Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En JobH347 ging voortH3254 zijn spreukH4912 op te heffenH5375, en zeideH559:
En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
KJV
Moreover Job2
continued1
his parable,4
and said,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
OchH4310, of ik ware, gelijk in de vorigeH6924 maandenH3391, gelijk in de dagenH3117, toen GodH433 mij bewaardeH8104!
Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde!
KJV
Oh that2
I were as in months3
past,4
as in the days5
when God6
preserved
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Toen Hij Zijn lampH5216 deed schijnenH1984 overH5921 mijn hoofdH7218, en ik bij Zijn lichtH216 de duisternisH2822 doorwandeldeH3212;
Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;
KJV
When his candle2
shined1
upon my head,4
and when by his light5
I walked6
through darkness;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Gelijk als ik wasH1961 in de dagenH3117 mijner jonkheidH2779, toen GodsH433 verborgenheidH5475 overH5921 mijn tentH168 was;
Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;
KJV
As I was in the days3
of my youth,4
when the secret5
of God6
was upon my tabernacle;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Toen de AlmachtigeH7706 nogH5750 met mij was, en mijn jongensH5288 rondomH5439 mij;
Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;
KJV
When the Almighty2
was yet with me, when my children5
were about
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Toen ik mijn gangenH1978 wiesH7364 in boterH2529, en de rotsH6697 bij mij oliebekenH6388 uitgootH6694;
Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;
KJV
When I washed1
my steps2
with butter,3
and the rock4
poured me out5
rivers7
of oil;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Toen ik uitgingH3318 naar de poortH8179 door de stadH7176, toen ik mijn stoelH4186 opH5921 de straatH7339 liet bereidenH3559.
Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.
KJV
When I went out1
to the gate2
through the city,4
when I prepared6
my seat7
in the street!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
De jongensH5288 zagenH7200 mij, en verstakenH2244 zich, en de stokoudenH3453 rezenH6965 op en stondenH5975.
De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden.
KJV
The young men2
saw1
me, and hid3
themselves: and the aged4
arose,5
and stood up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
De overstenH8269 hieldenH6113 de woordenH4405 in, en leidenH7760 de handH3709 op hun mondH6310.
De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.
KJV
The princes1
refrained2
talking,3
and laid5
their hand4
on their mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
De stemH6963 der vorstenH5057 verstakH2244 zich, en hun tongH3956 kleefdeH1692 aan hun gehemelteH2441.
De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
KJV
The nobles2
held3
their peace,1
and their tongue4
cleaved6
to the roof of their mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
AlsH3588 een oorH241 mij hoordeH8085, zo hield het mij gelukzaligH833; als mij een oogH5869 zagH7200, zo getuigdeH5749 het van mij.
Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.
KJV
When the ear2
heard3
me, then it blessed4
me; and when the eye5
saw6
me, it gave witness
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WantH3588 ik bevrijddeH4422 den ellendigeH6041, die riepH7768, en den weesH3490, die geenH3808 helperH5826 had.
Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.
KJV
Because I delivered2
the poor3
that cried,4
and the fatherless,5
and him that had none to help
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
De zegenH1293 desgenen, die verlorenH6 ging, kwamH935 opH5921 mij; en het hartH3820 der weduweH490 deed ik vrolijk zingenH7442.
De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen.
KJV
The blessing1
of him that was ready to perish2
came4
upon me: and I caused the widow's6
heart5
to sing for joy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Ik bekleeddeH3847 mij met gerechtigheidH6664, en zij bekleeddeH3847 mij; mijn oordeelH4941 was als een mantelH4598 en vorstelijke hoedH6797.
Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.
KJV
I put2
on righteousness,1
and it clothed3
me: my judgment6
was as a robe4
and a diadem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Den blindenH5787 wasH1961 ik tot ogenH5869, en den kreupelenH6455 was ik tot voetenH7272.
Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten.
KJV
I was eyes1
to the blind,3
and feet4
was I to the lame.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Ik was den nooddruftigenH34 een vaderH1; en het geschilH7379, dat ik nietH3808 wistH3045, dat onderzochtH2713 ik.
Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.
KJV
I was a father1
to the poor:3
and the cause4
which I knew6
not I searched out.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En ik verbrakH7665 de baktandenH4973 des verkeerdenH5767, en wierpH7993 den roofH2964 uit zijn tandenH8127.
En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp den roof uit zijn tanden.
KJV
And I brake1
the jaws2
of the wicked,3
and plucked5
the spoil6
out of his teeth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En ik zeideH559: Ik zal in mijn nestH7064 den geestH1478 geven, en ik zal de dagenH3117 vermenigvuldigenH7235 als het zandH2344.
En ik zeide: Ik zal in mijn nest den geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand.
KJV
Then I said,1
I shall die4
in my nest,3
and I shall multiply6
my days7
as the sand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Mijn wortelH8328 was uitgebreidH6605 aanH413 het waterH4325, en dauwH2919 vernachtteH3885 op mijn takH7105.
Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak.
KJV
My root1
was spread out2
by the waters,4
and the dew5
lay all night6
upon my branch.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Mijn heerlijkheidH3519 was nieuwH2319 bij mij, en mijn boogH7198 veranderdeH2498 zich in mijn handH3027.
Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand.
KJV
My glory1
was fresh2
in me,3
and my bow4
was renewed6
in my hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Zij hoordenH8085 mij aan, en wachttenH3176, en zwegenH1826 op mijn raadH6098.
Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.
KJV
Unto me men gave ear,2
and waited,3
and kept silence4
at5
my counsel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
NaH310 mijn woordH1697 sprakenH8138 zij nietH3808 weder, en mijn redeH4405 drupteH5197 opH5921 hen.
Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijn rede drupte op hen.
KJV
After1
my words2
they spake not again;4
and my speech7
dropped
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Want zij wachttenH3176 naar mij, gelijk naar den regenH4306, en sperdenH6473 hun mondH6310 openH6473, als naar den spaden regenH4456.
Want zij wachtten naar mij, gelijk naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den spaden regen.
KJV
And they waited1
for me as for the rain;2
and they opened5
their mouth4
wide as for the latter rain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
LachteH7832 ik hun toe, zij geloofdenH539 het nietH3808; en het lichtH216 mijns aangezichtsH6440 deden zij nietH3808 nedervallenH5307.
Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedervallen.
KJV
If I laughed1
on them, they believed4
it not; and the light5
of my countenance6
they cast not down.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
VerkoosH977 ik hun wegH1870, zo zat ik bovenaanH7218, en woondeH7931 als een koningH4428 onder de bendenH1416, als een, dieH834 treurigenH57 vertroostH5162.
Verkoos ik hun weg, zo zat ik bovenaan, en woonde als een koning onder de benden, als een, die treurigen vertroost.
KJV
I chose1
out their way,2
and sat3
chief,4
and dwelt5
as a king6
in the army,7
as one that comforteth10
the mourners.
Job ging voort
Zie boven, Job 27:1 .
Hertaald:
Job ging voort
Zie hierboven Job 27:1.
Och,
Hebreeuws, wie zal mij geven te zijn, enz. Zie boven, Job 6:8 .
Hertaald:
Och,
Hebreeuws: wie zal mij geven te zijn, enzovoort. Zie hierboven Job 6:8.
in de dagen,
Dat is, in den vorigen tijd mijns levens. Vergelijk boven, Job 14:5 , en zie de aantekening.
Hertaald:
in de dagen,
Dat is: in de vroegere tijd van mijn leven. Vergelijk hierboven Job 14:5, en zie de aantekening.
Zijn lamp
Dat is, mij met zijn zegen bijbleEf. Zo wordt dit woord dikwijls genomen; zie boven, Job 18:6 .
Hertaald:
Zijn lamp
Dat is: mij met Zijn zegen bijbleef. Zo wordt dit woord vaak gebruikt; zie hierboven Job 18:6.
bij Zijn licht
Dat is, door zijn genade en zegen; want licht is hier evenveel als recht tevoren lamp; zie boven, Job 18:5 .
Hertaald:
bij Zijn licht
Dat is: door Zijn genade en zegen; want licht is hier hetzelfde als het net daarvoor genoemde lamp; zie hierboven Job 18:5.
de duisternis
Dat is, de ellende en den tegenspoed dezes levens doorkwam en overwon. Duisternis voor ellende en tegenheid; zie Gen. 15:12 .
Hertaald:
de duisternis
Dat is: door de ellende en tegenspoed van dit leven heentrok en die overwon. Duisternis voor ellende en tegenspoed; zie Gen. 15:12.
jonkheid,
Dat is, mijner meeste kracht en gelukzaligheid. En versta deze, niet zozeer ten aanzien van zijn ouderdom als van den welstand zijns levens, die hem tevoren als een jeugd geweest was. Anders, in de dagen van mijn herfst; te weten, als ik overvloed en weelde gehad heb, gelijk men heeft in den herfst als de vruchten rijp zijn. Of in de dagen mijns winters; dat is, als ik rust en stilte gehad heb, gelijk de krijgslieden in den winter plegen te hebben als zij in een goede plaats logeren.
Hertaald:
jonkheid,
Dat is: van mijn grootste kracht en voorspoed. En versta dit niet zozeer met betrekking tot zijn leeftijd als tot de welstand van zijn leven, die hem eerder als een jeugd geweest was. Anders: in de dagen van mijn herfst; namelijk toen ik overvloed en weelde had, zoals men die heeft in de herfst wanneer de vruchten rijp zijn. Of: in de dagen van mijn winter; dat is: toen ik rust en stilte had, zoals krijgslieden gewoonlijk hebben in de winter wanneer zij in een goede plaats verblijven.
verborgenheid
Versta, de eeuwige voorzienigheid Gods, waardoor Hij zorg voor Job droeg om hem te geleiden en te bewaren, mitsgaders zijn vriendelijke bijwoning door de onderwijzing en vertroosting van zijn Heiligen Geest.
Hertaald:
verborgenheid
Versta hieronder de eeuwige voorzienigheid van God, waardoor Hij zorg voor Job droeg om hem te leiden en te bewaren, en ook Zijn vriendelijke nabijheid door het onderwijs en de troost van Zijn Heilige Geest.
met mij was,
Zie Gen. 21:22 .
Hertaald:
met mij was,
Zie Gen. 21:22.
jongeren
Dat is knechten, of zonen.
Hertaald:
jongeren
Dat is: knechten, of zonen.
wies in boter,
Het is een overtollige manier van spreken, betekenende groten overvloed van boter, niet ongelijk degenen, die wij hebben Gen. 49:11-12 , en die hier in de naaste woorden ligt.
Hertaald:
wies in boter,
Het is een overdreven manier van spreken, die een grote overvloed aan boter aanduidt, niet ongelijk aan wat wij hebben in Gen. 49:11-12, wat hier ook in de volgende woorden ligt.
oliebeken
Vergelijk Deut. 32:13 , en Deut. 33:24 , en boven, Job 20:17 . Hebreeuws, en de rots bij mij met beken van olie uitgegoten werd.
Hertaald:
oliebeken
Vergelijk Deut. 32:13, en Deut. 33:24, en hierboven Job 20:17. Hebreeuws: en de rots bij mij uitgegoten werd met beken van olie.
poort
Versta, de plaats van het gericht, bij ons genaamd de vierschaar. Zie Gen. 22:17 , en boven, Job 5:4 .
Hertaald:
poort
Versta hieronder de plaats van het gerecht, bij ons de vierschaar genoemd. Zie Gen. 22:17, en hierboven Job 5:4.
stoel
Rechterstoel, uit welken hij als een hoge overheid kennis nam van der onderzaten geschillen, en het recht uitte.
Hertaald:
stoel
Rechterstoel, van waaruit hij als een hoge overheid kennisnam van de geschillen van de onderdanen en recht sprak.
straat
Die bij de stadspoort was, waar het volk vergaderde om te pleiten en de uitspraak des rechters te verwachten.
Hertaald:
straat
Die bij de stadspoort was, waar het volk samenkwam om te pleiten en de uitspraak van de rechter af te wachten.
verstaken
Te weten, uit vrees of schaamte voor mij wijkende.
Hertaald:
verstaken
Namelijk: uit vrees of schaamte voor mij terugtredend.
rezen op
Te weten, totdat ik nedergezeten was, in teken van eerbied. Vergelijk Lev. 19:32 ; 1 Kon. 2:19 .
Hertaald:
rezen op
Namelijk: totdat ik ging zitten, als teken van eerbied. Vergelijk Lev. 19:32; 1 Kon. 2:19.
hielden
Dat is, lieten hunne redenen varen, om mij te horen spreken of uit ontzag voor mijn tegenwoordigheid.
Hertaald:
hielden
Dat is: lieten hun woorden varen, om mij te horen spreken of uit ontzag voor mijn aanwezigheid.
legden
Dat is, zwegen stil. Zie Richt. 18:19 .
Hertaald:
legden
Dat is: zwegen stil. Zie Richt. 18:19.
hunne tong
Deze manier van spreken betekent stilzwijgendheid of onvermogendheid van spreken; zie dezelve ook Ps. 137:6 ; Ezech. 3:26 .
Hertaald:
hunne tong
Deze manier van spreken duidt stilzwijgen of onvermogen om te spreken aan; zie dit ook Ps. 137:6; Ezech. 3:26.
van mij
Te weten, van mijne godvruchtigheid en vroomheid, die zich openbaarde in al mijn woorden en werken.
Hertaald:
van mij
Namelijk: over mijn godsvrucht en vroomheid, die zich openbaarde in al mijn woorden en werken.
De zegen
Dat is, het goed hetwelk mij toegewenst werd van degenen, die ik uit zware noden hielp.
Hertaald:
De zegen
Dat is: het goede dat mij toegewenst werd door hen die ik uit zware nood hielp.
verloren
Dat is, die in gevaar stond van verloren te moeten gaan, indien ik hem met raad en daad niet geholpen had.
Hertaald:
verloren
Dat is: die in gevaar verkeerde verloren te gaan, als ik haar niet met raad en daad geholpen had.
vrolijk zingen
Dat is, zich verblijden over de weldaad en den bijstand, die ik haar bewees in haar verdrukking.
Hertaald:
vrolijk zingen
Dat is: zich verblijdde over de weldaad en de hulp die ik haar bewees in haar verdrukking.
Ik bekleedde mij
De zin is: Gelijk Job zich vastgehouden heeft aan de gerechtigheid als aan een kleed, dat men niet aflegt, dat ook alzo de gerechtigheid hem diende tot een sieraad en aanzien bij de mensen. Vergelijk onder, Job 40:5 ; Ps. 132:9 ; Jes. 52:1 .
Hertaald:
Ik bekleedde mij
De betekenis is: zoals Job zich heeft vastgehouden aan de gerechtigheid als aan een kleed dat men niet aflegt, zo diende de gerechtigheid hem ook tot een sieraad en aanzien bij de mensen. Vergelijk hieronder Job 40:5; Ps. 132:9; Jes. 52:1.
zij bekleedde mij;
Te weten, de gerechtigheid.
Hertaald:
zij bekleedde mij;
Namelijk: de gerechtigheid.
oordeel was
Te weten, dat ik uitte tot bescherming van de verdrukten.
Hertaald:
oordeel was
Namelijk: dat ik uitsprak ter bescherming van de verdrukten.
Den blinden
Versta, dat hij de ellendigen geholpen had, niet alleen met woorden van onderwijs, waarschuwing, raad en troost, maar ook met werken en middelen.
Hertaald:
Den blinden
Versta hieronder dat hij de ellendigen geholpen had, niet alleen met woorden van onderwijs, waarschuwing, raad en troost, maar ook met daden en middelen.
dat onderzocht ik
Hij wil zeggen dat hij niet alleen recht gehandeld heeft wat tot hem, als tot den gewonen rechter aangebracht werd, maar ook dat hij naarstiglijk nagespeurd had wat hem niet aangebracht was, om de verdrukten bijtijds te helpen.
Hertaald:
dat onderzocht ik
Hij wil zeggen dat hij niet alleen recht gesproken heeft in wat hem, als de gewone rechter, werd voorgelegd, maar ook dat hij zorgvuldig had nagespeurd wat hem niet was voorgelegd, om de verdrukten op tijd te helpen.
de baktanden
Dat is, het geweld der onrechtvaardige mensen, die de armen en zwakken zochten te verdrukken. Zie gelijke manier van spreken Ps. 3:8 , en Ps. 57:5 , en Ps. 58:7 ; Spr. 30:14 ; Joël 1:6 .
Hertaald:
de baktanden
Dat is: het geweld van de onrechtvaardige mensen, die de armen en zwakken probeerden te onderdrukken. Zie een soortgelijke manier van spreken Ps. 3:8, en Ps. 57:5, en Ps. 58:7; Spr. 30:14; Joël 1:6.
mijn nest
Dat is, in mijn huis en onder de mijnen.
Hertaald:
mijn nest
Dat is: in mijn huis en te midden van de mijnen.
den geest geven,
Dat is, allengskens en zachtjes uitgaan en als van enkel ouderdom sterven. Vergelijk de naastvolgende woorden. Het Hebreeuwse woord schijnt zo genomen te zijn, Gen. 25:8 , en Gen. 49:33 .
Hertaald:
den geest geven,
Dat is: geleidelijk en zachtjes heengaan en als het ware van louter ouderdom sterven. Vergelijk de direct volgende woorden. Het Hebreeuwse woord lijkt zo gebruikt te worden in Gen. 25:8, en Gen. 49:33.
als het zand
Dat is, in grote veelheid. Zie Gen. 41:49 .
Hertaald:
als het zand
Dat is: in grote hoeveelheid. Zie Gen. 41:49.
wortel
Dat is, mijn vermogen en welvaren nam toe en vermeerderde, gelijk de wasdom van een boom, die uit den grond met water en uit den hemel met dauw wel bevochtigd wordt. Vergelijk boven, Job 18:16 , en Ps. 1:3 .
Hertaald:
wortel
Dat is: mijn vermogen en welvaart nam toe en vermeerderde, zoals de groei van een boom die uit de grond met water en uit de hemel met dauw goed bevochtigd wordt. Vergelijk hierboven Job 18:16, en Ps. 1:3.
uitgebreid
Hebreeuws, geopend.
Hertaald:
uitgebreid
Hebreeuws: geopend.
heerlijkheid
Dat is de eer en achting, die ik onder de mensen had uit oorzaak van mijn groten welstand.
Hertaald:
heerlijkheid
Dat is: de eer en het aanzien die ik onder de mensen had vanwege mijn grote welstand.
was nieuw
Dat is, bleef niet alleen gelijk tevoren, maar nam ook dagelijks toe.
Hertaald:
was nieuw
Dat is: bleef niet alleen zoals eerder, maar nam ook dagelijks toe.
mijn boog
Versta de macht en de middelen, die hij had om zijn staat te onderhouden en te beschermen tegen alle schadelijk geweld. Hij verklaart van die, dat zij veranderen door toeneming en vermeerdering. Boog voor macht en middelen, Gen. 49:24 ; 1 Sam. 2:4 , enz.
Hertaald:
mijn boog
Versta hieronder de macht en de middelen die hij had om zijn positie te onderhouden en te beschermen tegen alle schadelijk geweld. Hij verklaart daarvan dat zij veranderen door toename en vermeerdering. Boog voor macht en middelen, Gen. 49:24; 1 Sam. 2:4, enzovoort.
spraken zij
Hebreeuws, verdubbelden zij niet. Alzo 1 Sam. 26:8 ; 2 Sam. 20:10 .
Hertaald:
spraken zij
Hebreeuws: verdubbelden zij niet. Zo ook 1 Sam. 26:8; 2 Sam. 20:10.
mijn rede
Zie Deut. 32:2 .
Hertaald:
mijn rede
Zie Deut. 32:2.
naar den regen,
Vergelijk Ps. 72:6 .
Hertaald:
naar den regen,
Vergelijk Ps. 72:6.
spaden regen
Zie Deut. 11:14 .
Hertaald:
spaden regen
Zie Deut. 11:14.
Lachte ik hun toe,
Of, jokte ik met hen.
Hertaald:
Lachte ik hun toe,
Of: schertste ik met hen.
geloofden het niet;
Te weten, dat ik jokte; dat is, zij hadden mij in zulk een aanzien en waarde, dat zij mijn woorden, in jok gesproken, opnamen als in rechten ernst van mij voortgebracht.
Hertaald:
geloofden het niet;
Namelijk: dat ik schertste; dat is: zij hielden mij in zo'n aanzien en waarde, dat zij mijn woorden, hoewel schertsend gesproken, opnamen alsof ik ze in volle ernst had uitgesproken.
het licht
Dat is, mij blij gelaat bedroefden of beschaamden zij niet, uit oorzaak dat ik met mijn jokken hen zou mogen schijnen veracht te hebben.
Hertaald:
het licht
Dat is: mijn blije gezicht bedroefden of beschaamden zij niet, omdat ik met mijn scherts hen zou kunnen lijken te hebben veracht.
Verkoos
Dat is, indien ik vanzelf bij hen ging om hen te bezoeken en met goed onderwijs, raad of troost te vermaken en stichten.
Hertaald:
Verkoos
Dat is: als ik uit eigen beweging naar hen toeging om hen te bezoeken en met goed onderwijs, raad of troost te vermanen en te stichten.
bovenaan,
Hebreeuws, het hoofd; of, [aan het hoofd].
Hertaald:
bovenaan,
Hebreeuws: het hoofd; of: [aan het hoofd].
als een koning
Hij wil zeggen dat hij niet alleen geducht was als een koning om zijn autoriteit, maar ook bemind en begeerd als een vertrooster der bedroefden om zijne vriendelijkheid en weldadigheid.
Hertaald:
als een koning
Hij wil zeggen dat hij niet alleen gevreesd werd als een koning vanwege zijn gezag, maar ook bemind en gewenst als een trooster van de bedroefden vanwege zijn vriendelijkheid en weldadigheid. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een oprecht en godvrezend man uit het land Uz, zeer rijk aan vee en kinderen. Op aanstoken van de satan liet God zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte zijn eigen gezondheid treffen, om zijn oprechtheid op de proef te stellen; ondanks alles zondigde Job niet en bleef hij aan God vasthouden. Het boek dat zijn naam draagt beschrijft zijn lijden, de gesprekken met zijn drie vrienden over de reden van zijn lijden, Gods antwoord vanuit de storm, en zijn uiteindelijke herstel (Job 1-42). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Job verlangt terug naar de maanden waarin God hem bewaarde (Job 29:2). Toen liet God Zijn lamp over zijn hoofd schijnen, en bij dat licht liep hij door de duisternis (Job 29:3). Gods verborgen omgang was over zijn tent, de Almachtige was met hem en zijn kinderen waren om hem heen (Job 29:4-5). Kwam hij naar de poort van de stad, dan stonden de oudsten op en zwegen de oversten (Job 29:7-10). Wie hem hoorde, prees hem gelukkig (Job 29:11). Daarna vertelt hij waarom. Hij bevrijdde de ellendige die riep en de wees die geen helper had (Job 29:12). De zegen van wie verloren ging kwam op hem, en het hart van de weduwe deed hij vrolijk zingen (Job 29:13). Hij bekleedde zich met gerechtigheid als met een mantel (Job 29:14). Voor de blinden was hij tot ogen en voor de kreupelen tot voeten (Job 29:15). Hij was de behoeftigen een vader, en een rechtszaak die hij niet kende zocht hij uit (Job 29:16). Hij verwachtte in zijn eigen nest te sterven, met dagen zo talrijk als het zand (Job 29:18). Het hoofdstuk sluit met een beeld dat achteraf pijnlijk is: hij woonde als een koning onder zijn mensen, als iemand die treurenden vertroost (Job 29:25). Bijbelse betekenis: Deze terugblik doet meer dan verlangen uitspreken. Hij weerlegt Elifaz zonder hem te noemen. Elifaz had beweerd dat Job weduwen leeg had weggezonden en de armen van de wezen had verbrijzeld (Job 22:9). Job vertelt hier precies het tegendeel, en hij doet dat in het openbaar, waar iedereen het kon nagaan. Wat het meest opvalt, is waarnaar hij eigenlijk terugverlangt. Hij begint niet bij zijn vee en niet bij zijn aanzien, maar bij de dagen dat God hem bewaarde en Zijn lamp over hem scheen. Zijn gemis is in de eerste plaats een gemis van God. Het slotvers is bovendien schrijnend. De man die anderen vertroostte, zit nu zelf op de ashoop met vrienden die hem geen troost bieden. Wie ooit troost gaf, heeft daarmee geen recht op troost gekocht; dat is een harde les van dit hoofdstuk. Typologie: Wat Job voor de wees en de weduwe deed, noemt Jakobus de zuivere godsdienst: "wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld" (Jak. 1:27). En de Heere Jezus is werkelijk geworden wat Job hier van zichzelf zegt: Hij was de blinden tot ogen en de kreupelen tot voeten, en Hij vertroostte de treurigen zonder ooit zelf getroost te worden. Job 29:1-25; Job 22:9; Jak. 1:27 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Een preek uitgesproken op zondagmorgen 17 september 1871, door C.H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington. Och, was ik maar zoals in de maanden van weleer, zoals in… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Och, was ik maar zoals in de maanden van weleer, zoals in de dagen toen God mij bewaarde! Job 29 vers… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Job 29
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Jobs' droefheid en onze droefheid
Zoals in de maanden van weleer


Job 29
Job 29:2-4.KruisverwijzingenPsalmen 18:28→Job 18:6→Psalmen 25:14→Efeze 5:8→Johannes 8:12→Johannes 12:46→Spreuken 3:32→Job 1:10→
— Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde! Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde; Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;
Er is in de uitdrukkingen die Job gebruikt overal zo een trant van geestelijkheid dat wij geneigd zijn te geloven dat hij meer doelde op de toestand van zijn hart dan op de staat van zijn bezittingen. Zijn ziel was neergedrukt; hij had het licht van Gods aanschijn verloren; zijn inwendige troostingen namen af; zijn vreugde in de Heere was op laag water — dat betreurde hij veel meer dan al het andere.
Het is onvruchtbaar deze woorden van Job te lezen en te zeggen: “Dat is juist hoe ik mij gevoel”, en dan in dezelfde staat voort te gaan. Heeft iemand zijn zaak verwaarloosd, dan mag het een wending in zijn omstandigheden betekenen wanneer hij zegt: “Ik wenste dat ik naarstiger geweest was.” Maar blijft hij even lui als tevoren, wat baat zijn spijt dan? Wij moeten opstaan en arbeiden, of wij zullen het loon van de luiaard hebben: lompen en armoede. Zo zal ook iemand die door geestelijk verval aangedaan is niet hersteld worden door het enkele feit dat hij weet dat het zo met hem is. Laten wij tot de geliefde Medicijnmeester gaan, opnieuw drinken van de waters des levens en de bladeren van de boom ontvangen die tot genezing van de volken zijn! Werkloze spijt is onoprecht; treurde iemand er werkelijk over dat hij de gemeenschap met God verloren had, dan zou hij die zoeken terug te krijgen; zoekt hij niet hersteld te worden, dan voegt hij bij al zijn vorige zonden nog die van het liegen voor God door spijt te uiten die hij in zijn ziel niet gevoelt.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
In ene slotrede welke uit drie deden bestaat (Hoofdstuk 29,30, 31), stelt Job, al wat hij nu en dan gezegd had samenvattende, de gehele ellende van zijnen toestand met welsprekendheid voor, zijn vroeger geluk (Hoofdstuk 29), zijn groot ongeluk voor het tegenwoordige (Hoofdstuk 30), en zijne volkomen onschuld aan deze ontzettende omkering (Hoofdstuk 31). Niet meer uitdagend en hartstochtelijk roepende, maar in diepen, stillen weemoed en in het bewustzijn van zijne volkomen rechtvaardigheid, stelt hij zich nog eens de gehele grootte van het hem onoplosbare raadsel voor den geest. Hoe dieper hij zelf in zijn hart erkend heeft, wat en waar de ware wijsheid is, hoe meer hij zich bewust is, die in het leven betoond te hebben, des te vreselijker gevoelt hij de tegenspraak, om zich in het ongeluk van zulk enen te bevinden, die uit gebrek aan wijsheid verloren gaat. In dit zijn uitvoerig uit elkaar zetten van het tot hiertoe ondervonden lijden, openbaart zich echter, naast de hoge en voor mensen niet te berispen gerechtigheid, ook de grote fout van zijn hart, de eigengerechtigheid, en het aanspraak maken bij God, om steeds een loon te genieten overeenkomstig aan zijne vroomheid, en waarom God hem in de macht van Satans verzoeking moest overgeven. Job is nu naar twee zijden rijp geworden voor de oplossing van het raadsel; hij is zich opnieuw bewust geworden, hoe zalig het is, ook in de grootste ellende, aan God vast te houden, waardoor het onmogelijk geworden is, dat Satan nog overwint; maar ook is zijn loonzucht rijp geworden en nu openlijk voor den dag getreden. Zo is deze rede het slot van het gehele twistgeding, en leidt zij tot oplossing van het raadsel.
I. Vs. 1-11.KruisverwijzingenJob 27:1→Psalmen 18:28→Psalmen 81:16→Job 21:5→Job 18:6→Psalmen 25:14→Psalmen 128:3→Job 20:17→
— En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide: Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde! Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde; Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was; Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij; Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot; Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden. De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden. De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond. De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
O, dat ik nog als vroeger ware, toen ik door Gods bescherming zelfs in gevaar veilig kon wandelen, toen ik door Gods vriendschap in het midden der mijnen enen gezegenden rijkdom genoot, toen ik, wanneer ik in de poort verscheen, door jong en oud geëerd werd, ja, toen daar zelfs de allervoornaamsten voor mij met spreken ophielden en allen mij gelukkig prezen.
En Job ging in diepen weemoed voort zijne spreuk, zijne plechtige aanspraak (vgl. Hoofdstuk 27: 1 ) op te heffen en zei, om zijn vroeger geluk en zijne tegenwoordige ellende tegenover elkaar te stellen;
Och of ik weer zo gelukkig ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij zo kennelijk bewaarde of, beschermde!
Toen Hij Zijne lamp deed schijnen over mijn hoofd, toen Zijne gunst en Zijne vreugde mij omgaven en ik bij Zijn licht de duisternis, het dreigend gevaar, veilig doorwandelde (Jes. 60:
(Psalm 23: 4).
Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid 1), mijner vreugde, toen ik den rijksten zegen Gods in gezondheid, kinderen, eer en goederen inoogste (Sir. 33: 17), toen Gods a) verborgenheid 2), Zijn vertrouwde vriendschap en zalige omgang over mijne tent was, als ene genadige bescherming en bewaking.
Psalm 55: 15. Spreuken 3: 32. Psalm 25: 14.
Hebr.: “herfst,” of liever “de tijd, waarin men rijpe vruchten plukt; ” deze “herfst des levens werd, bij de Oosterlingen en Grieken, geacht te beginnen bij den mannelijken, bij de vrouwen, met den huwbaren ouderdom.
Verborgenheid heeft hier de betekenis van, verborgene, liefelijke, zalige omgang. Hij denkt aan den tijd terug, toen hij als een rijk gezegend huisvader, niet alleen in tijdelijken, maar ook in geestelijken voorspoed deelde, toen hij des Heren liefelijken omgang mocht ondervinden, met God gemeenschap mocht oefenen en Zijne hand op heerlijke wijze ervaren. Er komt bij hem de herinnering, weer op, wat God hem gedaan en voor hem geweest is, en dit is teken, dat er weer een opklimmen plaats heeft uit het moeras van twijfel, een ontworstelen aan de macht van het zelfpijnigend ongeloof.
Toen de Almachtige nog met mij was en mijne jongens, mijne kinderen, rondom mij.
Toen ik mijne gangen wies in boter, mij in melk baadde, en zelfs de rots bij mij oliebeken uitgoot, toen mij ongezocht in groten overvloed alle zegeningen Gods toevloeiden (vgl. Deuteronomium 32: 13).
Toen ik uit mijn huis uitging, naar de poort door de stad 1); om daar gericht te houden, toen ik mijnen stoel op de straat liet bereiden, een tapijt voor mij liet uitspreiden op de marktplaats, het plein in de poort, waar het volk ten gerichte kwam (Deuteronomium 16: 18. (Job 5: 4).
Wij moeten over Job denken als wonende buiten, maar toch bij de stad, op ene hoogte De slaafse hulde, om zich op den grond neer te werpen voor vorsten en grote mannen, welke in het Oosten algemeen was, was in Arabië in dien tijd nog onbekend. Hoewel Job een van de grootsten van het gehele Oosten was, werd hem zulk ene hulde niet bewezen.
De jongens, de jongelieden, zagen mij, wanneer ik zo neerzat in de raadsvergadering der oudsten, en zij verstaken zich, zij trokken zich terug uit eerbiedige vrees voor mij, en de stokouden, die onder de leden der vergadering reeds hun plaatsen hadden ingenomen, rezen op, wanneer ik kwam en stonden, bleven staan, totdat ik mij nedergezet had.
De oversten, de voornaamste stamvorsten, hielden zelfs, wanneer ik kwam, als de verhandelingen reeds begonnen waren, de woorden in, om aan mij het woord te laten, en leiden de hand op hunnen mond, volhardden in hun zwijgen, om mijnen raad te horen.
De stem der vorsten verstak zich, liet zich niet horen tegenover rede, en hun tong kleefde aan hun gehemelte, want, wanneer ik gesproken had, waagden zij het niet enen anderen raad te geven, overtuigd van de waarheid.
Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig1), bewonderende mijne wijsheid; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij 2).
Zijne vrienden hebben hem een groot zondaar genoemd, die zich aan vele ergelijke zonden had schuldig gemaakt. Hier geeft Job een verhaal van zijn vroeger leven, en laat dan uitkomen, hoe gelukkig en geëerd hij was, hoe hij deelde niet alleen in de liefde Gods, maar ook in de liefde van het volk. Bewijs genoeg, dat zijn lijden hem niet overkwam van wege zijne openbare zonde of verdrukking van de ellendigen.
Al het volk was blijde als Job op den stoel zat, om recht te spreken. Zij, die zijne vonnissen hoorden, zegenden hem en zij, die zijnen rechtmatigen handel zagen, gaven hem daarvan overvloedig getuigenis. 12.
II. Vs. 12-20.KruisverwijzingenPsalmen 3:7→Jesaja 59:17→Psalmen 132:9→Jesaja 61:10→Numeri 10:31→Spreuken 29:7→Genesis 49:24→Psalmen 72:12→
— Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had. De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen. Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed. Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten. Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik. En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp den roof uit zijn tanden. En ik zeide: Ik zal in mijn nest den geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand. Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak. Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand.
Ik redde en verheugde alle verdrukten en betoonde hun mijne gerechtigheid. Ik werd daarom ook door noodlijdenden als de naaste steun erkend, terwijl ik den misdadiger vernietigde. Daarom meende ik ook het voortduren van mijn geluk te mogen verwachten.
Met zo groten zegen overlaadde mij God; want ik bevrijdde door mijne grote macht en door mijnen rijkdom den ellendige, degene, die in verdrukking en armoede was, degene, die riep om ontferming, en den wees, die geen helper op aarde had (Psalm 72: 12. Spreuken 21: 13 21.13).
De zegen desgenen, die verloren ging, die reeds aan den rand van het verderf stond en nog door mij gered werd, kwam op mij, en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen, want van de hulp van haren man beroofd, vond zij in mij een steun,
a) Ik bekleedde mij met gerechtigheid, zij was de hoofdgezindheid van mijn hart, en zij bekleedde mij, ik legde haar geen ogenblik af, maar openbaarde haar in al mijn handel en wandel; mijn oordeel, mijne beslissing, steeds naar recht en billijkheid, was als een mantel, als een opperkleed, een prachtgewaad, en als een vorstelijke hoed, als de tulband, dien priesters, vorsten, en koningen dragen.
Jes. 59: 17. Efeze. 6: 14 enz. 1 Thessalonicenzen. 5: 8. Niet het kleed der rechters, maar de gerechtigheid zelf was bij hem, zijne uitspraak was zo vol recht en waarheid, dat zij hem ene ere was, gelijk den koning zijne kroon. Liefde en nauwgezetheid in ‘t volbrengen van onze verplichtingen zijn een kleed voor ons, om in te verschijnen voor de mensen, en moeten bij ons gezien worden met zachtmoedigheid en wijsheid (Col. 3: 12,13). De gerechtigheid was in hem tot een troostelijk en bevestigend deksel in en tegen alle gevaren des levens, zowel als tot een zwaard, welke hem bij God en mens gunst deed erlangen, Hij stelde er vermaak in, en zij gaf hem straffe als het ware tot een heiligen ootmoed en roem. Hij hield het voor zijn grootste eer recht aan allen te doen, en niemand met onrecht of leed te bejegenen.
Wat Job hier wil gezien is, dat zijn gehele verschijning ene verschijning van recht en gerechtigheid was, en een levend protest tegen alle onrecht en alle onbillijkheid. Maakt niet zelden het kleed den man, tekent het kleed den persoon, zo ook tekende zijn gehele persoon een opkomen voor het recht, een in de bres springen voor den onbillijk behandelde, een zich kanten tegen al wat van het recht afweek. Het recht sprak door hem.
Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten; door mijne helpende liefde vergoedde ik allen hulpelozen hun gebrek.
Ik was den nooddruftigen een vader (Psalm 68: 6). en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik 1) nauwkeurig, om geen overhaast vonnis te vellen, of even zo nauwkeurig als de zaken der vrienden en bekenden.
In het Hebr. Wereblo jada’thi echkerehoe. Dit kan ook vertaald worden: De rechtszaken der onbekenden beslechtte ik. De bedoeling is dan, dat hij niet alleen voor zijne vrienden rechtsprak. maar ook voor degenen, die hem geheel onbekend waren. M.a.w. dat hij immer een rechtvaardig vonnis velde.
En ik verbrak de baktanden des verkeerden en maakte ze onschadelijk, en wierp den door des armen, dien hij reeds in veiligheid achtte, weer uit zijne tanden 1) (vgl. (Psalm 3: 8; 58: 7).
Laten wij er wel op letten, dat, waar God de Overheid heeft ingesteld. dat is, wanneer Hij sommigen tot dit ambt roept, die Hij wapent met het zwaard der gerechtigheid, hij hen daarom er mede omgordt, om den goeden en onschuldigen te beschermen: de rechtszaak niet anders, dan als de Zijne en Zijn eigene met den grootsten ijver te beschouwen: en zich te stellen tegen alle onrechtvaardigheid, misdaden en wreedheden. Want indien de rechter zou zeggen: Ik weet niet bij wie het recht of het onrecht is, wie zal er dan over oordelen? Want vooreerst God heeft nog nooit de wijsheid geweigerd aan hen, die er Hem om vroegen. Vervolgens zegent Hij hun moeite, indien zij getrouw er naar streven, om het ware uit te vinden en het recht te kennen.
En ik zei daarom ook met recht: Ik zal eens in mijn nest, in den kring mijner geliefden, den geest geven, zij zullen mij den laatsten dienst bewijzen en de laatste ere aandoen; en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand 1) aan den oever der zee.
Het Hebr. woord door zand overgezet, heeft hier de betekenis van den vogel Fenix. Deze wondervogel, van welken de oude Egyptische en Arabische verhalen veel weten mede te delen, zou zich na een leven van 500 jaren in zijn nest, dat hij uit wierook, mirre en specerijen gebouwd had, laten verbranden en dan uit zijne eigene as weer verjongd opstaan. Vergelijk Herodotus II: 73. Tacitus ann. VI: 28. Clemens epist. I ad Cor. 25. Tertullianus de resurr.c 13. De beide laatsten zien in den vogel Fenix een voorbeeld van de opstanding ten eeuwigen leven; de heidense oudheid zag in hem een zinnebeeld van den zich steeds vernieuwenden tijd. Er is niet aan te twijfelen, of de Schrijver van ons Boek is met dit oude verhaal bekend geweest, terwijl ene melding daarvan in den gehelen samenhang voortreffelijk past. Job wenste dan, dat hij in steeds vernieuwde kracht tot in den hoogsten ouderdom mocht voortleven, gelijk de Fenix, op zijn nest sterven en in zijne kinderen ook nog na zijnen dood bestaan mocht, gelijk hij dezen wens vs. 19 vv. verder uitwerkt (Jes 40: 31). Het is ene zwakheid, die ook den heiligsten steeds gemeen geweest is, dat zij ene verkeerde gedachte opvatten van het tijdelijk geluk. Dit is echter veel minder te verwonderen bij de gelovigen, die ten tijde van het Oude Testament geleefd hebben, omdat zij vóór en onder de wet vele beloften hadden van tijdelijk en lichamelijk geluk, dat een voorbeeld zijn moest van het geestelijk en eeuwig goed (Hebr. 9: 11).
Ik hoopte: mijn wortel was even als de palmboom uitgebreid aan het water, om dit in te zuigen tot steeds heerlijker groei; en de verfrissende dauw vernachtte op mijnen tak, viel des nachts over mijne takken neer en bleef er op liggen. Ik hoopte met mijn gehele huis altijd den boom te gelijken, wie van alle zijden, van hemel en aarde, rijkelijk levenssappen toestromen, zodat hij op ‘t liefelijkst groeit (vgl. Hoofdstuk 18: 16).
Mijne heerlijkheid, mijne eer en mijn roem voor God en mensen, was immer nieuw bij mij, zou steeds weer jong worden en niet met mijne jaren verwelken, en mijn boog, het zinnebeeld van mannelijke kracht, veranderde zich, vernieuwde zich in mijne hand, zodat die door ouderdom zijne taaiheid niet verloor. In vs. 18-20 spreekt Job uit, wat hij hoopte in de dagen van zijn voorspoed, wat zijn stilzwijgende verwachting was. Niet dewijl hij God om loon diende, zoals Zofar het had voorgesteld, maar voor de toekomst uit het heden een besluit nemende, en in verband met de beloften Gods, ten opzichte van een leven van recht en gerechtigheid. Ook die wens, die hoop behoorde tot zijn geluk. In plaats van vreze voor de toekomst, gelijk zijne vrienden het lot van de goddelozen hadden geschilderd, zegt hij hier, dat geen vreze voor naderend onheil hem kwelde, maar een hoop op een gezegenden ouderdom hem vervulde, dewijl zijn hart hem van grove zonde vrijsprak. Op positieve wijze, zonder polemiek te voeren, beschaamt Job de valse beschuldigingen zijner vrienden. Dewijl ook deze hoop tot zijne gelukkige dagen behoorde, gaat hij nu in de volgende verzen vervolgen, waarbij hij in vs. 17 bleef. 21.
III. Vs. 21-25.KruisverwijzingenDeuteronomium 32:2→Zacharia 10:1→Job 29:9→Job 32:11→Mattheüs 22:46→Ezechiël 20:46→Hooglied 4:11→Jesaja 52:15→
— Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad. Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijn rede drupte op hen. Want zij wachtten naar mij, gelijk naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den spaden regen. Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedervallen. Verkoos ik hun weg, zo zat ik bovenaan, en woonde als een koning onder de benden, als een, die treurigen vertroost.
Men hoorde begerig naar mijne rede en naar mijnen raad. Was men hopeloos, ik lachte hun moed toe, en liet mij niet ontmoedigen; ik was als een algemeen geëerd koning, aan ieder raad en troost gevende.
Zij hoorden mij aan met opmerkzaamheid en wachtten wat ik zeggen zou, en zwegen op mijnen raad, daar zij dien voor den besten erkenden.
Na mijn woord spraken zij niet weer, niemand durfde tegenspreken, niemand had iets daarbij te voegen, en mijne rede drupte op hen. Gelijk een zachte regen de dorre, dorstige aarde verkwikt, zo versterkte en bevredigde mijne rede hun verlangende harten (Deuteronomium 32: 2).
Want zij wachtten naar mij en mijn woord, dat in hun hart drong, gelijk het dorre land naar den regen, en sperden hunnen mond open, stonden met open mond naar mij te luisteren, even als het rijpend koren wacht naar den spaden regen (Leviticus 26: 5 ).
Lachte ik hun toe, wanneer zij in ongeluk waren, zij geloofden het niet 1), zij durfden het niet geloven, omdat het hun te groot en te eervol toescheen, en het licht mijns aangezichts deden zij niet neervallen, mijnen blik lieten zij niet onopgemerkt voorbijgaan. Hoe wanhopig ook hun toestand ware, ik wist hun moed en troost te geven, ik wist nog raad te schenken.
Dit kan ook, en o.i. beter, vertaald worden door Ik lachte hun toe, in hun hopeloze toestanden. Job wil dan daarmee zeggen, dat, als zij hem hun toestand, hoe hopeloos die ook scheen, bekend maakten, hij er nog raad voor wist, hij er hen nog uit kon helpen, zodat hij hun in plaats van met een bedenkelijk gelaat, met een lachenden blik kon aanzien.
Verkoos ik voor het volk hunnen weg, wees ik hun welken weg zij moesten inslaan, zo zat ik bovenaan 1) aan mijne leiding vertrouwde men zich gaarne toe, en ik woonde als een koning onder de benden, onder de krijgslieden, die op iedere wenk en op ieder woord van hen gereed staan, als een, die treurigen vertroost 2).
Zulk een man als Job, die alle zijne naburen in wijsheid en oprechtheid overtrof, moest wel een opperhoofd over hen allen zijn. De dwazen zullen gemeenlijk in hun hart aan de wijzen dienstbaar zijn; en als de wijsheid maar een weinig in het bloed, of de nakomelingschap wordt voortgezet, dan zal eer en macht hetzelve zeker vergezellen, en dus worden deze allengs erfelijk in zodanig een geslacht.
In den, zo men het noemt, edelen trots van den vorst Gods ligt wel waarheid; maar deze wordt niettemin ontsierd door de miskenning ener dieper liggende zondigheid, die de aanklager met scherpen blik ontwaard heeft. De kennis van deze is het, die Job nog ontbrak, ondanks zijn lijden, waarom het juist voor hem nodig was, en hij ook nu nog meer moet worden verootmoediging. Onze Heere Jezus is de Koning, gelijk Job zich zelven beschrijft, de Koning der armen; die waarheid liefheeft en onrecht haat. Laat ons op Hem zien als onzen Koning, Hij heeft den weg voor ons gekozen, zowel dien van zorgen, als van eer. Hij troost Zijne bedroefde volgelingen, en leidt het gehele leger van Zijne heiligen tot overwinning en roem, door moeite en lijden en dood heen. Zijn gunst verfrist meer dan de late regen.
In deze laatste woorden vat Job als het ware alles nog eens samen, wat hij was en wat hij deed. Want als iemand arm en ellendig was, onbillijk behandeld, of verdrukt werd, die vond in hem zijn redder en beschermer. Hij verstond het, om den moedeloze op te beuren, om het zwakke te sterken. Wie tot hem kwam, ging niet, hoe hopeloos zijn toestand ook was, ongetroost heen. Hier was hij ongetwijfeld een voorbeeld van Hem, die op aarde was gekomen, om de treurigen te troosten. LXX vertaalt terecht: on tropon payeinouv parakalwn
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel