Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Aleph. HoeH349 heeft de HeereH136 de dochterH1323 SionsH6726 in Zijn toornH639 bewolktH5743? Hij heeft de heerlijkheidH8597 van IsraelH3478 van den hemelH8064 op de aardeH776 nedergeworpenH7993; en Hij heeft aan de voetbankH1916 Zijner voetenH7272 nietH3808 gedachtH2142 in den dagH3117 Zijns toornsH639.
Aleph. Hoe heeft de Heere de dochter Sions in Zijn toorn bewolkt? Hij heeft de heerlijkheid van Israel van den hemel op de aarde nedergeworpen; en Hij heeft aan de voetbank Zijner voeten niet gedacht in den dag Zijns toorns.
KJV
How hath the Lord4
covered2
the daughter6
of Zion7
with a cloud
in his anger,3
and cast down8
from heaven9
unto the earth10
the beauty11
of Israel,12
and remembered14
not his footstool15
in the day17
of his anger!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Beth. De HeereH136 heeft alH3605 de woningenH4999 JakobsH3290 verslondenH1104, en heeft ze nietH3808 verschoondH2550; Hij heeft de vastighedenH4013 der dochterH1323 van JudaH3063 afgebrokenH2040 in Zijn verbolgenheidH5678, Hij heeft gemaakt, dat zij de aardeH776 rakenH5060; Hij heeft het koninkrijkH4467 en deszelfs vorstenH8269 ontheiligdH2490.
Beth. De Heere heeft al de woningen Jakobs verslonden, en heeft ze niet verschoond; Hij heeft de vastigheden der dochter van Juda afgebroken in Zijn verbolgenheid, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft het koninkrijk en deszelfs vorsten ontheiligd.
KJV
The Lord2
hath swallowed up1
all the habitations7
of Jacob,8
and hath not pitied:4
he hath thrown down9
in his wrath10
the strong holds11
of the daughter12
of Judah;13
he hath brought them down14
to the ground:15
he hath polluted16
the kingdom17
and the princes
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Gimel. Hij heeft, in ontstekingH2750 des toornsH639, den gehelen hoornH7161 IsraelsH3478 afgehouwenH1438; Hij heeft Zijn rechterhandH3225 achterwaartsH268 getrokkenH7725, toen de vijandH341 kwam, en Hij is tegen JakobH3290 ontstokenH1197 als een vlammendH3852 vuurH784, dat rondomH5439 verteertH398.
Gimel. Hij heeft, in ontsteking des toorns, den gehelen hoorn Israels afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts getrokken, toen de vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert.
KJV
He hath cut off1
in his fierce2
anger3
all the horn5
of Israel:6
he hath drawn7
back8
his right hand9
from before10
the enemy,11
and he burned12
against Jacob13
like a flaming15
fire,14
which devoureth16
round about.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Daleth. Hij heeft Zijn boogH7198 gespannenH1869 als een vijandH341; Hij heeft zich met Zijn rechterhandH3225 gesteldH5324 als een tegenpartijderH6862, dat Hij dooddeH2026 alH3605 de begeerlijkeH4261 dingen der ogenH5869; Hij heeft Zijn grimmigheidH2534 in de tentH168 der dochterH1323 SionsH6726 uitgestortH8210 als een vuurH784.
Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand; Hij heeft zich met Zijn rechterhand gesteld als een tegenpartijder, dat Hij doodde al de begeerlijke dingen der ogen; Hij heeft Zijn grimmigheid in de tent der dochter Sions uitgestort als een vuur.
KJV
He hath bent1
his bow2
like an enemy:3
he stood4
with his right hand5
as an adversary,6
and slew7
all that were pleasant9
to the eye10
in the tabernacle11
of the daughter12
of Zion:13
he poured out14
his fury16
like fire.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
He. De HeereH136 isH1961 geworden als een vijandH341; Hij heeft IsraelH3478 verslondenH1104, Hij heeft alH3605 haar paleizenH759 verslondenH1104. Hij heeft deszelfs vastighedenH4013 verdorvenH7843; en Hij heeft bij de dochterH1323 van JudaH3063 het klagenH8386 en kermenH592 vermenigvuldigdH7235.
He. De Heere is geworden als een vijand; Hij heeft Israel verslonden, Hij heeft al haar paleizen verslonden. Hij heeft deszelfs vastigheden verdorven; en Hij heeft bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd.
KJV
The Lord2
was as an enemy:3
he hath swallowed up4
Israel,5
he hath swallowed up6
all her palaces:8
he hath destroyed9
his strong holds,10
and hath increased11
in the daughter12
of Judah13
mourning14
and lamentation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Vau. En Hij heeft Zijn hutH7900 met geweldH2554 afgerukt, als een hofH1588, Hij heeft Zijn vergaderplaatsH4150 verdorvenH7843; de HEEREH3068 heeft in SionH6726 doen vergetenH7911 den hoogtijdH4150 en den sabbatH7676, en Hij heeft in de gramschapH2195 Zijns toornsH639 den koningH4428 en den priesterH3548 smadelijk verworpenH5006.
Vau. En Hij heeft Zijn hut met geweld afgerukt, als een hof, Hij heeft Zijn vergaderplaats verdorven; de HEERE heeft in Sion doen vergeten den hoogtijd en den sabbat, en Hij heeft in de gramschap Zijns toorns den koning en den priester smadelijk verworpen.
KJV
And he hath violently taken away1
his tabernacle,3
as if it were of a garden:2
he hath destroyed4
his places of the assembly:5
the LORD7
hath caused the solemn feasts9
and sabbaths10
to be forgotten6
in Zion,8
and hath despised11
in the indignation12
of his anger13
the king14
and the priest.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zain. De HeereH136 heeft Zijn altaarH4196 verstotenH2186. Hij heeft Zijn heiligdomH4720 te niet gedaan, Hij heeft de murenH2346 harer paleizenH759 in des vijandsH341 handH3027 overgegevenH5462; zij hebben in het huisH1004 des HEERENH3068 een stemH6963 verhevenH5414 als op den dagH3117 eens gezetten hoogtijdsH4150.
Zain. De Heere heeft Zijn altaar verstoten. Hij heeft Zijn heiligdom te niet gedaan, Hij heeft de muren harer paleizen in des vijands hand overgegeven; zij hebben in het huis des HEEREN een stem verheven als op den dag eens gezetten hoogtijds.
KJV
The Lord2
hath cast off1
his altar,3
he hath abhorred4
his sanctuary,5
he hath given up6
into the hand7
of the enemy8
the walls9
of her palaces;10
they have made12
a noise11
in the house13
of the LORD,14
as in the day15
of a solemn feast.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Cheth. De HEEREH3068 heeft gedachtH2803 te verdervenH7843 den muurH2346 der dochterH1323 SionsH6726; Hij heeft het richtsnoerH6957 daarover getogenH5186, Hij heeft Zijn handH3027 niet afgewendH7725, dat Hij ze niet verslondeH1104; en Hij heeft den voormuurH2426 en den muurH2346 te zamenH3162 treurigH56 gemaakt, zij zijn verzwaktH535.
Cheth. De HEERE heeft gedacht te verderven den muur der dochter Sions; Hij heeft het richtsnoer daarover getogen, Hij heeft Zijn hand niet afgewend, dat Hij ze niet verslonde; en Hij heeft den voormuur en den muur te zamen treurig gemaakt, zij zijn verzwakt.
KJV
The LORD2
hath purposed1
to destroy3
the wall4
of the daughter5
of Zion:6
he hath stretched out7
a line,8
he hath not withdrawn10
his hand11
from destroying:12
therefore he made the rampart14
and the wall15
to lament;13
they languished17
together.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Teth. Haar poortenH8179 zijn in de aardeH776 verzonkenH2883; Hij heeft haar grendelenH1280 verdorvenH6 en gebrokenH7665; haar koningH4428 en haar vorstenH8269 zijn onder de heidenenH1471; er is geen wetH8451; haar profetenH5030 vindenH4672 ookH1571 geen gezichtH2377 van den HEEREH3068.
Teth. Haar poorten zijn in de aarde verzonken; Hij heeft haar grendelen verdorven en gebroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen; er is geen wet; haar profeten vinden ook geen gezicht van den HEERE.
KJV
Her gates3
are sunk1
into the ground;2
he hath destroyed4
and broken5
her bars:6
her king7
and her princes8
are among the Gentiles:9
the law11
is no more; her prophets13
also find15
no vision16
from the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Jod. De oudstenH2205 der dochterH1323 SionsH6726 zittenH3427 op de aardeH776, zij zwijgen stilH1826, zij werpenH5927 stofH6083 opH5921 hun hoofdH7218, zij hebben zakkenH8242 aangegordH2296; de jonge dochtersH1330 van JeruzalemH3389 latenH3381 haar hoofdH7218 ter aardeH776 hangenH3381.
Jod. De oudsten der dochter Sions zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen.
KJV
The elders4
of the daughter5
of Zion6
sit1
upon the ground,2
and keep silence:3
they have cast up7
dust8
upon their heads;10
they have girded11
themselves with sackcloth:12
the virgins16
of Jerusalem17
hang down13
their heads15
to the ground.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Caph. Mijn ogenH5869 zijn verteerdH3615 door tranenH1832, mijn ingewandH4578 wordt beroerdH2560; mijn leverH3516 is ter aardeH776 uitgeschudH8210, vanwegeH5921 de breukH7667 der dochterH1323 mijns volksH5971; omdat het kindH5768 en de zuigelingH3243 op de stratenH7339 der stadH7151 in onmacht zinkenH5848;
Caph. Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd; mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk der dochter mijns volks; omdat het kind en de zuigeling op de straten der stad in onmacht zinken;
KJV
Mine eyes3
do fail1
with tears,2
my bowels5
are troubled,4
my liver8
is poured6
upon the earth,7
for the destruction10
of the daughter11
of my people;12
because the children14
and the sucklings15
swoon13
in the streets16
of the city.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Lamed. Als zij totH413 hun moedersH517 zeggenH559: Waar is korenH1715 en wijnH3196, als zij op de stratenH7339 der stadH5892 in onmacht zinkenH5848, als de verslagenenH2491; als zich hun zielH5315 uitschudtH8210 in den schootH2436 hunner moedersH517.
Lamed. Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, als zij op de straten der stad in onmacht zinken, als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in den schoot hunner moeders.
KJV
They say2
to their mothers,1
Where is corn4
and wine?5
when they swooned6
as the wounded7
in the streets8
of the city,9
when their soul11
was poured out10
into their mothers'14
bosom.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Mem. WatH4100 getuigenH5749 zal ik u brengen, watH4100 zal ik bij u vergelijken, gij dochterH1323 JeruzalemsH3389? WatH4100 zal ik bij u vergelijken, dat ik u troosteH5162, gij jonkvrouwH1330, dochterH1323 SionsH6726, want uw breukH7667 is zo grootH1419 als de zeeH3220, wieH4310 kan u helenH7495?
Mem. Wat getuigen zal ik u brengen, wat zal ik bij u vergelijken, gij dochter Jeruzalems? Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste, gij jonkvrouw, dochter Sions, want uw breuk is zo groot als de zee, wie kan u helen?
Ook in dit vers
bijvergelijkenH1819
bijvergelijkenH7737
KJV
What thing shall I take to witness2
for thee? what thing1
shall I liken4
to thee, O daughter6
of Jerusalem?7
what shall I equal9
to thee, that I may comfort11
thee, O virgin12
daughter13
of Zion?14
for thy breach18
is great16
like the sea:17
who can heal
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Nun. Uw profetenH5030 hebben u ijdelheidH7723 en ongerijmdheidH8602 gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheidH5771 nietH3808 geopenbaardH1540, om uw gevangenisH7622 af te wendenH7725, maar zij hebben voor u gezien ijdeleH7723 lastenH4864 en uitstotingenH4065.
Nun. Uw profeten hebben u ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en uitstotingen.
KJV
Thy prophets1
have seen2
vain4
and foolish things5
for thee: and they have not discovered7
thine iniquity,9
to turn away10
thy captivity;11
but have seen12
for thee false15
burdens14
and causes of banishment.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Samech. AllenH3605, die over wegH5674 gaan, klappenH5606 met de handenH3709 over u, zij fluitenH8319 en schuddenH5128 hun hoofdH7218 overH5921 de dochterH1323 JeruzalemsH3389, zeggende: Is ditH2063 die stadH5892, waar men van zeideH559, dat zij volkomenH3632 van schoonheidH3308 was, een vreugdeH4885 der ganseH3605 aardeH776?
Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter Jeruzalems, zeggende: Is dit die stad, waar men van zeide, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde der ganse aarde?
KJV
All that pass5
by clap1
their hands3
at thee;6
they hiss7
and wag8
their head9
at the daughter11
of Jerusalem,12
saying, Is this the city14
that men call15
The perfection16
of beauty,17
The joy18
of the whole earth?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Pe. AlH3605 uw vijandenH341 sperrenH6475 hun mondH6310 op over u, zij fluitenH8319 en knersenH2786 met de tandenH8127, zij zeggenH559: Wij hebben haar verslondenH1104; dit is immers de dagH3117, dien wij verwachtH6960 hebben, wij hebben hem gevondenH4672, wij hebben hem gezienH7200.
Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.
KJV
All thine enemies5
have opened1
their mouth3
against thee: they hiss6
and gnash7
the teeth:8
they say,9
We have swallowed her up:10
certainly11
this is the day13
that we looked for;14
we have found,15
we have seen
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Ain. De HEEREH3068 heeft gedaanH6213, watH834 Hij gedachtH2161 had, Hij heeft Zijn woordH565 vervuldH1214, datH834 Hij bevolenH6680 had van oudeH6924 dagenH3117; Hij heeft afgebrokenH2040 en nietH3808 gespaardH2550; en Hij heeft den vijandH341 overH5921 u verblijdH8055, Hij heeft den hoornH7161 uwer tegenpartijdersH6862 verhoogdH7311.
Ain. De HEERE heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft den vijand over u verblijd, Hij heeft den hoorn uwer tegenpartijders verhoogd.
KJV
The LORD2
hath done1
that which he had devised;4
he hath fulfilled5
his word6
that he had commanded8
in the days9
of old:10
he hath thrown down,11
and hath not pitied:13
and he hath caused thine enemy16
to rejoice14
over thee, he hath set up17
the horn18
of thine adversaries.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Tsade. Hun hartH3820 schreeuwdeH6817 totH413 den HeereH136: O gij muurH2346 der dochterH1323 SionsH6726, laat dagH3119 en nachtH3915 tranenH1832 afvlietenH3381 als een beekH5158; geefH5414 uzelve geen rustH6314, uw oogappelH1323 houdeH1826 niet op!
Tsade. Hun hart schreeuwde tot den Heere: O gij muur der dochter Sions, laat dag en nacht tranen afvlieten als een beek; geef uzelve geen rust, uw oogappel houde niet op!
KJV
Their heart2
cried1
unto the Lord,4
O wall5
of the daughter6
of Zion,7
let tears10
run down8
like a river9
day11
and night:12
give14
thyself no rest;15
let not the apple19
of thine eye20
cease.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Koph. MaakH6965 u op, maak geschreiH7442 des nachtsH3915 in het beginH7218 der nachtwakenH821, stortH8210 uw hartH3820 uit voor het aangezichtH6440 des HeerenH136 als waterH4325; hefH5375 uw handenH3709 totH413 Hem opH5921 voor de zielH5315 uwer kinderkensH5768, die in onmacht gevallenH5848 zijn van hongerH7458, vooraanH7218 op alleH3605 stratenH2351.
Koph. Maak u op, maak geschrei des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht des Heeren als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel uwer kinderkens, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.
KJV
Arise,1
cry out2
in the night:3
in the beginning4
of the watches5
pour out6
thine heart8
like water7
before9
the face10
of the Lord:11
lift up12
thy hands14
toward him for the life16
of thy young children,17
that faint18
for hunger19
in the top20
of every street.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Resch. ZieH7200, HEEREH3068, aanschouwH5027 toch, aan wienH4310 Gij alzoH3541 gedaan hebt; zullen dan de vrouwenH802 haar vruchtH6529 etenH398, de kinderkensH5768, die men op de handen draagtH2949? Zullen dan de profeetH5030 en de priesterH3548 in het heiligdomH4720 des HeerenH136 gedoodH2026 worden?
Resch. Zie, HEERE, aanschouw toch, aan wien Gij alzo gedaan hebt; zullen dan de vrouwen haar vrucht eten, de kinderkens, die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester in het heiligdom des Heeren gedood worden?
KJV
Behold,1
O LORD,2
and consider3
to whom thou hast done5
this.6
Shall the women9
eat8
their fruit,10
and children11
of a span long?12
shall the priest17
and the prophet18
be slain14
in the sanctuary15
of the Lord?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Schin. De jongenH5288 en de oudenH2205 liggenH7901 op de aardeH776 op de stratenH2351; mijn jonkvrouwenH1330 en mijn jongelingenH970 zijn door het zwaardH2719 gevallenH5307; Gij hebt ze in den dagH3117 Uws toornsH639 gedoodH2026, Gij hebt ze geslachtH2873 en nietH3808 verschoondH2550.
Schin. De jongen en de ouden liggen op de aarde op de straten; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn door het zwaard gevallen; Gij hebt ze in den dag Uws toorns gedood, Gij hebt ze geslacht en niet verschoond.
KJV
The young4
and the old5
lie1
on the ground2
in the streets:3
my virgins6
and my young men7
are fallen8
by the sword;9
thou hast slain10
them in the day11
of thine anger;12
thou hast killed,13
and not pitied.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Thau. Gij hebt mijn verschrikkingenH4032 van rondomH5439 geroepenH7121, als tot een dagH3117 eens gezetten hoogtijdsH4150; en er isH1961 niemand aan den dagH3117 des toornsH639 des HEERENH3068 ontkomenH6412 of overgeblevenH8300; dieH834 ik op de handen gedragenH2946 en opgetogenH7235 heb, die heeft mijn vijandH341 omgebrachtH3615.
Thau. Gij hebt mijn verschrikkingen van rondom geroepen, als tot een dag eens gezetten hoogtijds; en er is niemand aan den dag des toorns des HEEREN ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en opgetogen heb, die heeft mijn vijand omgebracht.
KJV
Thou hast called1
as in a solemn3
day2
my terrors4
round about,5
so that in the day8
of the LORD'S10
anger9
none escaped11
nor remained:12
those that I have swaddled14
and brought up15
hath mine enemy16
consumed.
Hoe heeft de HEERE
Zie boven Klaagl. 1:1 .
Hertaald:
Hoe heeft de HEERE
Zie hierboven Klaagl. 1:1.
de dochter Sions
Dat is, het volk van Jeruzalem, hetwelk Gode zo lief en waard placht te zijn, als een dochter haren ouders. Zie Ps. 87:2 .
Hertaald:
de dochter Sions
Dat is: het volk van Jeruzalem, dat God zo lief en waard placht te zijn als een dochter haar ouders. Zie Ps. 87:2.
in Zijn toorn
Zijnde over haar onstoken vanwege hare zonden en menigvuldige overtredingen.
Hertaald:
in Zijn toorn
Namelijk Zijn toorn, die tegen haar ontstoken was vanwege haar zonden en talrijke overtredingen.
bewolkt?
Of, met ene wolk bedekt; de zin is: In de plaats, waar God de Heere eertijds zijn volk met een dikke wolk ten goede bedekt heeft, daar bedekt Hij hen nu met een dikke wolk van menigerlei ellende.
Hertaald:
bewolkt?
Of: met een wolk bedekt. De betekenis is: op de plaats waar God de HEERE vroeger Zijn volk met een dikke wolk ten goede bedekt heeft, bedekt Hij hen nu met een dikke wolk van allerlei ellende.
heerlijkheid Israëls
Dat is, den heerlijken staat, waarin Hij zijn volk geplant had. Of versta hier door de heerlijkheid van Israël de ark des verbonds; gelijk 1 Sam. 4:21-22 .
Hertaald:
heerlijkheid Israëls
Dat is: de heerlijke staat waarin Hij Zijn volk geplant had. Of versta hier onder de heerlijkheid van Israël de ark van het verbond, zoals 1 Sam. 4:21-22.
van den hemel op de aarde nedergeworpen;
Dat is, van den hoogsten trap der voortreffelijke heerlijkheid tot den nederigsten stand der ellende; vergelijk Ob. 1:4 ; Ps. 102:11 ; Matt. 11:23 .
Hertaald:
van den hemel op de aarde nedergeworpen;
Dat is: van de hoogste trap van voortreffelijke heerlijkheid tot de laagste staat van ellende; vergelijk Obadja 1:4; Ps. 102:11; Matth. 11:23.
aan de voetbank Zijner voeten
Dat is, aan zijnen tempel en aan den godsdienst, dien men daarin oefende; of versta door de voetbank de ark des verbonds; zie 1 Kron. 28:2 ; zie ook Ex. 25:18-20 ; 2 Sam. 6:2 ; 2 Kon. 19:15 ; Ps. 99:5 , en Ps. 132:7 .
Hertaald:
aan de voetbank Zijner voeten
Dat is: aan Zijn tempel en aan de godsdienst die men daarin oefende. Of versta onder de voetbank de ark van het verbond; zie 1 Kron. 28:2; zie ook Ex. 25:18-20; 2 Sam. 6:2; 2 Kon. 19:15; Ps. 99:5 en Ps. 132:7.
in den dag Zijns toorns
Te weten als Hij in zijn toorn Jeruzalem door de Chaldeën heeft laten verdelgen.
Hertaald:
in den dag Zijns toorns
Namelijk toen Hij in Zijn toorn Jeruzalem door de Chaldeeën heeft laten verdelgen.
al de woningen Jakobs
Dat is, al de schone behuizingen, waarin Hij zijn volk, te weten de nakomelingen van Jakob, geplaatst had.
Hertaald:
al de woningen Jakobs
Dat is: al de mooie woningen waarin Hij Zijn volk, namelijk de nakomelingen van Jakob, geplaatst had.
verslonden,
Dat is, schielijk te schande gemaakt, zodat zij schijnen opgeslokt of verslonden te zijn.
Hertaald:
verslonden,
Dat is: plotseling te schande gemaakt, zodat zij als opgeslokt of verslonden lijken.
heeft de vastigheden
Dat is, al de bolwerken, kastelen, torens, die in het Joodse land opgericht waren tot bescherming des lands; vergelijk Luc. 19:44 .
Hertaald:
heeft de vastigheden
Dat is: al de bolwerken, kastelen en torens die in het Joodse land opgericht waren tot bescherming van het land; vergelijk Luk. 19:44.
der dochter van Juda
Dat is, de nakomelingen van Jakob.
Hertaald:
der dochter van Juda
Dat is: de nakomelingen van Jakob.
in Zijn verbolgenheid,
Ontstoken zijnde over zijn volk vanwege hun menigvuldige overtredingen.
Hertaald:
in Zijn verbolgenheid,
Omdat Hij tegen Zijn volk ontstoken was vanwege hun talrijke overtredingen.
Hij heeft het koninkrijk
Dat is, Hij heeft de ganse natie der Joden, hoge en lage stadspersonen, als onrein verworpen en overgegeven in de handen der goddeloze volken om van hen mishandeld en van alle heerlijkheid beroofd te worden; vergelijk Jes. 47:6 .
Hertaald:
Hij heeft het koninkrijk
Dat is: Hij heeft het hele Joodse volk, hoog en laag, als onrein verworpen en overgegeven in de handen van de goddeloze volken, om door hen mishandeld en van alle heerlijkheid beroofd te worden; vergelijk Jes. 47:6.
in ontsteking des toorns,
Dat is, in zijn groten toorn, gelijk Deut. 29:24 .
Hertaald:
in ontsteking des toorns,
Dat is: in Zijn grote toorn, zoals Deut. 29:24.
den gehelen hoorn
Dat is, al de macht en heerlijkheid van het Joodse volk; zie Deut. 33:17 ; 1 Sam. 2:1 ; Jer. 48:25 .
Hertaald:
den gehelen hoorn
Dat is: alle macht en heerlijkheid van het Joodse volk; zie Deut. 33:17; 1 Sam. 2:1; Jer. 48:25.
Hij heeft Zijn rechterhand
Dat is, Hij heeft ons zijne macht, bijstand en gunstige hulp onttrokken.
Hertaald:
Hij heeft Zijn rechterhand
Dat is: Hij heeft ons Zijn macht, bijstand en gunstige hulp onttrokken.
toen de vijand kwam,
Hebreeuws, van, of voor het aangezicht des vijands. De zin is dat Hij de Israëlieten niet helpen wilde toen zij voor den vijand vluchtten.
Hertaald:
toen de vijand kwam,
Hebreeuws: van, of voor het aangezicht van de vijand. De betekenis is dat Hij de Israëlieten niet wilde helpen toen zij voor de vijand vluchtten.
tegen Jakob ontstoken
Tegen de nakomelingen van Jakob, doch inzonderheid tegen den stam van Juda.
Hertaald:
tegen Jakob ontstoken
Tegen de nakomelingen van Jakob, maar vooral tegen de stam van Juda.
gespannen
Hebreeuws, getreden; zie Ps. 7:13 .
Hertaald:
gespannen
Hebreeuws: getreden; zie Ps. 7:13.
als een vijand;
De zin is: De Heere maakt zijne wapenen nog vaardig om ons nog meer te bederven, gelijk de vijanden doen, die elkander zoeken te beschadigen.
Hertaald:
als een vijand;
De betekenis is: de HEERE maakt Zijn wapens nog gereed om ons verder te verderven, zoals vijanden doen die elkaar proberen te beschadigen.
gesteld
Te weten tegen Zion.
Hertaald:
gesteld
Namelijk tegen Sion.
al de begeerlijke dingen der ogen;
Zie 1 Kon. 20:6 ; vergelijk Ezech. 24:16 , Ezech. 24:21 , Ezech. 24:25 . Versta hier door de begeerlijke dingen der ogen de jonge manschap, de bloem des volks, idem, de priesters, de vorsten, en al wat lieflijk en aangenaam was.
Hertaald:
al de begeerlijke dingen der ogen;
Zie 1 Kon. 20:6; vergelijk Ezech. 24:16, Ezech. 24:21, Ezech. 24:25. Versta hier onder de begeerlijke dingen van de ogen de jonge mannen, de bloem van het volk, en ook de priesters, de vorsten en alles wat lieflijk en aangenaam was.
in de tent der dochter Sions
Dat is, in het midden van zijn volk, of in de stad Jeruzalem.
Hertaald:
in de tent der dochter Sions
Dat is: in het midden van Zijn volk, of in de stad Jeruzalem.
uitgestort als een vuur
Dat is, zeer overvloedig laten komen; zie de aantekening Ps. 79:6 .
Hertaald:
uitgestort als een vuur
Dat is: zeer overvloedig laten komen; zie de aantekening bij Ps. 79:6.
De Heere is geworden als een vijand;
Den mensen kan men enigszins tegenstand doen, maar Gode geenszins.
Hertaald:
De Heere is geworden als een vijand;
Mensen kan men enigszins weerstand bieden, maar God volstrekt niet.
verslonden,
Zie vs.2.
Hertaald:
verslonden,
Zie vers 2.
haar paleizen
Te weten van dochter Zions, dat is Jeruzalem.
Hertaald:
haar paleizen
Namelijk van de dochter Sions, dat is: Jeruzalem.
deszelfs vastigheden verdorven;
Te weten Israëls. De zin is: De Heere heeft al de sterkten en forteressen verwoest, die gebouwd waren tot bescherming der Israëlieten.
Hertaald:
deszelfs vastigheden verdorven;
Namelijk die van Israël. De betekenis is: de HEERE heeft alle sterkten en vestingen verwoest die gebouwd waren tot bescherming van de Israëlieten.
het klagen en kermen vermenigvuldigd
Of, de treuring en droefheid; gelijk Jes. 29:2 .
Hertaald:
het klagen en kermen vermenigvuldigd
Of: de treurnis en droefheid, zoals Jes. 29:2.
hut
Of, tuin; dat is, tabernakel of tempel. Zie Ps. 76:3 , en Ps. 80:13 , en Ps. 89:41 , enz. en Jes. 5:5 .
Hertaald:
hut
Of: tuin; dat is: tabernakel of tempel. Zie Ps. 76:3, Ps. 80:13 en Ps. 89:41, enzovoort, en Jes. 5:5.
met geweld afgerukt,
Of, met wrevel. Het Hebreeuwse woord betekent iets met onstuimigheid wegrukken, vergelijk Ps. 80:13 , en Ps. 89:41 , enz. en Jes. 5:5 .
Hertaald:
met geweld afgerukt,
Of: met wrevel. Het Hebreeuwse woord betekent: iets met onstuimigheid wegrukken; vergelijk Ps. 80:13 en Ps. 89:41, enzovoort, en Jes. 5:5.
Zijn vergaderplaats
Of de plaats zijner samenkomst, waar zijn volk placht te vergaderen om den godsdienst te oefenen; te weten den tempel en de synagogen.
Hertaald:
Zijn vergaderplaats
Of: de plaats van Zijn samenkomst, waar Zijn volk placht samen te komen om de godsdienst te oefenen, namelijk de tempel en de synagogen.
den hoogtijd en den sabbat,
Dat is, het houden van de gewone feesten alle jaren en den sabbat alle week.
Hertaald:
den hoogtijd en den sabbat,
Dat is: het houden van de gewone feesten elk jaar en van de sabbat elke week.
den koning en den priester
Dat is, de regeerders van landen en steden, alsook de leraars der kerk. De zin is: Hij heeft zo den kerkelijken als den burgerlijken staat het onderst boven gekeerd.
Hertaald:
den koning en den priester
Dat is: de bestuurders van landen en steden, en ook de leraars van de kerk. De betekenis is: Hij heeft zowel de kerkelijke als de burgerlijke staat ondersteboven gekeerd.
Zijn heiligdom
Dat is zijnen tempel.
Hertaald:
Zijn heiligdom
Dat is: Zijn tempel.
te niet gedaan,
Anders: verfoeid; alsof het een vervloekte plaats ware geworden, waardig dat men er een afgrijzen van heeft. De zin is: Hij kan nu die plaats niet lijden of verdragen, in welke Hij voor dezen een lust en welgevallen gehad heeft; vergelijk Ps. 89:40 .
Hertaald:
te niet gedaan,
Anders: verfoeid, alsof het een vervloekte plaats geworden was waarvan men terecht een afgrijzen heeft. De betekenis is: Hij kan die plaats nu niet meer verdragen waarin Hij vroeger lust en welgevallen gehad heeft; vergelijk Ps. 89:40.
harer paleizen
Te weten van de dochter van Zion; dat is Jeruzalem.
Hertaald:
harer paleizen
Namelijk van de dochter van Sion, dat is: Jeruzalem.
overgegeven;
Of, besloten.
Hertaald:
overgegeven;
Of: ingesloten.
zij hebben in het huis des HEEREN
Te weten hare vijanden, en met name de Chaldeën, toen zij de stad en den tempel hadden ingenomen en verwoest, hebben met groten triomf gejuicht, geschreeuwd en geroepen, even gelijk het volk Gods placht te doen op de feestdagen, inzonderheid op de hoge feestdagen, den Heere met vreugdegezang in den tempel lovende; zie Ps. 74:4 .
Hertaald:
zij hebben in het huis des HEEREN
Namelijk haar vijanden, en met name de Chaldeeën: toen zij de stad en de tempel ingenomen en verwoest hadden, hebben zij met grote triomf gejuicht, geschreeuwd en geroepen, net zoals Gods volk placht te doen op de feestdagen — en vooral op de hoge feestdagen — wanneer het de HEERE met vreugdegezang in de tempel loofde; zie Ps. 74:4.
verheven
Hebreeuws, gegeven.
Hertaald:
verheven
Hebreeuws: gegeven.
heeft gedacht
Dat is, Hij heeft besloten en verordineerd.
Hertaald:
heeft gedacht
Dat is: Hij heeft besloten en verordend.
den muur der dochter Sions;
Dat is, de bescherming van Jeruzalem.
Hertaald:
den muur der dochter Sions;
Dat is: de bescherming van Jeruzalem.
het richtsnoer
Dat is, Hij heeft ontworpen de zekerheid van den ondergang der stad Jeruzalem. Zie 2 Kon. 21:13 ; Jes. 34:11 . Het is ene manier van spreken, genomen van de metselaars en timmerlieden.
Hertaald:
het richtsnoer
Dat is: Hij heeft de ondergang van de stad Jeruzalem met zekerheid vastgesteld. Zie 2 Kon. 21:13; Jes. 34:11. Het is een manier van spreken die ontleend is aan de metselaars en timmerlieden.
niet afgewend,
Dat is, niet teruggetogen.
Hertaald:
niet afgewend,
Dat is: niet teruggetrokken.
dat Hij ze niet verslonde;
Dat is, Hij heeft niet opgehouden totdat Hij hen ten enenmale verwoest heeft.
Hertaald:
dat Hij ze niet verslonde;
Dat is: Hij heeft niet opgehouden voordat Hij hen volkomen verwoest had.
den voormuur en den muur te zamen
Of, voorschans, dwinger, bolwerk, vesting, voorburg, wal, forteres; zie Ps. 122:7 .
Hertaald:
den voormuur en den muur te zamen
Of: voorschans, dwingburcht, bolwerk, vesting, voorburg, wal, fort; zie Ps. 122:7.
treurig gemaakt,
Dat is, Hij heeft zelfs den gevoellozen creaturen oorzaak van treuren gegeven.
Hertaald:
treurig gemaakt,
Dat is: Hij heeft zelfs de gevoelloze schepselen reden tot treuren gegeven.
verzwakt
Te weten, door een geweldig verderf. Anders: verwoest, geruïneerd.
Hertaald:
verzwakt
Namelijk door een geweldig verderf. Anders: verwoest, geruïneerd.
in de aarde verzonken;
Alzo dat de vijanden een vrijen pas daardoor gekregen hebben om in de stad te komen.
Hertaald:
in de aarde verzonken;
Zodat de vijanden daardoor een vrije doorgang gekregen hebben om de stad binnen te komen.
haar grendelen
Dat is, alle sterkten en sloten, zodat zij nu geen geweld kunnen tegenstaan.
Hertaald:
haar grendelen
Dat is: alle sterkten en sloten, zodat zij nu geen geweld meer kunnen weerstaan.
haar koning en haar vorsten
Dat is, zij moeten nu leven en verkeren onder de volken, die den waren godsdienst vijand zijn.
Hertaald:
haar koning en haar vorsten
Dat is: zij moeten nu leven en verkeren onder de volken die vijandig staan tegenover de ware godsdienst.
er is geen wet;
Anders: de wet is niet meer; dat is, zij hebben geen gewone oefening hunner religie, door den dienst der priesters en Levieten; want van de profeten wordt straks gesproken.
Hertaald:
er is geen wet;
Anders: de wet is niet meer; dat is: zij hebben geen gewone uitoefening van hun godsdienst meer door de dienst van de priesters en Levieten; want over de profeten wordt meteen daarna gesproken.
vinden ook geen gezicht van den HEERE
Dat is, zij hebben ook zo overvloedige openbaringen niet als zij plachten te hebben; zie Ps. 74:9 .
Hertaald:
vinden ook geen gezicht van den HEERE
Dat is: zij hebben ook niet meer zulke overvloedige openbaringen als zij vroeger hadden; zie Ps. 74:9.
De oudsten
Dat is, de wijste en statigste onder het volk, die wel eertijds op koetswagens of schone paarden door de stad en over het land plachten te rijden en te reizen.
Hertaald:
De oudsten
Dat is: de wijste en aanzienlijkste mensen onder het volk, die vroeger op wagens of mooie paarden door de stad en over het land plachten te rijden en te reizen.
zwijgen stil,
Als verbaasd en versuft zijnde vanwege hun grote ellende.
Hertaald:
zwijgen stil,
Als mensen die verbijsterd en versuft zijn vanwege hun grote ellende.
zij werpen stof op hun hoofd,
Zij betonen grote tekenen van verslagenheid en van droefheid. Zie Job 2:12 .
Hertaald:
zij werpen stof op hun hoofd,
Zij tonen sterke tekenen van verslagenheid en droefheid. Zie Job 2:12.
zakken aangegord;
Dat is, rouwklederen, gelijk Joël 1:8 , Joël 1:13 ; Jona 3:5-6 ; zie de aantekening Gen. 37:34 .
Hertaald:
zakken aangegord;
Dat is: rouwkleren, zoals Joël 1:8, Joël 1:13; Jona 3:5-6; zie de aantekening bij Gen. 37:34.
de jonge dochters van Jeruzalem
Die gemeenlijk plachten omhoog te zien [ Jes. 3:16 ] , en met haar schoonheid te pronken, die zien nu nederwaarts, als zijnde beschaamd over zichzelven.
Hertaald:
de jonge dochters van Jeruzalem
Zij die gewoonlijk omhoog plachten te kijken (Jes. 3:16) en met hun schoonheid te pronken, kijken nu naar beneden, omdat zij zich over zichzelf schamen.
Mijn ogen
Dat is, ik ween zoveel dat mijne ogen daardoor bijna vergaan zijn. Wij zouden zeggen: Ik schrei mij de ogen uit. Zie Ps. 6:7-8 , en de aantekening aldaar.
Hertaald:
Mijn ogen
Dat is: ik ween zoveel dat mijn ogen daardoor bijna vergaan zijn. Wij zouden zeggen: ik schrei mijn ogen uit. Zie Ps. 6:7-8 en de aantekening daar.
beroerd;
Zie boven Klaagl. 1:20 .
Hertaald:
beroerd;
Zie hierboven Klaagl. 1:20.
mijn lever
Dat is, mijn inwendige delen zijn versmolten en zij ontvallen mij; of het bloed vliet weg uit mijn leven. Zie Job 16:13 .
Hertaald:
mijn lever
Dat is: mijn inwendige delen zijn versmolten en begeven mij; of: het bloed vloeit weg uit mijn lichaam. Zie Job 16:13.
de breuk der dochter mijns volks;
Dat is, wanneer ik aanmerk de ellendigheden en verbrekingen, die de kerk Gods lijdt; zie Jer. 4:6 .
Hertaald:
de breuk der dochter mijns volks;
Dat is: wanneer ik de ellende en de verbrijzeling opmerk die Gods kerk lijdt; zie Jer. 4:6.
in onmacht zinken;
Of, bezwijmen, bezwijken; te weten van honger en dorst en gebrek van alle nooddruft. Zie Jes. 57:16 .
Hertaald:
in onmacht zinken;
Of: bezwijmen, bezwijken; namelijk van honger en dorst en gebrek aan alle levensbehoeften. Zie Jes. 57:16.
zij tot hun moeders zeggen
Te weten de kleine kinderen.
Hertaald:
zij tot hun moeders zeggen
Namelijk de kleine kinderen.
koren
Dat is brood, noodwendig voedsel.
Hertaald:
koren
Dat is: brood, noodzakelijk voedsel.
wijn,
Om ons in onze zwakheid te verkwikken.
Hertaald:
wijn,
Om ons in onze zwakheid te verkwikken.
als zich hun ziel uitschudt
De zin is: Als zij hun leven weder overgeven aan hunne moeders, overmits die hun geen voedsel geven om hen in het leven te behouden.
Hertaald:
als zich hun ziel uitschudt
De betekenis is: wanneer zij hun leven weer aan hun moeders teruggeven, omdat die hun geen voedsel geven om hen in het leven te houden.
Wat getuigen
Of, wat getuigenis; alsof hij zeide: Welk een voorbeeld zal ik u voor ogen zetten, door hetwelk ik u zou mogen troosten? Ik vind nergens een volk, dat ooit zo hard is gestraft geworden als gij gestraft wordt. Anderen nemen het in dezen zin: Wat zal ik nemen om te getuigen dat gij geen grote redenen hebt om dus te roepen en te tieren. Zie de aantekening Jes. 51:19 .
Hertaald:
Wat getuigen
Of: welk getuigenis. Alsof hij zei: welk voorbeeld zal ik u voor ogen stellen waarmee ik u zou kunnen troosten? Ik vind nergens een volk dat ooit zo hard gestraft is als u gestraft wordt. Anderen vatten het zo op: wat zal ik aanvoeren om te betuigen dat u geen grote reden hebt om zo te roepen en tekeer te gaan? Zie de aantekening bij Jes. 51:19.
bij u vergelijken,
Te weten in deze uwe ellende.
Hertaald:
bij u vergelijken,
Namelijk in deze ellende van u.
gij dochter Jeruzalems?
Dat is, gij volk Gods.
Hertaald:
gij dochter Jeruzalems?
Dat is: u, volk van God.
uw breuk
Dat is, uwe ellenden zijn breed, diep, krachtig en schier onbegrijpelijk, gelijk de scheuren of inbreuken, die de zee maakt; gij zijt zulk een spiegel van Gods hevigen toorn als er nog nooit tevoren in de wereld geweest is.
Hertaald:
uw breuk
Dat is: uw ellende is breed, diep, hevig en vrijwel onbegrijpelijk, zoals de scheuren of inbraken die de zee maakt; u bent zo'n spiegel van Gods hevige toorn als er nooit eerder in de wereld geweest is.
wie kan u helen?
Welke middelen zijn er in de wereld te vinden om u te redden? Naar het oordeel van een ieder is uw staat hopeloos, daar is geen helpen meer aan.
Hertaald:
wie kan u helen?
Welke middelen zijn er in de wereld te vinden om u te redden? Naar ieders oordeel is uw toestand hopeloos; er is geen helpen meer aan.
profeten
Versta dit van de valse profeten, die de boze Joden zichzelven verkoren hadden, of die zichzelven uitgaven voor leidslieden of stuurlieden en onderwijzers, maar niet van God gezonden, noch de rechte profeten zijnde; zie Jer. 2:8 , en Jer. 5:31 , en Jer. 14:14 , en Jer. 23:16 , en Jer. 27:10 , en Jer. 29:8-9 ; Ezech. 13:2 .
Hertaald:
profeten
Versta dit van de valse profeten die de boze Joden zichzelf uitgekozen hadden, of die zichzelf voor leidslieden, stuurlui en onderwijzers uitgaven maar niet door God gezonden waren en geen echte profeten waren; zie Jer. 2:8, Jer. 5:31, Jer. 14:14, Jer. 23:16, Jer. 27:10 en Jer. 29:8-9; Ezech. 13:2.
ijdelheid
Dat is, zodanige dingen, die ganselijk niet strekten ten goede, noch tot godzaligheid; als bij voorbeeld: zij hebben u den vrede en aller dingen overvloed verkondigd, als God het tegendeel dreigde. Zie Jer. 28:2-3 , Jer. 28:15 , en Jer. 29:8 .
Hertaald:
ijdelheid
Dat is: zulke dingen die volstrekt niet strekten tot enig goed en niet tot godzaligheid; bijvoorbeeld: zij hebben u vrede en overvloed van alles verkondigd, terwijl God het tegendeel dreigde. Zie Jer. 28:2-3, Jer. 28:15 en Jer. 29:8.
ongerijmdheid
Hebreeuws, onsmakelijke dingen. Zie Job 1:22 , en Jer. 23:13 .
Hertaald:
ongerijmdheid
Hebreeuws: onsmakelijke dingen. Zie Job 1:22 en Jer. 23:13.
gezien,
Dat is geprofeteerd. Want profetieën zijn goddelijke gezichten den profeten geopenbaard.
Hertaald:
gezien,
Dat is: geprofeteerd. Want profetieën zijn goddelijke gezichten die aan de profeten geopenbaard zijn.
zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard,
Dat is, zij hebben u uwe zonden en overtredingen niet oprechtelijk voorgedragen, om u in uwe conscientie te overtuigen.
Hertaald:
zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard,
Dat is: zij hebben u uw zonden en overtredingen niet oprecht voorgehouden om u in uw geweten te overtuigen.
om uw gevangenis
Dat is, dat zij u daardoor tot oprecht berouw en leedwezen zouden gebracht hebben, om alzo de oordelen Gods voor te komen.
Hertaald:
om uw gevangenis
Dat is: opdat zij u daardoor tot oprecht berouw en leedwezen gebracht zouden hebben, om zo Gods oordelen te voorkomen.
zij hebben voor u gezien
Dat is, zij hebben u, als in Gods naam, geleerd dingen, die vals en nergens toe nut en oorbaarlijk waren.
Hertaald:
zij hebben voor u gezien
Dat is: zij hebben u als in Gods naam dingen geleerd die vals waren en nergens toe nuttig of dienstig.
lasten
Dat is, profetieën; zie Jer. 13:1 .
Hertaald:
lasten
Dat is: profetieën; zie Jer. 13:1.
uitstotingen
De zin is: Naar welke te luisteren de gereedste weg was om u uit uw land te brengen. Want dwalingen te leren en te geloven is de fontein van al de zonden, om welker wil God gemeenlijk de kinderen der mensen straft.
Hertaald:
uitstotingen
De betekenis is: naar die profetieën luisteren was de kortste weg om uit uw land weggevoerd te worden. Want dwalingen leren en geloven is de bron van alle zonden, waarvoor God de mensenkinderen gewoonlijk straft.
Allen,
Te weten van welken staat of stand zij zijn, doch versta die, welke vreemd zijn van de ware religie.
Hertaald:
Allen,
Namelijk mensen van welke staat of stand ook, maar versta daaronder hen die vreemd zijn aan de ware godsdienst.
klappen met de handen
Tot uw spot. Hebreeuws, met de palmen. Zie de aantekening Job 27:23 .
Hertaald:
klappen met de handen
Om u te bespotten. Hebreeuws: met de handpalmen. Zie de aantekening bij Job 27:23.
zij fluiten
Zie 1 Kon. 9:8 ; 2 Kon. 19:21 ; Job 16:9 ; Jer. 18:16 .
Hertaald:
zij fluiten
Zie 1 Kon. 9:8; 2 Kon. 19:21; Job 16:9; Jer. 18:16.
waarvan men zeide,
Dat is, die men noemde de volmaakte in schoonheid.
Hertaald:
waarvan men zeide,
Dat is: die men de volmaakte in schoonheid noemde.
vreugde der ganse aarde?
Vergelijk Ps. 48:2 , en Ps. 50:2 .
Hertaald:
vreugde der ganse aarde?
Vergelijk Ps. 48:2 en Ps. 50:2.
sperren
Zie Ps. 22:14 . Anders: doen hunnen mond wijd open.
Hertaald:
sperren
Zie Ps. 22:14. Anders: zij doen hun mond wijd open.
knersen met de tanden,
Of, zij bijten op de tanden.
Hertaald:
knersen met de tanden,
Of: zij bijten op hun tanden.
Wij hebben haar verslonden;
Dat is, wij hebben hen nu tot zulk een staat gebracht, dat zij niet weder opstaan zullen.
Hertaald:
Wij hebben haar verslonden;
Dat is: wij hebben hen nu in zo'n staat gebracht dat zij niet weer zullen opstaan.
dit is immers de dag,
De zin is: Wij hebben lang gewenst dezen dag te zien, dien wij nu zien en beleven.
Hertaald:
dit is immers de dag,
De betekenis is: wij hebben er lang naar verlangd deze dag te zien, die wij nu zien en beleven.
wij hebben hem gezien
Of, wij zien [hem nu], te weten met lust en met vreugde.
Hertaald:
wij hebben hem gezien
Of: wij zien hem nu, namelijk met lust en met vreugde.
De HEERE heeft gedaan,
De Heere heeft over u laten komen al wat Hij besloten had over u te brengen. Vergelijk Lev. 26:17 ; Deut. 28:15 .
Hertaald:
De HEERE heeft gedaan,
De HEERE heeft alles over u laten komen wat Hij besloten had over u te brengen. Vergelijk Lev. 26:17; Deut. 28:15.
vervuld,
Aldus wordt het Hebreeuwse woord ook genomen Jes. 10:12 ; Zach. 4:9 .
Hertaald:
vervuld,
Zo wordt het Hebreeuwse woord ook opgevat in Jes. 10:12; Zach. 4:9.
bevolen had
Dat is, dat Hij door zijne profeten tevoren verkondigd en gedreigd had. Zie Lev 26 , en Deu 28 .
Hertaald:
bevolen had
Dat is: wat Hij door Zijn profeten tevoren verkondigd en gedreigd had. Zie Lev. 26 en Deut. 28.
van oude dagen;
Gelijk Klaagl. 1:7 .
Hertaald:
van oude dagen;
Zoals Klaagl. 1:7.
Hij heeft den vijand
Hem gevende macht en overwinning over u.
Hertaald:
Hij heeft den vijand
Door hem macht en overwinning over u te geven.
Hij heeft den hoorn
Dat is, Hij heeft dengenen, die u haten, grote sterkte en macht gegeven. Zie van het woord horen, boven vs.3.
Hertaald:
Hij heeft den hoorn
Dat is: Hij heeft hun die u haten grote sterkte en macht gegeven. Zie over het woord hoorn hierboven vers 3.
tot den HEERE
Te weten toen zij, te weten Gods volk, dus van de Chaldeën werden geplaagd. Anders: tegen den Heere. De zin is: Zij, te weten de boze Chaldeën, die niet ulieden, maar den Heere lasterden. Zie 2 Kon. 19:22 ; Jes. 36:4 .
Hertaald:
tot den HEERE
Namelijk toen zij — dat is: Gods volk — zo door de Chaldeeën geplaagd werden. Anders: tegen de HEERE. Dan is de betekenis: zij, namelijk de boze Chaldeeën, die niet u maar de HEERE lasterden. Zie 2 Kon. 19:22; Jes. 36:4.
O gij muur der dochter Sions,
Dit zijn woorden van den profeet, alsof hij zeide: O gij volk, woonachtig binnen de muren van Zion, of Jeruzalem, op welke zich Juda, als op een sterken muur, verlaten heeft.
Hertaald:
O gij muur der dochter Sions,
Dit zijn woorden van de profeet, alsof hij zei: o volk, dat binnen de muren van Sion of Jeruzalem woont, op wie Juda zich verlaten heeft als op een sterke muur.
laat dag en nacht tranen afvlieten
Vergelijk boven Klaagl. 1:2 , Klaagl. 1:16 .
Hertaald:
laat dag en nacht tranen afvlieten
Vergelijk hierboven Klaagl. 1:2, Klaagl. 1:16.
uw oogappel
Hebreeuws, de dochter van uw oog zwijge niet; dat is, uw oogappel. Zie Ps. 17:8 .
Hertaald:
uw oogappel
Hebreeuws: de dochter van uw oog zwijge niet; dat is: uw oogappel. Zie Ps. 17:8.
houde niet op
Te weten van tranen uit te storten.
Hertaald:
houde niet op
Namelijk met tranen storten.
Maak u op,
Een gebod aan de godzaligen tot bidden.
Hertaald:
Maak u op,
Een gebod aan de godvruchtigen om te bidden.
maak geschrei des nachts
Dat is, klaag den Heere openlijk en vrijmoediglijk uwen nood.
Hertaald:
maak geschrei des nachts
Dat is: klaag de HEERE openlijk en vrijmoedig uw nood.
in het begin der nachtwaken,
Hebreeuws, aan het hoofd der [nacht] wachten ; dat is, te dien tijde als de nacht begint.
Hertaald:
in het begin der nachtwaken,
Hebreeuws: aan het hoofd van de nachtwaken; dat is: op het moment dat de nacht begint.
stort
Vergelijk Ps. 22:15 , en Ps. 42:5 , en Ps. 62:9 , en Ps. 102:1 .
Hertaald:
stort
Vergelijk Ps. 22:15, Ps. 42:5, Ps. 62:9 en Ps. 102:1.
uw hart uit
Dat is, al de zwarigheid, die gij in uw hart hebt.
Hertaald:
uw hart uit
Dat is: alle moeite die u in uw hart hebt.
handen tot Hem op
Hebreeuws, palmen. Alzo vs.20, 22.
Hertaald:
handen tot Hem op
Hebreeuws: handpalmen. Zo ook vers 20 en 22.
voor de ziel uwer kinderkens,
Dat is, voor het leven, gelijk Ps. 6:5 . De zin is: Om te bidden dat God uw kleine kinderen wil verschonen.
Hertaald:
voor de ziel uwer kinderkens,
Dat is: voor het leven, zoals Ps. 6:5. De betekenis is: om te bidden dat God uw kleine kinderen wil sparen.
die in onmacht gevallen zijn van honger,
Of, die versmacht zijn.
Hertaald:
die in onmacht gevallen zijn van honger,
Of: die versmacht zijn.
vooraan op alle straten
Hebreeuws, aan het hoofd van alle straten; dat is aan alle hoeken, wegen en stegen der stad; vergelijk Jes. 51:20 , en onder Klaagl. 4:1 .
Hertaald:
vooraan op alle straten
Hebreeuws: aan het hoofd van alle straten; dat is: op alle hoeken, wegen en stegen van de stad; vergelijk Jes. 51:20 en Klaagl. 4:1.
aan wien Gij alzo gedaan hebt;
Te weten, niet aan de heidenen, maar aan uw eerstgeboren zoon, Ex. 4:22 , aan uw uitverkoren volk van Israël; Ex. 19:6 ; Deut. 4:7 , en Deut. 7:6 .
Hertaald:
aan wien Gij alzo gedaan hebt;
Namelijk niet aan de heidenen, maar aan Uw eerstgeboren zoon (Ex. 4:22), aan Uw uitverkoren volk Israël; Ex. 19:6; Deut. 4:7 en Deut. 7:6.
haar vrucht eten,
Dat is, hare kinderen, de vrucht van haar buik. De profeet beklaagt hier de wreedheid, die onder Gods volk gebeurde; vergelijk onder Klaagl. 4:10 .
Hertaald:
haar vrucht eten,
Dat is: hun kinderen, de vrucht van hun schoot. De profeet beklaagt hier de wreedheid die onder Gods volk plaatsvond; vergelijk Klaagl. 4:10.
die men op de handen draagt?
Alzo ook onder vs.22. Anders: die aan de palm geleid worden. Men leest twee malen dat de moeders in het Joodse land hare kinderen gegeten hebben, te weten, in de belegering van Samaria, 2 Kon. 6:26 , en in de belegering van Jeruzalem door Vespasianus en Titus Josefus.
Hertaald:
die men op de handen draagt?
Zo ook hierna in vers 22. Anders: die aan de hand geleid worden. Men leest twee keer dat moeders in het Joodse land hun kinderen gegeten hebben, namelijk bij de belegering van Samaria (2 Kon. 6:26) en bij de belegering van Jeruzalem door Vespasianus en Titus, volgens Josefus.
in het heiligdom des Heeren gedood worden?
Dat is, in den tempel, in die plaats, Heere, die Gij zelf tot een heilig gebruik verordineerd hebt.
Hertaald:
in het heiligdom des Heeren gedood worden?
Dat is: in de tempel, op die plaats, HEERE, die U Zelf tot een heilig gebruik verordend hebt.
mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen
Die zelfs de wrede soldaten plachten te verschonen.
Hertaald:
mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen
Zij die zelfs de wrede soldaten gewoonlijk spaarden.
zijn door het zwaard gevallen;
Zijn wredelijk omgebracht.
Hertaald:
zijn door het zwaard gevallen;
Zijn wreed omgebracht.
Gij hebt ze in den dag Uws toorns gedood,
Gij, o Heere, in uw rechtvaardigen toorn.
Hertaald:
Gij hebt ze in den dag Uws toorns gedood,
U, o HEERE, in Uw rechtvaardige toorn.
mijn verschrikkingen
Dat is, al hetgeen mij mocht verschrikken.
Hertaald:
mijn verschrikkingen
Dat is: alles wat mij zou kunnen verschrikken.
tot een dag
Zie boven Klaagl. 1:15 .
Hertaald:
tot een dag
Zie hierboven Klaagl. 1:15. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het tweede lied noemt in vers na vers God als handelende Persoon. "De Heere heeft al de woningen Jakobs verslonden, en heeft ze niet verschoond" (Klaagl. 2:2). "Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand" (Klaagl. 2:4). En dan staat het in zijn scherpste vorm: "De Heere is geworden als een vijand; Hij heeft Israel verslonden" (Klaagl. 2:5). Ook het heiligdom wordt genoemd: "De Heere heeft Zijn altaar verstoten. Hij heeft Zijn heiligdom te niet gedaan" (Klaagl. 2:7). En van de profeten wordt gezegd dat zij geen gezicht meer vinden van de HEERE (Klaagl. 2:9). Bijbelse betekenis: Merk op dat er staat als een vijand en niet: een vijand. Het woordje als is niet weg te lezen; het gaat om hoe Zijn handelen zich liet aanzien. Toch verzacht het boek niets, en het register doet dat ook niet: de verwoesting wordt aan God toegeschreven en niet aan het toeval van de oorlog. Let vervolgens op wat er in Klaagl. 2:7 gebeurt. Altaar en heiligdom heeft Hij Zelf ingesteld, en juist die worden losgelaten. Wie meende dat de tempel een garantie was, wordt hier uit die gedachte gehaald. Let ten slotte op wat het derde lied hierbij zegt: "Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte" (Klaagl. 3:33). Die twee uitspraken staan in hetzelfde boek en horen samen gelezen te worden. Wat hier van buiten op vijandschap lijkt, komt niet voort uit een hart dat kwaad wil. Typologie: De Hebreeënbrief zegt van dezelfde hand wat zij bedoelt: "dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt" (Hebr. 12:6). Dat maakt de slag niet lichter, maar het zegt wel uit welke hand hij komt. Klaagl. 2:1-9; Klaagl. 3:33; Hebr. 12:6 "Hun hart schreeuwde tot den Heere: O gij muur der dochter Sions, laat dag en nacht tranen afvlieten als een beek; geef uzelve geen rust, uw oogappel houde niet op!" (Klaagl. 2:18). Daarop volgt de opdracht: "Maak u op, maak geschrei des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht des Heeren als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel uwer kinderkens" (Klaagl. 2:19). Wat daarna komt is een gebed dat niets verzwijgt: "Zie, HEERE, aanschouw toch, aan wien Gij alzo gedaan hebt" (Klaagl. 2:20). Bijbelse betekenis: Merk op wat er bevolen wordt. Niet: houd u sterk, en niet: zwijg erover, maar: stort uw hart uit. Het huilen wordt hier een opdracht, en het krijgt een richting: voor het aangezicht van de Heere. Let vervolgens op het beeld van het water. Water dat uitgegoten wordt, laat zich niet terughalen; er wordt dus niets achtergehouden voor later. Let ten slotte op de reden die in Klaagl. 2:19 genoemd wordt: voor de ziel van de kinderen. De klacht gaat niet alleen over het eigen verdriet maar wordt voorbede voor anderen. Daarmee is dit een van de weinige plaatsen in de Schrift waar rouwen zelf een opdracht heet. Typologie: De psalmist geeft dezelfde raad aan wie het benauwd heeft: "Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht" (Ps. 62:9). En van de Heere Jezus wordt gezegd dat Hij in de dagen van Zijn vlees gebeden en smekingen opofferde "met sterke roeping en tranen" (Hebr. 5:7). Klaagl. 2:18-20; Ps. 62:9; Hebr. 5:7 Midden in het tweede lied staat een verwijt aan de profeten van de stad: "Uw profeten hebben u ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden" (Klaagl. 2:14). Er staan drie dingen in. Zij hebben wel gezien, maar iets zonder inhoud. Zij hebben de zonde van het volk niet aan het licht gebracht. En daarmee is een mogelijkheid voorbijgegaan: het openbaren van die zonde had de ballingschap kunnen afwenden. Het vierde lied komt erop terug en noemt de leiding als oorzaak van het oordeel (Klaagl. 4:13). Jeremia had ditzelfde in zijn eigen boek al gezegd van de profeten en priesters van zijn dagen: "zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede" (Jer. 6:14). En Ezechiël verwijt hun dat zij niet in de bressen zijn opgetreden (Ezech. 13:5, reeds behandeld). Bijbelse betekenis: Het verwijt gaat niet over wat deze mannen gedaan hebben maar over wat zij hebben nagelaten. Zij hebben niet gelasterd en zij hebben de mensen niet bedrogen met een verzinsel over God; zij hebben gezwegen waar gesproken moest worden. Dat het volk daardoor rustig doorging, wordt hun aangerekend. Twee dingen zijn hierbij van belang. Het eerste is dat het ontdekken van de zonde in dit vers een reddende bedoeling heeft. Het staat er niet om iemand neer te drukken maar om de gevangenis af te wenden; wie de wond niet noemt, geneest haar niet. Het tweede is de terughoudendheid die hier past. Het boek zegt dat de ballingschap afgewend had kunnen worden, en het zegt niet hoe zich dat verhoudt tot Gods raad. Het register gaat daarin niet verder dan de tekst, zoals ook bij het berouw Gods (Jer. 18:7-10, reeds behandeld). Typologie: Paulus beschrijft het tegendeel van deze profeten. Bij zijn afscheid van de ouderlingen van Efeze betuigt hij "dat ik rein ben van het bloed van u allen" (Hand. 20:26). De grond daarvoor noemt hij er meteen bij: "ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods" (Hand. 20:27). Wat de profeten van Jeruzalem nalieten, is dus precies wat een dienaar van het Woord verplicht is te doen. Klaagl. 2:14; Klaagl. 4:13; Jer. 6:14; Jer. 18:7-10; Ezech. 13:5; Hand. 20:26-27 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het is nooit te vroeg om te bidden. Er is geen enkele reden om te wachten tot het morgenlicht. © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Klaagliederen 2
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten


Klaagliederen 2
Klaagliederen 2:19.KruisverwijzingenPsalmen 62:8→Psalmen 142:2→Jesaja 26:9→1 Samuël 1:15→Psalmen 119:147→Klaagliederen 2:11→Jesaja 51:20→Psalmen 42:8→
— Koph. Maak u op, maak geschrei des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht des Heeren als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel uwer kinderkens, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.
“Koph. Maak u op, maak geschrei des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht des Heeren als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel uwer kinderkens, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.”
Jeremia sprak deze woorden tot Sion in haar droevige en verwoeste toestand. Jeremia, de wenende profeet, had zijn ogen droog geweend over de verslagenen van de dochter van zijn volk. En toen hij alles gedaan had wat hij kon om tranen te storten voor het arme Jeruzalem, smeekte hij Jeruzalem om over zichzelf te wenen.
Uit deze tekst leren wij dat het nooit te vroeg is om te bidden. Hoeveel jonge mensen denken niet dat de godsdienst iets is voor de ouderdom, of op zijn minst voor de rijpere jaren? Uur na uur en dag na dag fluistert de boosaardige vijand hun in het oor: het is te vroeg, het is te vroeg! Stel uit, stel uit, stel uit!
Onze tekst leert ons ook dat het niet te láát is om tot de HEERE te roepen.
Verder kunnen wij niet te vurig bidden, want er staat: “maak geschrei des nachts”. God heeft ernstige gebeden lief. Hij heeft onstuimige gebeden lief. Hij heeft vurige gebeden lief. God heeft gebeden lief die het uitroepen. Wie niet luid roept, moet geen zegen verwachten. Maar God zal ons horen wanneer wij met heel onze ziel uitroepen en ons hart voor Hem uitstorten.
Ten slotte kunnen wij niet te eenvoudig bidden. Hoor maar hoe Jeremia het zegt: “stort uw hart uit voor het aangezicht des Heeren als water”. Hoe stroomt water uit? Zo snel als het maar kan, meer niet; het bekommert zich er niet om hoe het loopt. Zo wil de HEERE dat onze gebeden voor Hem uitstromen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
B. De tweede treurzang bevat ene nieuwe en sterkere klacht over den ondergang van Jeruzalem en van het rijk van Juda. Thans is het de Profeet, die in zijn naam en in dien van zijn volk spreekt. Dit lied onderscheidt zich van het eerste, deels door de hevigheid der klacht, maar hoofdzakelijk daardoor, dat terwijl in het eerste de schildering der ellende en de hulp- en troosteloze toestand van Jeruzalem op den voorgrond staat, hier het gericht, dat de Heere in Zijnen toorn over Jeruzalem en Juda bepaald heeft, de hoofdgedachte der klacht vormt, zo als het herhaald op den voorgrond stellen van toorn, grimmigheid, toornengloed enz. aantoont. De schildering van dit gericht neemt het eerste gedeelte van het lied (vs. 1-10) in; daaraan knoopt zich in het tweede (vs. 11-19) de klacht vast over de machteloosheid van menselijke vertroosting en over het spotten der vijanden met Jeruzalems ongeluk. Gelijk het de Heere is, die het heeft beschikt, zo kan ook Hij alleen hulp en troost aanbrengen, Tot Hem moet de dochter van Zion zich wenden. Deze klacht van Zions dochter bevat het derde deel (vs. 20-22).
I. Vs. 1-10.KruisverwijzingenKlaagliederen 2:17→Psalmen 89:39→Psalmen 74:11→Klaagliederen 2:2→Klaagliederen 1:4→Sefanja 3:18→2 Koningen 21:13→Hosea 3:4→
— Aleph. Hoe heeft de Heere de dochter Sions in Zijn toorn bewolkt? Hij heeft de heerlijkheid van Israel van den hemel op de aarde nedergeworpen; en Hij heeft aan de voetbank Zijner voeten niet gedacht in den dag Zijns toorns. Beth. De Heere heeft al de woningen Jakobs verslonden, en heeft ze niet verschoond; Hij heeft de vastigheden der dochter van Juda afgebroken in Zijn verbolgenheid, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft het koninkrijk en deszelfs vorsten ontheiligd. Gimel. Hij heeft, in ontsteking des toorns, den gehelen hoorn Israels afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts getrokken, toen de vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert. Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand; Hij heeft zich met Zijn rechterhand gesteld als een tegenpartijder, dat Hij doodde al de begeerlijke dingen der ogen; Hij heeft Zijn grimmigheid in de tent der dochter Sions uitgestort als een vuur. He. De Heere is geworden als een vijand; Hij heeft Israel verslonden, Hij heeft al haar paleizen verslonden. Hij heeft deszelfs vastigheden verdorven; en Hij heeft bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd. Vau. En Hij heeft Zijn hut met geweld afgerukt, als een hof, Hij heeft Zijn vergaderplaats verdorven; de HEERE heeft in Sion doen vergeten den hoogtijd en den sabbat, en Hij heeft in de gramschap Zijns toorns den koning en den priester smadelijk verworpen. Zain. De Heere heeft Zijn altaar verstoten. Hij heeft Zijn heiligdom te niet gedaan, Hij heeft de muren harer paleizen in des vijands hand overgegeven; zij hebben in het huis des HEEREN een stem verheven als op den dag eens gezetten hoogtijds. Cheth. De HEERE heeft gedacht te verderven den muur der dochter Sions; Hij heeft het richtsnoer daarover getogen, Hij heeft Zijn hand niet afgewend, dat Hij ze niet verslonde; en Hij heeft den voormuur en den muur te zamen treurig gemaakt, zij zijn verzwakt. Teth. Haar poorten zijn in de aarde verzonken; Hij heeft haar grendelen verdorven en gebroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen; er is geen wet; haar profeten vinden ook geen gezicht van den HEERE. Jod. De oudsten der dochter Sions zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen.
Na een zamenvattend overzicht over het geheel van het werk der verwoesting, schildert de Profeet het toornig handelen des Heeren tegenover Israël, waardoor het rijk van Juda word verstoord (vs. 1-4). Vervolgens beschrijft hij de door Nebuzaradan volvoerde verwoesting van tempel en godsdienst, van huizen en muren (vs. 5-9), eindelijk de droefheid van het gehele volk over dit ongeluk (vs. 10).
Aleph. Hoe heeft de Heere, Wiens genadig aangezicht eens zo helder en zo rijk in zegen over Zijn volk lichtte, de dochter Zions, Zijne heilige stad Jeruzalem in Zijnen toorn zo bewolkt, 1) met wolken van droefheid en smart rondom omgeven? Hij heeftJeruzalem, dat de heerlijkheid van Israël was, van den hemel, waartoe Hij ze had verheven, en van waar zij als ene schitterende ster de gehele aarde bestraalde, op de aarde nedergeworpen; en Hij heeft aan de arke des verbonds, de voetbank Zijner voeten (1 (Kron. 28:2. Ps. 99:5), boven welke Hij in de wolkkolom in het allerheilige Zijns tempels midden onder Zijn volk Zijnen troon had, en waar Hij Zich openbaarde, niet gedacht. Hij heeft er in den dag Zijnsvreeslijken, rechtvaardigen toorns, als Hij Zijn afgevallen volk met gerichten bezocht, Zich niet door tot genade laten bewegen.
Het is een zeer droevige voorstelling, die hier van den staat van Gods kerk, van Jakob en Israël, van Zion en Jeruzalem, gedaan wordt, maar de nadruk in deze verzen schijnt overal gelegd op Gods hand, in de rampen over welke zij zuchten. De smart is zo groot niet, dat zulke dingen gedaan waren, als dat God hun die aangedaan had, dat het bleek dat Hij op hen vertoornd was. Hij is het die hen kastijdt in Zijn toorn en in Zijne grimmigheid. Hij is hun vijand geworden en strijdt tegen hen, en dat is alsem en de gal in de verdrukkingen en de ellende. De Profeet roept als verwonderd uit, dat er een ongelooflijke zaak heeft plaats gehad, en die gelijk stond uit een wonderteken. Want het was toch bij het eerste gezicht iets ongerijmds, dat een volk, hetwelk God niet alleen met Zijn gunst had omhelsd, maar waarmee Hij ook een eeuwig verbond had opgericht, zo door Hem was verlaten. Want ofschoon de mensen herhaalde malen ontrouw zijn, God wordt toch niet veranderd, maar blijft standvastig in Zijn trouw, en wij weten dat Zijn verbond niet afhangt van de verdiensten der mensen. Derhalve hoedanig ook het volk was, God had toch bij Zijn voornemen moeten blijven en de belofte aan Abraham gedaan niet moeten te niet doen. Want nu toch Jeruzalem tot een woestenij was gebracht was het enigzins ene vernietiging van het verbond Gods. Het is derhalve niet verwonderlijk, indien de Profeet hierover als over een ongelooflijke zaak uitroept: Hoe kan het geschieden dat God in een wolk zich omhult? Ondertussen zij opgemerkt dat de Profeet hier niet iets wil afdoen aan de trouw en de standvastigheid Gods, maar zo Zijne volksgenoten wil opwekken, die anders in hun zorgeloosheid gevoelloos waren geworden. De Profeet gebruikt hier niet den naam van HEERE, maar van Heere, dewijl hij hier spreekt van Hem, die daar heerst en regeert over alles, van den Gebieder der volken. En van Hem zegt hij, dat Hij zich omwolkt heeft in Zijn toorn. Hij wijst hier derhalve op de eerste oorzaak van Jeruzalems ellende, n. l dat God niet alleen Zijn vriendelijk aangezicht verbergt, maar ook merkbaar dat Aangezicht heeft omhuld, bedekt met wolken, dewijl Hij in toorn, in heiligen toorngloed neerzag op Zijn volk, omdat het Hem had verworpen en de afgoden had gediend. Gevolg daarvan is, dat Hij de heerlijkheid van Israël heeft doen vergaan en niet gedacht aan den welstand zijns volks. Dewijl Israël Hem en Zijn heiligen dienst had vaarwel gezegd, had ook de betekenis van de arke des Verbonds opgehouden. Evenmin als die ark op zichzelven Hofni en Pinehas en het leger Israëls had kunnen redden, evenmin nu. Godsdienst, waaraan het wezen ontbreekt, heeft voor den Heere God geen waarde.
Beth. De Heere heeft namelijk niet alleen Jeruzalem, maar ook Zijn gehele rijk, al de woningen Jakobs verslonden, waar mensen en vee rust en weide vonden, en heeft ze niet verschoond; Hij heeft even als de opene zwakke plaatsen des lands, zo ook de vastighedende vestingen der dochter van Juda afgebroken in Zijne verbolgenheid; Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken, 1) tot den grond zijn geslecht; Hij heeft het koninkrijk en zijne vorsten ontheiligd; van Jojakim tot Manasse liet Hij ze allen smadelijk behandelen, en bracht Hij van hun vijanden over hen ketenen, ballingschap, gevangenis, verblinding, smadelijken dood.
In het Hebr. Higgia’ laärets. Dat is: Hij heeft ze ter aarde neergeworpen. De uitdrukking wordt gebruikt van mensen en gebouwen die met den grond gelijk gemaakt worden. Hier wordt dit gezegd van de reddingen, die op het land werden gevonden. Dochter Juda’s is hier niet Jeruzalem, dan zou er dochter Zions staan, maar die plaatsen, die van Jeruzalem afhankelijk waren en met haar in verband stonden. Zowel de stad als de vaste steden van het rijk waren tot een puinhoop geworden.
Gimel. Hij heeft in ontsteking des toorns, alle middelen ter bescherming, zijne vestingen, zijne strijdbare mannen, in het kortden gehelen hoorn al de macht Israëls afgehouwen; Hij heeft Zijne rechterhand, waarmee Hij de Zijnen beschermt en staande houdt, van Israël weggenomen en achterwaarts getrokken, toen de vijand kwam. Hij hielp Zijn volk in den strijd niet, en Hij is tegen Jakob, het van allen bijstand beroofde volk, ontstoken als een helder vlammend vuur, dat rondom verteert. Wanneer God Zijne hand van ons wegneemt, dan is dat van gelijke betekenis, als dat Hij ons een tijd lang aan den duivel en zijne werktuigen ten gerichte overgeeft dat zij ons pijnigen, totdat wij van onze zonde afstand doen en ons geheel in de armen Zijner genade werpen. In zulke tijden verdwijnt voor ons het aangezicht Zijner genade, en het komt ons voor, als lag er ene duistere wolk tussen ons en Hem, door welke geen gebed tot Hem kan doordringen, uit welke bliksemen van Gods toorn op ons nedervallen. Het is de tijd van zware bezoekingen en bestrijdingen, in welke God tegenover ons als vijand schijnt te staan en het gevoel van Zijne genadige nabijheid ons ontrukt is. De zielstoestand is in het Boek van Job voor alle tijden als voorbeeld voorgesteld, en in het lijden en sterven van Hem, die om onzentwil door God moest verlaten worden, op de sterkste en tevens troostelijke wijze geopenbaard. In onze verzen wordt dus alles wat Israël om zijne zonden in de verovering en verwoesting van Jeruzalem en van zijn land, zo ook wat het in zijne zeventigjarige ballingschap heeft ondervonden, als ene verzoeking voorgesteld, waaraan de Heere Zijne hand onttrok en Zich aan Zijn volk als vijand betoonde. Evenzo zijn de tegenwoordige tijden voor de kerk onzes Heeren tijden van zware verzoeking, daar het schijnt, dat de Heere Zijne kerk geheel heeft verlaten, alsof zij den reeds jubelenden vijanden, die op haren ondergang vol vertrouwen hopen en dien verkondigen, tot vertroosting ware overgegaan. Het is alsof de smartelijke zuchten der gelovigen en der dienaren Gods: “Betoon Uwe macht, Heere Jezus Christus! die de Heere aller heren zijt, bescherm Uwe arme Christenheid, dat zij u love in eeuwigheid, ” in het geheel niet tot den hemel schijnen door te dringen. Het is dus ook een tijd van het gericht Gods over haar, in welken Hij haar van diepe, haar zelf nog verborgene en daarom nog onbetreurde verkeerdheden wil reinigen. Maar zo zeker als toen de Heere Zijn volk Israël niet verstoten had, ja zo zeker als de Heere, in Wiens voetstappen de kerk moet gaan, zegerijk uit de verzoeking kwam, en op hetzelfde ogenblik, toen de Satan over Hem in Zijnen dood scheen te triomferen, juist de hoogste zegen over hem behaalde, zo zeker zal ook Zijne kerk in de verzoeking van dezen tijd niet bezwijken. Veel verkeerds en zondigs aan haar, zowel bijzondere leden als ook gehele lichaamsdelen, kerkelijke genootschappen mogen aan het oordeel der vernietiging worden prijs gegeven, toch zal juist dan de grootste overwinning over de vijanden worden behaald, wanneer zij geloven met haar gereed te zijn, en niets meer van haar te vrezen te hebben. Niet alleen dat de Heere God al de macht, want hoorn is teken van macht, van Israël had afgehouwen, maar Hij had het ook alle bescherming onttrokken. Rechterhand Gods is toch teken van Zijn Almachtige bescherming. Dewijl God dus niet alleen Israël aan den vijand had overgegeven, maar zelfs als het ware dien vijand gebruikt had om Zijn volk te kastijden, was Israël verteerd. Dit was juist het schrikkelijke voor het oude Bondsvolk, dat de Heere het in een worstelaar en tegenpartijder was verkeerd. Dit wordt nader in de volgende verzen uitgedrukt.
Daleth. Maar de Heere heeft Zijn volk niet alleen zonder hulp en bescherming aan de vijanden overgegeven. Hij heeft Zijnen boog gespannen, en scherpe, juist treffende pijlen tegen Zijn volk afgezonden, als een openbaar vijand, gelijk Hij Deut. 32:23 gedreigd heeft. Hij heeft Zich met Zijne almachtige rechterhand gesteld als een in toorn ontstoken tegenpartijder, dat Hij doodde al de begeerlijke dingen der ogen 1) die bij Zijn volk waren, Zijn heiligdom, Zijne ganse stad Jeruzalem, Zijne geliefde kinderen. Hij heeft Zijneverterende grimmigheid in de tent der dochter Zions, in Jeruzalem met al hare woningen uitgestort als een vuur, zodat er thans een puinhoop is, die slechts van voorbijgegane grootheid en den ernst van Gods gericht getuigenis geeft.
Onder alle begeerlijke dingen der ogen of alle lust der ogen, is in het algemeen te verstaan, al wat het oog aantrok, lieflijk en heerlijk voor het oog was. Daarom zowel de kinderen, de vrouwen, alsook het heiligdom en wat daarin was. Tegen allen stelt zich de Heere als een wederpartijder. En zo voelde Israël de straffende hand Gods en den gloed van Zijn toorn, dat het wel scheen alsof Zijn grimmigheid over de tente als een vuur was uitgestort, zodat er nergens redding en bescherming kon gevonden worden. Alles moest vergaan, want aan tent, die door het vuur wordt aangetast is niet te redden.
He. De Heere is voor Zijn uitverkoren volk van enen liefhebbenden vriend geworden als een vijand; Hij heeft Israël 1) Zijn verbondsvolk, verslonden, Hij heeft al hare, al Jeruzalems hoog verhevene paleizen rondom in het land verslonden, Hij heeft hare vastigheden verdorven; Hij heeft door zulk ene behandeling zonder erbarmingbij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd, zodat zij als ene zuchtende, schreiende vrouw daar staat, wie de smart het hart verteert.
Israël is hier de naam van het volk als volk des Verbonds. Daarin lag juist het diepsmartelijke voor den Profeet dat de Heere aldus met Zijn verbondsvolk handelde en dat Zijn verbondsvolk zich zulke geduchte straffen op den hals had gehaald.
Vau. En Hij heeft zelfs, wat niemand zou hebben kunnen geloven, Zijne hut, woordelijk omtuining, die Hij toch door vele wetten voor ontheiliging had beschermd, Zijnen tempel met geweld afgerukt, verwoest, even als men enen hof, die voor zijn doel niet meer deugt, weer verwoest, Hij heeft Zijne vergaderplaats, waar Hij met Zijn volk zamenkwam, onder hen tegenwoordig was, en het Zijne genade schonk (Exod. 25: 22), verdorven; De HEERE heeft door die verwoesting van de plaats Zijner aanbidding en woning, onder Zijn volk in Zion doen vergeten den hoogtijd en den sabbat. Hij heeft alle feesttijden en godsdienstige plechtigheden vernietigd, en Hij heeft in de gramschap Zijns toorns den koning en den priester smadelijk verworpen. Het koningschap uit Davids stam, dat Hij toch had verkoren, opdat daaruit de grote Davids zoon, de Brenger van vrede, de Bouwer van enen tempel en een huis der heerlijkheid (2 Sam. 7:12 vv.) zou voortkomen, en het Aäronietische priesterschap, dat toch de bemiddelaar van des Heeren genade aan het volk door offerande en godsdienst zou zijn, heeft Hij van hun eer en Goddelijke verkiezing laten beroven en alzo verworpen. De belofte (2 Sam. 7:12 vv.), volgens welke Salomo den tempel bouwde tot woning van des Heeren naam, verbond het bouwen van den tempel zo nauw met het koningschap van David, dat het voortbestaan van den tempel als een onderpand kon genomen worden voor het voortbestaan van het huis van David, en de verwoesting van den tempel met de opheffing van den eredienst als een teken van de verwerping van het Davidische koningshuis kon worden aangezien. In dezen zin klaagt Jeremia, dat de Heere met de vernietiging van den tempel en de opheffing der feesttijden koning en priester verworpen heeft. Daar nu priesterschap en koningschap, altaar en heiligdom de kanalen en werktuigen waren, door welke het Goddelijk leven in Israël werd onderhouden, zo was de opheffing en vernietiging daarvan een teken van stilstand van Gods verbond met Zijn volk, even als wanneer in de kerk, of in ene kerk door Gods gericht het reine Woord en het zuivere Sacrament weggenomen werden, daarmee werkelijk deze kerk ophield gemeente van God te zijn, of gelijk hij, die zichzelven door ongeloof en verachting de prediking van het zuivere Woord en het genieten der Sacramenten ontneemt, werkelijk, ook zonder buiten de kerk gesloten te zijn, ophoudt een Christen, een in het verbond met God door Christus opgenomene te zijn. Wanneer iets in staat ware de Joden op te wekken, zo moest het de beschouwing zijn, dat Gods waarheid en trouw het eeuwig verbond met Israël had gesloten, en Hij nu toch Zijn volk geheel had verlaten. Wanneer God Zijne eigene voetbank, de stad Jeruzalem, ja, Zijne woning, den tempel niet verschoonde, zo is het duidelijk, dat Zijn toorn groot en sterk moest zijn. Veel ergere tekenen, dan alle lichamelijke ellende der Joden waren de verwoestingen, die God over Zijn eigen werk, over tempel, altaar, ark des verbonds en de gehele godsdienstige inrichting liet komen. Dat zijn de zwaarste gerichten, wanneer het woord van God verdwijnt; wanneer er gene wet en gene profetie meer is.
Zaïn. De Heere heeft Zijn brandoffersaltaar, in het binnenste voorhof Zijns tempels, waaraan de verzoening en verlossing van Zijn volk was verhouden, verstoten, Hij heeft Zijn heiligdom, het heilige en allerheilige van Zijn huis, waar Hij zelf woonde en Zich met Zijn volk liet verzoenen, ja aan Zijn volk Zijnen raad en Zijnen wil openbaarde, en hun gebed verhoorde, te niet gedaan, zodat de beide middelpunten van het leven Gods bij Zijn volk zijn weggedaan, Hij heeft de muren harer paleizen, de hoog op Moria zich verheffende gebouwen dier heiligdommen, in des vijands hand overgegeven, zij hebben in het huis des HEEREN luide gejubeld, ene stem verheven als of zij op den dag eens gezetten hoogtijdsdaarhenen waren gekomen, om des Heeren eer te verheffen.
Cheth. De HEERE heeft reeds van voor langen tijd gedacht, en dat raadsbesluit ook door Zijne profeten bekend gemaakt (Jer. 32:31), te verderven den muur der dochter Zions, omdat hun ongehoorzaamheid en hun boosheid groot was. Lang heeft Zijne lankmoedigheid het gericht vertraagd, maar nu is het ontzettende geschied; Hij heeft het richtsnoer daarover getogen, 1) om de verwoesting even nauwkeurig te volbrengen, als een bouwmeester een gebouw optrekt; Hij heeft Zijne hand niet afgewend, dat Hij ze niet verslondt; en Hij heeft den voormuur, de kleine aardwerken, die de vesting buiten den stadsmuur omgeven, die tot bescherming moesten dienen, maar nutteloos bleken, en den muur, die tot hetzelfde doel diende, te zamen treurig of treurende gemaakt; zij zijn verzwakt. 1)
Merkt hieraan: wat verwoestingen God ook doet aanrichten in Zijn kerk, zij geschiedt alleen naar Zijn raad. Hij brengt over ons, dat Hij over ons bescheiden heeft. Maar als het gedaan wordt heeft hij een richtsnoer uitgestrekt, een maatregel om het nauwkeurig en bij mate te doen. Tot hiertoe zal de verwoesting gaan en niet verder, niet meer zal er omgehouwen worden, dan hetgeen getekend is om nedergehouwen te worden.
Voormuur, of wal en muur treuren, om de verwoesting, die de Heere heeft aangericht. Zij zijn verzwakt of beter: te zamen zijn zij treurig. Niet alleen daarom treurt de mens, maar ook levenloze voorwerpen treuren vanwege de schrikkelijke verwoesting. De Profeet doet alles delen in de diepe smart, die hij heeft over de ellende van zijn volk.
Teth. Hare poorten liggen omvergestort en zijn in de aarde verzonken, onder den modder begraven. Hij heeft hare grendelen, waarmee zij werden gesloten, verdorven en gebroken. Zo is dan de ganse stad van God vernietigd, haar koning, en hare vorsten zijn onder de Heidenen in ballingschap, er is gene wet; hare Profeten vinden ook geen gezicht van den HEERE. 1)
Deze plaats leert dat tijdens de rampen niets beters is te vragen en geen middel nuttiger, dan wanneer God belooft dat Hij eindelijk genadig zal zijn. Want wanneer ons de een of andere belofte Gods wordt geschonken is het ons alsof Hij te midden van de duisternis een helder licht doet opgaan. Ofschoon derhalve de ellenden zijn als een donkere nevel, wanneer God echter enig teken Zijner genade en een belofte voor den dag brengt, moet dit ons voldoende zijn om geloof te oefenen en vreugde te hebben. Daarentegen wanneer geen beloften Gods ons worden geschonken, is het een zeker teken van onze verwerping, tenzij Hij ondertussen de zijnen zo ontmoedigt, als we hier lezen. Maar de gelovigen zelf, wanneer zij niet enige smaak hebben van de vaderlijke genade Gods en Zijn beloften, zijn als het ware wanhopend en gedompeld in de diepten der hel. Dit is derhalve de enige reden die ons van den dood tot het leven opheft, en ons er van terughoudt om niet door wanhoop vervoerd te worden. wanneer God Zich verwaardigt met ons te spreken. De wet en de profetie, die beide middelen der Goddelijke openbaring hebben opgehouden, en alzo is het rijk van God vernietigd. De wet, die den door God aan Zijn volk gegeven levensregel bezat, is met de verwoesting van stad en tempel vernietigd; de Profetie, de voortgaande getuigenis van God onder Zijn volk, waardoor Hij Israël tot het doel Zijner roeping en verkiezing liet leiden, het tot een heilig volk en tot een priesterlijk koninkrijk wilde vormen, heeft dus opgehouden. Daarmee staat niet in tegenspraak, dat Jeremia enige maanden na Jeruzalem’s verwoesting weer ene openbaring verkreeg (Jer. 42:4, 7). De bedoeling der klacht is deze, dat de Heere het niet meer als Zijn volk erkent, het geen teken Zijner genadige tegenwoordigheid meer geeft, zo als in Ps. 74:9 gezegd wordt: “er is geen profeet meer. ” Daarmee is niet gezegd, dat de profetie in het algemeen en voor altijd verstomd is, maar alleen, dat Israël bij Jeruzalems verwoesting gene profetie ontving, dat God de Heere hem in dezen tijd geen vertroostend opbeurend woord liet toekomen. De openbaring, die Jeremia (Hoofdst. 42) ontving over het besluit des volks, om naar Egypte te vluchten, hangt daarmee in ‘t geheel niet te zamen, want zij bevatte over Jeruzalems toekomstig lot geen woord. Dit was dan wel het schrikkelijke. Niet alleen dat de Heere Zijne handen had uitgestrekt om het volk in de ellende en ballingschap te brengen, maar ook hen voorts nog niet te verwaardigen met Zijne openbaringen. Dit moest echter dienen opdat er bij het nakroost van Abraham weer een roepen zou komen, een verlangen naar het woord des Heeren. Wij weten dan ook dat de Heere in de ballingschap Daniël en Ezechiël heeft gebruikt om het volk tot geloof op te wekken.
Jod. Over zulk een ongeluk is het ganse volk in diepe droefheid verzonken. De oudsten der dochter Zions, de raadgevers der stad, zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zijn in smartelijk stilzwijgen verzonken (Job. 2:8, 12, 13), zij werpen stof op hun hoofd ten teken van hun smart; zij hebben zakken, haren boetklederen (Deut. 14:2) aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem, die eens zo trots daarheen gingen en het hoofd zozeer in de hoogte staken (Jes. 3:16-24), laten nu haar hoofd ter aarde hangen van droefheid en rouw. “Het hoogste geluk heeft gene liederen, de diepste smart heeft geen geluid. Zij spiegelen beide zich stil al in den droppel, die uit het oog vloeit. ” 11.
II. Vs. 11-19.KruisverwijzingenPsalmen 62:8→Psalmen 142:2→Jesaja 26:9→1 Samuël 1:15→Klaagliederen 1:12→Jesaja 58:1→Jeremia 18:16→Psalmen 48:2→
— Caph. Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd; mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk der dochter mijns volks; omdat het kind en de zuigeling op de straten der stad in onmacht zinken; Lamed. Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, als zij op de straten der stad in onmacht zinken, als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in den schoot hunner moeders. Mem. Wat getuigen zal ik u brengen, wat zal ik bij u vergelijken, gij dochter Jeruzalems? Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste, gij jonkvrouw, dochter Sions, want uw breuk is zo groot als de zee, wie kan u helen? Nun. Uw profeten hebben u ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en uitstotingen. Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter Jeruzalems, zeggende: Is dit die stad, waar men van zeide, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde der ganse aarde? Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien. Ain. De HEERE heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft den vijand over u verblijd, Hij heeft den hoorn uwer tegenpartijders verhoogd. Tsade. Hun hart schreeuwde tot den Heere: O gij muur der dochter Sions, laat dag en nacht tranen afvlieten als een beek; geef uzelve geen rust, uw oogappel houde niet op! Koph. Maak u op, maak geschrei des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht des Heeren als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel uwer kinderkens, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.
De hoofdgedachte van dit tweede deel is de klacht over de onmacht van allen menselijken troost en over den spot der vijanden over Jeruzalems ongeluk. Maar de Heere, de Bewerker van dit gericht, kan ook hulp en troost schenken. Vooreerst geeft de Profeet uitdrukking aan de smart over de verplettering der dochter Zions, zo als die vooral in het versmachten van de zuigelingen en moeders gezien wordt. Jeruzalems lot is onvergelijkelijk en troosteloos. Hoe zonden de valse profeten, die door hun dwaze voorzeggingen het ongeluk over hen hebben gebracht, troost kunnen geven? En vrienden-ach, zij hebben alleen hoon en leedvermaak voor Jeruzalem, De Heere is het, die deze verwoesting lang te voren gedreigd heeft en haar nu over Zijn volk gebracht heeft; de Heere alleen kan ook daarover troosten en genezen. Die overtuiging moge Jeruzalem dringen den Heere met onophoudelijke tranen om ontferming te smeken.
Caph. Mijne ogen en die van al de vromen mijns volks zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd en kookt (Hoofdst. 1:20), mijne lever is ter aarde uitgeschud, 1) mijn gehele binnenste is in smart en kommer van wege de breuk der dochter mijns volks, die zich op het ontzaglijkst vertoonde; omdat het kind en de zuigeling op de straten der stad van honger in onmacht zinken;
Deze uitdrukking komt slechts eenmaal voor. De lever is gewoonlijk bij de Hebreën de zetel der zinnelijke begeerten. Die betekenis gaat hier echter niet door. De Profeet gebruikt die uitdrukking om zijn diepe smart er mede te kennen te geven Vandaar dat sommigen vertalen door gal, dewijl bij overstelpende droefheid niet zelden de gal in de maag zich uitstort en overgegeven wordt. Echter nergens komt het Hebr. woord in den zin van gal voor. Het heeft hier de betekenis van een oplossing van den inwendigen mens in smart en droefheid.
Lamed. Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, 1) opdat wij eten en drinken? als zij op de straten der stad in onmacht zinken, tot een even zo smartelijken dood als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in den schoot den boezem hunner moeders, zij daar den geest geven, terwijl die moeders deze hun dodelijke kwellingen moeten aanzien, zonder verzachting te kunnen aanbrengen.
Koren of brood en wijn waren bij den Oosterling de dagelijkse voedingsmiddelen, het hoog nodige. Zelfs de arbeider drinkt in het Oosten zijn wijn. Welnu de Profeet doet hier de zuigelingen naar het hoogst nodige vragen, wat er niet was, en tekent dus met die vraag en met hetgeen volgt, de diepe ellende. De kinderen zinken in onmacht ter neer; zij schudden hun ziel uit in den boezem van hun moeder, d. i. zich aan de moeders vastklemmende, terwijl deze toch onmachtig waren om ze te voeden. Niet alleen de groten, maar ook de zuigelingen deelden in de straf, welke de Heere over zijn volk brengt. Het ellendige dier kleinen tekent de Profeet dan ook met schrille kleuren.
Mem. Wat getuigen zal ik u brengen? 1) welke voorbeelden van soortgelijke ellende zal ik u voorstellen? wat zal ik bij u vergelijken, gij dochter Jeruzalems? wat in de gehele wereld, dat gelijke smart en gelijke droefheid ondervond, zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste door de herinnering, dat ook anderen dergelijke onheilen ondervonden, gij jonkvrouw, dochter Zions? Het is toch vertroostend te weten, dat anderen iets dergelijks leden. Maar ik vind niemand, die iets dergelijks ondervond, geen jammer op aarde die aan den uwen gelijkt; want uwe breuk is zo groot als de onmetelijke, diepe zee, die geen menselijk oog kan overzien. Wie kan u helen?
Als we de smart willen lenigen plegen we voorbeelden bij te brengen, die er enige gelijkenis mee hebben. Want indien iemand een ellendige wil troosten in zijn verdriet, zegt hij: Gij zijt niet de eerste of de laatste, gij hebt velen u gelijk, waarom pijnigt ge u dan toch? Want dit is de algemene troost voor de stervelingen. Dewijl derhalve het een algemeen middel is om de smart te lenigen, om vele voorbeelden bij te brengen, daarom zegt de Profeet: Wat getuigen zal ik u bijbrengen, dat is, waar of hoe zal ik u dit of dat voor ogen stellen, wat gelijk is. Hij voegt er straks bij: Uw breuk is zo groot als de zee. Dat is, u zal niet iets redden, want hoe of waarmee zal ik u dit of dat voor ogen stellen, waarmee ik u zal vergelijken, dewijl uw verlies alles in zich opneemt en er niets kan voor ogen gesteld worden wat er op gelijkt, zodat gij een merkwaardig bewijs zijt voor alle eeuwen. De hoofdsom van dit vers komt hierop neer, dat de ellendige toestand van het Joodse volk gadeloos en ongeneeslijk was. Vooreerst, geen volk kon men vinden, welks rampen die der Joden enigermate evenaarden. Het strekt dengenen, die in ellende leven, enigermate tot vertroostingen, dat anderen ook zo ongelukkig geweest zijn, of nog zijn; maar de Profeet kon deze troostreden bij hen niet gebruiken, wijl niemand hun gelijk was in rampspoed. Ten tweede, voor hen was gene tegenwoordige hulp, hun breuke was als ene wijde zeebreuk, door welke het water zo geweldig inschiet, dat men, totdat het getij afneemt, daar geen dijk of dam kan opwerpen. De Profeet vindt derhalve niets. Er is geen verlies zo groot, geen ellende zo verschrikkelijk, geen breuk zo wijd, die met de ellende en den jammer van Jeruzalem en Juda kan vergeleken worden. Het enige antwoord dat hij op die vraag kan geven is, dat de breuk zo groot is als de zee, als een zeer diepe afgrond, die niet te meten of te peilen is. Wel een bewijs hoe diep de Profeet den slag gevoelt, waarmee de Heere geslagen heeft. En wat het ergste was, geen mensenhand kon die breuk helen. Geen mensenhand was in staat, genezing en troost aan te brengen. Alleen Hij die slaat kan ook weer genezen, kan ook alleen troosten met Zijne goddelijke vertroostingen.
Nun. Niemand op aarde is in staat u in uwen jammer te vertroosten, uwe wonde te genezen. Uwe profeten, die gij uzelven verkoren hebt, waren des Heeren profeten niet; gij leendet hun gaarne het oor, en die leugenaars juist zijn het, die dit ongeluk over u hebben gebracht; zij hebben uwe ijdelheid en ongerijmdheid gezien, zij hebben de waarheid met hun leugenen verduisterd, en u door schitterende beloften bedrogen, en zij hebben u uwe ongerechtigheid niet geopenbaard, zij hebben u niet ernstig bestraft, noch dringend tot bekering vermaand, om uwe toen reeds aanwezige ellende en uwe toekomstige gevangenis af te wenden 1); maar zij hebben u in zogenaamde Godspraken van enkel vreugde en welvaart, die u zouden wachten (Jer. 6:14; 14:13; 23:17 gezien 2) geprofeteerd ijdele lasten en uitstotingen (Jer. 27:10, 15), zij hebben u godspraken van leugen en misleiding voorgehouden.
Predikers, wanneer zij liefkozen, als zij zachte predikers en stomme honden zijn, brengen ene grote en onherstelbare schade over een geheel land, want de zon zal over zulke Profeten ondergaan, en de dag zal over hen duister worden (Micha 3:6). En hoewel zij een tijd lang gunst, genade en geld en bevordering bij de mensen verkrijgen, verliezen zij toch met hun toehoorders die zulke Placentijners gaarne willen hebben, alle genade bij den levenden God.
Gezien in den zin van voorspeld. Niet dat de valse Profeten het volk den last van God hebben voorspeld, integendeel, zij hadden het volk niets anders dan genot en redding voorspiegeld, maar omdat zij door hun valse voorspellingen de oorzaak waren geworden dat het volk tegen God had gerebelleerd en daarom Zijn straf ondervond. Jeremia had het gezegd (Jer. 27:10, 15) dat zij leugens voorspelden, om Juda uit zijn land weg te stoten.
Samech. Maar hoe zouden vreemden u, o Jeruzalem! ook troost en hulp brengen? Integendeel hebben zij slechts hoon en leedvermaak voor u. Allen, die bij u over weggaan, klappen uit goddeloze vreugde over uwen diepen val met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter Jeruzalems, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, onder hun zangers en profeten (Ps. 50:2; 48:3), dat zij volkomen van schoonheid was, ene vreugde der ganse aarde, dat God in haar midden woonde, en van daar Zich aan alle volken der aarde tot hare vreugde openbaarde? De duivel spot vooral met Gods kerk en met alle vromen, zo als de goddelozen zelven zullen belijden. Doch wij laten ons door dat spotten niet afleiden, maar blijven vast en bestendig bij God. Want zalig zijt gij, zo U de mensen om Mijnentwil smaden en vervolgen en alle kwaad tegen u spreken (Matth. 5:11). God kan dien smaad wel weer spoedig wegnemen, en het gejuich der goddelozen stillen, en hun gezang verstommen, en mijne ogen zullen zien, dat zij dan als slijk op de straten worden vertreden (Micha 7:10).
Pe. Al uwe vijanden, hoe verre zijn zij van medelijden en hulp! Triomferend sperren zij met trotsen hoon hunnen mond op over u; zij fluiten over u en knersen met de tanden, als zij hun begeerte naar buit bevredigen en uw ongeluk aanzien, even als wilde dieren; zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, dien wij verwacht hebben; wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien, en onze vijandin is gevallen, die zich zo trots beroemde, dat God haar vertrouwen en hare bescherming was, zodat zij eens zou heersen over de volken. Is het niet, als hoorden wij de taal van Gods vijanden in onze dagen, die luide triomferen over de kerk des Heeren, welke volgens hun verwachting nu ook spoedig een lijk zal zijn, ene geboeide, gevallene grootheid? Reeds wensen zij elkaar geluk, dat zij nu spoedig niets meer van deze ene zo machtige en invloedrijke stad Gods zullen te vrezen hebben. En van waar komt de ellende en de jammer van de kerk des Heeren, dat zij aan het geweld, aan den spot en den hoon harer vijanden zozeer is overgegeven, andere dan dat ook hun Profeten naar het welgevallen des vleses, naar den lust der mensen gepredikt hebben, dat zij de misdaad der mensen niet hebben ontdekt, maar toegedekt, en gene tucht uitoefenen? Nu beelden zich hare vijanden in, dat al die heerlijke beloften van Gods woord over een rijk van genade, dat het geheim der genade en der verkiezing niets waard is. Die ellendige dwazen! Zij weten en vermoeden niet, dat zij blinde werktuigen zijn van God, die door hen juist Zijn rijk rein, heilig en heerlijk wil maken, dat het de gerichten Gods zijn over Zijn huis, die echter een voorteken zijn van hun eigen, veel vreeslijker gericht. Voor de ware en getrouwe Profeten en dienaars Gods zijn dit echter tijden der diepste treurigheid, daar zij ook aan de wateren te Babel zitten en wenen, wanneer zij aan de jonkvrouw, de dochter Zions, denken, tijden in welke zij met Jeremia op de puinhopen van Jeruzalem zitten en klaagliederen zingen, maar ook tijden der zwaarste aanvechting en verzoeking, dat zij schreien: “Heere! hoe lang verbergt Gij U voor ons, hoe lang zullen Uwe vijanden triomferen en Uw woord lasteren? (Openb. 11:7 vv).
Aïn. Neen! zeg ik, die des Heeren waarachtig Profeet ben, datgene, waarop zich de vijanden zo honend beroemen, en dat zij met zulk een overmoed hebben volbracht, is niet hun wil, dien zij volbracht hebben, maar zij hebben het gericht van den heiligen en rechtvaardigen God over Zijn volk moeten volbrengen. De HEERE heeft in dat alles gedaan, wat Hij gedacht had, wat in Zijn heiligen raad is besloten (2 Kon. 22:16 v. Jer. 25:9 vv. 26:18. Zach. 1:6). Hij heeft daarin Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen door Zijnen knecht Mozes (Lev. 26:23 vv. Deut. 18:15 omtrent Zijn volk, als ene gestrenge, onveranderlijke wet der bestraffing tegen al degenen, die Zich tegen Zijne heilige regeling verzetten. Dit is overeenkomstig Zijne heiligheid en rechtvaardigheid: Hij heeft, gelijk ik het te voren heb verkondigd (Jer. 4:28), afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft den vijand over u, o Zion! verblijd, Hij heeft den hoorn uwer tegenpartijders verhoogd.
Tsade. Zulk ene erkentenis is nu ook bij de dochter Zions ontstaan, daarom heeft zij zich weer tot den Heere gewend. Hun hart schreeuwde 1) tot den HEERE om ontferming, en nog roept zij voort: O a) gij muur) der dochter Zions, gij eens zo wel omgorde, heerlijke stad Gods, roep en klaag uit de diepte den Heere uw ongeluk! Laat dag en nacht tranen afvlieten als ene beek; geef uzelve gene rust, zelfs geen ogenblik, uw oogappel houde niet op van tranen te storten.
Jer. 14:17. Klaagl. 1:16.
Even als alles wat groot en heerlijk is eerst bij het verdwijnen ‘t hoogst wordt gewaardeerd, zo ging het toen omtrent deze grauwe muren, die nog meer schenen te beschermen dan ene gewone stad, en die midden in hun verval als enen geheimzinnige macht schenen geworden te zijn. Het inzicht, dat de Heere het vreselijk ongeluk beschikt heeft, drijft tot gebed om erbarmen. Zo sluit zich vs. 18 aan vs. 17 aan evenwel niet onmiddellijk met den eis tot gebed, maar met aanhaling van de daadzaak, dat het geschiedt. Hun hart schreit tot den Heere, waarop de eis volgt met tranen zonder aflaten tot Hem te vlieden. Het spreekt echter van zelf, dat de Profeet gene dode, stenen muren tot ene smartelijke klacht voor den Heere oproept, maar het volk, dan eens binnen deze woonde en met die het gehele volk van God. Hier worden de eisen van een waar en ernstig gebed aangewezen, namelijk: 1) het schreien des harten, waaronder de verootmoediging, de ernstige en welgemeende beweging des harten bedoeld is. Cyprianus zegt: de Heere is geen verhoorder der stem maar des harten. Men zegt in een spreekwoord: als het hart niet bidt vermoeit zich de tong te vergeefs;
de tranen of het ware berouw, waarvan de tranen merktekenen zijn, zo als het voorbeeld der zondares (Luk. 7:18) aanwijst. En bekend is het woord van dien kerkvader: de tranen der zondaars zijn het brood der engelen, ja de wijn der engelen.
Gelijk Jesaja van de poort spreekt en daarmee de stad bedoelt (Jes. 14:31), alzo spreekt Jeremia hier van den muur en bedoelt daarmee, al de personen, die binnen de muren der stad zich bevonden. Hij roept hen toe om geen ogenblik af te laten met wenen, om hart en hand tot den Heere op te heffen, opdat aan de ellende een einde moge komen. Het is de Heere, welke die tranen doet storten. Het is de Heere, die zich op het gebed des ellendigen ook weer erbarmen wil.
Koph. Maak u op, maak geschrei des nachts in het begin der nachtwaken (Mark. 13:35), roep luide om vergeving en genade, stort uw diep bekommerd hart uit voor het aangezicht des HEEREN als water; hef biddend en worstelend uwe handen tot Hem op, voor de ziel uwer kinderkens, die door uwe schuld zo ongelukkig geworden, in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op allehoeken der straten. 20.
III. Vs. 20-22.KruisverwijzingenKlaagliederen 4:10→Jeremia 19:9→2 Kronieken 36:17→Jeremia 6:25→Psalmen 78:64→Klaagliederen 3:43→Zacharia 11:6→Jeremia 13:14→
— Resch. Zie, HEERE, aanschouw toch, aan wien Gij alzo gedaan hebt; zullen dan de vrouwen haar vrucht eten, de kinderkens, die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester in het heiligdom des Heeren gedood worden? Schin. De jongen en de ouden liggen op de aarde op de straten; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn door het zwaard gevallen; Gij hebt ze in den dag Uws toorns gedood, Gij hebt ze geslacht en niet verschoond. Thau. Gij hebt mijn verschrikkingen van rondom geroepen, als tot een dag eens gezetten hoogtijds; en er is niemand aan den dag des toorns des HEEREN ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en opgetogen heb, die heeft mijn vijand omgebracht.
Overeenkomstig den drang van den Profeet, verheft nu Zion hare stem tot een klagend gebed, waarin zij den Heere het ontzettend ongeluk, dat Jeruzalem lijdt, aan het harte legt.
Resch. Zie, HEERE! aanschouw toch, aan wien Gij alzo gedaan hebt.
Is het dan een volk der Heidenen? Is het niet Uwe heilige stad, die Gij verkoren hebt tot de plaats Uwer genadige tegenwoordigheid; is het niet Uw uitverkoren volk, Uw eerstgeboren zoon, aan wien alle beloften van Uwen zegen zijn gegeven? En kunt Gij nu rustig aanzien en werkeloos blijven bij de ontzettende gruwelen, die daar geschied zijn? a) zullen dan de vrouwen, gelijk eens in den uitersten hongersnood te Jeruzalem geschied is, hare vrucht eten, met verloochening van alle moederlijk gevoel, de kinderkens, die men op de handen draagt en met tedere liefde verpleegt? Kunnen zulke onmenselijke gruwelen geschieden, zonder dat Gij tussenbeide treedt? Zullen dan de Profeet en de priester in het heiligdom des Heeren gedood worden, zodat hun bloed op dezelfde plaats vloeit, waar zij Uw volk met offeranden verzoenden? Wilt Gij dan Uw verbond met Uw volk geheel en al verbreken?
Klaagl. 4:10.
Merkt hieraan: het gebed is een zalve voor alle wonden, zelfs de zwaarste; een geneesmiddel voor alle ziekten, zelfs de pijnlijkste. En onze zaak in het bidden, is niet voor te schijven, maar ons onderwerpen aan de wijsheid en den wil Gods, onze zielen aan Hem over te geven en ze dan aan Hem te laten.
Schin. De jongen en de ouden liggen dood op de aarde, op de straten; mijne jonkvrouwen en mijne jongelingen zijn door het zwaard gevallen; Gij hebt ze in den dag Uws toorns gedood; Gij hebt ze geslacht en niet verschoond.
Thau. Gij hebt mijne verschrikkingen, de vijandige machten, die mij verschrikken en doden, het zwaard, den honger en de pest van rondom geroepen, dat zij zich tegen mij zouden vergaderen, als tot enen dag eens gezetten hoogtijds, als tot een feesttijd voor de vijanden; en er is niemand, van welk geslacht of welken ouderdom hij ook mocht zijn, aan den dag des toorns des HEEREN ontkomen of overgebleven; die ik met liefdevolle zorg op de handen gedragen en opgetogen heb, opdat zij de dragers mijner verkiezing voor de toekomst zouden zijn, en mijne heilige erve zouden wederbrengen, die heeft mijn vijand omgebracht. Zo zonk mijne heerlijkheid in het stof.
Hier brengt hij op de vijanden over wat hij kort te voren gezegd heeft als door God te zijn gedaan, maar in den zelfden zin, omdat hij n. l. begrijpt dat God de eerste oorzaak is, dat de Chaldeën slechts uitvoerders van Zijn straf waren. Het klinkt ontzaglijk smartelijk, dat zwaaien van den sikkel des doods over het leven des volks, zodat het geen enkelen kring onverschoond liet! Even als ene vergadering tot enen feestdag in haren verheven vrede Gods, zo heeft de Heere zaamgeroepen-niet Zijn volk, maar de machten der verschrikking van rondom, die het bijeen jagen en te zamen slaan, totdat het vergaat. Dat is ene feestviering! Trompetgeschal kondigde de feesten aan. Ook hier klinkt het tot een feest, tot een feest des doods, en tot vrolijkheid der tyrannen, die Israël zouden verderven. Met de diepste smart, waartegen geen troost iets vermag eindigt het tweede lied even als het eerste. Dat ondervinden ook de ware Christenen, wanneer zij hun angst en hunnen nood met zulk hartelijk zuchten en wenende den Heere klagen, en hun hart voor Hem uitstorten, dat hun zelfs voordat de volkomene hulpe komt, het kruis veel lichter voorkomt, en zij, zo als het spreekwoord zegt, een riem onder het hart krijgen. Daarom, zijt gij in bekommernis en droefheid, klaag het den Heere, werp uwe bekommernis op Hem, Hij zal voor u zorgen, Hij zal den rechtvaardige niet in eeuwigheid in onrust laten. Daarvan is ons een treffend voorbeeld de Profeet en Koning David; wat dien ook overkwam, dat klaagde hij den Heere in zijne schone Psalmen. Hij klaagde het met tranen en geween, en hij wist, dat dit niet om niet was, gelijk hij zegt in Psalm 56:9 : “Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijne tranen in Uwe fles; zijn zij niet in Uw register? Ten dage als ik zal roepen, dit weet ik, dat God met mij is. ” Zulke tranen, zulk weeklagen van beangstigde mensen, die in hun ellende op Hem aanlopen, wil God, de Heere aanzien, hun tranen vloeien wel van de wangen af, maar zij roepen ten hemel en hun geschrei doordringt alle wolken.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel