Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Want zietH2009, in die dagenH3117 en te dier tijdH6256, als Ik de gevangenisH7622 van JudaH3063 en JeruzalemH3389 zal wendenH7725;
Want ziet, in die dagen en te dier tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden;
KJV
For, behold, in those days,3
and in that time,5
when I shall bring again8
the captivity10
of Judah11
and Jerusalem,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Dan zal Ik alleH3605 heidenenH1471 vergaderenH6908, en zal hen afvoerenH3381 in het dalH6010 van JosafatH3092; en Ik zal metH5973 hen aldaarH8033 richtenH8199, vanwegeH5921 Mijn volkH5971 en Mijn erfdeelH5159 IsraelH3478, datH834 zij onder de heidenenH1471 hebben verstrooidH6340, en Mijn landH776 gedeeldH2505;
Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israel, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;
KJV
I will also gather1
all nations,4
and will bring them down5
into the valley7
of Jehoshaphat,8
and will plead9
with them there for my people13
and for my heritage14
Israel,15
whom they have scattered17
among the nations,18
and parted21
my land.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En hebben het lotH1486 over Mijn volkH5971 geworpenH3032 en een knechtjeH3206 gegevenH5414 om een hoerH2181, en een meisjeH3207 verkochtH4376 om wijnH3196, dat zij mochten drinkenH8354.
En hebben het lot over Mijn volk geworpen en een knechtje gegeven om een hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.
KJV
And they have cast3
lots4
for my people;2
and have given5
a boy6
for an harlot,7
and sold9
a girl8
for wine,10
that they might drink.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En ookH1571, watH4100 hebt gij met Mij te doen, gijH859 TyrusH6865 en SidonH6721, en alleH3605 grenzenH1552 van PalestinaH6429! Zoudt gij Mij een vergeldingH1576 wedergevenH7999? Maar zoH518 gijH859 Mij wilt vergeldenH1580, lichtelijkH7031, haastelijkH4120, zal Ik uw vergeldingH1576 opH5921 uw hoofdH7218 wederbrengenH7725.
En ook, wat hebt gij met Mij te doen, gij Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zoudt gij Mij een vergelding wedergeven? Maar zo gij Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastelijk, zal Ik uw vergelding op uw hoofd wederbrengen.
KJV
Yea, and what have ye to do with me, O Tyre,5
and Zidon,6
and all the coasts8
of Palestine?9
will ye render12
me a recompence?10
and if ye recompense15
me, swiftly18
and speedily19
will I return20
your recompence21
upon your own head;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Omdat gij Mijn zilverH3701 en Mijn goudH2091 hebt weggenomenH3947, en hebt Mijn besteH2896 kleinodienH4261 in uw tempelsH1964 gebrachtH935.
Omdat gij Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen, en hebt Mijn beste kleinodien in uw tempels gebracht.
KJV
Because ye have taken4
my silver2
and my gold,3
and have carried7
into your temples8
my goodly6
pleasant things:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En gij hebt de kinderenH1121 van JudaH3063 en de kinderenH1121 van JeruzalemH3389 verkochtH4376 aanH5921 de kinderenH1121 der GriekenH3125, opdatH4616 gij hen verreH7368 van hun landpaleH1366, mocht brengenH7368.
En gij hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen der Grieken, opdat gij hen verre van hun landpale, mocht brengen.
KJV
The children1
also of Judah2
and the children3
of Jerusalem4
have ye sold5
unto the Grecians,7
that ye might remove them far9
from their border.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
ZietH2005, Ik zal ze opwekkenH5782 uitH4480 de plaatsH4725, waarhenenH834 gij ze hebt verkochtH4376; en Ik zal uw vergeldingH1576 wederbrengenH7725 op uw hoofdH7218.
Ziet, Ik zal ze opwekken uit de plaats, waarhenen gij ze hebt verkocht; en Ik zal uw vergelding wederbrengen op uw hoofd.
KJV
Behold, I will raise2
them out of the place4
whither ye have sold6
them, and will return9
your recompence10
upon your own head:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En Ik zal uw zonenH1121 en uw dochterenH1323 verkopenH4376 in de handH3027 der kinderenH1121 van JudaH3063, die ze verkopenH4376 zullen aan die van SchebaH7615, aanH413 een vergelegenH7350 volkH1471; wantH3588 de HEERE heeft het gesprokenH1696.
En Ik zal uw zonen en uw dochteren verkopen in de hand der kinderen van Juda, die ze verkopen zullen aan die van Scheba, aan een vergelegen volk; want de HEERE heeft het gesproken.
Ook in dit vers
HEEREH3068
KJV
And I will sell1
your sons3
and your daughters5
into the hand6
of the children7
of Judah,8
and they shall sell9
them to the Sabeans,10
to a people12
far off:13
for the LORD15
hath spoken
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
RoeptH2063 dit uit onder de heidenenH1471, heiligtH6942 een krijgH4421; wektH5782 de heldenH1368 op, laat naderenH5066, laat optrekkenH5927 alleH3605 krijgsliedenH582.
Roept dit uit onder de heidenen, heiligt een krijg; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden.
KJV
Proclaim1
ye this among the Gentiles;3
Prepare4
war,5
wake up6
the mighty men,7
let all the men
of war12
draw near;8
let them come up:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
SlaatH3807 uw spadenH855 tot zwaardenH2719, en uw sikkelenH4211 tot spiesenH7420; de zwakkeH2523 zeggeH559: IkH589 ben een heldH1368.
Slaat uw spaden tot zwaarden, en uw sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben een held.
KJV
Beat1
your plowshares2
into swords,3
and your pruninghooks4
into spears:5
let the weak6
say,7
I am strong.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Rot te hoop, en komtH935 aan, alleH3605 gij volkenH1471 van rondomH5439, en vergadertH6908 u! (O HEERE, doe Uw heldenH1368 derwaartsH8033 nederdalen!)
Rot te hoop, en komt aan, alle gij volken van rondom, en vergadert u! (O HEERE, doe Uw helden derwaarts nederdalen!)
Ook in dit vers
Rot hoopH5789
KJV
Assemble1
yourselves, and come,2
all ye heathen,4
and gather yourselves together6
round about:5
thither cause thy mighty ones10
to come down,8
O LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
De heidenenH1471 zullen zich opmakenH5782, en optrekkenH5927 naarH413 het dalH6010 van JosafatH3092; maarH3588 aldaarH8033 zal Ik zittenH3427, om te richtenH8199 alleH3605 heidenenH1471 van rondomH5439.
De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.
KJV
Let the heathen3
be wakened,1
and come up2
to the valley5
of Jehoshaphat:6
for there will I sit9
to judge10
all the heathen13
round about.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
SlaatH7971 de sikkelH4038 aan, wantH3588 de oogstH7105 is rijpH1310 geworden; komtH935 aan, daaltH3381 henen af, wantH3588 de persH1660 is volH4390, en de perskuipenH3342 lopenH7783 over; wantH3588 hunlieder boosheidH7451 is grootH7227.
Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt henen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hunlieder boosheid is groot.
KJV
Put1
ye in the sickle,2
for the harvest5
is ripe:4
come,6
get you down;7
for the press10
is full,9
the fats12
overflow;11
for their wickedness15
is great.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
MenigtenH1995, menigtenH1995 in het dalH6010 des dorswagensH2742; wantH3588 de dagH3117 des HEEREN is nabijH7138, in het dalH6010 des dorswagensH2742.
Menigten, menigten in het dal des dorswagens; want de dag des HEEREN is nabij, in het dal des dorswagens.
KJV
Multitudes,1
multitudes2
in the valley3
of decision:4
for the day7
of the LORD8
is near6
in the valley9
of decision.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
De zonH8121 en maanH3394 zijn zwartH6937 geworden, en de sterrenH3556 hebben haar glansH5051 ingetrokkenH622.
De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.
KJV
The sun1
and the moon2
shall be darkened,3
and the stars4
shall withdraw5
their shining.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En de HEERE zal uit SionH6726 brullenH7580, en uit JeruzalemH3389 Zijn stemH6963 gevenH5414, dat hemelH8064 en aardeH776 bevenH7493 zullen; maar de HEERE zal de ToevluchtH4268 Zijns volksH5971, en de SterkteH4581 der kinderenH1121 IsraelsH3478 zijn.
En de HEERE zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar de HEERE zal de Toevlucht Zijns volks, en de Sterkte der kinderen Israels zijn.
KJV
The LORD1
also shall roar3
out of Zion,2
and utter5
his voice6
from Jerusalem;4
and the heavens8
and the earth9
shall shake:7
but the LORD10
will be the hope11
of his people,12
and the strength13
of the children14
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En gijlieden zult wetenH3045, datH3588 IkH589 de HEERE, uw GodH430 ben, wonendeH7931 op SionH6726, den bergH2022 Mijner heiligheidH6944; en JeruzalemH3389 zal een heiligheidH6944 zijnH1961, en vreemdenH2114 zullen nietH3808 meerH5750 door haar doorgaanH5674.
En gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE, uw God ben, wonende op Sion, den berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan.
KJV
So shall ye know1
that I am the LORD4
your God5
dwelling6
in Zion,7
my holy9
mountain:8
then shall Jerusalem11
be holy,12
and there shall no strangers13
pass through
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En het zal te dien dageH3117 geschiedenH1961 dat de bergenH2022 van zoeten wijnH6071 zullen druipenH5197, en de heuvelenH1389 van melkH2461 vlietenH3212, en alleH3605 stromenH650 van JudaH3063 vol van waterH4325 gaan; en er zal een fonteinH4599 uit het huisH1004 des HEEREN uitgaanH3318, en zal het dalH5158 van SittimH7851 bewaterenH8248.
En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis des HEEREN uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren.
KJV
And it shall come to pass in that day,2
that the mountains5
shall drop down4
new wine,6
and the hills7
shall flow8
with milk,9
and all the rivers11
of Judah12
shall flow13
with waters,14
and a fountain15
shall come forth18
of the house16
of the LORD,17
and shall water19
the valley21
of Shittim.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
EgypteH4714 zal tot verwoestingH8077 worden, en EdomH123 zal worden tot een woesteH8077 wildernisH4057, om het geweldH2555, gedaan aan de kinderenH1121 van JudaH3063, in welker landH776 zijH1961 onschuldigH5355 bloedH1818 vergotenH8210 hebben.
Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in welker land zij onschuldig bloed vergoten hebben.
KJV
Egypt1
shall be a desolation,2
and Edom4
shall be a desolate6
wilderness,5
for the violence8
against the children9
of Judah,10
because they have shed12
innocent14
blood13
in their land.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Maar JudaH3063 zal blijven in eeuwigheidH5769, en JeruzalemH3389 van geslachtH1755 tot geslachtH1755.
Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht.
KJV
But Judah1
shall dwell3
for ever,2
and Jerusalem4
from generation5
to generation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En Ik zal hunlieder bloedH1818 reinigenH5352, dat Ik nietH3808 gereinigdH5352 had; en de HEERE zal wonenH7931 op SionH6726.
En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en de HEERE zal wonen op Sion.
KJV
For I will cleanse1
their blood2
that I have not cleansed:4
for the LORD5
dwelleth6
in Zion.
ziet,
Hieruit is af te nemen dat deze profetie ook behoort tot den staat van het Nieuwe Testament, waarvan in het einde van het voorgaande hoofdstuk gesproken is, beide [naar der profeten wijze] met manieren van spreken, die genomen zijn van den staat van het Oude Testament, gelijk te zien is in Joël 2:28 , Joël 2:32 , en hier in dit vers en de volgende.
Hertaald:
ziet,
Hieruit is af te leiden dat ook deze profetie tot de staat van het Nieuwe Testament behoort, waarover aan het einde van het vorige hoofdstuk gesproken is — allebei naar de gewoonte van de profeten uitgedrukt met manieren van spreken die aan de staat van het Oude Testament ontleend zijn, zoals te zien is in Joël 2:28, Joël 2:32 en hier in dit vers en het vervolg.
als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden;
Dat is, Messias Gods kerk Zie onder vs.9-12, Joden Babel, Gods
Hertaald:
als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden;
Dat is: wanneer de Messias Zijn kerk uit haar gevangenschap zal verlossen — zoals de Joden uit Babel — waarover vers 9-12. De bron is hier zo zwaar beschadigd dat alleen de losse woorden Messias, Gods kerk, Joden, Babel en de verwijzing naar vers 9-12 overgebleven zijn.
heidenen vergaderen,
Dat is, Joden Joden Christus Nieuwe Testament Ps. 2:1 ; Hand. 4:25-27 , en Hand. 6:12-13 , enz.
Hertaald:
heidenen vergaderen,
Dat is: allen die zich tegen Christus en Zijn kerk verzetten, Joden zowel als heidenen, zoals in de tijd van het Nieuwe Testament gebeurd is; zie Ps. 2:1; Hand. 4:25-27 en Hand. 6:12-13, enzovoort. Ook hier is de bron zwaar beschadigd; alleen de losse woorden Joden, Christus en Nieuwe Testament met deze verwijzingen zijn overgebleven.
dal van Jósafat;
Dat is, aardse dal, God Christus Vaders, vs.11. Doch 2Ch 20 alwaar God Josafat, dal Beracha, lofs, God Zie 2 Kron. 20:12 , 2 Kron. 20:16 , 2 Kron. 20:22 , 2 Kron. 20:26 , met de aantekening. Alzo [wil de Heere zeggen] zal Ik De Hebr. naam Jehosafat betekent des HEEREN oordeel;, of gericht, of de HEERE oordeelt; en schijnt Ik zal aldaar met hen rechten; waarin sommigen het woord Josafat dal van het oordeel des Heeren. Anderen Jeruzalem Olijfberg, Zaligmaker Josafats; Zie Zach. 14:4-5 .
Hertaald:
dal van Jósafat;
De Hebreeuwse naam Josafat betekent: het oordeel van de HEERE, of: de HEERE oordeelt. Sommigen verstaan het daarom niet van een aards dal, maar lezen: het dal van het oordeel van de HEERE, dat is: de plaats waar God door Christus recht zal spreken, zoals vers 11. Anderen denken aan het dal bij Jeruzalem bij de Olijfberg, waar de Zaligmaker verschijnen zal; zie Zach. 14:4-5. Weer anderen wijzen op 2 Kron. 20, waar God voor Josafat streed en het dal daarom Beracha, dat is: dal van de lofprijzing, genoemd werd; zie 2 Kron. 20:12, 2 Kron. 20:16, 2 Kron. 20:22 en 2 Kron. 20:26 met de aantekening. Zo, wil de HEERE zeggen, zal Ik daar met hen rechten. Ook deze noot is in de bron zwaar beschadigd en met losse woorden aan elkaar geregen.
erfdeel
Zie Deut. 32:9 .
Hertaald:
erfdeel
Zie Deut. 32:9.
Israël,
Dat is, van mijne kerk, van het geestelijke Israël, bestaande uit gelovige Joden en heidenen; Gal. 6:16 .
Hertaald:
Israël,
Dat is: van Mijn kerk, van het geestelijke Israël, dat uit gelovige Joden en heidenen bestaat; Gal. 6:16.
Mijn land
Zie Joël 1:6 .
Hertaald:
Mijn land
Zie Joël 1:6.
gedeeld;
Te weten, onder elkander, als een roof; Dan. 11:39 .
Hertaald:
gedeeld;
Namelijk onder elkaar, als een buit; Dan. 11:39.
lot over Mijn volk geworpen
De overheerden en gevangenen van mijn volk door het lot elkander toegedeeld, en tot voldoening van hun goddeloze wellusten, zo onwaardig en snodelijk geacht en behandeld, gelijk volgt.
Hertaald:
lot over Mijn volk geworpen
De overheerde en gevangen leden van Mijn volk zijn door het lot onder elkaar verdeeld en tot bevrediging van hun goddeloze lusten zo onwaardig en laag geacht en behandeld als volgt.
hoer,
Sommigen menen dat het Hebr. woord hier betekent spijs.
Hertaald:
hoer,
Sommigen menen dat het Hebreeuwse woord hier spijs betekent.
wat hebt gij met Mij te doen,
Dat gij mijn volk, heiligdom en land zo vijandelijk hebt behandeld? Hebben Ik of zij u iets misdaan, dat gij zoudt mogen voorgeven zulks te willen wreken? In jet minste niet, wil God zeggen, het is louter goddeloze haat en vijandschap, die gij hebt en voert tegen mij, wien het kwaad raakt en aangaat; dat men mijne kerk aandoet. Anders: watzijt gij bij mij? of wat wilt gij tegen mij? dat is, wat zoudt gij dan ook bij mij gelden, dewijl gij mijn volk zo snood en schandelijk behandelt? of, wat zoudt gij toch tegen mij vermogen? Hebr. wat gij lieden mij, of met, bij, tegen mij?
Hertaald:
wat hebt gij met Mij te doen,
Dat u Mijn volk, Mijn heiligdom en Mijn land zo vijandig behandeld hebt? Hebben Ik of zij u iets misdaan, zodat u zou kunnen voorwenden dat u dat wilt wreken? Volstrekt niet, wil God zeggen; het is louter goddeloze haat en vijandschap die u tegen Mij koestert, want het kwaad dat men Mijn kerk aandoet raakt Mij en gaat Mij aan. Anders: wat bent u bij Mij? of: wat wilt u tegen Mij? Dat is: wat zou u bij Mij gelden, terwijl u Mijn volk zo laag en schandelijk behandelt? Of: wat zou u toch tegen Mij vermogen? Hebreeuws: wat u en Mij, of: met, bij, tegen Mij?
Tyrus en Sidon,
Verg. Am. 1:7-9 . De Tyriërs, Sidoniërs en Filistijnen waren het naast gelegen aan het Joodse land, langs de kusten van de Middellandse zee, en zeer bittere vijanden van Gods volk. Doch onder dezen moet men alle vijanden der kerk verstaan, gelijk ook de straf, die hun voorzegd wordt, den vijanden in het algemeen is rakende; alzo worden door Moab alle andere vijanden der kerk verstaan, Jes. 25:10 , en in vs.19, door Egypte en Edom, en door Edom alleen. Zie Obadja enz.
Hertaald:
Tyrus en Sidon,
Vergelijk Amos 1:7-9. De Tyriërs, Sidoniërs en Filistijnen lagen het dichtst bij het Joodse land, langs de kusten van de Middellandse Zee, en waren zeer bittere vijanden van Gods volk. Maar onder hen moet men alle vijanden van de kerk verstaan, zoals ook de straf die hun voorzegd wordt de vijanden in het algemeen betreft. Zo worden onder Moab alle andere vijanden van de kerk verstaan in Jes. 25:10, en in vers 19 onder Egypte en Edom, en ook onder Edom alleen. Zie Obadja, enzovoort.
Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen,
Van mijnen tempel, of ook [gelijk sommigen] van mijn volk en van mijn land, gelijk God gewoon is te spreken.
Hertaald:
Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen,
Namelijk van Mijn tempel, of ook, zoals sommigen menen, van Mijn volk en Mijn land, zoals God gewoonlijk spreekt.
beste kleinodiën
De vaten van mijnen tempel of kleinodiën van mijn volk. Dit alles wordt gesproken naar den stijl van het Oude Testament, waardoor afgebeeld wordt allerlei smaad en overlast, die de vijanden Gods kerk, om zijn reinen godsdienst, zouden aandoen; zie vs.1.
Hertaald:
beste kleinodiën
De vaten van Mijn tempel of de kostbaarheden van Mijn volk. Dit alles wordt gezegd naar de stijl van het Oude Testament, waarmee allerlei smaad en overlast afgebeeld wordt die de vijanden Gods kerk om Zijn zuivere godsdienst zouden aandoen; zie vers 1.
tempels gebracht
Der afgoden, om die met mijn goed te vereren, en mij alzo te beschimpen.
Hertaald:
tempels gebracht
Namelijk in de tempels van de afgoden, om die met Mijn goed te vereren en Mij zo te beschimpen.
Grieken,
Hebr. Jevanim, van Javan. zie Gen. 10:2 .
Hertaald:
Grieken,
Hebreeuws: Jevanim, van Javan; zie Gen. 10:2.
opwekken uit de plaats,
Gelijk Ik mijn volk uit Babel en andere plaatsen, waar zij verstrooid zullen zijn, zal verlossen, alzo zal Ik met mijne kerk in het algemeen alsdan handelen, en hare vijanden straffen.
Hertaald:
opwekken uit de plaats,
Zoals Ik Mijn volk uit Babel en uit de andere plaatsen waar zij verstrooid zullen zijn zal verlossen, zo zal Ik dan met Mijn kerk in het algemeen handelen en haar vijanden straffen.
verkopen
Ik zal beschikken dat hun dit alles overkome, om mijns volks wil, alsof zij het zelf deden; en voorts in het algemeen mijner kerk hare vijanden overgeven, dat zij hen richtte en oordele. Zie vs.11, en Ps. 50:6 .
Hertaald:
verkopen
Ik zal beschikken dat hun dit alles overkomt om Mijn volk, alsof zij het zelf deden; en verder zal Ik Mijn kerk in het algemeen haar vijanden overgeven, zodat zij die richt en oordeelt. Zie vers 11 en Ps. 50:6.
Scheba,
Zie Gen. 10:7 .
Hertaald:
Scheba,
Zie Gen. 10:7.
aan een vergelegen volk;
Anders: [om te voeren] tot een, enz.
Hertaald:
aan een vergelegen volk;
Anders: om weggevoerd te worden naar een, enzovoort.
want de HEERE heeft het gesproken
Verg. Joël 2:32 .
Hertaald:
want de HEERE heeft het gesproken
Vergelijk Joël 2:32.
Roept dit uit onder de heidenen,
Dit spreekt God [spottenderwijze] tot alle vijanden zijner kerk, alsof Hij zeide: Doet vrij al wat gij kunt; brengt al uwe macht bijeen, gedraagt u als helden, gij zult mede ervaren gelijk volgt; verg. Jes. 8:9-10 ; Jer. 46:3-4 ; Ezech. 38:7 , Ezech. 38:9 , enz.
Hertaald:
Roept dit uit onder de heidenen,
Dit spreekt God bij wijze van spot tot alle vijanden van Zijn kerk, alsof Hij zei: doe gerust alles wat u kunt, breng al uw macht bijeen en gedraag u als helden — u zult ook ondervinden wat volgt. Vergelijk Jes. 8:9-10; Jer. 46:3-4; Ezech. 38:7, Ezech. 38:9, enzovoort.
heiligt een krijg;
Zie Jer. 6:4 .
Hertaald:
heiligt een krijg;
Zie Jer. 6:4.
Slaat uw spaden tot zwaarden,
Opdat het u toch aan gene krijgswapenen ontbreke, die gij tegen mijne kerk zoudt mogen gebruiken. Zie de belofte van het tegendeel, in Gods kerk, Jes. 2:4 ; Mi. 4:3 .
Hertaald:
Slaat uw spaden tot zwaarden,
Opdat het u toch niet aan krijgswapens ontbreekt die u tegen Mijn kerk zou kunnen gebruiken. Zie de belofte van het tegendeel voor Gods kerk in Jes. 2:4; Micha 4:3.
O HEERE,
Een vurig gebed van den profeet uit bekommernis over dit grote geweld aller vijanden, waartegen hij geen troost vindt dan bij God. Verg. Joël 1:19 , en zie een dergelijke tussengevoegde aanspraak tot God, Zach. 14:5 ; Jes. 63:14 ; Hos. 11:3 , enz.
Hertaald:
O HEERE,
Een vurig gebed van de profeet uit bezorgdheid over dit grote geweld van alle vijanden, waartegen hij geen troost vindt dan bij God. Vergelijk Joël 1:19, en zie een dergelijke tussengevoegde aanspraak tot God in Zach. 14:5; Jes. 63:14; Hos. 11:3, enzovoort.
helden derwaarts nederdalen
De heilige engelen, die ook alzo genoemd en vanwege hunne macht genoemd worden, Ps. 78:25 , en Ps. 103:20 , en welker dienst God placht te gebruiken in het beschermen zijner kerk en het verdelgen harer vijanden; verg. 2 Kron. 20:22 , met de aantekening aldaar. Sommigen verstaan, om God in het oordeel, nevens zijne heiligen, te helpen. Verg. Ps. 50:6 ; beide is der engelen plicht. Dit stelt de profeet tegen de helden der vijanden, zie vs.9, alsof hij zeide: Heere, als de vijanden doen alles wat zij kunnen, doe Gij dan ook wat Gij kunt. Anders: aldaar zal de HEERE uwe [een ieder van al deze vijandelijke volken] helden nederleggen, dat is nedervellen.
Hertaald:
helden derwaarts nederdalen
De heilige engelen, die vanwege hun macht ook zo genoemd worden (Ps. 78:25 en Ps. 103:20) en van wier dienst God gewoonlijk gebruikmaakte bij het beschermen van Zijn kerk en het verdelgen van haar vijanden; vergelijk 2 Kron. 20:22 met de aantekening daar. Sommigen verstaan het als: om God samen met Zijn heiligen in het oordeel bij te staan; vergelijk Ps. 50:6 — beide behoort tot de taak van de engelen. Dit stelt de profeet tegenover de helden van de vijanden (zie vers 9), alsof hij zei: HEERE, als de vijanden alles doen wat zij kunnen, doe U dan ook wat U kunt. Anders: daar zal de HEERE uw helden — die van elk van deze vijandige volken — neerleggen, dat is: neervellen.
De heidenen zullen zich opmaken,
Of, laat de volken zich, enz. want enz. of de volken zullen worden opgewekt, en opkomen, of opklimmen, enz.
Hertaald:
De heidenen zullen zich opmaken,
Of: laat de volken zich, enzovoort, want, enzovoort; of: de volken zullen opgewekt worden en opkomen, enzovoort.
dal van Jósafat;
Zie vs.2.
Hertaald:
dal van Jósafat;
Zie vers 2.
zitten,
Als Koning en Rechter der wereld; zie Ps. 9:5 , en Ps. 29:10 , en Ps. 55:20 . Door mijnen Zoon Jezus Christus; Joh. 5:22 ; Hand. 17:31 .
Hertaald:
zitten,
Als Koning en Rechter van de wereld; zie Ps. 9:5, Ps. 29:10 en Ps. 55:20. Door Mijn Zoon Jezus Christus; Joh. 5:22; Hand. 17:31.
Slaat de sikkel aan,
Maait af en dorst, dat is, verdelgt hen, werpt hen in het vuur. Dit zijn Gods woorden tot zijne helden, van wie in vs.11. Verg. Matt. 13:30 , Matt. 13:39 ; Openb. 14:15 , Openb. 14:19 .
Hertaald:
Slaat de sikkel aan,
Maai af en dors, dat is: verdelg hen, werp hen in het vuur. Dit zijn Gods woorden tot Zijn helden, over wie vers 11. Vergelijk Matth. 13:30, Matth. 13:39; Openb. 14:15, Openb. 14:19.
rijp geworden;
Hunne zonden zijn rijp ter straf, de maat is vol [verg. Gen. 15:16 , en Gen. 18:21 , met de aantekening] de bestemde dag en tijd van mijn oordeel is daar.
Hertaald:
rijp geworden;
Hun zonden zijn rijp voor de straf, de maat is vol — vergelijk Gen. 15:16 en Gen. 18:21 met de aantekening — en de vastgestelde dag en tijd van Mijn oordeel is gekomen.
vol,
Van druiven, om getreden en geperst te worden; dat is, de grote pers van God stoornis vol, waarin alle goddelozen zullen geworpen worden; zie Openb. 14:19 , en verg. Jes. 63:3 .
Hertaald:
vol,
Vol druiven, om getreden en geperst te worden; dat is: de grote pers van Gods gramschap is vol, waarin alle goddelozen geworpen zullen worden; zie Openb. 14:19 en vergelijk Jes. 63:3.
groot
Of, veelvoudig, dit verklaart de voorgaande gelijkenissen.
Hertaald:
groot
Of: veelvoudig; dit verklaart de voorgaande vergelijkingen.
Menigten, menigten
Dat is, [als met verwondering uitroepende] o hoezeer grote menigten van mensen zullen er komen, of zich verzamelen! of, hoe vol zal het overal zijn van verslagen, nedergevelde vijanden, ziende op het voorgaande vers, verg. 2 Kron. 20:24 , enz.; Jes. 66:24 , en zie van zulk ene verdubbeling der woorden Gen. 14:10 ; Deut. 16:20 ; Ezech. 13:10 , in de aantekening. Anders: rumoeren, rumoeren, of gedruis, gedruis, gewoel, gewoel.
Hertaald:
Menigten, menigten
Dat is: als in verwondering uitgeroepen — o, wat een geweldige menigten mensen zullen er komen of zich verzamelen! Of: wat zal het overal vol liggen van verslagen, neergevelde vijanden — ziend op het vorige vers; vergelijk 2 Kron. 20:24, enzovoort, en Jes. 66:24. Zie over zo'n verdubbeling van woorden Gen. 14:10; Deut. 16:20; Ezech. 13:10 met de aantekening. Anders: rumoeren, rumoeren, of: gedruis, gedruis, gewoel, gewoel.
dal des dorswagens;
Versta, het gemelde dal van Josafat, alzo genoemd omdat de vijanden van Gods volk aldaar zouden gedorst, dat is verbroken en vertreden worden. Dit past wel op het voorgaande vers waar God zegt: Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp, waarop het dorsen volgt; en alzo wordt het Hebr. woord Charuts gebruikt voor den dorswagen, te dien tijde gebruikelijk; Jes. 28:27 ; Am. 1:3 , en in een gelijke zaak als hier Jes. 41:15 . Verg. ook hiermede Jes. 25:10 ; Jer. 51:33 ; Hab. 3:12 . Doch alzo het voorschreven woord ook betekent, versneden, en voorts beslist [gelijk men nu ook spreekt] of juist bestemd, besloten aangenomen, wordt het van sommigen hier overgezet, het dal der versnijding; dat is, der uitroeiing, of het dal van het precies bestemd, bescheiden, oordeel, alsof men zeide, van het arrest, van het juiste vonnis; ook in de goede zin. Zie deze betekenis van het Hebr. woord Job 14:5 ; Jes. 10:22-23 ; Dan. 9:26-27 , en Dan. 11:36 .
Hertaald:
dal des dorswagens;
Versta: het genoemde dal van Josafat, dat zo genoemd wordt omdat de vijanden van Gods volk daar gedorst, dat is: verbrijzeld en vertreden zouden worden. Dat past goed bij het vorige vers, waar God zegt: slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp — waarop het dorsen volgt. Zo wordt het Hebreeuwse woord charuts gebruikt voor de dorswagen die in die tijd gebruikelijk was; Jes. 28:27; Amos 1:3, en in een soortgelijk verband als hier in Jes. 41:15. Vergelijk hiermee ook Jes. 25:10; Jer. 51:33; Hab. 3:12. Maar aangezien het genoemde woord ook versneden betekent, en vandaar beslist — zoals men tegenwoordig ook zegt — of nauwkeurig bepaald en vastgesteld, vertalen sommigen het hier met: het dal van de versnijding, dat is: van de uitroeiing; of: het dal van het nauwkeurig bepaalde oordeel, alsof men zei: van het arrest, van het precieze vonnis. Ook dat geeft een goede zin. Zie deze betekenis van het Hebreeuwse woord in Job 14:5; Jes. 10:22-23; Dan. 9:26-27 en Dan. 11:36.
nabij,
Profetischerwijze, en ten aanzien van God gesproken, alsof de zaak voor de deur was. Verg. Openb. 1:1 , en 2 Petr. 3:8-9 .
Hertaald:
nabij,
Op profetische wijze gesproken, en met het oog op God, alsof de zaak voor de deur stond. Vergelijk Openb. 1:1 en 2 Petr. 3:8-9.
zon en maan zijn zwart geworden,
Gelijk in Joël 2:10 ; zie aldaar. Alle tekenen [wil de profeet zeggen] zijn er, die voor den dag des Heeren zullen voorgaan.
Hertaald:
zon en maan zijn zwart geworden,
Zoals Joël 2:10; zie daar. Alle tekenen, wil de profeet zeggen, die aan de dag van de HEERE zullen voorafgaan, zijn er.
Sion brullen,
Uit zijne kerk zijn heilig Evangelie door de ganse wereld laten horen, met verkondiging van zijn verschrikkelijke oordelen over alle ongehoorzamen, hetwelk niet zal geschieden zonder beroerte van de ganse wereld. Verg. de manier van spreken met Jes. 31:4-5 ; Hos. 11:10 , met de aantekening; idem Hag. 2:6-7 ; Hebr. 12:26 .
Hertaald:
Sion brullen,
Door vanuit Zijn kerk Zijn heilig Evangelie door de hele wereld te laten horen, met de verkondiging van Zijn verschrikkelijke oordelen over alle ongehoorzamen — wat niet zal gebeuren zonder beroering van de hele wereld. Vergelijk de manier van spreken met Jes. 31:4-5; Hos. 11:10 met de aantekening; en ook Hag. 2:6-7; Hebr. 12:26.
Toevlucht Zijns volks,
In al de voorzegde verschrikkelijke beroerten en oordelen Gods.
Hertaald:
Toevlucht Zijns volks,
In alle genoemde verschrikkelijke beroeringen en oordelen van God.
kinderen Israëls zijn
Dat is, zijner kerk.
Hertaald:
kinderen Israëls zijn
Dat is: van Zijn kerk.
gijlieden zult weten,
Dat is, mijne kerk [waarvan de gelovigen te dien tijde medeleden waren] zal bevinden, ervaren; verg. Joël 2:27 .
Hertaald:
gijlieden zult weten,
Dat is: Mijn kerk, waarvan de gelovigen in die tijd medeleden waren, zal het ondervinden en ervaren; vergelijk Joël 2:27.
Sion,
Gelijk Joël 2:32 , en in vs.21.
Hertaald:
Sion,
Zoals Joël 2:32 en vers 21.
heiligheid zijn,
Dat is, gans heilig, volkomenlijk alsdan geheiligd; zie onder vs.21; Openb. 21:2 , en ook gezuiverd van het lastig gezelschap aller onheilige bokken en huichelaars, die van Christus niet zijn en zijnen Geest niet hebben, gelijk volgt.
Hertaald:
heiligheid zijn,
Dat is: geheel heilig, dan volkomen geheiligd; zie vers 21; Openb. 21:2. En ook gezuiverd van het lastige gezelschap van alle onheilige bokken en huichelaars, die niet van Christus zijn en Zijn Geest niet hebben, zoals volgt.
en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan
Zie Zach. 14:21 ; Matt. 7:23 , en Matt. 13:30 , en Matt. 25:32 , Matt. 25:46 ; Openb. 21:27 ; voorts zal zij ook van gene vijanden meer geplaagd zijn.
Hertaald:
en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan
Zie Zach. 14:21; Matth. 7:23, Matth. 13:30 en Matth. 25:32, Matth. 25:46; Openb. 21:27. Verder zal zij ook door geen vijanden meer geplaagd worden.
bergen
Door deze en de volgende lieflijke en figuurlijke redenen wordt afgebeeld de zeer gelukzalige stand der kerk onder het koninkrijk van Christus, inzonderheid der triomferende kerk in het koninkrijk der heerlijkheid, wanneer God zijn genadewerk, in dit leven aangevangen, volkomenlijk zal voltrekken, en alles in allen zijn. Verg. Am. 9:13 .
Hertaald:
bergen
Met deze en de volgende liefelijke en beeldende woorden wordt de zeer gelukzalige staat van de kerk onder het koningschap van Christus afgebeeld, en in het bijzonder van de triomferende kerk in het koninkrijk van de heerlijkheid, wanneer God Zijn genadewerk dat in dit leven begonnen is volkomen zal voltooien en alles in allen zal zijn. Vergelijk Amos 9:13.
fontein uit het huis des HEEREN uitgaan,
Zie Jes. 49:10 ; Ezech. 47:1 , enz.; Zach. 14:8 , met de aantekening, idem Openb. 22:1 .
Hertaald:
fontein uit het huis des HEEREN uitgaan,
Zie Jes. 49:10; Ezech. 47:1, enzovoort; Zach. 14:8 met de aantekening, en ook Openb. 22:1.
Sittim bewateren
Gelegen aan de oostzijde van de Jordaan, in de vlakke velden der Moabieten, tegenover Jericho, nabij de Zoutzee, of Dode zee, [zie Gen. 14:3 ] , welker wateren dodelijk waren, en volgens dien de aanliggende omstreken droog en onvruchtbaar. Verg. Ezech. 47:1-3 , alwaar gezegd wordt dat de wateren uit des Heeren huis mede liepen oostwaarts; en zie van de plaats Sittim, [ Hebr. ] Schittim Num. 22:1 , verg. met Num. 25:1 , en Num. 33:49 ; Joz. 2:1 ; Mi. 6:5 . Anders: het dal der uitgelezen cederen; dat is, der kerk. Verg. Ps. 92:13-14 , en zie Ex. 25:5 ; Jes. 41:19 .
Hertaald:
Sittim bewateren
Dat lag aan de oostzijde van de Jordaan, in de vlakke velden van de Moabieten tegenover Jericho, dicht bij de Zoutzee of Dode Zee (zie Gen. 14:3), waarvan het water dodelijk was, zodat de omliggende streken dor en onvruchtbaar waren. Vergelijk Ezech. 47:1-3, waar gezegd wordt dat de wateren uit het huis van de HEERE ook oostwaarts liepen. Zie over de plaats Sittim, in het Hebreeuws Sjittim, Num. 22:1, vergeleken met Num. 25:1 en Num. 33:49; Joz. 2:1; Micha 6:5. Anders: het dal van de uitgelezen ceders, dat is: van de kerk. Vergelijk Ps. 92:13-14, en zie Ex. 25:5; Jes. 41:19.
Egypte
Zie vs.4.
Hertaald:
Egypte
Zie vers 4.
woeste wildernis,
Gelijk in Joël 2:3 .
Hertaald:
woeste wildernis,
Zoals Joël 2:3.
om het geweld,
Hebr. om den wrevel, of het geweld der kinderen van Juda; dat is, dien zij aan Juda bewezen hebben. Verg. de manier van spreken met Jer. 2:2 , en zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
om het geweld,
Hebreeuws: om de wrevel of het geweld van de kinderen van Juda; dat is: het geweld dat zij Juda aangedaan hebben. Vergelijk de manier van spreken met Jer. 2:2 en zie de aantekening daar.
blijven in eeuwigheid,
Of, bewoond worden. Zie Jer. 17:6 . Door Juda, Jeruzalem en Zion, versta Gods kerk. Verg. Joël 2:32 .
Hertaald:
blijven in eeuwigheid,
Of: bewoond worden. Zie Jer. 17:6. Onder Juda, Jeruzalem en Sion moet men Gods kerk verstaan. Vergelijk Joël 2:32.
van geslacht tot geslacht
Hebr. tot, of in geslacht en geslacht.
Hertaald:
van geslacht tot geslacht
Hebreeuws: tot, of in geslacht en geslacht.
bloed reinigen,
Dat is, Ik zal hen volkomenlijk heiligen, hen zuiverende van alle zondige onreinheid, dat Ik tevoren [in dit leven] niet volkomenlijk had gedaan. Verg. Ezech. 16:6 , Ezech. 16:9 ; Hos. 12:15 , met de aantekening, en zie vs.17. Sommigen duiden het op Gods genade aan de heidenen, die tevoren van Gods verbond vervreemd waren, Ef. 2:12 . Anders: Ik zal hun bloed onschuldig verklaren, [dat] Ik niet onschuldig verklaard had; dat is, Ik zal alsdan door mijn oordeel doen blijken dat zij onschuldig om het leven zijn gebracht, die om mijnentwil gedood zijn, waar Ik tevoren mijn toorn opgeschort en mij dan stilgehouden had. Verg. Openb. 6:10 , en zie vs.19.
Hertaald:
bloed reinigen,
Dat is: Ik zal hen volkomen heiligen door hen te reinigen van alle zondige onreinheid, wat Ik tevoren in dit leven niet volkomen gedaan had. Vergelijk Ezech. 16:6, Ezech. 16:9; Hos. 12:14 met de aantekening, en zie vers 17. Sommigen betrekken het op Gods genade aan de heidenen, die tevoren van Gods verbond vervreemd waren, Ef. 2:12. Anders: Ik zal hun bloed onschuldig verklaren, dat Ik niet onschuldig verklaard had; dat is: Ik zal dan door Mijn oordeel laten blijken dat zij onschuldig om het leven gebracht zijn, die om Mijnentwil gedood zijn, terwijl Ik tevoren Mijn toorn opgeschort en Mij stilgehouden had. Vergelijk Openb. 6:10, en zie vers 19.
wonen op Sion
Verg. Ezech. 48:35 ; Zach. 2:10-11 ; Openb. 21:3 , Openb. 21:22 , en Openb. 22:3 .
Hertaald:
wonen op Sion
Vergelijk Ezech. 48:35; Zach. 2:10-11; Openb. 21:3, Openb. 21:22 en Openb. 22:3. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israel" (Joël 3:2). Het wordt in Joël 3:12 herhaald: "De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom." Bijbelse betekenis: Merk op wat de naam Josafat betekent: de HEERE richt, of de HEERE oordeelt. Er wordt geen aardrijkskundige plaats bedoeld die met zekerheid is aan te wijzen; het register spreekt zich niet uit over de vraag of hier een letterlijk dal op het oog is of dat de naam zelf de zaak aanduidt. Wat vaststaat, is de reden van het oordeel: vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat de volken hebben verstrooid en verdeeld (Joël 3:2-3). Let vervolgens op wie hier oordeelt: "aldaar zal Ik zitten." Niet de volken, maar de HEERE Zelf neemt plaats om recht te spreken. Let ten slotte op het woord alle heidenen. Het oordeel in dit hoofdstuk gaat niet over de zonden van Israël, zoals de eerste twee hoofdstukken, maar over wat de volken Israël hebben aangedaan. Typologie: Wat hier over het oordeel over de volken staat, sluit aan bij het oordeel dat de Heere Jezus beschrijft. Wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, zullen al de volken vóór Hem vergaderd worden (Matt. 25:31-32, reeds behandeld). Joël 3:2-3,12; Matt. 25:31-32 "Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt henen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hunlieder boosheid is groot" (Joël 3:13). En dan de samenvatting: "Menigten, menigten in het dal des dorswagens; want de dag des HEEREN is nabij, in het dal des dorswagens" (Joël 3:14). Bijbelse betekenis: Merk op de twee beelden die hier samenkomen: de sikkel voor het koren, en de pers voor de druiven. Beide zijn beelden van een oogst die niet langer kan wachten — niet omdat het te vroeg is, maar omdat het rijp is. Let vervolgens op de reden die erbij staat: hunlieder boosheid is groot. De oogst is hier geen neutraal beeld van vruchtbaarheid maar van een kwaad dat zijn maat vol heeft gemaakt. Let ten slotte op de herhaling menigten, menigten. Het woord wordt niet één keer gebruikt maar tweemaal, en tekent daarmee de omvang van wat komt. Typologie: Johannes gebruikt beide beelden opnieuw voor het laatste oordeel: een engel roept dat de oogst der aarde rijp geworden is (Op. 14:15), en even later wordt de wijnpers van Gods grimmigheid getreden (Op. 14:19-20, reeds behandeld). Joël 3:13-14; Op. 14:15,19-20 "En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis des HEEREN uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren" (Joël 3:18). Bijbelse betekenis: Merk op waar deze fontein vandaan komt: niet uit een bron in het land, maar uit het huis des HEEREN zelf. Dat is dezelfde bron die uitvoeriger getekend wordt in het register bij Ezechiëls tempelvisioen (reeds behandeld bij Ezech. 47:1-12), waar het water al gaande dieper wordt en de dorste plaatsen bereikt. Let vervolgens op de plaats die hier genoemd wordt: het dal van Sittim. Dat is dor gebied, waar Israël zich vroeger juist aan Baal-Peor verbond (reeds behandeld bij Hos. 9:10); precies die plaats van vroegere ontrouw wordt hier bevloeid. Let ten slotte op de overvloed van dit vers: wijn van de bergen, melk van de heuvels, water in overvloed. Na twee hoofdstukken van verwoesting en oordeel eindigt het boek in een beeld van leven dat overal doordringt. Typologie: Dezelfde bron ziet Johannes in het laatste boek: "een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams" (Op. 22:1, reeds behandeld). En de Heere Jezus noemt Zichzelf de bron waaruit stromen van levend water zullen vloeien voor wie in Hem gelooft (Joh. 7:38, reeds behandeld). Joël 3:18; Ezech. 47:1-12; Hos. 9:10; Op. 22:1; Joh. 7:38 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Joël 3
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Joël 3
Joël 3:21.KruisverwijzingenEzechiël 36:25→Jesaja 4:4→Ezechiël 36:29→Ezechiël 48:35→Joël 3:17→Mattheüs 27:25→Openbaring 21:3→
— En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en de HEERE zal wonen op Sion.
“En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en de HEERE zal wonen op Sion.”
Aan de grondslag van heel het evangelie ligt een grote waarheid van God: dat het bloed van Jezus Christus, Zijn lieve Zoon, ons reinigt van alle zonde. Wanneer iemand gewassen wordt in dat heilige wasvat dat met het bloed van de verzoening gevuld is, dan wordt hij niet ten dele gereinigd; hij wordt geheél en al gereinigd.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Alleen in het geloof aan ‘s Heeren naam zal redding en zaligheid te vinden zijn (vs. 5); want ziet in diebedoelde dagen van de uitstorting Mijns Geestes over allen, en te dier tijd, als alle Mijne raadsbesluiten zullen volbracht worden, dat met de verschijning van den Leraar der gerechtigheid zal aanvangen, als Ik, om dien tijd nog nader aan te wijzen, de gevangenis, elke vernedering en slavernij van Juda en Jeruzalem door verlossing van alle zonde en ellende zal wenden, en Mijn uitverkoren volk tot een waarlijk heilig en bekeerd volk zal maken (Hosea 6:11);
Dan zal Ik dadelijk daarop alle Heidenen vergaderen, wien wel het deelgenootschap aan het rijk Gods werd aangeboden, maar in hun ongeloof volhardden, en Mijn volk gehaat en vervolgd hebben. Ik zal ze verzamelen tot het grote gericht, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat 1), d. i. het dal van Gods gericht. Dat zal volgens Zach. 14:3 v. in de nabijheid van Jeruzalem liggen, en heeft zijn naam ontleend eensdeels aan hetgeen de Heere eens als ten voorbeelde onder den koning Josafat aan enkele heidense volken heeft gedaan (2 Kron. 20:26 Openb. 16:16), en Ik zal met hen aldaar richten, dien bloedigen gerichtsdag houden, van wege al hun boosheid en al hun vervolgen van Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat zij, bijv. de Filistijnen en Arabieren, om het eerste en bijzonder sprekende voorbeeld als toonbeeld van alle latere vijandschap der Heidenen aan te halen, onder koning Joram (2 Kron. 21:16 v. Joël 1:1), na de verovering van Jeruzalem, onder de Heidenen hebben verstrooid, en Mijn land, dat Mij als plaats Mijner openbaring in bijzonderen zin toebehoort, gedeeld.
Zoals bij vs. 9 ook is aangetekend, is hier onder het dal Josafats niet te verstaan, het bekende dal, waarvan in 2 Kron. 20 sprake is, maar een dal vlak bij Jeruzalem. Op den berg Zions, binnen Jeruzalem zal er ontkomen en behoudenis zijn. Jeruzalem en Zion vormen hier met het dal Josafats de grote tegenstelling tussen het behoud van de gelovigen en het verderf van de ongelovigen.
En zij hebben het lot over Mijn volk, als over slaven zonder meester, geworpen, en een door ‘t lot hun ten deel gevallen knechtje gegeven om ene hoer aan de Syrische en Sidonische slavenhandelaars, en een Joods meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.
Merk op, dat alle straffen en het gericht van God over de bozen geschiedt om den wille der vromen, zo ook het laatste oordeel.
Het is een voorbeeld, dat de Profeet hier aanhaalt (vs. 7, 8 vv.) uit den tijd van Joram’s regering, die nog in levendige herinnering van zijne tijdgenoten was. Hij stelt dit als een voorbeeld van de talrijke verdrukkingen, die het volk Gods van alle tijden, van het Oude- en Nieuwe Testament, van de ongelovige wereld moet ondervinden, en die de Heere aan het einde op dien groten gerichtsdag te zamen zal bezoeken. Het “laatste gericht der volken” zal toch niet alleen gehouden worden over Feniciërs, Filistijnen en Arabieren, maar ook over de Romeinen en andere Heidense volken, die de Joden mishandeld hebben, en over alle vijanden van het volk Gods, waartoe ook de Mohammedanen en de vleselijk gezinde Joden en de heidens gezinde naamchristenen behoren”. Daar de Feniciërs mede hadden geholpen aan de slechtheid onder Joram, wendt zich de Profeet nu tegen hen hun een lot aankondigende, overeenkomstig hetgeen zij Juda hadden aangedaan.
En ook, wat hebt gij met Mij te doen, gij Tyrus en Sidon, de beide grootste steden der Feniciërs (vgl. Joz. 11:8 Jes. 23:1), en alle grenzen, alle vijf de landstreken of vorstendommen van Filistea Palestina (Joz. 13:2)! Zoudt gij Mij ene vergelding wedergevenvoor iets kwaads, dat gij van Mij en van Mijn volk geleden hebt? Waarlijk gij hebt gene reden om mijn volk iets kwaads te doen; maar zo gij Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastelijk zal Ik uwe vergelding op uw hoofd wederbrengen, in een ogenblik zal Ik uwe schandelijke misdaad op uzelven doen nederkomen.
Omdat gij, Filistijnen in verband met de Arabieren (2 Kron. 21:17), Jeruzalem overvallen, veroverd en geplunderd hebt, Mijn zilver en Mijn goud uit Mijnen heiligen tempel hebt weggenomen, en hebt Mijne beste kleinodiën in uwe paleizen en tempels(2 Kon. 10:23) gebracht.
De tempel werd van zijne sieraden meermalen door de koningen van Juda beroofd, soms uit noodzakelijkheid, soms uit goddeloosheid (2 Kon. 12:8; 19:16. 2 Kron. 28:24 Ch). Ook werd hij meer dan eens door de Chaldeën geplunderd, eerst in de regering van Jojakim (2 Kron. 36:7), vervolgens onder de korte regering van Jojachin (2 Kon. 24:13) voor de laatste verdelging (2 Kon. 25:17, 18). Enig gedeelte van zijne sieraden is misschien aan de kooplieden van Tyrus en Zidon verkocht geweest. De ontheiliging van den tempel te Jeruzalem en het plunderen van zijne kostelijkheden is door God in de Heidenen en ongelovigen op ene opmerkelijke wijze gestraft geworden (zie Jer. 50:28; 51:11). Alzo in Belsazar (Dan. 5:1) en in Antiochus Epifanes (1 Makk. 6:12) en naderhand in Pompejus en Crassus.
En gij, Feniciërs! hebt aan die rovers de behulpzame hand geboden daardoor, dat gij de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem die zij gevangen genomen hadden, van hen gekocht en weer als slaven verkocht hebt aan de kinderen der Grieken, aan de in Klein-Azië wonende Grieken of Joniërs, opdat en daarin ligt de grootheid uwer boosheid- gij hen verre van hun landpale mocht brengen, en hun de mogelijkheid om naar hun vaderland terug te keren geheel zoudt afsnijden.
Ziet, Ik zal ze opwekken, en ondanks uwe boosheid naar hun land terugvoeren uit de plaats, waarhenen gij ze hebt verkocht, en Ik zal uwe vergelding wederbrengen op uw hoofd.
En Ik zal doen naar Mijne eeuwige wereldorde: “Oog om oog, tand om tand” en uwe zonen en uwe dochteren als slaven verkopen in de hand der kinderen van Juda, in wier handen Ik u zal geven, die deze uwe gevangene kinderen weer verkopen zullen aan die van Scheba, aan de Sabeërs, dat beroemde handeldrijvende volk in Gelukkig Arabië (Gen. 10:17. 1 Kon. 10:1 aan een vergelegen volk. Zulk ene bedreiging zal zeker aan u, Filistijnen en Feniciërs, worden vervuld, want de HEERE heeft het gesproken.
Die bedreiging werd reeds gedeeltelijk vervuld bij de overwinning der Filistijnen door Uzzia (2 Kron. 26:6 v.) en Hizkia (2 Kon. 18:8), toen zeker Filistijnse krijgsgevangenen als slaven werden verkocht; maar hoofdzakelijk eerst na de ballingschap, toen Alexander de Grote en zijne opvolgers aan vele Joodse krijgsgevangenen in hun gebied de vrijheid schonken (Josefus Antiq XIII, 2, 3), en gedeelten van het Filistijnse en Fenicische gebied nu en dan onder Joodse heerschappij stonden, toen Jonathan Askelon en Gaza belegerde (1 Makk. 17:86; 11:67), toen de koning Alexander (Bales) Ekron en zijn gebied aan Juda afstond (1 Makk. 10:89), de Joodse koning Alexander Janneus Gaza veroverde en verwoestte (Jos. Ant. XIII 3 bell. Jud. I, 4, 2), en toen, na den overgang van het door Alexander den Grote veroverde Tyrus aan de Seleuciden, Antiochus de Jongere, Jonathans broeder Simon tot veldheer van de Tyrische grenzen tot aan die van Egypte aanstelde. (1 Makk. 11:58).
Na dit tussenbeide gevoegde voorbeeld van haat der Heidenen tegen het Godsrijk keert de Profeet weer terug tot voorstelling van het boven (vs. 6 en 7) aangekondigde, laatste grote gericht over alle Heidenen (vgl. Zach. 14:2 vv.).
Roept, gij herauten der volken 1)! dit, wat Ik nu opdraag, uit onder de Heidenen; heiligt enen krijg 2), rust u ten oorlog toe door offers en allerlei godsdienstige plechtigheden (1 Sam. 7:8 v.); wekt de helden uit de rust des vredes op tot den strijd; laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden tegen Mijne heilige stad Jeruzalem, dat zij de laatste proef ondernemen tegen Mijne uitverkorene gemeente.
Hier nu hebben we een uitdaging aan alle de vijanden van Gods koninkrijk, om hun ergste te doen, om hun te kennen te geven, dat God zich tegen hen ten oorlog toerust, zo worden zij opgeroepen om zich tegen den oorlog gereed te maken. Wanneer het uur van Gods oordelen gekomen is, zullen er krachtdadige middelen in het werk gesteld worden, om alle volken te vergaderen tot den strijd, van dien groten dag van den almachtigen God.
De Heere roept de Heidense volken, of wat in dezen laatsten tijd hetzelfde is, de antichristelijke machten der wereld tot den laatsten strijd tegen Gods volk; dit is hetzelfde als ene vergadering tot het laatste oordeel. De Heere richt de oproeping met dien strijd niet tot de krijgsbevelhebbers van die volken, maar tot de herauten, die Zijnen wil en Zijn bevel horen, en dat verder tot de volken kunnen brengen.
Men kan deze oproeping tweezins opvatten, of, als tot het heirleger van God gericht, om zich gereed te maken tot den strijd tegen Gods en Israëls vijanden, die in het dal van Josafat zou gevoerd worden; of, als deze vijanden betreffende, en hen opwekkende om al hun krachten zamen te rapen, ‘t geen nochthans hun nederlaag niet zou voorkomen, maar alleen die verzwaren zou. Deze laatste opvatting is de natuurlijkste, en ook meest overeenkomstig het gebeurde ten tijde van Josafat, toen de Israëlieten zelf niet te strijden hadden, maar alleen kwamen om getuigen te wezen van de slachting, die de zaamverbonden vijanden onder zich hadden aangericht. De naam “het dal Josafat” toch is buiten twijfel ene zinnebeeldige benaming, en vruchteloos zoekt men een eigenlijk dal van Josafat in de nabijheid van Jeruzalem of elders binnen Palestina. Josafat is een beduidende naam en betekent “de Heere houdt gericht”: het is dus tot het dal, door God bestemd, om daarin door ene geduchte nederlaag gericht over Israëls vijanden te houden. Intussen is het niet minder zeker, dat hierbij gezinspeeld wordt op de geschiedenis 2 Kron. 20 verhaald, waar men leest van ene merkwaardige nederlaag, waarbij vele tegen Juda zaamverbonden vijanden, onder Josafats regering, door Goddelijke tussenkomst geheel verslagen en vernield werden. Hierdoor wordt de toekomstige nederlaag van Israëls vijanden in vergelijking gebracht met die ook zaamverbonden volken zou treffen, die ook door Goddelijke tussenkomst zou plaats hebben, en ook eindigen zou in ene volkomene vernieling. Deze zelfde verklaring vindt men ook in de kanttekening der gewone overzetting.
Maakt alle vreedzame werktuigen van den landbouw tot krijgswapenen; want nu komt het er op aan al uwe krachten in te spannen tot enen strijd op leven of dood. Slaat uwe spaden tot zwaarden, en uwe sikkelen tot spiesen (vgl. Jes. 2:4 Micha 4:3); de zwakke onder het volk blijve niet achter, maar vermanne zich en zegge: Ik ben een held. Dan zullen alle Heidenen van gelijke geestdrift tot vernietiging van het gehate volk van God, van Zijne heilige kerk uit de bekeerde Joden en de Heidenen worden aangegrepen.
Wacht elkaar op; rot te hoop, en komt aan, alle gij volken van rondom, van alle hoeken der aarde, en vergadert u. (Ik, Uw Profeet, o HEERE! smeek U voor Uwe heilige gemeente, terwijl zij door de antichristelijke wereldmacht wordt benauwd; doe Uwe helden, de sterke Engelen (Ps. 103:20; 78:25. Openb. 19:11, 14), derwaarts nederdalen 1) tot het oordeel der vernietiging, daar, waar de Heidenen tot den laatsten strijd samenstromen).
Dit is ene belofte, dat Hij werktuigen verzorgen zal, die met Zijn macht gewapend zullen zijn, en die Hij te dien tijd zal doen komen in het dal Josafats, schoon Hij eerst Zijn Kerk in engten wilde brengen, om Hem te verzoeken, dat Hij het voor haar doe. Het is waarschijnlijk dat er wat buitengewoons zal zijn in het verderf van Israëls vijanden gelijk dit zijn gewone weg is, wanneer Zijn Kerk in enig uitwendig gevaar gebracht is.
Alzo antwoordt de Heere op dit gebed van Zijnen Profeet: De Heidenen zullen zich opmaken en optrekken tot den laatsten strijd tegen Mijne heilige stad en Mijn volk, naar het dal van Josafat (vs 7), maar het zal niet eens tot een strijd met Mijne gelovigen komen, want aldaar zal Ik zelf, de Heilige, de Rechtvaardige, en Almachtige, zitten, om te richten alle Heidenen der ganse aarde van rondom; want zij allen hebben Mijnen zegen, die hun in de prediking van het Evangelie aangeboden is, verworpen, Mijne gelovigen vervolgd en gehaat (Mark. 13:10. Matth. 24:14). Nu is de maat vol; doch de Vader oordeelt niemand, Hij heeft al het oordeel den Zoon overgegeven, omdat Hij des mensen Zoon is (Joh. 5:22, 27. Ps. 96:13; 110:6).
Welaan nu, gij Mijne helden! die Mijne wraak zult volvoeren: Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden, de kinderen der boosheid zijn tot rijpheid gekomen. Verzamelt nu Mijne tarwe in de eeuwige schuren, en verbrandt het kaf, met onuitblusselijk vuur (Jes. 17:5 Openb. 14:15 vv. Mark. 4:29. Matth. 13:30): komt aan, daalt henen af, begint met het treden, want de pers is vol rijpe druiven, en de perskuipen lopen over. Groot is de menigte dergenen, die rijp zijn voor het oordeel. Begint dan met de volvoering van Mijn vonnis; vertreedt ze in den persbak van Mijnen eeuwigen toorn (Openb. 19:15); want hunlieder boosheid is groot, de maat hunner zonden is vol geworden.
Even als bij het wannen, dat tot het oogsten behoort, de korrels worden afgezonderd van het kaf, het koren in de schuren wordt verzameld, maar het kaf door den wind wordt verwaaid, en het stro verbrand wordt, zo worden door het oordeel de goeden van de bozen gescheiden, de eersten in het rijk Gods voor het eeuwige leven verzameld, deze daarentegen overgegeven in den eeuwigen dood. Het oogstveld is de aarde (Openb 14:16), d. i. de bevolking der aarde, de mensheid. Het rijpzijn begon ten tijde der verschijning van Christus, op aarde (Joh. 4:35 Matth. 9:38). Met de verkondiging van het Evangelie onder alle volken nam het gericht der scheiding en beslissing (Joh. 3:18-21; 9:39) zijn begin en gaat voort met de uitbreiding van het rijk van Christus op aarde over de volken, totdat het bij de wederkomst van Christus in heerlijkheid aan het einde dezer wereld in het laatste oordeel zijn einde zal vinden.
Wanneer de ziel rijp is geworden, dan zal de uitvoering van de straf niet langer uitgesteld worden, maar de grootheid van de zonden zal zichtbaar vertoond worden in de grootheid van de oordelen en straffen. Hiermee wordt vanwege de rijpheid en grootheid der boosheid dit bevel gegeven.
Menigten, menigten, ontelbare scharen van heidenen zie ik verzameld in het dal des dorswagens, in het dal Josafats, de plaats, waar de Heere het laatste oordeel zal houden (vs. 7, 17)want de dag des HEEREN is nabij in het dal des dorswagens, des oordeels.
De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haren glans ingetrokken (Hoofdst. 2:10; 3:4. Matth. 24:29. Luk. 21:25 vv. Openb. 6:12. Ezech. 32:7).
Het plaats hebben van het gericht zien wij hier niet; de Profeet spaart ons oog; wij horen alleen aan het einde het woord van den hoogsten Rechter, dat Zijn volk nu tot kennis van zijnen God zal komen.
Daar de Profeet hier verhaalt, wat hij in den geest als aanwezig gezien heeft, staat hier de tegenwoordige tijd in plaats van de verledene.
Wat ook het vermaak en de genietingen van Gods vijanden mogen zijn, wanneer Hij nochthans met hen komt richten, dan zullen alle hun vertroostingen en toevluchten van hemel of aarde hen begeven, en alle dingen hen toornig aanzien. Dat wordt te kennen gegeven in dat de zon en maan zwart worden en de sterren hun glans intrekken. Deze schepselen zullen hun lust en troost weigeren; dat zal alle dagen op aarde donker maken en die vreeslijke gerichten zullen hen verschrikken.
En de HEERE zal even als een leeuw, die op zijn buit losgaat uit Zion, de plaats, waar Zijne heerlijkheid onder Zijne gelovige gemeente woont, brullen, en uit Jeruzalem Zijne donderende stem geven ten teken van den aanvang des gerichts, zodat hemel en aards, over welke nu ook het vonnis der vernietiging zal worden uitgesproken beven zullen (Job 9:6); maar de HEERE zal de toevlucht Zijns volks tegen alle verdere vijandschap der wereld en tegen alle verschrikkingen van het vreeslijk gericht zijn, en Hij zal de sterkte der ware kinderen Israëls zijn, die hun klederen hebben gewassen in het bloed des Lams. Zij worden verzameld in het hemelse Jeruzalem bij hunnen Heere.
En gijlieden, Mijne gelovige kinderen, zult dan door zulk ene verlossing uit allen nood levendig weten, dat Ik, de HEERE, uw God ben, wonende in zichtbare heerlijkheid, op Zion, den berg Mijner heiligheid, in het midden van Mijne waarlijk heilige gemeente uit Joden en Heidenen (Ezech. 34:30); en Jeruzalem, de alsdan geheiligde en verheerlijkte stad van Mijn Woord en Sacrament, zal, daar Ik met Mijne verhoogde gemeente daar eeuwig zal vertoeven, ene heiligheid zijn, en vreemden, ongelovige Joden of Heidenen, dieven, hoereerders of leugenaars (Jes. 35:8. Openb. 22:15)zullen niet meer door haar doorgaan, maar alleen rechtvaardigen zullen er in wandelen, wier namen zijn geschreven in het boek des levens (Jes. 60:21. Zach. 14:21. Openb. 20:15; 21:27).
Er wordt een sterk bewogen, waarlijk dramatisch leven gevonden in de voorstelling van den Profeet. Nu eens laat hij Jehova spreken, dan weer vernemen wij zijne eigene stem.
Evenmin als het aardse dal Josafats, het noordelijk gedeelte van het dal Kedron (?), als de plaats kan gedacht worden, waar allen, die het rijk van God, de kerk van den Heere Jezus Christus, haten en vervolgen, zullen verzameld worden ten gerichte en ter verderving, evenmin in de nauwe ruimte van het aardse Jeruzalem hier als de ruimte gedacht, waar de Heere wonen zal bij Zijne verloste en verheerlijkte gemeente. Jeruzalem is de plaats, waar die heerlijkheid Gods in het midden van Zijn volk aanwezig is. Het aardse Jeruzalem in het Oude Testament is voorbeeld. Gedeeltelijk is de Christelijke kerk waarin de Heere wel onzichtbaar, maar wezenlijk en werkelijk in Woord en Sacrament onder Zijne gemeente woont. In volle waarheid is dit het nieuwe Jeruzalem, dat met den Heere Christus van den hemel komt, in Openb. 21 en 22 beschreven is, en ook hier door Joël is voorzien, Of dit nieuwe Jeruzalem op de nog onvernieuwde aarde zal wederkomen tot ene plaats der verberging der geheiligde en verheerlijkte Christenen, zodat de Heere met Zijne gemeente van daar duizend jaren over de wereld zal heersen (Openb. 20), en dit dan alleen van de onvernieuwde aarde op de vernieuwde zal overgaan, of dat, gelijk anderen menen, dit nieuwe Jeruzalem eerst zal worden opgericht, nadat het oordeel geëindigd is, kan hier nog niet worden beslist; dit zal ook eerst wel ten volle beslist worden, wanneer de gebeurtenissen zelf dit doen. Gewichtiger dan deze vraag is het, dat wij dagelijkse hoe langer hoe meer naar dat Jeruzalem leren verlangen.
En het zal te dien dage, nadat het oordeel over het rijk der wereld geëindigd is, geschieden in het heerlijk land van Mijn uitverkoren volk, d. i. op de nieuwe aarde, dat de bergen, nu zo onvruchtbaar, van {a} zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen die nu kaal zijn, zullen tot vette weiden worden en van melk vlieten 1), en alle stromen van Juda, het land, waar Mijne verloste gemeente zal wonen, zullen niet meer, als vroeger toen zij in den zomer dikwijls verdroogden, een beeld van den vloek op aarde, en een middel tot zware bestraffingen zijn, gelijk gij dat ook zelf hebt ondervonden (Hoofdst. 1:20), maar zij zullen in eeuwigheid vol van water gaan, zodat de vloek geheel van de aarde is weggenomen, en de heerlijkheid van het Paradijs zal zijn teruggekeerd, en er zal ene fontein van geestelijk water des levens (Joh. 4:10; 14:7, 28) uit het huis des HEEREN, den troon van God en het Lam in het nieuwe door God op de aarde nedergelaten Jeruzalem uitgaan, water, zuiver als kristal (Openb. 22:1), en deze fontein zal overal Goddelijk leven verspreiden, zelfs over de eertijds onvruchtbaarste plaatsen, zij zal het dal van Sittim bewateren, het Acaciëndal, dat gedeelte van de Jordaanvlakte, dat boven aan de Dode zee gelegen is, waar het volk van Israël voor het uittrekken in het land voor de laatste maal zich legerde (Num. 25:1. Joz. 3:11) en zo genoemd naar de Acaciën, die ook in den droogsten grond groeien. Aan beide zijden van dezen Goddelijken stroom zal de boom des levens wassen, die twaalf malen in elk jaar, iedere maand, zijne vruchten draagt. en wiens bladeren dienen tot genezing der Heidenen (Openb. 22:1 vv. 7:17. Zach. 14:8. Ezech. 47:7-12).
Amos 9:13.
Even als de wijn het hart der mensen laaft en versterkt, en goede zoete most van wege zijne liefelijkheid aangenaam is om te drinken, zo onderhoudt en versterkt Gods woord het geloof, en geeft in kruis en lijden krachtigen troost. De wet doet echter het tegendeel; want zij klaagt en bedreigt met den dood, maakt kleinmoedig en bevreesd. De vrees nu, welke de wet veroorzaakt, is niet alleen tegen het geloof, maar verdrijft het geloof geheel en al. Dien schrik neemt het Evangelie weg, daardoor, dat het wijst op den Middelaar en Voorbidder, den Zoon Gods, en het hart met vast vertrouwen op Gods barmhartigheid vervult. Het vertroost vervolgens het hart in kruis en bestrijdingen, maakt onverschrokken en grootmoedig, verheugd en stout in droefheid en gevaar, zo als der Apostelen voorbeeld aanwijst. Wat hier gezegd wordt van beken vol water, doelt daarop, dat het Evangelie gelukkig zal voortgaan en vele vruchten aanbrengen. Want even als dorre of droge plaatsen en steden onvruchtbaar zijn, zo groeit en bloeit alles, waar water is. Alzo zegt hij, dat, waar het Evangelie wordt gehoord, ook vele schone vruchten zullen volgen; want de Heilige Geest is daarbij en daarnevens, deze tooit en versiert de Zijnen niet met enerlei, maar met velerlei gaven. Even als het bij een levende bron en een levend water aangenaam is en schoon voor het gezicht, daar de bloemen, bomen en zaadvelden de grote hitte der zon niet gevoelen, zo ook waar de vrolijke stem van het Evangelie klinkt, daar worden vele en velerlei vruchten en goede werken voortgebracht.
God zal zo goedertieren en milddadig zijn omtrent het bekeerde Israël, dat zij geen overvloed noch verscheidenheid van tijdelijke weldaden ontbreken zullen, hetwelk getoond wordt in dat hun bergen druipen zullen van zoeten wijn en hun heuvelen met groene weiden voor de kudden, om een overvloed van melk voort te brengen: ook zullen zij een overvloed van water hebben, hetwelk menigmaal heel schaars was in die landen. Hier wordt nu bijgevoegd, dat deze overvloed vergezelschapt zou zijn met geestelijke goederen en verkwikkingen, door het Evangelium, welke voort zouden vloeien niet alleen tot hun verlustiging en vertroosting, maar ook ten goede van de volken rondom en zelfs tot degenen, wier toestand allerhopeloost scheen te zijn.
Christus is deze fontein. Zijn lijden, Zijne verdiensten en genade zuiveren, verfrissen en maken vruchtbaar. Zij wordt gezegd het dal van Sittim te bewateren, ene droge en ver afgelegene vallei. De genade des Evangelies vloeiende van Christus, zal gaan tot de heidenwereld, tot de meest verwijderde streken, en ze overvloedig maken in vruchten der gerechtigheid. De genade is ene fontein, overvloeiende, altijd vloeiende, waaruit wij bij voortduring mogen scheppen, zonder voor verdroging te vrezen. Het water komt van den Heeren huis. Zij, die deelgenoten willen zijn van de beloofde genade en zegeningen, moeten vlijtig de ingestelde ordeningen waarnemen, en van het huis des Heeren daarboven, van Zijn hemelsen tempel, komt al het goed, dat wij dagelijks ondervinden en dat wij eeuwig hopen te genieten. .
Egypte, het toonbeeld van alle machten der wereld, die het Godsrijk haten, zal, met alle vijanden Gods (vs. 13), tot verwoesting worden, en Edom, het toonbeeld van alle afgevallene valse broeders (Obadja 1:1 Jes. 34:13. Jer. 49:7 vv. Ezech. 32) zal worden tot ene woeste wildernis, om het geweld, dat zij beiden hebben gedaan aan de kinderen van Juda, de uitverkorenen Gods van alle tijden, en daardoor aan God zelven, in welker land zij door de meest verschillende tijden heen onschuldig bloed vergoten hebben, de Egyptenaren bijv. bij den kindermoord (Ex. 1:16), de Edomieten bijv. bij het afvallen van Juda onder Joram (2 Kon. 8:21), en meermalen (Amos 1:11. Obadja 1:10. Matth. 2:19).
Wanneer de Profeet hier nogmaals het eeuwig verderf noemt, dat Egypte en Edom, hier alleen genoemd als voorbeelden van alle vijanden van het Godsrijk, treffen zal, wil de Profeet niet nog iets nieuws toevoegen aan het boven vermelde laatste oordeel over alle heidenen. Hij wil tegenover de heerlijkheid van het volkomen Godsrijk nog eens het eeuwig verderf stellen van allen, die zich van den beginne af vijandig tegenover het Godsrijk plaatsen, en aantonen, hoe alle misdaad, die te enigen tijd tegen de kinderen Gods bedreven is, aan het einde zal worden gewroken.
Egypte en Edom zijn voor den Profeet Joël de antigoddelijke wereldmachten, die het op het verderf van de Kerk hebben toegelegd. Egypte en Edom waren immer de grote verdrukkers van Israël geweest. Uit Egypte waren zij verlost en van de Amelekieten, uit Edom afkomstig, waren zij verlost, maar immer bleven deze de vertegenwoordigers dergenen, die het op Gods volk hadden gemunt. Daarom voorspelt de Profeet hier de verlossing van die vijanden, op zodanige wijze, dat deze gans en al verdelgd zullen worden. Daarmee zal ook de bloedschuld, die op aarde rustte, uitgewist worden.
Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht.
En Ik zal voor de ware kinderen Gods uit Israël en de Heidenen hunlieder door de vijanden in zovele vervolgingen vergoten bloed(Openb. 16:6) reinigen, dat Ik niet in den vroegeren tijd gereinigd had, wat nog ongewroken was zal Ik in dien dag des oordeels niet ongewroken laten (Openb. 16:10); en de HEERE de Almachtige, eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, zalals Koning der heerlijkheid zichtbaar en eeuwig wonen onder Zijn verlost en verheerlijkt volk uit Joden en Heidenen (Openb. 7:4, 9)op Zion, in het nieuwe Jeruzalem en op de nieuwe aarde. Dan zal men zeggen: Ziet de tabernakel Gods is bij de mensen (Openb. 21).
Met zulke wonderbaar heerlijke beloften sluit onze Profeet zijne profetie. Eerst heeft hij leed verkondigd en zwaren jammer, daarna vreugde en heerlijkheid, ene heerlijkheid, waarop zelfs wij nog hopend wachten, dat de Heere zichtbaar zal wonen op Zion. En wat deze beide delen verbindt, is de bekering van het volk. Deze bekering heeft alle leed in vreugde en allen jammer in heerlijkheid veranderd.
Tegenover de ellende, die aan de vijanden van God zal overkomen, stelt de Heere hier de zekerheid en veiligheid van zijn volk. De Heere zal zich keren tegen Zijne vijanden, maar te Zion, op den berg Zijner heiligheid zal Hij wonen, om immer voor Zijn volk een sterke toevlucht te wezen, om altijd Zijn volk met Zijne zegeningen genadig te zijn.
SLOTWOORD OP HET BOEK JOEL.
De Profeet Joël, een der oudsten van Israëls profeten, bevestigt inzonderheid dat een Profeet over alle tijden heenziet.
Wel is zijn Boek klein van inhoud, maar de meest grootse gedachten over de toekomst en de voltooiing van het Godsrijk worden er in gevonden.
Door Gods Geest gedreven spreekt hij ja, in verband met de plaag, welke God Zijn volk had toegezonden, over de wegneming van tijdelijke oordelen, maar bovenal ziet hij tot in de verste toekomst, tot aan het einde der eeuwen.
Hij spreekt daarom van de volle uitstorting des H. Geestes, van de vernietiging van alle vijanden van Christus kerk en van een vastheid en zekerheid voor allen, die door Gods genade zijn verlost en toegevoegd tot de Kerk, die zalig wordt.
Het is daarom zeer waar opgemerkt, dat later Jesaja, Zacharia, Ezechiël en de Openbaring van Johannes zijne Godsgedachten steeds duidelijker uitdrukken en uitwerken.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel