Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En de HEEREH3068 antwoorddeH6030 JobH347 uit een onweder, en zeideH559:
En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
KJV
Moreover the LORD2
answered1
Job,4
and said,
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
KJV
Shall he that contendeth1
with the Almighty3
instruct4
him? he that reproveth5
God,6
let him answer
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
KJV
Then Job2
answered1
the LORD,4
and said,
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?
KJV
Behold, I am vile;2
what shall I answer4
thee? I will lay6
mine hand5
upon7
my mouth.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!
KJV
Once1
have I spoken;2
but I will not answer:4
yea, twice;5
but I will proceed no further.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Strooi de verbolgenheden uws toorns uitH4480, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
KJV
Then answered1
the LORD2
unto Job4
out of the whirlwind,6
and said,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!
KJV
Gird up1
thy loins4
now like a man:3
I will demand5
of thee, and declare
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
KJV
Wilt thou also disannul2
my judgment?3
wilt thou condemn4
me, that thou mayest be righteous?
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
KJV
Hast thou an arm2
like God?3
or canst thou thunder7
with a voice
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.
KJV
Deck1
thyself now with majesty3
and excellency;4
and array7
thyself with glory5
and beauty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
ZieH7200 toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks.
Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks.
KJV
Cast abroad1
the rage2
of thy wrath:3
and behold4
every one that is proud,6
and abase
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.
Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.
Ook in dit vers
kuntH3644
KJV
Look1
on every one that is proud,3
and bring him low;4
and tread down5
the wicked
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen.
KJV
Hide1
them in the dust2
together;3
and bind5
their faces4
in secret.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.
KJV
Then will I also confess3
unto thee that thine own right hand7
can save
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Omdat de bergen hem voeder voortbrengenH6213, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.
Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.
KJV
Behold now behemoth,3
which I made5
with thee; he eateth9
grass7
as an ox.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.
KJV
Lo now, his strength3
is in his loins,4
and his force5
is in the navel6
of his belly.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.
KJV
He moveth1
his tail2
like a cedar:4
the sinews5
of his stones6
are wrapped together.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.
KJV
His bones1
are as strong2
pieces of brass;3
his bones4
are like bars5
of iron.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?
KJV
He is the chief2
of the ways3
of God:4
he that made5
him can make6
his sword7
to approach
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, datH3588 gij laat nederzinken?
Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?
KJV
Surely the mountains3
bring him forth4
food,2
where all the beasts7
of the field8
play.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?
Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?
Ook in dit vers
neusH639
doorborenH5344
KJV
He lieth3
under the shady trees,2
in the covert4
of the reed,5
and fens.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken?
KJV
The shady trees2
cover1
him with their shadow;3
the willows5
of the brook6
compass him about.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen totH413 een eeuwigen slaaf?
Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?
Ook in dit vers
vangenH3947
KJV
Behold, he drinketh up2
a river,3
and hasteth5
not: he trusteth6
that he can draw up8
Jordan9
into his mouth.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters?
KJV
He taketh2
it with his eyes:1
his nose5
pierceth through4
snares.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden?
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd?
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezichtH5869 nedergeslagen worden?
Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
de HEERE
Te weten, nadat Hij, wat gezwegen hebbende, Job tijd gegeven had om daar intussen te spreken, en zich te verantwoorden; maar dewijl hij zweeg, is God voortgevaren. Zo is het woord antwoorden hier genomen voor het spreken van opnieuw aanvangen, of in de voorgaande rede voortgaan; zie Richt. 18:14 .
Hertaald:
de HEERE
Namelijk: nadat Hij, na een tijd gezwegen te hebben, Job de gelegenheid gegeven had om ondertussen te spreken en zich te verantwoorden; maar omdat hij zweeg, ging God verder. Zo wordt het woord antwoorden hier gebruikt voor het opnieuw beginnen te spreken, of het voortzetten van de voorgaande rede; zie Richt. 18:14.
onderrichten?
Dat is, wijsheid leren en overtuigen dat hij ongelijk heeft.
Hertaald:
onderrichten?
Dat is: wijsheid leren en overtuigen dat hij ongelijk heeft.
bestraft,
Dat is, die zijn oordelen wil tegenspreken en berispen.
Hertaald:
bestraft,
Dat is: die Zijn oordelen wil tegenspreken en berispen.
ik ben
Vergelijk Gen. 32:10 , en de aantekening.
Hertaald:
ik ben
Vergelijk Gen. 32:10, en de aantekening.
leg mijn hand
Dat is, ik zwijg stil. Zie boven, Job 21:5 .
Hertaald:
leg mijn hand
Dat is: ik zwijg stil. Zie hierboven Job 21:5.
Eenmaal
Hebreeuws, een; te weten, maal. Zie 2 Kron. 9:21.
Hertaald:
Eenmaal
Hebreeuws: één; namelijk keer. Zie 2 Kron. 9:21.
tweemaal
Een zeker getal voor een onzeker. Anders aldus: Eenmaal heb ik gesproken, en zal niet antwoorden, doch de tweede maal zal ik niet voortvaren.
Hertaald:
tweemaal
Een bepaald getal voor een onbepaald. Anders zo: eenmaal heb ik gesproken, en zal niet antwoorden, maar de tweede keer zal ik niet doorgaan.
een onweder,
Zie boven, Job 38:1 .
Hertaald:
een onweder,
Zie hierboven Job 38:1.
Gord nu
Zie boven, Job 38:3 .
Hertaald:
Gord nu
Zie hierboven Job 38:3.
onderricht Mij
Zie op de voorgemelde plaats.
Hertaald:
onderricht Mij
Zie op de eerder genoemde plaats.
ook Mijn
Dat is niet alleen uw oprechtheid verdedigen, maar ook mijn gerechtigheid tekort spreken.
Hertaald:
ook Mijn
Dat is: niet alleen uw oprechtheid verdedigen, maar ook mijn gerechtigheid te kort doen.
oordeel
Versta, het recht dat God had in het straffen van Job.
Hertaald:
oordeel
Versta hieronder: het recht dat God had bij het straffen van Job.
verdoemen,
Zie van dit woord Deut. 25:1 .
Hertaald:
verdoemen,
Zie over dit woord Deut. 25:1.
arm
Dat is, macht en sterkte, gelijk God. Alzo Ex. 15:16 ; Deut. 33:27 ; Ps. 79:11 , en Ps. 89:14 , en Ps. 136:12 .
Hertaald:
arm
Dat is: macht en kracht, zoals God. Zo ook Ex. 15:16; Deut. 33:27; Ps. 79:11, en Ps. 89:14, en Ps. 136:12.
Versier
Te weten, gelijk Ik daarmede versierd en bekleed ben. Zie Ps. 93:1 , en Ps. 96:6 , en Ps. 104:1 ; Jes. 51:9 . God wordt gezegd hiermede aangetogen en bekleed te zijn, omdat zij zich in al zijne oordelen en werken vertonen, hetwelk Job vermaand werd na te komen, zo hij lust had met God te richten. Vergelijk boven, Job 29:14 , en de aantekening.
Hertaald:
Versier
Namelijk: zoals Ik daarmee versierd en bekleed ben. Zie Ps. 93:1, en Ps. 96:6, en Ps. 104:1; Jes. 51:9. Van God wordt gezegd dat Hij hiermee bekleed is, omdat deze zich tonen in al Zijn oordelen en werken, wat Job vermaand werd na te volgen, als hij zin had om met God te twisten. Vergelijk hierboven Job 29:14, en de aantekening.
verbolgenheden
Versta, zeer heftige en uitvarende gramschap, die Gode menselijkerwijze hier toegeschreven wordt, alsook boven, Job 21:30 ; Ps. 78:49 . De zin is dat Job de macht niet had om zijn vijanden en tegenpartijders te dempen en tenonder te brengen, gelijk wel God had, en dat hij daarom zich niet tegen God moest gesteld hebben, willende tegen hem als tegen zijn partij zijn zaak verdedigen. Zie boven, Job 13:22 , en Job 16:21 , en Job 23:3-5 , enz.
Hertaald:
verbolgenheden
Versta hieronder: zeer heftige en uitbarstende gramschap, die God op menselijke wijze hier toegeschreven wordt, zoals ook hierboven Job 21:30; Ps. 78:49. De betekenis is dat Job niet de macht had om zijn vijanden en tegenstanders te bedwingen en te onderwerpen, zoals God dat wel had, en dat hij zich daarom niet tegenover God had moeten stellen, met de bedoeling zijn zaak tegen Hem als tegen een tegenpartij te verdedigen. Zie hierboven Job 13:22, en Job 16:21, en Job 23:3-5, enzovoort.
zie
Dat is, veracht hem en aanschouw hem met een gram en dreigend oog; alzo in vs.7, en onder, Job 41:25 .
Hertaald:
zie
Dat is: veracht hem en kijk hem aan met een boze en dreigende blik; zo ook in vers 7, en hieronder Job 41:25.
in hun plaats
Te weten, daar zij verheven en prachtig zijn, hebbende daar al hun staat, vermogen en geweld.
Hertaald:
in hun plaats
Namelijk: daar waar zij verheven en prachtig zijn, waar zij al hun status, vermogen en macht hebben.
te zamen
Te weten, de goddelozen.
Hertaald:
te zamen
Namelijk: de goddelozen.
stof;
Dat is, in het graf, waar zij in stof veranderd worden; dat is, dood hen. Vergelijk de manier van spreken met Ps. 22:16 .
Hertaald:
stof;
Dat is: in het graf, waar zij in stof veranderd worden; dat is: dood hen. Vergelijk deze manier van spreken met Ps. 22:16.
verbind
Dat is, maak dat men hen niet meer in de wereld ziet, want de aangezichten der doden pleegt men met doeken te verbinden en te dekken. Vergelijk Spr. 10:16 , en de aantekening; idem Joh. 11:44 , en Joh. 20:7 .
Hertaald:
verbind
Dat is: maak dat men hen niet meer in de wereld ziet, want de gezichten van de doden werden gewoonlijk met doeken verbonden en bedekt. Vergelijk Spr. 10:16, en de aantekening; eveneens Joh. 11:44, en Joh. 20:7.
omdat
Dat is, dat gij genoegzaam voor uzelven zijt, gelijk Ik ben, om u in het gericht tegen mij te vergelijken.
Hertaald:
omdat
Dat is: dat u genoeg voor uzelf bent, zoals Ik ben, om u in het gericht met Mij te vergelijken.
rechterhand
Dat is, uw kracht en sterkte; alzo Ps. 89:43 ; Jes. 41:13 .
Hertaald:
rechterhand
Dat is: uw kracht en sterkte; zo ook Ps. 89:43; Jes. 41:13.
Behemoth,
Dit woord wordt van velen overgezet olifant. Anderen menen dat het een algemene naam is, begrijpende alle aardse beesten, zowel tamme als wilde, die zeer groot van lichaam zijn, onder welke de olifant een van de voornaamste is. Het woord staat in het getal van velen om de grootheid van dit beest uit te drukken; alzo wijsheden, voor de opperste en hoogste wijsheid; Spr. 1:20 .
Hertaald:
Behemoth,
Dit woord wordt door velen vertaald met olifant. Anderen menen dat het een algemene naam is die alle aardse dieren omvat, zowel tamme als wilde, die zeer groot van lichaam zijn, waaronder de olifant een van de voornaamste is. Het woord staat in het meervoud om de grootte van dit dier uit te drukken; zo ook wijsheden, voor de hoogste en opperste wijsheid; Spr. 1:20.
nevens u;
Dat is, zowel als u; of met u; dat is, op denzelfden dag der schepping als Ik de eerste twee mensen, en in hen u, oorspronkelijk gemaakt heb. Anders, opdat hij met u op de aarde wonen zou.
Hertaald:
nevens u;
Dat is: net als u; of met u; dat is: op dezelfde scheppingsdag als Ik de eerste twee mensen, en in hen u, oorspronkelijk gemaakt heb. Anders: opdat hij met u op de aarde zou wonen.
hij eet hooi,
Hetwelk een bewijs en teken is van Gods voorzienigheid en macht, waardoor de allergrootste en sterkste beesten worden getemd en den mensen onderworpen.
Hertaald:
hij eet hooi,
Wat een bewijs en teken is van Gods voorzienigheid en macht, waardoor de allergrootste en sterkste dieren getemd worden en aan de mensen onderworpen.
navel
De zin is, dat hij niet alleen in de lenden, dat is in de opperste delen zijns lichaams, maar ook in de onderdelen [die het zwakst plegen te zijn], als in den buik en den navel, enz., zeer sterk is.
Hertaald:
navel
De betekenis is dat hij niet alleen in de lenden, dat is: in de bovenste delen van zijn lichaam, maar ook in de onderdelen [die meestal het zwakst zijn], zoals in de buik en de navel, enzovoort, zeer sterk is.
zijn staart
Anders, hij roert, of richt zijn staart op, enz.; te weten, zo recht opgeheven en zo onbewegelijk als een ceder.
Hertaald:
zijn staart
Anders: hij beweegt, of richt zijn staart op, enzovoort; namelijk zo recht omhoog en zo onbeweeglijk als een cederboom.
doorvlochten
Dat is, door elkander, ingewikkeld en doortrokken.
Hertaald:
doorvlochten
Dat is: door elkaar, verweven en doortrokken.
vast koper;
Hebreeuws, sterkten des kopers, of des staals.
Hertaald:
vast koper;
Hebreeuws: sterktes van koper, of van staal.
een hoofdstuk
Dat is, het voornaamste stuk der werken Gods onder de viervoetige dieren, ten aanzien van zijn grootte en sterkte.
Hertaald:
een hoofdstuk
Dat is: het voornaamste stuk van Gods werken onder de viervoetige dieren, wat betreft zijn grootte en kracht.
zijn zwaard
Die het woord behemoth voor den olifant nemen, verstaan door zijn zwaard zijn snuit, of uitstekende tanden, waarmede hij zich als met een hand behelpt en grote kracht bedrijft. Anders, kan zijn zwaard tot hem voegen; te weten, om hem te doden; dat is, kan hem doden.
Hertaald:
zijn zwaard
Zij die het woord behemoth opvatten als olifant, verstaan onder zijn zwaard zijn slurf, of uitstekende tanden, waarmee hij zich als met een hand behelpt en grote kracht bedrijft. Anders: kan zijn zwaard hem naderen; namelijk om hem te doden; dat is: kan hem doden.
Omdat
Dat is, omdat hij niet leeft bij den roof, maar bij het gewas, dat op de bergen voortkomt, zo is het dat andere dieren hem niet vrezen, maar in zijn tegenwoordigheid zonder schroom en zorg zijn. Anders, als de bergen, enz. zo spelen, enz.
Hertaald:
Omdat
Dat is: omdat hij niet leeft van roof, maar van het gewas dat op de bergen groeit, komt het dat andere dieren hem niet vrezen, maar in zijn aanwezigheid zonder schroom en zorg zijn. Anders: zoals de bergen, enzovoort, zo spelen, enzovoort.
aldaar
Dat is, in de plaats waar hij weidt.
Hertaald:
aldaar
Dat is: op de plaats waar hij weidt.
schaduwachtige
Dat is, die schaduw van zich geven. Alzo in vs.17.
Hertaald:
schaduwachtige
Dat is: die schaduw van zich geven. Zo ook in vers 17.
in een schuilplaats
Te weten, waar hij verkoeling en verversing zoekt tegen de grote en felle hitte der zon.
Hertaald:
in een schuilplaats
Namelijk: waar hij verkoeling en verfrissing zoekt tegen de grote en felle hitte van de zon.
elkeen
Of, tot [zijn] schaduw; dat is, opdat zij hem schaduw zouden maken.
Hertaald:
elkeen
Of: tot [zijn] schaduw; dat is: opdat zij hem schaduw zouden geven.
doet
Te weten, als hij in de rivier ingaat om te drinken, belet hij den loop van den rivier. Of, hij zwelgt de rivier met geweld in. Waarvan de zin is dat hij zoveel water inzuigt, dat hij de rivier schijnt te zullen inzwelgen. Dit zijn poëtische en overtollige manieren van spreken.
Hertaald:
doet
Namelijk: wanneer hij de rivier ingaat om te drinken, belemmert hij de stroom van de rivier. Of: hij zuigt de rivier met geweld naar binnen. De betekenis is dat hij zoveel water opzuigt, dat het lijkt alsof hij de rivier zal opslokken. Dit zijn dichterlijke en overdreven manieren van spreken.
verhaast
Te weten, in het drinken niet vrezende den waterstroom, noch dat enig mens of beest hem zou kunnen verjagen en verhinderen, gelijk men schrijft dat andere gedierten uit de rivier Nijl met grote zorg drinken, vrezende van den krokodil verslonden te worden. Anders, [dat] zij, te weten de rivier, zich niet kan haasten, te weten om in haar loop voort te vloeien.
Hertaald:
verhaast
Namelijk: hij is er niet bang voor, bij het drinken, voor de waterstroom, noch dat enig mens of dier hem zou kunnen verjagen of verhinderen, zoals men schrijft dat andere dieren uit de rivier de Nijl met grote voorzichtigheid drinken, bang om door de krokodil verslonden te worden. Anders: [dat] zij, namelijk de rivier, zich niet kan haasten, namelijk om in haar loop verder te stromen.
Jordaan
Zie van deze rivier Gen. 13:10 .
Hertaald:
Jordaan
Zie over deze rivier Gen. 13:10.
voor zijn ogen
Dat is, dat hij het ziet, met geweld en niet met behendigheid.
Hertaald:
voor zijn ogen
Dat is: dat hij het ziet, met geweld en niet met behendigheid. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een oprecht en godvrezend man uit het land Uz, zeer rijk aan vee en kinderen. Op aanstoken van de satan liet God zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte zijn eigen gezondheid treffen, om zijn oprechtheid op de proef te stellen; ondanks alles zondigde Job niet en bleef hij aan God vasthouden. Het boek dat zijn naam draagt beschrijft zijn lijden, de gesprekken met zijn drie vrienden over de reden van zijn lijden, Gods antwoord vanuit de storm, en zijn uiteindelijke herstel (Job 1-42). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Midden in zijn antwoord wendt Job zich van zijn vrienden af naar God. Hij wil tot de Almachtige spreken en is er belust op zich voor God te verdedigen (Job 13:3). Daarna gebruikt hij het ene woord na het andere uit de rechtszaal. Zijn zaak is opgesteld: "Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden" (Job 13:18). Hij vraagt wie er met hem twisten wil (Job 13:19). Aan de zitting stelt hij twee voorwaarden: God moet Zijn hand van hem afdoen en hem niet met verschrikking overvallen (Job 13:20-21). Dan mag ieder van beiden beginnen: "Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord" (Job 13:22). Wat hij weten wil, is eenvoudig: hoeveel misdaden en zonden heeft hij, en waarin ligt zijn overtreding (Job 13:23)? Deze wens loopt door heel het boek. Eerder stuitte zij op een gebrek, want God is geen man zoals hij, en er is geen scheidsman tussen hen beiden (Job 9:32-33). Later zoekt hij de plaats van de zitting: "Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen" (Job 23:3). Aan het slot van zijn laatste rede vraagt hij om een aanklacht op schrift (Job 31:35). En God gaat er ten slotte op in: Hij verschijnt, en Hij stelt Zelf de vragen (Job 40:2). Bijbelse betekenis: Dat een mens God voor het gerecht wil dagen, klinkt vermetel, en toch veroordeelt het boek het niet. Job vraagt geen schadevergoeding en geen verlichting; hij vraagt gehoor. Achter die vraag ligt een hoge gedachte over God. Wie meent dat er bij God recht te halen valt, gelooft dat Hij luistert en dat Hij niet met overmacht overstemt wat waar is (Job 23:6). Zijn vrienden gaan die weg niet. Zij weten het vonnis al en hebben geen zitting nodig. Toch loopt Jobs pleidooi op één punt scheef, en God wijst dat ook aan: om zijn eigen recht overeind te houden, was hij Gods recht gaan aantasten (Job 40:3, reeds behandeld). De uitkomst is opmerkelijk. Job krijgt geen uitspraak over zijn zaak, maar hij krijgt de Rechter Zelf te zien, en dat is hem genoeg (Job 42:5). Wie meent een zaak tegen God te hebben, mag die dus bij Hem brengen. Wie haar bij mensen aanhangig maakt, komt bedrogen uit. Typologie: De HEERE nodigt bij monde van Jesaja Zelf tot een geding als dit: "Maakt Mij indachtig, laat ons te zamen richten, vertelt gij uw redenen, opdat gij moogt gerechtvaardigd worden" (Jes. 43:26). In het Nieuwe Testament is de vraag naar de aanklacht beantwoord voordat zij gesteld wordt: "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt" (Rom. 8:33). Wat Job zocht — een geopende zaak bij een God Die hoort — is daarmee geen wens gebleven. Job 13:3; Job 13:18-23; Job 9:32-33; Job 23:3; Job 23:6; Job 31:35; Job 40:2-3; Job 42:5; Jes. 43:26; Rom. 8:33 De HEERE antwoordt Job opnieuw uit de storm (Job 40:1). Job moet zich als een man opmaken; God zal hem vragen en hij mag onderrichten (Job 40:2). Dan komt de vraag waar alles op uitloopt: zal Job Gods oordeel tenietdoen, en zal hij God veroordelen om zelf rechtvaardig te staan (Job 40:3)? Heeft hij een arm als God, en kan hij donderen met zo'n stem (Job 40:4)? Laat hij zich dan versieren met voortreffelijkheid en hoogheid en zich bekleden met majesteit (Job 40:5). Laat hij zijn toorn uitstorten, iedere hoogmoedige aanzien en vernederen, en de goddelozen op hun plaats verpletteren (Job 40:6-7). Laat hij hen samen in het stof verbergen (Job 40:8). Dan zal God hem ook loven, omdat zijn eigen rechterhand hem verlost heeft (Job 40:9). Bijbelse betekenis: Hier valt eindelijk het woord waar het om ging. God verwijt Job niet dat hij geklaagd heeft, en Hij noemt geen enkele verborgen zonde die de vrienden vermoedden. Wat Hij aanwijst, is één beweging in Jobs pleidooi: om zijn eigen recht overeind te houden, was Job Gods recht gaan aantasten. Dat is de val waarin iedere lijdende kan lopen. Wie zijn onschuld verdedigt tegen God in, moet God wel ongelijk geven. Merk daarbij op hoe voorzichtig deze correctie is. Zij treft niet Jobs verdriet en niet zijn vragen, maar alleen dit ene punt. En het voorstel dat volgt is bijna ironisch: als Job meent het beter te weten, laat hij dan de wereld gaan besturen en zelf de hoogmoedigen vernederen. Wie dat kan, mag ook rekenen op zijn eigen hand. Zo wordt zonder één hard woord duidelijk hoe onmogelijk Jobs positie was. Typologie: Paulus zegt hetzelfde in één zin, en hij stelt de zaak precies zo: "God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw woorden" (Rom. 3:4). Waar God en mens tegenover elkaar komen te staan, is er maar één uitkomst mogelijk, en juist die uitkomst maakt genade nodig. Job 40:1-9; Rom. 3:4 God roept Job op om naar Behemoth te kijken, die Hij gemaakt heeft nevens hem; het dier eet hooi als een rund (Job 40:10). Zijn kracht zit in zijn lendenen en zijn macht in de spieren van zijn buik (Job 40:11). Zijn staart is als een ceder, zijn beenderen zijn als koperen buizen en zijn gebeente als ijzeren stangen (Job 40:12-13). Hij wordt een hoofdstuk van de wegen Gods genoemd (Job 40:14). De bergen brengen hem voedsel voort, en daar spelen de andere dieren (Job 40:15). Hij ligt onder schaduwrijke bomen, in het riet en het slijk (Job 40:16-17). Als de rivier geweld doet, haast hij zich niet; hij vertrouwt erop dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen opnemen (Job 40:18). Kan iemand hem vangen voor zijn ogen of zijn neus met strikken doorboren (Job 40:19)? Daarna gaat God over op de Leviathan, die met geen angel te trekken is en met wie niemand een verbond sluit (Job 40:20-24); die beschrijving loopt door in het volgende hoofdstuk. Bijbelse betekenis: Over de vraag welk dier hier precies bedoeld is, gaan de uitleggers uiteen, en het register kiest daarin geen partij. Wat de tekst zelf zegt, is genoeg. Behemoth is door God gemaakt, hij is gemaakt nevens Job, en hij eet hooi als een gewoon rund. Dat laatste is verrassend: dit ontzagwekkende dier is geen roofdier. Er ligt een eenvoudige les in. Job is niet de kroon van een wereld die hij overziet. Naast hem loopt een schepsel waar hij niets over te zeggen heeft, dat rustig blijft als de rivier zwelt en dat door niemand gevangen wordt. God noemt hem zelfs een hoofdstuk van Zijn wegen. Wie zo'n dier ziet en beseft dat het uit dezelfde hand komt als hijzelf, houdt op met redeneren over wat God wel en niet mag doen. Typologie: De psalm zegt van al deze dieren dat zij niet van de mens zijn maar van God: "al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen" (Ps. 50:10). Dat is de grond waarop God hier spreekt: Hij toont Job niet Zijn macht om te imponeren, maar Zijn eigendom om Job zijn plaats te wijzen. Job 40:10-24; Ps. 50:10 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Job 40
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Job 40
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
De belijdenis, die Job op de beide eerste gedeelten van Gods redenen aflegde, was nog gene volkomen; zij kon nog meer een buigen zijn onder de grote macht en wijsheid Gods, gelijk hem deze uit de wonderen in de natuur op nieuw levendig voor den geest getreden was, maar waarbij de overtuiging van eigen onschuld in zijn lijden en het gemis aan gerechtigheid in de wereldregering van God toch nog wil vasthouden. Bovenal kwam het er op aan, dat Job zijne vermetelheid, aan welke hij zich door twijfel aan Gods gerechtigheid in de wereld schuldig gemaakt had, in al hare grootte erkende, en daarmee tevens de in zijn hart ingewortelde eigengerechtigheid en loonzucht; over deze moest hij berouw gevoelen, deze voor den Heere belijden. Dit dieper schuldgevoel te bewerken, is het doel van het nu volgende derde gedeelte van Gods redenen. Ook hier weer gaat de Heere den weg, die alleen met Zijne eer en waardigheid overeenkomstig is. Hij laat Zich niet in een richten met Job in, maar toont hem in de beide grootste monsters uit de dierenwereld, het rivierpaard en den krokodil, dat de mens, die het eens in staat is zulke schepselen te beteugelen, nog veel minder in staat zou zijn de bozen te straffen en op aarde gerechtigheid te oefenen; dat integendeel slechts Hij, die de hoogste macht bezit, Wiens scheppende kracht zich in zo overvloedige volheid, in zulke reusachtige dieren openbaart, ook noodzakelijk de allerhoogste gerechtigheid bezitten en uitoefenen kan. Wie echter met zijne ingebeelde gerechtigheid de kracht niet verbindt, om het boze te vernietigen, die wage het niet, zijne gerechtigheid nevens die van den alleen machtigen en rechtvaardigen God te stellen, maar behoort zich zonder tegenspraak te verootmoedigen. Eerst deze rede van God brengt in Job de volle en diepe erkentenis van de volkomen vereniging van wijsheid, macht en rechtvaardigheid in God, te weeg, en doet daarmee de oprechte boete en de belijdenis zonder enig voorbehoud van zijne zonde van onverstandige verduistering van Gods raadsbesluit tot rijpheid komen. Vs. 1-19. Welaan-gord u tot den strijd tegen Mij! Wilt gij het wagen, Mijne rechtvaardigheid in het vergelden van goed en kwaad in twijfel te trekken; zo toon Mij aan, dat gij in staat zijt, met gelijke macht als Ik, de wereld te regeren. Wapen u toch nu met uwe hoogheid en vernietig alle misdadigen en trotsen in de wereld, zo zal Ik u prijzen. Doch zie slecht, den behemoth (het nijlpaard) aan, dat meesterstuk onder het geschapene, en beproef het met openlijke macht te vangen, zo zult gij van uwe onmacht overtuigd worden, en ook de bestraffing van het kwade gaarne aan Mij overlaten.
En de HEERE, Jehova (zie (Hoofdstuk 38: 1) antwoordde Job op zijne nog onvoldoende belijdenis, om zijn berouw te louteren, en alle eigengerechtigheid in hem te beschamen, uit een of, het nog altijd boven zijn hoofd hangend onweder uit den onweersstorm (Hoofdstuk 37: 2) en zei 1)
Job was wel grotelijks vernederd, door hetgeen God reeds had gezegd, maar nog niet genoeg en ten volle tot schuldbekentenis en zelfveroordeling gebracht. Hij was enigszins vernederd, maar nog niet genoeg verlaagd, en daarom vervolgt God alhier met op dezelfde wijze, niet minder nadrukkelijk, als te voren tegen hem te redeneren. Zij, die behoorlijk overtuigd zijn van zonde, en die er berouw over tonen en boete voor willen doen, zullen nodig hebben, ten volle van hun eigen onmacht en ellende overreed te worden, ten einde zich in zak en as, voor God op het boetvaardigst te mogen verootmoedigen.
Gelijk in de eerste, zo ook in deze tweede rede blijkt het zo duidelijk, dat God, de Heere, Job niet dwingt Hem te eren als den volstrekt Rechtvaardige, maar hem door Zijne woorden overreedt. De vrienden hebben hem willen dwingen, en toen hij niet wilde, hebben zij hem verdoemd. Maar God werkt met de onweerstaanbare kracht van Zijn Woord en overreedt door de bewijzen Zijner liefde en gunst. De Heere overtuigt Job, en wel zo, dat hij straks diep voor Hem in het stof zal bukken. God verdoemt Job niet, gelijk de vrienden gedaan hebben, maar wil hem zijne zonde doen inzien, zijne vermetelheid diep doen verfoeien. Wanneer Hij spreekt, getuigt het van Zijne hoge Majesteit, maar ook van Zijne neerbuigende Goedheid.
Gord nu als een man uwe lenden (zie Hoofdstuk 38: 3); Ik zal u vragen, hoe gij in Mijne plaats het kwade zoudt bestraffen en te niet doen, en onderricht Mij, of gij de macht bezit beter gerechtigheid over de aarde uit te oefenen.
Zult gij het ongestraft wagen, niet alleen tegen Mij te morren, maar ook mijn oordeel, dat Ik over het kwade in de wereld uitspreek en over het vonnis, dat ik ten uitvoer leg en alzo Mijne gerechtigheid in ‘t besturen der wereld te niet maken? Zult gij Mij verdoemen 1), opdat gij rechtvaardig zijt, en daar staat als een, wie door Mij zwaar onrecht is aangedaan?
De eigengerechtigheid is steeds een meer of minder bewuste aanval op de volkomen rechtvaardigheid Gods. “Wie zich zelven zoekt te verdedigen tegen Gods kastijdingen, zoekt het oordeel te vernietigen van Degene, die hem slaat. Wanneer hij ontkent, dat hij om eigene schuld geslagen wordt, wat doet hij anders, dan de rechtvaardigheid van Dien, die hem slaat, aanklagen? Zo ook de vrome Job, daar hij zijne schuld bij de kastijdingen niet kon vinden, en ook niet begreep, dat juist deze kastijdingen hem tot bevestiging in de heiligmaking konden zijn, meende hij dat hij ten onrechte geslagen werd. Alleen oprecht en diep berouw over, en belijdenis van de zonde erkent Gods rechtvaardigheid in Zijne wereldregering volkomen. (Psalm 51: 6. Rom. 3: 4.).
Hebt gij dan enen arm gelijk God, een arm met Goddelijke almacht toegerust, dat gij in Mijne plaats en rechtvaardiger dan Ik de wereld zoudt kunnen regeren? en kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen1), aan uwe bevelen zulk een nadruk geven? Wie rechtvaardiger wil zijn dan God, die moet ook gene mindere macht hebben. De hoogste gerechtigheid en wijsheid en de hoogste majesteit en macht zijn steeds in de nauwste vereniging.
Dat is: Zijt gij misschien ook het een of ander onafhankelijk wezen? Of hebt gij een machtigen arm als een God? En kunt gij ene even gelijke donderende stem, vol van Majesteit, doen horen? Strenge, zeker, en klemmende vragen, Gode ten hoogste betamende, en die tevens insluiten, dat hij, die Gode verwijt, dat Hij hem onrecht aandoet, zich enigermate tot een God verheft, en zich de hoogste heerlijkheid en Majesteit toe-eigent.
Versier u nu met Goddelijke voortreffelijkheid en met rechterlijke hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid, gelijk Ik, de Regeerder en Rechter der wereld, met Majesteit bekleed ben, zo wil Ik zien, of gij in staat zijt, de wereld beter te regeren en te richten, dan Ik.
Strooi de verbolgenheden uws toorns uit over deze wereld, zo vol van gruwelen, gelijk gij van Mij verlangt; en zie allen hoogmoedige aan met het vernietigend oog van een hemelsen rechter, en verneder hem1)!
Job had zich beklaagd over de hoogmoedigen en goddelozen, en beschuldigde God als het ware, dat Deze niet rechtvaardig hen verwierp. Welnu, hier roept God Job op, om te tonen wat hij kan tegen de hoogmoedigen. Hij heeft met God een twistgeding willen beginnen, zich daarom feitelijk met God op één lijn geplaatst, hier wordt hij uitgenodigd, om dan ook al zijn kracht te beproeven, om de goddelozen tegen te houden. Kennelijk wil God er mee zeggen, dat Hij alleen de macht bezit, om hen te dwingen, maar ook de wijsheid, om op zijn tijd het oordeel over de goddelozen uit te voeren.
Ja, zie allen hoogmoedige, en breng hem te onder, dat toch hebt ge gemist in Mijn bestuur en het onrechtvaardig genoemd; en verpletter de goddelozen in hun plaats, overal waar gij ze vindt!
Verberg hen te zamen in het stof der aarde opdat zij nooit weer te voorschijn komen, verbind hun aangezichten in het verborgen van den dood, opdat zij geheel verdwenen zijn.
Dan zal Ik, die u thans berispen moet, ook u loven, dat gij niet alleen sterk zijt in het berispen Mijner regering, maar ook, omdat uwe rechterhand u zal verlost hebben 1), dat gij werkelijke grote dingen kunt volbrengen, gelijk Ik, en daarom een zeker recht hebt, Mijne wereldorde te bedillen, en uwe onschuld en gerechtigheid boven de Mijne te verheffen.
Hier wil God zeggen, als gij doet of zult doen, wat Ik u zo-even genoemd heb, dan zal Ik belijden, dat gij een Goddelijken arm hebt en dat gij recht hebt, om met Mij te twisten. Een verzekering, wel geschikt, om Job ten diepste te doen buigen. Want hij moet het bij zich zelven erkennen, dat hij daartoe niet in staat is, zich zelf niet kan verlossen en het onrecht niet volkomen stuiten. En om nu deze woorden kracht bij te zetten, gaat de Heere over, om hem te wijzen op die twee machtige dieren, den Behémoth en Leviathan.
In twee dieren wil Ik u aanwijzen, hoe krachteloos gij zijt. Zie nu Behémoth 1), het Nijlpaard, hippopotamus amphibius, welken Ik gemaakt heb nevens u, eveneens, als Ik u gemaakt heb; hij eet hooi en gras, gelijk een rund, zodat men denken zou, dat het een zwak dier was.
De kerkvaders hielden den Behémoth, zowel als den Leviathan (vs. 20 vv.) voor zinnebeelden van den satan. Zo zegt ook Luther: Onder deze beelden beschrijft Hij de kracht en het geweld van den duivel en van zijn aanhang, de goddeloze menigte in de wereld. Wanneer nu gene directe betrekking op den satan voor de hand ligt, zo ligt die toch in den samenhang, in welke sprake is van Jobs onbekwaamheid om het kwade beter te overwinnen en te beheersen dan de Heere. Zonder twijfel zijn hier dieren uit Egypte bedoeld, gelijk wij reeds meermalen in het Boek van Job Egyptische beelden aantroffen, die zeker uit den kring, waarin de dichter leefde, genomen zijn. -De naam Behémoth is hoogst waarschijnlijk uit de Oud-Egyptische taal genomen, in welke het p-ehe-mau (p = de, ehe = os, mau = van het water) zou klinken. Dit Egyptische woord is in het Hebreeuws een meervoudig woord geworden, zodat het “al wat groot is in het dierenrijk” betekent. Zeker is hier het Nijlpaard bedoeld. Dien laatsten naam heeft het, omdat het den Nijl tot in zijne monden toe bewoonde. De Romeinen lieten dit geweldige dier in hun schouwspelen tegen den krokodil strijden; tengevolge van het onophoudelijk jagen verdween het uit den Beneden-Nijl zodat men die tonelen moest laten ophouden. Tegenwoordig vindt men het nog in den witten en den blauwen Nijl en in bijna alle andere Afrikaanse rivieren en meren. Het Nijlpaard heeft een lompen lichaamsbouw, is dikwijls 14-17 voet lang, 7 voet hoog, heeft een ronden romp van bijzonder groten omvang en een zwaarte van 15-20 centenaars. De zeer grote kop zit dadelijk aan den romp, zonder hals, de oren zijn klein en spits, de ogen even zeer klein, dom starende, de bek zeer groot en breed, de muil buitengewoon ver geopend. Het bezit een ontzettende sterkte, zodat het rivierschepen van middelmatige grootte met manschappen en lading kan omverwerpen of met zijne tanden vernietigen. Toch eet het planten, is over ‘t algemeen bevreesd en valt slechts zelden dieren of mensen aan. Dan zijn hem echter de 4 geweldige hoektanden van de kakebenen van welke de ondersten bij volwassene dieren minstens ene lengte van meer dan twee voet bereiken, een vreselijk wapen. Het deze verbrijzelt het zelfs runderen tot brij. Een reiziger bericht, dat een Nijlpaard 4 trekossen verbrijzelde, welke rustig aan een scheprad stonden. “Wordt er in het water voedsel genoeg gevonden, gelijk bv. in de plantenrijke meerachtige platen van den Bahr el Abiad (den witten Nijl), zo verlaat het ook des nachts de bedding van den stroom niet, of slechts hoogst zeldzaam. Het eet dan hij dag en nacht van de planten, die in den stroom wassen, wanneer het hongerig is. Bijzonder dient hem tot voedsel de loto (niet te verwisselen met den lotoboom), die geheiligd en als een beeld der Godheid beschouwd werd der volken, welke door de zinnelijkheid te niet gegaan en reeds bijna vergeten zijn; deze lotus is de heerlijke, koninklijke broeder van onze liefelijke waterroos. Een etend Nijlpaard is een waarlijk lelijk gezicht. Op een afstand van een tiende mijl kan men het opengaan van den muil met het blote oog zien, op een afstand van ongeveer honderd schreden neemt men alle bewegingen bij het eten waar. De lelijke kop verdwijnt in de diepte en woelt onder de planten rond; het zich oplossend schuim maakt het water op verren afstand vuil, dan komt het weer boven met een muil vol van een betrekkelijk groten, dikken bos afgerukte planten; hij legt dien op de oppervlakte van het water en kauwt en verteert dien nu langzaam. Aan beide zijden van den muil hangen de ranken en stengels der gewassen lang uit, en groenachtig plantensap loopt, met speeksel vermengd, bestendig over de gezwollen lippen. Enkele half gekauwde ballen gras worden uitgeworpen, en op nieuw verslonden; de flauwe ogen loeren bewegingloos in de verte en de voetenlange slag- en hoektanden vertonen zich in hun gehele grootte. In rivieren daarentegen, die steile oevers hebben en die wegens haar snelleren loop geen plantengroei toelaten, zo als de Bahr el Asrakh (de blauwe Nijl) is het dier genoodzaakt aan land te gaan, om te weiden. “Ongeveer een uur na zonsondergang, op welken in de tropische gewesten, gelijk bekend is, bijna toverachtig snel de lichte, schone nacht volgt, verlaat het, met grote voorzichtigheid luisterende en rond kijkende den stroom, en kruipt, hoe lomp het ook is, tegen de steilste oeverwanden op. In bossen ziet men de sporen van het Nijlpaard overal, waar de rijkdom van de plantenwereld goede weiden belooft; in de nabijheid van bewoonde plaatsen richten zich de paden naar de vruchtvelden. Hier valt het verwoestend in; hier wordt het, hoewel het slechts planten vreet, tot het schadelijkste en gevaarlijkste dier.
Zie toch, zijne kracht is, ondanks dat, reusachtig in zijne lenden, en zijne buitengewone macht in den navel (liever: in de spieren) zijns buiks.
Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte 1) zijn doorvlochten, de ballen hangen niet neer, maar zijn in den buik besloten met zeer sterke spieren.
Of, zijne schenkelen, of, dijen. De Staten-Vertalers hebben de Vulgata gevolgd.
Zijne beenderen, hoewel dun, gelijk bij alle waterdieren, zijn als vast koper; zijne gebeenten, het gehele, den vleesberg dragende, beenderengestel, zijn als ijzeren handbomen, ijzeren staven.
Hij is een hoofdstuk 1) der wegen Gods, een meesterstuk onder de werken van Gods schepping; die hem gemaakt heeft liet hem niet zonder verdedigingsmiddelen, maar heeft hem zijn zwaard 2) aangehecht, heeft hem toegerust met een reusachtig gebit van over elkaar staande snijtanden, met welke het de velden, als met enen sikkel afmaait.
Het nijlpaard is inderdaad het grootste onder alle bekende dieren, in doorsnede zelfs groter dan de olifant. (Zo niet wat de hoogte betreft, dan wel wat de lengte en de dikte aangaat), zo te zeggen, een overblijfsel van de dieren uit de tijden der wereld vóór den zondvloed, in wie zich de kracht des Scheppers op zulk een majestueuze wijze openbaarde.
Letterlijk, eersteling, niet omdat hij het eerste geschapene dier is, maar dewijl hij wel het grootste mag worden genoemd. Wanneer hier gesproken wordt van, de wegen Gods, dan moeten hieronder Zijne daden, als Schepper der wereld worden verstaan. Bochart merkt hier dan ook op, un chef d’oeuvre de Dieu.
Een hoektand van het nijlpaard, in gedaante en scherpte aan het Egyptisch kromzwaard gelijk, bereikt dikwijls de lengte van ruim twee voet en de zwaarte van 15 ponden. Het uit deze tanden gewonnen elpenbeen is zeer hoog geschat en wordt duur betaald.
Omdat de bergen hem voeder voortbrengen beklimt hij deze en hij doet het, ondanks zijn lompen lichaamsbouw (vs. 11 ) gemakkelijk, daarom spelen al de dieren des velds aldaar bij het zo machtige en toch zo onschuldige dier, dat niet gevaarlijk is, zolang het niet gesard wordt.
Onder schaduwachtige Lotus-bomen 1) ligt hij neer, wanneer hij zijnen honger gestild heeft, in ene schuilplaats des riets en des slijks 2).
De Lotus-boom groeit in Palestina, Syrië en Egypte in hete en vochtige laagten en bereikt ene aanzienlijke hoogte en sterkte. Hij draagt kleine, gele, goed smakende appelen.
Bij dag verlaten de nijlpaarden slechts op eenzame plaatsen het water, om in de nabijheid van den oever, deels in het ondiepe water, deels op het land zelf, zich aan een dromerige sluimering over te geven. Daarbij knorren de mannelijke dieren van tijd tot tijd als onze zwijnen, ten teken van bijzonder genot. Tegen den avond wordt het knorren tot een gebrul, en de gehele kudde duikt spelend op en neer in den stroom.
De schaduwachtige, de Lotus-bomen bedekken hem, elk een met zijne schaduw; de beekwilgen omringen hem.
Zie, hij doet de rivier geweld aan 1) hij verhaast zich niet om heen te gaan; hij vertrouwt, dat hij den Jordaan in zijnen mond zou kunnen intrekken 2).
De nijlpaarden zwemmen met verwonderlijk gemak, duiken op en neer, bewegen zich met rukken en stoten, wenden zich naar alle zijden heen, en zwemmen in rechte richting met de beste roeiboot in wedstrijd. Ik heb bij rustig zwemmen van dit dier nooit ene hevige beweging van roeien kunnen waarnemen; het water om het zwemmend nijlpaard blijft integendeel glad en onbewogen. De Jordaan wordt hier gebruikt om ene soort aan te wijzen, om ene geweldige, soms hoog opzwellende rivier, te noemen.
In het Hebreeuws Heen jaäschook nahar. Beter: Zo de rivier zich verheft, en dan het volgende, hij verhaast of siddert niet. De betekenis is, dat het Nijlpaard er niet door verschrikt wordt, als de golven wild en woest beginnen te bruisen. Hij blijft er even kalm onder, al loeit de storm nog zo.
In het Hebreeuws Jibtach ki-jagiach jardeen el phihoe. Beter: Hij blijft kalm, wanneer een Jordaan voor zijn mond zou te voorschijn komen.
Zou men hem voor zijne ogen, terwijl hij het ziet, kunnen vangen? zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen, zou men hem openlijk of met list kunnen vangen, gelijk men anders zelfs wel grote dieren vangt? Over de moeilijkheid, om het nijlpaard te doden, zijn het alle andere en latere reizigers eens; zonder vuurwapenen, welke zeer zware kogels schieten, en wel op kleinen afstand, heeft de jacht op dit monster in ‘t geheel geen gevolg. Elke bukskogel doorboort het pantser van den krokodil; maar zij is veel te zwak, om de een duim dikke huid en ruim zo dikke schedel van het nijlpaard te kunnen doorboren. Van 25 snaphaankogels, verhaalt Rupell, een reiziger in Afrika, op een afstand van ongeveer vijf voeten op den kop van het monster, had slechts één de huid en het been bij den neus doorboord; bij elk snuiven sproeide nu het dier rijke bloedstromen op onze schuit; al de andere kogels waren in de dikte van de huid blijven zitten. Wij bedienden ons eindelijk van een draaibas; maar eerst, nadat 5 kogels, op een afstand van weinige voeten gevuurd, de verschrikkelijkste verwoesting in den kop en in het lichaam teweeg gebracht hadden, gaf de kolossus den geest. Gewoonlijk echter hebben de inboorlingen slechts harpoenen en werpspiesen, met welke hun de jacht ook slechts door grote krachtsinspanning, list en gewoonte gelukt. Andere inboorlingen bezigen ook wel de list, om spitse palen op een bergweg van het nijlpaard in den grond te slaan, welke het niet bemerkt, als het opstijgt, maar nadat het zich rijkelijk met voedsel gevuld heeft en zich bij het nederdalen door het gewicht van zijne zwaarte laat neerzakken, het open rijt.
20. BESCHRIJVING VAN DE GROOTTE, MACHT EN STERKTE VAN DEN LEVIATHAN. Vs. 20-Hoofdstuk 41: 2. Of vermoogt gij misschien den leviathan (den krokodil) te vangen? Noch met goedheid, noch met geweld zult gij hem in handen krijgen. Wanneer niemand dit schepsel aandurft, wie wil dan met God den strijd wagen, of tegenover Hem ene aanspraak op recht maken?
Zult gij den Leviathan 1), de krokodil (Hoofdstuk 3: 8 ) met den angel uit het water trekken, of zijne tong 2) met een koord, dat gij laat neerzinken en waaraan de haak bevestigd is?
Leviathan kan zowel ene slang (Hoofdstuk 3: 8), als den walvis (Psalm 104: 26) als ook den krokodil (gelijk Psalm 74: 13. Jes. 27, waar zij een zinnebeeld van Egypte is) betekenen. Een eigen naam voor den krokodil heeft de Hebr. taal niet; de Egyptenaren noemden hem Temsach, op welken naam de heilige dichter volgens den grondtekst zinspeelt (Ksmt).
De krokodil heeft ene betrekkelijk zeer lange tong, die hij echter niet uitsteken kan.
Zult gij hem ene bieze 1) in den neus leggen? of met een doorn, een ringvormigen haak, zijne kaak doorboren?
Nog heden is het bij de vissers op den Nijl gewoonte, de gevangene vissen aan het land te trekken, hun een ijzeren ring door de kaken te steken, daaraan een touw te binden, dat aan den oever vast te maken, en daarop de vissen weer in het water te werpen om ze levend te houden.
In het Hebr. Agmoon. Dit woord kan wel een bieze betekenen, maar ook een metalen ring, en die betekenis moeten we hier hebben. Evenzo betekent het woord, wat vertaald is door doorn, ook haak, en zo moet het hier vertaald worden. De vraag bedoelt, of Job met den krokodil kan doen, gelijk men met gewone vissen doet, en hem daarmee opnemen in de rij der geketende dieren. Dit wordt door de volgende verzen, vooral door vs. 23, bevestigd.
Zal hij aan U vele smekingen maken? zal hij zachtjes tot U spreken, u vleien, om hem toch zijne vrijheid niet te ontnemen?
Zal hij een verbond met U maken? zult gij hem, gelijk een huisdier, aannemen tot enen eeuwigen slaaf, zodat hij voor u arbeidt, gelijk de os?
Zult gij hem africhten en met hem spelen, gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uwe jonge dochters, dat zij met hem spelen?
Zullen de metgezellen, de vissersgezelschappen, over hem een maaltijd bereiden 1)? Zullen zij hem delen onder de kooplieden, als een handelsartikel?
In het Hebr. Jikroe. Dit is door de Staten-Overzetters vertaald door, een maaltijd houden, in navolging van LXX (ensitountai), maar beter is de vertaling van, handeldrijven. Anderen vertalen door, hinderlagen leggen. Met het tweede gedeelte van het vers komt de vertaling van, handeldrijven het best overeen. De kooplieden zijn de Phoeniciërs, dewijl zij hier met den naam van Kananeërs worden genoemd.
Zult gij zijne met ondoordringbare schubben bedekte huid met haken vullen, of met een vissers krauwel, met harpoenen zijn hoofd? Immers ware het te vergeefs die op hem af te werpen, niet één drong in zijn vlees in.
Leg uwe hand op hem, gedenk des strijds; waag het eens de hand aan hem te slaan ten strijde, doe het niet meer, of, gij doet het niet meer, gij zult het ten tweeden male niet ondernemen, de lust zal u wel geheel vergaan zijn.
Zie, zijne hoop, de hoop van ieder, die het waagt, zal feilen, hij zal spoedig de hoop om hem ooit meester te worden, moeten opgeven. Zal hij niet ook voor zijn aangezicht nedergeslagen worden, zal hij niet bij den eersten aanblik reeds verslagen zijn? Onder de vele soorten van krokodillen, welke de oude Egyptenaren kenden (nu kent men nog vijf soorten), is bij deze schildering aan de grootste te denken. Het ondoordringbare van de gepantserde huid, de vreselijke muil, die tot achter ogen en oren zich opent, met de lange spitse tanden de bijzondere behendigheid van zijne bewegingen en wendingen in het water, ook in poel en moeras, de ontzaglijke sterkte, die het in den staart bezit, welke het lichaam in lengte overtreft (een slag van dezen is genoeg, om een hert alle vier de benen tegelijk te verpletteren), het fijne gehoor, de scherpe reuk, eindelijk de grote levenstaaiheid en kracht van het dier-dat alles maakte reeds in de oudheid en nog heden de krokodillenjacht zeer gevaarlijk en moeilijk. Met gewone angels en harpoenen is het onmogelijk het dier meester te worden. De stoutste manier van krokodillenjacht in onze dagen hebben enkele negerstammen, die met niets dan een dolk gewapend, onder het dier in het water duiken en het den buik doorboren, die slechts met zachte geelachtige schubben bedekt is. In geval zij missteken, is er nog slechts één middel om zich te redden, namelijk dat zij het woedend dier het uiterst gevoelige oog uitstoten.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel