Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
GedenkH2142, HEEREH3068, watH4100 ons geschied is, aanschouwH5027 het, en zieH7200 onzen smaadH2781 aan.
Gedenk, HEERE, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onzen smaad aan.
KJV
Remember,1
O LORD,2
what is come upon us: consider,6
and behold7
our reproach.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ons erfdeelH5159 is tot de vreemdelingenH2114 gewendH2015, onze huizenH1004 tot de uitlandersH5237.
Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de uitlanders.
KJV
Our inheritance1
is turned2
to strangers,3
our houses4
to aliens.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Wij zijn wezen zonderH369 vaderH1, onze moedersH517 zijn als de weduwenH490.
Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.
KJV
We are orphans1
and fatherless,3
our mothers5
are as widows.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Ons waterH4325 moeten wij voor geldH3701 drinkenH8354; ons houtH6086 komtH935 ons op prijsH4242 te staanH935.
Ons water moeten wij voor geld drinken; ons hout komt ons op prijs te staan.
KJV
We have drunken3
our water1
for money;2
our wood4
is sold6
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Wij lijden vervolgingH7291 opH5921 onze halzenH6677; zijn wij woede, men laat ons geenH3808 rustH5117.
Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij woede, men laat ons geen rust.
Ook in dit vers
moedeH3021
KJV
Our necks2
are under persecution:3
we labour,4
and have no rest.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Wij hebben den EgyptenaarH4714 de handH3027 gegevenH5414, en den AssyrierH804, om met broodH3899 verzadigdH7646 te worden.
Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven, en den Assyrier, om met brood verzadigd te worden.
KJV
We have given2
the hand3
to the Egyptians,1
and to the Assyrians,4
to be satisfied5
with bread.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Onze vadersH1 hebben gezondigdH2398, en zijn nietH369 meer, en wij dragenH5445 hun ongerechtighedenH5771.
Onze vaders hebben gezondigd, en zijn niet meer, en wij dragen hun ongerechtigheden.
KJV
Our fathers1
have sinned,2
and are not;3
and we have borne6
their iniquities.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
KnechtenH5650 heersenH4910 over ons; er is niemandH369, die ons uit hun handH3027 rukkeH6561.
Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.
KJV
Servants1
have ruled2
over us: there is none that doth deliver4
us out of their hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Wij moeten ons broodH3899 met gevaar onzes levensH5315 halenH935, vanwegeH6440 het zwaardH2719 der woestijnH4057.
Wij moeten ons brood met gevaar onzes levens halen, vanwege het zwaard der woestijn.
KJV
We gat2
our bread3
with the peril of our lives1
because4
of the sword5
of the wilderness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Onze huidH5785 is zwartH3648 geworden gelijk een ovenH8574, vanwegeH6440 den geweldigen stormH2152 des hongersH7458.
Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege den geweldigen storm des hongers.
KJV
Our skin1
was black3
like an oven2
because4
of the terrible5
famine.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Zij hebben de vrouwenH802 te SionH6726 verkrachtH6031, en de jonge dochtersH1330 in de stedenH5892 van JudaH3063.
Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda.
KJV
They ravished3
the women1
in Zion,2
and the maids4
in the cities5
of Judah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
De vorstenH8269 zijn door hunlieder handH3027 opgehangenH8518; de aangezichtenH6440 der oudenH2205 zijn nietH3808 geeerdH1921 geweest.
De vorsten zijn door hunlieder hand opgehangen; de aangezichten der ouden zijn niet geeerd geweest.
KJV
Princes1
are hanged up3
by their hand:2
the faces4
of elders5
were not honoured.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Zij hebben de jongelingenH970 weggenomenH5375, om te malenH2911, en de jongensH5288 struikelenH3782 onder het houtH6086.
Zij hebben de jongelingen weggenomen, om te malen, en de jongens struikelen onder het hout.
KJV
They took3
the young men1
to grind,2
and the children4
fell6
under the wood.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
De oudenH2205 houdenH7673 op van de poortH8179, de jongelingenH970 van hun snarenspelH5058.
De ouden houden op van de poort, de jongelingen van hun snarenspel.
KJV
The elders1
have ceased3
from the gate,2
the young men4
from their musick.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
De vreugdeH4885 onzes hartenH3820 houdtH7673 op, onze reiH4234 is in treurigheidH60 veranderdH2015.
De vreugde onzes harten houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd.
KJV
The joy2
of our heart3
is ceased;1
our dance6
is turned4
into mourning.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
De kroonH5850 onzes hoofdsH7218 is afgevallenH5307; o weeH188 nu onzer, datH3588 wij zo gezondigdH2398 hebben!
De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben!
KJV
The crown2
is fallen1
from our head:3
woe4
unto us, that we have sinned!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Daarom is ons hartH3820 matH1739, om deze dingen zijn onze ogenH5869 duisterH2821 geworden.
Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze ogen duister geworden.
KJV
For this our heart5
is faint;4
for these things our eyes9
are dim.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Om des bergsH2022 SionsH6726 wil, die verwoestH8074 is, waar de vossenH7776 opH5921 lopenH1980.
Om des bergs Sions wil, die verwoest is, waar de vossen op lopen.
KJV
Because of the mountain2
of Zion,3
which is desolate,4
the foxes5
walk
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
GijH859, o HEEREH3068, zitH3427 in eeuwigheidH5769, Uw troonH3678 is van geslachtH1755 tot geslachtH1755.
Gij, o HEERE, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht.
KJV
Thou, O LORD,2
remainest4
for ever;3
thy throne5
from generation6
to generation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Waarom zoudt Gij ons steedsH5331 vergetenH7911? WaaromH4100 zoudt Gij ons zo langenH753 tijdH3117 verlatenH5800?
Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten? Waarom zoudt Gij ons zo langen tijd verlaten?
KJV
Wherefore dost thou forget3
us for ever,2
and forsake4
us so long5
time?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
HEEREH3068, bekeerH7725 ons totH413 U, zo zullen wij bekeerdH7725 zijn; vernieuwH2318 onze dagenH3117 als van oudsH6924.
HEERE, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.
KJV
Turn1
thou us unto thee, O LORD,2
and we shall be turned;4
renew5
our days6
as of old.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
WantH3588 zoudt Gij ons ganselijkH3988 verwerpenH3988? Zoudt Gij zozeerH3966 tegenH5921 ons verbolgenH7107 zijn?
Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?
KJV
But thou hast utterly3
rejected4
us; thou art very8
wroth
HEERE,
Dat is menselijkerwijze van God gesproken, welke geen ding vergeet; zie Gen. 8:1 . Sommigen menen dat dit hfdst. een klacht en gebed is, van den profeet den Joden voorgeschreven om dagelijks gesproken en Gode voorgedragen te worden.
Hertaald:
HEERE,
Dat is op menselijke wijze over God gesproken, Die niets vergeet; zie Gen. 8:1. Sommigen menen dat dit hoofdstuk een klacht en gebed is dat de profeet de Joden voorgeschreven heeft om dagelijks uit te spreken en God voor te dragen.
onzen smaad aan
Dat is, den smaad, die ons wordt aangedaan. Zie van deze manier van spreken de aantekening Jer. 2:2 .
Hertaald:
onzen smaad aan
Dat is: de smaad die ons aangedaan wordt. Zie over deze manier van spreken de aantekening bij Jer. 2:2.
Ons erfdeel
Dat is, onze landerijen en huizen, in het land Kanaän gelegen, zijn ons afgenomen en anderen gegeven, te weten den Chaldeën en Assyriërs.
Hertaald:
Ons erfdeel
Dat is: onze landerijen en huizen in het land Kanaän zijn ons afgenomen en aan anderen gegeven, namelijk aan de Chaldeeën en Assyriërs.
zonder vader,
Onze vaders zijnde òf door het zwaard gedood, òf aan de pest gestorven, òf in slavernij weggevoerd en in armoede vergaan.
Hertaald:
zonder vader,
Onze vaders zijn óf door het zwaard gedood, óf aan de pest gestorven, óf in slavernij weggevoerd en in armoede omgekomen.
zijn als de weduwen
Dat is, het gaat hun gelijk het de weduwen pleegt te gaan.
Hertaald:
zijn als de weduwen
Dat is: het vergaat hun zoals het weduwen gewoonlijk vergaat.
Ons water
Het water onzer fonteinen en onze waterputten, dat ons eigenlijk toekomt, daar moeten wij geld voor geven. Eenigen verstaan dit van den tijd gedurende de belegering der stad Jeruzalem.
Hertaald:
Ons water
Het water van onze bronnen en putten, dat ons eigenlijk toekomt, moeten wij met geld betalen. Sommigen verstaan dit van de tijd van de belegering van Jeruzalem.
ons hout
Dat is, ons eigen hout, dat in onze bossen gewassen is, moeten wij den vreemdelingen of soldaten afkopen. Versta dit ook van andere behoeften en noodwendigheden, als koren, wijn, klederen, enz.
Hertaald:
ons hout
Dat is: ons eigen hout, dat in onze bossen gegroeid is, moeten wij van de vreemdelingen of de soldaten kopen. Versta dit ook van andere benodigdheden en levensbehoeften, zoals koren, wijn, kleren, enzovoort.
op onze halzen;
Dat is, van degenen, die ons op den hals liggen, gelijk het sommigen hier overzetten; dat is, van degene, die ons hard persen en onbarmhartig tot den arbeid drijven. Zie het tegendeel Hos. 11:4 . Anders: op onze halzen; te weten dragende een zeer zwaar juk der harde dienstbaarheid op onze halzen.
Hertaald:
op onze halzen;
Dat is: van hen die ons op de nek zitten, zoals sommigen het hier vertalen; dat is: van hen die ons hard opjagen en onbarmhartig tot het werk drijven. Zie het tegendeel in Hos. 11:4. Anders: op onze nek, namelijk terwijl wij een zeer zwaar juk van harde dienstbaarheid op onze nek dragen.
zijn wij moede,
Of, wij zijn moede.
Hertaald:
zijn wij moede,
Of: wij zijn moe.
Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven,
Dat is, wij hebben met de Egyptenaars vrede en verbond gemaakt, hopende door hen te zullen beschermd of verlost worden.
Hertaald:
Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven,
Dat is: wij hebben met de Egyptenaren vrede en verbond gesloten, in de hoop door hen beschermd of verlost te worden.
om met brood verzadigd te worden
Dat is, dat hij ons slechts zoveel geve, dat wij onze hongerige magen mogen verzadigen.
Hertaald:
om met brood verzadigd te worden
Dat is: dat hij ons maar zoveel geeft dat wij onze hongerige magen kunnen verzadigen.
Onze vaders hebben gezondigd,
Dat is, onze voorouders.
Hertaald:
Onze vaders hebben gezondigd,
Dat is: onze voorouders.
en
Alsof zij zeiden: Onze voorouders zijn veel verdragelijker behandeld dan wij, want als zij gezondigd hebben, zo in de woestijn als in het land Kanaän, zo zijn zij daarover met den dood gestraft geworden, òf de vijanden hebben hen gedood, òf de venijnige slangen hebben hen gestoken, òf zij zijn van de aarde verslonden, òf aan de pest gestorven [zie 1Co 10] ; maar wij moeten de straffen van hunne en onze zonden dragen [zie boven Klaagl. 3:39 , en Klaagl. 4:6 , Klaagl. 4:22 ] , niet alleen met ene, maar met verscheidene belegeringen, niet alleen met wegvoering in de Babylonische gevangenschap, maar ook met al de ellenden, die wij daar lijden en uitstaan moeten, zodat het ons beter en verdragelijker ware eens te sterven dan aldus te leven en vele doden te sterven in langdurige ellende.
Hertaald:
en
Alsof zij zeiden: onze voorouders zijn veel draaglijker behandeld dan wij. Want wanneer zij zondigden, zowel in de woestijn als in het land Kanaän, werden zij daarvoor met de dood gestraft: óf de vijanden hebben hen gedood, óf de giftige slangen hebben hen gebeten, óf zij zijn door de aarde verslonden, óf zij zijn aan de pest gestorven (zie 1 Kor. 10). Maar wij moeten de straf voor hun én onze zonden dragen (zie hierboven Klaagl. 3:39 en Klaagl. 4:6, Klaagl. 4:22), niet alleen door één maar door verscheidene belegeringen, niet alleen door de wegvoering in de Babylonische gevangenschap maar ook door alle ellende die wij daar moeten lijden en doorstaan — zodat het beter en draaglijker voor ons zou zijn één keer te sterven dan zo te leven en in langdurige ellende vele doden te sterven.
zijn niet meer,
Dit moet men alzo verstaan, dat zij niet meer voorhanden zijn, of dat zij niet meer op aarde zijn; gelijk Job 3:16 ; Ps. 39:14 ; Jer. 31:15 , en Matt. 2:18 ; zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
zijn niet meer,
Dit moet men zo verstaan dat zij er niet meer zijn, of dat zij niet meer op de aarde zijn, zoals Job 3:16; Ps. 39:14; Jer. 31:15 en Matth. 2:18; zie de aantekening daar.
en wij dragen hun ongerechtigheden
De zin is: Wij, zijnde het zondig zaad van het zondig geslacht, dragen de straf hunner zonden, achtervolgens hetgeen er geschreven staat Ex. 20:5 ; Jer. 32:18 . Dat er staat Ezech. 18:20 , te weten: de ziel die zondigt zal sterven, is en blijft waar, alsook dat de zoon de ongerechtigheid des vaders niet dragen zal; maar hetgeen hier in vs.7 staat is te verstaan van die zonen of kinderen, die de voetstappen hunner vaderen in het zondigen navolgen en alzo de maat hunner ongerechtigheid opvullen.
Hertaald:
en wij dragen hun ongerechtigheden
De betekenis is: wij, die het zondige zaad van een zondig geslacht zijn, dragen de straf voor hun zonden, overeenkomstig wat geschreven staat in Ex. 20:5 en Jer. 32:18. Wat in Ezech. 18:20 staat — namelijk: de ziel die zondigt, die zal sterven — is en blijft waar, en ook dat de zoon de ongerechtigheid van de vader niet zal dragen; maar wat hier in vers 7 staat moet verstaan worden van die zonen of kinderen die de voetstappen van hun vaders in het zondigen navolgen en zo de maat van hun ongerechtigheid vol maken.
Knechten heersen over ons;
Wij moeten ons niet alleen buigen onder den koning en de groten des lands, maar ook onder hunne knechten; zie Spr. 30:22 .
Hertaald:
Knechten heersen over ons;
Wij moeten ons niet alleen buigen onder de koning en de groten van het land, maar ook onder hun knechten; zie Spr. 30:22.
rukke
Zie de aantekening Ps. 136:24 .
Hertaald:
rukke
Zie de aantekening bij Ps. 136:24.
ons brood
Dat is, al hetgeen wij tot onderhouding van ons leven behoeven.
Hertaald:
ons brood
Dat is: alles wat wij nodig hebben tot onderhoud van ons leven.
met gevaar onzes levens
Hebreeuws, op onze ziel dat is, met gevaar van ons leven; gelijk 2 Sam. 23:17 ; 1 Kron. 11:19 .
Hertaald:
met gevaar onzes levens
Hebreeuws: op onze ziel; dat is: met gevaar voor ons leven, zoals 2 Sam. 23:17; 1 Kron. 11:19.
vanwege het zwaard der woestijn
Dat is, vanwege het zwaard der vijanden, die het ganse land verheerd en tot ene woestijn gemaakt hebben, en daar als straatschenders op ons loeren, als wij daarheen trekken om nooddruft te zoeken en te halen, of om de vruchten in te zamelen.
Hertaald:
vanwege het zwaard der woestijn
Dat is: vanwege het zwaard van de vijanden, die het hele land verwoest en tot een wildernis gemaakt hebben en daar als struikrovers op ons loeren wanneer wij erheen trekken om levensbehoeften te zoeken en te halen, of om de vruchten binnen te halen.
Onze huid is zwart geworden gelijk een oven,
Dat is, ons lichaam is zwart gelijk een oven, die zwart wordt vanwege den rook; zie Klaagl. 4:8 .
Hertaald:
Onze huid is zwart geworden gelijk een oven,
Dat is: ons lichaam is zwart als een oven, die zwart wordt van de rook; zie Klaagl. 4:8.
vanwege den geweldigen storm des hongers
Dat is, vanwege den gruwelijken honger; vanwege dat onze lichamen zo verzwakt zijn door den honger. Hebreeuws, voor het aangezicht der buien, of vlagen, of stormen des hongers.
Hertaald:
vanwege den geweldigen storm des hongers
Dat is: vanwege de gruwelijke honger, doordat onze lichamen door de honger zo verzwakt zijn. Hebreeuws: voor het aangezicht van de buien, vlagen of stormen van de honger.
verkracht,
Zie Gen. 34:2 .
Hertaald:
verkracht,
Zie Gen. 34:2.
De vorsten zijn door hunlieder hand opgehangen;
Zij hebben de allervoortreffelijksten niet meer geacht dan de allergeringsten; zij hebben zowel den een opgehangen als den ander. Het is gelofelijk dat dit velen voortreffelijken personen wedervaren is, als den koning de ogen zijn uitgestoken of verblind geworden.
Hertaald:
De vorsten zijn door hunlieder hand opgehangen;
Zij hebben de allervoortreffelijksten niet hoger geacht dan de allergeringsten; zij hebben de een net zo goed opgehangen als de ander. Het is aannemelijk dat dit veel voorname personen overkomen is, aangezien ook de koning de ogen uitgestoken zijn.
de aangezichten der ouden
Gelijk boven Klaagl. 4:16 .
Hertaald:
de aangezichten der ouden
Zoals hierboven Klaagl. 4:16.
Zij hebben de jongelingen weggenomen,
Te weten de Chaldeën.
Hertaald:
Zij hebben de jongelingen weggenomen,
Namelijk de Chaldeeën.
om te malen,
Dat is, dat zij malen zouden, niet in windmolens of watermolens, gelijk men nu doet, maar met handmolens, of met het koren in grote mortieren te stampen. Dit was een zware arbeid, dien de slaven plachten te doen; zie Ex. 11:5 ; Richt. 16:21 ; Jes. 47:2 .
Hertaald:
om te malen,
Dat is: opdat zij zouden malen — niet in wind- of watermolens zoals wij nu doen, maar met handmolens, of door het koren in grote vijzels te stampen. Dat was zwaar werk, dat gewoonlijk door slaven gedaan werd; zie Ex. 11:5; Richt. 16:21; Jes. 47:2.
de jongens struikelen onder het hout
Dat is, zij doen den jongens, die nog zwak van leden zijn, zulke zware blokken hout dragen, dat zij er onder bezwijken en nedervallen.
Hertaald:
de jongens struikelen onder het hout
Dat is: zij laten de jongens, die nog zwak van leden zijn, zulke zware blokken hout dragen dat zij eronder bezwijken en neervallen.
ouden houden op van de poort,
Dat is, de oude grijze en wijze mannen zitten niet meer in de poorten, om het gericht te bedienen en tussen partijen te oordelen, gelijk eertijds placht te geschieden; zie Gen. 34:20 , en Ps. 127:5 .
Hertaald:
ouden houden op van de poort,
Dat is: de oude, grijze en wijze mannen zitten niet meer in de poorten om recht te spreken en tussen partijen te oordelen, zoals vroeger gebeurde; zie Gen. 34:20 en Ps. 127:5.
van hun snarenspel
Dat is, de jongelingen hebben noch vreugde noch vermaking meer; zij zingen en kwinkeleren nu niet meer, gelijk zij in tijd van vrede plachten te doen. Zie Am. 8:10 .
Hertaald:
van hun snarenspel
Dat is: de jongemannen hebben geen vreugde en geen vermaak meer; zij zingen en musiceren niet meer zoals zij in vredestijd plachten te doen. Zie Amos 8:10.
houdt op,
Dat is, heeft een einde genomen.
Hertaald:
houdt op,
Dat is: heeft een einde genomen.
onze rei is in treurigheid veranderd
Dat is, in plaats waar wij vrolijk plachten te zijn, hebben wij nu niets dan oorzaak van droefenis; zie Ex. 15:20 ; Job 30:31 ; Ps. 68:26 . Dat zij hier klagen hun overkomen te zijn, dat dreigt hun God, Jer. 7:34 , en Jer. 16:9 , en Jer. 25:10 .
Hertaald:
onze rei is in treurigheid veranderd
Dat is: waar wij vroeger vrolijk plachten te zijn, hebben wij nu niets dan reden tot droefheid; zie Ex. 15:20; Job 30:31; Ps. 68:26. Wat zij hier klagen dat hun overkomen is, had God hun gedreigd in Jer. 7:34, Jer. 16:9 en Jer. 25:10.
De kroon onzes hoofds is afgevallen;
Al de eer en heerlijkheid zo van den kerkestand als van de politie is teniet gekomen; zie Job 19:9 ; zie ook Spr. 4:9 , en Spr. 12:4 , en Spr. 14:24 ; Jes. 28:5 , en Jes. 62:3 ; Ezech. 16:12 ; 1 Kor. 11:7 ; Fil. 4:1 ; 1 Thess. 2:19 .
Hertaald:
De kroon onzes hoofds is afgevallen;
Alle eer en heerlijkheid, zowel van de kerkelijke als van de burgerlijke staat, is tenietgegaan; zie Job 19:9; zie ook Spr. 4:9, Spr. 12:4 en Spr. 14:24; Jes. 28:5 en Jes. 62:3; Ezech. 16:12; 1 Kor. 11:7; Filipp. 4:1; 1 Thess. 2:19.
mat,
Of, flauw; te weten, omdat wij U, o Heere, zo gruwelijk vertoornd hebben.
Hertaald:
mat,
Of: flauw; namelijk omdat wij U, o HEERE, zo gruwelijk vertoornd hebben.
om deze dingen
Vanwege ons dagelijks schreien over onze zonden en grote ellenden, die ons vanwege onze zonden overkomen zijn, zijn onze ogen verduisterd geworden. Vergelijk 1 Sam. 14:28 ; Job 17:7 ; Ps. 6:8 , en Ps. 31:10 .
Hertaald:
om deze dingen
Doordat wij dagelijks wenen over onze zonden en over de grote ellende die ons vanwege onze zonden overkomen is, zijn onze ogen verduisterd. Vergelijk 1 Sam. 14:28; Job 17:7; Ps. 6:8 en Ps. 31:10.
Om des bergs Sions wil,
Dit inzonderheid doet mijn hart wee, dat die plaats waar de godsdienst placht geoefend te worden, ter ere van Gods heiligen naam, nu zo woest en verlaten ligt.
Hertaald:
Om des bergs Sions wil,
Dit doet mijn hart vooral pijn: dat de plaats waar de godsdienst geoefend placht te worden, tot eer van Gods heilige naam, nu zo woest en verlaten ligt.
de vossen op lopen
Dat is, dat de arglistige bedriegelijke mensen, naar hun lust, zich daar vermaken en hun moedwil drijven. Vergelijk Ps. 12:9 ; Jes. 34:11 , enz. De arglistige mensen worden ook vossen genoemd, Hoogl. 2:15 ; Luc. 13:32 . Doch hier kan het ook wel naar de letter genomen worden, alsof de profeet zeide: Ik bedroef mij hartelijk zeer daarin, dat die schone voortreffelijke stad Jeruzalem, mitsgaders die schone tempel, nu dus verwoest liggen, dat de vossen, die anderszins voor de mensen vervaard zijn, daar vrijelijk lopen en spelen. Vergelijk hiermede Ps. 102:7-8 ; Hos. 9:6 , en Hos. 10:8 , belangende gruwelijke verwoestingen.
Hertaald:
de vossen op lopen
Dat is: dat de arglistige en bedrieglijke mensen zich daar naar hun lust vermaken en hun moedwil botvieren. Vergelijk Ps. 12:9; Jes. 34:11, enzovoort. Arglistige mensen worden ook vossen genoemd, Hoogl. 2:15; Luk. 13:32. Maar hier kan het ook letterlijk opgevat worden, alsof de profeet zei: het bedroeft mij van harte dat die mooie, voortreffelijke stad Jeruzalem en die prachtige tempel nu zo verwoest liggen dat de vossen, die anders bang voor mensen zijn, daar vrij rondlopen en spelen. Vergelijk hiermee Ps. 102:7-8; Hos. 9:6 en Hos. 10:8 over gruwelijke verwoestingen.
Gij, o HEERE,
De zin is: Ofschoon er in de wereld, ja ook in uwe kerk, dikwijls verandering voorvalt, zo blijft Gij nochtans als opperste Rechter op uwen rechterstoel vast zittende, in alle eeuwigheid; Ps. 9:8 , en Ps. 29:10 , en Ps. 102:13 , en Ps. 145:13 .
Hertaald:
Gij, o HEERE,
De betekenis is: hoewel er in de wereld, ja ook in Uw kerk, vaak verandering plaatsvindt, blijft U toch als opperste Rechter vast op Uw rechterstoel zitten, in alle eeuwigheid; Ps. 9:8, Ps. 29:10, Ps. 102:13 en Ps. 145:13.
zit in eeuwigheid,
Anders, blijft.
Hertaald:
zit in eeuwigheid,
Anders: blijft.
steeds
Zie Ps. 13:2 .
Hertaald:
steeds
Zie Ps. 13:2.
vergeten?
Vergelijk Gen. 8:1 , en Gen. 30:22 .
Hertaald:
vergeten?
Vergelijk Gen. 8:1 en Gen. 30:22.
Waarom
Aangezien, Heere, dat Gij onze God zijt en wij uw volk zijn, hoe is uwe hand zo zwaar op ons en drukt ons zo hard, alsof wij uw volk niet waren; het schijnt dat Gij besloten hebt ons altijd te vergeten en steeds in deze ellende te laten steken. Vergelijk Ps. 103:8-10 , enz.
Hertaald:
Waarom
Aangezien U, HEERE, onze God bent en wij Uw volk zijn — hoe komt het dan dat Uw hand zo zwaar op ons ligt en ons zo hard drukt, alsof wij Uw volk niet waren? Het lijkt alsof U besloten hebt ons voorgoed te vergeten en ons voortdurend in deze ellende te laten steken. Vergelijk Ps. 103:8-10, enzovoort.
zo langen tijd verlaten?
Hebreeuws, in langheid de dagen.
Hertaald:
zo langen tijd verlaten?
Hebreeuws: in lengte van dagen.
bekeer ons tot U,
Gelijk Jer. 31:18 . De zin is: Geef dat wij recht berouw en leedwezen mogen hebben en betonen over onze lelijke en menigvuldige zonden, met welke wij U vertoornd hebben.
Hertaald:
bekeer ons tot U,
Zoals Jer. 31:18. De betekenis is: geef dat wij waar berouw en leedwezen mogen hebben en tonen over onze lelijke en talrijke zonden, waarmee wij U vertoornd hebben.
vernieuw onze dagen
Het believe U onzen ellendigen en bedroefden staat te veranderen in dien welstand, waarin onze vaderen en wij eertijds geleefd hebben onder David, Salomo en anderen onzer koningen.
Hertaald:
vernieuw onze dagen
Laat het U behagen onze ellendige en bedroefde staat te veranderen in de welstand waarin onze vaderen en wij vroeger geleefd hebben onder David, Salomo en onze andere koningen.
als van ouds
Gelijk boven Klaagl. 1:7 , en Klaagl. 2:17 .
Hertaald:
als van ouds
Zoals hierboven Klaagl. 1:7 en Klaagl. 2:17.
Want zoudt Gij ons
Alsof zij zeiden: Heere, het schijnt dat Gij ons ganselijk verworpen hebt, doordien Gij ons dus zwaarlijk en dus lang straft; wij bidden U, ontferm U eindelijk over ons en verminder onze ellenden, dewijl wij met hartelijk berouw en leedwezen onze toevlucht tot U nemen.
Hertaald:
Want zoudt Gij ons
Alsof zij zeiden: HEERE, het lijkt alsof U ons volkomen verworpen hebt, doordat U ons zo zwaar en zo lang straft; wij bidden U, ontferm U eindelijk over ons en verminder onze ellende, aangezien wij met hartelijk berouw en leedwezen onze toevlucht tot U nemen.
ganselijk verwerpen?
Hebreeuws, verwerpende verworpen hebben.
Hertaald:
ganselijk verwerpen?
Hebreeuws: verwerpende verworpen hebben. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het laatste lied begint als een gebed en blijft dat: "Gedenk, HEERE, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onzen smaad aan" (Klaagl. 5:1). Wat volgt is een opsomming van wat er weg is: het erfdeel, de huizen, de vaders, de vreugde. "De vreugde onzes harten houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd" (Klaagl. 5:15). En dan komt de belijdenis: "De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben!" (Klaagl. 5:16). Daarop volgt het enige wat overeind staat: "Gij, o HEERE, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht" (Klaagl. 5:19). Dan komen de twee vragen: "Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten? Waarom zoudt Gij ons zo langen tijd verlaten?" (Klaagl. 5:20). En de bede: "HEERE, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds" (Klaagl. 5:21). Het boek sluit met een vraag die onbeantwoord blijft (Klaagl. 5:22). Bijbelse betekenis: Merk op wat er in Klaagl. 5:19 gebeurt. Alles is opgesomd wat weg is, en dan volgt één zin over wat blijft: Gods troon. Dat is niet veel om op te staan, en het is genoeg. Let vervolgens op de bede van Klaagl. 5:21. Er staat: bekeer ons, en dán zullen wij bekeerd zijn. De ommekeer wordt van God gevraagd en niet van zichzelf verwacht; dat is de diepste zin van het boek. Let ten slotte op het slot. Er komt geen goede afloop en geen belofte; het boek eindigt met een vraag. Zo eindigt ook de donkerste psalm (reeds behandeld bij Ps. 88:18), en het register laat dat einde staan zoals het er staat. Wat blijft is niet de oplossing maar het bidden zelf. Wie in zo'n tijd leeft, doet er goed aan dat niet alleen te doen maar er iemand bij te zoeken die meebidt en meeleest. Typologie: De troon die hier het enige vaste is, keert terug in het laatste boek van de Schrift, waar Johannes een troon in de hemel ziet staan (reeds behandeld bij Op. 4:8). En de bede van Klaagl. 5:21 vindt haar antwoord in de belofte van een nieuw hart: "Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u" (Ezech. 36:26). Klaagl. 5:1-22; Ps. 88:18; Op. 4:8; Ezech. 36:26 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Klaagliederen 5
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Klaagliederen 5
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Na een geweldigen orkaan ziet men overal veel verwoesting, omgevallen bomen, op den grond liggend koren, verwoeste, van hun daken beroofde huizen, soms door watervloeden omwoelde velden. Zij herinneren smartelijk aan den voorbijgeganen storm, terwijl overigens de natuur stil en rustig is, en de van al het schadelijke gezuiverde lucht iedereen verkwikt, ja nieuw, fris leven uit de puinhopen belooft op te wekken. Eveneens is ook de in ellende smachtende gemeente der gelovigen met den Profeet, die in hunnen naam in dit vijfde Klaaglied, in haar hart tot volkomene rust en helderheid omtrent Gods moeilijke wegen met haar is gekomen, hoewel de haar geslagen wonden nog niet zijn geheeld, maar nog bloeden en pijn doen, en de smartelijke klacht ook nu nog van de lippen tot den Heere oprijst. De ziel van hare klacht is echter het bewustzijn, dat hare eigene zonden en die harer vaderen zulk ene straf heeft noodzakelijk gemaakt, en het gehele lied is een gebed tot den Heere, even als wanneer een kindje aan het hart zijner moeder leunt en daar al zijn kommer en al zijne smart uitklaagt en uitweent. Dat de gemeente Gods tot rust in haar binnenste is gekomen, blijkt daaruit, dat in haar gebed zuiver proza, en gene door storm bewogen, woedende zee meer heerst. Alleen het getal der verzen van het gebed bewijst nog, dat het bij de voorgaande 4 liederen behoort en daaruit als het ware is voortgekomen. Alle wraak voor den door haar van de vijanden geleden smaad beveelt nu de gemeente den Heere aan; zij heeft slechts ééne bede, dat zij niet voor eeuwig verstoten zij, maar eens, wanneer aan Zijne gerechtigheid is genoeg gedaan, Hij haar weer moge redden en tot de gelukkige dagen van vroegeren tijd moge terugvoeren. Hier bidt dus de verootmoedigde gemeente Gods, die zich onder het kruis buigt.
I. Vs. 1-7.KruisverwijzingenJeremia 16:12→Psalmen 44:13→Sefanja 1:13→Jeremia 18:21→Jesaja 3:1→Hosea 9:3→Hosea 12:1→Jeremia 31:29→
— Gedenk, HEERE, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onzen smaad aan. Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de uitlanders. Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen. Ons water moeten wij voor geld drinken; ons hout komt ons op prijs te staan. Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij woede, men laat ons geen rust. Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven, en den Assyrier, om met brood verzadigd te worden. Onze vaders hebben gezondigd, en zijn niet meer, en wij dragen hun ongerechtigheden.
De eerste woorden van ons lied geven aanstonds te kennen, dat de inhoud een gebed is, in onderscheiding van de andere liederen, wier inhoud klachten zijn, hetwelk slechts hier en daar door gebedsijver wordt afgebroken, of met een kort gebed besloten. Niet alsof ons lied gene klacht zou bevatten, maar de klacht wordt uitsluitend aan God voorgedragen. Nadat de gemeente in vs. 1 den Heere gebeden heeft, om den smaad, die Zijn volk wedervaren is, te gedenken en die te Zijner tijd te wreken, legt zij in het verder verloop der eerste afdeling dezen nood en smaad voor den Heere uit elkaar. Gods volk is van zijn land en van zijn eigendom geroofd, van elke beschutting ontbloot, even als weduwen en wezen, ja het leeft in gebrek en ontbering van de noodzakelijkste levensmiddelen onder harden druk en vervolging. De Heere heeft ons echter dat moeten opleggen, omdat niet alleen wij zelf, maar ook onze vaderen zwaar gezondigd hebben, en de Heere naar Zijne gerechtigheid hun zondenlast ons, die van hun zonden niet afgingen, mede moet opleggen.
Gedenk HEERE! wat ons geschied is, en haast U tot hulp en redding; aanschouw het met ontferming van Uwen troon; en zie onzen smaad aan 1), met welken ons de heidenen hebben overladen.
Deze aanspraak, of schoon kort en bondig, bevat echter een nuttige onderwijzing, n. l. om tot God de toevlucht te nemen, om hulpe te verschaffen in de ellende, tot zo lang hun rampen voor Zijn aangezicht in gedachtenis komen, voornamelijk wanneer zij onbillijk drukken. Het is wel zeker, dat God niet onbillijk is, maar deze manier van spreken wordt gebruikt in overeenstemming met het menselijk gevoel. Wij menen dat God onze ellende over het hoofd ziet of verbeelden ons dat Zijn rug tegen ons gekeerd is, wanneer Hij niet terstond uithelpt. Maar, zo als ik gezegd heb, men moet slechts vragen, dat Hij onze ellende gedenkt, dewijl wij weten, wat Hij omtrent Zich getuigt. Terwijl Hij toch Zich deze rol voorbehoudt, om de ellendigen en smaadvol onderdrukten tegemoet te komen, zo laten wij in dezen troost rust zoeken, dat Hij, zodra Hij zich verwaardigt om te gedenken welke rampen wij ondergaan, Hij tegelijk bereid is ter hulpe. De Profeet leert ons hier, Wien wij onzen nood moeten klagen, wanneer wij door mensenkinderen verdrukt en beproefd worden. Ons komt het kruis lichter voor, wanneer wij het aan enen goeden vertrouwden vriend klagen en hem openbaren wat ons drukt, daar deze door broederlijk medelijden of goeden raad ons een deel van onzen last wegneemt. Nu kunnen echter mensen niet altijd helpen, hoe goed zij het ook menen. Wie echter Gode zijne zaken aanbeveelt, die klaagt het den waren, getrouwen Helper uit den nood, die ons heeft bevolen Hem te vragen. Alle godvruchtigen, wanneer zij in angsten waren, hebben het den Heere geklaagd, dat Hij er aan denken mocht, en daarop wilde zien, en zij zijn verhoord; zij riepen tot Hem en werden niet beschaamd. De Profeet weet, dat als God gedenkt, Hij ook ter hulpe snelt. Gedenken is Goddelijk zien, en Goddelijk zien is ontferming. Als de Heere met een oog van ontferming en mededogen ziet op de ellende van Zijn volk, dan is ook de ure der verlossing nabij, ja dan is de ure der redding gekomen.
Ons erfdeel, het dierbare, heilige land, dat Gij zo lang te voren aan Abraham hebt gezworen en toegezegd, dat het een eigendom van hem en zijn zaad zou zijn, dat hebt Gij onzen Vaderen daarna door Uwen machtigen arm toegedeeld en geschonken, dat zij daarin onder Uwe bescherming rust zouden vinden. Maar nu is het tot de vreemdelingen gewend, het is ten deel geworden aan hen, die generlei aanspraak daarop hadden, onze huizenzijn tot de uitlanders overgegaan, de huizen, die wij in het land, in dorpen en steden hadden gebouwd, en waarin wij zoveel goeds door Uwe genade hebben ondervonden. Geen volk der aarde heeft ooit van den Heere ene belofte ontvangen, dat het het land, waarin het woonde, ontvangen of behouden zou, nog minder ene belofte op een vreemd land, dat het moest zoeken te veroveren; geen volk heeft dus aanspraak op zijn land. Israël alleen is ene uitzondering, waaraan de Heere door enen heiligen eed Kanaän had toegezegd, en wel voor altijd. Daarom was het zeker ene zeer moeilijke zaak voor de vromen in Israël, wanneer het nu het land verloor, dat volgens Goddelijken rechtstitel het toekwam. Er behoorde Abrahams geloof toe, dat de Heere ook uit stenen enen zoon kon verwekken en Zijnen eed door Zijne wijsheid en almacht toch zou houden, bij het zien der verovering van dit land Gods, om aan Zijne toezegging en waarachtigheid niet te wanhopen. Ja nog meer! Kanaän was voor iederen gelovigen Israëliet het land, waarin eens al de kostelijke beloften van den beginne af zonden worden vervuld, waar des Heeren heerlijkheid zich eens zou verwezenlijken, waar het verloren paradijs zou wederkeren, van waar de openbaring der waarheid en gerechtigheid Gods, de wedergeboorte der gehele mensheid, ja, de verheerlijking van aarde en hemel zou uitgaan. Het verlies van dit land was den gelovigen Israëliet diensvolgens gelijk aan het verlies der eeuwige zaligheid, welke door den Heere zelven voor het volk aan was gebonden. Verkreeg Israël dat land niet weer, zo was dit een ondubbelzinning getuigenis Zijner eeuwige verwerping. Daarom geloven wij op grond van verschillende getuigenissen der Heilige Schrift, dat het volk der Joden ten tijde zijner bekering tot Christus zeker weer in Zijn hem toegezegd Kanaän zal worden teruggevoerd.
Wij zijn allen te zamen als arme wezen zonder bescherming, zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen, die hare door U geschonkene beschermers hebben verloren; want de vreemden handelen met ons naar hun macht en hun goedvinden.
Ons water, dat Gij ons met ons land hebt geschonken, die noodzakelijkste levensbehoefte, moeten wij voor geld, met zware opofferingen drinken; ons hout, dat even onontbeerlijk voor het leven is, komt ons op prijs te staan. De zin is eenvoudig: wij hebben gene bezitting meer, geen huis noch hof, wij, die voorheen ons eigen bronwater dronken, en het hout onzer hoven en bossen voor niet hadden, nu moeten wij alles door zwaren arbeid verdienen.
Wij, de overwonnenen en machtelozen lijden van onze machtige en overmoedige overwinnaars onophoudelijk vervolging op onze halzen; men zit ons op den hals, alsof men wilde dieren moest bewaken en beteugelen, men dringt ons tot zwaren arbeid en plaagt op allerlei wijze; zijn wij moede, men laat ons geen rust.
Wij hebben ons geliefd vaderland den rug moeten toekeren en hebben, door den nood gedreven, den Egyptenaar de hand gegeven, ons in hun armen moeten werpen, en, zo wij ons vaderland niet wilden verlaten, ons den Assyriër 1) moeten overgeven, om van die vijandige wereldmacht de slaven te zijn om met brood verzadigd te worden; waarheen wij ons dus wendden, overal was de treurigste dienstbaarheid.
Onder den Assyriër hebben wij Babel te verstaan. Assur is de naam der Aziatische wereldmacht van Babel. Het is duidelijk dat de Profeet hier spreekt van de eerste tijden na de verwoesting van Jeruzalem.
Zulke zware straffen lijden wij om den groten last onzer schulden, die op ons ligt; want niet alleen hebben wij voor onze eigene zonden te lijden; onze vaders hebben door afgodendienst en afval van U, o Heere! gezondigd, en zijn niet meer om voor hun eigene zonden te boeten. En wij, die ons niet afkeerden van de zonden onzer vaderen en ons niet oprecht tot U bekeerden, maar in plaats daarvan nog erger deden (Jer. 16:11; 32:18. 2 Kon. 23:26 1 Ki), dragen nu hun ongerechtigheden naar Uwe eeuwige wet, volgens welke Gij de zonden der vaderen aan de kinderen tot in het derde en vierde lid dergenen, die, haten, wilt bezoeken (Exod. 20:5. Jes. 65:7. Jer. 31:29).
Het is een boetvaardige belijdenis van de zonden hunner voorvaderen, waarin zij zelf, ook volhard hadden, om welke zij nu rechtvaardiglijk leden, dat is, de oordelen, die God over hen bracht, waren zo groot, dat het scheen alsof God daarmee ook een oog had op de zonden hunner voorvaderen zowel als op de kinderen. En dus werd Gods rechtvaardigheid, zowel in zijn oogluiking op hun voorvaderen als in Zijn gestrengheid omtrent hen, aan welken Hij die ongerechtigheid bezocht. Wanneer wij dit register van plagen, die over het volk Israël zijn gekomen, recht overdenken en daarmee door de schriften van Mozes en van andere Profeten gaan, zal men bevinden, hoe nauwkeurig alles aan het volk van Israël is vervuld, wat God te voren gedreigd heeft, wanneer zij Hem niet gehoorzamen en in Zijne geboden wandelen zouden (Deut. 28). Want zo waarachtig en bestendig de Heere in Zijne belofte is, zo waarachtig is Hij ook in Zijne bedreigingen over de goddelozen. Zo als ons Zijne genadige beloften ter vertroosting dienen, zo moeten Zijne bedreigingen, waarmee Hij de goddelozen bedreigt, voor ons ene waarschuwing zijn. 8.
II. Vs. 8-16.KruisverwijzingenKlaagliederen 4:8→Klaagliederen 4:16→Psalmen 89:39→Zacharia 11:6→Nehemia 5:15→Job 30:30→Zacharia 14:2→Richteren 16:21→
— Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke. Wij moeten ons brood met gevaar onzes levens halen, vanwege het zwaard der woestijn. Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege den geweldigen storm des hongers. Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda. De vorsten zijn door hunlieder hand opgehangen; de aangezichten der ouden zijn niet geeerd geweest. Zij hebben de jongelingen weggenomen, om te malen, en de jongens struikelen onder het hout. De ouden houden op van de poort, de jongelingen van hun snarenspel. De vreugde onzes harten houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd. De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben!
In dit 2e deel van het geheel stelt de gemeente nog nader de ellende voor, welke haar door Gods straffen om harer zonde wil getroffen heeft. Zij, de vrijen, die geroepen zijn de wereld te beheersen, moeten zich onder de schandelijke heerschappij brengen van lage knechten en kunnen ondanks dat slechts met gevaar huns levens hun dagelijks brood verkrijgen. Ja, dit brood is niet eens toereikende om den hevigsten honger te stillen. Iedere stand, ieder geslacht, elke leeftijd moet handelingen van allerlei aard verduren van de vijanden, die over hen heersen. Onder den druk van zulke omstandigheden is het geen wonder, dat alle volksvergaderingen en volksgenietingen hebben opgehouden; want de gehele eer van Gods volk is verloren gegaan.
Knechten 1) zo als de Chaldeën zijn, die nog nooit hebben gesmaakt, wat ware vrijheid is, maar van der jeugd af gewoon zijn aan ene onrechtvaardige willekeurige heerschappij-knechten, die integendeel ons hadden moeten dienen, wanneer wij vroom waren geweest (Ps. 72:11), heersen in onnatuurlijke omkering van de door den Heere beschikte en gewilde betrekking over ons, over wie toch Gij alleen, onze grote Koning heersen moest; er is, daar Gij ons hebt verworpen, niemandin hemel of op aarde, die ons uit hun handen rukke.
Aan de Chaldeën was het toegestaan, allerlei woestheid tegen hen te plegen, maar het was toch zeer droevig wanneer de kinderen Gods het eigendom waren van slaven. Want zij waren vroeger het Priesterlijk rijk en God had hen zo in Zijn trouw opgenomen, dat hun staat voortreflijker was en veel heerlijker dan die van alle regeringen. Waar zij derhalve beroofd zijn van hun vrijheid, en dat niet, alleen maar waar zij ook aan knechten onderworpen waren, daar was de verandering zeer treurig. Alle de einden der aarde waren gegeven aan de heerschappij van Israël theokratischen koning, indien deze de wet Gods en Zijn verbond onderhield. Maar nu was de toestand omgekeerd. Zij die aan Israël tot knechten waren gegeven, heersen nu over hen, dewijl het verbond verbroken was.
De vrijheid is het hoogste goed, dat het volk van God, de kerk van den Heere Jezus Christus, ieder kind van God in ‘t bijzonder heeft. Daarin betoont zich de verlossing, die door den Zone Gods is teweeggebracht (Joh. 8:36). Daarom noemt Paulus de kerk des Heeren de vrije, onzer aller moeder (Gal. 4:26). Deze bestaat daarin, dat de gemeente Gods al de heerlijke gaven en krachten, welke de Heilige Geest in haar heeft gelegd, naar haren vollen rijkdom ontvouwe, en haren God zo kan dienen, dat gene menselijke macht en autoriteit haar daarin kan hinderen. Wij weten het wel, dat deze hemelse vrijheid zich eerst uiterlijk zal openbaren, wanneer alle zonde overwonnen zal zijn en Christus, de Heere zal zijn wedergekomen, om ook de uitwendige dienstbaarheid der Zijnen te verbreken. Maar altijd blijft het ene tegennatuurlijke betrekking, die alleen als gericht van God over Zijne gemeente verklaarbaar is, wanneer de gemeente door dezulken, die er niet toe geroepen zijn, die zelf niets weten van deze heerlijke vrijheid der kinderen Gods, ja die verachten en haten, beheerst wordt, en in de ontwikkeling van haar waarachtig wezen belemmerd.
Wij moeten ons brood, de geringe oogst in ons door den oorlog verwoest, door roverhorden doorkruist land met gevaar onzes levens halen, in gedurige vrees van wege het zwaard der heen en weer trekkende bedouïnenhorden der woestijn, die ons bij het oogsten overvallen, uitplunderen en zelfs doden.
Meer nog, de geringe voorraad is ontoereikend. Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, van wege den geweldigen storm des hongers(Deut. 28:48). Even als de woestijnwind de huid zwart brandt, zo zijn wij zwart geworden van magerheid. Wij leren hier, hoe God het misbruik Zijner gaven, den overvloed en de overdaad bestraft, wanneer men in voorspoed en goedkope tijden Gode niet dankbaar is, maar daarentegen Zijne gaven, wijn en vruchten onnut verspilt met zwelgen en brassen, vreten en zuipen, dat God dan Zijne goederen en gaven terughoudt, het voedsel zeldzamer maakt, zodat het niet gemakkelijk te krijgen is, en enen honger toezendt, zodat men nauwelijks brood en water kan hebben, zo ging het het volk van Juda.
Zij, onze overmoedige overwinnaars verschonen niemand met hun mishandelingen van allerlei aard; zij hebben de vrouwen te Zion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda.
De vorsten van Juda zijn door hunlieder handniet alleen gedood, maar om daarna nog des te groteren smaad op hen te laden, opgehangen; {1} de aangezichten der ouden zijn niet geëerd geweest, maar integendeel geheel onteerd. (Deut. 28:20). {1} Werd iemand gehangen nadat hij gedood was, zo was dat te groter smaad, dewijl hem alsdan ene eerlijke begrafenis was ontzegd, en zijn lijk tot aas den roofvogels verstrekte. Ook deze smaad had men Juda doen ondergaan.
Zij hebben de jongelingen weggenomen om te malen, zo worden zij gebezigd tot het werk der verachtelijkste slavinnen (Richt. 16:21. Exod. 16:24), en de jongens struikelen onder het hout, onder den last, die hun wordt opgelegd om te dragen.
De vreugde onzes harten houdt onder zulke zware gerichten op, onze rei is in treurigheid, in boet- en klaagliederen veranderd(Jer. 7:34; 16:9; 31:13. 30:12).
De kroon onzes hoofds, de heerlijkheid, die de Heere ons gegeven had, als aan Zijn uitverkoren en begenadigd volk, is afgevallen; 1) o wee nu onzer, zo moeten wij in de diepste smart zeggen, dat wij zo gezondigd hebben. Ja, onze zonden alleen hebben dat alles verdiend, over deze alleen willen wij klagen.
Onder “de kroon van ons hoofd” is te verstaan, al de heerlijkheid en ere die Juda vroeger had, de hoge stand, die het onder alle volken bekleedde. Calvijn tekent dan ook terecht aan: “Onder kroon van het hoofd, omdat hij zonder twijfel alle versiering waarmee dat volk versierd was. Het had rijk en Priesterschap, die als het ware twee lichten waren, of twee kostbare edelgesteenten; maar het had ook andere dingen, waarmee de Heere het had versierd. Waar het derhalve zulke uitstekende giften miste, wordt het gezegd, de kroon van het hoofd verloren te hebben. Doch de kroon wordt niet alleen genomen voor den diadeem, maar voor het symbool van vrolijkheid en sieraad. ” 17.
III. Vs. 17-22.KruisverwijzingenJesaja 1:5→Psalmen 102:12→Psalmen 13:1→Psalmen 80:3→Klaagliederen 2:11→Micha 3:12→Psalmen 102:25→Psalmen 45:6→
— Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze ogen duister geworden. Om des bergs Sions wil, die verwoest is, waar de vossen op lopen. Gij, o HEERE, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht. Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten? Waarom zoudt Gij ons zo langen tijd verlaten? HEERE, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds. Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?
In den smartvollen aanblik der verwoesting welke het volk des Heeren, maar in ‘t bijzonder de woonplaats des Heeren in zijn midden heeft getroffen, roept de gemeente ten slotte den Heere aan, die eeuwig in Zijn heiligdom des hemels troont, dat Hij Zijn rijk op aarde niet voor eeuwig late te niet gaan. Zij is er daarbij zeker van, dat Hij dit doen kan en wil.
Daarom is ons hart mat; om deze dingen zijn onze ogendoor het vele wenen duister geworden.
Om des bergs Zions wil, 1) waar Uw heilige tempel, de plaats Uwer genadige tegenwoordigheid onder ons stond, om Uwe heilige plaats, die verwoest is, die nu van al hare vorige heerlijkheid is ontdaan, zodat zij nu ene plaats is, waar de vossen (de jakhalzen) op lopen.
Ofschoon hij alle soorten van rampen in het algemeen had zaamgevat, wijst hij nu echter de voornaamste oorzaak der smart aan, dat n. l. de berg Zion hare schoonheid en vorm had verloren. Want die plaats was door God uitverkoren, alsof Hij aldaar van den hemel was afgedaald om te wonen, en wij weten dat zijn schoonheid door wonderschone liederen is verheerlijkt. Daar ook lichtte Gods aangezicht, zoals Mozes en de Profeten dikwijls zeggen. Derhalve was het een zeer treurige verandering, dat waar God op den berg Zion had gewoond, nu de vossen woonden als in een verlaten hol. Want op den berg Zion was de tabernakel of het heiligdom. Waar nu die plaats God en zijn Kerk had bezeten, maar zo verwoest was dat de wolven naar de plaats van God en de gelovigen waren opgegaan, dat was een verschrikkelijk feit. Niet zonder oorzaak maakt Jeremia, nadat hij gesproken heeft over zovele en zo zware verliezen, dit tot het hoofdpunt, dat de berg Zion zó verwoest was dat de wolven er op liepen. Want evenals het een voornaam punt is het als aan de spits stond van alle goeden voor het volk van God gehouden te worden, vervolgens een vertrouwden toegang tot Hem te hebben, zo is in tegenspoed niets droever dan om van de tegenwoordigheid Gods beroofd te zijn. Waar David getuigenis geeft van zijn dankbaarheid jegens God, dat hij begiftigd was met alle soort van goederen daar verenigt hij die allen in: Ik zal in het huis Gods wonen, dewijl, ofschoon hij gesproken had van schatten en rijkdommen en allen overvloed van zaken, hij echter ziet, dat dit het grootste geluk is, indien hij, tegelijk met alle gelovigen, God mag aanroepen en gerekend worden tot Zijn volk. Zo ook toont de Profeet uit het tegenovergestelde aan dat voor de vromen niets treuriger is, dan wanneer God zijn woonplaats heeft verlaten en heeft gewild, dat het beeld van den verlatene aan de ogen der toeschouwers schrik zou aanjagen.
Maar al is ook deze uwe aardse woonplaats onder Uw volk gevallen, Gij, o HEERE! zit in eeuwigheid, Uw troon is gevestigd daarboven in den hemel van geslacht tot geslacht. 1)
Zij vertroosten zich met de leer van Gods eeuwigheid en de duurzaamheid van Zijn regering. Wanneer alle onze vertroostingen uit de schepselen van ons genomen zijn, en onze harten bezwijken, dan kunnen wij ons nog bemoedigen met het geloof, van Gods eeuwigheid. Wat voor omkering op aarde ook moge voorvallen, daar is geen verandering in den eeuwigen Geest. God blijft altoos dezelfde en Hij blijft in eeuwigheid oneindig wijs, heilig, rechtvaardig en goed. De kerk klemt zich vast aan de eeuwige waarheid van Gods opperheerschappij. Zijn troon staat tot in eeuwigheid. Hij heerst en regeert. En daarom, de berg Zion moge ontheiligd zijn, de vossen mogen er verblijf houden, dat zal, dat moet slechts voor een tijd zijn. Hij de eeuwige koning zal er voor zorgen, dat Zijn Rijk op aarde niet ondergaat. Hij heerst over alle volken. Hij is ook machtig om Zion weer uit het stof te doen verrijzen.
HEERE! bekeer ons toch eenmaal tot U, wanneer de tijd der oordelen voorbij is en de tijd des ontfermens komt, zo zullen wijuit de ellende der verstoting bekeerd zijn tot het aanschouwen van Uw genadig aangezicht; vernieuw weer onze levensdagen tot zoveel heil en zegen, tot zulke vreugde en vrede als van ouds, toen wij, uw volk, onder David en Salomo U gewillig en van harte dienden. God is steeds bereid ons hart om te keren, wanneer wij maar bereid zijn door boete en berouw onze boosheid weg te doen. God verlaat ons nooit, tenzij wij Hem eerst verlaten; indien wij dan op een waren weg tot Hem terugkeren, behoeven wij niet te twijfelen, of God zal ook terugkeren in een weg van genade. Er is in onze natuur ene neiging om van God af te gaan, maar gene geschiktheid om terug te keren, voordat Zijne genade in ons werkt het willen en het volbrengen. “Vernieuw onze levensdagen, als van oud” (Jes. 1:26). Indien God door Zijne genade onze harten vernieuwt, zo zal Hij door Zijne gunst onze dagen vernieuwen (Ps. 103:5). Gods genade voor Zijn volk is altijd van ouds geweest. Daarom mogen zij vertrouwen, ook wanneer Hij schijnt hen verlaten en vergeten te hebben, dat de genade, die van eeuwigheid was, ook tot in eeuwigheid zijn zal. . De Profeet bidt hier om bekerende en om herstellende genade. Hij gevoelt de onmacht des volks om zich zelven te bekeren en daarom is zijn enige hoop op de genade Gods, die in staat is het van Hem afgevallen volk tot Hem terug te brengen. Hij weet het, Israël keert niet uit zichzelf tot zijn God terug. Indien de Heere eerst Zich weer als de Alfa toont, als de Eerste, dan is er verwachting op redding. In den weg der bekering ligt de enige redding van stad en volk opgesloten.
Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn? 1) Dat kan toch onmogelijk alzo zijn.
Zodra wij ons den toestand van Jeruzalem bij en na de verwoesting door de hand der Chaldeën en van Juda’s volk in ballingschap, levendig voor ogen plaatsen willen, zullen wij gene tekening zo natuurlijk, zo eigenaardig en zo treffend vinden als die, welke ons hier door Jeremia’s pen wordt afgemaald. Maar indien dit zo is, dan zegt zij al wederom en met luide stem, dat het de zonde is, die deze volksrampen heeft veroorzaakt, en dat zij de rechtvaardige straffen droegen, welke zij zich hadden waardig gemaakt, dan predikt Jeremia door zulk een woord ook nog in onze dagen al is onze toestand geheel en al van dien der Israëllers in zijnen tijd onderscheiden, dat volkszonden ook volksellende ten gevolge hebben. Evenwel is er iets, hetwelk wij hier en meer bijzonder behoren op te merken, dat er namelijk te midden van alle vernedering en jammer dezes aardsen levens, gene zo groot en zo verwoestende is, als die, welke wij hier in vs. 7 aantreffen, dat wij namelijk in de mening zouden staan, zelf de straffen van Gods hand niet verdiend te hebben, maar om der vaderen wil dat onheil te moeten ondergaan. Zodra deze gedachte onze harten vervult gelijk zij bij Juda’s volk gevonden werd (Jer. 31:29, zo betonen wij daarmee, dat wij blind, bevooroordeeld en verdwaald zijn. Nimmer zal een heilig en rechtvaardig God den zoon de ongerechtigheid van zijn vader doen dragen, maar wel zal Hij de misdaden der vaderen bezoeken tot in het derde en vierde lid, wanneer de kinderen in de voetstappen der ouders treden en des Heeren woord en raad blijven versmaden en verwerpen. Juda kende dus zijne misdaden niet en stortte zich zelf daardoor in ene nog dieper ellende, dewijl men zich in dien toestand niet verootmoedigen zal, noch om genade smeken, maar veeleer wrevelig en onverbeterlijk blijven wil. Tijdig en gepast was het daarom, dat Jeremia in het 16e vs. dat volk de schuldbelijdenis in den mond legt: “o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben. ” Dit is toch het enige en ware middel, dat voor den Heilige en Rechtvaardige leert vallen, dat in zich zelven, in eigen zondig gedrag, de schuldige oorzaak der ellende doet zien en zoeken, dat voor den Heere ons doet verootmoedigen, in erkentenis en billijking van zonde en straf, en alleen in dien weg ons de deur der genade ontsluit, daar de Heere den ootmoedigen en verbrijzelden zondaar nimmer afwijst, maar aan hem Zijne ontferming beloofd heeft te willen bewijzen. En is het niet in dien geest, dat Jeremia, ten slotte ene bede doet, en Juda deze bede leert ontboezemen. Is deze bede gegrond op de hoogheid en opperheerschappij van God, die niet slechts Koning was over de ganse aarde, maar ook in het bijzonder over Zijne erfenis, aan welke Hij Zijn verbonden beloften bewaren wilde, en die Hij niet in eeuwigheid verstoten zou, dan bevat de bede zelf bekering tot God en volksherstel als de hoofdoorzaken, om welke moest gevraagd worden, en welker behartiging onafscheidelijk aan elkaar verbonden is. Wat baat het toch ene natie, dat zij tot uitwendig volksherstel geleid, en dat zij door ‘s Heeren goedheid uit bangen nood en bezwaren gered wordt, indien het volk niet tot God wederkeert en aan Zijnen dienst verbonden wordt? Zo lang de zonde, die rampzalige bron van jammer en ellende, niet gestopt wordt, zo lang men niet met God in gemeenschap staat en Zijne gunst niet over ons is, kan de grootste redding en het beste volksgeluk noch duurzaam, noch ook weldadig wezen. Moest nu Israël, in navolging van den Profeet, zich in den nood tot God leren wenden, onder wien men stond, door wiens hand men beweldadigd was, en die als de Almachtige en Algenoegzame alleen redden en helpen kan, dan immers zij dit ook ons aanbevolen en onze bede klimme alzo met onze verwachting tot den Heere alleen. Immers is het niet slechts onze bede, maar ook onze verwachting, welke wij met zulk een gebed voor den Heere uitstorten en Hem opdragen. Niet van ons zelven, niet van eigen wijsheid of kracht verwachten wij toch, alzo biddende, onze bekering en volksherstelling, maar van God alleen. Het is geenszins ons verlangen, alleen tot uitwendige redding, bloei en welvaart te komen, om in al de daaraan verbondene voorrechten te kunnen delen, maar eerstelijk en allermeest om des volks bekering tot dien God, van welken men is afgekeerd. En als wij er met Jeremia bijvoegen, als van ouds, dan geven wij de eer onzer zedelijke en volks-verlossing geheel en alleen aan dien God, die Zich de God der vaderen en van onze menigvuldige verlossing en ontferming betoond heeft te zijn. Werpen wij in dien geest onze smekingen voor des Heeren troon, houden wij alzo bij Hem aan, gelijk Jeremia deed en het volk leerde doen, dan hebben wij voor ons zelven, ten slotte, maar op te merken, dat wij ons met zulk ene bede onder den band der verplichtingen brengen, of zullen wij, dit gebeden hebbende, niet den weg van middelen inslaan, door welken de Heere werken wil? Zullen wij op ons zelven, op onze huisgezinnen, op onzen volkstoestand niet nauwkeurig letten, en ons zelven niet afvragen, wat in dezen onze hand vindt om te doen? zullen vooral de godvruchtigen in dezen gene voorgangers en voorbidders zijn, en nog steeds met Abraham blijven staan voor het aangezicht des Heeren: met Gideon in de kracht Gods het hervormingswerk aanvangen en met zo vele God vererende woningen onze verwachting niet van den Heere onzen God hebben, die op Zijnen tijd redden, helpen en ze geven kan, naar Zijn welbehagen? Niet te vergeefs zal ook deze bede geweest zijn, daar de Heere in den tijd der verlossing van Zijnen Geest heeft uitgestort en het vervallene heeft opgericht, gelijk elk gebed, in Christus naam opgezonden, gewis verhoring vindt. Hoewel wij reden hebben om te treuren over den jammerlijken toestand der Kerk, kan het ware Zion, tot hetwelk de gelovigen zijn gekomen, niet vernietigd worden, maar zal het altijd blijven. Onze betrekking, als opgenomen in Gods gemeenschap, kan niet worden te niet gedaan, noch de zekerheid onzer behoudenis worden vernietigd, noch onze vreugde en roem in Christus worden ijdel gemaakt. Beproevingen mogen onze harten twijfelend maken en onze ogen donker, maar onze weg tot den genadetroon van den met ons verbondenen God is open. Wij mogen bidden, dat Hij ons niet vergete of verlate, en dat Hij terugkere en ons meer en meer vernieuwe door Zijne genade, dat onze hoop herleve, en onze vertroostingen over ons zijn als in de dagen van ouds. Laat ons in al onze moeilijkheden al ons vertrouwen stellen op Zijne genade; laat ons onze zonden belijden en onze harten voor Hem openen; laat ons waken tegen morren en wantrouwen, wat wij ook mogen lijden; want wij weten zeker, dat het in ‘t einde wel zal zijn met allen, die in den Heere geloven, Hem vrezen, liefhebben en dienen. . Zijn niet, als in Jeremia’s dagen, des Heeren oordelen op aarde? En mogen wij niet de reden opsporen van des Heeren jaloersheid over Zijn Zion? Reinigde Christus de kerk met Zijn bloed, en zou Hij dan onverschillig kunnen zijn omtrent hare hoogste belangen? Dat Zion dan door ons in ernstige gebeden worde gedacht, en haar welvaart worde gesteld boven onze eigene vreugde! O, dat de toegenegenheid van elks hart onder den invloed des Heiligen Geestes er zich naar uitstrekte, om met ons tot God voor Zion bidden: spaar, Heere! spaar Uw volk, en geef Uwe erfenis niet over tot bespotting, dat Heidenen over haar zouden regeren. Niet alsof zij dachten, dat God hen vergeten en verlaten had, veel minder dat zij vreesden, dat Hij hen voor altoos vergeten en verlaten zou, maar dus willen zij de waarde uitdrukken, die zij stellen in Zijne gunst en tegenwoordigheid, waarvan zij dachten de bewijzen en vertroosting al lang verloren te hebben. Het laatste vers kan als zulk een smeking gelezen worden. Want zoudt Gij ons ganselijk verstoten? Zult Gij altoos op ons vertoornd zijn? Niet alleen ons niet vriendelijk aanzien, en ons in genade gedenken, maar ons van Uwe tegenwoordigheid verstoten en ons te verbieden tot U te naderen. Hoe zal dit overeen te brengen zijn met Uwe goedheid en getrouwheid en met de standvastigheid van Uw verbond? Merkt hieraan: hoewel wij met God niet mogen twisten, zo mogen wij toch met Hem pleiten, en hoewel wij niet mogen besluiten, dat Hij ons verstoten heeft, nochtans mogen wij met den Profeet nederig met Hem spreken over Zijne oordelen, bijzonder over het aanhouden der verwoesting van Zijn heiligdom. (HENRY. Het lied eindigt met vertrouwen en troost in God; het bedroefde hart vol van het diepste berouw onder het kruis rust en vrede gevonden, anders was het ook niet mogelijk, omdat het toch het klaaglied niet is van het goddeloze en inderdaad verworpene Israël, maar van het Israël, dat met den Heere worstelt en altijd uitroept: Ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent. Dat het laatste vers nog eens de smart over Gods ondervonden gericht uitdrukt, komt geheel overeen met het karakter der Klaagliederen, die klagen en smeken moeten tot aan het einde. Toch eindigt het niet zonder hoop, al kan ook de hoop zich niet verheffen tot een blij gejubel der overwinning, al schemert het slechts van verre door als de morgenster door de wolken, als de morgenster, die zelf nog wel niet de schaduwen van den nacht verdrijft, maar toch het opgaan der zon en hare overwinning aankondigt. Hoe menigvuldiger en verschrikkelijker de gerichten Gods over de Kerk des Heeren toenemen, hoe meer de laatste, grootste droefheid nadert, welke aan de wederkomst des Heeren moet voorafgaan, des te meer zal ook de betekenis der Klaagliederen worden erkend en haar rijke vertroosting worden gewaardeerd, dan zal het ook aan dezen worden bevestigd, dat des Heeren Woord eeuwig is en uit Gods Heiligen Geest geboren. Het slot is een pleiten op de onveranderlijkheid Gods. Het kan niet, wil de Profeet zeggen, dat Gij zo verbolgen, zo onverzoenlijk zijt, dat er geen redding mogelijk is en geen herstelling van stad en tempel meer te verkrijgen. Het is echter een pleiten in het besef van eigen onwaardigheid en diep bederf, en een vrijlaten van den Heere, om op Zijn tijd te komen tot redding. De eigen ere Gods is er mede gemoeid, indien het volk onherroepelijk tot vernietiging wordt overgegeven. En daarom mag men gerust zeggen, dat in dit laatste vers, al schijnt het zo niet, het morgenrood van den dag der verlossing wordt aanschouwd. De Profeet blijft vasthouden aan deze waarheid, dat de Heilige en Rechtvaardige, tevens is de Barmhartige en de Genadige. SLOTWOORD OP DE KLAAGLIEDEREN VAN JEREMIA. Zoals we reeds in onze inleiding opmerkten, wordt in dit Boek de Profeet Jeremia wel niet genoemd als de Schrijver, maar inhoud, geest en taal van deze vijf liederen zeggen het ons zo duidelijk mogelijk, dat niemand anders dan de meest beproefde onder de Profeten, ze als op de puinhopen van Jeruzalem heeft vervaardigd. En dat niet langen tijd na, of bij tussenpozen, maar onmiddellijk na elkaar. Dit wijst uit het organisch verband, waarin zij tot elkaar staan. Dat niemand anders dan Jeremia ze heeft vervaardigd, blijkt duidelijk uit het feit, dat we, gelijk in zijn profetisch Boek, gedurig toespelingen hebben op de Wet, en ook in deze liederen een gedurige herhaling van dezelfde gedachten gevonden wordt, gelijk dat in zijn profetisch Boek het geval is. Ook hier wordt gewezen op dezelfde oorzaken van ballingschap en verwoesting, n. l. op de zonden van Jeruzalem en Juda tegen God, en het schenden van Zijn heilige Wet. De liederen zelf spreken uit: het bange en innig gevoelde lijden van hem, die de diepste smart ervaart over het verlies van stad en tempel. Hij kan dan ook niet eindigen, dan in een gebed, in een verzuchting om bekering, om waarachtige bekering, om herstelling. Hij, door den Geest Gods gedreven, moet blijven pleiten op de Verbondsgenade van Israëls God, waar hij weet dat die God de God des ontfermens is, die niet eeuwiglijk toornt tegen Zijn volk. Het is daarom dat de Kerk van alle eeuwen, te midden van vernedering en smaad, van worsteling en lijden, niet alleen met woorden aan de Psalmen, maar ook aan deze “Klaagliederen” ontleend, zich heeft gewend tot Hem, die Zijn volk wel in de diepte van lijden doet zinken, maar niet wegzinken, die immer getoond heeft de enige en volkomen Hersteller van Zijn gunstvolk te zijn.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel