Sam. 15: 23 vv. 2 Sam. 12: 7 vv. 1 Kon. 14: 7 vv. ; 18: 18. Jes. 1: 23. Jer. 22: 19); hier nu staat tegenover het aanmatigende mensenkind, dat zich op zijn macht verheft Gods Zoon, die de Vader heeft gezonden en tegenover de nakomeling van een man, die door vossenlist zich in de regering over Gods volk heeft ingedrongen, terwijl hij toch eigenlijk een vreemde is (Deut. 17: 15), de rechtmatige erfgenaam van Davids kroon (Hoofdstuk 1: 32); die verhouding nu moet met het oog op hetgeen later zal gebeuren (Hoofdstuk 23: 11) vooraf worden opgemerkt.
Maar daarom is het toch Herodes niet die om zo te zeggen de eer geniet dat Ik door hem mijn einde zou vinden, hij zal het integendeel moeten dulden dat Ik tot drie keer zijn gebied doortrek en in zijn onmiddellijke nabijheid Mijn arbeidsveld neem (Hoofdstuk 14: 1-24; 15: 1-16, 31; 18: 15-30), zonder dat hij dit enigszins zal kunnen afwenden. Ik moet volgens de raad van God, nadat Ik in Galilea Mijn werk volbracht heb, ook nog deze tussenreis maken, die Mij nu vaker hierheen leidt, heden en morgen en de volgende dag reizen 1) in drie afdelingen (Hoofdstuk 9: 51; 13: 22 en 17: 11) heenreizen naar Jeruzalem, om daar Mijn einde te vinden: want het gebeurt niet dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem 2). Tot die tijd moet hij geduld hebben, wanneer Mijn dood voor hem zo belangrijk is en te Jeruzalem zal hij ook gelegenheid hebben om daaraan zijn aandeel te hebben (Hoofdstuk 23: 6-12 en 1 Koningen 22: 15).
Met het eerste gedeelte van deze uitdrukking (vs. 32) is, wat de zin betreft, verwant wat de Heere in Joh. 11: 9 vv. tot de discipelen zegt, om hun bezorgdheid voor Zijn leven weg te nemen; daar noemt Hij de tijd, dat Hij naar het welbehagen van Zijn Vader ongehinderd kan leren en wonderen doen, Zijn dag, waarvan de twaalf uren ook niet met één enkel kunnen worden verkort. Pas als zij volledig zouden zijn voorbijgegaan zou de nacht volgen, wanneer Hij de vijanden in handen zou vallen. Ook hier is er volstrekt geen gevaar, zelf niet als de vervolgingen van Herodes ernstig gemeend waren; voor Zijn openbare werkzaamheid (“Ik werp duivels uit en maak gezond”) is Hem een heden en morgen bestemd en pas op de derde dag kan Zijn offerdood, waarmee Hij een einde neemt, plaats hebben. Dit woord heeft, zoals het daar staat, de weemoedige en klagende zin: “Ik breid heden en morgen zegenende handen uit over Mijn volk, dat Mij overmorgen zal doden. Duidelijk let de Heere ook op de plaats Hos. 6: 2 : “Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen; en wij zullen voor Zijn aangezicht leven”, aan welke belofte Christus als de kroon van Israël ook Zijn deel heeft. Voor Hem is de lijdende toestand van twee dagen de tijd van Zijn Openbaar werken, als Hij door moeite en arbeid, door strijd en verzoeking, door smaad en vervolging heen moet gaan. De oprichting op de derde dag begint daarentegen met Zijn lijden en sterven, waardoor Hij wordt voleindigd en waarna Hij door opstanding en hemelvaart verheerlijkt wordt bij de Vader met de heerlijkheid, die Hij bij Hem had, eer de wereld was (Hebr. 2: 9 vv. ; 5: 9). Toch kan men bij deze verklaringen van het woord in vs. 32 niet blijven staan. Zoals uit het volgende 33ste vers blijkt, geeft de Heere hen ook een tijd aan en als het ware een program op ten opzichte van de tijd, die voor Hem nog overig is in het vlees te leven (1 Petrus 4: 2), om de Farizeeën en met hen Herodes zeer nauwkeurig het uurglas van de juist nu begraven afdeling van Zijn werkzaamheid te laten weten, waarbij Hij dan van het “heden en morgen werp Ik duivels uit en maak Ik gezond” een “Ik moet heden en morgen en de volgende dag reizen” maakt. Volgens de door ons gegevene chronologie laat zich dat zeer goed begrijpen, terwijl de uitleggers meestal in grote duisternis zich daarover bevinden.
Waarom is Jeruzalem de enige geschikte stad voor het lijden van de dood van onze Heer? Hiëronymus en Augustinus beroepen zich op het voorafbeeldend offer van de enige Zoon van Abraham op de berg Moria; andere kerkvaders knopen daaraan vast dat het beloofde land als het land van het midden en Jeruzalem voor het middelpunt van de hele aarde moet worden aangezien. Men kan ook zeggen: Jeruzalem is de hoofdstad van het land, is de zetel van de hoogste geestelijke en wereldlijke macht, is het centraalpunt van het hele Israëlitische volksleven. Zou nu het heil van de wereld van de Joden komen, dan moest het Lam van God, dat de zonden van de wereld draagt, ook te Jeruzalem, de hoofdstad van het Joodse volk, zich ter slachting laten leiden, te meer omdat alleen daar het voorafbeeldende paaslam mocht worden geslacht.
Het vrije bestuur van God verbindt zich overal aan tijd en plaats en zonder het vrije handelen van de mensen op te heffen of te benadelen, moet dit toch de enige ordening van God volvoeren. Vrijheid en noodzakelijkheid doordringen elkaar in de bijbelse geschiedenis, zonder dat het ene het andere opheft. De Farizeeën, als degenen die zich de vertegenwoordiging van de theocratie hadden aangematigd, kon overigens niets sterkers worden gezegd dan dit: uw hoofdstad met tempel en altaar is de moordenares van alle knechten van God, als was het een groot altaar waarop de heiligen als offers vallen (Klaag 4: 13. Openbaring 6: 9 vv.).
De gewone tegenspraak tegen het woord van de Heere, dat toch niet alle profeten te Jeruzalem gedood zijn, onder anderen ook Johannes niet, wordt het best weerlegd door de opmerking dat deze laatste niet was gevallen als een slachtoffer van het ongeloof van de Joden en dat de Heere hier geen statistiek, maar een algemene regel wil geven. Bovendien komt het hier minder aan op de plaatselijke toestand dan op de symbolische betekenis van Jeruzalem als hoofdstad van de theocratische staat. Elke door de Joden teweeg gebrachte profetenmoord ging toch indirect en direct uit van de leidslieden van het volk, die daar hun verblijfplaats hadden, zoals bijvoorbeeld de gruwel van het schrikbewind aan het einde van de vorige eeuw in het zuiden van Frankrijk, uit Parijs als het centrum was uitgegaan.
Jeruzalem, Jeruzalem, u die zich ook omtrent Mij die ontzettende eer niet wilt laten ontnemen, dat u – en anders niemand dan alleen in u en met u de profeten doodt en stenigt die tot u gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderenonder Mijn verzorging en bescherming willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kuikens, die zij in haar nest uitbroedt onder de vleugels vergadert, om ze nu ook te voeden, te verwarmen en ze tegen de roofzuchtige gieren te beschermen; en u hebt niet gewild.
Ps. 17: 8; 91: 4.
a)Zie, uw huis (vgl. MATTHEUS. 23: 37-39) wordt u woest gelaten. En voorwaar Ik zeg u, dat u Mij van die tijd dat Ik Mij geheel van u zal afkeren (vs. 25-29. Openbaring 6: 17), niet zult zien terugkeren tot u, tot dat de tijd gekomen zal zijn, de bepaalde tijd, waarin u in Mij gelovig zult worden (Openbaring 11: 11 v. ), als u zult zeggen: b) Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heere, zoals dat al op de voorafbeeldende manier in Hoofdstuk 19: 28-38 zal gebeuren.
Ps. 69: 26. Jes. 1: 7. Jer. 7: 34. Micha 3: 12. Hand. 1: 20. b) Ps. 118: 26.
Als het gemoed met enig gevoel vervuld is, geeft alles wat van buiten op het gemoed werkt aandrang om het gevoel uit te spreken. Daarom is het op het ogenblik, dat Jezus vooral met de toekomst van Zijn volk vervuld is (vs. 1-9; 23-30), geenszins in het oog vallend dat dit gevoel ook hier wordt uitgesproken.
De vermelding van Jeruzalem wekt de diepste weemoed op in het hart van Jezus over het ongeloof van de stad. De profetenmoordenares zou in haar kinderen tot de kudde van God worden vergaderd, maar deze wilden niet!
Hoe zou u genezen worden, die alle geneesmeesters van u stoot? Hoe zal ik uw ziekte genezen, omdat u alle artsenij met voeten treedt? Mijn heiligen heb Ik niet gespaard, opdat Ik u, o stad van zonden, mocht sparen. Hun leven heb Ik niet geacht, opdat Ik uw dood niet zou zien. Alle geneesmeester van de ellende van uw ziel zijn in u omgekomen en u bent niet genezen; ongeneeslijk is uw ellende, want die heeft de goddelijke kunst beschaamd. Had Ik welgevallen gehad in uw dood, nooit zou Ik Mijn profeten tot u hebben gezonden, had Ik uw verderf gewild, nooit zou Ik zelf tot u zijn gekomen. Maar wat moet Ik aan u doen? Hoe zal Ik u redden van de dood, wanneer u niet leven wilt?
Die onder de vleugels van de hen geen bescherming wil zoeken, valt als een buit in de klauwen van de adelaar.
Voor Jezus’ inwendig oog staat het volk zoals het onder de vloek van de verwerping wandelt tot aan het einde der tijden; maar nog eens wil de Heere, die alle woeste plaatsen van Zion troost (Jes. 51: 3), Zich over Zijn arm volk ontfermen, Hij wil Zich eindelijk toch door hen laten zien en alle geslachten van het volk zullen, door de Geest van de genade en van de gebeten gedreven, hun zonden bewenen en de fontein van de vergeving zal zich ook voor hen openen, zodat zij roepen: “Gezegend is Hij, die komt in de naam van de Heere!”
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel