Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Verder zeideH559 de HEEREH3068 totH413 mij: NeemH3947 u een groteH1419 rolH1549, en schrijfH3789 daarop met eens mensenH582 griffelH2747: Haastende tot den roof, is hij spoedig tot den buit!
Verder zeide de HEERE tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot den roof, is hij spoedig tot den buit!
Ook in dit vers
Haastende roof spoedig buitH4122
KJV
Moreover the LORD2
said1
unto me, Take4
thee a great7
roll,6
and write8
in it with a man's11
pen10
concerning Mahershalalhashbaz.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Toen namH5749 ik mij getrouweH539 getuigenH5707, UriaH223, den priesterH3548, en ZachariaH2148, den zoonH1121 van JeberechjaH3000.
Toen nam ik mij getrouwe getuigen, Uria, den priester, en Zacharia, den zoon van Jeberechja.
KJV
And I took1
unto me faithful4
witnesses3
to record,
Uriah6
the priest,7
and Zechariah9
the son10
of Jeberechiah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En ik was totH413 de profetesseH5031 genaderdH7126, die werd zwangerH2029, en baardeH3205 een zoonH1121; en de HEEREH3068 zeideH559 totH413 mij: NoemH7121 zijn naamH8034 MAHER-SCHALAL, CHAZ-BAZ.
En ik was tot de profetesse genaderd, die werd zwanger, en baarde een zoon; en de HEERE zeide tot mij: Noem zijn naam MAHER-SCHALAL, CHAZ-BAZ.
Ook in dit vers
MAHER-SCHALAL CHAZBAZH4122
KJV
And I went1
unto the prophetess;3
and she conceived,4
and bare5
a son.6
Then said7
the LORD8
to me, Call10
his name11
Mahershalalhashbaz.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Want eerH2962 dat knechtjeH5288 zal kunnen roepenH7121: Mijn vaderH1! of, mijn moederH517! zal men den rijkdomH2428 van DamaskusH1834, en den buitH7998 van SamariaH8111 dragenH5375 voor het aangezichtH6440 van den koningH4428 van AssurH804.
Want eer dat knechtje zal kunnen roepen: Mijn vader! of, mijn moeder! zal men den rijkdom van Damaskus, en den buit van Samaria dragen voor het aangezicht van den koning van Assur.
KJV
For before the child4
shall have knowledge3
to cry,5
My father,6
and my mother,7
the riches10
of Damascus11
and the spoil13
of Samaria14
shall be taken away8
before15
the king16
of Assyria.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En de HEEREH3068 sprakH1696 nogH5750 verder totH413 mij, zeggendeH559:
En de HEERE sprak nog verder tot mij, zeggende:
KJV
The LORD2
spake3
also unto me again,1
saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
DewijlH3588 dit volkH5971 verachtH3988 de waterenH4325 van SiloaH7975, die zachtjesH328 gaanH1980, en er vreugdeH4885 is bijH854 RezinH7526 en den zoonH1121 van RemaliaH7425;
Dewijl dit volk veracht de wateren van Siloa, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en den zoon van Remalia;
KJV
Forasmuch1
as this people4
refuseth3
the waters7
of Shiloah8
that go9
softly,10
and rejoice11
in Rezin13
and Remaliah's15
son;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Daarom zietH2009, zo zal de HeereH136 overH5921 hen doen opkomenH5927 die sterkeH6099 en geweldigeH7227 waterenH4325 der rivierH5104, den koningH4428 van AssyrieH804 en alH3605 zijn heerlijkheidH3519; en hij zal opkomenH5927 overH5921 alH3605 zijn stromenH650, en gaanH1980 overH5921 alH3605 zijn oeversH1415;
Daarom ziet, zo zal de Heere over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren der rivier, den koning van Assyrie en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers;
KJV
Now therefore, behold, the Lord3
bringeth up4
upon them the waters7
of the river,8
strong9
and many,10
even the king12
of Assyria,13
and all his glory:16
and he shall come up17
over all his channels,20
and go over21
all his banks:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En hij zal doortrekkenH2498 in JudaH3063, hij zal het overstromenH7857, en er doorgaanH5674, hij zal totH5704 aan den halsH6677 reikenH5060; en de uitstrekkingenH4298 zijner vleugelenH3671 zullen vervullenH4393 de breedteH7341 uws landsH776, o ImmanuelH6005!
En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstromen, en er doorgaan, hij zal tot aan den hals reiken; en de uitstrekkingen zijner vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuel!
KJV
And he shall pass1
through Judah;2
he shall overflow3
and go over,4
he shall reach7
even to the neck;6
and the stretching out9
of his wings10
shall fill11
the breadth12
of thy land,13
O Immanuel.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Vergezelt u te zamen, gij volkenH5971! doch wordt verbrokenH2865; en neemtH238 ter ore, allenH3605 gij, die in verreH4801 landenH776 zijt, omgordtH247 u, doch wordt verbrokenH2865; omgordtH247 u, doch wordt verbrokenH2865!
Vergezelt u te zamen, gij volken! doch wordt verbroken; en neemt ter ore, allen gij, die in verre landen zijt, omgordt u, doch wordt verbroken; omgordt u, doch wordt verbroken!
Ook in dit vers
Vergezelt zamenH7489
KJV
Associate1
yourselves, O ye people,2
and ye shall be broken in pieces;3
and give ear,4
all5
ye of far6
countries:7
gird8
yourselves, and ye shall be broken in pieces;9
gird10
yourselves, and ye shall be broken in pieces.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
BeraadslaagtH5779 een raadH6098, doch hij zal vernietigdH6565 worden; spreektH1696 een woordH1697, doch het zal nietH3808 bestaanH6965; wantH3588 GodH410 is metH5973 ons!
Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons!
KJV
Take1
counsel2
together,
and it shall come to nought;3
speak4
the word,5
and it shall not stand:7
for God
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantH3588 alzoH3541 heeft de HEEREH3068 totH413 mij gezegdH559, met een sterkeH2393 handH3027, en Hij onderweesH3256 mij van niet te wandelenH3212 op den wegH1870 dezes volksH5971, zeggendeH559:
Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende:
KJV
For the LORD4
spake3
thus to me with a strong6
hand,7
and instructed8
me that I should not walk9
in the way10
of this people,11
saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Gijlieden zult nietH3808 zeggenH559: Een verbintenisH7195, van allesH3605, waarH834 ditH2088 volkH5971 van zegtH559: Het is een verbintenisH7195; en vreestH3372 gijlieden hun vrezeH4172 nietH3808, en verschriktH6206 niet.
Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest gijlieden hun vreze niet, en verschrikt niet.
KJV
Say2
ye not, A confederacy,3
to all them to whom this people7
shall say,6
A confederacy;9
neither fear13
ye their fear,11
nor be afraid.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Den HEEREH3068 der heirscharenH6635, Dien zult gijlieden heiligenH6942, en HijH1931 zij uw vrezeH4172, en Hij zijH1931 uw verschrikkingH6206.
Den HEERE der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking.
KJV
Sanctify5
the LORD2
of hosts3
himself; and let him be your fear,7
and let him be your dread.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Dan zal Hij ulieden tot een HeiligdomH4720 zijnH1961; maar tot een steenH68 des aanstootsH5063 en tot een rotssteenH6697 der struikelingH4383 den tweeH8147 huizenH1004 van IsraelH3478, tot een strikH6341 en tot een netH4170 den inwonersH3427 te JeruzalemH3389.
Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israel, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.
KJV
And he shall be for a sanctuary;2
but for a stone3
of stumbling4
and for a rock5
of offence6
to both7
the houses8
of Israel,9
for a gin10
and for a snare11
to the inhabitants12
of Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En velenH7227 onder hen zullen struikelenH3782, en vallenH5307, en verbrokenH7665 worden, en zullen verstriktH3369 en gevangenH3920 worden.
En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.
KJV
And many3
among them shall stumble,1
and fall,4
and be broken,5
and be snared,6
and be taken.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
BindH6887 de getuigenisH8584 toe; verzegelH2856 de wetH8451 onder mijn leerlingenH3928.
Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen.
KJV
Bind up1
the testimony,2
seal3
the law4
among my disciples.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Daarom zal ik den HeereH3068 verbeidenH2442, Die Zijn aangezichtH6440 verbergtH5641 voor het huisH1004 van JakobH3290, en ik zal Hem verwachtenH6960.
Daarom zal ik den Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten.
KJV
And I will wait1
upon the LORD,2
that hideth3
his face4
from the house5
of Jacob,6
and I will look
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
ZietH2009, ik en de kinderenH3206, dieH834 mij de HEEREH3068 gegevenH5414 heeft, zijn tot tekenenH226 en tot wonderenH4159 in IsraelH3478, van den HEEREH3068 der heirscharenH6635, Die op den bergH2022 SionH6726 woontH7931.
Ziet, ik en de kinderen, die mij de HEERE gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israel, van den HEERE der heirscharen, Die op den berg Sion woont.
KJV
Behold, I and the children3
whom the LORD7
hath given5
me are for signs8
and for wonders9
in Israel10
from the LORD12
of hosts,13
which dwelleth14
in mount15
Zion.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Wanneer zij dan totH413 ulieden zeggenH559 zullen: VraagtH1875 waarzeggersH178 en duivelskunstenaarsH3049, die daar piepenH6850, en binnensmonds mompelenH1897; zo zegt: Zal nietH3808 een volkH5971 zijn GodH430 vragenH1875? zal men voor de levendenH2416 de dodenH4191 vragen?
Wanneer zij dan tot ulieden zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen?
KJV
And when they shall say2
unto you, Seek4
unto them that have familiar spirits,6
and unto wizards8
that peep,9
and that mutter:10
should not a people12
seek15
unto their God?14
for the living17
to the dead?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Tot de wetH8451 en tot de getuigenisH8584! zoH518 zij niet sprekenH559 naar ditH2088 woordH1697, het zal zijn, dat zij geen dageraadH7837 zullen hebben.
Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben.
KJV
To the law1
and to the testimony:2
if they speak5
not according to this word,6
it is because there is no light
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En een ieder van hen zal daar doorgaanH5674, hardH7185 gedrukt en hongerigH7457; en het zal geschiedenH1961, wanneer hem hongertH7456, en hij zeer toornigH7107 zal zijn, dan zal hij vloekenH7043 op zijn koningH4428 en op zijn GodH430, alsH3588 hij opwaartsH4605 zal zienH6437;
En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien;
KJV
And they shall pass1
through it, hardly bestead3
and hungry:4
and it shall come to pass, that when they shall be hungry,7
they shall fret8
themselves, and curse9
their king10
and their God,11
and look12
upward.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Als hij de aardeH776 aanschouwenH5027 zal, zietH2009, er zal benauwdheidH6869 en duisternisH2825 zijn; hij zal verduisterdH4588 zijn door angstH6695, en voortgedrevenH5080 door donkerheidH653.
Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid.
KJV
And they shall look3
unto the earth;2
and behold trouble5
and darkness,6
dimness7
of anguish;8
and they shall be driven10
to darkness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Maar het land, dat beangstigdH4155 was, zal nietH3808 gans verduisterdH4164 worden; gelijk als Hij het in den eerstenH7223 tijdH6256 verachtelijkH7043 gemaakt heeft, naar het land van ZebulonH2074 aan, en naar het land van NafthaliH5321 aan, alzo heeft Hij het in het laatsteH314 heerlijkH3513 gemaakt, naar den wegH1870 zeewaartsH3220 aan gelegenH5676 over de JordaanH3383, aan GalileaH1551 der heidenenH1471.
Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea der heidenen.
rol,
Van het woord rol zie de aantekening Ezra 6:2 ; zie ook Jes. 34:4 , en vergelijk Hab. 2:2 ; Openb. 5:1 .
Hertaald:
rol,
Over het woord rol, zie de aantekening bij Ezra 6:2; zie ook Jes. 34:4, en vergelijk Hab. 2:2 en Openb. 5:1.
met eens mensen griffel
Dat is, met een schrift, hetwelk een ieder kan lezen, of naar de wijze, die in het gebruik is, of naar den algemenen stijl of gewoonte.
Hertaald:
met eens mensen griffel
Dat is: met een schrift dat iedereen kan lezen, of op de gebruikelijke wijze, of in de gangbare stijl of gewoonte.
Haastende
Anders: belangende MAHER SCHALAL CHAS BAZ, dat is, aangaande zulks als de naam, dien gij uw jongen zoon, als hij zal geboren zijn, geven zult, betekent.
Hertaald:
Haastende
Anders: aangaande MAHER SCHALAL CHAS BAZ — dat is: aangaande datgene wat de naam betekent die u uw jongste zoon zult geven wanneer hij geboren zal zijn.
spoedig
De zin is: De koning van Assyrië zal haast komen, en hij zal de Syriërs en de Israëlieten beroven. Zie de vervullling dezer profetie 2 Kon. 16:9 . De zaak, die de naam van den zoon des profeets Jesaja beduidt, wordt hier gesteld.
Hertaald:
spoedig
De betekenis is: de koning van Assyrië zal spoedig komen en hij zal de Syriërs en de Isra«lieten beroven. Zie de vervulling van deze profetie in 2 Kon. 16:9. Hier wordt de zaak vermeld die de naam van de zoon van de profeet Jesaja aanduidt.
getrouwe
Of, geloofwaardige getuigen. Hebreeuws, ik deed mij betuigen getrouwe getuigen; vergelijk Jer. 32:10 ; dat is, zodanige mannen, die getuigen kunnen dat de profeet deze profetie gedaan had, opdat het hierna niemand zou kunnen loochenen of in twijfel trekken.
Hertaald:
getrouwe
Of: geloofwaardige getuigen. Hebreeuws: ik liet mij betuigen door getrouwe getuigen; vergelijk Jer. 32:10. Dat is: zulke mannen die konden getuigen dat de profeet deze profetie gedaan had, opdat niemand het daarna zou kunnen ontkennen of in twijfel trekken.
den zoon van Jeberechja
Dit wordt hier bijgevoegd tot onderscheiding van verscheidene andere personen van aanzien, die ook dezen naam gehad hebben; gelijk te zien is 2 Kon. 14:29 , en 2 Kron. 24:20 , en 2 Kron. 26:5 , en Ezra 5:1 , en Ezra 6:14 ; Luc. 1:5 , Luc. 1:67 .
Hertaald:
den zoon van Jeberechja
Dit wordt hier toegevoegd om hem te onderscheiden van verschillende andere aanzienlijke personen die ook deze naam gedragen hebben, zoals te zien is in 2 Kon. 14:29, 2 Kron. 24:20, 2 Kron. 26:5, Ezra 5:1, Ezra 6:14, Luk. 1:5 en Luk. 1:67.
de profetesse
Dat is, tot mijne huisvrouw, aldus genoemd vanwege het ambt van haren man. Of, omdat zij mede ene profetes was.
Hertaald:
de profetesse
Dat is: tot mijn vrouw, die zo genoemd wordt vanwege het ambt van haar man. Of omdat zij zelf ook een profetes was.
genaderd,
Dat is, in de slaapkamer gegaan. Hiermede wordt eerbaarlijk te kennen gegeven de bijslaap van den profeet met zijne huisvrouw.
Hertaald:
genaderd,
Dat is: in de slaapkamer gegaan. Hiermee wordt op eerbare wijze de gemeenschap van de profeet met zijn vrouw te kennen gegeven.
MAHER-SCHALAL, CHAZ-BAZ
Zie boven vs.1.
Hertaald:
MAHER-SCHALAL, CHAZ-BAZ
Zie hierboven vers 1.
dat knechtje
Of, dezen jongen, te weten de jongste zoon van den profeet, vs.3.
Hertaald:
dat knechtje
Of: deze jongen, namelijk de jongste zoon van de profeet, vers 3.
zal kunnen roepen
Dat is, in korten tijd, want als de kinderen een jaar of twee oud zijn, zo roepen zij met gebroken woorden hun vader en moeder. Samaria en Syrië zijn door de Assyriërs, een jaar of twee na deze profetie, overheerd en verwoest geweest.
Hertaald:
zal kunnen roepen
Dat is: binnen korte tijd; want wanneer kinderen een jaar of twee oud zijn, roepen zij met gebroken woorden hun vader en moeder. Samaria en Syrië zijn een jaar of twee na deze profetie door de Assyriërs overheerd en verwoest.
Damaskus,
Damaskus was de hoofdstad van Syrië, boven Jes. 7:8 .
Hertaald:
Damaskus,
Damascus was de hoofdstad van Syrië, zie hierboven Jes. 7:8.
den buit
Merk wel dat de profeet hier zegt dat de koning van Assyrië den buit van Samaria zou wegnemen, maar hij zegt niet dat hij de stad zou innemen. Zie 2 Kon. 15:29 , en 2 Kon. 16:9 .
Hertaald:
den buit
Let er goed op dat de profeet hier zegt dat de koning van Assyrië de buit van Samaria zou wegnemen, maar hij zegt niet dat hij de stad zou innemen. Zie 2 Kon. 15:29 en 2 Kon. 16:9.
Samaria
Samaria was de hoofdstad van het koninkrijk van Israël, boven Jes. 7:9 .
Hertaald:
Samaria
Samaria was de hoofdstad van het koninkrijk Israël, zie hierboven Jes. 7:9.
voor het aangezicht
Dat is, in zijne tegenwoordigheid en tot zijn best.
Hertaald:
voor het aangezicht
Dat is: in zijn tegenwoordigheid en tot zijn voordeel.
de HEERE
Hebreeuws, de Heere voer voort tot mij te spreken.
Hertaald:
de HEERE
Hebreeuws: de HEERE voer voort tot mij te spreken.
Dewijl
Alsof hij zeide: Omdat dit volk veracht de belofte der goddelijke hulp tegen die beide koningen [van wie boven Isa 7 gesproken is] en zich liever op de grote macht van Assyrië wil verlaten, zich inbeeldende dat de hulp, die Ik hun beloofd heb, maar een klein beekje is, gelijk de beek Siloa, maar dat de hulp der Assyriërs is als een geweldige stroom; zo zal Ik hen door de Assyriërs plagen en verderven, gelijk in vs.7 gezegd wordt.
Hertaald:
Dewijl
Alsof hij zei: omdat dit volk de belofte van de goddelijke hulp tegen die beide koningen — over wie hierboven in Jes. 7 gesproken is — veracht en zich liever op de grote macht van Assyrië wil verlaten, terwijl het zich inbeeldt dat de hulp die Ik hun beloofd heb maar een klein beekje is, zoals de beek Siloa, en dat de hulp van de Assyriërs een geweldige stroom is, daarom zal Ik hen door de Assyriërs plagen en verderven, zoals in vers 7 gezegd wordt.
dit volk
Te weten het Joodse volk, of immers een groot deel van hetzelve; te weten die den woorden Gods geen geloof geven. Want onder dit volk waren nog enige vromen en godzaligen, die de Heere zijne leerjongeren noemt, onder vs.16.
Hertaald:
dit volk
Namelijk: het Joodse volk, of in elk geval een groot deel daarvan, namelijk zij die aan de woorden van God geen geloof hechten. Want onder dit volk waren nog enkele vromen en godzaligen, die de HEERE hieronder in vers 16 Zijn leerlingen noemt.
de watere
Dit was een waterbeek te Jeruzalem, waar een fontein uitsproot. Zie Ps. 46:5 , en Joh. 9:7 .
Hertaald:
de watere
Dit was een waterbeek in Jeruzalem, waar een bron uit opwelde. Zie Ps. 46:5 en Joh. 9:7.
die zachtjes gaan,
Zie de aantekening Neh. 2:13 .
Hertaald:
die zachtjes gaan,
Zie de aantekening bij Neh. 2:13.
er vreugde is
Dat is, middelerwijl dat deze beide koningen vrolijk zijn, de vaste hoop hebbende dat zij het Joodse land zullen overweldigen; zo zie, enz. gelijk volgt vs.7.
Hertaald:
er vreugde is
Dat is: terwijl deze beide koningen vrolijk zijn en de vaste hoop hebben dat zij het Joodse land zullen overweldigen — zie dan, enzovoort, zoals in vers 7 volgt.
over hen
Te weten over de ongelovige Joden, zie vs.6.
Hertaald:
over hen
Namelijk: over de ongelovige Joden, zie vers 6.
die sterke
Te weten de wateren van de rivier Eufraat. Dit is ene tegenstelling tegen de wateren van Siloa, vs.6.
Hertaald:
die sterke
Namelijk: de wateren van de rivier de Eufraat. Dit staat tegenover de wateren van Siloa in vers 6.
al zijn heerlijkheid;
Dat is, al zijn voortreffelijke vorsten en krijgsoversten met hun onderhebbend volk, waar de koning van Assyrië van roemt; Jes. 10:8 , Jes. 10:13 .
Hertaald:
al zijn heerlijkheid;
Dat is: al zijn voortreffelijke vorsten en legeroversten met het volk dat onder hen staat, waarop de koning van Assyrië zich beroemt; Jes. 10:8 en Jes. 10:13.
hij zal opkomen
Dat is, hij zal zich verheffen, te weten Sanherib, de koning van Assyrië, van wien de profeet hier spreekt als van een grote rivier. Anders: zij zal opkomen, te weten de rivier.
Hertaald:
hij zal opkomen
Dat is: hij zal zich verheffen, namelijk Sanherib, de koning van Assyrië, over wie de profeet hier spreekt als over een grote rivier. Anders: zij zal opkomen, namelijk de rivier.
zijn stromen . . . zijn oevers
Te weten het volk, of hunne, te weten volkeren.
Hertaald:
zijn stromen . . . zijn oevers
Namelijk: van het volk; of: hun oevers, namelijk van de volken.
doortrekken
Hebreeuws, veranderen; te weten van plaats.
Hertaald:
doortrekken
Hebreeuws: veranderen, namelijk van plaats.
in Juda,
Dat is, door het Joodse land.
Hertaald:
in Juda,
Dat is: door het Joodse land.
het
Te weten het Joodse land.
Hertaald:
het
Namelijk: het Joodse land.
overstromen,
Dat is, hij zal alle vaste steden in Juda zo haastelijk overvallen en innemen, alsof zijn leger een waterstroom ware. Zie de volvoering door Sanherib ten tijde van Hizkia, 2Ki 18 .
Hertaald:
overstromen,
Dat is: hij zal alle versterkte steden in Juda zo snel overvallen en innemen alsof zijn leger een waterstroom was. Zie de uitvoering daarvan door Sanherib in de tijd van Hizkia, 2 Kon. 18.
tot aan den hals
Dat is, totdat hij de hoofdstad, te weten Jeruzalem, belegere en benauwe. Zie 2 Kon. 18:17 . Doch men kan dit ook verstaan gesproken te zijn van den uitersten nood waarin de Joden vervallen zouden, alzo namelijk dat er weinig aan ontbreken zou, of zij zouden altegaar verloren gaan.
Hertaald:
tot aan den hals
Dat is: totdat hij de hoofdstad, namelijk Jeruzalem, belegert en benauwt. Zie 2 Kon. 18:17. Maar men kan dit ook opvatten als gezegd over de uiterste nood waarin de Joden zouden vervallen, zo namelijk dat het weinig zou schelen of zij zouden allemaal verloren gaan.
de uitstrekkingen
Dat is, de verscheidene delen van zijn leger. Men noemt nog heden ten dage vleugels de delen der legers.
Hertaald:
de uitstrekkingen
Dat is: de verschillende delen van zijn leger. Ook tegenwoordig noemt men de delen van legers nog vleugels.
o Immanuël
Of, o Gij God, die met ons zijt; aldus wordt Christus de Zoon Gods genoemd, die het hoofd zijner kerk is, welke te dien tijde in het land van Juda was. Zie boven Jes. 7:14 .
Hertaald:
o Immanuël
Of: o U, God, Die met ons bent. Zo wordt Christus, de Zoon van God, genoemd, Die het Hoofd is van Zijn kerk, die in die tijd in het land Juda was. Zie hierboven Jes. 7:14.
Vergezelt
Dit is ene aanspraak tot den koning van Assyrië en de andere natiën, die zich met hem tegen de Joden, of de kerk Gods, doch inzonderheid tegen de stad Jeruzalem verbonden hadden; tegelijk is het ene voorzegging tot troost der vromen, dat de Assyriërs Jeruzalem wel zouden willen belegeren, maar dat zij die stad en het koninkrijk van Juda niet zouden overweldigen, gelijk zij voorgenomen hadden, maar dat zij met schande daarvan zouden moeten trekken. Het is een heilige ironie, of bespotting, alsook in vs.10. Zie de vervulling dezer profetie 2 Kon. 19:35 .
Hertaald:
Vergezelt
Dit is een aanspraak tot de koning van Assyrië en de andere volken die zich met hem tegen de Joden of de kerk van God, en vooral tegen de stad Jeruzalem, verbonden hadden. Tegelijk is het een voorzegging tot troost van de vromen: dat de Assyriërs Jeruzalem wel zouden willen belegeren, maar dat zij die stad en het koninkrijk Juda niet zouden overweldigen zoals zij van plan waren, maar er met schande vandaan zouden moeten trekken. Het is een heilige ironie of bespotting, evenals in vers 10. Zie de vervulling van deze profetie in 2 Kon. 19:35.
wordt verbroken;
Of, terneder gesmeten, of verpletterd, en zo in het volgende. Zie Jes. 7:7 .
Hertaald:
wordt verbroken;
Of: neergeworpen, of verpletterd; en zo ook in het vervolg. Zie Jes. 7:7.
allen gij,
Hebreeuws, alle verheden des lands, of der aarde.
Hertaald:
allen gij,
Hebreeuws: alle verre streken van het land, of van de aarde.
omgordt u,
Te weten met uw harnas en zwaard, dat is, bereidt u ten oorlog.
Hertaald:
omgordt u,
Namelijk: met uw harnas en zwaard — dat is: maak u gereed voor de oorlog.
doch wordt verbroken;
De zin is: Doet al wat gij kunt, het zal al vergeefs zijn, gij zult niets uitrichten, aangezien Immanuel, dat is God, met ons is.
Hertaald:
doch wordt verbroken;
De betekenis is: doe alles wat u kunt, het zal allemaal tevergeefs zijn, u zult niets bereiken, omdat Immanuël, dat is God, met ons is.
Beraadslaagt
Te weten, hoe gij het Joodse land zult overmeesteren.
Hertaald:
Beraadslaagt
Namelijk: hoe u het Joodse land zult overmeesteren.
het zal niet bestaan;
Gelijk boven Jes. 7:7 .
Hertaald:
het zal niet bestaan;
Zoals hierboven Jes. 7:7.
God is met ons
De profeet ziet op den naam van Immanuel, den Zoon Gods gegeven, boven Jes. 7:14 , en hier vs.8. En hij wil hier te kennen geven dat Christus, die de beschutter en beschermer zijner kerk is, het koninkrijk van Juda beschermen zou, dewijl Hij besloten had uit dien stam zijn menselijke natuur aan te nemen, eer dat al het bestuur ganselijk van Juda weggenomen zou zijn en blijven. Eenigen zetten het over: Want [hier is] Immanuel.
Hertaald:
God is met ons
De profeet ziet op de naam Immanuël, die aan de Zoon van God gegeven is, hierboven in Jes. 7:14 en hier in vers 8. Hij wil hier te kennen geven dat Christus, Die de beschutter en beschermer van Zijn kerk is, het koninkrijk Juda zou beschermen, omdat Hij besloten had uit die stam Zijn menselijke natuur aan te nemen voordat het bestuur geheel en blijvend van Juda weggenomen zou zijn. Sommigen vertalen het: want hier is Immanuël.
een sterke hand,
Hebreeuws, met sterking, of aangrijping der hand. Waardoor men kan verstaan de krachtige werking van den Geest Gods in den profeet en degenen, die hem volgen zouden.
Hertaald:
een sterke hand,
Hebreeuws: met versterking of aangrijping van de hand. Daaronder kan men de krachtige werking van de Geest van God verstaan in de profeet en in hen die hem zouden volgen.
van niet te wandelen
Dat is, dat ik en de godzalige Joden, de zeden en manieren van doen van dit volk, te weten van het merendeel des volks te Jeruzalem, dewijl het goddeloos is, niet zouden navolgen, mistrouwende de belofte van God, en ons meer verlatende op menselijke dan op goddelijke hulp, gelijk zij doen.
Hertaald:
van niet te wandelen
Dat is: dat ik en de godzalige Joden de zeden en gewoonten van dit volk — namelijk van het merendeel van het volk in Jeruzalem, omdat het goddeloos is — niet zouden navolgen door de belofte van God te wantrouwen en meer op menselijke dan op goddelijke hulp te vertrouwen, zoals zij doen.
Gijlieden
Te weten, gij Jesaja en gij allen, die den Heere vreest, zult niet straks zeggen, gelijk de meeste hoop van dit volk; wij willen een verbond maken met den koning van Assyrië tegen die andere koningen, die ons dreigen en kwellen, zich daarop zozeer verlatende, dat zij de belofte van God klein achten, ja versmaden.
Hertaald:
Gijlieden
Namelijk: u, Jesaja, en u allen die de HEERE vreest, zult niet meteen zeggen zoals de grote massa van dit volk: wij willen een verbond sluiten met de koning van Assyrië tegen die andere koningen die ons bedreigen en kwellen. Zij vertrouwen daar zozeer op dat zij de belofte van God gering achten, ja versmaden.
dit volk
Te weten deze boze ongelovige Joden, die de belofte van God verachten.
Hertaald:
dit volk
Namelijk: deze boze, ongelovige Joden, die de belofte van God verachten.
een verbintenis;
Of, gelijk men nu spreekt: een ligue (verbond).
Hertaald:
een verbintenis;
Of: een ligue, zoals men tegenwoordig zegt — een bondgenootschap.
en vreest gijlieden
Dat is, vreest niet hetgeen waarmede zij u zoeken te verschrikken. Of vreest niet gelijk dit volk doet.
Hertaald:
en vreest gijlieden
Dat is: vrees niet datgene waarmee zij u proberen te verschrikken. Of: vrees niet zoals dit volk doet.
hun vreze niet,
Te weten van dit volk, hetwelk zeer bevreesd is voor die grote macht dier beide koningen. Zie boven Jes. 7:2 .
Hertaald:
hun vreze niet,
Namelijk: van dit volk, dat zeer bevreesd is voor die grote macht van die beide koningen. Zie hierboven Jes. 7:2.
verschrikt niet
Anders: vervaart [de anderen] niet.
Hertaald:
verschrikt niet
Anders: maak de anderen niet bang.
gijlieden
Te weten gijlieden die gelovig zijt en u ganselijk op Gods beloften verlaat.
Hertaald:
gijlieden
Namelijk: u die gelovig bent en zich geheel op Gods beloften verlaat.
heiligen,
Dat is, dienen, gelijk men schuldig is zulk een heiligen God te dienen, te weten met kinderlijke vreze en vertrouwen, niet twijfelende aan zijne beloften. Dit is te verstaan van den Heere Christus, die hier genoemd wordt de HEERE der heirscharen, van wien wijders in het volgende gesproken wordt.
Hertaald:
heiligen,
Dat is: dienen zoals men verplicht is zo'n heilig God te dienen, namelijk met kinderlijke vrees en vertrouwen, zonder aan Zijn beloften te twijfelen. Dit moet verstaan worden van de Heere Christus, Die hier de HEERE der heirscharen genoemd wordt en over Wie in het vervolg verder gesproken wordt.
Hij zij uw vreze,
Dat is, Hij is het, dien gij vrezen moet en voor wien gij te verschrikken hebt, als gij Hem vertoornd hebt.
Hertaald:
Hij zij uw vreze,
Dat is: Hij is het Die u vrezen moet en voor Wie u moet schrikken wanneer u Hem vertoornd hebt.
Dan zal Hij
De Heere Christus zal ulieden ook heiligen door zijn bloed en Geest, en voorts ulieder eer en troost, toevlucht en bescherming zijn, waarvan het uiterlijk heiligdom een teken was.
Hertaald:
Dan zal Hij
De Heere Christus zal u ook heiligen door Zijn bloed en Geest, en Hij zal verder uw eer en troost, uw toevlucht en bescherming zijn, waarvan het uiterlijke heiligdom een teken was.
den twee huizen
Dat is de twee koninkrijken, te weten van Juda en van de tien stammen. Doch versta dit alzo, dat de gelovigen dier beide koninkrijken hieronder niet begrepen zijn.
Hertaald:
den twee huizen
Dat is: de twee koninkrijken, namelijk van Juda en van de tien stammen. Maar versta dat zo dat de gelovigen uit die beide koninkrijken hier niet onder begrepen zijn.
Israël,
Dat is, van het volk Israël.
Hertaald:
Israël,
Dat is: van het volk Israël.
velen
Te weten der Israëlieten.
Hertaald:
velen
Namelijk: van de Isra«lieten.
onder hen
Anders: velen zullen aan dezelve, of tegen dezelve, te weten steen of rotssteen, of net en strik. Of, velen derzelven zullen sneuvelen.
Hertaald:
onder hen
Anders: velen zullen daaraan of daartegen vallen, namelijk tegen die steen of rotssteen, of in dat net en die strik. Of: velen van hen zullen omkomen.
vallen,
Te weten aanlopende en zich stotende aan dien steen. Want dewijl zij de aangeboden genade des Heeren door ongeloof zouden verwerpen, zo zou hun dezelve tot grotere verdoemenis strekken.
Hertaald:
vallen,
Namelijk: doordat zij tegen die steen aanlopen en zich eraan stoten. Want omdat zij de aangeboden genade van de HEERE door ongeloof zouden verwerpen, zou die hun juist tot groter verdoemenis strekken.
Bind
Dit is een vervolg of aanhangsel der woorden Gods, vs.11, en wat hier staat, dat beveelt God, te weten Christus, de Zoon Gods, den profeet Jesaja. De zin is: Dat de getuigenis en de leer, die God liet verkondigen, aangaande zijne genade en bij name van den Messias, allen goddelozen en ongelovigen als een toegebonden, verzegeld en gesloten boek of brief zou zijn, en alleen van die zou verstaan en aangenomen worden, die als zijn ware discipelen, van Hem inwendig geleerd en verlicht zouden zijn door de kracht des Heiligen Geestes. Zie Jes. 29:11 , en Jes. 54:13 ; Jer. 31:34 ; Joh. 6:45 .
Hertaald:
Bind
Dit is een vervolg op of aanhangsel bij de woorden van God in vers 11, en wat hier staat beveelt God — namelijk Christus, de Zoon van God — aan de profeet Jesaja. De betekenis is: het getuigenis en de leer die God liet verkondigen over Zijn genade, en met name over de Messias, zouden voor alle goddelozen en ongelovigen zijn als een toegebonden, verzegeld en gesloten boek of brief, en zouden alleen verstaan en aangenomen worden door hen die als Zijn ware discipelen innerlijk door Hem onderwezen en verlicht zouden zijn door de kracht van de Heilige Geest. Zie Jes. 29:11, Jes. 54:13, Jer. 31:34 en Joh. 6:45.
de wet
Of, de leer.
Hertaald:
de wet
Of: de leer.
onder mijn leerlingen
Anders: onder degenen, die van mij geleerd zijn.
Hertaald:
onder mijn leerlingen
Anders: onder hen die door Mij onderwezen zijn.
Daarom zal ik
Te weten, omdat de Heere tot mij gesproken heeft, enz. vs.11. Alsof hij zeide: Ik wil vast op den Heere staan, en mij op zijne beloften zekerlijk verlaten.
Hertaald:
Daarom zal ik
Namelijk: omdat de HEERE tot mij gesproken heeft, enzovoort, vers 11. Alsof hij zei: ik wil vast op de HEERE staan en mij met zekerheid op Zijn beloften verlaten.
Die Zijn aangezicht
Dat is, die, rechtvaardiglijk vertoornd zijnde, zijne weldadigheid den goddelozen Joden ontnomen heeft, terwijl Hij hen straffen wil.
Hertaald:
Die Zijn aangezicht
Dat is: Die, terechtvertoornd, Zijn weldadigheid aan de goddeloze Joden ontnomen heeft omdat Hij hen straffen wil.
Ziet,
Dit zijn de woorden van Christus, [gelijk klaarlijk blijkt uit Hebr. 2:13 ] ; die hier den profeet troost en versterkt tegen den haat der boze mensen, met zijn eigen voorbeeld, alsof Hij zeide: Wedervaart mij zelfs die schande in mijn persoon, in de bediening van mijn leerambt, zo laat het u, o Jesaja, geen wonder geven dat u smaad en spijt wordt aangedaan.
Hertaald:
Ziet,
Dit zijn de woorden van Christus, zoals duidelijk blijkt uit Hebr. 2:13. Hij troost en versterkt hier de profeet tegen de haat van de boze mensen met Zijn eigen voorbeeld, alsof Hij zei: als die schande zelfs Mij in Mijn persoon overkomt bij de bediening van Mijn leerambt, verwonder u er dan niet over, o Jesaja, dat u smaad en hoon wordt aangedaan.
kinderen,
Te weten, die uit God geboren zijn, die naarstiglijk mijn woord horen en betrachten.
Hertaald:
kinderen,
Namelijk: die uit God geboren zijn en die Mijn woord ijverig horen en betrachten.
de HEERE
Dat is, God de Vader, verwekkende in hen door mijne predikatie en de werking van den Heiligen Geest het geloof en gehoorzaamheid.
Hertaald:
de HEERE
Dat is: God de Vader, Die door Mijn prediking en de werking van de Heilige Geest het geloof en de gehoorzaamheid in hen verwekt.
gegeven heeft,
Te weten om te onderwijzen en te verlossen, Joh. 6:37 , en Joh. 17:12 . Want hier spreekt Christus.
Hertaald:
gegeven heeft,
Namelijk: om te onderwijzen en te verlossen, Joh. 6:37 en Joh. 17:12. Want hier spreekt Christus.
zijn tot tekenen
Dat is, velen hebben een afkeer van ons en haten ons, omdat hunne goddeloosheid door ons gestraft wordt.
Hertaald:
zijn tot tekenen
Dat is: velen hebben een afkeer van ons en haten ons, omdat hun goddeloosheid door ons bestraft wordt.
in Israël,
Dat is, onder de Israëlieten.
Hertaald:
in Israël,
Dat is: onder de Isra«lieten.
Wanneer
Dit zijn nog de woorden Gods tot Jesaja en tot de godvrezende Joden.
Hertaald:
Wanneer
Dit zijn nog steeds de woorden van God tot Jesaja en tot de godvrezende Joden.
zij dan
Te weten, de ongelovige Joden, of Jeruzalemmers.
Hertaald:
zij dan
Namelijk: de ongelovige Joden, of de inwoners van Jeruzalem.
tot ulieden
Te weten tot u, Jesaja en tot andere godzaligen, die in den waren God geloven.
Hertaald:
tot ulieden
Namelijk: tot u, Jesaja, en tot andere godzaligen die in de ware God geloven.
Vraagt
Te weten, hoe gij en wij van de vijanden zullen verlost worden. Zie van de waarzeggers Lev. 19:31 , en Lev. 20:6 .
Hertaald:
Vraagt
Namelijk: hoe u en wij van de vijanden verlost zullen worden. Over de waarzeggers, zie Lev. 19:31 en Lev. 20:6.
piepen,
Of, kirren.
Hertaald:
piepen,
Of: kirren.
binnensmonds
Of, popelen; dat is, die hunne voorzeggingen met een duistere, onverstaanbare stem voortbrengen.
Hertaald:
binnensmonds
Of: mompelen — dat is: die hun voorzeggingen met een duistere, onverstaanbare stem uitbrengen.
Zal men
De zin is: Zullen zij, die leven, voor zichzelven den doden vragen, gelijk Saul gedaan heeft, 1 Sam. 18:11 ? Hij wil zeggen dat zulks den kinderen Gods geenszins betaamt. Anders aldus: Vraagt niet een volk zijnen goden? voor de levenden de doden? verstaande dat het zij ene bestraffing van de ongerijmdheid der afgodendienaars, die den doden afgoden vragen tot voordeel van de levenden.
Hertaald:
Zal men
De betekenis is: zullen zij die leven voor zichzelf de doden raadplegen, zoals Saul gedaan heeft, 1 Sam. 18:11? Hij wil zeggen dat zoiets de kinderen van God volstrekt niet past. Anders zo: vraagt een volk zijn goden niet? voor de levenden de doden? In die opvatting is het een bestraffing van de ongerijmdheid van de afgodendienaars, die de dode afgoden raadplegen tot voordeel van de levenden.
Tot de wet
Dat is, tot de boeken van Mozes. Zie Luc. 16:29 .
Hertaald:
Tot de wet
Dat is: tot de boeken van Mozes. Zie Luk. 16:29.
de getuigenis
Dat is, tot de openbaringen, die God den profeten gedaan heeft; te weten, zal men gaan om te vragen.
Hertaald:
de getuigenis
Dat is: tot de openbaringen die God aan de profeten gedaan heeft; daarheen moet men gaan om te vragen.
Zo zij niet
Dat is, indien zij Mozes en de ware profeten niet willen horen en zich naar hunne leer schikken.
Hertaald:
Zo zij niet
Dat is: als zij Mozes en de ware profeten niet willen horen en zich niet naar hun leer willen schikken.
geen dageraad
Of, geen licht. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk den dageraad; dat is het aanbrekende licht, als de zon begint op te gaan, hetwelk meer schemering dan dag is. Dat is, zij zullen het hemelse licht en het rechte verstand der verborgenheden van God, alsook zijner genade, niet deelachtig worden; maar met allerlei geestelijke en lichamelijke ellenden gestraft worden. Zie Job 18:18 ; Ps. 84:12 . Anders: [zo is het] omdat er geen dageraad bij hen is. Anders: zo niet, laat hen naar dat woord spreken, dat geen dageraad heeft; dat is, die het woord der profeten verachten en alzo doen blijken dat zij geen hemelse verlichting hebben, laat die spreken naar het woord der waarzeggers of duivelskunstenaars.
Hertaald:
geen dageraad
Of: geen licht. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk de dageraad, dat is: het aanbrekende licht wanneer de zon begint op te gaan, wat meer schemering is dan dag. Dat is: zij zullen geen deel krijgen aan het hemelse licht en aan het rechte inzicht in de verborgenheden van God en Zijn genade, maar zij zullen met allerlei geestelijke en lichamelijke ellende gestraft worden. Zie Job 18:18 en Ps. 84:12. Anders: dat komt doordat er bij hen geen dageraad is. Anders: zo niet, laat hen dan spreken naar dat woord dat geen dageraad heeft — dat is: laat hen die het woord van de profeten verachten en daarmee laten blijken dat zij geen hemelse verlichting hebben, maar spreken naar het woord van de waarzeggers of duivelskunstenaars.
zullen hebben
Hebreeuws, bij hem, of in hem; dat is, bij geen van hen allen. Hij spreekt van al de goddeloze Israëlieten als van een geheel. Alzo ook vs.21,22.
Hertaald:
zullen hebben
Hebreeuws: bij hem, of in hem — dat is: bij niemand van hen allen. Hij spreekt over alle goddeloze Isra«lieten als over één geheel. Zo ook in vers 21 en 22.
En een ieder
Te weten omdat zij den raad Gods niet willen volgen.
Hertaald:
En een ieder
Namelijk: omdat zij de raad van God niet willen volgen.
daar doorgaan,
Te weten door het land van Juda en Israël hulp en troost zoekende. Het schijnt dat dit moet gepast zijn op de tijden van den koning Zedekia, toen de stad Jeruzalem van de Chaldeën is ingenomen. Zie 2 Kon. 25:6-7 .
Hertaald:
daar doorgaan,
Namelijk: door het land van Juda en Israël, op zoek naar hulp en troost. Het lijkt dat dit betrokken moet worden op de tijd van koning Zedekia, toen de stad Jeruzalem door de Chaldeeën is ingenomen. Zie 2 Kon. 25:6-7.
vloeken
Te weten omdat Hij hen niet beschut noch beschermd heeft.
Hertaald:
vloeken
Namelijk: omdat Hij hen niet beschut of beschermd heeft.
op zijn God,
Te weten omdat Hij hen niet verhoord heeft, als zij Hem, op hunne wijze, aangeroepen hebben, namelijk door offeranden en beeldenverering. Anders: op zijne goden.
Hertaald:
op zijn God,
Namelijk: omdat Hij hen niet verhoord heeft toen zij Hem op hun manier aanriepen, namelijk door offers en beeldenverering. Anders: op zijn goden.
als hij opwaarts
Anders: en opwaarts zien; te weten, of hun enige hulp van God zou komen. Doch dit omhoog zien zou niet komen uit geloof, maar uit ongeduld, en door den uitersten nood daartoe gedrongen zijnde; gelijk 2 Sam. 22:42 .
Hertaald:
als hij opwaarts
Anders: en omhoog zien, namelijk of er enige hulp van God zou komen. Maar dat omhoogzien zou niet uit geloof voortkomen, maar uit ongeduld, gedrongen door de uiterste nood, zoals in 2 Sam. 22:42.
Als hij
Anders: ook zal hij de aarde aanschouwen, en ziet, enz.
Hertaald:
Als hij
Anders: ook zal hij de aarde aanschouwen, en zie, enzovoort.
hij zal verduisterd
De zin is: Waar hij zich keert of wendt, hij zal hulp noch troost vinden.
Hertaald:
hij zal verduisterd
De betekenis is: waarheen hij zich ook keert of wendt, hij zal hulp noch troost vinden. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De profetische naam van een kind dat een maagd zou baren, als teken voor Achaz dat de bedreiging door Rezin en Pekah spoedig zou verdwijnen (Jes. 7:14; 8:8); in het Nieuwe Testament toegepast op Jezus Christus (Matth. 1:23). Zoon van Jeberechja; door Jesaja, samen met de priester Uria, als getrouwe getuige genomen bij het schrijven van de profetische naam Maher-Schalal Chaz-Baz (Jes. 8:2). De profetische naam van Jesaja's tweede zoon, geboren uit de profetes (Jesaja's vrouw); zijn naam was een teken dat Damaskus en Samaria spoedig door de koning van Assyrië geplunderd zouden worden (Jes. 8:1-4). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas De profeet moet op een grote rol schrijven: "Haastende tot den roof, is hij spoedig tot den buit!" (Jes. 8:1). Diezelfde woorden worden even later de naam van zijn zoon, MAHER-SCHALAL, CHAZ-BAZ (Jes. 8:3). Er staat bij wat die naam voor de tijd betekent: voordat het kind vader of moeder kan roepen, wordt de rijkdom van Damaskus en de buit van Samaria weggedragen voor de koning van Assur (Jes. 8:4). Daarna volgt de aanklacht: "Dewijl dit volk veracht de wateren van Siloa, die zachtjes gaan" (Jes. 8:6). Daarom komt er ander water, "die sterke en geweldige wateren der rivier, den koning van Assyrie en al zijn heerlijkheid" (Jes. 8:7). Die rivier zal doortrekken in Juda en "tot aan den hals reiken". En dan valt onverwacht de naam uit het vorige hoofdstuk: "o Immanuel!" (Jes. 8:8). Bijbelse betekenis: Siloa was de kleine waterloop die Jeruzalem van binnenuit voedde; de rivier is de Eufraat, met heel Assur erachter. Het volk vond het stille water te weinig en koos het sterke. Het krijgt het sterke dan ook, maar tot aan de hals. Merk op hoe het gedeelte eindigt. Midden in de beschrijving van de overstroming staat de naam Immanuël, en die hangt er niet los bij: het land dat overstroomd wordt is Zijn land (Jes. 8:8). God met ons betekent dus niet dat het oordeel voorbijgaat, maar dat Hij er middenin niet weg is. Let ten slotte op het beeld van het water. Wat God geeft is vaak klein en zonder vertoon. Wie dat versmaadt, ruilt het niet in voor niets, maar voor iets dat over hem heen slaat. Typologie: Bij dat stille water hoort het woord van de Heere Jezus over het water dat Hij geeft. Het wordt in de mens "een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven" (Joh. 4:14). Ook dat is klein en onopvallend tegenover de stromen waarop de wereld bouwt. Jes. 8:1-8; Joh. 4:14 De HEERE onderwijst de profeet met sterke hand dat hij niet op de weg van dit volk moet wandelen (Jes. 8:11). Twee dingen worden hem verboden: meepraten met een volk dat overal een samenzwering ziet, en meevrezen met wat zij vrezen (Jes. 8:12). In plaats daarvan: "Den HEERE der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking" (Jes. 8:13). En dan volgt de tweeledige uitkomst: "Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israel" (Jes. 8:14). Daarna wordt het woord opgeborgen voor later: "Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen" (Jes. 8:16). De profeet wacht: "Daarom zal ik den Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten" (Jes. 8:17). En hij wijst op zijn gezin: "Ziet, ik en de kinderen, die mij de HEERE gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israel" (Jes. 8:18). Bijbelse betekenis: Twee vrezen staan hier tegenover elkaar, en zij verdringen elkaar. Wie God vreest, houdt geen ruimte over voor de angst waar het volk vol van is; wie meevreest met de menigte, heeft voor God geen ontzag meer over. Merk op dat het om één en dezelfde steen gaat (Jes. 8:14). God verandert niet van gestalte: wie bij Hem schuilt vindt een heiligdom, en wie tegen Hem inloopt struikelt over dezelfde rots. Wat het verschil maakt, is niet de steen maar de richting van wie eraan komt. Let ten slotte op de kinderen. Hun namen droegen de boodschap toen niemand luisterde: de een heette dat een overblijfsel zou terugkeren (Jes. 7:3), de ander dat de buit haastte (Jes. 8:3). Het gezin van de profeet was zo een preek die rondliep. Typologie: Paulus en Petrus passen de steen van Jes. 8:14 rechtstreeks op Christus toe. Paulus schrijft: "Ziet, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; en een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden" (Rom. 9:33). Petrus zet daar de twee uitkomsten naast elkaar: voor wie gelooft is Hij dierbaar, en voor de ongehoorzamen "een steen des aanstoots, en een rots der ergernis" (1 Petr. 2:7). Dezelfde Petrus neemt ook de twee vrezen over: "vreest niet uit vreze van hen", maar "heiligt God, den Heere, in uw harten" (1 Petr. 3:14-15). En de Hebreeënbrief legt de woorden over de kinderen in de mond van Christus Zelf: "Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft" (Hebr. 2:13). Jes. 8:11-18; Jes. 7:3; Rom. 9:33; 1 Petr. 2:7; 1 Petr. 3:14-15; Hebr. 2:13 Het volk wordt aangespoord om raad te vragen bij de doden, en de profeet geeft die aansporing woordelijk weer: "Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen" (Jes. 8:19). Het antwoord is een wedervraag: "Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen?" Daarop volgt de regel zelf: "Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben" (Jes. 8:20). Het hoofdstuk eindigt in het donker. Wie langs die weg gaat, gaat hongerig en hard gedrukt, vloekt op zijn koning en op zijn God, en ziet om zich heen niets dan benauwdheid en duisternis (Jes. 8:21-22). Bijbelse betekenis: De maatstaf ligt hier niet bij de indruk die een woord maakt, maar bij de overeenstemming met wat God gezegd heeft. Wet en getuigenis zijn twee namen voor die ene toets. Merk op in welke vorm het wordt gezegd. De profeet spot niet, maar stelt een vraag die de zaak omkeert: men gaat bij de doden te rade over het leven. Wat hier verboden wordt, was niet nieuw; het stond al in de wet (reeds behandeld bij Deut. 18:10-11), en het bracht ook Saul geen antwoord (reeds behandeld bij 1 Sam. 28:6-7). Let ten slotte op het beeld van de dageraad. Wie zich niet aan het Woord houdt, wacht niet op een langzaam lichter wordende hemel; er komt eenvoudig geen morgen. Dat is de reden dat het licht van het volgende hoofdstuk zoveel betekent. Typologie: Dezelfde toets wordt in het Nieuwe Testament geprezen bij de hoorders te Berea. Zij namen het woord aan met alle toegenegenheid, "onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren" (Hand. 17:11). Zij toetsten dus niet de prediker maar de prediking, en dat aan het geschreven Woord. Jes. 8:19-22; Deut. 18:10-11; 1 Sam. 28:6-7; Hand. 17:11 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Verlaat u ooit een samenkomst met het gevoel dat er in heel de eredienst geen besef geweest is van Christus’ tegenwoordigheid, geen gedachte aan Zijn dierbaar bloed, dan is die eredienst waardeloos geweest en is de tijd verspild. © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 8
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten


Jesaja 8
Jesaja 8:14.Kruisverwijzingen1 Petrus 2:8→Lukas 2:34→Romeinen 9:32→Jesaja 28:16→Ezechiël 11:16→Psalmen 46:1→Psalmen 11:6→Spreuken 18:10→
— Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israel, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.
“Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israel.” Mensen spreken vaak over heilige plaatsen. Zij noemen soms een gebouw, een kerk of een eigen kapel, een heiligdom. Ik houd het ervoor dat dit een verkeerd gebruik van het woord is. Geen enkele plaats is ook maar iets heiliger dan een andere. Het is niets dan bijgeloof te menen dat er bijzonder heilige plaatsen zouden zijn, opgetrokken uit steen en kalk of uit gewijde stenen. Uw slaapkamer, waar u de knieën buigt, kan even dicht bij de poort van de hemel liggen als de grote kathedraal langs welker gewelven eeuwenlang de muziek van het gezang geklonken heeft.
Maar Jezus Christus is wél een heiligdom. Hij is de heilige plaats waar Zijn volk aanbidt. Bewaar dat als een schat. U mag God overal aanbidden als u met Christus bent; maar vergeet u Christus, dan kunt u God nergens aanbidden, want niemand komt tot de Vader dan door Hem. Wij kunnen de Allerhoogste nooit op aannemelijke wijze aanbidden dan door Jezus Christus. Al te vaak proberen wij God te aanbidden zonder Christus. Dat zal nooit gaan; het kan niet slagen. Zonder het reukwerk van Zijn verdienste, zonder het verzoendeksel van Zijn plaatsvervangend offer, is er geen heiligdom, geen aanbidding en geen toenadering tot God.
Jesaja 8:22.KruisverwijzingenJesaja 5:30→Sefanja 1:14→Jeremia 13:16→Judas 1:13→Mattheüs 22:13→Spreuken 14:32→Jesaja 9:1→Jeremia 23:12→
— Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid.
De laatste verzen van dit hoofdstuk schilderen een verschrikkelijke toestand van ellende en wanhoop: zij gaan door het land, hard gedrukt en hongerig. Wanneer hen hongert, worden zij verbolgen en vloeken zij hun koning en hun God. En wanneer zij de aarde aanschouwen, zie, daar is benauwdheid en duisternis. Maar let op welk een verandering hen wacht! Want in de Statenvertaling volgt binnen dit vers nog het drieëntwintigste: “Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden.” Welk een wonderbaarlijk licht midden uit een vreselijke duisternis! Het is een verbijsterende verandering, zoals alleen God met ons die werken kan.
Velen van u weten niets van de ellende die in die verzen beschreven staat; maar er zijn er die door die verschrikkelijke woestijn getrokken zijn, en tot hen wil ik spreken. Ik weet waar u bent: u wordt als een gevangene het land van de wanhoop ingedreven, en de laatste maanden hebt u over een pijnlijke weg gelopen, hard gedrukt en hongerig. U hebt het zwaar te verduren, en uw ziel vindt geen voedsel van vertroosting, maar is gereed te bezwijken en te sterven. U bent verbolgen op uzelf; uw hart slijt weg van zorg, verdriet en hopeloosheid. In de bitterheid van uw ziel bent u gereed de dag van uw geboorte te vervloeken. De weggevoerde Israëlieten vervloekten hun koning die hen in de nederlaag en de gevangenschap geleid had; in de razernij van hun smart vervloekten zij zelfs God en verlangden zij te sterven. Het kan zijn dat uw hart zo in beroering is van verdriet dat u niet meer weet wat u denkt, maar bent als iemand ten einde raad.
Voor zulke mensen als u schijnt deze ster van de eerste grootte. Jezus is verschenen om te behouden, en Hij is God en mens in één Persoon: mens, opdat Hij onze smarten zou gevoelen; God, opdat Hij ons eruit zou helpen. Geen predikant kan u redden, geen priester kan u redden — dat weet u maar al te goed; maar hier is Er Één die volkomen zalig maken kan, want Hij is God zówel als mens. De grote God is goed bij een dood punt; wanneer al het andere gefaald heeft, kan de hefboom van de almacht een wereld van zonde optillen. Jezus is almachtig om te behouden! Wat in zichzelf een onmogelijkheid is, is mogelijk bij God. Zonde die niets anders wegnemen kan, wordt uitgedelgd door het bloed van Immanuël. Immanuël, onze Zaligmaker, is God met ons; en God met ons betekent: de moeilijkheid weggenomen en een volkomen werk volbracht.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Hoofdstuk 8:1-8. Gelijk Achaz eerst met den Heere, alzo heeft de Heere nu met Achaz afgedaan, en heeft Jesaja verder niets met dan koning te maken; desniettegenstaande moet, wat God Zich voorgenomen, en als Zijn raad zowel voor de verste als voor de naaste toekomst bepaald heeft, geschieden. Met betrekking tot de naaste toekomst is er den Heere aan gelegen, dat de bevrijding van Jeruzalem van de beide koningen, die het nu bedreigen, ofschoon de koning van Assyrië, door Achaz ter hulpe geroepen, haar bewerken zal, toch niet openbaar worde als de vrucht van zelfhulp, maar als Zijn woord en wil; daarom moet de profeet een met de woorden: “tuk op buit, snel tot door” beschreven tafel of blad in ‘t openbaar ophangen en twee betrouwbare getuigen daarbij oproepen, en moet den door zijne vrouw wonderbaar ontvangen zoon met dezelfden naam noemen, terwijl de ontwikkeling van dit kind, tot den leeftijd van bewustheid tevens het tijdstip aanwijst, tot hetwelk de vervulling van het geprofeteerde zal aanschouwd worden. Maar dewijl de hulp door Juda en zijn koning aangewend, ene eigene hulp geweest is, welke ene zondige verwerping van Jehova en Zijne legermachten meebrengt, kan slechts het zwaarste oordeel achter haar verborgen zijn! Daarom opdat alle gewaande vertroosting vernietigd worde, wordt nu reeds deze nationale ramp in haar volle zwaarte aan het volk getoond, ene ramp, welke alleen daarom niet in een volkomen ondergang eindigt, zowel van Juda als van Israël, omdat Juda reeds de belofte van een “Emmanuel” ontvangen heeft.
Verder zei de HEERE, nadat ik het gesprek met Achaz (Hoofdstuk 7:3 vv.) afgebroken en mij weer in de eenzaamheid teruggetrokken had tot mij, omstreeks ‘t jaar 740, door ingeving van Zijn Geest): Neem u ene grote rol, ene grote metalen plaat of tafel, geschikt voor ene openbare aankondiging, welke een ieder in ‘t oog vallen en door den uiterlijken vorm als een bericht van betekenisvollen inhoud kenbaar worden moet, en schrijf daarop, eer gij die plaat op ene der meest bezochte plaatsen van Jeruzalem ophangt, met eens mensen griffie, in den trant en stijl van een bekwaam opsteller: Haastende tot den door, is hij spoedig tot den buit! Korte, betekenisvolle uitdrukking, die te kennen geeft, dat het met de beide koningen, die nu de stad benauwen, spoedig zover komen zal, dat hun eigene hoofdsteden beroofd worden, en dat de macht, die hen onderwerpen zal, reeds aanrukt om hen tot een buit te maken (Hoofdstuk 7:4 vv).
Toen dit bevel volvoerende, en de tafel met die beide spreuken beschreven willende ophangen, nam ik mij, gelijk de Heere mij ook had geboden, getrouwe, om hun ambt en hun aanzien bij ‘t volk geschikte getuigen, Uria (2 Kon. 16:10 vv.), den toenmaligen hogepriester, en Zacharia, den zoon van Jeberechja, uit het geslacht der kinderen van Asaf (2 Kron. 29:13).
En ik was, als ik dit bevel volbracht en er dus voor gezorgd had, dat wanneer de geschiedenis der naaste toekomst de betekenis en het gewicht zou onthullen, twee mannen uit het volk zouden aanwezig zijn, om te getuigen dat wat geschiedde reeds vroeger door den Heere was geprofeteerd, tot de profetes, tot mijne ook met de gave der profetie begiftiging vrouw, ter huwelijksgemeenschap genaderd; die werd na langdurige onvruchtbaarheid door de bijzondere werking van Gods macht zwanger, en baarde enen zoon, die voor het tegenwoordige geslacht een onderpand zon zijn der geboorte van den voor een veel later geslacht bestemden Zoon der maagd (Hoofdstuk 7:14). En de HEERE zei tot mij: Noem zijgen neem, naar dezelfde twee woorden, welke gij vroeger opgeschreven hebt (vs. 1): MAHER-SCHALAL, CHAS-BAZ 1), opdat hij in plaats der dode letter een levend getuige zij. Ook de oudste zoon van den Profeet, over wie hoofdstuk 7:3 gesproken is, had een gehelen volzin tot zijn naam; waar dergelijke gevallen in het O. T. voorkomen zie 1 Kron. 3:17; 25:4. Ezra 8:4. De Engelse Independenten ten tijde van Cromwell volgden dit voorbeeld gaarne na.
Want 1) eer dat knechtje zal kunnen roepen, stamelen: Mijn vader! of, mijne moeder! eer hij dus zijn eerste levensjaar zal hebben ten einde gebracht, zal men den rijkdom van Damascus, alle have van deze rijke en machtige hoofdstad van Syrië tegelijk met al de inwoners, en den buit van Samaria 2), zo al niet alle bezittingen en de gehele bevolking der Israëlitische hoofdstad, dan toch een aanzienlijk deel daarvan, dragen voor het aangezicht van den koning van Assur (2 (Kon. 16:9; 15:29).
Jehova weet de gevolgen, welke het inroepen van hulp bij Assyrië voor Syrië en Israël hebben zal; deze wetenschap openbaart Hij onder het oproepen van getuigen. Wordt dit woord vervuld, dan is het terzelfder tijd gedaan met de vreugde van koning en volk over de zelf gezochte hulp; want zij weten uit de verdere openbaring Gods, die even zeker zal vervuld worden, dat wanneer Assur met Damascus en Assyrië gereed is, het lijden van Juda in plaats van voorbij te zijn, eerst waarlijk begint.
De Heere God voorspelt hier weer door den Profeet wat het lot zal zijn van Samaria en Damascus, door de hand van Assyrië’s koning. De rijkdom van Damascus zou weggevoerd worden en de buit van Samaria. Dit laatste wil niet zeggen dat Samaria ook zou worden ingenomen, maar dat een groot gedeelte van het rijk der Tien stammen door den vijand zou worden verwoest, hetwelk ook is geschied. Onder buit kunnen we ook verstaan, wat men van hen, die van de inwoners van Samaria ten strijde waren getrokken maar gesneuveld waren, had geroofd.
En de HEERE sprak ter tijd, dat de profetes, haar zoon, dien zij “haastende tot den door, is hij spoedig tot den buit” noemen moest, gebaard had, en de belegering der stad intussen door de twee verbonden koningen opgegeven (Hoofdstuk 7:1) en het volk te Jeruzalem dus van zijne ogenblikkelijke vrees bevrijd was (Hoofdstuk 7:2), nog verder tot mij. Nu toch kwam het er op aan om dit volk van zijne valse vreugde te beroven, en aan hen en hun tegen God zich stellenden koning een nog veel bozer tijd voor zijne verachting van de aangeboden genade des Heren aan te kondigen. Hij sprak, zeggende:
Dewijl dit volk Israël, naar de beide delen waarin het verdeeld is, zo geheel van Mij afgevallen is, dat het niets meer van Mijn heil en Mijne genade wil weten, maar zich geheel en al in de armen der aardse wereldmacht geworpen heeft; dewijl het ene deel, Juda, veracht de wateren van Siloa 1), die, zachtjes gaan, in plaats van zich in die dagen des angstes en der verschrikking (Hoofdstuk 7:2) zich op Mijne stille, en schijnbaar onbeduidende, maar des te zegenrijker en weldadiger heerschappij te verlaten, en van de bergen, waarop ik Mijn koninklijken zetel opgericht heb, zijne hulp te verwachten, de beide handen naar de Assyrische heerschappij om hulp en bijstand uitgestrekt heeft; en dewijl er vreugde is bij het andere deel, Efraïm, bij Rezin en den zoon van Remalia, aan deze beide koningen zijne vreugde en zijn welgevallen heeft, als had nu door vereniging met hen wat men bedoelde, Jeruzalem te doen vallen en het Davidische koningshuis uit te roeien, moeten gelukken;
Over de ligging der bron Siloa in het dal tussen de zuidwestelijke afhelling van den Moria en de noordoostelijke van Zion, zowel als over hare eigenaardige kenmerken, dat zij uit de Mariabron ontspringende en midden door den Tempelberg stromende, slechts een gering verval van water heeft, en daarom zacht voortgaat, hebben wij reeds bij 2 Sam. 17:17 en 1 Kon. 17:26 het nodige gezegd. Aan den enen kant is zij het beeld van de regering Gods, Israël, koning, die woont op Moria, en wel een gepast beeld, daar zij als voortkwam uit den troon des onzichtbaren Konings (Openbaring 22:1) en met haar rustig voortgolvend water, zij vloeit, zegt Stephan-Schulz in zijn werk: “de leidingen des Allerhoogsten” “gelijk olie. ” op treffende wijze den schijnbaar onbeduidenden en stillen, maar zekeren, tot het doel voerenden loop van Gods leiding afbeeldt. Maar voor Juda’s en des konings vleselijke ogen was zulk ene heerschappij en leiding ene geringe en verachtelijke zaak; men verkoos zich bij ene macht aan te sluiten, die uitwendig ontzag inboezemde en zichtbare hulp beloofde, zonder te bedenken, dat men zich daardoor ook blootstelde aan alle willekeurigheid en geweld van deze macht, die haar beeld had in de geweldige, met ene niets sparende, blinde kracht voortrollende golven van den Jordaan. Maar aan den anderen kant is het water Siloa, juist omdat het voortstroomde aan de zuidoostelijke helling van den berg Zion, ook een beeld van het op den berg Zion gevestigde Davidische koningshuis delende in de belofte van Hem, die woont op Moria. Om zijne ogenblikkelijke zwakte wordt het door Efraïm veracht, dat zich des te sterker waant, daar het in den zoon van Remalia een krachtigen vorst bezit en in Rezin een naar de opperheerschappij strevenden bondgenoot, en daarom zijne vernietiging bedoelt; maar wanneer Efraïm vlees tot zijn arm stelt, dan is de koning van Assyrië nog een machtig vorst, en zijn de waterstromen van zijn leger nog krachtig genoeg om beiden, Rezin en den zoon van Remalia met hun volk te verzwelgen, zodat zij niet meer zijn! . Zij weigerden de vertroostingen van Gods profeten en alles wat zij hun uit Gods woord en op zijn gezag aanboden, spraken smadelijk van hen en telden niet hun woorden.
Daarom ziet, zo zal de Heere over hen, over Juda zowel als Efraïm doen opkomen die sterke en geweldige wateren der rivier 1), tot rechtvaardige bestraffing en tuchtiging, den koning van Assyrië en al zijne heerlijkheid, 2) welke bestaat in krachtige, goed uitgeruste en alles voor zich uitdrijvende krijgsheiren, en hij, dat krijgsheir van Assyrië, gelijk aan den hooggezwollen Jordaan, die wanneer in de lente of den zomer de sneeuw van ‘t Armenische gebergte smelt, ver buiten hare oevers treedt, zal opkomen overtrekken over al zijne stromen, en gaan over al zijne oevers, en dan het eerst Syrië en Efraïm bedekken en verzwelgen.
In het Hebr. Et-mee hannahar haätsoemim weharabbim. Beter: De wateren der rivier, de machtigen en de groten. De legermachten van Assyrië worden hier met de machtige, alles vernietigende en verdelgende wateren van een sterken vroom vergeleken. De wateren van de beek Siloa vloeien zachtkens, maar tot heil en tot zegen. Deze verachtte men, welnu dan zal de Heere de bruisende stromen en de snel-vlietende wateren zenden, maar niet tot heil, maar tot vloek en vernietiging.
Is in de veelheid des volks des konings heerlijkheid, zo betekent ook hier, al zijne heerlijkheid, dat hij zou komen met vele manschappen, met een ontzaglijk groot leger. Evenwel moet men niet vergeten, dat de Oosterse vorsten niet alleen hun heerlijkheid zochten in de vele strijdbare helden, maar ook in prachtige tenten, kleding, goud enz. De Heere wil dan hiermede zeggen, dat Tiglath-Pilezer en straks Sanherib als ware Oosterse vorsten in Israël en Juda zouden verschijnen én om een machtigen indruk te geven, én om deze landen aan hen schatplichtig te maken, of te verwoesten.
En hij zal door Efraïm heen, met welk rijk hij voor goed zal hebben afgerekend, doortrekken in Juda; hij zal het overstromen en er doorgaan, alles daar overdekkende; hij zal den inwoners des lands tot aan den hals reiken, en de uitstrekkingen zijner vleugels rechts en links, zullen vervullen de breedte Uws lands 1), waarin gij eens zult geboren worden, o EMMANUEL! (Hoofdstuk 7:14) en zouden dat land zeker verderven, zo het niet voor dat verderf gespaard bleef om de belofte ener heerlijke toekomst.
Werkelijk was het later lot van het rijk der tien stammen, dat het ondervond door Tiglath-Pilezer en Salmanezer (2 Kon. 15:29; 17:3 vv. 18:9 vv. van het lot dat door Sanherib Juda trof (2 Kon. 18:13-19, 37) in dien zin onderscheiden, dat het eerste door de wateren geheel overstroomd en het geheel daardoor bedolven werd, terwijl diezelfde wateren Juda slechts tot aan den hals reikten en de mogelijkheid gered te worden, overbleef, welke redding werkelijk kwam. En zelfs nog later werd dat onderscheid gezien; want Efraïm verloor zijn land voor goed, terwijl voor Juda, als het in de Babylonische ballingschap zuchtte, het land bewaard bleef. Wel zal de vloed ook Juda overstromen, maar slechts voorbijgaande, want met ons is God, Altijd nog klimt de betekenis van den naam, dien de beloofde Zoon der maagd ontvangen moet, in de ziel van den Profeet, en hij laat zijn troostvollen welluidenden klank, trots het gejubel der vijanden, tweemaal op nieuw horen. Wat is alle hoge en schoonklinkende wijsheid der wereld tegen dezen lieflijken klank van het Goddelijke Woord Emmanuel, der uit vrome harten stromende, eenvoudige taal des Ouden Verbonds? . Als de Profeet aan het slot van dit vers uitroept, o Emmanuel! dan is dit op te vatten als een zielekreet om hulpe. Op Gods bevel moet de Profeet het vonnis, het dreigend gericht aan zijn volk bekend maken. En hij doet het. Maar zijn ziele treurt er onder, dat zijn volk zich zo verhardt, en daarom schreit hij zelf om hulp en redding, om erbarmen voor zijn volk door uit te roepen, o Emmanuel! Om Emmanuel’s wille hoopt hij nog voor zijn volk en voor zijn stad redding en verlossing. En ziet, de volgende verzen melden het, dat de Heere God nog om Emmanuel’s wille zijn volk niet helemaal tot vernietiging zal overgeven. BESTRAFFING VAN GODVRUCHTIGEN. ‘T GEHELE VOLK ISRAËL EN TROOST DER Bij zijne aankondiging in het voorafgaand gedeelte stond de Profeet in den wijderen kring van een onverbeterlijk en voor het oordeel rijp volk, en had daarvoor slechts één troost in de naderende gerichten Gods, waarvoor het echter ongevoelig was. Maar het is hem ook bekend, dat onder het volk, in welks midden hij staat, zich een kleine schare gelovige zielen bevindt, die, wanneer de beslissing bij hen was geweest, voor den Heere en Zijn heil zouden hebben gekozen. Hun alleen komt de vertroosting toe, in dat “tuk op buit, tot door snel” middelijk verborgen, maar duidelijker uitgesproken in de woorden aan het einde der vorige toespraak: uw land, o Emmanuel.
I. Vs. 9-22.KruisverwijzingenRomeinen 8:31→1 Petrus 2:8→1 Petrus 3:14→Lukas 2:34→Job 5:12→Romeinen 9:32→Jesaja 54:8→Jesaja 28:16→
— Vergezelt u te zamen, gij volken! doch wordt verbroken; en neemt ter ore, allen gij, die in verre landen zijt, omgordt u, doch wordt verbroken; omgordt u, doch wordt verbroken! Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons! Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende: Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest gijlieden hun vreze niet, en verschrikt niet. Den HEERE der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking. Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israel, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden. Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen. Daarom zal ik den Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten. Ziet, ik en de kinderen, die mij de HEERE gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israel, van den HEERE der heirscharen, Die op den berg Sion woont.
De profeet keert zich tot dien troost, waarover wij zo even spraken, om met een overwinnend gejubel over alle vijanden van Gods volk op te staan, en hun vooral hun aanslagen en onderneming in het rechterlijk oordeel der goddelijke verderving te verkondigen (vs. 9-10). Deze vreugdevolle stemming tegenover de vrees van de meerderheid des volks, die tot een goddeloos bondgenootschap verleidde, bewijst hij dan als te zijn de alleen-ware staatmans-wijsheid uit ene hem ten deel gevallen openbaring des Heren, die hem deze aan de hand heeft gedaan (vs. 11-15), beveelt daarmee de tot één geest met hem verbonden jongeren, aan den Heere, onder voorbeding, dat Hij voor hen en allen, die na hen de kleine gemeente des Heren zullen uitmaken, het woord van Zijne getuigenis zeker beware (vs. 16, 17) en vermaant eindelijk zich niet door den tegenwoordigen tijdgeest, van de hoop op ene genaderijke, door vele onderpanden gewaarborgde toekomst te laten beroven; want zij die zich nu door den stroom van den tijdgeest laten medevoeren, zullen in plaats van het morgenrood van de toekomst der verlossing te delen in den nacht des verderfs terugzinken (vs. 13-22).
Daar Emmanuel onze koning, en ons land Zijn land is, jaagt het mij gene vreze aan, dat Juda om zijner zonde wil aan de wereldmacht, aan welke het zich overgeeft, tot in den hoogsten graad zal worden prijsgegeven (vs. 8); jubelend bij ‘t bezit ener Godgewijde vertroosting roep ik veeleer allen natiën der aarde, die nu of in de toekomst Gods volk aanvallen, toe: Vergezelt u te zamen, maakt u te zamen op, gij volken! zoveel gij wilt, doch wordt verbroken, als degenen, die met al hun verbonden sluiten toch niets doen, gelijk onlangs in Rezin en den zoon van Remalia tot een voorbeeld voor allen in de toekomst gezien is, en neemt ter gore, allen gij, die in verre landen zijt, wat ik als eindelijk lot van alle ons vijandige machten, u in den naam des Heren verkondig: omgordt u, doch wordt verbroken (Richt. 4:19 1), omgordt u, doch wordt verbroken! Ondanks alle deze vleiende vooruitzichten en te verre vooruit bestemde berekeningen van hun heerszuchtige oogmerken, had hij hun nu te zeggen en te verzekeren, dat alle hun pogingen vruchteloos wezen en al hun ondernemingen en aanvallen op ene storting en op eeuwige schade en verlies en schande uitlope. Zij zouden in den aanslag missen en teleur gesteld worden.
Beraadslaagt enen reed, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, neemt de meest kloeke maatregelen, om wat gij beraden hebt ten uitvoer te brengen; doch het zal niet bestaan; want God Emmanuel is met ons, en tegen den raad van Hem, die in dezen Emmanuel met ons is, moeten al uwe raadslagen vergaan. Gelijk Hoofdstuk 7:14 het woord Emmanuel niet als eigen naam, maar in zijne eigenlijke betekenis “met ons is God, ” wordt opgevat alzo moet dit ook hier geschieden. Zo heeft Hizkia zich in den nood dit triomflied herinnerd en daarmee het hart zijne volks in het geloof gesticht. (Zie 2 Kron. 32:7 vv.) . De Profeet weet het, dat hoog de wateren van nood en ellende mogen zwellen, dat de macht van Assyrië en van alle wereldmachten hevig moge woeden, Emmanuel, God met ons, is het van God gegeven teken, dat de wereldmacht Israël niet vernietigen zal. De boom van Juda’s koningshuis en volk moge bij den wortel afgekapt worden, maar geheel uitgeroeid zal hij niet worden. Dit geldt van alles, wat de vijanden Gods en van Zijn volk tegen de Kerk van Christus beraadslagen, de poorten der helle zullen niet overweldigen.
Dat het echter de ware goddelijke staatkunde of staatsmanswijsheid is den Heere te vrezen, om dan nimmer te vrezen voor menselijke vijanden, maar over hen te zegepralen, zelfs vóór de overwinning, dat heeft de Heere zelf mij ten tijde, toen Hij mij zond naar koning Achaz (Hoofdstuk 7:3 vv.) betuigd, want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd met ene sterke hand 1), en Hij onderwees mij met alle vromen van niet te wandelen op den weg dezes volks, dat de vleselijke staatkunde gekozen had, zeggende:
Met ene sterke hand. Anderen vertalen in zinsverrrukking. Rozenmüller: “Terwijl Hij mij bij de hand vatte. ” v. d. Palm: “Toen Hij mij machtig aangreep, ” en denkt hier aan de eerste profetische roeping van Jesaja (zie Jes. 6); Men kan echter ook vertalen, met Gods hand. En deze vertaling is juister, dewijl de Profeet hier spreekt van ene buitengewone werking Gods, nog te onderscheiden van de gewone inwerking Gods. Op bijzondere wijze, wil de Profeet zeggen, heeft Jehova mij ingescherpt en betuigd, om niet te wandelen op den weg van dit volk, d. i. om niet dit volk gelijk te zijn, wanneer het door ongeloof en zondige vrees geen heil verwacht, maar meent, dat het tegen Rezin en Pekah niet is opgewassen en door in het samengaan van die beide kortingen een verbintenis te zien, dewijl het toch geen verbintenis is inderdaad, waarvoor Juda’s volk en Jeruzalem’s inwoners te vrezen hebben. De Heere God wil daarom Jesaja afhouden van alle ongeloof of kleingeloof, en hem van den mens alleen op Hem, den Heere God, doen zien. De hand Gods is het inwerken op den mens, zodat deze op alles beslag legt, zowel op het denken als op het handelen.
Gijlieden zult niet zeggen: ene verbintenis van alles, waar dit ongelovige, afvallige volk, dat niet op zijn God vertrouwen mag, van zegt: Het is ene verbintenis. En vreest gijlieden hun vreze niet 1), gelijk wij vrezen voor mensen, die werkelijk toch zo weinig kunnen schaden (Luk. 12:4), en verschrikt niet 2) voor vijanden, gelijk deze Rezin en deze zoon van Remalia zijn, die zelf reeds aan het gericht zijn overgegeven (2 (Kon. 7:4 vv).
Deze vreze wordt hier overgesteld aan de vreze des Heren, en daaronder wordt de bijgelovige en afgodische vrees verstaan.
Maar den HEERE der heirscharen, dien zult gijlieden in alles heiligen, en Hij, omdat Hij alleen vreselijk is en machtig u te verderven, zij uwe vreze, en Hij Zij uwe verschrikking. 1) Zie de opmerking bij 1 Sam. 1:3.
Wie God tot zijn vreze stelt, of niemand dan Hem alleen vreest, van geen ander iets hoopt of verwacht, op niemand anders vertrouwt en steunt, dien zal Hij niet alleen ten machtigen verlosser strekken, maar ook tot een genaderijk beschermer en een algemenen heiligmaker, die ziel en lichaam en alles, wat men om en aan zich heeft, of bezitten zal heiligen tot Zijn dienst en ere. Die degenen, die Hem eren, tevens zal beveiligen voor alle leed, ten troost verstrekken in allen nood en ten uithelper uit alle gevaren en wederwaardigheden, of hen boven allen ramp verheffen en onder de schaduw Zijner vleugelen behoeden in den dag des kwaads.
Dan zal Hij ulieden tot een heiligdom 1) zijn, op den weg der gerechtigheid en des heils u bewaren; maar daarentegen zal Hij zijn a) tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, meerderheid des volks tot de beide rijken behorende, welke den Heere niet heiligt, en ook verder blijven zal bij hetgeen vs. 12 voorgesteld is, tot een strik en tot een net
den inwoners te Jeruzalem.
Jes. 28:16. Luk. 2:34. Rom. 9:33. 1 Petrus 2:7.
Heiligdom = veilige toevlucht. Al wie den Heere der heirscharen heiligt, wordt door Hem als door tempelwanden ingesloten. De Heere verbergt hem, terwijl daar buiten dood en verderf woeden, en troost, voedt, heiligt hem in Zijne genaderijke gemeenschap (4:5 vv. Ps. 27:5; 31:21).
De bedoeling van het juist beginnende nieuwe tijdstip wordt in deze plaats vermeld, als daarin gelegen, dat de Heere tot een rechtvaardig oordeel aan het volk, dat de waarheid verwerpt, haar in een vorm zal openbaren, waaraan de verkeerde zin werkelijk aanstoot nemen en zich ergeren zal. Want van nu af zal Gods zaad tot verlossing der mensheid meer in zijne verheven tegenstrijdigheid, in zijne voor vleselijke ogen aanstotelijke, voor den vleselijken zin onbegrijpelijke en den wrevel opwekkende ware gedaante, als verhoging door vernedering, als leiding tot ere door versmaadheid openbaar worden. Dit geschiedt dan alles in Hem, die midden- en uit gangspunt is van de verdere, door de Profeten overal in één punt samengevatte ontwikkeling, in Christus, op wie dan nu ook de inhoud van deze verzen in geheel bijzonderen graad en dus in den eigenlijken, onmiddelbaren zin betrekking heeft (Luk. 3:34. 1 Petrus 2:7 vv. Rom. 9:32 vv.)
En velen onder hen zullen tegen dien steen des aanstoots en rotssteen der struikeling struikelen, en vallen, a) en verbroken worden, en velen van hen zullen daarin verstrikt en gevangen worden.
MATTHEUS. 21:44. Luk. 20:18.
Daarom dan, daar nu de tijd des oordeels begon, dat voor de grote meerderheid van ‘t volk en van ‘t huis David’s Uw woord der profetie, o Heere! te vergeefs is, en niet eerder gelovige aanneming vinden zal, dan nadat de tijd des gerichts en der verharding voorbij is, zorg ten minste daarvoor, dat dit woord der profetie ongeschonden en onvervalst voor het toekomstig geslacht door overlevering bewaard blijve. Bind dus, ik bid U, de getuigenis van mijne op de toekomst betrekking hebbende leerlingen toe, opdat zij niet als de bladen van een oningebonden boek verstrooid en door den wind voortgedreven worden; verzegel de wet, het op deze toekomst voorbereidende woord der onderwijzing, dat Gij mij op de lippen hebt gelegd, onder mijne leerlingen 1), opdat zij in hun harten goed bewaard worde.
Reeds hier wordt de treffende gedachte verkondigd, welke later in het 2de gedeelte van Jesaja’s profetie, van Hoofdstuk 40 af, verder ontwikkeld wordt. De uitdrukking leerlingen, welke in geestelijken zin, behalve hier slechts Jes. 50:4 en 54:13 voorkomt (Luther “geleerd door den Heere”) is niet slechts gelijkluidend met “discipel”, maar heeft ook de betekenis van ingewijde, die tot zijn meester en heer ook in innerlijke betrekking staat en zijn wezen in zich opneemt, aan wie deze zich geheel toevertrouwen en zijne meest verborgen geheimen mededelen kan. Hier ontmoet ons het onuitsprekelijke voorrecht van Gods volk, hetwelk Gods Woord en Getuigenissen, in het gewijde blad genietende, in hem zulk een verzekerd getuigenis van genade en krachtdadige hulpe heeft, dat ze hetzelve gerustelijk mogen als een vaste wet, ene eeuwige waarheid in zich en hun harten opbinden, toeknopen en aan zich verzegelen mochten. Want het was met het zegel des hemels bekrachtigd, en hetgeen God voorneemt en belooft aan al de zijnen te zullen doen, daar mogen zij zich vast aan houden als iets onwrikbaars en als zo zeker, dat, schoon het nog zeer verre afwezend schijnt, zeker zijne vervulling zal bekomen. Toebinden en verzegelen doet men dat, wat men bewaren wil en wat ongeschonden moet bewaard blijven. Welnu, Israël’s volk, de grote menigte verwierp het Woord en verachtte het Getuigenis, maar de kleine schare van Gods gelovigen zouden het betrachten. Het zou als het ware in hun hart gedeponeerd worden. En daaraan had Israël’s volk het te danken, dat het niet geheel vernietigd werd. Zou er echter een kern overblijven, dan moest de kern bij dit Woord leven en door dat Getuigenis gevoed worden. Vs. 11-16. Er zijn zwakken en kleinmoedigen, die in angst en vrees de gevaren vergroten en tot mensen vluchten willen, waar slechts God helpen kan. Wacht u voor dezulken! Hun vrees is zwakheid, uwe vrees zij sterkte! De sterke God zij uwe vreze, de Heilige zij uw schrik! Al wie, wanneer het om hem heen bruist en stormt, in Zijne hoede ene stille toevlucht zoekt, die vindt ene veilige, heilige plaats, door geens vijands voet betreden. Wonderbaar te deze God! Den enen houdt Hij vast en verbergt hem, den anderen wordt Hij ene oorzaak van struikelen en vallen! Zie, daar ligt het geheim van geloof en ongeloof voor de vrijheid des mensen. Zie! daar ligt het geheim des heils en der straf voor degene, die kiezen mag, wat hij wil. ‘t Is een uitwendig stout moeilijk woord, maar inwendig wel leesbaar en waar: God is een heiligdom, doch ook een machtige steen des aanstoots! Velen hebben zich daaraan geërgerd, maar steeds moeten zij het vuur gevoelen, dat brandend uit Hem schittert; de ongelovige vangt zich wel is waar in zijn eigen strik, maar de heilige ironie der waarheid heeft het recht te zeggen: God zelf is Hem ten valstrik geworden, wanneer Hij den mens verlossing aangeboden heeft door het geloof, en deze dit van zich wijst, in verderflijk misbruik zijner vrijheid, om Gods Woord te horen en op te volgen. Jesaja is van de uitspraak, door hem gedaan, in hare vervulling zó zeker, dat hij die op Gods bevel optekenen, wel bewaren en door nauwgezette getuigen wil laten bekrachtigen, opdat men in de toekomst kunne zeggen, dat hij de waarheid heeft verkondigd.
Daarom zal ik den Heere verbeiden, die, nu de gerichten Zijns toorns een aanvang nemen, voor geruimen tijd Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, voor Juda zowel als voor Israël, en ik zal Hem verwachten, in ‘t vaste vertrouwen dat later ook een tijd komen zal, waarop Zijne genade des te heerlijker zich zal openbaren. De Profeet was in deze een voorbeeld van Christus, zie Hebr. 2:13 ten bewijze, dat de gelovigen Christus kinderen zijn. De ouders moeten in navolging van den aartsvader Jakob, hun kinderen aanzien als Gods genadige gaven.
Daarvan ben ik zelf, de profeet, met vrouw en kind en discipelschaar, deze kleine gemeente in ‘t midden dor verworpenen, waarborg en onderpand. Ziet, hier ben ik met mijn naam: het heil (is) des Heren, en de beide kinderen, die mij de HEERE in nog anderen weg dan den zuiver natuurlijken, en tot nog hoger doel dan het gewone doel, het eigen huiselijk geluk, gegeven heeft 1), zijn tot tekenen, namelijk de ene zoon, Schear-Jaschub (Hoofdstuk 7:3), en de andere: Haastende tot den door, is hij spoedig tot den buit (vs. 3), tot wonderen in Israël, ja tot voor- en waartekenen van het aanstaande heil, opdat ik met mijne persoonlijkheid en met mijn huis en mijne leerlingen niet in het heden maar in de toekomst mijn tehuis zou hebben, zien mijne kinderen mij gegeven van den HEERE der heirscharen, die op den berg Zion woont, die als de Heere Zebaoth, die alle macht in hemel en op aarde bezit, dat toekomstige heil bewerken kan, en als Degene, die op den berg Zion woont en Zijn verbond met Israël heeft opgericht, het bewerken zal.
Volgens des Heren leiding, waarvan de Profeet zich bewust is, stelt hij met zijn huis den toekomstigen Heiland met de zijnen of met Zijne heilige Christelijke kerk, als schaduwbeeld voor: Hij het hoofd, zij, de leden, beiden te zamen één geheel, één lichaam vormende. Gesteld in ‘t midden van een krom en verdraaid geslacht, als een teken, dat van alle zijden wedersproken wordt, zijn zij onderling door de gemeenschap des lijdens verbonden en maken den tegenwoordigen tijd tot een voorbeeld en ene voorbereiding van het lijden, dat in Christus is. Terwijl nu de beide zonen van den Profeet in hun namen de betrekking van de gemeente tot den Heere naar hare beide delen vertegenwoordigen, de een het overblijfsel, dat zich bekeert en gered wordt, de ander het deel, hetwelk het teken des naderenden gerichts aan het voorhoofd draagt, verschijnt hij zelf, Jesaja, die niet alleen als zondaar onder zondaars met de anderen lijdt, maar ook en nog veel meer door hen, en- in zekeren zin als de onschuldige, ook voor hen, hun tot heil, als voorbeeld van Jezus, en neemt geheel de plaats van een middelaar in. Daarom treedt hij, na, als degene die de gemeente der gelovigen vertegenwoordigt, van het enkelvoud (vs. 10) dadelijk in het meervoud (vs. 12 vv.) te zijn overgegaan, vs. 16 als voorbidder voor die gemeente op, en wat hij in dit en het volgende spreekt, is als het ware de hoofdsom van het hogepriesterlijk gebed van Christus (Joh. 17), waarbij in het oog valt, dat hij zijne leerlingen en aanhangers den meer betekenenden naam van “kinderen” geeft. Daar alzo staande, bij het begin van een tijd des gevaars en der verzoeking, voor de zijnen biddende, en van vs. 10 af tegelijk waarschuwend en onderrichtend, juist zo als Christus daar stond toen de ure der duisternis gekomen was, ziet de Profeet geheel naar den geest in het karakter der Oud Testamentische profetie over zich zelven heen, en legt de Geest Gods hem, die een type is van Christus, woorden in den mond, die eerst in Christus hun volle betekenis verkrijgen. Alzo is de Apostel in zijn volle recht, wanneer hij Hebr. 2:13 de woorden uit het 13devers: zie hier ben ik en de kinderen, die de Heere mij gegeven heeft als door den Zone Gods zelven gesproken voorstelt.
Wanneer zij dan, de alledaagse lieden, in dezen tijd van druk en zwaren nood, waarin ieder inlichting begeert over de donkere toekomst, en de grote meerderheid alle soorten van heidens bijgeloof, gelijk nu te Jeruzalem gedreven wordt (Hoofdstuk 2:6; 3:2 vv.), zich ten nutte maakt om wetenschap van die toekomst te verkrijgen, tot ulieden, mijne leerlingen (vs.
, zeggen zullen: Vraagt, gelijk wij dit doen, de waarzeggers en duivelskunstenaars, liever: de dodenbezweerders, die daar piepen, en binnensmonds mompelen, met hun toverformules weten op te roepen, en ze dan, wanneer zij onder vleermuis-gefladder opgekomen zijn, die toekomst laten mededelen, zo zegt: deze oproeping beslist van de hand wijzende en het volk op de ongerijmdheid wijzende, wanneer Jehova’s eigendom niet zijn God, maar zulke heidens-duivelse bedriegers vraagt: Zal niet een volk, aan hetwelk de Heere Zich zo genadig geopenbaard heeft, dezen zijnen God vragen, als het in zware tijden raad nodig heeft? zal men voor, ten behoeve van, de levenden de doden 1) vragen, die niet eenmaal weten wat op aarde voorvalt, als konden zij de levenden leren, terwijl integendeel de levenden veel beter in staat zijn de dingen en toestanden, waarin zij verkeren te beoordelen!
De doden zijn hier niet de afgoden, maar de gestorvenen, de doden. Wat hier veroordeeld wordt is de dus genoemde necromantie, de zwarte kunst welke bij den Heere vervloekt is. Zo diep was Israël gevallen, dat het den dienst des levenden Gods had verlaten en zich overgegeven tot de grootste en grofste onzinnigheden (Deut. 18:11. 18:28). Het is daarom dan ook, dat de Profeet in den naam des Heren in het volgende vers komt met het woord, hetwelk als een oorlogskreet Juda in de oven moet klinken: Tot de Wet en tot het Getuigenis.
Wanneer zij dan, de alledaagse lieden, in dezen tijd van druk en zwaren nood, waarin ieder inlichting begeert over de donkere toekomst, en de grote meerderheid alle soorten van heidens bijgeloof, gelijk nu te Jeruzalem gedreven wordt (Hoofdstuk 2:6; 3:2 vv.), zich ten nutte maakt om wetenschap van die toekomst te verkrijgen, tot ulieden, mijne leerlingen (vs.
, zeggen zullen: Vraagt, gelijk wij dit doen, de waarzeggers en duivelskunstenaars, liever: de dodenbezweerders, die daar piepen, en binnensmonds mompelen, met hun toverformules weten op te roepen, en ze dan, wanneer zij onder vleermuis gefladder opgekomen zijn, die toekomst laten mededelen, zo zegt: deze oproeping beslist van de hand wijzende en het volk op de ongerijmdheid wijzende, wanneer Jehova’s eigendom niet zijn God, maar zulke heidens-duivelse bedriegers vraagt: Zal niet een volk, aan hetwelk de Heere Zich zo genadig geopenbaard heeft, dezen zijnen God vragen, als het in zware tijden raad nodig heeft? zal men voor, ten behoeve van, de levenden de doden 1) vragen, die niet eenmaal weten wat op aarde voorvalt, als konden zij de levenden leren, terwijl integendeel de levenden veel beter in staat zijn de dingen en toestanden, waarin zij verkeren te beoordelen!
De doden zijn hier niet de afgoden, maar de gestorvenen, de doden. Wat hier veroordeeld wordt is de dus genoemde necromantie, de zwarte kunst welke bij den Heere vervloekt is. Zo diep was Israël gevallen, dat het den dienst des levenden Gods had verlaten en zich overgegeven tot de grootste en grofste onzinnigheden (Deut. 18:11. 18:28). Het is daarom dan ook, dat de Profeet in den naam des Heren in het volgende vers komt met het woord, hetwelk als een oorlogskreet Juda in de oven moet klinken: Tot de Wet en tot het Getuigenis.
Ja, zeker, zo zeg nu ik de profeet, tot u, mijne leerlingen, zal men zich keren tot wat de wet en tot hetgeen de getuigenis, maar nimmer tot wat de waarzeggers en dodenbezweerders zeggen, dit woord: Wet en getuigenis, ‘t is het parool of veldgeschrei in ‘t leger van het ware Israël (Richt. 7:18)! Zo zij, die zeggen tot Gods volk te behoren, maar werkelijk van den Heere, hun God, afgevallen zijn, niet spreken naar dit woord, en alzo zich niet wenden tot den Heere, om weer in genade door Hem te worden aangenomen, het zal zijn, dat zij geen dageraad 1) zullen hebben.
De zin van deze uitspraak is, dat zij die den Canon van de Wet en het getuigenis verlaten, geen deel zullen hebben in de volkomen openbaring van het Rijk en den Roem Gods, en in de opstanding des rechtvaardigen en het eeuwige leven. Anderen verklaren het van den dageraad der N. Bedeling. Maar wie geen deel zullen hebben in de verlossing van den Messias, zullen ook geen deel hebben in de volheerlijke en volzalige openbaring des Heren als Hij komt om te oordelen de levenden en de doden. De Profeet verbindt o. i. het een met het ander.
En een ieder van hen zal in vertwijfeling bij den naderenden tijd des lijdens, daar doorgaan, hard gedrukt door ellende van allerlei aard en hongerig, nadat de ganse voorraad weggenomen is en velden en wijnbergen verwoest zijn; en het zal geschieden, wanneer hem hongert en hij zich steeds meer van zijne ellende bewust wordt, en hij zeer toornig zal zijn, in woede zal geraken, gelijk allen, die zich niet door de gerichten Gods bekeren, daardoor slechts toenemen in boosheid (Openbaring 16:10 v. 21), dan zal hij in de woede der vertwijfeling vloeken op zijnen koning en op zijnen God (Ps. 5:3; 68:25), als hij opwaarts zal zien, omdat hun regering niet beter was. Als de oordelen Gods niet vertederen dan verharden zij, en de verachting wordt ene lastering van Hem en Zijn bestuur.
Als hij de aarde aanschouwen, overal rondzien zal, of de duisternis niet begint te wijken, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid. Te vergeefs wordt hulp en troost bij ‘t schepsel gezocht, daarna wordt de benauwdheid er te groter om. Vs. 20-22. Hoe waar tekent de huiveringwekkende rede van den Profeet ieder volk, dat de heilige bevelen der Goddelijke wet verlaat en de Godsstemmen der Openbaring veracht.
Maar het land, dat beangstigd was (vs. 21), zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd 1) verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan, gelegen over den Jordaan, aan Galilea der heidenen 2) het noordelijk gedeelte van het rijk der tien stammen.
De Profeet heeft het oog op den zwaren nood, veroorzaakt door de koningen Pul, Tiglath-Pilezer en Salmanasser, 2 Kon. 15:19 v. 29; 17:3 vv. over de noordelijke stammen door verdrukking van hun land en kudde.
Dit vers heeft betrekking op het slot van vs. 20, waarin over een na de duisternis van den naderenden tijd der bezoeking aanbrekenden dageraad gesproken wordt, en beschrijft dien dageraad als wel het eerst over dat deel des Joodsen lands aanbrekende, dat te voren het diepst vernederd en het meest duister was. Deze opvatting, bij welke met dit vers een nieuw hoofdstuk begint, en de inleiding vormt van den inhoud der volgende verzen, wordt als de alleen ware door de aanhaling van deze plaats, MATTHEUS. 4:12 vv. en de vervulling in Christus Jezus, die Zijne openbare prediking in Galilea aanving en daar het meest geleerd heeft, bekrachtigd. Volgens deze moet dit vers worden vertaald, gelijk wij het boven aan Hoofdstuk 9 geven. In het gemeen wordt de heerlijkheid weer tweezins voorgesteld en als langs een tweeërlei trap. De eerste trap daartoe zou zijn, dat hun beangst land nog niet gans zou verduisterd worden. De tweede, dat het in plaats van verachtelijk, heerlijk gemaakt zou worden. Het eerste ziet op hun verlossing uit de Babylonische gevangenis na zeventig jaren, zonder het welk het laatste niet gebeuren zou. Het laatste op de komst van Jezus in het vlees onder hen in Kanaän, daar het zo heerlijk doorgemaakt zou worden. Er zou eens een tijd komen, waarin het Licht der wereld, de Zon der gerechtigheid, alsdan eens luisterrijk zou opgaan en in vollen glans zijne heerlijke stralen vertonen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel