Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
IndienG1487 gij danG3767 metG1722 ChristusG5547 opgewektG4891 zijt, zo zoektG2212 de dingen, die boven zijn, waar ChristusG5547 isG1510, zittendeG2521 aan de rechterG1188 hand GodsG2316.
Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.
KJV
If1
ye3
then2
be risen
with Christ,5
seek8
those things which are above,7
where9
Christ11
sitteth17
on13
the right hand14
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
BedenktG5426 de dingen, die boven zijn, nietG3361 die opG1909 de aardeG1093 zijn.
Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
KJV
Set your affection3
on things above,2
not4
on things on6
the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantG1063 gijG4771 zijt gestorvenG599, enG2532 uw levenG2222 is met ChristusG5547 verborgenG2928 in GodG2316.
Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.
KJV
For2
ye are dead,1
and3
your
life5
is hid7
with8
Christ10
in11
God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Wanneer nu ChristusG5547 zal geopenbaardG5319 zijn, Die ons levenG2222 is, dan zult ookG2532 gijG4771 met HemG846 geopenbaardG5319 worden inG1722 heerlijkheidG1391.
Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
KJV
When1
Christ,3
who is our
life,6
shall appear,4
then8
shall13
ye
also9
appear
with11
him12
in14
glory.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
DoodtG3499 danG3767 uw ledenG3196, die opG1909 de aardeG1093 zijn, namelijk hoererijG4202, onreinigheidG167, schandelijke bewegingG3806, kwadeG2556 begeerlijkheidG1939, enG2532 de gierigheidG4124, welke isG1510 afgodendienstG1495.
Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.
KJV
Mortify1
therefore2
your
members4
which3
are upon7
the earth;9
fornication,10
uncleanness,11
inordinate affection,12
evil14
concupiscence,13
and15
covetousness,17
which18
is
idolatry:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
OmG1223 welkeG3739 de toornG3709 GodsG2316 komtG2064 overG1909 de kinderenG5207 der ongehoorzaamheidG543;
Om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid;
KJV
For1
which things' sake2
the wrath5
of God7
cometh3
on8
the children10
of disobedience:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
In dewelke ookG2532 gij eertijdsG4218 hebt gewandeldG4043, toen gij inG1722 dezelveG846 leefdetG2198.
In dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet.
KJV
In1
the which2
ye
also3
walked5
some time,6
when7
ye lived8
in9
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Maar nu legtG659 ookG2532 gijG4771 dit allesG3956 af, namelijk gramschapG3709, toornigheidG2372, kwaadheidG2549, lasteringG988, vuil sprekenG148 uitG1537 uw mondG4750.
Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond.
KJV
But2
now1
ye
also4
put off3
all these;7
anger,8
wrath,9
malice,10
blasphemy,11
filthy communication12
out of13
your
mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
LiegtG5574 nietG3361 tegen elkanderG240, dewijl gij uitgedaanG554 hebt den oudenG3820 mensG444 met zijn werkenG4234,
Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken,
KJV
Lie2
not1
one to another,3
seeing that ye have put off5
the old7
man8
with9
his12
deeds;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
EnG2532 aangedaanG1746 hebt den nieuwenG3501 mens, die vernieuwdG341 wordt totG1519 kennisG1922, naar het evenbeeldG1504 Desgenen, Die hemG846 geschapenG2936 heeft;
En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft;
KJV
And1
have put on2
the new4
man, which3
is renewed6
in7
knowledge8
after9
the image of him10
that created12
him:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Waarin nietG3756 is GriekG1672 enG2532 JoodG2453, besnijdenisG4061 enG2532 voorhuidG203, barbaarG915 en ScythG4658, dienstknechtG1401 en vrijeG1658; maarG235 ChristusG5547 is allesG3956 enG2532 inG1722 allen.
Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen.
KJV
Where1
there is3
neither2
Greek4
nor5
Jew,6
circumcision7
nor8
uncircumcision,9
Barbarian,10
Scythian,11
bond12
nor free:13
but14
Christ20
is all,16
and17
in18
all.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Zo doet dan aan, alsG5613 uitverkorenenG1588 GodsG2316, heiligenG40 enG2532 bemindenG25, de innerlijke bewegingenG4698 der barmhartigheidG3628, goedertierenheidG5544, ootmoedigheidG5012, zachtmoedigheidG4236, lankmoedigheidG3115;
Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;
KJV
Put on1
therefore,2
as3
the elect4
of God,6
holy7
and8
beloved,9
bowels10
of mercies,11
kindness,12
humbleness of mind,13
meekness,
longsuffering;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
VerdragendeG430 elkanderG240, enG2532 vergevendeG5483 de een den anderen, zo iemandG5100 tegen iemandG5100 enige klachtG3437 heeftG2192; gelijkerwijsG2531 als ChristusG5547 uG4771 vergevenG5483 heeft, doet ookG2532 gijG4771 alzoG3779.
Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
Forbearing1
one another,2
and3
forgiving4
one another,5
if6
any man7
have10
a quarrel11
against8
any:9
even as12
Christ15
forgave16
you,
so18
also13
do ye.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
EnG1161 boven ditG3778 allesG3956 doet aanG1909 de liefdeG26, dewelke isG1510 de bandG4886 der volmaaktheidG5047.
En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid.
KJV
And3
above1
all2
these things
put on charity,6
which7
is
the bond9
of perfectness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG2532 de vredeG1515 GodsG2316 heerseG1018 in uw hartenG2588, totG1519 welkenG3739 gijG4771 ookG2532 geroepenG2564 zijt in eenG1520 lichaamG4983; enG2532 weest dankbaarG2170.
En de vrede Gods heerse in uw harten, tot welken gij ook geroepen zijt in een lichaam; en weest dankbaar.
KJV
And1
let6
the peace3
of God5
rule
in7
your
hearts,9
to11
the which12
also13
ye are called14
in15
one16
body;17
and18
be ye20
thankful.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Het woordG3056 van ChristusG5547 woneG1774 rijkelijkG4146 inG1722 uG4771, in alleG3956 wijsheidG4678; leertG1321 enG2532 vermaantG3560 elkander, met psalmenG5568 enG2532 lofzangenG5215, enG2532 geestelijkeG4152 liederenG5603, zingendeG103 den HeereG2962 metG1722 aangenaamheidG5485 in uw hartG2588.
Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart.
KJV
Let5
the word2
of Christ4
dwell
in6
you
richly8
in9
all10
wisdom;11
teaching12
and13
admonishing14
one another15
in psalms16
and17
hymns18
and19
spiritual21
songs,20
singing24
with22
grace23
in25
your
hearts27
to the Lord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En al watG3739 gij doet met woordenG3056 ofG2228 metG1722 werkenG2041, doet het allesG3956 inG1722 de NaamG3686 van de HeereG2962 JezusG2424, dankendeG2168 GodG2316 enG2532 de VaderG3962 door HemG846.
En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in de Naam van de Heere Jezus, dankende God en de Vader door Hem.
KJV
And1
whatsoever2
ye do5
in7
word8
or9
deed,11
do all12
in10
the name14
of the Lord15
Jesus,16
giving thanks17
to God19
and20
the Father21
by22
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Gij vrouwenG1135, zijt uw eigenG2398 mannenG435 onderdanigG5293, gelijkG5613 het betaamtG433 inG1722 den HeereG2962.
Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere.
KJV
Wives,2
submit yourselves3
unto your own5
husbands,6
as7
it is fit8
in9
the Lord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Gij mannenG435, hebt uw vrouwenG1135 liefG25, enG2532 wordt nietG3361 verbitterdG4087 tegen haarG846.
Gij mannen, hebt uw vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
Husbands,2
love3
your wives,5
and6
be8
not7
bitter
against9
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Gij kinderenG5043, zijt uw ouderenG1118 gehoorzaamG5219 in allesG3956, wantG1063 datG3778 isG1510 de HeereG2962 welbehagelijkG2101.
Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in alles, want dat is de Heere welbehagelijk.
KJV
Children,2
obey3
your parents5
in6
all things:7
for9
this
is
well pleasing11
unto the Lord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
GijG4771 vadersG3962, tergtG2042 uw kinderenG5043 niet, opdatG2443 zij nietG3361 moedeloosG120 worden.
Gij vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.
KJV
Fathers,2
provoke4
not3
your
children6
to anger, lest
they be discouraged.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Gij dienstknechtenG1401, zijt in allesG3956 gehoorzaamG5219 uw herenG2962 naarG2596 het vleesG4561, nietG3361 metG1722 ogendienstenG3787 alsG5613 mensenbehagersG441, maarG235 metG1722 eenvoudigheidG572 des hartenG2588, vrezendeG5399 GodG2316.
Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vrezende God.
KJV
Servants,2
obey3
in4
all things5
your masters9
according7
to the flesh;8
not10
with11
eyeservice,12
as13
menpleasers;14
but15
in16
singleness17
of heart,18
fearing19
God:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En alG3956 wat gij doet, doet datG3739 vanG1537 harteG5590 alsG5613 den HeereG2962 enG2532 nietG3756 den mensenG444;
En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den mensen;
KJV
And1
whatsoever2
ye do,6
do9
it heartily,7
as10
to the Lord,12
and13
not14
unto men;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
WetendeG1492, datG3754 gij vanG575 den HeereG2962 zult ontvangenG618 de vergeldingG469 der erfenisG2817; want gij dientG1398 de HeereG2962 ChristusG5547.
Wetende, dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient de Heere Christus.
KJV
Knowing1
that2
of3
the Lord4
ye shall receive5
the reward7
of the inheritance:9
for11
ye serve14
the Lord12
Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
MaarG1161 die onrechtG91 doet, die zal het onrecht dragenG2865, dat hij gedaan heeft; en er isG1510 geenG3756 aanneming des persoons.
Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming des persoons.
Ook in dit vers
aanneming persoonsG4382
KJV
But2
he that doeth wrong3
shall receive4
for the wrong6
which5
he hath done:
and7
there is
no8
respect of persons.
gij dan met Christus
Dit besluit ziet op Kol. 2:12, Kol. 2:14, waar Paulus getuigd had dat wij door den doop met Christus begraven en opgewekt zijn, om te bewijzen dat wij noch de ceremoniën der wet, noch de leer der filosofie, noch de menselijke inzettingen nodig hebben. Waaruit hij ook nu deze vermaningen trekt; zie de aantekeningen op Kol. 2:12, Kol. 2:14.
Hertaald:
gij dan met Christus
Deze gevolgtrekking ziet op Kol. 2:12, Kol. 2:14, waar Paulus betuigd had dat wij door de doop met Christus begraven en opgewekt zijn, om te bewijzen dat wij de ceremoniën van de wet, de leer van de wijsbegeerte en de menselijke inzettingen niet nodig hebben. Daaruit leidt hij nu ook deze aansporingen af; zie de aantekeningen bij Kol. 2:12, Kol. 2:14.
die boven zijn,
Dat is, de eeuwige gelukzaligheid en heerlijkheid, waarvan Christus in den hemel het bezit ingenomen heeft, mitsgaders de geestelijke gaven tot de zaligheid nodig, die Christus aan de rechterhand Zijns Vaders aan Zijne gemeente mededeelt, gelijk Hand. 2:33; Ef. 4:8, enz. verklaard wordt.
Hertaald:
die boven zijn,
Dat is: de eeuwige gelukzaligheid en heerlijkheid, waarvan Christus in de hemel het bezit ingenomen heeft, en ook de geestelijke gaven die tot zaligheid nodig zijn en die Christus aan de rechterhand van Zijn Vader aan Zijn gemeente meedeelt, zoals in Hand. 2:33; Ef. 4:8, enzovoort, verklaard wordt.
Bedenkt de dingen
Dat is, bevroedt die en tracht daarnaar, gelijk dit woord ook elders wordt genomen; Rom. 8:5.
Hertaald:
Bedenkt de dingen
Dat is: houd die voor ogen en streef daarnaar, zoals dit woord ook elders gebruikt wordt; Rom. 8:5.
die op de aarde zijn
Dat is, aardse en vergankelijke dingen, Fil. 3:19; of menselijke en aardse inzettingen, die met het gebruik vergaan, waarvan hij tevoren ook had gesproken.
Hertaald:
die op de aarde zijn
Dat is: aardse en vergankelijke dingen, Filipp. 3:19; of menselijke en aardse inzettingen, die met het gebruik vergaan, waarover hij eerder ook gesproken had.
gij zijt gestorven,
Namelijk der zonde en der wereld. Zie Rom. 6:2, enz.
Hertaald:
gij zijt gestorven,
Namelijk gestorven aan de zonde en aan de wereld. Zie Rom. 6:2, enzovoort.
uw leven is met Christus
Dat is, uw geestelijk en onvergankelijk leven. Want al hebben de gelovigen enige beginselen daarvan, nochtans blijkt dat voor de wereld niet, en zijzelven verwachten de volheid daarvan in Christus en met Christus, uit den hemel, met ene hoop, die niet bedriegt; Rom. 8:24-25.
Hertaald:
uw leven is met Christus
Dat is: uw geestelijke en onvergankelijke leven. Want al hebben de gelovigen daarvan enig begin, dat blijkt voor de wereld niet; en zij zelf verwachten de volheid daarvan in Christus en met Christus uit de hemel, met een hoop die niet bedriegt; Rom. 8:24-25.
verborgen in God
Dat is, gelijk Christus ter rechterhand Zijns Vaders is in het bezit Zijner heerlijkheid, hoewel zulks voor de ogen der wereld is verborgen, alzo wordt ook het leven, dat ons in Christus en met Christus toekomt, aldaar bewaard om te Zijner tijd aan ons geopenbaard te worden voor de ogen der gehele wereld; 1 Petr. 1:4-5, enz.
Hertaald:
verborgen in God
Dat is: zoals Christus aan de rechterhand van Zijn Vader is in het bezit van Zijn heerlijkheid, hoewel dat voor de ogen van de wereld verborgen is, zo wordt ook het leven dat ons in Christus en met Christus toekomt daar bewaard, om te Zijner tijd aan ons geopenbaard te worden voor de ogen van de hele wereld; 1 Petr. 1:4-5, enzovoort.
zal geopenbaard zijn,
Namelijk door Zijne komst ten oordeel, om ons Zichzelven in heerlijkheid gelijkvormig te maken. Zie Fil. 3:21; 1 Joh. 3:2.
Hertaald:
zal geopenbaard zijn,
Namelijk door Zijn komst ten oordeel, om ons aan Zichzelf gelijkvormig te maken in heerlijkheid. Zie Filipp. 3:21; 1 Joh. 3:2.
Die ons Leven is,
Dat is, de fontein en oorzaak van ons geestelijk en eeuwig leven; Hebr. 2:10.
Hertaald:
Die ons Leven is,
Dat is: de bron en oorzaak van ons geestelijke en eeuwige leven; Hebr. 2:10.
Doodt dan
Namelijk meer en meer; want hij heeft tevoren gezegd, dat zij alrede gestorven waren, vs.3, namelijk, ten aanzien van de heersende macht der zonde, hoewel de overblijfselen daarvan allengskens meer en meer moesten teniet gedaan worden; Rom. 6:12, enz.
Hertaald:
Doodt dan
Namelijk meer en meer. Want hij heeft eerder gezegd dat zij al gestorven waren, vers 3, namelijk wat de heersende macht van de zonde betreft, terwijl de overblijfselen daarvan toch geleidelijk meer en meer tenietgedaan moesten worden; Rom. 6:12, enzovoort.
uw leden
Dat is, de kwade bewegingen, die nog in uwe leden zijn, of, die als leden zijn van dit lichaam der zonde, gelijk hij tevoren heeft gesproken, Kol. 2:11; want gelijk de mens door de leden zijns lichaams zijns werkingen uitvoert, alzo werpt ook deze verdorvenheid in den mens door hare verscheidene begeerten, hare lusten uit, tenzij die door Gods Geest van ons wederstaan en gedood worden. Zie Rom. 8:13-14.
Hertaald:
uw leden
Dat is: de kwade bewegingen die nog in uw leden zijn, of die als leden van dit lichaam van de zonde zijn, zoals hij eerder gezegd heeft, Kol. 2:11. Want zoals de mens door de leden van zijn lichaam zijn werkingen uitvoert, zo werpt ook deze verdorvenheid in de mens door haar verschillende begeerten haar lusten naar buiten, tenzij die door Gods Geest door ons weerstaan en gedood worden. Zie Rom. 8:13-14.
die op de aarde zijn,
Alzo noemt de apostel de kwade begeerten, omdat zij den mens altijd tot aardse dingen bewegen, namelijk tot begeerlijkheid des vleesches, begeerlijkheid der ogen en hovaardij des levens, 1 Joh. 2:16; waarvan wij in den hemel gans vrij zullen zijn; Openb. 21:27.
Hertaald:
die op de aarde zijn,
Zo noemt de apostel de kwade begeerten, omdat zij de mens altijd tot aardse dingen bewegen, namelijk tot de begeerlijkheid van het vlees, de begeerlijkheid van de ogen en de hoogmoed van het leven, 1 Joh. 2:16. Daarvan zullen wij in de hemel geheel vrij zijn; Openb. 21:27.
onreinigheid,
Daardoor worden de andere soorten van onkuischheid verstaan, als overspel en dergelijke besmettingen des vleesches.
Hertaald:
onreinigheid,
Daaronder worden de andere soorten onkuisheid verstaan, zoals overspel en dergelijke besmettingen van het vlees.
schandelijke
Het Griekse woord Pathos betekent zulke beweging, waardoor iemand ontucht lijdt, ook zelfs die tegen de natuur is, gelijk Paulus daarvan breder handelt Rom. 1:26, enz.
Hertaald:
schandelijke
Het Griekse woord pathos duidt op zulke drift waardoor iemand aan ontucht toegeeft, zelfs aan ontucht die tegen de natuur is, zoals Paulus daarover uitvoeriger spreekt in Rom. 1:26, enzovoort.
Afgodendienst
De reden, waarom de gierigheid afgodendienst genaamd wordt, zie in de aantekening op Ef. 5:5; Openb. 22:15.
Hertaald:
Afgodendienst
De reden waarom de hebzucht afgodendienst genoemd wordt, zie in de aantekening bij Ef. 5:5; Openb. 22:15.
de toorn Gods
Dat is Gods rechtvaardige wraak en straf, zie Rom. 1:18.
Hertaald:
de toorn Gods
Dat is: Gods rechtvaardige wraak en straf; zie Rom. 1:18.
de kinderen
Grieks zonen, dat is, mensen der ongehoorzaamheid overgegeven, gelijk Ef. 2:2, en Ef. 5:6; want hoewel God ook de gelovigen, wanneer zij in enige zulke zonden komen te vallen, wel zwaar kastijdt, zo geschiedt zulks nochtans niet om hen te verderven, maar om hen tot bekering te brengen, gelijk in David en anderen te zien is. Zie Ps. 6:2, en Ps. 103:8, enz., Hebr. 12:5, enz.
Hertaald:
de kinderen
Grieks: zonen; dat is: mensen die aan de ongehoorzaamheid overgegeven zijn, zoals in Ef. 2:2 en Ef. 5:6. Want hoewel God ook de gelovigen zwaar kastijdt wanneer zij in zulke zonden komen te vallen, gebeurt dat toch niet om hen te verderven, maar om hen tot bekering te brengen, zoals bij David en anderen te zien is. Zie Ps. 6:2 en Ps. 103:8, enzovoort, Hebr. 12:5, enzovoort.
eertijds hebt gewandeld,
Namelijk vóór uwe bekering tot Christus. Zo waren dan in hen gene werken der voorbereiding, die sommigen verkeerdelijk menen in de mensen te zijn voor de bekering, waardoor God zou bewogen worden om hen door het Evangelie tot Christus te roepen. Zie 1 Kor. 6:11; Ef. 2:2, en Ef. 4:17; Tit. 3:3, enz.
Hertaald:
eertijds hebt gewandeld,
Namelijk vóór uw bekering tot Christus. Er waren in hen dus geen werken van voorbereiding, die sommigen ten onrechte in de mensen vóór de bekering menen te vinden en waardoor God bewogen zou worden om hen door het Evangelie tot Christus te roepen. Zie 1 Kor. 6:11; Ef. 2:2 en Ef. 4:17; Tit. 3:3, enzovoort.
gramschap, toornigheid,
Hoe dit moet verstaan worden, zie de aantekeningen op Ef. 4:26.
Hertaald:
gramschap, toornigheid,
Hoe dit verstaan moet worden, zie de aantekeningen bij Ef. 4:26.
kwaadheid, lastering,
Hierdoor wordt verstaan het kwade hart, dat iemand behoudt tegen een ander, schoon de gramschap en toorn schijnt over te zijn, waardoor hij gelegenheid zoekt om zich over een ander te wreken, gelijk Kaïn tegen Abel deed, Gen. 4:5. Zie ook Ef. 4:31.
Hertaald:
kwaadheid, lastering,
Hieronder wordt het kwade hart verstaan dat iemand tegen een ander blijft koesteren, ook al lijkt de toorn en de woede voorbij te zijn, en waardoor hij gelegenheid zoekt om zich op de ander te wreken, zoals Kaïn tegenover Abel deed, Gen. 4:5. Zie ook Ef. 4:31.
den ouden mens
Zie hiervan, gelijk ook van hetgeen de apostel zegt in vs.10 van den nieuwen mens, de aantekening op Ef. 4:22, Ef. 4:24.
Hertaald:
den ouden mens
Zie hierover, en ook over wat de apostel in vers 10 zegt over de nieuwe mens, de aantekening bij Ef. 4:22, Ef. 4:24.
die vernieuwd
Namelijk van dag tot dag, gelijk Paulus daar bijvoegt, 2 Kor. 4:16. Want hoewel de gelovigen den ouden mens alrede hebben aangelegd en den nieuwen aangedaan, ten aanzien van de heersende kracht van beide, zo moeten dezelve nochtans daarin dagelijks toenemen, gelijk de apostel hier vermaant, door het gebruik der middelen, daartoe van God ingesteld, waarvan zie de aantekeningen Ef. 4:24.
Hertaald:
die vernieuwd
Namelijk van dag tot dag, zoals Paulus daaraan toevoegt in 2 Kor. 4:16. Want hoewel de gelovigen de oude mens al afgelegd en de nieuwe aangedaan hebben, wat de heersende kracht van beide betreft, moeten zij daarin toch dagelijks toenemen, zoals de apostel hier aanspoort, door het gebruik van de middelen die God daartoe ingesteld heeft; zie daarover de aantekeningen bij Ef. 4:24.
tot kennis,
Of, tot erkentenis. Want daartoe worden wij door den Geest van Christus in ons verstand verlicht, opdat wij God recht zouden kennen, en voor onzen God erkennen, gelijk Hij in de eerste schepping gekend en erkend was.
Hertaald:
tot kennis,
Of: tot erkenning. Want daartoe worden wij door de Geest van Christus in ons verstand verlicht: opdat wij God goed zouden kennen en Hem als onze God zouden erkennen, zoals Hij bij de eerste schepping gekend en erkend werd.
Die hem geschapen heeft;
Namelijk naar Zijn evenbeeld, Gen. 1:26-27, waartoe wij nu wederom door den Geest van Christus worden herschapen, 2 Kor. 3:18.
Hertaald:
Die hem geschapen heeft;
Namelijk geschapen naar Zijn evenbeeld, Gen. 1:26-27, waartoe wij nu weer door de Geest van Christus herschapen worden, 2 Kor. 3:18.
Waarin
Dat is, in welken stand de wedergeboorte, ten tijde des Nieuwen Testaments.
Hertaald:
Waarin
Dat is: in de staat van de wedergeboorte, in de tijd van het Nieuwe Testament.
niet is Griek
Dat is, voor God niet aangezien of geacht wordt opp Grieks en Jood, enz., gelijk Gal. 3:28.
Hertaald:
niet is Griek
Dat is: voor God wordt niet op Griek en Jood gelet en die worden niet geacht, zoals in Gal. 3:28.
Scyth,
Dit woord doet de apostel daarbij, omdat deze onder de volken, die van de Grieken barbaren genoemd werden, wel de grofste en wreedste gehouden werden, gelijk nu nog de Tartaren, van hen afkomstig.
Hertaald:
Scyth,
Dit woord voegt de apostel eraan toe, omdat de Scythen onder de volken die door de Grieken barbaren genoemd werden voor de grofste en wreedste gehouden werden — zoals nu nog de Tataren, die van hen afkomstig zijn.
Christus is
Dat is, Christus door het geloof maakt alleen den mens, wie hij ook zij, aangenaam voor God, en de mens, van welken staat hij ook zij, vindt in Hem alleen alles ter zaligheid nodig. Zie Hand. 4:12; 1 Kor. 1:30.
Hertaald:
Christus is
Dat is: Christus maakt door het geloof als enige de mens, wie hij ook is, aangenaam voor God; en de mens, van welke stand hij ook is, vindt in Hem alleen alles wat tot zaligheid nodig is. Zie Hand. 4:12; 1 Kor. 1:30.
beminden,
Namelijk van God, die derhalve God weder moeten beminnen en gehoorzamen.
Hertaald:
beminden,
Namelijk geliefden van God, die God dus op hun beurt moeten liefhebben en gehoorzamen.
de innerlijke
Grieks de ingewanden der barmhartigheden; een Hebreeuwse wijze van spreken, waardoor innerlijke of hartelijke beweging tot enige zaak verstaan wordt. Zie Ef. 4:32; Fil. 1:8, en Fil. 2:1.
Hertaald:
de innerlijke
Grieks: de ingewanden van de barmhartigheden. Dit is een Hebreeuwse manier van spreken, waarmee een innerlijke of hartelijke ontroering over iets bedoeld wordt. Zie Ef. 4:32; Filipp. 1:8 en Filipp. 2:1.
enige klacht heeft;
Dat is, enige oorzaak van klacht.
Hertaald:
enige klacht heeft;
Dat is: enige reden tot klacht.
de band der volmaaktheid
Namelijk waardoor al de leden der gemeente ten volle met elkander verenigd zijn, en elkander alle behoorlijke diensten en broederlijke toegenegenheid bewijzen. Of, de band der volmaaktheid van al de Christelijke deugden, die alle in de liefde zijn begrepen, Rom. 13:8; Gal. 5:14. Naarmate dan dat de liefde in ons is, zo zijn ook de andere deugden in ons.
Hertaald:
de band der volmaaktheid
Namelijk de band waardoor alle leden van de gemeente ten volle met elkaar verenigd zijn en waardoor zij elkaar alle behoorlijke diensten en broederlijke toewijding bewijzen. Of: de band van de volmaaktheid van alle christelijke deugden, die alle in de liefde begrepen zijn, Rom. 13:8; Gal. 5:14. Naar de mate waarin de liefde in ons is, zijn dus ook de andere deugden in ons.
de vrede Gods
Namelijk niet alleen die wij met God hebben in onze conscientie door het geloof, Rom. 5:1; Fil. 4:7, maar ook die de gelovigen onder elkander moeten hebben, die God hun gebiedt, en waarvan Hij de oorsprong is; Marc. 9:50; Ef. 4:3.
Hertaald:
de vrede Gods
Namelijk niet alleen de vrede die wij met God hebben in ons geweten door het geloof, Rom. 5:1; Filipp. 4:7, maar ook de vrede die de gelovigen onder elkaar moeten hebben, die God hun gebiedt en waarvan Hij de oorsprong is; Mark. 9:50; Ef. 4:3.
heerse in uw harten,
Dat is, hebbe de overhand, het beleid en bestier, om alles in rust tot een goed einde te richten. Het Griekse woord is genomen van degenen, die het beleid hadden in den strijd en schouwspelen, waarvan zie breder hiervoren Kol. 2:18.
Hertaald:
heerse in uw harten,
Dat is: hebbe de overhand, de leiding en het bestuur, om alles in rust tot een goed einde te leiden. Het Griekse woord is genomen van hen die de leiding hadden bij de wedstrijden en de schouwspelen; zie daarover uitvoeriger hiervoor Kol. 2:18.
in een lichaam;
Dat is, in ene gemeente, die het geestelijke lichaam van Christus is, waarvan al de leden aan de andere in vrede moeten verbonden zijn, Ef. 1:22-23.
Hertaald:
in een lichaam;
Dat is: in één gemeente, die het geestelijke lichaam van Christus is en waarvan alle leden in vrede met de andere verbonden moeten zijn, Ef. 1:22-23.
weest dankbaar
Namelijk niet alleen tegen uwen naaste, om vrede met hem te houden, maar ook tegen God. Want die tegen God dankbaar is, die zal zijne gemeente niet zoeken te verstoren of te verdelen.
Hertaald:
weest dankbaar
Namelijk niet alleen dankbaar tegenover uw naaste, om vrede met hem te houden, maar ook tegenover God. Want wie dankbaar is tegenover God, zal Zijn gemeente niet proberen te verstoren of te verdelen.
Het Woord van Christus
Dat is, de leer des Evangelies, die ons door Christus is verkondigd, en begrepen wordt niet alleen in het Nieuwe, maar ook in het Oude Testament; 1 Petr. 1:10-11.
Hertaald:
Het Woord van Christus
Dat is: de leer van het Evangelie, die ons door Christus verkondigd is en die niet alleen in het Nieuwe, maar ook in het Oude Testament vervat is; 1 Petr. 1:10-11.
wone rijkelijk in u,
Dat is, zijt daarmede veel bezig; want daar men mede woont daar spreekt men en verkeert men veel mede.
Hertaald:
wone rijkelijk in u,
Dat is: houd u daar veel mee bezig. Want met wie men samenwoont, spreekt en verkeert men veel.
in alle wijsheid;
Dat is, om met alle eerbiedigheid daardoor in wijsheid en kennis gesticht te worden.
Hertaald:
in alle wijsheid;
Dat is: om daardoor met alle eerbied in wijsheid en kennis opgebouwd te worden.
met psalmen
Van het onderscheid dezer, zie de aantekeningen op Ef. 5:19.
Hertaald:
met psalmen
Over het onderscheid tussen deze, zie de aantekeningen bij Ef. 5:19.
aangenaamheid
Of, dankbaarheid, want het Griekse woord betekent beide. Zie Ef. 4:29; Kol. 4:6.
Hertaald:
aangenaamheid
Of: dankbaarheid, want het Griekse woord betekent beide. Zie Ef. 4:29; Kol. 4:6.
in uw hart
Dat is, niet alleen met den mond, maar ook met het hart.
Hertaald:
in uw hart
Dat is: niet alleen met de mond, maar ook met het hart.
in de Naam
Dat is, naar zijn bevel en tot zijne eer met aanroeping van de hulp van Christus. Want al deze dingen begrijpt deze wijze van spreken. Zie Ps. 31:4; Matt. 18:20.
Hertaald:
in de Naam
Dat is: naar Zijn bevel en tot Zijn eer, met een beroep op de hulp van Christus. Want deze manier van spreken houdt al deze dingen in. Zie Ps. 31:4; Matth. 18:20.
in den Heere
Dat is, volgens het bevel des Heeren, die u zulks heeft willen opleggen. Of, alzo dat gij nochtans in deze gehoorzaamheid niet doet tegen het bevel des Heeren. Zie Hand. 5:29.
Hertaald:
in den Heere
Dat is: overeenkomstig het bevel van de Heere, Die u dit heeft willen opleggen. Of: zo dat u in deze gehoorzaamheid toch niet handelt tegen het bevel van de Heere. Zie Hand. 5:29.
in alles,
Namelijk in den Heere, gelijk hij uitdrukt Ef. 6:1.
Hertaald:
in alles,
Namelijk in alles in de Heere, zoals hij het uitdrukt in Ef. 6:1.
tergt uw kinderen niet,
Namelijk door al te grote en gedurige hardheid; zie de aantekeningen Ef. 6:4.
Hertaald:
tergt uw kinderen niet,
Namelijk door al te grote en voortdurende hardheid; zie de aantekeningen bij Ef. 6:4.
in alles gehoorzaam
Gelijk vs.20.
Hertaald:
in alles gehoorzaam
Zoals in vers 20.
ogendiensten
Zie van dit woord en het gehele vers de aantekeningen Ef. 6:5-7.
Hertaald:
ogendiensten
Zie over dit woord en over het hele vers de aantekeningen bij Ef. 6:5-7.
vrezende God
Namelijk die u dezen dienst voor een tijd heeft opgelegd, en dien gij hierin ook moet gehoorzaam zijn en vrezen.
Hertaald:
vrezende God
Namelijk God, Die u deze dienst voor een tijd opgelegd heeft en Die u hierin ook gehoorzaam moet zijn en moet vrezen.
niet den mensen;
Dat is, niet alleen, of voornamelijk. Want die dient, moet ook de mensen dienen, maar voornamelijk den Heere, dien hij van al zijn doen rekenschap moet geven; Ef. 6:7.
Hertaald:
niet den mensen;
Dat is: niet alleen, of niet in de eerste plaats de mensen. Want wie dient, moet ook de mensen dienen, maar vooral de Heere, aan Wie hij van al zijn doen rekenschap moet geven; Ef. 6:7.
de vergelding
Dat is, zult tot ene vergelding van uw trouwen dienst ontvangen de eeuwige erfenis der kinderen Gods, wanneer gij van alle slavernij en dienst der mensen zult vrijgesteld zijn, en de aanneming tot kinderen in u zal geopenbaard worden, Rom. 8:23. Zo is dan deze vergelding niet uit verdienste, maar uit genade, alzo de erfenis onder gene verdienste valt, maar den kinderen vanwege hunne geboorte alleen, of aanneming toekomt. Zie Rom. 8:15-17.
Hertaald:
de vergelding
Dat is: u zult als vergelding voor uw trouwe dienst de eeuwige erfenis van de kinderen van God ontvangen, wanneer u van alle slavernij en dienst van mensen vrijgesteld zult zijn en de aanneming tot kinderen in u geopenbaard zal worden, Rom. 8:23. Deze vergelding is dus niet uit verdienste, maar uit genade, omdat de erfenis niet onder enige verdienste valt, maar de kinderen alleen vanwege hun geboorte of hun aanneming toekomt. Zie Rom. 8:15-17.
die onrecht doet,
Namelijk hetzij heer of dienstknecht. Dit doet de apostel daarbij, om de ontrouwe dienstknechten te waarschuwen en de trouwe te vertroosten, dat God eenmaal wraak zal doen over de hardigheid eniger heren, daar zij hier onder moeten staan.
Hertaald:
die onrecht doet,
Namelijk hetzij een heer, hetzij een dienstknecht. Dit voegt de apostel eraan toe om de ontrouwe dienstknechten te waarschuwen en de trouwe te troosten: dat God eenmaal wraak zal doen over de hardheid van sommige heren, waaronder zij hier moeten staan.
het onrecht dragen,
Dat is, de straf van het onrecht, gelijk 2 Kor. 5:10.
Hertaald:
het onrecht dragen,
Dat is: de straf voor het onrecht, zoals in 2 Kor. 5:10.
aanneming des persoons
Of, aanneming. Zie hiervan de aantekeningen Matt. 22:16; Hand. 10:34.
Hertaald:
aanneming des persoons
Of: aanneming. Zie hierover de aantekeningen bij Matth. 22:16; Hand. 10:34. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Vanuit de vermaning "zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is" (Kol. 3:1) en het feit dat het leven van de gelovige "is met Christus verborgen in God" (Kol. 3:3, reeds mede aangehaald bij Vereniging met Christus, Rom. 6), komt Paulus tot de praktische toepassing: "liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken, en aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft" (Kol. 3:9-10). Bijbelse betekenis: De "oude mens" is niet een deel van de gelovige dat nog bestreden moet worden alsof hij nog aanwezig is als aparte persoon, maar de vroegere, in Adam gevallen identiteit die in de vereniging met Christus' dood al is afgelegd. De "nieuwe mens" is de in Christus vernieuwde identiteit, die groeiende is "tot kennis", naar het beeld van de Schepper. Dat is een echo van Beeld Gods (Gen. 1, reeds behandeld), nu hersteld in Christus. Typologie: Efeze tekent hetzelfde beeld met een iets andere nadruk: "aangaande de vorige wandeling, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding" (Ef. 4:22), en daartegenover: "den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid" (Ef. 4:22,24), en Paulus vat het elders samen: "indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel" (2 Kor. 5:17, reeds behandeld). Kol. 3:1,3,9-10; Ef. 4:22,24; 2 Kor. 5:17 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Paulus heeft in Kolosse te maken met leraars die bijzondere inzichten aanbieden: engelendienst, spijsregels, feestdagen. Hij zet daar in dit hoofdstuk iets tegenover dat veel eenvoudiger en veel groter is. Wie bij Christus hoort, heeft zijn leven niet hier liggen maar daar waar Hij is. **De grond.** “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.” Er staat geen opdracht om ergens naartoe te klimmen. Er staat een plaats: waar Hij is. **De vaststelling.** “Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” De kanttekening legt beide helften uit. Gestorven — aan de zonde en aan de wereld. En verborgen: Christus is aan de rechterhand van Zijn Vader in het bezit van Zijn heerlijkheid, en dat blijft voor de ogen van de wereld verborgen. Zo wordt ook het leven dat ons in Hem toekomt daar bewaard, om te Zijner tijd geopenbaard te worden. Het is dus niet verborgen omdat het onzeker is, maar omdat het opgeborgen ligt op de veiligste plaats die er is. **Waarom dit bij deze lijn hoort.** De lijn van het wonen van God bij mensen liep van een hof naar een tent, en van een tempel naar een Mens onder ons. Daarna ging zij van bij hen naar in hen. Hier komt de laatste stap in beeld, en die gaat de andere kant op: niet God bij ons, maar óns leven bij Hem. De tabernakel stond in het midden van het kamp; Israël wist waar God woonde. Hier weet de gelovige waar zijn leven ligt — en dat is dezelfde plaats. **Wat er dan nog volgt.** “Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” Die ons leven is. Niet: Die ons leven geeft. Er staat een gelijkstelling. **En het gevolg voor de gemeente.** Verderop staat waar dat op uitloopt: “Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen.” De scheidingen die in de tempel in steen stonden — het voorhof van de heidenen, dat van de vrouwen — zijn hier niet verzacht maar weggevallen. In het Nieuwe Testament: Psalm 110:1; Exodus 25:8; Johannes 14:23; Efeziers 2:14; 1 Petrus 1:4; Romeinen 6:2 Hoever dit reikt: Wat verborgen in God betekent, verklaart de kanttekening als het bewaard worden van het toekomende leven totdat het geopenbaard wordt; het gaat dus niet over onzekerheid. Het gestorven zijn wordt door haar verbonden met Romeinen 6, waar hetzelfde nader wordt uitgelegd.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Christus, die uw leven is … Kolossenzen 3:3 (Eng. vert. KJV) Paulus verwoordt het prachtig: Christus is de bron van ons leven. Diezelfde stem die Lazarus uit het… Christus is alles en in allen. Kolossenzen 3:11 Hoewel er veel onwaarheden bestaan, is er slechts één waarheid — en die waarheid brengt slechts één ware religie voort.… Daardoor heeft Hij ons de grootste en kostbare beloften geschonken, opdat u daardoor deel zou krijgen aan de Goddelijke natuur, nadat u het verderf, dat er door de… En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in de Naam van de Heere Jezus, dankende God en de Vader door Hem. Kolossenzen… Opdat Christus door het geloof in uw harten wone... Het woord van Christus wone rijkelijk in u. Efeze 3:16, Kolossenzen 3:16 Het is boven alles wenselijk dat wij, als… Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo. Kolossenzen 3:13 Kijk… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Christus, Die ons leven is… Kolossenzen 3 vers 4 Paulus’ bijzonder diepe uitdrukking geeft aan dat Christus de Bron van ons… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Gij dient den Heere Christus. Kolossenzen 3:24 Tot welke uitverkoren orde van bevoorrechte ambtenaren werd dit woord gesproken? Tot koningen, die zich… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Kolossenzen 3
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Uw leven is met Christus verborgen in God — 3:1-4, 11
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Christus, jouw leven
De kracht van het Evangelie
Delen in Gods natuur
Volg uw grote Voorbeeld na
Dat Christus in uw harten wone
Vergeving
Christus, Die ons leven is
Doe al uw werk in de Naam van de Heere Jezus


Kolossenzen 3
Kolossenzen 3:1
KruisverwijzingenRomeinen 8:6→Mattheüs 6:33→Mattheüs 6:20→Lukas 12:33→2 Korinthe 4:18→Galaten 2:19→Romeinen 6:9→Psalmen 73:25→— Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.
Uw Heere en Meester is opgevaren naar de hemel. U belijdt dat Hij u vertegenwoordigt, en dat u in Hem en met Hem daarheen opgevaren bent. Zoek dan niet de dingen die hier beneden zijn, de dingen van de aarde, maar leef waar uw leven heengegaan is. Waar uw schat is, laat daar ook uw hart zijn. Och, hoe vaak hebben wij het nodig hiertoe geroepen te worden, want het vlees kruipt langs de grond, en het houdt de geest omlaag. Heel vaak zoeken wij de dingen beneden, alsof wij het nieuwe leven nog niet bereikt hadden, en niets wisten van de opstandingskracht van Christus in de ziel. Is het zo dat u, gelovigen, met Christus opgestaan bent? Leef dan niet alsof dat nooit gebeurd was, maar zoek de dingen die boven zijn, waar Christus zit aan de rechterhand van God.
Kolossenzen 3:2-3
Kruisverwijzingen1 Kronieken 22:19→Mattheüs 16:23→Romeinen 6:2→Kolossenzen 2:20→1 Johannes 2:15→Galaten 2:20→Kolossenzen 3:1→Psalmen 119:36→— Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.
Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Dat is het beste bewijs dat wij werkelijk met Christus opgestaan zijn: dat wij onze genegenheid op de dingen boven zetten. U zegt dat u met Christus gestorven bent, en dat u met Christus opgestaan bent. Leef dan ook het opgestane leven, en niet het leven van hen die dat wonderlijke proces nooit hebben ondergaan. Leef boven. Belijdt u dood te zijn voor de wereld; is die belijdenis dan onwaar? U hebt die bijbelse instelling in acht genomen waarin u belijdt met Christus begraven te zijn; was die viering slechts een lege vorm? Was er enige waarheid in uw belijdenis, dan geldt: u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. U hebt nu een nieuw leven; dat is daarboven, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Voelt u geen trekking naar boven? Is er geen verlangen naar die hoge en hemelse staat waar Jezus is? Kom, geliefde, laat uw ziel zich even losmaken. Laat het zijn zoals met een leeuwerik, die, eenmaal haar vrijheid gevonden hebbend, opstijgt met blijde vleugel, zingend terwijl zij rijst, tot zij aan het sterfelijk oog onttrokken is.
Kolossenzen 3:4
Kruisverwijzingen1 Johannes 3:2→Johannes 11:25→Filippenzen 3:21→1 Korinthe 15:43→1 Johannes 2:28→Galaten 2:20→1 Petrus 1:13→Hebreeën 9:28→— Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Christus was verborgen toen Hij hier was. De wereld heeft Hem niet gekend. Zo is het ook met uw leven. Maar er komt een heerlijke openbaring. Wanneer Christus geopenbaard wordt, zult ook u zo zijn. Wacht op Hem. U bent nu verborgen, uw leven is in Hem versluierd; maar bij Zijn wederkomst zal Hij uitschijnen in al Zijn heerlijkheid. Geliefden, zoek geen grootheid hier; vraag niet naar enige verhoging van uzelf onder de mensenkinderen, maar wacht op uw ware openbaring met Christus in heerlijkheid.
Kolossenzen 3:5
KruisverwijzingenGalaten 5:19→Romeinen 8:13→1 Korinthe 6:18→Romeinen 6:13→Efeze 4:19→1 Petrus 2:11→Galaten 5:24→Efeze 5:3→— Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.
Aangezien u gestorven bent, laat dan alle begeerlijkheden van het vlees gedood worden. Dood die dingen. Zij waren eens een deel van u. Uw aard begeerde op die manier. Doodt ze. Beperk ze niet slechts en probeer ze in bedwang te houden. Met deze dingen behoort u niets meer te maken te hebben. Dit gebod geldt niet alleen voor de grovere daden die samengevat worden onder hoererij en onreinheid, maar voor alles wat tot die schandelijke zonden leidt. Het geldt niet alleen voor het vuur, maar ook voor de vonken, zoals ‘kwade begeerlijkheid’, de eerste neigingen naar het onkuise. God geve ons genade deze walgelijke dingen onmiddellijk te doden. Worden gedachten aan het kwaad toegelaten, dan worden zij spoedig daden van het kwaad, en wie weet hoever wij dan afdwalen op de weg van onheiligheid? Wordt de zonde toegelaten in het hart te groeien, dan zal zij spoedig reuzenschreden nemen en zich openbaren in het leven. Reken erop: gaat een belijdend christen ooit over tot zulke openlijke zonde als hier genoemd, dan gebeurt dat nooit plotseling. Het kwaad heeft al lang liggen zweren en gisten in zijn hart, of het zou zich zo niet geopenbaard hebben. Merk op dat de gierigheid hier gerangschikt wordt onder de smerigste zonden, en omschreven wordt als afgodendienst. Het verlangen de goederen van anderen te bezitten, de begeerte om tot elke prijs winst te maken, dat is afgodendienst.
Kolossenzen 3:6-7
KruisverwijzingenEfeze 5:6→Romeinen 1:18→1 Petrus 4:3→1 Korinthe 6:11→Titus 3:3→Ezechiël 16:45→1 Petrus 1:14→2 Petrus 2:14→— Om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid; In dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet.
“Om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid; in dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet.” Maar nu leeft u er niet meer in. U bent er dood voor. Zou het ooit gebeuren dat u weer in een van deze dingen vervalt? Dan zult u zichzelf verafschuwen met de bitterste boetvaardigheid, dat u ooit troost, voldoening, leven in die dingen kon vinden. U bent er dood voor.
Kolossenzen 3:8-10
KruisverwijzingenEfeze 4:23→Efeze 2:10→Efeze 4:29→Efeze 4:22→Romeinen 12:2→Kolossenzen 3:12→Efeze 4:25→Efeze 5:4→— Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond. Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken, En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft;
Geen leugens. Zulke gesprekken zijn vuil. Maar u hebt deze dingen afgelegd door uw eenwording met Christus in Zijn opgestane leven. Verafschuw ze daarom. Vermijd zelfs de schijn ervan, en roep om genade om ervan bewaard te blijven, want u hebt de nieuwe mens aangedaan, die “vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft.” In Paulus’ tijd werd liegen als een deugd beschouwd, zolang de leugenaar maar niet betrapt werd. Werd hij wel betrapt, dan werd het als verkeerd beschouwd. Maar dwars door dik en dun te liegen, en zo behendig te liegen dat men erin slaagde te bedriegen, werd door een Oosterling beschouwd als een vaardigheid waar men trots op kon zijn. Er is niets vals of onwaar in God. God is waarachtig, en in Hem is helemaal geen valsheid. Zijn u en ik werkelijk vernieuwd, zoals wij belijden te zijn, dan zullen wij zelfs de schijn van een leugen haten, en zal ons woord zo goed zijn als onze eed.
Kolossenzen 3:11
KruisverwijzingenRomeinen 10:12→1 Korinthe 12:13→Galaten 5:6→Efeze 1:23→1 Korinthe 7:19→Galaten 3:28→Efeze 3:6→Handelingen 28:2→— Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen.
In het nieuwe leven is er geen onderscheid van ras en nationaliteit. Wij zijn geboren in één gezin; wij zijn leden geworden van Christus’ lichaam. Dit is het ene wat wij moeten volhouden: afzondering van heel de wereld daarbuiten, geen scheidingen in de gemeente, geen verdeeldheid, niets wat dat zou veroorzaken. Want wij zijn één in Christus, en Christus is alles. Hoort u sommige zeer wijze broeders zeggen: die-en-die belofte in de Bijbel is voor Israël, niet voor de heidenen? Laat u dan door zo’n bewering niet in het minst misleiden, maar citeer hun deze tekst: “waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen.” Deze onderscheidingen verdwijnen allemaal zodra wij tot Christus komen. Wij zijn één in Hem, en elke belofte aan gelovigen is goed voor allen die in Christus Jezus zijn, want Christus is alles, en in allen.
Kolossenzen 3:12
KruisverwijzingenEfeze 4:32→Efeze 4:2→2 Petrus 1:5→1 Johannes 4:19→Kolossenzen 3:10→2 Petrus 1:10→Galaten 5:22→1 Petrus 3:8→— Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;
Dit is wat u moet aandoen, zelfs aan de buitenkant. U moet niet slechts een verborgen vriendelijkheid in uw hart hebben, en een zekere mate van nederigheid diep in uw ziel, mocht u erbij kunnen. Nee, u moet het aandoen. Dat moet het kleed zijn dat u draagt. Dit zijn de heilige gewaden van uw dagelijks priesterschap. Doe ze aan. Wees bereid voor anderen te voelen; wees zeer bedacht op hun noden. Zie anderen aan alsof zij uw eigen bloedverwanten waren; bent u en zij in Christus, dan zijn zij werkelijk uw verwanten, doe dus vriendelijkheid aan. Probeer niet een groot man te zijn. Wie zichzelf groot acht, heeft de ware geest van het christendom nog niet geleerd. Wees vooral tegenover hen die bedroefd en treurig zijn, medelijdend, vriendelijk, nederig. Laat anderen u niet tergen; en verdraag elkaar voortdurend, gedenkend hoe lankmoedig de Heere met u geweest is.
Kolossenzen 3:13
KruisverwijzingenEfeze 4:32→Markus 11:25→Romeinen 15:1→Efeze 4:2→Mattheüs 6:14→Jakobus 2:13→Mattheüs 5:44→Lukas 6:35→— Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.
Hoor dit, geliefden, ik smeek u; vooral zij onder u die een heftig humeur hebben, en ruzie hebben gekregen met elkaar. De zon ga niet onder over uw toornigheid. Bedenk hoeveel Christus u vergeven heeft. Toon een verdraagzame en vergevende geest jegens anderen — net zo bereidwillig, net zo vrij, net zo hartelijk, net zo volkomen, als Christus u vergeven heeft.
Kolossenzen 3:14
KruisverwijzingenEfeze 4:3→Efeze 5:2→1 Petrus 4:8→1 Korinthe 13:1→Johannes 13:34→Romeinen 13:8→1 Timotheüs 1:5→1 Johannes 4:21→— En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid.
De volmaakte band, de gordel die om alles heen gaat, en elk ander kledingstuk van deugd op zijn plaats houdt.
Kolossenzen 3:15
KruisverwijzingenJohannes 14:27→Filippenzen 4:6→1 Thessalonicenzen 5:18→Efeze 5:20→Kolossenzen 3:17→Efeze 4:4→Romeinen 5:1→Jesaja 57:15→— En de vrede Gods heerse in uw harten, tot welken gij ook geroepen zijt in een lichaam; en weest dankbaar.
Krijg geen ruzie met elkaar. U bent tot vrede geroepen, want u bent in één lichaam samengevoegd. Vecht de ene hand in het lichaam met de andere hand? Twist de voet met het oog? Natuurlijk niet, want zij zijn in één lichaam. Zo bent ook u in één lichaam met al uw medechristenen; leg daarom alle twist af. Het bedroeft mij diep wanneer ik christenen — en vooral vooraanstaande christenen — zie twisten over kleine, onbeduidende zaken. Zeker, bijna alles zou verdragen moeten worden voordat er openbare twist zou moeten ontstaan onder de leden van het ene lichaam. God geve dat zo’n toestand spoedig ten einde komt waar hij bestaat! Wij hebben genoeg te doen ernstig te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is, zonder ook nog te strijden voor onze eigen waardigheid of eer. Het lijkt een heel kleine deugd, dankbaar te zijn. Toch, geliefde vrienden, is het ontbreken ervan een van de grofste ondeugden. Ondankbaar te zijn is een gemene zaak; ondankbaar te zijn jegens God is een lage zaak. En toch, hoevelen van ons kunnen zich daaraan schuldig weten! Wie onder ons is zo dankbaar als hij zou moeten zijn? Wees dankbaar.
Kolossenzen 3:16-17
Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:31→Kolossenzen 3:23→Spreuken 3:6→Efeze 5:20→Psalmen 119:11→1 Petrus 4:11→Efeze 5:19→Johannes 15:7→— Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart. En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in de Naam van de Heere Jezus, dankende God en de Vader door Hem.
Alexander had een kist van goud, bezet met edelstenen, om Homerus’ werken in te bewaren. Laat uw eigen hart een schrijn zijn voor het gebod van Christus. Laat het woord van Christus rijkelijk in u wonen. Trek geen scheidslijn en zeg: tot hier is werelds, en van hier af is godsdienstig. Laat heel uw leven godsdienstig zijn; en wordt u iets voorgesteld waarin u God niet kunt verheerlijken, raak het dan niet aan. Wat u ook doet, met woorden of met werken, doe het alles in de Naam van de Heere Jezus, God en de Vader dankende door Hem.
Kolossenzen 3:18
KruisverwijzingenEfeze 5:22→1 Petrus 3:1→1 Korinthe 11:3→1 Timotheüs 2:12→Titus 2:4→Esther 1:20→Genesis 3:16→1 Korinthe 14:34→— Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere.
Het past bij de natuur; en het is nog meer “betaamt in den Heere.”
Kolossenzen 3:19
Kruisverwijzingen1 Petrus 3:7→Efeze 5:25→Efeze 4:31→Genesis 2:23→Romeinen 3:14→Efeze 5:28→Lukas 14:26→Spreuken 5:18→— Gij mannen, hebt uw vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar.
Er zijn geesten die zeer verbitterd zijn. Een kleinigheid brengt hen van hun stuk, en zij zouden er genoegen in scheppen met een steek de geest te grieven. Ik heb medelijden met de arme vrouw die zulke bitterheid moet ondervinden waar zij zoetheid behoorde te hebben; toch zijn er zulke mannen. Zeg nooit een bitter woord tegen haar. Onteer haar vooral nooit in het huisgezin, voor de kinderen of de bedienden, zoals sommigen gedaan hebben. Doe alles wat u kunt om liefde en tederheid jegens haar te tonen.
Kolossenzen 3:20
KruisverwijzingenExodus 20:12→Efeze 5:24→Efeze 6:1→Titus 2:9→Mattheüs 15:4→Kolossenzen 1:10→Spreuken 30:11→Ezechiël 22:7→— Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in alles, want dat is de Heere welbehagelijk.
Tegenwoordig zijn er sommige kinderen die aan het hoofd van het gezin lijken te staan, en de ouders gehoorzamen hen in alles. Dit is zeer dwaas en verkeerd. Worden hun kinderen groot, en worden zij hun plaag en vloek, dan zullen zij bitter hun dwaasheid betreuren. Zij hebben de dingen op hun kop gezet, en het huis niet gehouden zoals God het gehouden wilde zien: de kinderen op hun plaats, en de vader op de zijne.
Kolossenzen 3:21
KruisverwijzingenEfeze 6:4→1 Thessalonicenzen 2:11→Spreuken 3:12→Psalmen 103:13→Spreuken 4:1→Hebreeën 12:5→— Gij vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.
De plichten zijn wederzijds. De Schrift houdt een evenwicht. Zij legt geen geboden op voor de ene groep en laat de andere dan de vrije hand om welke tirannieke onderdrukking dan ook uit te oefenen. Het kind moet gehoorzamen, maar de vader mag niet tergen. Sommige vaders doen dat wel. Zij verwachten meer van hun kinderen dan zij ooit zullen krijgen, en meer dan zij zouden moeten verwachten. Zij leggen hun zware lasten op, die moeilijk te dragen zijn, en om kleine fouten zware straffen. Ook dat is verkeerd.
Kolossenzen 3:22-24
KruisverwijzingenKolossenzen 3:17→Efeze 6:6→Romeinen 14:8→Prediker 9:10→1 Petrus 2:15→2 Kronieken 31:21→1 Petrus 2:13→Psalmen 119:34→— Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vrezende God. En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den mensen; Wetende, dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient de Heere Christus.
Hoeveel gebeurt daar niet van! Hoe snel gaan de handen wanneer het oog van de meester toekijkt! Maar de christelijke dienstknecht denkt aan Gods oog, en is altijd naarstig. Doet u al uw werk in die geest, hoe edel wordt het dan, en hoe blijmoedig zult u erdoorheen komen! U mag een meester hebben die uw dienst niet waard is. Toch, doet u het van harte, als de Heere, dan zult u rust van hart hebben, zelfs in het dienen van hen die dwars en koppig zijn. De Heere zal uw dienst op Zijn tijd belonen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Het tweede, het paranetische gedeelte, dat niet, zoals men soms heeft gemeend, met Hoofdst 2: 6 v. begint, ook niet, zoals door anderen is beweerd, met vs. 5, maar met dit nieuwe hoofdstuk begint, hangt evenwel met de overige afdeling ten nauwste samen en komt voor als een voortzetting daarvan. Nadat namelijk de apostel het wezen van de Christelijke staat, dat aan de ene kant een gestorven en begraven zijn met Christus, aan de andere kant een opgestaan zijn met Hem en een wandelen in een nieuw leven is, daartoe heeft aangewend, om zijn waarschuwing tegen de dwaalleraars te versterken en met zo’n doel vooral die eerste kant op de voorgrond stelde (vgl. Hoofdstuk 2: 20), zo gebruikt hij ditzelfde, maar nu vooral de andere kant op de voorgrond stellende, ertoe, om zijn aanmaning tot een waarachtig Christelijk wandelen zijn lezers op het hart te drukken. Eerst geeft hij de gronden daarvan aan, om deze vervolgens nader uiteen te zetten.
I. Vs. 1-17.KruisverwijzingenRomeinen 8:6→1 Kronieken 22:19→Efeze 4:23→Mattheüs 6:33→Mattheüs 16:23→Romeinen 6:2→Kolossenzen 2:20→Mattheüs 6:20→
— Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst. Om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid; In dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet. Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond. Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken, En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft;
In verband met het vroeger voorgedragene karakteriseert nu Paulus, als hij nu van het leren tot het vermanen wil overgaan, voor alles de hoofdrichting van de Christelijke gezindheid en van het Christelijk streven. De gelovigen in Christus Jezus weten, dat zij met Hem, hun Heer en Verlosser, tot een nieuw leven zijn opgestaan en met hun voelen en hun krachten verplaatst zijn daar, waar Hij is heengegaan, in het bovenaardse en hemelse. Hetgeen op aarde is, heeft voor hen de kracht van bekoorlijkheid, die het vroeger ook op hen, evenals nu nog op de kinderen van deze wereld uitoefent, verloren. Zij leiden nu een leven met Christus verborgen in God en verwachten hun heerlijkheid en volle bevrediging eerst van de tijd, als Christus uit Zijn verborgen zijn in de hemel te voorschijn zal treden, Zijn heerlijkheid zal openbaren en hen in deze zal overplaaten (vs. 1-4). Op deze grond, die hij bij hen als reeds aanwezig veronderstelt, vermaant de apostel de Kolossensen alle zondige lusten in zich te doden en alles, waardoor men zich jegens anderen bezondigt, van zich weg te doen, in één woord de oude mens met zijn werken steeds meer uit te trekken evenals een kleed, dat zij niet meer hoeven te dragen en daarentegen de nieuwe mens aan te doen, zodat zij naar het beeld van God in toenemende kennis van Zijn genadig welbehagen vernieuwd worden, van welk volk zij ook mogen zijn (vs. 5-11). Naar hun Christelijke staat zijn zij Gods heiligen en beminden en nu moeten ook zij zich kleden in het versiersel van de kinderen van God, zoals hun dit voor de ogen wordt geschilderd; zij moeten zich van de vrede van God laten vervullen en regeren en Christus, hun Heere, onder elkaar en voor degenen, die buiten zijn, verheerlijken door woord en werk (vs. 12-17).
Als u dan, zoals toch volgens het gezegde in Hoofdstuk 2: 12 ontwijfelbaar is, met Christus opgewekt bent tot een nieuw leven, dat, alhoewel het nog in deze wereld wordt geleid, toch niet meer, zoals uw vroeger leven, tot deze tegenwoordige wereld behoort, maar tot de toekomstige, zoek dan de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God (Matth. 6: 20 v. Fil. 3: 14, 20 Efeze. 1: 20).
Als de apostel in Hoofdstuk 2: 20 uitgaat van de veronderstelling, dat de Kolossensen met Christus gestorven zijn, dan gaat hij, met aansluiting hieraan, nu uit van de veronderstelling, dat zij met Christus zijn opgestaan en roept ze op om datgene te zoeken wat boven is, d. i. te trachten naar de hemelse dingen, naar het eeuwige leven. Die aanmaning bekrachtigt hij door het feit, dat Christus reeds bezit van de hemel heeft genomen.
Moest men echter dat meer houden voor een gevolg van Zijn hemelvaart dan voor een gevolg van Zijn opstanding? Daarop moet worden geantwoord; Christus’ opstanding houdt ook reeds de macht in om Zich te plaatsen ter rechterhand van God. Met deze ging Hij reeds in een leven van heerlijkheid in, zoals Hij in Joh. 20: 17 zegt: “Ik vaar op tot mijn God. ” En zo worden in Efez. 2: 5 v. tot onze gemeenschap met de opstanding van Christus de drie trappen gerekend: met Christus levend gemaakt, met Hem opgewekt, met Hem geplaatst in het hemelse. Boven (Hoofdstuk 2: 18) heeft de apostel de Kolossensen gewaarschuwd tegen onbetamelijk zich bezig houden met dingen, waarvan men niets heeft gezien; nu opent hij hun een vrije toegang tot hetgeen boven is, maar waarbij men zich slechts aan Christus en aan Zijn gezeten zijn ter rechterhand van God moet houden.
De vermaning van de apostel klinkt tweevoudig; zij moeten zoeken wat boven is en zij moeten bedenken wat boven is. Het eerste heeft als bijvoeging: “waar Christus is zittende ter rechterhand van God”, bij het laatste komt als tegenstelling: “niet die op de aarde zijn. ” Iets zoeken is zich voor iets moeite geven, opdat men het in zijn bezit krijgt; bedenken of naar iets trachten is uitwendig op iets gesteld zijn. Zijn wij tot een leven gekomen van gemeenschap met de Opgestane, dan ligt het meest voor de hand, dat wij er begerig naar zijn het bovenaardse tot eigendom te hebben, waar Christus is gezeten aan de rechterhand van God, in het bovenaardse. Begeren wij echter het in ons bezit te hebben, dan moet de richting van ons binnenste daarheen uitgaan en niet op hetgeen hier is, op het aardse, waarin wij ons leven hebben gehad, voordat wij die dood sterven, waaruit wij tot het leven van de gemeenschap met Christus zijn opgestaan.
Het aardse moet geen voorwerp zijn van inwendig zorgen en denken; dat is het kenteken van hen, die van deze wereld zijn (Joh. 17: 14, 16 Openb. 11: 10). Het is daarom echter niet verboden om van het aardse gebruik te maken, maar juist geboden in het juiste gebruik van het aardse het hemelse te denken en te zoeken.
Zien wij op de geestelijke opstanding uit de staat van de natuur, die een geestelijke dood is, dan zijn de gelovigen met Christus weer in die zin opgewekt, niet alleen omdat ook in de opstanding van Christus, als een bewijs van de volmaaktheid van Zijn genoegdoening, hiertoe de grond gelegd is, maar voornamelijk omdat dat geloof van de werking van God, waardoor zij aanvankelijk levend gemaakt worden een vrucht is van ‘s Heilands verdiensten en Jezus als de opstanding en het leven, de uitwerkende bewegende en voorbeeldige oorzaak van hun geestelijk leven is. De apostel, die hier de hemelsgezindheid aanprijst, geeft in het vervolg van dit hoofddeel vele plichten op, die uit de verschillende standen in de waarheid voortvloeien en dus toont hij dat man of vrouw, vader of kind, heer of dienstknecht te zijn, niet strijdt tegen hemelsgezind te zijn. Nee, zeker, Henoch kan met God wandelen en nochtans zonen en dochters gewinnen. Nehemia kan een hoveling zijn en aan ‘s konings tafel dienen en echter bij dit werk zelf een God zoekend en hemelsgezind gemoed hebben. Men moet ook niet denken dat alles, wat ik tot de hemelsgezindheid breng, ten alle tijde of in de volle zin bij alle gelovigen steeds gevonden wordt. Nee, geliefden, wij weten uit het woord van God en uit de ervaring van de heilige, dat, schoon de grondkeus van een Christen steeds tot hemelsgezindheid geneigd is, zijn geestelijk leven echter menigmaal door het aanhangend vlees dermate overdwarsd wordt, dat hij zeggen moet: Heere! mijn ziel kleeft aan het stof.
Bedenk met uw hele hart, met al uw hopen en wensen, de dingen die boven zijn, niet, zoals u van te voren heeft gedaan en zoals de anderen, die niet met Christus door het geloof zijn opgestaan, nog doen, die op de aarde zijn (Matth. 6: 31 vv. Fil. 3: 18 v.).
“Als”, of het reeds werkelijk toe kwam het mag met reden van zovelen betwijfeld worden, voor wie de wekstem: “ontwaak, u die slaapt” tot dusver geheel vruchteloos klonk. Ach, hoevelen die sinds jaren het danklied herhalen, dat Christus voor ons gestorven en opgewekt is en allen, die hun deze dierbare waarheid ontnemen willen, haten met een volkomen haat en bij wie het toch nooit in waarheid tot een opstaan met Christus gekomen is! Hier is zeker zelfonderzoek nodig en zelfbedrog uiterst gevaarlijk: als het veelomvattend, “als” van Paulus woord van ons nog volstrekt niet kan gelden, wij kunnen vooralsnog aan de opvolging van de hier gestelde levensregel niet denken; het is geen woord voor de ongelovige wereld, maar voor de ongelovige Christen. Maar als wij met Christus opgewekt zijn – en dat zijn wij in werkelijkheid, niettegenstaande al ons gebrek, wanneer wij door banden van een levend geloof en een vurige liefde met de gestorven en opgewekte Heer zijn verbonden. – dan moeten, dan kunnen, ja dan willen wij ook de wekstem gehoor geven, om te bedenken en te zoeken de dingen, niet die of aarde, maar die boven zijn, waar Christus is, zittende ter rechterhand van God! Door dit laatste bijvoegsel, men voelt het, wordt de vermaning niet enkel aangedrongen, maar geheel gerechtvaardigd. Is toch het Hoofd in de hemel, de leden kunnen onmogelijk het ware leven zoeken en vinden op aarde; leeft Hij voor God en voor God alleen, de Zijnen kunnen zich onmogelijk aan de dienst van zonde en wereld verslaven; het moet, maar het zal ook hun ernstige, hun doorgaande toeleg wezen, te zoeken de dingen, die boven zijn. Wie spreekt met weinige woorden bevredigend uit, wat al in dit een artikel van de grondwet van het Christelijke leven is samengevat? Zeker, geen onverschilligheid voor dit leven, geen stroeve wereldverachting, geen kleingeestige angstvalligheid tegenover zoveel, dat liefelijk is en welluidt, wordt ons hier door de apostel gepredikt. Dezelfde pen, die deze vermaning neerschreef, heeft weer geschreven: “elk schepsel van God is goed en daarin is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde. ” Maar toch wordt hier een scherpe grenslijn getrokken tussen hen, die leven door de Geest en hen, die wandelen naar de vlees en vanzelf worden wij het woord van de Heiland indachtig: zij zijn niet van de wereld, zoals Ik van de wereld niet ben. De Christen denkt aan de hemel en bij voorkeur richt zich daarop, ook te midden van de verstrooiing en de genieting van het leven, zijn oog, omdat daar de magneet is, die ook in het verborgen hem aantrekt. De Christen werkt voor de hemel en zou niet voldaan zijn, al had hij, in of zonder het zweet zijns aanschijns, het voedsel dat vergaat voor heel zijn leven verkregen; schade acht hij alles wat hem van Gods gemeenschap verwijdert, winst daarentegen wat hem waarachtig reiner en rijper en rijker voor de toekomst kan maken, al wordt het ook zelfs ten koste van pijnlijke offers verkregen. Bovenal verlangt hij naar de hemel niet met een ziekelijk heimwee, waar met dat stil onderworpen, werkzaam verlangen, dat niet slechts uitziet, maar ook gedurig voortspoedt naar de stad, die fundamenten heeft, waarvan de kunstenaar en bouwmeester God is. Zo denkend, werkend, verlangend, zoekt hij werkelijk de dingen, die boven zijn, al helderder te leren kennen, overvloediger te genieten, ja reeds hier persoonlijk voor zichzelf te bezitten. Hij doet dat gedurig en beter, naarmate hij zekerder weet en vertrouwelijker wil tonen, dat Hij werkelijk met Christus opgewekt is, en gaat dit onmogelijk zonder veel moeite en strijd, hij toont ook dit andere woord te verstaan: doodt dan uw leden, die op aarde zijn en hij wandelt in de kracht van de Heilige Geest als een, die zijn eigen opstanding in geestelijk opzicht reeds achter zich, zijn hemelvaartsdag voor zich ziet. Schier onmogelijk zich gelukkiger stemming, billijker eis, gezegender leven te denken, dan in dit apostolisch woord wordt bedoeld; en toch, is er wel een enkele onder ons Christenen, wiens hart hem bij dit woord niet veroordeelt? In het Kolosse van de eerste eeuwen heerste – zie het vorige hoofdstuk – een eenzijdige spiritualistische richting, die zich in ijdele dromerijen verloor; maar is niet in de gemeente van de negentiende een sterke materialistische stroming en worden wij niet zelfs onwillekeurig door de Geest van de eeuw van stofvergoding besmet? Is het niet soms in ons gedrag, ja ook in ons gevoel, of de onzienlijke dingen slechts dromen waren en de zienlijke de enige werkelijkheid, waarover het tenslotte de moeite waard is te leven? O hoe dringend behoeven, hoe vaak vergeten wij dat woord: bedenk de dingen, die boven zijn! Heere, schrijf U zelf het onuitwisbaar op de tafels van ons hart en bewaar ons, dat wij toch nooit de twijfelachtige vraag bij anderen uitlokken: of wij wel echt met Christus opgestaan zijn.
Voor dat laatste, het bedenken van hetgeen op aarde is, zal, als overigens uw hart de juiste Christelijke gesteldheid heeft, volstrekt geen grond meer bij u zijn, waarop het zou opgroeien; want u bent, toen u met Christus door de doop in de dood begraven bent (Rom. 6: 4), gestorven, zodat hetgeen op de aarde is, u niets meer aangaat en uw leven is met Christus a) verborgen in God.
Rom. 8: 24. 2 Kor. 5: 7
Als gestorven met Christus, behoort u niet meer tot deze aarde maar tot de hemel; daar is uw leven, bij en met Christus; en bezit u het nog niet, zolang u hier beneden bent, het is voor u weggelegd en als een verborgen schat bewaard bij God. (V. D. PALM).
Hoe weinig weet een Christen hier op aarde nog van dat volzalig leven, dat boven in de hemel ondervonden wordt! Het is waar, hij weet er veel van naar Gods woord, maar hoeveel is er, waar wij van zeggen moeten: Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen! Het is waar, hij weet er meer van, dan een wereldling, omdat deze maar een letterlijk denkbeeld en hij een bevindelijk genot van het wezen van de zaak heeft, voor zover het begin van de eeuwige vreugde in een voorsmaak van hem wel eens genoten wordt. Maar hier verborgen is en blijft het echter voor hem, wat volmaakt kennen zonder feil, volmaakt heilig zijn zonder smet, volmaakte vreugde genieten zonder ophouden zijn zal. Hoe verborgen blijft het voor hem, wat de verhemelde ziel onophoudelijk werkzaam en onafgebroken zalig zijnde, al in God zien en van God ondervinden zal, hoe hij èn in de wereld van de geesten in het gemeen en met het heilige in het bijzonder, waarmee hij hier leefde, verkeren zal! Wat een vlug en vaardig, ja een geestelijk lichaam zijn zal! Voorwaar in al deze wandelt een Christen in geloof en niet door aanschouwen. Hij ziet maar in een spiegel, in een duistere rede. Het is voor een Christen nogal veeltijds verborgen en onbekend in de bijzonderheden, wat God die doen zal, die op Hem betrouwt. Ja ik durf meer zeggen, wij hoeven tot de eeuwige dingen niet eens op te klimmen. Wat is er nog zelfs veel verborgens in het leven van een Christen hier op aarde, waar hij niet kan inzien! Neem eens, wil hij indenken, hoe het bestaan van zijn ziel in werkzaamheid gebracht wordt door de inwerking van Gods Geest, hier schemert het oog. Hij bevindt de uitwerking, maar hij begrijpt de wijze niet. Peinst hij op de krachtdadigheid van die invloed en wil hij die vereffenen met de vrijheid van een redelijk schepsel, hij verliest zijn denkenskracht. Hij wordt zachte, liefelijke, onweerstaanbare kracht gewaar, maar het is voor hem een diep geheim, hoe de springveren van zijn geest door een hogere macht aangeraakt worden. Ja, hij kan soms geen reden van zijn bestaan geven. Hoe ben ik dus? Wil hij het verband van zijn lotgevallen uitvinden, hij raakt niet zelden verward. Wil hij het vooruit inzien, hij dwaalt makkelijk en leert van achteren wel eens zien, dat Gods gedachten anders zijn, dan zijn gedachten. In één woord, daar zijn vele stukken, waarin het leven van de oprechten voor hem zelf nog verborgen is.
a) Wanneer nu de in de hemel opgenomen (Hand. 3: 21) Christus geopenbaard zal zijn, omdat Hij nu in Zijn heerlijkheid van de hemel verschijnt (1 Kor. 1: 7. 2 Thess. 1: 7; 2: 8 namelijk Christus, die ons leven is, die in u leeft en in wie weer ook u leeft (Fil. 1: 21 Gal. 2: 20), dan zult ook u, als die dan het doel van uw hemelse roeping bereikt heeft (Rom. 8: 17) met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid (1 Petr. 1: 7 v. ; 4: 13. 1 Joh. 3: 2).
Filipp. 3: 21
Bij de woorden aan het einde van vs. 2 “niet die op aarde zijn” bedoelde de apostel met “die op aarde zijn” de aardse dingen, die de goederen van de natuurlijke mens uitmaken. Nu staat een leven, dat zich in het bezit van deze dingen bevindt, in een heerlijkheid openbaar voor de wereld; de Christen daarentegen moet zich, zolang Christus voor de wereld en in God verborgen is, daarmee tevreden stellen, dat hij een leven bezit, dat wel in de volle zin van het woord leven is, maar zonder voor de wereld als datgene voor te komen wat het is (vgl. Rom. 8: 19). Dit zegt de apostel en wel in twee verschillende opzichten, als hij aan de ene kant hun leven noemt verborgen met Christus en aan de andere kant de openbaring van Christus als het tijdpunt van hun openbaring in heerlijkheid voorstelt.
Omdat het nieuwe leven van de Christenen in het nauwste verband staat met het leven van de verhoogde en verheerlijkte Verlosser, spreekt het vanzelf, dat ook hun leven zolang verborgen blijft, d. i. niet tot heerlijke openbaring op aarde komt, zolang de terugkomst van Christus nog niet heeft plaats gehad. Door “in God” wordt uitgedrukt, dat Christus zelf tot aan de terugkomst in God blijft. Daarmee worden twee zaken beweerd, zowel het verborgene van het leven van Christus in het leven van God, als ook de eenheid daarvan met God en eveneens worden van de Christenen twee zaken beweerd dat hun waarachtig leven aan de ene kant als zuiver inwendig en geestelijk in het leven van God verborgen is en dat het aan de andere kant met God op het innigst verbonden is. Zeer schoon zegt Chr. Fr. Richter van het verborgen leven van God in Christus: “Het inwendig leven van de Christen blinkt alhoewel de zon hen uitwendig verbrandt; wat de Koning van de hemel hun heeft gegeven is aan niemand bekend dan alleen aan henzelf. Wat niemand bedenkt, wat niemand vermoedt heeft hun verhelderd oog aanschouwd en hen verhoogd tot goddelijke waardigheid. ” – Dit verborgen leven kan pas dan openbaar worden, als Christus zelf op aarde in de majesteit van de Heere en van het Hoofd aller schepselen en in het bijzonder van de verhoogde Koning van Zijn gemeente te voorschijn zal treden; desalniettemin is het tot op die tijd aanwezig en de Christenen zijn zichzelf daarvan volkomen bewust.
Het leven in God: 1) een leven in het verborgene, maar niet zonder openbaar te worden; 2) een leven in zalige rust, maar niet zonder dagelijkse moeite en arbeid; 3) een leven in de hemel, maar niet zonder rijke zegen voor de aarde.
Paulus’ wonderbaar diepe uitdrukking duidt aan, dat Christus de bron van ons leven is. U heeft Hij levend gemaakt, omdat u dood was door de misdaden en de zonden. Dezelfde stem, die Lazarus uit het graf riep, heeft ons doen opstaan tot een nieuw leven. Hij is nu het leven van ons geestelijk leven. Door Zijn leven leven wij; Hij is in ons de hoop van de heerlijkheid, de drijfveer van onze daden, de hoofdgedachte, die elke andere gedachte beweegt. Christus is de onderhouder van ons leven. Waarvan kan de Christen anders leven dan van het vlees en bloed van de Heere Jezus. Dit is het brood, dat van de hemel neerdaalt, opdat de mens daarvan eet en niet sterft. U vermoeide pelgrims in de woestijn van de zonde, nooit zult u een stuk brood verkrijgen om de honger van uw ziel te verzadigen, tenzij u die in Hem vindt. Christus is de troost van ons leven. Al onze ware blijdschap komt van Hem en in tijden van beproeving is Zijn nabijheid onze vertroosting. Hij alleen is waardig, dat wij voor Hem leven en Zijn goedertierenheid is beter dan het leven. Christus is het doel van ons leven. Zoals het schip zich naar de haven spoedt, zo haast de gelovige zich om tot de haven van de boezem van zijn Verlosser te komen. Zoals de pijl vliegt naar het wit, zo vliegt de Christen naar de volkomen gemeenschap met Christus Jezus. Zoals de krijgsknecht voor Zijn bevelhebber strijdt en gekroond wordt door de overwinning van zijn veldheer, zo strijdt de gelovige voor Christus en ontvangt Zijn erepalmen uit die van zijn Meester. Voor hem is het leven Christus, Christus is het voorbeeld van ons leven. Overal waar hetzelfde inwendige leven is, zal en moet ook in grote mate dezelfde ontwikkeling uitwendig zijn; en als wij in nauwe gemeenschap met de Heere Jezus leven, zullen wij Hem gelijkvormig worden. Wij willen Hem voor ons stellen als ons goddelijk voorbeeld en trachten in Zijn voetstappen te wandelen, totdat Hij de kroon van ons leven en heerlijkheid wordt. O, hoe veilig, hoe heerlijk, hoe zalig is de Christen, omdat Christus ons leven is!
Pas hoorden wij hem over de wondere levensaanvang en de doorgaande levensinrichting, nu over de verborgen levensglans en de blijde levenshoop van de Christen, die met Christus voor het nieuwe leven is opgewekt. Want u bent gestorven, zo dringt hij zijn vorige opwekking aan, natuurlijk in geestelijk opzicht en uw leven is met Christus verborgen in God. Uw hoogst, waarachtig, zalig leven, wil hij zeggen, waaraan u door gemeenschap met de opgewekte Christus deel heeft, het treedt hier beneden nog niet in volle glans aan het licht. Evenals en met de verheerlijkte Heere is het nu nog verborgen, een leven in God, omdat het, hoezeer ook naar buiten te voorschijn tredend, echter wortelt en groeit op het gebied van een onzichtbare wereld. Uw leven, u heeft het. Ja, maar wat u eraan heeft in al de kracht van het woord, het is nog bedekt voor anderen, ten dele zelfs voor uw eigen blikken. In één woord, het is nog niet geopenbaard, wie wij zijn en wat wij zijn zullen. Diepzinnig denkbeeld, voorwaar onverstaanbaar zelfs voor de ongelovige wereld, die in onze tijd van openbaarheid in alles vaak niet weinig verlegen zou staan, als zij de vraag beantwoorden moest: verhaal mij de innerlijke levensgeschiedenis van de verborgen mens van uw hart. En toch wat Christen beseft niet, welke hoge, heilige waarheid hier door de apostel uitgesproken en later door de Christendichter (C. F. Richter) op deze manier vertolkt is: Hoe schittert des Christenen innerlijk leven, Ofschoon hen van buiten de zonnenbrand schendt, Wat hun door hen Heer van omhoog is gegeven Is niemand behalve hun zelf bekend. Zij staan in het lijden en zijn toch de blijden; Zij schijnen gestorven van de vreugd van de zinnen En leiden toch het zaligste leven daar binnen.
Ja echt zo is het, het kan niet anders het moet ook niet anders en verwonderen kan het ons niet, dat uit die hoofde ons niet dat juist het beste in de Christen in de regel het minst van allen begrepen wordt. De wereld kent ons niet, schrijft Johannes, omdat zij Hem niet kent. Toch lijdt het geen twijfel, of ook deze wolk zal verdwijnen, wanneer eenmaal de zon in volle heerlijkheid opgaat. Wanneer nu Christus wordt geopenbaard, die ons leven is, schrijft de apostel, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Die ons leven is; weer een van die kernvolle uitspraken, die onvermijdelijk bij elke omschrijving verliezen. Stel ervoor in de plaats: die de bron, de kracht, de steun, de hoop van ons leven is, u heeft zeker iets, maar lang niet alles gezegd. Niet Zijn woord alleen, niet de Geest zelfs, Christus zelf is het leven van het nu nog verborgen leven van de Zijnen en – Hij moet nu nog geopenbaard worden, meer dan van te voren. Eens zal Hij aan het einde van de eeuwen in volle koningsglans blinken en nu, niet eerder worden de Zijnen met en in Hem geopenbaard in al de heerlijkheid van het hun inwonend geestelijk leven. Nu, niet eer weer, wordt het openbaar wie zij eigenlijk waren, deze miskende en verafschuwde Christenen; tegelijk met het zegevierend Hoofd treden al Zijn levende leden als uit hun duister te voorschijn; de hemelroos van de voltallige zaligen ontplooit haar laatste blad en praalt in volle heerlijkheid voor mensen en engelen ogen. Nu blijkt het, wat eigenlijk het leven was van een Paulus; de martelkroon is er voor Stefanus herschapen in een lichtdiadeem en uit de draden van de rokken, door Tabitha voor de armen gesponnen, is haar hemels feestkleed geweven. Hoe menig discipel van Christus, die wij hier gekend of – niet gekend hebben met zijn hart vol geloof en liefde, maar in onaanzienlijk gewaad, in een misvormde gestalte, in een omgeving, waardoor hij van alle kanten bedrukt en bekneld werd hier beneden, is de kostbaarste nardus niet altijd bewaard in een vaas van edel albast. Maar daar, zie, de harmonie is hersteld tussen het leven en zijn verschijningsvorm. De heerlijkheid van Christus, zij straalt niet slechts af van de Zijnen, zij stroomt ook op hun beurt van hen uit en in al de parels van zijn kroon weerspiegelt zich de glans van de Koning. O, als ons in een heilig uur reeds de levendige voorstelling van dat verschiet kan verrukken, wat zal het zijn als het heimwee van de kinderen van God ten volle bevredigd en deze werkelijkheid voor eeuwig gekomen zal zijn? Zalig wie haar tegengaat met het lied van een vroeg gestorven dichter in het hart: Met Christus is mijn leven verborgen bij God, O ijdel werelds streven, O nietig aards genot. ‘k Houd oog en hart geheven, waarheen mijn zuchten zweven, Naar Christus, naar mijn leven, verborgen bij mijn God. Mijn lieven en mijn leven, mijn wensen en genot, Mijn strijden en mijn streven, mijn lijden en mijn lot, ‘k Heb alles Hem gegeven; nu word ik voortgedreven Verlangend naar mijn leven, in Christus bij mijn God.
a) Dood dan, als degenen, wie dat, wat op aarde is, niets meer aangaat (vs. 3), b) uw leden, die op de aarde zijn, om, zoals u zich ontdoet van het aardse buiten u, door het niet te zoeken, zo ook het aardse aan u te vernietigen, omdat u door de Geest de werken van het vlees doodt (Rom. 8: 13), namelijkhoererij, onreinigheid, c) schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid en de gierigheid, die is afgodendienst (Efeze. 5: 3, 5).
Efeze. 4: 22 b) Rom. 7: 5, 23 c) 1 Thess. 4: 5
Het “dood dan” sluit zich aan vs. 1-4 aan en is gevolgtrekking uit het “u bent opgewekt” en het “u bent gestorven”; het gestorven zijn heeft een leven ten gevolge, waarin nu een doden mogelijk en nodig is; nadat de Christen gestorven is, moet hij als opgewekte met de verkregen levenskracht nu zelf doden, namelijk “de leden, die op aarde zijn.”
Door deze laatste uitdrukking moet de lezer worden herinnerd aan het voorgaande “niet die of aarde zijn” (vs. 2). Daar moest wat op aarde is, niet wezen hetgeen, waarop de wil en de lust van de Christen gevestigd is; hier moet hij daarentegen terwille van de vroeger genoemde staat van zijn Christelijk leven (vs. 3 v.) tegenover zichzelf, voor zover hij op aarde is, vijandig overstaan, tegen de leden, die zijn aards, zinnelijk lichaam uitmaken en waardoor het zondige leven bedreven wordt, daarom tegen het zondige lichaam van het vlees, waarvan in Hoofdstuk 2: 11 sprake was.
De leden worden gedood, zodra het leven, dat in hen woont, dat ze doordringt, vernietigd wordt (Matth. 5: 29 v. Gal. 5: 24). Terwijl nu de apostel spreekt van leden, die op aarde zijn, stelt hij ze voor als door aardse, vleselijke begeerlijkheden doordrongen, als overgegeven aan de dienst van de onreinheid (Rom. 6: 19) en door de wet van de zonde beheerst (Rom. 7: 23), en juist dit leven in de leden is het, dat moet worden gedood en vernietigd, zoals ook wordt te kennen gegeven in de volgende uitdrukkingen “hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid. ” Deze woorden moeten niet worden gehouden voor een zuivere opeenhoping, maar elk van die voegt er een nieuw moment aan toe, dat nog niet door het voorgaande was genoemd.
“Hoererij” geeft te kennen het voldoen op natuurlijke manier van de geslachtslust, maar buiten het huwelijk; “onreinheid” ziet op de onnatuurlijke, geheime geslachtszonde; “schandelijke beweging” op de begeerte naar wellust, verborgen branden van de begeerte (1 Thess. 4: 5); als nu nog daarvan onderscheiden wordt “kwade begeerlijkbeid” dan moet daardoor waarschijnlijk de bijzondere openbaring van die lust in een bepaald geval en voor een bepaald voorwerp (Matth. 5: 28) zijn aangewezen.
Op de zonde van wellust volgt nu nog de tweede heidense zonde van “gierigheid” of liever “de hebzucht”; de bijvoeging: “die afgodendienst is” versterkt de vroegere eis om te doden nog vooral ten opzichte van deze zonde, die als afgodendienst van geld en goed in de eerste plaats iets heidens is.
a) Om welke zonden bij het laatste oordeel (Matth. 3: 7 Rom. 2: 5) de toorn van God komt over de kinderen van de ongehoorzaamheid (Efez. 5: 6).
1 Kor. 6: 10 Gal. 5: 19 Openb. 22: 15
a) Waarin kinderen van de ongehoorzaamheid, d. i. in gemeenschap van hen als deelgenoten van hun zedelijk gedrag (Efeze. 2: 3), ook u eertijds heeft gewandeld, toen u in die zonden, die wij zo even noemden, leefde, toen u daarin uw levenselement had (Hoofdstuk 2: 20. 1 Petr. 1: 14).
1 Kor. 6: 11 Efeze. 2: 1 Tit. 3: 3
a) Maar nu u in een andere levenskring bent gekomen en dat alles bent afgestorven, legt ook u, evenals de anderen, die tot die nieuwe levenskring behoren, dit alles af, wat ik u nu zal noemen, namelijk: gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuilspreken uit uw mond (Efez. 4: 31, 29; 5: 4).
Hebr. 12: 1 Jak. 1: 21. 1 Petr. 2: 1
De apostel waarschuwt de lezers, dat zij niet in de zonden leven, waarom de toorn van God komt over hen, die het Evangelie ongehoorzaam zijn, omdat, als die om deze over degenen komt, ook zij die niet zullen ontgaan, alhoewel zij het Evangelie hebben aangenomen, als zij toch daarin willen leven. Er is zeker een tijd geweest, dat ook zij evenals degenen, die weigeren de boodschap van de zaligheid te gehoorzamen, in die zonden en verkeerdheden leefden; nu is echter hun leven anders geworden en zo is het nu tijd, om dat alles van zich te verwijderen evenals zij deden, waartoe zij nu gerekend worden. Er is nog veel, dat moet worden afgelegd; de apostel noemt evenals in Efez. 4: 31 gramschap, toornigheid, kwaadheid en lastering, waardoor hij de gezindheid te kennen geeft, de gemoedsbeweging, het vijandige jegens anderen en de uiting daarvan in woorden; maar hij blijft niet bij deze zonden van vijandschap staan, maar voegt er ook de schadelijke woorden of de onreine en vuile reden bij. De nadere bepaling, die hierbij komt “uit uw mond” moet te kennen geven, hoe ongerijmd het is, dat een Christen uit zijn mond, waarmee hij God moest prijzen, vuile woorden laat uitgaan (Efeze. 4: 29). Maar alles wat hier wordt genoemd staat tot het opgenoemde in vs. 5 in die verhouding, dat, terwijl daar alleen datgene genoemd was, wat onder het begrip valt van zondige begeerte, die de zondaar zelf beheerst, nu daarentegen datgene genoemd is, waardoor men zich bezondigt in het verkeer met anderen. Terwijl dan wordt gezegd “dood uw leden, die op aarde zijn” is hier sprake van een afleggen van dat alles.
Lieg niet tegen elkaar (Efeze. 4: 25), omdat u, voortzettende, hetgeen u reeds bij uw bekering uit de vroegere heidense toestand tot de Heere Jezus Christus heeft gedaan (Hoofdstuk 2: 11 v.), uitgedaan heeft de oude mens met zijn werken.
a) En aangedaan heeft de nieuwe mens, die op de weg van de heiligmaking (Rom. 12: 2) vernieuwd wordt tot kennis, waarvan in Hoofdstuk 1: 9; 2: 2 b) naar het evenbeeld van degenen, die hem geschapen heeft, namelijk van God (Efeze. 4: 23 v.).
Rom. 6: 4 b) Gen. 1: 26; 5: 1; 9: 6. 1 Kor. 11: 7
Waarin, in welke nieuwe toestand van het leven, die volgens het zo even gezegde bij u moet worden gevonden, geen onderscheid is, geen afzonderingen om uitwendige zaken, daarom niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar, niet-Griek, staande buiten de ontwikkelde wereld en Scyth, barbaar van de ergste soort of wilde (“1Sa 31: 10, dienstknecht en vrije, maar Christus is alles en in allen (Gal. 3: 28. 1 Kor. 12: 13 3. 28 1Co Rom. 10: 12), Hij alleen is de enige Heere (Efeze. 4: 5).
Bij de vorige vermaningen voegt Paulus nog deze: “lieg niet tegen elkaar; het verkeerde van de leugen voor de Christenen stelt Theophylactus voor met de woorden: “u heeft toch Christus aangedaan, die van Zich zegt: “Ik ben de waarheid. ” Het is dus zeker juist, dat, nadat de apostel de Kolossensen heeft vermaand om enige zonden te vermijden, hij nog op het algemene wijst, zonder hetwelk ook dat nooit, ten minste niet in Christelijke zin, kan worden volbracht, door te schrijven: “u heeft de nieuwe mens aangedaan, die vernieuwd wordt tot kennis naar het evenbeeld van degene, die hem geschapen heeft. ” Met het woord “tot kennis” wordt het deel van de vernieuwing aangegeven en wordt van die kennis gehandeld, waarvan in Hoofdstuk 2: 2 sprake was, om echter tevens de vormen aan te geven, volgens welke de vernieuwing moest geschieden, wordt verder gezegd “naar het evenbeeld van degenen, die hem geschapen heeft”. Dat Paulus bij deze uitdrukkingen zinspeelt op de scheppingsgeschiedenis, is onmiskenbaar.
Is nu het evenbeeld van God in de ziel hersteld, dan vallen de scheidsmuren onder de mensen weg. Allen staan God even na en dezelfde Heiland, die in allen alles is, verbindt hen onder elkaar.
De begrippen “Griek, Jood” doelen op de beide grondtypen in de geschiedenis van de volken, besnijdenis en voorhuid op het godsdienstig verschil, het “barbaar, Scyth” heeft betrekking op het onderscheid van de voor-Christelijke maatschappij. Al deze tegenstellingen en onderscheidingen bestaan in het Christelijk bewustzijn, of voor de kennis van het geheim van God principiëel niet meer. In de plaats van dat alles is getreden Christus als het “alles in alles. ” Alles, wat voor de Christen nog een werkelijke betekenis heeft wat zijn belangstelling nog in een hogere richting trekt, is samengevat in de persoon van Christus; en Hij, Christus, is in allen, d. i. alle individuen zijn met Hem vervuld en door Hem doordrongen (Hoofdstuk 2: 10 en 19). Hij is in de nieuwe, wedergeborene individualiteit het menselijke verenigingspunt, middelpunt en doel.
Absoluut is de eis voor elke mens Christen te worden, Christen te zijn; absoluut recht heeft de gemeenschap met Christus, maar ook alleen zij en de onderscheidingen naar nationaliteit, confessie, ontwikkeling en stand hebben tegen deze alleen relatief recht; maar dit zeker in zo verre dat absolute recht ongekrenkt blijft.
EPISTEL OP DE VIJFDE ZONDAG NA EPIFANIEN
Het Evangelie van deze dag (Matth. 13: 24 vv.) handelt over het onkruid op de akker, over de vermenging van de kinderen van God met de kinderen van Belial in de wereld; als dan de wereld een vermenging is van kinderen van God en kinderen van Belial en de vijand van de zaligheid het allerliefst onder het zaad van de Heere, onze God, zijn kinderen inzaait, dan is er voor de kinderen van God een groot gevaar. Het boze steekt aan, omdat het in alle mensen plaats kan vinden, omdat ook in de kinderen van God vatbaarheid ervoor aanwezig is. Het zuurdeeg verzuurt het zoete deeg, het goede deeg maakt het zuurdeeg niet zoet. Zo hebben ten allen tijde de kinderen van God te vrezen, dat zij door de boze verslonden worden; en welke raad, welke vermaning zal nu uit dit gevaar voor hen voortvloeien. Zonder twijfel geen andere raad, dan dat zij zich te nauwer aansluiten, om zich des te vlijtiger en ijveriger te gedragen en op de gemeenschappelijke grond van hun allerheiligst geloof elkaar te dragen en op te bouwen. Juist dat is het, waartoe de apostel in de tekst van het epistel vermaant, zodat men het verband en de zin van de beide teksten van deze zin zou kunnen samenvatten in dit woord: omdat de kerk van God midden onder de menigte van Belialskinderen door deze wereld moet gaan, moeten haar leden zich met alle ernst aan elkaar sluiten en, in getrouwe zielenzorg voor elkaar, daarnaar zoeken, dat zij ongedeerd en ongescheiden tot de poorten van het eeuwige leven komen.
Het dulden van de bozen in het midden van de goeden, waarop het Evangelie wijst, heeft zijn grond in de geduldige, lankmoedige liefde van de Verlosser, die tijd geeft tot bekering en op verbetering wacht. In zo’n geduldige en verschonende liefde openbaart zich de heerlijkheid van de Heere. In het epistel wordt deze geduldige en lankmoedige liefde jegens de naaste de Christen op het hart gedrukt en de heerlijkheid van de Heere, zoals die in de wederkerige gemeenschap van de liefde, die de Zijnen onder elkaar voeden en in de godsdienstige gemeenschap, waardoor zij elkaar stichten, haar weerklank vindt, is de toon van Epifaniën, die zich verheft. – Wat is het sieraad van Gods kinderen? 1) hartelijke liefde, 2) kostbare vrede 3) heilige oefening. Ons kindschap van God; wij beschouwen 1) de grond, waaruit het voortkomt, 2) de wijze, waarop het zich vertoont, 3) het middel, waardoor het krachtiger wordt.
Wat is een Christen 1) volgens zijn goddelijke staat, 2) volgens zijn heilig wezen, 3) volgens zijn zegenrijke invloed. (EIG. ARB.).
Het leven van de Christen een heilige godsdienst: 1) waarom het dit moet zijn; 2) wat ertoe behoort.
Uw Evangelie zij overeenkomstig uw waardigheid: 1) bent u door de Vader verkoren, heilig u dan voor Hem; 2) bent u door de Heilige Geest geheiligd, verdiep u dan in het woord; 3) bent u in Christus bemind, doe dan alles in Zijn naam!
Wanneer woont het woord van Christus overvloedig in een gemeente? Als in deze 1) de openbare godsdienst getrouw wordt waargenomen, 2) de huiselijke godsdienst veel wordt geoefend, 3) het gebruik van beide goede vruchten draagt.
Hoe kunnen al onze dagen tot ware Zondagen worden? Als wij 1) alle dagen het juiste Zondagsgewaad aandoen? 2) door ware Zondagsvrede ons laten besturen, 3) de ware Zondagsgast bij ons herbergen, 4) het ware Zondagsgesprek voeren, 5) op alle dagen de juiste Zondagswijding weten over te dragen.
Doe dan aan, om u te vermanen, dat u de nieuwe mens, waarvan ik van te voren (vs. 10 v.) tot u sprak, nog nader in het sieraad van zijn voornaamste deugden aantrekt, als uitverkorenen van God, heilige en beminden, zoals u bent (Rom. 1: 7; 8: 33. 1 Thessalonicenzen. 1: 4; 2 Thessalonicenzen. 2: 13. 1Kor. 6: 12 Efeze. 4: 12; 5: 3; 6: 18) en overeenkomstig welke eigenschap u in dat sieraad moet verkeren, de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid (vgl. Rom. 13: 14 MATTHEUS. 9: 36; 11: 29).
Leef samen, elkaar verdragend, als u met zwakheden en gebreken van uw naaste te doen heeft, a) en vergevend de een de ander, als iemand tegen iemand enige klacht heeft, hetzij die van lichter of zwaarder gewicht is; zoals Christus u vergeven heeft, doe ook u zo (Efeze. 4: 1 v. ; 32).
Mark. 11: 25
De apostel leidt deze vermaningen als gevolgtrekkingen onmiddellijk af uit de veronderstelling in vs. 9 v. genoemd, dat de Kolossensen de oude mens hadden uitgetrokken en de nieuwe aangedaan. Het blijkt namelijk hieruit vanzelf, dat zij nu ook die deugden moeten aantrekken, die met het wezen van de nieuwe mens overeenkomen.
Deze positieve vermaning is door het “die vernieuwd wordt” in vs. 10 als voortdurend geldende eis gemotiveerd; hoewel zij de nieuwe mens hebben aangetrokken, moeten zij hem toch altijd weer opnieuw opnemen. Het “als uitverkorenen van God, heilige en beminden” geeft de rechtmatigheid van de eis te kennen en het onafgebrokene van de plicht van de vervulling. Het eerste “uitverkorenen van God”, dat op een verkiezing zonder enige verdienste uit vrije genade wijst, wordt nader verklaard in de beide andere “heilige en beminden. ” Deze woorden geven te kennen, dat zij wat de staat aangaat heilig zijn, wat de verhouding betreft steeds voorwerpen van de liefde van God.
Evenals in Efez. 5: 1 v. wordt gezegd: “als geliefde kinderen wandelt in de liefde”, zo moet de herinnering van de lezers aan hun verkiezing en aan hetgeen zij als uitverkorenen zijn, dienen om de deugden, tot welke beoefening zij worden aangemaand, voor te stellen als iets, dat vanzelf spreekt. Het was barmhartigheid, dat God hen verkoos en zo is een hart van barmhartigheid vervuld, ook het eerste, dat van hen moet worden geëist. Waar nu barmhartigheid is, daar is goedertierenheid (vriendelijkheid 2 Kor. 6: 6 Gal. 5: 22 Tit. 3: 4) en deze goedertierenheid heeft ootmoedigheid bij zich; want die zelf uit barmhartigheid, goedertierenheid heeft ondervonden (Efeze. 2: 7), zal zich niet hoog verheffen tegenover anderen en in zachtmoedigheid (Efez. 4: 2) zal hij hen graag geven en dienen, in plaats van aanspraken te maken of te doen gelden; hij zal in lankmoedigheid (Rom. 9: 22) verbeiden, als het bij een ander niet is, zoals het moest wezen, in plaats van met strengheid aan te tasten of los te laten. Evenals in Efez. 4: 2 op “met lankmoedigheid” zo volgt hier op “lankmoedigheid” ook “elkaar verdragend”, om een gedrag te noemen, dat het gevolg van lankmoedigheid is. Een nadere bepaling, zoals daar is bijgevoegd, “in liefde” is hier niet nodig, waar het “vergevend de een de ander” tegelijk met een wijzen op Christus handelen ten onze opzichte onmiddellijk daarmee verbonden wordt (de apostel wil integendeel later (vs. 14) nog in het bijzonder over de liefde spreken, evenals hij in vs. 15 van de vrede spreekt, welks band volgens Efeze. 4: 3 v. de gemeente moet samenhouden tot enigheid in de geest). Evenals nu in Efeze. 4: 32 wordt gezegd: “wees jegens elkaar goedertieren, barmhartig en vervolgens met heen wijzing op Gods handelwijze jegens ons, die ons vergeven heeft in Christus, de vermaning volgde: “elkaar vergevend”, zo volgt hier, waar vooraf sprake was van een aandoen van de innerlijke bewegingen van barmhartigheid en goedertierenheid een dergelijke vermaning, met heen wijzing op de vergeving, die Christus zelf ons heeft gegeven – een verscheidenheid, die voor onze brief van belang is en die in verband staat met het op de voorgrond stellen van Christus en diens verhouding tot ons (Hoofdstuk 1: 19 v.), zoals dat met de aanleiding tot de brief in verband stond.
a) En boven dit alles, dat ik u tot hiertoe heb genoemd, doe aan als een opperkleed, dat de overige kledingstukken samenhoudt en de kleding voltooit, de liefde jegens elkaar (Hoofdstuk 1: 4. Efeze. 4: 2), die al die vele bijzondere deugden tot een eenheid verbindt en zo b) is de band van de volmaaktheid (vgl. Rom. 13: 10).
Joh. 13: 34; 15: 12 1 Joh. 3: 23; 4: 21 b) Kol. 2: 2
Het zou verwondering kunnen wekken dat de liefde, die toch het principe en de grond van de van te voren genoemde deugden is, het laatst wordt genoemd en als iets bijgevoegds voorkomt. Dit was echter nodig geworden door de voorstelling in een beeld, omdat aan de aard van de liefde, voor zover zij al die deugden principieel insluit en in zich samenvat, in het beeld van het aankleden de plaats van het opperkleed moest worden gegeven, zodat Paulus van de onderkleren (waarbij men altijd nog voor naakt werd gehouden. 1 Sam. 19: 24 Job 24: 10 Jes. 20: 2 en “Ex 12: 34 voortgaat tot het alles samenhoudende (en eerst het volle van de bekleding bewerkende) oppergewaad, welks functie aan de liefde eigen is. Zij, de liefde, is de band of het middel tot verbinding van de Christelijke volmaaktheid, want zonder haar zouden alle afzonderlijke deugden, die op zichzelf tot deze volmaaktheid behoren, zich niet aan elkaar sluiten tot het noodzakelijke harmonische geheel, waarin juist de volmaaktheid bestaat.
Alle bijzondere deugden, die de Heilige Geest in de mens werkt, zijn als kostbare parels, die echter onverbonden en los voor de ogen liggen van de beschouwer en door het afgezonderd zijn niet alleen gemakkelijker verloren gaan, maar ook niet de schone harmonische glans verkrijgen, die zij zonden hebben, als men ze samen verbond. Zij moeten tot elkaar in betrekking en het elkaar in verband worden gebracht, opdat uit die al de heilige, door God gewilde volmaaktheid ontstaat, die wij in Christus Jezus zien en van Hem uit genade moeten erven. Deze vereniging nu ligt in de liefde, die is de band, de vereniging van alle deugden, die in vs. 12 v. genoemd zijn en beproeft men de liefde van deze weg te laten, dan verkrijgt men de beschrijving van de fijnste, maar ook van de hoogste mate van zelfzucht, van een zelfzucht, die een tijd lang zeer gelijkvormig aan de deugd kan schijnen, maar toch aan de afgrond en de hel is toegewijd, zoals zij daaruit is opgekomen. Men verenigt echter al die genoemde deugden aan de broederlijke liefde, evenals aan een band, dan verkrijgt men de beschrijving van de edelste volkomenheid. Barmhartigheid uit broederlijke liefde, goedertierenheid in broederlijke liefde, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid in broederlijke liefde, elkaar verdragen en opbouwen, wederkerig vergeven en ten goede houden uit broederlijke liefde, dat geeft inderdaad een verbinding, een band, een diadeem, een kroon van kleinoden en parels, waarboven men kan schrijven: “volmaaktheid”, Christelijke volmaaktheid, schoonste mate van deugd; en men zou alleen bedroefd kunnen worden, omdat de liefde, de band van alle deugden tot volkomenheid, vaak zozeer ontbreekt, en dan de ene heilige deugd vanwege de andere in zo grote nood komt, ja zelfs schipbreuk lijdt.
En de vrede van God (volgens betere lezing van de grondtekst: de vrede van Christus, Joh. 14: 27) heerst in uw harten, terwijl u zich bepaald door deze bij al uw spreken en handelen laat leiden, tot welke vrede u ook geroepen bent. Zo is mijn mening, dat u deze in uw hartenmoet laten heersen, geheel overeenkomstig met hetgeen volgens Gods genadig welbehagen bij in het geval moet zijn. U bent daartoe geroepen als degenen, die door de één Geest, die zij krijgen (1 Kor. 12: 13), tezamen leden zijn in een lichaam (Efeze. 4: 3 v.); en wees dankbaar voor die genade, u bewezen (Hoofdstuk 2: 7).
De apostel zegt hier wat de Christenen nodig hebben, opdat daaruit de liefde en alle deugden voortspruiten: de vrede van Christus moet hun harten vervullen en regeren. Daarmee is bedoeld de volle bevrediging van de ziel, die rust op de zekerheid, dat men in Christus een verzoende God en Vader heeft; deze nu moet regelend en leidend in de harten van de lezers gebied voeren. Als daarom de broederlijke liefde vermaant tot verzoening, maar de oude natuurlijke mens wil niet toegeven en verlangt wraak, dan moet de vrede van Christus in ons de strijd ten einde brengen en de liefde doen zegevieren. Het bezitten van deze zielenvrede is ook het eerste doel, waartoe God de Christenen uit de wereld tot Zijn rijk heeft geroepen (MATTHEUS. 11: 29), en wel hen geroepen heeft in één lichaam, zodat zij in één lichaam als de leden daarvan zijn. De vrede van Christus is dus niet alleen iets individueels en persoonlijks, maar tevens iets, dat het eigendom van de gehele gemeente is geworden en waaraan de bijzondere leden deel hebben, omdat zij behoren tot het lichaam, waarvan Christus het Hoofd is, zodat ook de leden onder elkaar verbonden en eensgezind moeten zijn volgens Jezus Christus (Rom. 15: 5). Nu is de roeping, evenals de overbrenging in de gemeente van Christus en het daarmee verbonden ontvangen van dan vrede een weldaad, die niet alleen verplicht tot goedertierenheid jegens de broeders, maar ook tot levendige betoning van oprechte dank, waarom de apostel er bijvoegt: “en wees dankbaar.”
Het woord van Christus, dit middel van de genade tot opwekking en bevordering van het Christelijk geloofs- en gemeenteleven, waarvan ik hier van te voren gesproken heb, woont rijkelijk in u, terwijl u het tot onderlinge lering, vermaning en opbouwing (Fil. 2: 1) aanwendt en dit in alle wijsheid, zoals wij, de dienaars en verkondigers van dit woord, het zo gebruiken (Hoofdstuk 1: 28). Leer en vermaan elkaar (vs. 13), niet alleen bij uw godsdienstige bijeenkomsten, maar ook in het dagelijks verkeer, met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, zingend, ook daar, waar u alleen bent, om uzelf te stichten en uit de volheid van Christus genade voor genade te verkrijgen (Joh. 1: 16. 2 Petrus 3: 18), de Heere met aangenaamheid in uw hart (Efez. 5: 19. 1 Kor. 14: 28).
De apostel wil nu niet verder afzonderlijke deugden optellen, maar de Kolossensen ten opzichte van al het overige op het woord van Christus wijzen.
Dit woord van Christus moeten de Christenen als de bron van hun geloof, als het voedsel van hun liefde, als de bewaarder van hun vrede, als de opwekker tot ware dankbaarheid onder hen, in hun gemeente doen wonen; zij moeten het als een dagelijkse huisgenoot in hun midden een plaats geven en recht in huis laten bezitten.
Het woord van Christus is het woord, dat Christus heeft gesproken, hetzij indirect door Zijn heilige profeten in het Oude Testament, hetzij onmiddellijk bij Zijn omwandelen op aarde (en omdat dit woord naar zijn werkelijke inhoud een getuigenis van Hem zelf is, zo is het tevens het woord, dat van Hem spreekt, Hem verkondigt, 1 Kor. 1: 6). De apostolische gemeenten lazen in haar vergaderingen zonder twijfel het indirecte woord van Christus in het Oude Testament; Zijn onmiddellijk woord werd hun of door de apostelen (en Evangelisten vgl. bij Hoofdstuk 4: 17) verteld, of in de gaandeweg meer wordende Evangeliën en epistelen gelezen. Dat moest ook zijn; daarom zegt Paulus: “het woord van Christus woont rijkelijk in u.”
Omdat de apostel snel hierop ook van geestelijke liederen spreekt, kan men ook dat, wat uit de bron van de woorden van Christus, onder de leiding van de Geest in alle waarheid, nuttigs is uitgevloeid, tot het woord van Christus rekenen.
Rijkelijk of met grote overvloed moeten zij het onder zich laten wonen, dus niet karig, of nu en dan eens, zoals dat het toeval bestuurt, maar met grote ijver.
“In alle wijsheid” voegt Paulus erbij; want velen misbruiken het woord van Christus, of gaan er verkeerd mee om.
Zeer gepast sluit zich aan de vermelding van het woord van Christus die aan van de psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, want deze groeien uit het woord van God en Christus op en maken het op bijzondere manier levendig en werkzaam. Het Christelijke lied is zelf een prediking van het woord van God en heeft zijn waarde juist daarin, dat het dit is.
Bij de heidenen was het onderlinge leven een school van alle ongerechtigheden, hun gesprekken op de markt en de straten, in de huizen en de gastmalen legden er getuigenis van af, wat een verschrikkelijke onreinheid in het zedelijk leven was ingedrongen. Bij de Christenen moet het onderling verkeer een school van alle deugden zijn en dat kan het worden, als zij elkaar met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zo leren en vermanen, dat zij tot geloofsversterking en tot opwekking van de liefde dit en dat vers uit hun liederenschat elkaar toespreken, de inhoud van dit en dat geestelijk lied voor elkaar ontwikkelen en uitleggen en evenals dat bij de Hernhutters in de zogenaamde zang-stonden plaats vindt, bij gemeenschappelijke samenkomst en door afwisselend koorgezang elkaar op grond van de heilrijke leer tot een oprechte, blijde, ijverige wandel in de godzaligheid opbouwen.
Naardien de Heilige Geest wist, hoe slecht het menselijk geslacht zich tot deugd laat leiden en hoe wij daarentegen geneigd zijn tot zodanige dingen, die voor de natuur bekoorlijk zijn: wat moest Hij doen? Hij heeft de liefelijkheid van het gezang vermeerderd door heilrijke lessen! Juist naar de manier van de verstandige artsen, die, om de onwillige mens een bittere artsenij te leren drinken, vaak de rand van de beker met honing bestrijken, zo komt ook de melodie van de psalmen in ons gemoed, opdat daardoor jonge mensen naar hun mening wel alleen maar zingen, maar in waarheid een zeer juiste onderrichting voor hun ziel verkrijgen.
O Heere! wat heb ik geweend over uw psalmen en lofzangen, toen ik zo innig bewogen werd over de aangename stem van uw heilige gemeente! Deze stemmen zijn in mijn oren gedrongen en uw waarheid drupte in mijn hart en door deze uw waarheid ben ik verwarmd en is in mij een godzalig gevoel verwekt, zodat mij de tranen in menigte ontvloeiden en het was mij te midden van die tranen zo goed.
Na het zingen met de mond tot lering en vermaning, dat bij afwisseling moet geschieden, plaatst de apostel als een tweede punt van het leven van de godzaligheid door het rijkelijk inwonen van het woord van Christus, het stille zingen van het hart, dat ieder voor zich in zijn binnenste Gode moet wijden, d. i. het prijzen van God in stilte tot stichting van de inwendige mens.
De vrede van Christus, die in het hart woont (vs. 15) werkt ook in het hart het zingen voor de Heere en dit onderhoudt en vermeerdert weer het eerste.
En al wat u doet met woorden of met werken, doe het alles in de naam van de Heere Jezus (vgl. Joh. 14: 13 v. ; 16: 23 v.), a) God de Vader dankend (Rom. 15: 6. 1 Kor. 15: 24 15. 6 1Co)door Hem (Efez. 5: 20. 1 Kor. 10: 31. 1 Petrus 4: 11).
1 Thessalonicenzen. 5: 18
In een vermaning tenslotte spreekt Paulus nog over het gebed van het Christelijk leven. Alles, wat de Christen moet betonen, kan worden samengevat in dat woord: “in de naam van Christus.”
Naar Hem smaakt, naar Hem geurt, naar Hem klinkt uw gehele leven!
De werken van de Christen hebben geen namen, geen vaste tijden en plaatsen. Daarom noemt Paulus hier geen afzonderlijk werk, maar vat ze allen als met een greep samen en maakt ze allen goed. Hetzij eten, drinken, slapen, waken, gaan, staan, spreken, zwijgen, werken, rusten, het is alles goed en kostelijk, omdat het alles geschiedt in de naam van Jezus, wanneer wij met vast geloof aannemen, dat Christus in ons is en wij in Hem, zodat wij rusten en Hij in ons leeft en werkt. Een Christen moet niets doen met eigen kracht of goeddunken, maar overtuigd zijn dat God met hem en door hem werkt. Daaruit kan dan verder voortvloeien, dat men God lof en dank toebrengt, wie alleen van alle goeds de roem en de eer toekomt. Maar wie uit eigen kracht iets doet, al prijst hij God ook met de lippen, liegt toch en is niet waarachtig, evenmin als de huichelaar in het Evangelie. De dankbaarheid is het offer en het enige werk, dat wij kunnen en moeten doen voor God. En dit toch nog niet door onszelf, maar door onze Middelaar Jezus, zonder wie niemand tot de Vader komt, of toegelaten worden kan.
Het zegt in de eerste plaats geen zaken te doen, dan volgens de wil en het bevel van de Heiland. Het bestaan van een echten Christen moet dit zijn, niet meer voor zichzelf te leven, maar voor die, die voor Hem gestorven is en opgewekt, naar 2 Kor. 5: 15 Zal dat plaats hebben, dan moet noch onze eigen genegenheid, noch de drang van mensen, maar de wil en het welbehagen van Christus de bewegende en aandrijvende oorzaak zijn, waardoor wij ons laten besturen. Zonder dit doen wij geen zaak van plicht recht in het geloof en dus ook niet in Jezus naam, maar in onze naam, op eigen gezag, of in de naam van de mensen, dat is, door aandrijving en bevel van de mensen. Alles te doen in Jezus naam, zal te kennen geven, alles wat wij aanvatten, te beginnen met een aanroeping en erkentenis van Jezus naam, Hem in het oog houdend, als die grote Zaligmaker, door wie alleen onze personen en zo ook onze daden en verrichtingen aangenaam bij God kunnen zijn. Ook dan, wanneer een Christen de beste en loffelijkste daden verrichten zal, moet Paulus’ gezindheid steeds de zijne zijn, namelijk, om ook in deze gevonden, dat is aangezien en gerekend te worden in Christus, niet hebbende zijn eigen gerechtigheid, maar die gerechtigheid, die uit God is door het geloof. Zo bidt men, bijvoorbeeld, in Zijn naam, wanneer men niet alleen op Zijn last en bevel bidt, maar ook steunende op Zijn gerechtigheid en voorbidding, tot de Vader gaat door Hem. Alles in Jezus naam te doen, zal ten derde uitdrukken, op de kracht en hulp van Jezus tot bekwaam maken, te zien en van Hem deze alleen te verwachten, met een nederig, afhankelijk bestaan en een volstrekte verloochening van alle eigen kunnen. Zo zei David eens tot Goliath, dat hij tot hem ten strijde kwam in de naam van de Gods van Israël; en de Messias, dat het was in ‘s Heren naam, dat Hij de vijanden had uitgehouwen. Een Christen, die zo handelt, vertrouwt niet op boog en spies; hij weet dat zijn eigen arm hem geen heil beschikken kan; hij heeft een indruk van Jezus’ woord: zonder Mij kunt u niets doen; en zegt hij al eens gelovig: in God zullen wij kloeke daden doen, het is alleen met uitzicht op die Held, bij wie hij weet dat de Heere hulp besteld heeft. Om kort te zijn, alles te doen in de naam van de Heere Jezus, zegt ook in alles, wat men doet, de eer en heerlijkheid van Jezus te beogen. In die zin wordt meermaal van Jezus naam, om Zijn roem en heerlijkheid uit te drukken, gewaagd en wanneer gezegd wordt, dat alle knieën zich in Zijn naam buigen zullen, is het zeker te zeggen dat de heerlijkheid van de verhoogde Messias door allen erkend zou worden. Zo doet dan ook een Christen alles in Jezus naam, wanneer bij en onder zijn verrichtingen dit zijn eerste en voornaamste doelwit is, dat de naam van onze Heere Jezus in en door Hem wordt groot gemaakt; en het zijn doel is, dat ‘s Heilands macht, wijsheid, alvoldoendeheid, trouw en genade allerwegen openlijk mogen geroemd en geprezen worden.
Zodanig handelen in de naam van Jezus moet steeds met dankzegging vergezeld gaan, waarmee de apostel voortgaat: “dankende God en de Vader door Hem. ” In Christus heeft God ons een onuitputtelijke rijkdom van genade laten toevloeien; want genade hebben wij toch onder alle omstandigheden ontvangen, zoals Augustinus zegt: Zij het onder Zijn weldaden, zij het onder Zijn slagen, loof Hem, die u liefkoost door gaven, opdat u niet afvalt, of die u, de ontglipte aangrijpt, opdat u niet te gronde gaat! ” Wij moeten de rijkdom van deze genade kennen, en ons door die kennis laten leiden, om van onze kant geheel ons leven in woord en daad als een offer van dank tot God de Vader te laten opstijgen; en wel moet onze dank door Hem, door onze Middelaar Jezus Christus tot God komen, omdat toch alleen door de verdienste van Jezus Christus de offeranden van onze dank voor God aangenaam kunnen zijn.
II. Vs. 18KruisverwijzingenEfeze 5:22→1 Petrus 3:1→1 Korinthe 11:3→1 Timotheüs 2:12→Titus 2:4→Esther 1:20→Genesis 3:16→1 Korinthe 14:34→
— Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere.
-Hoofdstuk 4:6. In Efeze. 5: 21 werd aan de eis, die wij aan het einde van de vorige afdeling hebben gelezen, de nadere verbonden: elkaar onderdanig zijnde in de vrees van God. Hierop liet vervolgens de apostel zijn onderrichtingen volgen over de rechte verstandhouding en betrekking tussen de vrouwen en haar mannen, de kinderen en hun vaders, de knechten en hun heren. Hier volgt daarentegen de huisregel, of de vermaning, die betrekking heeft op de verhouding van de bij elkaar behorende leden van het huis tot elkaar zonder dat tussenvers. Daarentegen is de inhoud kort en pregnant voorgehouden. De uitvoerige onderrichting over de verhouding van man en vrouw is achterwege gelaten, terwijl daarentegen de knechten de meer omstandige aanwijzing, hoe zij zich in hun stand moeten gedragen, evenals daar verkrijgen (vs. 18-Hoofdstuk 4: 1). Hierop volgen nog vermaningen tot gebed en waakzaamheid, alsook tot voorbede voor hem, de apostel, waarbij ook gedacht wordt aan de nog ongelovige, aan de ene kant tot het kwade verleidend, aan de andere kant het goede tegenstrevende wereld (vs. 2-4). Op dit gebied blijft vervolgens ook de vermaning, die het geheel besluit, een vermaning tot een wijs handelen tegenover degenen, die buiten zijn en tot een spreken met zout besprengd, omdat het zoeken moet zijn de nog ongelovige wereld te winnen, of ten minste haar tegenspraak te doen verstommen. (vs. 5 en 6).
a) Vrouwen, wees uw eigen mannen onderdanig, zoals het betaamt in de Heere (Efez. 5: 22-24. 1 Petrus 3: 1-6).
Gen. 3: 16. 1 Kor. 14: 34
Mannen, heb uw vrouw lief en wordt niet verbitterd tegen haar (Efez. 5: 25-33. 1 Petrus 3: 7).
Dat de vrouwen onderdanig zijn aan haar mannen is zoals het bijgevoegde “zoals het betaamt”, door de echtelijke staat zelf reeds geëist. Maar Christelijke vrouwen moeten het doen “in de Heere”, om daardoor te bevestigen, dat zij de Heere toebehoren. Dit toch brengt mee, dat zij datgene doen, wat volgens de zedelijke aard van deze natuurlijke gemeenschap goed is. Moeten de vrouwen haar mannen onderdanig zijn, aan de andere kant moeten de mannen liefdevol zijn jegens hun vrouwen en niet verbitterd of toornig.
Dat Paulus hierin in het bijzonder waarschuwt, heeft niet zozeer zijn reden in bijzondere toestanden van de gemeente te Kolosse als wel daarin, dat de man als het hoofd van de vrouw, aan wie deze onderdanig moet zijn, met name bij het meer nederige standpunt, dat de vrouw in de oude tijd innam, gemakkelijk tot hardheid en bitterheid jegens haar kon worden verleid, als zij zich niet in ieder opzicht aan zijn wil onderwierp.
Bitterheid sluipt het eerst binnen bij de nauwste verbintenissen, als wij de zwakheden van de ander ontdekken, of waar men zich makkelijk overijlt. De man kan daartoe worden verleid, als de vrouw zijn wensen niet bevredigt.
Kinderen, wees uw ouders gehoorzaam in alles, want dat is de Heere welbehaaglijk (Efeze. 6: 1-3).
Vaders, terg uw kinderen niet door onbillijke eisen, spottende berispingen, of in het algemeen enige verlagende behandeling, opdat zij niet moedeloos, niet ontstemd, verdrietig of angstig worden (Efeze. 6: 4).
Dat de apostel over de gehoorzaamheid, door kinderen aan de ouders te betonen, niet nader over dergelijke gevallen spreekt, waarin een niet volgen van de kant van de kinderen door een hogere plicht geboden is, heeft daarin zijn grond, dat hij alleen de fundamentele artikelen ten opzichte van de juiste verhouding in de verschillende huiselijke omstandigheden met weinige, krachtige trekken wil aangeven. Als zodanig moet echter altijd de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van de kinderen aan de ouders genoemd worden, zoals dat ook de woorden “dat is de Heere welbehaaglijk” moeten uitdrukken en zodanig bewustzijn van de gehoorzaamheid van Christus moet nu voor de kinderen de drang zijn tot betonen van die gehoorzaamheid.
Als Paulus vervolgens tot de vaders zegt: “terg uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden”, dan is dat gezegd tegen hen, die hun kinderen met hardheid opvoeden. Het gevolg daarvan is, dat het gemoed van de kinderen, omdat het nog teder is, geheel in vrees en angst komt, en uit haat tegen hun ouders komt het voort, dat zij ontlopen en doen, wat zij anders nooit zouden hebben gedaan.
Door onrechtvaardige of al te strenge behandeling, die het kind moet ondergaan, zonder aan het beledigd rechtsgevoel voldoening te kunnen geven, vervalt het in een moedeloze, verdrietelijke en dus onzedelijke stemming, een wanhoop, die alle zedelijke wilskracht verlamt. Treffend zegt Bengel: “Een gebroken gemoed is vernietiging van de jeugd.”
a) Dienstknechten, wees in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten, als mensenbehagers, als degenen, die zich alleen ten doel stellen, mensengunst te verwerven, maar in plaats van met de ogen te dienen, met eenvoudigheid van het harten. Als deze aanwezig is, dan doet men zich voor zoals men is en zoekt men niet de onzuivere verkeerde gezindheid te verbergen achter een gezochte schone schijn (1 Kron. 29: 17). En die eenvoudigheid moet zijn vrezende God; men moet niet zoeken mensen te behagen, maar bij al wat men doet, bedenken, dat de Heere te vrezen is (2 Kor. 5: 11).
Efez. 6: 5. 1 Tim. 6: 1 1 Petrus 2: 18
En al wat u in uw dienstwerk doet, doe dat van harte, niet als gedwongen en met tegenzin, maar bereidwillig en met vreugde. Doe het als de Heere, voor wiens aangezicht u wandelt en niet de mensen, die voor uw oog geheel op de achtergrond moeten treden.
De mensen moeten geheel en al als uw meesters op de achtergrond treden en de hemelse Heer u voor ogen staan, wetend, dat u van de Heere zult ontvangen de vergelding van de erfenis, de vergelding voor uw trouwe diensten in de hemelse erfenis, die Hij u zal toedelen (1 Petrus 1: 4 vv. MATTHEUS. 25: 31), terwijl u toch van de mensen geen erfenis krijgt (Gen. 21: 16). Doe daarom, zoals ik u gezegd heb, alles als de Heere; want u dient de Heere Christus, u staat, omdat u toch slaven bent, werkelijk tot Hem en niet tot mensen, in die betrekking.
U dient de Heere Christus, bekleed u dan een eervolle plaats, om het even of u in hoogheid gezeten of in de schaduw geplaatst bent, Hem kan men in elke levenskring dienen en zelfs de aartsengel kent geen hoger eer, dan Hem op Zijn wenk te gehoorzamen. U verricht een heilige taak, binnen juiste grenzen beperkt; die Christus dient, heeft niet allereerst te bedenken wat mensen behagen, of wat eigen zin en lusten kan strelen, maar, wat wil de Heere dat ik doen zal. U strijdt een zware strijd, want de Christus van God onverdeeld, blijmoedig, standvastig te dienen, het zal geen enkele dag begonnen, veelmin voleind kunnen worden, zonder dat de vijand daarbuiten en de vijand hier binnen zich daartegen met alle krachten verzetten. Maar dient u niettemin de Heere Christus. dan vind u ook een vaste steun in het woord en de nabijheid van Hem, die nog nooit de Zijnen op de aan vertrouwde post aan eigen hulpeloosheid heeft overgelaten en hen niet slechts uitzendt, maar onzichtbaar zelf meegaat om hun zwakheid te sterken. U dient de Heere Christus, maar u wacht dan ook een onvergankelijk loon, zo echt Hijzelf heeft gezegd: als iemand Mij dient, de Vader zal Hem eren. De wereld is als Laban, die in zijn baatzucht ook de ijverigste Jakob het loon wel tienmaal verandert en hem eindelijk in het verderf zou doen komen, had God het niet genadig verhinderd; de Christus herhaalt tot de Zijnen, wat God tot Abraham zei: “Ik ben uw schild, uw loon zeer groot. ” Reeds aan de werken in Zijn dienst is een beloning verbonden, groter dan de arme aarde kan geven en in het land van de volmaakte vrijheid zal allerminst worden gevraagd, of men hier op de lange ladder van de dienende geesten een hoger of lager sport heeft betreden, maar alleen of men echt op de ladder geweest is, dan wel – dromend aan haar voet heeft geslapen, als niet erger dan dit. Die hier in het weinige getrouw was, wordt daarboven over het vele gezet en onder de kroondragers in het hemels Jeruzalem zijn er zeker, die zich hier weleens tot een hele of halve slavendienst neerbukten, waarvan zich de wereld, als maar immer doenlijk, verschoonde.
Maar die en dat is de andere kant van de waarheid, zo-even uitgesproken, onrecht doet door opzettelijke schade, die hij zijn lichamelijke Heere veroorzaakt (Filemon 1: 18), die zal van de Heere bij Zijn gericht door Zijn straffende vergelding het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft (2 Petrus 2: 13); en als u zou menen, dat hij u, de uitverkorenen van God, Zijn heilige en beminden (vs. 12) een onrecht, uw heidense meesters aangedaan, niet zwaar zal aanrekenen, dan bedriegt u zich, want er is bij God geen aanneming van de persoon (Efeze. 6: 5-8).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel