Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Het woordH1697 des HEERENH3068, datH834 geschiedH1961 is totH413 JoelH3100, den zoonH1121 van PethuelH6602:
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Joel, den zoon van Pethuel:
KJV
The word1
of the LORD2
that came to Joel6
the son7
of Pethuel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
HoortH8085 ditH2063, gij oudstenH2205! en neemtH238 ter oren, alleH3605 inwonersH3427 des landsH776! Is ditH2063 geschiedH1961 in uw dagenH3117, ofH518 ook in de dagenH3117 uwer vaderenH1?
Hoort dit, gij oudsten! en neemt ter oren, alle inwoners des lands! Is dit geschied in uw dagen, of ook in de dagen uwer vaderen?
KJV
Hear1
this, ye old men,3
and give ear,4
all ye inhabitants6
of the land.7
Hath this been in your days,10
or even11
in the days12
of your fathers?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
VerteltH5608 uw kinderenH1121 daarvan, en laat het uw kinderenH1121 hun kinderenH1121 vertellen, en derzelver kinderenH1121 aanH5921 een anderH312 geslachtH1755.
Vertelt uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en derzelver kinderen aan een ander geslacht.
KJV
Tell3
ye your children2
of it, and let your children4
tell their children,5
and their children6
another8
generation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Wat de rupsH1501 heeft overgelatenH3499, heeft de sprinkhaanH697 afgegetenH398, en wat de sprinkhaanH697 heeft overgelatenH3499, heeft de keverH3218 afgegetenH398, en wat de keverH3218 heeft overgelatenH3499, heeft de kruidwormH2625 afgegetenH398.
Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.
KJV
That which the palmerworm2
hath left1
hath the locust4
eaten;3
and that which the locust6
hath left5
hath the cankerworm8
eaten;7
and that which the cankerworm10
hath left9
hath the caterpiller12
eaten.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WaaktH6974 opH5921, gij dronkenenH7910! en weentH1058, en huiltH3213, alleH3605 gij wijnzuipersH8354! om den nieuwen wijnH6071, dewijlH3588 hij van uw mondH6310 is afgesnedenH3772.
Waakt op, gij dronkenen! en weent, en huilt, alle gij wijnzuipers! om den nieuwen wijn, dewijl hij van uw mond is afgesneden.
KJV
Awake,1
ye drunkards,2
and weep;3
and howl,4
all ye drinkers6
of wine,7
because of the new wine;9
for it is cut off11
from your mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
WantH3588 een volkH1471 is opgekomenH5927 overH5921 mijn landH776, machtigH6099 en zonderH369 getalH4557; zijn tandenH8127 zijn leeuwentandenH8127, en het heeft baktandenH4973 eens ouden leeuwsH3833.
Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws.
KJV
For a nation2
is come up3
upon my land,5
strong,6
and without number,8
whose teeth9
are the teeth10
of a lion,11
and he hath the cheek teeth12
of a great lion.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Het heeft mijn wijnstokH1612 gesteldH7760 tot een verwoestingH8047, en mijn vijgeboomH8384 tot schuimH7111; het heeft hem ganselijkH2834 ontblootH2834 en nedergeworpenH7993, zijn rankenH8299 zijn witH3835 geworden.
Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden.
KJV
He hath laid1
my vine2
waste,3
and barked5
my fig tree:4
he hath made it clean6
bare,7
and cast it away;8
the branches10
thereof are made white.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
KermtH421, als een jonkvrouwH1330, die met een zakH8242 omgordH2296 is vanwegeH5921 den manH1167 van haar jeugdH5271.
Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege den man van haar jeugd.
KJV
Lament1
like a virgin2
girded3
with sackcloth4
for the husband6
of her youth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
SpijsofferH4503 en drankofferH5262 is van het huisH1004 des HEERENH3068 afgesnedenH3772; de priestersH3548, des HEERENH3068 dienaarsH8334, treurenH56.
Spijsoffer en drankoffer is van het huis des HEEREN afgesneden; de priesters, des HEEREN dienaars, treuren.
KJV
The meat offering2
and the drink offering3
is cut off1
from the house4
of the LORD;5
the priests,7
the LORD'S9
ministers,8
mourn.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Het veldH7704 is verwoestH7703, het landH127 treurtH56; wantH3588 het korenH1715 is verwoestH7703, de mostH8492 is verdroogdH3001, de olieH3323 is flauwH535.
Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw.
KJV
The field2
is wasted,1
the land4
mourneth;3
for the corn7
is wasted:6
the new wine9
is dried up,8
the oil11
languisheth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
De akkerliedenH406 zijn beschaamdH3001, de wijngaardeniersH3755 huilenH3213, om de tarweH2406 en om de gerstH8184, wantH3588 de oogstH7105 des veldsH7704 is vergaanH6.
De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst des velds is vergaan.
KJV
Be ye ashamed,
O ye husbandmen;2
howl,3
O ye vinedressers,4
for the wheat6
and for the barley;8
because the harvest11
of the field12
is perished.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
De wijnstokH1612 is verdordH3001, de vijgeboomH8384 is flauwH535; de granaatappelboomH7416, ookH1571 de palmboomH8558 en appelboomH8598; alleH3605 bomenH6086 des veldsH7704 zijn verdordH3001; ja de vrolijkheidH8342 is verdordH3001 vanH4480 de mensenkinderenH1121.
De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen des velds zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen.
KJV
The vine1
is dried up,2
and the fig tree3
languisheth;4
the pomegranate5
tree, the palm tree7
also, and the apple tree,8
even all the trees10
of the field,11
are withered:12
because joy15
is withered away14
from the sons17
of men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
OmgordtH2296 u, en rouwklaagtH5594, gij priestersH3548! huiltH3213, gij dienaarsH8334 des altaarsH4196! gaat in, vernachtH3885 in zakkenH8242, gij dienaarsH8334 mijns GodsH430! wantH3588 spijsofferH4503 en drankofferH5262 is geweerdH4513 van het huisH1004 uws GodsH430.
Omgordt u, en rouwklaagt, gij priesters! huilt, gij dienaars des altaars! gaat in, vernacht in zakken, gij dienaars mijns Gods! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods.
KJV
Gird1
yourselves, and lament,2
ye priests:3
howl,4
ye ministers5
of the altar:6
come,7
lie all night8
in sackcloth,9
ye ministers10
of my God:11
for the meat offering16
and the drink offering17
is withholden13
from the house14
of your God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
HeiligtH6942 een vastenH6685, roept een verbodsdagH6116 uit, verzameltH622 de oudstenH2205, en alleH3605 inwonersH3427 dezes landsH776, ten huizeH1004 des HEERENH3068, uws GodsH430, en roept totH413 den HEEREH3068.
Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners dezes lands, ten huize des HEEREN, uws Gods, en roept tot den HEERE.
Ook in dit vers
roeptH2199
roeptH7121
KJV
Sanctify1
ye a fast,2
call3
a solemn assembly,4
gather5
the elders6
and all the inhabitants8
of the land9
into the house10
of the LORD11
your God,12
and cry13
unto the LORD,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
AchH162, die dagH3117! want de dagH3117 des HEERENH3068 is nabijH7138, en zal als een verwoestingH7701 komenH935 van den AlmachtigeH7706.
Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en zal als een verwoesting komen van den Almachtige.
KJV
Alas1
for the day!2
for the day5
of the LORD6
is at hand,4
and as a destruction7
from the Almighty8
shall it come.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Is nietH3808 de spijzeH400 voor onze ogenH5869 afgesnedenH3772? BlijdschapH8057 en verheugingH1524 van het huisH1004 onzes GodsH430?
Is niet de spijze voor onze ogen afgesneden? Blijdschap en verheuging van het huis onzes Gods?
KJV
Is not the meat4
cut off5
before our eyes,3
yea, joy8
and gladness9
from the house6
of our God?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
De granenH6507 zijn onderH8478 hun kluitenH4053 verrotH5685, de schathuizenH214 zijn verwoestH8074, de schurenH4460 zijn afgebrokenH2040, wantH3588 het korenH1715 is verdordH3001.
De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.
KJV
The seed2
is rotten1
under their clods,4
the garners6
are laid desolate,5
the barns8
are broken down;7
for the corn11
is withered.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
O, hoeH4100 zuchtH584 het veeH929, de runderkuddenH5739 zijn bedwelmdH943, wantH3588 zij hebben geenH369 weideH4829, ookH1571 zijn de schaapskuddenH5739 verwoestH816.
O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.
KJV
How do the beasts3
groan!2
the herds5
of cattle6
are perplexed,4
because they have no pasture;9
yea, the flocks12
of sheep13
are made desolate.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
TotH413 U, o HEEREH3068! roepH7121 ik; wantH3588 een vuurH784 heeft de weidenH4999 der woestijnH4057 verteerdH398, en een vlamH3852 heeft alleH3605 bomenH6086 des veldsH7704 aangestokenH3857.
Tot U, o HEERE! roep ik; want een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen des velds aangestoken.
KJV
O LORD,2
to thee will I cry:3
for the fire5
hath devoured6
the pastures7
of the wilderness,8
and the flame9
hath burned10
all the trees12
of the field.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
OokH1571 schreeuwtH6165 elk beestH929 des veldsH7704 totH413 U; wantH3588 de waterstromenH650 zijn uitgedroogdH3001, en een vuurH784 heeft de weidenH4999 der woestijnH4057 verteerdH398.
Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.
KJV
The beasts2
of the field3
cry4
also unto thee: for the rivers8
of waters9
are dried up,7
and the fire10
hath devoured11
the pastures12
of the wilderness.
oudsten
Die in Juda de regering hebt en ervarenheid van zaken en tijden; zie Ex. 3:16 , en Lev. 14:15 , met de aantekening. Of slechts, gij ouden van jaren, die meer beleefd hebt dan jongen of die van middelmatigen ouderdom zijn.
Hertaald:
oudsten
U die in Juda de leiding hebt en ervaring hebt van zaken en tijden; zie Ex. 3:16 en Lev. 14:15 met de aantekening. Of eenvoudig: u ouden van dagen, die meer meegemaakt hebt dan jongeren of dan mensen van middelbare leeftijd.
dit geschied in uw dagen,
Weet gij, gedenkt u, van zulk ene plaag, als in het volgende verhaald wordt?
Hertaald:
dit geschied in uw dagen,
Weet u van zo'n plaag als in het vervolg verteld wordt, of herinnert u zich die?
vaderen?
Ex. 10:4-6 , Ex. 10:14-15 , wordt ook van een gruwelijke plaag der sprinkhanen over de Egyptenaars verhaald, maar die duurde zo lang niet, en er waren zoveel soorten niet van dat vernielend gedierte als hier in het land van Juda, het een achter het ander; hoewel de verstoktheid van het volk zo groot was, dat zij weinig gevoel daarvan hadden tot bekering; waarom God hen door dezen profeet zoekt op te wekken, gelijk het volgende uitwijst.
Hertaald:
vaderen?
In Ex. 10:4-6 en Ex. 10:14-15 wordt ook verteld van een gruwelijke sprinkhanenplaag over de Egyptenaren, maar die duurde niet zo lang en er waren niet zoveel soorten van dat vernielende ongedierte als hier in het land Juda, het ene na het andere. En toch was de verstoktheid van het volk zo groot dat het hun weinig aan het hart ging en hen niet tot bekering bracht; daarom probeert God hen door deze profeet wakker te schudden, zoals het vervolg uitwijst.
Vertelt uw kinderen daarvan,
Verg. Ex. 10:2 ; Ps. 78:4 , Ps. 78:6 .
Hertaald:
Vertelt uw kinderen daarvan,
Vergelijk Ex. 10:2; Ps. 78:4, Ps. 78:6.
ander geslacht
Dat is, het navolgende geslacht, of hunnen nakomelingen.
Hertaald:
ander geslacht
Dat is: het volgende geslacht, of hun nakomelingen.
rups heeft overgelaten,
Hebr. het ovurige der rups; en zo in het volgende. Wanneer deze verschrikkelijke en langdurige plagen van het ongedierte, vergezelschapt met grote droogte, Juda zijn overkomen, is onzeker. Eenigen passen het op den tijd van Elia en Elisa, of als Joram in Israël en Josafat in Juda regeerden. Zie 1 Kon. 17:1 , enz., en 2 Kon. 4:38 . Anderen vergelijken het met Jer. 14:1 ; idem Am. 1:2 , en Am. 4:6-9 , enz. Sommigen menen dat door deze schadelijke dieren figuurlijk verstaan worden de Assyriërs en Chaldeën, die het land in de uiterste verwoesting zouden stellen. De profeet spreekt eensdeels in den verleden en tegenwoordigen tijd, anderdeels in den toekomenden; zie onder vs.15, en Joël 2:1 , enz., omdat deze plaag enige jaren geduurd heeft, onder Joël 2:25 . Doch sommigen menen dat dit oordeel nog toekomstig was, en dat de profeet profetischerwijze daarvan spreekt alsof het voor ogen ware.
Hertaald:
rups heeft overgelaten,
Hebreeuws: het overige van de rups; en zo ook in het vervolg. Wanneer deze verschrikkelijke en langdurige plagen van ongedierte, gepaard met grote droogte, Juda overkomen zijn, is onzeker. Sommigen plaatsen het in de tijd van Elia en Elisa, of toen Joram in Israël en Josafat in Juda regeerden. Zie 1 Kon. 17:1, enzovoort, en 2 Kon. 4:38. Anderen vergelijken het met Jer. 14:1 en ook met Amos 1:2 en Amos 4:6-9, enzovoort. Sommigen menen dat met deze schadelijke dieren figuurlijk de Assyriërs en Chaldeeën bedoeld worden, die het land in de uiterste verwoesting zouden brengen. De profeet spreekt deels in de verleden en tegenwoordige tijd, deels in de toekomende (zie vers 15 en Joël 2:1, enzovoort), omdat deze plaag enkele jaren geduurd heeft, Joël 2:25. Maar sommigen menen dat dit oordeel nog toekomstig was en dat de profeet er op profetische wijze over spreekt alsof het voor ogen stond.
hij van uw mond
Doordien alle wijnstokken van het voorzeide gedierten ten enenmale bedorven waren, gelijk volgt in vs.7; verg. Am. 4:9 .
Hertaald:
hij van uw mond
Doordat alle wijnstokken door het genoemde ongedierte volkomen verwoest waren, zoals volgt in vers 7; vergelijk Amos 4:9.
volk is opgekomen
Versta, de ontallijke menigte van de voorzeide gedierten, die God, om des volks zonden vertoornd zijnde, op zijn eigen heilig land zou laten komen, die oneigenlijk een volk, of natie genoemd worden; zie onder Joël 2:2 , en verg. Spr. 30:25-26 , en zie de aantekening aldaar. Van Kanaän, dat God zijn land noemt, zie Hos. 9:3 , met de aantekening, alzo ook Joël 2:18 .
Hertaald:
volk is opgekomen
Versta: de ontelbare menigte van het genoemde ongedierte, dat God — vertoornd om de zonden van het volk — over Zijn eigen heilige land zou laten komen, en dat in oneigenlijke zin een volk of natie genoemd wordt; zie Joël 2:2, en vergelijk Spr. 30:25-26 met de aantekening daar. Over Kanaän, dat God Zijn land noemt, zie Hos. 9:3 met de aantekening; zo ook Joël 2:18.
tanden zijn leeuwentanden,
Dit betekent dezer dieren gretigheid, vratigheid en sterkte. Verg. Openb. 9:8-10 .
Hertaald:
tanden zijn leeuwentanden,
Dit duidt de vraatzucht, gulzigheid en kracht van deze dieren aan. Vergelijk Openb. 9:8-10.
Het heeft
Voorts volk; dat is, dat boos gedierte.
Hertaald:
Het heeft
Namelijk dat volk, dat is: dat boze ongedierte.
mijn wijnstok gesteld
Verg. Hos. 2:8 . Aldus spreekt God om te tonen dat Hij ook zijn eigen creaturen en gaven niet verschoont om de zonden der mensen te straffen.
Hertaald:
mijn wijnstok gesteld
Vergelijk Hos. 2:9. Zo spreekt God om te tonen dat Hij zelfs Zijn eigen schepselen en gaven niet spaart wanneer Hij de zonden van de mensen straft.
schuim;
Dat is, hij vergaat, verdwijnt. Of, zwam. Anders: ontpelling, ontschorsing, zodat de schorsen of schellen afgegeten zijn, waardoor de vijgeboom als naakt en bloot en bleek wordt; verg. Jes. 24:7 .
Hertaald:
schuim;
Dat is: hij vergaat en verdwijnt. Of: zwam. Anders: ontschorsing, zodat de schors of schil afgevreten is, waardoor de vijgenboom naakt, bloot en bleek wordt; vergelijk Jes. 24:7.
wit geworden
Of, bleek; waar integendeel de sappige ranken groen en schoon zijn.
Hertaald:
wit geworden
Of: bleek, terwijl de sappige ranken juist groen en mooi zijn.
Kermt,
O Jeruzalem.
Hertaald:
Kermt,
O Jeruzalem.
zak omgord is
Zie Gen. 37:34 .
Hertaald:
zak omgord is
Zie Gen. 37:34.
man van haar jeugd
Dat is, haren bruidegom, of jongen man [gelijk sommigen], die gestorven is terwijl zij met hem in ondertrouw stond, of kort daarna; dat is, rouwt, bitterlijk. Verg. Mal. 2:14-15 .
Hertaald:
man van haar jeugd
Dat is: haar bruidegom of jonge man, zoals sommigen menen, die gestorven is toen zij met hem in ondertrouw stond of kort daarna; dat is: rouw bitter. Vergelijk Mal. 2:14-15.
Spijsoffer en drankoffer
Zie Ex. 29:40 , en Lev. 2:1 ; Num. 15:5 , Num. 15:7 , Num. 15:10 , en Num. 28:7 . De zin is: dat zulke offeranden zeer weinig gebracht werden ten huize des Heeren door gebrek van spijs en drank. Alzo ook in vs.13.
Hertaald:
Spijsoffer en drankoffer
Zie Ex. 29:40 en Lev. 2:1; Num. 15:5, Num. 15:7, Num. 15:10 en Num. 28:7. De betekenis is dat er door gebrek aan spijs en drank zeer weinig van zulke offeranden naar het huis van de HEERE gebracht werden. Zo ook in vers 13.
treuren
Omdat de godsdienst verlaten werd, en zij dienvolgens gebrek aan onderhoud hadden.
Hertaald:
treuren
Omdat de godsdienst verwaarloosd werd en zij daardoor gebrek aan levensonderhoud hadden.
verdroogd,
Dewijl de wijnstokken verdord en bedorven zijn. Anders: beschaamd, omdat hij zijne vrucht niet voortbrengt. Figuurlijk gesproken.
Hertaald:
verdroogd,
Omdat de wijnstokken verdord en bedorven zijn. Anders: beschaamd, omdat hij zijn vrucht niet voortbrengt. Beeldend gesproken.
flauw
Gelijk de bomen gezegd worden flauw, krank, ziek te zijn, als zij niet dragen.
Hertaald:
flauw
Zoals van bomen gezegd wordt dat zij slap, zwak of ziek zijn wanneer zij niet dragen.
De akkerlieden zijn beschaamd,
Of, zijt beschaamd, gij akkerlieden, huilt, gij wijngaardeniers.
Hertaald:
De akkerlieden zijn beschaamd,
Of: weest beschaamd, u akkerlieden; huilt, u wijngaardeniers.
tarwe en om de gerst,
Dit ziet op de akkerlieden, gelijk het volgende, van den wijnstok op de wijngaardeniers.
Hertaald:
tarwe en om de gerst,
Dit ziet op de akkerlieden, zoals het volgende over de wijnstok op de wijngaardeniers ziet.
verdord,
Of, beschaamd, gelijk vs.10.
Hertaald:
verdord,
Of: beschaamd, zoals vers 10.
vrolijkheid
Die er placht te wezen ten tijde van een goeden oogst. Zie Ps. 4:8 ; Jes. 16:10 ; Jer. 48:33 ; Hos. 9:1 , met de aantekening.
Hertaald:
vrolijkheid
Die er placht te zijn in de tijd van een goede oogst. Zie Ps. 4:8; Jes. 16:10; Jer. 48:33; Hos. 9:1 met de aantekening.
verdord van de mensenkinderen
Of, beschaamd onder, enz., als in het begin van dit vers. Dat is, gelijk het land gesteld is, alzo is het ook het hart der mensen, alles is droevig, droog en verward. De vrolijkheid durft [om zo te spreken] niet tevoorschijn komen, omdat het overal vol treuren is.
Hertaald:
verdord van de mensenkinderen
Of: beschaamd onder de mensenkinderen, zoals aan het begin van dit vers. Dat is: zoals het land ervoor staat, zo staat het ook met het hart van de mensen; alles is droevig, dor en verward. De vrolijkheid durft, om zo te spreken, niet tevoorschijn te komen, omdat het overal vol treuren is.
Omgordt u,
Te weten, met zakken, tot teken van rouw, gelijk boven in vs.8, en hier terstond in de volgende woorden.
Hertaald:
Omgordt u,
Namelijk met zakken, als teken van rouw, zoals vers 8 en zoals meteen in de volgende woorden.
spijsoffer en drankoffer
Gelijk boven in vs.9.
Hertaald:
spijsoffer en drankoffer
Zoals vers 9.
Heiligt een vasten,
Dat is, voorbereidende door een heilige betrachting van dit zwaar oordeel Gods, zo verordineert en stelt zekeren tijd aan, in welken gij samenkomende en u uitwendig en inwendig voor den Heere vernedert, uwe boetvaardigheid openlijk betuigt en hem om genade bidt. Alzo onder Joël 2:12 , Joël 2:15 .
Hertaald:
Heiligt een vasten,
Dat is: bereid u voor door dit zware oordeel van God ernstig te overwegen, en stel dan een bepaalde tijd vast waarop u samenkomt, zich uiterlijk en innerlijk voor de HEERE vernedert, uw boetvaardigheid openlijk betuigt en Hem om genade bidt. Zo ook Joël 2:12, Joël 2:15.
verbodsdag uit,
Zie Lev. 23:36 .
Hertaald:
verbodsdag uit,
Zie Lev. 23:36.
oudsten,
Dat is, regeerders; zie in vs.2.
Hertaald:
oudsten,
Dat is: bestuurders; zie vers 2.
Ach, die dag
Deze en volgende woorden tot aan het einde van dit hoofdstuk, nemen sommigen als een voorschrift [het volk van God door den profeet voorgesteld] van een boetvaardige weeklacht tot God over de voorgemelde zware straf, in het einde van het voorgaande vers bijvoegende het woord [zeggende;]. Anderen houden het voor woorden van den profeet zelf, die met deze zijne klacht het volk voorgaat, om hen met zijn voorbeeld op te wekken en te bewegen tot hartelijke betrachting van dit oordeel Gods; beide in een goeden zin.
Hertaald:
Ach, die dag
Deze en de volgende woorden tot het einde van dit hoofdstuk vatten sommigen op als een voorschrift van de profeet aan Gods volk. Het zou dan gaan om een boetvaardige weeklacht tot God over de genoemde zware straf; aan het einde van het vorige vers vullen zij dan het woord zeggende aan. Anderen houden het voor woorden van de profeet zelf, die met deze klacht het volk voorgaat om hen door zijn voorbeeld op te wekken en te bewegen tot een hartelijke overweging van dit oordeel van God. Beide opvattingen geven een goede zin.
dag des HEEREN
Dat is, de bestemde tijd, waarin de Heere zijn volk wil straffen. Alzo in Joël 2:1-2 . Zie Ps. 37:13 , en Ezech. 30:2 .
Hertaald:
dag des HEEREN
Dat is: de vastgestelde tijd waarop de HEERE Zijn volk wil straffen. Zo ook Joël 2:1-2. Zie Ps. 37:13 en Ezech. 30:2.
nabij,
Uit deze woorden leiden sommigen af dat de voren beschreven straf nog toekomstig of aanstaande was, verg. Joël 2:1 , enz. Anderen menen dat dit ziet op een ander toekimstig oordeel, dat nog zwaarder zou vallen dan het tegenwoordige, vanwege de ongevoeligheid en onboetvaardigheid van het volk over deze verschrikkelijke plagen der ongedierten en droogte.
Hertaald:
nabij,
Uit deze woorden leiden sommigen af dat de eerder beschreven straf nog toekomstig of aanstaande was; vergelijk Joël 2:1, enzovoort. Anderen menen dat dit ziet op een ander toekomstig oordeel, dat nog zwaarder zou uitvallen dan het tegenwoordige, vanwege de ongevoeligheid en onboetvaardigheid van het volk onder deze verschrikkelijke plagen van ongedierte en droogte.
Almachtige
Die alle macht en genoegzaamheid heeft om wel te doen of te straffen, zulks dat niemand dezen zijnen dag zal kunnen ontgaan, of weren; zie van het Hebr. woord Schaddai, Gen. 17:1 , en verg. Jes. 13:6 .
Hertaald:
Almachtige
Die alle macht en toereikendheid heeft om wel te doen of te straffen, zodat niemand deze dag van Hem zal kunnen ontgaan of afweren; zie over het Hebreeuwse woord Sjaddai Gen. 17:1, en vergelijk Jes. 13:6.
huis onzes Gods?
Omdat er gene dankoffers worden gebracht noch geofferd; waaruit men kan afnemen dat door spijs, in het voorgaande vermeld, niet alleen gemene spijs, maar ook bijzonderlijk de offeranden mogen verstaan worden. Verg. Mal. 1:7 , Mal. 1:12 , en zie Lev. 3:11 ; Ezech. 44:7 met de aantekening.
Hertaald:
huis onzes Gods?
Omdat er geen dankoffers gebracht of geofferd worden. Daaruit kan men opmaken dat met de spijs die hiervoor genoemd is niet alleen gewoon voedsel bedoeld kan zijn, maar ook in het bijzonder de offeranden. Vergelijk Mal. 1:7, Mal. 1:12, en zie Lev. 3:11; Ezech. 44:7 met de aantekening.
granen zijn onder hun kluiten verrot,
Het zaad, dat gezaaid is, is bedorven in de aarde, door grote hitte, gebrek aan tijdigen regen, of ander schade.
Hertaald:
granen zijn onder hun kluiten verrot,
Het zaad dat gezaaid is, is in de aarde bedorven door grote hitte, door gebrek aan tijdige regen of door andere schade.
schathuizen zijn verwoest,
Waarin de schatten, dat is, landvruchten [gelijk Jer. 41:8 , enz.] plegen opgedaan en bewaard te worden; de korenhuizen, schuren, enz. zijn ledig en liggen woest, wil de profeet zeggen.
Hertaald:
schathuizen zijn verwoest,
Waarin de schatten, dat is: de veldvruchten (zoals Jer. 41:8, enzovoort), opgeslagen en bewaard plegen te worden. De korenschuren liggen leeg en verlaten, wil de profeet zeggen.
vee,
Vanwege gebrek aan voeder. Figuurlijk gesproken, gelijk in vs.20; schreeuwt tot U.
Hertaald:
vee,
Vanwege gebrek aan voer. Beeldend gesproken, zoals in vers 20: het schreeuwt tot U.
De runderkudden zijn bedwelmd,
Of, hoe zijn de runderkudden bedwelmd, of verbijsterd, verbaasd! Versta, de kudden van groot vee.
Hertaald:
De runderkudden zijn bedwelmd,
Of: hoe zijn de runderkudden bedwelmd of verbijsterd! Versta: de kudden van het grootvee.
schaapskudden verwoest
De kudden van klein vee.
Hertaald:
schaapskudden verwoest
De kudden van het kleinvee.
vuur
Dat is, de grote hitte en droogte, of de voorgemelde plagen, en het vuur van Gods toorn; zie Job 15:30 , Job 15:34 , met de aantekening. Alzo in het volgende.
Hertaald:
vuur
Dat is: de grote hitte en droogte, of de genoemde plagen, en het vuur van Gods toorn; zie Job 15:30, Job 15:34 met de aantekening. Zo ook in het vervolg.
schreeuwt
Zie van het Hebr. woord Ps. 42:2 , en verg. Job 39:3 ; Ps. 147:9 ; Jona 3:8 met de aantekening.
Hertaald:
schreeuwt
Zie over het Hebreeuwse woord Ps. 42:2, en vergelijk Job 39:3; Ps. 147:9; Jona 3:8 met de aantekening.
elk beest des velds tot U;
Hebr. beesten des velds schreeuwt; dat is, elk beest, enz.
Hertaald:
elk beest des velds tot U;
Hebreeuws: beesten van het veld schreeuwt; dat is: elk beest, enzovoort.
waterstromen zijn uitgedroogd,
Of, kolken, grachten.
Hertaald:
waterstromen zijn uitgedroogd,
Of: kolken, grachten. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Zoon van Pethuël, een profeet in Juda. Hij riep het volk op tot rouw en bekering vanwege een verwoestende sprinkhanenplaag, die hij zag als een voorbode van de grote en vreselijke dag des HEEREN; hij profeteerde ook de uitstorting van Gods Geest over alle vlees, welke profetie op de Pinksterdag werd aangehaald (Joël 1-3; vgl. Hand. 2:16-21). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Het boek begint met een oproep om de gebeurtenis door te vertellen aan komende geslachten (Joël 1:2-3), en dan komt de reden: "Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten" (Joël 1:4). Bijbelse betekenis: Merk op de opbouw van dit vers: vier plagen, elk etend van wat de vorige overliet. Het is geen enkele ramp maar een reeks; wat de een spaarde, verslindt de volgende. Zo wordt de volledigheid van de verwoesting getekend zonder dat er één groot woord voor nodig is. Let vervolgens op wat er in de rest van het hoofdstuk allemaal wordt genoemd. De wijnstok en vijgeboom (Joël 1:7), de oogst van tarwe en gerst (Joël 1:11), het spijsoffer dat wegvalt uit het huis des HEEREN (Joël 1:9), en zelfs het vee dat zucht bij gebrek aan weide (Joël 1:18,20). De plaag raakt landbouw, eredienst en dieren tegelijk — niets blijft erbuiten. Let ten slotte op Joël 1:8: "Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege den man van haar jeugd." Het verlies wordt vergeleken met de zwaarste rouw die een mens kan kennen. Typologie: Wat hier als plaag over het land komt, keert terug in de gelijkenis van het onkruid en de tarwe. De Heere Jezus gebruikt daar hetzelfde beeld voor het laatste oordeel: eerst groeien beide samen, dan komt de oogst (Matt. 13:30, reeds behandeld). Vernietiging in lagen en vernietiging in stappen komen in de Schrift vaker samen voor. Joël 1:2-4,7-9,11,18,20; Matt. 13:30 "Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en zal als een verwoesting komen van den Almachtige" (Joël 1:15). Het staat aan het einde van een hoofdstuk dat tot dan toe alleen over de sprinkhanenplaag sprak. Bijbelse betekenis: Merk op de wending in dit vers. Tot hiertoe ging het hoofdstuk over een landbouwramp; met dit ene vers wordt die ramp een voorbode van iets groters. Wat de dag des HEEREN zelf is, is elders in het register al getekend (reeds behandeld bij Jes. 13:6-13). Joël voegt daar een eigen beeld aan toe, dat in het volgende hoofdstuk wordt uitgewerkt: de dag des HEEREN als een leger van sprinkhanen. Let vervolgens op het woordje Ach waarmee het vers begint. Het is geen aankondiging van buitenaf maar een kreet, dezelfde soort schrik die het hele hoofdstuk al beschreven had. Let ten slotte op de naam Almachtige. Van Wie deze verwoesting komt, wordt niet verzwegen; de dag is niet een onpersoonlijk noodlot maar het werk van de Almachtige Zelf. Typologie: Dezelfde naam voor deze dag gebruikt Paulus tegen de gemeente te Thessalonica: "de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht" (1 Thess. 5:2, reeds behandeld). Wat bij Joël nabij was voor Israël, blijft in het Nieuwe Testament een dag om waakzaam voor te zijn. Joël 1:15; Jes. 13:6-13; 1 Thess. 5:2 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Er is een sprinkhanenplaag over het land gegaan. De wijnstok is verdord, de vijgeboom is afgeschild, het koren is verwoest, en er is niets meer om te offeren. Joël begint zijn boek met de vraag of de oudsten ooit zoiets hebben meegemaakt. Een natuurramp wordt uitgelegd als een boodschap, en de eerste opdracht is haar door te vertellen. De opdracht komt vóór de beschrijving, en dat is opmerkelijk: “Vertelt uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en derzelver kinderen aan een ander geslacht.” Drie geslachten ver. Wat er gebeurd is mag niet als een slecht jaar worden weggezet; er moet over gesproken worden. De ramp zelf wordt beschreven met vier namen achter elkaar: “Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.” De zin is zo gebouwd dat men bij elke stap denkt: er is nog iets over. En telkens komt er een volgende die ook dat opeet. Wat de een laat liggen, haalt de volgende weg. Aan het eind van het vers is er niets. Wat Joël daarin ziet, is niet in de eerste plaats economische schade. Hij noemt de priesters, en zijn zorg gaat over de eredienst: spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods. Er is geen koren meer om te offeren en geen wijn om uit te gieten. De ramp is het diepst waar zij de omgang met God raakt. Daarom komt zijn oproep ook daar terecht: “Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners dezes lands, ten huize des HEEREN, uws Gods, en roept tot den HEERE.” Wat gedaan moet worden is niet de akkers herstellen maar bijeenkomen en roepen. En dan wordt het beeld opeens groter dan de sprinkhanen: “Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij.” De plaag is niet alleen een plaag; zij is een voorproef. Wat hier over het land ging, wijst vooruit naar een dag die het hele land aangaat. Het vervolg van dit boek maakt duidelijk waar het op uitloopt, en dat is niet bij de sprinkhanen. In het volgende hoofdstuk belooft God de jaren te vergoeden die de sprinkhaan heeft afgegeten. En daarna volgt de belofte van de Geest over alle vlees: het woord dat Petrus op de Pinksterdag aanhaalt. Zo begint dit boek dus in een kaalgevreten wijngaard en het eindigt bij een uitgestorte Geest. En de weg daartussen loopt langs een oproep om te roepen. In het Nieuwe Testament: Handelingen 2:16-21; Joël 2:25-28; 1 Thessalonicenzen 5:2; Romeinen 10:13; Joël 2:32 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Joël 1 niet aan; wel wordt Joël 2 uitvoerig aangehaald in Handelingen 2. Wat hier gelegd wordt rust op de opbouw van het boek zelf: van de kaalgevreten akker naar de dag des HEEREN en naar de uitstorting van de Geest. Dat de sprinkhanenplaag een voorproef van die dag is, zegt Joël zelf in vers 15.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Joël 1
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Wat de rups heeft overgelaten — 1:1-15
Wat betekenen de niveaus?


Joël 1
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Het woord des HEEREN, dat geschied is (Deut. 18:22) tot Joël (= de Heere is God) 1), den zoon van Pethuël (= eenvoudigheid van God), enen man te Jeruzalem, waarschijnlijk uit een priesterlijk geslacht, ons overigens onbekend.
Door dezen naam is de bijzondere roeping van dezen Profeet aangewezen. Even als de Profeet Elia onder Achab het volk door zijn profetisch woord tot den Heere terugbracht, zodat al het volk riep: de Heere is God, de Heere is God! (1 Kon. 18:39), desgelijks heeft ook onze Profeet gedaan. Hij moest het volk tot den Heere, zijnen God leiden, en even als bij Elia, is ook: de roepstem van Joël gelukt.
Volgens den inhoud van het volgende profetische boek is het ontwijfelbaar, dat Joël alleen geleefd en geprofeteerd heeft in het rijk van Juda. Daar echter het opschrift niet, als bij Hosea (Hoofdst. 1:1) de koningen noemt, onder welke de Profeet geleefd heeft, zo zijn van oude tijden af de meningen over zijn leeftijd zeer uit elkaar gelopen. Amos begint zijne profetie met een woord van Joël (Amos 1:2. Vgl. Joël 3:21) en sluit met gelijke beloften (Amos. 9:13. Vgl. Joël 3:18). Daaruit besluiten de meesten, dat hij mede behoort onder de oudsten der kleine Profeten. Tegenwoordig zijn er voornamelijk twee gedachten. De eersten (volgens welke wij ook in de bij 2 Kon. 14:22 enz. ons hebben gericht) plaatsen, daar zij de op elkaar volging der kleine Profeten voor tijdrekenkundig houden, Joël in den tijd der regering van den koning Uzza, en dus ongeveer gelijktijdig met Amos en Hosea. De anderen daarentegen redeneren aldus: Er staan den Profeet Joël twee feiten voor ogen als onlangs geschied; vooreerst de grote overwinning van Josafat over de verbondene vijandelijke legers, die als in een ogenblik Jeruzalem wilden veroveren, en reeds tot op weinige uren voor de stad stonden (2 Kron. 20. Vgl. Joël 3:7), en vervolgens de zware bezoeking onder Josafats zoon, Joram, toen verbondene vijandelijke legers Jeruzalem veroverden, uitplunderden en troepen gevangenen wegsleepten (2 Kron. 21:16 vv. vgl. Joël 3:8-11). Door deze beide gebeurtenissen hebben wij ene vaste grens, over welke Joël niet mag worden geplaatst. Daarentegen horen wij in de profetie geen woord van die latere katastrofe aan het einde van Joas’ regering, toen Hazaël, de koning van Syrië, de hoofdstad van het land aanviel, en Joas, zwaar gewond, met alle zijne schatten nauwelijks ene plundering kon voorkomen, terwijl reeds Amos (Hoofdst. 1:3 vv.), om deze daad van geweld aan het Syrische rijk den ondergang aankondigt. Bovendien kent Joël alleen Tyrus en Sidon, de Filistijnen en Edomieten, maar nog geen machtig Syrisch rijk, noch een Assyrisch wereldrijk als vijanden van Gods volk. Diensvolgens heeft Joël na dat ongeluk onder Joram en voor de nederlaag onder Joas geprofeteerd. Bedenkt men echter, hoe onder Joram, zijnen zoon Ahazia en diens verschrikkelijke gemalin Athalia, de Baälsdienst in het rijk heerste, en de dienst des Heeren bijna geheel werd uitgeroeid, terwijl Joël in zijn Boek ene wel ingerichte tempeldienst des Heeren veronderstelt, en gene klacht over afgodendienst of dergelijke gruwelen en zonden heeft, integendeel op zijne eerste vermaning en waarschuwing aanstonds gehoor en gehoorzaamheid bij het volk vindt, zo blijft voor de werkzaamheid van den Profeet alleen de tijd na Athalia’s val en de eerste helft der regering van Joas over, toen onder den Hogepriester Jojada een nieuwe tijd onder het volk in aantocht scheen te zijn, en de ontferming des Heeren het volk tot bekering scheen geleid te hebben. ” De tijd, uit welken diensvolgens de profetie van Joël zou afkomstig zijn, de eerste 30 jaren van Joas (van 877-847 v. C.), was volgens 2 Kon. 11 en 2 Kron. 23 een tijd, die zich onderscheidde door ijver voor den Heere bij koning en volk. De heerschappij van Athalia was gevallen, en haar Baälsdienst met al hare priesters en afgodsbeelden uitgeroeid. Daarentegen was de tempel des Heeren en Zijn dienst weer volkomen hersteld, en de koning Joas onder de leiding van zijnen vaderlijken vriend, den Hogepriester Jojada, wien hij leven, troon en rijk te danken had, bracht er alles toe bij, om de ware godsvrucht onder het volk weer levend te maken. Onder het volk had het woord van God nog enige kracht. Want toen de Heere, die dieper zag, en zowel het wankelmoedig hart van den koning als de halfheid van het volk kende, en wist, dat het na Jojada’s regering wel anders zou worden, met Zijne kastijdingen in vreselijke verwoestingen door sprinkhanen en aanhoudende droogte over het land kwam, toen vond de boetprediking van den Profeet aanstonds gehoor en gehoorzaamheid, zodat den Heere de dubbele ramp berouwde, en Hij aan het volk de belofte gaf, dat eens de Heilige Geest over alle vlees zou worden uitgestort tot herschepping der harten.
In de hier volgende verklaring gaan wij nu ongeveer 60-70 jaren verder terug in de geschiedenis der koningen van Juda, dan in 2 Kon. 14:22 voor onzen Profeet werd aangenomen. Wij nemen nu ons standpunt bij de afdeling in 2 Kon. 12:1-16 en 2 Kron 24:1-16. Diensvolgens verdelen wij het Boek zijner profetieën in twee delen of redenen, die in de nauwste betrekking tot elkaar staan: 1) de vermaning van den Profeet tot bekering (Hoofdst. 1:2-2:17) en 2) zijne belofte na de bekering (Hoofdst. 2:19-3:21). Tussen beide staat de mededeling van het gevolg der bekering des volks (Hoofdst. 2:18). Dat vers toch is, gelijk nu alle uitleggers erkennen, gene belofte van de toekomst, gelijk Luther vertaalt, maar mededeling van de verhoring der gebeden door den Heere. In het eerste dezer drie delen (Hoofdst. 1:2-2:17) schildert de Profeet ene voorbeeldeloze verwoesting van het land van Juda door verscheidene op elkaar volgende zwermen van sprinkhanen, welke alle zaad-, veld-en tuinvruchten, alle planten en bomen verwoesten, waarmee nog daarenboven een verzengende gloed was verbonden. Over dit godsgericht zonder voorbeeld verheft hij luide weeklachten, en roept hij alle standen des volks op het dringenst op, onder vasten, treuren en geween in den tempel des Heeren om afwending van dit gericht te bidden. Zonder twijfel is deze rede wel gedurende de verwoesting der sprinkhanen door den Profeet gehouden.
I. Vs. 2-20.KruisverwijzingenHosea 5:1→Joël 2:25→Joël 2:2→Jesaja 22:12→Joël 2:14→Joël 2:17→Jeremia 14:3→Job 8:8→
— Hoort dit, gij oudsten! en neemt ter oren, alle inwoners des lands! Is dit geschied in uw dagen, of ook in de dagen uwer vaderen? Vertelt uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en derzelver kinderen aan een ander geslacht. Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten. Waakt op, gij dronkenen! en weent, en huilt, alle gij wijnzuipers! om den nieuwen wijn, dewijl hij van uw mond is afgesneden. Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws. Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden. Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege den man van haar jeugd. Spijsoffer en drankoffer is van het huis des HEEREN afgesneden; de priesters, des HEEREN dienaars, treuren. Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw. De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst des velds is vergaan.
Nadat de Profeet in ‘t algemeen heeft opgewekt, om de verwoesting door zwermen sprinkhanen, die over het land is gekomen, ter harte te nemen, roept hij de verschillende standen en delen des volks op, om over dit ongeluk te weeklagen. Hij vermaant de rijken en welvarenden, die het gewas van den wijnstok gebruiken, dat zij ontwaken uit hun leven der vreugde; vervolgens de gehele gemeente, dat zij tot ene algemene boete oproepen; eindelijk de priesters. dat zij zich voor den Heere nederwerpen, en Zijne ontferming zouden inroepen. Bij elke vermaning schildert hij de verwoesting van ene andere zijde, die met het voorval overeenkomt. Eindelijk wendt hij zich met zuchten en gebeden om redding van het land tot den Heere.
Hoort dit, wat ik u nu zal voorbehouden, gij oudstenof grijsaards, wier geheugen tot in verste tijden reikt! en neemt ter oven, alle inwoners des lands van Juda! Is dit langs natuurlijken weg geschied in uwe dagen? of ook in de dagen uwer vaderen? En wanneer gij geen voorbeeld vindt, zo erkent toch, dat het Gods hand is, en een door Hem bepaald gericht.
Dit “hoort” moet dikwijls tot inleiding dienen voor de toespraak der Profeten (vgl. Am. 3:1; 2:1; 5:1 Hier wijst het op de vermelding van iets ongehoords, van een strafgericht zonder weerga. Iets nieuws en ongehoords te scheppen, komt Gode, den Schepper, toe: nieuws te verkondigen, is de roeping eens Profeten (vgl. Hab. 1:5. Num. 16:30. Jes. 42:9).
Vertelt uwen kinderen daarvan, en laat het uwe kinderen hunnen kinderen vertellen, en dezelver kinderen weer aan een ander geslacht 1), opdat alzo Gods daden, zijn ze tot redding of ten gerichte, worden levendig gehouden, en der nawereld tot lering of tot waarschuwing mogen dienen (Ex. 12:26 v. Ps 78:3 vv. 1 Kor. 10:11 Want zekere en nauwkeurige overlevering der daden Gods is steeds het hoofddoel der familie.
Het is de plicht der ouders om gewone en geestelijke onderwijzingen mede te delen aan hun kinderen, ook is het de plicht van het tegenwoordig geslacht, om de waarheid van God en hetgeen zij in hun tijd van Hem hebben ondervonden, over te handigen aan de nakomelingschap, en om tot dit einde de gedachtenis daarvan veel hun kinderen in te stampen, opdat zij zulks ook mogen doen aan hun nakomelingen.
Wat de rups van planten en kruid heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten, want de ene zwerm sprinkhanen na de andere is in het land gevallen en heeft zijn gewas geheel verteerd.
Het is niet te bewijzen, dat onder de hier voorkomende vier namen van sprinkhanen (Hebr. gasam, arbe, jelek, chasil) welke hier door de rups, sprinkhaan, kever en kruidworm worden overgezet, om vier verschillende soorten van ongedierte aan te wijzen, vier verschillende soorten of trappen van ontwikkeling der sprinkhanen worden aangeduid. Waar elders deze namen in de Heilige Schrift voorkomen, worden zij gebruikt als met elkaar van gelijke betekenis; het kwam ook hier niet op nauwkeurige geschiedkundige optelling aan. Alle vier namen betekenen in ‘t algemeen de sprinkhanen, maar naar vier verschillende schadelijke zijden. Gasan (= knager) noemt hij ze, omdat zij den wijnstok, vijgeboom en olijfboom kaal vreet, wanneer kruid en veldvruchten te voren reeds vernietigd zijn (Amos 4:9); arbe (van rabah = veelvuldig zijn), omdat zij steeds in talloze menigte verschijnt; jelek, omdat zijn alles kaal maakt; chasil (van chasal = afwenden), omdat zij veld- en boomvruchten afvreet. De Profeet gebruikt, om den jammer der verwoesting door de sprinkhanen recht duidelijk voor ogen te schilderen, vier woorden voor sprinkhanen, wier verwoestende eigenschappen hij wil schilderen. Ook is het niet noodzakelijk aan te nemen, dat juist vier zwermen achter elkaar het land verwoest hebben, integendeel moet door het betekenisvolle getal 4 worden gezegd, dat het gericht over Juda naar alle zijden is uitgebreid. Over de in het Oosten van ouds af zo vreselijke plaag der zwermen van sprinkhanen, lees Ex. 17:12 Wanneer meerdere sprinkhanenzwermen achter elkaar een en hetzelfde land bezoeken, zo is dit zeker altijd een zeer bijzonder gericht van God. Dat wij nu in de geschiedboeken in ‘t geheel geen nader bericht vinden over de hier door Joël geschilderde plaag van sprinkhanen, heeft zeker daarin zijn grond, dat al kan ook ene sprinkhanenramp voor het ogenblik veel meer verwoesting aanrichten, en veel verschrikkelijker zijn dan oorlog, of bijna elk ander ongeluk, zij toch in hare werkingen spoedig voorbijgaat. Zij behoort waarschijnlijk onder hetgeen Amos (4:9) bedoelt.
Daarom waakt op 1) en wordt nuchteren, gij dronkenen!gij rijken en welvarenden, die het voortbrengsel van den wijnstok overdadig gebruikt, en weent, en huilt, alle gij wijnzuipers! om den nieuwen wijn, dewijl hij door vernietiging der wijnstokken van uwen mond is afgesneden.
Het eerste, dat geschieden moet, opdat de mens in zijn godvergetende lichtzinnigheid op den weg der bekering wordt geleid, is, dat hij den nood van het aardse leven ondervinde, en zo uit zijne zinnelijke bedwelming in den niet genoeg te prijzen toestand van nuchterheid gerake. Dan moet hij wenen en weeklagen. Mag de natuurlijke mens eerst tranen storten van aardse smart, daar de most der bedwelming aan zijnen mond is ontnomen, spoedig vlieten ook de wateren van goddelijke droefheid over de inwendige armoede en geestelijken nood.
De Joden waren geweldig aan de dronkenschap overgegeven, gelijk uit de menigvuldige en strenge bestraffingen blijkt, die de Profeten hun daarover doen (Jes. 5:11, 12, 22; 56:12. 11, Mich. 2:11. Amos 4:1. Hab. 2:15). De uitwerking van veel wijn is domheid en slaperigheid. Daarom waarschuwt de Profeet deze dronkaards, dat zij eerlang van de gelegenheid hunner gulzigheid en dwaasheid zouden beroofd, en tot den ellendigsten staat gebracht worden door de sprinkhanen.
Want een volk is opgekomen over Mijn land, dat de Heere mij en het gehele volk van God heeft gegeven; een machtig krijgsvolk 1), en zonder getal, namelijk dat volk van sprinkhanen (Spr. 30:25 v.) zijne tanden zijn zo verslindende als leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws.
Het is ene oude twistvraag, of de sprinkhanen, die hier in het volgende (vooral Hoofdst. 2) zijn voorgesteld als een machtig talrijk krijgsvolk, niet misschien slechts zinnebeelden zijn van latere vijandelijke legers der heidenen. Reeds in de oudheid vatte men de gehele schildering van den Profeet op als ene profetie van toekomstige gebeurtenissen, en in ‘t bijzonder de vier namen der sprinkhanen als doelende op de vier wereldrijken, het Assyrische, Chaldeeuwse, Medo-Perzische en Grieksch-Macedonische. Deze allegorische opvatting der schilderingen van onzen Profeet daarop, dat de beschrijving van de verwoesting te bovengaat wat van sprinkhanenzwermen zou kunnen gezegd worden. Men bedenkt echter niet, dat de taal der Profeten, inzonderheid die van Joël, steeds ene hoog-poëtische is; want de Geest van God verheft den geest der mensen op de hoogten, van welke hij het gewoel der mensen in het licht der waarheid en de latere ontwikkeling van het Godsrijk, zowel als van het rijk der duisternis als voor zich ziet, op welke hem dan ook steeds de hoogste trap van uitdrukking de natuurlijkste wijze van spreken is. De taal Gods is de hoogste poëzie, gelijk ook de ware, natuurlijke poëzie ene profetische, goddelijke zijde heeft. Neemt men van de beschrijving der spraakkunst af wat poëtische wijze van uitdrukking is, zo stemt, gelijk wij zullen aantonen (Hoofdst. 2:4) de schildering van den Profeet geheel overeen met hetgeen reizigers en natuurkundigen van alle tijden over zulke verwoestingen verhalen. Verder steunt de onderstelling dat de sprinkhanen slechts beelden van vijandelijke krijgslegers zouden zijn, daarop, dat de Profeet en de verwoesting, die aanwezig is, den dag des Heeren, d. i. het wereldgericht, ziet naderen, en dit, zowel als de volmaking der gewoonte Gods door uitstorting des Heiligen Geestes aan het tegenwoordige toneel van het gericht door sprinkhanen aansluit. Maar ieder Profeet, zo als ieder, die de dingen, in de wereld aanziet met ogen, welke door Gods Geest verlicht zijn, beschouwt de natuur en de gebeurtenissen in haar niet als iets zelfstandigs, naar eigen wetten levende en bestuurd, maar hij weet, dat alle gebeurtenissen in de natuur komen uit de hand van Hem, die rechtvaardig en heilig, barmhartig en genadig jegens den zondaar is, en dat dus de gehele natuurlijke wereld met alle gebeurtenissen een gevolg is van genade en van gericht, of met deze verbonden is. Diensvolgens ziet Joël in de sprinkhanenramp een bijzonder gericht van God, dat het volk tot bekering aanmaant, en het begin van den laatsten groten gerichtsdag, op welken alle bijzondere gerichtsdagen van dezen tijd uitlopen. Dewijl echter elk strafgericht van God over Zijn volk een voorbeeld is, en ene aankondiging van nog toekomstige gerichten, zo is ook de schildering van de sprinkhanenramp zo voorgesteld, dat zij niet alleen duidelijk als tegenwoordig gericht van God, maar ook als beeld der toekomstige straffen, in ‘t bijzonder van het laatste gericht voorkomt. Moesten de sprinkhanen volgens de bedoeling van den Profeet alleen als beelden van toekomstige gebeurtenissen worden opgevat, zo ware dit zeker ergens aangeduid. Maar aanstonds wordt het begin van de gehele schildering (Hoofdst. 1:2 vv.) voor ieder, die het onbevooroordeeld leest, als beschrijving van een eigenlijke, aanwezige verwoesting door sprinkhanen verstaan. Ook Calvijn is met de meeste uitleggers van lateren tijd tegen de allegorische en voor de voorafbeeldende opvatting.
Het heeft Mijnen wijnstok gesteld tot ene verwoesting, en Mijnen vijgeboom tot schuim, zodat alleen takken zijn overgebleven; het heeft hem ganselijk ontbloot door het afknagen van den bast, en nedergeworpen; zijne ranken zijn wit geworden 1) en zullen spoedig verdord zijn.
De Heere spreekt van Zijnen wijnstok en van Zijnen vijgeboom, gelijk vs. 6 van Zijn land; want het land Kanaän en al zijn gewas is des Heeren (wijnstok en vijgeboom zijn als de edelste voortbrengselen van het land (Hos. 2:14) alleen genoemd), en Hij heeft het aan Zijn volk slechts tot vruchtgebruik gegeven, zonder Zijn eeuwig eigendomsrecht op te geven. Voor het overige schemert ook hier de typische betekenis door, naar welken Gods land, Gods wijnstok, Gods vijgeboom Zijn uitverkoren volk is (vgl. Hos. 9:11. Ez. 19:10-14. Luk. 13:6-9).
Aan de Joden wordt het hier weer duidelijk geleerd dat al wat het bezit van den Heere is. De wijnstokken de vijgeboom, alles is van den Heere. Juda, Zijn volk, heeft op niets aanspraak, omdat het in zich zelven niets bezit. En daarom, waar Juda zich tegen den Heere heeft gesteld, neemt de Heere, want dit ligt hierin, niet den wijnstok weg en roeit den vijgeboom niet uit, maar Hij maakt ze vruchteloos. Hij zendt de sprinkhanen en een droogte, zodat geen tros druiven te zien is en er geen vijg te genieten is.
Het was opdat Juda zich weer tot den Heere zou bekeren.
Kermt, als ene jonkvrouw, die allerbitterst weent en meteen treurkleed, enen zak (Gen. 37:34) omgord is vanwege den man harer jeugd, den bruidegom dien zij heeft verloren (Jes. 44:6).
Het dagelijkse morgen- en avond spijsoffer (Ex. 29:37 vv.), en drankoffer, waardoor het volk Gods Zijne gemeenschap met den Heere bewaart, is van het huis des HEEREN afgesneden; tengevolge der vernietiging van koren, most en olie (vs. 10) zijn zij onmogelijk geworden; de priesters des HEEREN dienaars, treuren over deze verstoring van het verbond met den Heere.
Een groter ongeluk dan de wegneming van het dagelijks offer kon niet over Israël komen, want dit was ene factische opheffing der verbonds-betrekking, een teken, dat God Zijn volk verworpen had. Daarom werd zelfs bij de laatste belegering van Jeruzalem door de Romeinen de offerdienst eerst ingesteld, toen het op ‘t hoogste gekomen was, en wel uit gebrek aan offeraars, niet aan offermateriaal.
Want het veld is verwoest, het land treurt; want het koren, dat men zou oogsten, is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw, verwelkt; wijnstokken en olijfbomen, wier opbrengst men in den herfst tegen het Loofhuttenfeest zou oogsten; zijn door de sprinkhanen verwoest of verwelkt, en kunnen gene vruchten dragen, zodat de oogst van het gehele jaar verloren is.
De akkerlieden zijn beschaamd van wege de teleurstelling, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst; want de oogst des velds is vergaan.
De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw, staat beklagenswaardig, beiden zijn ze verdorven en verwelkt; bovendien alle edele ooftbomen, de granaatappelboom (Ex. 29:34), ook de palmboom, die anders zelden door de sprinkhanen beschadigd worden, omdat zij noch een groenen frissen bast, noch zachte, sappige bladeren hebben, en de appelboom 1); alle bomen des velds zijn verdord; ja de vrolijkheid, de vreugde is met al het gewas verdord van de mensenkinderen.
De appelboom was in het oude Palestina niet zeldzaam; ook nu nog wordt hij daar gekweekt. De appelen zijn daar van zeer voortreffelijke soort zo als over ‘t algemeen in zuidelijke streken; hun geur is zo lieflijk, dat in het Hooglied de adem van Sulamith er mede vergeleken wordt (Hoogl. 2:3; 8:5; 7:9. 25:11).
Maar met de weeklacht over het ongeluk en het gebrek aan levensbehoeften is het alleen niet genoeg; alleen boete en smeking tot den Heere kan verandering baren. Omgordt U met rouwklederen, en rouwklaagt tot den Heere over dezen nood, gij priesters! huilt, gij dienaars des altaars! gaat in den tempel, vernacht in zakken (Gen. 37:34); weest dag en nacht onafgebroken in ‘t smeken (Hoofdst. 2:17), gij dienaars mijns Gods, van wien ik, Zijn Profeet, u zekere verhoring toezeg; want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods (vs. 9).
Hoe gezegend zijn de wakkerroepende oordelen Gods, om Zijn volk te doen ontwaken, en het hart tot Christus terug te brengen en tot Zijn heil. Heere! laat ene roepstem horen in het hart van ieder Uwer gekochten. Wek vooral Uwe dienaren op, om luide te roepen tot bevrijding van Uw volk.
Heiligt verder een vasten, roept op ‘t plechtigst een algemenen vast-, boet- en bededag, een verbodsdag, uit, verzamelt de oudsten en alle inwoners dezes lands, ten huize des HEEREN, uws Gods, en roept, met ernstige gebeden tot den HEERE.
Gij priesters, dienaars van mijnen God! zondert één of meer dagen af, bestemt den tijd, en verbiedt alle werk en vermaken; doet alles wat gij kunt, ter bereiding van zulk een noodzakelijk werk, het houden van een vasten, waarin gij u vernedert, uwe zonden bekent, u daarvan bekeert en tot God wederkeert, opdat Hij uwe tegenwoordige ellenden afwere, en de toekomende verhindere. Roept zulk enen dag uit, opdat ieder het wete, en allen hun dagelijks werk nalatende, den Heere plechtig komen zoeken. 0
Want reeds zie ik in den geest in dit tegenwoordig strafgericht grotere en verschrikkelijker rampen naderen. Ach dienvreselijken dag, dien wij zo even beleefd hebben! Want de dag des HEEREN, op welken Hij, de almachtige en rechtvaardige Heere der wereld, al het ongoddelijke volkomen zal vergelden, en door verdelging van alle Zijne vijanden Zijn rijk zal volmaken, is nabij. Reeds hoor ik uit dezen door ons beleefden ontzettenden dag des gerichts het rollen van Zijnen donder, en die dag zal niet alleen met tijdelijke straffen en aardsen nood, maar als ene verwoesting komen van den Almachtige, wien niets zondigs, dat onverzoend is, zal ontgaan (Jes. 13:16; 2:12-21).
De bekende uitspraak: “de wereldgeschiedenis is het wereldgericht” geeft, juist verstaan, te kennen, dat elk strafgericht, waarmee de Heere in den loop der tijden of Zijn volk om hunner zonden wil bezoekt, of Zijne vijanden vernietigt, een deel en ene voorbode van het laatste grote gericht vormt, waarin God alles, “wat door den stroom des tijds ongericht en ongewroken tot de eeuwigheid leidt, ten laatste zal rechten en beslechten. Ook de verwoestingen en plagen, die over ons komen door de krachten der natuur, en die het ongeloof zo gaarne beschouwt als slechts op natuurlijken weg, “door de onveranderlijke natuurwetten” ontstaan, zijn kastijdingen en straffen in de hand van God, die de wetten der natuur niet alleen geschapen heeft, maar ook ieder ogenblik daarin kan grijpen, zonder dat daardoor ene storing in het natuur-mechanismus ontstaat. De natuur leeft het leven der mensen mede, en de door haar gewerkte plagen zijn de antwoorden op de zonde, die de heilige ordening Gods verstoort. Wij zullen er ons dus niet van laten af brengen, om overeenkomstig het ware geloof elke zogenaamde natuurlijke gebeurtenis, die ons geluk verstoort, zij die klein of groot, als ene onmiddellijke Goddelijke straf voor de zonde van ons en van onze tijdgenoten aan te zien, en, even als Joël, daarin het naderen van den laatsten en verschrikkelijken dag des Heeren op te merken.
De Heere, die almachtig is, kan niet alleen ene gehele verwoesting aanbrengen, wanneer het Hem behaagt, zodat geen schepsels hulpe dezelve zal kunnen afweren, maar Zijn zondig volk mag inzonderheid ook verwachten, dat zijn oordeel hen onwederstandelijk verwoesten zal. De gedachten hieraan moesten bij tijds tot bekering opwekken, want dit wordt hier als een drangreden gebruikt. Gods almachtigheid en gestrengheid hen voor ogen stellende, dat die als een verwoesting komen zal van den Almachtige.
Is niet door de sprinkhanen-plaag, als wij reeds van den oogst ons zeker waanden, de spijze voor onze ogen afgesneden? blijdschap en verheuging (Deut. 12:6 v. 16:10 v.) van het huis onzes Gods, wien nu gene eerstelingen, gene dankoffers worden gebracht, voor wien gene vrolijke offermaaltijden kunnen gevierd worden?
Bij al die verwoesting komt nog ene aanhoudende, ontzettende droogte. De granen, die door het geven van een goeden oogst ons ongeluk hadden kunnen verzachten, hebben hun kracht tot ontkiemen in den grond verloren, en zijn onder hun kluiten verrot (liever “verdroogd”); de schathuizen waarin het koren, voordat het gedorst is, wordt geborgen, zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, staan vervallen, omdat er aan gene verbetering behoefte is, want het koren is verdord.
O hoe zucht het vee in dien alles verzengenden gloed! de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben gene weide meer; ook zijn de schaapskudden verwoest. Zo moet ook het redeloos gedierte onder de gevolgen onzer zonden lijden.
Tot U, o HEERE! die toch zo gaarne mensen en vee helpt (Ps. 36:7) roep ik, 1) Uw Profeet voor Uw volk en Uw erfdeel; want een vuur, de gloed der zon, heeft de weiden der woestijn verteerd, verbrand, en ene vlam, de aanhoudende hitte, heeft al de bomen des velds aangestoken.
De Profeet treedt hier op als voorbidder voor zijn volk. De nood van land en volk drijft hem uit, om niet alleen te wijzen op de ellende, maar ook tot den Heere de toevlucht te nemen, om afwending van de plagen, om redding en verlossing voor Zijn volk.
De Heere die slaat moet ook weer genezen. Hij is de God, die alleen redden kan.
Ook schreeuwt elk beest des velds 1) tot U, die aan al het vee zijn voeder geeft, den jongen raven, als zij tot U roepen; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur der zon heeft de weiden der woestijn verteerd.
De wildere soort van dieren, die wijd en zijd hun nooddruft gaan roven, kunnen thans geen voedsel vinden; zij zien naar U en schreeuwen tot U. Schoon zij, beter dan andere dieren, voor zich zelven konden toezien, het kan hun nu niet baten, zij uiten hun klachten met hun akelig gekrijs en geschreeuw. Zij roepen tot U, die Uwe hand kunt openen en hen verzadigen. Leert dit, onredelijke mensen! Ziet ook op den Heere, en roept tot Hem. En wederom zij roepen tot U, o God! heb mededogen met Uwe onzondige schepselen, waarvan er velen vergaan; hoor hen, schoon Gij de zondige mensen al niet wilt horen.
Het vee geeft zijn gebrek aan voedsel door treurig geluid te kennen, dat hun natuurlijk is, om U hunnen nood te kennen te geven (vgl. Ps. 104:21. Job. 38:41).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel