Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
GewisselijkH3588, er is voor het zilverH3701 een uitgangH4161, en een plaatsH4725 voor het goudH2091, dat zij smeltenH2212.
Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.
KJV
Surely2
there is a vein4
for the silver,3
and a place5
for gold6
where they fine
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Het ijzerH1270 wordt uit stofH6083 genomenH3947, en uit steenH68 wordt koperH5154 gegotenH6694.
Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.
KJV
Iron1
is taken3
out of the earth,2
and brass6
is molten5
out of the stone.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Het eindeH7093, dat God gesteldH7760 heeft voor de duisternisH2822, en alH3605 het uitersteH8503 onderzoektH2713 hij; het gesteenteH68 der donkerheidH652 en der schaduw des doods.
Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.
Ook in dit vers
schaduw doodsH6757
KJV
He setteth2
an end1
to darkness,3
and searcheth out7
all perfection:5
the stones8
of darkness,9
and the shadow of death.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
BreektH6555 er een beekH5158 door, bijH5973 dengene, die daar woontH1481, de wateren vergetenH7911 zijnde vanH4480 den voetH7272, worden van den mensH582 uitgeputH1809, en gaan wegH5128.
Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.
KJV
The flood2
breaketh out1
from the inhabitant;4
even the waters forgotten5
of the foot:7
they are dried up,8
they are gone away10
from men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
UitH4480 de aardeH776 komtH3318 het broodH3899 voortH3318, en onderH8478 zich wordt zij veranderdH2015, alsofH3644 zij vuurH784 ware.
Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.
KJV
As for the earth,1
out of it cometh3
bread:4
and under it is turned up6
as it were fire.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Haar stenenH68 zijn de plaatsH4725 van den saffierH5601, en zij heeft stofjesH6083 van goudH2091.
Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.
KJV
The stones3
of it are the place1
of sapphires:2
and it hath dust4
of gold.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
De roofvogelH5861 heeft het padH5410 nietH3808 gekendH3045, en het oogH5869 der kraaiH344 heeft het nietH3808 gezien.
De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
KJV
There is a path1
which no fowl4
knoweth,3
and which the vulture's8
eye7
hath not seen:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
De jongeH1121 hoogmoedigeH7830 dieren hebben het nietH3808 betredenH1869, de felle leeuwH7826 is daarover nietH3808 heengegaanH5710.
De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.
KJV
The lion's4
whelps3
have not trodden2
it, nor the fierce lion8
passed
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Hij legtH7971 zijn handH3027 aan de keiachtigeH2496 rots, hij keert de bergenH2022 van den wortelH8328 om.
Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.
KJV
He putteth forth2
his hand3
upon the rock;1
he overturneth4
the mountains6
by the roots.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
In de rotsstenenH6697 houwtH1234 hij stromenH2975 uit, en zijn oogH5869 zietH7200 alH3605 het kostelijkeH3366.
In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.
KJV
He cutteth out3
rivers2
among the rocks;1
and his eye7
seeth6
every precious thing.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Hij bindtH2280 de rivierH5104 toe, dat niet een traanH1065 uitkomt, en het verborgeneH8587 brengtH3318 hij uit in het lichtH216.
Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.
KJV
He bindeth3
the floods2
from overflowing;1
and the thing that is hid4
bringeth he forth5
to light.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Maar de wijsheidH2451, van waar zal zij gevondenH4672 worden? En waar is de plaatsH4725 des verstandsH998?
Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
KJV
But where2
shall wisdom1
be found?3
and where is the place6
of understanding?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
De mensH582 weetH3045 haar waardeH6187 niet, en zij wordt niet gevondenH4672 in het landH776 der levendenH2416.
De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
KJV
Man3
knoweth2
not the price4
thereof; neither is it found6
in the land7
of the living.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
De afgrondH8415 zegtH559: Zij is in mij niet; en de zeeH3220 zegtH559: Zij is niet bij mij.
De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.
KJV
The depth1
saith,2
It is not in me: and the sea6
saith,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Het gesloten goudH5458 kanH8478 voor haar nietH3808 gegevenH5414 worden, en met zilverH3701 kan haar prijsH4242 nietH3808 worden opgewogenH8254.
Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.
KJV
It cannot be gotten2
for gold,3
neither shall silver7
be weighed6
for the price
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Zij kanH3808 niet geschatH5541 worden tegen fijn goudH3800 van OfirH211, tegen den kostelijkenH3368 SchohamH7718, en den SaffierH5601.
Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier.
KJV
It cannot be valued2
with the gold3
of Ophir,4
with the precious6
onyx,5
or the sapphire.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Men kan het goud of het kristalH2137 haar niet gelijk waarderenH6186; ook is zij niet te verwisselenH8545 voor een kleinoodH3627 van dicht goud.
Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.
Ook in dit vers
goudH2091
goudH6337
KJV
The gold3
and the crystal4
cannot equal2
it: and the exchange5
of it shall not be for jewels6
of fine gold.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
De RamothH7215 en GabischH1378 zal nietH3808 gedachtH2142 worden; want de trekH4901 der wijsheidH2451 is meerderH4480 dan der RobijnenH6443.
De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen.
KJV
No mention4
shall be made of coral,1
or of pearls:2
for the price5
of wisdom6
is above rubies.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Men kanH3808 de TopaasH6357 van MorenlandH3568 haar niet gelijk waarderenH6186; en bij het fijn louterH2889 goudH3800 kan zij niet geschatH5541 worden.
Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.
KJV
The topaz3
of Ethiopia4
shall not equal2
it, neither shall it be valued8
with pure6
gold.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
DieH2088 wijsheidH2451 dan, van waar komtH935 zij, en waar is de plaatsH4725 des verstandsH998?
Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
KJV
Whence2
then cometh3
wisdom?1
and where is the place6
of understanding?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Want zij is verholenH5956 voor de ogenH5869 allerH3605 levendenH2416, en voor het gevogelteH5775 des hemelsH8064 is zij verborgenH5641.
Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.
KJV
Seeing it is hid1
from the eyes2
of all living,4
and kept close7
from the fowls5
of the air.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Het verderfH11 en de doodH4194 zeggenH559: Haar geruchtH8088 hebben wij met onze orenH241 gehoordH8085.
Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord.
KJV
Destruction1
and death2
say,3
We have heard5
the fame6
thereof with our ears.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
GodH430 verstaatH995 haar wegH1870, en HijH1931 weetH3045 haar plaatsH4725.
God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.
KJV
God1
understandeth2
the way3
thereof, and he knoweth5
the place
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
WantH3588 Hij schouwtH5027 tot aan de eindenH7098 der aardeH776, Hij zietH7200 onderH8478 alH3605 de hemelenH8064.
Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.
KJV
For he looketh5
to the ends3
of the earth,4
and seeth9
under the whole heaven;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Als Hij den windH7307 het gewichtH4948 maakteH6213, en de waterenH4325 opwoogH8505 in mateH4060;
Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate;
KJV
To make1
the weight3
for the winds;2
and he weigheth5
the waters4
by measure.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Als Hij den regenH4306 een gezette ordeH2706 maakteH6213, en een wegH1870 voor het weerlichtH2385 der donderenH6963;
Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;
KJV
When he made1
a decree3
for the rain,2
and a way4
for the lightning5
of the thunder:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Toen zagH7200 Hij haar, en verteldeH5608 ze; Hij schikteH3559 ze, en ookH1571 doorzochtH2713 Hij ze.
Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze.
KJV
Then did he see2
it, and declare3
it; he prepared4
it, yea, and searched it out.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Maar tot den mensH120 heeft Hij gezegdH559: ZieH2005, de vrezeH3374 des HEERENH136 is de wijsheidH2451, en van het kwadeH7451 te wijkenH5493 is het verstandH998.
Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
KJV
And unto man2
he said,1
Behold, the fear4
of the Lord,5
that is wisdom;7
and to depart8
from evil9
is understanding.
er is
Job, vertoond hebbende dat God ook enige bozen in dit leven straft, hoewel niet allen, en merkende dat zijn vrienden dit niet verstaan konden, wil nu leren dat de oordelen Gods voor ons onbegrijpelijk zijn en dat de mens wel vernuftig is om veel aardse dingen uit te vinden en te begrijpen, vs.1,2, enz., maar niet om de redenen der wonderbare regering Gods te doorgronden, onder, vs.12, enz.
Hertaald:
er is
Job heeft laten zien dat God ook sommige bozen in dit leven straft, hoewel niet allemaal, en merkt dat zijn vrienden dit niet konden begrijpen; hij wil nu leren dat de oordelen van God voor ons onbegrijpelijk zijn en dat de mens wel vernuftig genoeg is om veel aardse dingen uit te vinden en te begrijpen, vers 1, 2, enzovoort, maar niet om de redenen van Gods wonderbaarlijke bestuur te doorgronden, hieronder vers 12, enzovoort.
uitgang,
Dat is, plaatsen in de aarde, waar het uitgegraven wordt. Om deze uit te vinden het zilver van aarde, steen en andere metalen te onderscheiden, heeft de mens wetenschap genoeg; en alzo in het volgende.
Hertaald:
uitgang,
Dat is: plaatsen in de aarde waar het opgegraven wordt. Om deze te vinden en het zilver van aarde, steen en andere metalen te onderscheiden, heeft de mens genoeg kennis; en zo ook in het vervolg.
dat zij smelten
Te weten, de kunstenaars, of waar het gesmolten wordt. Zie boven, Job 4:19 .
Hertaald:
dat zij smelten
Namelijk: de vaklieden, of waar het gesmolten wordt. Zie hierboven Job 4:19.
stof
Dat is, uit de aarde.
Hertaald:
stof
Dat is: uit de aarde.
steen
Welken sommigen cadmiam noemen, voegende daarbij den steen chalcitem, uit welken men meent dat het koper gemaakt wordt; Plin. natural. Histor. lib. 34, cap. 1 en 2. Anderen vertalen deze woorden: De steen wordt [tot] koper gegoten. Of, de steen giet het koper uit. Of, [uit] gegoten steen [komt] koper.
Hertaald:
steen
Wat sommigen cadmia noemen, waarbij zij de steen chalcitis vermelden, waaruit men denkt dat koper gemaakt wordt; Plinius, Naturalis Historia, boek 34, hoofdstuk 1 en 2. Anderen vertalen deze woorden: de steen wordt [tot] koper gegoten. Of: de steen giet het koper uit. Of: [uit] gegoten steen [komt] koper.
Het einde,
Dat is, de uiterste grenzen van alle groeven, kuilen, holen en spelonken der aarde.
Hertaald:
Het einde,
Dat is: de uiterste grenzen van alle groeven, kuilen, holen en spelonken van de aarde.
dat God
Anderen voegen hier in het woord mens, en vertalen vs.3 aldus: [De mens] stelt een einde voor de duisternis en voor alle voleinding, die hij onderzoekt, als het gesteente der donkerheid en des doods schaduw.
Hertaald:
dat God
Anderen voegen hier het woord mens toe, en vertalen vers 3 zo: [de mens] stelt een einde aan de duisternis en aan alle grondigheid die hij onderzoekt, zoals het gesteente van de duisternis en de schaduw van de dood.
duisternis,
Versta de dingen, die in het allerdiepste en duisterste der aarde verborgen liggen, als metalen, gesteenten, enz., gelijk blijkt uit de volgende woorden.
Hertaald:
duisternis,
Versta hieronder de dingen die in het diepste en donkerste van de aarde verborgen liggen, zoals metalen, gesteenten, enzovoort, zoals blijkt uit de volgende woorden.
al het uiterste
Of, alle volmaaktheid; datis al wat dienstig is om enige werken daaruit of daarmede te maken.
Hertaald:
al het uiterste
Of: alle volmaaktheid; dat is: alles wat dienstig is om daaruit of daarmee werken te maken.
hij
Te weten, de mens.
Hertaald:
hij
Namelijk: de mens.
donkerheid
Dat is, hetwelk in het donker is. Van des doods schaduw, zie boven, Job 3:5 .
Hertaald:
donkerheid
Dat is: wat zich in het donker bevindt. Zie over de schaduw van de dood hierboven Job 3:5.
Breekt
Dat is, zo het gebeurt dat het hof der mijn, waar men enige metalen of gesteenten uitgraaft, vol water wordt, hetwelk daarin zakt en inbreekt van enige naburige plaats, verlatende alzo zijn oude groef en degenen, die daarbij woonden.
Hertaald:
Breekt
Dat is: als het gebeurt dat de mijnschacht, waar men metalen of gesteenten opgraaft, vol water raakt, dat daarin zakt en binnendringt vanuit een naburige plaats, waardoor men zijn oude groeve en de mensen die daarbij woonden verlaat.
de wateren
Te weten, der beek.
Hertaald:
de wateren
Namelijk: van de beek.
vergeten
Dat is, welke wateren de voet des mensen niet doorgaan kan vanwege de grote diepte. De zin is, hoewel de wateren, die uit den voorgemelden vloed in de mijn vallen, zo diep zijn dat zij van den voet des mensen vergeten zijn, dat is, niet kunnen doorgaan worden, nochtans worden zij door de kunst en den arbeid des mensen uitgeput dat zij wegraken. Of aldus: [Daar de wateren] van den voet vergeten waren; dat is, waar tevoren geen water was geweest, of enig van den voet gevoeld.
Hertaald:
vergeten
Dat is: welk water de voet van de mens niet kan doorwaden vanwege de grote diepte. De betekenis is: hoewel het water dat vanuit de eerder genoemde overstroming in de mijn valt zo diep is dat de voet van de mens het niet meer kent, dat is: er niet doorheen kan, wordt het toch door de kunst en de arbeid van de mens weggewerkt, zodat het verdwijnt. Of zo: [waar de wateren] de voet vergeten waren; dat is: waar eerder geen water geweest was, of enige voet gevoeld had.
het brood voort,
Dat is, het koren, waaruit het brood gebakken wordt.
Hertaald:
het brood voort,
Dat is: het koren, waarvan het brood gebakken wordt.
wordt
Dat is, heeft binnen in zich aderen en lagen van sulfer en vurige stof, die de mensen weten uit te vinden.
Hertaald:
wordt
Dat is: heeft van binnen aderen en lagen van zwavel en vurige stof, die de mensen weten te vinden.
Haar stenen
Te weten, der aarde.
Hertaald:
Haar stenen
Namelijk: van de aarde.
zijn de plaats
Dat is, hebben bij zich saffierstenen, die de mijnwerkers uitgraven. Zie van dit gesteente ook onder, vs.16; idem Ex. 24:10 , en Ex. 28:18 ; Hoogl. 5:14 .
Hertaald:
zijn de plaats
Dat is: bevatten saffierstenen, die de mijnwerkers opgraven. Zie over dit gesteente ook hieronder vers 16; eveneens Ex. 24:10, en Ex. 28:18; Hoogl. 5:14.
zij heeft
Te weten, die plaats.
Hertaald:
zij heeft
Namelijk: die plaats.
stofjes
Dat is, zandjes van goud, die onder de aarde gemengd zijn en daaruit, door het vernuft en werk des mensen, gezameld en gescheiden worden.
Hertaald:
stofjes
Dat is: goudstofjes, die onder de aarde vermengd zijn en daaruit, door het vernuft en werk van de mens, verzameld en gescheiden worden.
roofvogel
Versta, een soort van een vogel, die gierig tot roven zijnde, zeer nauw de verborgen plaatsen doorzoekt.
Hertaald:
roofvogel
Versta hieronder een soort vogel, die door zijn hebzucht om te roven zeer nauwkeurig de verborgen plaatsen doorzoekt.
pad
Te weten, om tot de voorgemelde plaatsen te geraken.
Hertaald:
pad
Namelijk: om bij de eerder genoemde plaatsen te komen.
kraai
Van welke men schrijft, dat zij een zeer scherp gezicht heeft. Zie Lev. 11:14 .
Hertaald:
kraai
Waarvan men schrijft dat hij een zeer scherp gezicht heeft. Zie Lev. 11:14.
jonge
Hebreeuws, de zonen van het, enz. Vergelijk onder, Job 41:25 .
Hertaald:
jonge
Hebreeuws: de zonen van het, enzovoort. Vergelijk hieronder Job 41:25.
het niet betreden,
Dat is, het pad of de steeg, welke leidt naar de plaats des gouds en der edelgesteenten. Versta hierbij: Hoewel geen dieren tot die plaats kunnen indringen, door enige uitnemendheid die in hen is, dat nochtans de mens zulks doen kan door zijn vernuft en arbeid.
Hertaald:
het niet betreden,
Dat is: het pad of de weg die naar de plaats van het goud en de edelstenen leidt. Versta hierbij: hoewel geen dieren die plaats kunnen binnendringen door enige bijzondere eigenschap die zij bezitten, kan de mens dat toch door zijn vernuft en arbeid.
Hij legt
Te weten, de mens.
Hertaald:
Hij legt
Namelijk: de mens.
keiachtige
Dat is, de allerhardste steenrotsen.
Hertaald:
keiachtige
Dat is: de allerhardste rotsen.
hij keert
Te weten, met die te verdelen, te effenen, uit te hollen, enz. om metalen en gesteenten daaruit te halen, of om vloeden, beken en fonteinen daaruit te trekken, of om het land tot de bouwing bekwaam te maken.
Hertaald:
hij keert
Namelijk: door ze te verdelen, te effenen, uit te hollen, enzovoort, om er metalen en gesteenten uit te halen, of om er stromen, beken en bronnen uit te leiden, of om het land geschikt te maken voor bebouwing.
houwt hij
Splijt, of klieft hij rivieren; dat is, hij maakt groeven in de rotsen, om het water daarin te lokken, die dan tot rivieren en beken of andere gebruiken dienen zouden.
Hertaald:
houwt hij
Splijt, of doorklieft hij rivieren; dat is: hij maakt groeven in de rotsen om het water daarheen te leiden, dat dan als rivieren en beken of voor andere doeleinden zou dienen.
het kostelijke
Als goud, zilver en edelgesteenten, die, in de aarde verborgen liggende, door het graven van den mens ontdekt worden.
Hertaald:
het kostelijke
Zoals goud, zilver en edelstenen, die, in de aarde verborgen, door het graven van de mens ontdekt worden.
rivieren toe,
Te weten, die onder de aarde verborgen zijn.
Hertaald:
rivieren toe,
Namelijk: die onder de aarde verborgen zijn.
traan
Hebreeuws, van het geween, of getraan; dat is, dat er geen water daarvan kan opbreken en uitvloeien in de mijnen. Versta, dat de mens de rivieren toedamt en opdroogt, waardoor het kostelijke, dat daarin verborgen was, ontdekt wordt.
Hertaald:
traan
Hebreeuws: van het wenen, of tranen; dat is: zodat er geen water van kan opborrelen en uitvloeien in de mijnen. Versta hieronder dat de mens de rivieren afdamt en droogmaakt, waardoor het kostbare dat daarin verborgen was ontdekt wordt.
Maar de wijsheid,
Alsof hij zeide: De mens kan wel kostelijke dinge, die in de aarde verborgen zijn, door zijn wetenschap en arbeid uitvinden, maar die verborgen wijsheid, waardoor de redenen van Gods oordelen ten volle verstaan worden, kan hij niet bekomen.
Hertaald:
Maar de wijsheid,
Alsof hij zei: de mens kan wel kostbare dingen die in de aarde verborgen zijn door zijn kennis en arbeid vinden, maar die verborgen wijsheid, waardoor de redenen van Gods oordelen volledig begrepen worden, kan hij niet verkrijgen.
der levenden
Dat is, onder de mensen, die op de aarde leven. Vergelijk Ps. 27:13 , en Ps. 142:6 ; Jes. 38:11 , en Jes. 53:8 .
Hertaald:
der levenden
Dat is: onder de mensen die op de aarde leven. Vergelijk Ps. 27:13, en Ps. 142:6; Jes. 38:11, en Jes. 53:8.
afgrond
Versta, de diepte der wateren, die onder de aarde, ja in het onderste derzelve zijn. Zie Gen. 1:2 .
Hertaald:
afgrond
Versta hieronder de diepte van de wateren, die zich onder de aarde bevinden, ja in het diepste deel ervan. Zie Gen. 1:2.
de zee
Versta, het deel der zee, dat boven op de aarde drijft. Vergelijk Gen. 1:10 .
Hertaald:
de zee
Versta hieronder het deel van de zee dat boven op de aarde ligt. Vergelijk Gen. 1:10.
gesloten goud
Zie 1 Kon. 6:20 .
Hertaald:
gesloten goud
Zie 1 Kon. 6:20.
Ofir,
Zie 1 Kon. 9:28 .
Hertaald:
Ofir,
Zie 1 Kon. 9:28.
Schoham,
Zie Gen. 2:12 . Velen houden dezen steen voor den onyxsteen, of sardonix, wiens kleur is wit en rood ineengemengd, gelijk de nagelen des mensen.
Hertaald:
Schoham,
Zie Gen. 2:12. Velen houden deze steen voor de onyx, of sardonyx, wiens kleur wit en rood dooreengemengd is, zoals de nagels van een mens.
Saffier
Een edelgesteente van hemelse kleur, blinkende met gouden stipJes.
Hertaald:
Saffier
Een edelsteen van hemelse kleur, blinkend met gouden stipjes.
kristal
Anders, zeer blinkende parel, of den diamant.
Hertaald:
kristal
Anders: zeer glanzende parel, of de diamant.
kleinood
Hebreeuws, vat. Zie Gen. 24:53 ; Num. 31:50 ; 1 Sam. 6:8 ; 2 Kon. 20:13 ; Est. 1:7 .
Hertaald:
kleinood
Hebreeuws: vat. Zie Gen. 24:53; Num. 31:50; 1 Sam. 6:8; 2 Kon. 20:13; Est. 1:7.
dicht goud
Zie 1 Kon. 10:18 .
Hertaald:
dicht goud
Zie 1 Kon. 10:18.
De Ramoth
Eenigen verstaan door dit woord koraal, anderen een edelgesteente, genaamd sandastros, of garamantites.
Hertaald:
De Ramoth
Sommigen verstaan onder dit woord koraal, anderen een edelsteen, sandastros, of garamantites genoemd.
Gabisch
De naam [naar eniger gevoelen] van een parel, groeiende in de schelp van een vis, bij de Latijnen genaamd unio, omdat geen twee onderscheiden wassen. Anderen verstaan daardoor een zeker edelgesteente.
Hertaald:
Gabisch
De naam [volgens sommigen] van een parel, groeiend in de schelp van een vis, door de Latijnen unio genoemd, omdat er nooit twee gelijke groeien. Anderen verstaan hieronder een bepaalde edelsteen.
niet gedacht
Te weten, als men gewag maakt van de waarde der wijsheid.
Hertaald:
niet gedacht
Namelijk: als men over de waarde van de wijsheid spreekt.
Robijnen
Het woord betekent een gesteente, dat rood van kleur geweest is, uit hetgeen verhaald wordt Klaagl. 4:7 .
Hertaald:
Robijnen
Het woord betekent een gesteente dat rood van kleur was, zoals blijkt uit wat verteld wordt in Klaagl. 4:7.
Topaas van Morenland
Een edelgesteente van groene kleur. Zie van hetzelve Ex. 28:17 , en Ex. 39:10 .
Hertaald:
Topaas van Morenland
Een edelsteen met een groene kleur. Zie hierover Ex. 28:17, en Ex. 39:10.
voor het gevogelte
Hij noemt de vogelen, omdat zij hoog vliegen en ver zien, en nochtans niet geraken kunnen tot de plaats, waar de wijsheid verborgen is; want de volmaakte wijsheid is alleen te vinden in God, die daarvan den redelijken creaturen zoveel mededeelt als het Hem belieft.
Hertaald:
voor het gevogelte
Hij noemt de vogels, omdat zij hoog vliegen en ver zien, en toch niet kunnen komen op de plaats waar de wijsheid verborgen is; want de volmaakte wijsheid is alleen te vinden in God, Die daarvan aan de redelijke schepselen zoveel meedeelt als het Hem behaagt.
Het verderf
Hij verdeelt alle plaatsen in drieën: in de middelste, waarin de levende mensen zijn, in de hoogste, waarin de vogelen vliegen, en in de onderste, waarin de doden zijn en al wat vergaan is. Vergelijk hiermede boven, de aantekening Job 26:6 .
Hertaald:
Het verderf
Hij verdeelt alle plaatsen in drieën: de middelste, waarin de levende mensen zijn, de hoogste, waarin de vogels vliegen, en de onderste, waarin de doden zijn en alles wat vergaan is. Vergelijk hiermee hierboven de aantekening bij Job 26:6.
Haar gerucht
Te weten, der verborgen wijsheid. De zin is dat zij van deze geen kennis hebben, maar alleen een gerucht dat zij in wezen is. Vergelijk boven, vs.14.
Hertaald:
Haar gerucht
Namelijk: van de verborgen wijsheid. De betekenis is dat zij daarvan geen kennis hebben, maar alleen een gerucht dat zij bestaat. Vergelijk hierboven vers 14.
God verstaat
Dat is, niemand anders dan God.
Hertaald:
God verstaat
Dat is: niemand anders dan God.
weg,
Dat is, de wijze hoe men de wijsheid vinden kan, hoedanig zij is, en welke werkingen zij heeft, en welk beleid en einde daarin.
Hertaald:
weg,
Dat is: de manier waarop men de wijsheid vinden kan, hoe zij is, en welke werkingen zij heeft, en welk beleid en doel daarin ligt.
hare plaats
Te weten, waar zij te vinden is, namelijk alleen in Hemzelf; Matt. 11:27 .
Hertaald:
hare plaats
Namelijk: waar zij te vinden is, namelijk alleen in Hemzelf; Matth. 11:27.
tot aan de einden der aarde,
De zin is, dat Gods wijsheid oneindig en onbepaald is; 1 Kor. 2:10 ; Hebr. 4:13 .
Hertaald:
tot aan de einden der aarde,
De betekenis is dat de wijsheid van God oneindig en onbegrensd is; 1 Kor. 2:10; Hebr. 4:13.
Als Hij
Hij wil zeggen dat de wijsheid, die in God verborgen is, zich enigszins geopenbaard heeft door de schepping der wereld.
Hertaald:
Als Hij
Hij wil zeggen dat de wijsheid, die in God verborgen is, zich enigszins geopenbaard heeft door de schepping van de wereld.
den wind
De zin is dat God allen schepselen naar zijne wijsheid niet alleen het wezen heeft gegeven, maar dat Hij hen ook heeft gesteld in orde, gewicht en maakt, en dezelve ingestort hun eigenschappen en manieren van werkingen.
Hertaald:
den wind
De betekenis is dat God volgens Zijn wijsheid niet alleen aan alle schepselen het bestaan gegeven heeft, maar hen ook geordend heeft naar orde, gewicht en maat, en hun daarbij hun eigenschappen en manieren van werken heeft ingegeven.
orde maakte,
Te weten, hoe, waar, wanneer en waartoe Hij den regen, donder, bliksem, enz., zou laten vallen.
Hertaald:
orde maakte,
Namelijk: hoe, waar, wanneer en waartoe Hij regen, donder, bliksem, enzovoort, zou laten vallen.
een weg
Vergelijk onder, Job 38:25 .
Hertaald:
een weg
Vergelijk hieronder Job 38:25.
der donderen;
Hebreeuws, der stemmen. Alzo Ex. 9:23 ; 1 Sam. 7:10 ; onder, Job 37:4-5 ; Ps. 29:3 .
Hertaald:
der donderen;
Hebreeuws: van de stemmen. Zo ook Ex. 9:23; 1 Sam. 7:10; hieronder Job 37:4-5; Ps. 29:3.
zag Hij
Vergelijk Gen. 1:31 .
Hertaald:
zag Hij
Vergelijk Gen. 1:31.
haar,
Te weten, de wijsheid, van welke hier gesproken wordt.
Hertaald:
haar,
Namelijk: de wijsheid, waarover hier gesproken wordt.
vertelde ze;
Dat is, openbaarde haar, en gaf den mensen stof om die te vertellen en te verkondigen.
Hertaald:
vertelde ze;
Dat is: openbaarde haar, en gaf de mensen stof om die te vertellen en te verkondigen.
schikte ze,
Dat is, Hij ordineerde haar tot het einde, waartoe Hij haar geopenbaard had.
Hertaald:
schikte ze,
Dat is: Hij bestemde haar voor het doel waarvoor Hij haar geopenbaard had.
doorzocht Hij ze
Dat is, Hij toonde dat Hij haar met de allervolmaakste doorzoeking en allerwijste bedenking de mensen voorgesteld had, opdat zij die met eerbied nazoeken en met ootmoed vereren zouden.
Hertaald:
doorzocht Hij ze
Dat is: Hij liet zien dat Hij haar met de meest volmaakte doorgronding en de wijste overweging aan de mensen had voorgesteld, opdat zij haar met eerbied zouden onderzoeken en met nederigheid vereren.
de vreze des HEEREN
Alsof Hij zeide: De verborgen wijsheid, waardoor Ik de wereld en daarin de mensen regeer, is voor mij; maar de wijsheid, die Ik voor de mensen behouden heb, is dat zij mij vrezen naar het voorschrift van mijn geopenbaarden wil. Zie Deut. 29:29 .
Hertaald:
de vreze des HEEREN
Alsof Hij zei: de verborgen wijsheid, waarmee Ik de wereld en daarin de mensen bestuur, is voor Mij; maar de wijsheid die Ik voor de mensen bestemd heb, is dat zij Mij vrezen naar het voorschrift van Mijn geopenbaarde wil. Zie Deut. 29:29. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het hoofdstuk begint met een beschrijving van het mijnbedrijf. Er is een plaats waar zilver gewonnen wordt en waar men goud smelt (Job 28:1). IJzer wordt uit stof genomen en koper wordt uit steen gegoten (Job 28:2). De mijnwerker maakt een einde aan de duisternis en doorzoekt het uiterste gesteente (Job 28:3). Hij hangt in schachten waar geen voet meer komt (Job 28:4). Boven groeit het brood uit de aarde, en daaronder wordt zij omgewoeld als door vuur (Job 28:5). Haar stenen zijn de plaats van de saffier en zij bevat stofjes goud (Job 28:6). Geen roofvogel kende dat pad, en geen leeuw is er gegaan (Job 28:7-8). De mens legt zijn hand aan de rots en keert bergen om vanaf hun wortel (Job 28:9). Hij houwt stromen uit in het gesteente en zijn oog ziet al het kostbare (Job 28:10). Hij bindt de rivier toe en brengt het verborgene aan het licht (Job 28:11). En dan komt de vraag die alles omkeert: maar de wijsheid, waar zal zij gevonden worden, en waar is de plaats van het verstand (Job 28:12)? Bijbelse betekenis: Dit is een van de meest verrassende gedeelten van het boek. Er staat niets over Jobs zaak en niets over zijn vrienden; er staat een beschrijving van menselijk vernuft. En die beschrijving is met bewondering geschreven. De mens gaat waar geen roofvogel komt, keert bergen om en haalt uit het donker naar boven wat niemand zag. Juist die bewondering maakt de vraag van Job 28:12 zo scherp. Alles is te vinden, als men maar diep genoeg graaft — behalve dit ene. Wijsheid ligt niet in een ader onder de grond. Zij is niet het eindpunt van onderzoek, hoe knap dat onderzoek ook is. Wie dat vasthoudt, krijgt een gezonde waardering voor wetenschap en vakmanschap, en tegelijk een nuchtere grens: het belangrijkste laat zich niet opgraven. Typologie: Paulus stelt dezelfde grens, en hij noemt er de reden bij: "de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid" (1 Kor. 1:21). Niet omdat het onderzoek te zwak was, maar omdat God langs een andere weg gekend wil worden. Job 28:1-12; 1 Kor. 1:21 Job stelt vast dat de mens de waarde van de wijsheid niet kent en dat zij niet gevonden wordt in het land der levenden (Job 28:13). De afgrond zegt: zij is niet in mij, en de zee zegt: zij is niet bij mij (Job 28:14). Zij kan niet met gesloten goud betaald worden en haar prijs kan niet met zilver worden opgewogen (Job 28:15). Zij is niet te schatten tegen het fijne goud van Ofir, of tegen de kostbare schoham en de saffier (Job 28:16). Goud en kristal halen het niet bij haar, en men kan haar niet inruilen voor een kleinood van dicht goud (Job 28:17). De trek naar de wijsheid gaat de robijnen te boven (Job 28:18). Ook de topaas uit Morenland komt er niet aan toe (Job 28:19). Dan herhaalt hij zijn vraag: waar komt die wijsheid dan vandaan, en waar is de plaats van het verstand (Job 28:20)? Zij is verborgen voor de ogen van alle levenden, en het verderf en de dood zeggen dat zij er alleen van hebben horen spreken (Job 28:21-22). Bijbelse betekenis: Job doet hier iets dat een koopman zou doen: hij zoekt een prijs. Achtereenvolgens legt hij goud, zilver, saffier, kristal, robijn en topaas op de weegschaal, en telkens blijkt de weegschaal niet in evenwicht te komen. Daarmee zegt hij niet dat wijsheid duur is, maar dat zij onbetaalbaar is; zij ligt buiten de markt. Er zit ook een waarschuwing in. Wie rijk is, kan bijna alles kopen, en juist dat wekt de gedachte dat er ook inzicht te koop is. Job weerspreekt dat, en hij kan het weten: hij was de aanzienlijkste man van het oosten en hij zit nu op de ashoop. Wat hem overbleef, was niet wat hij had gekocht. Typologie: De spreuk roept juist tot deze koop op, maar dan zonder geld: "Koop de waarheid, en verkoop ze niet" (Spr. 23:23). De volle vervulling ligt in Christus, "in Denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn" (Kol. 2:3). Wat met geen goud te betalen was, wordt daar om niet gegeven. Job 28:13-22; Spr. 23:23; Kol. 2:3 God verstaat de weg van de wijsheid en Hij weet haar plaats (Job 28:23). Hij schouwt tot aan de einden der aarde en ziet onder heel de hemel (Job 28:24). Bij de schepping woog Hij de wind en mat Hij de wateren af (Job 28:25). Hij gaf de regen een vaste orde en maakte een weg voor de bliksem (Job 28:26). Toen zag Hij de wijsheid en verklaarde haar; Hij stelde haar en doorzocht haar (Job 28:27). En dan volgt het antwoord dat Job niet zelf bedenkt maar aanhaalt. Tot de mens heeft God gezegd: zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand (Job 28:28). Bijbelse betekenis: Het slot van dit hoofdstuk keert de hele zoektocht om. De wijsheid wordt niet gevonden door dieper te graven of hoger te vliegen, maar zij wordt gegeven. God weet haar plaats, want Hij heeft haar bij de schepping gehanteerd; het afwegen van de wind en het afmeten van de wateren zijn er de sporen van. En wat Hij vervolgens tot de mens zegt, is niet een verklaring van Zijn beleid. Het is een levensregel. Merk op wat er dus wél en niet beloofd wordt. God vertelt Job niet waarom hij lijdt, en dat is precies waarnaar hij zoekt. Wat de mens krijgt, is een weg om te gaan wanneer hij het niet begrijpt: God vrezen en van het kwade wijken. Dat is bovendien geen tweederangs antwoord. Wie God vreest, heeft de bron zelf, en niet slechts een verklaring. En het valt op dat de vreze des HEEREN hier niet tegenover het verstand staat maar het verstand ís. Typologie: De spreuken herhalen dit woord als grondregel van heel hun onderwijs: "De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid" (Spr. 9:10). En het Nieuwe Testament wijst de plaats aan waar die wijsheid een Persoon blijkt te zijn: Christus, "Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing" (1 Kor. 1:30). Job 28:23-28; Spr. 9:10; 1 Kor. 1:30 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De Engel des HEEREN niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Midden in de twistgesprekken met zijn vrienden houdt Job even op met verdedigen. Hij begint over mijnbouw: hoe men een schacht graaft waar geen mens woont, aan het gesteente komt, rotsen omkeert en rivieren afdamt om bij zilver en goud te komen. De mens haalt het kostbaarste uit de aarde omhoog — maar de wijsheid vindt hij daar niet. De beschrijving van het mijnwerk is bewonderend. De mens zet zijn hand aan de keiharde steen, hij hakt door de rotsen, hij ziet dingen waar geen vogeloog komt. Wat in de diepte verborgen ligt, krijgt hij eruit. En dan komt de vraag die alles omkeert: maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands? De kanttekening legt uit wat er precies gevraagd wordt. Alsof hij zei: de mens kan wel kostbare dingen vinden die in de aarde verborgen zijn, door zijn kennis en arbeid. Maar die verborgen wijsheid, waardoor de redenen van Gods oordelen volledig begrepen worden, kan hij niet verkrijgen. Dat is precies waar heel het boek Job over gaat. Zijn vrienden menen die wijsheid te hebben; hij zoekt haar en vindt haar niet. Het vervolg maakt het nog scherper. Zij is voor geen geld te koop — niet voor fijn goud, niet voor onyx of saffier, niet voor kristal of robijnen. De afgrond zegt: zij is bij mij niet. De zee zegt: zij is bij mij niet. Het verderf en de dood zeggen dat zij er slechts van gehoord hebben. Er blijft één antwoord over: God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats. Hij zag haar toen Hij de wind zijn gewicht gaf en het water zijn maat. En dan het laatste vers, dat de vraag niet oplost maar wel beantwoordt: maar tot den mens heeft Hij gezegd, zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand. De kanttekening geeft dat weer alsof God zegt: de verborgen wijsheid waarmee Ik de wereld bestuur, is voor Mij. Maar de wijsheid die Ik voor de mensen bestemd heb, is dat zij Mij vrezen naar het voorschrift van Mijn geopenbaarde wil. De wijsheid blijft dus bij God — en zij wordt gegeven. Paulus schrijft dat in Christus al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn, en dat Hij ons geworden is wijsheid van God. Wat in geen mijn te vinden was, blijkt in een Persoon te liggen. In het Nieuwe Testament: Kolossenzen 2:2-3; 1 Korinthe 1:24, 30; Spreuken 8:22-31; Romeinen 11:33 Hoever dit reikt: Niveau 3. Job noemt Christus niet, en dit hoofdstuk wordt in het Nieuwe Testament niet aangehaald. De lijn loopt over de vraag zelf: een wijsheid die de mens niet kan opgraven en die God geeft, en die Paulus in Christus aanwijst.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Job 28
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? — 28:1-28
Wat betekenen de niveaus?


Job 28
Job 28:7-8.KruisverwijzingenJob 11:6→Job 38:19→Job 28:21→Romeinen 11:33→Job 38:24→
— De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien. De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.
Al zijn mensen in staat de diepe plaatsen van de aarde te onderzoeken die Gods andere schepselen niet kunnen kennen of bereiken, toch ligt het niet binnen het bereik van menselijke arbeid en kunst om tot de wijsheid te komen. Die kan alleen gevonden worden langs een andere en een hogere weg. Zij moet ons door openbaring van God toekomen, want wij kunnen haar niet door eigen inspanning vinden.
Zo hebben velen niet kunnen begrijpen hoe alles, van de kleinste gebeurtenis tot de grootste, verordend en bepaald kan zijn — en hoe het toch evenzeer waar kan zijn dat de mens een verantwoordelijk wezen is en vrij handelt, het kwade verkiezend en het goede verwerpend. Ik geloof niet dat het twee parallelle lijnen zijn die elkaar nooit kunnen ontmoeten, maar ik geloof wel dat zij voor alle praktische doeleinden zo bijna parallel zijn dat wij ze als zodanig mogen beschouwen. Zij ontmoeten elkaar wel, maar alleen in het oneindige gemoed van God is er een punt van samenkomst waar zij tot één smelten. Zelfs in dit leven ben ik er even blij mee niet te weten wat God mij niet zegt als te weten wat Hij mij openbaart! Ben ik dat althans niet, dan behoorde ik het te zijn; want dat is de gestalte van een waar discipel van Christus: nieuwsgierig te zijn tot op het punt waar zijn Heere mededeelzaam is, maar daar op te houden.
God is evenzeer boven ons begrip in het volbrengen van de bedoelingen van Zijn voorzienigheid. Er zijn wegen van God in Zijn handelen met het menselijke geslacht die verbijsterend zijn voor het oordeel van zulke arme stervelingen als wij. Wij trachten een stukje geschiedenis te bestuderen, en het schijnt ons alles verward en dooreengeward. Zelfs de geschiedenis als geheel, van de schepping en de val tot nu toe, bevat vele vreemde raadsels voor iemand die gelooft dat God er door alles heen Zijn eigen eer uitwerkt en dat een deel van Zijn eer zal bestaan in het voortbrengen van de hoogste mate van goed voor het grootste aantal van Zijn schepselen. De slang in de hof — hoe en waarom kwam zij daar? En de duivel in de slang — waarom was er überhaupt een duivel? En het kwaad dat de engel tot een duivel maakte — waarom werd dat toegelaten? En al het kwaad dat er sindsdien geweest is — waarom is het niet verdelgd? Wij kunnen geen van deze vragen beantwoorden.
Ik preek niet vaak over het boek Openbaring, of over de wonderen die in de duizendjarige tijd zullen gebeuren, of over de inzameling van de Joden, en zo meer. Ik zal u de reden zeggen waarom ik dat niet doe, en ik meen dat het een genoegzame reden is: namelijk dat ik deze dingen niet begrijp. Heb ik over deze dingen geen heldere inzichten, dan zal ik ze laten liggen tot ik die heb. Sommige grote waarheden van God over de toekomst zijn duidelijk geopenbaard, zoals de tweede komst van Christus en het overstromen van de wereld met het Evangelie, zodat alle vlees de zaligheid van God zal zien. Maar wat de orde van de verschillende gebeurtenissen betreft en het samenvoegen van de verschillende stukken van de legpuzzel: daar is een pad dat geen vogel kent en dat het oog van de kiekendief niet gezien heeft.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-11 KruisverwijzingenDeuteronomium 8:9→Prediker 1:13→Job 28:16→Exodus 24:10→1 Koningen 7:48→Genesis 2:11→1 Petrus 1:7→1 Koningen 10:21→
— Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten. Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten. Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods. Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg. Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware. Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud. De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien. De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan. Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om. In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.
Alle edele metalen weet de mens door eigen inspanning te vinden en in de donkere diepten op te sporen. Verre van de woningen der mensen, daalt hij in den schoot der aarde neer, die hem boven koren voortbrengt, die hij van onderen als met vuur doorwoelt, ter plaatse van den kostbaren steen, op een pad, dat geen vogel bereikt, geen roofdier waagt te betreden. Daaronder woelt hij de bergen om, dringt in de gespletene gangen tot het edelgesteente, en brengt het aan het daglicht.
Dit ongelukkig einde van de rijke goddelozen (Hoofdstuk 27: 13-23) is wel verdiend; “want” 1) gewis er is voor het zilver, dat de boosdoener zo liefheeft en dat hij bij elkaar schraapt, een uitgang, een plaats waar het vandaan komt, er is in de bergwerken een ader van zilver, en ene plaats voor het goud, dat zij smelten2), om het te louteren.
De samenhang tussen dit en het vorig Hoofdstuk is door de uitleggers zeer verschillend opgevat. Volgens den grondtekst begint ons Hoofdstuk met “want; ” daarom is het het natuurlijkste om aan te nemen, dat nu zal aangewezen worden waarom het gericht, dat in het vorige Hoofdstuk geschilderd is, over den goddeloze moet komen. Deze, zegt Job, die in zijn leven goud en zilver, aards geluk en voorspoed voor het hoogste goed hield, moet eindelijk noodzakelijk te gronde gaan, omdat het den mens wel mogelijk is, alle verborgene heerlijkheid der aarde door eigen inspanningen en door moed te verkrijgen, maar nooit kan hij zonder God de Wijsheid verkrijgen, die alleen voor eeuwig bij het leven behoudt, en daarom alle schatten der wereld overtreft. Zij kan slechts door Hem gegeven worden, die ze van den beginne bezat, en van wie zich de kwaaddoener toch heeft losgerukt; zij kan slechts ontvangen worden door Gods kracht. -Middellijk dient echter dit woord, om te bewijzen, dat iemand, die, als Job, ondanks het allergrootste lijden aan de godsvrucht vasthoudt, en de bron der ware Wijsheid kent, nooit een goddeloze kan zijn; dat zijn lijden dus werkelijk anders beoordeeld moet worden, dan dat van den goddeloze. Het 28ste hoofdstuk kan ook als een zelfstandig geheel beschouwd worden, waarin Job ene heerlijke belijdenis van het beginsel en den drijfveer van zijn gehele leven, van de gezindheid zijns harten aflegt en met een triomfzang vol geestdrift op de Wijsheid (wij zouden kunnen zeggen, op het zaligmakend geloof) het geheel besluit. Het geheel is de beste uitlegging van het woord des Heren: “wat baat het den mens, zo hij de gehele wereld wint en schade lijdt aan zijne ziel.”. Niet alleen in Egypte, maar ook in Haran en in Idumea vindt men én koper- én goud- én zilvermijnen. In Funon tussen Petra en Zoar waren tot op Mozes’ tijd overvloedige kopermijnen en op het Edomietisch gebergte vindt men zilver- en goudmijnen. Het is bekend, dat zelfs gedurende de vervolgingen der Christenen onder de Heidense keizers, de Christenen naar de kopergroeven werden gezonden, om daar den dood tengevolge van den dodelijken arbeid te vinden. Volgens Edrisi worden op den Libanon nog sporen van vroegere koperwerken gevonden. De Schrijver was zeer goed met dit werk in de mijnen bekend, zoals uit de beschrijving in dit Hoofdstuk blijkt. Volgens Wetstein heeft hij op het oog gehad de mijnen in het ijzergebergte. Job wil er op wijzen, dat het goud en zilver, waarnaar de goddeloze zeer begerig is, toch ook van aardse natuur is. Hij begint met de edelste metalen.
Deze arbeid, welke aan de hoge waarde van het gelouterde goud moet doen denken, wordt door den beroemden Siciliaanschen geschiedschrijver Diodorus (ten tijde van keizer Augustus) op de volgende wijze beschreven: “De kunstenaars nemen den vermaalden steen en leggen dien op ene brede tafel, die een weinig schuin is; zij gieten er water op, dat de aarddelen uitspoelt en doet wegstromen, terwijl het goud op het blad blijft liggen. Dit werk wordt meermalen herhaald, waarbij in den beginne de massa met de handen zacht gestreken wordt. Dan drukt men met dunne sponsen zacht er op en trekt zo alle vuil tot zich, zodat het stofgoud geheel rein overblijft. Eindelijk, nemen andere kunstwerkers het naar bepaalde maat en gewicht te zamen, schudden het in smeltkroezen van potaarde, en doen ene bepaalde maat van lood, zoutkorrels, een weinig tin en wat zemelen van gerst er bij, leggen er een nauw sluitenden deksel op, strijken dien zorgvuldig met leem, en laten het zo vijf dagen en vijf nachten onophoudelijk in een oven koken. Hierop laten zij het afkoelen; zij vinden dan van het bijgevoegde niets in den pot, maar nemen het reine goud met weinig afval er uit.”
Het ijzer wordt uit stof genomen, men haalt het uit den grond, en uit steen wordt koper gegoten; het koper in het erts verborgen, komt door smelting aan het licht.
Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; daar waar het in ‘t hart der aarde duisternis is, graaft hij door; hij zoekt daar het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods, het gesteente, dat in de diepste duisternis verborgen ligt.
Daar is menig gevaar, en menige tegenstand moeten overwonnen worden; soms breekt er ene beek 1) door bij degene, die daar woont, bij den mijnwerker, de wateren vergeten zijnde van den voet, in wier nabijheid nooit een voet zich neerzette, worden dan van den mens uitgeput en gaan weg, zij worden weer drooggemaakt.
Anderen vertalen door, schacht en laten dan vergeten zijnde van den voet slaan op de bergwerkers, die van de mensen schier vergeven zijn aan wie niet gedacht wordt door degenen, die op de aarde met hun voeten treden. De Schrijver wil in elk geval op het moeilijke en hoogstgevaarlijke, maar ook op het zelfverloochenende van den arbeid wijzen.
Uit de aarde boven hem, die de mens bebouwt, komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd door den arbeid der bergwerkers, alsof zij vuur ware 1).
Sommigen verstaan dat van gouden edelgesteenten, die als vuur glinsteren, anderen van de lampen der mijnwerkers, die de aarde doen voorkomen als in vlam staande; nog anderen van zwavel of kolen, waarin brandstof zit, en enigen van het verbrand raken der mijnen, hetwelk soms gebeurt. Ook kan men vertalen: Van onderen wordt zij doorwoeld als door vuur. De bedoeling is, dat alles in des aardrijks ingewand wordt omgekeerd en dooreen gewoeld.
Maar zulk een doorzoeken van de aarde beloont rijkelijk, waar hare stenen, de stenen in de diepte der aarde zijn, daar is de plaats van den saffier, dat hemelsblauw edelgesteente (Exodus 24: 10. Ezechiël. 1: 26), en zij, de aarde, heeft stofjes van goud; de arbeider vindt die in hare kluiten.
De roofvogel heeft met zijn scherpen blik het padtot deze geheime werkplaatsen der natuur niet gekend, en het oog der kraai, “van den havik,” hoe nauwkeurig dat oog ontdekt, heeft het niet gezien.
De jonge hoogmoedige dieren, die anders, zonder gevaar te vrezen, de geheimste schuilhoeken naspeuren, hebben het niet betreden, de felle leeuw, hoewel hij anders de overige dieren in moed overtreft, is daarover niet heengegaan, “geen leeuw heeft er zijne trotse stappen gezet.”
Hij, die de schatten der aarde naspeurt, legt zijne hand aan de keiachtige rots, en ruimt die weg, om het edelgesteente te verkrijgen; hij keert de bergen van den wortel om 1), woelt ze door zijn graven om.
Menigmaal gebeurt het, dat de bergen, door de mijnwerkers uitgehold, eensklaps instorten.
In de rotsstenen houwt hij stromen, kanalen, uit, om het water, dat hier en daar uit aderen te voorschijn springt, af te leiden, en zijn oog ziet al het kostelijke, dat daar aan stenen en erts is.
Hij bindt de rivieren toe, stopt de aderen, die door hun water zijn werk zouden verhinderen, dat niet een traan uitkomt 1), en het verborgene goud en edelgesteente brengt hij uit in het licht, tot de oppervlakte der aarde.
Beter: Opdat zij niet sijpelen, damt hij de vloeden af. De bedoeling is, dat om geen last te hebben van het onderaardse water, de bergwerker dammen opwerpt, die zelfs het doorsijpelen beletten. 12.
IV. Vs. 12-22.KruisverwijzingenJob 28:20→Spreuken 3:15→Jakobus 1:5→Jakobus 1:17→Kolossenzen 2:3→Spreuken 3:19→Spreuken 2:4→Prediker 7:23→
— Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands? De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden. De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij. Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen. Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier. Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud. De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen. Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden. Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands? Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.
Maar hoewel de mens het meest verborgene en het kostbaarste der aarde weet op te zoeken en te vinden, zo kan hij toch de Wijsheid, noch in het land der levenden, noch in de diepte der zee vinden, en voor al zijne schatten niet kopen. Geen levend wezen ziet haar en de benedenwereld heeft slechts een gerucht van haar vernomen.
Maar de Wijsheid 1), die alles in waarde overtreft, de kennis van Gods wegen, van waar zal zij gevonden worden? en waar is de plaats des verstands 2), de erkentenis van hetgeen goed of kwaad, waarheid of leugen is?
Uit deze vraag blijkt duidelijk, wat Job met het voorgaande bedoeld heeft. Hij wil zeggen, dat de mens in staat is te ontdekken, vanwaar het goud en zilver, het koper en de edelgesteenten komen, maar hoe zal de mens aan de ware Wijsheid komen? Waar zal hij die vinden? Een vraag, die genoegzaam insluit, dat de mens die Wijsheid niet bij zich zelven heeft, niet op de aarde had vinden. Hiermede doet Job het aan zijne vrienden gevoelen, dat al hun ingevingen van gene betekenis waren. Zij hadden het wel voorgesteld, dat zij ware wijsheid hadden, maar een wijsheid uit de aarde, want zij hadden zich beroepen op de ervaringen der ouden en op hun eigene ervaringen, op wat de vaders hadden gezegd en wat zij zelf gezien hadden. Job zal nu aantonen, dat de ware wijsheid niet op aarde is te vinden.
Bedenkt men, dat het gehele 28ste Hoofdstuk tot zijn hoofddoel heeft, aan te wijzen, dat de goddeloze moet verloren gaan, omdat hij de wijsheid niet bezit, om de Goddelijke wijsheid aan te tonen, die in het onnaspeurlijk Godsbestuur is, zo is het duidelijk, dat onder “Wijsheid” hier niet alleen aan ene eigenschap van God kan gedacht zijn, maar ook ene door God zelven in den mens gelegde gezindheid, door welke deze recht erkent, wat Gods wil van hem is, wie hij zelf is, en hoe hij met zijnen God verzoend kan worden. Vers 24-28 toont dan, hoe zulk ene wijsheid van den mens slechts het uitvloeisel en de schaduw der eeuwige, Goddelijke wijsheid zelf is, volgens welke God alle schepselen geschapen heeft, door welke Hij ze steeds ouderhoudt en tot het van eeuwigheid bepaalde doel leidt (vgl. Spreuken 3: 19,20; 8: 22-31). Deze wijsheid van den mens is geen theoretisch, onvruchtbaar weten, maar ene gesteldheid des harten, die uit liefde en eerbied tot God voortkomt, die zich steeds in een godzalig leven openbaart. God zelf geeft ze, de mens ontvangt ze op aanhoudend, waarachtig gebed, door gelovig onderzoek van Gods woord en door volharden in den strijd (oratio, meditatio, teutatio). Dan stemt hij overeen niet het heilig ideaal, naar hetwelk en tot hetwelk God hem ook geschapen heeft, en heeft deel aan de Goddelijke wijsheid. Deze wijsheid, die in zijn hart woning maakt, is dan echter in haren diepsten grond van de wereldse wijsheid verschillend. Die is, volgens Jakobus (3: 15 vv.) aards; zij heeft haren oorsprong, hare geboorteplaats op de aarde, zij kruipt slechts over de aarde heen, zonder hoger en dieper te zien, bevat slechts bestanddelen der aarde, vergankelijke elementen, en een menigte vuil. Zij kan wel op een zeer noodzakelijk en nuttig gebied der aarde betrekking hebben, haar kan een zeer rijk en scherp oordeel eigen zijn; zij kan juiste voorstellingen geven en ware meningen hebben; zij kan zich uitstrekken over het gehele gebied van de kennis der aarde, zich dus als grote kennis der natuur openbaren, of, als poëtische genialiteit, als kennis van politiek, als de grondigste geleerdheid, zo als die zeldzaam ook op niet Christelijken bodem gevonden wordt: zij kan er echter geen aanspraak op maken de wijsheid en het verstand in den volkomensten zin te zijnhaar karakter is en blijft aards. Ten tweede is deze wijsheid natuurlijk (psychisch) d.i. zij heeft niet in den geest, maar in de psyche haren oorsprong, in het leven, dat zich openbaart in gewaarwordingen, aandoeningen, prikkelingen, affecten, als lust en begeerte naar hetgeen onder het bereik der zinnen valt en de dingen, die bekoren, als spijs, drank, geslachtslust, haat, nijd enz: maar ook met betrekking tot het karakter, als op wil en besluit, weten en erkennen, verbeelden en begeren. De wijsheid, die uit deze ontstaat en daarop betrekking heeft is, hoewel zij in vele harer openbaringen een natuurlijk recht heeft, toch altijd aan materialistischen aard en vertoont zich als een uitvloeisel van een door de zonde besmet leven. Ten derde is deze wijsheid duivels; zij staat in verband met het rijk en de macht der demonen. Deze echter zoeken, juist als geesten, die in de lucht heersen, de van hen uitgaande overweldiging, verdrukking, verwoesting en vernieling als de wijsheid dezer wereld in de harten der mensen te planten en in te prenten, en zich daardoor hun eigen bestaan en bezit te verzekeren. De duivel en de demonen bezitten ene veel omvattende wetenschap, welke echter de bron wordt van al wat afschuwelijk en verschrikkelijk is, daar de wijze van het bezit en het gebruik er van ze niet adelt Daarom verwoest deze demonische wijsheid het inwendig en uitwendig levensbestaan van den mens. -De ware wijsheid echter komt niet van beneden, maar van Boven; zij daalt uit de hemelse gewesten tot den mensen neer; zij wordt niet door vlees en bloed geopenbaard. Zij is, volgens Jakobus: 1. zuiver; want zij stamt af van het door gene zonde aangeraakte leven en den lichtglans van God. 2. Zij is onvermengd, want zij moet reine, heilige, gewijde, priesterlijke harten maken. Uit deze hare zuiverheid komen alle andere eigenschappen voort. 3. Zij is vreedzaam, want God, uit welke zij is, is geen God van wanorde, maar van vrede, en roept tot vrede. Waar zij ingaat, daar maakt zij de mensen vreedzaam, stelt den hoogsten, volkomensten staat van geluk, de integriteit van den gehelen mens als voleindigd gebouw des vrede voor. Daarom openbaart zij zich ook 4. als bescheidenheid, zachtmoedigheid, goedheid, als ene gezindheid tot lijden en verdragen, als gelatenheid in het bewustzijn, dat beperking, vernedering en ontbering tot zegen zijn. Zo is zij dan ook 5. gezeggelijk; zij verneemt gaarne de gedachten en de wegen van anderen en hoort wat deze opmerkten met belangstelling. Daarenboven is zij 6. vol van barmhartigheid en van goede vruchten in werkzame uitoefening van barmhartigheid, die men zelf ondervonden heeft. Eindelijk 7. sluit zij buiten alle onpartijdig oordeel, al wat dubbelzinnig is en verdeeld, alle afzondering, allen sektegeest en alle geveinsdheid. Al deze eigenschappen, die de ware wijsheid bezit, werken een hemelsen vrede, welke gene wijsheid der mensen bezit of, geven kan, zij maken waarlijk vreedzame harten. Alles wat tot het natuurlijke gebied behoort, hoe verborgen ook, kan door den menselijken arbeid en vlijt ontdekt en verkregen worden. De Wijsheid Gods echter is niet door menselijken ijver en volharding te ontdekken, noch te verkrijgen. Want ofschoon zij zelf er goed verborgen zijn, in de diepste plaatsen der bergen kunnen echter de schatten als prikkelende tot misdadigheid met veel moeite gevonden en uitgegraven worden. Evenzo kan het ijzer, hoe diep het ook verborgen is in de benedenste delen der aarde gevonden worden, maar niemand onder ons verkrijgt de Wijsheid Gods door menselijken ijver. Laten we toch duidelijk er op acht geven, wanneer hier gezegd wordt, dat de Wijsheid niet onder de mensen wordt gevonden, dat Job in hoofdsom (of liever de Heilige Geest door zijn mond), de onze ingeboren verhevenheid ons heeft willen ontnemen, omdat wij menen met zulk een scherp en schrander oordeel begaafd te zijn, dat wij van oordeel zijn, alles met ons verstand te kunnen omvatten. Hier nu kondigt de H. Geest den mensen aan, dat, wie zich dit inbeeldt, zich bedriegt, want dat hun de Wijsheid ontbreekt. Welke wijsheid nu? Den Raad Gods te kennen. Want wij kunnen wel enige kennis van de dingen hier beneden voorbrengen, en, ofschoon die duister zijn, toch heeft God ons iets er van geopenbaard. En die kennis wordt genoemd de natuurlijke, dewijl wij allen, ofschoon niet allen in dezelfde mate, er iets van hebben. Maar wanneer men zou moeten weten, wat God is, of Zijne oordelen, dan behoren de menselijke gevoelens ingebonden te worden, en hoe meer zij zich willen verheffen, des te meer behoren zij onderdrukt en naar binnen gedrongen te worden.
De mens weet, doorziet hare hoge waarde niet, hij kan niet berekenen hoeveel zij waard is, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden, al wilde men de gehele zichtbare wereld doorreizen, toch zou men daardoor de ware kennis van het wezen aller dingen niet verkrijgen.
De afgrond, de oceaan, zegt: Zij is in mij niet, en de zee zegt tot hem, die de hemelse Wijsheid zou willen doorzoeken: Zij is niet bij mij.
a) Het gesloten, het fijnste goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.
Spreuken 3: 14; 8: 11,19; 16: 16. Noch geleerdheid noch rijkdom geven het recht op de hemelse wijsheid, integendeel ook de ongeletterde en de armste kan haar verkrijgen.
Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir (vgl. 1 Koningen 9: 28 ), tegen den kostelijken Schoham, den Onyx, een edelgesteente van bleke kleur, als de nagel van den vinger, door welke het vlees heenschemert (Genesis 2: 12. Exodus 28: 9). of den Beryl van zeegroene kleur, overhellende nu eens naar het waterblauwe, dan naar het gele (Openbaring 21: 21) of den Saffier (zie vs. 6).
Ja, deze Wijsheid is boven alles verheven, ook boven de kostbaarste schatten. Men kan het goud of het kristal, “glas 1) met goud versierd” haar niet gelijk waarderen, ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.
Het glas werd reeds vroeg door de Feniciërs uit kiezelzand gemaakt. De ouden stelden drinkbekers, schalen en schotels, uit dit product vervaardigd, zo hoog, dat zij die nevens het goed stelden en noch vensters, noch spiegels in het Oosten uit glas vervaardigd waren. (Hoofdstuk 37: 18).
De Ramoth en Gabisch 1) zal niet gedacht, want de trek, het bezit
der Wijsheid is meerder, is van veel hoger waarde, dan der Robijnen (Spreuken 3: 14,15).
Onder de Ramoth hebben wij te verstaan de paarlen en onder Gabisch het kristal, terwijl onder Robijnen hier waarschijnlijk de koralen moeten worden verstaan.
Dit kan men ook vertalen: “de aantrekking,” “uittrekking” of “ophaling.” Job gebruikt hier een kunstwoord van de parelvisserij. Deze uitdrukking is gevoeglijk gebezigd aangaande deze Wijsheid, welke zeer diep en buiten het bereik der gewone mensen liggende, niet kan verkregen worden zonder vlijtig onderzoek en opmerken.
Men kan den Topaas, de bleekgroene Chrysoliet (Exodus 28: 17) van Morenland, het ten zuiden van Egypte gelegene Ethiopië, waar het Topaseneiland in de Rode Zee dien oplevert, haar niet gelijk waarderen, en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden1), zodat men dit tegen haar zou kunnen opwegen.
Alles wat veel waarde heeft somt Job op, om daardoor de waarde der Wijsheid te verheffen. Er is niets, wil hij zeggen, zo kostelijk, wat met haar kan worden vergeleken, en er is op aarde gene plaats, waar zij kan worden gevonden.
a) Die Wijsheid dan, van waar komt zij, wanneer zij op al die genoemde plaatsen niet te vinden is, en voor al die hoogstgeprezene kostbaarheden niet te verkrijgen is? en waar is de plaats des verstands? Waarheen moet zich dan de mens wenden, om haar te verkrijgen, daar hij zonder haar noch in dit, noch in het volgend leven gelukkig en zalig kan zijn?
Job 28: 12.
Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, van alle geschapene wezens; geen onder allen, ook de mens niet, kan van zich zelven de vraag, vs. 20, beantwoorden, en door zich zelven ware wijsheid verkrijgen, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen; hoewel dit scherper en verder dan het mensenoog ziet, heeft het nergens den zetel der wijsheid ontdekt.
Hier op aarde, in de schepping Gods, kan men overal de sporen zien van haar leven en van haren zegen, maar het verderf en de dood, het land des verderfs en des doods zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze orenslechts gehoord. Wat Job hier wil zeggen is dit, dat geen enkel schepsel de Wijsheid Gods zou kunnen uitvinden, noch op de aarde, noch in de lucht, noch onder de aarde. Dat het dus ijdele moeite is van den mens, om door te dringen tot den Raad Gods en tot de diepe verborgenheden der Godsregering in de wegen zijner Voorzienigheid. En hiermede plaatst hij zich en zijne vrienden op het rechte standpunt. 23.
V. Vs. 23-28.KruisverwijzingenSpreuken 1:7→Psalmen 111:10→Spreuken 9:10→Prediker 12:13→Deuteronomium 4:6→Spreuken 15:3→Psalmen 135:7→Job 38:25→
— God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats. Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen. Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate; Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen; Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze. Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
Slechts één, God, de Alwetende, de Alomtegenwoordige, kent de bron der wijsheid. Toen Hij eens der machten der natuur hare wet voorschreef, toen openbaar des Hij Zijne wijsheid in de schepping en toonde den mensen in de godsvrucht den weg tot wijsheid.
God alleen verstaat haren weg, de weg, langs welken de mens tot het bezit der wijsheid komt, en Hij, Hij weet hare plaats.
Want Hij schouwt in Zijne werkzame Alomtegenwoordigheid tot aan de einden der aarde; Hij ziet onder al de hemelen. Hoe zou hij niet ook weg en plaats der Wijsheid kennen?
De Wijsheid is de maatstaf, naar welke, en het doel, waarnaar Hij alle schepselen schiep: Als Hij den wind het gewicht maakte, de wet hoe sterk hij zou waaien, en a) de wateren opwoog in mate, aan de wateren in de wolken, op de aarde en in de zee de grenzen stelde, die zij niet mochten overschrijden.
Spreuken 8: 29.
Als Hij den regen ene gezette orde maakte, wanneer hij neervallen zou, en enen weg voor het weerlicht der donderen, ene wet voor het ontstaan, de plaats den tijd en de kracht.
Toen zag Hij haar, toen verkoos Hij de Wijsheid als het ideaal en het voorbeeld, waardoor Hij alles in orde stelde, en vertelde ze, openbaarde ze in de werken Zijner schepping, daar Hij op alle het zegel der wijsheid drukte (Rom. 1: 19,20); Hij schikte ze, stelde haar, om naar en door haar de wereld en in ‘t bijzonder de mensheid te scheppen en te leiden, en ook doorzocht Hij ze, en bevond, dat zij het middel was, waardoor Hij de wereld zo volkomen gevormd had, en door welke Hij haar ook zeker tot het eeuwig doel brengen zou.
Maar tot den mens heeft Hij toen gezegd: Zie 1), de vreze des HEREN, de ware bekering, zelfverloochening, ootmoed en geloof, is de wijsheid, door deze maakt de Goddelijke wijsheid woning in u, zodat gij deel aan haar verkrijgt, en van het kwade te wijken, de uit deze vreze Gods voortvloeiende heilige wandel, is het verstand 2); dit geeft het rechte inzicht, hoe men van den eeuwigen dood kan gered worden (Spreuken 3: 7; 16: 6; 1: 7. 16.6 1.7 (Psalm 111: 10).
Duidelijk wordt het hier uitgesproken, dat er een verborgen Raad en een geopenbaarde Wil is. In den verborgen Raad en Wil in te dringen is vruchteloze moeite. Daarnaar heeft den mens niet te staan. Maar wat hij wel heeft te betrachten is het opvolgen van den geopenbaarden Wil. Waar God den verborgen Raad voor Zich heeft gehouden, daar heeft Hij geopenbaard, wat tot waarachtig heil van het schepsel kan dienen, den weg aangewezen, waarop de mens alleen vrede vinden kan; en daarom zegt Job hier ook aan het slot van dit Hoofdstuk, wat de geopenbaarde Wil is, welken op te volgen, ware wijsheid verraadt.
In het geloof aan den Zoon Gods, in Wie alle schatten der wijsheid lichamelijk wonen, is deze godsvrucht vervuld. Met deze klare en diepe erkentenis is Job dicht voor de deur van de oplossing van het raadsel zijns lijdens gekomen; hij heeft bevestigd wat in Hoofdstuk 1: 1 1.1 van hem gezegd is. Al is het, dat hij nogmaals in het duister der verzoeking neerzinkt, zo is het nooit mogelijk, dat satan overwint, omdat Job alle voorwaarden bezit, om door het woord van Elihu en van God, dat dit raadsel verlicht, het gebrek aan wijsheid te overwinnen en in zich zelven volkomen te ervaren, wat hij in Hoofdstuk 28 zo vol geestdrift geprezen heeft. Job spreekt hier “de meest verhevene wonden, welke de tegenstanders evenzeer moeten overmeesteren, gelijk zij hem zelven als den niet slechts machtigen, maar ook bijzonderen overwinnaar voorstellen, die hier eerst daardoor, dat hij in de uitwendige overwinning zich zelven overwinnende tot hogere klaarheid komt, de kroon der ware overwinning wegdraagt.” Job spreekt hier van de wijsheid als van een persoon. Sommigen menen, dat hier even als door Salomo (Spreuken 8) bedoeld is, het eeuwig Woord, dat bij den Vader was, voordat de wereld was, en door Wie Hij alle dingen gemaakt heeft (Job. 1: 1 v.).
Hier hebben wij de beschrijving van den waren, zuiveren, onbevlekten godsdienst; zij is den Heere te vrezen en te wijken van het kwade. De vreze des Heren is de bron en de hoofdzaak van allen godsdienst. Er is ene slaafse vrees voor God, die voortkomt uit harde gedachten van Hem (MATTHEUS. 25: 24). Er is ene zelfzuchtige vrees voor God, voortkomende uit ontzagwekkende gedachten van Hem (Hand. 9: 5). Maar er is ook ene kinderlijke vrees voor God, voortkomende uit grote en hoge gedachten van Hem; deze is het lichaam en de ziel van allen godsdienst. Waar deze ook in de harten heerse, daar zal het blijken uit ene standvastige zorg om van het kwade te wijken (Spreuken 16: 6). Waar wordt deze wijsheid gevonden? Hare schatten zijn verborgen in Christus, worden ontdekt door het Woord, aangenomen door het geloof, onder de werking van den Heiligen Geest. Die wijsheid is niet gegeven om hoogmoed of ijdelheid te voeden, of om onze nieuwsgierigheid te bevredigen. Zij onderwijst zondaars en wekt hen op om den Heere te vrezen en te wijken van het kwade, in de oefening van boetedoening en geloof. Laat ons dan vlieden van het kwaad, onze toevlucht nemen in de hoop van het Evangelie, het goede des levens dankbaar ontvangen, de lasten des levens met vreugde dragen, zonder dat wij verlangen al de moeilijkheden daaromtrent op te lossen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel