Gratis Studiebijbel – Spurgeon Studiebijbel SV

Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar

De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.

Over deze StudieBijbel

Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.

De Bijbeltekst

De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.

De kanttekeningen

De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.

De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.

Het commentaar, de citaten en de overdenkingen

Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.

De verklaring van Dächsel

Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.

Namen, plaatsen en begrippen

De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.

Christus in dit hoofdstuk

Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.

Waarom deze uitgave bijzonder is

Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.

Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.

© Teun van der Plas

Job 1

1 Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

1 Er was een manH376 in het landH776 UzH5780, zijn naamH8034 was JobH347; en dezelveH1931 manH376 was oprechtH8535, en vroomH3477, en godvrezendeH3373, en wijkendeH5493 van het kwaadH7451. Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.

KJV There was a man1 in the land3 of Uz,4 whose name6 was Job;5 and that man8 was perfect10 and upright,11 and one that feared12 God,13 and eschewed14 evil.

1 אִ֛ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 2 הָיָ֥ה H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 3 בְאֶֽרֶץ H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 4 ע֖וּץ H5780 Uz Uz 5 אִיּ֣וֹב H347 Job, Jobs Job 6 שְׁמ֑וֹ H8034 naam, Naam, namen [phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report 7 וְהָיָ֣ה H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 8 הָאִ֣ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 9 הַה֗וּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 10 תָּ֧ם H8535 oprecht, oprechte, volmaakte coupled together, perfect, plain, undefiled, upright 11 וְיָשָׁ֛ר H3477 recht, oprechten, oprechte convenient, equity, Jasher, just, meet(-est), [phrase] pleased well right(-eous), straight, (most) upright(-ly, -ness) 12 וִירֵ֥א H3373 vrezen, vreest, vrezende afraid, fear (-ful) 13 אֱלֹהִ֖ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 14 וְסָ֥ר H5493 weg, week, weggenomen be(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without 15 מֵרָֽע H7451 kwaad, kwade, boze adversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
2 En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

2 En hem werden zevenH7651 zonenH1121 en drieH7969 dochterenH1323 geborenH3205. En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren.

KJV And there were born1 unto him seven3 sons4 and three5 daughters.

1 וַיִּוָּ֥לְדוּ H3205 gewon, baarde, geboren bear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman) 2 ל֛וֹ 3 שִׁבְעָ֥ה H7651 zeven, zevenhonderd, zevenmaal ([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה) 4 בָנִ֖ים H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 5 וְשָׁל֥וֹשׁ H7969 drie, driehonderd, dertien [phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ) 6 בָּנֽוֹת H1323 dochter, dochteren, onderhorige plaatsen apple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
3 Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

3 Daartoe was zijn veeH4735 zevenH7651 duizendH505 schapenH6629, en drieH7969 duizendH505 kemelenH1581, en vijfhonderdH2568 jukH6776 ossenH1241, en vijfhonderdH2568 ezelinnenH860; ook was zijn dienstvolkH5657 zeerH3966 veelH7227; zodat deze manH376 groterH1419 was dan alH3605 die van het oostenH6924. Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.

KJV His substance2 also was seven3 thousand4 sheep,5 and three6 thousand7 camels,8 and five9 hundred10 yoke11 of oxen,12 and five13 hundred14 she asses,15 and a very18 great17 household;16 so that this man20 was the greatest22 of all the men24 of the east.

1 וַיְהִ֣י H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 2 מִ֠קְנֵהוּ H4735 vee, bezitting, beesten cattle, flock, herd, possession, purchase, substance 3 שִֽׁבְעַ֨ת H7651 zeven, zevenhonderd, zevenmaal ([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה) 4 אַלְפֵי H505 duizend, duizenden, twee duizend thousand 5 צֹ֜אן H6629 schapen, kudde, klein vee (small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds) 6 וּשְׁלֹ֧שֶׁת H7969 drie, driehonderd, dertien [phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ) 7 אַלְפֵ֣י H505 duizend, duizenden, twee duizend thousand 8 גְמַלִּ֗ים H1581 kemelen, kemels, kemel camel 9 וַחֲמֵ֨שׁ H2568 vijf, vijfhonderd, vijftien fif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece) 10 מֵא֤וֹת H3967 honderd, tweehonderd, honderden hundred((-fold), -th), [phrase] sixscore 11 צֶֽמֶד H6776 juk, paar, bunderen acre, couple, [idiom] together, two (donkeys), yoke (of oxen) 12 בָּקָר֙ H1241 runderen, rund, koeien beeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox 13 וַחֲמֵ֣שׁ H2568 vijf, vijfhonderd, vijftien fif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece) 14 מֵא֣וֹת H3967 honderd, tweehonderd, honderden hundred((-fold), -th), [phrase] sixscore 15 אֲתוֹנ֔וֹת H860 ezelinnen, ezelin, ezelen (she) ass 16 וַעֲבֻדָּ֖ה H5657 dienstvolk, gezin household, store of servants 17 רַבָּ֣ה H7227 vele, veel, grote (in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent) 18 מְאֹ֑ד H3966 zeer, gans, grote diligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well 19 וַיְהִי֙ H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 20 הָאִ֣ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 21 הַה֔וּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 22 גָּד֖וֹל H1419 grote, groot, groten [phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very 23 מִכָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 24 בְּנֵי H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 25 קֶֽדֶם H6924 oosten, ouds, oostwaarts aforetime, ancient (time), before, east (end, part, side, -ward), eternal, [idiom] ever(-lasting), forward, old, past. Compare H6926 (קִדְמָה)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
4 En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

4 En zijn zonenH1121 gingenH1980, en maaktenH6213 maaltijdenH4960 in iedersH376 huisH1004 op zijn dagH3117; en zij zondenH7971 henen, en nodigdenH7121 hun drieH7969 zusterenH269, om metH5973 hen te etenH398 en te drinkenH8354. En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.

KJV And his sons2 went1 and feasted4 in their houses,5 every one6 his day;7 and sent8 and called9 for their three10 sisters11 to eat12 and to drink

1 וְהָלְכ֤וּ H1980 wandelt, gewandeld, wandelen (all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl 2 בָנָיו֙ H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 3 וְעָשׂ֣וּ H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use 4 מִשְׁתֶּ֔ה H4960 maaltijd, maaltijden, bruiloft banquet, drank, drink, feast((-ed), -ing) 5 בֵּ֖ית H1004 huis, huizen, huize court, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out) 6 אִ֣ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 7 יוֹמ֑וֹ H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 8 וְשָׁלְח֗וּ H7971 zond, gezonden, zenden [idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out) 9 וְקָרְאוּ֙ H7121 riep, noemde, roepen bewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say 10 לִשְׁלֹ֣שֶׁת H7969 drie, driehonderd, dertien [phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ) 11 אַחְיֽוֹתֵיהֶ֔ם H269 zuster, zusters, zusteren (an-) other, sister, together 12 לֶאֱכֹ֥ל H398 eten, gegeten, eet [idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite 13 וְלִשְׁתּ֖וֹת H8354 drinken, gedronken, drinkt [idiom] assuredly, banquet, [idiom] certainly, drink(-er, -ing), drunk ([idiom] -ard), surely. (Prop. intensive of H8248 (שָׁקָה).) 14 עִמָּהֶֽם H5973 met, bij, tegen accompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
5 Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

5 Het geschiedde dan, als de dagenH3117 der maaltijdenH4960 omgegaanH5362 warenH1961, dat JobH347 henenzondH7971, en hen heiligdeH6942 en des morgensH1242 vroeg opstondH7925, en brandofferenH5930 offerdeH5927 naar hun allerH3605 getalH4557; wantH3588 JobH347 zeideH559: Misschien hebben mijn kinderenH1121 gezondigdH2398, en GodH430 in hun hartH3824 gezegendH1288. Alzo deedH6213 JobH347 al die dagenH3117. Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.

KJV And it was so, when the days4 of their feasting5 were gone about,3 that Job7 sent6 and sanctified8 them, and rose up early9 in the morning,10 and offered11 burnt offerings12 according to the number13 of them all: for Job17 said,16 It may be18 that my sons20 have sinned,19 and cursed21 God22 in their hearts.23 Thus did25 Job26 continually.

1 וַיְהִ֡י H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 2 כִּ֣י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 3 הִקִּיפֽוּ֩ H5362 omringende, omgeven, omsingelen compass (about, -ing), cut down, destroy, go round (about), inclose, round 4 יְמֵ֨י H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 5 הַמִּשְׁתֶּ֜ה H4960 maaltijd, maaltijden, bruiloft banquet, drank, drink, feast((-ed), -ing) 6 וַיִּשְׁלַ֧ח H7971 zond, gezonden, zenden [idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out) 7 אִיּ֣וֹב H347 Job, Jobs Job 8 וַֽיְקַדְּשֵׁ֗ם H6942 geheiligd, heiligen, heiligt appoint, bid, consecrate, dedicate, defile, hallow, (be, keep) holy(-er, place), keep, prepare, proclaim, purify, sanctify(-ied one, self), [idiom] wholly 9 וְהִשְׁכִּ֣ים H7925 vroeg, stond, stonden (arise, be up, get (oneself) up, rise up) early (betimes), morning 10 בַּבֹּקֶר֮ H1242 morgen, morgens, morgenstond ([phrase]) day, early, morning, morrow 11 וְהֶעֱלָ֣ה H5927 optrekken, toog, opkomen arise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work 12 עֹלוֹת֮ H5930 brandoffer, brandofferen, brandoffers ascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל) 13 מִסְפַּ֣ר H4557 getal, tellen, geteld [phrase] abundance, account, [idiom] all, [idiom] few, (in-) finite, (certain) number(-ed), tale, telling, [phrase] time 14 כֻּלָּם֒ H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 15 כִּ֚י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 16 אָמַ֣ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 17 אִיּ֔וֹב H347 Job, Jobs Job 18 אוּלַי֙ H194 misschien, mogelijk if so be, may be, peradventure, unless 19 חָטְא֣וּ H2398 gezondigd, zondigen, zondigt bear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass 20 בָנַ֔י H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 21 וּבֵרֲכ֥וּ H1288 zegenen, gezegend, zegende [idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank 22 אֱלֹהִ֖ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 23 בִּלְבָבָ֑ם H3824 hart, harten, harte [phrase] bethink themselves, breast, comfortably, courage, ((faint), (tender-) heart(-ed), midst, mind, [idiom] unawares, understanding 24 כָּ֛כָה H3602 alzo, op deze wijze after that (this) manner, this matter, (even) so, in such a case, thus 25 יַעֲשֶׂ֥ה H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use 26 אִיּ֖וֹב H347 Job, Jobs Job 27 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 28 הַיָּמִֽים H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
6 Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

6 Er wasH1961 nu een dagH3117, als de kinderenH1121 GodsH430 kwamenH935, om zich voor den HEEREH3068 te stellenH3320, dat de satanH7854 ookH1571 in het middenH8432 van hen kwamH935. Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.

KJV Now there was a day2 when the sons4 of God5 came3 to present6 themselves before the LORD,8 and Satan11 came9 also among

1 וַיְהִ֣י H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 2 הַיּ֔וֹם H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 3 וַיָּבֹ֨אוּ֙ H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 4 בְּנֵ֣י H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 5 הָאֱלֹהִ֔ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 6 לְהִתְיַצֵּ֖ב H3320 stelde, stellen, stelt present selves, remaining, resort, set (selves), (be able to, can, with-) stand (fast, forth, -ing, still, up) 7 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 8 יְהוָ֑ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 9 וַיָּב֥וֹא H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 10 גַֽם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 11 הַשָּׂטָ֖ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 12 בְּתוֹכָֽם H8432 midden, middelste, binnenste among(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
7 Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

7 Toen zeideH559 de HEEREH3068 totH413 den satanH7854; Van waar komtH935 gij? En de satanH7854 antwoorddeH6030 den HEEREH3068, en zeideH559: Van om te trekkenH7751 op de aardeH776, en van die te doorwandelenH1980. Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.

KJV And the LORD2 said1 unto Satan,4 Whence5 comest6 thou? Then Satan8 answered7 the LORD,10 and said,11 From going to and fro12 in the earth,13 and from walking up and down

1 וַיֹּ֧אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 יְהוָ֛ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 הַשָּׂטָ֖ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 5 מֵאַ֣יִן H370 vanwaar? whence, where 6 תָּבֹ֑א H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 7 וַיַּ֨עַן H6030 antwoordde, antwoorden, antwoordden give account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת) 8 הַשָּׂטָ֤ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 9 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 10 יְהוָה֙ H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 11 וַיֹּאמַ֔ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 12 מִשּׁ֣וּט H7751 trekken, Trek, doorlopen go (about, through, to and fro), mariner, rower, run to and fro 13 בָּאָ֔רֶץ H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 14 וּמֵֽהִתְהַלֵּ֖ךְ H1980 wandelt, gewandeld, wandelen (all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl 15 בָּֽהּ
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
8 En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

8 En de HEEREH3068 zeideH559 totH413 den satanH7854: Hebt gij ook achtH3820 geslagenH7760 opH5921 Mijn knechtH5650 JobH347? WantH3588 niemandH369 is op de aardeH776 gelijk hij, een manH376 oprechtH8535 en vroomH3477, godvrezendeH3373 en wijkendeH5493 van het kwaadH7451. En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.

KJV And the LORD2 said1 unto Satan,4 Hast thou considered5 my servant8 Job,9 that there is none like him in the earth,13 a perfect15 and an upright16 man,14 one that feareth17 God,18 and escheweth19 evil?

1 וַיֹּ֤אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 יְהוָה֙ H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 הַשָּׂטָ֔ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 5 הֲשַׂ֥מְתָּ H7760 stellen, gesteld, zetten [idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work 6 לִבְּךָ֖ H3820 hart, harten, harte [phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom 7 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 8 עַבְדִּ֣י H5650 knechten, knecht, knechts [idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant 9 אִיּ֑וֹב H347 Job, Jobs Job 10 כִּ֣י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 11 אֵ֤ין H369 geen, niet, niemand else, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן) 12 כָּמֹ֨הוּ֙ H3644 gelijk, als according to, (such) as (it were, well as), in comparison of, like (as, to, unto), thus, when, worth 13 בָּאָ֔רֶץ H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 14 אִ֣ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 15 תָּ֧ם H8535 oprecht, oprechte, volmaakte coupled together, perfect, plain, undefiled, upright 16 וְיָשָׁ֛ר H3477 recht, oprechten, oprechte convenient, equity, Jasher, just, meet(-est), [phrase] pleased well right(-eous), straight, (most) upright(-ly, -ness) 17 יְרֵ֥א H3373 vrezen, vreest, vrezende afraid, fear (-ful) 18 אֱלֹהִ֖ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 19 וְסָ֥ר H5493 weg, week, weggenomen be(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without 20 מֵרָֽע H7451 kwaad, kwade, boze adversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
9 Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

9 Toen antwoorddeH6030 de satanH7854 den HEEREH3068, en zeideH559: Is het om niet, dat JobH347 GodH430 vreestH3372? Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?

KJV Then Satan2 answered1 the LORD,4 and said,5 Doth Job8 fear7 God9 for nought?

1 וַיַּ֧עַן H6030 antwoordde, antwoorden, antwoordden give account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת) 2 הַשָּׂטָ֛ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 3 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 4 יְהוָ֖ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 5 וַיֹּאמַ֑ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 6 הַֽחִנָּ֔ם H2600 om niet, zonder oorzaak, tevergeefs without a cause (cost, wages), causeless, to cost nothing, free(-ly), innocent, for nothing (nought, in vain 7 יָרֵ֥א H3372 vrezen, vreesde, Vrees affright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing) 8 אִיּ֖וֹב H347 Job, Jobs Job 9 אֱלֹהִֽים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
10 Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

10 Hebt GijH859 nietH3808 een betuiningH7753 gemaakt voor hem, en voor zijn huisH1004, en voor alH3605 watH834 hij heeft rondomH4480? Het werkH4639 zijner handenH3027 hebt Gij gezegendH1288, en zijn veeH4735 is in menigte uitgebrokenH6555 in den landeH776. Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.

KJV Hast not thou made an hedge3 about him, and about4 his house,6 and about all that he hath on every side?11 thou hast blessed14 the work12 of his hands,13 and his substance15 is increased16 in the land.

1 הֲלֹֽא H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 2 אַ֠תָּה H859 gij, gijlieden, u thee, thou, ye, you 3 שַׂ֣כְתָּ H7753 betuinen, betuining, samengevlochten fence, (make an) hedge (up) 4 בַעֲד֧וֹ H1157 voor, om; door heen about, at by (means of), for, over, through, up (-on), within 5 וּבְעַד H1157 voor, om; door heen about, at by (means of), for, over, through, up (-on), within 6 בֵּית֛וֹ H1004 huis, huizen, huize court, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out) 7 וּבְעַ֥ד H1157 voor, om; door heen about, at by (means of), for, over, through, up (-on), within 8 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 9 אֲשֶׁר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 10 ל֖וֹ 11 מִסָּבִ֑יב H5439 rondom, Rondom, omgangen (place, round) about, circuit, compass, on every side 12 מַעֲשֵׂ֤ה H4639 werk, werken, daden act, art, [phrase] bakemeat, business, deed, do(-ing), labor, thing made, ware of making, occupation, thing offered, operation, possession, [idiom] well, (handy-, needle-, net-) work(ing, -manship), wrought 13 יָדָיו֙ H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves 14 בֵּרַ֔כְתָּ H1288 zegenen, gezegend, zegende [idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank 15 וּמִקְנֵ֖הוּ H4735 vee, bezitting, beesten cattle, flock, herd, possession, purchase, substance 16 פָּרַ֥ץ H6555 gescheurd, brak, doorgebroken [idiom] abroad, (make a) breach, break (away, down, -er, forth, in, up), burst out, come (spread) abroad, compel, disperse, grow, increase, open, press, scatter, urge 17 בָּאָֽרֶץ H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world

Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.

Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
11 Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

11 Maar toch strekH7971 nu Uw handH3027 uit, en tastH5060 aanH5921 allesH3605, watH834 hij heeft; zoH518 hij U nietH3808 in Uw aangezichtH6440 zal zegenenH1288? Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?

KJV But1 put forth2 thine hand4 now, and touch5 all that he hath, and he will curse13 thee to thy face.

1 וְאוּלָם֙ H199 gewisselijk, waarlijk, zekerlijk as for, but, howbeit, in very deed, surely, truly, wherefore 2 שְֽׁלַֽח H7971 zond, gezonden, zenden [idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out) 3 נָ֣א H4994 toch, doch, Och I beseech (pray) thee (you), go to, now, oh 4 יָֽדְךָ֔ H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves 5 וְגַ֖ע H5060 aangeroerd, aanroert, aanroeren beat, ([idiom] be able to) bring (down), cast, come (nigh), draw near (nigh), get up, happen, join, near, plague, reach (up), smite, strike, touch 6 בְּכָל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 7 אֲשֶׁר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 8 ל֑וֹ 9 אִם H518 zo, indien, of (and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet 10 לֹ֥א H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 11 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 12 פָּנֶ֖יךָ H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 13 יְבָרֲכֶֽךָּ H1288 zegenen, gezegend, zegende [idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
12 En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

12 En de HEEREH3068 zeideH559 totH413 den satanH7854: ZieH2009, alH3605 watH834 hij heeft, zij in uw handH3027; alleen aanH413 hem strekH7971 uw handH3027 nietH408 uit. En de satanH7854 ging uit van het aangezichtH6440 des HEERENH3068. En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.

KJV And the LORD2 said1 unto Satan,4 Behold, all that he hath is in thy power;9 only upon himself put not forth13 thine hand.14 So Satan16 went forth15 from the presence18 of the LORD.

1 וַיֹּ֨אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 יְהוָ֜ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 הַשָּׂטָ֗ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 5 הִנֵּ֤ה H2009 ziet, zie behold, lo, see 6 כָל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 7 אֲשֶׁר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 8 לוֹ֙ 9 בְּיָדֶ֔ךָ H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves 10 רַ֣ק H7535 alleen, slechts but, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise 11 אֵלָ֔יו H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 12 אַל H408 niet, geen, niemand nay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than 13 תִּשְׁלַ֖ח H7971 zond, gezonden, zenden [idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out) 14 יָדֶ֑ךָ H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves 15 וַיֵּצֵא֙ H3318 uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd [idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter 16 הַשָּׂטָ֔ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 17 מֵעִ֖ם H5973 met, bij, tegen accompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al) 18 פְּנֵ֥י H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 19 יְהוָֽה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
13 Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

13 Er was nu een dagH3117, als zijn zonenH1121 en zijn dochterenH1323 atenH398, en wijnH3196 dronkenH8354 in het huisH1004 van hun broederH251, den eerstgeboreneH1060. Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.

KJV And there was a day2 when his sons3 and his daughters4 were eating5 and drinking6 wine7 in their eldest10 brother's9 house:

1 וַיְהִ֖י H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 2 הַיּ֑וֹם H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 3 וּבָנָ֨יו H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 4 וּבְנֹתָ֤יו H1323 dochter, dochteren, onderhorige plaatsen apple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village 5 אֹֽכְלִים֙ H398 eten, gegeten, eet [idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite 6 וְשֹׁתִ֣ים H8354 drinken, gedronken, drinkt [idiom] assuredly, banquet, [idiom] certainly, drink(-er, -ing), drunk ([idiom] -ard), surely. (Prop. intensive of H8248 (שָׁקָה).) 7 יַ֔יִן H3196 wijn, wijns, Wijn banqueting, wine, wine(-bibber) 8 בְּבֵ֖ית H1004 huis, huizen, huize court, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out) 9 אֲחִיהֶ֥ם H251 broederen, broeder, broeders another, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-' 10 הַבְּכֽוֹר H1060 eerstgeborene, eerstgeborenen, eerstgeboren eldest (son), firstborn(-ling)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
14 Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

14 Dat een bodeH4397 totH413 JobH347 kwamH935, en zeideH559: De runderenH1241 warenH1961 ploegendeH2790, en de ezelinnenH860 weidendeH7462 aan hun zijdenH3027. Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.

KJV And there came2 a messenger1 unto Job,4 and said,5 The oxen6 were plowing,8 and the asses9 feeding10 beside

1 וּמַלְאָ֛ךְ H4397 Engel, boden, engel ambassador, angel, king, messenger 2 בָּ֥א H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 אִיּ֖וֹב H347 Job, Jobs Job 5 וַיֹּאמַ֑ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 6 הַבָּקָר֙ H1241 runderen, rund, koeien beeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox 7 הָי֣וּ H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 8 חֹֽרְשׁ֔וֹת H2790 zwijg, zwijgen, ploegen [idiom] altogether, cease, conceal, be deaf, devise, ear, graven, imagine, leave off speaking, hold peace, plow(-er, man), be quiet, rest, practise secretly, keep silence, be silent, speak not a word, be still, hold tongue, worker 9 וְהָאֲתֹנ֖וֹת H860 ezelinnen, ezelin, ezelen (she) ass 10 רֹע֥וֹת H7462 weiden, herders, herder [idiom] break, companion, keep company with, devour, eat up, evil entreat, feed, use as a friend, make friendship with, herdman, keep (sheep) (-er), pastor, [phrase] shearing house, shepherd, wander, waste 11 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 12 יְדֵיהֶֽם H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
15 Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

15 Doch de SabeersH7614 deden een invalH5307, en namenH3947 ze, en sloegenH5221 de jongerenH5288 met de scherpteH6310 des zwaardsH2719; en ikH589 ben maar alleen ontkomenH4422, om het u aan te zeggenH5046. Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

KJV And the Sabeans2 fell1 upon them, and took them away;3 yea, they have slain6 the servants5 with the edge7 of the sword;8 and I only am escaped9 alone to tell

1 וַתִּפֹּ֤ל H5307 vallen, viel, gevallen be accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down 2 שְׁבָא֙ H7614 Scheba, Sabeers, Seba Sheba, Sabeans 3 וַתִּקָּחֵ֔ם H3947 nam, nemen, genomen accept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win 4 וְאֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 5 הַנְּעָרִ֖ים H5288 jongen, jongeling, jongens babe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man) 6 הִכּ֣וּ H5221 sloeg, slaan, geslagen beat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound 7 לְפִי H6310 mond, monds, scherpte accord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word 8 חָ֑רֶב H2719 zwaard, zwaards, zwaarden axe, dagger, knife, mattock, sword, tool 9 וָֽאִמָּ֨לְטָ֧ה H4422 ontkomen, ontkwam, bevrijden deliver (self), escape, lay, leap out, let alone, let go, preserve, save, [idiom] speedily, [idiom] surely 10 רַק H7535 alleen, slechts but, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise 11 אֲנִ֛י H589 ik, mij I, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who 12 לְבַדִּ֖י H905 handbomen, bijzonder, grendelen alone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength 13 לְהַגִּ֥יד H5046 kennen, verkondigen, bekend bewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter 14 לָֽךְ
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
16 Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

16 Als deze nogH5750 sprakH1696, zo kwamH935 een anderH2088, en zeideH559: Het vuurH784 GodsH430 vielH5307 uitH4480 den hemelH8064, en ontstakH1197 onder de schapenH6629 en onder de jongerenH5288, en verteerdeH398 ze; en ikH589 ben maar alleen ontkomenH4422, om het u aan te zeggenH5046. Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

KJV While he was yet speaking,3 there came5 also another, and said,6 The fire7 of God8 is fallen9 from heaven,11 and hath burned up12 the sheep,13 and the servants,14 and consumed15 them; and I only am escaped16 alone to tell

1 ע֣וֹד H5750 meer, nog, wederom again, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within) 2 זֶ֣ה H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ) 3 מְדַבֵּ֗ר H1696 gesproken, sprak, spreken answer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work 4 וְזֶה֮ H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ) 5 בָּ֣א H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 6 וַיֹּאמַר֒ H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 7 אֵ֣שׁ H784 vuur, vuurs, vurige burning, fiery, fire, flaming, hot 8 אֱלֹהִ֗ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 9 נָֽפְלָה֙ H5307 vallen, viel, gevallen be accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down 10 מִן H4480 van, uit, dan above, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with 11 הַשָּׁמַ֔יִם H8064 hemel, hemels, hemelen air, [idiom] astrologer, heaven(-s) 12 וַתִּבְעַ֥ר H1197 wegdoen, branden, aangestoken be brutish, bring (put, take) away, burn, (cause to) eat (up), feed, heat, kindle, set (on fire), waste 13 בַּצֹּ֛אן H6629 schapen, kudde, klein vee (small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds) 14 וּבַנְּעָרִ֖ים H5288 jongen, jongeling, jongens babe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man) 15 וַתֹּאכְלֵ֑ם H398 eten, gegeten, eet [idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite 16 וָאִמָּ֨לְטָ֧ה H4422 ontkomen, ontkwam, bevrijden deliver (self), escape, lay, leap out, let alone, let go, preserve, save, [idiom] speedily, [idiom] surely 17 רַק H7535 alleen, slechts but, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise 18 אֲנִ֛י H589 ik, mij I, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who 19 לְבַדִּ֖י H905 handbomen, bijzonder, grendelen alone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength 20 לְהַגִּ֥יד H5046 kennen, verkondigen, bekend bewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter 21 לָֽךְ
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
17 Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

17 Als deze nogH5750 sprakH1696, zo kwamH935 een anderH2088, en zeideH559: De ChaldeenH3778 steldenH7760 drieH7969 hopenH7218, en vielenH6584 opH5921 de kemelenH1581 aan, en namenH3947 ze, en sloegenH5221 de jongerenH5288 met de scherpteH6310 des zwaardsH2719; en ikH589 ben maar alleen ontkomenH4422, om het u aan te zeggenH5046. Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

KJV While he was yet speaking,3 there came5 also another, and said,6 The Chaldeans7 made out8 three9 bands,10 and fell11 upon the camels,13 and have carried them away,14 yea, and slain17 the servants16 with the edge18 of the sword;19 and I only am escaped20 alone to tell

1 ע֣וֹד H5750 meer, nog, wederom again, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within) 2 זֶ֣ה H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ) 3 מְדַבֵּ֗ר H1696 gesproken, sprak, spreken answer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work 4 וְזֶה֮ H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ) 5 בָּ֣א H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 6 וַיֹּאמַר֒ H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 7 כַּשְׂדִּ֞ים H3778 Chaldeen, Chaldea Chaldeans, Chaldees, inhabitants of Chaldea 8 שָׂ֣מוּ H7760 stellen, gesteld, zetten [idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work 9 שְׁלֹשָׁ֣ה H7969 drie, driehonderd, dertien [phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ) 10 רָאשִׁ֗ים H7218 hoofd, hoofden, hoogte band, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top 11 וַֽיִּפְשְׁט֤וּ H6584 uittrekken, ingevallen, overvielen fall upon, flay, invade, make an invasion, pull off, put off, make a road, run upon, rush, set, spoil, spread selves (abroad), strip (off, self) 12 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 13 הַגְּמַלִּים֙ H1581 kemelen, kemels, kemel camel 14 וַיִּקָּח֔וּם H3947 nam, nemen, genomen accept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win 15 וְאֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 16 הַנְּעָרִ֖ים H5288 jongen, jongeling, jongens babe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man) 17 הִכּ֣וּ H5221 sloeg, slaan, geslagen beat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound 18 לְפִי H6310 mond, monds, scherpte accord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word 19 חָ֑רֶב H2719 zwaard, zwaards, zwaarden axe, dagger, knife, mattock, sword, tool 20 וָאִמָּ֨לְטָ֧ה H4422 ontkomen, ontkwam, bevrijden deliver (self), escape, lay, leap out, let alone, let go, preserve, save, [idiom] speedily, [idiom] surely 21 רַק H7535 alleen, slechts but, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise 22 אֲנִ֛י H589 ik, mij I, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who 23 לְבַדִּ֖י H905 handbomen, bijzonder, grendelen alone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength 24 לְהַגִּ֥יד H5046 kennen, verkondigen, bekend bewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter 25 לָֽךְ
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
18 Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

18 Als deze nog sprakH1696, zo kwamH935 een anderH2088, en zeideH559: Uw zonenH1121 en uw dochterenH1323 atenH398, en dronkenH8354 wijnH3196, in het huisH1004 van hun broederH251, den eerstgeboreneH1060; Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;

KJV While he was yet speaking,3 there came5 also another, and said,6 Thy sons7 and thy daughters8 were eating9 and drinking10 wine11 in their eldest14 brother's13 house:

1 עַ֚ד H5704 tot, totdat, aan against, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet 2 זֶ֣ה H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ) 3 מְדַבֵּ֔ר H1696 gesproken, sprak, spreken answer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work 4 וְזֶ֖ה H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ) 5 בָּ֣א H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 6 וַיֹּאמַ֑ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 7 בָּנֶ֨יךָ H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 8 וּבְנוֹתֶ֤יךָ H1323 dochter, dochteren, onderhorige plaatsen apple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village 9 אֹֽכְלִים֙ H398 eten, gegeten, eet [idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite 10 וְשֹׁתִ֣ים H8354 drinken, gedronken, drinkt [idiom] assuredly, banquet, [idiom] certainly, drink(-er, -ing), drunk ([idiom] -ard), surely. (Prop. intensive of H8248 (שָׁקָה).) 11 יַ֔יִן H3196 wijn, wijns, Wijn banqueting, wine, wine(-bibber) 12 בְּבֵ֖ית H1004 huis, huizen, huize court, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out) 13 אֲחִיהֶ֥ם H251 broederen, broeder, broeders another, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-' 14 הַבְּכֽוֹר H1060 eerstgeborene, eerstgeborenen, eerstgeboren eldest (son), firstborn(-ling)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
19 En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

19 En zieH2009, een groteH1419 windH7307 kwamH935 van over de woestijnH4057, en stietH5060 aan de vierH702 hoekenH6438 van het huisH1004, en het vielH5307 opH5921 de jongelingenH5288, dat ze stiervenH4191; en ikH589 ben maar alleen ontkomenH4422, om het u aan te zeggenH5046. En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

KJV And, behold, there came4 a great3 wind2 from5 the wilderness,6 and smote7 the four8 corners9 of the house,10 and it fell11 upon the young men,13 and they are dead;14 and I only am escaped15 alone to tell

1 וְהִנֵּה֩ H2009 ziet, zie behold, lo, see 2 ר֨וּחַ H7307 geest, Geest, wind air, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y) 3 גְּדוֹלָ֜ה H1419 grote, groot, groten [phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very 4 בָּ֣אָה H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 5 מֵעֵ֣בֶר H5676 gene, zijden, recht [idiom] against, beyond, by, [idiom] from, over, passage, quarter, (other, this) side, straight 6 הַמִּדְבָּ֗ר H4057 woestijn, wildernis, spraak desert, south, speech, wilderness 7 וַיִּגַּע֙ H5060 aangeroerd, aanroert, aanroeren beat, ([idiom] be able to) bring (down), cast, come (nigh), draw near (nigh), get up, happen, join, near, plague, reach (up), smite, strike, touch 8 בְּאַרְבַּע֙ H702 vier, vierhonderd, veertien four 9 פִּנּ֣וֹת H6438 hoeken, hoek, hoeksteen bulwark, chief, corner, stay, tower 10 הַבַּ֔יִת H1004 huis, huizen, huize court, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out) 11 וַיִּפֹּ֥ל H5307 vallen, viel, gevallen be accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down 12 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 13 הַנְּעָרִ֖ים H5288 jongen, jongeling, jongens babe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man) 14 וַיָּמ֑וּתוּ H4191 sterven, stierf, gedood [idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise 15 וָאִמָּ֨לְטָ֧ה H4422 ontkomen, ontkwam, bevrijden deliver (self), escape, lay, leap out, let alone, let go, preserve, save, [idiom] speedily, [idiom] surely 16 רַק H7535 alleen, slechts but, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise 17 אֲנִ֛י H589 ik, mij I, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who 18 לְבַדִּ֖י H905 handbomen, bijzonder, grendelen alone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength 19 לְהַגִּ֥יד H5046 kennen, verkondigen, bekend bewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter 20 לָֽךְ
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
20 Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

20 Toen stondH6965 JobH347 op, en scheurdeH7167 zijn mantelH4598, en schoorH1494 zijn hoofdH7218, en vielH5307 op de aardeH776, en boog zich neder; Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;

Ook in dit vers boog nederH7812

KJV Then Job2 arose,1 and rent3 his mantle,5 and shaved6 his head,8 and fell down9 upon the ground,10 and worshipped,

1 וַיָּ֤קָם H6965 opstaan, stond, Sta abide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising) 2 אִיּוֹב֙ H347 Job, Jobs Job 3 וַיִּקְרַ֣ע H7167 scheurde, gescheurd, scheurden cut out, rend, [idiom] surely, tear 4 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 5 מְעִל֔וֹ H4598 mantel, mantels, rok cloke, coat, mantle, robe 6 וַיָּ֖גָז H1494 scheerders, scheren, schoor cut off (down), poll, shave, (sheep-) shear(-er) 7 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 8 רֹאשׁ֑וֹ H7218 hoofd, hoofden, hoogte band, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top 9 וַיִּפֹּ֥ל H5307 vallen, viel, gevallen be accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down 10 אַ֖רְצָה H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 11 וַיִּשְׁתָּֽחוּ H7812 boog, bogen, nederbuigen bow (self) down, crouch, fall down (flat), humbly beseech, do (make) obeisance, do reverence, make to stoop, worship
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
21 En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

21 En hij zeideH559: NaaktH6174 ben ik uit mijner moedersH517 buikH990 gekomen, en naaktH6174 zal ik daarhenen wederkerenH7725. De HEEREH3068 heeft gegevenH5414, en de HEEREH3068 heeft genomenH3947; de NaamH8034 des HEERENH3068 zijH1961 geloofdH1288! En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!

KJV And said,1 Naked2 came I out3 of my mother's5 womb,4 and naked6 shall I return7 thither: the LORD9 gave,10 and the LORD11 hath taken away;12 blessed16 be the name14 of the LORD.

1 וַיֹּאמֶר֩ H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 עָרֹ֨ם H6174 naakt, naakte, naakten naked 3 יָצָ֜אתִי H3318 uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd [idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter 4 מִבֶּ֣טֶן H990 buik, buiks, binnenste belly, body, [phrase] as they be born, [phrase] within, womb 5 אִמִּ֗י H517 moeder, moeders dam, mother, [idiom] parting 6 וְעָרֹם֙ H6174 naakt, naakte, naakten naked 7 אָשׁ֣וּב H7725 wederkeren, keerde, keren ((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw 8 שָׁ֔מָה H8033 daar, aldaar, derwaarts in it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither 9 יְהוָ֣ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 10 נָתַ֔ן H5414 gegeven, geven, gaf add, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield 11 וַיהוָ֖ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 12 לָקָ֑ח H3947 nam, nemen, genomen accept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win 13 יְהִ֛י H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 14 שֵׁ֥ם H8034 naam, Naam, namen [phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report 15 יְהוָ֖ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 16 מְבֹרָֽךְ H1288 zegenen, gezegend, zegende [idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
22 In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

22 In ditH2063 allesH3605 zondigdeH2398 JobH347 niet, en schreefH5414 GodeH430 nietsH3808 ongerijmdsH8604 toe. In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.

KJV In all this Job5 sinned4 not, nor charged7 God9 foolishly.

1 בְּכָל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 2 זֹ֖את H2063 dit, deze, dat hereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus 3 לֹא H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 4 חָטָ֣א H2398 gezondigd, zondigen, zondigt bear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass 5 אִיּ֑וֹב H347 Job, Jobs Job 6 וְלֹא H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 7 נָתַ֥ן H5414 gegeven, geven, gaf add, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield 8 תִּפְלָ֖ה H8604 ongerijmds, ongerijmdheid folly, foolishly 9 לֵאלֹהִֽים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
Kruisverwijzingen Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Job 1:1 Ezechiël 14:14 Ezechiël 14:20 Jakobus 5:11 Genesis 17:1 Job 1:8 Genesis 6:9 Job 2:3 Jeremia 25:20
Job 1:2 Job 42:13 Psalmen 127:3 Psalmen 107:38 Psalmen 128:3 Esther 5:11 Job 13:13
Job 1:3 Job 29:25 Job 42:12 Genesis 12:16 Richteren 6:3 Genesis 25:6 1 Samuël 25:2 Spreuken 10:22 Genesis 29:1
Job 1:4 Hebreeën 13:1 Psalmen 133:1
Job 1:5 Genesis 8:20 Job 42:8 1 Samuël 16:5 1 Koningen 21:13 1 Koningen 21:10 Genesis 35:2 Leviticus 24:10 Job 27:10
Job 1:6 Job 2:1 Job 38:7 Zacharia 3:1 1 Kronieken 21:1 1 Koningen 22:19 Johannes 6:70 Openbaring 12:9 Daniël 3:25
Job 1:7 1 Petrus 5:8 Job 2:2 Zacharia 6:7 Zacharia 1:10 Openbaring 20:8 Mattheüs 12:43 Openbaring 12:12 2 Koningen 5:25
Job 1:8 Job 1:1 2 Koningen 23:25 Job 2:3 Numeri 12:7 Jesaja 1:16 Spreuken 8:13 Job 8:20 Jozua 1:7
Job 1:9 Mattheüs 16:26 Job 2:10 1 Timotheüs 4:8 Maleachi 1:10 1 Timotheüs 6:6 Job 1:21 Job 21:14
Job 1:10 Psalmen 34:7 1 Petrus 1:5 Psalmen 107:38 Deuteronomium 28:2 Job 31:25 Zacharia 2:5 Spreuken 10:22 Genesis 49:25
Job 1:11 Job 2:5 Job 19:21 Openbaring 16:11 Job 1:5 Jesaja 8:21 Jesaja 5:25 Psalmen 105:15 Openbaring 16:9
Job 1:12 2 Korinthe 12:7 Genesis 16:6 1 Koningen 22:23 Lukas 8:32 Jeremia 38:5 Johannes 3:35 Lukas 22:31 1 Korinthe 10:13
Job 1:13 Job 1:4 Lukas 12:19 Prediker 9:12 Spreuken 27:1 Lukas 21:34 Lukas 17:27
Job 1:14 2 Samuël 15:13 1 Samuël 4:17 Jeremia 51:31
Job 1:15 Genesis 10:7 Job 6:19 Psalmen 72:10 Job 1:16 Ezechiël 23:42 Joël 3:8 Genesis 25:3 Jesaja 45:14
Job 1:16 2 Koningen 1:12 Genesis 19:24 2 Koningen 1:14 1 Koningen 18:38 Numeri 11:1 2 Koningen 1:10 Amos 7:4 Leviticus 10:2
Job 1:17 Genesis 11:28 Habakuk 1:6 Jesaja 23:13 Job 1:15 2 Samuël 1:3 Genesis 11:31
Job 1:18 Job 1:13 Job 1:4 Job 19:9 Job 23:2 Job 6:2 Jesaja 28:19 2 Samuël 13:28 Amos 4:6
Job 1:19 1 Koningen 20:30 Lukas 13:1 Handelingen 28:4 2 Samuël 18:33 Richteren 16:30 Jeremia 4:11 Genesis 42:36 Efeze 2:2
Job 1:20 1 Petrus 5:6 Genesis 37:29 Ezra 9:3 Genesis 37:34 Deuteronomium 9:18 2 Samuël 12:16 2 Kronieken 7:3 Mattheüs 26:39
Job 1:21 Prediker 5:15 1 Thessalonicenzen 5:18 Efeze 5:20 1 Timotheüs 6:7 Job 2:10 1 Samuël 2:7 Jakobus 1:17 Psalmen 49:17
Job 1:22 Job 2:10 Jakobus 1:12 1 Petrus 1:7 Jakobus 1:4 Romeinen 9:20 Job 40:4 Job 34:10 Job 34:18
Kanttekeningen De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Job 1 vers 3

vee Zie van het Hebreeuwse woord mikneh, Gen. 4:20 .

Hertaald: vee Zie over het Hebreeuwse woord mikneh Gen. 4:20.

schapen, Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen schapen, maar ook geiten, dat is allerlei klein vee, voornamelijk als het tegen grote beesten gesteld wordt. Zie Gen. 12:16 , en Lev. 1:2 .

Hertaald: schapen, Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen schapen, maar ook geiten, dat is: allerlei kleinvee, vooral wanneer het tegenover grote dieren gesteld wordt. Zie Gen. 12:16, en Lev. 1:2.

dienstvolk Of, dienstwerk, landbouwerij.

Hertaald: dienstvolk Of: dienstwerk, landbouw.

die van het oosten Of, lieden van het oosten. Hebreeuws, kinderen van oosten; dat is, die ten aanzien van Judea oostwaarts woonden. Vergelijk Gen. 29:1 ; Richt. 6:3 , en zie de aantekening.

Hertaald: die van het oosten Of: mensen van het oosten. Hebreeuws: kinderen van het oosten; dat is: die ten opzichte van Judea in het oosten woonden. Vergelijk Gen. 29:1; Richt. 6:3, en zie de aantekening.

Job 1 vers 4

zijn dag; Te weten, zijner beurt om zijn maaltijd te geven; want hiervan ging zekere orde onder hen om. En misschien kwam de orde op elkeen, ten dage zijner geboorte. Want Job — dezen zijnen dag; Job 3:1 .

Hertaald: zijn dag; Namelijk: zijn beurt om zijn maaltijd te geven; want hierover ging een vaste volgorde onder hen. En misschien kwam de beurt bij ieder op de dag van zijn geboorte. Want Job — deze zijn dag; Job 3:1.

zonden henen, Te weten, boden, die de zusters ter maaltijd zouden noden. Alzo in vs.5.

Hertaald: zonden henen, Namelijk: boden, die de zusters voor de maaltijd zouden uitnodigen. Zo ook in vers 5.

Job 1 vers 5

heiligde Dat is, verzorgde en belastte dat zij zich heiligen zouden, opdat zij bekwaam zouden zijn tot het aanstaande offer. Alzo Ex. 19:10 . Deze heiliging bestond wel voornamelijk in de verzaking van alle geestelijke onreinheid der zonden, maar ook in de onderhouding van zekere lichamelijke ceremoniën, als tekenen der inwendige heiligmaking, welke in die tijden onder de vromen plaats had. Vergelijk Gen. 35:2 [waar is het woord reinigen ] en de aantekening daarop.

Hertaald: heiligde Dat is: zorgde ervoor en gaf opdracht dat zij zich zouden heiligen, opdat zij geschikt zouden zijn voor het komende offer. Zo ook Ex. 19:10. Deze heiliging bestond wel vooral in het afzien van alle geestelijke onreinheid van de zonden, maar ook in het onderhouden van bepaalde lichamelijke plechtigheden, als tekenen van de innerlijke heiligmaking, wat in die tijden onder de vromen gebruikelijk was. Vergelijk Gen. 35:2 [waar het woord reinigen staat] en de aantekening daarbij.

zeide Te weten, bij zichzelven, dat is, hij dacht; zie Gen. 20:11 .

Hertaald: zeide Namelijk: bij zichzelf, dat is: hij dacht; zie Gen. 20:11.

gezondigd, Te weten, door onmatige vrolijkheid, lichtvaardig wezen, verkwisting van Gods gaven, vergeting van de armen en andere zonden van vleselijke onbedachtzaamheid.

Hertaald: gezondigd, Namelijk: door overdreven vrolijkheid, lichtzinnigheid, verkwisting van Gods gaven, het vergeten van de armen en andere zonden van vleselijke onbedachtzaamheid.

gezegend Dat is, niet gezegend, geheiligd, of geëerd, gelijk het betaamde, maar de geboden des Heeren in hun vreugde en overvloed klein geacht en als in den wind geslagen. Zo is het woord zegenen, hetwelk anders betekent prijzen en loven, hier genomen voor het tegendeel, vloeken, misprijzen, versmaden. Want het betekent hier de zonden voor welke Job offerande deed. Alzo wordt dit woord ook gebruikt onder, vs.11, en Job 2:9 . Zie ook 1 Kon. 21:10 , en de aantekening daarop.

Hertaald: gezegend Dat is: niet gezegend, geheiligd, of geëerd, zoals het betaamde, maar de geboden van de HEERE in hun vreugde en overvloed gering geacht en als het ware in de wind geslagen. Zo wordt het woord zegenen, dat anders prijzen en loven betekent, hier gebruikt voor het tegenovergestelde: vloeken, verachten, minachten. Want het duidt hier de zonden aan waarvoor Job offerde. Zo wordt dit woord ook gebruikt hieronder, vers 11, en Job 2:9. Zie ook 1 Kon. 21:10, en de aantekening daarbij.

die dagen Te weten, als zijne kinderen hun maaltijden hadden gehouden.

Hertaald: die dagen Namelijk: wanneer zijn kinderen hun maaltijden gehouden hadden.

Job 1 vers 6

kinderen Gods Hebreeuws, zonen; dat is, de engelen Gods, gelijk onder, Job 38:7 ; niet omdat zij van nature zonen of kinderen Gods zijn, gelijk de Eeniggeborene van den Vader, maar omdat zij deze waardigheid hebben uit de gave der schepping, zijnde gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis, om zijn aangezicht geduriglijk te aanschouwen, hem en zijn gemeente te dienen en eeuwiglijk met hem te leven.

Hertaald: kinderen Gods Hebreeuws: zonen; dat is: de engelen van God, zoals hieronder Job 38:7; niet omdat zij van nature zonen of kinderen van God zijn, zoals de Eniggeborene van de Vader, maar omdat zij deze waardigheid hebben door de gave van de schepping, gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis, om Zijn aangezicht voortdurend te aanschouwen, Hem en Zijn gemeente te dienen en eeuwig met Hem te leven.

kwamen, Dit wordt gezegd bij gelijkenis van wereldse prinsen, die om rekenschap te eisen van hun dienaren over hetgeen zij hun belast hebben, dezen voor zich ontbieden. Vergelijk 1 Kon. 22:19 , en de aantekening.

Hertaald: kwamen, Dit wordt gezegd naar het beeld van wereldse vorsten, die hun dienaren voor zich laten komen om rekenschap te vragen over wat zij hun opgedragen hebben. Vergelijk 1 Kon. 22:19, en de aantekening.

satan Dat is, wederpartijder. Zie 1 Kron. 21:1 . Zo wordt de boze geest genoemd, omdat hij uit onverzoenlijke vijandschap de gelovigen haat, die verklagende voor God, Openb. 12:10 , en als een briesende leeuw rondom hen lopende, en zoekende wien hij zou mogen verslinden; 1 Petr. 5:8 .

Hertaald: satan Dat is: tegenstander. Zie 1 Kron. 21:1. Zo wordt de boze geest genoemd, omdat hij uit onverzoenlijke vijandschap de gelovigen haat, hen aanklaagt voor God, Openb. 12:10, en als een brullende leeuw om hen heen loopt, op zoek naar wie hij zou kunnen verslinden; 1 Petr. 5:8.

Job 1 vers 7

om te trekken Des duivels werk is alles te doorlopen en te doorsnuffelen, om degenen, die op hun hoede niet zijn, te grijpen, en die nog enigszins wacht houden te kwellen en te bespringen.

Hertaald: om te trekken Het werk van de duivel is alles te doorlopen en te doorzoeken, om degenen die niet op hun hoede zijn te grijpen, en degenen die nog enigszins waakzaam zijn te kwellen en te overvallen.

Job 1 vers 8

Hebt gij ook Hebreeuws, hebt gij uw hart gelegd, of gesteld; dat is, hebt gij achtgegeven, of opmerking genomen? Dezelfde manier van spreken is te vinden 2 Sam. 18:3 , en onder, Job 2:3 , en Job 7:17 , en Job 23:6 .

Hertaald: Hebt gij ook Hebreeuws: hebt u uw hart gelegd, of gesteld; dat is: hebt u aandacht besteed, of opgemerkt? Dezelfde manier van spreken is te vinden in 2 Sam. 18:3, en hieronder Job 2:3, en Job 7:17, en Job 23:6.

Want niemand Of, dat niemand zijns gelijke is op de aarde, enz.

Hertaald: Want niemand Of: dat niemand hem gelijk is op de aarde, enzovoort.

Job 1 vers 10

een betuining Dat is, beschermt en bevrijdt Gij hem niet van alle kwaad door uw overaltegenwoordige voorzienigheid en almogende kracht?

Hertaald: een betuining Dat is: beschermt en behoedt U hem niet voor alle kwaad door Uw alomtegenwoordige voorzienigheid en almachtige kracht?

gezegend, Zie van dit woord zegenen Gen. 12:2 .

Hertaald: gezegend, Zie over dit woord zegenen Gen. 12:2.

in menigte Zie Gen. 30:30 . Het Hebreeuwse woord is ook elders gebruikt van zeer grote vermenigvuldiging, gelijk Gen. 28:14 , en Gen. 30:43 ; Ex. 1:12 .

Hertaald: in menigte Zie Gen. 30:30. Het Hebreeuwse woord wordt ook elders gebruikt voor zeer grote vermeerdering, zoals Gen. 28:14, en Gen. 30:43; Ex. 1:12.

Job 1 vers 11

tast aan Te weten, om dat te beschadigen en hem alzo te plagen. Zie Gen. 26:11 .

Hertaald: tast aan Namelijk: om dat te beschadigen en hem zo te plagen. Zie Gen. 26:11.

aangezicht Dat is, stoutelijk zonder schroom en schaamte.

Hertaald: aangezicht Dat is: openlijk zonder schroom of schaamte.

zegenen? Zie boven, vs.5.

Hertaald: zegenen? Zie hierboven vers 5.

* In het eedzweren der Hebreën wordt gemeenlijk de straf, die men zich onderwerpt zo men valselijk zweert, verzwegen, gelijk hier. Zie Gen. 14:23 .

Hertaald: * In het eedzweren van de Hebreeën wordt gewoonlijk de straf die men zichzelf oplegt als men een valse eed zweert, verzwegen, zoals hier. Zie Gen. 14:23.

Job 1 vers 12

in uw hand; Dat is, in uw macht, onder uw geweld. Zie Gen. 16:6 .

Hertaald: in uw hand; Dat is: in uw macht, onder uw gezag. Zie Gen. 16:6.

aan hem Dat is, aan zijn persoon. Versta, zijn lichaam en ziel.

Hertaald: aan hem Dat is: aan zijn persoon. Versta hieronder: zijn lichaam en ziel.

Job 1 vers 14

aan hun zijden Dat is, nevens deze runderen. Hebreeuws, aan hun handen. Zie het woord hand voor zijde gebruikt 2 Kron. 21:16 , enz. Anders, op hun plaatsen; dat is, waar zij plachten te weiden. Dit woord is somtijds voor plaatsen genomen gelijk Num. 2:17 ; Jer. 6:3 .

Hertaald: aan hun zijden Dat is: naast deze runderen. Hebreeuws: aan hun handen. Zie het woord hand gebruikt voor zijde in 2 Kron. 21:16, enzovoort. Anders: op hun plaatsen; dat is: waar zij gewoonlijk graasden. Dit woord wordt soms gebruikt voor plaatsen, zoals Num. 2:17; Jer. 6:3.

Job 1 vers 15

Sabeërs Hebreeuws, Scheba; dat is het heir der Sabeërs. Dezen waren de nakomelingen van Scheba, den zoon van Joksan, den zoon van Abraham uit Ketura, Gen. 25:1-3 . Zij woonden in woest Arabië. Zie van hen Ezech. 27:23 . Deze Scheba is te onderscheiden van een anderen van dezen naam, welke was de zoon van Raema, de zoon van Cus, den zoon van Cham, den zoon van Noach, Gen. 10:7 , wiens nakomelingen het Morenland bewoonden. Zie de aantekening op Gen. 10:7 en op vs.28.

Hertaald: Sabeërs Hebreeuws: Scheba; dat is: het leger van de Sabeeërs. Dezen waren de nakomelingen van Scheba, de zoon van Joksan, de zoon van Abraham bij Ketura, Gen. 25:1-3. Zij woonden in het woeste Arabië. Zie over hen Ezech. 27:23. Deze Scheba moet onderscheiden worden van een andere met deze naam, die de zoon was van Raëma, de zoon van Cusch, de zoon van Cham, de zoon van Noach, Gen. 10:7, wiens nakomelingen het Morenland bewoonden. Zie de aantekening bij Gen. 10:7 en bij vers 28.

deden Hebreeuws, Scheba viel.

Hertaald: deden Hebreeuws: Scheba viel.

scherpte Hebreeuws, mond. Alzo in het volgende.

Hertaald: scherpte Hebreeuws: mond. Zo ook in het vervolg.

Job 1 vers 16

Het vuur Gods Dit is, een groot, geweldig en verschrikkelijk vuur. Vergelijk de aantekening Gen. 13:10 , of dat God van den hemel gezonden heeft, zo zij meenden.

Hertaald: Het vuur Gods Dit is: een groot, geweldig en verschrikkelijk vuur. Vergelijk de aantekening bij Gen. 13:10, of dat God vanuit de hemel gestuurd heeft, zoals zij dachten.

schapen Zie boven, vs.3.

Hertaald: schapen Zie hierboven vers 3.

Job 1 vers 17

hopen, Hebreeuws, hoofden; maar het Hebreeuwse woord betekent somtijds een schare of bende, of hoop volks, gelijk hier; Richt. 7:16 ; 1 Sam. 11:11 .

Hertaald: hopen, Hebreeuws: hoofden; maar het Hebreeuwse woord betekent soms een schare of bende, of groep mensen, zoals hier; Richt. 7:16; 1 Sam. 11:11.

Job 1 vers 18

nog sprak, Het Hebreeuwse woord is aldus genomen Spr. 8:26 , en Jona 4:2 .

Hertaald: nog sprak, Het Hebreeuwse woord wordt zo gebruikt in Spr. 8:26, en Jona 4:2.

Job 1 vers 19

stiet Hebreeuws eigenlijk, raakte; dat is, trof.

Hertaald: stiet Hebreeuws letterlijk: raakte; dat is: trof.

jongelingen, De zonen van Job. Zie Gen. 22:5 .

Hertaald: jongelingen, De zonen van Job. Zie Gen. 22:5.

Job 1 vers 20

scheurde Zie Gen. 37:29 .

Hertaald: scheurde Zie Gen. 37:29.

mantel, Dit is een opperkleed geweest, hetwelk de voornaamsten onder het volk droegen.

Hertaald: mantel, Dit is een overkleed geweest, dat de voornaamsten onder het volk droegen.

schoor zijn hoofd, Dat is, liet zijn hoofd scheren. Alzo Gen. 41:14 ; 2 Sam. 14:26 , en zie Gen. 40:22 . Het scheren nu was een teken van droefenis en rouw; Lev. 21:5 ; Jer. 41:5 , en Jer. 48:37 ; Mi. 1:16 . Anders heeft men zich ook laten scheren als men zijn lichaam reinigen wilde; hetwelk, naardien het tegen den tijd van vreugde placht te geschieden, zo is het ook een teken geweest van verkwikking en blijdschap, Gen. 41:14 , en het nalaten daarvan een teken van ontsteltenis en droefheid; 2 Sam. 19:24 .

Hertaald: schoor zijn hoofd, Dat is: liet zijn hoofd scheren. Zo ook Gen. 41:14; 2 Sam. 14:26, en zie Gen. 40:22. Het scheren was een teken van droefheid en rouw; Lev. 21:5; Jer. 41:5, en Jer. 48:37; Micha 1:16. Anders liet men zich ook scheren wanneer men zijn lichaam wilde reinigen; en omdat dit gewoonlijk gebeurde tegen de tijd van vreugde, was het ook een teken van verkwikking en blijdschap, Gen. 41:14, en het nalaten daarvan een teken van ontsteltenis en droefheid; 2 Sam. 19:24.

boog zich neder; Het Hebreeuwse woord betekent zich nederbuigen, òf voor God om Hem godsdienstige eer te bewijzen; van welke betekenis, zie Gen. 24:26 , òf voor de mensen om hun burgerlijke eer aan te doen; van welke betekenis, zie Gen. 18:2 . De eerste heeft hier plaats, gelijk af te nemen is uit de volgende woorden, in welke hij God dankt voor al wat Hij hem toegezonden had.

Hertaald: boog zich neder; Het Hebreeuwse woord betekent zich neerbuigen, óf voor God om Hem godsdienstige eer te bewijzen; zie over die betekenis Gen. 24:26, óf voor mensen om hun burgerlijke eer te bewijzen; zie over die betekenis Gen. 18:2. Het eerste geldt hier, zoals op te maken is uit de volgende woorden, waarin hij God dankt voor alles wat Hij hem toegezonden had.

Job 1 vers 21

daarhenen Dit zeide hij, zo het schijnt, wijzende op de aarde, naar welke hij zich neergebogen had.

Hertaald: daarhenen Dit zei hij, zo lijkt het, wijzend naar de aarde, waarnaar hij zich had neergebogen.

de HEERE heeft genomen; Hoe de kwade werken des Satans en der boze mensen, den goeden God toegeschreven worden, zie Gen. 45:5 , en 1 Kon. 12:15 .

Hertaald: de HEERE heeft genomen; Zie over hoe de kwade werken van de satan en van boze mensen aan de goede God worden toegeschreven Gen. 45:5, en 1 Kon. 12:15.

geloofd Hebreeuws, gezegend. Zie Gen. 14:20 , en de aantekening.

Hertaald: geloofd Hebreeuws: gezegend. Zie Gen. 14:20, en de aantekening.

Job 1 vers 22

zondigde Noch met woord, noch met daad.

Hertaald: zondigde Noch met woord, noch met daad.

schreef Of, eigende toe. Hebreeuws, gaf.

Hertaald: schreef Of: schreef toe. Hebreeuws: gaf.

ongerijmds Hebreeuws, onsmakelijk; dat is ongerijmds, onredelijks, te weten, hetwelk zou mogen strijden tegen Gods natuur en eigenschappen en tegen de eer zijns naams.

Hertaald: ongerijmds Hebreeuws: onsmakelijk; dat is: ongerijmds, onredelijks, namelijk wat zou kunnen ingaan tegen Gods natuur en eigenschappen en tegen de eer van Zijn naam.

© Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas

Bijbelse Namen Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Job  — vervolgde, of: hij die terugkeert (tot God) (onzeker)

Een oprecht en godvrezend man uit het land Uz, zeer rijk aan vee en kinderen. Op aanstoken van de satan liet God zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte zijn eigen gezondheid treffen, om zijn oprechtheid op de proef te stellen; ondanks alles zondigde Job niet en bleef hij aan God vasthouden. Het boek dat zijn naam draagt beschrijft zijn lijden, de gesprekken met zijn drie vrienden over de reden van zijn lijden, Gods antwoord vanuit de storm, en zijn uiteindelijke herstel (Job 1-42).

Alle bijbelse namen in één overzicht →

Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas

Bijbelse Plaatsen Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Uz  — mogelijk vernoemd naar Uz, een nakomeling van Sem (Gen. 10:23) of van Nahor (Gen. 22:21) — de Schrift kent verscheidene personen met deze naam

Ligging: Een landstreek ten oosten van Kanaän, vermoedelijk in of nabij Edom, hoewel de precieze grenzen niet met zekerheid zijn vast te stellen; Klaagl. 4:21 plaatst "de dochter van Edom" die in het land Uz woont, wat op een ligging in of dicht bij Edom wijst.

Geschiedenis: Het land Uz is de woonplaats van Job, "de grootste van al die van het oosten" (Job 1:3), wiens geschiedenis van beproeving, verlies, geduld en uiteindelijk herstel door de HEERE Zelf hier wordt beschreven — een geschiedenis die, gezien de aartsvaderlijke levenswijze en het ontbreken van elke verwijzing naar de wet van Mozes of Israëls geschiedenis, door velen tot de oudste gebeurtenissen van de Schrift wordt gerekend.

Bijbelse betekenis: Het land van Job is welbewust vaag gelaten in de Schrift — niet de precieze aardrijkskundige ligging, maar Jobs volharding in het geloof, "al zou Hij mij doden, zo zal ik nochtans op Hem hopen" (Job 13:15), staat hier centraal; latere Schriftplaatsen bevestigen Jobs historische, werkelijke bestaan naast dat van Noach en Daniël (Ez. 14:14, 20) en stellen zijn geduld ten voorbeeld aan de gelovigen (Jak. 5:11).

Recente inzichten: De omstreden ligging van het land Uz doet niets af aan de door de Schrift zelf bevestigde historiciteit van Job en zijn geschiedenis.

Job 1:1; Klaagl. 4:21; Ez. 14:14, 20; Jak. 5:11

Alle bijbelse plaatsen in één overzicht →

© Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas

Bijbelse Begrippen Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad  — het boek begint niet met het lijden maar met een getuigenis over de man zelf: "dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad" (Job 1:1)

Er woonde een man in het land Uz, en zijn naam was Job (Job 1:1). Van hem worden vier dingen gezegd. Hij was oprecht en vroom, hij vreesde God en hij week van het kwaad. Hij had zeven zonen en drie dochters (Job 1:2). Zijn bezit was groot: zevenduizend schapen, drieduizend kamelen, vijfhonderd juk ossen, vijfhonderd ezelinnen en veel dienstvolk. Daarmee was hij de aanzienlijkste man van het oosten (Job 1:3). Zijn zonen hielden om beurten maaltijd in ieders huis, en zij nodigden hun zusters daarbij (Job 1:4). Telkens wanneer die dagen voorbij waren, liet Job hen halen en heiligde hij hen. Hij stond 's morgens vroeg op en offerde brandoffers, één voor ieder van hen. Zijn reden staat erbij: misschien hadden zijn kinderen gezondigd en God in hun hart vaarwel gezegd. Zo deed hij al die dagen (Job 1:5).

Bijbelse betekenis: Het boek opent niet met een ramp maar met een oordeel over deze man, en dat oordeel komt van de Schrift zelf. Even later herhaalt God het woord voor woord (Job 1:8). Dat is van het grootste belang voor alles wat volgt. Wat Job overkomt, is geen straf voor een verborgen zonde. Zijn vrienden zullen dat toch beweren, en de lezer weet vanaf het eerste vers beter dan zij. Let ook op wat Job als vader doet. Hij offert voor zonden waarvan hij niet weet of ze begaan zijn, en hij doet dat telkens opnieuw. Zijn vroomheid is dus niet luidruchtig, maar volhardend en op anderen gericht. De Schrift noemt zijn vroomheid en zijn rijkdom in één adem, zonder daar enig bezwaar bij te maken. Juist die verbinding valt de aanklager straks aan.

Typologie: Het offer van deze vader moest telkens herhaald worden, want de zorg om zijn kinderen keerde telkens terug. Daarin verschilt het van het offer waarop het uitloopt: "Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden" (Hebr. 10:14). Waar Job na elke feestweek opnieuw begon, is dat werk eenmaal en voorgoed volbracht.

Job 1:1-8; Hebr. 10:14

De belangeloze vreze Gods  — de aanklacht in de hemel gaat niet over de daden van Job maar over zijn beweegreden: "Is het om niet, dat Job God vreest?" (Job 1:9)

Op een dag kwamen de kinderen Gods zich voor de HEERE stellen, en de satan kwam in hun midden (Job 1:6). Op de vraag waar hij vandaan komt, antwoordt hij dat hij de aarde heeft doortrokken (Job 1:7). Dan wijst de HEERE Zelf op Job, en Hij herhaalt over hem wat het eerste vers al zei (Job 1:8). Het antwoord is een vraag: dient Job God wel om niet (Job 1:9)? Er volgt een verklaring. God heeft immers een omheining gemaakt om Job, om zijn huis en om al wat hij heeft, en Hij heeft het werk van zijn handen gezegend (Job 1:10). Laat God dat wegnemen, en Job zal Hem in het aangezicht vaarwel zeggen (Job 1:11). De HEERE staat toe dat alles wat Job bezit wordt aangetast, maar Hij trekt een grens: aan Job zelf mag geen hand geslagen worden (Job 1:12).

Bijbelse betekenis: De aanklacht raakt niet in de eerste plaats Job maar God. Zij komt hierop neer: niemand dient U om Uzelf, en wie U dient doet dat om wat U geeft. Als dat waar is, wordt God alleen om Zijn gaven bemind en niet om Wie Hij is. Daarom staat er in dit boek meer op het spel dan het geluk van één man. Twee dingen mogen daarbij nooit worden losgelaten. Het eerste is dat de aanklager niets kan doen zonder toestemming, en dat elke toestemming een grens meekrijgt die hij niet overschrijden kan (Job 1:12). Het tweede is dat Job van dit alles niets weet. Hij hoort geen enkel woord van dit gesprek, en de rest van het boek voert hij zijn strijd zonder deze kennis. Wie lijdt, ziet zelden waarom; dat de lezer het hier wel ziet, is bedoeld tot troost.

Typologie: De Heere Jezus laat zien dat dezelfde begeerte er nog is, en Hij noemt ook de bewaring erbij: "de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude" (Luk. 22:31-32). Paulus noemt de grens die God stelt een belofte: God is getrouw, "Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt" (1 Kor. 10:13).

Job 1:6-12; Luk. 22:31-32; 1 Kor. 10:13

De vier boden  — vier boden komen achter elkaar, en elk van hen sluit met dezelfde zin (Job 1:15,16,17,19)

Op de dag dat de kinderen van Job aten en wijn dronken in het huis van hun oudste broer, komt de eerste bode (Job 1:13). De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen weidden ernaast, toen de Sabeeërs een inval deden en de knechten doodden (Job 1:14-15). Terwijl hij nog spreekt, komt de tweede: vuur uit de hemel heeft de schapen en de knechten verteerd (Job 1:16). Terwijl die nog spreekt, komt de derde: de Chaldeeën hebben in drie groepen de kamelen weggenomen en de knechten gedood (Job 1:17). En terwijl ook die nog spreekt, komt de vierde met het zwaarste bericht. Een grote wind uit de woestijn stootte tegen de vier hoeken van het huis waar zijn kinderen aten, en zij kwamen om (Job 1:18-19). Alle vier eindigen met dezelfde woorden: ik ben als enige ontkomen om het u te vertellen.

Bijbelse betekenis: De slagen komen zo snel achter elkaar dat er geen tijd is om er één te dragen. Dat is een eigen soort beproeving. Wie één verlies te verwerken krijgt, kan ademhalen; hier begint de volgende zin voordat de vorige uit is. Opmerkelijk is bovendien de afwisseling van de oorzaken. Twee keer zijn het mensen, de Sabeeërs en de Chaldeeën, en twee keer is het wat men natuurgeweld noemt. De gelovige ziet dus geen patroon en kan nergens de schuld leggen. En dan het laatste bericht. De kinderen sterven op de plaats waar zij samen aten, en juist voor die dagen had hun vader telkens geofferd. Zijn zorg wordt niet beloond met bewaring. Het boek verzwijgt dat niet en verzacht het niet.

Typologie: De psalm tekent hetzelfde overstelpende met één beeld: "al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan" (Ps. 42:8). De golven zijn daar niet los van God gedacht, maar worden de Zijne genoemd. Dat is precies de moeilijkheid waar dit hoofdstuk de lezer voor plaatst, en het boek zal die niet wegnemen.

Job 1:13-19; Ps. 42:8

De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen  — het antwoord van Job op één dag verlies is geen berusting maar aanbidding: "de Naam des HEEREN zij geloofd!" (Job 1:21)

Job staat op en scheurt zijn mantel. Hij scheert zijn hoofd, valt op de aarde en buigt zich neer (Job 1:20). Zijn rouw is dus niet ingehouden; hij doet alles wat een rouwende in die tijd deed. Wat hij daarna zegt, is kort. Naakt is hij uit de schoot van zijn moeder gekomen en naakt zal hij terugkeren. De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen, en de Naam des HEEREN zij geloofd (Job 1:21). Het hoofdstuk sluit met een oordeel van de Schrift zelf: in dit alles zondigde Job niet en schreef hij God niets ongerijmds toe (Job 1:22).

Bijbelse betekenis: Merk eerst op wat Job niet doet. Hij verbergt zijn verdriet niet en hij spreekt geen dappere woorden over een tegenslag. Hij scheurt zijn kleed en valt op de grond. Rouw en aanbidding sluiten elkaar hier niet uit; zij gebeuren in hetzelfde vers. Let vervolgens op wat hij belijdt. Hij zegt niet dat de Sabeeërs genomen hebben of dat de wind hem beroofd heeft, hoewel dat ook waar was. Hij noemt de HEERE, en hij noemt Hem ook als de Gever. Wie zo terugkijkt, verliest niet wat hem toekwam maar geeft terug wat hem geleend was. En het slotvers is even belangrijk. God zag zijn woorden aan en keurde ze goed. Dat betekent niet dat elk woord van Job in dit boek zo geprezen wordt, maar wel dat deze belijdenis geen vroom vertoon was.

Typologie: Paulus zegt hetzelfde in twee regels, en hij trekt er de les uit dat het genoeg is om voedsel en deksel te hebben: "wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen" (1 Tim. 6:7). Jakobus wijst juist op het einde van deze geschiedenis: "gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer" (Jak. 5:11).

Job 1:20-22; 1 Tim. 6:7; Jak. 5:11

De vergadering der zonen Gods  — een bijeenkomst in de hemel waar Gods dienaren zich voor Hem stellen, het toneel waarop het boek Job opent (Job 1:6; 2:1)

"Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam" (Job 1:6). Dezelfde samenkomst herhaalt zich later in het boek: "Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen" (Job 2:1). Binnen deze vergadering vindt een gesprek plaats tussen de HEERE en de satan over Job, waarna deze laatste toestemming krijgt om Job te beproeven, met een uitdrukkelijke grens die de HEERE Zelf stelt (Job 1:12; 2:6).

Bijbelse betekenis: Merk op de aanduiding kinderen Gods: geen menselijke vergadering, maar hemelse dienaren die zich voor de HEERE stellen, zoals een hoveling zich voor een koning stelt. Let vervolgens op wat er in deze vergadering gebeurt: geen troonrede maar een verhoor, waarin de HEERE Zelf de vraag stelt en de grenzen bepaalt. Let ten slotte op de plaats van de satan binnen dit tafereel: hij komt in het midden van hen, maar staat onder Gods gezag; hij handelt geen moment buiten de grens die hem gesteld wordt. Het boek gaat hier niet dieper op de aard van deze samenkomst in dan de tekst zelf doet, en laat het bij wat er feitelijk gezegd wordt.

Typologie: Een vergelijkbare hemelse vergadering ziet de profeet Micha: "Ik zag den HEERE, zittende op Zijn troon, en al het hemelse heir staande nevens Hem, aan Zijn rechter hand en aan Zijn linkerhand" (1 Kon. 22:19). Asaf bezingt eveneens zo’n vergadering: "God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden" (Ps. 82:1).

Job 1:6; Job 2:1; 1 Kon. 22:19; Ps. 82:1

Alle bijbelse begrippen in één overzicht →

© Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas

Christus in dit hoofdstuk Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk

Profeet, priester en koning niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding ambt

De aanklager voor de troon — 1:6-12, 20-22

Het boek Job begint niet bij Job maar boven Job. De lezer krijgt te zien wat de hoofdpersoon zelf nooit te zien krijgt: een hemelse zitting, waarin over hem gesproken wordt terwijl hij thuis offers brengt voor zijn kinderen.

Er staat een aanklager voor Gods troon die de vroomheid van een mens in twijfel trekt, en die aanklager krijgt precies zoveel ruimte als God hem geeft — geen streep meer.

De kinderen Gods komen zich voor de HEERE stellen, en de satan komt in het midden van hen. De kanttekening legt beide woorden uit. Die kinderen Gods zijn de engelen, niet omdat zij van nature zonen zijn zoals de Eniggeborene van de Vader, maar omdat zij daartoe gemaakt zijn. En het beeld van dat zich stellen is ontleend aan wereldse vorsten, die hun dienaren laten voorkomen om rekenschap te vragen. Wat er dus getoond wordt is een rechtszitting, en één van de aanwezigen is een tegenpartij: satan betekent tegenstander, en zo heet de boze geest omdat hij de gelovigen haat en hen aanklaagt voor God.

De eerste die spreekt is God, en Hij begint met een lofrede: hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? De aanklager antwoordt niet met een beschuldiging maar met een vraag, en die vraag is doortrapter dan een beschuldiging: “Is het om niet, dat Job God vreest?” Hij zegt niet dat Job slecht is. Hij zegt dat Job berekenend is. En daarmee raakt hij niet alleen Job maar God: alsof God alleen liefgehad wordt door wie ervoor betaald krijgt.

Daarna komt het woord waar heel het boek op rust. God geeft de aanklager ruimte, en Hij geeft er meteen een grens bij: al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. In het tweede hoofdstuk wordt die grens verlegd en opnieuw getrokken — zijn lichaam wel, zijn leven niet. De aanklager kan dus veel, maar hij kan niets buiten de maat die hem wordt toegemeten. Wat Job overkomt als een storm zonder reden, is boven zijn hoofd afgepast tot op de streep.

En als alles weg is, staat er van Job iets dat de aanklager onmogelijk had geacht. Hij scheurt zijn mantel, hij valt ter aarde — en hij aanbidt: de HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd. De vraag of iemand God om niet vreest, is daarmee beantwoord door een man die van niets meer wist dan dat hij alles kwijt was.

Hier ligt de lijn naar het Nieuwe Testament, en zij is verrassend recht. Dezelfde aanklager verschijnt daar opnieuw, en opnieuw met een verzoek: de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe. Maar er staat iets bij dat in Job nog niet hardop klinkt: “Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.” Waar Job niets wist van wat er boven hem gebeurde, krijgt Petrus te horen dat er in diezelfde zitting ook voor hem gesproken is.

Johannes zet die twee stemmen ten slotte naast elkaar. Wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige — en in de Openbaring wordt de verklager van de broeders, die hen dag en nacht verklaagde voor onze God, neergeworpen. Het boek Job opent de deur van die zaal op een kier en laat de aanklager zien. Het Evangelie doet de deur open en laat zien Wie er tegenover hem staat.

  1. Job 1:6 — Een hemelse zitting, en de tegenstander staat er middenin.
  2. Job 1:9 — Zijn aanklacht is een vraag: is het om niet, dat Job God vreest?
  3. Job 1:12 — God geeft hem ruimte, en trekt er meteen een grens omheen.
  4. Zacharia 3:1-2 — Hetzelfde tafereel, nu met de Engel des HEEREN die de aanklager bestraft.
  5. Lukas 22:31-32 — De satan begeert te ziften, en er is gebeden dat het geloof niet ophoudt.
  6. Openbaring 12:10-11 — De verklager der broederen wordt neergeworpen, door het bloed des Lams.

In het Nieuwe Testament: Lukas 22:31-32; 1 Johannes 2:1; Openbaring 12:10-11; Romeinen 8:33-34; Zacharia 3:1-2

Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Job 1 en 2 niet aan. Wat in deze hoofdstukken zelf staat, is de aanklager voor Gods troon en de grens die God hem stelt; van een pleitbezorger aan de andere kant wordt hier nog niets gezegd. Dat er Iemand tegenover die aanklager staat, is het latere licht: Lukas 22 en 1 Johannes 2 zeggen het met zoveel woorden, en Zacharia 3 toont hetzelfde tafereel al met de Engel des HEEREN erbij. De verbinding is dus verantwoord, maar zij komt van elders en niet uit Job.

Wat betekenen de niveaus?

Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.

  1. niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
  2. niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
  3. niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
  4. niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst

Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.

Alle heenwijzingen naar Christus in één overzicht →

© Teun van der Plas

Job 1

Job 1:1.KruisverwijzingenEzechiël 14:14Ezechiël 14:20Jakobus 5:11Genesis 17:1Job 1:8Genesis 6:9Job 2:3Jeremia 25:20
— Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.
Dit was Jobs karakter vóór de beproeving die hem beroemd gemaakt heeft. Misschien zouden wij, als die beproeving er niet geweest was, nooit van hem gehoord hebben; nu schrijft de apostel Jakobus: gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord. God heeft door grote verdrukkingen aan Zijn knecht die bruikbaarheid gegeven waar hij misschien om gebeden had, zonder te weten hoe zij tot hem zou komen. Een lang aanhoudend leven van voorspoed verheerlijkt God misschien niet zo waarachtig als een leven dat door tegenspoed doorschakeerd is. En God, Die Zijn knecht eer wilde aandoen, deed zoals koningen doen wanneer zij iemand tot ridder slaan: zij slaan met de platte kant van het zwaard. Zo sloeg God de aartsvader Job, opdat Hij hem boven zijn medemensen zou verheffen. De Heere wilde hem tot Job de lijdzame maken, maar daartoe moest Hij hem eerst tot Job de lijder maken.

Uit dit boek leer ik wat de volmaaktheid van het Evangelie is. Ons wordt gezegd dat Job oprecht en vroom was, en toch weet ik zeker dat hij niet vrij was van neigingen tot het kwade; hij was niet volstrekt volmaakt. Zoals de oude Trapp zegt: “Gods volk mag volmaakt zijn, maar het is niet volmaakt volmaakt.” En zo was het stellig ook met Job. Er waren diep in zijn karakter gebreken die zijn beproevingen aan het licht brachten en die de genade van God er later zonder twijfel uit weggenomen heeft. Maar naar de wijze van spreken die in de heilige Schrift gebruikt wordt, was Job een “oprecht” man: hij was zuiver, van harte toegewijd, geheiligd. En hij was ook “vroom”: hij helde niet naar deze en niet naar die kant, er zat geen kronkel in hem, hij had geen zelfzuchtige bedoelingen te dienen. Hij was “een die God vreesde”. Ieder kon dat zien; en bijgevolg haatte hij het kwade met heel zijn hart. Job was werkelijk een man — een waar mens, een mens van het hoogste soort, want hij was een man van God. Hij had beide zijden van een godvruchtig karakter: een liefde tot God en een haat tegen de zonde.

Job 1:2.KruisverwijzingenJob 42:13Psalmen 127:3Psalmen 107:38Psalmen 128:3Esther 5:11Job 13:13
— En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren.
Het was een groot voorrecht zo een huisgezin te hebben, maar het bracht Job ook grote verantwoordelijkheden en veel zorgen. Job was hoog begunstigd dat hij zulke zonen en dochters had.

Job 1:3.KruisverwijzingenJob 29:25Job 42:12Genesis 12:16Richteren 6:3Genesis 25:61 Samuël 25:2Spreuken 10:22Genesis 29:1
— Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
Iemand kan een goed man en een rijk man zijn, maar dat is niet gewoonlijk het geval. Ik vrees dat wat Bunyan zegt maar al te waar is: “Goud en Evangelie gaan zelden samen; de godsdienst houdt het altijd met de armoede.” En toch behoorde het niet zo te zijn, want God kan iemand genoeg genade geven om al zijn goed tot eer van zijn Heere te gebruiken. Ik zou wensen dat het vaker het geval was dat wij een heilige Job zo goed als een godvruchtige Lazarus konden zien: een gezelschap mensen dat zijn toewijding aan God zou bewijzen door hun rijkdom nooit hun meester te laten worden, maar meester te zijn over al hun goed, en gestadig te beseffen dat het alles de Heere toebehoort. Dit is ten slotte het edelste erfdeel dat iemand heeft, zijn God uitgezonderd. Job kon in de tegenspoed zijn ziel in lijdzaamheid bezitten omdat hij in zijn voorspoed zijn rijkdom hém niet had laten bezitten, maar hij bezat haar. Job was geen arme man, en toch was hij een man van God — een van die “kamelen” die het klaarspelen door “het oog van een naald” te gaan.

Job 1:4.KruisverwijzingenHebreeën 13:1Psalmen 133:1
— En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.
Dat de zonen hun zusters ontboden toonde dat het geen dronken uitgelatenheid was, anders zouden zij hun zusters er niet bij gewild hebben; de zoete, zachte, fijne invloed van hun zusters zou hun feestvieren houden bij wat het behoorde te zijn. Bovendien waren zij de kinderen van een man van God, en zo zouden zij weten hoe zij hun feestvieren binnen behoorlijke grenzen moesten houden. En de zusters waren zeer bescheiden en teruggetrokken en zouden niet naar het feest gegaan zijn als zij niet ontboden waren; maar hun broers waren vriendelijk en bedachtzaam, zoals alle goede broers zullen zijn.

En toch zijn wij allen sterfelijk en feilbaar, en feesttijden zijn gevaarlijke tijden. De puriteinen noemden het vasten wel een zielsvoedend vasten; het feestvieren zouden zij een zielsverzwakkend feestvieren kunnen noemen. Salomo zei terecht: Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds. Er is altijd een risico aan feestvieren verbonden, en Job was daarom een weinig bezorgd over hoe zijn zonen zich gedragen mochten hebben.

Job 1:5.KruisverwijzingenGenesis 8:20Job 42:81 Samuël 16:51 Koningen 21:131 Koningen 21:10Genesis 35:2Leviticus 24:10Job 27:10
— Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.
Zij hadden onbezonnen met hun lippen kunnen spreken, zij hadden zelfs Gods Naam ijdellijk kunnen gebruiken, er kon iets in hun gedrag geweest zijn dat niet geheel behoorlijk was; en daarom begeerde hun vader de zonde daarvan weg te doen. Job dacht niet dat zijn zonen door zijn gebeden alleen gereinigd konden worden, maar hij moest brandoffers offeren naar het getal van hen allen, opdat ieder van hen deel zou hebben in de zegeningen die die offeranden voorstelden.

Merk op dat Job zijn toevlucht neemt tot brandoffers. Hij leefde vóórdat de Joodse wet gegeven werd, en toch gevoelde hij het besef van de noodzaak van een offer dat elk gelovig hart gevoelt wanneer het de heilige God nadert. Ik bid u, laat die gedachte nooit varen: dat wij tot God komen door middel van een offer, want er is geen andere weg tot toegang. Wij mogen denken wat wij willen, maar er is niets anders dat ooit het geweten stillen zal en ons nabij God brengen dan het offer dat God Zelf verordend heeft. En Job wist dit. Niet alleen bij gelegenheid, maar elke dag offerde hij op zijn altaar tot God, en zo zocht hij zijn huisgezin recht te houden voor Jehova.

Job 1:6.KruisverwijzingenJob 2:1Job 38:7Zacharia 3:11 Kronieken 21:11 Koningen 22:19Johannes 6:70Openbaring 12:9Daniël 3:25
— Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
Kwamen zij in de hemel? O nee! De tegenwoordigheid van God is zeer wijd uitgestrekt, en het was niet nodig de boze geest opnieuw in de hemel toe te laten om hem voor Gods aangezicht te doen komen. Engelen en allerlei verstandelijke geesten hadden als het ware een bijzondere, plechtige, algemene vergadering. Misschien werd er op die dag in verre sterren, in verschillende delen van het heelal, een hoog feest ter ere van Jehova gevierd. Maar sinds de zonde in de wereld gekomen is — sinds er zelfs onder de twaalf apostelen een Judas was — is er in elke vergadering, al is het een vergadering van de kinderen Gods, zeker een duivel: en de satan kwam ook in het midden van hen. Is hij nergens anders, dan is hij zeker daar waar de kinderen Gods samenkomen. En toch, wat een onbeschaamdheid van zijn zijde dat hij het waagt zelfs in de vergaderingen van de heiligen te komen! En wat een hardheid van hart moet hij hebben, want hij komt er binnen als een duivel en hij gaat er uit als een duivel! De kinderen Gods brengen hun geestelijke gebeden door de Heilige Geest ingegeven, maar de duivel brengt duivelse smekingen die zijn eigen boosheid hem ingeeft.

Job 1:7.Kruisverwijzingen1 Petrus 5:8Job 2:2Zacharia 6:7Zacharia 1:10Openbaring 20:8Mattheüs 12:43Openbaring 12:122 Koningen 5:25
— Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
God is de Meester van de satan, en daarom vraagt Hij hem waar hij geweest is. Ik vraag mij af of, als de Heere die vraag aan ieder hier stelde — “Van waar komt gij?” — wij er allen een bevredigend antwoord op zouden kunnen geven. Hij is gedwongen rekenschap van zichzelf te geven; hij kan geen el van zijn deur gaan zonder goddelijke toelating. Onrustig, rusteloos, altijd bezig, zoals een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden. Ach, wij weten weinig hoe nabij de satan ons nu is; en zelfs in onze uren van gebed, wanneer wij God het naast zijn, kan hij komen en ons bestoken.

Job 1:8.KruisverwijzingenJob 1:12 Koningen 23:25Job 2:3Numeri 12:7Jesaja 1:16Spreuken 8:13Job 8:20Jozua 1:7
— En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
Jobs voorspoed beloofde zoveel bestendigheid als iets onder de maan kan beloven. Deze man had om zich heen een groot huisgezin van toegewijde en verknochte knechten. Hij had rijkdom bijeengebracht van een soort die niet plotseling in waarde daalt: runderen en ezelinnen en vee. Hij hoefde niet naar markten en jaarbeurzen te gaan om met zijn goederen te handelen en zo aan voedsel en kleding te komen, want hij dreef de landbouw op grote schaal om zijn eigen hoeve heen en teelde waarschijnlijk binnen zijn eigen gebied alles wat zijn huishouding nodig had. Zijn kinderen waren talrijk genoeg om een lang geslacht van nakomelingen te beloven. Zijn voorspoed had niets meer nodig om gevestigd te zijn. Zij was op haar hoogste vloed gekomen — waar was de oorzaak die haar zou kunnen doen afnemen?

Maar boven de wolken stond de geest van het kwaad van aangezicht tot aangezicht met de oneindige Geest van al het goede, en er kwam een buitengewoon gesprek. Toen de boze rekenschap moest geven van zijn doen, beroemde hij zich erop dat hij de gehele aarde doorgegaan was. Hij was overal rondgetrokken als een koning in zijn eigen gebied, ongehinderd en ongemoeid. Toen de grote God hem eraan herinnerde dat er onder de mensen ten minste één plaats was waar hij geen voet had en waar zijn macht niet erkend werd — namelijk in het hart van Job — tartte de boze Jehova de getrouwheid van Job op de proef te stellen. Hij zei Hem dat de oprechtheid van de aartsvader aan zijn voorspoed te danken was, dat hij God diende en het kwade schuwde uit baatzuchtige beweegredenen, omdat hij bevond dat zijn gedrag hem voordeel bracht. De God des hemels nam de uitdaging van de boze aan en gaf hem toelating alle barmhartigheden weg te nemen die volgens hem de stutten van Jobs oprechtheid waren. Laten wij hierin de veranderlijkheid van alle aardse dingen zien. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Kol. 3:2), en vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft (Matth. 6:19).

Merk op dat God Job Zijn knecht noemt, zelfs in het spreken tot de duivel. En God Zelf geeft Job dat hoge karakter: hij is een man zonder gelijke, hij staat alleen onder de mensen — niemand is op de aarde gelijk hij. “Hebt gij hem opgeteld? Hebt gij zijn maat genomen, o aanklager der broederen?”

Job 1:9-10.KruisverwijzingenPsalmen 34:71 Petrus 1:5Mattheüs 16:26Psalmen 107:38Deuteronomium 28:2Job 31:25Zacharia 2:5Spreuken 10:22
— Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.
Zelfs de duivel kon geen aanklacht tegen Jobs gedrag inbrengen; daarom gaf hij te kennen dat zijn beweegredenen niet zuiver waren. Wij kunnen er zeker van zijn dat de satan, als er iets slechts in Job geweest was, het zou hebben uitgevonden en tegen hem zou hebben ingebracht. Hoe uitnemend iemand ook is, al is er niemand als hij op aarde, u kunt op hem aanmerkingen maken als u dat wilt. De satan maakte aanmerkingen op Job omdat het hem voorspoedig ging, en zijn vrienden maakten later aanmerkingen op hem omdat het hem niet voorspoedig ging. Zo kunt u van alles een vlek op iemands karakter maken als u dat van zin bent.

De zwarte hond van de hel had rondgeslopen om te zien waar hij naar binnen kon komen, en zo wist hij dat er een heining rondom Job was, en rondom zijn huis en alles wat hij had. Let erop hoe de duivel insinueert dat Job God vreesde om wat hij van Hem kon krijgen. “Zijn liefde is broodkastliefde”, zegt de satan; “hij wordt door de voorzienigheid goed betaald voor zijn eerbied jegens God.” Zelfs de duivel durfde niet te ontkennen dat Job een werkend mens was, of te zeggen dat hij aan zijn goed gekomen was door onderdrukking of roof. Nee, hij zei tot God: het werk zijner handen hebt Gij gezegend.

Job 1:11-12.KruisverwijzingenJob 2:5Job 19:21Openbaring 16:11Job 1:52 Korinthe 12:7Genesis 16:61 Koningen 22:23Jesaja 8:21
— Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.
O, wat een onheil kan de satan tegen de rechtvaardigen verzinnen! De barmhartigheid is dat hij, al is hij machtig, niet almachtig is; hij is heel boosaardig, maar er is Eén Die veel wijzer en sterker is dan hij, Die hem altijd kan omzeilen en overmeesteren. Zie, de duivel meet Jobs koren in zijn eigen schepel; maar gelukkig was het de meting van een leugenaar, dus mat hij verkeerd. Er zijn er nog altijd die zeggen: “Ja, het is een mooie zaak goed te zijn wanneer u rijk bent; het is heel gemakkelijk zich behoorlijk te gedragen wanneer alles vlot gaat. Zou die man, die nu zo een godvruchtig dienaar van God is, ook zo zijn als hij in armoede was, of als hij wreed belasterd werd, of als hij met verachting beproefd werd? Zou de genade van God hem over die ruwe bruggen dragen?” Nu, de Heere verlustigt Zich erin de genadegaven van Zijn volk te bewijzen, want het brengt grote eer aan Zijn Naam wanneer er proeven op genomen worden, om hen te toetsen en te beproeven en zelfs hun grootste tegenstander te laten weten hoe waarachtig zij zijn en wat een goddelijk werk het is dat God aan hen gewrocht heeft.

De satan kon zo ver gaan, maar niet verder; er staat een “alleen” in de toelating die hem gegeven werd: alleen aan hem strek uw hand niet uit.

Job 1:13-15.KruisverwijzingenGenesis 10:7Job 6:19Job 1:4Lukas 12:19Prediker 9:12Spreuken 27:1Lukas 21:34Lukas 17:27
— Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene. Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden. Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Dat was een kwade dag voor de moeite om te komen. De satan koos die dag uit omdat het een blijde dag was, en de beproevingen van Job daardoor te schrikkelijker zouden zijn. Had Job bovendien mogen kiezen, dan zou hij verkozen hebben dat zijn moeite kwam wanneer zijn zonen en zijn dochters aan het bidden waren, niet wanneer zij aan het feestvieren waren.

Job had deze Sabeërs geen onrecht gedaan; zij waren rovers op zoek naar buit, en toen de satan hen bewoog, kwamen zij de runderen en ezelinnen van de aartsvader stelen en zijn knechten doden. Het kwade nieuws komt hem geheel onverwacht, juist wanneer hij aan iets heel anders denkt. Er is maar één knecht overgebleven om het te vertellen, en die werd gespaard opdat Job zou weten dat het bericht waar was. Was ook die ene knecht gedood, dan had de tijding Job alleen als een gerucht kunnen bereiken dat waar of niet waar kon zijn; maar nu vertelt een van zijn eigen knechten hem het droeve verhaal, zodat er geen twijfel over bestaat. Ach, de duivel weet hoe en waar hij slaan moet wanneer hij slaat!

Job 1:16.Kruisverwijzingen2 Koningen 1:12Genesis 19:242 Koningen 1:141 Koningen 18:38Numeri 11:12 Koningen 1:10Amos 7:4Leviticus 10:2
— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Alsof Job geen tijd gelaten mocht worden om zijn geloof te verzamelen en zijn hart te bemoedigen. Deze slag moet Job te meer bedroefd hebben, omdat “het vuur Gods” de schapen verbrand had die hij gewoon was Jehova ten offer te brengen, en omdat de slag rechtstreeks van God Zelf scheen te komen, aangezien het de bliksem was die schapen en herders beide verdelgd had. Als die bliksem op de Sabeërs gevallen was terwijl zij aan het roven en plunderen waren, zou men zich niet verwonderd hebben; maar dat hij viel op de kudden van een man van God die de naakten met de vachten van zijn schapen gekleed had en vele van de vetste van de kudde God ten offer gebracht had — dat scheen wel vreemd.

Job 1:17.KruisverwijzingenGenesis 11:28Habakuk 1:6Jesaja 23:13Job 1:152 Samuël 1:3Genesis 11:31
— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Job had geen tijd om van die schok te bekomen, en de volgende slag viel al: de Chaldeën vielen op de kamelen aan. Drie zulke zware slagen zullen de aartsvader zeker genoeg beproeven, maar er kwam een vierde boodschapper met het bitterste nieuws van alle.

Job 1:18-19.KruisverwijzingenJob 1:13Job 1:4Job 19:9Job 23:2Job 6:2Jesaja 28:192 Samuël 13:28Amos 4:6
— Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene; En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Heeft ooit een ander mens zo een samenloop van moeite moeten verdragen, zulke benauwdheden de een op de ander gestapeld zonder verademing? Job moet zich door deze opeenvolgende smarten wel verdoofd en verstikt gevoeld hebben. De satan had het zo geschikt dat de moeiten van de aartsvader zo snel de een na de ander kwamen dat de goede man er volslagen door overstelpt zou worden — zo hoopte de duivel althans dat het uitkomen zou. En toch kwam het zo niet uit.

Job 1:20.Kruisverwijzingen1 Petrus 5:6Genesis 37:29Ezra 9:3Genesis 37:34Deuteronomium 9:182 Samuël 12:162 Kronieken 7:3Mattheüs 26:39
— Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
Met heel zijn last op zich stond hij op. Hij trok zich de haren niet uit als een heiden of een dwaas of iemand die door moeite ijlt, maar hij scheurde bedaard zijn mantel en schoor zijn hoofd. Grote oude man, hoe dapper draagt hij zich hier als een man! Hij viel op de aarde en boog zich neer.

Job 1:21.KruisverwijzingenPrediker 5:151 Thessalonicenzen 5:18Efeze 5:201 Timotheüs 6:7Job 2:101 Samuël 2:7Jakobus 1:17Psalmen 49:17
— En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!
Sommige van de zeldzaamste perlen zijn in de diepste wateren gevonden, en sommige van de uitgelezenste uitspraken van gelovigen zijn gekomen toen Gods golven en baren over hen heen gingen. Het vuur verteert niets dan het schuim en laat het goud des te zuiverder achter. Wat Jobs plaats voor God betreft had hij door al zijn verliezen niets verloren; want wat kon zuiverder en helderder goud zijn dan dit dat ons uit deze tekst tegenglanst, en dat zijn triomferende lijdzaamheid, zijn volkomen onderwerping en zijn blijmoedige instemming met de goddelijke wil openbaart?

Job zag alles wat hij bezat als een gave van God. Hij klaagde niet: “Ik heb vele moeizame dagen en vele bezorgde nachten besteed aan het bijeenbrengen van al die kudden en beesten die mij nu ontstolen zijn.” Wij moeten de wijsheid leren om nooit enige aardse troost aan een aardse bron toe te schrijven. Wij moeten de Gever eren en niet de gave. En wanneer wij weten dat de Heere onze bezittingen wegneemt, dan houdt de kennis dat zij Zijn eigendom zijn ons metterdaad van klagen af. Van het eerste ogenblik dat de liefde van God ons geopenbaard wordt, tot het uur waarop wij in de tegenwoordigheid van de Vader in de heerlijkheid zullen zijn, mogen wij erop rekenen dat er in elke daad van God waarin Hij van ons neemt evenzoveel oneindige liefde is als in het geven.

Ik meen dat dit de grootste woorden zijn in heel het verslag van de menselijke taal. Als wij bedenken in wat een omstandigheden deze man toen was, dan was het naar mijn gedachte een wonder van genade dat hij zo sprak.

Job 1:22.KruisverwijzingenJob 2:10Jakobus 1:121 Petrus 1:7Jakobus 1:4Romeinen 9:20Job 40:4Job 34:10Job 34:18
— In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
O, de triomfen van de almachtige genade! God geve ons zulke lijdzaamheid als Hij ons zulke beproevingen zendt, en Hem zij de eer in eeuwigheid!

© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas

Spurgeon Citaten

Sommige van de zeldzaamste perlen zijn in de diepste wateren gevonden, en sommige van de uitgelezenste uitspraken van gelovigen zijn gekomen toen Gods golven en baren over hen heen gingen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content