Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Er was een manH376 in het landH776UzH5780, zijn naamH8034 was JobH347; en dezelveH1931manH376 was oprechtH8535, en vroomH3477, en godvrezendeH3373, en wijkendeH5493 van het kwaadH7451.Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.
KJVThere was a man1in the land3of Uz,4whose name6was Job;5and that man8was perfect10and upright,11and one that feared12God,13and eschewed14evil.
1אִ֛ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)2הָיָ֥הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use3בְאֶֽרֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world4ע֖וּץH5780UzUz5אִיּ֣וֹבH347Job, JobsJob6שְׁמ֑וֹH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report7וְהָיָ֣הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8הָאִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)9הַה֗וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who10תָּ֧םH8535oprecht, oprechte, volmaaktecoupled together, perfect, plain, undefiled, upright11וְיָשָׁ֛רH3477recht, oprechten, oprechteconvenient, equity, Jasher, just, meet(-est), [phrase] pleased well right(-eous), straight, (most) upright(-ly, -ness)12וִירֵ֥אH3373vrezen, vreest, vrezendeafraid, fear (-ful)13אֱלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty14וְסָ֥רH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without15מֵרָֽעH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)
2En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En hem werden zevenH7651zonenH1121 en drieH7969dochterenH1323geborenH3205.En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren.
KJVAnd there were born1unto him seven3sons4and three5daughters.
1וַיִּוָּ֥לְדוּH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)2ל֛וֹ3שִׁבְעָ֥הH7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)4בָנִ֖יםH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5וְשָׁל֥וֹשׁH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)6בָּנֽוֹתH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village
3Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Daartoe was zijn veeH4735zevenH7651duizendH505schapenH6629, en drieH7969duizendH505kemelenH1581, en vijfhonderdH2568jukH6776ossenH1241, en vijfhonderdH2568ezelinnenH860; ook was zijn dienstvolkH5657zeerH3966veelH7227; zodat deze manH376groterH1419 was dan alH3605 die van het oostenH6924.Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
KJVHis substance2also was seven3thousand4sheep,5and three6thousand7camels,8and five9hundred10yoke11of oxen,12and five13hundred14she asses,15and a very18great17household;16so that this man20was the greatest22of all the men24of the east.
1וַיְהִ֣יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2מִ֠קְנֵהוּH4735vee, bezitting, beestencattle, flock, herd, possession, purchase, substance3שִֽׁבְעַ֨תH7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)4אַלְפֵיH505duizend, duizenden, twee duizendthousand5צֹ֜אןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)6וּשְׁלֹ֧שֶׁתH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)7אַלְפֵ֣יH505duizend, duizenden, twee duizendthousand8גְמַלִּ֗יםH1581kemelen, kemels, kemelcamel9וַחֲמֵ֨שׁH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)10מֵא֤וֹתH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore11צֶֽמֶדH6776juk, paar, bunderenacre, couple, [idiom] together, two (donkeys), yoke (of oxen)12בָּקָר֙H1241runderen, rund, koeienbeeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox13וַחֲמֵ֣שׁH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)14מֵא֣וֹתH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore15אֲתוֹנ֔וֹתH860ezelinnen, ezelin, ezelen(she) ass16וַעֲבֻדָּ֖הH5657dienstvolk, gezinhousehold, store of servants17רַבָּ֣הH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)18מְאֹ֑דH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well19וַיְהִי֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use20הָאִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)21הַה֔וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who22גָּד֖וֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very23מִכָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)24בְּנֵיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth25קֶֽדֶםH6924oosten, ouds, oostwaartsaforetime, ancient (time), before, east (end, part, side, -ward), eternal, [idiom] ever(-lasting), forward, old, past. Compare H6926 (קִדְמָה)
4En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En zijn zonenH1121gingenH1980, en maaktenH6213maaltijdenH4960 in iedersH376huisH1004 op zijn dagH3117; en zij zondenH7971 henen, en nodigdenH7121 hun drieH7969zusterenH269, om metH5973 hen te etenH398 en te drinkenH8354.En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.
KJVAnd his sons2went1and feasted4in their houses,5every one6his day;7and sent8and called9for their three10sisters11to eat12and to drink
1וְהָלְכ֤וּH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl2בָנָיו֙H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3וְעָשׂ֣וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use4מִשְׁתֶּ֔הH4960maaltijd, maaltijden, bruiloftbanquet, drank, drink, feast((-ed), -ing)5בֵּ֖יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)7יוֹמ֑וֹH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger8וְשָׁלְח֗וּH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)9וְקָרְאוּ֙H7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say10לִשְׁלֹ֣שֶׁתH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)11אַחְיֽוֹתֵיהֶ֔םH269zuster, zusters, zusteren(an-) other, sister, together12לֶאֱכֹ֥לH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite13וְלִשְׁתּ֖וֹתH8354drinken, gedronken, drinkt[idiom] assuredly, banquet, [idiom] certainly, drink(-er, -ing), drunk ([idiom] -ard), surely. (Prop. intensive of H8248 (שָׁקָה).)14עִמָּהֶֽםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)
5Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Het geschiedde dan, als de dagenH3117 der maaltijdenH4960omgegaanH5362warenH1961, dat JobH347henenzondH7971, en hen heiligdeH6942 en des morgensH1242vroeg opstondH7925, en brandofferenH5930offerdeH5927 naar hun allerH3605getalH4557; wantH3588JobH347zeideH559: Misschien hebben mijn kinderenH1121gezondigdH2398, en GodH430 in hun hartH3824gezegendH1288. Alzo deedH6213JobH347 al die dagenH3117.Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.
KJVAnd it was so, when the days4of their feasting5were gone about,3that Job7sent6and sanctified8them, and rose up early9in the morning,10and offered11burnt offerings12according to the number13of them all: for Job17said,16It may be18that my sons20have sinned,19and cursed21God22in their hearts.23Thus did25Job26continually.
1וַיְהִ֡יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet3הִקִּיפֽוּ֩H5362omringende, omgeven, omsingelencompass (about, -ing), cut down, destroy, go round (about), inclose, round4יְמֵ֨יH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger5הַמִּשְׁתֶּ֜הH4960maaltijd, maaltijden, bruiloftbanquet, drank, drink, feast((-ed), -ing)6וַיִּשְׁלַ֧חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)7אִיּ֣וֹבH347Job, JobsJob8וַֽיְקַדְּשֵׁ֗םH6942geheiligd, heiligen, heiligtappoint, bid, consecrate, dedicate, defile, hallow, (be, keep) holy(-er, place), keep, prepare, proclaim, purify, sanctify(-ied one, self), [idiom] wholly9וְהִשְׁכִּ֣יםH7925vroeg, stond, stonden(arise, be up, get (oneself) up, rise up) early (betimes), morning10בַּבֹּקֶר֮H1242morgen, morgens, morgenstond([phrase]) day, early, morning, morrow11וְהֶעֱלָ֣הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work12עֹלוֹת֮H5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)13מִסְפַּ֣רH4557getal, tellen, geteld[phrase] abundance, account, [idiom] all, [idiom] few, (in-) finite, (certain) number(-ed), tale, telling, [phrase] time14כֻּלָּם֒H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)15כִּ֚יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet16אָמַ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet17אִיּ֔וֹבH347Job, JobsJob18אוּלַי֙H194misschien, mogelijkif so be, may be, peradventure, unless19חָטְא֣וּH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass20בָנַ֔יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth21וּבֵרֲכ֥וּH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank22אֱלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty23בִּלְבָבָ֑םH3824hart, harten, harte[phrase] bethink themselves, breast, comfortably, courage, ((faint), (tender-) heart(-ed), midst, mind, [idiom] unawares, understanding24כָּ֛כָהH3602alzo, op deze wijzeafter that (this) manner, this matter, (even) so, in such a case, thus25יַעֲשֶׂ֥הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use26אִיּ֖וֹבH347Job, JobsJob27כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)28הַיָּמִֽיםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger
6Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Er wasH1961 nu een dagH3117, als de kinderenH1121GodsH430kwamenH935, om zich voor den HEEREH3068 te stellenH3320, dat de satanH7854ookH1571 in het middenH8432 van hen kwamH935.Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
KJVNow there was a day2when the sons4of God5came3to present6themselves before the LORD,8and Satan11came9also among
1וַיְהִ֣יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2הַיּ֔וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger3וַיָּבֹ֨אוּ֙H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way4בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5הָאֱלֹהִ֔יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty6לְהִתְיַצֵּ֖בH3320stelde, stellen, steltpresent selves, remaining, resort, set (selves), (be able to, can, with-) stand (fast, forth, -ing, still, up)7עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9וַיָּב֥וֹאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way10גַֽםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea11הַשָּׂטָ֖ןH7854satan, tegenpartijder, tegenpartijadversary, Satan, withstand12בְּתוֹכָֽםH8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)
7Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Toen zeideH559 de HEEREH3068totH413 den satanH7854; Van waar komtH935 gij? En de satanH7854antwoorddeH6030 den HEEREH3068, en zeideH559: Van om te trekkenH7751 op de aardeH776, en van die te doorwandelenH1980.Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
KJVAnd the LORD2said1unto Satan,4Whence5comest6thou? Then Satan8answered7the LORD,10and said,11From going to and fro12in the earth,13and from walking up and down
1וַיֹּ֧אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יְהוָ֛הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4הַשָּׂטָ֖ןH7854satan, tegenpartijder, tegenpartijadversary, Satan, withstand5מֵאַ֣יִןH370vanwaar?whence, where6תָּבֹ֑אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7וַיַּ֨עַןH6030antwoordde, antwoorden, antwoorddengive account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת)8הַשָּׂטָ֤ןH7854satan, tegenpartijder, tegenpartijadversary, Satan, withstand9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)11וַיֹּאמַ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet12מִשּׁ֣וּטH7751trekken, Trek, doorlopengo (about, through, to and fro), mariner, rower, run to and fro13בָּאָ֔רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world14וּמֵֽהִתְהַלֵּ֖ךְH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl15בָּֽהּ
8En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En de HEEREH3068zeideH559totH413 den satanH7854: Hebt gij ook achtH3820geslagenH7760opH5921 Mijn knechtH5650JobH347? WantH3588niemandH369 is op de aardeH776 gelijk hij, een manH376oprechtH8535 en vroomH3477, godvrezendeH3373 en wijkendeH5493 van het kwaadH7451.En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
KJVAnd the LORD2said1unto Satan,4Hast thou considered5my servant8Job,9that there is none like him in the earth,13a perfect15and an upright16man,14one that feareth17God,18and escheweth19evil?
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4הַשָּׂטָ֔ןH7854satan, tegenpartijder, tegenpartijadversary, Satan, withstand5הֲשַׂ֥מְתָּH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work6לִבְּךָ֖H3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom7עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8עַבְדִּ֣יH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant9אִיּ֑וֹבH347Job, JobsJob10כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet11אֵ֤יןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)12כָּמֹ֨הוּ֙H3644gelijk, alsaccording to, (such) as (it were, well as), in comparison of, like (as, to, unto), thus, when, worth13בָּאָ֔רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world14אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)15תָּ֧םH8535oprecht, oprechte, volmaaktecoupled together, perfect, plain, undefiled, upright16וְיָשָׁ֛רH3477recht, oprechten, oprechteconvenient, equity, Jasher, just, meet(-est), [phrase] pleased well right(-eous), straight, (most) upright(-ly, -ness)17יְרֵ֥אH3373vrezen, vreest, vrezendeafraid, fear (-ful)18אֱלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty19וְסָ֥רH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without20מֵרָֽעH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)
9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Toen antwoorddeH6030 de satanH7854 den HEEREH3068, en zeideH559: Is het om niet, dat JobH347GodH430vreestH3372?Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?
10Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Hebt GijH859nietH3808 een betuiningH7753 gemaakt voor hem, en voor zijn huisH1004, en voor alH3605watH834 hij heeft rondomH4480? Het werkH4639 zijner handenH3027 hebt Gij gezegendH1288, en zijn veeH4735 is in menigte uitgebrokenH6555 in den landeH776.Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.
KJVHast not thou made an hedge3about him, and about4his house,6and about all that he hath on every side?11thou hast blessed14the work12of his hands,13and his substance15is increased16in the land.
1הֲלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2אַ֠תָּהH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you3שַׂ֣כְתָּH7753betuinen, betuining, samengevlochtenfence, (make an) hedge (up)4בַעֲד֧וֹH1157voor, om; door heenabout, at by (means of), for, over, through, up (-on), within5וּבְעַדH1157voor, om; door heenabout, at by (means of), for, over, through, up (-on), within6בֵּית֛וֹH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)7וּבְעַ֥דH1157voor, om; door heenabout, at by (means of), for, over, through, up (-on), within8כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)9אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10ל֖וֹ11מִסָּבִ֑יבH5439rondom, Rondom, omgangen(place, round) about, circuit, compass, on every side12מַעֲשֵׂ֤הH4639werk, werken, dadenact, art, [phrase] bakemeat, business, deed, do(-ing), labor, thing made, ware of making, occupation, thing offered, operation, possession, [idiom] well, (handy-, needle-, net-) work(ing, -manship), wrought13יָדָיו֙H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves14בֵּרַ֔כְתָּH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank15וּמִקְנֵ֖הוּH4735vee, bezitting, beestencattle, flock, herd, possession, purchase, substance16פָּרַ֥ץH6555gescheurd, brak, doorgebroken[idiom] abroad, (make a) breach, break (away, down, -er, forth, in, up), burst out, come (spread) abroad, compel, disperse, grow, increase, open, press, scatter, urge17בָּאָֽרֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
11Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Maar toch strekH7971 nu Uw handH3027 uit, en tastH5060aanH5921allesH3605, watH834 hij heeft; zoH518 hij U nietH3808 in Uw aangezichtH6440 zal zegenenH1288?Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?
KJVBut1put forth2thine hand4now, and touch5all that he hath, and he will curse13thee to thy face.
1וְאוּלָם֙H199gewisselijk, waarlijk, zekerlijkas for, but, howbeit, in very deed, surely, truly, wherefore2שְֽׁלַֽחH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)3נָ֣אH4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh4יָֽדְךָ֔H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves5וְגַ֖עH5060aangeroerd, aanroert, aanroerenbeat, ([idiom] be able to) bring (down), cast, come (nigh), draw near (nigh), get up, happen, join, near, plague, reach (up), smite, strike, touch6בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8ל֑וֹ9אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet10לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12פָּנֶ֖יךָH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you13יְבָרֲכֶֽךָּH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank
12En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En de HEEREH3068zeideH559totH413 den satanH7854: ZieH2009, alH3605watH834 hij heeft, zij in uw handH3027; alleen aanH413 hem strekH7971 uw handH3027nietH408 uit. En de satanH7854 ging uit van het aangezichtH6440 des HEERENH3068.En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.
KJVAnd the LORD2said1unto Satan,4Behold, all that he hath is in thy power;9only upon himself put not forth13thine hand.14So Satan16went forth15from the presence18of the LORD.
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4הַשָּׂטָ֗ןH7854satan, tegenpartijder, tegenpartijadversary, Satan, withstand5הִנֵּ֤הH2009ziet, ziebehold, lo, see6כָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8לוֹ֙9בְּיָדֶ֔ךָH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves10רַ֣קH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise11אֵלָ֔יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)12אַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than13תִּשְׁלַ֖חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)14יָדֶ֑ךָH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves15וַיֵּצֵא֙H3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter16הַשָּׂטָ֔ןH7854satan, tegenpartijder, tegenpartijadversary, Satan, withstand17מֵעִ֖םH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)18פְּנֵ֥יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you19יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
13Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Er was nu een dagH3117, als zijn zonenH1121 en zijn dochterenH1323atenH398, en wijnH3196dronkenH8354 in het huisH1004 van hun broederH251, den eerstgeboreneH1060.Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.
KJVAnd there was a day2when his sons3and his daughters4were eating5and drinking6wine7in their eldest10brother's9house:
1וַיְהִ֖יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2הַיּ֑וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger3וּבָנָ֨יוH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4וּבְנֹתָ֤יוH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village5אֹֽכְלִים֙H398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite6וְשֹׁתִ֣יםH8354drinken, gedronken, drinkt[idiom] assuredly, banquet, [idiom] certainly, drink(-er, -ing), drunk ([idiom] -ard), surely. (Prop. intensive of H8248 (שָׁקָה).)7יַ֔יִןH3196wijn, wijns, Wijnbanqueting, wine, wine(-bibber)8בְּבֵ֖יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)9אֲחִיהֶ֥םH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'10הַבְּכֽוֹרH1060eerstgeborene, eerstgeborenen, eerstgeboreneldest (son), firstborn(-ling)
14Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Dat een bodeH4397totH413JobH347kwamH935, en zeideH559: De runderenH1241warenH1961ploegendeH2790, en de ezelinnenH860weidendeH7462 aan hun zijdenH3027.Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.
KJVAnd there came2a messenger1unto Job,4and said,5The oxen6were plowing,8and the asses9feeding10beside
1וּמַלְאָ֛ךְH4397Engel, boden, engelambassador, angel, king, messenger2בָּ֥אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4אִיּ֖וֹבH347Job, JobsJob5וַיֹּאמַ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6הַבָּקָר֙H1241runderen, rund, koeienbeeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox7הָי֣וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8חֹֽרְשׁ֔וֹתH2790zwijg, zwijgen, ploegen[idiom] altogether, cease, conceal, be deaf, devise, ear, graven, imagine, leave off speaking, hold peace, plow(-er, man), be quiet, rest, practise secretly, keep silence, be silent, speak not a word, be still, hold tongue, worker9וְהָאֲתֹנ֖וֹתH860ezelinnen, ezelin, ezelen(she) ass10רֹע֥וֹתH7462weiden, herders, herder[idiom] break, companion, keep company with, devour, eat up, evil entreat, feed, use as a friend, make friendship with, herdman, keep (sheep) (-er), pastor, [phrase] shearing house, shepherd, wander, waste11עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12יְדֵיהֶֽםH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
15Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Doch de SabeersH7614 deden een invalH5307, en namenH3947 ze, en sloegenH5221 de jongerenH5288 met de scherpteH6310 des zwaardsH2719; en ikH589 ben maar alleen ontkomenH4422, om het u aan te zeggenH5046.Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
KJVAnd the Sabeans2fell1upon them, and took them away;3yea, they have slain6the servants5with the edge7of the sword;8and I only am escaped9alone to tell
1וַתִּפֹּ֤לH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down2שְׁבָא֙H7614Scheba, Sabeers, SebaSheba, Sabeans3וַתִּקָּחֵ֔םH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win4וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5הַנְּעָרִ֖יםH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)6הִכּ֣וּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound7לְפִיH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word8חָ֑רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool9וָֽאִמָּ֨לְטָ֧הH4422ontkomen, ontkwam, bevrijdendeliver (self), escape, lay, leap out, let alone, let go, preserve, save, [idiom] speedily, [idiom] surely10רַקH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise11אֲנִ֛יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who12לְבַדִּ֖יH905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength13לְהַגִּ֥ידH5046kennen, verkondigen, bekendbewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter14לָֽךְ
16Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Als deze nogH5750sprakH1696, zo kwamH935 een anderH2088, en zeideH559: Het vuurH784GodsH430vielH5307uitH4480 den hemelH8064, en ontstakH1197 onder de schapenH6629 en onder de jongerenH5288, en verteerdeH398 ze; en ikH589 ben maar alleen ontkomenH4422, om het u aan te zeggenH5046.Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
KJVWhile he was yet speaking,3there came5also another, and said,6The fire7of God8is fallen9from heaven,11and hath burned up12the sheep,13and the servants,14and consumed15them; and I only am escaped16alone to tell
1ע֣וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)2זֶ֣הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)3מְדַבֵּ֗רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work4וְזֶה֮H2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)5בָּ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way6וַיֹּאמַר֒H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7אֵ֣שׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot8אֱלֹהִ֗יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty9נָֽפְלָה֙H5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down10מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with11הַשָּׁמַ֔יִםH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)12וַתִּבְעַ֥רH1197wegdoen, branden, aangestokenbe brutish, bring (put, take) away, burn, (cause to) eat (up), feed, heat, kindle, set (on fire), waste13בַּצֹּ֛אןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)14וּבַנְּעָרִ֖יםH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)15וַתֹּאכְלֵ֑םH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite16וָאִמָּ֨לְטָ֧הH4422ontkomen, ontkwam, bevrijdendeliver (self), escape, lay, leap out, let alone, let go, preserve, save, [idiom] speedily, [idiom] surely17רַקH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise18אֲנִ֛יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who19לְבַדִּ֖יH905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength20לְהַגִּ֥ידH5046kennen, verkondigen, bekendbewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter21לָֽךְ
17Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Als deze nogH5750sprakH1696, zo kwamH935 een anderH2088, en zeideH559: De ChaldeenH3778steldenH7760drieH7969hopenH7218, en vielenH6584opH5921 de kemelenH1581 aan, en namenH3947 ze, en sloegenH5221 de jongerenH5288 met de scherpteH6310 des zwaardsH2719; en ikH589 ben maar alleen ontkomenH4422, om het u aan te zeggenH5046.Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
KJVWhile he was yet speaking,3there came5also another, and said,6The Chaldeans7made out8three9bands,10and fell11upon the camels,13and have carried them away,14yea, and slain17the servants16with the edge18of the sword;19and I only am escaped20alone to tell
1ע֣וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)2זֶ֣הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)3מְדַבֵּ֗רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work4וְזֶה֮H2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)5בָּ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way6וַיֹּאמַר֒H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7כַּשְׂדִּ֞יםH3778Chaldeen, ChaldeaChaldeans, Chaldees, inhabitants of Chaldea8שָׂ֣מוּH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work9שְׁלֹשָׁ֣הH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)10רָאשִׁ֗יםH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top11וַֽיִּפְשְׁט֤וּH6584uittrekken, ingevallen, overvielenfall upon, flay, invade, make an invasion, pull off, put off, make a road, run upon, rush, set, spoil, spread selves (abroad), strip (off, self)12עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13הַגְּמַלִּים֙H1581kemelen, kemels, kemelcamel14וַיִּקָּח֔וּםH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win15וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16הַנְּעָרִ֖יםH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)17הִכּ֣וּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound18לְפִיH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word19חָ֑רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool20וָאִמָּ֨לְטָ֧הH4422ontkomen, ontkwam, bevrijdendeliver (self), escape, lay, leap out, let alone, let go, preserve, save, [idiom] speedily, [idiom] surely21רַקH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise22אֲנִ֛יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who23לְבַדִּ֖יH905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength24לְהַגִּ֥ידH5046kennen, verkondigen, bekendbewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter25לָֽךְ
18Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Als deze nog sprakH1696, zo kwamH935 een anderH2088, en zeideH559: Uw zonenH1121 en uw dochterenH1323atenH398, en dronkenH8354wijnH3196, in het huisH1004 van hun broederH251, den eerstgeboreneH1060;Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;
KJVWhile he was yet speaking,3there came5also another, and said,6Thy sons7and thy daughters8were eating9and drinking10wine11in their eldest14brother's13house:
1עַ֚דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet2זֶ֣הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)3מְדַבֵּ֔רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work4וְזֶ֖הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)5בָּ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way6וַיֹּאמַ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7בָּנֶ֨יךָH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth8וּבְנוֹתֶ֤יךָH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village9אֹֽכְלִים֙H398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite10וְשֹׁתִ֣יםH8354drinken, gedronken, drinkt[idiom] assuredly, banquet, [idiom] certainly, drink(-er, -ing), drunk ([idiom] -ard), surely. (Prop. intensive of H8248 (שָׁקָה).)11יַ֔יִןH3196wijn, wijns, Wijnbanqueting, wine, wine(-bibber)12בְּבֵ֖יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)13אֲחִיהֶ֥םH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'14הַבְּכֽוֹרH1060eerstgeborene, eerstgeborenen, eerstgeboreneldest (son), firstborn(-ling)
19En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19En zieH2009, een groteH1419windH7307kwamH935 van over de woestijnH4057, en stietH5060 aan de vierH702hoekenH6438 van het huisH1004, en het vielH5307opH5921 de jongelingenH5288, dat ze stiervenH4191; en ikH589 ben maar alleen ontkomenH4422, om het u aan te zeggenH5046.En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
KJVAnd, behold, there came4a great3wind2from5the wilderness,6and smote7the four8corners9of the house,10and it fell11upon the young men,13and they are dead;14and I only am escaped15alone to tell
1וְהִנֵּה֩H2009ziet, ziebehold, lo, see2ר֨וּחַH7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)3גְּדוֹלָ֜הH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very4בָּ֣אָהH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way5מֵעֵ֣בֶרH5676gene, zijden, recht[idiom] against, beyond, by, [idiom] from, over, passage, quarter, (other, this) side, straight6הַמִּדְבָּ֗רH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness7וַיִּגַּע֙H5060aangeroerd, aanroert, aanroerenbeat, ([idiom] be able to) bring (down), cast, come (nigh), draw near (nigh), get up, happen, join, near, plague, reach (up), smite, strike, touch8בְּאַרְבַּע֙H702vier, vierhonderd, veertienfour9פִּנּ֣וֹתH6438hoeken, hoek, hoeksteenbulwark, chief, corner, stay, tower10הַבַּ֔יִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)11וַיִּפֹּ֥לH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down12עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13הַנְּעָרִ֖יםH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)14וַיָּמ֑וּתוּH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise15וָאִמָּ֨לְטָ֧הH4422ontkomen, ontkwam, bevrijdendeliver (self), escape, lay, leap out, let alone, let go, preserve, save, [idiom] speedily, [idiom] surely16רַקH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise17אֲנִ֛יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who18לְבַדִּ֖יH905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength19לְהַגִּ֥ידH5046kennen, verkondigen, bekendbewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter20לָֽךְ
20Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Toen stondH6965JobH347 op, en scheurdeH7167 zijn mantelH4598, en schoorH1494 zijn hoofdH7218, en vielH5307 op de aardeH776, en boog zich neder;Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
21En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21En hij zeideH559: NaaktH6174 ben ik uit mijner moedersH517buikH990 gekomen, en naaktH6174 zal ik daarhenen wederkerenH7725. De HEEREH3068 heeft gegevenH5414, en de HEEREH3068 heeft genomenH3947; de NaamH8034 des HEERENH3068zijH1961geloofdH1288!En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!
KJVAnd said,1Naked2came I out3of my mother's5womb,4and naked6shall I return7thither: the LORD9gave,10and the LORD11hath taken away;12blessed16be the name14of the LORD.
1וַיֹּאמֶר֩H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2עָרֹ֨םH6174naakt, naakte, naaktennaked3יָצָ֜אתִיH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter4מִבֶּ֣טֶןH990buik, buiks, binnenstebelly, body, [phrase] as they be born, [phrase] within, womb5אִמִּ֗יH517moeder, moedersdam, mother, [idiom] parting6וְעָרֹם֙H6174naakt, naakte, naaktennaked7אָשׁ֣וּבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw8שָׁ֔מָהH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither9יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)10נָתַ֔ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield11וַיהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)12לָקָ֑חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win13יְהִ֛יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use14שֵׁ֥םH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report15יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)16מְבֹרָֽךְH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank
22In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22In ditH2063allesH3605zondigdeH2398JobH347 niet, en schreefH5414GodeH430nietsH3808ongerijmdsH8604 toe.In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
KJVIn all this Job5sinned4not, nor charged7God9foolishly.
1בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)2זֹ֖אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus3לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without4חָטָ֣אH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass5אִיּ֑וֹבH347Job, JobsJob6וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7נָתַ֥ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield8תִּפְלָ֖הH8604ongerijmds, ongerijmdheidfolly, foolishly9לֵאלֹהִֽיםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Job 1:1— Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.Ezechiël 14:14→Ezechiël 14:20→Jakobus 5:11→Genesis 17:1→Job 1:8→Genesis 6:9→Job 2:3→Jeremia 25:20→
Job 1:2— En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren.Job 42:13→Psalmen 127:3→Psalmen 107:38→Psalmen 128:3→Esther 5:11→Job 13:13→
Job 1:3— Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.Job 29:25→Job 42:12→Genesis 12:16→Richteren 6:3→Genesis 25:6→1 Samuël 25:2→Spreuken 10:22→Genesis 29:1→
Job 1:4— En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.Hebreeën 13:1→Psalmen 133:1→
Job 1:5— Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.Genesis 8:20→Job 42:8→1 Samuël 16:5→1 Koningen 21:13→1 Koningen 21:10→Genesis 35:2→Leviticus 24:10→Job 27:10→
Job 1:6— Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.Job 2:1→Job 38:7→Zacharia 3:1→1 Kronieken 21:1→1 Koningen 22:19→Johannes 6:70→Openbaring 12:9→Daniël 3:25→
Job 1:7— Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.1 Petrus 5:8→Job 2:2→Zacharia 6:7→Zacharia 1:10→Openbaring 20:8→Mattheüs 12:43→Openbaring 12:12→2 Koningen 5:25→
Job 1:8— En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.Job 1:1→2 Koningen 23:25→Job 2:3→Numeri 12:7→Jesaja 1:16→Spreuken 8:13→Job 8:20→Jozua 1:7→
Job 1:9— Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?Mattheüs 16:26→Job 2:10→1 Timotheüs 4:8→Maleachi 1:10→1 Timotheüs 6:6→Job 1:21→Job 21:14→
Job 1:10— Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.Psalmen 34:7→1 Petrus 1:5→Psalmen 107:38→Deuteronomium 28:2→Job 31:25→Zacharia 2:5→Spreuken 10:22→Genesis 49:25→
Job 1:11— Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?Job 2:5→Job 19:21→Openbaring 16:11→Job 1:5→Jesaja 8:21→Jesaja 5:25→Psalmen 105:15→Openbaring 16:9→
Job 1:12— En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.2 Korinthe 12:7→Genesis 16:6→1 Koningen 22:23→Lukas 8:32→Jeremia 38:5→Johannes 3:35→Lukas 22:31→1 Korinthe 10:13→
Job 1:13— Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.Job 1:4→Lukas 12:19→Prediker 9:12→Spreuken 27:1→Lukas 21:34→Lukas 17:27→
Job 1:14— Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.2 Samuël 15:13→1 Samuël 4:17→Jeremia 51:31→
Job 1:15— Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.Genesis 10:7→Job 6:19→Psalmen 72:10→Job 1:16→Ezechiël 23:42→Joël 3:8→Genesis 25:3→Jesaja 45:14→
Job 1:16— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.2 Koningen 1:12→Genesis 19:24→2 Koningen 1:14→1 Koningen 18:38→Numeri 11:1→2 Koningen 1:10→Amos 7:4→Leviticus 10:2→
Job 1:17— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.Genesis 11:28→Habakuk 1:6→Jesaja 23:13→Job 1:15→2 Samuël 1:3→Genesis 11:31→
Job 1:18— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;Job 1:13→Job 1:4→Job 19:9→Job 23:2→Job 6:2→Jesaja 28:19→2 Samuël 13:28→Amos 4:6→
Job 1:19— En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.1 Koningen 20:30→Lukas 13:1→Handelingen 28:4→2 Samuël 18:33→Richteren 16:30→Jeremia 4:11→Genesis 42:36→Efeze 2:2→
Job 1:20— Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;1 Petrus 5:6→Genesis 37:29→Ezra 9:3→Genesis 37:34→Deuteronomium 9:18→2 Samuël 12:16→2 Kronieken 7:3→Mattheüs 26:39→
Job 1:21— En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!Prediker 5:15→1 Thessalonicenzen 5:18→Efeze 5:20→1 Timotheüs 6:7→Job 2:10→1 Samuël 2:7→Jakobus 1:17→Psalmen 49:17→
Job 1:22— In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.Job 2:10→Jakobus 1:12→1 Petrus 1:7→Jakobus 1:4→Romeinen 9:20→Job 40:4→Job 34:10→Job 34:18→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Job 1 vers 3— Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
vee
Zie van het Hebreeuwse woord mikneh, Gen. 4:20 .
Hertaald:vee
Zie over het Hebreeuwse woord mikneh Gen. 4:20.
schapen,
Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen schapen, maar ook geiten, dat is allerlei klein vee, voornamelijk als het tegen grote beesten gesteld wordt. Zie Gen. 12:16 , en Lev. 1:2 .
Hertaald:schapen,
Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen schapen, maar ook geiten, dat is: allerlei kleinvee, vooral wanneer het tegenover grote dieren gesteld wordt. Zie Gen. 12:16, en Lev. 1:2.
dienstvolk
Of, dienstwerk, landbouwerij.
Hertaald:dienstvolk
Of: dienstwerk, landbouw.
die van het oosten
Of, lieden van het oosten. Hebreeuws, kinderen van oosten; dat is, die ten aanzien van Judea oostwaarts woonden. Vergelijk Gen. 29:1 ; Richt. 6:3 , en zie de aantekening.
Hertaald:die van het oosten
Of: mensen van het oosten. Hebreeuws: kinderen van het oosten; dat is: die ten opzichte van Judea in het oosten woonden. Vergelijk Gen. 29:1; Richt. 6:3, en zie de aantekening.
Job 1 vers 4— En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.
zijn dag;
Te weten, zijner beurt om zijn maaltijd te geven; want hiervan ging zekere orde onder hen om. En misschien kwam de orde op elkeen, ten dage zijner geboorte. Want Job — dezen zijnen dag; Job 3:1 .
Hertaald:zijn dag;
Namelijk: zijn beurt om zijn maaltijd te geven; want hierover ging een vaste volgorde onder hen. En misschien kwam de beurt bij ieder op de dag van zijn geboorte. Want Job — deze zijn dag; Job 3:1.
zonden henen,
Te weten, boden, die de zusters ter maaltijd zouden noden. Alzo in vs.5.
Hertaald:zonden henen,
Namelijk: boden, die de zusters voor de maaltijd zouden uitnodigen. Zo ook in vers 5.
Job 1 vers 5— Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.
heiligde
Dat is, verzorgde en belastte dat zij zich heiligen zouden, opdat zij bekwaam zouden zijn tot het aanstaande offer. Alzo Ex. 19:10 . Deze heiliging bestond wel voornamelijk in de verzaking van alle geestelijke onreinheid der zonden, maar ook in de onderhouding van zekere lichamelijke ceremoniën, als tekenen der inwendige heiligmaking, welke in die tijden onder de vromen plaats had. Vergelijk Gen. 35:2 [waar is het woord reinigen ] en de aantekening daarop.
Hertaald:heiligde
Dat is: zorgde ervoor en gaf opdracht dat zij zich zouden heiligen, opdat zij geschikt zouden zijn voor het komende offer. Zo ook Ex. 19:10. Deze heiliging bestond wel vooral in het afzien van alle geestelijke onreinheid van de zonden, maar ook in het onderhouden van bepaalde lichamelijke plechtigheden, als tekenen van de innerlijke heiligmaking, wat in die tijden onder de vromen gebruikelijk was. Vergelijk Gen. 35:2 [waar het woord reinigen staat] en de aantekening daarbij.
zeide
Te weten, bij zichzelven, dat is, hij dacht; zie Gen. 20:11 .
Hertaald:zeide
Namelijk: bij zichzelf, dat is: hij dacht; zie Gen. 20:11.
gezondigd,
Te weten, door onmatige vrolijkheid, lichtvaardig wezen, verkwisting van Gods gaven, vergeting van de armen en andere zonden van vleselijke onbedachtzaamheid.
Hertaald:gezondigd,
Namelijk: door overdreven vrolijkheid, lichtzinnigheid, verkwisting van Gods gaven, het vergeten van de armen en andere zonden van vleselijke onbedachtzaamheid.
gezegend
Dat is, niet gezegend, geheiligd, of geëerd, gelijk het betaamde, maar de geboden des Heeren in hun vreugde en overvloed klein geacht en als in den wind geslagen. Zo is het woord zegenen, hetwelk anders betekent prijzen en loven, hier genomen voor het tegendeel, vloeken, misprijzen, versmaden. Want het betekent hier de zonden voor welke Job offerande deed. Alzo wordt dit woord ook gebruikt onder, vs.11, en Job 2:9 . Zie ook 1 Kon. 21:10 , en de aantekening daarop.
Hertaald:gezegend
Dat is: niet gezegend, geheiligd, of geëerd, zoals het betaamde, maar de geboden van de HEERE in hun vreugde en overvloed gering geacht en als het ware in de wind geslagen. Zo wordt het woord zegenen, dat anders prijzen en loven betekent, hier gebruikt voor het tegenovergestelde: vloeken, verachten, minachten. Want het duidt hier de zonden aan waarvoor Job offerde. Zo wordt dit woord ook gebruikt hieronder, vers 11, en Job 2:9. Zie ook 1 Kon. 21:10, en de aantekening daarbij.
die dagen
Te weten, als zijne kinderen hun maaltijden hadden gehouden.
Hertaald:die dagen
Namelijk: wanneer zijn kinderen hun maaltijden gehouden hadden.
Job 1 vers 6— Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
kinderen Gods
Hebreeuws, zonen; dat is, de engelen Gods, gelijk onder, Job 38:7 ; niet omdat zij van nature zonen of kinderen Gods zijn, gelijk de Eeniggeborene van den Vader, maar omdat zij deze waardigheid hebben uit de gave der schepping, zijnde gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis, om zijn aangezicht geduriglijk te aanschouwen, hem en zijn gemeente te dienen en eeuwiglijk met hem te leven.
Hertaald:kinderen Gods
Hebreeuws: zonen; dat is: de engelen van God, zoals hieronder Job 38:7; niet omdat zij van nature zonen of kinderen van God zijn, zoals de Eniggeborene van de Vader, maar omdat zij deze waardigheid hebben door de gave van de schepping, gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis, om Zijn aangezicht voortdurend te aanschouwen, Hem en Zijn gemeente te dienen en eeuwig met Hem te leven.
kwamen,
Dit wordt gezegd bij gelijkenis van wereldse prinsen, die om rekenschap te eisen van hun dienaren over hetgeen zij hun belast hebben, dezen voor zich ontbieden. Vergelijk 1 Kon. 22:19 , en de aantekening.
Hertaald:kwamen,
Dit wordt gezegd naar het beeld van wereldse vorsten, die hun dienaren voor zich laten komen om rekenschap te vragen over wat zij hun opgedragen hebben. Vergelijk 1 Kon. 22:19, en de aantekening.
satan
Dat is, wederpartijder. Zie 1 Kron. 21:1 . Zo wordt de boze geest genoemd, omdat hij uit onverzoenlijke vijandschap de gelovigen haat, die verklagende voor God, Openb. 12:10 , en als een briesende leeuw rondom hen lopende, en zoekende wien hij zou mogen verslinden; 1 Petr. 5:8 .
Hertaald:satan
Dat is: tegenstander. Zie 1 Kron. 21:1. Zo wordt de boze geest genoemd, omdat hij uit onverzoenlijke vijandschap de gelovigen haat, hen aanklaagt voor God, Openb. 12:10, en als een brullende leeuw om hen heen loopt, op zoek naar wie hij zou kunnen verslinden; 1 Petr. 5:8.
Job 1 vers 7— Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
om te trekken
Des duivels werk is alles te doorlopen en te doorsnuffelen, om degenen, die op hun hoede niet zijn, te grijpen, en die nog enigszins wacht houden te kwellen en te bespringen.
Hertaald:om te trekken
Het werk van de duivel is alles te doorlopen en te doorzoeken, om degenen die niet op hun hoede zijn te grijpen, en degenen die nog enigszins waakzaam zijn te kwellen en te overvallen.
Job 1 vers 8— En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
Hebt gij ook
Hebreeuws, hebt gij uw hart gelegd, of gesteld; dat is, hebt gij achtgegeven, of opmerking genomen? Dezelfde manier van spreken is te vinden 2 Sam. 18:3 , en onder, Job 2:3 , en Job 7:17 , en Job 23:6 .
Hertaald:Hebt gij ook
Hebreeuws: hebt u uw hart gelegd, of gesteld; dat is: hebt u aandacht besteed, of opgemerkt? Dezelfde manier van spreken is te vinden in 2 Sam. 18:3, en hieronder Job 2:3, en Job 7:17, en Job 23:6.
Want niemand
Of, dat niemand zijns gelijke is op de aarde, enz.
Hertaald:Want niemand
Of: dat niemand hem gelijk is op de aarde, enzovoort.
Job 1 vers 10— Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.
een betuining
Dat is, beschermt en bevrijdt Gij hem niet van alle kwaad door uw overaltegenwoordige voorzienigheid en almogende kracht?
Hertaald:een betuining
Dat is: beschermt en behoedt U hem niet voor alle kwaad door Uw alomtegenwoordige voorzienigheid en almachtige kracht?
gezegend,
Zie van dit woord zegenen Gen. 12:2 .
Hertaald:gezegend,
Zie over dit woord zegenen Gen. 12:2.
in menigte
Zie Gen. 30:30 . Het Hebreeuwse woord is ook elders gebruikt van zeer grote vermenigvuldiging, gelijk Gen. 28:14 , en Gen. 30:43 ; Ex. 1:12 .
Hertaald:in menigte
Zie Gen. 30:30. Het Hebreeuwse woord wordt ook elders gebruikt voor zeer grote vermeerdering, zoals Gen. 28:14, en Gen. 30:43; Ex. 1:12.
Job 1 vers 11— Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?
tast aan
Te weten, om dat te beschadigen en hem alzo te plagen. Zie Gen. 26:11 .
Hertaald:tast aan
Namelijk: om dat te beschadigen en hem zo te plagen. Zie Gen. 26:11.
aangezicht
Dat is, stoutelijk zonder schroom en schaamte.
Hertaald:aangezicht
Dat is: openlijk zonder schroom of schaamte.
zegenen?
Zie boven, vs.5.
Hertaald:zegenen?
Zie hierboven vers 5.
*
In het eedzweren der Hebreën wordt gemeenlijk de straf, die men zich onderwerpt zo men valselijk zweert, verzwegen, gelijk hier. Zie Gen. 14:23 .
Hertaald:*
In het eedzweren van de Hebreeën wordt gewoonlijk de straf die men zichzelf oplegt als men een valse eed zweert, verzwegen, zoals hier. Zie Gen. 14:23.
Job 1 vers 12— En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.
in uw hand;
Dat is, in uw macht, onder uw geweld. Zie Gen. 16:6 .
Hertaald:in uw hand;
Dat is: in uw macht, onder uw gezag. Zie Gen. 16:6.
aan hem
Dat is, aan zijn persoon. Versta, zijn lichaam en ziel.
Hertaald:aan hem
Dat is: aan zijn persoon. Versta hieronder: zijn lichaam en ziel.
Job 1 vers 14— Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.
aan hun zijden
Dat is, nevens deze runderen. Hebreeuws, aan hun handen. Zie het woord hand voor zijde gebruikt 2 Kron. 21:16 , enz. Anders, op hun plaatsen; dat is, waar zij plachten te weiden. Dit woord is somtijds voor plaatsen genomen gelijk Num. 2:17 ; Jer. 6:3 .
Hertaald:aan hun zijden
Dat is: naast deze runderen. Hebreeuws: aan hun handen. Zie het woord hand gebruikt voor zijde in 2 Kron. 21:16, enzovoort. Anders: op hun plaatsen; dat is: waar zij gewoonlijk graasden. Dit woord wordt soms gebruikt voor plaatsen, zoals Num. 2:17; Jer. 6:3.
Job 1 vers 15— Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Sabeërs
Hebreeuws, Scheba; dat is het heir der Sabeërs. Dezen waren de nakomelingen van Scheba, den zoon van Joksan, den zoon van Abraham uit Ketura, Gen. 25:1-3 . Zij woonden in woest Arabië. Zie van hen Ezech. 27:23 . Deze Scheba is te onderscheiden van een anderen van dezen naam, welke was de zoon van Raema, de zoon van Cus, den zoon van Cham, den zoon van Noach, Gen. 10:7 , wiens nakomelingen het Morenland bewoonden. Zie de aantekening op Gen. 10:7 en op vs.28.
Hertaald:Sabeërs
Hebreeuws: Scheba; dat is: het leger van de Sabeeërs. Dezen waren de nakomelingen van Scheba, de zoon van Joksan, de zoon van Abraham bij Ketura, Gen. 25:1-3. Zij woonden in het woeste Arabië. Zie over hen Ezech. 27:23. Deze Scheba moet onderscheiden worden van een andere met deze naam, die de zoon was van Raëma, de zoon van Cusch, de zoon van Cham, de zoon van Noach, Gen. 10:7, wiens nakomelingen het Morenland bewoonden. Zie de aantekening bij Gen. 10:7 en bij vers 28.
deden
Hebreeuws, Scheba viel.
Hertaald:deden
Hebreeuws: Scheba viel.
scherpte
Hebreeuws, mond. Alzo in het volgende.
Hertaald:scherpte
Hebreeuws: mond. Zo ook in het vervolg.
Job 1 vers 16— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Het vuur Gods
Dit is, een groot, geweldig en verschrikkelijk vuur. Vergelijk de aantekening Gen. 13:10 , of dat God van den hemel gezonden heeft, zo zij meenden.
Hertaald:Het vuur Gods
Dit is: een groot, geweldig en verschrikkelijk vuur. Vergelijk de aantekening bij Gen. 13:10, of dat God vanuit de hemel gestuurd heeft, zoals zij dachten.
schapen
Zie boven, vs.3.
Hertaald:schapen
Zie hierboven vers 3.
Job 1 vers 17— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
hopen,
Hebreeuws, hoofden; maar het Hebreeuwse woord betekent somtijds een schare of bende, of hoop volks, gelijk hier; Richt. 7:16 ; 1 Sam. 11:11 .
Hertaald:hopen,
Hebreeuws: hoofden; maar het Hebreeuwse woord betekent soms een schare of bende, of groep mensen, zoals hier; Richt. 7:16; 1 Sam. 11:11.
Job 1 vers 18— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;
nog sprak,
Het Hebreeuwse woord is aldus genomen Spr. 8:26 , en Jona 4:2 .
Hertaald:nog sprak,
Het Hebreeuwse woord wordt zo gebruikt in Spr. 8:26, en Jona 4:2.
Job 1 vers 19— En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
stiet
Hebreeuws eigenlijk, raakte; dat is, trof.
Hertaald:stiet
Hebreeuws letterlijk: raakte; dat is: trof.
jongelingen,
De zonen van Job. Zie Gen. 22:5 .
Hertaald:jongelingen,
De zonen van Job. Zie Gen. 22:5.
Job 1 vers 20— Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
scheurde
Zie Gen. 37:29 .
Hertaald:scheurde
Zie Gen. 37:29.
mantel,
Dit is een opperkleed geweest, hetwelk de voornaamsten onder het volk droegen.
Hertaald:mantel,
Dit is een overkleed geweest, dat de voornaamsten onder het volk droegen.
schoor zijn hoofd,
Dat is, liet zijn hoofd scheren. Alzo Gen. 41:14 ; 2 Sam. 14:26 , en zie Gen. 40:22 . Het scheren nu was een teken van droefenis en rouw; Lev. 21:5 ; Jer. 41:5 , en Jer. 48:37 ; Mi. 1:16 . Anders heeft men zich ook laten scheren als men zijn lichaam reinigen wilde; hetwelk, naardien het tegen den tijd van vreugde placht te geschieden, zo is het ook een teken geweest van verkwikking en blijdschap, Gen. 41:14 , en het nalaten daarvan een teken van ontsteltenis en droefheid; 2 Sam. 19:24 .
Hertaald:schoor zijn hoofd,
Dat is: liet zijn hoofd scheren. Zo ook Gen. 41:14; 2 Sam. 14:26, en zie Gen. 40:22. Het scheren was een teken van droefheid en rouw; Lev. 21:5; Jer. 41:5, en Jer. 48:37; Micha 1:16. Anders liet men zich ook scheren wanneer men zijn lichaam wilde reinigen; en omdat dit gewoonlijk gebeurde tegen de tijd van vreugde, was het ook een teken van verkwikking en blijdschap, Gen. 41:14, en het nalaten daarvan een teken van ontsteltenis en droefheid; 2 Sam. 19:24.
boog zich neder;
Het Hebreeuwse woord betekent zich nederbuigen, òf voor God om Hem godsdienstige eer te bewijzen; van welke betekenis, zie Gen. 24:26 , òf voor de mensen om hun burgerlijke eer aan te doen; van welke betekenis, zie Gen. 18:2 . De eerste heeft hier plaats, gelijk af te nemen is uit de volgende woorden, in welke hij God dankt voor al wat Hij hem toegezonden had.
Hertaald:boog zich neder;
Het Hebreeuwse woord betekent zich neerbuigen, óf voor God om Hem godsdienstige eer te bewijzen; zie over die betekenis Gen. 24:26, óf voor mensen om hun burgerlijke eer te bewijzen; zie over die betekenis Gen. 18:2. Het eerste geldt hier, zoals op te maken is uit de volgende woorden, waarin hij God dankt voor alles wat Hij hem toegezonden had.
Job 1 vers 21— En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!
daarhenen
Dit zeide hij, zo het schijnt, wijzende op de aarde, naar welke hij zich neergebogen had.
Hertaald:daarhenen
Dit zei hij, zo lijkt het, wijzend naar de aarde, waarnaar hij zich had neergebogen.
de HEERE heeft genomen;
Hoe de kwade werken des Satans en der boze mensen, den goeden God toegeschreven worden, zie Gen. 45:5 , en 1 Kon. 12:15 .
Hertaald:de HEERE heeft genomen;
Zie over hoe de kwade werken van de satan en van boze mensen aan de goede God worden toegeschreven Gen. 45:5, en 1 Kon. 12:15.
geloofd
Hebreeuws, gezegend. Zie Gen. 14:20 , en de aantekening.
Hertaald:geloofd
Hebreeuws: gezegend. Zie Gen. 14:20, en de aantekening.
Job 1 vers 22— In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
zondigde
Noch met woord, noch met daad.
Hertaald:zondigde
Noch met woord, noch met daad.
schreef
Of, eigende toe. Hebreeuws, gaf.
Hertaald:schreef
Of: schreef toe. Hebreeuws: gaf.
ongerijmds
Hebreeuws, onsmakelijk; dat is ongerijmds, onredelijks, te weten, hetwelk zou mogen strijden tegen Gods natuur en eigenschappen en tegen de eer zijns naams.
Hertaald:ongerijmds
Hebreeuws: onsmakelijk; dat is: ongerijmds, onredelijks, namelijk wat zou kunnen ingaan tegen Gods natuur en eigenschappen en tegen de eer van Zijn naam.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Job — vervolgde, of: hij die terugkeert (tot God) (onzeker)
Een oprecht en godvrezend man uit het land Uz, zeer rijk aan vee en kinderen. Op aanstoken van de satan liet God zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte zijn eigen gezondheid treffen, om zijn oprechtheid op de proef te stellen; ondanks alles zondigde Job niet en bleef hij aan God vasthouden. Het boek dat zijn naam draagt beschrijft zijn lijden, de gesprekken met zijn drie vrienden over de reden van zijn lijden, Gods antwoord vanuit de storm, en zijn uiteindelijke herstel (Job 1-42).
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Uz — mogelijk vernoemd naar Uz, een nakomeling van Sem (Gen. 10:23) of van Nahor (Gen. 22:21) — de Schrift kent verscheidene personen met deze naam
Ligging: Een landstreek ten oosten van Kanaän, vermoedelijk in of nabij Edom, hoewel de precieze grenzen niet met zekerheid zijn vast te stellen; Klaagl. 4:21 plaatst "de dochter van Edom" die in het land Uz woont, wat op een ligging in of dicht bij Edom wijst.
Geschiedenis: Het land Uz is de woonplaats van Job, "de grootste van al die van het oosten" (Job 1:3), wiens geschiedenis van beproeving, verlies, geduld en uiteindelijk herstel door de HEERE Zelf hier wordt beschreven — een geschiedenis die, gezien de aartsvaderlijke levenswijze en het ontbreken van elke verwijzing naar de wet van Mozes of Israëls geschiedenis, door velen tot de oudste gebeurtenissen van de Schrift wordt gerekend.
Bijbelse betekenis: Het land van Job is welbewust vaag gelaten in de Schrift — niet de precieze aardrijkskundige ligging, maar Jobs volharding in het geloof, "al zou Hij mij doden, zo zal ik nochtans op Hem hopen" (Job 13:15), staat hier centraal; latere Schriftplaatsen bevestigen Jobs historische, werkelijke bestaan naast dat van Noach en Daniël (Ez. 14:14, 20) en stellen zijn geduld ten voorbeeld aan de gelovigen (Jak. 5:11).
Recente inzichten: De omstreden ligging van het land Uz doet niets af aan de door de Schrift zelf bevestigde historiciteit van Job en zijn geschiedenis.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad — het boek begint niet met het lijden maar met een getuigenis over de man zelf: "dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad" (Job 1:1)
Er woonde een man in het land Uz, en zijn naam was Job (Job 1:1). Van hem worden vier dingen gezegd. Hij was oprecht en vroom, hij vreesde God en hij week van het kwaad. Hij had zeven zonen en drie dochters (Job 1:2). Zijn bezit was groot: zevenduizend schapen, drieduizend kamelen, vijfhonderd juk ossen, vijfhonderd ezelinnen en veel dienstvolk. Daarmee was hij de aanzienlijkste man van het oosten (Job 1:3). Zijn zonen hielden om beurten maaltijd in ieders huis, en zij nodigden hun zusters daarbij (Job 1:4). Telkens wanneer die dagen voorbij waren, liet Job hen halen en heiligde hij hen. Hij stond 's morgens vroeg op en offerde brandoffers, één voor ieder van hen. Zijn reden staat erbij: misschien hadden zijn kinderen gezondigd en God in hun hart vaarwel gezegd. Zo deed hij al die dagen (Job 1:5).
Bijbelse betekenis: Het boek opent niet met een ramp maar met een oordeel over deze man, en dat oordeel komt van de Schrift zelf. Even later herhaalt God het woord voor woord (Job 1:8). Dat is van het grootste belang voor alles wat volgt. Wat Job overkomt, is geen straf voor een verborgen zonde. Zijn vrienden zullen dat toch beweren, en de lezer weet vanaf het eerste vers beter dan zij. Let ook op wat Job als vader doet. Hij offert voor zonden waarvan hij niet weet of ze begaan zijn, en hij doet dat telkens opnieuw. Zijn vroomheid is dus niet luidruchtig, maar volhardend en op anderen gericht. De Schrift noemt zijn vroomheid en zijn rijkdom in één adem, zonder daar enig bezwaar bij te maken. Juist die verbinding valt de aanklager straks aan.
Typologie: Het offer van deze vader moest telkens herhaald worden, want de zorg om zijn kinderen keerde telkens terug. Daarin verschilt het van het offer waarop het uitloopt: "Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden" (Hebr. 10:14). Waar Job na elke feestweek opnieuw begon, is dat werk eenmaal en voorgoed volbracht.
Job 1:1-8; Hebr. 10:14
De belangeloze vreze Gods — de aanklacht in de hemel gaat niet over de daden van Job maar over zijn beweegreden: "Is het om niet, dat Job God vreest?" (Job 1:9)
Op een dag kwamen de kinderen Gods zich voor de HEERE stellen, en de satan kwam in hun midden (Job 1:6). Op de vraag waar hij vandaan komt, antwoordt hij dat hij de aarde heeft doortrokken (Job 1:7). Dan wijst de HEERE Zelf op Job, en Hij herhaalt over hem wat het eerste vers al zei (Job 1:8). Het antwoord is een vraag: dient Job God wel om niet (Job 1:9)? Er volgt een verklaring. God heeft immers een omheining gemaakt om Job, om zijn huis en om al wat hij heeft, en Hij heeft het werk van zijn handen gezegend (Job 1:10). Laat God dat wegnemen, en Job zal Hem in het aangezicht vaarwel zeggen (Job 1:11). De HEERE staat toe dat alles wat Job bezit wordt aangetast, maar Hij trekt een grens: aan Job zelf mag geen hand geslagen worden (Job 1:12).
Bijbelse betekenis: De aanklacht raakt niet in de eerste plaats Job maar God. Zij komt hierop neer: niemand dient U om Uzelf, en wie U dient doet dat om wat U geeft. Als dat waar is, wordt God alleen om Zijn gaven bemind en niet om Wie Hij is. Daarom staat er in dit boek meer op het spel dan het geluk van één man. Twee dingen mogen daarbij nooit worden losgelaten. Het eerste is dat de aanklager niets kan doen zonder toestemming, en dat elke toestemming een grens meekrijgt die hij niet overschrijden kan (Job 1:12). Het tweede is dat Job van dit alles niets weet. Hij hoort geen enkel woord van dit gesprek, en de rest van het boek voert hij zijn strijd zonder deze kennis. Wie lijdt, ziet zelden waarom; dat de lezer het hier wel ziet, is bedoeld tot troost.
Typologie: De Heere Jezus laat zien dat dezelfde begeerte er nog is, en Hij noemt ook de bewaring erbij: "de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude" (Luk. 22:31-32). Paulus noemt de grens die God stelt een belofte: God is getrouw, "Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt" (1 Kor. 10:13).
Job 1:6-12; Luk. 22:31-32; 1 Kor. 10:13
De vier boden — vier boden komen achter elkaar, en elk van hen sluit met dezelfde zin (Job 1:15,16,17,19)
Op de dag dat de kinderen van Job aten en wijn dronken in het huis van hun oudste broer, komt de eerste bode (Job 1:13). De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen weidden ernaast, toen de Sabeeërs een inval deden en de knechten doodden (Job 1:14-15). Terwijl hij nog spreekt, komt de tweede: vuur uit de hemel heeft de schapen en de knechten verteerd (Job 1:16). Terwijl die nog spreekt, komt de derde: de Chaldeeën hebben in drie groepen de kamelen weggenomen en de knechten gedood (Job 1:17). En terwijl ook die nog spreekt, komt de vierde met het zwaarste bericht. Een grote wind uit de woestijn stootte tegen de vier hoeken van het huis waar zijn kinderen aten, en zij kwamen om (Job 1:18-19). Alle vier eindigen met dezelfde woorden: ik ben als enige ontkomen om het u te vertellen.
Bijbelse betekenis: De slagen komen zo snel achter elkaar dat er geen tijd is om er één te dragen. Dat is een eigen soort beproeving. Wie één verlies te verwerken krijgt, kan ademhalen; hier begint de volgende zin voordat de vorige uit is. Opmerkelijk is bovendien de afwisseling van de oorzaken. Twee keer zijn het mensen, de Sabeeërs en de Chaldeeën, en twee keer is het wat men natuurgeweld noemt. De gelovige ziet dus geen patroon en kan nergens de schuld leggen. En dan het laatste bericht. De kinderen sterven op de plaats waar zij samen aten, en juist voor die dagen had hun vader telkens geofferd. Zijn zorg wordt niet beloond met bewaring. Het boek verzwijgt dat niet en verzacht het niet.
Typologie: De psalm tekent hetzelfde overstelpende met één beeld: "al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan" (Ps. 42:8). De golven zijn daar niet los van God gedacht, maar worden de Zijne genoemd. Dat is precies de moeilijkheid waar dit hoofdstuk de lezer voor plaatst, en het boek zal die niet wegnemen.
Job 1:13-19; Ps. 42:8
De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen — het antwoord van Job op één dag verlies is geen berusting maar aanbidding: "de Naam des HEEREN zij geloofd!" (Job 1:21)
Job staat op en scheurt zijn mantel. Hij scheert zijn hoofd, valt op de aarde en buigt zich neer (Job 1:20). Zijn rouw is dus niet ingehouden; hij doet alles wat een rouwende in die tijd deed. Wat hij daarna zegt, is kort. Naakt is hij uit de schoot van zijn moeder gekomen en naakt zal hij terugkeren. De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen, en de Naam des HEEREN zij geloofd (Job 1:21). Het hoofdstuk sluit met een oordeel van de Schrift zelf: in dit alles zondigde Job niet en schreef hij God niets ongerijmds toe (Job 1:22).
Bijbelse betekenis: Merk eerst op wat Job niet doet. Hij verbergt zijn verdriet niet en hij spreekt geen dappere woorden over een tegenslag. Hij scheurt zijn kleed en valt op de grond. Rouw en aanbidding sluiten elkaar hier niet uit; zij gebeuren in hetzelfde vers. Let vervolgens op wat hij belijdt. Hij zegt niet dat de Sabeeërs genomen hebben of dat de wind hem beroofd heeft, hoewel dat ook waar was. Hij noemt de HEERE, en hij noemt Hem ook als de Gever. Wie zo terugkijkt, verliest niet wat hem toekwam maar geeft terug wat hem geleend was. En het slotvers is even belangrijk. God zag zijn woorden aan en keurde ze goed. Dat betekent niet dat elk woord van Job in dit boek zo geprezen wordt, maar wel dat deze belijdenis geen vroom vertoon was.
Typologie: Paulus zegt hetzelfde in twee regels, en hij trekt er de les uit dat het genoeg is om voedsel en deksel te hebben: "wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen" (1 Tim. 6:7). Jakobus wijst juist op het einde van deze geschiedenis: "gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer" (Jak. 5:11).
Job 1:20-22; 1 Tim. 6:7; Jak. 5:11
De vergadering der zonen Gods — een bijeenkomst in de hemel waar Gods dienaren zich voor Hem stellen, het toneel waarop het boek Job opent (Job 1:6; 2:1)
"Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam" (Job 1:6). Dezelfde samenkomst herhaalt zich later in het boek: "Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen" (Job 2:1). Binnen deze vergadering vindt een gesprek plaats tussen de HEERE en de satan over Job, waarna deze laatste toestemming krijgt om Job te beproeven, met een uitdrukkelijke grens die de HEERE Zelf stelt (Job 1:12; 2:6).
Bijbelse betekenis: Merk op de aanduiding kinderen Gods: geen menselijke vergadering, maar hemelse dienaren die zich voor de HEERE stellen, zoals een hoveling zich voor een koning stelt. Let vervolgens op wat er in deze vergadering gebeurt: geen troonrede maar een verhoor, waarin de HEERE Zelf de vraag stelt en de grenzen bepaalt. Let ten slotte op de plaats van de satan binnen dit tafereel: hij komt in het midden van hen, maar staat onder Gods gezag; hij handelt geen moment buiten de grens die hem gesteld wordt. Het boek gaat hier niet dieper op de aard van deze samenkomst in dan de tekst zelf doet, en laat het bij wat er feitelijk gezegd wordt.
Typologie: Een vergelijkbare hemelse vergadering ziet de profeet Micha: "Ik zag den HEERE, zittende op Zijn troon, en al het hemelse heir staande nevens Hem, aan Zijn rechter hand en aan Zijn linkerhand" (1 Kon. 22:19). Asaf bezingt eveneens zo’n vergadering: "God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden" (Ps. 82:1).
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Profeet, priester en koningniveau 3Verantwoorde typologische of heilshistorische verbindingambt
De aanklager voor de troon — 1:6-12, 20-22
Het boek Job begint niet bij Job maar boven Job. De lezer krijgt te zien wat de hoofdpersoon zelf nooit te zien krijgt: een hemelse zitting, waarin over hem gesproken wordt terwijl hij thuis offers brengt voor zijn kinderen.
Er staat een aanklager voor Gods troon die de vroomheid van een mens in twijfel trekt, en die aanklager krijgt precies zoveel ruimte als God hem geeft — geen streep meer.
De kinderen Gods komen zich voor de HEERE stellen, en de satan komt in het midden van hen. De kanttekening legt beide woorden uit. Die kinderen Gods zijn de engelen, niet omdat zij van nature zonen zijn zoals de Eniggeborene van de Vader, maar omdat zij daartoe gemaakt zijn. En het beeld van dat zich stellen is ontleend aan wereldse vorsten, die hun dienaren laten voorkomen om rekenschap te vragen. Wat er dus getoond wordt is een rechtszitting, en één van de aanwezigen is een tegenpartij: satan betekent tegenstander, en zo heet de boze geest omdat hij de gelovigen haat en hen aanklaagt voor God.
De eerste die spreekt is God, en Hij begint met een lofrede: hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? De aanklager antwoordt niet met een beschuldiging maar met een vraag, en die vraag is doortrapter dan een beschuldiging: “Is het om niet, dat Job God vreest?” Hij zegt niet dat Job slecht is. Hij zegt dat Job berekenend is. En daarmee raakt hij niet alleen Job maar God: alsof God alleen liefgehad wordt door wie ervoor betaald krijgt.
Daarna komt het woord waar heel het boek op rust. God geeft de aanklager ruimte, en Hij geeft er meteen een grens bij: al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. In het tweede hoofdstuk wordt die grens verlegd en opnieuw getrokken — zijn lichaam wel, zijn leven niet. De aanklager kan dus veel, maar hij kan niets buiten de maat die hem wordt toegemeten. Wat Job overkomt als een storm zonder reden, is boven zijn hoofd afgepast tot op de streep.
En als alles weg is, staat er van Job iets dat de aanklager onmogelijk had geacht. Hij scheurt zijn mantel, hij valt ter aarde — en hij aanbidt: de HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd. De vraag of iemand God om niet vreest, is daarmee beantwoord door een man die van niets meer wist dan dat hij alles kwijt was.
Hier ligt de lijn naar het Nieuwe Testament, en zij is verrassend recht. Dezelfde aanklager verschijnt daar opnieuw, en opnieuw met een verzoek: de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe. Maar er staat iets bij dat in Job nog niet hardop klinkt: “Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.” Waar Job niets wist van wat er boven hem gebeurde, krijgt Petrus te horen dat er in diezelfde zitting ook voor hem gesproken is.
Johannes zet die twee stemmen ten slotte naast elkaar. Wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige — en in de Openbaring wordt de verklager van de broeders, die hen dag en nacht verklaagde voor onze God, neergeworpen. Het boek Job opent de deur van die zaal op een kier en laat de aanklager zien. Het Evangelie doet de deur open en laat zien Wie er tegenover hem staat.
Job 1:6 — Een hemelse zitting, en de tegenstander staat er middenin.
Job 1:9 — Zijn aanklacht is een vraag: is het om niet, dat Job God vreest?
Job 1:12 — God geeft hem ruimte, en trekt er meteen een grens omheen.
Zacharia 3:1-2 — Hetzelfde tafereel, nu met de Engel des HEEREN die de aanklager bestraft.
Lukas 22:31-32 — De satan begeert te ziften, en er is gebeden dat het geloof niet ophoudt.
Openbaring 12:10-11 — De verklager der broederen wordt neergeworpen, door het bloed des Lams.
In het Nieuwe Testament: Lukas 22:31-32; 1 Johannes 2:1; Openbaring 12:10-11; Romeinen 8:33-34; Zacharia 3:1-2
Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Job 1 en 2 niet aan. Wat in deze hoofdstukken zelf staat, is de aanklager voor Gods troon en de grens die God hem stelt; van een pleitbezorger aan de andere kant wordt hier nog niets gezegd. Dat er Iemand tegenover die aanklager staat, is het latere licht: Lukas 22 en 1 Johannes 2 zeggen het met zoveel woorden, en Zacharia 3 toont hetzelfde tafereel al met de Engel des HEEREN erbij. De verbinding is dus verantwoord, maar zij komt van elders en niet uit Job.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Job 1:1.KruisverwijzingenEzechiël 14:14→Ezechiël 14:20→Jakobus 5:11→Genesis 17:1→Job 1:8→Genesis 6:9→Job 2:3→Jeremia 25:20→ — Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad. Dit was Jobs karakter vóór de beproeving die hem beroemd gemaakt heeft. Misschien zouden wij, als die beproeving er niet geweest was, nooit van hem gehoord hebben; nu schrijft de apostel Jakobus: gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord. God heeft door grote verdrukkingen aan Zijn knecht die bruikbaarheid gegeven waar hij misschien om gebeden had, zonder te weten hoe zij tot hem zou komen. Een lang aanhoudend leven van voorspoed verheerlijkt God misschien niet zo waarachtig als een leven dat door tegenspoed doorschakeerd is. En God, Die Zijn knecht eer wilde aandoen, deed zoals koningen doen wanneer zij iemand tot ridder slaan: zij slaan met de platte kant van het zwaard. Zo sloeg God de aartsvader Job, opdat Hij hem boven zijn medemensen zou verheffen. De Heere wilde hem tot Job de lijdzame maken, maar daartoe moest Hij hem eerst tot Job de lijder maken.
Uit dit boek leer ik wat de volmaaktheid van het Evangelie is. Ons wordt gezegd dat Job oprecht en vroom was, en toch weet ik zeker dat hij niet vrij was van neigingen tot het kwade; hij was niet volstrekt volmaakt. Zoals de oude Trapp zegt: “Gods volk mag volmaakt zijn, maar het is niet volmaakt volmaakt.” En zo was het stellig ook met Job. Er waren diep in zijn karakter gebreken die zijn beproevingen aan het licht brachten en die de genade van God er later zonder twijfel uit weggenomen heeft. Maar naar de wijze van spreken die in de heilige Schrift gebruikt wordt, was Job een “oprecht” man: hij was zuiver, van harte toegewijd, geheiligd. En hij was ook “vroom”: hij helde niet naar deze en niet naar die kant, er zat geen kronkel in hem, hij had geen zelfzuchtige bedoelingen te dienen. Hij was “een die God vreesde”. Ieder kon dat zien; en bijgevolg haatte hij het kwade met heel zijn hart. Job was werkelijk een man — een waar mens, een mens van het hoogste soort, want hij was een man van God. Hij had beide zijden van een godvruchtig karakter: een liefde tot God en een haat tegen de zonde.
Job 1:2.KruisverwijzingenJob 42:13→Psalmen 127:3→Psalmen 107:38→Psalmen 128:3→Esther 5:11→Job 13:13→ — En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren. Het was een groot voorrecht zo een huisgezin te hebben, maar het bracht Job ook grote verantwoordelijkheden en veel zorgen. Job was hoog begunstigd dat hij zulke zonen en dochters had.
Job 1:3.KruisverwijzingenJob 29:25→Job 42:12→Genesis 12:16→Richteren 6:3→Genesis 25:6→1 Samuël 25:2→Spreuken 10:22→Genesis 29:1→ — Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten. Iemand kan een goed man en een rijk man zijn, maar dat is niet gewoonlijk het geval. Ik vrees dat wat Bunyan zegt maar al te waar is: “Goud en Evangelie gaan zelden samen; de godsdienst houdt het altijd met de armoede.” En toch behoorde het niet zo te zijn, want God kan iemand genoeg genade geven om al zijn goed tot eer van zijn Heere te gebruiken. Ik zou wensen dat het vaker het geval was dat wij een heilige Job zo goed als een godvruchtige Lazarus konden zien: een gezelschap mensen dat zijn toewijding aan God zou bewijzen door hun rijkdom nooit hun meester te laten worden, maar meester te zijn over al hun goed, en gestadig te beseffen dat het alles de Heere toebehoort. Dit is ten slotte het edelste erfdeel dat iemand heeft, zijn God uitgezonderd. Job kon in de tegenspoed zijn ziel in lijdzaamheid bezitten omdat hij in zijn voorspoed zijn rijkdom hém niet had laten bezitten, maar hij bezat haar. Job was geen arme man, en toch was hij een man van God — een van die “kamelen” die het klaarspelen door “het oog van een naald” te gaan.
Job 1:4.KruisverwijzingenHebreeën 13:1→Psalmen 133:1→ — En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken. Dat de zonen hun zusters ontboden toonde dat het geen dronken uitgelatenheid was, anders zouden zij hun zusters er niet bij gewild hebben; de zoete, zachte, fijne invloed van hun zusters zou hun feestvieren houden bij wat het behoorde te zijn. Bovendien waren zij de kinderen van een man van God, en zo zouden zij weten hoe zij hun feestvieren binnen behoorlijke grenzen moesten houden. En de zusters waren zeer bescheiden en teruggetrokken en zouden niet naar het feest gegaan zijn als zij niet ontboden waren; maar hun broers waren vriendelijk en bedachtzaam, zoals alle goede broers zullen zijn.
En toch zijn wij allen sterfelijk en feilbaar, en feesttijden zijn gevaarlijke tijden. De puriteinen noemden het vasten wel een zielsvoedend vasten; het feestvieren zouden zij een zielsverzwakkend feestvieren kunnen noemen. Salomo zei terecht: Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds. Er is altijd een risico aan feestvieren verbonden, en Job was daarom een weinig bezorgd over hoe zijn zonen zich gedragen mochten hebben.
Job 1:5.KruisverwijzingenGenesis 8:20→Job 42:8→1 Samuël 16:5→1 Koningen 21:13→1 Koningen 21:10→Genesis 35:2→Leviticus 24:10→Job 27:10→ — Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen. Zij hadden onbezonnen met hun lippen kunnen spreken, zij hadden zelfs Gods Naam ijdellijk kunnen gebruiken, er kon iets in hun gedrag geweest zijn dat niet geheel behoorlijk was; en daarom begeerde hun vader de zonde daarvan weg te doen. Job dacht niet dat zijn zonen door zijn gebeden alleen gereinigd konden worden, maar hij moest brandoffers offeren naar het getal van hen allen, opdat ieder van hen deel zou hebben in de zegeningen die die offeranden voorstelden.
Merk op dat Job zijn toevlucht neemt tot brandoffers. Hij leefde vóórdat de Joodse wet gegeven werd, en toch gevoelde hij het besef van de noodzaak van een offer dat elk gelovig hart gevoelt wanneer het de heilige God nadert. Ik bid u, laat die gedachte nooit varen: dat wij tot God komen door middel van een offer, want er is geen andere weg tot toegang. Wij mogen denken wat wij willen, maar er is niets anders dat ooit het geweten stillen zal en ons nabij God brengen dan het offer dat God Zelf verordend heeft. En Job wist dit. Niet alleen bij gelegenheid, maar elke dag offerde hij op zijn altaar tot God, en zo zocht hij zijn huisgezin recht te houden voor Jehova.
Job 1:6.KruisverwijzingenJob 2:1→Job 38:7→Zacharia 3:1→1 Kronieken 21:1→1 Koningen 22:19→Johannes 6:70→Openbaring 12:9→Daniël 3:25→ — Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam. Kwamen zij in de hemel? O nee! De tegenwoordigheid van God is zeer wijd uitgestrekt, en het was niet nodig de boze geest opnieuw in de hemel toe te laten om hem voor Gods aangezicht te doen komen. Engelen en allerlei verstandelijke geesten hadden als het ware een bijzondere, plechtige, algemene vergadering. Misschien werd er op die dag in verre sterren, in verschillende delen van het heelal, een hoog feest ter ere van Jehova gevierd. Maar sinds de zonde in de wereld gekomen is — sinds er zelfs onder de twaalf apostelen een Judas was — is er in elke vergadering, al is het een vergadering van de kinderen Gods, zeker een duivel: en de satan kwam ook in het midden van hen. Is hij nergens anders, dan is hij zeker daar waar de kinderen Gods samenkomen. En toch, wat een onbeschaamdheid van zijn zijde dat hij het waagt zelfs in de vergaderingen van de heiligen te komen! En wat een hardheid van hart moet hij hebben, want hij komt er binnen als een duivel en hij gaat er uit als een duivel! De kinderen Gods brengen hun geestelijke gebeden door de Heilige Geest ingegeven, maar de duivel brengt duivelse smekingen die zijn eigen boosheid hem ingeeft.
Job 1:7.Kruisverwijzingen1 Petrus 5:8→Job 2:2→Zacharia 6:7→Zacharia 1:10→Openbaring 20:8→Mattheüs 12:43→Openbaring 12:12→2 Koningen 5:25→ — Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen. God is de Meester van de satan, en daarom vraagt Hij hem waar hij geweest is. Ik vraag mij af of, als de Heere die vraag aan ieder hier stelde — “Van waar komt gij?” — wij er allen een bevredigend antwoord op zouden kunnen geven. Hij is gedwongen rekenschap van zichzelf te geven; hij kan geen el van zijn deur gaan zonder goddelijke toelating. Onrustig, rusteloos, altijd bezig, zoals een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden. Ach, wij weten weinig hoe nabij de satan ons nu is; en zelfs in onze uren van gebed, wanneer wij God het naast zijn, kan hij komen en ons bestoken.
Job 1:8.KruisverwijzingenJob 1:1→2 Koningen 23:25→Job 2:3→Numeri 12:7→Jesaja 1:16→Spreuken 8:13→Job 8:20→Jozua 1:7→ — En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. Jobs voorspoed beloofde zoveel bestendigheid als iets onder de maan kan beloven. Deze man had om zich heen een groot huisgezin van toegewijde en verknochte knechten. Hij had rijkdom bijeengebracht van een soort die niet plotseling in waarde daalt: runderen en ezelinnen en vee. Hij hoefde niet naar markten en jaarbeurzen te gaan om met zijn goederen te handelen en zo aan voedsel en kleding te komen, want hij dreef de landbouw op grote schaal om zijn eigen hoeve heen en teelde waarschijnlijk binnen zijn eigen gebied alles wat zijn huishouding nodig had. Zijn kinderen waren talrijk genoeg om een lang geslacht van nakomelingen te beloven. Zijn voorspoed had niets meer nodig om gevestigd te zijn. Zij was op haar hoogste vloed gekomen — waar was de oorzaak die haar zou kunnen doen afnemen?
Maar boven de wolken stond de geest van het kwaad van aangezicht tot aangezicht met de oneindige Geest van al het goede, en er kwam een buitengewoon gesprek. Toen de boze rekenschap moest geven van zijn doen, beroemde hij zich erop dat hij de gehele aarde doorgegaan was. Hij was overal rondgetrokken als een koning in zijn eigen gebied, ongehinderd en ongemoeid. Toen de grote God hem eraan herinnerde dat er onder de mensen ten minste één plaats was waar hij geen voet had en waar zijn macht niet erkend werd — namelijk in het hart van Job — tartte de boze Jehova de getrouwheid van Job op de proef te stellen. Hij zei Hem dat de oprechtheid van de aartsvader aan zijn voorspoed te danken was, dat hij God diende en het kwade schuwde uit baatzuchtige beweegredenen, omdat hij bevond dat zijn gedrag hem voordeel bracht. De God des hemels nam de uitdaging van de boze aan en gaf hem toelating alle barmhartigheden weg te nemen die volgens hem de stutten van Jobs oprechtheid waren. Laten wij hierin de veranderlijkheid van alle aardse dingen zien. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Kol. 3:2), en vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft (Matth. 6:19).
Merk op dat God Job Zijn knecht noemt, zelfs in het spreken tot de duivel. En God Zelf geeft Job dat hoge karakter: hij is een man zonder gelijke, hij staat alleen onder de mensen — niemand is op de aarde gelijk hij. “Hebt gij hem opgeteld? Hebt gij zijn maat genomen, o aanklager der broederen?”
Job 1:9-10.KruisverwijzingenPsalmen 34:7→1 Petrus 1:5→Mattheüs 16:26→Psalmen 107:38→Deuteronomium 28:2→Job 31:25→Zacharia 2:5→Spreuken 10:22→ — Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande. Zelfs de duivel kon geen aanklacht tegen Jobs gedrag inbrengen; daarom gaf hij te kennen dat zijn beweegredenen niet zuiver waren. Wij kunnen er zeker van zijn dat de satan, als er iets slechts in Job geweest was, het zou hebben uitgevonden en tegen hem zou hebben ingebracht. Hoe uitnemend iemand ook is, al is er niemand als hij op aarde, u kunt op hem aanmerkingen maken als u dat wilt. De satan maakte aanmerkingen op Job omdat het hem voorspoedig ging, en zijn vrienden maakten later aanmerkingen op hem omdat het hem niet voorspoedig ging. Zo kunt u van alles een vlek op iemands karakter maken als u dat van zin bent.
De zwarte hond van de hel had rondgeslopen om te zien waar hij naar binnen kon komen, en zo wist hij dat er een heining rondom Job was, en rondom zijn huis en alles wat hij had. Let erop hoe de duivel insinueert dat Job God vreesde om wat hij van Hem kon krijgen. “Zijn liefde is broodkastliefde”, zegt de satan; “hij wordt door de voorzienigheid goed betaald voor zijn eerbied jegens God.” Zelfs de duivel durfde niet te ontkennen dat Job een werkend mens was, of te zeggen dat hij aan zijn goed gekomen was door onderdrukking of roof. Nee, hij zei tot God: het werk zijner handen hebt Gij gezegend.
Job 1:11-12.KruisverwijzingenJob 2:5→Job 19:21→Openbaring 16:11→Job 1:5→2 Korinthe 12:7→Genesis 16:6→1 Koningen 22:23→Jesaja 8:21→ — Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN. O, wat een onheil kan de satan tegen de rechtvaardigen verzinnen! De barmhartigheid is dat hij, al is hij machtig, niet almachtig is; hij is heel boosaardig, maar er is Eén Die veel wijzer en sterker is dan hij, Die hem altijd kan omzeilen en overmeesteren. Zie, de duivel meet Jobs koren in zijn eigen schepel; maar gelukkig was het de meting van een leugenaar, dus mat hij verkeerd. Er zijn er nog altijd die zeggen: “Ja, het is een mooie zaak goed te zijn wanneer u rijk bent; het is heel gemakkelijk zich behoorlijk te gedragen wanneer alles vlot gaat. Zou die man, die nu zo een godvruchtig dienaar van God is, ook zo zijn als hij in armoede was, of als hij wreed belasterd werd, of als hij met verachting beproefd werd? Zou de genade van God hem over die ruwe bruggen dragen?” Nu, de Heere verlustigt Zich erin de genadegaven van Zijn volk te bewijzen, want het brengt grote eer aan Zijn Naam wanneer er proeven op genomen worden, om hen te toetsen en te beproeven en zelfs hun grootste tegenstander te laten weten hoe waarachtig zij zijn en wat een goddelijk werk het is dat God aan hen gewrocht heeft.
De satan kon zo ver gaan, maar niet verder; er staat een “alleen” in de toelating die hem gegeven werd: alleen aan hem strek uw hand niet uit.
Job 1:13-15.KruisverwijzingenGenesis 10:7→Job 6:19→Job 1:4→Lukas 12:19→Prediker 9:12→Spreuken 27:1→Lukas 21:34→Lukas 17:27→ — Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene. Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden. Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Dat was een kwade dag voor de moeite om te komen. De satan koos die dag uit omdat het een blijde dag was, en de beproevingen van Job daardoor te schrikkelijker zouden zijn. Had Job bovendien mogen kiezen, dan zou hij verkozen hebben dat zijn moeite kwam wanneer zijn zonen en zijn dochters aan het bidden waren, niet wanneer zij aan het feestvieren waren.
Job had deze Sabeërs geen onrecht gedaan; zij waren rovers op zoek naar buit, en toen de satan hen bewoog, kwamen zij de runderen en ezelinnen van de aartsvader stelen en zijn knechten doden. Het kwade nieuws komt hem geheel onverwacht, juist wanneer hij aan iets heel anders denkt. Er is maar één knecht overgebleven om het te vertellen, en die werd gespaard opdat Job zou weten dat het bericht waar was. Was ook die ene knecht gedood, dan had de tijding Job alleen als een gerucht kunnen bereiken dat waar of niet waar kon zijn; maar nu vertelt een van zijn eigen knechten hem het droeve verhaal, zodat er geen twijfel over bestaat. Ach, de duivel weet hoe en waar hij slaan moet wanneer hij slaat!
Job 1:16.Kruisverwijzingen2 Koningen 1:12→Genesis 19:24→2 Koningen 1:14→1 Koningen 18:38→Numeri 11:1→2 Koningen 1:10→Amos 7:4→Leviticus 10:2→ — Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Alsof Job geen tijd gelaten mocht worden om zijn geloof te verzamelen en zijn hart te bemoedigen. Deze slag moet Job te meer bedroefd hebben, omdat “het vuur Gods” de schapen verbrand had die hij gewoon was Jehova ten offer te brengen, en omdat de slag rechtstreeks van God Zelf scheen te komen, aangezien het de bliksem was die schapen en herders beide verdelgd had. Als die bliksem op de Sabeërs gevallen was terwijl zij aan het roven en plunderen waren, zou men zich niet verwonderd hebben; maar dat hij viel op de kudden van een man van God die de naakten met de vachten van zijn schapen gekleed had en vele van de vetste van de kudde God ten offer gebracht had — dat scheen wel vreemd.
Job 1:17.KruisverwijzingenGenesis 11:28→Habakuk 1:6→Jesaja 23:13→Job 1:15→2 Samuël 1:3→Genesis 11:31→ — Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Job had geen tijd om van die schok te bekomen, en de volgende slag viel al: de Chaldeën vielen op de kamelen aan. Drie zulke zware slagen zullen de aartsvader zeker genoeg beproeven, maar er kwam een vierde boodschapper met het bitterste nieuws van alle.
Job 1:18-19.KruisverwijzingenJob 1:13→Job 1:4→Job 19:9→Job 23:2→Job 6:2→Jesaja 28:19→2 Samuël 13:28→Amos 4:6→ — Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene; En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Heeft ooit een ander mens zo een samenloop van moeite moeten verdragen, zulke benauwdheden de een op de ander gestapeld zonder verademing? Job moet zich door deze opeenvolgende smarten wel verdoofd en verstikt gevoeld hebben. De satan had het zo geschikt dat de moeiten van de aartsvader zo snel de een na de ander kwamen dat de goede man er volslagen door overstelpt zou worden — zo hoopte de duivel althans dat het uitkomen zou. En toch kwam het zo niet uit.
Job 1:20.Kruisverwijzingen1 Petrus 5:6→Genesis 37:29→Ezra 9:3→Genesis 37:34→Deuteronomium 9:18→2 Samuël 12:16→2 Kronieken 7:3→Mattheüs 26:39→ — Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder; Met heel zijn last op zich stond hij op. Hij trok zich de haren niet uit als een heiden of een dwaas of iemand die door moeite ijlt, maar hij scheurde bedaard zijn mantel en schoor zijn hoofd. Grote oude man, hoe dapper draagt hij zich hier als een man! Hij viel op de aarde en boog zich neer.
Job 1:21.KruisverwijzingenPrediker 5:15→1 Thessalonicenzen 5:18→Efeze 5:20→1 Timotheüs 6:7→Job 2:10→1 Samuël 2:7→Jakobus 1:17→Psalmen 49:17→ — En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd! Sommige van de zeldzaamste perlen zijn in de diepste wateren gevonden, en sommige van de uitgelezenste uitspraken van gelovigen zijn gekomen toen Gods golven en baren over hen heen gingen. Het vuur verteert niets dan het schuim en laat het goud des te zuiverder achter. Wat Jobs plaats voor God betreft had hij door al zijn verliezen niets verloren; want wat kon zuiverder en helderder goud zijn dan dit dat ons uit deze tekst tegenglanst, en dat zijn triomferende lijdzaamheid, zijn volkomen onderwerping en zijn blijmoedige instemming met de goddelijke wil openbaart?
Job zag alles wat hij bezat als een gave van God. Hij klaagde niet: “Ik heb vele moeizame dagen en vele bezorgde nachten besteed aan het bijeenbrengen van al die kudden en beesten die mij nu ontstolen zijn.” Wij moeten de wijsheid leren om nooit enige aardse troost aan een aardse bron toe te schrijven. Wij moeten de Gever eren en niet de gave. En wanneer wij weten dat de Heere onze bezittingen wegneemt, dan houdt de kennis dat zij Zijn eigendom zijn ons metterdaad van klagen af. Van het eerste ogenblik dat de liefde van God ons geopenbaard wordt, tot het uur waarop wij in de tegenwoordigheid van de Vader in de heerlijkheid zullen zijn, mogen wij erop rekenen dat er in elke daad van God waarin Hij van ons neemt evenzoveel oneindige liefde is als in het geven.
Ik meen dat dit de grootste woorden zijn in heel het verslag van de menselijke taal. Als wij bedenken in wat een omstandigheden deze man toen was, dan was het naar mijn gedachte een wonder van genade dat hij zo sprak.
Job 1:22.KruisverwijzingenJob 2:10→Jakobus 1:12→1 Petrus 1:7→Jakobus 1:4→Romeinen 9:20→Job 40:4→Job 34:10→Job 34:18→ — In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe. O, de triomfen van de almachtige genade! God geve ons zulke lijdzaamheid als Hij ons zulke beproevingen zendt, en Hem zij de eer in eeuwigheid!
I. Vs. 1-5.KruisverwijzingenEzechiël 14:14→Ezechiël 14:20→Jakobus 5:11→Genesis 17:1→Genesis 8:20→Job 1:8→Genesis 6:9→Job 42:8→ — Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad. En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren. Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten. En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken. Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen. Job, een stamvorst der Uzieten, is door zijne grote godsvrucht en door zijnen rijkdom in groot aanzien. In zijne gezegende familie, die in gemeenschappelijke maaltijden hare onderlinge liefde en eensgezindheid betoont, regeert hij met allen ernst als patriarch en priester.
KruisverwijzingenEzechiël 14:14→Ezechiël 14:20→Jakobus 5:11→Genesis 17:1→Job 1:8→Genesis 6:9→Job 2:3→Jeremia 25:20→— Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.
Er was een man 1) in het land Uz 2), zijn naam was Job 3), en deze man was oprecht, en vroom, hij ging met een eenvoudig hart den rechten weg, dien God hem aanwees, zonder zijwegen te zoeken; hij was jegens anderen vreedzaam, welwillend en billijk (Psalm 25: 21. (Spreuken 1: 3. (Jes. 26: 7), en godvrezende, de vreze des Heren, het beginsel der wijsheid, bestuurde hem in al zijn handelen, en wijkende van het kwaad 4), zodat zijn leven met zijn geloof overeenstemde.
Reeds uit de eerste woorden blijkt, dat het den Schrijver er niet om te doen is, een stuk van Israël’s geschiedenis mede te delen, maar alleen de geschiedenis van een enkel persoon, die in overouden tijd geleefd had. In den grondtekst komt dit nog meer uit dan in de vertaling.
KruisverwijzingenJob 42:13→Psalmen 127:3→Psalmen 107:38→Psalmen 128:3→Esther 5:11→Job 13:13→— En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren.
Het is zeer moeilijk de ligging van het land Uz te bepalen, omdat deze naam voor dat land reeds vroeg in onbruik kwam, of het ten minste nog andere namen droeg, die later alleen in gebruik bleven. Twee opvattingen hebben waarschijnlijkheid: 1e. Men plaatst het land Uz aan de Oostelijke helling van het Edomieten-gebergte Seïr of in Petreïsch-Arabië wegens de plaatsen Hoofdstuk 1: 5,17. Jer. 25: 20. Klaagt. 4: 21. Waarom de Sabeërs geen volksstam kunnen zijn, die in de dadelijke nabijheid van het land Uz woonden, zie Hoofdstuk 1: 15 Jer. 25: 20 wordt daarentegen het land Uz streng van het land van Edom (vs. 21) onderscheiden; in Klaagt. 4: 21 eindelijk, waar van de dochter Edoms, die in het land Uz woont, sprake is, moet deze bijvoeging te kennen geven, dat men hier niet aan het volk der Edomieten, dat op het gebergte Seïr woont, te denken heeft. Enige stammen der Edomieten waren gaan wonen in het land Uz, dat door de Assyriërs ten tijde van de verwoesting des rijks ontvolkt was. Deze worden nu ter onderscheiding van de eigenlijke Edomieten met die uitdrukking aangewezen. 2e. Het waarschijnlijkste is het gevoelen, dat onder “het land Uz” bedoeld wordt Haran (Numeri 32: 33 ), dat tussen het Meer van Gennesareth en het Oostelijk basalt-gebergte (Dschebel Haran) gelegen is. Daarheen wijst ons de traditie uit zeer oude tijden. In het midden van ons landschap, zuidoostelijk van Damascus, een uur ten zuiden van de stad Nawa ligt het grafteken van Job en in zijne nabijheid het Jobs klooster, in het begin der 3e eeuw gesticht. Daar toont men den reizigers met diepen eerbied de rots, tegen welke Job zal geleund hebben, en het waterbekken, waarin hij zich na zijne genezing zal gebaad hebben. In den gehelen omtrek van deze heiligdommen, die door vele pelgrims bezocht en hoog geëerd worden, is Job een zeer bekende, hoog verhevene heilige, wiens geschiedenis met vele legenden opgesierd is. Men kan aannemen, dat ook vóór het bouwen van het klooster die heilige plaatsen reeds vele eeuwen voorwerpen van verering geweest zijn, waarheen men pelgrimstochten hield. De overlevering, welke in deze landstreek Jobs woonplaats stelt, is uit een tijd, toen men nog goed kon weten, waar men het land Uz moest zoeken. Ene tweede bevestiging van deze mening ligt in den naam Uz. Driemalen komt in het Oude Testament die naam voor als de naam van een persoon: Genesis 10: 23; 22: 21; 36: 28. 22.21 36.28 Waarschijnlijk is de eerstgenoemde, de zoon van Aram, den stamvader van de in Syrië en Mesopotamië wonende Arameërs, de stamvader van de Uzieten en ook van Job. Alsdan stamt de Godskennis van Job af uit de eerste openbaring, uit het huis van Noach, diens zoon Sem en zijne nakomelingen, onder welke ook Aram, Uz en Job behoorden, die deze het zuiverst bewaarden. Even als Melchizedek, koning van Salem, ten tijde van Abraham, een man was, die de openbaring Gods als traditie uit het huis van Noach rein en zuiver bewaard had (Genesis 14: 20 ) zo ook Job, die waarschijnlijk gelijktijdig met hem leefde. Naar dezen oudsten patriarchalen tijd verwijzen ons ook alle omstandigheden, in welke hij leefde.
KruisverwijzingenJob 29:25→Job 42:12→Genesis 12:16→Richteren 6:3→Genesis 25:6→1 Samuël 25:2→Spreuken 10:22→Genesis 29:1→— Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
De naam Job zal volgens sommigen “vervolgde” of “verdrager” betekenen, zodat in zijnen naam reeds ene profetie van de hoofdgebeurtenis zijns levens vervat is; zo vinden wij ook bij anderen, die door God bijzonder tot dragers van Zijne openbaring geroepen waren in het Oude Testament, dat hun vaders, door Gods Geest geleid, ene voorspelling in den naam van hun kinderen uitspraken. Volgens anderen heeft de naam Job gene betekenis, die met de geschiedenis van den man in betrekking staat. De vraag, of Job en zijne vrienden als geschiedkundige personen, en het gehele verhaal van Jobs ondervindingen en van zijne familie als werkelijk geschied, aan te merken zijn is van veel gewicht voor de gehele beschouwing van het boek. De opvatting, dat Job en zijne vrienden en hun gehele geschiedenis ene dichterlijke vinding zijn, wordt weersproken door de eenvoudige beschouwing van Ezechiël. 14: 14,20, waar Job naast Daniël en Noach als een bijzonder schitterend voorbeeld van godzaligheid wordt voorgesteld, en zijn persoon en zijne geschiedenis evenmin als ene dichterlijke vinding aangezien als Daniël en Noach en hun geschiedenis. Hetzelfde is het geval Jak. 5: 20. Het strijdt verder tegen den aard der oude volken, om personen te verdichten.
Het verdichten van ene geschiedenis van den beginne af, het voortbrengen van een persoon, dien men als geschiedkundig voorstelt, uit het hoofd van den verdichter, is, daar dit zeer gedwongen is, aan de oudheid van alle volken zo geheel vreemd, dat dit eerst allengs in de laatste eeuwen der oude literatuur ontstond, en als gehele verdichting niet vroeger dan in den nieuwsten tijd voorkomt. In Jobs geschiedenis ene dichterlijke vinding te zien zou dus zijn, de oude tijden naar onze tegenwoordige toestanden af te meten en te beweren, dat het in alle tijden geweest is, zo als het nu is. Job was integendeel werkelijk een Nomadenvorst van enen Semietischen stam, door welken de oude Semietische godsdienstige overleveringen werden vastgehouden, en wel voornamelijk door Job zelven als een der stamhoofden. Deze stamvorst maakt met zijne vrienden ene ervaring, die te voren aan zijn volk vreemd was, namelijk, dat tegenover God geen mensenrecht of aanspraak bestaat, dat God integendeel daar, waar neiging is, om met Hem te twisten, in plaats van aan te nemen, wat Hij toezendt, in Zijn recht is, om ook met de zwaarste straffen te kastijden; dat de mens dus in het aannemen van elke straf zich een dienstknecht Gods betonen moet. Deze nieuwe, grote ervaring deelde zich aan het gehele volk van die hoofden mede en werd overgeplant van geslacht op geslacht; zij kwamen eindelijk ook van de Uzietische Arameërs (Syriërs) tot het volk van Israël, onder hetwelk een door den Geest Gods bezield, hoog begenadigd zanger, het geschiedkundig, heilig verhaal tot dit zo wonderbaar, kunstvol gedicht uitgewerkt heeft. Het ontstaan der stof van het Boek Job hebben wij ons dus eveneens te denken, als het ontstaan van zo vele oude verhalen, waarvan de kern steeds ene geschiedkundige gebeurtenis, ene ervaring van een volk of van een vorst is. “Job heeft wel niet zo gesproken als het in dit Boek geschreven staat, maar heeft gedacht; want men spreekt zo niet in de verzoeking, toch is het zo geschied in de daad. Daarenboven is zulk ene geschiedenis van Job oud en zeer gewoon, en aan ieder ten tijde van Salomo wel bekend geweest. -Ik houd zijn boek voor ene ware historie.”. Ook de hoofdbestanddelen van de in de Dialogen (samenspraken) bewerkte gedachten, over de oorzaak van het vreselijk lijden van dezen hooggeëerden, vromen patriarch zijn ene oude overlevering.
KruisverwijzingenHebreeën 13:1→Psalmen 133:1→— En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.
Uit de samenvoeging van oprecht en vroom en godvrezend en wijkende van het kwaad blijkt, dat Job voor God en mensen een zuivere consciëntie wenste te behouden, in den zin van des Apostels verklaring. Geven de eerste twee woorden aan, dat hij in alles rechtvaardig wenste te wandelen voor het aangezicht Gods en jegens de mensen; het derde, dat de woorden Gods in zijn hart waren geplant en het laatste, dat hij met alle kracht streed tegen al wat van den Heere God aftrok: met alles te zamen wordt Job aangeduid als de man, die in waarheid straks tegen zijne vrienden zijn onschuld kon verdedigen en volhouden. Reeds vooraf, voordat hem de verschillende plagen overkomen, rechtvaardigt God, de Heere, hem en geeft van hem het schoonste getuigenis.
En hem werden zeven zonen en drie dochters geboren 1), zodat hij den huwelijkszegen wel ondervond, dien God den vromen beloofd heeft (Psalm 127 en 128).
Een zo groot aantal van volwassene zonen en overige bloedverwanten (Hoofdstuk 19: 17 ) verhoogde Jobs aanzien bij zijne stamgenoten. Iemand, die alleen staat, die gene bloedverwanten heeft, kan nog heden bij de Arabieren en Syriërs tot geen aanzien komen, zelfs niets groots ondernemen.
Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kamelen (Richteren 6: 5 6.5 ), en vijf honderd juk ossen, en vijf honderd ezelinnen 1); ook was zijn dienstvolk zeer veel 2), alleen aan ploegers 500, voor ieder juk één (vs. 15 ), zodat deze man groter was dan al die van het Oosten, een patriarch door wijsheid en godzaligheid in hoog aanzien onder de Syriërs en Arabieren, die ten oosten van Palestina, noordelijk tot aan het midden van den Eufraat, zuidelijk tot aan Gelukkig Arabië wonen 3).
Hier blijkt Job een man te zijn van vorstelijken rijkdom, bij wie de belofte: 1 Tim. 4: 8 vervuld is. In de oudheid, bij de Oosterlingen, berekende men den rijkdom van iemand naar het getal van zijn trek- en lastvee; wat ten dezen opzichte van Job verhaald wordt, wijst ons evenzeer naar de landstreek, die door de traditie genoemd is, naar het vruchtbare gedeelte van Haran, in de zogenoemde Nukra. In ene onvruchtbare woestijn of op een gebergte gelijk Edom, had hij met zulk een buitengewoon getal van vee niet kunnen leven. Zijne bezitting moet uit vele vierkante mijlen bouwland bestaan hebben; daar oefende hij den landbouw uit volgens de kunsteloze manier, die nog heden in Syrië en Palestina de gewoonte is. Het bouwland werd in vier delen verdeeld, hiervan jaarlijks slechts een deel bebouwd, terwijl de overige delen braak lagen. Wat de ezelinnen aangaat, zo is de ezelin, gelijk Wetstein bericht, wel driemaal duurder dan de ezel, en om de veulens ook nuttiger; zij wordt daarom door de rijken in Haran uitsluitend gehouden. Zonder ezels kan men daar het land in het geheel niet bebouwen, daar de velden dikwijls ver van elkaar verwijderd liggen, de stieren de ploegen trekken, en men dus de ezels tot vervoer van den oogst nodig heeft, gelijk zij ook het koren naar den molen voeren en tot dragen van gras, hout enz. gebruikt worden. De kamelen daarentegen brengen de zwaardere lasten van den oogst naar huis of dienen tot transport naar de grotere, meer verwijderde steden in het binnenland en aan de kust.
Bij het talrijk gezin van Job hebben wij niet aan bezoldigde dagloners, ook niet aan slaven te denken, maar aan dezulken, die zich aan een aanzienlijk man aansloten en voor hunnen arbeid een vierde van den oogst verkregen, terwijl zij aan den heer van het dorp, die voor hun woning en voeding en verder voor al het nodige tot den landbouw moest zorgen, de andere drie vierden moesten afstaan. Job leverde hun dus zowel ploeg-stieren als transportdieren en akkergereedschap. De betrekking van deze tot den heer was zeer nauw; zij behoorden tot de kinderen des huizes.
Job was rijk en toch godvruchtig. Hoewel het moeilijk en zeldzaam is, is het voor een rijke niet onmogelijk het Koninkrijk der hemelen in te gaan. Met God is dit mogelijk; door Zijne genade kan men de verzoekingen van de schatten der wereld te boven komen. Hij was godvrezend, en zijne vroomheid was ene vriendin van de welvaart; want de godzaligheid heeft de beloften van het tegenwoordige en van het toekomende leven. Hij was rijk, en zijn rijkdom zette luister aan zijne vroomheid bij en gaf hem meer gelegenheid om wel te doen. De mededeling van Job’s vroomheid en rijkdom gaat vóór de geschiedenis van zijne grote ellende, om aan te tonen, dat geen van beide voor de onheilen van het menselijk leven bewaart.
En zijne zonen, als zij met hun zusters waren opgewassen, gingen en maakten, naar de Oosterse zeden, maaltijden in ieders huis op zijnen dag; tot broederlijken omgang hield elk op zijne beurt een dag een maaltijd, waarop de anderen genodigd werden, en zij zonden henen, en nodigden ook hun drie zusteren, die in het huis der moeder meer in stilte leefden, om met hen te eten en te drinken.
KruisverwijzingenGenesis 8:20→Job 42:8→1 Samuël 16:5→1 Koningen 21:13→1 Koningen 21:10→Genesis 35:2→Leviticus 24:10→Job 27:10→— Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.
Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, als zij bij elk der zeven zonen gehouden waren, dat Job tot hen heenzond, en hen heiligde, hen door uitwendige reiniging, als wassingen enz. (Exodus 19: 10), en inwendige voorbereiding voor de plechtigheid van den volgenden dag liet heiligen; en het geschiedde, dat hij des morgens vroeg opstond, en brandoffers offerde (Leviticus 1: 2 ) naar hun aller getal 1). Voor ieder bracht hij een bijzonder offer; want hoezeer Job zich verheugde over de onderlinge liefde zijner kinderen, zei hij bij zich zelven, de zwakheid van den mens kennende, die bij de vrolijkheid van den maaltijd zo licht de palen te buiten gaat en zijnen God vergeet: Misschien hebben mijne kinderen, zonder het zelf te weten, gezondigd, en God in hun hart gezegend 2), vaarwel gezegd; Hem verlaten; daarom wil ik hen verzoenen, eer hun schuld groter wordt. Alzo deed Job al die dagen, zo dikwijls de rij der maaltijden weer beginnen zou.
Dit komt overeen met den tijd vóór de wet, den patriarchalen tijd. Toen verzoende het stamhoofd en de huisvader, als de van God gestelde priester, de zonden der zijnen, ook de hem niet bekende zonden van lichtzinnigheid. Zo moet in ieder huis de eenheid van den huisvader met de zijnen zich daarin openbaren, dat hij voor hen ene vergeving bidt. Gij huisvader, doe desgelijks voor uwe kinderen, die de wereld met hare dwaasheden lief hebben. Dat de familieplechtigheid op den Zondagmorgen valt, is een opmerkelijk voorspel van de Nieuw-Testamentische Zondagsviering in den tijd vóór de wet, welke het voorbeeld is van den tijd na de wet, den N. Testamentische.
Het is echter waarschijnlijker, dat die maaltijden niet week aan week gevierd zijn, maar op bijzondere tijden in het jaar, daar de broeders wel niet altijd bij elkaar zullen geweest zijn, maar verspreid over de velden en bij het vee huns vaders. Door sommigen is “zijn dag, in vs. 4 verklaard, voor “geboortedag”; men kan dit echter ook nemen voor: “elk op zijne beurt.” Alzo gevoelde Job, dat juist de verborgene zonden des harten veroordeling verdienden, en alleen door bloedstorting konden verzoend worden, door ene offerande te brengen in ootmoedig geloof. Wij zien zijne zorg voor de zielen zijner kinderen, zijne kennis van des mensen zondigen toestand, zijn gevoel van afhankelijkheid van Gods genade en Zijn geloof in den beloofden Verlosser. Zeker vermaande hij zijne kinderen daarbij op het offer te letten, met hem in het gebed te smeken, dat het aanzien van den dood des offerdier, hen wegens hun zonden mocht verootmoedigen, en het aanzien van het offeren hen leiden mocht tot den Middelaar.
In het Hebr. Beerkoe. Dit betekent wel zegenen, maar ook, gelijk het stamverwante Arabische woord, vervloeken, of, met God verbonden, den dienst van God verloochenen. In deze laatsten zin moet het hier worden opgevat. Ook hieruit blijkt Job’s vroomheid, dat hij niet alleen zelf den Heere wenst te zoeken en te vereren, maar ook zijne kinderen in het spoor der godsvrucht tracht te doen wandelen, hen bij den dienst Gods tracht te houden en in de vreze des Heren op te voeden. 6.
II. Vs. 6-12.KruisverwijzingenJob 2:1→Job 38:7→1 Petrus 5:8→Job 1:1→Psalmen 34:7→Job 2:5→Zacharia 3:1→Job 19:21→ — Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam. Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen. En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande. Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN. Satan klaagt Job hij God aan, dat de grond van zijne vroomheid niets anders dan baat- en loonzucht is. Hij ontvangt van den Heere toestemming, om hem door allerlei lijden te verzoeken.
KruisverwijzingenJob 2:1→Job 38:7→Zacharia 3:1→1 Kronieken 21:1→1 Koningen 22:19→Johannes 6:70→Openbaring 12:9→Daniël 3:25→— Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
Er was nu een dag van samenkomst der hemelingen, vóór den vs. 13 vv. genoemden dag, als de kinderen Gods1), de heilige engelen, kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, om rekenschap af te leggen van hun daden en nieuwe bevelen te ontvangen, dat de Satan 2), die wederpartijder van God en mensen (1 (Kronieken 21: 1) en aanklager der gelovigen (Openbaring 12: 10), de duivel, ook in het midden van hen kwam.
Nergens in de Heilige Schrift wordt ons een bijzonder onderricht over de natuur en de werkzaamheid der Engelen gegeven; ook hier wordt van hen, even als van den Satan, als van ene reeds bekende zaak gesproken. De kennis van ene talrijke geestenwereld, die den Heere des hemels en der aarde omgeeft, om Zijne bevelen tot schepping, onderhouding en regering der wereld te volbrengen, als ook om Zijn rijk op te bouwen, stamt uit het paradijs af, toen de mens nog een volkomen helder oog voor de Goddelijke dingen had; evenzo is het bewustzijn van ene aan God vijandige macht uit de ervaring van den zondeval voortgekomen. Deze oorspronkelijke kennis werd door de zonde steeds meer verduisterd, zodat die volken, die uit Noach afstammen, welke wij heidenen noemen, slechts ene zeer duistere herinnering behielden, dat achter de bijzondere verschijningen in de wereld der natuur en der mensen persoonlijke geestelijke wezens stonden; deze rukten zij echter los van den over alles heersenden God en maakten zij tot zelfstandige goden (1 Kor. 8: 5; 10: 20). Aan elk der Griekse, Romeinse, Oud Germaanse goden bijv. wordt door de oude heidenen een bijzonder gebied van werkzaamheid toegeschreven, bij de Grieken aan Poseidon de zee, aan Apollo het licht, aan Ceres de landbouw, bij de Germanen aan Thonar de bliksem en donder, aan Zin de oorlog, aan Frya het familieleven, om van de vele mindere godheden, als Elven, Nymphen, dwergen enz., die zij zich dachten als over afzonderlijke bomen, rivieren, bossen enz. gesteld, te zwijgen. In de door God verkorene familie werd die oorspronkelijke kennis door ondervinding van engelenverschijningen versterkt, gereinigd, ontwikkeld. Deze geesten treden dan het duidelijkst te voorschijn, gelijk van zelf spreekt, wanneer de volvoering van het goddelijk Raadsbesluit ene aanmerkelijke schrede voorwaarts doet. Zij worden in de Heilige Schrift met verschillende namen genoemd; nu eens heten zij kinderen Gods (behalve op onze plaats nog Job 2: 1; 38: 7. Psalm 29: 1; 89: 7) wegens hun door heiligheid en macht aan God verwante natuur en hun nauwe gemeenschap met God; dan weer Geesten, daar zij aan geen aards menselijk lichaam gebonden zijn (MATTHEUS. 22: 30. Mark. 12: 25), maar de macht hebben naar het hun opgedragen werk ene gedaante aan te nemen (Psalm 104: 4. Hebr. 1: 7,14); (zo ook de duivel en zijne engelen (Mark. 1: 26; 7: 25. MATTHEUS. 10: 1; 12: 43. Efeze. 2: 2; 6: 12 enz.)); dan weer heiligen, omdat zij vrij zijn van zonde en dood (Job 5: 1. Psalm 89: 6,8. Zach. 14: 5); meestal boden of engelen (aggeloi), omdat zij Gods bevelen in de natuur en bij de mensen volbrengen (MATTHEUS. 8: 9). Dikwijls verklaart men ook de uitdrukking goden (Exodus 15: 11. Psalm 97: 9) van de engelen, omdat hetgeen zij doen en spreken als van God gedaan en gesproken kan beschouwd worden en zij Zijne organen zijn tot volbrenging van Zijn eeuwig Raadsbesluit. Uit Jes. 24: 23. Dan. 4: 14; 7: 9,10. Openbaring 4: 4. Psalm 89: 8 en onze plaats moet men besluiten, dat de menigte van goede geesten in den bijzonderen raad der Engelen-gemeente (Gabriël, MICHAËL enz.) en de veel duizend maal duizenden van hen, die de in dezen goddelijken raad genomene besluiten ten uitvoer brengen, te onderscheiden zijn. (Zie onze vs.12. (G.)). Deze laatste nu, aan welke in de Heilige Schrift zowel het bestuur over de afzonderlijke zaken in de natuur (Joh. 5: 4. Hebr. 1: 7. Openbaring 14: 18), als den dienst tot opbouwing van het Godsrijk in het algemeen (Joh. 1: 51) en in ‘t bijzonder (Luk. 16: 22. Psalm 34: 8) toegeschreven wordt, zien wij hier (vs. 6) in ene heilige vergadering rondom hunnen Heere en God staan, die daarom Heere Zebaoth (d.i. der hemelse heirscharen 1 Samuel 1: 3 ) genoemd wordt. Deze leer der Heilige Schrift heeft de grote betekenis, dat ons daardoor duidelijk wordt, hoe ons leven zich in een middelpunt van ene grote geestenwereld beweegt; dat onze strijd tegen de zonde niet een strijd van een, maar een strijd in de gehele geestenwereld is, die over de gehele aarde zich uitstrekt. De zonde van een is dus gene overwinning der zonde voor dat ene individu, maar tevens ene overwinning van den boze in de gehele schepping, en omgekeerd, met onze overwinning over de zonde, overwinnen niet slechts wij, maar onze overwinning is ene overwinning in de gehele geestenwereld, -deze brengt een overwinningsfeest in den hemel teweeg (Luk. 15: 10). Daardoor wordt ons ene vrijere, hogere plaats in het geheel der schepping ontsloten, en elke droevige gedachte van alleen te staan, wordt den gelovige ontnomen. In ‘t bijzonder werpt deze leer een licht op de leer van het wonder. De natuurwereld heeft twee zijden, de ene, door welke zij op onveranderlijke wijze te zamen verenigd is, de ander door welke zij open is voor het vrije, Goddelijke welbehagen, zodat achter de schijnbaar ijzeren natuurwetten, heilige engelenmachten staan, die Gods welbehagen volbrengen (MATTHEUS. 8: 9.
Met de talloze werkingen in de wereld, komen ook de ontelbare scharen van geschapene geesten overeen (Openbaring 5: 11). -Op de vraag, waarom wij in den tegenwoordigen toestand der kerk zo weinig ondervinding van engelenverschijningen en van het zichtbaar bestuur der goede geesten hebben, moet het antwoord zijn, dat de voortdurende, levendige tegenwoordigheid des Heiligen Geestes in Zijne kerk ons alle engelenverschijningen volkomen vergoeden; dat verder de geschiedenis der zending in de heidenwereld, van geloofwaardige engelenverschijningen bericht; dat eindelijk aan het einde der dagen, volgens de Openbaring van Johannes, het zichtbaar werken der heilige Engelen weer als ten tijde van Christus duidelijk moet te voorschijn treden.
Ook Satan verschijnt onder de kinderen Gods voor den Heere, eensdeels omdat al zijn tegen God vijandig werken onder Gods heiligen wil en Zijne toelating staat, en hij, hoewel ook tegen zijnen wil, van zijne daden rekenschap moet afleggen; ten anderen omdat Satan en zijne engelen zo lang recht hebben voor den Heere de gelovigen aan te klagen, als nog ene onvergevene zonde in de gemeente Gods aanwezig is (Openbaring 12: 10). Eens, wanneer de tijd gekomen is, dat de gemeente geheel rein en heilig, en de verlossing, die ook hij moet dienen, geheel geëindigd is, zal er gene ruimte meer voor hem in den hemel gevonden worden, waar hij tot hiertoe, om zo te spreken, nog een recht heeft om te zijn (Efeze. 6: 12); dan zal hij neergeworpen worden op de aarde (Openbaring 12: 7-12), om ook van daar spoedig in den poel des vuurs geslingerd te worden. -De erkenning van enen tegen God strijdenden wil en van enen persoonlijken, machtigen geest, die, zelf niet dan zondig, alles, wat God en Godes is, haat, moest volgens de eerste ervaring in den val naar die mate bij de gelovigen toenemen, als het rijk van God in zijne ontwikkeling voortging. Waar en wanneer dit rijk in de geschiedenis der mensheid aanmerkelijk veld wint, waar en wanneer ene ziel de zonde waarlijk vaarwel zegt en Gode de ere geeft, daar treedt Satan zelfs met vervolgingen en verzoekingen ook duidelijker te voorschijn, en laat het werken niet meer over aan de hem onderworpene, mindere boze geesten, over wier werkzaamheid bij Deuteronomium 32: 17 en 1 Samuel 16: 14 gehandeld is. Zulk een gewichtige tijd in de geschiedenis van het Godsrijk was de tijd van David en van Salomo, toen in het volk de wet van God waarlijk tot leven geworden en de heidense afgodendienst geheel uitgeroeid was. In dien tijd zien wij (2 Samuel 24: 1 vgl. 1 Kronieken 20: 1), dat de Satan David tot de volkstelling verleidt. Vervolgens vinden wij den naam Satan weer als een bekende in Zach. 3: 1 vv.; want ook de tijd van het terugkeren des volks uit de Babylonische ballingschap en de opbouw van den tempel was een tijd van groot gewicht in de geschiedenis van het Godsrijk. Satan wil daar het hogepriesterschap, op welks bestaan het gehele leven van Gods volk rust, vernietigen, daar dit juist het meest zijne heerschappij in gevaar brengt. Ook de grote verzoendag, op welken de hogepriester het volk van alle zijne zonden reinigt, en dus aan de heerschappij des satans ontrukt, brengt den bozen geest in herinnering: vgl. Leviticus 16: 10 -Toen echter Hij verscheen, in wie het grote Raadsbesluit van God vervuld werd, Jezus Christus, die gekomen is, om de werken des duivels te verbreken, toen moest de vorst der duisternis dit Hoofd der gemeente Gods zo duidelijk en zichtbaar tegemoet gaan, als de eeuwige God zelf een zichtbaar en tastbaar mens geworden was, en met te grotere kracht, naar mate zijne heerschappij in gevaar was. In de drie grote verzoekingen: in de woestijn, in den hof van Gethsemané en aan het kruis, zocht Satan Hem te vellen, wiens gehele werk in strijden tegen het rijk der zonde en des duivels bestond. Even zo duidelijk openbaart zich ten tijde van het leven des Heren Christus het werken der demonen. Wanneer nu door den dood en de opstanding des Heren de macht van den satan en van zijne engelen gebroken is, zo is zij toch zo lang niet vernietigd, als het verlossingswerk nog niet ten einde gebracht is, zo lang er nog zonde in de gemeente Gods is, en zal, aan het einde der dagen als het Godsrijk volmaakt wordt, evenzo zichtbaar weer te voorschijn treden als ten tijde van Christus. Het artikel van den Satan en zijn rijk is niet een artikel van geloof en van troost, maar van verschrikking en vrees.
Hoever de invloed des satans zich uitstrekt, kunnen wij niet bepalen, maar zeker moet veel van de onstandvastigheid en van het ongeluk der Christenen aan zijn werk worden toegeschreven.
Dat Satan hier in den hemel verschijnt is niet, omdat hij in den hemel thuis behoort, maar dewijl hij negatief zich nog tot de dienstknechten Gods rekent, niet omdat hij ten goede het werk des Heren wil en zal verrichten, maar dewijl hij tracht te verderven en afbreuk te doen, wat God ten goede wil doen gedijen. In zekeren zin voert hij ook nog Gods Raad uit, niet om God daarmee ter wille te zijn, maar omdat God de Soevereine God is, Wiens Raad volvoerd wordt, hoewel Satan juist het omgekeerde tracht te bewerken, van wat de Heere God heeft besloten. Satan kan niets doen, dan wat God, de Heere, hem toelaat. Ook hij is, als ieder schepsel, aan God Almachtig onderworpen. En al is zijn strijd, al de eeuwen door, een strijd tegen God. Nu Christus Jezus hem eens voorgoed overwonnen heeft, kan hij nog wel veel doen, om de kerk, om de gelovigen te kwellen, maar als eenmaal de dag der toekomst van Christus daar is, zal hij voor eeuwig gebonden worden en niet weer iets vermogen tegen de Gemeente des levenden Gods.
Kruisverwijzingen1 Petrus 5:8→Job 2:2→Zacharia 6:7→Zacharia 1:10→Openbaring 20:8→Mattheüs 12:43→Openbaring 12:12→2 Koningen 5:25→— Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
Toen zei de HEERE tot den Satan, en vraagde hem: Van waar komt gij?, niet alsof de Heere het niet zou geweten hebben, maar om door deze vraag hem op Job te brengen, over wie Hij, om hem te beproeven en te louteren, een besluit had genomen. En de Satan antwoordde den HEERE, en zei: Van om te trekken a) op de aarde, en van die te doorwandelen 1), te onderzoeken, waar bij de gelovigen zonden aanwezig zijn, om die voor U te brengen en of U iets kan vinden, wat ik voor mijn doel kan gebruiken.
1 Petrus 5: 8.
In de vraag des Heren, vanwaar kamt gij, ligt ene aanduiding, dat Satans wegens niet Gods wegen zijn, dat hij gewoonlijk rusteloos, listig en zwervende op het benedenrond rondsluipt, zodat God, anders als bij Zijn getrouwe kinderen, de Engelen, oorzaak heeft, naar zijne kromme en sluwe wegen te vragen en hem daardoor tot het afleggen van rekenschap over zijn onheiligheden en eigenmachtige drijfveren uit te nodigen.
KruisverwijzingenJob 1:1→2 Koningen 23:25→Job 2:3→Numeri 12:7→Jesaja 1:16→Spreuken 8:13→Job 8:20→Jozua 1:7→— En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
En de HEERE zei tot den Satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijnen knecht Job? 1) Hebt gij ook op hem uwe scherpe ogen gevestigd? want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad 2) (vs. 1
Dus Satan- dit is onze troost-kan de vromen zelfs niet zelfstandig aanklagen, maar slechts op bevel van God, die hem sedert zijnen val bestemd heeft, om ook de meest verborgene zonden der gelovigen aan het licht te brengen. Zo moet hij tegen zijnen wil, die is om de gelovigen volkomen te verdelgen, den heiligen wil Gods, dienen om de gelovigen tot belijdenis hunner zonden te brengen en hen daarvan te reinigen.
Men lette er wel op, dat de Heere God dit schone getuigenis van Job geeft aan Satan. Want Satan verenigt in zich alles, wat niet oprecht, niet vroom, niet godvrezende, niet wijkende is van het kwaad. De Heere God stelt hier de godsvrucht van een Job tegenover het goddeloos zijn, het zonder God zijn van Satan. En waar nu Satan zich er over verheugt, dat er ook op de aarde zo velen zijn, die in zijne voetstappen wandelen, zich aan hem onderwerpen, daar wijst de Heere hem er op, dat er ook onder de mensen zijn, die nog toonbeelden van genade mogen heten en voorbeelden van godsvrucht zijn.
KruisverwijzingenMattheüs 16:26→Job 2:10→1 Timotheüs 4:8→Maleachi 1:10→1 Timotheüs 6:6→Job 1:21→Job 21:14→— Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?
Toen antwoordde de Satan, geheel ongeschikt om ware vroomheid op aarde te erkennen, den HEERE, en zei: Is het om niet, uit enkel liefde, is het zonder loonzucht, dat Job God vreest? 1)
Den duivel is het volkomen zeker, dat geen schepsel God om Zijns zelfs wil beminnen kan. Schepsel te zijn schijnt hem reden genoeg om aan te nemen, dat men God haat en slechts Zijne gaven wil ontvangen. Dat is ook de gezindheid van alle wereldse mensen, namelijk dat zij hen het meeste haten, van welke zij het meest ontvingen, omdat zij gene verplichting willen hebben. Nooit iets verplicht te zijn, dat noemen zij vrijheid. Ja, dat is des duivels vrijheid met wenen en tanden knersen in de buitenste duisternis. Wens voor u zulk ene vrijheid niet, maar leer de zaligheid gevoelen, aan alle heiligen schuldig te zijn, en Gode het allermeest en het hoogst door Jezus Christus.
Satan schrijft hier Jobs vroomheid toe aan het beginsel der zelfzucht. Om het goed te hebben, zo stelt Satan het voor, dient Job God. Satan beoordeelt hem naar zich zelven. Zijne zonde was, zijn eigen ik op den troon plaatsen en daarom zich niet willen onderwerpen aan den wil en de regering Gods. En nu wil Job-zo stelt hij het voor-zich nog wel aan God onderwerpen, mits God hem geeft, wat zijn hart verlangt, wat zijn eigen ik kan strelen. Hij spreekt dan ook op een verachtelijken toon van dezen knecht Gods. Want dit kan hij niet in Job dulden dat deze zich nog om des voordeels wille, zoals hij meent, aan God onderwerpt. Job is in zijn ogen een laffe figuur. Helden zijn in Satans ogen, die ten koste van alles, zich tegen God en Zijne ordinantiën verzetten. Het is daarom, dat hij de weldaden, die God Job verleende, zo breed uitmeet en er op wijst, dat indien de Heere hem alles ontneemt, het ook met Jobs vroomheid zou zijn gedaan. Zo weinig kent Satan God en de kinderen Gods.
KruisverwijzingenPsalmen 34:7→1 Petrus 1:5→Psalmen 107:38→Deuteronomium 28:2→Job 31:25→Zacharia 2:5→Spreuken 10:22→Genesis 49:25→— Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.
Hebt Gij niet ene betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft, rondom; bewaart Gij niet hem en al het zijne door de machtige bescherming van Uwe engelen? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken, op ontelbare wijze vermeerderd, in den lande. Is het niet duidelijk dat hij U daarom eert? Zo staat Gods bijzonder volk en allen, die er toe behoren en van afhangen, onder Zijn bijzonder Vaderlijk toezicht Zijne genade beschermt hun geestelijk leven, Zijne Voorzienigheid zorgt voor hun tijdelijk bestaan en dus zijn ze van alle kanten verzekerd en beveiligd.
KruisverwijzingenJob 2:5→Job 19:21→Openbaring 16:11→Job 1:5→Jesaja 8:21→Jesaja 5:25→Psalmen 105:15→Openbaring 16:9→— Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?
Maar toch strek nu Uwe straffende hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft, vernietig het door mij, zijn loonzucht zal aanstonds openbaar worden; hij zal U verlaten, zo hij U niet 1) in Uw aangezicht zal zegenen 2), U vaarwel zal zeggen!
In het Hebr. Im-lo. LXX, Indien niet. Het is ene bekende formule van eedzwering en staat voor: mij moge geschieden, nl. alle kwaad, indien niet. Satan wil hier zeggen, Gij moogt mij voor een leugenaar houden, indien Job U niet in Uw aangezicht zal zegenen, d.i. verlaten. Onthoud hem Uwe zegeningen, trek Uwe zegenende hand van hem af en Gij zult zien, dat hij juist het omgekeerde wordt van wat hij nu is, of liever, dat dan zijn eigenlijk wezen te voorschijn komt en hij zich in zijn innerlijk van U afkerig bestaan openbaart.
De zegen des Heren maakt rijk, dat erkent zelfs satan.
Zie Vs. 5 2.
Kruisverwijzingen2 Korinthe 12:7→Genesis 16:6→1 Koningen 22:23→Lukas 8:32→Jeremia 38:5→Johannes 3:35→Lukas 22:31→1 Korinthe 10:13→— En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.
En de HEERE, zei tot den Satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uwe hand: alleen aan hem, aan zijn lichaam en leven, strek uwe hand niet uit. En de Satan ging vol vreugde, dat hij zou kunnen verderven, en in de hoop te overwinnen, aanstonds uit van het aangezicht des HEREN. Is het lijden van Job, dat nu volgt, ene verzoeking of ene beproeving? Ter oplossing van deze vraag, die tot recht begrip van het gehele Boek zo gewichtig is, moeten wij beide begrippen in ‘t kort verklaren. Even als de loutering van edel metaal eensdeels het schuim moet afscheiden, maar ook de edele kern te voorschijn moet brengen (Psalm 66: 10), zo kan hetzelfde lijden nu eens verzoeking dan eens ene beproeving zijn. Voor den aard van de beproeving is in het Oude Testament Abraham een hoofdvoorbeeld. Het moet dienen, den gelovige tot een hogeren trap van heiliging te verheffen, zijn geloof, zijne liefde, zijn geduld te versterken en aan het licht te doen treden. Aan hem, die in het lijden der beproeving is, is daarom God en Zijne genade geheel nabij, en midden in den angst heeft hij inwendigen, onverstoorbaren vrede; zijn gebed wordt kennelijk verhoord, zijn lof van God houdt niet op, gelijk bijv. Psalm 42 en 66 kunnen bewijzen. Zulk een lijden van beproeving is het lijden en de dood der martelaars, die daardoor geheiligd werden. De verzoeking bestaat echter daarin, dat onder Gods toelating de mensenmoordenaar beproeft, om den mens van God af en op zijne zijde te lokken en te dwingen. Voor den mens na den val is tevens de aanvechting als ene straffende daad Gods aan te zien, door welke de mens moet leren, dat in zijn hart aanknopingspunten voor het lokken en dringen van den vijand zijn; door de verzoeking moet de verborgene zonde openbaar worden, tot belijdenis komen en eindelijk overwonnen worden. God en de duivel willen wel in dit opzicht hetzelfde, namelijk de verzoeking; in de uitkomst echter juist het tegenovergestelde. God wil door de verzoeking het vrij worden van de zonde bij den mens bewerken, de duivel wil den ondergang van den mens in de zonde, gelijk dit in den dood van den Mensenzoon volkomen gebleken is. Daar nu God in de verzoeking tijdelijk de hand aftrekt van den gelovige en Zijn aangezicht voor hem verbergt, zo schijnt aan hem, die de verzoeking ondergaat, God als een ver afzijnd, een vreemd God, die zwijgt en het gebed niet schijnt te verhoren. Onder de Psalmen, die zulke ervaringen schilderen, is vooral Psalm 88 te noemen, die zelfs in bijzondere uitdrukkingen zo nauwkeurig met de voorstelling in het boek Job overeen komt, dat men daaruit besloten heeft, dat de dichter van dien Psalm, ook het boek Job zal geschreven hebben (1 Koningen 4: 31 ). Bovendien is de geschiedenis van David en het woord des Heren over de Apostelen (Luk. 22: 31), in betrekking tot den aard der verzoeking, zeer leerrijk. Geheel bijzonder echter moet het Boek van Job “dezen strijd van God met satan, en van satan met God om ene mensenziel, die Godes is, den strijd van ene gelovige mensenziel met God, met den satan en met zich zelven” voor alle tijden voorstellen als een voorbeeld van den zielenstrijd van alle waarachtig gelovige Christenen, die alleen daarom enen zo zwaren zielenstrijd als Job niet ondervinden, omdat voor ons de verzoeking door Christus, die in alles verzocht is geweest (Hebr. 2: 18; 4: 15), reeds overwonnen en in hare kracht gebroken is, zodra wij den lijdenden Heer door het geloof aannemen. Men heeft gemeend, dat het tegen ware vroomheid strijdt en afbreuk doet aan de eer der Godsmannen, dat zij nog in verzoeking moesten komen (Johannes de Doper in de gevangenis). Deze gedachte rust echter op miskenning van den aard der verzoeking, die alleen waarlijk gelovigen treft, niet de wereld, die niets te verliezen heeft. Hoe sterker het geloof is, des te groter verzoeking.
Er is een lijden der rechtvaardigen, welke noch een straf, noch een tuchtiging, om der zonden wille is, welke niet van Gods toorn, maar van Gods liefde bewerkt wordt, en hetwelk het doel heeft, de vroomheid der rechtvaardigen te beproeven, door loutering te voleindigen en de beproefden te belonen.
Er kan geen enkele tekst in de Heilige Schrift gevonden worden, die, juist verstaan, recht geeft tot de mening dat de engelen deelgenootschap hebben in Gods wereldbestuur. Het hoogste, dat wij den engelen kunnen toekennen, is, dat zij dienaars zijn, door den hogen God gezonden, om Zijne bevelen voor de uitverkorenen te volbrengen. Het is daarom ook minder juist van een Engelen-gemeente te spreken, of van een bijzonderen raad der Engelen, waarin besluiten zouden worden genomen, die door anderen werden uitgevoerd. Zoveel is zeker, dat dit hemelse toneel ons daarenboven wil leren, hoe de aardse lotgevallen der mensen hare laatste wortelen en draden in den hemel hebben, en hoe Satan, die hier wordt voorgesteld, alsmede de hand er in te hebben, trots alle vijandschap ons slechts in zoverre kan benadelen, als de Almachtige God in Zijne Wijsheid en Liefde het hem toelaat. 13.
III. Vs. 13-22.KruisverwijzingenPrediker 5:15→1 Petrus 5:6→1 Thessalonicenzen 5:18→Efeze 5:20→1 Timotheüs 6:7→Genesis 37:29→Job 2:10→Genesis 11:28→ — Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene. Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden. Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene; En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder; En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd! In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe. Job wordt door den satan van al zijn vee en van alle zijne kinderen beroofd; ook in de diepste smart prijst hij den Heere.
KruisverwijzingenJob 1:4→Lukas 12:19→Prediker 9:12→Spreuken 27:1→Lukas 21:34→Lukas 17:27→— Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.
Er was nu een dag, als zijne zonen en zijne dochters aten, en wijn dronken, in het huis van hunnen broeder, den eerstgeborene, met wie de rij op nieuw begonnen was,
Kruisverwijzingen2 Samuël 15:13→1 Samuël 4:17→Jeremia 51:31→— Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.
Dat een bode tot Job kwam, en zei: De vijf honderd juk runderen waren ploegende, en de vijf honderd ezelinnen weidende aan hun zijden,
KruisverwijzingenGenesis 10:7→Job 6:19→Psalmen 72:10→Job 1:16→Ezechiël 23:42→Joël 3:8→Genesis 25:3→Jesaja 45:14→— Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Doch de Sabeërs, een Semitisch Nomadenvolk uit de nakomelingen van Joktan (Genesis 10: 29) en van Abraham uit Ketura (Genesis 25: 3), uit Petreïsch Arabië, oostelijk van het gebergte Seïr, deden enen inval, en namen ze, al de runderen en ezels, en sloegen de gewapende en strijdende jongeren met de scherpte des zwaards, en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Een rijk landbouwer in Haran moest in ouden tijd evenals nog tegenwoordig, wegens gebrek aan bescherming van het bestuur des lands, met alle naburige Nomadenstammen, wier roofzucht hij te vrezen had, verdragen sluiten, d.i. zich tot ene jaarlijkse schatting verbinden. Daarom overvallen hier zeer verwijderde stammen, de Sabeërs uit het verre zuiden, en de Chaldeeërs uit het verre Oosten, met welke Job natuurlijk geen verdrag had kunnen sluiten, zijne bezitting. Slechts zo ver verwijderde stammen, die noch vroeger noch later iets met Job en zijne landlieden te doen hadden, konden het wagen, zulke ongewone wreedheden, als den door der ploegende runderen en den moord der jongeren te volvoeren. Zit de Bedouïn eens op zijn paard, dan is het hem onverschillig, of ene reis tien dagen langer of korter duurt, wanneer hij maar water voor zich en zijn dier vindt. Dit vonden beide roversbenden in den winter, in Januari en Februari, wanneer de winterregens in Haran vijvers vormden. In deze maanden is men ook gewoon het door den regen week geworden braakland te ploegen. Tot overweldiging van 500 ploegers, die gewapend waren, anders waren zij niet allen gevallen, -behoorde toch wel een getal van 2000 ruiters, een getal, dat slechts in den winter zulk een tocht kon ondernemen. Elke landelijke bezigheid wordt steeds om de orde door een vierde gedeelte verricht, terwijl de heer van het goed of van het dorp elke avond van het dak van het huis de gemeenschappelijke taak van den volgenden dag laat bekend maken. Zo is het te verklaren, hoe de 500 ploegers gelijktijdig op een en dezelfden akkergrond te zamen konden zijn en met elkaar verslagen worden.
Kruisverwijzingen2 Koningen 1:12→Genesis 19:24→2 Koningen 1:14→1 Koningen 18:38→Numeri 11:1→2 Koningen 1:10→Amos 7:4→Leviticus 10:2→— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Het vuur Gods 1), een vuur- en zwavelregen, dier door de van God toegelatene macht des satans (2 (Thessalonicenzen. 2: 9. (Openbaring 13: 13), als bij Sodom en Gomorra (2 Koningen 1: 10,11. Luk. 9: 54. Openbaring 20: 9), door almacht van God, viel uit den hemel 2) en ontstak onder de 7000 schapen en onder de jongeren, die ze weidden, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen
Dewijl de boodschapper niet weet, dat dit door Satan bewerkt was, noemt hij den verdervenden gloed het vuur Gods. Satan gebruikt juist dit middel, om Job’s schapen te verteren, de gebruikelijke offerdieren, opdat Job zou denken, dat God hem in een vijand was verkeerd en om alzo hem er toe te brengen, God en Zijn dienst vaarwel te zeggen. Onder het vuur Gods hebben we te denken aan een hevigen vuur- en zwavelregen, als waardoor ook de steden Sodom en Gomorra zijn verwoest. Heeft Job in die tijden geleefd, wat vrij zeker is, dan valt deze bezoeking nog meer op, en kon zij er te meer toe bijdragen, om naar Satans wens, het geloof te ondermijnen aan een rechtvaardig God, dewijl, zo het scheen, goddelozen en rechtvaardigen op een en dezelfde wijze werden getroffen.
De hemel is genomen voor de lucht, waar Satan grote macht heeft (Efeze. 2: 2).
KruisverwijzingenGenesis 11:28→Habakuk 1:6→Jesaja 23:13→Job 1:15→2 Samuël 1:3→Genesis 11:31→— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: De Chaldeënuit Mesopotamië, afstammelingen van Chesed (Genesis 22: 23), den zoon van Nachor, stelden drie hopen (Genesis 14: 15. Richteren 7: 16,20), en vielen op de 3000 kamelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren, die ze hoedden, met de scherpte des zwaards, en Ik ben maar alleen ontkomen, om het U aan te zeggen.
KruisverwijzingenJob 1:13→Job 1:4→Job 19:9→Job 23:2→Job 6:2→Jesaja 28:19→2 Samuël 13:28→Amos 4:6→— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Uwe zonen en uwe dochters aten, en dronken wijn, in het huis van hunnen broeder, den eerstgeborene (vs. 13);
Kruisverwijzingen1 Koningen 20:30→Lukas 13:1→Handelingen 28:4→2 Samuël 18:33→Richteren 16:30→Jeremia 4:11→Genesis 42:36→Efeze 2:2→— En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
En zie, een grote stormwind kwam van over de woestijn van Syrië, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen 1), op uwe tien kinderen, dat ze stierven 2); en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
In het Hebr. Al-hanaärim. Hieronder worden zowel de zonen als de dochters verstaan, maar door dit woord in den grondtekst wordt tevens aangeduid, dat zij nog jong van jaren waren.
Dit was het grootste, het geduchtste van Job’s verliezen, en niets kon hem meer treffen, of nader aan het harte gaan, waarom de Satan dit tot op het laatst bewaarde, opdat als de vorige tergingen mochten mislukken, dit hem tot het vloeken van God vervoeren mocht. Onze kinderen zijn gedeelten van ons zelven, en het valt zeer hard van dezelve te moeten scheiden, zodat het een goed man tot in de ziele treft, dezen te verliezen. Maar hen allen in eenmaal en op een zelfde ogenblik schielijk te verliezen, nadat zij vele jaren lang onze hope, zorg en troost hebben uitgemaakt, moet het ingewand en de ziele tevens doorgrieven.
Satan weet wel, hoe smartelijk het voor ouders is, wanneer het hun kinderen kwalijk gaat, daarom heeft hij er zijne vreugde in, wanneer kinderen van vrome ouders in ongeluk komen. Op één dag is Job van alles beroofd, wat hij voor ene gave Gods hield, van zijne kudden met de knechten, die hij niet alleen als ene bezitting aanziet, maar voor welke hij ook een gevoelig hart heeft (vgl. Hoofdstuk 31), eindelijk ook van het liefste, dat hij heeft, van zijne kinderen. De Satan heeft elementen en mensen ontboden, om de gehele bezitting van Job, het een na het andere te vernietigen. Dat mensen en volkeren door satan tot vijandige ondernemingen kunnen gedreven worden, bewijst Openbaring 20: 8.
De duivel verwekt twist, moord, oproer, oorlog, zo ook onweder, hagel enz., om koren en vee te verderven, de lucht te vergiftigen enz.
Hadden wij het hier op de hoofden van Jobs kinderen zien vallen, wij zouden dit misschien hebben toegeschreven aan de natuurlijke kracht van een hevigen wind, terwijl wij nu weten, dat het het werk van een geest was. De menselijke rede is geneigd deze dingen aan den gewonen loop van natuurlijke oorzaken toe te schrijven, terwijl de God der natuur deze door bovennatuurlijke dienaars doet.
Voor het oog van den mens scheen het wel, alsof alles door de kracht der natuur geschiedde, door een geweldigen storm, maar voor de ingeleiden is dit alles werk des Satans, die zich van de natuurkrachten bedient, onder de toelating Gods, om Job te plagen. Men moet niet vergoten, dat al is Satan een gevallen engel, die zijn beginsel verlaten heeft, God, de Heere, hem een grote macht geeft of laat, opdat ten slotte Zijn, d.i. Gods Raad zal worden volvoerd. Ook in zijn gevallen staat is hij nog het van God diep afhankelijk wezen en deze wetenschap zet hem aan, om zo mogelijk alles ten kwade aan te wenden. Wanneer hij, naar onze overtuiging, aan God gelijk heeft willen zijn, aan God de gehoorzaamheid heeft opgezegd, en daarom door God voor eeuwig is verworpen, dan is het zijn grootste lust, om zo mogelijk Gods wetten tegen te staan, en waar hem de macht gegeven wordt, om te kwellen, daar doet hij wat hij kan, om die kwellingen zo bitter mogelijk te maken. Daarom berooft hij Job ook op één dag van alles, en niet, wat ook had kunnen geschieden, bij tussenpozen.
Kruisverwijzingen1 Petrus 5:6→Genesis 37:29→Ezra 9:3→Genesis 37:34→Deuteronomium 9:18→2 Samuël 12:16→2 Kronieken 7:3→Mattheüs 26:39→— Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
Toen hij ook dit vernomen had, stond 1) Job op, niet langer in staat zijne smart te onderdrukken (Jon. 3: 6),en scheurde zijnen mantel, als uitdrukking van zijn verscheurd hart (Genesis 37: 34), van de borst tot aan den gordel (Jozua 7: 6), en schoor zijn hoofdhaar af, ten teken, dat hij het dierbaarste verloren had (vgl. (Jer. 41: 5. (Micha 1: 16), en viel op de aarde, zich verootmoedigende onder de machtige hand Gods, en boog zich neer 2), aanbad dien God, wiens genadig welbehagen zich ook in deze zware slagen openbaarde (2 Petrus 3: 9).
Stond op. Dit wijst aan, dat Job tot nog toe had gezeten in droef gepeins en overdenking. Dat hem alle zijne bezittingen werden ontnomen, had hem ongetwijfeld diep getroffen, maar ziet, nu hij verneemt, dat God ook zijne kinderen wegneemt, nu kan hij niet langer blijven zitten. Hij staat op. Het wordt hem te eng om het harte. Alles spant zich tegen hem samen. Wat zal hij doen? Morrend heengaan, op en neer wandelen al zuchtende en klagende? Niets van dit alles. Wel is hij getroffen en beroerd tot in het diepst zijner ziele, maar hij ontvangt kracht, om zich te buigen en te verootmoedigen. Hij verscheurt zijn kleed als teken, dat zijn hart vaneen gereten is, hij scheert zijn hoofdhaar als teken van rouw, dat hij alles verloren heeft, en…hij valt op de aarde, de gewone houding van den smekeling voor Gods troon, als teken, dat hij tot zijn God zich wendt, Hem aanbidt, Zijne wegen goedkeurt, ook dan, wanneer hij zo diep wordt bedroefd en spreekt uit, wat het volgende vs. ons meldt. In den strijd van Satan tegen hem, behaalt bij Job het geloof de overwinning, het geloof in zijn God.
De uiting van diepe, hartverscheurende smart is door God gewild, wanneer de smart maar waarlijk diep, dat is smart over de zonde is, en in gebed uit de diepte voor God neergelegd wordt. Stoïsche resignatie (onderdrukking van alle openbaring van het gevoel naar de wijze der Stoïcijnen) is heidens en ene verloochening van de zonde en van de noodzakelijkheid van berouw.
KruisverwijzingenPrediker 5:15→1 Thessalonicenzen 5:18→Efeze 5:20→1 Timotheüs 6:7→Job 2:10→1 Samuël 2:7→Jakobus 1:17→Psalmen 49:17→— En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!
En hij (Job) zei, nadat hij al zijne smart voor God had uitgestort, den Heere op geheel andere wijze zegenende, dan Satan gehoopt had: Naakt, zonder iets te bezitten, arm ben ik uit mijner moeders buik gekomen, waar zich de wonderbare vorming van den eersten mens uit den schoot der aarde herhaalt (Psalm 139: 14), en naakt, zonder iets mede te nemen, zal ik daarhenen, zal ik in den moederlijken schoot der aarde, overeenkomstig den vloek (Genesis 3:
, wederkeren (Prediker 5: 14, 1 Tim. 6: 7).De HEERE heeft alles, wat ik had, gegeven, en de HEERE, niet het blinde toeval, ook niet de duivel op zich zelven, heeft genomen, Hij weet, waarom Hij het gedaan heeft, hoewel ik de reden niet doorzie; de naam des HEREN zij geloofd
in alles, wat Hij doet en doen zal; want ik begeer niets, dan dat Zijn wil aan mij volkomen geschiede. Deze Goddelijke wil is mij liever dan alles, wat ik ook bezitten moge.
Heilige en rechtvaardige God! wapen ons met geduld en geloof tegen het uur der verzoeking, opdat, wanneer gij kruis en lijden over ons laat komen, wij iedere tuchtroede kunnen, met geduld het kruis dragen, tegen Uwe kastijding niet morren, het verlies van het tijdelijke gaarne verdragen en Uwen naam loven en prijzen. Amen! Voorwaar, ‘t moet een sterke geest zijn, die voor zodanig lijden danken kan. “Er is toch niet aan te veranderen, we moeten er maar in berusten; ” tot zoverre kunnen velen verdragen. Ook het getal dergenen, die zeggen: “God geeft kracht naar kruis, met Zijne hulpe kunnen wij dragen,” is nog betrekkelijk groot. Maar waar worden zij gevonden, die gewillig lijden, die de slaande hand des Heren zegenen, die roemen niet alleen in de hope der heerlijkheid, maar ook in de verdrukkingen? Slechts bij de laatsten heeft de lijdzaamheid een volmaakt werk.
Satan had gezegd, dat Job God diende, om hetgeen hij van God ontvangen had, om de vele bezittingen, om de vele kinderen, want het was in het Oosten de grootste bezitting veel kinderen te hebben. Hier echter blijkt het, dat Job ook, beroofd van alles, den Heere nog looft, Hem looft voor hetgeen Hij geschonken had, Hem prijst, dat Hij het naar Zijn Vrijmacht weer terugneemt. Wat Job hier prijst is de Vrijmacht Zijner Soevereine heerschappij. Wat Satan in de volheid zijner glorie had gering geacht, was de Soevereine heerschappij Gods. Wat Job hier eert, in de diepte zijner ellende, in de armoede zijner beroving, is juist diezelfde heerschappij. Zo ontvangt Satan de nederlaag en blijft God, de Heere, ook Overwinnaar in en door Zijn knecht.
KruisverwijzingenJob 2:10→Jakobus 1:12→1 Petrus 1:7→Jakobus 1:4→Romeinen 9:20→Job 40:4→Job 34:10→Job 34:18→— In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
In dit alles, wat hem tot hiertoe trof, zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe, daar hij niet, gelijk later, Gode onrechtvaardigheid toeschreef, en verlangde, dat de Heere hem zijne vroomheid ook hier reeds belonen zou, maar hij veeleer nu eerst zich recht bewust werd, dat zijn God zijn hoogste goed was. Zo doorstond Job tot nu toe de verzoeking volkomen, en maakte hij Satan in diens hoop beschaamd. Het geduld en de lijdzaamheid, welke Jak. 5: 1 van hem roemt en ten voorbeeld stelt, kan niet hoofdzakelijk op dit woord van Job alleen, maar moet op zijne gehele geschiedenis betrekking hebben. Job toont zijn geduld (upomonh) daardoor, dat hij ook in morren en twisten aan zijnen God vasthoudt en zich gaarne voor Hem verootmoedigt, als hij hem verschijnt.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel
Spurgeon Citaten
Sommige van de zeldzaamste perlen zijn in de diepste wateren gevonden, en sommige van de uitgelezenste uitspraken van gelovigen zijn gekomen toen Gods golven en baren over hen heen gingen.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Job 1
Job 1:1.KruisverwijzingenEzechiël 14:14→Ezechiël 14:20→Jakobus 5:11→Genesis 17:1→Job 1:8→Genesis 6:9→Job 2:3→Jeremia 25:20→
— Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.
Dit was Jobs karakter vóór de beproeving die hem beroemd gemaakt heeft. Misschien zouden wij, als die beproeving er niet geweest was, nooit van hem gehoord hebben; nu schrijft de apostel Jakobus: gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord. God heeft door grote verdrukkingen aan Zijn knecht die bruikbaarheid gegeven waar hij misschien om gebeden had, zonder te weten hoe zij tot hem zou komen. Een lang aanhoudend leven van voorspoed verheerlijkt God misschien niet zo waarachtig als een leven dat door tegenspoed doorschakeerd is. En God, Die Zijn knecht eer wilde aandoen, deed zoals koningen doen wanneer zij iemand tot ridder slaan: zij slaan met de platte kant van het zwaard. Zo sloeg God de aartsvader Job, opdat Hij hem boven zijn medemensen zou verheffen. De Heere wilde hem tot Job de lijdzame maken, maar daartoe moest Hij hem eerst tot Job de lijder maken.
Uit dit boek leer ik wat de volmaaktheid van het Evangelie is. Ons wordt gezegd dat Job oprecht en vroom was, en toch weet ik zeker dat hij niet vrij was van neigingen tot het kwade; hij was niet volstrekt volmaakt. Zoals de oude Trapp zegt: “Gods volk mag volmaakt zijn, maar het is niet volmaakt volmaakt.” En zo was het stellig ook met Job. Er waren diep in zijn karakter gebreken die zijn beproevingen aan het licht brachten en die de genade van God er later zonder twijfel uit weggenomen heeft. Maar naar de wijze van spreken die in de heilige Schrift gebruikt wordt, was Job een “oprecht” man: hij was zuiver, van harte toegewijd, geheiligd. En hij was ook “vroom”: hij helde niet naar deze en niet naar die kant, er zat geen kronkel in hem, hij had geen zelfzuchtige bedoelingen te dienen. Hij was “een die God vreesde”. Ieder kon dat zien; en bijgevolg haatte hij het kwade met heel zijn hart. Job was werkelijk een man — een waar mens, een mens van het hoogste soort, want hij was een man van God. Hij had beide zijden van een godvruchtig karakter: een liefde tot God en een haat tegen de zonde.
Job 1:2.KruisverwijzingenJob 42:13→Psalmen 127:3→Psalmen 107:38→Psalmen 128:3→Esther 5:11→Job 13:13→
— En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren.
Het was een groot voorrecht zo een huisgezin te hebben, maar het bracht Job ook grote verantwoordelijkheden en veel zorgen. Job was hoog begunstigd dat hij zulke zonen en dochters had.
Job 1:3.KruisverwijzingenJob 29:25→Job 42:12→Genesis 12:16→Richteren 6:3→Genesis 25:6→1 Samuël 25:2→Spreuken 10:22→Genesis 29:1→
— Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
Iemand kan een goed man en een rijk man zijn, maar dat is niet gewoonlijk het geval. Ik vrees dat wat Bunyan zegt maar al te waar is: “Goud en Evangelie gaan zelden samen; de godsdienst houdt het altijd met de armoede.” En toch behoorde het niet zo te zijn, want God kan iemand genoeg genade geven om al zijn goed tot eer van zijn Heere te gebruiken. Ik zou wensen dat het vaker het geval was dat wij een heilige Job zo goed als een godvruchtige Lazarus konden zien: een gezelschap mensen dat zijn toewijding aan God zou bewijzen door hun rijkdom nooit hun meester te laten worden, maar meester te zijn over al hun goed, en gestadig te beseffen dat het alles de Heere toebehoort. Dit is ten slotte het edelste erfdeel dat iemand heeft, zijn God uitgezonderd. Job kon in de tegenspoed zijn ziel in lijdzaamheid bezitten omdat hij in zijn voorspoed zijn rijkdom hém niet had laten bezitten, maar hij bezat haar. Job was geen arme man, en toch was hij een man van God — een van die “kamelen” die het klaarspelen door “het oog van een naald” te gaan.
Job 1:4.KruisverwijzingenHebreeën 13:1→Psalmen 133:1→
— En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.
Dat de zonen hun zusters ontboden toonde dat het geen dronken uitgelatenheid was, anders zouden zij hun zusters er niet bij gewild hebben; de zoete, zachte, fijne invloed van hun zusters zou hun feestvieren houden bij wat het behoorde te zijn. Bovendien waren zij de kinderen van een man van God, en zo zouden zij weten hoe zij hun feestvieren binnen behoorlijke grenzen moesten houden. En de zusters waren zeer bescheiden en teruggetrokken en zouden niet naar het feest gegaan zijn als zij niet ontboden waren; maar hun broers waren vriendelijk en bedachtzaam, zoals alle goede broers zullen zijn.
En toch zijn wij allen sterfelijk en feilbaar, en feesttijden zijn gevaarlijke tijden. De puriteinen noemden het vasten wel een zielsvoedend vasten; het feestvieren zouden zij een zielsverzwakkend feestvieren kunnen noemen. Salomo zei terecht: Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds. Er is altijd een risico aan feestvieren verbonden, en Job was daarom een weinig bezorgd over hoe zijn zonen zich gedragen mochten hebben.
Job 1:5.KruisverwijzingenGenesis 8:20→Job 42:8→1 Samuël 16:5→1 Koningen 21:13→1 Koningen 21:10→Genesis 35:2→Leviticus 24:10→Job 27:10→
— Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.
Zij hadden onbezonnen met hun lippen kunnen spreken, zij hadden zelfs Gods Naam ijdellijk kunnen gebruiken, er kon iets in hun gedrag geweest zijn dat niet geheel behoorlijk was; en daarom begeerde hun vader de zonde daarvan weg te doen. Job dacht niet dat zijn zonen door zijn gebeden alleen gereinigd konden worden, maar hij moest brandoffers offeren naar het getal van hen allen, opdat ieder van hen deel zou hebben in de zegeningen die die offeranden voorstelden.
Merk op dat Job zijn toevlucht neemt tot brandoffers. Hij leefde vóórdat de Joodse wet gegeven werd, en toch gevoelde hij het besef van de noodzaak van een offer dat elk gelovig hart gevoelt wanneer het de heilige God nadert. Ik bid u, laat die gedachte nooit varen: dat wij tot God komen door middel van een offer, want er is geen andere weg tot toegang. Wij mogen denken wat wij willen, maar er is niets anders dat ooit het geweten stillen zal en ons nabij God brengen dan het offer dat God Zelf verordend heeft. En Job wist dit. Niet alleen bij gelegenheid, maar elke dag offerde hij op zijn altaar tot God, en zo zocht hij zijn huisgezin recht te houden voor Jehova.
Job 1:6.KruisverwijzingenJob 2:1→Job 38:7→Zacharia 3:1→1 Kronieken 21:1→1 Koningen 22:19→Johannes 6:70→Openbaring 12:9→Daniël 3:25→
— Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
Kwamen zij in de hemel? O nee! De tegenwoordigheid van God is zeer wijd uitgestrekt, en het was niet nodig de boze geest opnieuw in de hemel toe te laten om hem voor Gods aangezicht te doen komen. Engelen en allerlei verstandelijke geesten hadden als het ware een bijzondere, plechtige, algemene vergadering. Misschien werd er op die dag in verre sterren, in verschillende delen van het heelal, een hoog feest ter ere van Jehova gevierd. Maar sinds de zonde in de wereld gekomen is — sinds er zelfs onder de twaalf apostelen een Judas was — is er in elke vergadering, al is het een vergadering van de kinderen Gods, zeker een duivel: en de satan kwam ook in het midden van hen. Is hij nergens anders, dan is hij zeker daar waar de kinderen Gods samenkomen. En toch, wat een onbeschaamdheid van zijn zijde dat hij het waagt zelfs in de vergaderingen van de heiligen te komen! En wat een hardheid van hart moet hij hebben, want hij komt er binnen als een duivel en hij gaat er uit als een duivel! De kinderen Gods brengen hun geestelijke gebeden door de Heilige Geest ingegeven, maar de duivel brengt duivelse smekingen die zijn eigen boosheid hem ingeeft.
Job 1:7.Kruisverwijzingen1 Petrus 5:8→Job 2:2→Zacharia 6:7→Zacharia 1:10→Openbaring 20:8→Mattheüs 12:43→Openbaring 12:12→2 Koningen 5:25→
— Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
God is de Meester van de satan, en daarom vraagt Hij hem waar hij geweest is. Ik vraag mij af of, als de Heere die vraag aan ieder hier stelde — “Van waar komt gij?” — wij er allen een bevredigend antwoord op zouden kunnen geven. Hij is gedwongen rekenschap van zichzelf te geven; hij kan geen el van zijn deur gaan zonder goddelijke toelating. Onrustig, rusteloos, altijd bezig, zoals een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden. Ach, wij weten weinig hoe nabij de satan ons nu is; en zelfs in onze uren van gebed, wanneer wij God het naast zijn, kan hij komen en ons bestoken.
Job 1:8.KruisverwijzingenJob 1:1→2 Koningen 23:25→Job 2:3→Numeri 12:7→Jesaja 1:16→Spreuken 8:13→Job 8:20→Jozua 1:7→
— En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
Jobs voorspoed beloofde zoveel bestendigheid als iets onder de maan kan beloven. Deze man had om zich heen een groot huisgezin van toegewijde en verknochte knechten. Hij had rijkdom bijeengebracht van een soort die niet plotseling in waarde daalt: runderen en ezelinnen en vee. Hij hoefde niet naar markten en jaarbeurzen te gaan om met zijn goederen te handelen en zo aan voedsel en kleding te komen, want hij dreef de landbouw op grote schaal om zijn eigen hoeve heen en teelde waarschijnlijk binnen zijn eigen gebied alles wat zijn huishouding nodig had. Zijn kinderen waren talrijk genoeg om een lang geslacht van nakomelingen te beloven. Zijn voorspoed had niets meer nodig om gevestigd te zijn. Zij was op haar hoogste vloed gekomen — waar was de oorzaak die haar zou kunnen doen afnemen?
Maar boven de wolken stond de geest van het kwaad van aangezicht tot aangezicht met de oneindige Geest van al het goede, en er kwam een buitengewoon gesprek. Toen de boze rekenschap moest geven van zijn doen, beroemde hij zich erop dat hij de gehele aarde doorgegaan was. Hij was overal rondgetrokken als een koning in zijn eigen gebied, ongehinderd en ongemoeid. Toen de grote God hem eraan herinnerde dat er onder de mensen ten minste één plaats was waar hij geen voet had en waar zijn macht niet erkend werd — namelijk in het hart van Job — tartte de boze Jehova de getrouwheid van Job op de proef te stellen. Hij zei Hem dat de oprechtheid van de aartsvader aan zijn voorspoed te danken was, dat hij God diende en het kwade schuwde uit baatzuchtige beweegredenen, omdat hij bevond dat zijn gedrag hem voordeel bracht. De God des hemels nam de uitdaging van de boze aan en gaf hem toelating alle barmhartigheden weg te nemen die volgens hem de stutten van Jobs oprechtheid waren. Laten wij hierin de veranderlijkheid van alle aardse dingen zien. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Kol. 3:2), en vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft (Matth. 6:19).
Merk op dat God Job Zijn knecht noemt, zelfs in het spreken tot de duivel. En God Zelf geeft Job dat hoge karakter: hij is een man zonder gelijke, hij staat alleen onder de mensen — niemand is op de aarde gelijk hij. “Hebt gij hem opgeteld? Hebt gij zijn maat genomen, o aanklager der broederen?”
Job 1:9-10.KruisverwijzingenPsalmen 34:7→1 Petrus 1:5→Mattheüs 16:26→Psalmen 107:38→Deuteronomium 28:2→Job 31:25→Zacharia 2:5→Spreuken 10:22→
— Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.
Zelfs de duivel kon geen aanklacht tegen Jobs gedrag inbrengen; daarom gaf hij te kennen dat zijn beweegredenen niet zuiver waren. Wij kunnen er zeker van zijn dat de satan, als er iets slechts in Job geweest was, het zou hebben uitgevonden en tegen hem zou hebben ingebracht. Hoe uitnemend iemand ook is, al is er niemand als hij op aarde, u kunt op hem aanmerkingen maken als u dat wilt. De satan maakte aanmerkingen op Job omdat het hem voorspoedig ging, en zijn vrienden maakten later aanmerkingen op hem omdat het hem niet voorspoedig ging. Zo kunt u van alles een vlek op iemands karakter maken als u dat van zin bent.
De zwarte hond van de hel had rondgeslopen om te zien waar hij naar binnen kon komen, en zo wist hij dat er een heining rondom Job was, en rondom zijn huis en alles wat hij had. Let erop hoe de duivel insinueert dat Job God vreesde om wat hij van Hem kon krijgen. “Zijn liefde is broodkastliefde”, zegt de satan; “hij wordt door de voorzienigheid goed betaald voor zijn eerbied jegens God.” Zelfs de duivel durfde niet te ontkennen dat Job een werkend mens was, of te zeggen dat hij aan zijn goed gekomen was door onderdrukking of roof. Nee, hij zei tot God: het werk zijner handen hebt Gij gezegend.
Job 1:11-12.KruisverwijzingenJob 2:5→Job 19:21→Openbaring 16:11→Job 1:5→2 Korinthe 12:7→Genesis 16:6→1 Koningen 22:23→Jesaja 8:21→
— Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.
O, wat een onheil kan de satan tegen de rechtvaardigen verzinnen! De barmhartigheid is dat hij, al is hij machtig, niet almachtig is; hij is heel boosaardig, maar er is Eén Die veel wijzer en sterker is dan hij, Die hem altijd kan omzeilen en overmeesteren. Zie, de duivel meet Jobs koren in zijn eigen schepel; maar gelukkig was het de meting van een leugenaar, dus mat hij verkeerd. Er zijn er nog altijd die zeggen: “Ja, het is een mooie zaak goed te zijn wanneer u rijk bent; het is heel gemakkelijk zich behoorlijk te gedragen wanneer alles vlot gaat. Zou die man, die nu zo een godvruchtig dienaar van God is, ook zo zijn als hij in armoede was, of als hij wreed belasterd werd, of als hij met verachting beproefd werd? Zou de genade van God hem over die ruwe bruggen dragen?” Nu, de Heere verlustigt Zich erin de genadegaven van Zijn volk te bewijzen, want het brengt grote eer aan Zijn Naam wanneer er proeven op genomen worden, om hen te toetsen en te beproeven en zelfs hun grootste tegenstander te laten weten hoe waarachtig zij zijn en wat een goddelijk werk het is dat God aan hen gewrocht heeft.
De satan kon zo ver gaan, maar niet verder; er staat een “alleen” in de toelating die hem gegeven werd: alleen aan hem strek uw hand niet uit.
Job 1:13-15.KruisverwijzingenGenesis 10:7→Job 6:19→Job 1:4→Lukas 12:19→Prediker 9:12→Spreuken 27:1→Lukas 21:34→Lukas 17:27→
— Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene. Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden. Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Dat was een kwade dag voor de moeite om te komen. De satan koos die dag uit omdat het een blijde dag was, en de beproevingen van Job daardoor te schrikkelijker zouden zijn. Had Job bovendien mogen kiezen, dan zou hij verkozen hebben dat zijn moeite kwam wanneer zijn zonen en zijn dochters aan het bidden waren, niet wanneer zij aan het feestvieren waren.
Job had deze Sabeërs geen onrecht gedaan; zij waren rovers op zoek naar buit, en toen de satan hen bewoog, kwamen zij de runderen en ezelinnen van de aartsvader stelen en zijn knechten doden. Het kwade nieuws komt hem geheel onverwacht, juist wanneer hij aan iets heel anders denkt. Er is maar één knecht overgebleven om het te vertellen, en die werd gespaard opdat Job zou weten dat het bericht waar was. Was ook die ene knecht gedood, dan had de tijding Job alleen als een gerucht kunnen bereiken dat waar of niet waar kon zijn; maar nu vertelt een van zijn eigen knechten hem het droeve verhaal, zodat er geen twijfel over bestaat. Ach, de duivel weet hoe en waar hij slaan moet wanneer hij slaat!
Job 1:16.Kruisverwijzingen2 Koningen 1:12→Genesis 19:24→2 Koningen 1:14→1 Koningen 18:38→Numeri 11:1→2 Koningen 1:10→Amos 7:4→Leviticus 10:2→
— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Alsof Job geen tijd gelaten mocht worden om zijn geloof te verzamelen en zijn hart te bemoedigen. Deze slag moet Job te meer bedroefd hebben, omdat “het vuur Gods” de schapen verbrand had die hij gewoon was Jehova ten offer te brengen, en omdat de slag rechtstreeks van God Zelf scheen te komen, aangezien het de bliksem was die schapen en herders beide verdelgd had. Als die bliksem op de Sabeërs gevallen was terwijl zij aan het roven en plunderen waren, zou men zich niet verwonderd hebben; maar dat hij viel op de kudden van een man van God die de naakten met de vachten van zijn schapen gekleed had en vele van de vetste van de kudde God ten offer gebracht had — dat scheen wel vreemd.
Job 1:17.KruisverwijzingenGenesis 11:28→Habakuk 1:6→Jesaja 23:13→Job 1:15→2 Samuël 1:3→Genesis 11:31→
— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Job had geen tijd om van die schok te bekomen, en de volgende slag viel al: de Chaldeën vielen op de kamelen aan. Drie zulke zware slagen zullen de aartsvader zeker genoeg beproeven, maar er kwam een vierde boodschapper met het bitterste nieuws van alle.
Job 1:18-19.KruisverwijzingenJob 1:13→Job 1:4→Job 19:9→Job 23:2→Job 6:2→Jesaja 28:19→2 Samuël 13:28→Amos 4:6→
— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene; En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Heeft ooit een ander mens zo een samenloop van moeite moeten verdragen, zulke benauwdheden de een op de ander gestapeld zonder verademing? Job moet zich door deze opeenvolgende smarten wel verdoofd en verstikt gevoeld hebben. De satan had het zo geschikt dat de moeiten van de aartsvader zo snel de een na de ander kwamen dat de goede man er volslagen door overstelpt zou worden — zo hoopte de duivel althans dat het uitkomen zou. En toch kwam het zo niet uit.
Job 1:20.Kruisverwijzingen1 Petrus 5:6→Genesis 37:29→Ezra 9:3→Genesis 37:34→Deuteronomium 9:18→2 Samuël 12:16→2 Kronieken 7:3→Mattheüs 26:39→
— Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
Met heel zijn last op zich stond hij op. Hij trok zich de haren niet uit als een heiden of een dwaas of iemand die door moeite ijlt, maar hij scheurde bedaard zijn mantel en schoor zijn hoofd. Grote oude man, hoe dapper draagt hij zich hier als een man! Hij viel op de aarde en boog zich neer.
Job 1:21.KruisverwijzingenPrediker 5:15→1 Thessalonicenzen 5:18→Efeze 5:20→1 Timotheüs 6:7→Job 2:10→1 Samuël 2:7→Jakobus 1:17→Psalmen 49:17→
— En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!
Sommige van de zeldzaamste perlen zijn in de diepste wateren gevonden, en sommige van de uitgelezenste uitspraken van gelovigen zijn gekomen toen Gods golven en baren over hen heen gingen. Het vuur verteert niets dan het schuim en laat het goud des te zuiverder achter. Wat Jobs plaats voor God betreft had hij door al zijn verliezen niets verloren; want wat kon zuiverder en helderder goud zijn dan dit dat ons uit deze tekst tegenglanst, en dat zijn triomferende lijdzaamheid, zijn volkomen onderwerping en zijn blijmoedige instemming met de goddelijke wil openbaart?
Job zag alles wat hij bezat als een gave van God. Hij klaagde niet: “Ik heb vele moeizame dagen en vele bezorgde nachten besteed aan het bijeenbrengen van al die kudden en beesten die mij nu ontstolen zijn.” Wij moeten de wijsheid leren om nooit enige aardse troost aan een aardse bron toe te schrijven. Wij moeten de Gever eren en niet de gave. En wanneer wij weten dat de Heere onze bezittingen wegneemt, dan houdt de kennis dat zij Zijn eigendom zijn ons metterdaad van klagen af. Van het eerste ogenblik dat de liefde van God ons geopenbaard wordt, tot het uur waarop wij in de tegenwoordigheid van de Vader in de heerlijkheid zullen zijn, mogen wij erop rekenen dat er in elke daad van God waarin Hij van ons neemt evenzoveel oneindige liefde is als in het geven.
Ik meen dat dit de grootste woorden zijn in heel het verslag van de menselijke taal. Als wij bedenken in wat een omstandigheden deze man toen was, dan was het naar mijn gedachte een wonder van genade dat hij zo sprak.
Job 1:22.KruisverwijzingenJob 2:10→Jakobus 1:12→1 Petrus 1:7→Jakobus 1:4→Romeinen 9:20→Job 40:4→Job 34:10→Job 34:18→
— In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
O, de triomfen van de almachtige genade! God geve ons zulke lijdzaamheid als Hij ons zulke beproevingen zendt, en Hem zij de eer in eeuwigheid!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-5.KruisverwijzingenEzechiël 14:14→Ezechiël 14:20→Jakobus 5:11→Genesis 17:1→Genesis 8:20→Job 1:8→Genesis 6:9→Job 42:8→
— Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad. En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren. Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten. En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken. Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.
Job, een stamvorst der Uzieten, is door zijne grote godsvrucht en door zijnen rijkdom in groot aanzien. In zijne gezegende familie, die in gemeenschappelijke maaltijden hare onderlinge liefde en eensgezindheid betoont, regeert hij met allen ernst als patriarch en priester.
Er was een man 1) in het land Uz 2), zijn naam was Job 3), en deze man was oprecht, en vroom, hij ging met een eenvoudig hart den rechten weg, dien God hem aanwees, zonder zijwegen te zoeken; hij was jegens anderen vreedzaam, welwillend en billijk (Psalm 25: 21. (Spreuken 1: 3. (Jes. 26: 7), en godvrezende, de vreze des Heren, het beginsel der wijsheid, bestuurde hem in al zijn handelen, en wijkende van het kwaad 4), zodat zijn leven met zijn geloof overeenstemde.
Reeds uit de eerste woorden blijkt, dat het den Schrijver er niet om te doen is, een stuk van Israël’s geschiedenis mede te delen, maar alleen de geschiedenis van een enkel persoon, die in overouden tijd geleefd had. In den grondtekst komt dit nog meer uit dan in de vertaling.
Het is zeer moeilijk de ligging van het land Uz te bepalen, omdat deze naam voor dat land reeds vroeg in onbruik kwam, of het ten minste nog andere namen droeg, die later alleen in gebruik bleven. Twee opvattingen hebben waarschijnlijkheid: 1e. Men plaatst het land Uz aan de Oostelijke helling van het Edomieten-gebergte Seïr of in Petreïsch-Arabië wegens de plaatsen Hoofdstuk 1: 5,17. Jer. 25: 20. Klaagt. 4: 21. Waarom de Sabeërs geen volksstam kunnen zijn, die in de dadelijke nabijheid van het land Uz woonden, zie Hoofdstuk 1: 15 Jer. 25: 20 wordt daarentegen het land Uz streng van het land van Edom (vs. 21) onderscheiden; in Klaagt. 4: 21 eindelijk, waar van de dochter Edoms, die in het land Uz woont, sprake is, moet deze bijvoeging te kennen geven, dat men hier niet aan het volk der Edomieten, dat op het gebergte Seïr woont, te denken heeft. Enige stammen der Edomieten waren gaan wonen in het land Uz, dat door de Assyriërs ten tijde van de verwoesting des rijks ontvolkt was. Deze worden nu ter onderscheiding van de eigenlijke Edomieten met die uitdrukking aangewezen. 2e. Het waarschijnlijkste is het gevoelen, dat onder “het land Uz” bedoeld wordt Haran (Numeri 32: 33 ), dat tussen het Meer van Gennesareth en het Oostelijk basalt-gebergte (Dschebel Haran) gelegen is. Daarheen wijst ons de traditie uit zeer oude tijden. In het midden van ons landschap, zuidoostelijk van Damascus, een uur ten zuiden van de stad Nawa ligt het grafteken van Job en in zijne nabijheid het Jobs klooster, in het begin der 3e eeuw gesticht. Daar toont men den reizigers met diepen eerbied de rots, tegen welke Job zal geleund hebben, en het waterbekken, waarin hij zich na zijne genezing zal gebaad hebben. In den gehelen omtrek van deze heiligdommen, die door vele pelgrims bezocht en hoog geëerd worden, is Job een zeer bekende, hoog verhevene heilige, wiens geschiedenis met vele legenden opgesierd is. Men kan aannemen, dat ook vóór het bouwen van het klooster die heilige plaatsen reeds vele eeuwen voorwerpen van verering geweest zijn, waarheen men pelgrimstochten hield. De overlevering, welke in deze landstreek Jobs woonplaats stelt, is uit een tijd, toen men nog goed kon weten, waar men het land Uz moest zoeken. Ene tweede bevestiging van deze mening ligt in den naam Uz. Driemalen komt in het Oude Testament die naam voor als de naam van een persoon: Genesis 10: 23; 22: 21; 36: 28. 22.21 36.28 Waarschijnlijk is de eerstgenoemde, de zoon van Aram, den stamvader van de in Syrië en Mesopotamië wonende Arameërs, de stamvader van de Uzieten en ook van Job. Alsdan stamt de Godskennis van Job af uit de eerste openbaring, uit het huis van Noach, diens zoon Sem en zijne nakomelingen, onder welke ook Aram, Uz en Job behoorden, die deze het zuiverst bewaarden. Even als Melchizedek, koning van Salem, ten tijde van Abraham, een man was, die de openbaring Gods als traditie uit het huis van Noach rein en zuiver bewaard had (Genesis 14: 20 ) zo ook Job, die waarschijnlijk gelijktijdig met hem leefde. Naar dezen oudsten patriarchalen tijd verwijzen ons ook alle omstandigheden, in welke hij leefde.
De naam Job zal volgens sommigen “vervolgde” of “verdrager” betekenen, zodat in zijnen naam reeds ene profetie van de hoofdgebeurtenis zijns levens vervat is; zo vinden wij ook bij anderen, die door God bijzonder tot dragers van Zijne openbaring geroepen waren in het Oude Testament, dat hun vaders, door Gods Geest geleid, ene voorspelling in den naam van hun kinderen uitspraken. Volgens anderen heeft de naam Job gene betekenis, die met de geschiedenis van den man in betrekking staat. De vraag, of Job en zijne vrienden als geschiedkundige personen, en het gehele verhaal van Jobs ondervindingen en van zijne familie als werkelijk geschied, aan te merken zijn is van veel gewicht voor de gehele beschouwing van het boek. De opvatting, dat Job en zijne vrienden en hun gehele geschiedenis ene dichterlijke vinding zijn, wordt weersproken door de eenvoudige beschouwing van Ezechiël. 14: 14,20, waar Job naast Daniël en Noach als een bijzonder schitterend voorbeeld van godzaligheid wordt voorgesteld, en zijn persoon en zijne geschiedenis evenmin als ene dichterlijke vinding aangezien als Daniël en Noach en hun geschiedenis. Hetzelfde is het geval Jak. 5: 20. Het strijdt verder tegen den aard der oude volken, om personen te verdichten.
Het verdichten van ene geschiedenis van den beginne af, het voortbrengen van een persoon, dien men als geschiedkundig voorstelt, uit het hoofd van den verdichter, is, daar dit zeer gedwongen is, aan de oudheid van alle volken zo geheel vreemd, dat dit eerst allengs in de laatste eeuwen der oude literatuur ontstond, en als gehele verdichting niet vroeger dan in den nieuwsten tijd voorkomt. In Jobs geschiedenis ene dichterlijke vinding te zien zou dus zijn, de oude tijden naar onze tegenwoordige toestanden af te meten en te beweren, dat het in alle tijden geweest is, zo als het nu is. Job was integendeel werkelijk een Nomadenvorst van enen Semietischen stam, door welken de oude Semietische godsdienstige overleveringen werden vastgehouden, en wel voornamelijk door Job zelven als een der stamhoofden. Deze stamvorst maakt met zijne vrienden ene ervaring, die te voren aan zijn volk vreemd was, namelijk, dat tegenover God geen mensenrecht of aanspraak bestaat, dat God integendeel daar, waar neiging is, om met Hem te twisten, in plaats van aan te nemen, wat Hij toezendt, in Zijn recht is, om ook met de zwaarste straffen te kastijden; dat de mens dus in het aannemen van elke straf zich een dienstknecht Gods betonen moet. Deze nieuwe, grote ervaring deelde zich aan het gehele volk van die hoofden mede en werd overgeplant van geslacht op geslacht; zij kwamen eindelijk ook van de Uzietische Arameërs (Syriërs) tot het volk van Israël, onder hetwelk een door den Geest Gods bezield, hoog begenadigd zanger, het geschiedkundig, heilig verhaal tot dit zo wonderbaar, kunstvol gedicht uitgewerkt heeft. Het ontstaan der stof van het Boek Job hebben wij ons dus eveneens te denken, als het ontstaan van zo vele oude verhalen, waarvan de kern steeds ene geschiedkundige gebeurtenis, ene ervaring van een volk of van een vorst is. “Job heeft wel niet zo gesproken als het in dit Boek geschreven staat, maar heeft gedacht; want men spreekt zo niet in de verzoeking, toch is het zo geschied in de daad. Daarenboven is zulk ene geschiedenis van Job oud en zeer gewoon, en aan ieder ten tijde van Salomo wel bekend geweest. -Ik houd zijn boek voor ene ware historie.”. Ook de hoofdbestanddelen van de in de Dialogen (samenspraken) bewerkte gedachten, over de oorzaak van het vreselijk lijden van dezen hooggeëerden, vromen patriarch zijn ene oude overlevering.
Uit de samenvoeging van oprecht en vroom en godvrezend en wijkende van het kwaad blijkt, dat Job voor God en mensen een zuivere consciëntie wenste te behouden, in den zin van des Apostels verklaring. Geven de eerste twee woorden aan, dat hij in alles rechtvaardig wenste te wandelen voor het aangezicht Gods en jegens de mensen; het derde, dat de woorden Gods in zijn hart waren geplant en het laatste, dat hij met alle kracht streed tegen al wat van den Heere God aftrok: met alles te zamen wordt Job aangeduid als de man, die in waarheid straks tegen zijne vrienden zijn onschuld kon verdedigen en volhouden. Reeds vooraf, voordat hem de verschillende plagen overkomen, rechtvaardigt God, de Heere, hem en geeft van hem het schoonste getuigenis.
En hem werden zeven zonen en drie dochters geboren 1), zodat hij den huwelijkszegen wel ondervond, dien God den vromen beloofd heeft (Psalm 127 en 128).
Een zo groot aantal van volwassene zonen en overige bloedverwanten (Hoofdstuk 19: 17 ) verhoogde Jobs aanzien bij zijne stamgenoten. Iemand, die alleen staat, die gene bloedverwanten heeft, kan nog heden bij de Arabieren en Syriërs tot geen aanzien komen, zelfs niets groots ondernemen.
Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kamelen (Richteren 6: 5 6.5 ), en vijf honderd juk ossen, en vijf honderd ezelinnen 1); ook was zijn dienstvolk zeer veel 2), alleen aan ploegers 500, voor ieder juk één (vs. 15 ), zodat deze man groter was dan al die van het Oosten, een patriarch door wijsheid en godzaligheid in hoog aanzien onder de Syriërs en Arabieren, die ten oosten van Palestina, noordelijk tot aan het midden van den Eufraat, zuidelijk tot aan Gelukkig Arabië wonen 3).
Hier blijkt Job een man te zijn van vorstelijken rijkdom, bij wie de belofte: 1 Tim. 4: 8 vervuld is. In de oudheid, bij de Oosterlingen, berekende men den rijkdom van iemand naar het getal van zijn trek- en lastvee; wat ten dezen opzichte van Job verhaald wordt, wijst ons evenzeer naar de landstreek, die door de traditie genoemd is, naar het vruchtbare gedeelte van Haran, in de zogenoemde Nukra. In ene onvruchtbare woestijn of op een gebergte gelijk Edom, had hij met zulk een buitengewoon getal van vee niet kunnen leven. Zijne bezitting moet uit vele vierkante mijlen bouwland bestaan hebben; daar oefende hij den landbouw uit volgens de kunsteloze manier, die nog heden in Syrië en Palestina de gewoonte is. Het bouwland werd in vier delen verdeeld, hiervan jaarlijks slechts een deel bebouwd, terwijl de overige delen braak lagen. Wat de ezelinnen aangaat, zo is de ezelin, gelijk Wetstein bericht, wel driemaal duurder dan de ezel, en om de veulens ook nuttiger; zij wordt daarom door de rijken in Haran uitsluitend gehouden. Zonder ezels kan men daar het land in het geheel niet bebouwen, daar de velden dikwijls ver van elkaar verwijderd liggen, de stieren de ploegen trekken, en men dus de ezels tot vervoer van den oogst nodig heeft, gelijk zij ook het koren naar den molen voeren en tot dragen van gras, hout enz. gebruikt worden. De kamelen daarentegen brengen de zwaardere lasten van den oogst naar huis of dienen tot transport naar de grotere, meer verwijderde steden in het binnenland en aan de kust.
Bij het talrijk gezin van Job hebben wij niet aan bezoldigde dagloners, ook niet aan slaven te denken, maar aan dezulken, die zich aan een aanzienlijk man aansloten en voor hunnen arbeid een vierde van den oogst verkregen, terwijl zij aan den heer van het dorp, die voor hun woning en voeding en verder voor al het nodige tot den landbouw moest zorgen, de andere drie vierden moesten afstaan. Job leverde hun dus zowel ploeg-stieren als transportdieren en akkergereedschap. De betrekking van deze tot den heer was zeer nauw; zij behoorden tot de kinderen des huizes.
Job was rijk en toch godvruchtig. Hoewel het moeilijk en zeldzaam is, is het voor een rijke niet onmogelijk het Koninkrijk der hemelen in te gaan. Met God is dit mogelijk; door Zijne genade kan men de verzoekingen van de schatten der wereld te boven komen. Hij was godvrezend, en zijne vroomheid was ene vriendin van de welvaart; want de godzaligheid heeft de beloften van het tegenwoordige en van het toekomende leven. Hij was rijk, en zijn rijkdom zette luister aan zijne vroomheid bij en gaf hem meer gelegenheid om wel te doen. De mededeling van Job’s vroomheid en rijkdom gaat vóór de geschiedenis van zijne grote ellende, om aan te tonen, dat geen van beide voor de onheilen van het menselijk leven bewaart.
En zijne zonen, als zij met hun zusters waren opgewassen, gingen en maakten, naar de Oosterse zeden, maaltijden in ieders huis op zijnen dag; tot broederlijken omgang hield elk op zijne beurt een dag een maaltijd, waarop de anderen genodigd werden, en zij zonden henen, en nodigden ook hun drie zusteren, die in het huis der moeder meer in stilte leefden, om met hen te eten en te drinken.
Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, als zij bij elk der zeven zonen gehouden waren, dat Job tot hen heenzond, en hen heiligde, hen door uitwendige reiniging, als wassingen enz. (Exodus 19: 10), en inwendige voorbereiding voor de plechtigheid van den volgenden dag liet heiligen; en het geschiedde, dat hij des morgens vroeg opstond, en brandoffers offerde (Leviticus 1: 2 ) naar hun aller getal 1). Voor ieder bracht hij een bijzonder offer; want hoezeer Job zich verheugde over de onderlinge liefde zijner kinderen, zei hij bij zich zelven, de zwakheid van den mens kennende, die bij de vrolijkheid van den maaltijd zo licht de palen te buiten gaat en zijnen God vergeet: Misschien hebben mijne kinderen, zonder het zelf te weten, gezondigd, en God in hun hart gezegend 2), vaarwel gezegd; Hem verlaten; daarom wil ik hen verzoenen, eer hun schuld groter wordt. Alzo deed Job al die dagen, zo dikwijls de rij der maaltijden weer beginnen zou.
Dit komt overeen met den tijd vóór de wet, den patriarchalen tijd. Toen verzoende het stamhoofd en de huisvader, als de van God gestelde priester, de zonden der zijnen, ook de hem niet bekende zonden van lichtzinnigheid. Zo moet in ieder huis de eenheid van den huisvader met de zijnen zich daarin openbaren, dat hij voor hen ene vergeving bidt. Gij huisvader, doe desgelijks voor uwe kinderen, die de wereld met hare dwaasheden lief hebben. Dat de familieplechtigheid op den Zondagmorgen valt, is een opmerkelijk voorspel van de Nieuw-Testamentische Zondagsviering in den tijd vóór de wet, welke het voorbeeld is van den tijd na de wet, den N. Testamentische.
Het is echter waarschijnlijker, dat die maaltijden niet week aan week gevierd zijn, maar op bijzondere tijden in het jaar, daar de broeders wel niet altijd bij elkaar zullen geweest zijn, maar verspreid over de velden en bij het vee huns vaders. Door sommigen is “zijn dag, in vs. 4 verklaard, voor “geboortedag”; men kan dit echter ook nemen voor: “elk op zijne beurt.” Alzo gevoelde Job, dat juist de verborgene zonden des harten veroordeling verdienden, en alleen door bloedstorting konden verzoend worden, door ene offerande te brengen in ootmoedig geloof. Wij zien zijne zorg voor de zielen zijner kinderen, zijne kennis van des mensen zondigen toestand, zijn gevoel van afhankelijkheid van Gods genade en Zijn geloof in den beloofden Verlosser. Zeker vermaande hij zijne kinderen daarbij op het offer te letten, met hem in het gebed te smeken, dat het aanzien van den dood des offerdier, hen wegens hun zonden mocht verootmoedigen, en het aanzien van het offeren hen leiden mocht tot den Middelaar.
In het Hebr. Beerkoe. Dit betekent wel zegenen, maar ook, gelijk het stamverwante Arabische woord, vervloeken, of, met God verbonden, den dienst van God verloochenen. In deze laatsten zin moet het hier worden opgevat. Ook hieruit blijkt Job’s vroomheid, dat hij niet alleen zelf den Heere wenst te zoeken en te vereren, maar ook zijne kinderen in het spoor der godsvrucht tracht te doen wandelen, hen bij den dienst Gods tracht te houden en in de vreze des Heren op te voeden. 6.
II. Vs. 6-12.KruisverwijzingenJob 2:1→Job 38:7→1 Petrus 5:8→Job 1:1→Psalmen 34:7→Job 2:5→Zacharia 3:1→Job 19:21→
— Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam. Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen. En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande. Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.
Satan klaagt Job hij God aan, dat de grond van zijne vroomheid niets anders dan baat- en loonzucht is. Hij ontvangt van den Heere toestemming, om hem door allerlei lijden te verzoeken.
Er was nu een dag van samenkomst der hemelingen, vóór den vs. 13 vv. genoemden dag, als de kinderen Gods1), de heilige engelen, kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, om rekenschap af te leggen van hun daden en nieuwe bevelen te ontvangen, dat de Satan 2), die wederpartijder van God en mensen (1 (Kronieken 21: 1) en aanklager der gelovigen (Openbaring 12: 10), de duivel, ook in het midden van hen kwam.
Nergens in de Heilige Schrift wordt ons een bijzonder onderricht over de natuur en de werkzaamheid der Engelen gegeven; ook hier wordt van hen, even als van den Satan, als van ene reeds bekende zaak gesproken. De kennis van ene talrijke geestenwereld, die den Heere des hemels en der aarde omgeeft, om Zijne bevelen tot schepping, onderhouding en regering der wereld te volbrengen, als ook om Zijn rijk op te bouwen, stamt uit het paradijs af, toen de mens nog een volkomen helder oog voor de Goddelijke dingen had; evenzo is het bewustzijn van ene aan God vijandige macht uit de ervaring van den zondeval voortgekomen. Deze oorspronkelijke kennis werd door de zonde steeds meer verduisterd, zodat die volken, die uit Noach afstammen, welke wij heidenen noemen, slechts ene zeer duistere herinnering behielden, dat achter de bijzondere verschijningen in de wereld der natuur en der mensen persoonlijke geestelijke wezens stonden; deze rukten zij echter los van den over alles heersenden God en maakten zij tot zelfstandige goden (1 Kor. 8: 5; 10: 20). Aan elk der Griekse, Romeinse, Oud Germaanse goden bijv. wordt door de oude heidenen een bijzonder gebied van werkzaamheid toegeschreven, bij de Grieken aan Poseidon de zee, aan Apollo het licht, aan Ceres de landbouw, bij de Germanen aan Thonar de bliksem en donder, aan Zin de oorlog, aan Frya het familieleven, om van de vele mindere godheden, als Elven, Nymphen, dwergen enz., die zij zich dachten als over afzonderlijke bomen, rivieren, bossen enz. gesteld, te zwijgen. In de door God verkorene familie werd die oorspronkelijke kennis door ondervinding van engelenverschijningen versterkt, gereinigd, ontwikkeld. Deze geesten treden dan het duidelijkst te voorschijn, gelijk van zelf spreekt, wanneer de volvoering van het goddelijk Raadsbesluit ene aanmerkelijke schrede voorwaarts doet. Zij worden in de Heilige Schrift met verschillende namen genoemd; nu eens heten zij kinderen Gods (behalve op onze plaats nog Job 2: 1; 38: 7. Psalm 29: 1; 89: 7) wegens hun door heiligheid en macht aan God verwante natuur en hun nauwe gemeenschap met God; dan weer Geesten, daar zij aan geen aards menselijk lichaam gebonden zijn (MATTHEUS. 22: 30. Mark. 12: 25), maar de macht hebben naar het hun opgedragen werk ene gedaante aan te nemen (Psalm 104: 4. Hebr. 1: 7,14); (zo ook de duivel en zijne engelen (Mark. 1: 26; 7: 25. MATTHEUS. 10: 1; 12: 43. Efeze. 2: 2; 6: 12 enz.)); dan weer heiligen, omdat zij vrij zijn van zonde en dood (Job 5: 1. Psalm 89: 6,8. Zach. 14: 5); meestal boden of engelen (aggeloi), omdat zij Gods bevelen in de natuur en bij de mensen volbrengen (MATTHEUS. 8: 9). Dikwijls verklaart men ook de uitdrukking goden (Exodus 15: 11. Psalm 97: 9) van de engelen, omdat hetgeen zij doen en spreken als van God gedaan en gesproken kan beschouwd worden en zij Zijne organen zijn tot volbrenging van Zijn eeuwig Raadsbesluit. Uit Jes. 24: 23. Dan. 4: 14; 7: 9,10. Openbaring 4: 4. Psalm 89: 8 en onze plaats moet men besluiten, dat de menigte van goede geesten in den bijzonderen raad der Engelen-gemeente (Gabriël, MICHAËL enz.) en de veel duizend maal duizenden van hen, die de in dezen goddelijken raad genomene besluiten ten uitvoer brengen, te onderscheiden zijn. (Zie onze vs.12. (G.)). Deze laatste nu, aan welke in de Heilige Schrift zowel het bestuur over de afzonderlijke zaken in de natuur (Joh. 5: 4. Hebr. 1: 7. Openbaring 14: 18), als den dienst tot opbouwing van het Godsrijk in het algemeen (Joh. 1: 51) en in ‘t bijzonder (Luk. 16: 22. Psalm 34: 8) toegeschreven wordt, zien wij hier (vs. 6) in ene heilige vergadering rondom hunnen Heere en God staan, die daarom Heere Zebaoth (d.i. der hemelse heirscharen 1 Samuel 1: 3 ) genoemd wordt. Deze leer der Heilige Schrift heeft de grote betekenis, dat ons daardoor duidelijk wordt, hoe ons leven zich in een middelpunt van ene grote geestenwereld beweegt; dat onze strijd tegen de zonde niet een strijd van een, maar een strijd in de gehele geestenwereld is, die over de gehele aarde zich uitstrekt. De zonde van een is dus gene overwinning der zonde voor dat ene individu, maar tevens ene overwinning van den boze in de gehele schepping, en omgekeerd, met onze overwinning over de zonde, overwinnen niet slechts wij, maar onze overwinning is ene overwinning in de gehele geestenwereld, -deze brengt een overwinningsfeest in den hemel teweeg (Luk. 15: 10). Daardoor wordt ons ene vrijere, hogere plaats in het geheel der schepping ontsloten, en elke droevige gedachte van alleen te staan, wordt den gelovige ontnomen. In ‘t bijzonder werpt deze leer een licht op de leer van het wonder. De natuurwereld heeft twee zijden, de ene, door welke zij op onveranderlijke wijze te zamen verenigd is, de ander door welke zij open is voor het vrije, Goddelijke welbehagen, zodat achter de schijnbaar ijzeren natuurwetten, heilige engelenmachten staan, die Gods welbehagen volbrengen (MATTHEUS. 8: 9.
Met de talloze werkingen in de wereld, komen ook de ontelbare scharen van geschapene geesten overeen (Openbaring 5: 11). -Op de vraag, waarom wij in den tegenwoordigen toestand der kerk zo weinig ondervinding van engelenverschijningen en van het zichtbaar bestuur der goede geesten hebben, moet het antwoord zijn, dat de voortdurende, levendige tegenwoordigheid des Heiligen Geestes in Zijne kerk ons alle engelenverschijningen volkomen vergoeden; dat verder de geschiedenis der zending in de heidenwereld, van geloofwaardige engelenverschijningen bericht; dat eindelijk aan het einde der dagen, volgens de Openbaring van Johannes, het zichtbaar werken der heilige Engelen weer als ten tijde van Christus duidelijk moet te voorschijn treden.
Ook Satan verschijnt onder de kinderen Gods voor den Heere, eensdeels omdat al zijn tegen God vijandig werken onder Gods heiligen wil en Zijne toelating staat, en hij, hoewel ook tegen zijnen wil, van zijne daden rekenschap moet afleggen; ten anderen omdat Satan en zijne engelen zo lang recht hebben voor den Heere de gelovigen aan te klagen, als nog ene onvergevene zonde in de gemeente Gods aanwezig is (Openbaring 12: 10). Eens, wanneer de tijd gekomen is, dat de gemeente geheel rein en heilig, en de verlossing, die ook hij moet dienen, geheel geëindigd is, zal er gene ruimte meer voor hem in den hemel gevonden worden, waar hij tot hiertoe, om zo te spreken, nog een recht heeft om te zijn (Efeze. 6: 12); dan zal hij neergeworpen worden op de aarde (Openbaring 12: 7-12), om ook van daar spoedig in den poel des vuurs geslingerd te worden. -De erkenning van enen tegen God strijdenden wil en van enen persoonlijken, machtigen geest, die, zelf niet dan zondig, alles, wat God en Godes is, haat, moest volgens de eerste ervaring in den val naar die mate bij de gelovigen toenemen, als het rijk van God in zijne ontwikkeling voortging. Waar en wanneer dit rijk in de geschiedenis der mensheid aanmerkelijk veld wint, waar en wanneer ene ziel de zonde waarlijk vaarwel zegt en Gode de ere geeft, daar treedt Satan zelfs met vervolgingen en verzoekingen ook duidelijker te voorschijn, en laat het werken niet meer over aan de hem onderworpene, mindere boze geesten, over wier werkzaamheid bij Deuteronomium 32: 17 en 1 Samuel 16: 14 gehandeld is. Zulk een gewichtige tijd in de geschiedenis van het Godsrijk was de tijd van David en van Salomo, toen in het volk de wet van God waarlijk tot leven geworden en de heidense afgodendienst geheel uitgeroeid was. In dien tijd zien wij (2 Samuel 24: 1 vgl. 1 Kronieken 20: 1), dat de Satan David tot de volkstelling verleidt. Vervolgens vinden wij den naam Satan weer als een bekende in Zach. 3: 1 vv.; want ook de tijd van het terugkeren des volks uit de Babylonische ballingschap en de opbouw van den tempel was een tijd van groot gewicht in de geschiedenis van het Godsrijk. Satan wil daar het hogepriesterschap, op welks bestaan het gehele leven van Gods volk rust, vernietigen, daar dit juist het meest zijne heerschappij in gevaar brengt. Ook de grote verzoendag, op welken de hogepriester het volk van alle zijne zonden reinigt, en dus aan de heerschappij des satans ontrukt, brengt den bozen geest in herinnering: vgl. Leviticus 16: 10 -Toen echter Hij verscheen, in wie het grote Raadsbesluit van God vervuld werd, Jezus Christus, die gekomen is, om de werken des duivels te verbreken, toen moest de vorst der duisternis dit Hoofd der gemeente Gods zo duidelijk en zichtbaar tegemoet gaan, als de eeuwige God zelf een zichtbaar en tastbaar mens geworden was, en met te grotere kracht, naar mate zijne heerschappij in gevaar was. In de drie grote verzoekingen: in de woestijn, in den hof van Gethsemané en aan het kruis, zocht Satan Hem te vellen, wiens gehele werk in strijden tegen het rijk der zonde en des duivels bestond. Even zo duidelijk openbaart zich ten tijde van het leven des Heren Christus het werken der demonen. Wanneer nu door den dood en de opstanding des Heren de macht van den satan en van zijne engelen gebroken is, zo is zij toch zo lang niet vernietigd, als het verlossingswerk nog niet ten einde gebracht is, zo lang er nog zonde in de gemeente Gods is, en zal, aan het einde der dagen als het Godsrijk volmaakt wordt, evenzo zichtbaar weer te voorschijn treden als ten tijde van Christus. Het artikel van den Satan en zijn rijk is niet een artikel van geloof en van troost, maar van verschrikking en vrees.
Hoever de invloed des satans zich uitstrekt, kunnen wij niet bepalen, maar zeker moet veel van de onstandvastigheid en van het ongeluk der Christenen aan zijn werk worden toegeschreven.
Dat Satan hier in den hemel verschijnt is niet, omdat hij in den hemel thuis behoort, maar dewijl hij negatief zich nog tot de dienstknechten Gods rekent, niet omdat hij ten goede het werk des Heren wil en zal verrichten, maar dewijl hij tracht te verderven en afbreuk te doen, wat God ten goede wil doen gedijen. In zekeren zin voert hij ook nog Gods Raad uit, niet om God daarmee ter wille te zijn, maar omdat God de Soevereine God is, Wiens Raad volvoerd wordt, hoewel Satan juist het omgekeerde tracht te bewerken, van wat de Heere God heeft besloten. Satan kan niets doen, dan wat God, de Heere, hem toelaat. Ook hij is, als ieder schepsel, aan God Almachtig onderworpen. En al is zijn strijd, al de eeuwen door, een strijd tegen God. Nu Christus Jezus hem eens voorgoed overwonnen heeft, kan hij nog wel veel doen, om de kerk, om de gelovigen te kwellen, maar als eenmaal de dag der toekomst van Christus daar is, zal hij voor eeuwig gebonden worden en niet weer iets vermogen tegen de Gemeente des levenden Gods.
Toen zei de HEERE tot den Satan, en vraagde hem: Van waar komt gij?, niet alsof de Heere het niet zou geweten hebben, maar om door deze vraag hem op Job te brengen, over wie Hij, om hem te beproeven en te louteren, een besluit had genomen. En de Satan antwoordde den HEERE, en zei: Van om te trekken a) op de aarde, en van die te doorwandelen 1), te onderzoeken, waar bij de gelovigen zonden aanwezig zijn, om die voor U te brengen en of U iets kan vinden, wat ik voor mijn doel kan gebruiken.
1 Petrus 5: 8.
In de vraag des Heren, vanwaar kamt gij, ligt ene aanduiding, dat Satans wegens niet Gods wegen zijn, dat hij gewoonlijk rusteloos, listig en zwervende op het benedenrond rondsluipt, zodat God, anders als bij Zijn getrouwe kinderen, de Engelen, oorzaak heeft, naar zijne kromme en sluwe wegen te vragen en hem daardoor tot het afleggen van rekenschap over zijn onheiligheden en eigenmachtige drijfveren uit te nodigen.
En de HEERE zei tot den Satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijnen knecht Job? 1) Hebt gij ook op hem uwe scherpe ogen gevestigd? want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad 2) (vs. 1
Dus Satan- dit is onze troost-kan de vromen zelfs niet zelfstandig aanklagen, maar slechts op bevel van God, die hem sedert zijnen val bestemd heeft, om ook de meest verborgene zonden der gelovigen aan het licht te brengen. Zo moet hij tegen zijnen wil, die is om de gelovigen volkomen te verdelgen, den heiligen wil Gods, dienen om de gelovigen tot belijdenis hunner zonden te brengen en hen daarvan te reinigen.
Men lette er wel op, dat de Heere God dit schone getuigenis van Job geeft aan Satan. Want Satan verenigt in zich alles, wat niet oprecht, niet vroom, niet godvrezende, niet wijkende is van het kwaad. De Heere God stelt hier de godsvrucht van een Job tegenover het goddeloos zijn, het zonder God zijn van Satan. En waar nu Satan zich er over verheugt, dat er ook op de aarde zo velen zijn, die in zijne voetstappen wandelen, zich aan hem onderwerpen, daar wijst de Heere hem er op, dat er ook onder de mensen zijn, die nog toonbeelden van genade mogen heten en voorbeelden van godsvrucht zijn.
Toen antwoordde de Satan, geheel ongeschikt om ware vroomheid op aarde te erkennen, den HEERE, en zei: Is het om niet, uit enkel liefde, is het zonder loonzucht, dat Job God vreest? 1)
Den duivel is het volkomen zeker, dat geen schepsel God om Zijns zelfs wil beminnen kan. Schepsel te zijn schijnt hem reden genoeg om aan te nemen, dat men God haat en slechts Zijne gaven wil ontvangen. Dat is ook de gezindheid van alle wereldse mensen, namelijk dat zij hen het meeste haten, van welke zij het meest ontvingen, omdat zij gene verplichting willen hebben. Nooit iets verplicht te zijn, dat noemen zij vrijheid. Ja, dat is des duivels vrijheid met wenen en tanden knersen in de buitenste duisternis. Wens voor u zulk ene vrijheid niet, maar leer de zaligheid gevoelen, aan alle heiligen schuldig te zijn, en Gode het allermeest en het hoogst door Jezus Christus.
Satan schrijft hier Jobs vroomheid toe aan het beginsel der zelfzucht. Om het goed te hebben, zo stelt Satan het voor, dient Job God. Satan beoordeelt hem naar zich zelven. Zijne zonde was, zijn eigen ik op den troon plaatsen en daarom zich niet willen onderwerpen aan den wil en de regering Gods. En nu wil Job-zo stelt hij het voor-zich nog wel aan God onderwerpen, mits God hem geeft, wat zijn hart verlangt, wat zijn eigen ik kan strelen. Hij spreekt dan ook op een verachtelijken toon van dezen knecht Gods. Want dit kan hij niet in Job dulden dat deze zich nog om des voordeels wille, zoals hij meent, aan God onderwerpt. Job is in zijn ogen een laffe figuur. Helden zijn in Satans ogen, die ten koste van alles, zich tegen God en Zijne ordinantiën verzetten. Het is daarom, dat hij de weldaden, die God Job verleende, zo breed uitmeet en er op wijst, dat indien de Heere hem alles ontneemt, het ook met Jobs vroomheid zou zijn gedaan. Zo weinig kent Satan God en de kinderen Gods.
Hebt Gij niet ene betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft, rondom; bewaart Gij niet hem en al het zijne door de machtige bescherming van Uwe engelen? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken, op ontelbare wijze vermeerderd, in den lande. Is het niet duidelijk dat hij U daarom eert? Zo staat Gods bijzonder volk en allen, die er toe behoren en van afhangen, onder Zijn bijzonder Vaderlijk toezicht Zijne genade beschermt hun geestelijk leven, Zijne Voorzienigheid zorgt voor hun tijdelijk bestaan en dus zijn ze van alle kanten verzekerd en beveiligd.
Maar toch strek nu Uwe straffende hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft, vernietig het door mij, zijn loonzucht zal aanstonds openbaar worden; hij zal U verlaten, zo hij U niet 1) in Uw aangezicht zal zegenen 2), U vaarwel zal zeggen!
In het Hebr. Im-lo. LXX, Indien niet. Het is ene bekende formule van eedzwering en staat voor: mij moge geschieden, nl. alle kwaad, indien niet. Satan wil hier zeggen, Gij moogt mij voor een leugenaar houden, indien Job U niet in Uw aangezicht zal zegenen, d.i. verlaten. Onthoud hem Uwe zegeningen, trek Uwe zegenende hand van hem af en Gij zult zien, dat hij juist het omgekeerde wordt van wat hij nu is, of liever, dat dan zijn eigenlijk wezen te voorschijn komt en hij zich in zijn innerlijk van U afkerig bestaan openbaart.
De zegen des Heren maakt rijk, dat erkent zelfs satan.
Zie Vs. 5 2.
En de HEERE, zei tot den Satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uwe hand: alleen aan hem, aan zijn lichaam en leven, strek uwe hand niet uit. En de Satan ging vol vreugde, dat hij zou kunnen verderven, en in de hoop te overwinnen, aanstonds uit van het aangezicht des HEREN. Is het lijden van Job, dat nu volgt, ene verzoeking of ene beproeving? Ter oplossing van deze vraag, die tot recht begrip van het gehele Boek zo gewichtig is, moeten wij beide begrippen in ‘t kort verklaren. Even als de loutering van edel metaal eensdeels het schuim moet afscheiden, maar ook de edele kern te voorschijn moet brengen (Psalm 66: 10), zo kan hetzelfde lijden nu eens verzoeking dan eens ene beproeving zijn. Voor den aard van de beproeving is in het Oude Testament Abraham een hoofdvoorbeeld. Het moet dienen, den gelovige tot een hogeren trap van heiliging te verheffen, zijn geloof, zijne liefde, zijn geduld te versterken en aan het licht te doen treden. Aan hem, die in het lijden der beproeving is, is daarom God en Zijne genade geheel nabij, en midden in den angst heeft hij inwendigen, onverstoorbaren vrede; zijn gebed wordt kennelijk verhoord, zijn lof van God houdt niet op, gelijk bijv. Psalm 42 en 66 kunnen bewijzen. Zulk een lijden van beproeving is het lijden en de dood der martelaars, die daardoor geheiligd werden. De verzoeking bestaat echter daarin, dat onder Gods toelating de mensenmoordenaar beproeft, om den mens van God af en op zijne zijde te lokken en te dwingen. Voor den mens na den val is tevens de aanvechting als ene straffende daad Gods aan te zien, door welke de mens moet leren, dat in zijn hart aanknopingspunten voor het lokken en dringen van den vijand zijn; door de verzoeking moet de verborgene zonde openbaar worden, tot belijdenis komen en eindelijk overwonnen worden. God en de duivel willen wel in dit opzicht hetzelfde, namelijk de verzoeking; in de uitkomst echter juist het tegenovergestelde. God wil door de verzoeking het vrij worden van de zonde bij den mens bewerken, de duivel wil den ondergang van den mens in de zonde, gelijk dit in den dood van den Mensenzoon volkomen gebleken is. Daar nu God in de verzoeking tijdelijk de hand aftrekt van den gelovige en Zijn aangezicht voor hem verbergt, zo schijnt aan hem, die de verzoeking ondergaat, God als een ver afzijnd, een vreemd God, die zwijgt en het gebed niet schijnt te verhoren. Onder de Psalmen, die zulke ervaringen schilderen, is vooral Psalm 88 te noemen, die zelfs in bijzondere uitdrukkingen zo nauwkeurig met de voorstelling in het boek Job overeen komt, dat men daaruit besloten heeft, dat de dichter van dien Psalm, ook het boek Job zal geschreven hebben (1 Koningen 4: 31 ). Bovendien is de geschiedenis van David en het woord des Heren over de Apostelen (Luk. 22: 31), in betrekking tot den aard der verzoeking, zeer leerrijk. Geheel bijzonder echter moet het Boek van Job “dezen strijd van God met satan, en van satan met God om ene mensenziel, die Godes is, den strijd van ene gelovige mensenziel met God, met den satan en met zich zelven” voor alle tijden voorstellen als een voorbeeld van den zielenstrijd van alle waarachtig gelovige Christenen, die alleen daarom enen zo zwaren zielenstrijd als Job niet ondervinden, omdat voor ons de verzoeking door Christus, die in alles verzocht is geweest (Hebr. 2: 18; 4: 15), reeds overwonnen en in hare kracht gebroken is, zodra wij den lijdenden Heer door het geloof aannemen. Men heeft gemeend, dat het tegen ware vroomheid strijdt en afbreuk doet aan de eer der Godsmannen, dat zij nog in verzoeking moesten komen (Johannes de Doper in de gevangenis). Deze gedachte rust echter op miskenning van den aard der verzoeking, die alleen waarlijk gelovigen treft, niet de wereld, die niets te verliezen heeft. Hoe sterker het geloof is, des te groter verzoeking.
Er is een lijden der rechtvaardigen, welke noch een straf, noch een tuchtiging, om der zonden wille is, welke niet van Gods toorn, maar van Gods liefde bewerkt wordt, en hetwelk het doel heeft, de vroomheid der rechtvaardigen te beproeven, door loutering te voleindigen en de beproefden te belonen.
Er kan geen enkele tekst in de Heilige Schrift gevonden worden, die, juist verstaan, recht geeft tot de mening dat de engelen deelgenootschap hebben in Gods wereldbestuur. Het hoogste, dat wij den engelen kunnen toekennen, is, dat zij dienaars zijn, door den hogen God gezonden, om Zijne bevelen voor de uitverkorenen te volbrengen. Het is daarom ook minder juist van een Engelen-gemeente te spreken, of van een bijzonderen raad der Engelen, waarin besluiten zouden worden genomen, die door anderen werden uitgevoerd. Zoveel is zeker, dat dit hemelse toneel ons daarenboven wil leren, hoe de aardse lotgevallen der mensen hare laatste wortelen en draden in den hemel hebben, en hoe Satan, die hier wordt voorgesteld, alsmede de hand er in te hebben, trots alle vijandschap ons slechts in zoverre kan benadelen, als de Almachtige God in Zijne Wijsheid en Liefde het hem toelaat. 13.
III. Vs. 13-22.KruisverwijzingenPrediker 5:15→1 Petrus 5:6→1 Thessalonicenzen 5:18→Efeze 5:20→1 Timotheüs 6:7→Genesis 37:29→Job 2:10→Genesis 11:28→
— Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene. Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden. Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene; En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder; En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd! In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
Job wordt door den satan van al zijn vee en van alle zijne kinderen beroofd; ook in de diepste smart prijst hij den Heere.
Er was nu een dag, als zijne zonen en zijne dochters aten, en wijn dronken, in het huis van hunnen broeder, den eerstgeborene, met wie de rij op nieuw begonnen was,
Dat een bode tot Job kwam, en zei: De vijf honderd juk runderen waren ploegende, en de vijf honderd ezelinnen weidende aan hun zijden,
Doch de Sabeërs, een Semitisch Nomadenvolk uit de nakomelingen van Joktan (Genesis 10: 29) en van Abraham uit Ketura (Genesis 25: 3), uit Petreïsch Arabië, oostelijk van het gebergte Seïr, deden enen inval, en namen ze, al de runderen en ezels, en sloegen de gewapende en strijdende jongeren met de scherpte des zwaards, en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Een rijk landbouwer in Haran moest in ouden tijd evenals nog tegenwoordig, wegens gebrek aan bescherming van het bestuur des lands, met alle naburige Nomadenstammen, wier roofzucht hij te vrezen had, verdragen sluiten, d.i. zich tot ene jaarlijkse schatting verbinden. Daarom overvallen hier zeer verwijderde stammen, de Sabeërs uit het verre zuiden, en de Chaldeeërs uit het verre Oosten, met welke Job natuurlijk geen verdrag had kunnen sluiten, zijne bezitting. Slechts zo ver verwijderde stammen, die noch vroeger noch later iets met Job en zijne landlieden te doen hadden, konden het wagen, zulke ongewone wreedheden, als den door der ploegende runderen en den moord der jongeren te volvoeren. Zit de Bedouïn eens op zijn paard, dan is het hem onverschillig, of ene reis tien dagen langer of korter duurt, wanneer hij maar water voor zich en zijn dier vindt. Dit vonden beide roversbenden in den winter, in Januari en Februari, wanneer de winterregens in Haran vijvers vormden. In deze maanden is men ook gewoon het door den regen week geworden braakland te ploegen. Tot overweldiging van 500 ploegers, die gewapend waren, anders waren zij niet allen gevallen, -behoorde toch wel een getal van 2000 ruiters, een getal, dat slechts in den winter zulk een tocht kon ondernemen. Elke landelijke bezigheid wordt steeds om de orde door een vierde gedeelte verricht, terwijl de heer van het goed of van het dorp elke avond van het dak van het huis de gemeenschappelijke taak van den volgenden dag laat bekend maken. Zo is het te verklaren, hoe de 500 ploegers gelijktijdig op een en dezelfden akkergrond te zamen konden zijn en met elkaar verslagen worden.
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Het vuur Gods 1), een vuur- en zwavelregen, dier door de van God toegelatene macht des satans (2 (Thessalonicenzen. 2: 9. (Openbaring 13: 13), als bij Sodom en Gomorra (2 Koningen 1: 10,11. Luk. 9: 54. Openbaring 20: 9), door almacht van God, viel uit den hemel 2) en ontstak onder de 7000 schapen en onder de jongeren, die ze weidden, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen
Dewijl de boodschapper niet weet, dat dit door Satan bewerkt was, noemt hij den verdervenden gloed het vuur Gods. Satan gebruikt juist dit middel, om Job’s schapen te verteren, de gebruikelijke offerdieren, opdat Job zou denken, dat God hem in een vijand was verkeerd en om alzo hem er toe te brengen, God en Zijn dienst vaarwel te zeggen. Onder het vuur Gods hebben we te denken aan een hevigen vuur- en zwavelregen, als waardoor ook de steden Sodom en Gomorra zijn verwoest. Heeft Job in die tijden geleefd, wat vrij zeker is, dan valt deze bezoeking nog meer op, en kon zij er te meer toe bijdragen, om naar Satans wens, het geloof te ondermijnen aan een rechtvaardig God, dewijl, zo het scheen, goddelozen en rechtvaardigen op een en dezelfde wijze werden getroffen.
De hemel is genomen voor de lucht, waar Satan grote macht heeft (Efeze. 2: 2).
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: De Chaldeënuit Mesopotamië, afstammelingen van Chesed (Genesis 22: 23), den zoon van Nachor, stelden drie hopen (Genesis 14: 15. Richteren 7: 16,20), en vielen op de 3000 kamelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren, die ze hoedden, met de scherpte des zwaards, en Ik ben maar alleen ontkomen, om het U aan te zeggen.
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Uwe zonen en uwe dochters aten, en dronken wijn, in het huis van hunnen broeder, den eerstgeborene (vs. 13);
En zie, een grote stormwind kwam van over de woestijn van Syrië, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen 1), op uwe tien kinderen, dat ze stierven 2); en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
In het Hebr. Al-hanaärim. Hieronder worden zowel de zonen als de dochters verstaan, maar door dit woord in den grondtekst wordt tevens aangeduid, dat zij nog jong van jaren waren.
Dit was het grootste, het geduchtste van Job’s verliezen, en niets kon hem meer treffen, of nader aan het harte gaan, waarom de Satan dit tot op het laatst bewaarde, opdat als de vorige tergingen mochten mislukken, dit hem tot het vloeken van God vervoeren mocht. Onze kinderen zijn gedeelten van ons zelven, en het valt zeer hard van dezelve te moeten scheiden, zodat het een goed man tot in de ziele treft, dezen te verliezen. Maar hen allen in eenmaal en op een zelfde ogenblik schielijk te verliezen, nadat zij vele jaren lang onze hope, zorg en troost hebben uitgemaakt, moet het ingewand en de ziele tevens doorgrieven.
Satan weet wel, hoe smartelijk het voor ouders is, wanneer het hun kinderen kwalijk gaat, daarom heeft hij er zijne vreugde in, wanneer kinderen van vrome ouders in ongeluk komen. Op één dag is Job van alles beroofd, wat hij voor ene gave Gods hield, van zijne kudden met de knechten, die hij niet alleen als ene bezitting aanziet, maar voor welke hij ook een gevoelig hart heeft (vgl. Hoofdstuk 31), eindelijk ook van het liefste, dat hij heeft, van zijne kinderen. De Satan heeft elementen en mensen ontboden, om de gehele bezitting van Job, het een na het andere te vernietigen. Dat mensen en volkeren door satan tot vijandige ondernemingen kunnen gedreven worden, bewijst Openbaring 20: 8.
De duivel verwekt twist, moord, oproer, oorlog, zo ook onweder, hagel enz., om koren en vee te verderven, de lucht te vergiftigen enz.
Hadden wij het hier op de hoofden van Jobs kinderen zien vallen, wij zouden dit misschien hebben toegeschreven aan de natuurlijke kracht van een hevigen wind, terwijl wij nu weten, dat het het werk van een geest was. De menselijke rede is geneigd deze dingen aan den gewonen loop van natuurlijke oorzaken toe te schrijven, terwijl de God der natuur deze door bovennatuurlijke dienaars doet.
Voor het oog van den mens scheen het wel, alsof alles door de kracht der natuur geschiedde, door een geweldigen storm, maar voor de ingeleiden is dit alles werk des Satans, die zich van de natuurkrachten bedient, onder de toelating Gods, om Job te plagen. Men moet niet vergoten, dat al is Satan een gevallen engel, die zijn beginsel verlaten heeft, God, de Heere, hem een grote macht geeft of laat, opdat ten slotte Zijn, d.i. Gods Raad zal worden volvoerd. Ook in zijn gevallen staat is hij nog het van God diep afhankelijk wezen en deze wetenschap zet hem aan, om zo mogelijk alles ten kwade aan te wenden. Wanneer hij, naar onze overtuiging, aan God gelijk heeft willen zijn, aan God de gehoorzaamheid heeft opgezegd, en daarom door God voor eeuwig is verworpen, dan is het zijn grootste lust, om zo mogelijk Gods wetten tegen te staan, en waar hem de macht gegeven wordt, om te kwellen, daar doet hij wat hij kan, om die kwellingen zo bitter mogelijk te maken. Daarom berooft hij Job ook op één dag van alles, en niet, wat ook had kunnen geschieden, bij tussenpozen.
Toen hij ook dit vernomen had, stond 1) Job op, niet langer in staat zijne smart te onderdrukken (Jon. 3: 6),en scheurde zijnen mantel, als uitdrukking van zijn verscheurd hart (Genesis 37: 34), van de borst tot aan den gordel (Jozua 7: 6), en schoor zijn hoofdhaar af, ten teken, dat hij het dierbaarste verloren had (vgl. (Jer. 41: 5. (Micha 1: 16), en viel op de aarde, zich verootmoedigende onder de machtige hand Gods, en boog zich neer 2), aanbad dien God, wiens genadig welbehagen zich ook in deze zware slagen openbaarde (2 Petrus 3: 9).
Stond op. Dit wijst aan, dat Job tot nog toe had gezeten in droef gepeins en overdenking. Dat hem alle zijne bezittingen werden ontnomen, had hem ongetwijfeld diep getroffen, maar ziet, nu hij verneemt, dat God ook zijne kinderen wegneemt, nu kan hij niet langer blijven zitten. Hij staat op. Het wordt hem te eng om het harte. Alles spant zich tegen hem samen. Wat zal hij doen? Morrend heengaan, op en neer wandelen al zuchtende en klagende? Niets van dit alles. Wel is hij getroffen en beroerd tot in het diepst zijner ziele, maar hij ontvangt kracht, om zich te buigen en te verootmoedigen. Hij verscheurt zijn kleed als teken, dat zijn hart vaneen gereten is, hij scheert zijn hoofdhaar als teken van rouw, dat hij alles verloren heeft, en…hij valt op de aarde, de gewone houding van den smekeling voor Gods troon, als teken, dat hij tot zijn God zich wendt, Hem aanbidt, Zijne wegen goedkeurt, ook dan, wanneer hij zo diep wordt bedroefd en spreekt uit, wat het volgende vs. ons meldt. In den strijd van Satan tegen hem, behaalt bij Job het geloof de overwinning, het geloof in zijn God.
De uiting van diepe, hartverscheurende smart is door God gewild, wanneer de smart maar waarlijk diep, dat is smart over de zonde is, en in gebed uit de diepte voor God neergelegd wordt. Stoïsche resignatie (onderdrukking van alle openbaring van het gevoel naar de wijze der Stoïcijnen) is heidens en ene verloochening van de zonde en van de noodzakelijkheid van berouw.
En hij (Job) zei, nadat hij al zijne smart voor God had uitgestort, den Heere op geheel andere wijze zegenende, dan Satan gehoopt had: Naakt, zonder iets te bezitten, arm ben ik uit mijner moeders buik gekomen, waar zich de wonderbare vorming van den eersten mens uit den schoot der aarde herhaalt (Psalm 139: 14), en naakt, zonder iets mede te nemen, zal ik daarhenen, zal ik in den moederlijken schoot der aarde, overeenkomstig den vloek (Genesis 3:
, wederkeren (Prediker 5: 14, 1 Tim. 6: 7).De HEERE heeft alles, wat ik had, gegeven, en de HEERE, niet het blinde toeval, ook niet de duivel op zich zelven, heeft genomen, Hij weet, waarom Hij het gedaan heeft, hoewel ik de reden niet doorzie; de naam des HEREN zij geloofd
in alles, wat Hij doet en doen zal; want ik begeer niets, dan dat Zijn wil aan mij volkomen geschiede. Deze Goddelijke wil is mij liever dan alles, wat ik ook bezitten moge.
Heilige en rechtvaardige God! wapen ons met geduld en geloof tegen het uur der verzoeking, opdat, wanneer gij kruis en lijden over ons laat komen, wij iedere tuchtroede kunnen, met geduld het kruis dragen, tegen Uwe kastijding niet morren, het verlies van het tijdelijke gaarne verdragen en Uwen naam loven en prijzen. Amen! Voorwaar, ‘t moet een sterke geest zijn, die voor zodanig lijden danken kan. “Er is toch niet aan te veranderen, we moeten er maar in berusten; ” tot zoverre kunnen velen verdragen. Ook het getal dergenen, die zeggen: “God geeft kracht naar kruis, met Zijne hulpe kunnen wij dragen,” is nog betrekkelijk groot. Maar waar worden zij gevonden, die gewillig lijden, die de slaande hand des Heren zegenen, die roemen niet alleen in de hope der heerlijkheid, maar ook in de verdrukkingen? Slechts bij de laatsten heeft de lijdzaamheid een volmaakt werk.
Satan had gezegd, dat Job God diende, om hetgeen hij van God ontvangen had, om de vele bezittingen, om de vele kinderen, want het was in het Oosten de grootste bezitting veel kinderen te hebben. Hier echter blijkt het, dat Job ook, beroofd van alles, den Heere nog looft, Hem looft voor hetgeen Hij geschonken had, Hem prijst, dat Hij het naar Zijn Vrijmacht weer terugneemt. Wat Job hier prijst is de Vrijmacht Zijner Soevereine heerschappij. Wat Satan in de volheid zijner glorie had gering geacht, was de Soevereine heerschappij Gods. Wat Job hier eert, in de diepte zijner ellende, in de armoede zijner beroving, is juist diezelfde heerschappij. Zo ontvangt Satan de nederlaag en blijft God, de Heere, ook Overwinnaar in en door Zijn knecht.
In dit alles, wat hem tot hiertoe trof, zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe, daar hij niet, gelijk later, Gode onrechtvaardigheid toeschreef, en verlangde, dat de Heere hem zijne vroomheid ook hier reeds belonen zou, maar hij veeleer nu eerst zich recht bewust werd, dat zijn God zijn hoogste goed was. Zo doorstond Job tot nu toe de verzoeking volkomen, en maakte hij Satan in diens hoop beschaamd. Het geduld en de lijdzaamheid, welke Jak. 5: 1 van hem roemt en ten voorbeeld stelt, kan niet hoofdzakelijk op dit woord van Job alleen, maar moet op zijne gehele geschiedenis betrekking hebben. Job toont zijn geduld (upomonh) daardoor, dat hij ook in morren en twisten aan zijnen God vasthoudt en zich gaarne voor Hem verootmoedigt, als hij hem verschijnt.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel