Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Maar JobH347 antwoorddeH6030 en zeideH559:
Maar Job antwoordde en zeide:
KJV
Then Job2
answered1
and said,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
WaarlijkH551, ik weetH3045, datH3588 het zoH3651 is; want hoeH4100 zou de mensH582 rechtvaardigH6663 zijn bijH5973 GodH410?
Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?
KJV
I know2
it is so of a truth:1
but how should man7
be just6
with God?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
ZoH518 Hij lustH2654 heeft, om metH5973 hem te twistenH7378, nietH3808 eenH259 uitH4480 duizendH505 zal hij Hem beantwoordenH6030.
Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.
KJV
If he will2
contend3
with him, he cannot answer6
him one7
of a thousand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Hij is wijsH2450 van hartH3824, en sterkH533 van krachtH3581; wieH4310 heeft zich tegenH413 Hem verhardH7185, en vredeH7999 gehad?
Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
KJV
He is wise1
in heart,2
and mighty3
in strength:4
who hath hardened6
himself against him, and hath prospered?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Die de bergenH2022 verzetH6275, dat zij het nietH3808 gewaarH3045 worden, DieH834 ze omkeertH2015 in Zijn toornH639;
Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;
KJV
Which removeth1
the mountains,2
and they know4
not: which overturneth6
them in his anger.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Die de aardeH776 beweegtH7264 uit haar plaatsH4725, dat haar pilarenH5982 schuddenH6426;
Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;
KJV
Which shaketh1
the earth2
out of her place,3
and the pillars4
thereof tremble.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Die de zonH2775 gebiedtH559, en zij gaat nietH3808 op; en verzegeltH2856 de sterrenH3556;
Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;
KJV
Which commandeth1
the sun,2
and it riseth4
not; and sealeth up7
the stars.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Die alleen de hemelenH8064 uitbreidtH5186, en treedtH1869 opH5921 de hoogtenH1116 der zeeH3220;
Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;
KJV
Which alone spreadeth out1
the heavens,2
and treadeth4
upon the waves6
of the sea.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Die den WagenH5906 maaktH6213, den OrionH3685, en het ZevengesternteH3598, en de binnenkamerenH2315 van het ZuidenH8486;
Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;
KJV
Which maketh1
Arcturus,2
Orion,3
and Pleiades,4
and the chambers5
of the south.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Die groteH1419 dingen doetH6213, die men nietH369 doorzoekenH2714 kan; en wonderenH6381, die men nietH369 tellenH4557 kan.
Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
KJV
Which doeth1
great things2
past4
finding out;5
yea, and wonders6
without number.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
ZieH2005, Hij zal voor mij henengaanH5674, en ik zal Hem nietH3808 zienH7200; en Hij zal voorbijgaanH2498, en ik zal Hem nietH3808 merkenH995.
Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
KJV
Lo, he goeth2
by me, and I see5
him not: he passeth on6
also, but I perceive
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
ZieH2005, Hij zal rovenH2862, wie zal het Hem doen wedergevenH7725? WieH4310 zal totH413 Hem zeggenH559: WatH4100 doetH6213 Gij?
Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
KJV
Behold, he taketh away,2
who can hinder4
him? who will say6
unto him, What doest
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
GodH433 zal Zijn toornH639 nietH3808 afkerenH7725; onderH8478 Hem worden gebogenH7817 de hovaardigeH7293 helpersH5826.
God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.
KJV
If God1
will not withdraw3
his anger,4
the proud8
helpers7
do stoop
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
HoeveelH637 te minH3588 zal ikH595 Hem antwoordenH6030, en mijn woordenH1697 uitkiezenH977 tegenH5973 Hem?
Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
KJV
How much less shall I answer4
him, and choose out5
my words
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Denwelken ik, zoH518 ik rechtvaardigH6663 ware, nietH3808 zou antwoordenH6030; mijn RechterH8199 zal ik om genadeH2603 bidden.
Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.
KJV
Whom, though I were righteous,3
yet would I not answer,5
but I would make supplication7
to my judge.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Indien ik roepH7121, en Hij mij antwoordtH6030; ik zal nietH3808 gelovenH539, datH3588 Hij mijn stemH6963 ter ore genomenH238 heeft.
Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.
KJV
If I had called,2
and he had answered3
me; yet would I not believe5
that he had hearkened7
unto my voice.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Want Hij vermorzeltH7779 mij door een onwederH8183, en vermenigvuldigtH7235 mijn wondenH6482 zonder oorzaakH2600.
Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.
KJV
For he breaketh3
me with a tempest,2
and multiplieth4
my wounds5
without cause.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Hij laat mij nietH3808 toe mijn ademH7307 te verhalenH7725; maarH3588 Hij verzadigtH7646 mij met bitterhedenH4472.
Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
KJV
He will not suffer2
me to take3
my breath,4
but filleth6
me with bitterness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Zo het aan de krachtH3581 komt, zieH2009, Hij is sterkH533; en zoH518 het aan het rechtH4941 komt, wieH4310 zal mij dagvaardenH3259?
Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
KJV
If I speak of strength,2
lo, he is strong:3
and if of judgment,6
who shall set
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
ZoH518 ik mij rechtvaardigH6663, mijn mondH6310 zal mij verdoemenH7561; ben ik oprechtH8535, Hij zal mijH589 toch verkeerd verklarenH6140.
Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.
KJV
If I justify2
myself, mine own mouth3
shall condemn4
me: if I say, I am perfect,5
it shall also prove me perverse.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Ben ik oprechtH8535, zo achtH3045 ik toch mijn zielH5315 nietH3808; ik versmaadH3988 mijn levenH2416.
Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.
KJV
Though I were perfect,1
yet would I not know4
my soul:5
I would despise6
my life.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
DatH1931 is eenH259 dingH5921, daaromH3651 zegH559 ik: Den oprechteH8535 en den goddelozeH7563 verdoetH3615 HijH1931.
Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij.
KJV
This is one1
thing, therefore I said5
it, He destroyeth9
the perfect6
and the wicked.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
AlsH518 de geselH7752 haastelijkH6597 doodtH4191, bespotH3932 Hij de verzoekingH4531 der onschuldigenH5355.
Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.
KJV
If the scourge2
slay3
suddenly,4
he will laugh7
at the trial5
of the innocent.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
De aardeH776 wordt gegevenH5414 in de handH3027 des goddelozenH7563; Hij overdektH3680 het aangezichtH6440 harer rechterenH8199; zoH518 nietH3808, wieH4310 is Hij dan?
De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?
KJV
The earth1
is given2
into the hand3
of the wicked:4
he covereth7
the faces5
of the judges6
thereof; if not, where,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En mijn dagenH3117 zijn lichterH7043 geweest danH4480 een loperH7323; zij zijn weggevlodenH1272, zij hebben het goedeH2896 nietH3808 gezienH7200.
En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.
KJV
Now my days1
are swifter2
than a post:4
they flee away,5
they see7
no good.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Zij zijn voorbijgevarenH2498 metH5973 jachtschepenH16; gelijk een arendH5404 naar het aasH400 toevliegtH2907.
Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.
KJV
They are passed away1
as2
the swift4
ships:3
as the eagle5
that hasteth6
to the prey.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
IndienH518 mijn zeggenH559 is: Ik zal mijn klachtH7879 vergetenH7911, en ik zal mijn gebaarH6440 laten varenH5800, en mij verkwikkenH1082;
Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;
KJV
If I say,2
I will forget3
my complaint,4
I will leave off5
my heaviness,6
and comfort
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Zo schroomH3025 ik voor alH3605 mijn smartenH6094; ik weetH3045, datH3588 Gij mij nietH3808 onschuldigH5352 zult houden.
Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.
KJV
I am afraid1
of all my sorrows,3
I know4
that thou wilt not hold me innocent.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Ik zal toch goddeloosH7561 zijn; waaromH4100 dan zal ik ijdellijkH1892 arbeidenH3021?
Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?
KJV
If I be wicked,2
why then labour6
I in vain?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
IndienH518 ik mij wasseH7364 met sneeuwwaterH7950, en mijn handenH3709 zuivereH2141 met zeepH1252;
Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;
KJV
If I wash2
myself with4
snow water,3
and make my hands7
never6
so clean;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Dan zult Gij mij in de grachtH7845 induikenH2881, en mijn klederenH8008 zullen van mij gruwenH8581.
Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.
KJV
Yet1
shalt thou plunge3
me in the ditch,2
and mine own clothes5
shall abhor
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Want Hij is nietH3808 een manH376, alsH3588 ik, dien ik antwoordenH6030 zou, zo wij te zamenH3162 in het gerichtH4941 kwamenH935.
Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
KJV
For he is not a man,3
as I am, that I should answer5
him, and we should come6
together7
in judgment.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Er is geen scheidsmanH3198 tussenH996 ons, die zijn handH3027 opH5921 ons beidenH8147 leggenH7896 mocht.
Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht.
KJV
Neither is2
there any daysman4
betwixt us, that might lay5
his hand6
upon us both.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Dat Hij van opH5921 mij Zijn roedeH7626 wegdoeH5493, en dat Zijn verschrikkingH367 mij nietH408 verbaasdH1204 make;
Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
KJV
Let him take1
his rod3
away
from me, and let not his fear4
terrify
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
Zo zal ik sprekenH1696, en Hem nietH3808 vrezenH3372; wantH3588 zodanigH3651 ben ik nietH3808 bij mij.
Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.
KJV
Then would I speak,1
and not fear
zo is;
Te weten, gelijk gij zegt, namelijk dat God rechtvaardig is, straffende de kwaden en de goeden voorstaande. Dit weet ik zo wel, dat ik nooit gedacht heb God van ongerechtigheid te beschuldigen.
Hertaald:
zo is;
Namelijk: zoals u zegt, namelijk dat God rechtvaardig is, terwijl Hij de kwaden straft en de goeden voorstaat. Dit weet ik zo goed, dat ik nooit gedacht heb God van ongerechtigheid te beschuldigen.
God?
Dat is, voor God. Alzo wordt het Hebreeuwse woord genomen, 1 Sam. 2:26 ; Ps. 130:4 .
Hertaald:
God?
Dat is: voor God. Zo wordt het Hebreeuwse woord gebruikt, 1 Sam. 2:26; Ps. 130:4.
niet een
Dat is, duizendmaal zal de mens schuldig bevonden worden, dat is, zeer dikwijls, ja bijna oneindelijk. Een zeker getal voor een onzeker. Zie Lev. 26:8 .
Hertaald:
niet een
Dat is: duizendmaal zal de mens schuldig bevonden worden, dat is: zeer vaak, ja bijna oneindig. Een bepaald getal voor een onbepaald. Zie Lev. 26:8.
Hij is wijs
Te weten, God. Zie boven, Job 3:20 .
Hertaald:
Hij is wijs
Namelijk: God. Zie hierboven Job 3:20.
van hart,
Bij de Hebreën wordt het woord hart genomen voor de plaats des verstands, en vervolgens ook voor het verstand en de wijsheid zelve; Ex. 28:3 ; onder, Job 11:12 , en Job 34:34 ; Spr. 2:10 , en Spr. 6:32 , en Spr. 19:8 ; Hos. 4:11 .
Hertaald:
van hart,
Bij de Hebreeën wordt het woord hart gebruikt voor de zetel van het verstand, en vervolgens ook voor het verstand en de wijsheid zelf; Ex. 28:3; hieronder Job 11:12, en Job 34:34; Spr. 2:10, en Spr. 6:32, en Spr. 19:8; Hos. 4:11.
niet gewaar worden,
Dat is, onvoorziens en buiten alle verwachting, te weten, der mensen, die daarop wonen. Vergelijk boven, Job 7:10 ; of den levenlozen dingen wordt hier bij gelijkenis leven en gevoel toegeschreven. Zie onder, Job 28:14 .
Hertaald:
niet gewaar worden,
Dat is: onverwacht en buiten alle verwachting van, namelijk, de mensen die daarop wonen. Vergelijk hierboven Job 7:10; of aan levenloze dingen wordt hier op beeldende wijze leven en gevoel toegeschreven. Zie hieronder Job 28:14.
haar pilaren
Dat is, hun onderste grondslagen en fondamenten.
Hertaald:
haar pilaren
Dat is: hun onderste grondslagen en funderingen.
schudden;
Dat is, gelijk van verschrikking hutsen. Vergelijk hiermede Job 26:11 .
Hertaald:
schudden;
Dat is: als het ware van schrik beven. Vergelijk hiermee Job 26:11.
de zon
Hebreeuws, tot de zon zegt. Zeggen, of spreken, voor gebieden. Zie 2 Kron. 29:24 .
Hertaald:
de zon
Hebreeuws: tot de zon zegt. Zeggen, of spreken, voor gebieden. Zie 2 Kron. 29:24.
zij gaat niet op;
Te weten, gewoonlijk, zolang de nacht over den horizon van een land duren moet, of buitengewoon als het God belieft in den loop der zon verandering te brengen; Joz. 10:12 , en 2 Kon. 20:11 .
Hertaald:
zij gaat niet op;
Namelijk: gewoonlijk, zolang de nacht boven de horizon van een land moet duren, of buitengewoon, wanneer het God behaagt verandering te brengen in de loop van de zon; Joz. 10:12, en 2 Kon. 20:11.
verzegelt
Te weten, door het licht des daags, hetwelk de sterren verbergt, even gelijk door een zegel het ingeslotene verborgen wordt, dat men het niet zien kan. De zin is, dat God den dag maakt; gelijk in het eerste lid van vs.7 Hem toegeschreven wordt het maken van den nacht. Of men kan het verstaan van buitengewone en wonderbare verduistering of ophouding van het licht der sterren. Alzo wordt het woord zegelen genomen, Jes. 29:11 ; Dan. 9:24 , en Dan. 12:4 , Dan. 12:9 .
Hertaald:
verzegelt
Namelijk: door het licht van de dag, dat de sterren verbergt, net zoals door een zegel het ingeslotene verborgen wordt zodat men het niet kan zien. De betekenis is dat God de dag maakt; zoals in het eerste deel van vers 7 aan Hem het maken van de nacht wordt toegeschreven. Of men kan het betrekken op een buitengewone en wonderbaarlijke verduistering of stillegging van het licht van de sterren. Zo wordt het woord verzegelen ook gebruikt, Jes. 29:11; Dan. 9:24, en Dan. 12:4, Dan. 12:9.
hoogten
Dat is, op den vloed en de hooglopende baren der zee, die God stilt en effent, alsof Hij ze met zijn voet nederzette en gelijk maakte.
Hertaald:
hoogten
Dat is: op de vloed en de hooggaande golven van de zee, die God tot rust brengt en effent, alsof Hij ze met Zijn voet neerzette en gelijkmaakte.
Wagen
Een gesternte des hemels, hedendaags ook alzo genaamd, en anders geheten Arctos, of Ursa; sommigen verstaan het gesternte genoemd Arcturus. Zie hiervan ook onder, Job 38:32 .
Hertaald:
Wagen
Een sterrenbeeld aan de hemel, tegenwoordig ook zo genoemd, en elders Arctos, of Ursa geheten; sommigen verstaan hieronder het sterrenbeeld Arcturus. Zie hierover ook hieronder Job 38:32.
Orion,
Een gesternte, zich vertonende in December tot de lente toe. Zie ook hiervan onder, Job 38:31 , en Am. 5:8 .
Hertaald:
Orion,
Een sterrenbeeld, zichtbaar van december tot aan de lente. Zie hierover ook hieronder Job 38:31, en Amos 5:8.
Zevengesternte,
Ook een gesternte, of teken des hemels, genaamd van de Latijnen Virgiliae, van de Grieken Pleiades, van de onzen het Zevengesternte, met de lente voortkomende; waarvan zie mede onder, Job 38:31 .
Hertaald:
Zevengesternte,
Ook een sterrenbeeld, of teken aan de hemel, door de Latijnen Virgiliae genoemd, door de Grieken Pleiaden, door ons het Zevengesternte, dat met de lente verschijnt; zie hierover ook hieronder Job 38:31.
binnenkameren
Of, vertrekken, of heimelijkheden. Versta hiermede de sterren, welke zijn omtrent den zuidpool, en omdat zij ten meeste van ons, die omtrent den noordpool wonen, niet gezien worden, de heimelijkheden, binnenkamers, of vertrekplaatsen genaamd worden.
Hertaald:
binnenkameren
Of: vertrekken, of geheime plaatsen. Versta hiermee de sterren die zich rond de zuidpool bevinden, en omdat zij door de meesten van ons, die rond de noordpool wonen, niet gezien worden, de geheime plaatsen, binnenkamers, of vertrekken genoemd worden.
Die grote dingen doet,
Zie boven, Job 5:9 , en de aantekening daarop.
Hertaald:
Die grote dingen doet,
Zie hierboven Job 5:9, en de aantekening daarbij.
die men
Hebreeuws, tot geen onderzoek toe.
Hertaald:
die men
Hebreeuws: tot geen onderzoek toe.
zal voor mij
Te weten, met getuigenissen zijner wijsheid, mogendheid, goedheid en rechtvaardigheid, die Hij in zijn werken alleszins uitdrukt, en van ons laat aanschouwen, die nochtans ten volle van ons niet kunnen doorgrond worden; Rom. 11:33 .
Hertaald:
zal voor mij
Namelijk: met bewijzen van Zijn wijsheid, macht, goedheid en rechtvaardigheid, die Hij in al Zijn werken tot uitdrukking brengt en ons laat aanschouwen, die toch niet volledig door ons doorgrond kunnen worden; Rom. 11:33.
zal voorbijgaan,
Hebreeuws, veranderen; te weten, van plaats; menselijk van God gesproken, ten aanzien van zijn werken, die Hij doet in toorn of genade. Zie boven, Job 4:15 .
Hertaald:
zal voorbijgaan,
Hebreeuws: veranderen; namelijk van plaats; op menselijke wijze over God gesproken, met het oog op Zijn werken, die Hij verricht in toorn of genade. Zie hierboven Job 4:15.
Zie,
Dat is, Hij zal den mensen, om hunner zonden wil, hun goed en leven, dat Hij hun gegeven had, ontnemen.
Hertaald:
Zie,
Dat is: Hij zal de mensen, vanwege hun zonden, hun bezit en leven, dat Hij hun gegeven had, ontnemen.
roven,
Vergelijk 2 Sam. 16:10 ; Jes. 45:9 ; Jer. 18:6 ; Rom. 9:20 .
Hertaald:
roven,
Vergelijk 2 Sam. 16:10; Jes. 45:9; Jer. 18:6; Rom. 9:20.
Zijn toorn
Dat is, zijn straf niet inhouden als Hij dezelve voorgenomen heeft naar zijn rechtvaardig oordeel uit te voeren, hoezeer ook de goddelozen daartegen worstelen, zoekende die met geweld te ontgaan, of van anderen af te keren.
Hertaald:
Zijn toorn
Dat is: Zijn straf niet inhoudt wanneer Hij die volgens Zijn rechtvaardig oordeel besloten heeft uit te voeren, hoezeer de goddelozen daar ook tegen worstelen en proberen die met geweld te ontlopen of van zich af te wenden.
hovaardige
Hebreeuws, de helpers der hovaardigheid; dat is, die stoutelijk vermeten zichzelven of anderen te helpen.
Hertaald:
hovaardige
Hebreeuws: de helpers van de hoogmoed; dat is: die vermetel zichzelf of anderen durven helpen.
antwoorden,
Dat is, antwoorden kunnen, te weten, indien Hij mij in het gericht riep. Alzo in vs.15.
Hertaald:
antwoorden,
Dat is: kunnen antwoorden, namelijk als Hij mij voor het gericht zou dagen. Zo ook in vers 15.
tegen Hem?
Het Hebreeuwse woord him wordt somtijds voor tegen genomen, gelijk Deut. 9:7 , onder, Job 10:17 ; Ps. 94:16 ; Spr. 30:31 .
Hertaald:
tegen Hem?
Het Hebreeuwse woord him wordt soms gebruikt voor tegen, zoals Deut. 9:7, hieronder Job 10:17; Ps. 94:16; Spr. 30:31.
niet geloven,
Te weten, niet geheel vastelijk. Want Job, tenonder geworpen zijnde door de zwaarheid zijns lijdens en verschrikt door de grootheid der goddelijke majesteit, heeft zich voor een wijle niet kunnen inbeelden een haastige verlossing uit zijn ellende.
Hertaald:
niet geloven,
Namelijk: niet helemaal zeker. Want Job, ondergedrukt door de zwaarte van zijn lijden en verschrikt door de grootheid van de goddelijke majesteit, heeft zich een tijdlang geen snelle verlossing uit zijn ellende kunnen voorstellen.
onweder,
Te weten, der straffen en bezoekingen, die over hem gevallen waren, welke hij bij een onweder vergelijkt, vanwege haar snelle, onverwachte, vreeslijke en geweldige overkomst. Vergelijk onder, Job 27:20 ; Ps. 83:16 ; Spr. 10:25 ; Ezech. 13:11 , Ezech. 13:13-14 ; Am. 1:14 .
Hertaald:
onweder,
Namelijk: van de straffen en beproevingen die hem overkomen waren, die hij vergelijkt met een storm, vanwege hun snelle, onverwachte, verschrikkelijke en heftige komst. Vergelijk hieronder Job 27:20; Ps. 83:16; Spr. 10:25; Ezech. 13:11, Ezech. 13:13-14; Amos 1:14.
wonden
Versta, de ellenden, die hij in zijn lichaam, goed en huisgezin door de bezoekingen des Heeren gekregen had.
Hertaald:
wonden
Versta hieronder de ellende die hij in zijn lichaam, bezit en huisgezin door de beproevingen van de HEERE opgelopen had.
zonder oorzaak
Dat is, waardoor ik zulke straf meer zou verdiend hebben dan andere mensen, of iets gruwelijks bedreven, dat een extraordinaire straf verdienen zou. Zie boven, Job 2:3 .
Hertaald:
zonder oorzaak
Dat is: waardoor ik zo'n straf meer zou verdiend hebben dan andere mensen, of iets gruwelijks bedreven zou hebben dat een buitengewone straf zou verdienen. Zie hierboven Job 2:3.
mijn adem
Hebreeuws, mijn geest weder te brengen; dat is, enig respijt of verlichting te hebben, maar Hij houdt doorgaans aan om mij met deze plagen op te vullen en gelijk te verstrikken. Vergelijk boven, Job 7:4 , geest voor adem. Alzo onder, Job 19:17 .
Hertaald:
mijn adem
Hebreeuws: mijn geest terug te brengen; dat is: enige adempauze of verlichting te hebben, maar Hij houdt voortdurend aan om mij met deze plagen te overladen en als het ware te verstrikken. Vergelijk hierboven Job 7:4, geest voor adem. Zo ook hieronder Job 19:17.
bitterheden
Dat is, droevige plagen. Vergelijk 2 Kon. 4:27 .
Hertaald:
bitterheden
Dat is: droevige plagen. Vergelijk 2 Kon. 4:27.
Zo het aan de kracht
Dat is, zo het geschil tussen God en mij door kracht moet geëffend en geëindigd worden.
Hertaald:
Zo het aan de kracht
Dat is: als het geschil tussen God en mij door kracht beslecht en beëindigd moet worden.
dagvaarden?
Hebreeuws, doen vergaderen? dat is, wie zal maken dat wij bijeenkomen om samen te rechten, en dat eindelijk een vonnis tussen ons beiden gewezen worde?
Hertaald:
dagvaarden?
Hebreeuws: doen samenkomen? Dat is: wie zal ervoor zorgen dat wij bijeenkomen om samen recht te spreken, en dat uiteindelijk een vonnis tussen ons beiden geveld wordt?
Zo ik mij
Te weten, voor God. Anders, hoewel ik rechtvaardig ben.
Hertaald:
Zo ik mij
Namelijk: voor God. Anders: hoewel ik rechtvaardig ben.
mijn mond
Dat is, ik zal evenwel moeten bekennen dat ik een arm zondaar ben; of, uit hetgeen mijn mond zal spreken, zal God evenwel mij nog van zonde kunnen overtuigen. Van het woord verdoemen, zie onder, Job 10:2 .
Hertaald:
mijn mond
Dat is: ik zal toch moeten erkennen dat ik een arme zondaar ben; of: door wat mijn mond zal zeggen, zal God mij toch nog van zonde kunnen overtuigen. Zie over het woord verdoemen hieronder Job 10:2.
Hij zal mij
Dat is, God of mijn mond zal mij bewijzen verkeerd te zijn; want Hij zal mij zo wijselijk ondervragen, dat Hij nog bij mijn ontschuldiging stof zal vinden om mij te veroordelen; en hoewel ik in dit geschil een goede zaak tegen mijne vrienden heb, nochtans weet ik dat ik voor God een zondig mens ben, en daarom ook verdoemelijk.
Hertaald:
Hij zal mij
Dat is: God, of mijn mond, zal mij bewijzen dat ik verkeerd ben; want Hij zal mij zo wijselijk ondervragen dat Hij zelfs in mijn verontschuldiging nog reden zal vinden om mij te veroordelen; en hoewel ik in dit geschil een goede zaak heb tegenover mijn vrienden, weet ik toch dat ik voor God een zondig mens ben, en daarom ook schuldig.
acht
Hebreeuws, ken; dat is, acht, bezorg, gadesla. Vergelijk de aantekening Gen. 18:19 . Anders, ik zal mijn ziel, of mijzelven niet kennen, alsof ik bij mijzelven niets ware voor de vrees der goddelijke majesteit.
Hertaald:
acht
Hebreeuws: ken; dat is: acht, verzorg, houd in de gaten. Vergelijk de aantekening bij Gen. 18:19. Anders: ik zal mijn ziel, of mijzelf, niet kennen, alsof ik voor mijzelf niets zou zijn vanwege de vrees voor de goddelijke majesteit.
ziel niet;
Dat is, leven. Zie Gen. 19:17 . De verklaring volgt in het einde van vs.21. Of, mijzelven niet. Zie 1 Kon. 19:4 .
Hertaald:
ziel niet;
Dat is: leven. Zie Gen. 19:17. De uitleg volgt aan het einde van vers 21. Of: mijzelf niet. Zie 1 Kon. 19:4.
Dat is een ding,
Te weten, dat ik kwalijk verzwelgen kan; hetwelk dit is, dat ik, vroom zijnde, nochtans mijn leven versmaden moet, uit oorzaak van het menigvuldige kwaad en verdriet, dat mij daarin overkomt.
Hertaald:
Dat is een ding,
Namelijk: wat ik moeilijk kan verdragen; en dat is dit, dat ik, hoewel vroom, toch mijn leven moet verafschuwen, vanwege het vele kwaad en verdriet dat mij daarin overkomt.
doodt,
Te weten, de goeden tezamen met de kwaden.
Hertaald:
doodt,
Namelijk: de goeden samen met de kwaden.
bespot
Te weten, naar de uiterlijke gedaante dezes levens, en niet naar de verborgen waarheid der zaken; want naar de uitwendige gedaante schijnt hier geen onderscheid te wezen tussen goeden en kwaden, hetwelk vele vromen, hier altijd zeer bekommerd heeft; Ps. 37:1 ,en Ps. 73:2 , enz.; Pred. 8:14 ; Jer. 12:1 ; Hab. 1:13-14 . Maar anders is het waarachtig wat wij lezen Ps. 73:17-18 ; Jer. 12:3 ; Mal. 3:16-17 ; 1 Kor. 11:32 ; Hebr. 12:10-11 .
Hertaald:
bespot
Namelijk: naar de uiterlijke verschijning van dit leven, en niet naar de verborgen waarheid van de zaken; want naar de uiterlijke verschijning lijkt hier geen onderscheid te zijn tussen goeden en kwaden, wat vele vromen hier altijd zeer heeft bezorgd; Ps. 37:1, en Ps. 73:2, enzovoort; Pred. 8:14; Jer. 12:1; Hab. 1:13-14. Maar het is anders werkelijk waar wat wij lezen in Ps. 73:17-18; Jer. 12:3; Mal. 3:16-17; 1 Kor. 11:32; Hebr. 12:10-11.
verzoeking
Zie Gen. 22:1 .
Hertaald:
verzoeking
Zie Gen. 22:1.
gegeven
Te weten, door Gods regering.
Hertaald:
gegeven
Namelijk: door Gods bestuur.
in de hand
Dat is, in het geweld des bozen, daar het den mens dunkt dat de vromen veel meer behoorden de overhand en het opperste gebied te hebben in de wereld.
Hertaald:
in de hand
Dat is: in de macht van de boze, terwijl het de mens toeschijnt dat de vromen veel meer de overhand en het hoogste gezag in de wereld zouden moeten hebben.
Hij overdekt
Versta, dat God de ogen des verstands van de regeerders der wereld verblindt, dat zij niet kunnen onderscheiden het goede van het kwade, om de boosheden te straffen en de deugden te vereren.
Hertaald:
Hij overdekt
Versta hieronder dat God de ogen van het verstand van de bestuurders van de wereld verblindt, zodat zij het goede niet van het kwade kunnen onderscheiden, om de slechtheid te straffen en de deugd te eren.
wie is Hij
Te weten, die het doet. Anders, waar [en] wie is Hij? Hoe nu God gezegd wordt het kwade te doen, zie Gen. 45:5 , en 1 Kon. 12:15 .
Hertaald:
wie is Hij
Namelijk: Die het doet. Anders: waar [en] wie is Hij? Zie over hoe God gezegd wordt het kwade te doen Gen. 45:5, en 1 Kon. 12:15.
dan?
Hebreeuws, Efo. Zie Hos. 13:10 .
Hertaald:
dan?
Hebreeuws: Efo. Zie Hos. 13:10.
En mijn dagen
Alsof hij zeide: Heb ik enigen voorspoed gehad, die is haast vergaan; maar der goddelozen welstand is langdurig; Ps. 73:4 .
Hertaald:
En mijn dagen
Alsof hij zei: heb ik enige voorspoed gehad, die is snel vergaan; maar de welstand van de goddelozen duurt lang; Ps. 73:4.
lichter
Dat is, sneller. Zie boven, Job 7:6 .
Hertaald:
lichter
Dat is: sneller. Zie hierboven Job 7:6.
niet gezien
Dat is, niet genoten. Zie boven, Job 7:7 .
Hertaald:
niet gezien
Dat is: niet genoten. Zie hierboven Job 7:7.
met
Dat is, gelijk; blijkende zulks uit het andere lid van vs.26.
Hertaald:
met
Dat is: zoals; wat blijkt uit het andere deel van vers 26.
jachtschepen;
Hebreeuws, schepen der begeerte; dat is, die zo snellijk voortzeilen, dat zij een begeerte en lust schijnen te hebben tot de plaats waar zij wezen moeten. Of, versta, schepen, die met begeerlijke, dat is kostelijke dingen geladen zijnde, hunnen weg kort zoeken te maken om hun waren buiten gevaar te brengen en geld daarvan te maken.
Hertaald:
jachtschepen;
Hebreeuws: schepen van de begeerte; dat is: die zo snel voortzeilen dat zij een verlangen en lust lijken te hebben naar de plaats waar zij moeten zijn. Of versta hieronder: schepen die, geladen met begerenswaardige, dat is kostbare, dingen, hun weg proberen te bekorten om hun waren buiten gevaar te brengen en er geld van te maken.
gebaar
Hebreeuws, aangezicht; dat is mijn ongesteld wezen en droevig gelaat.
Hertaald:
gebaar
Hebreeuws: aangezicht; dat is: mijn onwelvarende verschijning en droevige gezicht.
smarten;
Te weten, dat zij mij verhinderen zullen naar mijn zeggen te doen.
Hertaald:
smarten;
Namelijk: dat zij mij zullen verhinderen te doen wat ik zeg.
onschuldig
Dat is, niet ongestraft laten. Zie 1 Kon. 2:9 .
Hertaald:
onschuldig
Dat is: niet ongestraft laten. Zie 1 Kon. 2:9.
goddeloos
Of, schuldig, strafbaar; idem, goddeloos, of schuldig verklaard worden, omdat Gij altijd met recht behouden zult, hoezeer ik mij ook poog te verdedigen.
Hertaald:
goddeloos
Of: schuldig, strafbaar; eveneens: goddeloos, of schuldig verklaard worden, omdat U altijd terecht als rechtvaardig zult blijken, hoezeer ik mij ook probeer te verdedigen.
ijdellijk
Dat is, waarom zal ik mij nu tevergeefs vermoeien? of, moeite tevergeefs doen, met mijn zaak voor te staan?
Hertaald:
ijdellijk
Dat is: waarom zal ik mij nu tevergeefs vermoeien? Of: tevergeefs moeite doen om mijn zaak te verdedigen?
zeep;
Anders, in reinheid.
Hertaald:
zeep;
Anders: in reinheid.
gracht
Te weten, die modderig, slijmerig en zeer drekkig is, en uit welke ik zeer onrein en stinkende zal voortkomen. Hij spreekt bij gelijkenis. De zin is dat zijn verantwoording, hoe schoon zij ook met redenen bekleed en versierd ware, niet zou helpen, als de Heere met hem in zijn gericht treden wilde.
Hertaald:
gracht
Namelijk: die modderig, slijmerig en zeer vuil is, en waaruit ik zeer onrein en stinkend zal voortkomen. Hij spreekt op beeldende wijze. De betekenis is dat zijn verdediging, hoe mooi ook met argumenten omkleed en versierd, niet zou helpen als de HEERE met hem voor het gericht wilde treden.
klederen
Dat is, al wat mij naast is en toebehoort, zal een walg hebben van mijn onreinheid. Het is een overtollige manier van spreken.
Hertaald:
klederen
Dat is: alles wat mij het naast en het meest eigen is, zal walgen van mijn onreinheid. Het is een overdreven manier van spreken.
scheidsman
Of, rechter.
Hertaald:
scheidsman
Of: rechter.
zijn hand
Te weten, zowel ook door zijn autoriteit orde te stellen en wetten voor te schrijven, die wij in het pleiten volgen zouden, als om ons geschil door zijn uitspraak te eindigen. Merk, dat de oplegging der handen een teken van macht en gebied geweest is. Anders, die zijn hand aan ons beiden legge; dat is, het vonnis ter executie stelle.
Hertaald:
zijn hand
Namelijk: zowel door met zijn gezag orde te scheppen en wetten voor te schrijven die wij bij het pleiten zouden moeten volgen, als om ons geschil door zijn uitspraak te beëindigen. Merk op dat het opleggen van de handen een teken van macht en gezag geweest is. Anders: die zijn hand op ons beiden legt; dat is: het vonnis ten uitvoer legt.
Dat Hij
Alsof hij zeide: Indien ik van dit lijden ontslagen ware, en dat ik maar met mijns gelijke te doen had, die mij door zijn majesteit niet verschrikte, ik zou haast doen blijken dat deze plagen mij niet overgekomen zijn om enige grove zonden en boosheden, gelijk gijlieden meent.
Hertaald:
Dat Hij
Alsof hij zei: als ik van dit lijden ontslagen was en alleen met mijns gelijke te maken had, die mij niet zou verschrikken door zijn majesteit, zou ik snel laten blijken dat deze plagen mij niet overkomen zijn vanwege grove zonden en boosheden, zoals u denkt.
roede
Dat is, zijn straf en kastijding. Alzo 2 Sam. 7:14 , onder, Job 21:9 , en Job 37:13 ; Ps. 89:33 ; Jes. 10:5 ; Klaagl. 3:1 .
Hertaald:
roede
Dat is: Zijn straf en kastijding. Zo ook 2 Sam. 7:14, hieronder Job 21:9, en Job 37:13; Ps. 89:33; Jes. 10:5; Klaagl. 3:1.
zodanig
Te weten, gelijk ik ben afgemaald van mijn vrienden.
Hertaald:
zodanig
Namelijk: zoals ik door mijn vrienden ben afgeschilderd.
bij mij
Dat is, mijn eigen conscientie, gevoel en bevinding. Anders, aldus ben ik niet bij mijzelven.
Hertaald:
bij mij
Dat is: mijn eigen geweten, gevoel en ervaring. Anders: zo ben ik niet bij mijzelf. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een oprecht en godvrezend man uit het land Uz, zeer rijk aan vee en kinderen. Op aanstoken van de satan liet God zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte zijn eigen gezondheid treffen, om zijn oprechtheid op de proef te stellen; ondanks alles zondigde Job niet en bleef hij aan God vasthouden. Het boek dat zijn naam draagt beschrijft zijn lijden, de gesprekken met zijn drie vrienden over de reden van zijn lijden, Gods antwoord vanuit de storm, en zijn uiteindelijke herstel (Job 1-42). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Job begint met een toegeving. Hij weet werkelijk dat het zo is; hoe zou een mens rechtvaardig zijn bij God (Job 9:2)? Wilde God met hem twisten, dan kon hij op duizend vragen niet één antwoord geven (Job 9:3). Daarna volgt een lofzang op Gods macht, en die is niet minder eerbiedig omdat hij uit een klagende mond komt. God verzet bergen zonder dat zij het merken en beweegt de aarde uit haar plaats (Job 9:5-6). Hij gebiedt de zon en zij gaat niet op; Hij verzegelt de sterren (Job 9:7). Hij breidt alleen de hemel uit en treedt op de hoogten van de zee (Job 9:8). Hij maakte de Wagen, de Orion en het Zevengesternte (Job 9:9), en Hij doet grote dingen die men niet doorgronden kan (Job 9:10). Maar juist die grootheid maakt Hem voor Job onbereikbaar. God gaat hem voorbij zonder dat hij Hem ziet (Job 9:11). Hoe zou hij Hem dan antwoorden of zijn woorden tegen Hem uitkiezen (Job 9:14)? Al was hij in zijn recht, hij zou zijn Rechter alleen om genade kunnen bidden (Job 9:15). In het vervolg gaat hij verder dan hij verantwoorden kan: hij zegt dat God de oprechte en de goddeloze samen verdoet (Job 9:22). Bijbelse betekenis: Het merkwaardige van dit hoofdstuk is dat Job en zijn vrienden het over de leer eens zijn. Geen mens is rechtvaardig voor God; daarover verschillen zij niet. Het verschil zit in wat je daarmee doet. Elifaz gebruikt die waarheid om Job neer te slaan; Job gebruikt haar om te zeggen dat hij dus nooit gehoord zal worden. Beiden lopen vast, en beiden missen wat pas later duidelijk wordt. Let ook op de lofzang in de verzen vijf tot en met tien. Job is de grootheid van God niet kwijt; hij is Zijn nabijheid kwijt. Dat is een groot onderscheid, en het is de moeite waard dat op te merken bij wie in het donker zit. Ten slotte spreekt Job in Job 9:22 een woord uit dat te ver gaat. Het boek laat dat staan zonder het goed te praten, en aan het einde belijdt Job zelf dat hij gesproken heeft wat hij niet begreep (Job 42:3). Typologie: De psalm bidt vanuit dezelfde belijdenis, maar hij bidt haar bíj God in plaats van tégen Hem: "ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn" (Ps. 143:2). Paulus trekt de lijn door tot aan het Evangelie: "Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem" (Rom. 3:20). Wat bij Job een doodlopende weg lijkt, wordt daar de weg naar de rechtvaardiging om niet. Job 9:1-22; Job 42:3; Ps. 143:2; Rom. 3:20 Job zoekt naar een rechtsgang en vindt er geen. Komt het op kracht aan, dan is God sterk; komt het op recht aan, wie zou Hem dan kunnen dagvaarden (Job 9:19)? Al zou hij zich wassen met sneeuwwater en zijn handen zuiveren met zeep, dan nog zou hij niet schoon voor Hem staan (Job 9:30-31). Dan noemt hij de eigenlijke moeilijkheid. God is geen man zoals hij, die hij antwoorden kan en met wie hij samen voor de rechter zou kunnen verschijnen (Job 9:32). En dan volgt de zin waarin heel het boek even samenkomt: er is geen scheidsman tussen hen, die zijn hand op hen beiden leggen mocht (Job 9:33). Was er zo iemand, en werd de roede van hem weggenomen, dan zou hij durven spreken zonder te vrezen (Job 9:34-35). Bijbelse betekenis: Hier vraagt Job om iets waarvan hij zelf niet weet dat het ooit komen zal. Hij zoekt een middelaar: iemand die met de ene hand God kan aanraken en met de andere hem, en die de zaak tussen hen beiden kan beslechten. Wie de twee partijen kent, ziet meteen hoe onmogelijk dat is. Zo iemand moet God genoeg zijn om voor God te kunnen staan, en mens genoeg om Job te kunnen vertegenwoordigen. Job stelt vast dat die er niet is, en hij heeft binnen zijn kennis volkomen gelijk. Toch is dit een van de vruchtbaarste woorden van het hele boek. Wat hij mist, wordt in het vervolg twee keer bijna aangeraakt: hij spreekt van zijn Getuige in de hemel (Job 16:19) en hij belijdt dat zijn Verlosser leeft (Job 19:25). Wat een mens werkelijk nodig heeft, komt in zijn nood soms eerder boven dan in zijn leer. Typologie: Waar Job geen scheidsman kon vinden, wijst het Nieuwe Testament er Eén aan: "er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus" (1 Tim. 2:5). In Hem zijn beide handen ingevuld die Job zocht, want Hij is waarachtig God en waarachtig mens. Johannes noemt dezelfde Persoon bij de andere naam die hier past: "wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige" (1 Joh. 2:1). Job 9:19,30-35; Job 16:19; Job 19:25; 1 Tim. 2:5; 1 Joh. 2:1 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Profeet, priester en koning niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen Job heeft alles verloren en zit op de as. Zijn vrienden houden vol dat hij het verdiend moet hebben. Hij weet dat hij geen zaak heeft tegen God, en dat is nu juist zijn wanhoop: Hij is geen mens zoals ik, dus hoe zou ik met Hem in het gericht komen? Job mist iets waarvan hij niet weet dat het bestaat: iemand die zijn hand op God én op de mens kan leggen. Het probleem dat Job hier onder woorden brengt, is het diepste van heel het boek. God is geen partij die je voor de rechter kunt dagen — Hij is niet een man als ik, dien ik antwoorden zou. De afstand is niet groot maar oneindig. En dan zegt hij wat er zou moeten zijn: er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht. De kanttekening legt uit wat dat inhoudt: iemand met gezag om orde te scheppen, om de regels van het pleit vast te stellen, en om het geschil door zijn uitspraak te beëindigen. En zij merkt op dat het opleggen van de handen een teken van macht en gezag was. Let erop wat dat vereist. Zo iemand moet zijn hand op God kunnen leggen — dus God zijn. En op de mens — dus mens zijn. Job kent zo iemand niet, en zegt eerlijk: die is er niet. Het is een van de aangrijpendste plaatsen van het Oude Testament, omdat hier iemand hardop naar iets verlangt waarvan hij niet vermoedt dat het komen zal. Paulus schrijft het antwoord in één zin: er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus. En de Hebreeënbrief voegt eraan toe waarom die Middelaar de hand op ons kan leggen zonder terug te deinzen: wij hebben geen Hogepriester die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen verzocht is geweest gelijk als wij, doch zonder zonde. In het Nieuwe Testament: 1 Timotheüs 2:5; Hebreeën 4:15-16; Hebreeën 7:25; Johannes 1:14
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Job 9
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Er is geen scheidsman tussen ons — 9:32-35
Wat betekenen de niveaus?


Job 9
Job 9:30-31.KruisverwijzingenJeremia 2:22→1 Johannes 1:8→Romeinen 10:3→Jesaja 1:16→Spreuken 28:13→Job 31:7→Jeremia 4:14→Psalmen 26:6→
— Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep; Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.
Alle eigen pogingen om rein te zijn voor God zullen stellig falen. Het is opmerkelijk wat voor pogingen mensen doen om van hun zonden af te komen. Sommigen trachten rein te worden door plechtigheden. Een ander meent reiniging te kunnen verkrijgen door godsdienstige gewoonten. Zijn vorm van zich met sneeuwwater wassen is het bijwonen van de gewone godsdienstoefening. Hij gaat er trouw naartoe. Hij zou nooit wegblijven als hij het helpen kon. Hij vraagt: “Zal dat mijn zonde niet wegnemen?” Nee, geen vlek, zelfs geen halve vlek.
Sommigen hebben grote sommen geld weggegeven in de hoop zich daardoor van hun zonde te reinigen. Maar al het goud van de wereld kan nooit een gouden zalf vormen om de ongerechtigheid uit te wissen. Velen hebben getracht reiniging te verkrijgen door hun zedelijkheid en hun liefdadigheid, maar al hun pogingen zijn tevergeefs geweest. Mensen hebben de vreemdste voorstellingen gehad over hoe zij van de zonde gereinigd zouden kunnen worden. Ik las onlangs een brief van een jonge landarbeider waarin hij beschreef hoe hij eens gehoopt had behouden te worden. Hij schreef dat er in het dorp waar hij woonde enkele jongemannen waren die naar de zending in Patagonië gegaan en daar vermoord waren. “Ik dacht”, schreef hij, “dat als de zending in Patagonië mij aannemen wilde en de inboorlingen mij maar doodden, ik met vreugde en blijdschap gegaan zou zijn; want ik had gehoord dat allen die zo stierven heiligen waren, en ik zou graag gegaan zijn als ik langs die weg in de hemel kon komen.”
En toch: als God ons werkelijk behouden wil, dan zal Hij ons nooit met enig menselijk plan der zaligheid tevreden laten, maar Hij zal ons, om Jobs uitdrukking te gebruiken, in de gracht dompelen en ons nog zwarter doen gevoelen dan tevoren. Maar er is een rechte weg om rein te worden in Gods oog: door te vertrouwen op de goddelijke wijze van het reinigen van de onreinen; want het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonde ieder die in Hem gelooft. Er is een onmiddellijke reiniging voor ieder die op Jezus Christus ziet. Een zondaar mag meer zonden bedreven hebben dan hij in een miljoen jaar zou kunnen tellen; en toch: zodra hij één gelovige blik op Jezus Christus slaat, zijn al die zonden voor altijd weg. Wanneer een rekening betaald is, wordt de kwitantie eronder geschreven, en dat maakt een einde aan de hele schuld. Zo maakt de Naam van Jezus onder aan de hele rol van onze schuld aan God er een einde aan.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Elifaz had (Hoofdstuk 4 en 5) in vele voorbeelden aangewezen, dat Gods handelen op aarde steeds getuigde van gerechtigheid, daar Hij den goddeloze neerstiet en den vrome beschermde. Bildad had deze zo kwalijk begrepene gerechtigheid Gods nog sterker tegenover Job beweerd (Hoofdstuk 8: 3,20) en bijzonder hard voor Job, hem op zijne kinderen gewezen; beiden hadden hieruit het besluit getrokken, dat Job zich daarom verootmoedigen moest, zijne verborgene zonden belijden en tot godsvrucht wederkeren. Ook Job kent tot hiertoe gene andere gerechtigheid Gods, dan die zijner vrienden, maar terwijl hun het raadsel van Jobs lijden geheel schijnt opgelost te zijn, wordt het voor Job nog ingewikkelder; want inderdaad is hij geen zondaar in den zin der vrienden, en met deze veronderstelling valt ook al hun wijsheid over de gerechtigheid Gods. Dat echter de lijdenswegen ook wegen van beproevingen en verzoekingen zijn, en dit bij de vromen alleen, is hun, zowel als Job, verborgen. De fijne eigengerechtigheid en loonzucht, de grondstellingen voor zulk een begrip, van Gods gerechtigheid, verhinderen Job verder te zien. In zich zelven kan hij, door zijne eigene schuld en die zijner vrienden, de oorzaak van zijn lijden niet vinden; hij kent zich zelven als onschuldig; zo moet die oorzaak dan noodzakelijk in God alleen liggen. Reeds in zijne vorige rede (Hoofdstuk 7: 17 vv.) had hij beproefd zijn lijden zo te verklaren, nu gaat hij (Hoofdstuk 9 vv.) open en consequent over tot de uitwerking van de stelling: God moet en kan slechts in dien zin rechtvaardig zijn, dat geen mens, ook de onschuldige niet, bij Hem recht verkrijgen kan. Zijne gerechtigheid moet de blinde willekeur van het onbillijke noodlot zijn. Zo trekt hij uit de beweringen der vrienden het tegenovergestelde besluit, en slaat hen met hun eigene wapenen. Maar ook in deze diep ingrijpende, eerst trotse (Hoofdstuk 9), dan weer bevende (Hoofdstuk 10) klacht en aanklacht van God, in welke hij zelfs zo ver gaat, dat hij de mogelijkheid voorstelt, alsof God er vermaak in zou hebben, om den mens te pijnigen, komt hij er toch niet toe, om, gelijk de duivel wenst, God te laten varen. Juist dat God zich tegenover hem als een vijand stelt en hem verlaten heeft, dat zijn gebed niet door de dichte nevelen der duivelse verzoeking heendringen kan, is hem het onverdragelijkste. Hij wil niet ophouden te vragen, waarom God hem verstoten heeft; totdat Hij zich weer tot hem kere en hem zegene, al zou ook een verrukte heup, ja, de lichamelijke dood daarvan het gevolg zijn. Hij smeekt slechts, dat God hem weer genadig zij, vóórdat hij in de duistere plaats nederdaalt. -Deze rede van Job vormt het midden van het eerste deel zijns lijdens en is in menig opzicht het toppunt zijner verzoeking, het is toch den duivel gelukt, God aan Job zo voor te schilderen, gelijk hij zelf God acht: een nijdig willekeurig demon, vol list en geweld, maar zonder liefde en gerechtigheid. Den Heere echter is het gelukt Jobs eigenlijke zonde, de fijne eigengerechtigheid en het rechten met God, die hem zijne vroomheid niet vergeldt, gelijk hij verwacht, aan het licht te brengen.
I. Vs. 8-10.KruisverwijzingenAmos 5:8→Job 5:9→Jesaja 40:22→Psalmen 104:2→Jesaja 44:24→Genesis 1:16→Job 38:31→Job 37:18→
— Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee; Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden; Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
Met bittere ironie neemt Job de bewering der vrienden, van de onvoorwaardelijke gerechtigheid Gods in al zijne werken op aarde op, en leidt daaruit juist het tegendeel af. Ja, God is steeds en overal in zijn recht; want Hij is een God, die alles in macht en verstand overtreft, daarom kan een ellendig, onmachtig schepsel nooit enig recht tegen Hem doen gelden, al is het ook nog zo schuldeloos. Om dit aan te tonen, schildert hij de ontzettende Almacht Gods op aarde en in den hemel, daarbij wedijverende met Elifaz (Hoofdstuk 5: 9-16).
Maar Job antwoordde en zei:
Waarlijk, gij hebt recht; ik weet, dat het zo is; gelijk gij van Gods gerechtigheid spreekt, (Hoofdstuk 8: 3,20); want hoe zou a) de mens rechtvaardig zijn bij God? hoe zou een sterveling in een strijd om recht bij den Almachtige recht kunnen verkrijgen?
Psalm 143: 2. Geen mens heeft enig recht bij God, om ene geheel andere reden echter, dan Job in zijne grote droefheid meent; niet omdat de afstand tussen Schepper en schepsel te groot is, maar omdat wij allen zonder onderscheid verloren en doemwaardige zondaars zijn, en omdat het de volmaakte liefde is, uit wier hand wij alles, ook den laatsten ademtocht, als geschenk en genadegift met dankzegging moeten ontvangen. Wanneer Job de goddelijke Almacht van Zijne Rechtvaardigheid en Goedheid losmaakt, en deze tot ene blote natuurkracht verlaagt, begaat hij ene even grote fout als de vrienden, wanneer zij de almacht en de rechtvaardigheid verwisselen. Omdat Gods almacht boven alle wezens staat, is zij ook rechtvaardig tegenover allen en laat zij een ieder overkomen, wat hem toekomt (vgl. Hoofdstuk 34: 10). Zo lang echter een mens de ware oorzaak van ene grote smart, die hem overweldigt, nog niet erkent, blijft hem niets anders over, dan zijn lijden alleen als ene openbaring van Gods almacht op te vatten.
Men kan dit tweezins opvatten: hoe zou een mens, indien hij zich verongelijkt achtte, zijn recht bij God kunnen doen gelden? Of: hoe zou een mens, hoe vroom hij dan ook was, geheel onschuldig voor God kunnen heten? Zou deze dubbelzinnigheid niet bedoeld zijn, opdat men geen der beide denkbeelden zou uitsluiten?. God kan duizenden van misdrijven aan ons ten laste leggen en duizenden artikelen van beschuldiging tegen ons inbrengen, welke wij allen stilzwijgende belijden moeten waar te zijn, zonder een enig van dezelve van ons te kunnen afwenden, of er ons over te verontschuldigen. Niemand onzer kan zich in dezen verdedigen, of van schuld vrijspreken, maar elk moet de hand op den mond leggen.
Ofschoon de mensen gedwongen worden te bekennen, dat God rechtvaardig is, en volstrekt niet te beschuldigen zou zijn, zijn zij soms zo in de war, dat zij niet slechts tegen God murmureren, maar ook met open mond, wanneer de smart een weinig heviger is, Hem lasteren. Want ofschoon zij het daardoor niet lichter maken, wanneer zij door de hevige pijn worden gekweld, toch menen zij, dat zij zich enigszins op Hem mogen wreken, wanneer Hij zulke ellende over hen heeft gebracht. Des te meer moeten wij een welvoeglijk begrip van Gods Rechtvaardigheid hebben, opdat, wanneer Hij ons kastijdt, wij Hem altijd nederig als zodanig erkennen, als Hij in waarheid is, n l. dat Hij rechtvaardig is en wars van enige buiging van het recht.
Job erkent, dat God rechtvaardig is, maar hij ziet in God alleen een Rechter en Heerser, die in het schepsel niet de minste onheiligheid door de vingers ziet en de macht bezit, om al wat onheilig is, te vernietigen. Wat Job hier en in de volgende verzen zegt is niet gesproken door den Geest. Marck zegt dan ook terecht “dat Job en zijne vrienden nauwelijks te tellen zijn onder degenen, die door Gods Geest zijn ingegeven, als van wien gene goddelijke ingeving wordt gemeld en die om hun redenen van God bestraft worden.” Zijn gemoed is zo beroerd geworden door de plagen, maar bovenal door de redenen van zijne vrienden, dat hij soms wel schone woorden uitspreekt, maar ze verkeerd toepast of uitwerkt.
Zo Hij, de almachtige en vreselijke God, lust heeft om met hem, den nietigen mens, te twisten, in een rechtsgeding met hem te treden, niet één uit duizend vragen, die zijn goddelijke Rechter hem omtrent Zijne schuld of onschuld met overleg zou voorstellen, zal hij Hem beantwoorden; de grote verschrikking van Gods macht en grootheid zal hem den mond stoppen.
Hij is zo wijs van hart, dat Hij vraag op vraag kan voorstellen en steeds nog zonde in ons ontdekken kan, en zo sterk van kracht, dat Hij elke beproeving van een sterveling, om een recht te doen gelden, den bodem kan inslaan. Wie heeft zich tegen Hem verhard, in een vijandelijken tegenstand, en vrede gehad, wie is ongestraft gebleven?
Hij is die God, die de bergen verzet door aardbevingen of watervloeden, zodat zij in elkaar zinken en tot dalen worden, en dit met zulk ene kracht, dat zij het niet gewaar worden 1); Hij is die machtige God, die ze omkeert in Zijnen toorn (vgl. Psalm 97: 5. Openbaring 6: 14; 16:
(Job 14: 18).
Dit is overeenkomstig aan de over ‘t algemeen verhevene en dichterlijke spraak van het gehele Boek, dat de bergen hier als persoonlijke wezens gedacht zijn, die door hun eigen omstorten onvoorziens verrast worden.
Die de aarde beweegt, door ontzettende aardbevingen doet sidderen, uit hare plaats, die haar in de ruimte aangewezen is (Hoofdstuk 26: 7), dat hare inwendige pilaren, waarop het geheel rust, (Hoofdstuk 38: 6. Psalm 104: 5) schudden, (vgl. Openbaring 20: 11. Jes. 13: 13). De oudere uitleggers verklaarden “de bergen” en “de aarde” van grote wereldrijken, als het Medo-Perzische, het Macedonische, het Romeinse rijk, wier hoogmoed door Gods macht plotseling ten val kwam (vgl. Zach. 4: 7. Jes. 40: 4; 24: 20), gelijk ook de Heere Jezus grote hindernissen van het rijk Gods als bergen voorstelt (MATTHEUS. 17: 20; 21: 21. 1 Kor. 13:
.
Die de zon door Zijn almachtig woord gebiedt, en zij gaat niet op 1), zodat de aarde in duisternis blijft, en door menigten van wolken verzegelt Hij de sterren, zodat zij bij nacht geen licht kunnen geven (Amos 4: 13).
Men kan hierbij zowel aan gewone door de natuurwetten geregelde zonsverduisteringen denken, als aan de wonderen, die ons uit de geschiedenis van het rijk Gods bekend zijn, als de Egyptische duisternis, het wonder in het dal van Ajalon en op den Goeden Vrijdag; want beide zijn door dezelfden wonderbaren God, hoewel met verschillende bedoelingen teweeg gebracht en evenzeer te bewonderen.
Die de zon door Zijn almachtig woord gebiedt, en zij gaat niet op 1), zodat de aarde in duisternis blijft, en door menigten van wolken verzegelt Hij de sterren, zodat zij bij nacht geen licht kunnen geven (Amos 4: 13).
Men kan hierbij zowel aan gewone door de natuurwetten geregelde zonsverduisteringen denken, als aan de wonderen, die ons uit de geschiedenis van het rijk Gods bekend zijn, als de Egyptische duisternis, het wonder in het dal van Ajalon en op den Goeden Vrijdag; want beide zijn door dezelfden wonderbaren God, hoewel met verschillende bedoelingen teweeg gebracht en evenzeer te bewonderen.
Die, gelijk in den beginne bij het scheppingswerk, alleen de hemelen uitbreidt 1), (vgl. (Jes. 44: 24; 40: 22. Psalm 104: 2), en treedt op de hoogten der zee, op de baren, die ten hemel stijgen (Psalm 107: 26), als op een vasten grond; zelfs het den mensen vijandigste en machtigste element buigt zich neer onder zijnen Heer (Joh. 6: 19).
De tegenwoordige tijd (vs. 5-10) betekent, dat al deze dingen, die Gods ontzaglijke Majesteit aanwijzen, hoewel ten tijde der schepping of daarna geschied, toch eeuwig tegenwoordige, gedurig wederkerende daden Gods zijn.
Die den wagen 1), den groten Beer aan den noordelijken hemel maakt, den Orion 2), of Jakobsstaf aan den zuidelijken rand van het noordelijk halfrond, en de klok, het Zevengesternte, de Plejaden aan het Oosten des hemels, en de binnenkamers, de in onafzienbare ruimten zich verliezende en verborgene sterren van het Zuiden, aan het zuidelijk halfrond (vgl. (Hoofdstuk 38: 31 vv.).
Het heerlijke, nooit ondergaande sterrenbeeld in de nabijheid van de Poolster, dat uit 7 grote sterren bestaat, en daarom ook Zevengesternte of Septentrio genoemd wordt, heet bij Romeinen en Grieken, de Wagen, naar zijnen vorm, die op een wagen gelijkt, bij de Arabieren en Joden As, dat is, dodenbaar, om dezelfde reden.
Orion, Hebr. Cesil d.i.poort, omdat het verhaal bestond, dat een dwaas koning (misschien Nimrod), die zich tegen God stelde, tot zijne straf aan den hemel geplaatst was, gelijk ook aan den naam Orion een dergelijk verhaal ten grondslag ligt.
a) Die grote dingen doet, welke Zijne Almacht ons duidelijk voor den geest roept, dingen, die men niet doorzoeken kan met zijn menselijk verstand, en wonderen die zo menigvuldig zijn in de natuur en onder de mensen, dat men ze niet tellen kan.
Job 5: 9. Psalm 72: 18; 77: 15; 86: 10. Rom. 11: 33. Nederstortingen van bergen, aardbevingen, zonsverduisteringen, onweders, de door den storm gezweepte zee, de oneindige ruimte des hemels, de glinsterende sterrenbeelden zijn zaken, die recht geschikt zijn, den mens zijne onmacht tegenover God te doen gevoelen. Niet zonder doel voert Job tegenover Elifaz, die Gods almacht meer in liefelijke beelden had voorgesteld, juist zodanige aan, om dan uit de alzo voorgestelde almacht Gods een tegenovergesteld gevolg als de vrienden te trekken. Wie niet gelooft, dat de Heere, die in deze natuurkrachten Zich openbaart, dezelfde is, als die uit liefde tot den mens alles schiep, die ook over de zondaars zich in liefde erbarmt en mens werd, toen wij nog vijanden waren, die kan inderdaad uit deze gebeurtenissen der natuur, God slechts als ene duistere vreselijke natuurwet leren kennen. In plaats van God te vervloeken, gelijk satan verwachtte, verheerlijkt Job Gods volmaaktheden en wondervolle werken. Hoe Job ook door zijne eigene ellenden vervuld wordt, wanneer hij gelegenheid heeft om Gods wijsheid en macht te vermelden, vergeet hij zijne klachten en vertoeft hij met vreugde en met welsprekendheid bij dit heerlijk en gezegend onderwerp.
In vs. 5-10 wordt over God gesproken als over den Machthebbende in het rijk der onbezielde schepping, in de nu volgende verzen wordt het uitgesproken, dat God ook met almachtige kracht heerst over de bezielde schepping, over de mensenwereld. 11.
I. Vs. 11-24 KruisverwijzingenJob 23:8→Jesaja 45:9→Job 11:10→Jesaja 30:7→Job 26:12→Psalmen 89:10→Job 10:15→Job 8:5→
— Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken. Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij? God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers. Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem? Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden. Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft. Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak. Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden. Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden? Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.
Ook mij kan Hij daarom, ondanks mijn recht, gemakkelijk overweldigen, zonder dat iemand Hem daarom verwijtingen kan doen. Kunnen toch de machtigste schepselen voor Hem niet bestaan, zo mag ik, ellendige, wel zwijgen. Wilde Hij zich ook met mij in een twistgeding inlaten, Hij zou mij toch het horen. Ja door Zijne overmacht zou mijne verdediging, zelfs wanneer ik recht had, tot ene aanklacht van mij zelven worden Toch ben ik in waarheid onschuldig; maar dat is hetzelfde-rechtvaardigen en goddelozen verdelgt Hij op gelijke wijze. Ja, dikwijls genoeg geeft Hij den goddelozen de overmacht.
Zie, Hij zal voor of, over mij in het geloei van den storm heengaan en mij met onzichtbare macht de slagen toebrengen, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, mij plotseling verschrikkende, en ik zal Hem niet merken. Overal is Hij onzichtbaar tegenwoordig, en zou die God dan niet te vrezen zijn?
Zie, Hij zal al uw geluk roven 1), wie zal het Hem doen wedergeven? wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij 2)? Die Opperheerser is aan niemand verantwoording Zijner daden schuldig (vgl. (Jes. 45: 9. (1 Samuel 2: 10. Rom. 9: 20).
In het Hebr. Jachtoof. Eigenlijk betekent dit werkwoord wegslepen, en wordt gebruikt van den leeuw, die zijn prooi bemachtigt en voortsleurt. Het woord in den grondtekst in ons vers door, doen wedergeven vertaald, betekent ook beletten, verhinderen, en die betekenis moeten we hier hebben.
Het schijnt wel, dat Job hier aan God een absolute macht toekent, die echter niet in overeenstemming is met Zijn Rechtvaardigheid en billijkheid. Maar laten wij wel opmerken, dat hij niet afwijkt van zijn betuiging van vroeger, n.l. dat de rechtvaardigheid Gods niet slechts optreedt in het straffen der goddelozen, wanneer hun ongerechtigheden duidelijk en openbaar zijn. Waarin dan ook? Hierin, dat, wanneer God op buitengewone wijze handelt, en wel zo, dat Hij blindelings en onbillijk schijnt te handelen, waardoor de ongelovigen de gelegenheid aangrijpen, om te murmureren, we nochtans Zijne rechtvaardigheid moeten erkennen.
God, de almachtige, zal Zijnen toorn niet afkeren, wanneer eenmaal zijn verdervende loop begonnen is; eerst wanneer Zijn voornemen volvoerd is, trekt Hij Zijne hand terug (Psalm 78:
. Hij laat zich door niemand terughouden, en zo iemand het mocht willen beproeven, onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers 1), niemand kan te hulpe komen, want dit wordt als trotsheid diep vernederd.
Hebr. de helpers van Rahab d.i. Rahab en zijne helpers. Onder Rahab wordt in Psalm 37: 4. Jes. 30: 7 Egypte, Psalm 89: 11. Jes. 51: 9 een zeemonster, als de Leviathan verstaan. Zo verklaart de Septuaginta het woord ook op onze plaats, en Hoofdstuk 26: 12 vv. Eigenlijk betekent het woord: “trotsheid”, “overmoed” en het is openbaar, dat Egypte dezen naam als een beeld van de aan God en Zijn rijk vijandige wereldmachten draagt. Jablonskius (Opusc. I 228) meent, dat Egypte alzo genoemd wordt naar het koptische rh-onab = land aan de zon gewijd.
Hier kan echter noch een zeemonster, noch Egypte gemeend zijn, maar het moet op ene in de geschiedenis der openbaring allerbekendste gebeurtenis van een groten ontzaglijken opstand tegen God doelen. Wellicht heeft Job hier op het oog het oproer van satan en zijne demonen, wier afbeeldsels de H. Schrift in Egypte en in de zeemonsters ziet.
Ongetwijfeld wordt hier niet op Egypte gedoeld, maar op ene indrukwekkende gebeurtenis, waardoor het zo treffend is uitgekomen, dat God de Almachtige is, die heerst en regeert in hemel en op aarde, dat ook de vereende macht van alle hovaardigen niet in staat is, om iets tegen Gods Almacht te vermogen.
Hoe veel te min zal ik, machteloos mens, in staat zijn Hem te antwoorden, zo Hij mij al wilde horen, en hoe zou ik mijne woorden uitkiezen tegen Hem 1); waar zou ik de rechte woorden vinden?
Hiermede wil Job zeggen, dat hij, de onmachtige, dan wel niets tegen God kan doen. Als de vereende macht van alle sterken niets vermag tegen God, wat zal hij, de onmachtige, dan kunnen? Hoe zal hij dan woorden vinden, om met God te twisten? Wel erkent Job hiermede zijne geringheid, maar toch valt een ontevreden toon niet te miskennen; toch is hij ook hier van opstand niet vrij te pleiten.
Dien ik, zo ik rechtvaardig ware 1), niet zou kunnen, niet zou durven antwoorden, wanneer Hij zich in strijd over het recht met mij begaf, mijnen Rechter zal (zou) ik om genade bidden.
Zo ik rechtvaardig ware, is genomen in den zin van, zo ik het recht voor had. Hij wil zeggen, al had ik het recht voor, zodat hoegenaamd niets op mij was aan te merken, zo is God toch zo hoog en verheven, zo is hij toch zo absoluut Rechtvaardig, dat ik tot Hem, als mijn Rechter, om genade moet bidden. Rechter is hier in den zin van, aanklager en rechter beiden, niet alleen in den zin van rechter.
Zelfs indien ik tot Hem roep, en Hij mij antwoordt, Hij mij verschijnt, ik zal niet geloven, dat Hij mijne stem ter oren genomen heeft, om mijne verantwoording te horen en aan te nemen; Zijne oneindige grootheid laat zulk ene vernedering niet toe. Job zegt, dat ofschoon hij genade van God ontvangt, waarom hij gevraagd heeft, hij echter niet zou geloven, dat zijne gebeden zouden verhoord zijn, Hoe moeten we dit opvatten? Er is geen twijfel aan, of Job drukt hiermede uit, hoedanige beproevingen hij wel ondervindt, terwijl hij zich van God verlaten en door God tegengestaan gevoelt, zoals wij dezen zelfde Job ook vroeger hebben horen spreken.
Zo wonderlijk gaan die twee, hoop en wanhoop, bij de aangevochtenen door elkaar, dat zij, hoewel zij God aanroepen en verhoord worden, het toch niet gevoelen, zodat zij nog menen, dat hun stem niet verhoord is. Dat is een grote troost, dat ook bij de heiligen onder het kruis, kleinmoedigheid en vrees des harten gezien is. (M.LUTHER).
Want Hij vermorzelt mij tot straf omdat ik mijn recht geëist heb, door een onweder; in plaats van naar mij te horen, zou Hij mij geheel vernietigen, en Hij vermenigvuldigt mijne wonden, die Zijn toorn mij sloeg zonder oorzaak, daar ik toch onschuldig ben.
Hij laat mij niet toe (zou mij niet toelaten), wanneer het tot een strijd om recht kwam, mijnen adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden, zou mij een overmaat van ellende doen ondervinden.
Zo het aan de kracht komt, komt het op macht aan, zie, Hij is sterk. Wie zal tegen Hem bestaan? en zo het aan het recht komt, wie zal Mij dagvaarden, zegt de Heere?
Zo ik mij rechtvaardig in dien strijd, mijn mond zal mij verdoemen, daar ik tegenover den Almachtige niets met juistheid tot verdediging van mijn recht zou kunnen voortbrengen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren 1), ook zelfs, wanneer ik in menselijken zin onschuldig ware, zou Hij mij zoveel schuld voorstellen, dat ik als een misdadiger voor Hem stond.
Eer dat Job in doodsangst komt, looft hij God over den door zijner goederen en den dood zijner kinderen, maar nu hem de dood onder de ogen treedt en God zich onbetuigd laat, tonen zijne woorden, wat voor gedachten een mens heeft (hij zij zo heilig als het kan) tegen God; hoe het hem dunkt, dat God niet God, maar een ijdel rechter en toornig tiran is, die met geweld te werk gaat en vraagt naar niemand. Dit is het hoogste stuk in dit Boek. Dit verstaan slechts zij alleen, die er ook van weten, wat het zij, Gods toorn en oordeel te dragen en Zijne genade te missen.
Wat Job hier voorbij ziet is, dat het Recht Gods tegenover het schepsel altijd het ware objectieve Recht is. In zijn bitterlijk bedroefden toestand komt hij er toe, om wel het recht Gods breed uit te meten, maar dit recht verschilt in zijn mond och zo weinig van onrecht. Daarom zondigde hij, zoals de Heere ook later zegt, zwaar, terwijl aan de andere zijde Job daardoor aan het zondig bestaan van zijn eigen ik ontdekt wordt.
Ben ik oprecht, en in waarheid ben ik onschuldig, ik heb gene zonde gedaan, overeenkomstig de zware straf, die ik draag, zo acht ik toch mijne ziel niet, zo zal ik toch mijn leven verbeurd moeten verklaren. Daarom herhaal ik, wat ik reeds zei (Hoofdstuk 7: 16); ik versmaad mijn leven. Zo is het dan den Heere gelukt duidelijk uit het met zich zelven en met God worstelende hart van Job de eigenlijke boezemzonde aan het licht te brengen, namelijk zijne eigengerechtigheid, zijne trotsheid op vroomheid en het verlangen, dat ook God die erkenne (Hoofdstuk 10: 15). Voordat zulk ene zweer van ene inwendige, verborgene zonde geheel rijp geworden en hare schandelijkheid en boosaardigheid geheel aan den dag gekomen is, kan zij ook niet door den hemelsen heelmeester geheeld worden. Maar dan reinigt de Goddelijke wijngaardenier zijne takken, opdat zij meer vrucht geven.
Ben ik oprecht, en in waarheid ben ik onschuldig, ik heb gene zonde gedaan, overeenkomstig de zware straf, die ik draag, zo acht ik toch mijne ziel niet, zo zal ik toch mijn leven verbeurd moeten verklaren. Daarom herhaal ik, wat ik reeds zei (Hoofdstuk 7: 16); ik versmaad mijn leven. Zo is het dan den Heere gelukt duidelijk uit het met zich zelven en met God worstelende hart van Job de eigenlijke boezemzonde aan het licht te brengen, namelijk zijne eigengerechtigheid, zijne trotsheid op vroomheid en het verlangen, dat ook God die erkenne (Hoofdstuk 10: 15). Voordat zulk ene zweer van ene inwendige, verborgene zonde geheel rijp geworden en hare schandelijkheid en boosaardigheid geheel aan den dag gekomen is, kan zij ook niet door den hemelsen heelmeester geheeld worden. Maar dan reinigt de Goddelijke wijngaardenier zijne takken, opdat zij meer vrucht geven.
Dat is één ding 1), dat ik niet verdragen kan, daarom zeg ik: a) Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij door dezelfde straffen 2) (vgl. (Prediker 9: 2 met (Psalm 73: 2-16).
Mal. 3: 14.
Hebr.: “Dat is enig,” v.d.Palm vertaalt: “Dat is hard.”
Tegen deze bewering van Job, waarmee hij zijne vrienden direct tegenspreekt, treedt naderhand Elihu het scherpste op (vgl. Hoofdstuk 34: 9; 35: 3). Wel is het waar, dat dikwijls gelijke gerichten over vroom en onvroom gaan. “Maar de vraag is: is dan God over beiden toornig? Den Christen wordt de lichamelijke tijdelijke straf tot een zegen, maar den goddeloze ten verderve. Voor de godzaligen is het geen teken van den Goddelijken toorn, maar alleen voor de goddelozen. De Christenen wanhopen daarom ook niet, al moet het lichaam zich hier kwellen en beangstigen; want zij weten, dat zij uit dit jammerdal weggerukt worden, opdat zij de toekomstige ellende niet zien en tot rust in het paradijs komen.”.
Dat is één ding 1), dat ik niet verdragen kan, daarom zeg ik: a) Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij door dezelfde straffen 2) (vgl. (Prediker 9: 2 met (Psalm 73: 2-16).
Mal. 3: 14.
Hebr.: “Dat is enig,” v.d.Palm vertaalt: “Dat is hard.”
Tegen deze bewering van Job, waarmee hij zijne vrienden direct tegenspreekt, treedt naderhand Elihu het scherpste op (vgl. Hoofdstuk 34: 9; 35: 3). Wel is het waar, dat dikwijls gelijke gerichten over vroom en onvroom gaan. “Maar de vraag is: is dan God over beiden toornig? Den Christen wordt de lichamelijke tijdelijke straf tot een zegen, maar den goddeloze ten verderve. Voor de godzaligen is het geen teken van den Goddelijken toorn, maar alleen voor de goddelozen. De Christenen wanhopen daarom ook niet, al moet het lichaam zich hier kwellen en beangstigen; want zij weten, dat zij uit dit jammerdal weggerukt worden, opdat zij de toekomstige ellende niet zien en tot rust in het paradijs komen.”.
Als de gesel Zijner oordelen haastelijk doodt, bespot Hij nog bovendien de verzoeking, de bezoeking, de wanhoop der onschuldigen, die Hij medetreft. Daaruit ziet gij, dat het Hem hetzelfde is, of iemand oprecht is of goddeloos. Dit is wel het hardste, dat Job in het gehele Boek zegt. Zie daarentegen: Psalm 118: 18. Jona. 4: 2. Klaagt. 3: 31-33. 2 Samuel 24: 14. Wij zien hier, dat Job nog veel verder gaat dan Asaf, dat hij God van onbarmhartigheid beschuldigt. Wel was dan deze man Gods ver heen. Wel was hij aan het zinken, maar zijn God zou hem voor verzinken behoeden.
Nog meer: de aarde, of, het land wordt gegeven in de hand en in de macht des goddelozen, van enen misdadigen vorst; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren, zodat ook zij geen recht of onrecht meer onderscheiden, maar met den grootsten willekeur handelen en vonnissen; zo het niet God is, die dit doet, wie is Hij dan, die dit alles zo bestuurt? Wie anders dan God is de oorzaak van al die ellende? “Wat is Gods Wezen voor Job misvormd. Niets dan de almacht van den despoot is overgebleven. Hoe koud en vreemd is hem God geworden!” Wanneer wij warm geworden zijn, hetzij door disputeren of door ontevredenheid, moeten wij een wachter voor de deur onzer lippen zetten, voornamelijk, wanneer wij over goddelijke zaken spreken.
25.
III. Vs. 25-35.KruisverwijzingenHabakuk 1:8→Jeremia 2:22→Romeinen 9:20→Prediker 6:10→1 Samuël 2:25→Job 7:6→Psalmen 119:120→Job 9:19→
— En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien. Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt. Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken; Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden. Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden? Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep; Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen. Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen. Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht. Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
Zo zijn ook mijne dagen van geluk spoedig weggevlogen, en laat Gods toorn geen ogenblik van mij af, dat ik een ogenblik adem hale. Ik moet een misdadiger zijn, daarom moeten al mijne bemoeiingen om mij te rechtvaardigen te vergeefs zijn. God is toch mijn gelijke niet, dat ik enen hogeren scheidsrechter tegen Hem zou kunnen inroepen. Wilde hij slechts voor een korten tijd Zijnen toorn van mij afkeren en mij rust gunnen, zo zou ik mij rechtvaardigen.
Zo moet ook ik, gelijk de meeste onschuldigen, onder de blinde macht van God lijden, en mijne dagen, mijne vroegere gelukkige dagen zijn lichter geweest dan een loper (vgl. 1 Samuel 22: 17 ); Zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien. Als iemand in nood is en hij aan de vorige jaren denkt, is het hem, alsof hij gedroomd had. Want ons leven is van dien aard, dat, wat voorbij is, wij daarvan niets meer hebben; wat komen zal, weten wij ook niet. Alleen het tegenwoordige ogenblik gevoelen wij, hetzij; het goed of kwaad is. Is het goed, zo denkt de mens, zo zal hij in eeuwigheid geen nood hebben; is er echter angst en droefheid, zo nemen de treurige gedachten het hart zodanig in (vooral wanneer bovendien nog Gods toorn gevoeld wordt), dat wij al het goede vergeten.
Zij zijn voorbijgevaren met 1) of, als jachtschepen, zij varen zo snel voorbij als “de papyrusschepen,” de lichtste en snelste schepen van den Nijl; het geluk verdween snel, gelijk een arenduit de hoogte neervalt en naar het aas toevliegt.
Met, beter als, dewijl het hier een vergelijking betreft. Ziet Job op de vroegere dagen van geluk en voorspoed terug, dan is het hem, alsof zij zo snel mogelijk zijn voorbij gesneld, terwijl de dagen, die hij nu doorleeft al kruipende voorbijgaan. Job ontleent zijn beelden aan de aarde, aan het water, en aan de lucht, om het snel voorbijgaan zijner gelukkige dagen aan te geven.
Indien soms mijn zeggen is: Ik zal mijne klacht vergeten, en ik zal mijn treurig gebaar laten varen; ik zal goeden moed vatten en mij verkwikken.
Zo schroom, zo ontzet ik aanstonds weer voor al mijne smarten; met angst vervuld schrik ik voor mijn ongeluk terug, en hetgeen mij het minst te verdragen is, is dat ik weet, dat Gij, o Heere!, mij niet onschuldig zult houden. Hier blijkt het weer, dat Job zijnen God niet kan noch wil loslaten, al heeft hij Hem ook verlaten. Hij spreekt niet van God, zonder tot God op te zien, hoewel hij zich door God afgestoten gevoelt, blijft hij toch aan God hangen.
Mij helpt gene verdediging; ik zal toch in Zijne ogen goddeloos zijn, en dit is mij het zwaarste in mijne smart: waarom dan zal ik ijdel arbeiden 1), mij vermoeien om mij te rechtvaardigen of om redding te vragen?
Zo wisselen in die arme, aangevochtene ziel ebbe en vloed, versaagdheid en overmoed elkaar af: Hij is er van overtuigd, dat hij bij God niets is, maar kan het toch ook niet rijmen, dat hij zo tot in de diepste diepte der ellende wordt ter neer gestort. Het is nu niet zoals vroeger en zoals straks een moedeloos wegzinken, veeleer dragen deze woorden de kentekenen van een worstelende ziele, al is hij van overmoed niet vrij te pleiten.
Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijne handen zuivere met zeep, met loog (vgl. Jer. 2: 22);
Dan zult Gij, o Heere! mij in de gracht induiken 1), en mijne klederen zullen van mij gruwen 2), vrezen door mij bezoedeld te worden. Zo zou mij de volkomenste rechtvaardiging niet baten, want Gij zoudt het door Uwe almacht daartoe brengen, dat mijne onschuld onreinheid werd.
Deze uitdrukking schijnt hard en zeer verkeerd. God toch is niet degene, die ons onbillijk behandelt. Wij weten, dat Hij is de fontein van alle heiligheid, ja, dat Hij ons reinigt, indien wij tot Hem de toevlucht nemen, met onreinheid en onvolmaaktheid bezoedeld. Waarom zegt dan Job, dat God hem in de kracht wil induiken? Het betekent, dat God het vuil in hem zou ontdekken, wat te voren nog verborgen was. Hoe dan? Niet alleen uit kracht van de wet. Want wel is waar, dat de wet Gods voldoende is, om ons te veroordelen, zoals wij reeds hebben gezegd. Daarom wordt zij genoemd de bediening des doods, dewijl indien zij alleen zou zijn, zonder Evangelie, wij noodzakelijk zouden moeten verloren gaan. God derhalve naar de wet met ons handelende, ontdekt vele verborgen bezoedelingen in ons. Maar Job schrijdt verder voort, n.l. ofschoon wij de wettische zuiverheid Gods zouden kunnen aanbieden, d.i. indien wij zouden kunnen volbrengen, wat God bevolen heeft (wat echter niet kan) zo zouden wij toch niet voor Zijn aangezicht kunnen bestaan. Laten wij zeggen, dat Job met een reinheid als der Engelen begaafd was, dat hij kon staan voor Gods aangezicht met ene rechtvaardigheid volgens de wet, toch volgens de openbare en verborgene rechtvaardigheid in God zou hij niet onschuldig kunnen zijn. Want ook de Engelen zelfs kunnen niet gezegd worden, volmaakt rechtvaardig te zijn. Job zegt dan ook in deze plaats, ofschoon er zekere rechtvaardigheid zou zijn, zelfs volgens den eis der wet, hij echter naar het oordeel Gods onvolmaakt en bezoedeld zou zijn.
De klederen worden hier voorgesteld als een afkeer te hebben van de onreinheid van hem, dien zij moeten dekken. Zo diep ellendig en onrein voelt hij zich, zo nietig in zijn eigen ogen.
Al mijne pogingen om mijne onschuld te bewijzen, moeten te vergeefs zijn a); want Hij is niet een man, maar de hoogste en almachtige Rechter, niet een man als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
Prediker 6: 10. Jer. 49: 19.
Er is geen scheidsman tussen ons, die onzer beider zaak onderzoeken kan en beslissen, wie recht, wie onrecht heeft; noch een hoger rechter, die zijne hand op ons beiden leggen mocht 1), om naar zijne hoge rechterlijke macht den vrede tussen ons te bevelen.
Onze Heere Jezus Christus is de gezegende Middelaar, als aan wie de Vader alle oordeel aanbevolen en overgegeven heeft, waaraan wij ons moeten onderwerpen. Doch Job beleefde zulke klare en heldere tijden niet, in welke geen reden voor diergelijke klachten als de zijne meer overig is.
a) Dat Hij van op mij Zijne roede wegdoe, de smarten en de ziekten, met welke Hij onophoudelijk slaat, wegneme, en dat Zijne verschrikking, Zijne verpletterende Majesteit, mij niet verbaasd make, opdat ik tot mij zelven kome uit de bedwelming, waarin mij Zijne Almacht gebracht heeft;
Job 13: 20; 33: 7
Zo zal ik vrijmoedig spreken en mij van alle smart zuiveren, en Hem niet in Zijne ontzettende almacht vrezen, want zodanig ben ik niet bij mij, zodanig een met schuld beladene ben ik niet volgens mijne geweten, dat ik, zo Hij zich op een trap met mij wilde plaatsen, zou moeten vrezen en verstommen. Zijn zelfbewustzijn laat hem wensen, dat hem de mogelijkheid der zelfverantwoording vergund zij, en dewijl hij nu eenmaal des levens zat is en geen hoop meer op levensverlenging heeft, zo wil hij tenminste aan zijn klacht den vrijen loop laten en den Bewerker van zijn lijden smeken, dat Hij hem toch niet tegen het getuigenis van zijn geweten in, den dood laat sterven van een met schuld beladene.
Laat ons uit dit alles gelegenheid nemen, om medelijden te tonen, omtrent degene die een gewonden geest heeft, en om ernstig voor hem tot God te bidden, dewijl zij alsdan niet weten, hoe zij zelf God bidden zullen of moeten; om God te danken, dat we niet in zulk een troostelozen toestand zijn als de arme Job hier voorkomt, opdat wij, wandelende in het licht des Heren, ons met vreze en beving in hetzelve gedurig moge verblijden.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel