Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Maar nuH6258 lachenH7832 overH5921 mij minderenH6810 dan ik vanH4480 dagenH3117, welker vaderenH1 ik versmaadH3988 zou hebben, om bij de hondenH3611 mijner kuddeH6629 te stellenH7896.
Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.
KJV
But now they that are younger4
than I have me in derision,2
whose fathers9
I would have disdained8
to have set10
with the dogs12
of my flock.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
WaartoeH4100 zou mij ookH1571 geweest zijn de krachtenH3581 hunner handenH3027? Zij was door ouderdomH3624 in hen vergaanH6.
Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.
KJV
Yea, whereto4
might the strength2
of their hands3
profit me, in whom old age8
was perished?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Die door gebrekH2639 en hongerH3720 eenzaamH1565 waren, vliedendeH6207 naar dorre plaatsenH6723, in het donkereH570, woesteH7722 en verwoesteH4875.
Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.
KJV
For want1
and famine2
they were solitary;3
fleeing4
into the wilderness5
in former time6
desolate7
and waste.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Die ziltige kruidenH4408 pluktenH6998 bijH5921 de struikenH7880, en welker spijzeH3899 was de wortelH8328 der jeneverenH7574.
Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren.
KJV
Who cut up1
mallows2
by the bushes,4
and juniper6
roots5
for their meat.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Zij werden uitH4480 het middenH1460 uitgedrevenH1644; (men jouwde over hen, als over een diefH1590),
Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief),
KJV
They were driven forth3
from among2
men, (they cried4
after them as after a thief;)
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Opdat zij wonenH7931 zouden in de klovenH6178 der dalenH5158, de holenH2356 des stofsH6083 en der steenrotsenH3710.
Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.
KJV
To dwell3
in the clifts1
of the valleys,2
in caves4
of the earth,5
and in the rocks.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zij schreeuwdenH5101 tussenH996 de struikenH7880; onderH8478 de netelenH2738 vergaderdenH5596 zij zich.
Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.
KJV
Among the bushes2
they brayed;3
under the nettles5
they were gathered together.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Zij waren kinderenH1121 der dwazenH5036, en kinderenH1121 van geen naamH8034; zij waren geslagenH5217 uitH4480 den landeH776.
Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.
KJV
They were children1
of fools,2
yea, children4
of base men:6
they were viler7
than the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Maar nuH6258 ben ik hun een snarenspelH5058 geworden, en ik ben hun tot een klapwoordH4405.
Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.
KJV
And now am I their song,2
yea, I am their byword.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Zij hebben een gruwelH8581 aan mij, zij maken zich verreH7368 van mij, ja, zij onthoudenH2820 het speekselH7536 nietH3808 van mijn aangezichtH6440.
Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.
KJV
They abhor1
me, they flee far2
from me, and spare6
not to spit7
in my face.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantH3588 Hij heeft mijn zeelH3499 losgemaaktH6605, en mij bedruktH6031; daarom hebben zij den breidelH7448 voor mijn aangezichtH6440 afgeworpenH7971.
Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.
KJV
Because he hath loosed3
my cord,2
and afflicted4
me, they have also let loose7
the bridle5
before
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Ter rechterhandH3225 staatH6965 de jeugdH6526 op, stotenH7971 mijn voetenH7272 uit, en banenH5549 tegenH5921 mij hun verderfelijkeH343 wegenH734.
Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen.
KJV
Upon my right2
hand rise4
the youth;3
they push away6
my feet,5
and they raise up7
against me the ways9
of their destruction.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Zij brekenH5420 mijn padH5410 af, zij bevorderenH3276 mijn ellendeH1942; zij hebben geenH3808 helperH5826 van doen.
Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen.
KJV
They mar1
my path,2
they set forward4
my calamity,3
they have no helper.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Zij komenH857 aan, als door een wijdeH7342 breukH6556; onderH8478 de verwoestingH7722 rollenH1556 zij zich aan.
Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.
KJV
They came3
upon me as a wide2
breaking1
in of waters: in4
the desolation5
they rolled
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Men is met verschrikkingenH1091 tegenH5921 mij gekeerdH2015; elk een vervolgtH7291 als een windH7307 mijn edeleH5082 ziel, en mijn heilH3444 is als een wolkH5645 voorbijgegaanH5674.
Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.
KJV
Terrors3
are turned1
upon me: they pursue4
my soul6
as the wind:5
and my welfare9
passeth away8
as a cloud.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Daarom stortH8210 zich nuH6258 mijn zielH5315 in mij uit; de dagenH3117 des druksH6040 grijpenH270 mij aanH5921.
Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.
KJV
And now my soul4
is poured out3
upon me; the days6
of affliction7
have taken hold
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Des nachtsH3915 doorboortH5365 Hij mijn beenderenH6106 in mij, en mijn polsaderenH6207 rustenH7901 nietH3808.
Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet.
KJV
My bones2
are pierced3
in me in the night season:1
and my sinews5
take no rest.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Door de veelheidH7230 der krachtH3581 is mijn kleedH3830 veranderdH2664; Hij omgordtH247 mij als de kraagH6310 mijns roksH3801.
Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.
KJV
By the great
force2
of my disease is my garment4
changed:3
it bindeth me about7
as the collar5
of my coat.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Hij heeft mij in het slijkH2563 geworpenH3384, en ik ben gelijk geworden als stofH6083 en asH665.
Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
KJV
He hath cast1
me into the mire,2
and I am become like3
dust4
and ashes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Ik schreiH7768 totH413 U, maar Gij antwoordtH6030 mij niet; ik staH5975, maar Gij achtH995 niet op mij.
Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.
KJV
I cry1
unto thee, and thou dost not hear4
me: I stand up,5
and thou regardest
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Gij zijt veranderdH2015 in een wredeH393 tegen mij; door de sterkteH6108 Uwer handH3027 wederstaat Gij mij hatelijk.
Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.
Ook in dit vers
wederstaat hatelijkH7852
KJV
Thou art become1
cruel2
to me: with thy strong4
hand5
thou opposest
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Gij heftH5375 mij op in den windH7307; Gij doet mij daarop rijdenH7392, en Gij versmeltH4127 mij het wezen.
Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.
KJV
Thou liftest me up1
to the wind;3
thou causest me to ride4
upon it, and dissolvest5
my substance.6
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Want ik weetH3045, dat Gij mij ter doodH4194 brengenH7725 zult, en tot het huisH1004 der samenkomstH4150 allerH3605 levendenH2416.
Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.
KJV
For I know2
that thou wilt bring4
me to death,3
and to the house5
appointed6
for all living.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Maar Hij zal tot een aardhoopH1164 de handH3027 nietH3808 uitstekenH7971; is er bij henlieden geschreiH7769 in zijn verdrukkingH6365?
Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?
KJV
Howbeit he will not stretch out4
his hand5
to the grave,3
though they cry9
in his destruction.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
WeendeH1058 ik nietH3808 over hem, die hardeH7186 dagenH3117 had? Was mijn zielH5315 niet beangstH5701 over den nooddruftigeH34?
Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?
KJV
Did not I weep3
for him that was in trouble?4
was not my soul7
grieved6
for the poor?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Nochtans toen ik het goedeH2896 verwachtteH6960, zo kwamH935 het kwadeH7451; toen ik hoopteH3176 naar het lichtH216, zo kwamH935 de donkerheidH652.
Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid.
KJV
When I looked3
for good,2
then evil5
came4
unto me: and when I waited6
for light,7
there came8
darkness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Mijn ingewandH4578 ziedtH7570, en is nietH3808 stilH1826; de dagenH3117 der verdrukkingH6040 zijn mij voorgekomenH6923.
Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen.
KJV
My bowels1
boiled,2
and rested4
not: the days6
of affliction7
prevented
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Ik ga zwartH6937 daarheenH3808, niet van de zonH2535; opstaandeH6965 schreeuwH7768 ik in de gemeenteH6951.
Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.
KJV
I went2
mourning1
without the sun:4
I stood up,5
and I cried7
in the congregation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Ik ben den drakenH8577 een broederH251 geworden, en een metgezelH7453 der jongeH1323 struisenH3284.
Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen.
KJV
I am a brother1
to dragons,3
and a companion4
to owls.5
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Mijn huidH5785 is zwartH7835 geworden overH5921 mij, en mijn gebeenteH6106 is ontstokenH2787 vanH4480 dorrigheidH2721.
Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid.
KJV
My skin1
is black2
upon me, and my bones4
are burned5
with heat.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Hierom isH1961 mijn harpH3658 tot een rouwklageH60 geworden, en mijn orgelH5748 tot een stemH6963 der wenendenH1058.
Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.
KJV
My harp3
also is turned to mourning,2
and my organ4
into the voice5
of them that weep.
minderen
Dat is, jonger van jaren. Alzo onder, Job 32:6 . Het woord dagen wordt ook nagelaten, dezelfde zin blijvende; Gen. 19:31 , en Gen. 48:14 ; Joz. 6:26 ; Richt. 6:15 . Alzo grote voor oude; 1 Sam. 17:28 , en onder, Job 32:9 .
Hertaald:
minderen
Dat is: jonger in jaren. Zo ook hieronder Job 32:6. Het woord dagen wordt ook wel weggelaten, met behoud van dezelfde betekenis; Gen. 19:31, en Gen. 48:14; Joz. 6:26; Richt. 6:15. Zo ook groot voor oud; 1 Sam. 17:28, en hieronder Job 32:9.
om bij de honden
Dat is, om acht te nemen over de honden, die mijn schapen en geiten bewaarden.
Hertaald:
om bij de honden
Dat is: om toezicht te houden op de honden die mijn schapen en geiten bewaakten.
hunner handen?
Dat is, huns lichaams.
Hertaald:
hunner handen?
Dat is: van hun lichaam.
Zij was
Te weten, de kracht. Anders, de ouderdom was aan hen verloren; dat is, de oude jaren waren in hen vruchteloos, zijnde zonder verstand en voorzichtigheid, die in de oude lieden vereist worden.
Hertaald:
Zij was
Namelijk: de kracht. Anders: de ouderdom was aan hen verloren; dat is: hun oude jaren waren bij hen vruchteloos, omdat zij zonder het verstand en de wijsheid waren die van oude mensen verwacht worden.
gebrek
Te weten, dat hun overkwam door hun onachtzaamheid en luiheid.
Hertaald:
gebrek
Namelijk: wat hun overkwam door hun onachtzaamheid en luiheid.
dorre plaatsen,
In welke zij verdreven waren als onwaardigen der mensen, of die zij zelf verkoren door schaamte en vrees, om uit aller lieden ogen te wezen.
Hertaald:
dorre plaatsen,
Waarnaar zij verdreven waren als onwaardigen onder de mensen, of die zij zelf verkozen uit schaamte en angst, om buiten het zicht van iedereen te zijn.
donkere,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk den verleden nacht of avond, Gen. 19:34 , maar hier is het voor donkerheid of donkere plaatsen genomen, als dikke bossen, spelonken, woeste en ruige heiden, die ver van de woningen der mensen afgezonderd zijn. Anders, eertijds woest, enz.
Hertaald:
donkere,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk de afgelopen nacht of avond, Gen. 19:34, maar hier wordt het gebruikt voor duisternis of donkere plaatsen, zoals dichte bossen, spelonken, woeste en ruige heidevelden, ver van de woningen van de mensen. Anders: vroeger woest, enzovoort.
woeste
Deze twee woorden zijn samengevoegd om een grote woestheid daarmede uit te drukken. Alzo onder, Job 38:27 ; Sef. 1:15 .
Hertaald:
woeste
Deze twee woorden zijn samengevoegd om daarmee een grote woestheid uit te drukken. Zo ook hieronder Job 38:27; Sef. 1:15.
ziltige kruiden
Dat is, die in zoutachtige aarde groeien. Anders, pappel of wilde kruiden.
Hertaald:
ziltige kruiden
Dat is: die in zoutachtige grond groeien. Anders: papaverkruid of wilde kruiden.
jeneveren
Zie 1 Kon. 19:4 , en de aantekening. Hij wil zeggen dat zij gegeten hebben hetgeen anders niet eetbaar was. Anders, de jeneverwortel was om [hen] te warmen. Vergelijk Jes. 47:14 , waar het Hebreeuwse woord alzo gebruikt wordt.
Hertaald:
jeneveren
Zie 1 Kon. 19:4, en de aantekening. Hij wil zeggen dat zij gegeten hebben wat verder niet eetbaar was. Anders: de jeneverwortel was om [hen] te verwarmen. Vergelijk Jes. 47:14, waar het Hebreeuwse woord zo gebruikt wordt.
het midden
Te weten, der steden of der mensen; omdat men een mistrouwen en kwaad vermoeden van hen had. Anders, uit het gezelschap; te weten, der mensen.
Hertaald:
het midden
Namelijk: van de steden of van de mensen; omdat men wantrouwen en een slecht vermoeden over hen had. Anders: uit het gezelschap; namelijk van de mensen.
Zij schreeuwden
Te weten, uit het gevoelen van hun nood, ruchelende als woudezels, die hongerig zijn; in welken zin dit woord gebruikt wordt boven, Job 6:5 en een ander woord, dit zeer gelijk, boven, Job 24:12 .
Hertaald:
Zij schreeuwden
Namelijk: uit besef van hun nood, balkend als woudezels die honger hebben; in deze betekenis wordt dit woord ook gebruikt hierboven Job 6:5, en een ander, hierop erg lijkend woord, hierboven Job 24:12.
vergaderden
Te weten, om daar te schuilen, of gezocht werden. Anders, verzengden, of wondden zich; te weten, aan de netels, die door haar brand de lichamen dezer lieden met hittige pukkels en puisten deden uitlopen.
Hertaald:
vergaderden
Namelijk: om daar te schuilen, of gezocht werden. Anders: verschroeiden, of verwondden zich; namelijk aan de netels, die door hun brandende werking de lichamen van deze mensen deden uitslaan met hete pukkels en puisten.
dwazen,
Zie de betekenis van dit woord 1 Sam. 25:25 . Anders, zij waren dwaze lieden, ja lieden zonder naam.
Hertaald:
dwazen,
Zie de betekenis van dit woord 1 Sam. 25:25. Anders: zij waren dwaze mensen, ja mensen zonder naam.
van geen naam;
Dat is, zonder eer en achting in de wereld. Het tegendeel zijn mannen van naam. Zie Gen. 6:4 , en de aantekening.
Hertaald:
van geen naam;
Dat is: zonder eer en aanzien in de wereld. Het tegenovergestelde zijn mannen van naam. Zie Gen. 6:4, en de aantekening.
zij waren geslagen
Dat is, verdreven en uitgesmeten. Anders, verworpener, of, nedergedrukter dan de aarde; te weten, door der mensen verachting.
Hertaald:
zij waren geslagen
Dat is: verdreven en weggejaagd. Anders: verworpener, of meer onderdrukt dan de aarde; namelijk door de minachting van mensen.
hun een snarenspel
Dat is, waarvan zij zingen, spelen en klappen, blijde zijnde over mijn ellende en daarmede den spot drijvende. Vergelijk boven, Job 17:2 , Job 17:5-6 ; Ps. 35:15 , en Ps. 69:13 ; Klaagl. 3:14 ; Ezech. 33:32 .
Hertaald:
hun een snarenspel
Dat is: waarover zij zingen, spelen en spotten, blij over mijn ellende en daarmee de draak stekend. Vergelijk hierboven Job 17:2, Job 17:5-6; Ps. 35:15, en Ps. 69:13; Klaagl. 3:14; Ezech. 33:32.
ja, zij onthouden
Iemand te bespuwen is altijd een teken geweest van grote verachting. Vergelijk Num. 12:14 ; Deut. 25:9 ; Jes. 50:6 ; Matt. 26:67 .
Hertaald:
ja, zij onthouden
Iemand bespugen is altijd een teken geweest van grote minachting. Vergelijk Num. 12:14; Deut. 25:9; Jes. 50:6; Matth. 26:67.
Hij heeft
Namelijk God. Zie boven, Job 3:20 . Alzo onder, vs.18, 20.
Hertaald:
Hij heeft
Namelijk: God. Zie hierboven Job 3:20. Zo ook hieronder vers 18, 20.
zeel
Dat is, mijn aanzien en autoriteit, waarmede ik de mijnen bedwongen en als in den toom gehouden heb, heeft Hij mij gans ontnomen.
Hertaald:
zeel
Dat is: mijn aanzien en gezag, waarmee ik de mijnen in bedwang hield en als het ware in toom hield, heeft Hij mij volledig ontnomen.
zij den
Te weten, de bozen, die mij nu tegenvallen en de behoorlijke eer weigeren.
Hertaald:
zij den
Namelijk: de bozen, die mij nu tegenvallen en de behoorlijke eer weigeren.
breidel
Door welken zij van mij in orde gehouden werden.
Hertaald:
breidel
Waardoor zij in orde gehouden werden door mij.
voor mijn aangezicht
Dat is, in mijn tegenwoordigheid. De zin is dat zij zich in het aanzien zelfs van Job ontbonden en onttrokken aan den plicht der eerbieding en gehoorzaamheid, die zij hem schuldig waren.
Hertaald:
voor mijn aangezicht
Dat is: in mijn aanwezigheid. De betekenis is dat zij zich zelfs in het bijzijn van Job losmaakten en onttrokken aan de plicht van eerbied en gehoorzaamheid die zij hem verschuldigd waren.
Ter rechterhand
Dat is, daar hij de meeste sterkte had.
Hertaald:
Ter rechterhand
Dat is: waar hij de meeste kracht had.
jeugd op,
Het woord heeft zijn oorsprong van spruiten en bloeien, betekenende de eerste groenende jeugd. Hij ziet op degenen, die hem in zijn lijden met de allermeeste onverstandigheid, felheid en heftigheid overvielen.
Hertaald:
jeugd op,
Het woord vindt zijn oorsprong in ontspruiten en bloeien, en betekent de eerste groene jeugd. Hij doelt op degenen die hem in zijn lijden met de meeste onverstandigheid, felheid en heftigheid overvielen.
stoten
Te weten, om mij te doen struikelen en te gronde te storten.
Hertaald:
stoten
Namelijk: om mij te doen struikelen en ten val te brengen.
banen
Dat is, zij hogen en maken den weg effen, dien zij ingaan en betreden willen om mij te verderven. Hebreeuws, paden huns verderfs.
Hertaald:
banen
Dat is: zij effenen en bereiden de weg die zij willen inslaan en betreden om mij te gronde te richten. Hebreeuws: paden van hun verderf.
Zij breken
Dat is, den raad en de orde, die ik volgen moet, om mij in dit lijden wel te gedragen, beroeren zij zo met hun twistingen, dat ik niet weet wat ik voornemen, of spreken, of doen zal.
Hertaald:
Zij breken
Dat is: het advies en de orde die ik moet volgen om mij in dit lijden goed te gedragen, verstoren zij zo met hun twisten, dat ik niet weet wat ik moet voornemen, of zeggen, of doen.
zij bevorderen
Dat is, zij vermeerderen haar, te weten met hun verkeerd oordeel, valse beschuldigingen en bittere lasteringen.
Hertaald:
zij bevorderen
Dat is: zij vergroten die; namelijk met hun verkeerde oordeel, valse beschuldigingen en bittere laster.
geen helper
Te weten, om hun kwaad voornemen tegen mij uit te voeren. Zij zijn daartoe mans genoeg van zichzelven.
Hertaald:
geen helper
Namelijk: om hun kwade voornemen tegen mij uit te voeren. Zij zijn daar op zichzelf al mans genoeg voor.
Zij komen aan,
Te weten, tegen mij. Het is een gelijkenis, genomen van de krijgslieden, die door de bres, die zij in den muur ener stad gemaakt hebben, met groot geweld en gedruis de inwoners pogen te overvallen.
Hertaald:
Zij komen aan,
Namelijk: tegen mij. Het is een beeld ontleend aan krijgslieden, die door de bres die zij in de muur van een stad gemaakt hebben, met groot geweld en lawaai de inwoners proberen te overvallen.
onder
Dat is, onder mijn benden hebben zij gewoeld en gearbeid, om die meerder te maken en met dezelve mij te overstorten en te gronde te brengen.
Hertaald:
onder
Dat is: onder mijn troepen hebben zij gewoeld en gewerkt om die te vermeerderen en daarmee mij te overweldigen en te gronde te richten.
edele ziel,
Anders, vorstin, of milddadige, of vrijwillige, of voorname. Versta, de ziel, die de eer des mensen genoemd wordt, Gen. 49:6 , en de enige, Ps. 22:21 ; zie de aantekening.
Hertaald:
edele ziel,
Anders: vorstin, of milddadige, of vrijwillige, of voorname. Versta hieronder de ziel, die de eer van de mens genoemd wordt, Gen. 49:6, en de enige, Ps. 22:21; zie de aantekening.
stort zich
Dat is, mijn leven gaat uit, versmelt in tranen en wordt verteerd door droefenis. Alzo Ps. 42:5 .
Hertaald:
stort zich
Dat is: mijn leven vloeit weg, versmelt in tranen en wordt verteerd door droefheid. Zo ook Ps. 42:5.
des druks
Dat is, in welke mij druk en groot lijden overvallen; die elders ook genaamd worden dagen der benauwdheid, 2 Kon. 19:3 , der duisternis, boven, Job 15:23 , der bezoeking en verwoesting, Jes. 10:3 , der bestraffing, Hos. 5:9 .
Hertaald:
des druks
Dat is: waarin mij druk en groot lijden overvielen; die elders ook dagen van benauwdheid genoemd worden, 2 Kon. 19:3, van duisternis, hierboven Job 15:23, van beproeving en verwoesting, Jes. 10:3, van bestraffing, Hos. 5:9.
Hij mijn beenderen
Namelijk, God, gelijk boven, vs.11, en in het volgende, te weten, omdat Hij hem ook des nachts, als anderen rusten, geen rust liet genieten door het geweld zijner ziekte, hetwelk indrong tot de sterkste en binnenste delen des lichaams. Vergelijk boven, Job 7:3 , Job 7:14 , en Job 17:12 .
Hertaald:
Hij mijn beenderen
Namelijk: God, zoals hierboven vers 11, en in het vervolg, namelijk omdat Hij hem ook 's nachts, wanneer anderen rusten, geen rust liet genieten door de kracht van zijn ziekte, die tot de sterkste en diepste delen van het lichaam doordrong. Vergelijk hierboven Job 7:3, Job 7:14, en Job 17:12.
in mij,
Hebreeuws, van boven mij; dat is, uit den hemel, vanwaar Hij zijn plagen op mij zendt.
Hertaald:
in mij,
Hebreeuws: van boven mij; dat is: uit de hemel, vanwaar Hij Zijn plagen op mij zendt.
de veelheid
Te weten, die God tegen mij aanlegt om mijn lichaam met ongezondheid te ontstellen en te mismaken.
Hertaald:
de veelheid
Namelijk: die God tegen mij aanwendt om mijn lichaam met ziekte te ontregelen en te mismaken.
veranderd;
Te weten, door de vlekken van etter en bloed, vloeiende uit mijn gezwellen en verzweringen.
Hertaald:
veranderd;
Namelijk: door de vlekken van etter en bloed, die uit mijn zweren en ontstekingen vloeien.
Hij omgordt
Namelijk, God.
Hertaald:
Hij omgordt
Namelijk: God.
kraag
Hebreeuws, de mond. De zin is, gelijk het opperste en het hol des roks, waardoor het hoofd gestoken wordt, alzo omgordt de Heere mijn lichaam met smarten.
Hertaald:
kraag
Hebreeuws: de mond. De betekenis is: zoals het bovenste en de opening van het gewaad, waardoor het hoofd gestoken wordt, zo omgordt de HEERE mijn lichaam met pijn.
slijk
Dat is, in de uiterste versmaadheid. Het woord slijk is in gelijken zin genomen Ps. 40:3 , en Ps. 69:15 ; Mi. 7:10 .
Hertaald:
slijk
Dat is: in de diepste vernedering. Het woord slijk wordt in dezelfde betekenis gebruikt Ps. 40:3, en Ps. 69:15; Micha 7:10.
aan stof
Zie Gen. 18:27 , en de aantekening.
Hertaald:
aan stof
Zie Gen. 18:27, en de aantekening.
U,
Namelijk, o God.
Hertaald:
U,
Namelijk: o God.
sta,
Te weten, verwachtende uw hulp, of U biddende.
Hertaald:
sta,
Namelijk: in afwachting van Uw hulp, of U biddend.
maar Gij acht
Anders, en Gij merkt op mij, te weten, zonder barmhartigheid, gelijk in vs.21.
Hertaald:
maar Gij acht
Anders: en U let op mij, namelijk zonder erbarmen, zoals in vers 21.
veranderd
Tegen uw natuur en gewoonte.
Hertaald:
veranderd
Tegen Uw natuur en gewoonte in.
wederstaat
Vergelijk boven, Job 13:24 , en Job 16:9 ; Jer. 30:14 .
Hertaald:
wederstaat
Vergelijk hierboven Job 13:24, en Job 16:9; Jer. 30:14.
heft
Dat is, slingert mij naar lijf en ziel, door uw gramschap, gelijk stro en stoppel door een geweldigen wind opgeheven, verstrooid en overeen gerold worden.
Hertaald:
heft
Dat is: slingert mij naar lijf en ziel door Uw toorn, zoals stro en stoppels door een hevige wind opgeheven, verspreid en dooreen gerold worden.
het wezen
Dat is, mijn leven en krachten. Zie van het Hebreeuwse woord boven, Job 5:12 .
Hertaald:
het wezen
Dat is: mijn leven en krachten. Zie over het Hebreeuwse woord hierboven Job 5:12.
huis der samenkomst
Dat is, tot het graf, of de plaats, die den doden lichamen tot den dag der verrijzenis van God bestemd is. Anders, het huis der bestemming; dat is, het bestemde huis.
Hertaald:
huis der samenkomst
Dat is: naar het graf, of de plaats die door God bestemd is voor de dode lichamen tot de dag van de opstanding. Anders: het huis van de bestemming; dat is: het bestemde huis.
aller levenden
Te weten, mensen. Alzo Ps. 143:2 .
Hertaald:
aller levenden
Namelijk: mensen. Zo ook Ps. 143:2.
Hij zal
Namelijk, God.
Hertaald:
Hij zal
Namelijk: God.
tot een aardhoop
Dat is, tot degenen, die in de aarde begraven liggen.
Hertaald:
tot een aardhoop
Dat is: tegen degenen die in de aarde begraven liggen.
niet uitsteken;
Te weten, om die daaronder liggen hier nog naar het lichaam te plagen. Hij wil zeggen dat het lijden dezes tijds eindigt met den lichamelijken dood, en dat hij dienvolgens met dien ontslagen zou zijn van het tegenwoordig verdriet. Vergelijk boven, Job 7:21 , en Job 14:21 .
Hertaald:
niet uitsteken;
Namelijk: om hen die daaronder liggen hier nog naar het lichaam te kwellen. Hij wil zeggen dat het lijden van deze tijd eindigt met de lichamelijke dood, en dat hij dus daarmee ontslagen zou zijn van het huidige verdriet. Vergelijk hierboven Job 7:21, en Job 14:21.
henlieden
Te weten, bij de dode lichamen, die in de graven liggen.
Hertaald:
henlieden
Namelijk: bij de dode lichamen die in de graven liggen.
zijn verdrukking
Dat is, waarmede God die verdrukt heeft, te weten als Hij door den dood de lichamen derzelven te gronde geworpen heeft. Is dan [wil Job zeggen] in de lichamen, die in het graf verbroken liggen, nog enige geschrei vanwege het lijden, dat zij daar nog zouden hebben? Hij verstaat: Neen; gelijk de ervaring leert.
Hertaald:
zijn verdrukking
Dat is: waarmee God die verdrukt heeft, namelijk toen Hij door de dood hun lichamen te gronde gericht heeft. Is er dan [wil Job zeggen] in de lichamen die verbroken in het graf liggen nog enig geschrei vanwege lijden dat zij daar nog zouden hebben? Hij bedoelt: nee; zoals de ervaring leert.
Weende
Deze vraag verzekert sterkelijk dat hij zulks gedaan had. Of het is een soort van eedzweren, waarin de straf, die hij wenste, verzwegen wordt, indien hij het gemelde niet gedaan had; maar dewijl hij het gedaan had, verklaart hij aldus dat het te verwonderen was dat niemand met hem medelijden had.
Hertaald:
Weende
Deze vraag bevestigt krachtig dat hij dat gedaan had. Of het is een soort eedzwering, waarin de straf die hij wenste verzwegen wordt, als hij het genoemde niet gedaan had; maar omdat hij het gedaan had, verklaart hij zo dat het te verwonderen was dat niemand medelijden met hem had.
over hem,
Hebreeuws, over den harde van dagen.
Hertaald:
over hem,
Hebreeuws: over de harde van dagen.
licht,
Dat is, voorspoed en welvaren; zie boven, Job 18:5 .
Hertaald:
licht,
Dat is: voorspoed en welzijn; zie hierboven Job 18:5.
donkerheid
Dat is, tegenspoed en kwalijk varen. Zie Gen. 15:12 .
Hertaald:
donkerheid
Dat is: tegenspoed en het slecht vergaan. Zie Gen. 15:12.
ziedt,
Dat is, is door de grootheid mijns lijdens en mijner ziekte zo ontsteld en beroerd, gelijk of het water ware, dat over een groot vuur zeer ziedt en opwelt.
Hertaald:
ziedt,
Dat is: is door de omvang van mijn lijden en mijn ziekte zo verstoord en beroerd, als was het water dat boven een groot vuur hevig kookt en opborrelt.
mij voorgekomen
Dat is, buiten mijn verwachting mij overkomen en als overvallen, hopende dat ik naar mijn vroomheid nog een deel des goeden levens hier te genieten had.
Hertaald:
mij voorgekomen
Dat is: buiten mijn verwachting mij overkomen en als het ware overvallen, terwijl ik hoopte dat ik naar mijn vroomheid hier nog een deel van het goede leven zou genieten.
niet van de zon;
Maar door de zwaarheid mijner ziekte en het geweld mijns lijdens, dat mij verteert en uitput.
Hertaald:
niet van de zon;
Maar door de zwaarte van mijn ziekte en het geweld van mijn lijden, dat mij verteert en uitput.
schreeuw ik
Dat is, geef ik een klagelijk geluid, komende uit het gevoel van de smarten mijner ziekte.
Hertaald:
schreeuw ik
Dat is: geef ik een klaaglijk geluid, voortkomend uit het besef van de pijn van mijn ziekte.
in de gemeente
Dat is, in de bijeenkomst van eerlijke lieden, waar men zich wat pleegt in te houden om der eerbaarheid wil.
Hertaald:
in de gemeente
Dat is: in de samenkomst van eerbare mensen, waar men zich gewoonlijk enigszins inhoudt vanwege de betamelijkheid.
Ik ben den draken
De zin is dat hij met deze beesten te vergelijken was, ten aanzien van het droevig geschrei, hetwelk hij maakte; want dezen beesten is een ijselijk gehuil toegeschreven; Mi. 1:8 . De woorden broeder en metgezel betekenen hier een, die met iets ten zekeren aanzien te vergelijken is. Zie Gen. 49:5 , en Spr. 18:9 , en de aantekening.
Hertaald:
Ik ben den draken
De betekenis is dat hij met deze dieren te vergelijken was, wat betreft het droevige geschreeuw dat hij voortbracht; want aan deze dieren wordt een ijselijk gehuil toegeschreven; Micha 1:8. De woorden broeder en metgezel duiden hier iemand aan die in een bepaald opzicht met iets te vergelijken is. Zie Gen. 49:5, en Spr. 18:9, en de aantekening.
jonge struisen
Hebreeuws, dochteren der struisen. Alzo Lev. 11:16 . Vergelijk Lev. 1:14 .
Hertaald:
jonge struisen
Hebreeuws: dochters van de struisvogels. Zo ook Lev. 11:16. Vergelijk Lev. 1:14.
zwart geworden
Zie boven, vs.28.
Hertaald:
zwart geworden
Zie hierboven vers 28.
gebeente
Dat is, mijn lichaam en deszelfs inwendigste krachten.
Hertaald:
gebeente
Dat is: mijn lichaam en de inwendige krachten daarvan.
dorheid
Zie boven, Job 21:24 , het woord merg.
Hertaald:
dorheid
Zie hierboven Job 21:24, het woord merg.
mijn harp
Dat is, mijne vreugde is veranderd in droefheid en weeklagen, door de zwaarheid mijner ellende.
Hertaald:
mijn harp
Dat is: mijn vreugde is veranderd in droefheid en weeklagen, door de zwaarte van mijn ellende. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het woordje waarmee dit hoofdstuk begint, zet alles om: maar nu (Job 30:1). Nu lachen mensen om hem die jonger zijn dan hij, en van wier vaders hij niets moest hebben. Het zijn mannen uit de rand van de samenleving, verdreven en levend in kloven en holen (Job 30:3-7). Voor hen is hij een spotlied geworden en een woord om mee te schelden (Job 30:9). Zij houden afstand en sparen zijn gezicht niet (Job 30:10). Zij dringen op als door een bres in een muur (Job 30:14). Daarna wendt Job zich weer tot God. Zijn ziel stort zich in hem uit, en de dagen van druk grijpen hem aan (Job 30:16). 's Nachts worden zijn beenderen doorboord en zijn pijnen rusten niet (Job 30:17). Dan volgt de kern van zijn klacht: hij schreit tot God en krijgt geen antwoord; hij staat, en God let niet op hem (Job 30:20). Hij verwachtte het goede, en het kwade kwam; hij hoopte op licht, en het werd donker (Job 30:26). Nog eenmaal herinnert hij eraan hoe hij vroeger weende over wie harde dagen had (Job 30:25). En het hoofdstuk sluit met een beeld dat blijft hangen: zijn harp is tot een rouwklacht geworden en zijn fluit tot de stem van wenenden (Job 30:31). Bijbelse betekenis: De twee hoofdstukken 29 en 30 horen bij elkaar als twee helften van één schilderij. Daar de poort en de eerbied, hier de spot van mensen die zelf niets bezitten. Daar Gods lamp boven zijn hoofd, hier een hemel die zwijgt. Job zegt het zelf in Job 30:20: hij roept, en er komt geen antwoord. Twee dingen zijn hier van belang. Het eerste is dat Job blijft roepen terwijl het zwijgen aanhoudt. Zijn klacht is nog steeds tot God gericht en niet over Hem heen. Het tweede is de eerlijkheid van Job 30:25. Hij herinnert eraan dat hij zelf altijd meeleefde met wie het zwaar had, en dat maakt het uitblijven van medeleven des te bitterder. Wie zo'n klacht van een ander hoort, mag haar niet wegpoetsen. Het boek doet dat evenmin; het laat de harp verstommen en gaat verder. Typologie: In Babel deden de ballingen hetzelfde als Job hier: "Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn" (Ps. 137:2). Er zijn tijden waarin het lied ophoudt, en de Schrift schaamt zich daar niet voor. Maar zij laat het er ook niet bij: het boek Job eindigt niet in hoofdstuk 30, en de psalm van de wilgen staat in een bundel die uitloopt op lofzangen. Job 30:1-31; Ps. 137:2 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Wanneer zelfs goddeloze mensen medegevoel kunnen betonen, hoeveel meer behoorde dat dan in het christelijke hart te branden? © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Job 30
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten


Job 30
Job 30:25.KruisverwijzingenPsalmen 35:13→Romeinen 12:15→Jeremia 13:17→Job 31:16→2 Korinthe 9:9→Spreuken 19:17→Spreuken 28:8→Spreuken 17:5→
— Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?
Jobs drie vrienden kwamen tot de harde slotsom dat hij niet zo zwaar verdrukt zou zijn als hij niet zo een groot zondaar geweest was. Onder andere beschuldigingen tegen de verdrukte aartsvader had Elifaz de Temaniet de wreedheid hem dit ten laste te leggen: Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden (22:7). Gods eigen getuigenis van Job is dat hij een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad was (1:8). Stellig zou hij nooit het karakter van “oprecht” verdiend hebben als hij zonder medelijden voor de armen geweest was. Rijkelijk verdienden de drie ellendige troosters de brandende bestraffing van hun belasterde vriend: Gijlieden daarentegen zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nulle medicijnmeesters. Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou u voor wijsheid wezen (13:4-5).
Zo doet Job hier een vurig beroep op de hemel en schudt hij de laster in het vuur af, zoals Paulus de adder van zijn hand afschudde. In de twee vragen van deze tekst maakt Job aanspraak op iets meer dan dat hij de armen met gaven geholpen heeft. Hij verklaart dat hij over hen weende en treurde. Zijn liefdadigheid was er een van het hart. Hij overwoog hun geval, nam hun smarten in zijn eigen ziel op en leende hun zijn ogen om te wenen en zijn hart om te treuren.
Vlees en bloed kunnen wel tot het inzicht komen dat wij niet gemaakt zijn om voor onszelf te leven. Hoe gevallen en verlaagd de mensheid ook is, wij kunnen niet nalaten het edelmoedige gevoel jegens de armen en lijdenden te erkennen dat in vele onbekeerde harten leeft. Wij hebben mensen gekend die God vergeten hadden maar die toch de armen niet vergaten, die de wetten van hun Maker verachtten en toch een hart hadden dat smolt bij een verhaal van jammer. Wanneer zelfs goddeloze mensen medegevoel kunnen betonen, hoeveel meer behoorde dat dan in het christelijke hart te branden? Wij behoren meer te doen dan anderen, of wij zullen de Meester horen zeggen: “Wat dank hebt u? Want de zondaars doen ook hetzelfde.” Met een edeler roeping geroepen, behoren wij als de vrucht van onze wedergeboren natuur een hoger medelijden met de lijdenden te betonen.
Het medegevoel van de christen behoorde altijd van de ruimste soort te zijn, omdat wij een God van oneindige liefde dienen. Wanneer de kostelijke steen van de liefde door goddelijke genade in de kristallen vijver van een vernieuwd hart geworpen wordt, dan brengt hij de waters in ooit wijdere kringen van medegevoel in beweging — en de eerste ring heeft geen wijde omtrek. Wij hebben ons eigen huisgezin lief, want wie voor zijn eigen huisgezin geen zorg draagt, is erger dan een ongelovige (1 Tim. 5:8). Maar merk de volgende gelijkmiddelpuntige ring: wij hebben het huisgezin des geloofs lief. Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben (1 Joh. 3:14). Ten laatste heeft de ooit wijdere ring de grenzen van de vijver bereikt en alle mensen in zijn omvang opgenomen, want: Ik bid dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen (1 Tim. 2:1).
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
V. Vs. 1-8.KruisverwijzingenJob 12:4→Job 24:5→Daniël 4:25→Richteren 6:2→1 Samuël 22:1→Job 6:5→Titus 1:12→Psalmen 69:12→
— Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen. Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan. Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste. Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren. Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief), Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen. Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich. Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.
maar nu bespot mij jong, ellendig gespuis van de allerminste soort, uitgehongerd volk, dat zich met de armzaligste planten der woestijn voedt, lieden, die uitgestoten uit de maatschappij, in holen wonen, en onder de struiken der woestijn als het vee schreeuwen.
Maar nu, welk ene ontzettende verandering! nu lachen over mij met hoon minderen dan ik van dagen, jongeren, welker vaderen ik versmaad zou hebben, te gering en onbekwaam zou geacht hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen, om de geringste diensten te verrichten, als herdershonden te zijn. Even als in Hoofdstuk 24: 4-8, zo wordt ook hier (vs. 1-15) het laaggezonken geslacht der eerste inwoners van Haran, die door de ingedrongen Uzieten onderworpen waren, geschilderd. Terwijl Jobs doel was een voorbeeld van de moeilijk op te lossen raadselen in Gods wereldbestuur hun voor te stellen, zo moet nu de volgende schildering van het ellendig leven van dit soort van Zigeuners (vs. 1-8) dienen, om de ruwe aanvallen, die Job van deze aller verachtelijksten te lijden heeft (vs. 9-15) in de gehele grootte der krenking in ‘t licht te stellen. Want hoe minder Job tot die onbarmhartigen behoort, die het ongeluk van deze ellendigen, in plaats van het zoveel mogelijk te verzachten, slechts tot eigen voordeel zoeken aan te wenden, des te onverantwoordelijker is de snode behandeling, die hij thans van hen ondervindt, terwijl zij, die de rijken steeds haten omdat zij rijk zijn, zich nu over het te niet gaan van zijn geluk verheugen.
Waartoe zou mij ook geweest zijn de kracht hunner handen. Zij was door ouderdom in hen vergaan 1): reeds in hun jeugd uitgeput, is er geen kracht meer in hen.
In het Hebr. Aleemo abad kalach. LXX: en autouv apwleto sunteleia. Wel kan het laatste woord ouderdom betekenen, maar ook volmaaktheid, volheid. En dewijl hier niet van onder maar van jongeren sprake is, moeten we die laatste betekenis hier hebben. Betere vertaling is: Bij wie de volheid van kracht is verloren. M.a.w. die, hoewel zij nog jong zijn, geen kracht hebben, om iets goeds tot stand te brengen, uitgeput en krachteloos als zij zijn door hun ellendig leven. Had Job vroeger gezegd, dat hij geëerd en gevierd was door de rijken en aanzienlijken des lands, nu klaagt hij juist over het tegenovergestelde. Niet de rijken, maar zelfs de vagebonden en hun kinderen bespotten hem.
Die door gebrek en honger eenzaam 1) waren, vliedende naar dorre plaatsen in de woestijn, in het donkere, woeste en verwoeste: er is niets goeds te wachten van hen, die zo ellendig opgevoed, zo slecht gevoed, zo treurig gehuisvest zijn.
In het Hebr. Galmoed. Dit woord heeft hier de betekenis van, uitgeput, onbekwaam tot den arbeid, uitgedroogd. Door honger en dorst, d.w.z. door gebrek en kommer waren zij zo uitgeput, dat zij onbekwaam tot den arbeid waren.
Die in hun woeste woonplaatsen, om het leven te onderhouden, ziltige kruiden plukten bij de struiken, tot bittere kruiden toe, die rondom de sih-struiken groeien (Numeri 32: 33 ), en welker spijze was de wortel der jenevers (vgl. Numeri 33: 18 ), der gensters (een soort van brem).
Zij werden uit het midden der mensen uitgedreven, men verlaagt hen, zodra zij uit de schuilhoeken van het gebergte komen en zich in de plaatsen van het platteland, of in de steden vertonen; (men jouwde over hen als over enen dief), zo algemeen veracht men hen.
Opdat zij wonen zouden in de akelige kloven der dalen, de holen 1) des stofs of, van aarde, en der steenrotsen.
Het Hebr. woord voor holen (chorim) heeft de uitleggers er toe gebracht, onder de hier en in Hoofdstuk 24: 5 vv. geschilderde mensen-klasse de Horieten te verstaan, de door de Edomieten onderworpen eerste bewoners van het gebergte Seïr, en het gehele toneel van Jobs geschiedenis naar deze streek te verplaatsen; toch past het woord chorim, “holen” even zo goed bij Haran, dat is, holen-landschap, en het blijft dus het waarschijnlijkste, dat aan het geslacht der Trachonieten, dat nog in overblijfsels zwak, klein en onaanzienlijk voort bestaat, ook stammen der kloven genoemd, in Haran moet gedacht worden. Volgens de beschrijving, die Wetstein van deze geeft, past de schildering van Job juist op hen.
Zij schreeuwden als wilde ezels (zie Hoofdstuk 24: 5), met dierlijke, door den honger hun afgeperste tonen, tussen de Sih-struiken, dat gewas der woestijn, dat hun wat voedsel, schaduw en leger geeft: onder de netelen vergaderden zij zich, ordeloos als het vee daar gelegerd.
Wat was er ook van hen te wachten, de vaderen waren reeds zo; zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam 1), de geringsten uit het land: zij waren geslagen uit den lande, een verworpen en eerloos geslacht, dat men weggeeft uit het land.
Kinderen van geen naam, d.i. die hun ere hebben ingeboet Gelijk in oude tijden de slaaf als het ware geen naam had, niet als mens, maar als een stuk goed werd gerekend, gelijk nog altijd de gevangene zijn naam inboet en een nummer wordt, zo ook worden deze allen daarmee als eerlozen aangeduid. 9.
V. Vs. 9-15.KruisverwijzingenKlaagliederen 3:63→Job 17:6→Jesaja 50:6→Mattheüs 26:67→Klaagliederen 3:14→Numeri 12:14→Psalmen 88:8→Job 19:12→
— Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord. Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht. Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen. Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen. Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen. Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan. Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.
Maar nu-ik ben hun tot een spot geworden. Van alle banden los, behandelen zij mij op de smadelijkste wijze. Ja, als ene vijandelijke legerbende vallen zij op mij aan en bestormen zij mij. Mijn eer en mijn geluk zijn verloren.
Maar nu ben ik, die vroeger zoveel zorg voor hen droeg, in mijne grote ellende hun snarenspel geworden, het voorwerp van de spotliederen (Psalm 69: 13. Klaagt. 3: 14) dier naar lichaam en ziel verdorvene mensen, en ik ben hun tot een klapwoord, iemand, van wie zij met veel hoon en onophoudelijk spreken. Het moet ons niet verwonderlijk toeschijnen, indien eerloze mensen, die geen eergevoel in zich hebben, geen deugd, geen humaniteit kennen, geneigd zijn om te vloeken. Want dit zien wij dagelijks gebeuren. Wat nu zo is te gebruiken, dat het ons niets nieuws toeschijne, opdat wij er aan gewoon behoren te geraken. Maar behalve deze natuurlijke reden, laten wij erkennen, dat onze God des te meer ons geduld wil beproeven, wanneer wij niet zozeer door den smaad van hen, die in ere zijn, gescholden worden, maar van nietswaardige en verachte stervelingen worden getroffen, zodat zij meer als beesten, dan als mensen op ons een aanval wagen. Men heeft zonder twijfel gezegd: ziet gij, dat God den tiran straft, den onderdrukker van alle vrijheid, den groten baas, die zich zo groot ene macht aanmatigde, den fijnen! -want zo zijn losse mensen gewoon van vrome mannen en leraars, ook van godzalige Overheden te spreken, bijzonder wanneer zij vallen. Zodra iemand neerligt, wil alles op hem aanvallen.
Zij, die zelf zo ellendig zijn, komen op hun strooptochten tot mij, en hebben enen gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, blijven vol afkeer in de verte staan, ja zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht 1) (Hoofdstuk 17: 6. (Jes. 50: 6).
Had Job in het vorige vers gezegd, dat zij, waarover hij sprak, eerlozen waren, mannen zonder naam, nu klaagt hij er over, dat hij zelfs door zulke eerlozen, als een eerloze werd behandeld. Want iemand in het aangezicht te spuwen, is, onder mannen, die wel een naam hebben, een teken, dat men hem als een eerloze behandelt, tot een eerloze verklaart. Iemand in het aangezicht spuwen staat gelijk met iemand dodelijk beledigen. En dit ondervond Job. Gold het van Emmanuel in profetische taal: “Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen.” Job vertoont ons hier het beeld van den Christus Gods.
Want Hij, de Almachtige, heeft mijn 1) zeel, het touw, dat mijne levenstent uitgespannen hield (zie (Hoofdstuk 4: 21), losgemaakt, en mij bedrukt, gebogen, mij aan het onheil en den dood prijsgeven; daarom hebben zij, die misdadige landlopers, den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen. Hadden zij vroeger eerbied voor mij, nu hebben zij dien weggeworpen, en ben ik ten wit van hunnen teugellozen overmoed.
Ene andere lezing (Jithro volgens den Chetib in plaats van de Keri Jithri) zou voor het eerste gedeelte van het vers de lezing geven: “Hij heeft Zijn zeel (de pezen van Zijnen boog) losgemaakt.” d.i. de pijlen van Zijnen toorn op mij afgeschoten. Van beide overzettingen is de zin deze: “het is Gods hand, die mij ook deze zwaarste verootmoediging heeft opgelegd, dat deze mensen alle schaamte hebben afgelegd en als de wilde dieren op mij losgaan.”.
Ter rechterhand, als de aanklagers van enen misdadiger (Psalm 109: 6. (Zach. 3: 1) staat de jeugd 1) op, die boze nakomelingen der zedeloze vaders (vs. 1), zij stoten mijne voeten uit, zij dringen mij voet voor voet terug, mij honende en kwellende, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen 2), werpen als een dam der belegering tegen mij op (vgl. (Hoofdstuk 19: 12), om mijne ellende ten top te voeren.
Onder jeugd hebben we hier te verstaan, de nakomelingschap, niet in den zin van later geborenen, maar in dien van, welke nu nog leven. Wij zouden kunnen vertalen: het gebroedsel. Job noemt hier op verachtelijke wijze de ganse menigte van eerlozen, die tegen hem samenspannen.
Job vergelijkt zich in vs. 12-14 hij ene vesting, die onbekwaam is, den vijandelijken aanval weerstand te bieden en bestormd wordt. Wij hebben ons daarbij steeds voor den geest te plaatsen, dat Job op een ashoop in het vrije veld buiten de bewoonde plaatsen ligt. Deze hopen ontstaan in Haran, volgens de beschrijving van Wetstein, door de opeenhoping van droge, niet met stro vermengde mest, die meestal elke maand eens verbrand wordt, daar de vruchtbare vulkanische aarde gene bemesting nodig heeft. De zo ontstane ashopen worden door de regens tot vaste aardheuvels (mezbele genoemd), die langzamerhand zo groot worden, dat zij den bewoners van de plaatsen tot ene luchtige verzamelplaats en zoele avonden dienen. “Daar spelen de kinderen, daar ligt de verlatene, die door ene ontzettende ziekte aangetast, niet in de woningen der mensen gelaten wordt, van de bescherming zijner kinderen en knechten beroofd, zijner vrouw tot een afkeer, zijner broeders en zusters een afschuw, van alle verzorging en bescherming der trouwe liefde verlaten, prijs gegeven aan den wreden spot en de mishandeling van die rondzwervende Zigeunerhorden.
Zij breken mijn pad af; den weg langs welken ik hen zou kunnen ontvluchten, versperren zij; zij bevorderen mijne ellende; zij hebben genen helper 1) van doen, die zelven als hulpelozen voortleven.
Ook hier weer doet Job het uitkomen, hoe diep zijn lijden is. Zij, die zeer hulpeloos zijn, die als ellendigen en die geen helper hebben, hun kommervol bestaan moeten voortslepen, doen alles om hem, den groten lijder, het lijden zou zwaar mogelijk te maken. Had hij vroeger geklaagd, dat zijne vrienden hem niet verstonden, dat God Zijn vijand is, nu zet hij de schildering voort, door te gewagen van den smaad en het lijden, dat hij ondervindt van de onderste lagen der maatschappij.
Zij komen met geweld op mij aan, als door ene wijde breuk, ene bres, die zij in den muur hebben geschoten (Hoofdstuk 16: 14); onder de verwoesting rollen zij zich aan, onder het kraken als van een vestingmuur, die met gekraak nederstort, vallen zij op mij aan, om hun lust aan mij te bevredigen.
Zo is de maat van mijn lijden vol. Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een stormwind mijne edele ziel, mijn hoogheid, en mijn heil is als ene wolk voorbijgegaan.
Dit laatste ziet op de snelheid, waarmee alles geschied is. Gelijk een wolk spoedig, snel voorbij trekt aan het firmament, alzo is zijn ongeluk en zijn lijden spoedig opgekomen, zodat hij plotseling van een zeer gelukkige een ongelukkige en ellendige lijder is geworden. Mijne edele, heeft de betekenis van, mijne hoogheid, mijn eer en aanzien. Men kan ook vertalen: Mijn heil trekt als een wolk voorbij. Het is de ontboezeming van den lijder, die het raadsel niet kan oplossen, en geen hoop heeft op aardse herstelling in eer en aanzien en geluk. 16.
VI. Vs. 16-23.KruisverwijzingenJob 19:7→Psalmen 42:4→Psalmen 22:14→Jesaja 53:12→Jesaja 38:13→Job 33:19→Job 2:7→Job 9:31→
— Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan. Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet. Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks. Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as. Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij. Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk. Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen. Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.
Maar nu verga ik van nooit eindigende smart. Slap hangt mijn gewaad om het steeds meer uitterende lichaam; ik ben door God in het slijk geworpen. Te vergeefs roep ik tot U, o God! Gij blijft hard tegen mij. Ja, Gij voert mij weg als in een stormwind, en het einde is het dodenrijk.
Daarom stort zich nu mijne ziele in mij uit 1), verteer ik van eindeloze smart (Psalm 42:
; de dagen des druks grijpen mij aan en houden mij zonder ophouden vast.
Met deze woorden bedoelt Job uit te drukken dat hij, tengevolge van zijne uiterlijke en innerlijke ellende verteerd wordt, zodat zijn zieleleven ondergaat in eindelozen jammer. Zo smartelijk is zijne ziele aangedaan, dat zijn leven zich oplost en vervloeit in zuchten en klagen. In het tweede gedeelte van het vers is het beter in plaats van, grijpen mij aan, te vertalen door, houden mij vast, waarmee hij wil zeggen, dat aan zijn lijden en ellende geen einde komt.
Des nachts, daar alle smarten door rusteloosheid toenemen, doorboort Hij mijne beenderen in mij 1), woelt de ziekte in deze, om ze van het lichaam te doen afvallen, en mijne polsaderen 2), Hebr.: die mij knagen, de wormen in de zweren, rusten niet.
Of, Des nachts worden mijne beenderen in mij doorboord. De bedoeling is in beide vertalingen, dat des nachts de ziekte zo aangrijpt, dat de ledematen van het lichaam vallen. De melaatsheid brengt dit mede, dat het ene lichaamsdeel voor en het andere na afvalt.
In de zweren van de Elephantiasis-zieken komen meermalen wormen; ook het Syrische verhaal van Job’s lijden maakt gewag van wormen, voor welke Job tot ene weide was, en bij het graf van Job in Hauran worden ook nu nog van die versteende wormen getoond en door de pelgrims hoog vereerd. Wetstein verhaalt van zijn bezoek, daar gebracht: terwijl mijne bedienden aan deze plaats (bij de rots, tegen welke Job gedurende zijne ziekte zou geleund hebben), hun namiddaggebed verrichtten, bracht mij de Sheik Saïd een handvol langwerpig ronde steentjes en vuil, welke het verhaal als de versteende wormen aanwees, die uit de zweren van Job op de aarde gevallen waren. Neem ze voor u, zei hij tot een aandenken aan deze plaats mede; dat zij u leren in het geluk God niet te vergeten en in ongeluk niet met God te twisten.
Door de veelheid der kracht, de overmacht van God, is mijn kleed veranderd, ten gevolge van de gehele vermagering van mijn lichaam (zie (Hoofdstuk 7: 15; 19: 20) ) hangt mijn opperkleed niet meer als vroeger met schone plooien om gezonde en krachtige leden, maar glad langs het ingevallen lichaam neer; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks, gelijk die nauwe kraag, die om mijn hals sluit, daaraan vastkleeft, zo kleeft mij mijn opperkleed aan ‘t gehele lichaam.
Hij 1), de Almachtige, heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as 2).
Het is zeer karakteristiek, doch natuurlijk, dat Job dikwijls van God spreekt, zonder Hem te noemen, omdat voor den zwaar beproefde de verschrikkelijkste gedachte is, dat God zijn vijand en vervolger geworden is; daarom vermijdt hij den anders zo geliefden Naam van God in zulk een smartelijk verband te noemen.
Het doorsneed hem het harte, meer dan iets anders, dat God zich niet aan hem vertoonde. Hij vervoegde zich tot hem, en bad hem, maar kon geen gehoor verwerven; hij beriep zich op Hen, en ging voor Zijn stoel, maar er was geen vonnis te erlangen.
de huid van de Elephantiasis-zieken wordt eerst sterk rood gekleurd, vervolgens neemt zij ene zwarte kleur aan, er komen dan schubben als van vissen op, en de gekloofde, donkerkleurige oppervlakte des lichaams gelijkt aan de korst der aarde.
Hiermede wil Job zeggen, dat hij als een nietswaardige door God wordt behandeld, niet meer als een schepsel Zijner handen, maar als een iets, dat men, dewijl het geen waarde heeft, wegwerpt in de lucht, gelijk men met stof en as doet.
Ik schreie tot U, o God! om hulp, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta en wacht op verhoring, maar Gij acht niet 1) op mij; Gij staart als vijand aan.
Liever dan het woord “niet” uit het eerste gedeelte van den zin hier in te voegen, vertale men: Gij ziet mij aan. Job wil dan zeggen, dat het hem is, alsof God in bedenking staat, of Hij hem wil helpen of niet. De uitdrukking is ontleend aan iemand, die om hulpe gevraagd, wel den smekeling aanziet, maar op wiens gelaat is te lezen, dat de ellendige van hem geen hulp heeft te wachten. Job laat zich hier weer geheel en al door zijne ellende overheersen, en door zijn gevoel zó overwinnen, dat het hem weer is, alsof God niets meer met hem te doen wil hebben. Vandaar dat hij in het volgende vers ook tot die harde uitdrukking komt, welke hij in zijn overstelping van smart doet horen.
Gij zijt, in plaats van mij door verhoring des gebeds te vertroosten en mij bij te staan, veranderd van enen jegens mij zo goeden God, in enen wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand 1) wederstaat Gij mij hatelijk, Gij haat mij bitterlijk en toont dat in Uwe grote kracht.
O neen, mijn lieve Job! Dit zou nog veel zwaarder vallen! Geen schepsel, maar slechts een God kan de zwaarte van den Goddelijken arm verdragen. Gij, o gekruisigde Heere Jezus Christus! hebt alleen de sterkte van dezen arm kunnen dragen. Gij zijt, zegt hij tegen den Allerhoogste (en dit is een wreed en ondankbaar gezegde), in enen wrede tegen mij veranderd. Vreemd is ‘t toch en zal het altoos blijven van den God der genade en den Vader aller ontferming en vertroosting, om ooit wreed te zijn jegens een enig zijner schepselen. Zijne barmhartigheden hebben geen einde, en houden nimmer op, vooral niet voor degenen, die hij als Zijne eigene kinderen en gunstgenoten aangenomen heeft. Job sprak hier derhalve zeer onredelijk en onbezonnen, zowel als ondankbaar. Doch het voeden van harde en strenge gedachten omtrent God, was de zonde, welke hem te dien tijde het lichtst omringde.
Gij heft mij op als een stoppel in den wind, Gij doet mij daarop rijden, voert mij door den stormwind weg, en Gij versmelt mij het wezen 1).
Het beeld is ontleend aan het rijden op den wind, gelijk dit op dichterlijke wijze van God en van machtigen onder de mensenkinderen wordt gezegd. Hier echter niet in gunstigen, maar in ongunstigen zin. De wind is hier niet het voertuig tot ere en overwinning, maar tot vernietiging. Daarom hebben ook onze Staten-Overzetters zo juist de laatste woorden overgezet, als gevolg van het doen rijden op den stormwind. Gevolg toch is, dat Job aan den dood wordt overgegeven, bezwijkt onder den machtigen arm Gods. Gij vernielt mij het wezen, wil hier zeggen, Gij vernietigt mij gans en al, zodat er niets van mij overblijft. Zijn gehele lichamelijke substantie zou verdwijnen.
Want ik weet, welk doel Gij daarmee hebt, dat Gij mij zo heen en weer slingert; dit zoekt Gij a), dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden, het dodenrijk, de laatste woonplaats van alles wat leeft.
Hebr. 9: 27 Hier zien wij, dat Job in die wijze, waarop hij vroeger tot God gesproken heeft, nog geenszins zonde ziet, daar toch integendeel die vroegere toon, hoewel minder sterk. toch nog altijd verstaanbaar streng klinkt. Volgens sommigen Coccejus e.a., wil Job hier uitspreken, dat God hem wel zou doen sterven, maar toch ook weer uit den dood zou verlossen. Anderen, zoals Calvijn, zijn van gevoelen, dat Job hier den dood voorstelt als het einde der plagen, zodat hij geen hoop meer heeft, om nog eenmaal hersteld te worden in zijnen vroegeren geluksstaat. Wij voor ons verenigen ons volkomen met het laatste gevoelen. Job spreekt het hier zo stellig mogelijk uit, dat die smartelijke ziekte hem overkomt, opdat hij straks den dood zal sterven en verzameld worden tot de plaats, waar alle levenden zouden komen. 24.
VII. Vs. 24-31.KruisverwijzingenMicha 1:8→Psalmen 35:13→Romeinen 12:15→Jeremia 8:15→Psalmen 43:2→Psalmen 42:9→Psalmen 102:3→Psalmen 38:6→
— Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking? Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige? Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid. Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen. Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente. Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen. Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid. Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.
Deze troost is mij alleen overgebleven, dat er in het graf toch rust van het lijden zal zijn, vooral, wanneer men zelf medelijden met ongelukkigen gevoeld heeft. Mij trof het leed zo onverwacht, dat ik mijne weeklacht open moest uitspreken, en nu gelijk de dieren der woestijn klaagtonen uit, Mijn gehele lichaam verteert van koortshitte en al mijne vreugde is in klachten veranderd.
Ik weet het, een ellendige dood wacht mij; die kome spoedig. Hier is het lijden, maar Hij, de Almachtige, zal tot den aardhoop, den grafheuvel, de hand niet uitsteken 1); is hier bij henlieden geschrei in zijne verdrukking? Klaagt iemand in het graf over enige pijn door God hem aangedaan?
Dit vers heeft van oude tijden af zeer vele moeilijkheden aan de Uitleggers opgeleverd. Onze Statenvertaling heeft, wat het eerste gedeelte betreft, de Vulgata gevolgd. Anderen zetten over door: Geen gebed helpt, wanneer hij Zijn hand uitsteekt. Nog anderen: Maar in het neerstorten strekt men de hand nog uit (n.l. om hulp), en dan het tweede gedeelte: en heft in zijn ondergang nog daarom hulpgeschrei aan. De laatste vertaling komt het meest overeen met het volgende. Job wil dan zeggen, dat iemand, al is hij bewust, dat de dood er mee gemoeid is, al zal de dood hem het einde brengen van zijn plagen, hij toch nog niet zo van het leven vervreemd is, dat hij nog als ter letster ure niet uitziet naar redding. Calvijn tekent bij deze woorden aan: “Maar de eenvoudige zin (sensa naturalis) is deze. Ook indien velen mij beklagen, zal niemand zijn hand kunnen uitstrekken, om mij hulpe te brengen, wanneer ik door den dood ben verdorven, nergens zal een reddende hand openbaar worden, alle menselijke hulp zal mij ontbreken.”
Ik ten minste mag rust in het graf verwachten. a) Weende ik niet over hem, die harde dagen had? was mijne ziel niet beangst over den nooddruftige, 1).
Psalm 35: 13,14. Rom. 12: 15.
Hierdoor wil Job wijzen op hetgeen hij zelf vroeger had gedaan, hoe hij met de wenenden geweend had en beangst was geweest over de nooddruftigen. Hoe hij derhalve in plaats van hard tegen andere ellendigen geweest te zijn, juist medelijden met hen had gevoeld. En nu hij zelf in ellende verkeerde, waar vond hij zelf nu medelijden, En hoe meer hij hier in komt, hoe diep weemoediger zijn klagen is.
Nochtans toen ik het goede verwachtte, en met recht, omdat ik vroom was, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, dat Zijn licht onafgebroken over mijne tent zou schijnen, zo kwam de donkerheid.
Mijn ingewand ziedt van zielsangst en koortsgloed, en is niet stil, heeft gene rust; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen als een overweldigend vijand.
Ik ga zwart, in rouwklederen, daarheen, ik word niet van de zon beschenen, de zon mijns heils heeft zich voor mij verborgen (zie (Hoofdstuk 29: 3); opstaande schreeuw ik in de gemeente 1), zelfs midden onder vele mensen kan ik niet blijven zitten, ik moet opstaan en het uitschreeuwen van smart.
Job geeft hier een overzicht over wat hem is geschied, en waar hij zegt, dat hij opstaande zijn klaaglied doet horen te midden van zijn omgeving, van allen, die hem kunnen horen, daar heeft hij niet de bedoeling, om recht te verkrijgen, gelijk sommigen menen, maar om de diepte van zijn lijden bekend te maken, en in dat bekend maken enige lafenis te vinden.
a) Ik ben in mijn klagelijk gehuil den draken, den sjakals (Richteren 15: 5 ) een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen (Hoofdstuk 39: 13 vv. (Micha 1: 8. Jes. 43: 20).
Psalm 102: 7.
a) Mijne huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid, is in het binnenste merg verdroogd van de koortshitte.
Psalm 119: 83. Klaagl. 4: 8; 5: 10. Over de klaagtonen van den struis deelt een Engels reiziger (Shaw) mede: Wanneer de struisen in den aanval tot een strijd zijn, maken zij een wild, woest en sissend geluid met hun opgeblazene kelen en snavels; wanneer de tegenstand gering is, hebben zij ene klokkende en kakelende stem, even als ons pluimgedierte; zij schijnen zich te verheugen over de vrees van hun tegenstanders en te lachen. Gedurende de eenzaamheid van den nacht is het, of hun stemorganen een geheel anderen toon verkregen hebben, zij verheffen dan dikwijls een klagend en afschuwelijk gedreun, dat somwijlen iets van het gebrul van een leeuw heeft en soms meer aan de hese stemmen van andere viervoetige dieren, bijzonder van het rund gelijkt. Ik heb ze dikwijls horen steunen, of zij de pijnlijkste smarten leden.
Hierom is mijne harp, cither, tot een rouwklage geworden, en mijn orgel, veldpijp of harp, tot een stem der wenenden. Waar anderen zich verheugen en zingen, is mij klagen en wenen verlichting geworden (Psalm 137: 2). Het is fijn en juist van den dichter, dat hij deze laatste en diepste klacht van Job in zulk ene weemoedige treurmuziek laat wegsterven.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel