Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
DaarnaH310 opendeH6605 JobH347 zijn mondH6310, en vervloekteH7043 zijn dagH3117.
Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.
KJV
After1
this opened3
Job4
his mouth,6
and cursed7
his day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Want JobH347 antwoorddeH6030 en zeideH559:
Want Job antwoordde en zeide:
KJV
And Job2
spake,1
and said,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
De dagH3117 vergaH6, waarin ik geborenH3205 ben, en de nachtH3915, waarin men zeideH559: Een knechtjeH1397 is ontvangenH2029;
De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;
KJV
Let the day2
perish1
wherein I was born,3
and the night5
in which it was said,6
There is a man child8
conceived.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Diezelve dagH3117 zij duisternisH2822; dat GodH433 naar hem nietH408 vrageH1875 van boven; en dat geenH408 glansH5105 overH5921 hem schijneH3313;
Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;
KJV
Let that day1
be darkness;4
let not God7
regard6
it from above,8
neither let the light12
shine
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Dat de duisternisH2822 en des doods schaduwH6757 hem verontreinigenH1350; dat wolkenH6053 overH5921 hem wonenH7931; dat hem verschrikkenH1204 de zwarteH3650 dampen des dagsH3117!
Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!
KJV
Let darkness2
and the shadow of death3
stain1
it; let a cloud6
dwell4
upon it; let the blackness8
of the day9
terrify
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Diezelve nachtH3915, donkerheidH652 nemeH3947 hem in; dat hij zich nietH408 verheugeH2302 onder de dagenH3117 des jaarsH8141; dat hij in het getalH4557 der maandenH3391 nietH408 komeH935!
Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!
KJV
As for that night,1
let darkness4
seize3
upon it; let it not be joined6
unto the days7
of the year,8
let it not come12
into the number9
of the months.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
ZietH2009, diezelve nachtH3915 zij eenzaamH1565; datH1931 geenH408 vrolijk gezangH7445 daarin komeH935;
Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;
KJV
Lo, let that night2
be solitary,5
let no joyful voice8
come
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Dat hem vervloekenH5344 de vervloekersH779 des dagsH3117, die bereidH6264 zijn hun rouwH3882 te verwekkenH5782;
Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;
KJV
Let them curse1
it that curse2
the day,3
who are ready4
to raise up5
their mourning.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Dat de sterrenH3556 van zijn schemertijdH5399 verduisterdH2821 worden; hij wachteH6960 naar het lichtH216, en het worde niet; en hij zieH7200 niet de oogledenH6079 des dageraadsH7837!
Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!
KJV
Let the stars2
of the twilight3
thereof be dark;1
let it look4
for light,5
but have none; neither let it see8
the dawning9
of the day:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
OmdatH3588 hij nietH3808 toegeslotenH5462 heeft de deurenH1817 mijns buiksH990, noch verborgenH5641 de moeiteH5999 van mijn ogenH5869.
Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.
KJV
Because it shut not up3
the doors4
of my mother's womb,5
nor hid6
sorrow7
from mine eyes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WaaromH4100 ben ik nietH3808 gestorvenH4191 van de baarmoederH7358 af, en heb den geestH1478 gegeven, als ik uit den buikH990 voortkwamH3318?
Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam?
KJV
Why died4
I not from the womb?3
why did I not give up the ghost7
when I came out6
of the belly?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Waarom zijn mij de knieenH1290 voorgekomenH6923, en waartoeH4100 de borstenH7699, opdat ik zuigenH3243 zou?
Waarom zijn mij de knieen voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou?
KJV
Why did the knees3
prevent2
me? or why the breasts5
that I should suck?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WantH3588 nu zou ik nederliggenH7901, en stilH8252 zijn; ik zou slapenH3462, dan zou voor mij rustH5117 wezen;
Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;
KJV
For now should I have lain still3
and been quiet,4
I should have slept:5
then had I been at rest,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
MetH5973 de koningenH4428 en raadsherenH3289 der aardeH776, die voor zich woeste plaatsenH2723 bebouwdenH1129;
Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
KJV
With kings2
and counsellors3
of the earth,4
which built5
desolate places
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
OfH176 metH5973 de vorstenH8269, die goudH2091 hadden, die hun huizenH1004 met zilverH3701 vervuldenH4390.
Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.
KJV
Or with princes3
that had gold,4
who filled6
their houses7
with silver:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
OfH176 als een verborgeneH2934 misdrachtH5309, zou ik nietH3808 zijnH1961; als de kinderkensH5768, die het lichtH216 nietH3808 gezienH7200 hebben.
Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.
KJV
Or as an hidden3
untimely birth2
I had not been; as infants6
which never saw8
light.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Daar houdenH2308 de bozenH7563 op van beroeringH7267, en daarH8033 rustenH5117 de vermoeidenH3019 van krachtH3581;
Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;
KJV
There the wicked2
cease3
from troubling;4
and there the weary7
be at rest.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Daar zijn de gebondenenH615 te zamenH3162 in rustH7599; zij horenH8085 de stemH6963 des drijversH5065 nietH3808.
Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet.
KJV
There the prisoners2
rest3
together;1
they hear5
not the voice6
of the oppressor.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
De kleineH6996 en de groteH1419 is daarH8033; en de knechtH5650 vrijH2670 van zijn heerH113.
De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.
KJV
The small1
and great2
are there; and the servant5
is free6
from his master.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
WaaromH4100 geeftH5414 Hij den ellendigenH6001 het lichtH216, en het levenH2416 den bitterlijk bedroefdenH4751 van gemoedH5315?
Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?
KJV
Wherefore is light4
given2
to him that is in misery,3
and life5
unto the bitter6
in soul;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Die verlangenH2442 naar den doodH4194, maar hij is er nietH369; en gravenH2658 daarnaar meer dan naar verborgene schattenH4301;
Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;
KJV
Which long1
for death,2
but it cometh not; and dig4
for it more than for hid treasures;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Die blijdeH8056 zijn totH413 opspringensH1524 toe, en zich verheugenH7797, alsH3588 zij het grafH6913 vindenH4672;
Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;
KJV
Which rejoice
exceedingly,3
and are glad,4
when they can find6
the grave?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Aan den manH1397, wiens wegH1870 verborgenH5641 is, en dienH834 GodH433 overdektH5526 heeft?
Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
KJV
Why is light given to a man1
whose way3
is hid,4
and whom God6
hath hedged in?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
WantH3588 voorH6440 mijn broodH3899 komtH935 mijn zuchtingH585; en mijn brullingenH7581 worden uitgestortH5413 als waterH4325.
Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.
KJV
For my sighing4
cometh5
before2
I eat,3
and my roarings8
are poured out6
like the waters.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
WantH3588 ik vreesdeH6342 een vrezeH6343, en zij is mij aangekomenH857; en watH834 ik schroomdeH3025, is mij overkomenH935.
Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.
KJV
For the thing which I greatly2
feared3
is come4
upon me, and that which I was afraid6
of is come
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Ik was niet gerustH7951; en was nietH3808 stilH8252, en rustteH5117 niet; en de beroeringH7267 is gekomenH935.
Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.
KJV
I was not in safety,2
neither had I rest,4
neither was I quiet;6
yet trouble8
came.
zijn dag
Te weten, den dag zijner geboorte. Ten volle wordt deze dag genaamd de dag der geboorte; Gen. 40:20 .
Hertaald:
zijn dag
Namelijk: de dag van zijn geboorte. Deze dag wordt voluit de dag van de geboorte genoemd; Gen. 40:20.
antwoordde
Dat is, begon, of ving aan te spreken. Zie Richt. 18:14 ; 1 Kon. 13:6 .
Hertaald:
antwoordde
Dat is: begon, of ving aan te spreken. Zie Richt. 18:14; 1 Kon. 13:6.
ontvangen;
Dat is, geboren; gelijk het Hebreeuwse woord zo genomen wordt 1 Kron. 4:17 ; ook kan de tijd der ontvangenis niet zekerlijk bekend worden, veel min welke persoon ontvangen is, te weten, een knechtje of een meisje. Anderen zetten dit over: [Toen God] zeide, of, beval, dat een mannetje ontvangen worde, of ontvangen zou worden.
Hertaald:
ontvangen;
Dat is: geboren; zoals het Hebreeuwse woord zo gebruikt wordt in 1 Kron. 4:17; ook kan het tijdstip van de ontvangenis niet met zekerheid bekend zijn, laat staan welke persoon ontvangen is, namelijk een jongetje of een meisje. Anderen vertalen dit met: [Toen God] zei, of beval, dat een mannetje ontvangen zou worden, of ontvangen was.
zij duisternis;
Dat is, hij verdonkere, dat het licht der zon hem niet beschijne, of zij uit de natuur der dingen weggenomen.
Hertaald:
zij duisternis;
Dat is: hij worde verduisterd, zodat het licht van de zon hem niet beschijnt, of zij worde uit de natuur der dingen weggenomen.
niet vrage
Of, hem niet zoeke, bezorge; te weten, om hem gelijk andere dagen het licht te vergunnen, of in het wezen der dingen te laten. Welken zin de voorgaande en volgende woorden van vs.4 medebrengen. Vergelijk de manier van spreken met Deut. 11:12 , en zie de aantekeningen daarop.
Hertaald:
niet vrage
Of: hem niet zoeke, verzorge; namelijk om hem, zoals andere dagen, het licht te gunnen, of in het bestaan der dingen te laten. Deze betekenis passen de voorgaande en volgende woorden van vers 4. Vergelijk deze manier van spreken met Deut. 11:12, en zie de aantekeningen daarbij.
des doods schaduw
Versta, een zeer dikke en bijna tastelijke duisternis, wier ijslijkheid den mensen den dood zou kunnen aanbrengen; alzo onder, Job 16:16 ; Ps. 23:4 , en Ps. 44:20 .
Hertaald:
des doods schaduw
Versta hieronder: een zeer dikke en bijna tastbare duisternis, wier verschrikking de mensen de dood zou kunnen aandoen; zo ook hieronder Job 16:16; Ps. 23:4, en Ps. 44:20.
zwarte dampen
Of, de brandende hittigheden des dags. Versta, de dikke en donkere nevelen, die, door de hitte der zon uit de aarde en de wateren getrokken zijnde, in de lucht opstijgen, waardoor de dag mistig en het licht deszelven droevig en duister gemaakt wordt; welke verklaring bevestigd wordt door hetgeen in vs.5 voorgaat. Anderen: Dat zij hem verschrikken, gelijk de bittere, of de bitterheden des dags. Dat is, dat de duisternis en de schaduw des doods dezen dag schrikkelijk maken, gelijk de mensen plegen te doen, die in gruwelijke plagen stekende, met hun gehuil en gekerm anderen een bittere vrees aanjagen; of versta de plagen, die den dag den mensen bitter maken.
Hertaald:
zwarte dampen
Of: de brandende hitte van de dag. Versta hieronder de dikke en donkere nevels, die door de hitte van de zon uit de aarde en de wateren omhoog getrokken worden en in de lucht opstijgen, waardoor de dag mistig en het licht ervan somber en donker gemaakt wordt; deze verklaring wordt bevestigd door wat aan vers 5 voorafgaat. Anderen: dat zij hem verschrikken, zoals de bittere, of de bitterheden van de dag. Dat is: dat de duisternis en de schaduw van de dood deze dag verschrikkelijk maken, zoals mensen dat plegen te doen die, gekweld door gruwelijke plagen, met hun gehuil en gekerm anderen een bittere vrees aanjagen; of versta hieronder de plagen die de dag voor de mensen bitter maken.
niet verheuge
Anders, niet gevoegd, of verenigd worde.
Hertaald:
niet verheuge
Anders: niet gevoegd, of verenigd worde.
maanden
Hebreeuws, manen. Want bij deze volken werden de maanden naar den loop der maan gerekend. Hij wenste dat die nacht nooit geweest was, of ook nimmermeer wederkwam, maar uit het register der nachten geschrapt was.
Hertaald:
maanden
Hebreeuws: manen. Want bij deze volken werden de maanden naar de loop van de maan gerekend. Hij wenste dat die nacht nooit geweest was, of ook nooit meer terugkwam, maar uit het register van de nachten geschrapt was.
eenzaam;
Dit is, dat geen mensen daarin tot vreugde bijeenkomen.
Hertaald:
eenzaam;
Dit betekent: dat er geen mensen daarin voor vreugde samenkomen.
vervloekers des dags,
Dat is, die van de grootheid des kwaads, dat zij lijden, overwonnen zijnde, den dag, op welken hun dat overkomen is, vervloeken; of op dien dag zichzelven, of den dag hunner geboorte vervloeken; of die hun werk daarvan maakten, dat zij zich lieten gebruiken tot verwekking van rouw.
Hertaald:
vervloekers des dags,
Dat is: zij die, overweldigd door de omvang van het kwaad dat zij lijden, de dag vervloeken waarop hun dat overkomen is; of op die dag zichzelf, of de dag van hun geboorte vervloeken; of zij die daar hun werk van maakten dat zij zich lieten inzetten om rouw op te wekken.
rouw
Het woord in het oorspronkelijke schijnt te komen uit de Syrische taal van het woord levijah, betekenende rouw, leed, droefheid. De rouw nu te verwekken is die met velerlei klacht, gekerm en gehuil te vernieuwen. Anderen behouden hier het woord leviathan, verstaande daardoor het zeegedierte, waarvan onder, Job 40:20 , en Job 41:1 , en door die bereid zijn hem te verwekken, de stormwinden, die de zee beroeren. Sommigen zette het over: hun gezelschap.
Hertaald:
rouw
Het woord in het oorspronkelijk lijkt afkomstig te zijn uit het Syrisch, van het woord levijah, dat rouw, leed, droefheid betekent. Rouw opwekken is dan die vernieuwen met velerlei klacht, gekerm en gehuil. Anderen houden hier het woord leviathan aan, waaronder zij het zeegedierte verstaan waarover hieronder Job 40:20, en Job 41:1, en met wie bereid zijn hem op te wekken bedoelen zij de stormwinden die de zee doen woeden. Sommigen vertalen het met: hun gezelschap.
zijns schemertijd
Dat is, de avondtijd, in welken de nacht nog enige schemering of klaarheid heeft, dat men wat van hem zien mag, voornamelijk door het licht van enige grote sterren, wier verduistering hier van Job gewenst wordt. Zie van het Hebreeuwse woord 2 Kon. 7:5 . Sommigen verstaan hier dan de morgenschemering of daging.
Hertaald:
zijns schemertijd
Dat is: de avondtijd, waarin de nacht nog enige schemering of helderheid heeft, zodat men iets van hem kan zien, vooral door het licht van enkele grote sterren, waarvan hier door Job de verduistering gewenst wordt. Zie over het Hebreeuwse woord 2 Kon. 7:5. Sommigen verstaan hier de morgenschemering of dageraad.
wachte
Te weten, dezen nacht. Anders, men wachte.
Hertaald:
wachte
Namelijk: deze nacht. Anders: men wachte.
oogleden
Zo worden genaamd de stralen der zon, die in den morgenstond zich uitbreiden en openen eer de zon opgestaan is; gelijk de oogleden zich opendoen eer het oog dat ziet. Vergelijk onder, Job 41:9 .
Hertaald:
oogleden
Zo worden de stralen van de zon genoemd, die zich in de morgenstond uitbreiden en openen voordat de zon is opgekomen; zoals de oogleden zich openen voordat het oog ziet. Vergelijk hieronder Job 41:9.
hij niet
Te weten, die nacht.
Hertaald:
hij niet
Namelijk: die nacht.
buiks,
Dit verstaan sommigen van zijns moeders lichaam, gelijk boven, Job 1:21 , waar het woord moeders in den tekst uitgedrukt staat; gelijk ook onder, Job 31:18 ; in enige andere plaatsen wordt het verzwegen, gelijk Job 10:19 ; idem Ps. 58:4 , en Ps. 71:6 ; Jes. 48:8 ; Jer. 1:5 . Sommigen verstaan door de deur des buiks de lippen, uit vergelijking van onder, Job 32:18-20 , alsof hij zeide: Dat ik niet verstikt ben. Anderen verstaan den navel, waardoor het kind zijn voedsel trekt in moeders lichaam.
Hertaald:
buiks,
Dit betrekken sommigen op het lichaam van zijn moeder, zoals hierboven Job 1:21, waar het woord moeders in de tekst uitdrukkelijk staat; zoals ook hieronder Job 31:18; op enkele andere plaatsen wordt het verzwegen, zoals Job 10:19; eveneens Ps. 58:4, en Ps. 71:6; Jes. 48:8; Jer. 1:5. Sommigen verstaan onder de deur van de buik de lippen, af te leiden uit de vergelijking met hieronder Job 32:18-20, alsof hij zei: dat ik niet gestikt ben. Anderen verstaan hieronder de navel, waardoor het kind zijn voeding krijgt in het lichaam van de moeder.
verborgen
Dat is, weggenomen. Vergelijk de manier van spreken met die, welke onder is, Job 33:17 .
Hertaald:
verborgen
Dat is: weggenomen. Vergelijk deze manier van spreken met die hieronder in Job 33:17.
ben ik
Hij wenst van twee dingen een, te weten dat hij vóór de geboorte gestorven, of een misgeboorte geweest was, vs.10, en vervolgens nooit levend ter wereld gekomen; of dat hij na zijn geboorte straks gestorven was, vs.11.
Hertaald:
ben ik
Hij wenst een van twee dingen, namelijk dat hij vóór de geboorte gestorven, of een misgeboorte geweest was, vers 10, en dus nooit levend ter wereld gekomen; of dat hij kort na zijn geboorte gestorven was, vers 11.
knieën
Te weten, van de vroedvrouw, die de nieuwe vrucht ontvangt. Hij gaat voort in het verhaal van den tweeden wens, welken hij in vs.11 voorgesteld had.
Hertaald:
knieën
Namelijk: van de vroedvrouw, die de nieuwe vrucht ontvangt. Hij vervolgt met het verhaal van de tweede wens, die hij in vers 11 had voorgesteld.
zuigen zou?
Te weten, om in dit ellendige leven gevoed en onderhouden te worden.
Hertaald:
zuigen zou?
Namelijk: om in dit ellendige leven gevoed en onderhouden te worden.
Met de koningen
Hij wil zeggen: zo hij na zijn geboorte gestorven ware, dat zijn staat nu enerlei zou geweest zijn met de voornaamsten der aarde, die vóór dezen tijd waren overleden, en hadden zich, toen zij leefden, een naam willen maken door grote werken, als woeste plaatsen te betimmeren en grote steden te bouwen; Gen. 10:10-11 , en Gen. 11:3 ; onder, Job 15:28 ; Jes. 23:13 .
Hertaald:
Met de koningen
Hij wil zeggen: als hij na zijn geboorte gestorven was, zou zijn toestand nu hetzelfde geweest zijn als die van de voornaamsten van de aarde, die vóór deze tijd overleden waren en die, toen zij leefden, zich een naam hadden willen maken door grote werken, zoals woeste plaatsen bebouwen en grote steden bouwen; Gen. 10:10-11, en Gen. 11:3; hieronder Job 15:28; Jes. 23:13.
Of als een
Hij komt hier tot zijn eersten wens, waardoor hij gewenst had in zijner moeders lichaam, als een misgeboorte, gestorven te zijn, boven, vs.10. Anders, of [waarom] ben ik niet geweest als een verborgen misval?
Hertaald:
Of als een
Hij komt hier terug op zijn eerste wens, waarin hij gewenst had in het lichaam van zijn moeder, als een misgeboorte, gestorven te zijn, hierboven vers 10. Anders: of [waarom] ben ik niet geweest als een verborgen misval?
verborgene
Te weten, in zijner moeders lichaam, waar zij sterft en daarom verborgen geheten wordt, overmits zij niet levend tevoorschijnt komt.
Hertaald:
verborgene
Namelijk: in het lichaam van zijn moeder, waar zij sterft en daarom verborgen genoemd wordt, omdat zij niet levend tevoorschijn komt.
ik niet zijn;
Dat is, niet geleef hebben op de aarde onder de mensen. Niet zijn, is dikwijls zoveel als niet leven. Zie Gen. 42:13 , onder, Job 7:8 ; Ps. 39:14 ; Jer. 31:15 ; Matt. 2:18 . De zin is, zo hij een wangeboorte ware geweest, hij zou nooit onder de mensen geweest zijn, of dit licht aanschouwd hebben, gelijk de vrucht, die dood ter wereld komt.
Hertaald:
ik niet zijn;
Dat is: niet geleefd hebben op aarde onder de mensen. Niet zijn is vaak zoveel als niet leven. Zie Gen. 42:13, hieronder Job 7:8; Ps. 39:14; Jer. 31:15; Matth. 2:18. De betekenis is: als hij een misgeboorte geweest was, zou hij nooit onder de mensen geweest zijn, of dit licht aanschouwd hebben, zoals de vrucht die dood ter wereld komt.
kinderkens,
Het Hebreeuwse woord betekent wel eigenlijk de kinderkens, die geboren zijnde, wat beginnen te doen, Ps. 8:3 , maar wordt hier ook gebruikt van de dracht, die in moeders lichaam sterft, gelijk wij die ook kinderkens noemen.
Hertaald:
kinderkens,
Het Hebreeuwse woord betekent wel eigenlijk de kleine kinderen, die na hun geboorte iets beginnen te doen, Ps. 8:3, maar wordt hier ook gebruikt voor het ongeboren kind dat in het lichaam van de moeder sterft, zoals wij dat ook een kindje noemen.
Daar houden
Dat is, in het graf, of in den dood.
Hertaald:
Daar houden
Dat is: in het graf, of in de dood.
beroering,
Dat is, van de mensen te beroeren, te kwellen en te verschrikken.
Hertaald:
beroering,
Dat is: de mensen te beroeren, te kwellen en te verschrikken.
vermoeiden
Dat is, die door den overlast dergenen, die hen beroerden of verdrukten, afgemat zijn in hun sterkte.
Hertaald:
vermoeiden
Dat is: die door de last van degenen die hen beroerden of onderdrukten, uitgeput zijn in hun kracht.
gebondenen
Dat is, de slaven, die, als zij in het leven waren, door geweld van banden en slagen tot het werk moesten gedwongen worden. Vergelijk Richt. 16:21 .
Hertaald:
gebondenen
Dat is: de slaven, die, toen zij nog leefden, door de dwang van banden en slagen tot het werk gedwongen moesten worden. Vergelijk Richt. 16:21.
drijvers
Of, eisers; dat is, van de opzieners, die de slaven tot hun werk drijven, en hun daarvan rekening afeischen. Vergelijk Ex. 5:6 .
Hertaald:
drijvers
Of: eisers; dat is: van de opzichters, die de slaven tot hun werk aanzetten en daarover van hen rekenschap eisen. Vergelijk Ex. 5:6.
De kleine
Dat is, de arme en de rijke, de edele en de onedele.
Hertaald:
De kleine
Dat is: de arme en de rijke, de edele en de onedele.
zijn heer
Hebreeuws, zijne heren, gelijk elders.
Hertaald:
zijn heer
Hebreeuws: zijn heren, zoals elders.
Hij
Namelijk, God, want hoewel Job den Heere tegenspreekt, zo wil hij nochtans deszelfs naam verschonen, tonende alzo dat de kracht der wedergeboorte hem nog intoomde. Zo moet met het woord God de zin der Heilige Schriftuur somtijds aangevuld worden. Zie Num. 23:20 , onder, Job 16:7 , en Job 20:4 ; Hab. 2:1 ; 1 Kor. 1:8 ; Hebr. 3:16 , enz.
Hertaald:
Hij
Namelijk: God, want hoewel Job de HEERE tegenspreekt, wil hij toch Zijn naam sparen, en toont zo dat de kracht van de wedergeboorte hem nog in toom hield. Zo moet met het woord God de betekenis van de Heilige Schrift soms aangevuld worden. Zie Num. 23:20, hieronder Job 16:7, en Job 20:4; Hab. 2:1; 1 Kor. 1:8; Hebr. 3:16, enzovoort.
licht,
Te weten, van den dag of der zon, of het licht; dat is, het leven, gelijk de volgende woorden verklaren. Vergelijk Ps. 56:14 .
Hertaald:
licht,
Namelijk: van de dag of van de zon, of het licht; dat is: het leven, zoals de volgende woorden verklaren. Vergelijk Ps. 56:14.
den bitterlijk
Hebreeuws, den bitteren van ziel; dat is, zeer innerlijk en smartelijk bedroefden. Vergelijk 2 Kon. 4:27 , en zie de aantekening daarop. Hij verstaat degenen, die in dit leven veel ellende en verdriet zouden onderworpen zijn.
Hertaald:
den bitterlijk
Hebreeuws: de bittere van ziel; dat is: zeer diep en smartelijk bedroefden. Vergelijk 2 Kon. 4:27, en zie de aantekening daarbij. Hij bedoelt degenen die in dit leven veel ellende en verdriet zouden ondervinden.
Aan den man,
Versta hierop uit vs.20: Waarom geeft Hij het licht?
Hertaald:
Aan den man,
Versta hierbij uit vers 20: waarom geeft Hij het licht?
verborgen is,
Dat is, bezet met zo velerlei kwaad, dat hij geen uitkomst ziet om te kunnen uitworstelen.
Hertaald:
verborgen is,
Dat is: omringd door zo veel kwaad dat hij geen uitweg ziet om te kunnen ontworstelen.
dien God
God wordt gezegd onzen weg te overdekken als Hij ons niet enig middel toont om het ongeluk te ontgaan. Vergelijk onder, Job 19:8 ; Klaagl. 3:7 , Klaagl. 3:9 . Anders, om welken God omtuind heeft; te weten, met ellenden.
Hertaald:
dien God
God wordt gezegd onze weg te bedekken wanneer Hij ons geen middel toont om het ongeluk te ontlopen. Vergelijk hieronder Job 19:8; Klaagl. 3:7, Klaagl. 3:9. Anders: aan wie God een omheining gemaakt heeft; namelijk met ellende.
voor mijn brood
Dat is, eer ik eet komt mij het zuchten over, zodat ik geen tijd vrij van droefheid heb.
Hertaald:
voor mijn brood
Dat is: voordat ik eet, komt mij het zuchten al over, zodat ik geen tijd vrij van droefheid heb.
worden
Of, vloeien uit. Versta, het geschrei en het gehuil, hetwelk deze bedroefde en beangstigde mensen plegen uit te werpen.
Hertaald:
worden
Of: vloeien uit. Versta hieronder: het geschrei en het gehuil, dat deze bedroefde en angstige mensen plegen te uiten.
vreze,
Dat is, een vreeslijke zaak.
Hertaald:
vreze,
Dat is: een verschrikkelijke zaak.
gerust
Te weten, in mijn gemoed; zeer bezorgd en bekommerd zijnde om God te behagen en Hem niet te vertoornen, zulks dat ik gepoogd heb met grote naarstigheid mij en de mijnen in de vreze des Heeren vast te houden. Zie boven, Job 1:1 , Job 1:5 , Job 1:8 , en Job 2:3 , Job 2:10 . Anderen stellen dit vragender wijze aldus: Was ik niet in vrede? had ik niet stilheid? enz., doch [nu] is de beroering gekomen.
Hertaald:
gerust
Namelijk: in mijn gemoed; zeer bezorgd en bekommerd om God te behagen en Hem niet te vertoornen, zodat ik met grote ijver geprobeerd heb mijzelf en de mijnen in de vreze van de HEERE te bewaren. Zie hierboven Job 1:1, Job 1:5, Job 1:8, en Job 2:3, Job 2:10. Anderen stellen dit vragenderwijs zo: was ik niet in vrede? Had ik niet rust? enzovoort, maar [nu] is de beroering gekomen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een oprecht en godvrezend man uit het land Uz, zeer rijk aan vee en kinderen. Op aanstoken van de satan liet God zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte zijn eigen gezondheid treffen, om zijn oprechtheid op de proef te stellen; ondanks alles zondigde Job niet en bleef hij aan God vasthouden. Het boek dat zijn naam draagt beschrijft zijn lijden, de gesprekken met zijn drie vrienden over de reden van zijn lijden, Gods antwoord vanuit de storm, en zijn uiteindelijke herstel (Job 1-42). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Na de week van zwijgen opent Job zijn mond, en hij vervloekt zijn dag (Job 3:1-2). Die dag moet duisternis worden; God moet er niet naar vragen en er moet geen licht over schijnen (Job 3:3-5). Ook de nacht van zijn ontvangenis moet uit de telling van de maanden verdwijnen (Job 3:6-9). Daarna volgt een reeks vragen. Waarom is hij niet gestorven bij zijn geboorte (Job 3:11)? Dan zou hij nu rusten, en hij tekent die rust uit: koningen en raadsheren liggen daar, en ook de kleine en de grote, en de knecht is er vrij van zijn heer (Job 3:13-19). Vervolgens vraagt hij waarom God licht en leven geeft aan mensen die bitter bedroefd zijn en die naar de dood verlangen als naar een verborgen schat (Job 3:20-22). Het is de vraag naar de man wiens weg verborgen is en die God overdekt heeft (Job 3:23). Zijn zuchten komt hem in plaats van brood, en het slot is ontnuchterend eerlijk: wat hij vreesde, is over hem gekomen (Job 3:24-26). Bijbelse betekenis: Hier is niets meer over van de rust van hoofdstuk 1. Toch valt op wat Job ook nu niet doet. Hij vervloekt God niet, en dat was juist waarop de aanklacht mikte. Hij vervloekt de dag, en dat is een vloek over zichzelf. De Schrift tekent zijn klacht op zonder haar te vergoelijken en zonder haar te veroordelen, en aan het einde zegt God dat Job recht van Hem gesproken heeft, anders dan zijn vrienden (Job 42:7). Dat geeft ruimte aan wie in donkerheid zit. Er bestaat een klagen dat binnen het geloof blijft, en de Bijbel staat er vol van. Twee dingen moeten daarbij wel gezegd worden. Job vraagt hier nergens om de hand aan zichzelf te slaan; hij legt zijn leven en zijn dood in Gods hand en klaagt bij Hem. En de vragen van dit hoofdstuk worden in het boek niet beantwoord door een verklaring, maar doordat God Zelf tot hem spreekt. Typologie: Jeremia klaagt met bijna dezelfde woorden: "Vervloekt zij de dag, op welken ik geboren ben" (Jer. 20:14). En in Gethsémané zegt de Heere Jezus, Die geen zonde kende: "Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe" (Matt. 26:38). Wie zulke diepten kent, wordt daarmee niet buiten het gezelschap van Gods kinderen geplaatst, en zeker niet buiten het bereik van Hem Die dieper ging dan zij. Job 3:1-26; Job 42:7; Jer. 20:14; Matt. 26:38 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Job 3
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Job 3
Job 3:23.KruisverwijzingenJob 19:8→Klaagliederen 3:7→Jesaja 40:27→Hosea 2:6→Job 12:14→Job 19:6→Klaagliederen 3:9→Psalmen 31:8→
— Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
Job gebruikte onwijze en dwaze uitdrukkingen, maar ieder van ons zou veel erger woorden gebruikt kunnen hebben als wij in zijn geval geweest waren; daarom zullen wij hem niet veroordelen. Job vraagt: “Waarom laat God mensen leven wanneer hun ziel onder diepe neerslachtigheid en duisternis is? Waarom laat Hij hen niet terstond sterven? Wanneer hun dagen in vermoeidheid doorgebracht worden en hun nachten hun rust noch verkwikking geven, wanneer zij opwaarts zien en niets zien dat hun hoop geeft — waarom blijft God leven geven aan hen die in zulke droevige omstandigheden zijn?”
In de eerste plaats is dat voor niemand een veilige vraag om te stellen. Wij komen stellig in het ongerede zodra wij God gaan ondervragen en beginnen te zeggen: “Waarom?” De goddelijke souvereiniteit is een oceaan zonder bodem en zonder kust; alles wat wij kunnen doen is ons zeil zetten en varen naar de kaart die Hij ons gegeven heeft. Zo een zee te willen oversteken zonder roer of kaart of kompas — dat is een vaart die wij beter niet ondernemen. Moet God staan en ons rekenschap geven van wat Hij doet? Is Hij gehouden ons de reden te zeggen waarom Hij het doet?
En toch mogen wij er zeker van zijn dat er op deze vraag een antwoord is — een goed antwoord, en een antwoord dat overeenkomt met het karakter van God. Er is een antwoord dat bestaanbaar is met een grenzeloze genade en een oneindige ontferming, maar dat antwoord wordt misschien nooit gegeven; of, wordt het gegeven, dan zijn wij misschien niet in staat het te verstaan. Eén antwoord op Jobs vraag dat ons behoorde te voldoen, is dit: dat God het wil. Een ander antwoord is dat God het doet om ons te laten weten wat er in ons is. Een andere reden is dat onze beproevingen ons vaak nabij onze God brengen; en alles wat onze heiligmaking bevordert of onze geestelijkheid vermeerdert, is een goede zaak. Nog een reden is: om u geschikt te maken om anderen tot voorbeeld te zijn. Ik weet niet of wij ooit iets van Job gehoord zouden hebben als het niet om zijn moeiten geweest was. Maar nu zal zijn naam blijven zolang de wereld staat.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Nadat het Satan gelukt is, door de vrienden van Job, die daar stom zonder troost en verwijtende voor hem zitten, vol van medelijden, hem uit zijne onderwerping te rukken, en den lof en den dank uit zijn hart en van zijnen mond weg te nemen, ziet Job niets meer dan zijne grote ellende. Hij heeft het gevoel alsof hij geheel van God verlaten is. Hij gevoelt alzo, dat het aardse leven niets waard is. Zijne ziel, angstig geworden te midden van de verzoeking, breekt in zulke hevige, smartelijke klachten tegen God uit, die hem nog slechts als de ontzettend Almachtige, als een van hem verwijderde God vol toorn is, dat het zondige verwensen van zijn leven hem op den rand van het gehele God-verlaten brengt.
I. Vs. 1-10.KruisverwijzingenJob 10:21→Psalmen 23:4→Job 41:1→Job 10:18→Jeremia 13:16→Job 28:3→Jesaja 9:2→Job 41:18→
— Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag. Want Job antwoordde en zeide: De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen; Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne; Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags! Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome! Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome; Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken; Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads! Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.
Vervloekt is de nacht, in welken ik ontvangen, de dag op welken ik geboren werd!
Daarna, na dit zwijgen der vrienden gedurende zeven dagen, opende Job op den achtsten dag zijnen mond, en a) vervloekte, wenste voor eeuwig vernietigd, zijnen dag, den dag zijner geboorte.
Jer. 15: 10; 20: 14. Hoewel Job in het volgende God geenszins in het aangezicht zegent (Hoofdstuk 2: 9), maar veeleer door dezen met onzichtbare draden vastgehouden wordt, zo zondigt hij toch zwaar. -Hij wenst voor zich den vreselijken vloek van volkomen vernietiging, die de Heere Christus aan hem toewenst, door welken des mensen Zoon verraden werd (MATTHEUS. 26: 14). Maar ook over deze zonde heeft Job berouw, zodra de Heere hem verschijnt, en zij wordt hem na zijn berouw vergeven.
De dag verga, ga te niet, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zei (liever: “die zei” 1), die als enige getuige God en mensen vermeldde): Een knechtje is ontvangen;
Om deze en de volgende verzen wel te verstaan, moet men zich gemeenzaam gemaakt hebben met de levendige en gloeiende verbeelding der Oosterse dichters. Nacht en dag worden hier als personen voorgesteld, vatbaar voor gevoel, voor vreugde en droefheid, en dus ook vatbaar voor verwensing en vervloeking. Zij verheugen zich als het jaar is omgewenteld en de beurt weer aan hen komt, om in de rij der dagen en nachten te verschijnen (vs. 4 en 6). De dag bemint het licht, en beeft voor de dodelijke middagdampen (vs. 5). De nacht bemint het sterrengeflonker, haat de al te treurige duisternis, en heeft gene aangenamer ogenblikken dan de avond- en morgenschemering (vs. 6 en 9). De nacht bemint de vreugde der liefde omhelzingen, en het gejuich der ouderlijke blijdschap, en is er hoogmoedig op, dat zij de moeder der vruchtbaarheid is (vs. 7).
Men moet er wel op letten, wat Job hier doet. Hij vervloekt niet zozeer den dag zijner geboorte, d.w.z. den dag, waarop hij voor het eerst het levenslicht aanschouwde, maar den telkens terugkerenden geboortedag. Dit blijkt vooral uit de volgende verzen.
Diezelve dag zij duisternis, worde tot duisternis; dat God, die, verheven boven de afwisseling van dag en nacht, van licht en duisternis, in den hemel troont, naar hem niet vrage van boven, hem niet meer te voorschijn brengen, en dat geen glans der opgaande zon over hem schijne.
Dat de duisternis en des doods schaduw, de doodsnacht, hem verontreinigen 1), hem “overweldigen” en als hun eigendom wegnemen; dat wolken over hem wonen, zodat hij geen licht zie; dat hem verschrikken de zwarte dampen des daags 2), de dodelijke dampen, die de pestwind aanvoert (of: “alles wat dien dag donker maken kan,” bijv. zonsverduistering).
In het Hebr. Jig’aluhoe choschek wetsalmaweth. Beter: De duisternis en schaduw des doods mogen hem inlossen. De duisternis en doodsschaduwe worden hier als verwanten voorgesteld van den nacht zijner geboorte. Job wenst nu, dat deze als verwanten den nacht inlossen, zoals onder de mensen bloedverwanten een erfland inlossen. Job geeft hier als het ware dien nacht prijs, doet er afstand van.
Iets van dezen wens gevoelen velen op rouwdagen. “Op de sterfdagen onzer meest geliefden hindert ons alle glans in de natuur en alle vreugde van anderen; wij willen liever overeenkomstig onze stemming de gehele wereld in rouwfloers gehuld zien; want in zulk een omhulsel schijnt zij ons dan “waar” te zijn.
Diezelve nacht mijner ontvangenis, donkerheid neme hem in 1), zodat geen dag uit hem kan geboren worden, en zo er een dag uit voortkomt, dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars in het liefelijke licht der zon, dat hij in het getal van de dagen der maanden niet kome!
De bedoeling is, dat die nacht zo door de donkerheid beschaduwd worde, dat hij niet kan overgaan in den dag, dat in de worsteling tegen de donkerheid, de donkerheid overwint. Onwaardig noemt hij hem, om in den dag te veranderen.
Ziet, die nacht zij eenzaam en onvruchtbaar, zodat nooit weer ene onsterfelijke ziel in dien ontvangen worde; dat geen vrolijk gezangover een geborene daarin kome;
Dat hem vervloeken de vervloekers des dags 1), opdat hij tot een nacht van bijzonder ongeluk worde, en degenen, die bereid zijn, die bekwaam zijn hunnen rouw te verwekken 2) (Hebr.: “den Leviathan” “te verwekken” of “op te hitsen) 3).
Uit de geschiedenis van Bileam (Numeri 22: 2 vv.) weten wij, dat de ouden aan enen tovenaar de macht toekenden, om een geheel volk te vervloeken. Op gelijke wijze waren er ook tovenaars, wie de macht toegeschreven werd, dagen tot bijzondere ongeluksdagen te maken, zodat men op deze niets gewichtigs ondernam. Zo lezen wij in de zendingsberichten van het geloof der Betschuanen-negers in Zuid-Afrika, dat hun tovenaars bijzondere eigenschappen of ongelukstijden door hun toverspreuken zouden kunnen teweeg brengen. En zeker hebben de met satanische krachten werkende, in het heidendom bijzonder machtige tovenaars schade kunnen aanbrengen (vgl. de tovenaars in Egypte ten tijde van Mozes).
In het Hebr. Haäthidim oreer liwejathan. Beter: die bij machte zijn den Leviathan op te hitsen. De tovenaars verspreiden de mening, dat zij in staat waren, om een schrikkelijk monster, hier onder den naam van Leviathan voorkomende, zodanig aan te hitsen, dat de zon verduisterd werd. Zo maken nog de Chinezen heden ten dage bij ene zonsverduistering een vreselijk geraas, om den draak te dwingen, zoals zij menen, de zon los te laten.
Hier is niet zozeer de krokodil (Job 41: 20 vv.) als wel enig monster, ene slang of een draak te verstaan, die, gelijk men oudtijds meende, door de tovenaars opgehitst, het licht van zon en maan verslonden en zo ene zons- of maansverduistering veroorzaakten. “Bij alle volken zijn verhalen van grote, geschubde en gevleugelde draken met grote vurige ogen, een langen, zich kronkelenden staart, hagedissenpoten, en een groten, met tanden bezetten muil, waaruit ene tong steekt, puntig als een pijl, en die vuur spuwt, met twee of drie koppen, enz. Zo b.v. de Fafnir in de Oud-Noordse Mythologie; zijn huilen klinkt ver, hij huist in holen, waar hij op goud en andere schatten ligt en die bewaart; hij is den mensen vijandig en doodt hen met zijnen vuuradem. De Griekse naam voor dit monster is drakwn = draak. De draak is het licht zeer vijandig. Zo staan onder anderen in het portaal van de Jakobskerk te Regensburg twee draken, die in snellen loop zon en maan vervolgen, waarmee de verduistering van lichtende sterren wordt aangeduid. Dergelijke voorstellingen over den oorsprong der duisternis door draken of Demonen hebben ook de Indiërs en Chinezen. Zo maken de inboorlingen van Algerië nog heden bij ene zons- of maansverduistering een woest geraas met trommele en koperen bekkens; opdat de draak zijn buit late varen. Deze heidense verhalen van den draak berusten niet op “willekeurige fantasie,” zij hebben een dieperen grond; de draken zijn demonische wezens; zij doen ons denken aan dien bozen geest, die in de gedaante ener slang onze eerste ouders door zijn bedrog hun heerlijkheid ontnam, die aan het licht, even als aan den God des lichts vijandig is, en daarom ook gaarne de sterren verwoestte (Openbaring 12: 3), en die in de Heilige Schrift dikwijls slang of draak genoemd wordt.
Dat de sterren van zijne schemertijd, de sterren, die het naderen van dezen dag aankondigen, verduisterd worden; hij, die dag,wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet of, lave zich niet aan de oogleden des dageraads, de leden (Hoofdstuk 41: 10) van het gouden oog der zon, die eerst enkel gouden stralen uitschiet en dan zich verheft!
Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, van den schoot mijner moeder, den schoot, die mij baarde, niet toesloot, zodat ik niet ontvangen kon worden, noch of, en zo verborgen heeft de moeite van of, voor mijne ogen 1), zo ik niet ware voortgebracht, had ik al deze ellende niet gezien.
De uitstorting van de bitterste en onstuimigste smart, wanneer die eenmaal ligt op den bodem des harten, zonder dat men zich door valse troostgronden kan laten tevreden stellen, is den Heere aangenaam, aangezien waarheid de eerste en onmisbare voorwaarde is van alle gemeenschap met Hem. Zulk ene uitstormende smart is Hem meer welgevallig, dan stompe onverschilligheid, of geveinsde berusting. Vergelijk Hoofdstuk 1: 20 Het was tevens ondankbaarheid van Job, dat hij Gods goedheid, dat hij het leven en het bestaan durfde versmaden en deze gift gering achtte, enkel omdat zij met enige last vergezeld ging, die hem niet eer trof, dan nadat hij vele jaren achtereen alle tijdelijke welstand en voorspoed genoten had. Hoe dwaas is het, te wensen, dat zijne ogen nimmer het licht hadden gezien, opdat ze dus nooit de droefheid mochten aanschouwen, welke hij echter liever had mogen hopen door te zien, en na welke hem gewis wel een ogenblik van vreugde zou voorgekomen zijn. Gods wapen behoede ons, door Zijne genade, tegen zulke dwaze en schandelijke driften van ongeduld en redeloze verwensingen.
11.
II. Vs. 11-19.KruisverwijzingenJesaja 66:12→Genesis 30:3→Job 15:28→Job 10:18→Genesis 50:23→Jesaja 14:10→1 Korinthe 15:8→Openbaring 14:13→
— Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam? Waarom zijn mij de knieen voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou? Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen; Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden; Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden. Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben. Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht; Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet. De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.
Wanneer ik echter toch moest geboren worden, waarom ben ik niet dadelijk na mijne geboorte gestorven en voor alle ellende bewaard?
Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, toen ik daarin nog verborgen lag? en waarom heb ik niet den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam?
Waarom zijn mij de knieën mijns vaders voorgekomen, op welke men mij plaatste, opdat hij mij vol vreugde als zijn kind begroeten zou? en waartoe de borsten mijner moeder, opdat ik zuigen zou 1)?
Wat Job hier als wens uitspreekt is, óf dat hij als ongeboren vracht ware gestorven, óf bij zijne geboorte, óf dat hij nooit op de knie van zijn vader ware gezet, of zich nooit gelaafd had aan de borsten zijner moeder. Men gevoelt het, hier heeft een opklimming plaats. In zijn grote droefheid ziet Job alles voorbij, wat God hem in Zijne grote barmhartigheid had geschonken, niet alleen het leven, maar ook bij zijn intrede in het leven de zorgen des vaders en de liefde der moeder, waardoor dit leven kon worden gekoesterd.
Want nu zou ik neerliggen in het graf en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;
Ik zou neerliggen, of met de koningen en de raadsheren der aarde, die der koningen het naaste zijn, die voor zich nog bij hun leven tegen den tijd huns doods woeste, niet tot wonen bestemde plaatsen, namelijk trotse grafgevaarten, piramiden 1) bebouwden of bouwden.
De piramiden zijn die oorspronkelijk 800 nu nog tot 450 voeten hoge steenbergen, aan den linker oever van den Nijl in Midden-Egypte. De Egyptische koningen bouwden deze voor grafplaatsen.
Of met de vorsten, die goud in overvloed hadden, die hun huizen, gebouwd tot bewaring der schatten, met zilver vervulden.
Of als ene in de aarde verborgene, weggeworpene misdracht zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben, daar zij vóór hun geboorte gestorven zijn. Die zich piramiden bouwden, de millionairs, de misdrachten en doodgeborenen; zij zijn allen aan het lijden van dit leven ontrukt en in de rust van het graf, of hun graf ene ruïne is, die de nawereld met verwondering zal aanstaren, dan of het een gat in de aarde zij, weer met den grond gelijk gemaakt.
Daar, in de diepe stilte van graf en dood, houden de bozen, wier gedachten als de golven der onstuimige zee slijk en modder opwerpen, en die geen vrede hebben (Jes. 57: 20), op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;
Daar zijn de gebondenen, de gevangenen, te zamen, even als alle anderen in rust, en zij horen de stem des drijvers niet, die hen tot harden arbeid drijft.
De kleine en de grote is daar geheel gelijk, en de knecht, de slaaf vrij van zijnen heer. Hij vraagt wel, waarom God den ellendige het licht en den bitterlijk bedroefden het leven geeft. Hij laat wel na, zoals vroeger, God te prijzen. Hij laat, voor zoverre hij in allen ernst zijne geboorte en ontvangenis vervloekt, een niet te ontkennen zondigen van zijne lippen horen, in plaats van zich kinderlijk uit te drukken, zoals vroeger. Maar geheel op de lijn van Satan, den Gode vijandigen aanlegger van zijne aanvechtingen, treedt hij volstrekt niet. Tot het schrikkelijke, God in het aangezicht zegenen, waarop Satan het bij hem heeft toegelegd, komt het niet. Hij vervloekt wel de goddelijke Scheppingsdaad, waardoor hij het aanzijn verkreeg, maar niet den Schepper zelf. Zijne woorden zijn woorden van klagen en treuren, van twijfel en vragen, maar niet woorden van godslastering en van vertwijfelend opgeven van het geloof. Wat Job hier uitspreekt is vrucht van zijn verdorven natuur. Hij heeft alleen een oog voor de ellende, voor de rampen, maar mist op dit ogenblik den troost van het geloof, dat God ook boven alle rampen en ongeneugten troont. Daardoor wordt hij onredelijk. 20.
III. Vs. 20-26.KruisverwijzingenJob 19:8→Openbaring 9:6→Spreuken 2:4→Jeremia 20:18→Job 7:15→Klaagliederen 3:7→Psalmen 102:9→Spreuken 31:6→
— Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed? Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten; Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden; Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft? Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water. Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen. Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.
Job keert met zijne klacht tot zijn tegenwoordigen nood terug en vraagt, vol verwijt, waartoe het leven gegeven is aan hen, voor wie het slechts ellende en ongeluk aanbrengt.
Waarom geeft Hij 1) den ellendigen, hun, die niets dan ellende ondervinden, het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed 2)?
Hier hebt ge weer zulk een heerlijk bewijs, dat het Satan niet gelukt is, Job van zijn God af te trekken, want hier gaat hij het weer belijden, dat wat hem overkomt, hem van Gods wege ten deel valt. En al kan hij het niet rijmen, nu hij zich zo van God verlaten gevoelt en onder Zijn kastijdende hand het leed hem zo zwaar drukt, toch moet hij op het diepst van zijne ziel nog aan zijn God vasthouden.
Job spreekt van God, zonder Hem te noemen, even als iemand met donker, afgewend oog van zijnen vijand spreekt, of van enen machtige, van wie hij niet weet, hoe hij het met dien heeft.
Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet, en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten. Job denkt, dat allen, die in zwaar lijden zijn, zich in eenzelfde gevoel van verlatenheid van God moeten bevinden als hij.
Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf, en daarmee rust en vrede vinden?
Waarom is het leven gegeven aan den man, wiens levensweg verborgen is, onbegrijpelijk voor hem zelven en van God vergeten, en dien God overdekt heeft, zó van alle zijden omgeven heeft met ongeluk, dat hij niet zien kan, waarheen zijn raadselachtige levensweg leidt, noch ook de liefdevolle hand Gods kan opmerken (vgl. Hoofdstuk 19: 8. Klaagt. 3: 1,5,7,9)?
Hoe groot is toch mijne ellende! Want voor mijn brood komt mijne verzuchting (Psalm 42: 4), en mijne brullingen worden uitgestort als water, zodat ik niets geniet, maar wenen en klagen over mijne smarten, en mijne verlatenheid van God mijn dagelijkse spijs en mijn drank is.
Want ik vreesde steeds ene vreze en zij is mij spoedig aangekomen, en wat ik dikwijls schroomde, is mij overgekomen. Wat is het den Satan gelukt, door de verzoeking, zelfs de bevinding van Job aan zijn vroeger geduldig aannemen van alle smarten uit de hand zijns Gods te verduisteren! Maar dit is de ervaring van alle verzochte kinderen Gods, dat zij in de aanvechting, om zich zelven te rechtvaardigen, niet meer denken aan de vroeger ontvangene genade, waardoor zij alles aan Gods wil overgaven.
Ik was niet gerust en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen van altijd nieuwe smart en altijd nieuwe verzoeking. Onafgebroken duurt de ellende, de smart, het lijden voort; er is geen ogenblik verademing. Waartoe dan dit leven, het is erger dan de dood! De in dit hoofdstuk op elkaar volgende trappen van het zondige twisten met God in de verzoeking, het verwensen der geboorte, het verlangend uitzien naar den dood, en de vergelijking van het leven met den dood komen nog altijd in het leven van zwaar verzochten voor.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel