Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En JobH347 ging voortH3254 zijn spreukH4912 op te heffenH5375, en zeideH559:
En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
KJV
Moreover Job2
continued1
his parable,4
and said,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Zo waarachtig als GodH410 leeftH2416, Die mijn rechtH4941 weggenomenH5493 heeft, en de AlmachtigeH7706, Die mijner zielH5315 bitterheidH4843 heeft aangedaan!
Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!
KJV
As God2
liveth,1
who hath taken away3
my judgment;4
and the Almighty,5
who hath vexed6
my soul;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Zo langH3605 alsH3588 mijn ademH5397 in mij zal zijn, en het geblaasH7307 GodsH433 in mijn neusH639;
Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;
KJV
All the while3
my breath4
is in me, and the spirit6
of God7
is in my nostrils;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
IndienH518 mijn lippenH8193 onrechtH5766 zullen sprekenH1696, en indienH518 mijn tongH3956 bedrogH7423 zal uitsprekenH1897!
Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
KJV
My lips3
shall not speak2
wickedness,4
nor my tongue5
utter7
deceit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Het zij verreH2486 van mij, dat ik ulieden rechtvaardigenH6663 zou; totdatH5704 ik den geestH1478 zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheidH8538 vanH4480 mij nietH3808 wegdoenH5493.
Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.
KJV
God forbid1
that I should justify4
you: till I die7
I will not remove9
mine integrity
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Aan mijn gerechtigheidH6666 zal ik vasthoudenH2388, en zal ze nietH3808 laten varenH7503; mijn hartH3824 zal die nietH3808 versmadenH2778 van mijn dagenH3117.
Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.
KJV
My righteousness1
I hold2
fast, and will not let it go:4
my heart7
shall not reproach6
me so long as I live.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Mijn vijandH341 zijH1961 als de goddelozeH7563, en die zich tegen mij opmaaktH6965, als de verkeerdeH5767.
Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.
KJV
Let mine enemy3
be as the wicked,2
and he that riseth up4
against me as the unrighteous.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WantH3588 watH4100 is de verwachtingH8615 des huichelaarsH2611, alsH3588 hij zal gierigH1214 geweest zijn, wanneer GodH433 zijn zielH5315 zal uittrekkenH7953?
Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?
KJV
For what is the hope3
of the hypocrite,4
though he hath gained,6
when God9
taketh away8
his soul?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Zal GodH410 zijn geroepH6818 horenH8085, alsH3588 benauwdheidH6869 overH5921 hem komtH935?
Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
KJV
Will God3
hear2
his cry1
when trouble7
cometh
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Zal hij zich verlustigenH6026 in den AlmachtigeH7706? Zal hij GodH433 aanroepenH7121 te allerH3605 tijdH6256?
Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
KJV
Will he delight4
himself in the Almighty?3
will he always8
call5
upon God?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Ik zal ulieden lerenH3384 van de handH3027 GodsH410; watH834 bijH5973 den AlmachtigeH7706 is, zal ik nietH3808 verhelenH3582.
Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.
KJV
I will teach1
you by the hand3
of God:4
that which is with the Almighty7
will I not conceal.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
ZietH2005, gij zelveH859 allenH3605 hebt het gezien; en waaromH4100 wordt gij dusH2088 door ijdelheidH1892 verijdeldH1891?
Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
KJV
Behold, all ye yourselves have seen4
it; why then are ye thus altogether7
vain?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
DitH2088 is het deelH2506 des goddelozenH7563 mensenH120 bijH5973 GodH410, en de erveH5159 der tirannenH6184, die zij van den AlmachtigeH7706 ontvangenH3947 zullen.
Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen.
KJV
This is the portion2
of a wicked4
man3
with God,6
and the heritage7
of oppressors,8
which they shall receive10
of the Almighty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
IndienH518 zijn kinderenH1121 vermenigvuldigenH7235, het is ten zwaardeH2719; en zijn spruitenH6631 zullen van broodH3899 nietH3808 verzadigdH7646 worden.
Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden.
KJV
If his children3
be multiplied,2
it is for4
the sword:5
and his offspring6
shall not be satisfied8
with bread.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Zijn overgeblevenenH8300 zullen in den doodH4194 begravenH6912 worden, en zijn weduwenH490 zullen nietH3808 wenenH1058.
Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen.
KJV
Those that remain1
of him shall be buried3
in death:2
and his widows4
shall not weep.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Zo hij zilverH3701 opgehooptH6651 zal hebben als stofH6083, en kledingH4403 bereidH3559 als leemH2563;
Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem;
KJV
Though he heap up2
silver4
as the dust,3
and prepare6
raiment7
as the clay;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Hij zal ze bereidenH3559, maar de rechtvaardigeH6662 zal ze aantrekkenH3847, en de onschuldigeH5355 zal het zilverH3701 delenH2505.
Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen.
KJV
He may prepare1
it, but the just2
shall put it on,3
and the innocent5
shall divide6
the silver.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Hij bouwtH1129 zijn huisH1004 als een motteH6211, en als een hoederH5341 de hutteH5521 maaktH6213.
Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.
KJV
He buildeth1
his house3
as a moth,2
and as a booth4
that the keeper6
maketh.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
RijkH6223 ligt hij nederH7901, en wordt niet weggenomenH622; doet hij zijn ogenH5869 openH6491, zo is hij er niet.
Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet.
KJV
The rich1
man shall lie down,2
but he shall not be gathered:4
he openeth6
his eyes,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
VerschrikkingenH1091 zullen hem als waterenH4325 aangrijpenH5381; des nachtsH3915 zal hem een wervelwindH5492 wegstelenH1589.
Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.
KJV
Terrors3
take hold1
on him as waters,2
a tempest6
stealeth him away5
in the night.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
De oostenwindH6921 zal hem wegvoerenH5375, dat hij henengaatH3212, en zal hem wegstormenH8175 uit zijn plaatsH4725.
De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.
KJV
The east2
wind carrieth him away,1
and he departeth:3
and as a storm hurleth4
him out of his place.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En God zal dit overH5921 hem werpenH7993, en nietH3808 sparenH2550; van Zijn handH3027 zal hij snellijkH1272 vliedenH1272.
En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden.
KJV
For God shall cast1
upon him, and not spare:4
he would fain6
flee7
out of his hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Een ieder zal over hem met zijn handenH3709 klappenH5606, en over hem fluitenH8319 uit zijn plaatsH4725.
Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats.
KJV
Men shall clap1
their hands3
at him, and shall hiss4
him out of his place.
ging voort
Te weten, nadat hij een weinig gezwegen had, verwachtende antwoord van zijn vrienden.
Hertaald:
ging voort
Namelijk: nadat hij een tijdje gezwegen had, in afwachting van antwoord van zijn vrienden.
spreuk
Vergelijk Num. 23:7 , en 1 Kon. 4:32 , en de aantekening.
Hertaald:
spreuk
Vergelijk Num. 23:7, en 1 Kon. 4:32, en de aantekening.
Die
Dat is, die mijn goede zaak, die ik tegen mijn vrienden heb, schijnt opgeschort en uit de hand gelegd te hebben om geen kennis daarvan te nemen en die door zijn oordeel af te handelen.
Hertaald:
Die
Dat is: die mijn goede zaak, die ik tegen mijn vrienden heb, lijkt te hebben opgeschort en terzijde gelegd, om er geen kennis van te nemen en die door Zijn oordeel af te handelen.
bitterheid
Dat is, zeer scherpe droefheid aangebracht. Vergelijk Ruth 1:20 , en 2 Kon. 4:27 , en de aantekening.
Hertaald:
bitterheid
Dat is: zeer scherpe droefheid toegebracht. Vergelijk Ruth 1:20, en 2 Kon. 4:27, en de aantekening.
adem
Versta, door den adem en het geblaas Gods in des mensen neus, het leven des mensen en de ziel, waardoor het lichaam leeft. Vergelijk Gen. 2:7 , en 1 Kon. 17:17 met de aantekening, en Jes. 2:22 .
Hertaald:
adem
Versta hieronder, door de adem en het blazen van God in de neus van de mens, het leven van de mens en de ziel, waardoor het lichaam leeft. Vergelijk Gen. 2:7, en 1 Kon. 17:17 met de aantekening, en Jes. 2:22.
geblaas Gods
Zie de voorgaande aantekening.
Hertaald:
geblaas Gods
Zie de voorgaande aantekening.
zal uitspreken
Voeg hierbij, dat mij God straffe, of wee mij, enz. Zie Gen. 14:23 .
Hertaald:
zal uitspreken
Voeg hierbij: dat God mij strafe, of: wee mij, enzovoort. Zie Gen. 14:23.
Het zij verre
Anders, het zij mij een onrein ding, indien ik ulieden rechtvaardig, totdat ik den geest geve.
Hertaald:
Het zij verre
Anders: het zij mij een onrein ding, als ik u rechtvaardig, totdat ik de geest geef.
rechtvaardigen zou;
Zie van de betekenis van dit woord Gen. 44:16 .
Hertaald:
rechtvaardigen zou;
Zie over de betekenis van dit woord Gen. 44:16.
totdat
Dat is, zolang als ik leven zal; hetwelk naar de manier van spreken der Heilige Schrift zoveel is als nimmermeer; zie Gen. 28:15 .
Hertaald:
totdat
Dat is: zolang ik leven zal; wat volgens de manier van spreken van de Heilige Schrift zoveel is als: nooit meer; zie Gen. 28:15.
mijn oprechtigheid
Dat is, niet nalaten tegen alle beschuldigingen te verdedigen.
Hertaald:
mijn oprechtigheid
Dat is: niet nalaten mijn oprechtheid tegen alle beschuldigingen te verdedigen.
gerechtigheid
Te weten, van mijn onstrafbaar leven voor de mensen en mijn goede conscientie voor God, zoveel aangaat de zonden, waarmede ik bezwaard word.
Hertaald:
gerechtigheid
Namelijk: van mijn onberispelijke leven voor de mensen en mijn goede geweten voor God, wat betreft de zonden waarmee ik belast word.
zal die
Dat is, in geen gevaar laten komen, en over haar verdediging zorgeloos zijn. Alzo betekent het Hebreeuwse woord versmaden enige zaak door kleinachting in gevaar stellen en onbeschermd laten; Richt. 5:18 ; 2 Sam. 23:9 .
Hertaald:
zal die
Dat is: niet in gevaar laten komen, en niet zorgeloos zijn over de verdediging ervan. Zo betekent het Hebreeuwse woord versmaden: iets door minachting in gevaar brengen en onbeschermd laten; Richt. 5:18; 2 Sam. 23:9.
van mijn dagen
Dat is, mijn leven lang. Of, vanwege mijn [vorige] dagen; dat is, uit oorzaak van mijn voorgaand leven, te weten, alsof ik een huichelaar of goddeloos mens geweest ware.
Hertaald:
van mijn dagen
Dat is: mijn hele leven lang. Of: vanwege mijn [vroegere] dagen; dat is: vanwege mijn vroegere leven, namelijk alsof ik een huichelaar of goddeloos mens geweest was.
zij als
Dat is, worde daarvoor gehouden; want het is goddeloosheid en verkeerdheid, den onschuldige te veroordelen; of: zo haat ik de goddeloosheid, dat ik mijn vijanden die toewens. Zie een gelijke manier van spreken 2 Sam. 18:32 . Of, zal zijn; dat is, zover vandaar is het, dat ik een booswicht ben, dat zij, die mij daarvoor ten onrechte houden, voor zulken bevonden zullen worden. Zie onder, Job 42:7 .
Hertaald:
zij als
Dat is: worde daarvoor gehouden; want het is goddeloosheid en verkeerdheid om een onschuldige te veroordelen; of: zo zeer haat ik de goddeloosheid, dat ik die mijn vijanden toewens. Zie een soortgelijke manier van spreken 2 Sam. 18:32. Of: zal zijn; dat is: het is zo ver bezijden de waarheid dat ik een booswicht ben, dat zij die mij daar ten onrechte voor houden, zelf als zodanig bevonden zullen worden. Zie hieronder Job 42:7.
huichelaars,
Versta, gene. Het is een vraag, die sterkelijk loochent. Vergelijk Gen. 18:17 . Job bewijst hiermede dat hij geen huichelaar was, omdat zijn verwachting gans goed en in God gegrondvest was. Zie boven, Job 13:15-16 , en Job 19:25-27 .
Hertaald:
huichelaars,
Versta hieronder: geen. Het is een vraag die krachtig ontkent. Vergelijk Gen. 18:17. Job bewijst hiermee dat hij geen huichelaar was, omdat zijn verwachting geheel goed was en op God gegrondvest. Zie hierboven Job 13:15-16, en Job 19:25-27.
uittrekken?
Of, ontbinden; te weten, uit zijn lichaam door den dood. Een bewijs van de onsterfelijkheid der ziel. Vergelijk Gen. 35:18 , en de aantekening, 1 Kon. 19:4 ; Jona 4:3 ; Luc. 12:20 .
Hertaald:
uittrekken?
Of: ontbindt; namelijk uit zijn lichaam door de dood. Een bewijs van de onsterfelijkheid van de ziel. Vergelijk Gen. 35:18, en de aantekening, 1 Kon. 19:4; Jona 4:3; Luk. 12:20.
zijn geroep
Te weten, des huichelaars en goddelozen, met welken ik geen gemeenschap heb, dewijl Hij mij verhoort, ik mij in hem vermaak en hem aanroep. Zie boven, Job 6:10 , en Job 12:4 , en Job 13:16 , en Job 19:25-26 .
Hertaald:
zijn geroep
Namelijk: van de huichelaar en goddeloze, met wie ik geen gemeenschap heb, aangezien Hij mij verhoort, ik mij in Hem verheug en Hem aanroep. Zie hierboven Job 6:10, en Job 12:4, en Job 13:16, en Job 19:25-26.
van de hand Gods;
Dat is, wat aangaat de hand Gods. De Hebreeuwse letter beth wordt ook voor van genomen Ex. 12:43-45 ; Ps. 87:3 . Versta hier door de hand Gods zijn besluit en deszelfs uitvoering; alzo Hand. 4:28 .
Hertaald:
van de hand Gods;
Dat is: wat betreft de hand van God. De Hebreeuwse letter beth wordt ook gebruikt voor van, Ex. 12:43-45; Ps. 87:3. Versta hier met de hand van God Zijn besluit en de uitvoering ervan; zo ook Hand. 4:28.
hebt het gezien;
Dat is, door ervaring bevonden wat ik verhaald heb en nog verhalen zal van de regering, die God houdt omtrent de vromen en onvromen.
Hertaald:
hebt het gezien;
Dat is: door ervaring vastgesteld wat ik verteld heb en nog zal vertellen over het bestuur dat God voert over de vromen en de onvromen.
ijdelheid
Dat is, onverstandigheid, waardoor zij van het voorgemelde niet recht oordeelden noch spraken.
Hertaald:
ijdelheid
Dat is: onverstandigheid, waardoor zij over het voorgaande niet juist oordeelden of spraken.
verijdeld?
Dat is, verdwaald en verdwaasd in uw bedenkingen en redenen.
Hertaald:
verijdeld?
Dat is: verdwaald en verdwaasd in uw overwegingen en argumenten.
is het deel
Te weten, dat ik nu voordragen zal. Job stemt zijnen vrienden toe dat de bozen hier bij wijle mede gestraft worden, gelijk hij ook dat niet geloochend had, hebbende alleen geleerd dat zij meest in voorspoed leven en van algemene plagen vrij gaan.
Hertaald:
is het deel
Namelijk: dat ik nu zal voordragen. Job stemt met zijn vrienden in dat de bozen hier soms ook gestraft worden, wat hij ook niet ontkend had, maar hij had alleen geleerd dat zij meestal in voorspoed leven en vrij blijven van algemene plagen.
zijn kinderen
Te weten, van den boze.
Hertaald:
zijn kinderen
Namelijk: van de boze.
ten zwaarde;
Dat is, om ellendiglijk door de hand der vijanden, of der overheid, of anderen een geweldigen dood te sterven.
Hertaald:
ten zwaarde;
Dat is: om ellendig door de hand van vijanden, of van de overheid, of van anderen een gewelddadige dood te sterven.
spruiten
Dat is, kinderen en nakomelingen. Zie boven, Job 5:25 .
Hertaald:
spruiten
Dat is: kinderen en nakomelingen. Zie hierboven Job 5:25.
van brood
Dat is, vergaan van honger. Van het tegendeel, hetwelk allermeest geschiedt, zie Ps. 17:14 .
Hertaald:
van brood
Dat is: omkomen van honger. Zie over het tegenovergestelde, wat het meest gebeurt, Ps. 17:14.
overgeblevenen
Die van het zwaard en den honger overig zijn.
Hertaald:
overgeblevenen
Die van het zwaard en de honger overblijven.
in den dood
Dat is, zij zullen zo in het graf geraken, dat hun gedachtenis mede zal begraven worden, als onwaardig en stinkende bij de mensen. Vergelijk Ps. 49:13 .
Hertaald:
in den dood
Dat is: zij zullen zo in het graf terechtkomen dat hun nagedachtenis mee begraven zal worden, als onwaardig en stinkend bij de mensen. Vergelijk Ps. 49:13.
niet wenen
Te weten, in derzelver begrafenis, en dat om de gedachtenis van hun grote boosheid; of, omdat zij niet statelijk begraven zouden worden.
Hertaald:
niet wenen
Namelijk: bij hun begrafenis, en dat vanwege de herinnering aan hun grote boosheid; of omdat zij niet plechtig begraven zouden worden.
Hij bouwt
Hij vergelijkt den goddeloze bij een mot, die voor zich een zacht huisje maakt in kostelijk gewaad, waaruit zij haast verdreven wordt, om alzo zijn onzekeren en licht vergaanden voorspoed aan te wijzen. Vergelijk boven, Job 8:14 .
Hertaald:
Hij bouwt
Hij vergelijkt de goddeloze met een mot, die voor zichzelf een zacht huisje maakt in kostbare stof, waaruit hij snel verdreven wordt, om zo zijn onzekere en snel vergankelijke voorspoed aan te tonen. Vergelijk hierboven Job 8:14.
hoeder
Of, als eenhut, [die] de hoeder maakt. Een andere gelijkenis, die tenzelfden einde dient, genomen van een hoeder, die gesteld is om enig gewas of beesten te wachten, die wel een hut tot zijn gemak lichtelijk opmaakt, maar daarna haastelijk verlaten moet, omdat zijn werk ophoudt of de hut vervalt.
Hertaald:
hoeder
Of: als een hut die de bewaker maakt. Een andere vergelijking die hetzelfde doel dient, ontleend aan een bewaker die is aangesteld om gewassen of vee te bewaken, en die wel gemakkelijk een hut opzet voor zijn gemak, maar die daarna snel moet verlaten, omdat zijn werk ophoudt of de hut vervalt.
neder,
Te weten, om te slapen. Alzo wordt het woord nederliggen genomen Gen. 19:4 ; zie de aantekening. Anders, de rijke zal nederliggen, dat is sterven, en niet vergaderd worden, te weten, tot zijne volken, dat is, niet begraven worden.
Hertaald:
neder,
Namelijk: om te slapen. Zo wordt het woord neerliggen gebruikt, Gen. 19:4; zie de aantekening. Anders: de rijke zal neerliggen, dat is sterven, en niet verzameld worden, namelijk bij zijn volken, dat is: niet begraven worden.
weggenomen;
Te weten, door den dood, dat is, hij sterft nog niet. Zie Ps. 26:9 . Anders, als er niet weggenomen is; te weten, door de dieven of rovers.
Hertaald:
weggenomen;
Namelijk: door de dood, dat is: hij sterft nog niet. Zie Ps. 26:9. Anders: als er niets is weggenomen; namelijk door dieven of rovers.
doet hij
Dat is, wordt hij des nachts wakker, niet denkende op enige zwarigheid, zo komt hem in der haast en onvoorziens het verderf over, gelijk in het volgende verklaard wordt. Anders, als hij zijn ogen opent, zo is er niet; dat is, hij vindt zich in een nacht van al zijn goed beroofd.
Hertaald:
doet hij
Dat is: wordt hij 's nachts wakker, zonder aan enig gevaar te denken, dan overkomt hem plotseling en onverwacht het verderf, zoals in het vervolg wordt uitgelegd. Anders: als hij zijn ogen opent, dan is er niets meer; dat is: hij ontdekt dat hij in één nacht al zijn bezit kwijt is.
als wateren
Te weten, die met geweld ergens inbrekende, alles met zich wegrukken. Tegenheden en ellenden worden bij wateren vergeleken. Zie 2 Sam. 22:17 , en boven, Job 22:11 .
Hertaald:
als wateren
Namelijk: die met geweld ergens binnendringen en alles met zich meesleuren. Tegenspoed en ellende worden met wateren vergeleken. Zie 2 Sam. 22:17, en hierboven Job 22:11.
des nachts
Dat is, het ongeluk zal hem onvoorziens en met geweld overvallen. De schrikkelijke oordelen Gods geschieden dikwijls des nachts; Ex. 12:29 , en Ex. 14:24 ; 2 Kon. 19:35 ; Jes. 15:1 ; Dan. 5:30 ; Matt. 25:6 .
Hertaald:
des nachts
Dat is: het ongeluk zal hem onverwacht en met geweld overvallen. De verschrikkelijke oordelen van God vinden vaak 's nachts plaats; Ex. 12:29, en Ex. 14:24; 2 Kon. 19:35; Jes. 15:1; Dan. 5:30; Matth. 25:6.
een wervelwind
Zie van deze gelijkenis breder Job 9:17 , en Job 21:18 .
Hertaald:
een wervelwind
Zie over deze vergelijking uitvoeriger Job 9:17, en Job 21:18.
oostenwind
Hij vergelijkt bij dezen wind [die in die landen zeer fel, geweldig en schadelijk was] de gramschap Gods; zie Ex. 10:13 .
Hertaald:
oostenwind
Hij vergelijkt met deze wind [die in die landen zeer fel, hevig en schadelijk was] de toorn van God; zie Ex. 10:13.
uit zijn plaats
Dat is, uit zijn aanzien, huis, rijkdom, gemak en waardigheid. Vergelijk boven, Job 8:18 .
Hertaald:
uit zijn plaats
Dat is: uit zijn positie, huis, rijkdom, gemak en waardigheid. Vergelijk hierboven Job 8:18.
dit
Te weten, de voorgemelde en derzelver gelijke straffen.
Hertaald:
dit
Namelijk: de eerder genoemde straffen en dergelijke.
hem werpen,
Te weten, den goddeloze.
Hertaald:
hem werpen,
Namelijk: de goddeloze.
snellijk vlieden
Hebreeuws, vliedende vlieden; te weten, als hij zich zal gevoelen van God geplaagd te zijn.
Hertaald:
snellijk vlieden
Hebreeuws: vluchtend vlieden; namelijk wanneer hij zal voelen dat hij door God geplaagd wordt.
Een ieder
Te weten, die hem in zijn ongeluk zal zien en verstoten uit zijn plaats.
Hertaald:
Een ieder
Namelijk: wie hem in zijn ongeluk zal zien en verdreven uit zijn positie.
handen klappen,
Te weten, tot een teken dat men hem veracht en bespot. Alzo Klaagl. 2:15 ; Ezech. 25:6 ; Sef. 2:15 .
Hertaald:
handen klappen,
Namelijk: als teken dat men hem veracht en bespot. Zo ook Klaagl. 2:15; Ezech. 25:6; Sef. 2:15.
over hem
Zie 1 Kon. 9:8 .
Hertaald:
over hem
Zie 1 Kon. 9:8.
zijn plaats
Te weten, desgenen die schuifelt, of des goddelozen, waarover geschuifeld wordt.
Hertaald:
zijn plaats
Namelijk: van degene die fluit, of van de goddeloze, over wie gefloten wordt. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een oprecht en godvrezend man uit het land Uz, zeer rijk aan vee en kinderen. Op aanstoken van de satan liet God zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte zijn eigen gezondheid treffen, om zijn oprechtheid op de proef te stellen; ondanks alles zondigde Job niet en bleef hij aan God vasthouden. Het boek dat zijn naam draagt beschrijft zijn lijden, de gesprekken met zijn drie vrienden over de reden van zijn lijden, Gods antwoord vanuit de storm, en zijn uiteindelijke herstel (Job 1-42). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Job heft opnieuw zijn spreuk op en begint met een eed. Zo waarachtig als God leeft, Die zijn recht heeft weggenomen en zijn ziel bitterheid heeft aangedaan (Job 27:2). Zolang zijn adem in hem is en de adem van God in zijn neus, zullen zijn lippen geen onrecht spreken en zijn tong geen bedrog (Job 27:3-4). Dan volgt zijn weigering. Het zij verre van hem dat hij zijn vrienden gelijk zou geven; tot zijn laatste adem zal hij zijn oprechtheid niet wegdoen (Job 27:5). Aan zijn gerechtigheid houdt hij vast en hij laat haar niet varen; zijn hart zal hem daarover geen verwijt maken zolang hij leeft (Job 27:6). Bijbelse betekenis: Het eerste dat opvalt, is bij Wie Job zweert. Hij zweert bij de God Die naar zijn eigen woorden zijn recht heeft weggenomen. Wie zo spreekt, heeft God niet losgelaten; hij houdt Hem juist vast op het punt waar het hem het meest pijn doet. Zijn weigering is bovendien geen hoogmoed. Het zou hem heel wat rust hebben gescheeld om te zeggen dat zijn vrienden gelijk hadden en een schuld te bekennen die hij niet kent. Job weigert dat, en de reden is eenvoudig: het zou een leugen zijn. Een bekentenis die niet waar is, is voor God geen gehoorzaamheid. Wel moet erbij gezegd worden dat Job hier dicht bij de grens komt. Hij houdt vast aan zijn gerechtigheid, en later zal hij erkennen dat hij gesproken heeft wat hij niet begreep (Job 42:3). Zijn geweten was zuiver, en toch was hij geen mens zonder zonde; die twee sluiten elkaar niet uit. Typologie: Paulus kende dezelfde soort zekerheid over zijn eigen wandel: "hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen" (Hand. 24:16). Elders noemt hij dat zijn roem, namelijk "de getuigenis van ons geweten" (2 Kor. 1:12). Zo'n getuigenis is geen grond om zalig te worden, maar het is wel iets wat een mens in de aanvechting overeind houdt. Job 27:1-6; Job 42:3; Hand. 24:16; 2 Kor. 1:12 Job zegt dat hij zijn vrienden zal leren over de hand van God, en dat hij niets zal verzwijgen (Job 27:11). Zij hebben het immers zelf gezien; waarom praten zij dan zo ijdel (Job 27:12)? Dan noemt hij het deel van de goddeloze mens bij God, en zijn beschrijving lijkt sprekend op die van Zofar. Vermenigvuldigen zijn kinderen, dan is het voor het zwaard, en zijn nakomelingen zullen geen brood genoeg hebben (Job 27:14). Hoopt hij zilver op als stof, dan zal de rechtvaardige het aantrekken en de onschuldige het zilver delen (Job 27:16-17). Hij bouwt zijn huis zo licht als het web van een mot (Job 27:18). Rijk legt hij zich neer, en wanneer hij zijn ogen opent, is hij er niet meer (Job 27:19). Verschrikkingen grijpen hem aan als wateren, en de oostenwind voert hem weg uit zijn plaats (Job 27:20-21). Voorafgaand daaraan stelt hij de vraag die het gedeelte draagt: wat is de verwachting van de huichelaar wanneer God zijn ziel uittrekt (Job 27:8)? Zal God zijn geroep horen als de benauwdheid komt (Job 27:9)? Bijbelse betekenis: Dit gedeelte wordt vaak als een tegenstrijdigheid gelezen, want Job zegt hier bijna hetzelfde als de mannen die hij bestrijdt. Toch is er geen tegenspraak, en het is van belang dat scherp te zien. Job ontkent nooit dat God het kwaad vergeldt en dat het met de goddeloze slecht afloopt. Wat hij ontkent, is dat men die regel kan omkeren en uit iemands ellende zijn schuld kan aflezen. De leer klopt; de gevolgtrekking van zijn vrienden niet. Let ook op de vraag in Job 27:8-10. Het onderscheid tussen de huichelaar en de oprechte ligt bij Job niet in hun voorspoed maar in hun gebed. De huichelaar roept pas als de benauwdheid komt en verlustigt zich niet in de Almachtige. Job doet in dit hele boek juist het tegendeel: hij roept, ook als hij geen antwoord krijgt. Typologie: De psalm noemt datzelfde onderscheid en legt het bij het hart: "Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde" (Ps. 73:25). Wie God alleen om Zijn gaven aanroept, verliest zijn stem zodra de gaven wegvallen; wie Hem om Hemzelf zoekt, roept juist dan. Job 27:7-23; Ps. 73:25 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het gebed is een even goede toets van het geestelijke leven en de geestelijke gezondheid als de puls van de toestand van het menselijke lichaam. © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Job 27
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten


Job 27
Job 27:1-4.KruisverwijzingenJob 34:5→Job 33:4→Genesis 2:7→Job 29:1→Numeri 24:15→Numeri 23:7→Numeri 14:21→2 Koningen 4:27→
— En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide: Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan! Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus; Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
Gedenk dat Jobs vrienden hem beschuldigd hadden een grote zonde bedreven te hebben, wat zijn grote smarten zou verklaren. De goede man is daarover natuurlijk zeer verontwaardigd, en hij gebruikt de sterkst mogelijke taal om met afgrijzen de beschuldigingen van zich af te werpen die zij in de dag van zijn smart tegen hem inbrachten. Hij gevoelde dat het goddeloos voor hem zou zijn te bekennen wat hij nooit gedaan had; het zou bedrog van hem zijn misdaden te erkennen die hij nooit bedreven had. Daarom betuigt hij hoogst plechtig, bij de levende God, dat hij die valsheid nooit over zijn lippen zal laten komen. Hij had niet tegen God overtreden op de wijze die zijn vrienden insinueerden, en hij zou niet toegeven dat hij het gedaan had.
Job 27:5.KruisverwijzingenJob 2:9→Job 13:15→Job 42:7→Galaten 2:11→Spreuken 17:15→Job 32:3→Job 29:14→Deuteronomium 25:1→
— Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.
Wij zijn gehouden bij de waarheid te blijven. Niemand is het toegestaan zich met een geveinsde nederigheid voor te doen als wat hij niet is. Job had zover zoals in het opkomen voor de oprechtheid van zijn karakter, want hij was een man van zo een vroomheid dat zelfs de duivel geen aanmerking op hem kon maken. Hij was zo een heilig mens dat God tot de satan kon zeggen: Hebt gij niet aangemerkt Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. En alles wat de duivel kon doen was insinueren dat hij een zelfzuchtige beweegreden had voor zijn goedheid. Toch was Job, hoe vroom hij ook was, nooit zó recht dat er geen mengeling van onrecht bij zijn recht was. Iemand kan heel gemakkelijk eigengerechtig worden wanneer hij zijn eigen karakter verdedigt; er kan een gebrek zijn aan het toegeven van niet-bemerkte fouten; er kan een blindheid zijn voor fouten die wel bemerkt hadden moeten worden; en iets van die onvolkomenheid was zonder twijfel ook in de aartsvader.
Job 27:6.KruisverwijzingenJob 2:3→Handelingen 24:16→1 Johannes 3:20→2 Korinthe 12:11→Spreuken 4:13→Psalmen 18:20→
— Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.
Daar ging Job te ver, want hij had God nog niet gezien zoals hij Hem later zag. Voor de mensen was er niets waarover hij zich te verwijten had; maar hoe veranderde hij van toon toen God nabij hem kwam! Toen zei hij: Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as. Wisten wij meer van God, dan zouden wij minder van onszelf denken. Hadden zij die zich volmaakt achten enig begrip van wat volmaaktheid is, dan zou hun schoonheid in hen tot verderf worden.
Job 27:7-8.KruisverwijzingenMattheüs 16:26→Lukas 12:20→Job 8:13→Job 11:20→2 Samuël 18:32→1 Samuël 25:26→Daniël 4:19→Job 31:3→
— Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde. Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?
Dat is een heel ernstige, doordringende vraag: als iemand met God een dubbel spel tracht te spelen, als hij een huichelaar is, en als hij door zijn huichelarij alles verkrijgen zou wat hij tracht te verkrijgen — namelijk aanzien bij de mensen — wat is dan zijn hoop wanneer God zijn ziel zal uittrekken? Dan is zijn hoop in schrik veranderd, want hij moet staan voor Hem Die niet bedrogen kan worden, maar Die hem door en door leest en hem wegwerpt omdat hij het gewaagd heeft zijn Maker te beledigen door de alwetendheid te willen bedriegen. O, mogen u en ik nooit de rol van de huichelaar spelen! Er kan geen dwazer zaak zijn, en er kan geen goddelozer zaak zijn.
Job 27:9.KruisverwijzingenJeremia 14:12→Micha 3:4→Spreuken 1:28→Jesaja 1:15→Job 35:12→Psalmen 18:41→Ezechiël 8:18→Jeremia 11:11→
— Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
Dat is een van de toetsstenen van de huichelaar: zal God zijn geroep horen wanneer de benauwdheid over hem komt? Zal de huichelaar wel tot God roepen? Zal hij zelfs zijn belijdenis van de godsdienst niet opgeven wanneer hij zijn voorspoed verliest? En als hij roept, zal God dan de dubbeltongige mens horen?
Job 27:10.KruisverwijzingenPsalmen 37:4→Job 22:26→Psalmen 78:34→Habakuk 3:18→Lukas 18:1→Efeze 6:18→1 Thessalonicenzen 5:17→Mattheüs 13:21→
— Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
De huichelaar is vaak een buitengewoon fijne nabootsing van de christen; voor de gewone beschouwer is hij zo goed nagemaakt dat hij geheel aan de verdenking ontkomt. Zoals valse munten die listig gemaakt zijn kunt u ze nauwelijks onderscheiden; alleen door nauwkeuriger onderzoek kunt u ontdekken dat zij niet echt zijn. Het zou moeilijk te zeggen zijn hoe nauw iemand op een christen kan lijken en toch geen “nieuw schepsel” in Christus zijn, of hoe nauwkeurig hij alle deugden kan nabootsen en tegelijk niets van de vruchten van de Geest bezitten voor een hartenkennende God.
In het onderscheiden tussen heiligen en huichelaars is het gebed één grote toetssteen. Het gebed is een even goede toets van het geestelijke leven en de geestelijke gezondheid als de puls van de toestand van het menselijke lichaam. En toch mag de huichelaar de daad van het bidden nabootsen terwijl hij de geest van het gebed niet werkelijk bezit. Dus is hier een toets voor de toets, een proef zelfs voor het gebed zelf: zal hij God te allen tijde aanroepen? Dat is de vraag. Hij roept God nu aan, en hij schijnt hoogst godvruchtig te zijn; hij zegt dat hij in de laatste opwekking bekeerd is; hij is hartstochtelijk in zijn uitdrukkingen. Maar zal het duren? Zal het slijten? Zal het volhouden? Zijn biddende gestalte is opgekomen als de wonderboom van Jona in één nacht; zal zij in één nacht vergaan? Zij is schoon om aan te zien, als de vroege dauw die in het zonlicht glinstert, maar zal zij als die dauw vergaan? Of zal zij altijd blijven?
Geliefde, verlustigt u zich in God? Bewondert u Hem werkelijk, hebt u Hem lief, zoekt u Hem te verheerlijken? Dan bent u geen huichelaar, want geen huichelaar heeft ooit vermaak in de godsdienst gevonden, en in het bijzonder heeft geen huichelaar ooit vermaak in God Zelf gevonden. “Zal hij God aanroepen te aller tijd?” Nee, er zijn bepaalde tijden waarin hij zal ophouden te bidden. Het vermaak betovert hem, en hij zal niet bidden; of misschien is hij zo ontmoedigd en vertwijfeld dat hij niet kan bidden. Er zijn tijden waarin de huichelaar het bidden opgeeft, maar de christen kan het niet opgeven; het is zijn levensadem, hij móét bidden. Geen smart is zo diep dat zij hem ervan afhoudt; geen vreugde is zo betoverend dat zij hem van het gebed weglokt. O, dat ieder van ons zichzelf mocht onderzoeken en zien of wij die eigenschappen bij ons gebed hebben die zullen bewijzen dat wij geen huichelaars zijn!
Job 27:11-14.KruisverwijzingenDeuteronomium 28:41→Job 6:10→Job 20:19→Lukas 23:29→Job 20:10→Deuteronomium 4:5→Job 4:3→Psalmen 71:17→
— Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen. Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld? Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen. Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden.
Beter is, zoals de kanttekening het geeft: “Ik zal ulieden leren van de hand Gods.” Zelf gekastijd en de onderwijzing van God ondervindend, zegt Job tot zijn vrienden: “Ik zal u onderwijzen.” En bezoekt God de huichelaar niet met straf in zijn eigen persoon, dan zal die zeker op het volgende geslacht vallen.
Job 27:15-18.KruisverwijzingenPsalmen 78:64→Zacharia 9:3→Spreuken 13:22→Prediker 2:26→Job 8:14→Jesaja 1:8→Spreuken 28:8→1 Koningen 21:21→
— Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen. Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem; Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen. Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.
“Hij bouwt zijn huis als een motte”, die haar woning in het kleed maakt; maar de borstel van de dienstmaagd slaat het er alles uit en verdelgt de kinderen van de motte ook. “En als een hut, die de wachter maakt”: het huis van de huichelaar is niet beter dan die kleine loods die de wachter van een wijngaard van een paar takken of matten opzet om eronder te zitten tegen de hitte van de zon. God bewaar ons ervoor zo een slechte bouwer te zijn! Mogen wij een huis bouwen dat op de steenrots gegrond is!
Job 27:19.KruisverwijzingenJeremia 8:2→Job 24:24→Job 14:10→Job 21:23→Job 14:12→Job 21:30→Mattheüs 23:37→Psalmen 73:19→
— Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet.
De huichelaar is rijk geworden door onderdrukking, hij is groot geworden in het land door zijn huichelarij; maar hij daalt haastig ten grave. God ziet hem aan, en hij is heen.
Job 27:20.KruisverwijzingenJob 15:21→Job 18:11→Job 20:23→Job 20:8→Daniël 5:30→2 Koningen 19:35→Psalmen 69:14→Job 34:20→
— Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.
Dit is een gelijkluidend woord met dat van onze Heere: Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van datzelve huis was groot.
Job 27:21-22.KruisverwijzingenPsalmen 83:15→Job 21:18→Exodus 9:23→Jeremia 18:17→Job 7:10→Hosea 13:15→Nahum 1:3→Psalmen 58:9→
— De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats. En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden.
Dit zijn uw groten, uw hoogmoedigen, uw sterken die niets vrezen en die hun eigen leven voor de komende twintig jaar met zekerheid zouden willen verzekeren; zie hoe zij heengaan. Schaduwen zijn niet vluchtiger, een arme motte is niet gemakkelijker te verpletteren. De mens zou aan God ontvluchten als hij kon. Het was Jobs eer, zoals wij zojuist lazen, dat hij in Gods hand was; maar de huichelaar zou graag uit Gods hand vluchten, en dat is geheel onmogelijk.
Job 27:23.KruisverwijzingenKlaagliederen 2:15→Sefanja 2:15→Openbaring 18:20→Esther 9:22→Spreuken 11:10→1 Koningen 9:8→Jeremia 19:8→Micha 6:16→
— Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats.
Zo een schande zal ten laatste over de huichelaar uitgegoten worden dat alle mensen het vonnis van God zullen onderschrijven dat hem veroordeelt; en schaamte en eeuwige verachting zullen zijn deel zijn. De Heere verlosse ons allen van zo een verschrikkelijk lot, om Christus’ wil!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Nu de vrienden te zamen verstomd zijn, verkrijgt Job tegenover hen zijne volle rust weer, en houdt nu tot hen allen ene leerrijke en vermanende slotrede, van bijzondere schoonheid en diepte (Hoofdstuk 27 en 28). Vooreerst herhaalt hij ter bevestiging van zijne overwinning nog eens de bewering zijner volkomene onschuld. Als hij zijne zalige gemeenschap met God vervolgens gedenkt gevoelt hij zich gedrongen, om zijne uitspraken over het geluk der goddelozen tot het rechte punt terug te brengen, daar hij door de eenzijdige beweringen zijner vrienden gedwongen, in de hitte van den strijd te ver gegaan was. Hij wil het nu niet meer ontkennen, dat het gewone lot en het uiteinde der goddelozen ongelukkig is, maar wijst hun ook aan, hoe dwaas het van hen is, uit deze beschouwing het besluit te trekken, dat ieder, die zich in ongeluk bevindt, daarom ook een goddeloze moet zijn, daar de oorzaak van het ongeluk toch deze is, dat zij de goddelijke wijsheid niet bezitten, die alleen door godsvrucht te vinden is. Wilde men daarom over het lot van enen mens oordelen, zo is het voor alle dingen nodig, te onderzoeken of hij de godsvrucht kent. -Hoewel Job in deze rede nog den sleutel niet vindt tot de betekenis van het lijden eens vromen, dus ook niet tot die van het zijne, zo komt hij toch weer in ene rechte verhouding tot de vrienden, betoont zich zacht jegens de overwonnenen en biedt hun de hand, om met hen verstandig onderzoek te doen naar de oplossing van het raadsel, dat hen allen bezig houdt. Hij zelf komt nader tot de oplossing, door den verhevenen lof op de “Wijsheid” (Hoofdstuk 28) waardoor hij op nieuw daarvan zeker wordt, dat hij die door godsvrucht de bron der wijsheid kent, ook zeker voor het lot der goddelozen bewaard zal blijven, en door God, de persoonlijke Wijsheid, zelven de openbaring van het doel zijns lijdens ontvangen zal.
I. Vs. 1-10.KruisverwijzingenMattheüs 16:26→Jeremia 14:12→Micha 3:4→Spreuken 1:28→Jesaja 1:15→Job 34:5→Job 33:4→Genesis 2:7→
— En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide: Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan! Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus; Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken! Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen. Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen. Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde. Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken? Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt? Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
Zo waar God leeft, het is zuivere waarheid, wanneer ik u zeg, dat ik geen boosdoener ben, maar in deze ellende nog een goed geweten heb. Wie mij desniettemin tot enen goddeloze wil maken, die bewijst, dat hij zelf zodanig een is. Kan wel ooit een zondaar, zo vol hoop op de rechtvaardiging Gods zijn, terwijl hij den ellendigsten dood tegemoet gaat; zal hij in ellenden zo vasthouden aan dien God, die hem slaat, gelijk gij bij mij ziet?
En Job ging voort tot alle drie de vrienden te zamen te spreken en zijne spreuk 1) op te heffen, en zei:
Niet zonder reden wordt deze en de volgende rede van Job (Hoofdstuk 29 vv.) maschal (spreuk vol wijsheid) genoemd. Het is even als nog heden de Arabieren en ook wel wij gewoon zijn, aan het slot van ene rede of van ene bewijsvoering, ene kernachtige, bijzondere uitspraak uit de ervaring van het eigen hart, of ook van enen bekenden wijze tot samenvatting van al het vroeger gezegde en laatste bevestiging en bezegeling der uitgesprokene waarheid te gebruiken. Zo neemt Job nu, dewijl de oppositie der vrienden tot stilzwijgen is gebracht, na korte pauze het woord, om met hoger recht en duidelijkheid de overtuigingen uit te spreken, welke als gevolgtrekkingen der tot dusver gevoerde redenen in zijn binnenste zich gevormd hebben en zo deze te sluiten.
Zo waarachtig als God leeft 1), die mijn recht, het mij volgens mijne vroomheid toekomende deel, weggenomen heeft, daar Hij mij als enen misdadiger behandelt, en de Almachtige, die mijner ziele bitterheid heeft aangedaan (vgl. (Hoofdstuk 3: 20; 7: 11).
Hier komt het weer zo treffend uit, dat Job een kind van God is. Want toch, hoewel hij God aan de ene zijde beschuldigt als zijn Vervolger, zo klemt hij zich toch aan de andere zijde aan God, als den Rechtvaardige, vast en zweert hij Hem. Job weet, dat die God hem nog eens genadig zal zijn, Zich aan hem openbaren in Zijn Trouw. Wanneer hij God als zijn vervolger beschouwt, dan geschiedt dit tengevolge van de aanvechtingen der ziele.
Het is waarheid, wat ik u met ede bevestigd heb. Ik zal de leugen haten, zolang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods, de van God mij ingeblazen geest des levens, in mijnen neus.
De Heere straffe mij, indien mijne lippen onrecht zullen spreken, en indien mijne tong bedrog zal uitspreken. Het is gene huichelarij, maar zuivere waarheid, wat ik gesproken heb en nogmaals herhalen zal.
Het zij verre van mij, dat ik mij door uwe verwijten en mijne grote ellenden in schrik en verwarring zou laten brengen, dat ik ulieden rechtvaardigen zou, ulieden ten opzichte uwer beschuldigingen gelijk zou geven; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijne oprechtigheid van mij niet wegdoen, nooit en nimmer zal ik toegeven, dat ik mij aan ene bijzondere, grote zonde, de oorzaak van mijn lijden, zou overgegeven hebben.
Aan mijne gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart 1) zal die niet versmaden 2) mij niet beschuldigen enen van mijne dagen, die ik geleefd heb, men zal mij tot zulk ene belijdenis niet brengen, als gij van mij wilt.
Neen, wil Job zeggen, ik zal niet alleen, veeleer het leven, dan mijne oprechtheid verliezen, maar ik wil deze zelf, als mijn doodskleed mede in het graf nemen, en met dezelve, als met mijn mantel van gerechtigheid, met welke ik in mijn Verlosser roemen mag, eens ten genen dage voor Zijn aangezicht verschijnen, om door hem dan ten volle vrijgesproken en gerechtvaardigd te worden.
Zijn geweten en den troost van zijne oprechtheid zou hij tot zijn uiterste blijven vasthouden en verdedigen. God weet, dat hij het altoos wel had gemeend, en zijn eigen hart verweet hem geen verzuim of overtreding van enigen bekenden plicht. Dit was zijn blijdschap en deze kon niemand hem ontroven. Het was dikwijls het lot van oprechte mensen, dat zij bij de huichelaars gerekend en even als dezulken veroordeeld worden, maar het betaamt hem, om zich kloek en stoutelijk tegen zulke beschuldigingen te verzetten, en er niet verlegen of moedeloos onder te worden, of daarom te slechter van hun zelven te denken, maar met den Apostel te zeggen: Wij hebben altoos goeden moed, en een goed geweten in alles, als die in alle dingen eerlijk trachten te wandelen (Hebr. 13: 18).
In het Hebr. Lo-jèchèraf. Niet versmaden, in den zin van, niet van slechtheid beschuldigen. Job ontkent hier niet, dat hij zich in woorden en gedachten onzondig weet, Maar zegt dat zijn geweten hem vrijspreekt van grove zonden, die zijne vrienden als oorzaak van zijne ellende aannemen. Job weet zeer goed, dat hij een zondaar is, dat hij dagelijks zijne zonden voor zijn God heeft te belijden, maar hij weet ook, dat Hij altijd hier na heeft gestaan, om voor God en mensen ene onergelijke consciëntie te behouden.
Niet ik, maar wel mijn vijand, die mij mijne eer en mijne kroon (Hoofdstuk 29: 14) wil roven, zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, die mij belastert en beliegt, als de verkeerde, de ondeugende, die ook een vijand Gods is. Dit is een woord, dat voor alle tijden van het Godsrijk geldende is. Degenen, welke den Heere Jezus Christus tot enen zondaar en godslasteraar maakten of maken, diegenen, die zijne gelovigen om Zijns Naams wil vervolgen, geven daardoor het bewijs, dat zij onbekwaam zijn, om ware gerechtigheid en goddelijke waarheid van de duisternis te onderscheiden, dat zij het licht haten, waarmee zij het goddelijk gericht over zich inroepen.
Nooit kan iemand, die niet zelf van God is afgeweken, mij voor enen goddeloze houden; a) want wat is de verwachting des huichelaars 1), des zondaars, als hij zal gierig geweest zijn 2) en schatten zal opgelegd hebben, wanneer God zijne ziel zal uittrekken, hem in het uur des doods brengt? Kan zulk een zich aan God vasthouden, dien hij reeds lang verliet? Immers neen! En ziet gij dan niet, dat ik ook bij het dreigen des doods de hoop op God niet laat varen (Hoofdstuk 19: 25 vv.)?
Matth. 16: 26. Luk. 12: 20.
Job stelt zich hier tegenover de goddelozen. Hij, de van God geplaagde, de zwaar beproefde heeft zijn verwachting op den Heere nog niet losgelaten. Hij heeft nog zijn vertrouwen op den Heere leren stellen. Hij houdt nog vast aan zijn God. Hij heeft het uitgesproken, dat hij zijn God na zijn verscheiden nog zal ontmoeten, dat zijn Verlosser leeft. Hij heeft nog de stellige verwachting van Gods genade te zullen ontvangen na zijn dood; maar wat is de verwachting des huichelaars, als God hem afsnijdt, als God zijn ziel zal uittrekken uit het lichaam. Hij heeft geen verwachting, dat God hem horen zal.
In het Hebr. Ki jibsa. Hier vertaald door, als hij zal gierig geweest zijn. Beter is het als we vertalen, als Hij, n.l. God afsnijdt, gelijkluidende met het volgende: wanneer God zijne ziel zal uittrekken. De laatste uitdrukking is ontleend aan het uittrekken van het zwaard uit de schede. Het lichaam wordt hier dan als de schede voorgesteld, waaruit de ziel als het wezenlijke bestanddeel van het leven wordt getrokken. Job stelt hier voor, den zondaar, die uit dit leven wordt weggerukt, en vraagt, welke diens verwachting zal zijn.
a) Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid des doods over hem komt en alle hoop en hulp verdwijnt?
Job 35: 12. Psalm 18: 42; 109: 7. Spreuken 1: 28; 28: 9. Jes. 1: 15. Jer. 14: 12. Ezechiël. 8:
Micha 3: 4. Joh. 9: 31. Jak. 4: 3.
Zal hij, die zich van God losgerukt heeft, zichte midden van zo grote ellenden als de mijne zijn, verlustigen in den Almachtige, en zich met Zijne redding kunnen troosten? zal hij God kunnen en durven aanroepen te aller tijd. Zulk een bidt niet en kan niet bidden, terwijl gij hoort, hoe ik onafgebroken mijn angstvol, mijn gekweld hart voor mijnen God uitstort, en mij door Hem inwendig tot steeds nieuwen hoop gesterkt gevoel. Wie nu, reeds aan den rand van het graf staande, nog zo onwrikbaar aan God, zijnen Verlosser, vasthoudt, is geen van God verlaten misdadiger. Job noemt vier kenmerken, vier voorrechten, die geen huichelaar bezit, 1e. de levendige hoop, 2e. de genadige gebedsverhoring, 3e. het welgevallen, de vreugde in God, 4e. het aanhoudend gebed of de gelovige omgang met God. Hier wordt het Joh duidelijk, terwijl hij zijnen toestand met dien eens huichelaars vergelijkt, welk een troost, welk ene kracht om te dragen, ja, welk ene geestelijke vreugde te midden van het lijden hij uit de gemeenschap met God putten kan. Terwijl hij zo het onderscheid van den godvruchtige en den goddeloze bij den wortel aantast, wordt ook zijne gedachte van beider uitwendig lot veel gewijzigd. Dat hij zegt, dat de huichelaar niet tot God roept al den tijd, dit heeft betrekking op het zonder ophouden te bidden (1 Thessalonicenzen. 5: 11). Want waar geloof is, daar wordt het gebed niet nagelaten, al slaapt iemand, of voert iets anders uit. Het ongeloof nu bidt nooit, tenzij slechts met den mond, welk gebed niet door de wolken heendringt. 11.
II. Vs. 11-23.KruisverwijzingenDeuteronomium 28:41→Psalmen 78:64→Zacharia 9:3→Spreuken 13:22→Prediker 2:26→Job 8:14→Jesaja 1:8→Job 15:21→
— Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen. Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld? Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen. Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden. Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen. Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem; Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen. Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt. Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet. Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.
Ik wil u onderwijzen omtrent Gods wereldorde: gij zelf hebt ze terecht beschouwd; maar welke verkeerde gevolgtrekkingen hebt gij daaruit op mijn lot gemaakt! het geslacht der verkeerden gaat geheel te niet, zijne schatten vallen den rechtvaardigen toe; zijn huis gaat te niet; ook hij zelf valt neer, God zelf vervolgt hem, en de spot van allen treft hem.
Ik zal ulieden leren van de handelwijze Gods, opdat gij ziet hoe mijn lot van dat eens misdadigers verschilt; Wat bij den Almachtige is, wat het richtsnoer Zijner daden is, zal ik nu nietmeer verhelen, nu gij mij rustig aanhoort.
Ziet, het is waar, gij zelven allen hebt het gezien; en waarom wordt gij ondanks dit door ijdelheid verijdeld, verblind ten opzichte van mij, die toch geen enkel kenteken van enen goddeloze draag? De wapenen, welke de vrienden zo dikwijls tegen hem gebruikt hebben, de schildering van het lot der goddelozen, in welken spiegel hij zich zelven moest erkennen, wendt Job nu tegen hen aan en ten zijnen behoeve, omdat zij daaruit zien, dat hij geen goddeloze is. Hij loochent daarmee niet; wat hij in Hoofdstuk 21 en 24 heeft voorgesteld, dat misdadigers dikwijls lang gelukkig, vromen ongelukkig zijn, maar de pas gewonnen rust en zekerheid van de oneindige zaligheid in de inwendige gemeenschap met God dringt hem ook de andere zijde in het lot van kwaaddoeners te erkennen, die hij vroeger verzweeg, namelijk het eindelijk over hen losbarstend verderf. Onwillekeurig geeft hij hun zo toe, en wordt de waarheid in hare beweringen gerechtvaardigd, tevens ontneemt hij hun echter elk voorwendsel tot verkeerde vermoedens en beschuldigingen.
Zeker, dit is, gelijk Zofar (Hoofdstuk 20: 29) terecht gezegd heeft, het deel des goddelozen mensen bij God, het deel dat hem ten laatste toch door God wordt toegedeeld, en de erve der tirannen, der onrechtvaardige onderdrukkers, die zij van den Almachtige ontvangen zullen.
Indien zijne kinderen vermenigvuldigen a), het is ten zwaarde; en zijne spruiten, zijne in goddeloosheid zich verhardende kindskinderen, zullen van brood niet verzadigd worden (vgl. (Psalm 37: 25).
Deuteronomium 28: 41. Hos. 9: 13.
Zijne overgeblevene nakomelingen zullen in den dood begraven worden; aan ene pestziekte 1) gestorven, zullen zij zo spoedig mogelijk begraven worden, en a) zijne weduwen, die door die gerichten Gods gade en kinderen verloren, zullen niet wenen, zullen uit vrees voor den Goddelijken toorn, geen rouw dragen.
Psalm 78: 64.
Zwaard, honger en pest zijn volgens de Heilige Schrift de drie grote machten, die God, de Heere tot straf voor den afval en de goddeloosheid bewaard heeft. De dood is hier de pestziekte. In vs. 14 en 15 komen de drie machten te zamen, opdat zij des Heren oordeel zullen uitvoeren. (Deuteronomium 32: 24 vv. Jer. 14: 12; 24: 10. Ezechiël. 5: 12. Openbaring 6: 4-8).
Zo hij in zijne hebzucht zilver opgehoopt zal hebben in ene menigste als stof, en in zijne prachtliefde zich kleding1) zal bereid hebben, als leem, als het slijk der straten (Zach. 9: 3);
Kleding en zilver zijn genomen, om uit te drukken de pracht, waarin hij leefde en waarvoor hij arbeidde; om aan te duiden, dat hij het alleen in de wereld had gezocht en zich van God had losgemaakt. Maar al had hij gemeend, los van God zich in dit alles te kunnen verheugen, en dit alles te kunnen behouden, toch zou God hem tonen, dat Hij de Opperheerser van alles is, want de rechtvaardige en de onschuldige zouden er genot van hebben. Het is opgemerkt en volkomen waar, dat het losgemaakt zijn van God zich vooral openbaart door klederdracht en de heerschappij der mode. Wie de rede van Job met die der vrienden vergelijkt, omtrent het lot van den goddeloze merkt terstond het grote verschil. Bij de vrienden alles een heenleiden naar Job, een vingerwijzen op Job, bij hem treft ge alleen een vergelijken van zijn lijden met den ondergang der goddelozen, gedurende het leven en na den dood.
Hij zal ze wel met moeite bereiden, maar hij zal er geen genot van hebben; de rechtvaardige, door wiens verdrukking hij alles verkreeg, zal ze aantrekken, en de onschuldige, die ten laatste toch overwinnaar blijft, zal het zilver, als een den rechtvaardige toekomende buit, delen 1) (vgl. Psalm 39: 7. Spreuken 13: 22; 28: 8. (Prediker 2: 26. 2.26 MATTHEUS. 5: 5).
Als God de vromen verrijkt, moeten zij denken, dat zij slechts stedehouders en rentmeesters van Zijne goederen zijn, van welke hun eenmaal rekenschap zal worden afgevraagd. Wanneer de kwaden en goddelozen een vloek over hun huizen brengen, door kwalijk gewonnen en slecht aangelegde rijkdommen, dan brengen de goeden een zegen over zich en hun geslachten, door dezelve wel te besteden.
Hij bouwt wel zijn huis als een paleis, en toch is het voor God zo nietig als hetgeen ene motte 1) bouwde; hare woning is het uitgeknaagde in een kleed, en terwijl zij voortknaagt, verwoest zij hare eigene woning (vgl. (Hoofdstuk 8: 14), en als een hoeder in de wijngaarden de hutte maakt, die slechts voor den korten tijd van het rijpen der druiven wordt opgeslagen.
Gelijk de mot zich, ten nadele van anderen, een woning bereidt, in welke echter niets dan vernieling en verderf plaats heeft, zo bouwen de goddelozen zich ook wel paleizen, maar zij brengen er even als de motten het verderf met zich in, zodat hun trotse gebouwen binnen kort ter neer storten.
a) Rijk ligt hij, de goddeloze, neer op zijne legerstede, en wordt niet weggenomen, nog niets is hem ontnomen, er dreigt nog geen gevaar; doet hij zijne ogen open, zo is hij er nietmeer. God heeft hem reeds verdelgd.
Psalm 49: 18. Zo na aan elkaar als avond en morgen zijn, zijn bij den kwaaddoener de rijkste bezitting en gehele vernietiging; des avonds legt hij zich neer nog in het volle bezit van zijne rijkdommen, niet vermoedende, dat het de laatste maal zal zijn; op enen morgen slaat hij de ogen op, er niet aan denkende, dat hij ze opent, om ze nog dezelfden dag voor altijd te sluiten.
Verschrikkingen des doods zullen hem als wateren, die plotseling alles overstromen en wegrukken (Psalm 18: 5; 32: 6. Jes. 8: 7), aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen; zo zal hij als in een ogenblik weggerukt zijn.
De oostenwind, die uit de woestijn komt en alles verwoest en verschroeit (Hoofdstuk 1:
(Jes. 27: 8. Ezechiël. 17: 10), zal hem wegvoeren, dat hij heengaat in de hel, en zal hem wegstormen uit zijne plaats, van de aarde weg.
En God, de rechtvaardige, zal dit over hem werpen en niet sparen; van Zijne hand zal hij wel snellijk trachten te vlieden, maar het te vergeefs zijn.
Bij al die ellende zal hem niet eens het medelijden zijner medeburgers ten deel zijn; integendeel, een ieder zal over hem met zijne handen klappen, en over hem fluiten uit zijne plaats; dat zal de treurzang zijn van hen, die hem ten grave geleiden (vgl. Jer. 49: 17. Klaagt. 2: 15. Zef. 2: 15).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel