Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Het geschieddeH1961 daarna, als JabinH2985, de koningH4428 van HazorH2674, dit hoordeH8085, zo zondH7971 hij totH413JobabH3103, den koningH4428 van MadonH4068, en totH413 den koningH4428 van SimronH8110, en totH413 den koningH4428 van AchsafH407,Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,
KJVAnd it came to pass, when Jabin3king4of Hazor5had heard2those things, that he sent6to Jobab8king9of Madon,10and to the king12of Shimron,13and to the king15of Achshaph,
1וַיְהִ֕יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כִּשְׁמֹ֖עַH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness3יָבִ֣יןH2985JabinJabin4מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal5חָצ֑וֹרH2674Hazor, Hazor-hadatthaHazor6וַיִּשְׁלַ֗חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)7אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)8יוֹבָב֙H3103JobabJobab9מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal10מָד֔וֹןH4068MadonMadon11וְאֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)12מֶ֥לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal13שִׁמְר֖וֹןH8110SimronShimron14וְאֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)15מֶ֥לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal16אַכְשָֽׁףH407AchsafAchshaph
2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En tot de koningenH4428, dieH834 tegen het noordenH6828 op het gebergteH2022, en op het vlakkeH6160, tegen het zuidenH5045 van CinnerothH3672, en in de laagteH8219, en in Nafoth-DorH5299, aan de zeeH3220 waren;En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;
KJVAnd to the kings2that were on the north4of the mountains,5and of the plains6south7of Chinneroth,8and in the valley,9and in the borders10of Dor11on the west,
1וְֽאֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)2הַמְּלָכִ֞יםH4428koning, konings, koningenking, royal3אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4מִצְּפ֗וֹןH6828noorden, noordwaarts, Noordennorth(-ern, side, -ward, wind)5בָּהָ֧רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion6וּבָעֲרָבָ֛הH6160vlakke velden, vlakke veld, wildernisArabah, champaign, desert, evening, heaven, plain, wilderness. See also H1026 (בֵּית הָעֲרָבָה)7נֶ֥גֶבH5045zuiden, zuidwaarts, Zuidensouth (country, side, -ward)8כִּֽנֲר֖וֹתH3672Cinnereth, CinnerothChinnereth, Chinneroth, Cinneroth9וּבַשְּׁפֵלָ֑הH8219laagte, laagtenlow country, (low) plain, vale(-ley)10וּבְנָפ֥וֹתH5299Nafath-dor, Nafoth-dor, landstreekborder, coast, region, sieve11דּ֖וֹרH1756DorDor12מִיָּֽםH3220zee, westen, zeeensea ([idiom] -faring man, (-shore)), south, west (-ern, side, -ward)
3Tot de Kanaanieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Tot de KanaanietenH3669 tegen het oostenH4217 en tegen het westenH3220, en de AmorietenH567, en de HethietenH2850, en de FerezietenH6522; en de JebusietenH2983 op het gebergteH2022, en de HevietenH2340onderH8478 aan HermonH2768, in het landH776 van MizpaH4709.Tot de Kanaanieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa.
KJVAnd to the Canaanite1on the east2and on the west,3and to the Amorite,4and the Hittite,5and the Perizzite,6and the Jebusite7in the mountains,8and to the Hivite9under Hermon11in the land12of Mizpeh.
1הַֽכְּנַעֲנִי֙H3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker2מִמִּזְרָ֣חH4217oosten, opgang, oostwaartseast (side, -ward), (sun-) rising (of the sun)3וּמִיָּ֔םH3220zee, westen, zeeensea ([idiom] -faring man, (-shore)), south, west (-ern, side, -ward)4וְהָאֱמֹרִ֧יH567Amorieten, Amoriet, AmorietischenAmorite5וְהַחִתִּ֛יH2850Hethieten, Hethiet, HethietischeHittite, Hittities6וְהַפְּרִזִּ֥יH6522Ferezieten, FerezietPerizzite7וְהַיְבוּסִ֖יH2983Jebusieten, Jebusiet, JebusiJebusite(-s)8בָּהָ֑רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion9וְהַֽחִוִּי֙H2340Hevieten, Heviet, HivvietHivite10תַּ֣חַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with11חֶרְמ֔וֹןH2768HermonHermon12בְּאֶ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world13הַמִּצְפָּֽהH4709MizpaMitspah. (This seems rather to be only an orthographic variation of H4708 (מִצְפֶּה) when 'in pause'.)
4Dezen nu togen uit, en al hun heirlegers met hen; veel volks, als het zand, dat aan den oever der zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Dezen nu togenH3318 uit, en alH3605hunH1992heirlegersH4264metH5973 hen; veelH7227volksH5971, als het zandH2344, datH834aanH5921 den oeverH8193 der zeeH3220 is, in veelheidH7230; en zeerH3966veleH7227paardenH5483 en wagensH7393.Dezen nu togen uit, en al hun heirlegers met hen; veel volks, als het zand, dat aan den oever der zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens.
KJVAnd they went out,1they and all their hosts4with them, much7people,6even as the sand8that is upon the sea12shore11in multitude,13with horses14and chariots15very17many.
1וַיֵּצְא֣וּH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter2הֵ֗םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye3וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)4מַֽחֲנֵיהֶם֙H4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents5עִמָּ֔םH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)6עַםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people7רָ֕בH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)8כַּח֛וֹלH2344zand, zandssand9אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11שְׂפַתH8193lippen, oever, spraakband, bank, binding, border, brim, brink, edge, language, lip, prating, (sea-)shore, side, speech, talk, (vain) words12הַיָּ֖םH3220zee, westen, zeeensea ([idiom] -faring man, (-shore)), south, west (-ern, side, -ward)13לָרֹ֑בH7230menigte, veelheid, grootheidabundance(-antly), all, [idiom] common (sort), excellent, great(-ly, -ness, number), huge, be increased, long, many, more in number, most, much, multitude, plenty(-ifully), [idiom] very (age)14וְס֥וּסH5483paarden, paard, Paardenpoortcrane, horse (-back, -hoof). Compare H6571 (פָּרָשׁ)15וָרֶ֖כֶבH7393wagenen, wagen, wagenschariot, (upper) millstone, multitude (from the margin), wagon16רַבH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)17מְאֹֽדH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well
5Al deze koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich samen aan de wateren van Merom, om tegen Israel te krijgen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5AlH3605dezeH428koningenH4428 werden vergaderdH3259, en kwamenH935 en legerdenH2583 zich samenH3162aanH413 de waterenH4325 van MeromH4792, om tegen IsraelH3478 te krijgenH3898.Al deze koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich samen aan de wateren van Merom, om tegen Israel te krijgen.
KJVAnd when all these kings3were met together,1they came5and pitched6together7at the waters9of Merom,10to fight11against Israel.
1וַיִּוָּ֣עֲד֔וּH3259vergaderd, dagvaarden, komenagree,(maxke an) appoint(-ment, a time), assemble (selves), betroth, gather (selves, together), meet (together), set (a time)2כֹּ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)3הַמְּלָכִ֣יםH4428koning, konings, koningenking, royal4הָאֵ֑לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)5וַיָּבֹ֜אוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way6וַיַּחֲנ֤וּH2583legerden, legeren, gelegerdabide (in tents), camp, dwell, encamp, grow to an end, lie, pitch (tent), rest in tent7יַחְדָּו֙H3162samen, tezamenalike, at all (once), both, likewise, only, (al-) together, withal8אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9מֵ֣יH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))10מֵר֔וֹםH4792MeromMerom11לְהִלָּחֵ֖םH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)12עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)13יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
6En de HEERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent dezen tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israel; hun paarden zult gij verlammen, en hun wagenen met vuur verbranden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En de HEEREH3068zeideH559totH413JozuaH3091: VreesH3372nietH408 voor hun aangezichtenH6440; wantH3588morgenH4279 omtrent dezen tijdH6256 zal IkH595 hen altegaderH3605verslagenH2491gevenH5414 voor het aangezichtH6440 van IsraelH3478; hun paardenH5483 zult gij verlammenH6131, en hun wagenenH4818 met vuurH784verbrandenH8313.En de HEERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent dezen tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israel; hun paarden zult gij verlammen, en hun wagenen met vuur verbranden.
KJVAnd the LORD2said1unto Joshua,4Be not afraid6because7of them: for to morrow9about this time10will I deliver them up13all slain16before17Israel:18thou shalt hough21their horses,20and burn24their chariots23with fire.
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4יְהוֹשֻׁעַ֮H3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)5אַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than6תִּירָ֣אH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)7מִפְּנֵיהֶם֒H6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you8כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9מָחָ֞רH4279morgen, Morgentime to come, tomorrow10כָּעֵ֣תH6256tijd, tijde, tijden[phrase] after, (al-) ways, [idiom] certain, [phrase] continually, [phrase] evening, long, (due) season, so (long) as, (even-, evening-, noon-) tide, (meal-), what) time, when11הַזֹּ֗אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus12אָנֹכִ֞יH595ik, mijI, me, [idiom] which13נֹתֵ֧ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15כֻּלָּ֛םH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)16חֲלָלִ֖יםH2491verslagenen, verslagen, verslagenekill, profane, slain (man), [idiom] slew, (deadly) wounded17לִפְנֵ֣יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you18יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael19אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20סוּסֵיהֶ֣םH5483paarden, paard, Paardenpoortcrane, horse (-back, -hoof). Compare H6571 (פָּרָשׁ)21תְּעַקֵּ֔רH6131ontzenuwde, roeien, uitgewortelddig down, hough, pluck up, root up22וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)23מַרְכְּבֹתֵיהֶ֖םH4818wagen, wagenen, wagenschariot. See also H1024 (בֵּית הַמַּרְכָּבוֹת)24תִּשְׂרֹ֥ףH8313verbranden, verbrand, verbrandde(cause to, make a) burn((-ing), up) kindle, [idiom] utterly25בָּאֵֽשׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot
7En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En JozuaH3091, en alH3605 het krijgsvolkH5971metH5973 hem, kwamH935snellijkH6597overH5921 hen aanH5921 de waterenH4325 van MeromH4792, en zij overvielenH5307 hen.En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen.
KJVSo Joshua2came,1and all the people4of war5with him, against them by the waters9of Merom10suddenly;11and they fell upon
1וַיָּבֹ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2יְהוֹשֻׁ֡עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)3וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)4עַם֩H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people5הַמִּלְחָמָ֨הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)6עִמּ֧וֹH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)7עֲלֵיהֶ֛םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9מֵ֥יH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))10מֵר֖וֹםH4792MeromMerom11פִּתְאֹ֑םH6597haastelijk, snellijk, haastigstraightway, sudden(-ly)12וַֽיִּפְּל֖וּH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down13בָּהֶֽם
8En de HEERE gaf hen in de hand van Israel, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En de HEEREH3068gafH5414 hen in de handH3027 van IsraelH3478, en zij sloegenH5221 hen, en joegenH7291 hen na totH5704grootH7227SidonH6721 toe, en totH5704Misrefoth-maimH4956, en totH5704 het dalH1237MizpaH4708 tegen het oostenH4217; en zij sloegenH5221 hen, totdatH5704 zij geen overigenH8300 onder hen overlietenH7604.En de HEERE gaf hen in de hand van Israel, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten.
KJVAnd the LORD2delivered1them into the hand3of Israel,4who smote5them, and chased6them unto great9Zidon,8and unto Misrephothmaim,11and unto the valley14of Mizpeh15eastward;16and they smote17them, until they left20them none remaining.
1וַיִּתְּנֵ֨םH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2יְהוָ֥הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3בְּיַֽדH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves4יִשְׂרָאֵל֮H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael5וַיַּכּוּם֒H5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound6וַֽיִּרְדְּפ֞וּםH7291vervolgen, vervolgers, jaagdechase, put to flight, follow (after, on), hunt, (be under) persecute(-ion, -or), pursue(-r)7עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet8צִיד֣וֹןH6721SidonSidon, Zidon9רַבָּ֗הH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)10וְעַד֙H5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet11מִשְׂרְפ֣וֹתH4956Misrefoth-maimMisrephoth-mayim12מַ֔יִםH4956Misrefoth-maimMisrephoth-mayim13וְעַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet14בִּקְעַ֥תH1237vallei, dal, dalenplain, valley15מִצְפֶּ֖הH4708Mizpa, MizpeMizpeh, watch tower. Compare H4709 (מִצְפָּה)16מִזְרָ֑חָהH4217oosten, opgang, oostwaartseast (side, -ward), (sun-) rising (of the sun)17וַיַּכֻּ֕םH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound18עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet19בִּלְתִּ֥יH1115niet, niemand, tenzijbecause un(satiable), beside, but, [phrase] continual, except, from, lest, neither, no more, none, not, nothing, save, that no, without20הִשְׁאִֽירH7604overgebleven, overblijven, overgelatenleave, (be) left, let, remain, remnant, reserve, the rest21לָהֶ֖ם22שָׂרִֽידH8300overigen, overgeblevenen, niemand[idiom] alive, left, remain(-ing), remnant, rest
9Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9JozuaH3091 nu deedH6213 hun, gelijk hem de HEEREH3068gezegdH559 had; hun paardenH5483verlamdeH6131 hij, en hun wagenenH4818verbranddeH8313 hij met vuurH784.Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur.
KJVAnd Joshua3did1unto them as the LORD7bade5him: he houghed10their horses,9and burnt13their chariots12with fire.
1וַיַּ֤עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2לָהֶם֙3יְהוֹשֻׁ֔עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)4כַּאֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5אָֽמַרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6ל֖וֹ7יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9סוּסֵיהֶ֣םH5483paarden, paard, Paardenpoortcrane, horse (-back, -hoof). Compare H6571 (פָּרָשׁ)10עִקֵּ֔רH6131ontzenuwde, roeien, uitgewortelddig down, hough, pluck up, root up11וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12מַרְכְּבֹתֵיהֶ֖םH4818wagen, wagenen, wagenschariot. See also H1024 (בֵּית הַמַּרְכָּבוֹת)13שָׂרַ֥ףH8313verbranden, verbrand, verbrandde(cause to, make a) burn((-ing), up) kindle, [idiom] utterly14בָּאֵֽשׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot
10En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En JozuaH3091keerdeH7725 weder ter zelverH1931tijdH6256, en hij namH3920HazorH2674 in, en haar koningH4428sloegH5221 hij met het zwaardH2719; wantH3588HazorH2674 was te vorenH6440 het hoofdH7218 van alH3605dezeH428koninkrijkenH4467.En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken.
KJVAnd Joshua2at that time3turned back,1and took5Hazor,7and smote10the king9thereof with the sword:11for Hazor13beforetime14was the head16of all those kingdoms.
1וַיָּ֨שָׁבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw2יְהוֹשֻׁ֜עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)3בָּעֵ֤תH6256tijd, tijde, tijden[phrase] after, (al-) ways, [idiom] certain, [phrase] continually, [phrase] evening, long, (due) season, so (long) as, (even-, evening-, noon-) tide, (meal-), what) time, when4הַהִיא֙H1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who5וַיִּלְכֹּ֣דH3920nam, ingenomen, gevangen[idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7חָצ֔וֹרH2674Hazor, Hazor-hadatthaHazor8וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9מַלְכָּ֖הּH4428koning, konings, koningenking, royal10הִכָּ֣הH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound11בֶחָ֑רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool12כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet13חָצ֣וֹרH2674Hazor, Hazor-hadatthaHazor14לְפָנִ֔יםH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you15הִ֕יאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who16רֹ֖אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top17כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)18הַמַּמְלָכ֥וֹתH4467koninkrijk, koninkrijken, koninkrijkskingdom, king's, reign, royal19הָאֵֽלֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)
11En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte des zwaards, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En zij sloegenH5221alleH3605zielH5315, dieH834 daarin was, met de scherpteH6310 des zwaardsH2719, die verbannendeH2763; er bleefH3498nietsH3808 over, dat ademH5397 had; en HazorH2674verbranddeH8313 hij met vuurH784.En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte des zwaards, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur.
KJVAnd they smote1all the souls4that were therein with the edge7of the sword,8utterly destroying9them: there was not any left11to breathe:13and he burnt16Hazor15with fire.
1וַ֠יַּכּוּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)4הַנֶּ֨פֶשׁH5315ziel, zielen, levenany, appetite, beast, body, breath, creature, [idiom] dead(-ly), desire, [idiom] (dis-) contented, [idiom] fish, ghost, [phrase] greedy, he, heart(-y), (hath, [idiom] jeopardy of) life ([idiom] in jeopardy), lust, man, me, mind, mortally, one, own, person, pleasure, (her-, him-, my-, thy-) self, them (your) -selves, [phrase] slay, soul, [phrase] tablet, they, thing, ([idiom] she) will, [idiom] would have it5אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6בָּ֤הּ7לְפִיH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word8חֶ֨רֶב֙H2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool9הַֽחֲרֵ֔םH2763verbannen, verbande, verbandenmake accursed, consecrate, (utterly) destroy, devote, forfeit, have a flat nose, utterly (slay, make away)10לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11נוֹתַ֖רH3498overgebleven, overgelaten, overigeexcel, leave (a remnant), left behind, too much, make plenteous, preserve, (be, let) remain(-der, -ing, -nant), reserve, residue, rest12כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)13נְשָׁמָ֑הH5397adem, geblaas, geestblast, (that) breath(-eth), inspiration, soul, spirit14וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15חָצ֖וֹרH2674Hazor, Hazor-hadatthaHazor16שָׂרַ֥ףH8313verbranden, verbrand, verbrandde(cause to, make a) burn((-ing), up) kindle, [idiom] utterly17בָּאֵֽשׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot
12En Jozua nam al de steden dezer koningen in, en al haar koningen, en hij sloeg hen met de scherpte des zwaards, hen verbannende, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN geboden had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En JozuaH3091namH3920alH3605 de stedenH5892 dezer koningenH4428 in, en alH3605 haar koningenH4428, en hij sloegH5221 hen met de scherpteH6310 des zwaardsH2719, hen verbannendeH2763, gelijk als MozesH4872, de knechtH5650 des HEERENH3068gebodenH6680 had.En Jozua nam al de steden dezer koningen in, en al haar koningen, en hij sloeg hen met de scherpte des zwaards, hen verbannende, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN geboden had.
KJVAnd all the cities3of those kings,4and all the kings8of them, did Joshua10take,9and smote11them with the edge12of the sword,13and he utterly destroyed14them, as Moses18the servant19of the LORD20commanded.
1וְֽאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)2כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)3עָרֵ֣יH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town4הַמְּלָכִֽיםH4428koning, konings, koningenking, royal5הָ֠אֵלֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)6וְֽאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)8מַלְכֵיהֶ֞םH4428koning, konings, koningenking, royal9לָכַ֧דH3920nam, ingenomen, gevangen[idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take10יְהוֹשֻׁ֛עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)11וַיַּכֵּ֥םH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound12לְפִיH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word13חֶ֖רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool14הֶחֱרִ֣יםH2763verbannen, verbande, verbandenmake accursed, consecrate, (utterly) destroy, devote, forfeit, have a flat nose, utterly (slay, make away)15אוֹתָ֑םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16כַּאֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection17צִוָּ֔הH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order18מֹשֶׁ֖הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses19עֶ֥בֶדH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant20יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
13Alleenlijk verbrandden de Israelieten geen steden, die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Alleenlijk verbranddenH8313 de IsraelietenH3478geenH3808stedenH5892, die opH5921 haar heuvelenH8510stondenH5975, behalve HazorH2674 alleen; dat verbranddeH8313JozuaH3091.Alleenlijk verbrandden de Israelieten geen steden, die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua.
KJVBut as for the cities3that stood4still in their strength,6Israel9burned8none of them, save10Hazor12only; that did Joshua15burn.
1רַ֣קH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise2כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)3הֶעָרִ֗יםH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town4הָעֹֽמְדוֹת֙H5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry5עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6תִּלָּ֔םH8510hoop, heuvelenheap, [idiom] strength7לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8שְׂרָפָ֖םH8313verbranden, verbrand, verbrandde(cause to, make a) burn((-ing), up) kindle, [idiom] utterly9יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael10זוּלָתִ֛יH2108behalve, uitgezonderdbeside, but, only, save11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12חָצ֥וֹרH2674Hazor, Hazor-hadatthaHazor13לְבַדָּ֖הּH905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength14שָׂרַ֥ףH8313verbranden, verbrand, verbrandde(cause to, make a) burn((-ing), up) kindle, [idiom] utterly15יְהוֹשֻֽׁעַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)
14En al den roof dezer steden, en het vee, roofden de kinderen Israels voor zich; alleenlijk sloegen zij al de mensen met de scherpte des zwaards, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven wat adem had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14En alH3605 den roofH7998 dezer stedenH5892, en het veeH929, roofdenH962 de kinderenH1121IsraelsH3478 voor zich; alleenlijk sloegenH5221 zij alH3605 de mensenH120 met de scherpteH6310 des zwaardsH2719, totdatH5704 zij hen verdelgdenH8045; zij lietenH3808 niet overblijvenH7604 wat ademH5397 had.En al den roof dezer steden, en het vee, roofden de kinderen Israels voor zich; alleenlijk sloegen zij al de mensen met de scherpte des zwaards, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven wat adem had.
KJVAnd all the spoil2of these cities,3and the cattle,5the children8of Israel9took for a prey6unto themselves; but every man13they smote14with the edge15of the sword,16until they had destroyed18them, neither left21they any to breathe.
1וְ֠כֹלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)2שְׁלַ֞לH7998buit, roof, roofsprey, spoil3הֶעָרִ֤יםH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town4הָאֵ֨לֶּה֙H428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)5וְהַבְּהֵמָ֔הH929beesten, vee, beestbeast, cattle6בָּזְז֥וּH962roven, roofden, plunderencatch, gather, (take) for a prey, rob(-ber), spoil, take (away, spoil), [idiom] utterly7לָהֶ֖ם8בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth9יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael10רַ֣קH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise11אֶֽתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)13הָאָדָ֞םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person14הִכּ֣וּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound15לְפִיH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word16חֶ֗רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool17עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet18הִשְׁמִדָם֙H8045verdelgd, verdelgen, verdelgdedestory(-uction), bring to nought, overthrow, perish, pluck down, [idiom] utterly19אוֹתָ֔םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without21הִשְׁאִ֖ירוּH7604overgebleven, overblijven, overgelatenleave, (be) left, let, remain, remnant, reserve, the rest22כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)23נְשָׁמָֽהH5397adem, geblaas, geestblast, (that) breath(-eth), inspiration, soul, spirit
15Gelijk als de HEERE Mozes, Zijn knecht, geboden had, alzo gebood Mozes aan Jozua; en alzo deed Jozua; hij deed er niet een woord af van alles, wat de HEERE Mozes geboden had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Gelijk als de HEEREH3068MozesH4872, Zijn knechtH5650, gebodenH6680 had, alzoH3651geboodH6680MozesH4872 aan JozuaH3091; en alzoH3651deedH6213JozuaH3091; hij deed er nietH3808 een woordH1697 af van allesH3605, watH834 de HEEREH3068MozesH4872gebodenH6680 had.Gelijk als de HEERE Mozes, Zijn knecht, geboden had, alzo gebood Mozes aan Jozua; en alzo deed Jozua; hij deed er niet een woord af van alles, wat de HEERE Mozes geboden had.
KJVAs the LORD3commanded2Moses5his servant,6so did Moses9command8Joshua,11and so did13Joshua;14he left16nothing17undoneof all that the LORD21commanded20Moses.
1כַּאֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection2צִוָּ֤הH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order3יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5מֹשֶׁ֣הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses6עַבְדּ֔וֹH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant7כֵּןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you8צִוָּ֥הH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order9מֹשֶׁ֖הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11יְהוֹשֻׁ֑עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)12וְכֵן֙H3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you13עָשָׂ֣הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use14יְהוֹשֻׁ֔עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)15לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without16הֵסִ֣ירH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without17דָּבָ֔רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work18מִכֹּ֛לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)19אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection20צִוָּ֥הH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order21יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)22אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)23מֹשֶֽׁהH4872Mozes, Mozes', mozesMoses
16Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israels, en zijn laagte.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Alzo namH3947JozuaH3091alH3605datH2063landH776 in, het gebergteH2022, en alH3605 het zuidenH5045, en alH3605 het landH776 van GosenH1657, en de laagteH8219, en het vlakke veldH6160, en het gebergteH2022IsraelsH3478, en zijn laagteH8219.Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israels, en zijn laagte.
KJVSo Joshua2took1all that land,5the hills,7and all the south country,10and all the land13of Goshen,14and the valley,16and the plain,18and the mountain20of Israel,21and the valley
1וַיִּקַּ֨חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win2יְהוֹשֻׁ֜עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5הָאָ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world6הַזֹּ֗אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus7הָהָ֤רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion8וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)10הַנֶּ֨גֶב֙H5045zuiden, zuidwaarts, Zuidensouth (country, side, -ward)11וְאֵת֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)13אֶ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world14הַגֹּ֔שֶׁןH1657GosenGoshen15וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16הַשְּׁפֵלָ֖הH8219laagte, laagtenlow country, (low) plain, vale(-ley)17וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18הָעֲרָבָ֑הH6160vlakke velden, vlakke veld, wildernisArabah, champaign, desert, evening, heaven, plain, wilderness. See also H1026 (בֵּית הָעֲרָבָה)19וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20הַ֥רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion21יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael22וּשְׁפֵלָתֹֽהH8219laagte, laagtenlow country, (low) plain, vale(-ley)
17Van den kalen berg, die opwaarts naar Seir gaat, tot Baal-Gad toe, in het dal van den Libanon, onder aan den berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17VanH4480 den kalenH2510bergH2022, die opwaartsH5927 naar SeirH8165 gaat, totH5704Baal-GadH1171 toe, in het dalH1237 van den LibanonH3844, onderH8478 aan den bergH2022HermonH2768; alH3605 hun koningenH4428namH3920 hij ook, en sloegH5221 hen, en dooddeH4191 hen.Van den kalen berg, die opwaarts naar Seir gaat, tot Baal-Gad toe, in het dal van den Libanon, onder aan den berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen.
KJVEven from the mount2Halak,3that goeth up4to Seir,5even unto Baalgad7in the valley9of Lebanon10under mount12Hermon:13and all their kings16he took,17and smote18them, and slew
1מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with2הָהָ֤רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion3הֶֽחָלָק֙H2510kalenHalak4הָעוֹלֶ֣הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work5שֵׂעִ֔ירH8165SeirSeir6וְעַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet7בַּ֤עַלH1171Baal-gadBaal-gad8גָּד֙H1171Baal-gadBaal-gad9בְּבִקְעַ֣תH1237vallei, dal, dalenplain, valley10הַלְּבָנ֔וֹןH3844LibanonLebanon11תַּ֖חַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with12הַרH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion13חֶרְמ֑וֹןH2768HermonHermon14וְאֵ֤תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)16מַלְכֵיהֶם֙H4428koning, konings, koningenking, royal17לָכַ֔דH3920nam, ingenomen, gevangen[idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take18וַיַּכֵּ֖םH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound19וַיְמִיתֵֽםH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise
18Vele dagen voerde Jozua krijg tegen al deze koningen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18VeleH7227dagenH3117voerdeH6213JozuaH3091krijgH4421 tegen alH3605dezeH428koningenH4428.Vele dagen voerde Jozua krijg tegen al deze koningen.
KJVJoshua4made3war9a long2time1with all those kings.
1יָמִ֣יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger2רַבִּ֗יםH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)3עָשָׂ֧הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use4יְהוֹשֻׁ֛עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)5אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix6כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7הַמְּלָכִ֥יםH4428koning, konings, koningenking, royal8הָאֵ֖לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)9מִלְחָמָֽהH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)
19Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen Israels, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door krijg.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19Er wasH1961geenH3808stadH5892, dieH834vredeH7999 maakte met de kinderenH1121IsraelsH3478, behalve de HevietenH2340, inwonersH3427 van GibeonH1391; zij namenH3947 ze allenH3605 in door krijgH4421.Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen Israels, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door krijg.
KJVThere was not a city3that made peace5with the children7of Israel,8save the Hivites10the inhabitants11of Gibeon:12all other they took15in battle.
1לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2הָיְתָ֣הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use3עִ֗ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town4אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5הִשְׁלִ֨ימָה֙H7999vergelden, wedergeven, betalenmake amends, (make an) end, finish, full, give again, make good, (re-) pay (again), (make) (to) (be at) peace(-able), that is perfect, perform, (make) prosper(-ous), recompense, render, requite, make restitution, restore, reward, [idiom] surely6אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)7בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth8יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael9בִּלְתִּ֥יH1115niet, niemand, tenzijbecause un(satiable), beside, but, [phrase] continual, except, from, lest, neither, no more, none, not, nothing, save, that no, without10הַחִוִּ֖יH2340Hevieten, Heviet, HivvietHivite11יֹשְׁבֵ֣יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry12גִבְע֑וֹןH1391GibeonGibeon13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14הַכֹּ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)15לָקְח֥וּH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win16בַמִּלְחָמָֽהH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)
20Want het was van den HEERE, hun harten te verstokken, dat zij Israel met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zoude, dat hun geen genade geschiedde, maar opdat hij hen verdelgen zoude, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20WantH3588 het was vanH854 den HEEREH3068, hun hartenH3820 te verstokkenH2388, dat zij IsraelH3478metH854oorlogH4421tegemoet gingenH7125, opdatH4616 hij hen verbannenH2763 zoude, dat hun geen genadeH8467geschieddeH1961, maarH3588opdatH4616 hij hen verdelgenH8045 zoude, gelijk als de HEEREH3068MozesH4872gebodenH6680 had.Want het was van den HEERE, hun harten te verstokken, dat zij Israel met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zoude, dat hun geen genade geschiedde, maar opdat hij hen verdelgen zoude, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
KJVFor it was of the LORD3to harden5their hearts,7that they should come against8Israel11in battle,9that he might destroy them utterly,13and that they might have no favour,17but that he might destroy20them, as the LORD23commanded22Moses.
1כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2מֵאֵ֣תH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix3יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4הָיְתָ֡הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use5לְחַזֵּ֣קH2388sterk, verbeterde, wees sterkaid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7לִבָּם֩H3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom8לִקְרַ֨אתH7125tegemoet, egemoet, ontmoette[idiom] against (he come), help, meet, seek, [idiom] to, [idiom] in the way9הַמִּלְחָמָ֤הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)10אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix11יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12לְמַ֣עַןH4616opdat, om, omdatbecause of, to the end (intent) that, for (to,... 's sake), [phrase] lest, that, to13הַֽחֲרִימָ֔םH2763verbannen, verbande, verbandenmake accursed, consecrate, (utterly) destroy, devote, forfeit, have a flat nose, utterly (slay, make away)14לְבִלְתִּ֥יH1115niet, niemand, tenzijbecause un(satiable), beside, but, [phrase] continual, except, from, lest, neither, no more, none, not, nothing, save, that no, without15הֱיוֹתH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use16לָהֶ֖ם17תְּחִנָּ֑הH8467smeking, genade, smekenfavour, grace, supplication18כִּ֚יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet19לְמַ֣עַןH4616opdat, om, omdatbecause of, to the end (intent) that, for (to,... 's sake), [phrase] lest, that, to20הַשְׁמִידָ֔םH8045verdelgd, verdelgen, verdelgdedestory(-uction), bring to nought, overthrow, perish, pluck down, [idiom] utterly21כַּאֲשֶׁ֛רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection22צִוָּ֥הH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order23יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)24אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)25מֹשֶֽׁהH4872Mozes, Mozes', mozesMoses
21Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israel; Jozua verbande hen met hun steden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21Te dier tijdeH6256 nu kwamH935JozuaH3091, en roeideH3772 de EnakietenH6062 uit, vanH4480 het gebergteH2022, vanH4480HebronH2275, vanH4480DebirH1688, vanH4480AnabH6024, en van het ganseH3605gebergteH2022 van JudaH3063, en van het ganseH3605gebergteH2022 van IsraelH3478; JozuaH3091verbandeH2763 hen metH5973 hun stedenH5892.Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israel; Jozua verbande hen met hun steden.
KJVAnd at that time3came1Joshua,2and cut off5the Anakims7from the mountains,9from Hebron,11from Debir,13from Anab,15and from all the mountains17of Judah,18and from all the mountains20of Israel:21Joshua25destroyed them utterly24with their cities.
1וַיָּבֹ֨אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2יְהוֹשֻׁ֜עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)3בָּעֵ֣תH6256tijd, tijde, tijden[phrase] after, (al-) ways, [idiom] certain, [phrase] continually, [phrase] evening, long, (due) season, so (long) as, (even-, evening-, noon-) tide, (meal-), what) time, when4הַהִ֗יאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who5וַיַּכְרֵ֤תH3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הָֽעֲנָקִים֙H6062EnakietenAnakim8מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with9הָהָ֤רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion10מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with11חֶבְרוֹן֙H2275HebronHebron12מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with13דְּבִ֣רH1688DebirDebir14מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with15עֲנָ֔בH6024AnabAnab16וּמִכֹּל֙H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)17הַ֣רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion18יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah19וּמִכֹּ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)20הַ֣רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion21יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael22עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)23עָרֵיהֶ֖םH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town24הֶחֱרִימָ֥םH2763verbannen, verbande, verbandenmake accursed, consecrate, (utterly) destroy, devote, forfeit, have a flat nose, utterly (slay, make away)25יְהוֹשֻֽׁעַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)
22Er bleef niemand van de Enakieten over in het land der kinderen Israels; alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Er bleefH3498niemandH3808 van de EnakietenH6062 over in het landH776 der kinderenH1121IsraelsH3478; alleenlijk blevenH7604 zij over te GazaH5804, te GathH1661, en te AsdodH795.Er bleef niemand van de Enakieten over in het land der kinderen Israels; alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod.
KJVThere was none of the Anakims3left2in the land4of the children5of Israel:6only in Gaza,8in Gath,9and in Ashdod,10there remained.
1לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2נוֹתַ֣רH3498overgebleven, overgelaten, overigeexcel, leave (a remnant), left behind, too much, make plenteous, preserve, (be, let) remain(-der, -ing, -nant), reserve, residue, rest3עֲנָקִ֔יםH6062EnakietenAnakim4בְּאֶ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world5בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth6יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael7רַ֗קH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise8בְּעַזָּ֛הH5804GazaAzzah, Gaza9בְּגַ֥תH1661GathGath10וּבְאַשְׁדּ֖וֹדH795AsdodAhdod11נִשְׁאָֽרוּH7604overgebleven, overblijven, overgelatenleave, (be) left, let, remain, remnant, reserve, the rest
23Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israel ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van den krijg.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Alzo namH3947JozuaH3091alH3605 dat landH776 in, naar allesH834, wat de HEEREH3068totH413MozesH4872gesprokenH1696 had; en JozuaH3091gafH5414 het IsraelH3478 ten erveH5159, naar hun afdelingenH4256, naar hun stammenH7626. En het landH776rustteH8252 van den krijgH4421.Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israel ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van den krijg.
KJVSo Joshua2took1the whole land,5according to all that the LORD9said8unto Moses;11and Joshua13gave12it for an inheritance14unto Israel15according to their divisions16by their tribes.17And the land18rested19from war.
1וַיִּקַּ֨חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win2יְהוֹשֻׁ֜עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5הָאָ֗רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world6כְּ֠כֹלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8דִּבֶּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work9יְהוָה֮H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)10אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11מֹשֶׁה֒H4872Mozes, Mozes', mozesMoses12וַיִּתְּנָהּ֩H5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield13יְהוֹשֻׁ֨עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)14לְנַחֲלָ֧הH5159erfenis, erfdeel, erveheritage, to inherit, inheritance, possession. Compare H5158 (נַחַל)15לְיִשְׂרָאֵ֛לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael16כְּמַחְלְקֹתָ֖םH4256verdelingen, verdeling, afdelingencompany, course, division, portion. See also H5555 (סֶלַע הַמַּחְלְקוֹת)17לְשִׁבְטֵיהֶ֑םH7626stammen, stam, roede[idiom] correction, dart, rod, sceptre, staff, tribe18וְהָאָ֥רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world19שָׁקְטָ֖הH8252stil, rusten, rustappease, idleness, (at, be at, be in, give) quiet(-ness), (be at, be in, give, have, take) rest, settle, be still20מִמִּלְחָמָֽהH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)
Opgravingen bij Tel HazorDe ruïneheuvel Tel Hazor in Boven-Galilea, archeologisch bevestigd als de grootste stad van het bijbelse Kanaän en door de Schrift zelf "het hoofd van al deze koninkrijken" genoemd (Joz. 11:10).
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Jozua 11:1— Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,Jozua 11:10→Richteren 4:2→Jozua 12:19→Jesaja 43:5→Jozua 19:36→Richteren 4:17→Psalmen 2:1→Jesaja 43:2→
Jozua 11:2— En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;Richteren 1:27→Jozua 12:3→Jozua 17:11→Numeri 34:11→Jozua 12:23→1 Koningen 4:11→Jozua 13:27→Lukas 5:1→
Jozua 11:3— Tot de Kanaanieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa.Richteren 3:3→Genesis 31:49→Jozua 18:26→Jozua 13:11→Jozua 15:63→Jeremia 41:3→Hooglied 4:8→Psalmen 133:3→
Jozua 11:4— Dezen nu togen uit, en al hun heirlegers met hen; veel volks, als het zand, dat aan den oever der zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens.Richteren 7:12→1 Samuël 13:5→Genesis 22:17→Genesis 32:12→2 Samuël 17:11→1 Koningen 4:20→
Jozua 11:5— Al deze koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich samen aan de wateren van Merom, om tegen Israel te krijgen.Jesaja 8:9→Psalmen 118:10→Psalmen 3:1→Openbaring 16:14→
Jozua 11:6— En de HEERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent dezen tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israel; hun paarden zult gij verlammen, en hun wagenen met vuur verbranden.2 Samuël 8:4→Jozua 10:8→Jozua 11:9→Jesaja 31:1→Psalmen 46:9→Psalmen 147:10→Deuteronomium 7:16→Jozua 3:5→
Jozua 11:7— En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen.Jozua 10:9→1 Thessalonicenzen 5:2→
Jozua 11:8— En de HEERE gaf hen in de hand van Israel, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten.Jozua 13:6→Jozua 19:28→Jozua 11:3→Zacharia 9:2→Genesis 10:15→Genesis 49:13→Jozua 21:44→
Jozua 11:9— Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur.Jozua 11:6→Ezechiël 39:9→
Jozua 11:10— En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken.Richteren 4:2→Jozua 11:1→
Jozua 11:11— En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte des zwaards, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur.Jozua 10:40→Deuteronomium 20:16→
Jozua 11:12— En Jozua nam al de steden dezer koningen in, en al haar koningen, en hij sloeg hen met de scherpte des zwaards, hen verbannende, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN geboden had.Deuteronomium 7:2→Deuteronomium 20:16→Jozua 10:30→Jozua 10:32→Jozua 11:15→Numeri 33:50→Jozua 10:37→Jozua 9:24→
Jozua 11:13— Alleenlijk verbrandden de Israelieten geen steden, die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua.Jeremia 30:18→
Jozua 11:14— En al den roof dezer steden, en het vee, roofden de kinderen Israels voor zich; alleenlijk sloegen zij al de mensen met de scherpte des zwaards, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven wat adem had.Jozua 11:11→Deuteronomium 6:10→Numeri 31:11→Jozua 10:40→Jozua 8:27→Deuteronomium 20:14→Numeri 31:9→
Jozua 11:15— Gelijk als de HEERE Mozes, Zijn knecht, geboden had, alzo gebood Mozes aan Jozua; en alzo deed Jozua; hij deed er niet een woord af van alles, wat de HEERE Mozes geboden had.Jozua 1:7→Exodus 34:11→Deuteronomium 7:2→Deuteronomium 4:5→1 Samuël 15:19→Handelingen 20:27→Deuteronomium 31:7→Handelingen 20:20→
Jozua 11:16— Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israels, en zijn laagte.Jozua 10:41→Jozua 11:21→Jozua 12:8→Ezechiël 36:8→Ezechiël 17:23→Ezechiël 36:1→Jozua 9:1→Jozua 11:2→
Jozua 11:17— Van den kalen berg, die opwaarts naar Seir gaat, tot Baal-Gad toe, in het dal van den Libanon, onder aan den berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen.Deuteronomium 7:24→Jozua 11:3→Jozua 13:5→Deuteronomium 33:2→Deuteronomium 2:1→Genesis 32:3→Jozua 1:4→Jozua 12:7→
Jozua 11:18— Vele dagen voerde Jozua krijg tegen al deze koningen.Jozua 14:7→Jozua 11:23→
Jozua 11:19— Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen Israels, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door krijg.Jozua 9:3→
Jozua 11:20— Want het was van den HEERE, hun harten te verstokken, dat zij Israel met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zoude, dat hun geen genade geschiedde, maar opdat hij hen verdelgen zoude, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.Romeinen 9:18→Exodus 4:21→Deuteronomium 20:16→Deuteronomium 7:16→Exodus 9:16→Deuteronomium 2:30→Jozua 11:12→Romeinen 9:22→
Jozua 11:21— Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israel; Jozua verbande hen met hun steden.Deuteronomium 9:2→Numeri 13:22→Deuteronomium 1:28→Jozua 15:13→Richteren 1:20→Jeremia 3:23→Openbaring 6:2→Openbaring 19:11→
Jozua 11:22— Er bleef niemand van de Enakieten over in het land der kinderen Israels; alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod.1 Samuël 17:4→Jozua 15:46→Richteren 3:3→1 Samuël 5:1→2 Kronieken 26:6→2 Samuël 21:16→1 Kronieken 8:13→1 Kronieken 18:1→
Jozua 11:23— Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israel ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van den krijg.Numeri 26:52→Jozua 14:1→Jozua 21:44→Deuteronomium 1:38→Numeri 34:2→2 Timotheüs 4:7→Deuteronomium 25:19→Jozua 18:10→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Jozua 11 vers 1— Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,
Hazor,
De naam ener stad, gelegen in het over-Galilea, anders genoemd Galilea der heidenen, niet ver van Kades.
Hertaald:Hazor,
De naam van een stad, gelegen in Over-Galilea, ook wel Galilea der heidenen genoemd, niet ver van Kades.
Simron,
Joz. 12:20 wordt deze stad genoemd Simron Meron.
Hertaald:Simron,
Joz. 12:20 wordt deze stad Simron-Meron genoemd.
Jozua 11 vers 2— En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;
op het vlakke,
Anders, in de woestijn
Hertaald:op het vlakke,
Anders: in de woestijn.
Cinnerôth,
Anders genoemd Gennesaret, Luc. 5:1, ook de zee van Tiberias, en de Galilese zee
Hertaald:Cinnerôth,
Ook wel Gennesaret genoemd, Luc. 5:1, evenals de zee van Tiberias en de Galilese zee.
in Nafoth-dor,
Of, in de landstreken, gewesten, omstreken van Dor
Hertaald:in Nafoth-dor,
Of: in de landstreken, gewesten, omstreken van Dor.
aan de zee waren;
Of, tegen het westen.
Hertaald:aan de zee waren;
Of: naar het westen.
Jozua 11 vers 3— Tot de Kanaanieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa.
Mizpa
Zie Richt. 10:17.
Hertaald:Mizpa
Zie Richt. 10:17.
Jozua 11 vers 6— En de HEERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent dezen tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israel; hun paarden zult gij verlammen, en hun wagenen met vuur verbranden.
verlammen,
Dat is, de zenuwen der achterste schenkels in stukken snijden, opdat zij noch tot den krijg, noch tot anderen arbeid deugen zouden.
Hertaald:verlammen,
Dat is: de pezen van de achterste schenkels doorsnijden, zodat zij noch voor de strijd, noch voor ander werk bruikbaar zouden zijn.
Jozua 11 vers 8— En de HEERE gaf hen in de hand van Israel, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten.
groot Sidon toe,
Niet daarom wordt deze stad groot Sidon genoemd, alsof er ook een klein Sidon ware, maar ten aanzien van de grootheid der stad. Zij heeft haar naam van Sidon, den eerstgeboren zoon van Kanaän, van welken gesproken wordt Gen. 10:5.
Hertaald:groot Sidon toe,
Niet omdat er ook een klein Sidon zou zijn, wordt deze stad groot Sidon genoemd, maar vanwege de grootte van de stad. Zij heeft haar naam van Sidon, de eerstgeboren zoon van Kanaän, over wie gesproken wordt in Gen. 10:5.
Misrefôth-maïm,
Dit woord wordt verscheidenlijk uitgelegd; enigen, tot aan de warme wateren; anderen, tot de glasovens; anderen, tot aan de zoutputten. Hebreeuws, tot de verbrandingen der wateren.
Hertaald:Misrefôth-maïm,
Dit woord wordt op verschillende manieren uitgelegd; sommigen: tot aan de warme wateren; anderen: tot de glasovens; weer anderen: tot aan de zoutputten. Hebreeuws: tot de verbrandingen van de wateren.
Jozua 11 vers 9— Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur.
verlamde hij,
Zie vs.6.
Hertaald:verlamde hij,
Zie vers 6.
Jozua 11 vers 10— En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken.
het hoofd
Dat is, de hoofdstad; versta dit van dat deel des Kanaänietischen lands, waar Jozua te dien tijde den krijg voerde.
Hertaald:het hoofd
Dat is: de hoofdstad; versta dit van dat deel van het land Kanaän waar Jozua in die tijd de strijd voerde.
Jozua 11 vers 11— En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte des zwaards, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur.
alle ziel,
Dat is, al de mensen, het vee hebben zij geroofd en voor zichzelven behouden.
Hertaald:alle ziel,
Dat is: alle mensen; het vee hebben zij geroofd en voor zichzelf gehouden.
niets over,
Dat is, geen mens.
Hertaald:niets over,
Dat is: geen mens.
Jozua 11 vers 13— Alleenlijk verbrandden de Israelieten geen steden, die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua.
die op haar heuvelen stonden,
Anders, die met haar wallen [of bolwerken] gebleven waren; dat is, die nog niet geslecht of ontmuurd waren, toen de Israëlieten dezelve innamen, maar waren bemuurd of bewald gebleven, want de kinderen Israëls lieten die in haar geheel, opdat zij vrij en frank in dezelven zouden mogen wonen.
Hertaald:die op haar heuvelen stonden,
Anders: die met hun wallen [of bolwerken] gebleven waren; dat is: die nog niet geslecht of ontmanteld waren toen de Israëlieten ze innamen, maar ommuurd of ombolwerkt gebleven waren, want de kinderen van Israël lieten die intact, om er vrijelijk in te kunnen wonen.
Jozua 11 vers 16— Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israels, en zijn laagte.
het land van Gosen,
Zie boven, Joz. 10:41.
Hertaald:het land van Gosen,
Zie hierboven, Joz. 10:41.
Israëls,
Dat is, waarin Israël gewoond heeft, of hetwelk den stammen Israëls, [uitgenomen Juda] ten deel gevallen was; die van den stam van Juda hadden hun eigen gebergte, gelijk blijkt vs.21.
Hertaald:Israëls,
Dat is: waarin Israël gewoond heeft, of dat aan de stammen van Israël [Juda uitgezonderd] ten deel gevallen was; die van de stam van Juda hadden hun eigen bergland, zoals blijkt uit vers 21.
Jozua 11 vers 17— Van den kalen berg, die opwaarts naar Seir gaat, tot Baal-Gad toe, in het dal van den Libanon, onder aan den berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen.
kalen berg,
Aldus wordt deze berg genaamd, omdat hij kaal, of zonder bomen, gras of kruid was. Anderen behouden het Hebreeuwse woord Halack, als zijnde een eigennaam.
Hertaald:kalen berg,
Zo wordt deze berg genoemd omdat hij kaal was, of zonder bomen, gras of gewas. Anderen behouden het Hebreeuwse woord Halak, als zijnde een eigennaam.
Jozua 11 vers 18— Vele dagen voerde Jozua krijg tegen al deze koningen.
Vele dagen
Wat meer dan zes jaren, gelijk af te nemen is uit Kalebs ouderdom, toen hij een erfland van Jozua begeerde, Joz. 14:7.
Hertaald:Vele dagen
Iets meer dan zes jaar, zoals af te leiden is uit Kalebs leeftijd toen hij een erfland van Jozua vroeg, Joz. 14:7.
Jozua 11 vers 19— Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen Israels, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door krijg.
namen ze allen in
Te weten, al de bovengenoemde steden; of al de steden waar Jozua voor kwam; anderszins is het zeker dat er nog lang daarna, ten tijde der richters, vele steden waren, die de Israëlieten nog niet ingenomen hadden.
Hertaald:namen ze allen in
Namelijk: al de bovengenoemde steden; of al de steden waarvoor Jozua kwam; overigens is het zeker dat er nog lang daarna, in de tijd van de richters, veel steden waren die de Israëlieten nog niet hadden ingenomen.
Jozua 11 vers 21— Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israel; Jozua verbande hen met hun steden.
Enakieten uit,
Zie Num. 13:22, en Deut. 1:28.
Hertaald:Enakieten uit,
Zie Num. 13:22, en Deut. 1:28.
Jozua 11 vers 22— Er bleef niemand van de Enakieten over in het land der kinderen Israels; alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod.
Gath,
Hier woonde de reus Goliath, 1 Sam. 17:4.
Hertaald:Gath,
Hier woonde de reus Goliath, 1 Sam. 17:4.
Jozua 11 vers 23— Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israel ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van den krijg.
al dat land in,
Dat is, het grootste en voornaamste deel; of al, dat is, allerlei land, te weten, vlak, bergachtig, weiland, heide, waterig, enz.
Hertaald:al dat land in,
Dat is: het grootste en voornaamste deel; of alles, dat is: allerlei land, namelijk: vlak, bergachtig, weiland, heide, waterrijk, enzovoort.
naar hun afdelingen,
Deze afdeling van het land wordt verhaald Jos 15, en in de navolgende hoofdstukken.
Hertaald:naar hun afdelingen,
Deze verdeling van het land wordt verteld in Joz. 15 en de volgende hoofdstukken.
En het land rustte
Versta dit van openbaren oorlog, als men met legers tegen elkander in het veld komt.
Hertaald:En het land rustte
Versta dit van openlijke oorlog, wanneer men met legers tegenover elkaar in het veld komt.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Jabin — onderscheider, of: de wijze
De koning van Hazor, die bij het horen van Israëls overwinningen een groot verbond van noordelijke koningen bijeenbracht om tegen Jozua te strijden bij de wateren van Merom (Joz. 11:1-5). Israël versloeg hen, hier voor het eerst geconfronteerd met de ijzeren strijdwagens van de Kanaänieten, en Jozua nam Hazor in en verbrandde de stad (Joz. 11:10-13). Later, in de tijd van de Richteren, zou een andere koning met dezelfde naam Jabin, van hetzelfde Hazor, Israël twintig jaar onderdrukken, totdat hij door Debora en Barak verslagen werd (Richt. 4).
Debir — spreekplaats, of: heiligdom
De koning van Eglon, de vijfde van de verbonden koningen die tegen Gibeon optrokken en met Adoni-Zedek verslagen en gedood werden (Joz. 10:3, 16-27). Hij is een andere persoon dan de gelijknamige stad Debir, die later door Othniël veroverd werd (Joz. 15:15-17).
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Hazor — Hebreeuws voor "omheind terrein, kampement"
Ligging: In het noorden van Kanaän, ten noorden van het meer van Galilea, aan de weg tussen Egypte en Mesopotamië — in de bijbelse tijd verreweg de grootste en machtigste stad van heel Kanaän.
Geschiedenis: Jabin, koning van Hazor, "het hoofd van al deze koninkrijken" (Joz. 11:10), vormde een grote noordelijke coalitie tegen Israël, die door Jozua bij de wateren van Merom verslagen werd. Als enige van alle noordelijke steden werd Hazor door Israël met vuur verbrand (Joz. 11:1-13). Eeuwen later, in de tijd van de richters, herleefde de stad onder een latere koning, eveneens Jabin genaamd, die Israël twintig jaar onderdrukte totdat hij door Debora en Barak verslagen werd (Richt. 4). Later door Salomo herbouwd en versterkt (1 Kon. 9:15).
Bijbelse betekenis: Dat juist de machtigste stad van Kanaän, "het hoofd van al deze koninkrijken", als enige met de ban werd geslagen, onderstreept dat de HEERE Zelf de sterkste tegenstand breekt — geen menselijke overmacht is tegen Zijn voornemen bestand.
Archeologie: Tell el-Qedah/Hazor is een van de belangrijkste opgravingen van Israël (o.a. onder leiding van Yigael Yadin, jaren 1950-60), met een enorme onderstad en bovenstad, Kanaänitische tempels en een Salomonische stadspoort vergelijkbaar met die van Megiddo en Gezer — archeologisch bevestigd als verreweg de grootste stad van het bijbelse Kanaän.
De wateren van Merom — Hebreeuws "Merom", mogelijk "hoogte"
Ligging: Meestal geïdentificeerd met het (inmiddels drooggelegde) meer van Merom, ten noorden van het meer van Galilea, niet ver van Hazor.
Geschiedenis: Hier verzamelde de noordelijke coalitie onder Jabin van Hazor zich "als het zand, dat aan den oever der zee is, in menigte, met zeer veel paarden en wagens"; de HEERE gaf hen echter geheel in Israëls hand, dat hen achtervolgde tot Groot-Sidon en de vlakte van Mizpe toe (Joz. 11:5-8).
Bijbelse betekenis: Ondanks de overweldigende overmacht van de vijand — paarden en strijdwagens, waarover Israël zelf niet beschikte — bepaalde de HEERE de uitslag, geheel naar Zijn eigen woord tot Jozua: "Vrees niet voor hun aangezicht; want Ik zal hen morgen omtrent dezen tijd altemaal verslagen voor het aangezicht van Israël geven" (Joz. 11:6).
Joz. 11:5-8
De berg Hermon — Hebreeuws, verwant aan een woord voor "gewijd, verboden (terrein)"
Ligging: De hoogste bergtop van het gehele Kanaänitische bergland (ruim 2800 meter), aan het uiteinde van de Anti-Libanon, op de noordgrens van het door Israël veroverde gebied — het grootste deel van het jaar met sneeuw bedekt.
Geschiedenis: Genoemd als het noordelijke eindpunt van de gebieden die de coalitie tegen Jabin bewoonde en die Israël onderwierp: "de Hevieten onder aan Hermon, in het land Mizpa" (Joz. 11:3, 17). Later ook de noordgrens van het gebied van de halve stam van Manasse (Deut. 3:8-9; Joz. 12:1, 5).
Bijbelse betekenis: Psalm 133:3 gebruikt de dauw van de Hermon, die tot ver in het zuiden voelbaar is, als beeld van de eendracht der broederen, en de besneeuwde top wordt in de latere overlevering ook wel in verband gebracht met de berg der verheerlijking (Matt. 17), al noemt de Schrift zelf de naam van die berg niet.
Sidon — vernoemd naar Sidon, de eerstgeboren zoon van Kanaän (Gen. 10:15)
Ligging: Een van de oudste en belangrijkste havensteden van Fenicië, aan de Middellandse-Zeekust, ten noorden van Tyrus.
Geschiedenis: Reeds genoemd in de Tafel der volken als eerste stad van Kanaän (Gen. 10:15, 19), maar hier voor het eerst zelf betrokken bij de gebeurtenissen: tot "Groot-Sidon" achtervolgde Israël de verslagen coalitie van Jabin (Joz. 11:8), al werd de stad zelf nooit ingenomen en bleef zij, samen met Tyrus, buiten Israëls grenzen als zelfstandige Fenicische handelsstad bestaan (Richt. 1:31; 3:3).
Bijbelse betekenis: Sidon wordt door de profeten herhaaldelijk samen met het naburige Tyrus genoemd in oordeelsprofetieën tegen de heidense volken (Jes. 23; Ez. 28), en in het Nieuwe Testament bezocht de Heere Jezus het gebied van Tyrus en Sidon, waar Hij de dochter van een Kananese vrouw genas — een vroeg teken dat het heil ook voor de heidenen bestemd was (Matt. 15:21-28).
Madon, Simron, Achsaf, Misrefoth-Maim en Baal-Gad — een verzamelartikel voor de overige, verder nergens uitvoerig toegelichte plaatsen uit de noordelijke veldtocht
Ligging: Verspreid over Galilea en het noorden van Kanaän; geen van deze plaatsen is met zekerheid te identificeren, op Baal-Gad na, dat doorgaans bij de bronnen van de Jordaan aan de voet van de Hermon gezocht wordt.
Geschiedenis: Madon, Simron en Achsaf waren, naast Hazor, de steden van de koningen die zich bij Jabins coalitie aansloten (Joz. 11:1); Misrefoth-Maim was, naast Groot-Sidon, een van de twee punten waartoe Israël de verslagen vijand achtervolgde (Joz. 11:8); Baal-Gad, "in het dal van den Libanon, onder aan den berg Hermon", wordt gebruikt als noordelijk ijkpunt van de samenvatting van het veroverde gebied (Joz. 11:17; 12:7).
Bijbelse betekenis: Samen met de hoofdrolspelers Hazor en Hermon tekenen ook deze kleinere plaatsen de volledige omvang van de overwinning die de HEERE aan Israël in het hele noorden van Kanaän schonk.
Joz. 11:1, 8, 17; 12:7, 20
Gaza — Hebreeuws, mogelijk "sterke, versterkte (plaats)"
Ligging: De zuidelijkste van de vijf grote Filistijnse steden, aan de kustvlakte nabij de grens met Egypte.
Geschiedenis: Genoemd als een van de plaatsen waar, na de vernietiging van de Enakieten elders in het land, nog Enakieten overbleven (Joz. 11:21-22) — een korte, profetische aanwijzing van de latere, hardnekkige Filistijnse tegenstand die pas in de tijd van de richters en koningen (Simson, David) goed op gang zou komen.
Bijbelse betekenis: Het feit dat Gaza, samen met Gath en Asdod, uitdrukkelijk wordt uitgezonderd van de vernietiging van de Enakieten, is een stille aankondiging dat Israëls verovering van het land, ondanks alle overwinningen, nog niet volledig zou zijn — de rest van deze geschiedenis (Simson te Gaza, Richt. 16) volgt pas later.
Gath — Hebreeuws voor "perskuip (voor wijn of olie)"
Ligging: In de Sefela, op de grens tussen het Filistijnse en het Judese gebied.
Geschiedenis: Genoemd als een van de steden waar de Enakieten aan de vernietiging ontkwamen (Joz. 11:22) — de stad zou later de geboorteplaats worden van de reus Goliath, die door David verslagen werd (1 Sam. 17:4, 23).
Bijbelse betekenis: Net als bij Gaza een vroege, profetische aanduiding van blijvend verzet dat pas generaties later, in Davids overwinning op Goliath, definitief gebroken zou worden — een verre vooruitwijzing naar de uiteindelijke overwinning van de "Zoon van David" op alle vijandige machten.
Joz. 11:22; 1 Sam. 5:8; 17:4, 23; 2 Kron. 26:6
Asdod — van onzekere afleiding
Ligging: Aan de kustvlakte, tussen Askelon en Jafo — een van de vijf grote Filistijnse steden.
Geschiedenis: Genoemd als een van de steden waar de Enakieten overbleven (Joz. 11:22); later de zetel van de tempel van de afgod Dagon, waarheen de Filistijnen de buitgemaakte ark des verbonds brachten — waarna het beeld van Dagon tot tweemaal toe voor de ark neerviel en de inwoners door builen geplaagd werden, totdat zij de ark aan Israël teruggaven (1 Sam. 5).
Bijbelse betekenis: De vernedering van Dagon voor de ark bij Asdod is een van de duidelijkste bewijzen in de Schrift dat de HEERE, ook zonder enig menselijk ingrijpen, Zijn eigen eer tegenover de afgoden van de volken verdedigt.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Rust (de rust van het beloofde land) — Hebreeuws: menuchah, "rustplaats, plaats van neerzetten", van nuach, "tot rust komen"; Grieks: katapausis
Jozua herinnert de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse aan het woord van Mozes: "De HEERE, uw God, geeft ulieden rust, en Hij geeft u dit land" (Joz. 1:13). Rust betekent hier niet werkeloosheid, maar het einde van de omzwerving en van de krijg: een vaste woonplaats, veiligheid rondom en het ophouden van de strijd. Deuteronomium had die rust al als de bestemming van de hele reis aangewezen: "gij zijt tot nu toe niet gekomen in de rust en in de erfenis, die de HEERE, uw God, u geven zal" (Deut. 12:9-10; vgl. Deut. 25:19). Het boek Jozua meldt tweemaal met dezelfde woorden dat het zover gekomen is: "het land rustte van den krijg" (Joz. 11:23; 14:15). Aan het einde vat het boek het samen: de HEERE gaf hun rust rondom, en er viel niet één woord van al de goede woorden die Hij gesproken had (Joz. 21:43-45; vgl. 22:4; 23:1).
Bijbelse betekenis: De rust is in heel de Schrift een gave en nooit een verworvenheid: zij wordt gegeven, niet veroverd. Daarom kan zij ook gemist worden — over de woestijngeneratie zwoer God in Zijn toorn: "Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!" (Ps. 95:11). Wat hen buitensloot was niet hun zwakheid maar hun ongeloof. Tegelijk is de rust onder Jozua onmiskenbaar echt én onmiskenbaar onaf: hetzelfde boek dat zegt dat er geen woord onvervuld bleef, kent nog onverdreven volken (Joz. 13:1-6), en het boek Richteren laat zien hoe snel de rust weer verloren ging. De belofte was dus vervuld, maar de vervulling wees verder dan zichzelf.
Typologie: De Hebreeënbrief maakt daar het beslissende punt van: "indien Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna niet gesproken van een anderen dag. Er blijft dan een rust over voor het volk Gods" (Hebr. 4:8-9). Kanaän was werkelijke rust, maar niet de laatste; eeuwen later spreekt God in Psalm 95 immers opnieuw over ingaan. Die overgebleven rust wordt in het Evangelie aangeboden door Christus Zelf: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven" (Matt. 11:28-29). En wie ingegaan is, heeft van zijn eigen werken gerust gelijk God van de Zijne (Hebr. 4:10). In de geest van Spurgeon: de rust ligt niet in een land maar in een Persoon, en zij wordt niet verdiend maar ontvangen.
I. Vs. 1-15.KruisverwijzingenRichteren 1:27→Jozua 12:3→Richteren 3:3→Richteren 7:12→2 Samuël 8:4→Jozua 10:8→Jozua 13:6→Jozua 11:10→ — Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf, En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren; Tot de Kanaanieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa. Dezen nu togen uit, en al hun heirlegers met hen; veel volks, als het zand, dat aan den oever der zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens. Al deze koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich samen aan de wateren van Merom, om tegen Israel te krijgen. En de HEERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent dezen tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israel; hun paarden zult gij verlammen, en hun wagenen met vuur verbranden. En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen. En de HEERE gaf hen in de hand van Israel, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten. Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur. En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken. Nadat Jozua het zuidelijke deel van Kanaän aan zich had onderworpen, brengt Jabin, koning van Hazor, een verbond onder de noordelijke koningen tot stand, die nu met een zeer groot leger en zeer vele paarden en wagens aan de wateren van Merom verzameld worden, maar Jozua gesterkt door de belofte van de Heere, die hem de overwinning toezegt, overvalt hen eensklaps met zijn krijgsvolk, slaat hen en vervolgt hen daarna in drie richtingen. Vervolgens worden de voornaamste steden van deze landstreek ingenomen, maar Hazor, de residentie van de aan de spits van de bondgenoten staande koning Jabin, wordt verbrand.
KruisverwijzingenJozua 11:10→Richteren 4:2→Jozua 12:19→Jesaja 43:5→Jozua 19:36→Richteren 4:17→Psalmen 2:1→Jesaja 43:2→— Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,
Het gebeurde daarna 1) toen Jabin, de koning van Hazor, een stad aan het noordwestelijke uiteinde van het meer van Merom gelegen, die toen de voornaamste van alle koninkrijken van het noordelijk Kanaän was (vs.10), dit hoorde, namelijk, dat Jozua het gehele zuidelijke deel van Kanaän aan zich onderworpen had (hoofdstuk 10: 40vv.), zo zond hij tot Jobab, de koning van Madon, (de ligging van deze stad heeft men nog niet juist kunnen bepalen) en tot de koning van Simron, ook onbekend, en tot de koning van Achsaf, misschien het tegenwoordige Kesâf, ten zuiden van de rivier Leontes gelegen.
Ook in deze nieuwe aangelegenheden schittert de meer dan vaderlijke zorg van God, zowel in het behoeden van de Zijnen in de gevaren, als in Zijn welwillendheid om hun zwakheid te dragen. Indien het bekend was geweest, dat Jabin zich met de naburige volken, waarvan nu melding gemaakt wordt, had verbonden, zou de last van de oorlog de Israëlieten veel meer gedrukt hebben, de angst en vrees zou hen meer hebben beroerd. Wel zou het God gemakkelijk zijn geweest, zowel al die grote troepen tegelijk te vernietigen, als hun vrees en angst weg te nemen, maar Hij heeft echter de reeds op zich zelf zwakken niet bovenmate willen beproeven, opdat zij niet door een al te grote menigte voor zich, zouden beginnen te beven en dan de moed verliezen. Maar de vele volken, die zich te rechter tijd hadden moeten wapenen, heeft Hij als in de dommel en als zonder verstandelijk overleg gehouden, totdat het uitverkoren volk door zo vele schitterende overwinningen was aangezet geworden, om zonder aarzeling de oorlog tegen allen voort te zetten.
KruisverwijzingenRichteren 1:27→Jozua 12:3→Jozua 17:11→Numeri 34:11→Jozua 12:23→1 Koningen 4:11→Jozua 13:27→Lukas 5:1→— En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;
En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte Naftali bij Kedes (hoofdstuk 20:
KruisverwijzingenJozua 10:9→1 Thessalonicenzen 5:2→— En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen.
en op de vlakte tegen het zuiden van Cinnerôth, in het Jordaandal ten zuiden van het meer van Gennesareth, en in de laagte, in het vlakke land aan de zee ten noorden van Joppe (Jos 9:
KruisverwijzingenJozua 13:6→Jozua 19:28→Jozua 11:3→Zacharia 9:2→Genesis 10:15→Genesis 49:13→Jozua 21:44→— En de HEERE gaf hen in de hand van Israel, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten.
, en in Nafoth-Dor, d.i. op de hoogten van Dor, 1) een stad aan de voet van de Karmel, aan de Middellandse Zee gelegen, aan de zee waren.
KruisverwijzingenJozua 11:6→Ezechiël 39:9→— Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur.
De stad Dor was door de Feniciërs aangelegd voor de purpervisserij, en nog thans is het rotsachtig strand aldaar rijk aan purpermosselen; het purper van Tyrus, waartoe men een ontzaglijke menigte mosselen nodig had, om een tamelijke hoeveelheid purperverf te verkrijgen, was zo duur, dat alleen koningen en zeer rijke lieden het konden dragen (Deuteronomium 33: 19 Luk.16: 19); de cochenille (of schildluis) echter, een insect, dat sedert de ontdekking van Amerika is bekend geworden, en ook een mooie rode verf geeft, is veel minder in prijs. Het tegenwoordige Dor, Tantura of Tortura geheten, heeft slechts 500 moslim inwoners; deze zeestad moet wel onderscheiden worden van de landstad Naphoth Dor (hoofdstuk 12: 23), die omtrent 1/4 mijl noordelijker, op een kleine hoogte ligt.
Tot de Kanaänieten tegen het oosten, aan de rechterzijde van de Jordaan, en tegen het westen, in de laagte aan de Middellandse Zee, en de Amorieten en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Jebusieten op het gebergte, dat door het midden van Kanaän, van het noorden tot het zuiden zich uitstrekte, en de Hevieten onder aan de berg Hermon, ten noorden in het land van Mizpa, 1)aan de rechterzijde van een van de bronnen van de Jordaan.
Hier wordt de vlakte van Paneas bedoeld, daarin ligt op een 200 voet hoge heuvel een dorp Mutuleh, nu door Druzen bewoond, vanwaar men een heerlijk gezicht heeft over de gehele landstreek tot aan het meer van Merom; deze hoge ligging met zo’n weids uitzicht, geeft aan de plaats de naam van Mizpe, dat is Kijktoren (Genesis31: 49).
Deze, tot wie Jabin gezonden had, nu trokken uit hun steden, en al hun legers met hen; veel volk, als het zand dat aan de oever van de zee is, in veelheid, zodat men ze niet tellen kon, een ontzaglijke, ontelbare legermassa (Genesis22: 17); en zeer veel paarden en wagens (Ex 14: 7).
Al deze koningen werden verzameld, nadat zij reeds onderling bepaald hadden, waar zij de strijd tegen de Israëlieten wilden aanvangen, en kwamen en legerden zichsamen aan de wateren van Merom, 1) om tegen Israël te strijden.
De “Wateren van Merom” en het Meer van Merom is volgens sommigen hetzelfde, en is, volgens hen, het meer van Samochonitis, thans Bahr-el-Hule genoemd; er is echter volstrekt geen spoor dat het meer bij de ouden zo genoemd is; veeleer moeten wij de “Wateren van Merom” lezen als de bij het dorp Meiron, dat ten noordwesten van de zee van Gennesareth ligt, ontspringende bron, die een kleine beek vormt, die door het dal bij het dorp Sefed (De 27: 3) heenloopt, en zich ontlast in de zee van Gennesareth. Het dorp is een beroemde bedevaartsplaats van de joden, omdat zich aldaar de graven van Hillel, van Schammai (De 24:
en andere door hen hoogvereerde Rabbijnen bevinden, zoals zij voorgeven.
Deze mening steunt vooral op een uitspraak van Josefus, die meedeelt (Want. VI. 18), dat deze koningen zich bij Besother (of Mesother), een stad boven in Galilea, hebben gelegerd.
En de HEERE zei 1) tot Jozua, toen deze van het voornemen van de koningen onderricht, van Gilgal (hoofdstuk 10: 43), tegen het zo talrijke en wel toegeruste leger optrok, en omtrent een dagreis van dat leger verwijderd was: Vrees niet voor hun aangezichten, want morgen omtrent deze tijd zal Ik, 2) die u reeds zo dikwijls Mijn machtige hulp heb doen zien, hen al te gader verslagen geven voor het aangezicht van Israël; hun paarden zult gij door de pezen van de achterpoten door te snijden, verlammen, en hun wagens met vuur verbranden. 3)
Hoe gewichtiger en moeilijker de zaak wordt, om een zo talrijk en welgeoefend leger te vernietigen, des te meer was het noodzakelijk, dat hij met nieuwe moed werd gesterkt. Zo verschijnt God aan Zijn knecht Jozua en belooft hem dezelfde gelukkige uitkomst, die hem reeds enige malen te beurt was gevallen. Nadrukkelijk is op te merken, dat zo dikwijls Hij Zijn belofte herhaalt, de mensen herinnerd worden aan hun vergeetachtigheid, of zorgeloosheid, of zwakheid. Want indien niet gedurig hun geloof nieuwe steun ontvangt, loopt het zo snel gevaar te verdwijnen of te verflauwen. En lijden wij aan een dwaze overmoed, zodat het ons bijna verdriet, tweemaal hetzelfde te horen. Waaruit wij leren, dat, zo dikwijls ons nieuwe strijd ontmoet, de beloften van God ons op het hart worden gebonden, die onze traagheid verbeteren, of onze luiheid opwekken.
Uitdrukkelijk wordt het woordje “Ik”, erbij gevoegd, om aan de belofte kracht bij te zetten. Ik, wil de Heere God zeggen, Wie het niet aan enige macht in hemel en op aarde ontbreekt, om alle uw vijanden in uw handen te geven.
Dit moest plaatsvinden, opdat Israël zich niet zou schikken naar de gewoonte van de volkeren. Bij Israël mocht geen vertrouwen zijn op paarden en wagens, maar het moest alleen zijn vertrouwen stellen op Jehova, zijn God.
En Jozua, door zo’n toespraak versterkt, en al het krijgsvolk met hem, kwam snel over hen, nog, eer zij zelf aanval verwachtten, aan de wateren van Merom, (Jos 11: 5), en zij overvielen hen in hun legerplaats.
En de HEERE gaf hen in de hand van Israël, en zij sloegen hen, en zij joegen hen na, gedeeltelijknoordwestwaarts op tot groot 1) Zidon toe, naar de grote stad Zidon, 1) aan de kust van de Middellandse Zee, en gedeeltelijk westwaarts heen, tot Misrefôth-maïm 2) tussen Tyrus en Acco, en tot het dal Mizpe (Jos 11: 3) tegen het oosten, van Sidon en Misrefôth-maïm afgerekend, maar van Merom af tegen het zuiden en zij sloegen hen, totdat zij geen een onder hen overlieten.
Sidon, de oudste onder al de steden van de kust van Fenicië, in een vlakte, die nauwelijks een mijl breed is, gebouwd bijna tegenover het zuidelijke einde van de Libanon, met een voortreffelijke haven, was toen nog de hoofdstad van Fenicië; vandaar dat zij hier en in hoofdstuk 19: 28 de “grote” heet. Omtrent 5 mijl ten zuiden van daar lag Tyrus, dat echter in de tijd, waarover wij nu spreken, nog een landstad was, in een mooie, vruchtbare vlakte, 12 minuten van de zee gelegen. Toen later omstreeks 1209 v. Chr. er een nieuwe stad op een eiland nabij de kust was aangelegd, werd Tyrus de voornaamste, bijzonder onder koning Hiram, die van 1023-990 regeerde (2 Samuel 5: 11). De verhouding van beide steden tot elkaar wisselde later dikwijls af, nu was de ene machtiger dan weer de andere.
Groot Zidon. Zo aangeduid, niet omdat er ook een klein Zidon was, maar omdat het een grote stad was, de hoofdplaats van die streek. Juistere vertaling zou dan ook zijn: Zidon de Grote. In David’s tijd was zij niet meer de grote stad, maar werd haar glans overtroffen door die van Tyrus. Nu is zij Saida geheten en telt ongeveer 5 a 6.000 zielen, volgens Robinson en V.d.Velde. Tacitus noemt haar de “moeder van de Phoeniciërs”.
Thans is Sidon, nu Saida genoemd, de voornaamste plaats: zij telt 5 à 6 duizend inwoners, en heeft veel goedgebouwde stenen huizen. Tyrus, nu Sur genoemd, is slechts een marktvlek, waarvan de woningen slechts hutten zijn: en ofschoon zij nog een kleine haven heeft, verdient het nauwelijks de naam van stad.
Misrefôt-Maïm. Deze naam wordt verschillend verklaard: enige uitleggers denken aan zoutpannen, andere aan smeltovens of glasblazerijen, en nog andere waaronder David Kimchi, en ook Luther aan warme bronnen of baden. Het laatste is wel waarschijnlijk de betekenis. Ten zuiden van Tyrus eindigt het bergland van Galilea in de voorgebergten Râs el Abiad (witte kaap) en Râs en Nakûra, in de tijden van de kruistochten “Ladder van Tyrus” geheten. Aan de voet van dit tweede voorgebergte is een verzameling van bronnen, nu Ain Mesherfi geheten.
Jozua nu deed hun, toen zij met alles, wat zij hadden in zijn handen vielen, zoals de HEERE hem gezegd had (vs.6), hun paarden verlamde hij, en hun wagens verbrandde hij met vuur. 1)
Hiermee gaf hij te kennen: 1e. Zijn gehoorzaamheid en onderwerping aan de Goddelijke wil; 2e. Zijn zelfverloochening. Het bevel van God sneed bij hem alle menselijke overlegging af. 3e. Zijn vertrouwen op Gods macht ten voordele van Israël. 4e. Zijn zorgvuldigheid, om het volk insgelijks in hun vertrouwen op God te versterken.
Over het gebruik van wagens en paarden, “Ps 20: 7”. Alleen zij hier gezegd, dat Israël tot op Salomo zich nooit van paarden heeft bediend in de strijd (Richteren 4: 13; 5: 15). David vernietigde ze, die hij overmeesterde. Enkelen hield hij over, niet om ze te gebruiken, maar als teken van overwinning (2 Samuel .8: 4). Merkwaardig is het, dat Israël, in al die oorlogen, ook immer de overwinning behaalde. De ondergang van Israël begint met het tijdperk, toen het met paarden en wagens begon te strijden.
KruisverwijzingenRichteren 4:2→Jozua 11:1→— En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken.
En Jozua keerde van de vervolging van de vijanden in de verschillende richtingen, waarheen zij gevlucht waren, weer op dezelfde tijd, na verloop van enige dagen, en hij nam Hazor in, aan de noordwestkust van het meer Merom (vs.1); en haar koning Jabin, die zich gelukkig gered had uit de slag (vs.7), sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken, in het noorden; om deze reden werd deze stad terstond ingenomen, maar moest ook het hardste behandeld worden.
KruisverwijzingenJozua 10:40→Deuteronomium 20:16→— En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte des zwaards, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur.
En zij, de kinderen van Israël, sloegen elke ziel, die daarin was, met de scherpte van het zwaard, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij, Jozua, met vuur. Omtrent 170 jaar later komt in de tijd van de Richters (Richteren 4: 2) weer een Kanaänitische koning Jabin voor, die te Hazor regeert; hij was een afstammeling van de hier genoemde, en de naam Jabin, d.i. verstandige, was vermoedelijk een titel, die alle koningen van dat land droegen. Hazor werd door de Kanaänieten spoedig weer opgebouwd, en weer tot de residentie van de koning gemaakt, omdat de kinderen van Israël hun plicht, om ze geheel ten onder te brengen en ten laatste geheel uit te roeien, verzuimden.
KruisverwijzingenDeuteronomium 7:2→Deuteronomium 20:16→Jozua 10:30→Jozua 10:32→Jozua 11:15→Numeri 33:50→Jozua 10:37→Jozua 9:24→— En Jozua nam al de steden dezer koningen in, en al haar koningen, en hij sloeg hen met de scherpte des zwaards, hen verbannende, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN geboden had.
En Jozua nam al de steden van deze koningen, Madon, Simron, Achsaf, enz. in, en al haar koningen, en hij sloeg hen met de scherpte van het zwaard, hen verbannende, zoals Mozes, de knecht van de HEERE, geboden had.
Num.33: 51vv. Deuteronomium 7: 1vv.; 20: 16vv.
KruisverwijzingenJeremia 30:18→— Alleenlijk verbrandden de Israelieten geen steden, die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua.
Alleen verbrandden de Israëlieten geen van de overige steden, die, zoals bij de Fenicische steden meestal het geval was, op haar heuvels stonden, 1) behalve Hazor alleen, dat verbrandde Jozua, en volbracht aan die stad de verbanning in haar grootste strengheid.
In het Hebreeuws Haomedoth al-tilam. Die op hun heuvels stonden, maar beter die op hun heuvels staan, om aan te duiden, dat zij nog bij het schrijven van dit boek op hun oude standplaats stonden.
KruisverwijzingenJozua 11:11→Deuteronomium 6:10→Numeri 31:11→Jozua 10:40→Jozua 8:27→Deuteronomium 20:14→Numeri 31:9→— En al den roof dezer steden, en het vee, roofden de kinderen Israels voor zich; alleenlijk sloegen zij al de mensen met de scherpte des zwaards, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven wat adem had.
En al de door van deze steden, goud en zilver, koperen en ijzeren gereedschappen enz. en het vee roofden de kinderen van Israël voor zich (8: 2,27), alleen sloegen zij al de mensen met de scherpte van het zwaard, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven, wat adem had.
KruisverwijzingenJozua 1:7→Exodus 34:11→Deuteronomium 7:2→Deuteronomium 4:5→1 Samuël 15:19→Handelingen 20:27→Deuteronomium 31:7→Handelingen 20:20→— Gelijk als de HEERE Mozes, Zijn knecht, geboden had, alzo gebood Mozes aan Jozua; en alzo deed Jozua; hij deed er niet een woord af van alles, wat de HEERE Mozes geboden had.
a) Zoals de HEERE Mozes, Zijn knecht geboden had, b) zo gebood Mozes weer aan Jozua, zijn opvolger; en zo deed Jozua, daaraan stipt gehoorzamende; hij deed er niet één woord af 1) van alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had.
Dat is: hij bracht alles stipt ten uitvoer, wat de Heere aan Mozes had geboden, omtrent de verovering van het land.
II. Vs. 16-23.KruisverwijzingenJozua 10:41→Deuteronomium 7:24→Romeinen 9:18→Exodus 4:21→1 Samuël 17:4→Deuteronomium 20:16→Deuteronomium 9:2→Numeri 26:52→ — Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israels, en zijn laagte. Van den kalen berg, die opwaarts naar Seir gaat, tot Baal-Gad toe, in het dal van den Libanon, onder aan den berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen. Vele dagen voerde Jozua krijg tegen al deze koningen. Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen Israels, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door krijg. Want het was van den HEERE, hun harten te verstokken, dat zij Israel met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zoude, dat hun geen genade geschiedde, maar opdat hij hen verdelgen zoude, gelijk als de HEERE Mozes geboden had. Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israel; Jozua verbande hen met hun steden. Er bleef niemand van de Enakieten over in het land der kinderen Israels; alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod. Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israel ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van den krijg. Nu volgt er een terugblik op de verovering van het gehele land, in zijn uitgestrektheid van het zuiden naar het noorden, benevens enige algemene opmerkingen, omtrent de langdurigheid van de oorlog en het gedrag van de Kanaänieten. Vervolgens een bijvoegsel over de onderwerping van het zuidelijk deel van Kanaän, ook van de daar wonende Enaks-kinderen, die vroeger zo vreselijk waren afgeschilderd door de verspieders, die Mozes reeds had uitgezonden (Num.13: 29 vv.).
KruisverwijzingenJozua 10:41→Jozua 11:21→Jozua 12:8→Ezechiël 36:8→Ezechiël 17:23→Ezechiël 36:1→Jozua 9:1→Jozua 11:2→— Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israels, en zijn laagte.
Alzo, zoals in 10: 1-11,15 is verteld, nam Jozua al dat land in, het gebergte van Juda, en al het zuiden, de gehele Negeb of het zuidelijke land, en al het land van Gosen, tussen het gebergte van Juda en de Sephale, en de laagte, en het vlakke veld, langs de rechter Jordaanoever, en het gebergte Israël, of Efraïm (17: 15), en Zijn laagte, de afdaling naar de Middellandse Zee (vs.2).
KruisverwijzingenDeuteronomium 7:24→Jozua 11:3→Jozua 13:5→Deuteronomium 33:2→Deuteronomium 2:1→Genesis 32:3→Jozua 1:4→Jozua 12:7→— Van den kalen berg, die opwaarts naar Seir gaat, tot Baal-Gad toe, in het dal van den Libanon, onder aan den berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen.
Van de kale berg 1) die zuidelijk opwaarts naar Seïr gaat, tot Baäl-Gad2) of Baäl-Hermon (Richteren 3: 3) toe, in het dal van de Libanon onderaan de berg Hermon, op de zuidelijke helling, al hun koningen nam hij ook gevangen, en sloeg hen en doodde hen.
De kale berg, of zoals ook vertaald kan worden, het gladde gebergte, is waarschijnlijk dat gebergte, dat de scheiding vormt in het Araba-dal. Het is een rij witte klippen.
V.d.Velde zoekt Baäl-Gad in de ruïnen van Kalut Bostra of van Kalat Aisafa. V.Raumer en Robinson houden Baäl-Gad voor Caesarea Filippi.
KruisverwijzingenJozua 14:7→Jozua 11:23→— Vele dagen voerde Jozua krijg tegen al deze koningen.
Vele dagen, omtrent 7 jaar (7: 7,10) voerde Jozua strijd tegen al deze koningen.
KruisverwijzingenJozua 9:3→— Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen Israels, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door krijg.
Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen van Israël, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon (9); zij namen ze allen in door strijd. 1)
Omdat de Israëlieten aan sommigen hun medelijden hadden betoond, ofschoon tegen Gods bevel, is dit gezegde zo te begrijpen, dat deze oorlog hebben gevoerd, opdat zij niet door hen zouden worden gespaard, of de Israëlieten, met verontachtzaming van Gods bevel, door hen tot medelijden zouden worden aangezet.
KruisverwijzingenRomeinen 9:18→Exodus 4:21→Deuteronomium 20:16→Deuteronomium 7:16→Exodus 9:16→Deuteronomium 2:30→Jozua 11:12→Romeinen 9:22→— Want het was van den HEERE, hun harten te verstokken, dat zij Israel met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zoude, dat hun geen genade geschiedde, maar opdat hij hen verdelgen zoude, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
Want het was van de Heere, om het oordeel, waartoe God hen overgaf, vanwege hun ongeloof (Ex 4: 21), hun harten te verstokken, 1) dat zij Israël met oorlog tegemoet gingen, opdat Hij hen verbannen zou, dat hun geen genade zou toekomen, maar opdat Hij hen verdelgen zou, zoalsde HEERE aan Mozes geboden had. De mate van de ongerechtigheid van Kanaäns bevolking was vol. Hun zonden hadden de hoogste hoogte bereikt. Het was daarom, dat God als tot straf hun harten verhardde.
KruisverwijzingenDeuteronomium 9:2→Numeri 13:22→Deuteronomium 1:28→Jozua 15:13→Richteren 1:20→Jeremia 3:23→Openbaring 6:2→Openbaring 19:11→— Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israel; Jozua verbande hen met hun steden.
In die tijd 1) nu, gedurende de zeven jaren dat de oorlog duurde, kwam Jozua, en roeide behalve de overige bewoners van het land, ook de Enakieten 2) uit van het gebergte van Juda, van Hebron (10: 36vv.) van Debir (10: 38vv.) van Anab, 5-6 uur ten zuiden van Hebron, en van het gehele gebergte van Juda en van het gehele gebergte van Israël (Efraïm): Jozua verbande hen met hun steden.
In die tijd slaat terug op “vele dagen” in vs.18.
De Enakieten behoorden tot de oorspronkelijke Semitische bevolking, zij waren reuzen en hadden 40 jaar geleden de verspieders van Mozes zo verschrikt door hun vreselijk uiterlijk aanzien, dat deze bij hun terugkomst met ontsteltenis de andere Israëlieten bijna de moed ontnamen, om tegen zo’n volk ten strijde te trekken (Num.13: 23,29,33 ; ook “De 2: 23).
Dit bericht is noch voor een ingeschoven fragment van een andere hand te houden, noch voor een bericht, ontleend aan een andere bron. Integendeel, de schrijver beschouwde het met het oog op Num.28 en 31 als nodig, nog uitdrukkelijk te vermelden, dat Jozua ook de door de verspieders onder Mozes als vreselijke reuzen geschilderde Enaks-kinderen, uit hun woonplaatsen waren verdreven en teruggedreven naar de Filistijnse steden Gaza, Gath en Asdod.
Het was het nageslacht van de reuzen, voor wier kracht de verspieders het volk hadden bevreesd gemaakt, zodat het Kanaän niet wilde binnentrekken. Daarom, omdat zij zo te vrezen waren, was het wel de moeite waard, hen uit te roeien, opdat het volk des te meer werd aangezet, om wel op God te hopen. Het zou nu voor hen zeer schadelijk zijn geweest, dat zij wisten, dat zij door hen beloerd werden, omdat dit hen gedurig onrustig zou maken en beangstigen.
Een vrees, die bovenal de glorie van God voor de volgende overwinningen zou verduisteren en het geloof ondermijnen, omdat zij in hun gemoed zouden worden geteisterd door de zorg, dat hun de moeilijkste van alle strijden nog restte.
Kruisverwijzingen1 Samuël 17:4→Jozua 15:46→Richteren 3:3→1 Samuël 5:1→2 Kronieken 26:6→2 Samuël 21:16→1 Kronieken 8:13→1 Kronieken 18:1→— Er bleef niemand van de Enakieten over in het land der kinderen Israels; alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod.
Er bleef niemand van de Enakieten overig in het land van de kinderen van Israël, naar de beloften aan Abraham, Izaäk en Jakob gedaan; alleen bleven zij over in enige Filistijnse steden, zoals te Gaza, te Gath, en te Asdod.
KruisverwijzingenNumeri 26:52→Jozua 14:1→Jozua 21:44→Deuteronomium 1:38→Numeri 34:2→2 Timotheüs 4:7→Deuteronomium 25:19→Jozua 18:10→— Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israel ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van den krijg.
Zo nam Jozua al dat land in 1) naar alles, wat de Heere tot Mozes gesproken had, en Jozua gaf het veroverde land, zoals in 13vv. meer uitvoerig verteld zal worden, Israël tot erfgoed, tot een blijvende, van vader op zoon overgaande bezitting, naar hun afdelingen,naar hun stammen. 2) En het land rustte van de strijd; volgens onze berekening in het jaar 1445 v. Chr.
Met de uitdrukking hierboven “Jozua nam al dat land in”, schijnt te strijden hetgeen in 13: 1vv. wordt gezegd, dat er nog veel land overbleef om in te nemen. Niettemin zijn beide wijzen van beschouwing zeer goed met elkaar overeen te brengen. In 23: 4,5 23.4,5 staan deze twee schijnbaar tegenstrijdige uitdrukkingen onmiddellijk naast elkaar. Israël moet zowel alle volken als reeds overwonnen beschouwen, als gedenken aan de verplichting om de nog overgeblevenen te verdrijven. De eerste is hier de denkbeeldige, de tweede de wezenlijke wijze van beschouwing van de dingen. Eerst wordt het doel als bereikt beschouwd, daarna wordt opgegeven, wat er nog ontbreekt aan de gehele voltooiing van het werk, en nu wensen wij deze verschillende wijzen van beschouwing met elkaar overeen te brengen. Allereerst was de uitroeiing van de Kanaänieten en de verovering van hun land zo ver voltooid, dat hetgeen nog gebeuren moet, niet noemenswaard is in vergelijking met hetgeen reeds gedaan was; al waren de Kanaänieten ook nog in het bezit van vele steden, zij waren toch niets meer dan machteloze vluchtelingen, die niets meer tegen Israël konden uitvoeren, zo lang het de Heere getrouw bleef en naar het gebod van de Heere voortging de verstrooide Kanaänieten langzamerhand te verdelgen. Bovendien hadden de kinderen van Israël in de machtige bijstand, die de Heere hun God hun tot hiertoe bij alles geschonken had, een zeker onderpand dat Hij hun ook in de kleine oorlogen die zij nog te voeren hadden, niet zou verlaten en hun het gehele land tot een erfelijk bezit zou doen toekomen, zoals Hij, hun stellig beloofd had in Ex.23: 29vv. en Deuteronomium 7: 22. Deze dubbele wijze van beschouwing komt geheel overeen met de wijze van beschouwing, waarop de Apostelen spreken van de overwinning van onze geestelijke vijanden, wanneer zij op de ene plaats betuigen. “Dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof” (1 Joh.5: 4), en op de andere plaats vermanen tot een gedurige strijd tegen de wereld en tegen alle machten van de duisternis. Evenzo is de gehele kerk na de overwinning van het heidendom (later het pausdom, het ongeloof) geboden, de overwinning van het evangelie over alle vijanden tot de laatste toe voort te zetten; haar ontrouw in dit opzicht, haar vermenging met de heidense geest van de wereld veroorzaken haar dan moeilijke strijd en grote vernedering, die haar wel veel nood en ellende bereiden, maar ook door de goddelijke genade dienen tot loutering en versterking van het geloof.
Naar hun afdelingen, naar hun stammen, is een andere uitdrukking, voor “geslachten, vaderhuizen en families”.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Jozua 11
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-15.KruisverwijzingenRichteren 1:27→Jozua 12:3→Richteren 3:3→Richteren 7:12→2 Samuël 8:4→Jozua 10:8→Jozua 13:6→Jozua 11:10→
— Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf, En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren; Tot de Kanaanieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa. Dezen nu togen uit, en al hun heirlegers met hen; veel volks, als het zand, dat aan den oever der zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens. Al deze koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich samen aan de wateren van Merom, om tegen Israel te krijgen. En de HEERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent dezen tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israel; hun paarden zult gij verlammen, en hun wagenen met vuur verbranden. En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen. En de HEERE gaf hen in de hand van Israel, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten. Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur. En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken.
Nadat Jozua het zuidelijke deel van Kanaän aan zich had onderworpen, brengt Jabin, koning van Hazor, een verbond onder de noordelijke koningen tot stand, die nu met een zeer groot leger en zeer vele paarden en wagens aan de wateren van Merom verzameld worden, maar Jozua gesterkt door de belofte van de Heere, die hem de overwinning toezegt, overvalt hen eensklaps met zijn krijgsvolk, slaat hen en vervolgt hen daarna in drie richtingen. Vervolgens worden de voornaamste steden van deze landstreek ingenomen, maar Hazor, de residentie van de aan de spits van de bondgenoten staande koning Jabin, wordt verbrand.
Het gebeurde daarna 1) toen Jabin, de koning van Hazor, een stad aan het noordwestelijke uiteinde van het meer van Merom gelegen, die toen de voornaamste van alle koninkrijken van het noordelijk Kanaän was (vs.10), dit hoorde, namelijk, dat Jozua het gehele zuidelijke deel van Kanaän aan zich onderworpen had (hoofdstuk 10: 40vv.), zo zond hij tot Jobab, de koning van Madon, (de ligging van deze stad heeft men nog niet juist kunnen bepalen) en tot de koning van Simron, ook onbekend, en tot de koning van Achsaf, misschien het tegenwoordige Kesâf, ten zuiden van de rivier Leontes gelegen.
Ook in deze nieuwe aangelegenheden schittert de meer dan vaderlijke zorg van God, zowel in het behoeden van de Zijnen in de gevaren, als in Zijn welwillendheid om hun zwakheid te dragen. Indien het bekend was geweest, dat Jabin zich met de naburige volken, waarvan nu melding gemaakt wordt, had verbonden, zou de last van de oorlog de Israëlieten veel meer gedrukt hebben, de angst en vrees zou hen meer hebben beroerd. Wel zou het God gemakkelijk zijn geweest, zowel al die grote troepen tegelijk te vernietigen, als hun vrees en angst weg te nemen, maar Hij heeft echter de reeds op zich zelf zwakken niet bovenmate willen beproeven, opdat zij niet door een al te grote menigte voor zich, zouden beginnen te beven en dan de moed verliezen. Maar de vele volken, die zich te rechter tijd hadden moeten wapenen, heeft Hij als in de dommel en als zonder verstandelijk overleg gehouden, totdat het uitverkoren volk door zo vele schitterende overwinningen was aangezet geworden, om zonder aarzeling de oorlog tegen allen voort te zetten.
En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte Naftali bij Kedes (hoofdstuk 20:
en op de vlakte tegen het zuiden van Cinnerôth, in het Jordaandal ten zuiden van het meer van Gennesareth, en in de laagte, in het vlakke land aan de zee ten noorden van Joppe (Jos 9:
, en in Nafoth-Dor, d.i. op de hoogten van Dor, 1) een stad aan de voet van de Karmel, aan de Middellandse Zee gelegen, aan de zee waren.
De stad Dor was door de Feniciërs aangelegd voor de purpervisserij, en nog thans is het rotsachtig strand aldaar rijk aan purpermosselen; het purper van Tyrus, waartoe men een ontzaglijke menigte mosselen nodig had, om een tamelijke hoeveelheid purperverf te verkrijgen, was zo duur, dat alleen koningen en zeer rijke lieden het konden dragen (Deuteronomium 33: 19 Luk.16: 19); de cochenille (of schildluis) echter, een insect, dat sedert de ontdekking van Amerika is bekend geworden, en ook een mooie rode verf geeft, is veel minder in prijs. Het tegenwoordige Dor, Tantura of Tortura geheten, heeft slechts 500 moslim inwoners; deze zeestad moet wel onderscheiden worden van de landstad Naphoth Dor (hoofdstuk 12: 23), die omtrent 1/4 mijl noordelijker, op een kleine hoogte ligt.
Tot de Kanaänieten tegen het oosten, aan de rechterzijde van de Jordaan, en tegen het westen, in de laagte aan de Middellandse Zee, en de Amorieten en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Jebusieten op het gebergte, dat door het midden van Kanaän, van het noorden tot het zuiden zich uitstrekte, en de Hevieten onder aan de berg Hermon, ten noorden in het land van Mizpa, 1)aan de rechterzijde van een van de bronnen van de Jordaan.
Hier wordt de vlakte van Paneas bedoeld, daarin ligt op een 200 voet hoge heuvel een dorp Mutuleh, nu door Druzen bewoond, vanwaar men een heerlijk gezicht heeft over de gehele landstreek tot aan het meer van Merom; deze hoge ligging met zo’n weids uitzicht, geeft aan de plaats de naam van Mizpe, dat is Kijktoren (Genesis31: 49).
Deze, tot wie Jabin gezonden had, nu trokken uit hun steden, en al hun legers met hen; veel volk, als het zand dat aan de oever van de zee is, in veelheid, zodat men ze niet tellen kon, een ontzaglijke, ontelbare legermassa (Genesis22: 17); en zeer veel paarden en wagens (Ex 14: 7).
Al deze koningen werden verzameld, nadat zij reeds onderling bepaald hadden, waar zij de strijd tegen de Israëlieten wilden aanvangen, en kwamen en legerden zichsamen aan de wateren van Merom, 1) om tegen Israël te strijden.
De “Wateren van Merom” en het Meer van Merom is volgens sommigen hetzelfde, en is, volgens hen, het meer van Samochonitis, thans Bahr-el-Hule genoemd; er is echter volstrekt geen spoor dat het meer bij de ouden zo genoemd is; veeleer moeten wij de “Wateren van Merom” lezen als de bij het dorp Meiron, dat ten noordwesten van de zee van Gennesareth ligt, ontspringende bron, die een kleine beek vormt, die door het dal bij het dorp Sefed (De 27: 3) heenloopt, en zich ontlast in de zee van Gennesareth. Het dorp is een beroemde bedevaartsplaats van de joden, omdat zich aldaar de graven van Hillel, van Schammai (De 24:
en andere door hen hoogvereerde Rabbijnen bevinden, zoals zij voorgeven.
Deze mening steunt vooral op een uitspraak van Josefus, die meedeelt (Want. VI. 18), dat deze koningen zich bij Besother (of Mesother), een stad boven in Galilea, hebben gelegerd.
En de HEERE zei 1) tot Jozua, toen deze van het voornemen van de koningen onderricht, van Gilgal (hoofdstuk 10: 43), tegen het zo talrijke en wel toegeruste leger optrok, en omtrent een dagreis van dat leger verwijderd was: Vrees niet voor hun aangezichten, want morgen omtrent deze tijd zal Ik, 2) die u reeds zo dikwijls Mijn machtige hulp heb doen zien, hen al te gader verslagen geven voor het aangezicht van Israël; hun paarden zult gij door de pezen van de achterpoten door te snijden, verlammen, en hun wagens met vuur verbranden. 3)
Hoe gewichtiger en moeilijker de zaak wordt, om een zo talrijk en welgeoefend leger te vernietigen, des te meer was het noodzakelijk, dat hij met nieuwe moed werd gesterkt. Zo verschijnt God aan Zijn knecht Jozua en belooft hem dezelfde gelukkige uitkomst, die hem reeds enige malen te beurt was gevallen. Nadrukkelijk is op te merken, dat zo dikwijls Hij Zijn belofte herhaalt, de mensen herinnerd worden aan hun vergeetachtigheid, of zorgeloosheid, of zwakheid. Want indien niet gedurig hun geloof nieuwe steun ontvangt, loopt het zo snel gevaar te verdwijnen of te verflauwen. En lijden wij aan een dwaze overmoed, zodat het ons bijna verdriet, tweemaal hetzelfde te horen. Waaruit wij leren, dat, zo dikwijls ons nieuwe strijd ontmoet, de beloften van God ons op het hart worden gebonden, die onze traagheid verbeteren, of onze luiheid opwekken.
Uitdrukkelijk wordt het woordje “Ik”, erbij gevoegd, om aan de belofte kracht bij te zetten. Ik, wil de Heere God zeggen, Wie het niet aan enige macht in hemel en op aarde ontbreekt, om alle uw vijanden in uw handen te geven.
Dit moest plaatsvinden, opdat Israël zich niet zou schikken naar de gewoonte van de volkeren. Bij Israël mocht geen vertrouwen zijn op paarden en wagens, maar het moest alleen zijn vertrouwen stellen op Jehova, zijn God.
En Jozua, door zo’n toespraak versterkt, en al het krijgsvolk met hem, kwam snel over hen, nog, eer zij zelf aanval verwachtten, aan de wateren van Merom, (Jos 11: 5), en zij overvielen hen in hun legerplaats.
En de HEERE gaf hen in de hand van Israël, en zij sloegen hen, en zij joegen hen na, gedeeltelijknoordwestwaarts op tot groot 1) Zidon toe, naar de grote stad Zidon, 1) aan de kust van de Middellandse Zee, en gedeeltelijk westwaarts heen, tot Misrefôth-maïm 2) tussen Tyrus en Acco, en tot het dal Mizpe (Jos 11: 3) tegen het oosten, van Sidon en Misrefôth-maïm afgerekend, maar van Merom af tegen het zuiden en zij sloegen hen, totdat zij geen een onder hen overlieten.
Sidon, de oudste onder al de steden van de kust van Fenicië, in een vlakte, die nauwelijks een mijl breed is, gebouwd bijna tegenover het zuidelijke einde van de Libanon, met een voortreffelijke haven, was toen nog de hoofdstad van Fenicië; vandaar dat zij hier en in hoofdstuk 19: 28 de “grote” heet. Omtrent 5 mijl ten zuiden van daar lag Tyrus, dat echter in de tijd, waarover wij nu spreken, nog een landstad was, in een mooie, vruchtbare vlakte, 12 minuten van de zee gelegen. Toen later omstreeks 1209 v. Chr. er een nieuwe stad op een eiland nabij de kust was aangelegd, werd Tyrus de voornaamste, bijzonder onder koning Hiram, die van 1023-990 regeerde (2 Samuel 5: 11). De verhouding van beide steden tot elkaar wisselde later dikwijls af, nu was de ene machtiger dan weer de andere.
Groot Zidon. Zo aangeduid, niet omdat er ook een klein Zidon was, maar omdat het een grote stad was, de hoofdplaats van die streek. Juistere vertaling zou dan ook zijn: Zidon de Grote. In David’s tijd was zij niet meer de grote stad, maar werd haar glans overtroffen door die van Tyrus. Nu is zij Saida geheten en telt ongeveer 5 a 6.000 zielen, volgens Robinson en V.d.Velde. Tacitus noemt haar de “moeder van de Phoeniciërs”.
Thans is Sidon, nu Saida genoemd, de voornaamste plaats: zij telt 5 à 6 duizend inwoners, en heeft veel goedgebouwde stenen huizen. Tyrus, nu Sur genoemd, is slechts een marktvlek, waarvan de woningen slechts hutten zijn: en ofschoon zij nog een kleine haven heeft, verdient het nauwelijks de naam van stad.
Misrefôt-Maïm. Deze naam wordt verschillend verklaard: enige uitleggers denken aan zoutpannen, andere aan smeltovens of glasblazerijen, en nog andere waaronder David Kimchi, en ook Luther aan warme bronnen of baden. Het laatste is wel waarschijnlijk de betekenis. Ten zuiden van Tyrus eindigt het bergland van Galilea in de voorgebergten Râs el Abiad (witte kaap) en Râs en Nakûra, in de tijden van de kruistochten “Ladder van Tyrus” geheten. Aan de voet van dit tweede voorgebergte is een verzameling van bronnen, nu Ain Mesherfi geheten.
Jozua nu deed hun, toen zij met alles, wat zij hadden in zijn handen vielen, zoals de HEERE hem gezegd had (vs.6), hun paarden verlamde hij, en hun wagens verbrandde hij met vuur. 1)
Hiermee gaf hij te kennen: 1e. Zijn gehoorzaamheid en onderwerping aan de Goddelijke wil; 2e. Zijn zelfverloochening. Het bevel van God sneed bij hem alle menselijke overlegging af. 3e. Zijn vertrouwen op Gods macht ten voordele van Israël. 4e. Zijn zorgvuldigheid, om het volk insgelijks in hun vertrouwen op God te versterken.
Over het gebruik van wagens en paarden, “Ps 20: 7”. Alleen zij hier gezegd, dat Israël tot op Salomo zich nooit van paarden heeft bediend in de strijd (Richteren 4: 13; 5: 15). David vernietigde ze, die hij overmeesterde. Enkelen hield hij over, niet om ze te gebruiken, maar als teken van overwinning (2 Samuel .8: 4). Merkwaardig is het, dat Israël, in al die oorlogen, ook immer de overwinning behaalde. De ondergang van Israël begint met het tijdperk, toen het met paarden en wagens begon te strijden.
En Jozua keerde van de vervolging van de vijanden in de verschillende richtingen, waarheen zij gevlucht waren, weer op dezelfde tijd, na verloop van enige dagen, en hij nam Hazor in, aan de noordwestkust van het meer Merom (vs.1); en haar koning Jabin, die zich gelukkig gered had uit de slag (vs.7), sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken, in het noorden; om deze reden werd deze stad terstond ingenomen, maar moest ook het hardste behandeld worden.
En zij, de kinderen van Israël, sloegen elke ziel, die daarin was, met de scherpte van het zwaard, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij, Jozua, met vuur. Omtrent 170 jaar later komt in de tijd van de Richters (Richteren 4: 2) weer een Kanaänitische koning Jabin voor, die te Hazor regeert; hij was een afstammeling van de hier genoemde, en de naam Jabin, d.i. verstandige, was vermoedelijk een titel, die alle koningen van dat land droegen. Hazor werd door de Kanaänieten spoedig weer opgebouwd, en weer tot de residentie van de koning gemaakt, omdat de kinderen van Israël hun plicht, om ze geheel ten onder te brengen en ten laatste geheel uit te roeien, verzuimden.
En Jozua nam al de steden van deze koningen, Madon, Simron, Achsaf, enz. in, en al haar koningen, en hij sloeg hen met de scherpte van het zwaard, hen verbannende, zoals Mozes, de knecht van de HEERE, geboden had.
Num.33: 51vv. Deuteronomium 7: 1vv.; 20: 16vv.
Alleen verbrandden de Israëlieten geen van de overige steden, die, zoals bij de Fenicische steden meestal het geval was, op haar heuvels stonden, 1) behalve Hazor alleen, dat verbrandde Jozua, en volbracht aan die stad de verbanning in haar grootste strengheid.
In het Hebreeuws Haomedoth al-tilam. Die op hun heuvels stonden, maar beter die op hun heuvels staan, om aan te duiden, dat zij nog bij het schrijven van dit boek op hun oude standplaats stonden.
En al de door van deze steden, goud en zilver, koperen en ijzeren gereedschappen enz. en het vee roofden de kinderen van Israël voor zich (8: 2,27), alleen sloegen zij al de mensen met de scherpte van het zwaard, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven, wat adem had.
a) Zoals de HEERE Mozes, Zijn knecht geboden had, b) zo gebood Mozes weer aan Jozua, zijn opvolger; en zo deed Jozua, daaraan stipt gehoorzamende; hij deed er niet één woord af 1) van alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had.
(Ex.23: 32,33; 34: 12 Num.33: 52. b) Deuteronomium 7: 2; 20: 16
Dat is: hij bracht alles stipt ten uitvoer, wat de Heere aan Mozes had geboden, omtrent de verovering van het land.
II. Vs. 16-23.KruisverwijzingenJozua 10:41→Deuteronomium 7:24→Romeinen 9:18→Exodus 4:21→1 Samuël 17:4→Deuteronomium 20:16→Deuteronomium 9:2→Numeri 26:52→
— Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israels, en zijn laagte. Van den kalen berg, die opwaarts naar Seir gaat, tot Baal-Gad toe, in het dal van den Libanon, onder aan den berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen. Vele dagen voerde Jozua krijg tegen al deze koningen. Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen Israels, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door krijg. Want het was van den HEERE, hun harten te verstokken, dat zij Israel met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zoude, dat hun geen genade geschiedde, maar opdat hij hen verdelgen zoude, gelijk als de HEERE Mozes geboden had. Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israel; Jozua verbande hen met hun steden. Er bleef niemand van de Enakieten over in het land der kinderen Israels; alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod. Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israel ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van den krijg.
Nu volgt er een terugblik op de verovering van het gehele land, in zijn uitgestrektheid van het zuiden naar het noorden, benevens enige algemene opmerkingen, omtrent de langdurigheid van de oorlog en het gedrag van de Kanaänieten. Vervolgens een bijvoegsel over de onderwerping van het zuidelijk deel van Kanaän, ook van de daar wonende Enaks-kinderen, die vroeger zo vreselijk waren afgeschilderd door de verspieders, die Mozes reeds had uitgezonden (Num.13: 29 vv.).
Alzo, zoals in 10: 1-11,15 is verteld, nam Jozua al dat land in, het gebergte van Juda, en al het zuiden, de gehele Negeb of het zuidelijke land, en al het land van Gosen, tussen het gebergte van Juda en de Sephale, en de laagte, en het vlakke veld, langs de rechter Jordaanoever, en het gebergte Israël, of Efraïm (17: 15), en Zijn laagte, de afdaling naar de Middellandse Zee (vs.2).
Van de kale berg 1) die zuidelijk opwaarts naar Seïr gaat, tot Baäl-Gad2) of Baäl-Hermon (Richteren 3: 3) toe, in het dal van de Libanon onderaan de berg Hermon, op de zuidelijke helling, al hun koningen nam hij ook gevangen, en sloeg hen en doodde hen.
De kale berg, of zoals ook vertaald kan worden, het gladde gebergte, is waarschijnlijk dat gebergte, dat de scheiding vormt in het Araba-dal. Het is een rij witte klippen.
V.d.Velde zoekt Baäl-Gad in de ruïnen van Kalut Bostra of van Kalat Aisafa. V.Raumer en Robinson houden Baäl-Gad voor Caesarea Filippi.
Vele dagen, omtrent 7 jaar (7: 7,10) voerde Jozua strijd tegen al deze koningen.
Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen van Israël, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon (9); zij namen ze allen in door strijd. 1)
Omdat de Israëlieten aan sommigen hun medelijden hadden betoond, ofschoon tegen Gods bevel, is dit gezegde zo te begrijpen, dat deze oorlog hebben gevoerd, opdat zij niet door hen zouden worden gespaard, of de Israëlieten, met verontachtzaming van Gods bevel, door hen tot medelijden zouden worden aangezet.
Want het was van de Heere, om het oordeel, waartoe God hen overgaf, vanwege hun ongeloof (Ex 4: 21), hun harten te verstokken, 1) dat zij Israël met oorlog tegemoet gingen, opdat Hij hen verbannen zou, dat hun geen genade zou toekomen, maar opdat Hij hen verdelgen zou, zoalsde HEERE aan Mozes geboden had. De mate van de ongerechtigheid van Kanaäns bevolking was vol. Hun zonden hadden de hoogste hoogte bereikt. Het was daarom, dat God als tot straf hun harten verhardde.
In die tijd 1) nu, gedurende de zeven jaren dat de oorlog duurde, kwam Jozua, en roeide behalve de overige bewoners van het land, ook de Enakieten 2) uit van het gebergte van Juda, van Hebron (10: 36vv.) van Debir (10: 38vv.) van Anab, 5-6 uur ten zuiden van Hebron, en van het gehele gebergte van Juda en van het gehele gebergte van Israël (Efraïm): Jozua verbande hen met hun steden.
In die tijd slaat terug op “vele dagen” in vs.18.
De Enakieten behoorden tot de oorspronkelijke Semitische bevolking, zij waren reuzen en hadden 40 jaar geleden de verspieders van Mozes zo verschrikt door hun vreselijk uiterlijk aanzien, dat deze bij hun terugkomst met ontsteltenis de andere Israëlieten bijna de moed ontnamen, om tegen zo’n volk ten strijde te trekken (Num.13: 23,29,33 ; ook “De 2: 23).
Dit bericht is noch voor een ingeschoven fragment van een andere hand te houden, noch voor een bericht, ontleend aan een andere bron. Integendeel, de schrijver beschouwde het met het oog op Num.28 en 31 als nodig, nog uitdrukkelijk te vermelden, dat Jozua ook de door de verspieders onder Mozes als vreselijke reuzen geschilderde Enaks-kinderen, uit hun woonplaatsen waren verdreven en teruggedreven naar de Filistijnse steden Gaza, Gath en Asdod.
Het was het nageslacht van de reuzen, voor wier kracht de verspieders het volk hadden bevreesd gemaakt, zodat het Kanaän niet wilde binnentrekken. Daarom, omdat zij zo te vrezen waren, was het wel de moeite waard, hen uit te roeien, opdat het volk des te meer werd aangezet, om wel op God te hopen. Het zou nu voor hen zeer schadelijk zijn geweest, dat zij wisten, dat zij door hen beloerd werden, omdat dit hen gedurig onrustig zou maken en beangstigen.
Een vrees, die bovenal de glorie van God voor de volgende overwinningen zou verduisteren en het geloof ondermijnen, omdat zij in hun gemoed zouden worden geteisterd door de zorg, dat hun de moeilijkste van alle strijden nog restte.
Er bleef niemand van de Enakieten overig in het land van de kinderen van Israël, naar de beloften aan Abraham, Izaäk en Jakob gedaan; alleen bleven zij over in enige Filistijnse steden, zoals te Gaza, te Gath, en te Asdod.
Zo nam Jozua al dat land in 1) naar alles, wat de Heere tot Mozes gesproken had, en Jozua gaf het veroverde land, zoals in 13vv. meer uitvoerig verteld zal worden, Israël tot erfgoed, tot een blijvende, van vader op zoon overgaande bezitting, naar hun afdelingen,naar hun stammen. 2) En het land rustte van de strijd; volgens onze berekening in het jaar 1445 v. Chr.
Met de uitdrukking hierboven “Jozua nam al dat land in”, schijnt te strijden hetgeen in 13: 1vv. wordt gezegd, dat er nog veel land overbleef om in te nemen. Niettemin zijn beide wijzen van beschouwing zeer goed met elkaar overeen te brengen. In 23: 4,5 23.4,5 staan deze twee schijnbaar tegenstrijdige uitdrukkingen onmiddellijk naast elkaar. Israël moet zowel alle volken als reeds overwonnen beschouwen, als gedenken aan de verplichting om de nog overgeblevenen te verdrijven. De eerste is hier de denkbeeldige, de tweede de wezenlijke wijze van beschouwing van de dingen. Eerst wordt het doel als bereikt beschouwd, daarna wordt opgegeven, wat er nog ontbreekt aan de gehele voltooiing van het werk, en nu wensen wij deze verschillende wijzen van beschouwing met elkaar overeen te brengen. Allereerst was de uitroeiing van de Kanaänieten en de verovering van hun land zo ver voltooid, dat hetgeen nog gebeuren moet, niet noemenswaard is in vergelijking met hetgeen reeds gedaan was; al waren de Kanaänieten ook nog in het bezit van vele steden, zij waren toch niets meer dan machteloze vluchtelingen, die niets meer tegen Israël konden uitvoeren, zo lang het de Heere getrouw bleef en naar het gebod van de Heere voortging de verstrooide Kanaänieten langzamerhand te verdelgen. Bovendien hadden de kinderen van Israël in de machtige bijstand, die de Heere hun God hun tot hiertoe bij alles geschonken had, een zeker onderpand dat Hij hun ook in de kleine oorlogen die zij nog te voeren hadden, niet zou verlaten en hun het gehele land tot een erfelijk bezit zou doen toekomen, zoals Hij, hun stellig beloofd had in Ex.23: 29vv. en Deuteronomium 7: 22. Deze dubbele wijze van beschouwing komt geheel overeen met de wijze van beschouwing, waarop de Apostelen spreken van de overwinning van onze geestelijke vijanden, wanneer zij op de ene plaats betuigen. “Dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof” (1 Joh.5: 4), en op de andere plaats vermanen tot een gedurige strijd tegen de wereld en tegen alle machten van de duisternis. Evenzo is de gehele kerk na de overwinning van het heidendom (later het pausdom, het ongeloof) geboden, de overwinning van het evangelie over alle vijanden tot de laatste toe voort te zetten; haar ontrouw in dit opzicht, haar vermenging met de heidense geest van de wereld veroorzaken haar dan moeilijke strijd en grote vernedering, die haar wel veel nood en ellende bereiden, maar ook door de goddelijke genade dienen tot loutering en versterking van het geloof.
Naar hun afdelingen, naar hun stammen, is een andere uitdrukking, voor “geslachten, vaderhuizen en families”.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel