Gratis Studiebijbel – Spurgeon Studiebijbel SV

Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar

De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.

Over deze StudieBijbel

Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.

De Bijbeltekst

De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.

De kanttekeningen

De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.

De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.

Het commentaar, de citaten en de overdenkingen

Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.

De verklaring van Dächsel

Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.

Namen, plaatsen en begrippen

De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.

Christus in dit hoofdstuk

Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.

Waarom deze uitgave bijzonder is

Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.

Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.

© Teun van der Plas

Job 2

1 Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

1 WederomH1961 was er een dagH3117, als de kinderenH1121 GodsH430 kwamenH935, om zich voor den HEEREH3068 te stellenH3320, dat de satanH7854 ookH1571 in het middenH8432 van hen kwamH935, om zich voor den HEEREH3068 te stellenH3320. Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen.

KJV Again there was a day2 when the sons4 of God5 came3 to present6 themselves before the LORD,8 and Satan11 came9 also among12 them to present13 himself before the LORD.

1 וַיְהִ֣י H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 2 הַיּ֔וֹם H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 3 וַיָּבֹ֨אוּ֙ H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 4 בְּנֵ֣י H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 5 הָֽאֱלֹהִ֔ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 6 לְהִתְיַצֵּ֖ב H3320 stelde, stellen, stelt present selves, remaining, resort, set (selves), (be able to, can, with-) stand (fast, forth, -ing, still, up) 7 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 8 יְהוָ֑ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 9 וַיָּב֤וֹא H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 10 גַֽם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 11 הַשָּׂטָן֙ H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 12 בְּתֹכָ֔ם H8432 midden, middelste, binnenste among(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in) 13 לְהִתְיַצֵּ֖ב H3320 stelde, stellen, stelt present selves, remaining, resort, set (selves), (be able to, can, with-) stand (fast, forth, -ing, still, up) 14 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 15 יְהוָֽה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
2 Toen zeide de HEERE tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

2 Toen zeideH559 de HEEREH3068 totH413 den satanH7854: Van waar komtH935 gij? En de satanH7854 antwoorddeH6030 den HEEREH3068, en zeideH559: Van om te trekkenH7751 op de aardeH776, en van dieH2088 te doorwandelenH1980. Toen zeide de HEERE tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.

KJV And the LORD2 said1 unto Satan,4 From whence5 comest7 thou? And Satan9 answered8 the LORD,11 and said,12 From going to and fro13 in the earth,14 and from walking up and down

1 וַיֹּ֤אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 יְהוָה֙ H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 הַשָּׂטָ֔ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 5 אֵ֥י H335 waar?; hoe? how, what, whence, where, whether, which (way) 6 מִזֶּ֖ה H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ) 7 תָּבֹ֑א H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 8 וַיַּ֨עַן H6030 antwoordde, antwoorden, antwoordden give account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת) 9 הַשָּׂטָ֤ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 10 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 11 יְהוָה֙ H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 12 וַיֹּאמַ֔ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 13 מִשֻּׁ֣ט H7751 trekken, Trek, doorlopen go (about, through, to and fro), mariner, rower, run to and fro 14 בָּאָ֔רֶץ H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 15 וּמֵהִתְהַלֵּ֖ךְ H1980 wandelt, gewandeld, wandelen (all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl 16 בָּֽהּ
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
3 En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtigheid, hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

3 En de HEEREH3068 zeideH559 totH413 den satanH7854: Hebt gij ook achtH3820 geslagenH7760 op Mijn knechtH5650 JobH347? WantH3588 niemandH369 is op de aardeH776 gelijk hij, een manH376, oprechtH8535 en vroomH3477, godvrezendeH3373 en wijkendeH5493 van het kwaadH7451; en hij houdtH2388 nogH5750 vastH2388 aan zijn oprechtigheidH8538, hoewel gij Mij tegen hem opgehitstH5496 hebt, om hem te verslindenH1104 zonder oorzaakH2600. En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtigheid, hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.

KJV And the LORD2 said1 unto Satan,4 Hast thou5 considered6 my servant8 Job,9 that there is none like him in the earth,13 a perfect15 and an upright16 man,14 one that feareth17 God,18 and escheweth19 evil?20 and still he holdeth fast22 his integrity,23 although thou movedst24 me against him, to destroy26 him without cause.

1 וַיֹּ֨אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 יְהוָ֜ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 הַשָּׂטָ֗ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 5 הֲשַׂ֣מְתָּ H7760 stellen, gesteld, zetten [idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work 6 לִבְּךָ֮ H3820 hart, harten, harte [phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom 7 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 8 עַבְדִּ֣י H5650 knechten, knecht, knechts [idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant 9 אִיּוֹב֒ H347 Job, Jobs Job 10 כִּי֩ H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 11 אֵ֨ין H369 geen, niet, niemand else, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן) 12 כָּמֹ֜הוּ H3644 gelijk, als according to, (such) as (it were, well as), in comparison of, like (as, to, unto), thus, when, worth 13 בָּאָ֗רֶץ H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 14 אִ֣ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 15 תָּ֧ם H8535 oprecht, oprechte, volmaakte coupled together, perfect, plain, undefiled, upright 16 וְיָשָׁ֛ר H3477 recht, oprechten, oprechte convenient, equity, Jasher, just, meet(-est), [phrase] pleased well right(-eous), straight, (most) upright(-ly, -ness) 17 יְרֵ֥א H3373 vrezen, vreest, vrezende afraid, fear (-ful) 18 אֱלֹהִ֖ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 19 וְסָ֣ר H5493 weg, week, weggenomen be(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without 20 מֵרָ֑ע H7451 kwaad, kwade, boze adversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.) 21 וְעֹדֶ֨נּוּ֙ H5750 meer, nog, wederom again, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within) 22 מַחֲזִ֣יק H2388 sterk, verbeterde, wees sterk aid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand 23 בְּתֻמָּת֔וֹ H8538 oprechtigheid, oprechtheid integrity 24 וַתְּסִיתֵ֥נִי H5496 porde, hitst, Ruit entice, move, persuade, provoke, remove, set on, stir up, take away 25 ב֖וֹ 26 לְבַלְּע֥וֹ H1104 verslonden, verslinden, verslond cover, destroy, devour, eat up, be at end, spend up, swallow down (up) 27 חִנָּֽם H2600 om niet, zonder oorzaak, tevergeefs without a cause (cost, wages), causeless, to cost nothing, free(-ly), innocent, for nothing (nought, in vain
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
4 Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

4 Toen antwoorddeH6030 de satanH7854 den HEEREH3068, en zeideH559: HuidH5785 voor huidH5785, en alH3605 watH834 iemandH376 heeft, zal hij gevenH5414 voor zijn levenH5315. Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.

KJV And Satan2 answered1 the LORD,4 and said,5 Skin6 for skin,8 yea, all that a man11 hath will he give12 for his life.

1 וַיַּ֧עַן H6030 antwoordde, antwoorden, antwoordden give account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת) 2 הַשָּׂטָ֛ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 3 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 4 יְהוָ֖ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 5 וַיֹּאמַ֑ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 6 ע֣וֹר H5785 vel, huid, vellen hide, leather, skin 7 בְּעַד H1157 voor, om; door heen about, at by (means of), for, over, through, up (-on), within 8 ע֗וֹר H5785 vel, huid, vellen hide, leather, skin 9 וְכֹל֙ H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 10 אֲשֶׁ֣ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 11 לָאִ֔ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 12 יִתֵּ֖ן H5414 gegeven, geven, gaf add, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield 13 בְּעַ֥ד H1157 voor, om; door heen about, at by (means of), for, over, through, up (-on), within 14 נַפְשֽׁוֹ H5315 ziel, zielen, leven any, appetite, beast, body, breath, creature, [idiom] dead(-ly), desire, [idiom] (dis-) contented, [idiom] fish, ghost, [phrase] greedy, he, heart(-y), (hath, [idiom] jeopardy of) life ([idiom] in jeopardy), lust, man, me, mind, mortally, one, own, person, pleasure, (her-, him-, my-, thy-) self, them (your) -selves, [phrase] slay, soul, [phrase] tablet, they, thing, ([idiom] she) will, [idiom] would have it
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
5 Doch strek nu Uw hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen!
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

5 DochH4994 strekH7971 nu Uw handH3027 uit, en tastH5060 zijn gebeenteH6106 en zijn vleesH1320 aanH413; zoH518 hij U nietH3808 in Uw aangezichtH6440 zal zegenenH1288! Doch strek nu Uw hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen!

KJV But1 put forth2 thine hand4 now, and touch5 his bone7 and his flesh,9 and he will curse14 thee to thy face.

1 אוּלָם֙ H199 gewisselijk, waarlijk, zekerlijk as for, but, howbeit, in very deed, surely, truly, wherefore 2 שְֽׁלַֽח H7971 zond, gezonden, zenden [idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out) 3 נָ֣א H4994 toch, doch, Och I beseech (pray) thee (you), go to, now, oh 4 יָֽדְךָ֔ H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves 5 וְגַ֥ע H5060 aangeroerd, aanroert, aanroeren beat, ([idiom] be able to) bring (down), cast, come (nigh), draw near (nigh), get up, happen, join, near, plague, reach (up), smite, strike, touch 6 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 7 עַצְמ֖וֹ H6106 beenderen, gebeente, been body, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very 8 וְאֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 9 בְּשָׂר֑וֹ H1320 vlees, vleses, vleselijke body, (fat, lean) flesh(-ed), kin, (man-) kind, [phrase] nakedness, self, skin 10 אִם H518 zo, indien, of (and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet 11 לֹ֥א H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 12 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 13 פָּנֶ֖יךָ H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 14 יְבָרֲכֶֽךָּ H1288 zegenen, gezegend, zegende [idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
6 En de HEERE zeide tot den satan: Zie, hij zij in uw hand, doch verschoon zijn leven.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

6 En de HEEREH3068 zeideH559 totH413 den satanH7854: ZieH2009, hij zij in uw handH3027, doch verschoonH8104 zijn levenH5315. En de HEERE zeide tot den satan: Zie, hij zij in uw hand, doch verschoon zijn leven.

KJV And the LORD2 said1 unto Satan,4 Behold, he is in thine hand;6 but save10 his life.

1 וַיֹּ֧אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 יְהוָ֛ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 הַשָּׂטָ֖ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 5 הִנּ֣וֹ H2005 ziet, zie behold, if, lo, though 6 בְיָדֶ֑ךָ H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves 7 אַ֖ךְ H389 doch, alleen; voorzeker also, in any wise, at least, but, certainly, even, howbeit, nevertheless, notwithstanding, only, save, surely, of a surety, truly, verily, [phrase] wherefore, yet (but) 8 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 9 נַפְשׁ֥וֹ H5315 ziel, zielen, leven any, appetite, beast, body, breath, creature, [idiom] dead(-ly), desire, [idiom] (dis-) contented, [idiom] fish, ghost, [phrase] greedy, he, heart(-y), (hath, [idiom] jeopardy of) life ([idiom] in jeopardy), lust, man, me, mind, mortally, one, own, person, pleasure, (her-, him-, my-, thy-) self, them (your) -selves, [phrase] slay, soul, [phrase] tablet, they, thing, ([idiom] she) will, [idiom] would have it 10 שְׁמֹֽר H8104 houden, bewaren, waarnemen beward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)

Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.

Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
7 Toen ging de satan uit van het aangezicht des HEEREN, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

7 Toen ging de satanH7854 uit vanH854 het aangezichtH6440 des HEERENH3068, en sloegH5221 JobH347 met bozeH7451 zwerenH7822, van zijn voetzoolH3709 af tot zijn schedelH6936 toe. Toen ging de satan uit van het aangezicht des HEEREN, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.

KJV So went1 Satan2 forth from the presence4 of the LORD,5 and smote6 Job8 with sore10 boils9 from the sole11 of his foot12 unto his crown.

1 וַיֵּצֵא֙ H3318 uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd [idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter 2 הַשָּׂטָ֔ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 3 מֵאֵ֖ת H854 met, van, bij against, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix 4 פְּנֵ֣י H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 5 יְהוָ֑ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 6 וַיַּ֤ךְ H5221 sloeg, slaan, geslagen beat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound 7 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 8 אִיּוֹב֙ H347 Job, Jobs Job 9 בִּשְׁחִ֣ין H7822 zweren, zweer, gezwel boil, botch 10 רָ֔ע H7451 kwaad, kwade, boze adversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.) 11 מִכַּ֥ף H3709 handen, hand, reukschaal branch, [phrase] foot, hand((-ful), -dle, (-led)), hollow, middle, palm, paw, power, sole, spoon 12 רַגְל֖וֹ H7272 voeten, voet, voetstappen [idiom] be able to endure, [idiom] according as, [idiom] after, [idiom] coming, [idiom] follow, (broken-)foot(-ed, -stool), [idiom] great toe, [idiom] haunt, [idiom] journey, leg, [phrase] piss, [phrase] possession, time 13 וְעַ֥ד H5704 tot, totdat, aan against, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet 14 קָדְקֳדֽוֹ H6936 schedel, hoofdschedel crown (of the head), pate, scalp, top of the head
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
8 En hij nam zich een potscherf, om zich daarmede te schrabben, en hij zat neder in het midden der as.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

8 En hij namH3947 zich een potscherfH2789, om zich daarmede te schrabbenH1623, en hijH1931 zat nederH3427 in het middenH8432 der asH665. En hij nam zich een potscherf, om zich daarmede te schrabben, en hij zat neder in het midden der as.

KJV And he took1 him a potsherd3 to scrape4 himself withal; and he sat down7 among8 the ashes.

1 וַיִּֽקַּֽח H3947 nam, nemen, genomen accept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win 2 ל֣וֹ 3 חֶ֔רֶשׂ H2789 aarden, potscherf, scherven earth(-en), (pot-) sherd, [phrase] stone 4 לְהִתְגָּרֵ֖ד H1623 schrabben scrape 5 בּ֑וֹ 6 וְה֖וּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 7 יֹשֵׁ֥ב H3427 inwoners, wonen, woonden (make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry 8 בְּתוֹךְ H8432 midden, middelste, binnenste among(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in) 9 הָאֵֽפֶר H665 as ashes
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
9 Toen zeide zijn huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uw oprechtigheid? Zegen God, en sterf.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

9 Toen zeideH559 zijn huisvrouwH802 tot hem: HoudtH2388 gij nogH5750 vastH2388 aan uw oprechtigheidH8538? ZegenH1288 GodH430, en sterfH4191. Toen zeide zijn huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uw oprechtigheid? Zegen God, en sterf.

KJV Then said1 his wife3 unto him, Dost thou still retain5 thine integrity?6 curse7 God,8 and die.

1 וַתֹּ֤אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 לוֹ֙ 3 אִשְׁתּ֔וֹ H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English 4 עֹדְךָ֖ H5750 meer, nog, wederom again, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within) 5 מַחֲזִ֣יק H2388 sterk, verbeterde, wees sterk aid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand 6 בְּתֻמָּתֶ֑ךָ H8538 oprechtigheid, oprechtheid integrity 7 בָּרֵ֥ךְ H1288 zegenen, gezegend, zegende [idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank 8 אֱלֹהִ֖ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 9 וָמֻֽת H4191 sterven, stierf, gedood [idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
10 Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

10 Maar hij zeideH559 tot haar: Gij spreektH1696 als eenH259 der zottinnenH5036 spreektH1696; jaH1571, zouden wij het goedeH2896 vanH854 GodH430 ontvangenH6901, en het kwadeH7451 nietH3808 ontvangenH6901? In ditH2063 allesH3605 zondigdeH2398 JobH347 met zijn lippenH8193 nietH3808. Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.

KJV But he said1 unto her, Thou speakest3 as one4 of the foolish women5 speaketh.6 What?7 shall we receive10 good9 at the hand of God,12 and shall we not receive16 evil?14 In all this did not Job21 sin20 with his lips.

1 וַיֹּ֣אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 אֵלֶ֗יהָ H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 3 כְּדַבֵּ֞ר H1696 gesproken, sprak, spreken answer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work 4 אַחַ֤ת H259 een, ene, enerlei a, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together, 5 הַנְּבָלוֹת֙ H5036 dwaas, dwazen, dwaze fool(-ish, -ish man, -ish woman), vile person 6 תְּדַבֵּ֔רִי H1696 gesproken, sprak, spreken answer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work 7 גַּ֣ם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 8 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 9 הַטּ֗וֹב H2896 goed, goede, beter beautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured) 10 נְקַבֵּל֙ H6901 namen, nam, ontvangen choose, (take) hold, receive, (under-) take 11 מֵאֵ֣ת H854 met, van, bij against, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix 12 הָאֱלֹהִ֔ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 13 וְאֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 14 הָרָ֖ע H7451 kwaad, kwade, boze adversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.) 15 לֹ֣א H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 16 נְקַבֵּ֑ל H6901 namen, nam, ontvangen choose, (take) hold, receive, (under-) take 17 בְּכָל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 18 זֹ֛את H2063 dit, deze, dat hereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus 19 לֹא H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 20 חָטָ֥א H2398 gezondigd, zondigen, zondigt bear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass 21 אִיּ֖וֹב H347 Job, Jobs Job 22 בִּשְׂפָתָֽיו H8193 lippen, oever, spraak band, bank, binding, border, brim, brink, edge, language, lip, prating, (sea-)shore, side, speech, talk, (vain) words
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
11 Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

11 Als nu de drieH7969 vriendenH7453 van JobH347 gehoordH8085 hadden alH3605 dit kwaadH7451, datH2063 overH5921 hem gekomenH935 was, kwamenH935 zij, ieder uit zijn plaatsH4725, ElifazH464, de ThemanietH8489, en BildadH1085, de SuhietH7747, en ZofarH6691, de NaamathietH5284; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamenH935 om hem te beklagenH5110, en om hem te vertroostenH5162. Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.

KJV Now when Job's4 three2 friends3 heard1 of all this evil7 that was come9 upon him, they came11 every one12 from his own place;13 Eliphaz14 the Temanite,15 and Bildad16 the Shuhite,17 and Zophar18 the Naamathite:19 for they had made an appointment20 together21 to come22 to mourn23 with him and to comfort

1 וַֽיִּשְׁמְע֞וּ H8085 horen, gehoord, hoorde [idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness 2 שְׁלֹ֣שֶׁת H7969 drie, driehonderd, dertien [phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ) 3 רֵעֵ֣י H7453 naaste, naasten, vriend brother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other 4 אִיּ֗וֹב H347 Job, Jobs Job 5 אֵ֣ת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 6 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 7 הָרָעָ֣ה H7451 kwaad, kwade, boze adversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.) 8 הַזֹּאת֮ H2063 dit, deze, dat hereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus 9 הַבָּ֣אָה H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 10 עָלָיו֒ H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 11 וַיָּבֹ֨אוּ֙ H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 12 אִ֣ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 13 מִמְּקֹמ֔וֹ H4725 plaats, plaatsen, plaatse country, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever) 14 אֱלִיפַ֤ז H464 Elifaz Eliphaz 15 הַתֵּימָנִי֙ H8489 Themaniet, Temanieten, Themanieten Temani, Temanite 16 וּבִלְדַּ֣ד H1085 Bildad Bildad 17 הַשּׁוּחִ֔י H7747 Suhiet Shuhite 18 וְצוֹפַ֖ר H6691 Zofar Zophar 19 הַנַּֽעֲמָתִ֑י H5284 Naamathiet Naamathite 20 וַיִּוָּעֲד֣וּ H3259 vergaderd, dagvaarden, komen agree,(maxke an) appoint(-ment, a time), assemble (selves), betroth, gather (selves, together), meet (together), set (a time) 21 יַחְדָּ֔ו H3162 samen, tezamen alike, at all (once), both, likewise, only, (al-) together, withal 22 לָב֥וֹא H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 23 לָנֽוּד H5110 medelijden, beklaagt, dolende bemoan, flee, get, mourn, make to move, take pity, remove, shake, skip for joy, be sorry, vagabond, way, wandering 24 ל֖וֹ 25 וּֽלְנַחֲמֽוֹ H5162 troosten, berouwde, berouw comfort (self), ease (one's self), repent(-er,-ing, self)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
12 En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar den hemel.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

12 En toen zij hun ogenH5869 van verreH7350 ophievenH5375, kendenH5234 zij hem nietH3808, en hievenH5375 hun stemH6963 op, en weendenH1058; daartoe scheurdenH7167 zij een iederH376 zijn mantelH4598, en strooidenH2236 stofH6083 opH5921 hun hoofdenH7218 naar den hemelH8064. En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar den hemel.

KJV And when they lifted up1 their eyes3 afar off,4 and knew6 him not, they lifted up7 their voice,8 and wept;9 and they rent10 every one11 his mantle,12 and sprinkled13 dust14 upon their heads16 toward heaven.

1 וַיִּשְׂא֨וּ H5375 dragen, hief, droegen accept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield 2 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 3 עֵינֵיהֶ֤ם H5869 ogen, oog, verf affliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves) 4 מֵרָחוֹק֙ H7350 verre, verren, ver (a-) far (abroad, off), long ago, of old, space, great while to come 5 וְלֹ֣א H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 6 הִכִּירֻ֔הוּ H5234 kennen, kende, kent acknowledge, [idiom] could, deliver, discern, dissemble, estrange, feign self to be another, know, take knowledge (notice), perceive, regard, (have) respect, behave (make) self strange(-ly) 7 וַיִּשְׂא֥וּ H5375 dragen, hief, droegen accept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield 8 קוֹלָ֖ם H6963 stem, geluid, geruis [phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell 9 וַיִּבְכּ֑וּ H1058 weende, weenden, wenen [idiom] at all, bewail, complain, make lamentation, [idiom] more, mourn, [idiom] sore, [idiom] with tears, weep 10 וַֽיִּקְרְעוּ֙ H7167 scheurde, gescheurd, scheurden cut out, rend, [idiom] surely, tear 11 אִ֣ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 12 מְעִל֔וֹ H4598 mantel, mantels, rok cloke, coat, mantle, robe 13 וַיִּזְרְק֥וּ H2236 sprengen, sprengde, sprengden be here and there, scatter, sprinkle, strew 14 עָפָ֛ר H6083 stof, stofs, aarde ashes, dust, earth, ground, morter, powder, rubbish 15 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 16 רָאשֵׁיהֶ֖ם H7218 hoofd, hoofden, hoogte band, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top 17 הַשָּׁמָֽיְמָה H8064 hemel, hemels, hemelen air, [idiom] astrologer, heaven(-s)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
13 Alzo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

13 Alzo zatenH3427 zij metH854 hem op de aardeH776, zevenH7651 dagenH3117 en zevenH7651 nachtenH3915; en niemandH369 sprakH1696 tot hem een woordH1697, wantH3588 zij zagenH7200, datH3588 de smartH3511 zeerH3966 groot was. Alzo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was.

KJV So they sat down1 with him upon the ground3 seven4 days5 and seven6 nights,7 and none spake9 a word11 unto him: for they saw13 that his grief16 was very17 great.

1 וַיֵּשְׁב֤וּ H3427 inwoners, wonen, woonden (make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry 2 אִתּוֹ֙ H854 met, van, bij against, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix 3 לָאָ֔רֶץ H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 4 שִׁבְעַ֥ת H7651 zeven, zevenhonderd, zevenmaal ([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה) 5 יָמִ֖ים H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 6 וְשִׁבְעַ֣ת H7651 zeven, zevenhonderd, zevenmaal ([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה) 7 לֵיל֑וֹת H3915 nacht, nachts, nachten (mid-)night (season) 8 וְאֵין H369 geen, niet, niemand else, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן) 9 דֹּבֵ֤ר H1696 gesproken, sprak, spreken answer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work 10 אֵלָיו֙ H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 11 דָּבָ֔ר H1697 woord, woorden, zaak act, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work 12 כִּ֣י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 13 רָא֔וּ H7200 zag, zien, gezien advise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions 14 כִּֽי H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 15 גָדַ֥ל H1431 groot, groter, maakt advance, boast, bring up, exceed, excellent, be(-come, do, give, make, wax), great(-er, come to... estate, [phrase] things), grow(up), increase, lift up, magnify(-ifical), be much set by, nourish (up), pass, promote, proudly (spoken), tower 16 הַכְּאֵ֖ב H3511 smart, pijn, weedom grief, pain, sorrow 17 מְאֹֽד H3966 zeer, gans, grote diligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
Kruisverwijzingen Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Job 2:1 Job 1:6 Lukas 1:19 Hebreeën 1:14 Jesaja 6:1
Job 2:2 Johannes 14:30 2 Korinthe 4:4 Job 1:7 Genesis 16:8 1 Petrus 5:8
Job 2:3 Job 1:8 Job 27:5 Job 1:1 Job 9:17 Spreuken 14:2 1 Petrus 1:7 Job 9:20 Psalmen 41:12
Job 2:4 Mattheüs 6:25 Filippenzen 3:8 Handelingen 27:18 Jesaja 2:20 Esther 7:3 Jeremia 41:8 Mattheüs 16:26
Job 2:5 Job 1:11 Job 1:5 Job 19:20 Leviticus 24:15 Job 2:9 Psalmen 39:10 Psalmen 38:2 Jesaja 8:21
Job 2:6 Job 1:12 1 Korinthe 10:13 Psalmen 65:7 Lukas 8:29 Job 38:10 Openbaring 2:10 Openbaring 20:7 Openbaring 20:1
Job 2:7 Deuteronomium 28:35 Job 30:30 Jesaja 1:6 Deuteronomium 28:27 Job 7:5 Jesaja 3:17 Job 30:17 1 Koningen 22:22
Job 2:8 Job 42:6 Ezechiël 27:30 Jona 3:6 Mattheüs 11:21 Lukas 16:20 Jeremia 6:26 2 Samuël 13:19 Psalmen 38:5
Job 2:9 Job 2:3 Job 2:5 Maleachi 3:14 Job 1:11 2 Koningen 6:33 Job 21:14 Genesis 3:6 Genesis 3:12
Job 2:10 Job 1:21 Jakobus 1:12 Psalmen 39:1 Jakobus 5:10 Johannes 18:11 Jakobus 3:2 Klaagliederen 3:38 Mattheüs 16:23
Job 2:11 Romeinen 12:15 Genesis 25:2 Job 42:11 Jeremia 49:7 Genesis 36:11 Genesis 36:15 1 Kronieken 1:32 Job 6:19
Job 2:12 Ezechiël 27:30 Klaagliederen 2:10 Nehemia 9:1 Jozua 7:6 Job 1:20 Richteren 2:4 Esther 4:1 Genesis 27:34
Job 2:13 Genesis 50:10 Nehemia 1:4 Ezechiël 3:15 Ezra 9:3 Jesaja 47:1 Genesis 1:5 Jesaja 3:26 Job 4:2
Kanttekeningen De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Job 2 vers 1

kinderen Gods Dat is, de heilige engelen Gods; zie boven, Job 1:6 .

Hertaald: kinderen Gods Dat is: de heilige engelen van God; zie hierboven Job 1:6.

kwamen, Zie boven op de voorgemelde plaats.

Hertaald: kwamen, Zie hierboven op de eerder genoemde plaats.

satan Zie ook boven, Job 1:6 .

Hertaald: satan Zie ook hierboven Job 1:6.

Job 2 vers 2

om te trekken Zie boven, Job 1:7 .

Hertaald: om te trekken Zie hierboven Job 1:7.

Job 2 vers 3

Hebt gij ook Zie boven, Job 1:8 .

Hertaald: Hebt gij ook Zie hierboven Job 1:8.

oprecht en vroom, Zie de betekenis van al deze woorden, boven, Job 1:1 .

Hertaald: oprecht en vroom, Zie de betekenis van al deze woorden hierboven Job 1:1.

opgehitst hebt Dit is menselijker wijze gesproken van God, die de beweging der oorzaken, die buiten hem zijn, niet is onderworpen, want hem zijn al zijne werken van eeuwigheid af bekend, Hand. 15:18 , en Hij doet alle dingen naar den raad van zijnen wil; Ef. 1:11 . Maar dit wordt zo gezegd om aan te wijzen<i>I.</i> dat de Satan altijd genegen is om de kinderen Gods te beschadigen;<i>II.</i> dat God hem gebruikt om hen te beproeven.

Hertaald: opgehitst hebt Dit is op menselijke wijze over God gesproken, Die niet onderworpen is aan de beweging van oorzaken buiten Hemzelf, want Hem zijn al Zijn werken van eeuwigheid af bekend, Hand. 15:18, en Hij doet alle dingen naar de raad van Zijn wil; Ef. 1:11. Maar dit wordt zo gezegd om aan te wijzen: I. dat de satan altijd geneigd is de kinderen van God te beschadigen; II. dat God hem gebruikt om hen te beproeven.

hem Versta mede, zijn beesten en kinderen.

Hertaald: hem Versta hierbij: ook zijn dieren en kinderen.

verslinden Dat is, te verderven en als in te slokken, hetwelk was in dit werk het doel des Satans; gelijk het einde van Gods werk was zijn knecht te beproeven.

Hertaald: verslinden Dat is: te gronde richten en als het ware in te slokken, wat het doel van de satan was in dit werk; zoals het doel van Gods werk was Zijn dienaar te beproeven.

zonder oorzaak Dit is, niet om zijn voorgaande zonden en boos leven. Want opdat wij dit verstaan zouden, zo geeft God van zijn vroomheid getuigenis in dit boek; Job 1:1 , Job 1:8 , en hier vs.3. Evenwel is hij niet vrij geweest van de overblijfselen der zonde, die in alle heiligen gevonden worden, ook naar zijn eigen bekentenis. Zie onder, Job 7:20-21 , en Job 9:2 , en Job 13:23 , Job 13:26 . Het Hebreeuwse woord hinnam is in denzelfden zin, alzo het hier overgezet is, genomen 1 Sam. 19:5 , en 1 Sam. 25:31 , en Ps. 35:7 , enz.

Hertaald: zonder oorzaak Dit betekent: niet vanwege zijn vroegere zonden en boze leven. Want opdat wij dit zouden begrijpen, geeft God in dit boek getuigenis van zijn vroomheid; Job 1:1, Job 1:8, en hier vers 3. Toch is hij niet vrij geweest van de overblijfselen van de zonde, die in alle heiligen gevonden worden, ook naar zijn eigen erkenning. Zie hieronder Job 7:20-21, en Job 9:2, en Job 13:23, Job 13:26. Het Hebreeuwse woord chinnam wordt in dezelfde betekenis, zoals het hier vertaald is, gebruikt in 1 Sam. 19:5, en 1 Sam. 25:31, en Ps. 35:7, enzovoort.

Job 2 vers 4

Huid voor huid, Dat is, den mens is zijn eigen huid, of lichaam, waardiger dan de huis of het lichaam van een ander. Hierom, [wil de Satan zeggen] ofschoon Job zijn kinderen verloren heeft, zo gaat het hem evenwel niet ter harte zolang hij met zijn eigen huid of leven ontkomen mag.

Hertaald: Huid voor huid, Dat is: de mens vindt zijn eigen huid, of lichaam, waardevoller dan de huid of het lichaam van een ander. Daarom, [wil de satan zeggen] hoewel Job zijn kinderen verloren heeft, raakt het hem toch niet zolang hij met zijn eigen huid of leven wegkomt.

leven Hebreeuws, voor zijn ziel. Zie Gen. 19:17 , of voor zichzelven; dat is voor zijn eigen persoon en welvaren. Zie Gen. 12:5 .

Hertaald: leven Hebreeuws: voor zijn ziel. Zie Gen. 19:17, of voor zichzelf; dat is: voor zijn eigen persoon en welzijn. Zie Gen. 12:5.

Job 2 vers 5

tast Dat is, beschadigd. Zie Gen. 26:11 .

Hertaald: tast Dat is: beschadigt. Zie Gen. 26:11.

zegenen Dat is, vloeken. Zie boven, Job 1:5 .

Hertaald: zegenen Dat is: vloeken. Zie hierboven Job 1:5.

* Zie boven, Job 1:11 .

Hertaald: * Zie hierboven Job 1:11.

Job 2 vers 6

hand, Dat is, vermogen en geweld; zie Gen. 16:6 ; te weten, om hem te kwellen en te beschadigen. Vergelijk boven, Job 1:12 .

Hertaald: hand, Dat is: macht en gezag; zie Gen. 16:6; namelijk om hem te kwellen en te beschadigen. Vergelijk hierboven Job 1:12.

verschoon Hebreeuws, bewaar, of wacht u van zijn leven.

Hertaald: verschoon Hebreeuws: bewaar, of behoed u van zijn leven.

leven Hebreeuws, ziel; gelijk boven, vs.4. De zin is dat hij hem niet zou doden.

Hertaald: leven Hebreeuws: ziel; zoals hierboven vers 4. De betekenis is dat hij hem niet zou doden.

Job 2 vers 8

hij nam Namelijk, Job.

Hertaald: hij nam Namelijk: Job.

potscherf, Hebreeuws, aarden vat. Dewijl zijn vingers zonder twijfel mede verzworen waren, dat hij zich daarmede niet kon schrabben, zo heeft hij zich met een potscherf moeten behelpen, om daarmede zijn zweren te wrijven en den knagenden etter uit dezelve weg te nemen. Waaruit te verstaan is, niet alleen de grootheid van Jobs gezweer; maar ook dat hij beroofd was van de hulp der mensen, die zich schroomden voor de ijselijkheid van zijn kwaad; zie onder, Job 19:13-15 , enz.

Hertaald: potscherf, Hebreeuws: aarden vat. Omdat zijn vingers ongetwijfeld ook aangetast waren door zweren, zodat hij zich daarmee niet kon krabben, heeft hij zich met een potscherf moeten behelpen om daarmee zijn zweren te wrijven en de knagende etter eruit te verwijderen. Hieruit is niet alleen de ernst van Jobs gezwellen af te leiden, maar ook dat hij verstoken was van de hulp van mensen, die terugschrokken voor de afschuwelijkheid van zijn kwaal; zie hieronder Job 19:13-15, enzovoort.

zat neder Dit was bij de ouden een teken der droefenis, treurigheid, leedschap en vernedering des harten; onder, Job 42:6 ; Jona 3:6 ; Matt. 11:21 ; Luc. 10:13 .

Hertaald: zat neder Dit was bij de ouden een teken van droefheid, treurigheid, leed en vernedering van het hart; hieronder Job 42:6; Jona 3:6; Matth. 11:21; Luk. 10:13.

Job 2 vers 9

Zegen God, en sterf Zie boven, Job 1:5 . Of, zegen God, al is het dat gij sterft; dat is, dewijl gij zo genegen zijt om God in alles te zegenen, dat is te loven en te danken, gelijk gij nog onlangs tevoren gedaan hebt [ Job 1:21 ] , ga daarin voort en zie hoe Hij het u vergelden zal, namelijk, met een pijnlijken dood, dien gij niet ontgaan kunt. Zij bespot zijn vertrouwen op God.

Hertaald: Zegen God, en sterf Zie hierboven Job 1:5. Of: zegen God, ook al sterft u; dat is: aangezien u zo geneigd bent God in alles te zegenen, dat is te prijzen en te danken, zoals u nog kort daarvoor gedaan hebt [Job 1:21], ga daarmee door en zie hoe Hij het u zal vergelden, namelijk met een pijnlijke dood, die u niet kunt ontlopen. Zij bespot zijn vertrouwen op God.

Job 2 vers 10

lippen niet Dat is, met zijn woorden, of met zijn spreken, gelijk hij wel daarna niet geheel vrij van deze zonde is geweest. Het woord lip is aldus genomen onder, Job 11:2 , en Job 12:20 ; Spr. 7:21 , en Spr. 12:19 , en Spr. 24:28 , enz. Vergelijk Gen. 11:1 , en de aantekening.

Hertaald: lippen niet Dat is: met zijn woorden, of met zijn spreken, zoals hij daarna wel niet helemaal vrij is geweest van deze zonde. Het woord lip wordt zo gebruikt hieronder in Job 11:2, en Job 12:20; Spr. 7:21, en Spr. 12:19, en Spr. 24:28, enzovoort. Vergelijk Gen. 11:1, en de aantekening.

Job 2 vers 11

vrienden van Job Men houdt dat deze drie vrienden van Job uit Arabië en Idumea geweest zijn, afkomstig van Abraham.

Hertaald: vrienden van Job Men neemt aan dat deze drie vrienden van Job uit Arabië en Idumea afkomstig waren, nakomelingen van Abraham.

zijne plaats, Dat is, uit hun landschappen.

Hertaald: zijne plaats, Dat is: uit hun landstreken.

Themaniet, Zo genoemd, omdat hij was van de nakomelingen van Theman, den zoon van Elifaz, die de zoon was van Ezau, den zoon van Izak; Gen. 36:10-11 . Deze woonde in woest Arabië.

Hertaald: Themaniet, Zo genoemd omdat hij afstamde van Theman, de zoon van Elifaz, die de zoon was van Ezau, de zoon van Izak; Gen. 36:10-11. Deze woonde in het woeste Arabië.

Suhiet, Een nakomeling van Suah, den zoon van Abraham uit Ketura; Gen. 25:1-2 . Deze woonde ook in woest Arabië.

Hertaald: Suhiet, Een nakomeling van Suah, de zoon van Abraham bij Ketura; Gen. 25:1-2. Deze woonde ook in het woeste Arabië.

Naämathiet; Het is onzeker of deze bijnaam zijn oorsprong heeft van enig voorvader, geslacht of woonplaats. Sommigen menen dat hij zou mogen voortgekomen zijn van Timna, den zoon van Ezau, van welken te zien is Gen. 36:40 . Anderen menen dat hij geboren is in de stad Naema, van welke zie Joz. 15:41 .

Hertaald: Naämathiet; Het is onzeker of deze bijnaam zijn oorsprong heeft in een voorvader, geslacht of woonplaats. Sommigen menen dat hij zou kunnen afstammen van Timna, de zoon van Ezau, over wie te zien is Gen. 36:40. Anderen menen dat hij geboren is in de stad Naëma, waarover zie Joz. 15:41.

eens geworden, Vergelijk Am. 3:3 . Anders, tezamen vergaderd, of bijeengekomen.

Hertaald: eens geworden, Vergelijk Amos 3:3. Anders: samen verzameld, of bijeengekomen.

hem te beklagen, Anders, medelijden te hebben, of bewogen te worden over hem, of met hem bedroefd te zijn. Alzo onder, Job 42:11 .

Hertaald: hem te beklagen, Anders: medelijden te hebben, of geraakt te worden door hem, of met hem bedroefd te zijn. Zo ook hieronder Job 42:11.

Job 2 vers 12

weenden; Hier en in vs.13 worden verhaald vijf tekenen van zeer grote droefheid, die deze vrienden van Job vertoonden , namelijk:<i>I.</i> hun geween;<i>II.</i> de verscheuring van hun kleed;<i>III.</i> de strooiing van het stof op hun hoofden;<i>IV.</i> het nederzitten op de aarde;<i>V.</i> hun stilzwijgen. Zie van gelijke treurige gebaren, Gen. 21:16 , en Gen. 37:34 ; Joz. 7:6 ; 2 Sam. 12:16-17 ; Est. 4:1-2 ,; Jes. 47:1 ; Klaagl. 2:10 ; Ezech. 27:30 .

Hertaald: weenden; Hier en in vers 13 worden vijf tekenen van zeer grote droefheid verteld die deze vrienden van Job vertoonden, namelijk: I. hun geween; II. het scheuren van hun kleed; III. het strooien van stof op hun hoofden; IV. het neerzitten op de aarde; V. hun stilzwijgen. Zie soortgelijke droeve gebaren in Gen. 21:16, en Gen. 37:34; Joz. 7:6; 2 Sam. 12:16-17; Est. 4:1-2; Jes. 47:1; Klaagl. 2:10; Ezech. 27:30.

mantel, Zie boven, Job 1:20 .

Hertaald: mantel, Zie hierboven Job 1:20.

naar den hemel Dat is, de aarde en het stof opwaarts werpende, hebben hun hoofden daarmede bestrooid.

Hertaald: naar den hemel Dat is: doordat zij de aarde en het stof omhoog wierpen, hebben zij hun hoofden daarmee bestrooid.

© Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas

Bijbelse Namen Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Job  — vervolgde, of: hij die terugkeert (tot God) (onzeker)

Een oprecht en godvrezend man uit het land Uz, zeer rijk aan vee en kinderen. Op aanstoken van de satan liet God zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte zijn eigen gezondheid treffen, om zijn oprechtheid op de proef te stellen; ondanks alles zondigde Job niet en bleef hij aan God vasthouden. Het boek dat zijn naam draagt beschrijft zijn lijden, de gesprekken met zijn drie vrienden over de reden van zijn lijden, Gods antwoord vanuit de storm, en zijn uiteindelijke herstel (Job 1-42).

Elifaz (de Themaniet)  — God is fijn goud (of: mijn God is sterkte)

Een van Jobs drie vrienden, afkomstig uit Theman; hij kwam met Bildad en Zofar om Job te troosten, maar hield hem in zijn toespraken voor dat lijden altijd het gevolg is van eigen zonde (Job 2:11; 4-5; 15; 22).

Bildad (de Suhiet)  — zoon van twist (onzeker)

Een van Jobs drie vrienden, afkomstig uit het land Suah; evenals Elifaz hield hij vol dat Jobs lijden een straf voor zonde moest zijn (Job 2:11; 8; 18; 25).

Zofar (de Naamathiet)  — vroege vogel, kwetterend (onzeker)

Een van Jobs drie vrienden, afkomstig uit Naëma; de felste van de drie, die Job scherp bestrafte en hem beschuldigde van goddeloosheid (Job 2:11; 11; 20).

Alle bijbelse namen in één overzicht →

Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas

Bijbelse Plaatsen Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Teman  — "zuiden, rechterzijde" — vernoemd naar Teman, een kleinzoon van Ezau (Gen. 36:11)

Ligging: Een streek en stad in het noorden van Edom, van oudsher befaamd om de wijsheid van haar inwoners.

Geschiedenis: De herkomstplaats van Elifaz, de eerste en meest vooraanstaande van Jobs drie vrienden, die als eerste het woord tot hem richt (Job 2:11; 4:1). Latere profeten spreken meermalen over Teman als zetel van een beroemde, wereldse wijsheid die desondanks tekort zal schieten in de dag van Gods oordeel over Edom (Jer. 49:7; Obadja 1:8-9; Amos 1:12).

Bijbelse betekenis: Elifaz van Teman belichaamt de befaamde, maar uiteindelijk ontoereikende menselijke wijsheid: zijn eerste toespraken tot Job klinken vroom en doordacht, maar de HEERE Zelf berispt aan het einde van het boek juist Elifaz en zijn vrienden, omdat zij niet recht van Hem gesproken hadden zoals Zijn knecht Job (Job 42:7-8) — een blijvende waarschuwing tegen het te snel verklaren van andermans lijden vanuit menselijke wijsheid alleen.

Archeologie: Britse opgravingen bij Tawilan (1968-1982, C.M. Bennett/P. Bienkowski) legden een IJzertijd-nederzetting bloot, met onder meer een spijkerschrifttablet en een gouden sieradenschat — het eerste ooit in Jordanië gevonden — die de aanwezigheid van een ontwikkelde Edomitische cultuur in dit gebied bevestigen.

Recente inzichten: Vaak gezocht bij het huidige Tawilan, nabij Petra in Jordanië.

Gen. 36:11; Job 2:11; 4:1; 42:7-8; Jer. 49:7; Obadja 1:8-9; Amos 1:12

Alle bijbelse plaatsen in één overzicht →

© Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas

Bijbelse Begrippen Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen?  — als ook zijn lichaam wordt aangetast, weerlegt Job de raad van zijn vrouw met een vraag (Job 2:10)

Opnieuw stellen de kinderen Gods zich voor de HEERE, en opnieuw is de satan in hun midden (Job 2:1-2). God wijst weer op Job en voegt er nu aan toe dat hij aan zijn oprechtheid vasthoudt (Job 2:3). Het antwoord luidt dat een mens alles geeft voor zijn leven; laat God zijn gebeente en zijn vlees aantasten, dan zal hij Hem vaarwel zeggen (Job 2:4-5). Ook nu wordt toestemming gegeven met een grens erbij: zijn leven moet gespaard blijven (Job 2:6). Job wordt geslagen met boze zweren, van zijn voetzool tot zijn schedel (Job 2:7). Hij neemt een potscherf om zich te krabben en zit neer in de as (Job 2:8). Dan spreekt zijn vrouw. Zij vraagt of hij nog steeds aan zijn oprechtheid vasthoudt, en zij raadt hem aan God vaarwel te zeggen en te sterven (Job 2:9). Job noemt dat een woord zoals een dwaze vrouw spreekt en stelt daar zijn eigen vraag tegenover (Job 2:10). Ook nu voegt de Schrift eraan toe dat Job met zijn lippen niet zondigde.

Bijbelse betekenis: De tweede slag treft zijn eigen lichaam, en daarmee komt hij dichterbij dan alle vorige. De rijkste man van het oosten zit in de as en krabt zich met een scherf. Zijn vrouw komt daarbij niet als vijandin in beeld. Zij heeft dezelfde kinderen verloren en ziet haar man dag na dag zo zitten; haar raad komt voort uit radeloosheid. Job wijst die raad af, maar hij zendt haar niet weg. Zijn antwoord is bovendien geen leerstelling maar een vraag, en juist zo raakt hij de kern. Jarenlang had hij het goede uit Gods hand aangenomen zonder ernaar te vragen. Wie zo ontvangen heeft, kan het kwade niet zomaar weigeren. Let ten slotte op de toevoeging van de Schrift: hij zondigde met zijn lippen niet. Er wordt dus niet gezegd dat er in zijn binnenste niets omging.

Typologie: De ontfermende afloop van dit boek staat bij Jakobus als bemoediging voor iedere beproefde: "wij houden hen gelukzalig, die verdragen" (Jak. 5:11). En de grens die de HEERE hier tweemaal trekt, is dezelfde die Paulus belijdt: God laat niemand verzocht worden boven wat hij dragen kan, "maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven" (1 Kor. 10:13).

Job 2:1-10; Jak. 5:11; 1 Kor. 10:13

Het zwijgen van de vrienden  — de drie vrienden doen eerst het beste wat zij in het hele boek doen: zij zwijgen (Job 2:13)

Als de drie vrienden van Job horen wat hem overkomen is, komen zij ieder uit hun eigen plaats: Elifaz de Themaniet, Bildad de Suhiet en Zofar de Naämathiet (Job 2:11). Zij spreken met elkaar af dat zij zullen komen om hem te beklagen en te troosten. Van verre herkennen zij hem niet meer. Zij verheffen hun stem en wenen, zij scheuren hun mantel en werpen stof op hun hoofd (Job 2:12). Daarna gaan zij bij hem op de grond zitten, zeven dagen en zeven nachten lang, en niemand spreekt één woord tot hem. De reden staat erbij: zij zagen dat de smart zeer groot was (Job 2:13).

Bijbelse betekenis: Deze mannen worden in het vervolg van het boek hard weersproken, en God zegt aan het einde dat zij niet recht van Hem gesproken hebben (Job 42:7). Des te opmerkelijker is wat hier staat. Zij komen van ver, zij komen samen, en zij zwijgen een week lang. Hun reis kostte tijd; hun zwijgen kostte hun meer. Zij lieten Job niet alleen en zij vulden zijn stilte niet op. Zo begint troost: niet met een verklaring maar met aanwezigheid. Het is dan ook niet hun komst maar hun spreken dat straks de wond openrijt. Wie een lijdende bezoekt, mag deze twee dingen naast elkaar leggen. Zeven dagen zwijgen deed Job goed; de woorden daarna deden hem kwaad.

Typologie: Paulus geeft de gemeente dezelfde regel mee, en hij zet haar in twee helften naast elkaar: "Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden" (Rom. 12:15). Er staat niet dat men de wenenden moet uitleggen waarom zij wenen.

Job 2:11-13; Job 42:7; Rom. 12:15

Alle bijbelse begrippen in één overzicht →

© Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas

Job 2

Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.

© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content