Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Het volkH5971, dat in duisternisH2822 wandeltH1980, zal een grootH1419 licht zienH7200; degenen, die wonenH3427 in het landH776 van de schaduw des doods, overH5921 dezelve zal een licht schijnenH5050.
Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.
Ook in dit vers
lichtH216
lichtH216
schaduw doodsH6757
KJV
Nevertheless the dimness
shall not be such as was in her vexation,
when
at the first
he lightly afflicted
the land8
of Zebulun
and the land
of Naphtali,
and afterward
did more grievously afflict
her by the way
of the sea,
beyond
Jordan,
in Galilee
of the nations.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Gij hebt dit volkH5971 vermenigvuldigdH7235, maar Gij hebt de blijdschap niet grootH1431 gemaakt; zij zullen nochtans blijdeH8055 wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogstH7105, gelijk men verheugdH1523 is, wanneer men de buitH7998 uitdeeltH2505.
Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt.
Ook in dit vers
heidenenH1471
aangezichtH6440
blijdschapH8057
verblijdtH8057
KJV
The people
that walked
in darkness
have seen
a great
light:
they that dwell
in the land
of the shadow of death,
upon them hath the light
shined.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantH3588 het jukH5923 van hun lastH5448, en den stok hunner schoudersH7926, en den staf desgenen, die hen dreefH5065, hebt Gij verbrokenH2865, gelijk ten dageH3117 der MidianietenH4080;
Want het juk van hun last, en den stok hunner schouders, en den staf desgenen, die hen dreef, hebt Gij verbroken, gelijk ten dage der Midianieten;
Ook in dit vers
stokH4294
stafH7626
KJV
Thou hast multiplied
the nation,
and not increased
the joy:
they joy
before
thee according to the joy
in harvest,
and as men rejoice
when they divide
the spoil.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Toen de ganseH3605 strijdH5430 dergenen, die streden, met gedruisH7494 geschiedde, en de klederenH8071 in het bloedH1818 gewenteldH1556 en verbrandH8316 werden, tot een voedselH3980 des vuursH784.
Toen de ganse strijd dergenen, die streden, met gedruis geschiedde, en de klederen in het bloed gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel des vuurs.
KJV
For thou hast broken
the yoke
of his burden,
and the staff
of his shoulder,
the rod
of his oppressor,
as in the day
of Midian.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantH3588 een Kind is ons geborenH3205, een ZoonH1121 is ons gegevenH5414, en de heerschappijH4951 is opH5921 Zijn schouderH7926; en men noemtH7121 Zijn naamH8034 WonderlijkH6382, RaadH3289, SterkeH1368 GodH410, VaderH1 der eeuwigheidH5703, VredevorstH8269;
Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst;
Ook in dit vers
KindH3206
vredesH7965
KJV
For every battle
of the warrior
is with confused noise,
and garments
rolled
in blood;
but this shall be with burning
and fuel
of fire.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Der grootheidH4766 dezer heerschappijH4951 en des vredesH7965 zal geenH369 eindeH7093 zijn opH5921 den troonH3678 van DavidH1732 en in zijn koninkrijkH4467, om dat te bevestigenH3559, en dat te sterkenH5582 met gericht en met gerechtigheid, van nuH6258 aan totH5704 in eeuwigheidH5703 toe. De ijverH7068 des HEERENH3068 der heirscharenH6635 zal zulks doenH6213.
Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver des HEEREN der heirscharen zal zulks doen.
Ook in dit vers
gerichtH4941
eeuwigheidH5769
gerechtigheidH6666
KJV
For unto us a child
is born,
unto us a son
is given:
and the government2
shall be upon his shoulder:
and his name
shall be called
Wonderful,
Counsellor,
The mighty
God,
The everlasting
Father,
The Prince
of Peace.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
De HeereH136 heeft een woordH1697 gezondenH7971 in JakobH3290, en het is gevallenH5307 in IsraelH3478.
De Heere heeft een woord gezonden in Jakob, en het is gevallen in Israel.
KJV
Of the increase
of his government
and peace
there shall be no end,
upon the throne
of David,
and upon his kingdom,
to order
it, and to establish
it with judgment
and with justice
from henceforth even for
ever.
The zeal
of the LORD
of hosts
will perform
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En alH3605 dit volkH5971 zal het gewaarH3045 worden, EfraimH669 en de inwonerH3427 van SamariaH8111; in hoogmoedH1346 en grootsheidH1433 des hartenH3824, zeggendeH559:
En al dit volk zal het gewaar worden, Efraim en de inwoner van Samaria; in hoogmoed en grootsheid des harten, zeggende:
KJV
The Lord
sent
a word
into Jacob,
and it hath lighted
upon Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
De tichelstenenH3843 zijn gevallenH5307, maar met uitgehouwen stenenH1496 zullen wij wederom bouwenH1129; de wilde vijgebomenH8256 zijn afgehouwenH1438, maar wij zullen ze in cederenH730 veranderenH2498;
De tichelstenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen stenen zullen wij wederom bouwen; de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in cederen veranderen;
KJV
And all the people
shall know,
even Ephraim
and the inhabitant
of Samaria,
that say
in the pride
and stoutness
of heart,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Want de HEEREH3068 zal RezinsH7526 tegenpartijdersH6862 tegenH5921 hem verheffenH7682, en Hij zal zijn vijanden samen vermengenH5526:
Want de HEERE zal Rezins tegenpartijders tegen hem verheffen, en Hij zal zijn vijanden samen vermengen:
Ook in dit vers
vijandenH341
KJV
The bricks
are fallen down,
but we will build
with hewn stones:
the sycomores
are cut down,
but we will change
them into cedars.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
De SyriersH758 van vorenH6924, en de FilistijnenH6430 van achterenH268, dat zij IsraelH3478 opetenH398 met vollen mondH6310. Om dit alles keert Zijn toornH639 zich nietH3808 af, maar Zijn handH3027 is nogH5750 uitgestrektH5186.
De Syriers van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij Israel opeten met vollen mond. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
KJV
Therefore the LORD
shall set up
the adversaries
of Rezin
against him, and join
his enemies
together;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Want dit volkH5971 keert zich niet totH5704 Dien, Die het slaatH5221, en den HEEREH3068 der heirscharenH6635 zoekenH1875 zij niet.
Want dit volk keert zich niet tot Dien, Die het slaat, en den HEERE der heirscharen zoeken zij niet.
Ook in dit vers
allesH7725
KJV
The Syrians
before,
and the Philistines
behind;
and they shall devour
Israel
with open mouth.
For all this his anger
is not turned away,3
but his hand
is stretched out still.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Daarom zal de HEEREH3068 afhouwenH3772 uit IsraelH3478 den kopH7218 en den staartH2180, den takH3712 en de biezeH100, op eenH259 dagH3117.
Daarom zal de HEERE afhouwen uit Israel den kop en den staart, den tak en de bieze, op een dag.
KJV
For the people
turneth
not unto him that smiteth
them, neither do they seek
the LORD2
of hosts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
(De oudeH2205 en aanzienlijke, die is de kopH7218; maar de profeetH5030, die valsheidH8267 leertH3384, dieH1931 is de staartH2180.)
(De oude en aanzienlijke, die is de kop; maar de profeet, die valsheid leert, die is de staart.)
KJV
Therefore the LORD
will cut off
from Israel
head5
and tail,10
branch
and rush,
in one
day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Want de leiders dezes volksH5971 zijnH1961 verleidersH8582, en dieH2088 van hen geleid worden, worden ingesloktH1104.
Want de leiders dezes volks zijn verleiders, en die van hen geleid worden, worden ingeslokt.
Ook in dit vers
geleidH833
leidersH833
KJV
The ancient
and honourable,
he
is the head;
and the prophet
that teacheth
lies,
he is the tail.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
DaaromH3651 zal zich de HeereH136 niet verblijdenH8055 over hun jongelingenH970, en hunner wezen en hunner weduwenH490 zal Hij zich niet ontfermenH7355, want zij zijn allen te zamen huichelaarsH2611 en boosdoenersH7489, en alle mondH6310 spreektH1696 dwaasheidH5039. Om ditH2063 alles keert Zijn toornH639 zich niet af, maar Zijn handH3027 is nogH5750 uitgestrektH5186.
Daarom zal zich de Heere niet verblijden over hun jongelingen, en hunner wezen en hunner weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen te zamen huichelaars en boosdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
Ook in dit vers
allesH7725
KJV
For the leaders
of this people
cause them to err;
and they that are led
of them are destroyed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Want de goddeloosheidH7564 brandtH1197 als vuurH784, doornen en distelen zal zij verterenH398, en zal aansteken de verwarde struikenH5442 des woudsH3293, die zich verhevenH55 hebben als de verheffingH1348 des rooksH6227.
Want de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken des wouds, die zich verheven hebben als de verheffing des rooks.
Ook in dit vers
aanstekenH3341
distelenH7898
doornenH8068
KJV
Therefore the Lord
shall have no joy
in their young men,
neither shall have mercy
on their fatherless
and widows:
for every one is an hypocrite
and an evildoer,
and every mouth
speaketh
folly.
For all this his anger
is not turned away,
but his hand
is stretched out still.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Vanwege de verbolgenheidH5678 des HEERENH3068 der heirscharenH6635, zal het landH776 verduisterdH6272 worden; en het volk zal zijnH1961 als een voedselH3980 des vuursH784: de een zal den ander nietH3808 verschonenH2550.
Vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel des vuurs: de een zal den ander niet verschonen.
Ook in dit vers
volksH5971
anderH251
KJV
For wickedness
burneth
as the fire:9
it shall devour
the briers
and thorns,
and shall kindle
in the thickets
of the forest,
and they shall mount up
like the lifting up
of smoke.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Zo hij ter rechterhandH3225 snijdtH1504, zal hij toch hongerenH7456, en zo hij ter linkerhandH8040 eet, zal hij toch nietH3808 verzadigdH7646 worden; een iegelijkH376 zal het vleesH1320 zijns armsH2220 eten;
Zo hij ter rechterhand snijdt, zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; een iegelijk zal het vlees zijns arms eten;
Ook in dit vers
verterenH398
eetH398
KJV
Through the wrath
of the LORD
of hosts
is the land
darkened,
and the people
shall be as the fuel
of the fire:
no man10
shall spare
his brother.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Manasse Efraim, en Efraim Manasse, en zijH1992 zullen te zamen tegenH5921 JudaH3063 zijn. Om ditH2063 alles keert Zijn toornH639 zich nietH3808 af, maar Zijn handH3027 is nogH5750 uitgestrektH5186.
Manasse Efraim, en Efraim Manasse, en zij zullen te zamen tegen Juda zijn. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
KJV
And he shall snatch
on the right hand,
and be hungry;
and he shall eat
on the left hand,
and they shall not be satisfied:
they shall eat
every man
the flesh
of his own arm:
Maar het land,
Hier beginnen sommigen het negende hoofdstuk. Immers begint hier de profeet het volk te troosten, nadat hij het in de naastvoorgaande verzen door zware dreigementen verschrikt had; alsof hij zeide: Alhoewel God de Heere zijn land, dat is het land van Israël, zwaarlijk heeft aangetast, toen Hij het eerst door Tiglath Pileser [ 2 Kon. 15:29 ] heeft laten bederven en daarna nog zwaarder het ganse land aan de zee, en hetgeen over de Jordaan ligt, ja ook Galilea, dat aan de grenzen der heidenen strekt, door Salmanasser gestraft heeft, zo zal Hij nochtans niet toelaten dat het in de uiterste duisternis en ellende blijft, maar het volk, dat in duisternis zit, of wandelt, zal ten tijde van Christus heerlijk gemaakt worden, gelijk hier in het algemeen gezegd wordt, en daarna bijzonderlijk in Jes. 9.
Hertaald:
Maar het land,
Hier laten sommigen het negende hoofdstuk beginnen. In elk geval begint de profeet hier het volk te troosten, nadat hij het in de direct voorgaande verzen met zware dreigementen had doen schrikken. Het is alsof hij zei: hoewel God de HEERE Zijn land, dat is: het land Israël, zwaar getroffen heeft — eerst toen Hij het door Tiglath-Pileser liet verwoesten (2 Kon. 15:29) en daarna nog zwaarder, toen Hij het hele land aan de zee en het gebied aan de overzijde van de Jordaan, ja ook Galilea dat tot aan de grenzen van de heidenen reikt, door Salmanassar strafte — zal Hij toch niet toelaten dat het in de uiterste duisternis en ellende blijft. Het volk dat in duisternis zit of wandelt, zal in de tijd van Christus heerlijk gemaakt worden, zoals hier in het algemeen gezegd wordt en daarna in het bijzonder in Jes. 9.
Hij het
Te weten God de Heere.
Hertaald:
Hij het
Namelijk: God de HEERE.
Zebulon aan,
Versta hier door het land Zebulon en Nafthali het land der tien stammen, die de profeet hier noemt, omdat de verlossing eerst in dezelve begonnen is, te weten, door de predikatie van Christus; Matt. 4:12-15 .
Hertaald:
Zebulon aan,
Versta onder het land van Zebulon en Nafthali het land van de tien stammen, dat de profeet hier noemt omdat de verlossing daar het eerst begonnen is, namelijk door de prediking van Christus; Matth. 4:12-15.
in het laatste
Of, ten laatste, in de laatste tijden.
Hertaald:
in het laatste
Of: ten laatste, in de laatste tijden.
zeewaarts
Versta hier de Galilese zee, ander de zee Genezareth, of van Tiberias genoemd.
Hertaald:
zeewaarts
Versta hier de Galilese zee, ook wel het meer Genezareth of van Tiberias genoemd.
over de Jordaan,
Anders: aan deze zijde der Jordaan. Het Hebreeuwse woord betekent zo het een als het ander. Anders: omtrent de Jordaan.
Hertaald:
over de Jordaan,
Anders: aan deze zijde van de Jordaan. Het Hebreeuwse woord betekent zowel het een als het ander. Anders: in de omgeving van de Jordaan.
der heidenen
Aldus genoemd omdat die van Tyrus, Sidon en andere heidense natiën westwaarts en andere oostwaarts daaraan grensden. Anders: aan het volkrijke Galilea, hetwelk is Neder Galilea , bij de zee Genezareth of van Tiberias gelegen, hetwelk volkrijk was, omdat het vruchtbaar was, gelijk te zien is Deut. 33:23 . Zo van onder- en boven-Galilea, 1 Kon. 9:11, en Ezech. 47:8 .
Hertaald:
der heidenen
Zo genoemd omdat de inwoners van Tyrus, Sidon en andere heidense volken er in het westen aan grensden en weer andere in het oosten. Anders: aan het volkrijke Galilea, dat is Neder-Galilea, gelegen bij het meer Genezareth of van Tiberias; dat was volkrijk omdat het vruchtbaar was, zoals te zien is in Deut. 33:23. Over Neder- en Boven-Galilea, zie 1 Kon. 9:11 en Ezech. 47:8.
volk,
Te weten, het volk Gods, zo in Juda als in Israël.
Hertaald:
volk,
Namelijk: het volk van God, zowel in Juda als in Israël.
in duisternis wandelt,
Dat is, onwetenschap, of in grote ellende.
Hertaald:
in duisternis wandelt,
Dat is: in onwetendheid, of in grote ellende.
een groot
Te weten, predikatie van het heilig Evangelie; Matt. 4:13 , Matt. 4:16 , ten tijde der verschijning van Christus in het vlees, gelijk af te nemen is uit vs.5.
Hertaald:
een groot
Namelijk: de prediking van het heilig Evangelie, Matth. 4:13 en Matth. 4:16, in de tijd van de verschijning van Christus in het vlees, zoals uit vers 5 op te maken is.
in het land
Dat is, in het land waar het schrikkelijk duister is; dat is, in zeer grote ellende; zie Job 3:5 .
Hertaald:
in het land
Dat is: in het land waar het vreselijk donker is — dat is: in zeer grote ellende; zie Job 3:5.
een licht schijnen
Dat is, vreugde en blijdschap vanwege de zaligmakende kennis van God, hun oorsprong nemende uit de predikatie van het heilige Evangelie, zie Matt. 4:15 . Zie ook Ps. 36:10 .
Hertaald:
een licht schijnen
Dat is: vreugde en blijdschap vanwege de zaligmakende kennis van God, die haar oorsprong heeft in de prediking van het heilig Evangelie, zie Matth. 4:15. Zie ook Ps. 36:10.
Gij hebt
Dit wordt gesproken tot God, aangaande het volk der Joden of Israëlieten.
Hertaald:
Gij hebt
Dit wordt tot God gesproken, over het volk van de Joden of Isra«lieten.
maar Gij hebt de blijdschap . . .
Anders: en Gij hebt hun de blijdschap groot gemaakt, of: hebt Gij niet de blijdschap groot gemaakt? Naar de eerste overzetting is dit de zin: De Israëlieten hebben zich wel meermalen verblijd vanwege de treffelijke weldaden en verlossingen, die zij van uwe hand, o Heere, verkregen hebben, maar dat alles is klein ten aanzien van de overgrote, zo lichamelijke als geestelijke weldaden, die zij van U, Heere God, nog verwachtende zijn. Naar de andere overzetting is dit de zin: Heere, Gij hebt de blijdschap des volks groot gemaakt [sprekende van den stand der kerk van het Nieuwe Testament] doordien zij [bestaande uit Israëlieten en heidenen] met elkander eenparig U zullen loven vanwege de grote weldaden, hun in Christus bewezen.
Hertaald:
maar Gij hebt de blijdschap . . .
Anders: en U hebt hun blijdschap groot gemaakt; of: hebt U de blijdschap niet groot gemaakt? Volgens de eerste vertaling is dit de betekenis: de Isra«lieten hebben zich wel meermalen verblijd over de uitnemende weldaden en verlossingen die zij van Uw hand, o HEERE, ontvangen hebben, maar dat alles is klein vergeleken met de zeer grote lichamelijke én geestelijke weldaden die zij nog van U, HEERE God, te verwachten hebben. Volgens de andere vertaling is dit de betekenis: HEERE, U hebt de blijdschap van het volk groot gemaakt — en dan wordt gesproken over de staat van de kerk van het Nieuwe Testament — doordat zij, bestaande uit Isra«lieten en heidenen, U eendrachtig samen zullen loven vanwege de grote weldaden die hun in Christus bewezen zijn.
blijde wezen
Te weten als zij U zullen danken voor uwe genade en weldaden; namelijk als zij Christus zullen horen prediken en zijne wonderwerken zien zullen.
Hertaald:
blijde wezen
Namelijk: wanneer zij U zullen danken voor Uw genade en weldaden, en met name wanneer zij Christus zullen horen prediken en Zijn wonderwerken zullen zien.
voor Uw aangezicht,
Dit schijnt te betekenen de geestelijke blijdschap des harten, hetwelk alleen voor God openstaat. Of, voor uw aangezicht; dat is, voor U nederbukkende, als zij U komen dankzeggen.
Hertaald:
voor Uw aangezicht,
Dit lijkt de geestelijke blijdschap van het hart te betekenen, dat alleen voor God openligt. Of: voor Uw aangezicht — dat is: terwijl zij zich voor U neerbuigen wanneer zij U komen danken.
het juk
Dat is, het juk, waarmede zij belast of bezwaard waren, en den stok, waarmede men hen op de schouders sloeg. Doch dit alles is te verstaan van een geestelijk juk des duivels en der zonde, van welke Christus zijn volk verlost. En deze geestelijke verlossing wordt hier vergeleken bij de lichamelijke, die ten tijde van Midian geschied is, Richt. 7:22 ; Jes. 10:26 . Want gelijk Gideon de Midianieten door het geklank der bazuinen verstrooid en verslagen heeft, alzo zou Christus door de bazuin van het heilig Evangelie het rijk des duivels verstoren.
Hertaald:
het juk
Dat is: het juk waarmee zij belast of bezwaard waren, en de stok waarmee men hen op de schouders sloeg. Maar dit alles moet verstaan worden van het geestelijke juk van de duivel en van de zonde, waarvan Christus Zijn volk verlost. Deze geestelijke verlossing wordt hier vergeleken met de lichamelijke verlossing die in de tijd van Midian gebeurd is, Richt. 7:22 en Jes. 10:26. Want zoals Gideon de Midianieten door het geschal van de bazuinen verstrooid en verslagen heeft, zo zou Christus door de bazuin van het heilig Evangelie het rijk van de duivel verstoren.
desgenen,
Of, desgenen, die daarmede dreEf.
Hertaald:
desgenen,
Of: van hem die daarmee dreef.
met gedruis
Te weten, als die schrik over hen kwam en zij elkander ombrachten; Richt. 7:22 . Anders: met verward gewoel.
Hertaald:
met gedruis
Namelijk: toen die schrik over hen kwam en zij elkaar ombrachten; Richt. 7:22. Anders: met verward rumoer.
de klederen
Anders, de mantels; te weten der Midianieten.
Hertaald:
de klederen
Anders: de mantels, namelijk van de Midianieten.
in het bloed
Anders: in het vergoten bloed; te weten der Midianieten.
Hertaald:
in het bloed
Anders: in het vergoten bloed, namelijk van de Midianieten.
voedsel des vuurs
Hebreeuws, spijs.
Hertaald:
voedsel des vuurs
Hebreeuws: spijs.
Want
Hier geeft de profeet reden waarom hij gezegd heeft dat het volk, hetwelk in duisternis wandelde, vs.1, groter vreugde en blijdschap genieten zou dan het eertijds gedaan heeft, en waarom hunne lasten zouden verbroken worden, te weten omdat hun een kind zou geboren worden, hetwelk hun een eeuwige vreugde en zaligheid zou aanbrengen. Vergelijk onder Jes. 10:27 .
Hertaald:
Want
Hier geeft de profeet de reden waarom hij gezegd heeft dat het volk dat in duisternis wandelde, vers 1, groter vreugde en blijdschap zou genieten dan het vroeger gedaan heeft, en waarom hun lasten verbroken zouden worden: namelijk omdat hun een Kind geboren zou worden dat hun een eeuwige vreugde en zaligheid zou brengen. Vergelijk hieronder Jes. 10:27.
een Kind
Te weten Jezus Christus, den vaderen van den aan beginne der wereld beloofd.
Hertaald:
een Kind
Namelijk: Jezus Christus, Die aan de vaderen vanaf het begin van de wereld beloofd is.
is ons geboren,
Dat is, zal ons in de volheid des tijds geboren worden. De profeet spreekt van de geboorte van Christus niet anders, dan of het alrede geschied ware vanwege de zekerheid dezer profetie. Zie Isa 53 , in de beschrijving van het lijden van Christus.
Hertaald:
is ons geboren,
Dat is: zal ons in de volheid van de tijd geboren worden. De profeet spreekt over de geboorte van Christus niet anders dan alsof zij al gebeurd was, vanwege de zekerheid van deze profetie. Zie Jes. 53, in de beschrijving van het lijden van Christus.
een Zoon
Te weten Jezus Christus, de Zoon van God; Ps. 2:7 , en de Zoon van Maria; Jes. 7:14 .
Hertaald:
een Zoon
Namelijk: Jezus Christus, de Zoon van God, Ps. 2:7, en de Zoon van Maria, Jes. 7:14.
ons
Te weten het volk Gods; of [ ons ], dat is, tot onze zaligheid; Luc. 2:10-11 .
Hertaald:
ons
Namelijk: het volk van God; of: ons, dat is: tot onze zaligheid; Luk. 2:10-11.
gegeven,
Te weten van God; Joh. 4:10 .
Hertaald:
gegeven,
Namelijk: door God; Joh. 4:10.
de heerschappij
Anders: op wiens schouders de heerschappij zal zijn; dat is, wien van den Vader alle heerschappij en inzonderheid der kerk, wordt opgelegd, en die dezelve met ernst aanneemt. Zie Matt. 28:18 ; Ef. 1:21-22 .
Hertaald:
de heerschappij
Anders: op Wiens schouders de heerschappij zal zijn — dat is: aan Wie door de Vader alle heerschappij, en in het bijzonder die over de kerk, wordt opgelegd, en Die haar met ernst aanvaardt. Zie Matth. 28:18 en Ef. 1:21-22.
noemt Zijn naam
Christus Jezus heet niet alleen alzo met den bloten naam, maar Hij is het ook inderdaad, en zijne kerk kent hem voorzulks.
Hertaald:
noemt Zijn naam
Christus Jezus heet niet alleen zo bij name, maar Hij is het ook werkelijk, en Zijn kerk kent Hem als zodanig.
Wonderlijk,
Christus is wonderlijk, zowel ten aanzien van zijn persoon, dewijl Hij God en mens is in een persoon, als ten aanzien zijner wonderlijke werken en daden.
Hertaald:
Wonderlijk,
Christus is wonderlijk, zowel wat Zijn persoon betreft — want Hij is God en mens in één persoon — als wat Zijn wonderlijke werken en daden betreft.
Raad,
Of, raadsman, raadgever, raadsheer. Versta dit alzo, dat Christus alleen den raad en het voornemen van zijnen Vader weet en aan zijne kerk openbaart en mededeelt, Joh. 1:18 , zoveel hun ter zaligheid te weten van node is, Hand. 20:27 ; Hij is het ook, die ons in allen angst en nood raad geeft en hulp doet.
Hertaald:
Raad,
Of: raadsman, raadgever, raadsheer. Versta dit zo dat Christus alleen de raad en het voornemen van Zijn Vader kent en dat aan Zijn kerk openbaart en meedeelt, Joh. 1:18, voor zover zij dat tot hun zaligheid moeten weten, Hand. 20:27. Hij is het ook Die ons in alle angst en nood raad geeft en hulp biedt.
Sterke God,
Die door de sterkte zijner Godheid den onverdragelijken last van den toorn Gods over de zonden van alle uitverkorenen aan zijne mensheid gedragen heeft, en door zijn eigen kracht van de doden is opgestaan, en de harten zijner uitverkorenen wederbaart ten eeuwigen leven; alsook door de sterkte zijner Godheid grote wonderen gedaan heeft, nog doet, en eindelijk alle doden opwekken zal.
Hertaald:
Sterke God,
Die door de sterkte van Zijn Godheid de ondraaglijke last van Gods toorn over de zonden van alle uitverkorenen in Zijn mensheid gedragen heeft, Die door Zijn eigen kracht uit de doden is opgestaan en de harten van Zijn uitverkorenen wederbaart tot het eeuwige leven; en Die ook door de sterkte van Zijn Godheid grote wonderen gedaan heeft, nog doet, en ten slotte alle doden zal opwekken.
Vader der eeuwigheid,
Dat is, die zelf van eeuwigheid is, en ons het eeuwige leven geeft.
Hertaald:
Vader der eeuwigheid,
Dat is: Die Zelf van eeuwigheid is en ons het eeuwige leven geeft.
Vredevorst;
Dat is, die ons met God verzoent. Zie Ef. 2:14 , enz.
Hertaald:
Vredevorst;
Dat is: Die ons met God verzoent. Zie Ef. 2:14, enzovoort.
dezer heerschappij
Te weten die op den schouder van den Messias zal gelegd worden.
Hertaald:
dezer heerschappij
Namelijk: de heerschappij die op de schouder van de Messias gelegd zal worden.
den troon van David
Als zijnde een rechte erfgenaam deszelven, en welke hem beloofd en toegezegd is; 2 Sam. 7:12 ; Luc. 1:32-33 . Hij heeft het tijdelijk koninkrijk veranderd in een geestelijk en eeuwig; Joh. 18:36 .
Hertaald:
den troon van David
Omdat Hij daarvan de rechtmatige erfgenaam is en die Hem beloofd en toegezegd is; 2 Sam. 7:12 en Luk. 1:32-33. Hij heeft het tijdelijke koninkrijk veranderd in een geestelijk en eeuwig koninkrijk; Joh. 18:36.
met gericht
Want Hij straft alle ongerechtigheid, en bemint en bewaart de vromen.
Hertaald:
met gericht
Want Hij straft alle ongerechtigheid en Hij bemint en bewaart de vromen.
De ijver des HEEREN
Dien Hij heeft over zijne eer en over de zaligheid zijner uitverkorenen. Zie de aantekening 2 Kon. 19:31 .
Hertaald:
De ijver des HEEREN
De ijver die Hij heeft voor Zijn eer en voor de zaligheid van Zijn uitverkorenen. Zie de aantekening bij 2 Kon. 19:31.
De HEERE
Hier komt de profeet wederom tot de dreigementen tegen de Israëlieten; alsof hij zeide: Ziet, dit is de last, dien de Heere bevolen heeft den Joden te verkondigen, want hij verstaat zo door het woord Jakob als door het woord Israël al de Joden. Alhoewel enigen menen dat dit alleen van de tien stammen te verstaan is.
Hertaald:
De HEERE
Hier keert de profeet weer terug tot de dreigementen tegen de Isra«lieten. Het is alsof hij zei: zie, dit is de last die de HEERE bevolen heeft aan de Joden te verkondigen; want hij verstaat zowel onder het woord Jakob als onder het woord Israël alle Joden. Sommigen menen echter dat dit alleen van de tien stammen verstaan moet worden.
een woord
Dat is, zijne dreigementen door zijne profeten verkondigen laten.
Hertaald:
een woord
Dat is: Hij heeft Zijn dreigementen door Zijn profeten laten verkondigen.
het is gevallen
Dat is, het zal geschieden en vervuld worden.
Hertaald:
het is gevallen
Dat is: het zal gebeuren en vervuld worden.
Efraïm
Dat is, de Israëlieten, te weten de tien stammen, waar de stam van Efraïm te dien tijde de voornaamste was.
Hertaald:
Efraïm
Dat is: de Isra«lieten, namelijk de tien stammen, waaronder de stam van Efraïm in die tijd de voornaamste was.
Samaria;
De hoofdstad der tien stammen.
Hertaald:
Samaria;
De hoofdstad van de tien stammen.
in hoogmoed
Alsof hij zeide: Die zo stout en overmoedig zijn dat zij inplaats van zich te beteren door de plagen Gods, den Heere trotseren, sprekende gelijk er volgt vs.9.
Hertaald:
in hoogmoed
Alsof hij zei: zij die zo overmoedig en brutaal zijn dat zij, in plaats van zich door de plagen van God te verbeteren, de HEERE trotseren en spreken zoals in vers 9 volgt.
De tichelstenen
Dat is, de gebouwen van gebakken stenen, die zo heel sterk niet zijn, ook zo heel veel niet kosten. Alsof zij zeiden: Ofschoon wij van de Assyriërs grote schade geleden hebben en onze huizen en goederen zeer verdorven en verwoest zijn [zie 2 Kon. 15:29 ] , zo vragen wij daar niet naar; wij willen alles beter opbouwen dan het tevoren geweest is.
Hertaald:
De tichelstenen
Dat is: de gebouwen van gebakken steen, die niet zo heel sterk zijn en ook niet zo heel veel kosten. Alsof zij zeiden: hoewel wij van de Assyriërs grote schade geleden hebben en onze huizen en goederen zwaar beschadigd en verwoest zijn (zie 2 Kon. 15:29), trekken wij ons daar niets van aan; wij zullen alles beter opbouwen dan het tevoren geweest is.
zijn gevallen,
Dat is, vergaan.
Hertaald:
zijn gevallen,
Dat is: vergaan.
uitgehouwen stenen
Anders, gesneden, geslepen, gepolijste stenen, die sterker zijn en meer kosten dan de bakstenen, ook bestendiger zijn.
Hertaald:
uitgehouwen stenen
Anders: gehouwen, geslepen, gepolijste stenen, die sterker zijn en meer kosten dan de bakstenen en ook duurzamer zijn.
de wilde vijgebomen
Zie 1 Kon. 10:27 . De zin is: De huizen, die van wilde vijgebomenhout getimmerd waren.
Hertaald:
de wilde vijgebomen
Zie 1 Kon. 10:27. De betekenis is: de huizen die van wildevijgenhout getimmerd waren.
wij zullen ze
Dat is, wij willen nu huizen gaan bouwen van cederhout, hetwelk veel beter en duurzamer is dan het wilde vijgebomenhout. Want het cederhout vergaat en verrot niet, maar het is zeer duurzaam, vanwege zijne droogte. Zie dergelijk grootspreken der trotse booswichten Mal. 1:4 .
Hertaald:
wij zullen ze
Dat is: wij zullen nu huizen gaan bouwen van cederhout, dat veel beter en duurzamer is dan het wildevijgenhout. Want cederhout vergaat en verrot niet, maar is zeer duurzaam vanwege zijn droogte. Zie een dergelijke grootspraak van trotse boosdoeners in Mal. 1:4.
Want de HEERE
Hier verklaart de profeet hoe des Heeren woord op de tien stammen vallen zou, en hoe zij het zouden gewaar worden, waarvan vs.7,8 gesproken wordt.
Hertaald:
Want de HEERE
Hier verklaart de profeet hoe het woord van de HEERE op de tien stammen zou vallen en hoe zij het zouden ondervinden, waarover in vers 7 en 8 gesproken wordt.
Rezins
Dat is, de Assyriërs, die de Joden tegen Rezin verwekt en op de been gebracht hadden, om hen den krijg aan te doen; 2 Kon. 16:7-9 .
Hertaald:
Rezins
Dat is: de Assyriërs, die de Joden tegen Rezin opgezet en op de been gebracht hadden om hem de oorlog aan te doen; 2 Kon. 16:7-9.
zijn vijanden
Te weten van Efraïm, dat is, der tien stammen der Israëlieten. En versta hier door de vijanden der Israëlieten zijn oude vijanden, die vs.11 genoemd staan. De profeet wil zeggen dat allerlei natiën tezamen onder elkander zullen lopen tot Assur, om Efraïm te verderven, nadat God Rezin en zijn koninkrijk door den koning van Assyrië zou onderdrukt hebben.
Hertaald:
zijn vijanden
Namelijk: van Efraïm, dat is: van de tien stammen van de Isra«lieten. Versta onder de vijanden van de Isra«lieten hun oude vijanden, die in vers 11 genoemd staan. De profeet wil zeggen dat allerlei volken samen naar Assur zouden toestromen om Efraïm te verderven, nadat God Rezin en zijn koninkrijk door de koning van Assyrië zou hebben onderworpen.
tezamen vermengen
Dat is, Hij zal hen van alle hoeken en kanten vergaderen en hiertoe doen aanvliegen.
Hertaald:
tezamen vermengen
Dat is: Hij zal hen van alle hoeken en kanten verzamelen en hierheen laten toesnellen.
Israël
Dat is, de Israëlieten, de tien stammen.
Hertaald:
Israël
Dat is: de Isra«lieten, de tien stammen.
opeten
Hebreeuws, eten met gansen mond.
Hertaald:
opeten
Hebreeuws: eten met volle mond.
met vollen mond
Gelijk de leeuwen, beren, tijgers en andere wilde wrede beesten doen.
Hertaald:
met vollen mond
Zoals de leeuwen, beren, tijgers en andere wilde, wrede dieren doen.
Om dit alles
Zie de aantekening Jes. 5:25 .
Hertaald:
Om dit alles
Zie de aantekening bij Jes. 5:25.
Zijn toorn
Te weten des Heeren toorn.
Hertaald:
Zijn toorn
Namelijk: de toorn van de HEERE.
is nog uitgestrekt
Te weten om nog meer te slaan en te verderven.
Hertaald:
is nog uitgestrekt
Namelijk: om nog meer te slaan en te verderven.
dit volk
Te weten de Israëlieten.
Hertaald:
dit volk
Namelijk: de Isra«lieten.
keert zich niet
Te weten met berouw en leedwezen zijner zonden en met gelovig gebed.
Hertaald:
keert zich niet
Namelijk: met berouw en spijt over zijn zonden en met een gelovig gebed.
tot Dien,
Te weten tot den waren God.
Hertaald:
tot Dien,
Namelijk: tot de ware God.
zoeken zij niet
Te weten door hun gebed, gelijk Ps. 34:5 ; of door onderhouding zijner geboden, gelijk 2 Kron. 14:4 .
Hertaald:
zoeken zij niet
Namelijk: door hun gebed, zoals in Ps. 34:5, of door het onderhouden van Zijn geboden, zoals in 2 Kron. 14:4.
afhouwen
Te weten door Salmanasser, den koning van Assyrië. Zie 2 Kon. 17:3 .
Hertaald:
afhouwen
Namelijk: door Salmanassar, de koning van Assyrië. Zie 2 Kon. 17:3.
den kop . . . den tak
Dat is, de sterken en geweldigen met de kleinen en geringen. Daarom stelt hier de profeet den tak niet den boom, omdat de wortel en stam of tronk van het Israëlietische volk in wezen gebleven en weder uitgewassen is, maar de takken zijn afgehouwen.
Hertaald:
den kop . . . den tak
Dat is: de sterken en machtigen samen met de kleinen en geringen. De profeet noemt hier de tak en niet de boom, omdat de wortel en de stam of tronk van het Israëlitische volk in stand gebleven en weer uitgegroeid is, terwijl alleen de takken afgehouwen zijn.
op eenen dag
Dat is, tegelijk en haastiglijk.
Hertaald:
op eenen dag
Dat is: tegelijk en snel.
aanzienlijke,
Hebreeuws, de verhevene van aangezicht; zie boven Jes. 3:3 .
Hertaald:
aanzienlijke,
Hebreeuws: de verhevene van aangezicht; zie hierboven Jes. 3:3.
valsheid leert,
Dat is, een valse leer of religie.
Hertaald:
valsheid leert,
Dat is: een valse leer of godsdienst.
is de staart
Dat is, betekent.
Hertaald:
is de staart
Dat is: betekent.
Want
Deze woorden hangen aan vs.13.
Hertaald:
Want
Deze woorden sluiten aan bij vers 13.
de leiders
Dat is, de regenten, zo kerkelijke als politieke. Zie de aantekening Jes. 3:12 .
Hertaald:
de leiders
Dat is: de bestuurders, zowel de kerkelijke als de wereldlijke. Zie de aantekening bij Jes. 3:12.
zijn verleiders,
Omdat zij het volk, behalve allerlei andere verleidingen, wijsmaakten dat hetgeen God dreigde niet geschieden zou, maar dat alles in goeden welstand blijven zou.
Hertaald:
zijn verleiders,
Omdat zij het volk, naast allerlei andere verleidingen, wijsmaakten dat wat God dreigde niet zou gebeuren, maar dat alles in goede staat zou blijven.
worden ingeslokt
Of, verslonden; te weten van hunne verleiders. Vergelijk Jes. 3:12 . Anders: zijn bedekt; dat is hun hart te overdekt met onwetendheid en valsen waan.
Hertaald:
worden ingeslokt
Of: verslonden, namelijk door hun verleiders. Vergelijk Jes. 3:12. Anders: zijn bedekt — dat is: hun hart is overdekt met onwetendheid en met een valse waan.
niet verblijden
Versta hierbij, maar Hij zal hen gevankelijk laten wegvoeren, of ombrengen, dewijl zij boos en bedorven zijn.
Hertaald:
niet verblijden
Vul hierbij aan: maar Hij zal hen in gevangenschap laten wegvoeren of hen ombrengen, omdat zij boos en verdorven zijn.
jongelingen,
Hebreeuws, uitgelezenen, uitverkorenen.
Hertaald:
jongelingen,
Hebreeuws: uitgelezenen, uitverkorenen.
huichelaars
Of, huichelaars, geveinsden. Zie Job 8:13 .
Hertaald:
huichelaars
Of: huichelaars, geveinsden. Zie Job 8:13.
alle mond
Te weten der Israëlieten.
Hertaald:
alle mond
Namelijk: van de Isra«lieten.
dwaasheid
Zie de aantekening Gen. 34:7 .
Hertaald:
dwaasheid
Zie de aantekening bij Gen. 34:7.
Om dit alles
Zie boven Jes. 5:25 , en boven vs.11.
Hertaald:
Om dit alles
Zie hierboven Jes. 5:25 en hierboven vers 11.
de goddeloosheid
Dat is, de goddelozen zullen vanwege hunne boosheid en onboetvaardigheid als met vuur verteerd en verdelgd worden.
Hertaald:
de goddeloosheid
Dat is: de goddelozen zullen vanwege hun boosheid en onboetvaardigheid als met vuur verteerd en verdelgd worden.
doornen
Dat is, de een met den ander, groot en klein.
Hertaald:
doornen
Dat is: de een met de ander, groot en klein.
de verwarde
Dat is, de aanzienlijken en geweldigen, die zich tezamen verbinden. Hebreeuws, de verwarring des wouds. Zie Jes. 10:34 . Of, zal aangestoken worden in, of onder, de verwarde struiken des wouds, die omhoog varen zullen als ene verheffing des rooks; dat is, door den brand in rook opgaan.
Hertaald:
de verwarde
Dat is: de aanzienlijken en machtigen, die zich met elkaar verbinden. Hebreeuws: de verwarring van het woud. Zie Jes. 10:34. Of: het zal aangestoken worden in of onder de verwarde struiken van het woud, die omhoog zullen stijgen als een opstijgende rook — dat is: door de brand in rook opgaan.
de verheffing
Of, optrekking, opstijging, verhoging.
Hertaald:
de verheffing
Of: optrekking, opstijging, verheffing.
zal
Dat is, het land zal aan alle kanten vol ellende zijn.
Hertaald:
zal
Dat is: het land zal aan alle kanten vol ellende zijn.
het land
Te weten het land der Israëlieten.
Hertaald:
het land
Namelijk: het land van de Isra«lieten.
een voedsel
Hebreeuws, ene spijs.
Hertaald:
een voedsel
Hebreeuws: een spijs.
des vuurs
Zie Job 15:34 .
Hertaald:
des vuurs
Zie Job 15:34.
de een zal
Of, niemand zal zijnen broeder verschonen. De zin is: Die het algemene landverderf ontkomen, zullen elkander vervolgen, bederven, ja ook doden.
Hertaald:
de een zal
Of: niemand zal zijn broeder ontzien. De betekenis is: zij die aan het algemene verderf van het land ontkomen, zullen elkaar vervolgen, verderven, ja zelfs doden.
snijdt,
Te weten spijs of voeder. Anders: houwt, afhouwt. De zin is: Er zal zulk gebrek en hongersnood zijn, dat een ieder zal toegrijpen en toetasten, houwen en snijden, waar hij enigszins kan bijkomen, en nog zal het hem niet helpen.
Hertaald:
snijdt,
Namelijk: voedsel of voer. Anders: houwt, hakt af. De betekenis is: er zal zo'n gebrek en hongersnood zijn dat ieder zal toegrijpen en toetasten, hakken en snijden waar hij maar bij kan komen — en toch zal het hem niet helpen.
zijns arms eten;
Dat is, van zijn naaste, op wien hij zich tevoren verlaten had. De zin is: De inwoners van het land van Israël zullen elkander vernielen; gelijk straks in vs.20 breder gezegd wordt.
Hertaald:
zijns arms eten;
Dat is: van zijn naaste, op wie hij zich tevoren verlaten had. De betekenis is: de inwoners van het land Israël zullen elkaar vernietigen, zoals meteen daarna in vers 20 uitvoeriger gezegd wordt.
Manasse
Dat is, de Manassieten.
Hertaald:
Manasse
Dat is: de Manassieten.
Efraïm,
Dat is, de Efraïmieten.
Hertaald:
Efraïm,
Dat is: de Efraïmieten.
tegen Juda zijn
Dat is, tegen den stam van Juda.
Hertaald:
tegen Juda zijn
Dat is: tegen de stam van Juda.
Om dit alles
Zie boven vs.11.
Hertaald:
Om dit alles
Zie hierboven vers 11. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het vorige hoofdstuk eindigde in het donker, en het laatste vers daarvan noemt al de streek waar het licht zal opgaan: het land van Zebulon en het land van Nafthali (Jes. 8:22). Dan volgt de omslag: "Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen" (Jes. 9:1). De vreugde die erop volgt wordt met twee beelden getekend: men verblijdt zich "gelijk men zich verblijdt in den oogst", en zoals men verheugd is bij het uitdelen van de buit (Jes. 9:2). En er staat bij waarom: "Want het juk van hun last, en den stok hunner schouders, en den staf desgenen, die hen dreef, hebt Gij verbroken, gelijk ten dage der Midianieten" (Jes. 9:3). Bijbelse betekenis: Merk op waar het licht opgaat. Zebulon en Nafthali lagen in het noorden, en de bewoners van dat gebied waren al door Assur weggevoerd (2 Kon. 15:29); juist die streek wordt hier genoemd. Wat het diepst in het donker zat, wordt het eerst verlicht. Let ook op wat er staat. Het volk steekt geen lamp aan, het zal een licht zien; het licht komt van buiten en het komt naar hen toe. En let ten slotte op de verwijzing naar Midian (Jes. 9:3). Toen werd de vijand niet door een groot leger verslagen, maar door driehonderd man met kruiken en fakkels (Richt. 7:16); het is met opzet een overwinning waarbij niemand zich op zijn eigen kracht kon beroemen. Typologie: Mattheüs haalt deze woorden aan wanneer de Heere Jezus in Kapernaüm gaat wonen, in het gebied van Zebulon en Nafthali: "Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien" (Matt. 4:16). Wat de profeet als toekomst zag, wijst de evangelist aan op een landkaart. En het eerste woord dat daar gepredikt wordt, past bij het licht: "Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Matt. 4:17). Jes. 9:1-4; Jes. 8:22; 2 Kon. 15:29; Richt. 7:16; Matt. 4:16-17 "Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst" (Jes. 9:5). Het vers begint bij een geboorte en eindigt bij een regering. Wat daarop volgt, gaat over de duur en de grond van die regering: "Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk" (Jes. 9:6). Dat koninkrijk wordt bevestigd en gesterkt met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. En het gedeelte sluit met de reden dat het gebeuren zal: "De ijver des HEEREN der heirscharen zal zulks doen" (Jes. 9:6). Bijbelse betekenis: Let eerst op de twee woorden waarmee het vers opent. Een Kind wordt geboren, en dat is menselijk; een Zoon wordt gegeven, en dat wijst terug naar Degene Die Hem geeft. Merk vervolgens op wat de namen zeggen. "Raad" en "Vredevorst" passen bij een koning, maar "Sterke God" niet. Diezelfde uitdrukking gebruikt de profeet even verderop van de HEERE Zelf, tot Wie het overblijfsel terugkeert (Jes. 10:21). En "Vader der eeuwigheid" tekent Hem niet als een vorst voor één mensenleven, maar als Een Die voor de Zijnen blijft zorgen. Let ten slotte op het slot van Jes. 9:6. Wat hier beloofd wordt is te groot voor mensenhanden, en daarom wordt de uitvoering niet aan het volk overgelaten maar aan de ijver van de HEERE. Typologie: De naam Wonderlijk klonk eeuwen eerder al uit de mond van de Engel des HEEREN, Die Zijn naam niet prijsgaf (reeds behandeld bij Richt. 13:18). Gabriël neemt bij de aankondiging aan Maria de woorden over de troon en het koninkrijk op: "God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven" (Luk. 1:32). En hij voegt eraan toe wat Jesaja over de duur zei: "Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn" (Luk. 1:33). Jes. 9:5-6; Jes. 10:21; Richt. 13:18; Luk. 1:32-33 Na de belofte van het Kind volgt een lang oordeelswoord over het noordelijke rijk, en dat wordt vier keer afgesloten met dezelfde zin: "Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt" (Jes. 9:11). Diezelfde regel stond al aan het slot van Jes. 5:25, en keert hier verder terug in Jes. 9:16, in Jes. 9:20 en ten slotte in Jes. 10:4. Elk van de vier stukken noemt een eigen kwaad. Eerst de hoogmoed die na de verwoesting mooier wil herbouwen dan tevoren (Jes. 9:8-9). Dan de leiders: "Want de leiders dezes volks zijn verleiders, en die van hen geleid worden, worden ingeslokt" (Jes. 9:15). Vervolgens de goddeloosheid die als vuur om zich heen grijpt en het volk zelf verteert (Jes. 9:17-18). En ten slotte het onrecht tegen de armen, de weduwen en de wezen (Jes. 10:1-2). Tussen de eerste twee stukken staat de sleutelzin: "Want dit volk keert zich niet tot Dien, Die het slaat, en den HEERE der heirscharen zoeken zij niet" (Jes. 9:12). Bijbelse betekenis: De herhaalde regel klinkt hard, maar zij zegt vooral wat er níet gebeurt. Het oordeel heeft zijn doel niet bereikt, want het volk keert zich niet om (Jes. 9:12). Merk op wat de uitgestrekte hand hier zegt. Zolang die hand uitgestrekt blijft, is de zaak niet afgedaan. Er is een slag gevallen die bedoeld was om terug te brengen, en zo is hij niet verstaan. Let ook op de volgorde van de vier stukken. Zij lopen van hoogmoed via valse leiding en onderlinge verscheuring naar het verdraaien van het recht; het begint bij een houding en het eindigt bij de weduwe die geplunderd wordt. Let ten slotte op de plaats van dit gedeelte. Het staat vlak achter de belofte van het Kind, en die volgorde is niet toevallig: de belofte maakt het oordeel niet minder ernstig, en het oordeel maakt de belofte niet minder vast. Typologie: Paulus beschrijft dezelfde weg bij mensen die het geduld van God niet verstaan. Zij verachten de rijkdom van Zijn goedertierenheid, "niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt" (Rom. 2:4). Ook daar is het uitblijven van de omkeer het eigenlijke gevaar, en niet de slag zelf. Jes. 9:7-20; Jes. 5:25; Jes. 10:1-4; Rom. 2:4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen Het vorige hoofdstuk eindigt in het donker: benauwdheid, duisternis, en mensen die de doden raadplegen. En dan, zonder overgang, gaat het licht aan over Galilea — het gebied dat het eerst onder de voet gelopen werd. De verlossing komt niet als een leger maar als een geboorte, en de namen van dat Kind zijn goddelijke namen. Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. En dan volgt de reden, en die is verrassend klein: want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Let op de twee werkwoorden. Geboren — dat is de menselijke kant, een kind uit een moeder. Gegeven — dat is de andere kant, want wat gegeven wordt was er al. Johannes gebruikt hetzelfde woord: alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. De heerschappij is op Zijn schouder. Niet op Zijn hoofd als een kroon, maar op Zijn schouder als een last die gedragen wordt. Dan komen de namen, en zij stapelen op. Wonderlijk — hetzelfde woord waarmee de Engel des HEEREN Zich bij Manoach aanduidde. Raad. Sterke God. Vader der eeuwigheid. Vredevorst. Dat zijn geen erenamen voor een aardse vorst; men noemt geen koning uit Juda Sterke God. Het vers dat volgt zegt waarop dat uitloopt: van de grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn, op den troon van David en in zijn koninkrijk. Daarmee staat dit hoofdstuk in dezelfde lijn als de belofte aan David — een troon die niet ophoudt. Mattheüs haalt de eerste verzen aan wanneer Christus in Kapérnaüm gaat wonen, in het gebied van Zebulon en Nafthali: het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 4:15-16; Lukas 1:32-33; Johannes 3:16; Johannes 8:12
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Zoals een mug zou kunnen proberen de oceaan leeg te drinken, zo zou een eindig schepsel kunnen proberen de eeuwige God te doorgronden. Een God die wij konden begrijpen, zou geen God zijn. Konden wij Hem omvatten, dan kon Hij niet oneindig zijn; konden wij Hem verstaan, dan zou Hij niet goddelijk zijn. En men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Jesaja 9:5 Wees blij, jij die denkt verdwaald te zijn; jouw Redder komt om je op… Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Jesaja 9:5 Kom lezer, kom naar het kindje van Bethlehem. Kom, kinderen, jongens en meisjes, want Hij… Want een Kind is ons geboren Jesaja 9:5 Het belangrijkste en enige doel van mijn preek van deze morgen is het aantonen van de kracht van deze twee woorden:… Want een Kind is ons geboren Jesaja 9:5 Als de Zoon aan ons gegeven is, dan zijn wij gegeven aan de Zoon. Wat zegt u daarop? Bent u aan… Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader… Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Jesaja 9:5 Bij andere gelegenheden heb ik het hoofddeel van deze tekst al verklaard: “De heerschappij rust op Zijn… Kijk ginds naar Christus aan het kruis! Hij stak die dag het licht aan van een kaars die nooit meer kan worden uitgedoofd. Hij is "Vader der eeuwigheid… Zij zullen blijde wezen voor uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in de oogst. Jesaja 9:2 Ik heb deze dagen feestgevierd in een kring van dankbaren, die juichten: “Onze… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 9
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Een Kind is ons geboren — 9:1-6
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Jezus is alles wat je nodig hebt
Uitnodiging naar Bethlehem
Een kind is ons geboren (Kerstpreek)
Bent u aan Christus gegeven?
Neerbuigende goedheid
Een vraag voor de kerstdagen
Een licht dat niet meer wordt uitgedoofd
De blijdschap van de oogst


Jesaja 9
Jesaja 9:1.Kruisverwijzingen2 Koningen 15:29→Mattheüs 4:15→Jesaja 8:22→2 Kronieken 16:4→Leviticus 26:24→2 Koningen 17:5→1 Koningen 15:19→Leviticus 26:28→
— Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.
Jezus kwam naar Galilea der heidenen en maakte dat gewest heerlijk, dat in verachting was gebracht. Die hoek van Palestina had heel vaak de eerste stoot van een inval opgevangen en had meer dan enig ander gebied de scherpte van het Assyrische zwaard gevoeld. Zij werden aanvankelijk verontrust toen de Assyriër met duizend talenten zilver werd afgekocht; maar veel zwaarder werden zij bezocht toen Tiglath-Pileser hen allen naar Assyrië wegvoerde. Het was een ellendig land, met een gemengde bevolking, veracht door het zuiverder geslacht van de Joden; maar juist dat land werd heerlijk door de tegenwoordigheid van de vleesgeworden God. Zo is ook op deze dag Zijn genadige tegenwoordigheid de dageraad van onze blijdschap.
Jesaja 9:2.KruisverwijzingenMattheüs 4:16→Efeze 5:8→Lukas 1:78→Lukas 2:32→Johannes 8:12→Job 10:21→Johannes 12:46→1 Johannes 1:5→
— Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt.
Komt Christus tot u, mijn hoorder, als God met ons, dan zal uw blijdschap groot zijn; want u zult u verheugen “gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt”. Is het niet zo? Velen van ons kunnen ervan getuigen dat er geen blijdschap is als die welke Jezus meebrengt.
Jesaja 9:3.KruisverwijzingenPsalmen 119:162→1 Samuël 30:16→Jesaja 65:18→Jesaja 66:10→Jesaja 26:15→Psalmen 4:7→Jesaja 35:10→Jesaja 25:9→
— Want het juk van hun last, en den stok hunner schouders, en den staf desgenen, die hen dreef, hebt Gij verbroken, gelijk ten dage der Midianieten;
Uw vijand zal verslagen worden, “gelijk ten dage der Midianieten”. Gideon werd in de droom vergeleken met een gerstebrood dat de tent van Midian trof, zodat zij ternederlag. Hij en zijn kleine schare helden stonden daar met hun kruiken en hun bazuinen en riepen: het zwaard van de HEERE en van Gideon! En Midian smolt voor hen weg. Zo zal het ook gaan met onze zonden, onze twijfelingen en onze vrezen, als wij geloven in Jezus, de vleesgeworden God: zij zullen verdwijnen als de nevels van de morgen. De Heere Jezus zal het juk van onze last verbreken en de stok van onze drijver, als in de dag van Midian. Houd goede moed, u die in slavernij bent van felle en wrede tegenstanders; want in de naam van Jezus, die God met ons is, zult u hen verdelgen.
Jesaja 9:4.KruisverwijzingenJesaja 14:25→Jesaja 10:26→Nahum 1:13→Richteren 8:10→Richteren 7:22→Jesaja 54:14→Jesaja 10:5→Psalmen 83:9→
— Toen de ganse strijd dergenen, die streden, met gedruis geschiedde, en de klederen in het bloed gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel des vuurs.
Wanneer Jezus komt, zult u eeuwige vrede hebben, want Zijn strijd is het einde van alle strijd. Al de wapenrusting van de gewapende man in het krijgsrumoer, en de klederen die in bloed gewenteld zijn, zullen tot een voedsel van het vuur zijn. De Vredevorst voert oorlog tegen de oorlog en vernietigt hem. Wat een heerlijke dag is dat, waarin de HEERE de boog verbreekt en de spies aan stukken slaat en de wagens met vuur verbrandt! Ik meen het nu al voor mij te zien. Mijn zonden, die de wapens van mijn vijanden waren, stapelt de HEERE op hopen. Wat een bergen van buit! Maar zie! Hij haalt de fakkel van Zijn liefde van het altaar van Zijn offerande, en Hij steekt de reusachtige stapel in brand. Zie hoe zij vlammen! Zij worden voor eeuwig geheel verteerd.
Jesaja 9:5.Kruisverwijzingen2 Thessalonicenzen 1:8→Handelingen 2:19→Ezechiël 39:8→Nahum 3:2→Jesaja 30:33→Jesaja 37:36→Leviticus 3:11→Psalmen 46:9→
— Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst;
Hoe wordt de Heere Jezus toch heerlijk in onze ogen! Hij wiens naam Immanuël is, wordt nu in ons hart met vele kronen gekroond en met vele titels geëerd. Wat een lijst van heerlijkheden staat hier! Wat een uitbarsting van gezang is het wanneer wij van de Messias zingen: “en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst”! Elk woord klinkt als een saluutschot. Het is heel goed om spelers op instrumenten en zoete zangers deze woorden te horen voordragen, maar ze te gelóven en in de eigen ziel te beleven is oneindig veel beter. Wanneer elke vrees en elke hoop, elke kracht en elke hartstocht van onze natuur het orkest van ons hart vullen en alle samen instemmen in één inwendig lied tot de heerlijke Immanuël, wat een muziek is dat!
Er staat een dubbele uitspraak: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven.” Maar er zit geen herhaling in. Het is geen onderscheiding zonder verschil. Jezus Christus was een Kind naar Zijn menselijke natuur, en Hij is ontvangen door de werking van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria. Hij is even waarachtig geboren, even zeker een kind geweest, als enig ander mens die ooit op aarde geleefd heeft. Hij is naar Zijn mensheid een Kind dat geboren is.
Maar Jezus Christus is ook Gods Zoon; Hij was en is van hetzelfde wezen met de Vader. De leer van het eeuwige Zoonschap van Christus moet aangenomen worden als een ontwijfelbare waarheid van onze heilige godsdienst. Maar wij kunnen haar niet verklaren, want zij behoort tot de diepten van God — een van die plechtige verborgenheden waarin de engelen niet durven zien. En zij begeren er ook niet in te dringen; het is een verborgenheid die wij niet moeten pogen te doorgronden, want zij gaat het bevattingsvermogen van elk eindig wezen volstrekt te boven. Als Zoon is Jezus Christus ons dus niet geboren, maar gegeven. Hij is een zegen die ons geschonken is. Hij was al Gods Zoon toen Hij in deze wereld geboren werd, en Hij is gezonden of gegeven, opdat wij duidelijk zouden zien dat dit onderscheid veelzeggend is en ons veel goede waarheid over God meedeelt.
Jesaja 9:6.KruisverwijzingenLukas 2:11→Mattheüs 28:18→Jesaja 7:14→Jeremia 23:5→Openbaring 19:16→Hebreeën 2:13→Jesaja 28:29→1 Johannes 5:20→
— Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver des HEEREN der heirscharen zal zulks doen.
“De ijver des HEEREN der heirscharen zal zulks doen.” Als Christus uw Zaligmaker is, dan moet Hij ook uw Koning zijn. Zodra wij werkelijk in Jezus als onze zaligheid geloven, vallen wij voor Hem neer en noemen wij Hem Meester en Heere. Wij dienen omdat Hij behoudt. Hij heeft ons voor Zichzelf gekocht, en wij belijden dat wij de Zijne zijn.
Een edelmoedig man kocht eens een slavin. Zij was op de markt geveild, en hij had medelijden met haar en kocht haar; maar toen hij haar gekocht had, zei hij tot haar: “Ik heb u gekocht om u vrij te maken. Hier zijn uw papieren, u bent een vrije vrouw.” Het dankbare schepsel viel aan zijn voeten en riep uit: “Ik zal u nooit verlaten; hebt u mij vrijgemaakt, dan zal ik uw dienares zijn zolang u leeft, en u beter dienen dan enige slavin doen kan.” Zo staan wij tegenover Jezus. Hij maakt ons vrij van de heerschappij van satan, en dan, omdat wij een heerser nodig hebben, zeggen wij: “en de heerschappij is op Zijn schouder”. Wij zijn blij geregeerd te worden door Immanuël, God met ons.
Ook dit is een deur van hoop voor ons: dat Jezus de Vorst van ons hart zal zijn, is onze uitnemende blijdschap. Voor ons zal Hij altijd “Wonderlijk” zijn. Wanneer wij aan Hem denken of over Hem spreken, zal het met eerbiedig ontzag zijn. Hebben wij raad en vertroosting nodig, dan vluchten wij tot Hem, want Hij is onze Raad. Hebben wij kracht nodig, dan zien wij op Hem als onze Sterke God. Wedergeboren door Zijn Geest zijn wij Zijn kinderen, en Hij is de Vader der eeuwigheid. Vol blijdschap en rust noemen wij Hem Vredevorst.
Bent u bereid dat Christus over u regeert? Wilt u uw leven doorbrengen met Hem te prijzen? U bent wel bereid dat Christus u vergeeft; maar wij kunnen Hem niet delen, en daarom moet u Hem ook aannemen om u te heiligen. U mag de kroon niet van Zijn hoofd nemen, maar moet Hem aannemen als de Vorst van uw ziel. Wilt u dat Zijn hand u helpt, dan moet u de scepter gehoorzamen die zij vasthoudt. Gezegende Immanuël, wij zijn van harte blij U te gehoorzamen! In U eindigt onze duisternis, en uit de schaduw van de dood rijzen wij op tot het licht van het leven. Het is zaligheid U gehoorzaam te zijn.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Vs. 1-7.KruisverwijzingenLukas 2:11→Mattheüs 28:18→Jesaja 7:14→Jeremia 23:5→Mattheüs 4:16→Openbaring 19:16→Efeze 5:8→Hebreeën 2:13→
— Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen. Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt. Want het juk van hun last, en den stok hunner schouders, en den staf desgenen, die hen dreef, hebt Gij verbroken, gelijk ten dage der Midianieten; Toen de ganse strijd dergenen, die streden, met gedruis geschiedde, en de klederen in het bloed gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel des vuurs. Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst; Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver des HEEREN der heirscharen zal zulks doen. De Heere heeft een woord gezonden in Jakob, en het is gevallen in Israel.
Had de profeet in de laatste verzen van ‘t vorige hoofdstuk de troosteloze ellende van het volk geschetst, dat geen dageraad hebben zou, nu wendt hij zich tot dat volk, dat den wederopgang van het licht na den duisteren nacht, den dag des heils na de dagen des gerichts beleeft; in dezen tijd wil de Heere dat licht niet het eerst over het land Juda doen opgaan, maar over Zebulon en Nafthali, en dus die landen het meest tot ere brengen, die Hij vroeger het diepst vernederd heeft (vs. 1). Terwijl Jesaja zich nu in deze streken verplaatst, schetst hij de verheven omkering, welke op eenmaal met het volk plaats heeft, want de duisternis wordt op eenmaal door den vollen dag vervangen, ene, wat getal en stand aangaat, diep gedaalde natie wordt tot ene talrijke en jubelende gemeente, die nadat alle verdrukking een einde heeft, nadat zij van alle kwaad verlost is, een eeuwigen vrede viert (vs. 2-5). Maar ‘t is nu niet meer het land Zebulon en Nafthali alleen, waarop de profeet, dit beeld der toekomstige heerlijkheid tekenende, het oog heeft, de kring Zijner gedachten breidt zich uit over het gehele land van Jehova, en van dit standpunt uit zingt hij een kerstlied, als ware de heerlijke nacht van Christus geboorte reeds aangebroken; hij zingt een lied zo als in ‘t rijk der heerlijkheid klinken zal, als ware het einde aller dingen reeds gekomen (vs. 6 en 7). I. Niet donker blijft het daar, waar nu zware nood is Vroeger bij den aanvang van Israël’s geschiedenis in Kanaän tot aan de tijden van den Messias, heeft de Heere het land Zebulon en Nafthali verachtelijk gemaakt, daar hier reeds van den beginne en ook verder veel vermenging met heidense elementen plaats vond (Richt. 1:30 vv.); hier de smaad van heidense verdrukking in den hoogsten graad geleden werd (Richt. 4:2 vv. 17:3 vv.) en ook de inwoners van ouds af bij het ganse volk zeer veracht waren (1 Kon. 9:11 vv. zie ook Joh. 1:47 en 7:52), maar in den laatsten Messiaansen tijd brengt Hij des te meer tot ere den weg zeewaarts, de landstreek ten westen van de Galilese zee, het over-Jordaanse, het Galilea der Heidenen, het noordelijke grensdistrict van Palestina. Op grond van deze voorspelling was de Messiaanse hoop van Israël van ouds af op Galilea gericht, gelijk dan ook de Talmud de verwachting uitspreekt, dat de verlossing van Tiberias uit komen zou.
Het a) volk, overgebleven uit den tijd der oordelen Gods (Hoofdstuk 8:21 vv.), dat nog lijdende onder de naweeën van dien tijd, in de duisternis van geestelijke en lichamelijke ellende wandelt, zal, op eenmaal, wanneer de tijd van den dageraad (Hoofdstuk 8:20) gekomen is, een groot licht zien, (Hoofdstuk 60:1 vv.), degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, in het land, waarover de dood zijne schaduwen geworpen heeft, over dezelve zal een licht schijnen; 2) want de dag des heils is nu gekomen na de dagen der ellende, daar al wat dien dageraad in zijn opkomen tegenhield, nu ter zijde gesteld is.
MATTHEUS. 4:15, 16. Efeze 5:14.
De Profeet kondigt hier aan, de heerlijkheid van den dag des Nieuwen Verbonds. Maar waar hij wijst op het Licht, dat zal opgaan, wijst hij tegelijk op de toestand van ellende, die vooraf zal gaan. Eerst zal het land en des zelfs bevolking in duisternis zitten, verwoest worden en wonen in de schaduwen des doods, zodat de dood er duizenden en tienduizenden zal wegrapen. Het zal een toestand van ellende zijn, waaruit geen mensenkind zich zal kunnen verlossen, maar welke alleen door God Almachtig zal kunnen veranderd worden. Wie in de meest volkomen mate dit Licht zal zijn, wordt eerst in vs. 5 gemeld, waarin tevens de namen worden genoemd.
Men moet door dit licht verstaan, een geestelijke, voorspoed, vreugde, blijdschap en vergenoeging, maar voornamelijk den Zaligmaker Jezus zelf en zijn komst in het vlees, welke de oorzaak zou zijn van dien vreugdestaat en het geluk der Joden. Maar ook eindelijk door dit licht moet men ook het licht des Evangeliums, de leer der zaligheid in hare klaarheid onder het Nieuwe Testament verstaan.
Gij hebt dit volk 1) vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet 2) groot gemaakt; zij zullen blijde wezen, met ene heilige blijdschap voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst over de rijke opbrengst der velden, vooral na jaren lang gebrek (Ps. 126:5), gelijk men verheugd is na ene roemrijke overwinning behaald op vijanden, nadat zij tot dusver het land verdrukt en beroofd hebben, wanneer men den buit uitdeelt 3) (2 (Kron. 20:25. (Ps. 119:162).
Dit volk. Ten onrechte verstaan sommigen onder dit volk de heidenen. Hier wordt bedoeld het volk Israël’s dat overgebleven was uit den smeltkroes der ballingschap. Israël was tot een klein getal ingekrompen, maar de Heere voorzegt hier, dat Hij het weer zou vermenigvuldigen, weer zou doen uitkomen. Wel geslagen, maar niet ten ondergaan, zou door Gods wondere goedheid en Zijn onkreukbare trouw Israël’s geschiedenis zijn.
In het Hebr. volgens Chetib al (Lo = niet) volgens Keri (Lo = het). Onze Staten-Overzetters hebben in den tekst Chetib gevolgd, maar dan loopt de zin niet los. Beter is het Keri te volgen en te vertalen: Gij hebt het de blijdschap groot gemaakt, dewijl er onmiddellijk volgt: Zij zullen blijde wezen voor Uw aangezicht. In de kanttekening tekenen zij echter aan dat ook vertaald kan worden, zoals wij hebben aangegeven. Zowel onder de Gereformeerden als niet-Gereformeerden lopen de gevoelens uiteen, hoewel ook o. a. Hellenbroek zegt, dat Jesaja wel niet geheel ontkennen wil, dat zij blijdschap hadden ontvangen. Henry tekent aan: “De Masorethen leren hier: Gij hebt hen, te weten aan elk, die het Licht behoorlijk ontvangt, de wegen vergroot of verheerlijkt, en deze lezing wordt door de volgende woorden bevestigd, daar gesproken wordt van een blijdschap van Gods aangezicht. ”
Dit zijn twee gelijkenissen, de ene genomen van den maaltijd, en den ander van den oorlog, die beiden een zeer groten vreugdetijd aanduiden. De vreugde in den oogst, wanneer men hetgeen men met tranen gezaaid had, met vreugde maait, en invoert in zijne schuren, is ene ongemene vreugde. Geen minder vreugde is het na den oorlog, wanneer men na een behaalde overwinning, geen vrees meer voor den vijand hebbende, valt aan het delen van den buit, met veel gejuich en alle denkbare vreugdetekenen.
‘t Is echter werkelijk ook een overwinningslied, dan aan het volk bereid. Want het juk van hunnen last, waarmee zij beladen zijn, en den stok hunner schouders, de roede, waarmee hun nek op de hoogte der schouders geslagen is, en den staf desgenen, die hen dreef die als een tuchtmeester (aandrijver) hen op den rug sloeg (Exod. 3:7; 5:10 vv.), hebt Gij verbroken, gelijk ten dage der Midianieten, toen Gij ook niet met een talrijk leger, maar met een handvol onversaagde en krachtige strijders de zevenjarige verdrukking hebt vernietigd (Richt. 6 en 7).
Het punt van vergelijking is hier niet de aard der verlossing, maar de grootheid dezelve. Het volgende vers geeft ons ene dichterlijke beschrijving van de zegepraal der Israëlieten. Hier wordt wijders ene heerlijke vrijheid en uitbreiding van bewind aan Israël beloofd. Het recht moet zich het Joodse volk voor den Heere verblijden, want die had het juk zijns last, den stok zijner schouderen en den staf zijns drijvers verbroken, zodat de voet en de nek niet langer in banden der slavernij gedrukt, noch de roede der goddelozen gekleefd zou blijven op den rug des rechtvaardigen.
Toen de ganse strijd dergenen, die streden, met gedruis geschiedde, en de klederen der krijgslieden in het met wreed geweld vergoten bloed gewenteld en tot as verbrand werden, tot een volkomen voedsel des vuurs. Het was ene oude gewoonte, dat men, ten teken van zegepraal den door der vijanden, dien men niet meedroeg, wapenen, klederen, krijgs- en legerwagens, gereedschappen enz. op het slagveld verbrandde. Hier wordt gewezen op den krijg van Gideon tegen de Midianieten, in het volgende vers wordt meer gewezen op den geestelijken held, op den geestelijken Gideon, die al zijn volk verlost van de hand der geestelijke Midianieten, de vijanden der ziele, op Hem, die uit allen nood en dood verlost.
Want, en daarom is er een einde aan alle dwingelandij (vs. 4) en allen strijd (vs. 5) daarom wordt die vervangen door ene onvergankelijke vrijheid en een nimmer eindigenden vrede-de Messias is er, een Koning, volgens ene nieuwe ordening; daar is nu een rijk, rustende op geheel nieuwe grondslagen, een kind, de Zoon der maagd, in Hoofdstuk 7:14 vermeld, is nu, in de volheid des tijds a) ons, voor zo ver wij uit den tijd des gerichts en der morgenschemering (Hoofdstuk 8:20) behouden worden, geboren, een Zoon, wat nog meer zeggen wil dan het vroeger gebruikte woord kind (Gen. 29:31 vv.) is, ten gevolge van ene buitengewone genadegift des Heren (Joh. 3:16) ons gegeven en de heerschappij, gene willekeurig toegeëigende, maar ene Hem aangeborene is, als die van onzen nu verordineerden koning, op Zijnen schouder, en kan Hem, de scheut uit den wortel van het Davidische koningshuis, nimmer worden ontrukt, en men noemt Zijnen naam, Zijn wezen en Zijne werken bij toeneming kennende, Wonderlijk, ene ver buiten den kring der menselijke bevatting liggende verschijning (Richt. 13:18), b) Raad, die als de persoonlijke Wijsheid (Spr.
, en bezittende den Geest des raads (Hoofdstuk 11:2), in Zijne koninklijke regering geen menselijke raadgevers nodig heeft, maar wel aan alle radeloosheid van Zijn volk een einde maakt (Kol. 2:3), Sterke God (Hoofdstuk 10:21), in wie de volheid der Godheid lichamelijk woont (Kol. 2:9), Vader der eeuwigheid, wiens heerschappij niet als die der mensen ene tijdelijke, maar ene eeuwige, en tevens ene vaderlijke, met liefderijke voorzorg de welvaart van Zijn volk bedoelende en bedenkende is (Ps. 72), Vredevorst, aan allen strijd op aarde een einde makende en in storelozen vrede regerende (Joh. 14:27. Efeziers 2:14),
(Jes. 22:23. Luk. 2:10, 11. Joh. 4:10. b) Jer. 23:6. Het groot en goddelijk karakter, van het hier beschreven, nieuwgeboren kind, kan op geen bloot mensenkind, geen doorluchtigen zoon van den machtigsten vorst dezer bewoonde aarde toegepast worden. Want de beste der koningen van Juda en Israël hadden hun fouten en gebreken gehad. De Heilige Geest zal daarom aan onzen Profeet, het beeld voor den geest gebracht hebben van dien verlosser der wereld, dien gezalfden vorst, die toen nog te komen stond en die den scepter niet alleen over Israël, maar over alle volken der wereld zwaaien zou, die het Hoofd was Over alles, de Koning der Koningen, de Heere der Heren, Hem aan wie alle macht in hemel en op aarde was toebedeeld, die het oordeel en recht op aarde bevestigen, over alle de volken der wereld heersen en eens ten genen dage hen allen oordelen zou. (ENGELSE GODGELEERDEN). Wonderbaar. Was niet alles wonderbaar bij Hem? Wonderbaar was Zijne intrede in de wereld, het Woord is vlees geworden; Gods welbehagen geboren in een stal, de Messias in een beestenkribbe en daaromheen de hemelse heirscharen, gelegerd in de heerlijkheid des Heren, het gloria zingende in koorzang! Wonderbaar was Zijn ganse moeitevolle levensloop, Zijne jeugd, Zijne jongelingschap, Zijn driejarig leraarsambt, waarin Hij Zich een profeet bewees, machtig in woorden en werken bij God en al het volk. Wonderbaar was het, dat Hij, de Vorst des levens, de gestalte moest aannemen van een dienstknecht, om gehoorzaam te worden tot in den dood des kruizes! Wonderbaar, dat Hij door dien nacht van lijden, dood en graf, de overste Leidsman der zielen, de opperste Herder der schapen, de Hogepriester aller gelovigen, de Koning der koningen worden moest, en tot die heerlijkheid komen, die Hij bij den Vader had van vóór de grondlegging der wereld. Raad. Raadsman, Raadgever, een Koning alzo, die niet gelijk anderen, tot zijne voorlichting, raadslieden nodig heeft, maar zelf gelijk de verpersoonlijkte Wijsheid uit het Spreukenboek van Salomo tot alle verlegenen spreken kan: “Bij Mij is raad!” Wie is het geweest gelijk deze Jezus? Al de schatten der kennis en der wijsheid waren ze niet in Hem verborgen? Wie heeft den radelozen raad gegeven, den enigen raad, den besten raad; met ene broederlijke liefde, met een koninklijk gezag, met ene goddelijke uitkomst, gelijk Hij? Wie kende alle wonden des harten en bereidde een balsem, niet alleen der vertroosting, maar der hemelse verblijding tevens, gelijk Hij? Wie was ten allen tijde en onder alle omstandigheden ene toevlucht gelijk die Zone David’s, die sprak gelijk nooit een mens gesproken heeft, al wiens woorden geest en leven waren? Sterke God, of gelijk het in Luther’s en andere vertalingen heet, Kracht en Held, goddelijke Held, eigenlijk een Held gelijk God, wanneer Hij aan de spits van Israël’s leger streed-wie, wederom, past die naam méér en éér dan aan Hem, die de overste Leidsman is der zaligheid, die de werken des duivels heeft verbroken, den overste der wereld buiten geworpen, de heerschappij der zonde vernietigd in het vlees? Wat is eens Napoleons sombere gewelddadigheid tegenover de heilige hemelkracht, waarmee Hij alle machten der duisternis verslagen, een verloren Paradijs hervonden en heroverd, een rampzalig mensdom voor immer gered heeft. Andere helden laten voor zich strijden, deze Held worstelde alléén, ten bloede toe en bedroefd tot den dood. Andere helden schitteren met uiterlijken glans; Zijn luister is Zijne martelaars gestalte, Zijne sieraden zijn de littekenen Ziener wonden. Zijn buit is de door Hem verworven gemeente, ja, elke ziel die Hem als ‘t loon van Zijn lijden ten dele valt, want iedere ziel is in Zijn oog meer waard dan alle koninkrijken der aarde. Vader der eeuwigheid, dat is: de Eeuwige, naar het bekende Oosterse spraakgebruik, dat iemand den vader noemt van die eigenschappen en deugden, die hij bezit. Wie zal zich zo noemen onder de kinderen der mensen, waar alle sterren op- en neergaan, waar alle grootheden na korten tijd verbleken, om wederom voor anderen plaats te maken, wie op hare beurt hetzelfde lot wacht? Ziet Jezus alleen blijft in eeuwigheid, onveranderd, onveranderlijk. Eeuwig is Zijne leer, want zijn Evangelie zal allen volkeren verkondigd worden tot ene getuigenis, en eerst daarna zal het einde zijn. Eeuwig is Zijn leven, want het is voor altijd uitgestort in de dorre aderen der mensheid, die het vernieuwd heeft met ene goddelijke kracht. Eeuwig is Zijn Koninkrijk, want het zal alle koninkrijken aan zich onderwerpen, en Hij zal regeren van zee tot zee, macht hebbende over alle vlees, macht over de harten der mensen, alle macht in den hemel en op aarde. Hij is gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid. Ja, wanneer de eeuwen zullen voorbijgesneld zijn, zal Hij nog dezelfde zijn, die Hij was van den beginne. Dan zal Hij eerst recht Vredevorst heten, gelijk Hij zich tot dusverre betoond heeft. “Mijn rijk is de vrede”, zeggen de geweldhebbers der aarde, terwijl zij zich heimelijk toerusten tot den krijg. Deze Koning des vredes is wat Hij heet, en geeft wat Hij zelf bezit: vrede die alle verstand te boven gaat, vrede in alle manieren, vrede te midden van oorlogen en tweedracht en twisten, die de wereld, van alle angsten en vijandige driften, die de harten verscheuren; vrede met God, vrede met den naaste, vrede met zich zelven, vrede met lot en weg, vrede met den dood. En met den groet dezes vredes staat Hij voor de deur. Dat heeft “de ijver van den Heere der heirscharen gedaan, de brandende liefde Gods, die ons niet laat varen, maar Zich zelven ons geeft in Zijn eigen Zoon, allen tot zegen en zaligheid. ” . Zowel in Zijne vernedering als in Zijne verhoging wordt ons hier het vlees geworden Woord geprofeteerd. In zijn vernedering, waarom Hij die uit God, ja zelf God is wordt geprofeteerd, als een geboren kind, als een gegeven zoon. In Zijn verhoging, waarom Hij hier met die heerlijke namen wordt genoemd, welke de Profeet Hem geeft, op aandrijving des Geestes.
Der grootheid dezer heerschappij 1) en des vredes zal, onder Zijne alles-omvattende regering geen einde zijn (Luk. 1:32), op den troon van David, dien Hij naar Gods raad zal beklimmen, en in Zijn Hem bestemd koninkrijk (2 (Sam. 7:12 vv.). Hij zal altijd voortgaan om dat koninkrijk te bevestigen en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, het recht, dat Hij zal handhaven, te maken tot grondslag en pijlers, en de gerechtigheid, welke Hij zelf zal volbrengen en waartoe Hij al de Zijnen zal bekrachtigen, van nu aan, dat Hij geboren, geopenbaard wordt, tot in eeuwigheid toe; 1) want gelijk Zijne heerschappij (vs. 6), alzo is ook Zijn rijk eeuwig. De a) ijver des HEREN der heirscharen, waarmee Hij al wat Hij Zich voornam en begeert, te Zijner tijd komen laat ter bereiking van het voorgestelde doel; ofschoon den Heere der heirscharen alle vijanden en beletselen veel te onbeduidend zijn, zal zulks doen, 2) zal dezen nieuwen tijd der Davidische regering nu nog maar ene zaak des geloofs en der hoop, stellig doen komen.
2 Kon. 19:31. Jes. 37:32.
De grootheid, of de vermeerdering dezer heerschappij en de vredes zal geen einde zijn. Altijd door zal dit kind, deze Zoon als een geestelijke David en Salomo, zijn Rijk vermeerderen niet met vleselijke, maar met geestelijke wapenen. Altijd nieuwe onderdanen zal Hij zich toevoegen, en aan het bewerken van vrede voor de zijnen zal geen einde komen, als Hij recht en gerechtigheid zal handhaven en oefenen. Niet langer zal de kerk binnen Israël’s grenzen beperkt blijven, maar zal over de gehele wereld zich uitbreiden en uit alle natiën, talen en volken verzameld worden. De Profeet geeft hier voor de bedrukte kinderen Gods in zijne dagen een heerlijk vergezicht, spelt een heerlijke toekomst, wat wel is waar nu nog was een zaak van geloof en niet voorwerp van aanschouwen, maar waarin zij zich toch met onuitsprekelijke vreugde konden verheugen.
Het is gene verdienste des volks, uit welks midden de Messias voortkomt, dat de Heere het dezen zendt; maar de grond ligt alleen in het wezen van God zelf, in Zijn liefde ijver voor het eenmaal uit genade verkoren geslacht van Abraham. Want xanqis de ijver en vrije liefde voor den enen persoon, gelijk dit woord recht eigenlijk de geestdrift des Dichters van ‘t Hoge Lied is (8:6) en heeft in het O. V. voornamelijk op het verkoren volk Israël betrekking. Gene verklaring kan hier meer verkeerd en onwaardig zijn, dan welke dit woord in de betekenis van “ijverzucht” neemt, alsof Jehova slechts tot beschaming der heidense goden dit bewijs der almacht en der genade voor Zijn volk gaf. Het is opmerkelijk, dat de Romeinse keizer, onder wiens heerschappij Christus geboren werd, Augustus, d. i. vergroter van het rijk, van het ene tot het andere einde der toen bekende wereld heerste en in vrede regeerde. (Luk. 2:1.) .
En al dit volk zal het op de gevoeligste wijze gewaar worden, wat dit betekent, zowel Efraïm in het noorden en de inwoners van Samaria, de hoofdstad des rijks; ofschoon na de zware verliezen reeds vroeger van de Assyriërs geleden (2 Kon. 13:19 v.), in hoogmoed, als waren zij machtig genoeg dat alles gemakkelijk te overwinnen, en grootsheid des harten, als konden zij de sterke hand der Heren trotseren, en als hadden zij het niet nodig zich door Zijne strafgerichten te laten verschrikken, zeggende: Ene verdere rede van den Profeet heeft tot onderwerp de tegen Zijn volk uitgestrekte hand des Heren, en stelt, op grond van een door Goddelijke openbaring ontvangen woord, in het licht dat de beide huizen Israël’s voor het tegenwoordige een tijdperk van goddelijke bezoeking beleven, waardoor zij met volkomen ondergang bedreigd worden. Zij plaatst het rijk van Efraïm op den voorgrond, om dan bepaald op het rijk Juda het oog te vestigen, en den tijd des gerichts in vier perioden te schetsen, iedere periode eindigende met aanhaling van het reeds vroeger gesprokene: “Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijne hand is nog uitgestrekt, ” en alzo den overgang tot de volgende vormende. Zo is dan deze gehele rede zeer regelmatig geordend, en bevatten de twee eerste gedeelten ieder vijf verzen, de twee laatste ieder vier.
I. Vs. 7-11.KruisverwijzingenLukas 1:32→Daniël 2:44→Jesaja 37:32→Jesaja 46:12→Maleachi 1:4→Jeremia 33:15→Daniël 7:27→Ezechiël 36:21→
— De Heere heeft een woord gezonden in Jakob, en het is gevallen in Israel. En al dit volk zal het gewaar worden, Efraim en de inwoner van Samaria; in hoogmoed en grootsheid des harten, zeggende: De tichelstenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen stenen zullen wij wederom bouwen; de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in cederen veranderen; Want de HEERE zal Rezins tegenpartijders tegen hem verheffen, en Hij zal zijn vijanden samen vermengen: De Syriers van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij Israel opeten met vollen mond. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
De waarheid van het woord, den Profeet geopenbaard, zal vóór al het andere in de ogen van het meest verblinde deel der natie, het rijk Israël, met vollen glans schitteren. Gevangen in vleselijken overmoed en hoogmoedige verheffing tegen God, vormt men zich daarin allerlei dwaze droombeelden; maar juist het tegendeel zal geschieden. Niet Israël zal met de hulp van Syriërs en Filistijnen Juda overheersen, maar deze volkeren zullen met nog ene macht, welke Jehova zal oproepen, als een roofdier Israël verslinden.
De Heere heeft een woord der bedreiging gezonden in Jakob, waarbij aan beide rijken, zowel het noordelijk als het zuidelijk, ondergang en verderf worden aangekondigd, en het is gevallen in Israël, is ook reeds begonnen in beginsel aan Israël vervuld te worden.
En al dit volk zal het op de gevoeligste wijze gewaar worden, wat dit betekent, zowel Efraïm in het noorden en de inwoners van Samaria, de hoofdstad des rijks; ofschoon na de zware verliezen reeds vroeger van de Assyriërs geleden (2 Kon. 13:19 v.), in hoogmoed, als waren zij machtig genoeg dat alles gemakkelijk te overwinnen, en grootsheid des harten, als konden zij de sterke hand der Heren trotseren, en als hadden zij het niet nodig zich door Zijne strafgerichten te laten verschrikken, zeggende:
De tichelstenen zijn gevallen, de slechts van gewonen steen opgebouwde huizen zijn in ons land verwoest geworden; maar daaraan is niets verbeurd, want met uitgehouwene, kostbare stenen of blokken, zullen wij het verwoeste wederom bouwen; de wilde vijgenbomen 1), die toch niet veel waard zijn (1 (Kron. 27:28), zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in iets hoogs en kostbaars, in cederen veranderen, en nu komen zij om hun overmoedigheid te staven op tegen het rijk Juda, menende met de Syriërs en gesteund door de Filistijnen (2 Kron. 27:17 vv.), wel te zullen slagen, dat rijk gemakkelijk te kunnen verwoesten en alzo uit hun vroegere nederlagen des te krachtiger te zullen opstaan.
Voor geringe huizen gebruikte men het hout der Sycomoren, of wilde vijgenbomen, die weinig in achting waren.
Maar het is er zo ver van verwijderd, dat zij hun doel zouden bereiken, dat zij juist degenen zijn, die nu geheel verwoest worden, en wel door dezelfde macht die nu voor hen strijdt. Want de HEERE zal Rezins, des tegenwoordigen bondgenoots, tegenpartijen, namelijk de Assyriërs (2 Kon. 15:7 vv.), tegen hem, het volk Efraïm en de inwoners van Samaria (vs.
verheffen, en Hij zal Zijne vijanden, dezelfde Assyriërs, van wie zij reeds zoveel hebben geleden (2 Kon. 15:19 v.), zamen verheffen tegen hen, en Efraïm zal nu het rijk zijn, dat te gronde gaat.
De Syriërs van voren uit het Oosten, en de Filistijnen van achteren, uit het Westen (Gen. 13:9), dat zij Israël opeten met vollen mond, eerst gedeeltelijk bij den inval van Tiglath-Pilezer (2 Kon. 15:29), dan ten volle bij dien van Salmanezar (2 Kon. 17:5 vv. 1). Om dit alles, gelijk reeds vroeger met betrekking tot gans Efraïm en Juda gezegd is (Hoofdstuk 5:25), en ook hier (vs. 17 :21; 10:4) gedurig herhaald moet worden, keert Zijn, Jehova’s toorn zich niet af, maar Zijne hand is nog uitgestrekt.
In hoeverre aan de krijgstochten der Assyriërs tegen het noorden des lands met de Syriërs ook de Filistijnen deel hadden, wordt in de Schrift niet verhaald; zij komen daar, behalve 1 Kon. 15:27, altijd alleen als vijanden van het Zuiden des lands voor; intussen ligt de mening voor de hand dat, gelijk de Syriërs na hun nederlaag door Assyrië (2 Kon. 16:9) zich gedwongen zagen in het leger van hun nieuwe overheersers tegen de vroegere bondgenoten te strijden (2 Kon. 15:27), ook de Filistijnen bij de verdere veroveringstochten der Assyrische koningen (2 Kon. 17:35) hetzelfde moesten doen, daar deze krijgstochten tegelijk tegen Fenecië tot Egypte toe gericht waren. Terecht wordt door Dächsel opgemerkt dat in de Schrift niets verhaald wordt van een inval van de Filistijnen in noordelijk Palestina. Maar wel wordt vermeld van een inval der Filistijnen in zuidelijk Palestina in het rijk van Juda, onder de regering van Achaz (2 Kron. 28:16-19). Wij hebben derhalve hier onder Israël niet alleen het rijk der Tien stammen te verstaan, maar ook het rijk van Juda, d. i. het gehele Israël. De Profeet gaat hier over van Efraïm tot geheel Israël om het gehele volk te dreigen met Gods strafgerichten. Vandaar dan ook dat het slot van dit vers weer eensluidend is met slot van Hoofd. 5:25.
II. Vs. 12-16.Kruisverwijzingen2 Kronieken 28:18→Jesaja 5:25→Hosea 7:10→Jesaja 19:15→2 Koningen 16:6→Psalmen 79:7→Jeremia 5:3→Jesaja 31:1→
— Want dit volk keert zich niet tot Dien, Die het slaat, en den HEERE der heirscharen zoeken zij niet. Daarom zal de HEERE afhouwen uit Israel den kop en den staart, den tak en de bieze, op een dag. (De oude en aanzienlijke, die is de kop; maar de profeet, die valsheid leert, die is de staart.) Want de leiders dezes volks zijn verleiders, en die van hen geleid worden, worden ingeslokt. Daarom zal zich de Heere niet verblijden over hun jongelingen, en hunner wezen en hunner weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen te zamen huichelaars en boosdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
Maar het door Israël zo zwaar bedreigde en zo genadig daaruit bevrijde Juda, wendt zich niet tot den Heere, om, Zijne hulp erkennende, zich in oprechtheid tot Hem te willen bekeren, door slechte vorsten geregeerd en door valse Profeten verleid, zinkt het al dieper in ‘t verderf weg, zodat het geheel moet uitgeroeid worden, dat de Heere niet langer behagen hebben kan in die krachtige mannen, of medelijden met zijne weduwen en wezen.
Want dit volk, in Juda, ofschoon het in al de kastijdingen over het noorden des lands mededeelt, keert zich niet tot Dien, die het slaat, en den HEERE der heirscharen zoeken zij niet 1) om Zijne genade en hulp in waarachtig geloof over zich in te roepen, opdat zij nog redding zouden vinden (2 (Kon. 17:19 v.).
Hier wordt Israël’s onbekeerlijkheid aangeduid, onder de tuchtiging des Heren, en tevens hoe zij waren afgodendienaars en Godverzakers. Hoe zij in plaats van zich te bekeren tot den levenden God in hunnen afgodendienst bleven volharden en zich niet bekommerden om den God des Verbonds. Daarom zou de Heere hen overgeven in de hand der Assyriërs en afhouwen den kop en den staart.
Daarom zal de HEERE af houwen in Juda, zowel als in Efraïm, uit Israël den kop en den staart, gelijk men gewoon is te spreken, wanneer men alles in een denkbeeld wil samenvatten (Hoofdstuk 19:15), d. i. het beste en het verachtste aan het lichaam van het dier, den tak en de bieze 1), het beste en het slechtste in het plantenrijk, op een dag (2 Kon. 25!.
Men versta hieronder den palmtak met zijne bloem- of dadeltrossen, waartegen de bies, het nutteloos riet der moerassen, natuurlijk afsteekt.
(De oude en aanzienlijke, de hoofdpersoon des volks, die is, gelijk het spreekwoord zegt, de kop aan het lichaam van den Staat; maar de profeet, die valsheid leert, die is de staart, deze het volk en zijne lusten vleiende profeten bekleden in het staatswezen de plaats als van den kwispelenden staart aan het achterlijf des diers, daar zij slechts spreken wat de mensen gaarne horen. (2 Tim. 4:3). Een zonderlinge tussenzin, dien Jesaja kon en zeker zou achtergelaten hebben, indien niet zijn oogmerk geweest was, een bijtenden schimpscheut te doen tegen de valse profeten van dien tijd in Israël, dien hij hiermede uitmaakt voor het laagste, verachtelijkste deel, het uitschot der natie, en die inderdaad dezen schimp verdienden door hun laaghartig en baatzuchtig kruipen. Men moet dit verrassende en stekende niet over het hoofd zien, waarop het in deze tussenrede geheel aankomt. De Heere spreekt hier zich oordeel uit tegen de Overheid, die niet naar Hem vroeg en tegen den valsen profeet, die de Overheid sterkte in haar verzet tegen God Almachtig. Israël was een theocratisch volk en daarom had de Heere den koning zijne profeten toegevoegd, om dezen te houden bij den waren godsdienst. Achaz had niet alleen God, den Heere, den dienst opgezegd, maar ook de ware profeten verworpen en zich omringd met zulke, die hem stijfden in zien afval, en het kwade goed noemden. Daarom zou de Heere niet alleen de Overheid, maar ook den valsen profeet afhouwen.
Dit zal, gelijk vs. 13 gezegd, op één dag geschieden, en het is ook billijk, wanneer men onder den kop de valse profeten en onder den staart het door hen verleide volk verstaan moet. Want de leiders dezes volks, die het voorgaan, gelijk de kop het hoofd is des lichaams, zijn niets dan verleiders (Hoofdstuk 3:12. Micha 3:5. Jer. 23:13 vv.), en die van hen geleid worden, worden ingeslokt (Luk. 6:39).
Daarom, omdat het reeds zover gekomen is, dat geen enkele van de verschillende standen onder het volk zelfs de minste is van wat zij moesten en konden zijn, zal Zich de Heere niet verblijden over hun jongelingen, als over het edelste deel des volks, dat met bijzondere zorgvuldigheid gepleegd en onderhouden wordt, en hunner wezen en hunner weduwen, aan wie toch anders wel het meest Zijne liefderijke erbarmen toegezegd is (Ps. 10:14; 68:6), zal Hij Zich niet ontfermen, want zij zijn allen te zamen a) huichelaars, vanwege hun verkeerd onzedelijk gemoed, en boosdoeners, door hun schandelijke wijze van handelen, en alle mond spreekt dwaasheid, misdadige en lasterlijke woorden. (Hos. 14:(2 Job 2:10). Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijne hand is nog uitgestrekt; zodat het schijnbaar zwaarste gericht altijd op nieuw door een nog zwaarder moet gevolgd worden.
Jes. 10:6. Het is de onwrikbare wet der hemelse strafbesluiten, dat het goddelijk louteringsvuur op aarde de bozen verbrandt, zij mogen verleiders of verleiden zijn. Maar hoe moet de vlam merg en been van ben doordringen, die den vloek des verderfs over de anderen gebracht hebben! . God zou in hun jongelingen, in de bloem hunner jeugd een blijdschap, geen gevallen hebben, neen Hij zou hen, die zich ook al te licht lieten verleiden, met de overigen laten omkomen, en dus zouden de blinden, tevens met hun leiders vallen. God zou zich niet ontfermen over hun wezen en weduwen, wier handlanger en bewaarder Hij anders altoos is. Want deze hadden hun weg zowel verdorven als alle de overigen, en de armoede en het hulpeloze van hunnen toestand had hen niet teruggehouden van het kwade, dies God zich hunner niet zou bekreunen, noch hen van deze zijne oordelen uitzonderen.
III. Vs. 17-20.KruisverwijzingenJesaja 49:26→Jeremia 18:21→Jesaja 10:6→Micha 7:2→Jesaja 27:11→Jesaja 5:25→Mattheüs 12:34→Maleachi 4:1→
— Want de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken des wouds, die zich verheven hebben als de verheffing des rooks. Vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel des vuurs: de een zal den ander niet verschonen. Zo hij ter rechterhand snijdt, zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; een iegelijk zal het vlees zijns arms eten; Manasse Efraim, en Efraim Manasse, en zij zullen te zamen tegen Juda zijn. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
In het rijk Israël’s heerst reeds ten gevolge van de loslating door Jehova zulk een geest der goddeloosheid, dat het vuur der meest woeste hartstochten het volk verteert en dikke rookwolken boven het brandende bos opgaan: er is geen onderling mededogen meer, maar men bijt en vereet elkaar met ene woede, die gene palen kent, en die zelfs ten koste van de naaste bloedverwanten bevrediging zoekt. Dit kan slechts tot volkomen vernietiging leiden.
Want, om terug te keren tot op het volk Efraïm en de inwoners van Samaria (vs. 9), a) de goddeloosheid aldaar brandt als een hoog opvlammend vuur, doornen en distels, die onaanzienlijke struiken, het eerst daardoor aangegrepen, zal zij verteren, en zal altijd verder om zich heengrijpend aansteken de verwarde struiken des wouds, dat aldus ook in brand vliegt, die zich verheven hebben als de verheffing des rooks.
Jes. 5:24; 24:6. Niet slechts in enkele delen, maar in alle standen en verbintenissen, wordt het volk verteerd door het vuur van vreselijke hartstochten en bedrijft allerlei schandelijke daden en gruwelen, waarvan de geschiedenis uit dien tijd zo vele proeven oplevert.
Van wege de verbolgenheid des HEREN der heirscharen, die Zijn volk heeft overgegeven tot volkomen loslating van alle hartstochten, zal het land verduisterd, als een in zware rookwolken gehuld, een brandend woud worden; en het volk zal zijn als een voedsel des vuurs, als brandhout; de een zal den ander niet verschonen, maar op de onmenslijkste wijze woeden zij in hun bij regeringloosheid uitgebroken burgeroorlogen tegen elkaar, gelijk dit blijkt uit 2 Kon. 15:8-31; 17:1.
En aan deze wederkerige vernieling is geen einde, want zo hij ter rechterhand snijdt of rooft, zal hij toch hongeren maar een nieuw voorwerp voor hun vraatzucht, en zo hij ter linkerhand eet, zo zal hij toch niet verzadigd worden, maar altijd begerig zijn; een iegelijk zal het vlees zijns arms eten, terwijl zij zelfs zich aan familiebetrekkingen en stamgenoten vergrijpen (Jer. 19:9).
Maar in deze ramp wil dan Profeet het zeer zwaar oordeel Gods gezien hebben. En het is volstrekt waar, en alle volken hebben het erkend, die het alzo hebben ondervonden, dat de tweedracht in den Staat de uiterste der rampen is en indien zij niet bij tijds wordt uitgeblust een zeker voorbode is van den zekeren ondergang van den Staat, als bewijs van den toorn Godes wat Hij hier bewaarheid. Doch de Profeet wil dit bewijs van het Goddelijk oordeel vermelden, omdat het zo duidelijk in den toestand van dien Staat te voorschijn trad, dat het aller opmerkzaamheid moest trekken. Alle rampen werkten samen tot ellende van dit volk. En echter was aan den gerechtelijken toorn nog niet genoeg gedaan, maar was de hand Gods nog uitgestrekt.
Manasse eet Efraïm, en Efraïm Manasse, ofschoon zij beiden van Jozef afstammende broeders zijn, en zij zullen daarna weer gemene zaak maken, en te zamen tegen Juda zijn, gelijk nog onlangs in den Syro-Efraïmitischen oorlog geschiedde, aan welks gevolgen wij nog lijden. Om dit alles (zie vs. 12 en 17), keert Zijn toorn zich niet af, meer Zijne hand is nog uitgestrekt. Met onverzadelijke begeerte, gelijk een woedend monster, eet de volksopstand naar alle kanten voort, totdat hij den hoogsten graad van afschuwelijkheid bereikt, als de bloeddorstige in zich eigen vlees woedt.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel