Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
In het jaarH8141, toen de koningH4428 UzziaH5818 stierfH4194, zo zagH7200 ik den HeereH136, zittendeH3427 opH5921 een hogenH7311 en verhevenH5375 troonH3678, en Zijn zomenH7757 vervullendeH4392 den tempelH1964.
In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel.
KJV
In the year1
that king3
Uzziah4
died2
I saw5
also6
the Lord7
sitting8
upon a throne,10
high11
and lifted up,12
and his train13
filled15
the temple.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
De serafsH8314 stondenH5975 boven Hem; eenH259 iegelijk had zesH8337 vleugelenH3671; met tweeH8147 bedekteH3680 ieder zijn aangezichtH6440, en met tweeH8147 bedekteH3680 hij zijn voetenH7272, en met tweeH8147 vloogH5774 hij.
De serafs stonden boven Hem; een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
KJV
Above3
it stood2
the seraphims:1
each one9
had six5
wings;6
with twain10
he covered11
his face,12
and with twain13
he covered14
his feet,15
and with twain16
he did fly.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En de een riepH7121 totH413 den ander, en zeideH559: HeiligH6918, heiligH6918, heiligH6918 is de HEEREH3068 der heirscharenH6635! De ganseH3605 aardeH776 is van Zijn heerlijkheidH3519 volH4393!
En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol!
KJV
And one cried1
unto another, and said,5
Holy,6
holy,7
holy,8
is the LORD9
of hosts:10
the whole earth13
is full11
of his glory.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Zodat de postenH520 der dorpelsH5592 zich bewogenH5128 van de stemH6963 des roependenH7121; en het huisH1004 werd vervuldH4390 met rookH6227.
Zodat de posten der dorpels zich bewogen van de stem des roependen; en het huis werd vervuld met rook.
KJV
And the posts2
of the door3
moved1
at the voice4
of him that cried,5
and the house6
was filled7
with smoke.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Toen zeideH559 ik: WeeH188 mij, wantH3588 ik vergaH1820! dewijlH3588 ik een manH376 van onreineH2931 lippenH8193 ben, en ikH595 woonH3427 in het middenH8432 eens volksH5971, datH3588 onreinH2931 van lippenH8193 is; want mijn ogenH5869 hebben den KoningH4428, den HEEREH3068 der heirscharenH6635 gezienH7200.
Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien.
KJV
Then said1
I, Woe2
is me! for I am undone;5
because I am a man7
of unclean8
lips,9
and I dwell16
in the midst11
of a people12
of unclean13
lips:14
for mine eyes23
have seen22
the King,19
the LORD20
of hosts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Maar een vanH4480 de serafsH8314 vloogH5774 totH413 mij, en had een gloeiende koolH7531 in zijn handH3027, die hij met de tangH4457 van het altaarH4196 genomenH3947 had.
Maar een van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had.
KJV
Then flew1
one3
of the seraphims5
unto me, having a live coal7
in his hand,6
which he had taken9
with the tongs8
from off the altar:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En hij roerdeH5060 mijn mondH6310 daarmede aanH5921, en zeideH559: ZieH2009, dezeH2088 heeft uw lippenH8193 aangeroerdH5060; alzo is uw misdaadH5771 van u gewekenH5493, en uw zondeH2403 is verzoendH3722.
En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend.
KJV
And he laid1
it upon my mouth,3
and said,4
Lo, this hath touched6
thy lips;9
and thine iniquity11
is taken away,10
and thy sin12
purged.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Daarna hoordeH8085 ik de stemH6963 des HeerenH136, dewelke zeideH559: Wien zal Ik zendenH7971, en wieH4310 zal voor Ons henengaanH3212? Toen zeideH559 ik: ZieH2005, hier ben ik, zendH7971 mij henen.
Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij henen.
KJV
Also I heard1
the voice3
of the Lord,4
saying,5
Whom shall I send,8
and who will go10
for us? Then said12
I, Here am I; send
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Toen zeideH559 Hij: GaH3212 henen, en zegH559 tot ditH2088 volkH5971: HorendeH8085 hoortH8085, maar verstaatH995 nietH408, en ziendeH7200 ziet, maar merktH3045 nietH408.
Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.
KJV
And he said,1
Go,2
and tell3
this people,4
Hear6
ye indeed,7
but understand9
not; and see10
ye indeed,11
but perceive
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Maak het hart dezes volksH5971 vetH8080, en maak hun orenH241 zwaarH3513, en sluitH8173 hun ogenH5869, opdat het niet zieH7200 met zijn ogenH5869, noch met zijn orenH241 horeH8085, noch met zijn hart verstaH995, noch zich bekereH7725, en Hij het genezeH7495.
Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.
Ook in dit vers
hartH3820
hartH3824
KJV
Make the heart2
of this people3
fat,1
and make their ears5
heavy,6
and shut8
their eyes;7
lest they see10
with their eyes,11
and hear13
with their ears,12
and understand15
with their heart,14
and convert,16
and be healed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Toen zeideH559 ik: Hoe langH4970, HeereH136? En Hij zeideH559: TotdatH5704 de stedenH5892 verwoestH7582 worden, zodat er geenH369 inwonerH3427 zij, en de huizenH1004, dat er geenH369 mensH120 zij, en dat het landH127 met verwoestingH8077 verstrooidH7582 worde.
Toen zeide ik: Hoe lang, Heere? En Hij zeide: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land met verwoesting verstrooid worde.
KJV
Then said1
I, Lord,4
how long? And he answered,5
Until the cities10
be wasted9
without inhabitant,12
and the houses13
without man,15
and the land16
be utterly18
desolate,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Want de HEEREH3068 zal die mensenH120 verre wegdoenH7368, en de verlatingH5805 zal grootH7227 wezen in het binnensteH7130 des landsH776.
Want de HEERE zal die mensen verre wegdoen, en de verlating zal groot wezen in het binnenste des lands.
KJV
And the LORD2
have removed1
men4
far away,
and there be a great5
forsaking6
in the midst7
of the land.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Doch nogH5750 een tiendeH6224 deel zal daarin zijn, en het zal wederkerenH7725, en zijnH1961 om af te weidenH1197; maar gelijk de eikH424, en gelijk de haageikH437, in dewelkeH834 na de afwerpingH7995 der bladeren nog steunselH4678 is, alzo zal het heiligeH6944 zaadH2233 het steunselH4678 daarvan zijn.
Doch nog een tiende deel zal daarin zijn, en het zal wederkeren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik, en gelijk de haageik, in dewelke na de afwerping der bladeren nog steunsel is, alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn.
KJV
But yet in it shall be a tenth,3
and it shall return,4
and shall be eaten:6
as a teil tree,7
and as an oak,8
whose substance11
is in them, when they cast10
their leaves: so the holy14
seed13
shall be the substance
Uzzia
Hebreeuws, Uzziahu.
Hertaald:
Uzzia
Hebreeuws: Uzziahu.
zo zag ik
In een profetisch gezicht. Zie Gen. 15:1 .
Hertaald:
zo zag ik
In een profetisch gezicht. Zie Gen. 15:1.
den HEERE,
Versta, den Vader, Zoon en Heiligen Geest. Vergelijk vs.3, 8; daarom wordt dit gezicht op den Heere Christus geduid; Joh. 12:40-41 , en op den Heiligen Geest; Hand. 28:25-27 .
Hertaald:
den HEERE,
Versta: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Vergelijk vers 3 en 8; daarom wordt dit gezicht op de Heere Christus toegepast, Joh. 12:40-41, en op de Heilige Geest, Hand. 28:25-27.
Zijn zomen
Dat is, de zomen zijner klederen, te weten der koninklijke klederen, met welke de Heere bekleed was.
Hertaald:
Zijn zomen
Dat is: de zomen van Zijn kleren, namelijk van de koninklijke kleren waarmee de HEERE bekleed was.
De serafs
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk brandende; aldus worden de engelen des Heeren genoemd, omdat zij ijverig zijn, ja in ijver brandende, om het bevel des Heeren uit te richten. Of, omdat zij de goddelozen branden en verteren gelijk een vuur. Of, omdat zij in vurige kleur verschijnen, te weten rood gelijk vuur.
Hertaald:
De serafs
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk brandende. Zo worden de engelen van de HEERE genoemd, omdat zij ijverig zijn, ja brandend van ijver om het bevel van de HEERE uit te voeren. Of omdat zij de goddelozen verbranden en verteren als een vuur. Of omdat zij in een vurige kleur verschijnen, namelijk rood als vuur.
stonden
Te weten gelij dienaars, passende op den dienst des Heeren. Vergelijk Dan. 7:10 ; Openb. 4:6-7 .
Hertaald:
stonden
Namelijk: als dienaars, die klaarstaan voor de dienst van de HEERE. Vergelijk Dan. 7:10 en Openb. 4:6-7.
een iegelijk
Hebreeuws, zes vleugelen, zes vleugelen den enen. Zie de aantekening Gen. 7:2 .
Hertaald:
een iegelijk
Hebreeuws: zes vleugels, zes vleugels de een. Zie de aantekening bij Gen. 7:2.
bedekte ieder
Tot een teken van eerbiedigheid, die zij God den Heere toedroegen; of omdat zij den glans der heerlijkheid Gods niet kunnen verdragen.
Hertaald:
bedekte ieder
Als teken van de eerbied die zij God de HEERE toedroegen; of omdat zij de glans van Gods heerlijkheid niet kunnen verdragen.
vloog hij
Te weten om het bevel van God spoediglijk uit te richten; want de engelen zijn dienstbare geesten; Ps. 34:8 , en Ps. 91:11 ; Hebr. 1:14 .
Hertaald:
vloog hij
Namelijk: om het bevel van God snel uit te voeren; want de engelen zijn dienende geesten; Ps. 34:8, Ps. 91:11 en Hebr. 1:14.
de een riep
Hebreeuws, deze riep tot dezen.
Hertaald:
de een riep
Hebreeuws: deze riep tot die.
De ganse aarde
Hebreeuws, de volheid der ganse aarde [is] zijne eer of heerlijkheid; dat is, al de werken des Heeren, die in den gansen aardbodem zijn, geven getuigenis en zijn een bewijs zijner heerlijkheid; Ps. 24:1 ; Rom. 1:20 .
Hertaald:
De ganse aarde
Hebreeuws: de volheid van de hele aarde is Zijn eer of heerlijkheid — dat is: alle werken van de HEERE die op de hele aardbodem zijn, getuigen en zijn een bewijs van Zijn heerlijkheid; Ps. 24:1 en Rom. 1:20.
de posten
Hiermede wordt te kennen gegeven de heftige toorn Gods, gelijk boven Jes. 5:25 :de bergen zijn bewogen. En versta hier, de posten van den tempel.
Hertaald:
de posten
Hiermee wordt de heftige toorn van God te kennen gegeven, zoals hierboven in Jes. 5:25: de bergen zijn bewogen. Versta hier de posten van de tempel.
des roependen;
Dat is, van een ieder der serafim, gelijk vs.3.
Hertaald:
des roependen;
Dat is: van elk van de serafs, zoals in vers 3.
het huis
Te weten het huis Gods, dat is de tempel.
Hertaald:
het huis
Namelijk: het huis van God, dat is: de tempel.
werd vervuld
Dit was ook een teken of bewijs van den toorn Gods, rook en damp uitblazende uit zijnen neus.
Hertaald:
werd vervuld
Ook dit was een teken of bewijs van de toorn van God, Die rook en damp uit Zijn neus blies.
Toen zeide ik
Of, daarom; te weten omdat ik die tekenen van den toorn Gods zag, die vaardig was om zijne oordelen te oefenen.
Hertaald:
Toen zeide ik
Of: daarom, namelijk omdat ik die tekenen van Gods toorn zag, terwijl Hij gereed was Zijn oordelen uit te oefenen.
ik verga
Of, het is met mij gedaan. Anders: ik ben verstomd, of ik ben dood; dat is, ik moet straks sterven, te weten omdat ik, die onrein van lippen ben, den Heere gezien heb. Zie de aantekening Gen. 16:13 ; Ex. 24:11 , en Deut. 5:25-26 ; Richt. 13:22 .
Hertaald:
ik verga
Of: het is met mij gedaan. Anders: ik ben verstomd, of: ik ben dood — dat is: ik moet meteen sterven, namelijk omdat ik, die onrein van lippen ben, de HEERE gezien heb. Zie de aantekening bij Gen. 16:13, Ex. 24:11, Deut. 5:25-26 en Richt. 13:22.
dewijl ik
Dat is, ik ben een arm zondig mens. Door het gebruik der lippen, dat is, de woorden, waarin de mens lichtelijk valt, verstaat hij zijn gehelen zondigen staat. Vergelijk vs.7, en wijders Jak. 3:2 .
Hertaald:
dewijl ik
Dat is: ik ben een arm, zondig mens. Met het gebruik van de lippen, dat is: met de woorden, waarin de mens gemakkelijk struikelt, bedoelt hij zijn hele zondige staat. Vergelijk vers 7 en verder Jak. 3:2.
dat onrein
Dat is, een volk, dat de afgoden aanbidt, tot leugen genegen is en traag om den waren God te aanbidden, te eren en te danken en hunnen naaste te stichten.
Hertaald:
dat onrein
Dat is: een volk dat de afgoden aanbidt, tot liegen geneigd is en traag om de ware God te aanbidden, te eren en te danken en om zijn naaste te stichten.
vloog tot mij,
Te weten uit het bevel van God, want zij stonden vaardig nevens den Heere, om zijne bevelen te ontvangen en uit te voeren.
Hertaald:
vloog tot mij,
Namelijk: op bevel van God; want zij stonden bij de HEERE gereed om Zijn bevelen te ontvangen en uit te voeren.
hij had
Deze kool was een teken van de afbranding der zonden, dat is de zuivering en vergeving der zonden.
Hertaald:
hij had
Deze kool was een teken van het wegbranden van de zonden, dat is: van de reiniging en vergeving van de zonden.
het altaar
Versta hier, het altaar van het brandoffer, op hetwelk gestadiglijk vuur was, zijnde dit altaar een voorbeeld van Christus en zijne offerande voor onze zonden; zie Hebr. 13:10 .
Hertaald:
het altaar
Versta hier het brandofferaltaar, waarop voortdurend vuur lag. Dit altaar was een voorafbeelding van Christus en van Zijn offer voor onze zonden; zie Hebr. 13:10.
deze
Te weten gloeiende kool, die ik van het altaar genomen heb. Hiermede wordt aangewezen dat de vergeving der zonden komt van de offerande van Christus, welke door de offerande des altaars werd afgebeeld; tegelijk, dat de Heilige Geest de zonden, als een vuur, verbrand en verteert.
Hertaald:
deze
Namelijk: deze gloeiende kool, die ik van het altaar genomen heb. Hiermee wordt aangewezen dat de vergeving van de zonden voortkomt uit het offer van Christus, dat door het offer van het altaar werd afgebeeld; en tegelijk dat de Heilige Geest de zonden als een vuur verbrandt en verteert.
is verzoend
Anders: genadiglijk bedekt.
Hertaald:
is verzoend
Anders: genadig bedekt.
de stem des HEEREN,
Te weten, de stem van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest aansprekende. Vergelijk dit met Gen. 1:26 .
Hertaald:
de stem des HEEREN,
Namelijk: de stem van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, Die spreken. Vergelijk dit met Gen. 1:26.
Wien zal Ik zenden,
Te weten tot het wederspannige Joodse volk, om hetzelve mijn besluit aangaande zijne verblinding en ondergang te verkondigen.
Hertaald:
Wien zal Ik zenden,
Namelijk: naar het weerspannige Joodse volk, om het Mijn besluit over zijn verblinding en ondergang te verkondigen.
Ons henengaan?
Te weten tot den dienst van God den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, want God is het alleen, die de profeten beroept en zendt. Vergelijk Gen. 1:26 , en Gen. 3:22 .
Hertaald:
Ons henengaan?
Namelijk: tot de dienst van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; want God alleen is het Die de profeten roept en zendt. Vergelijk Gen. 1:26 en Gen. 3:22.
hier ben ik,
De profeet biedt aan hier nu goedwilliglijk zijn vaardigen dienst, zijnde van God gesterkt, veel vaardiger nu zijnde; gelijk Mozes, Exo 3 , of Jeremia, Jer 1 .
Hertaald:
hier ben ik,
De profeet biedt hier nu gewillig zijn bereidwillige dienst aan; hij is door God gesterkt en daardoor veel bereidwilliger dan tevoren, zoals Mozes in Ex. 3 en Jeremia in Jer. 1.
tot dit volk
Hier zegt God niet, tot mijn volk, omdat het van Hem geweken was, maar Hij zegt, tot dit volk.
Hertaald:
tot dit volk
Hier zegt God niet: tot Mijn volk, omdat het van Hem afgeweken was, maar Hij zegt: tot dit volk.
maar verstaat niet,
Alsof God zeide: Gij zult vergeefsen arbeid doen met dit volk te onderwijzen, niettemin ga heen en doe wat Ik u beveel, tot overtuiging van hunne wederspannigheid.
Hertaald:
maar verstaat niet,
Alsof God zei: u zult tevergeefs arbeiden door dit volk te onderwijzen; ga toch heen en doe wat Ik u beveel, tot overtuiging van hun weerspannigheid.
bemerkt niet
Alsof God zeide: Gijlieden zult de woorden dezer profetieën wel horen, maar niet verstaan. En dit zal geschieden door mijn rechtvaardig oordeel, die ulieder wederspannigheid alzo straft, namelijk met blindheid en verharding. In dezen zin worden deze woorden gebruikt in het Nieuwe Testament; Matt. 13:14 .
Hertaald:
bemerkt niet
Alsof God zei: u zult de woorden van deze profetieën wel horen, maar niet verstaan. En dat zal gebeuren door Mijn rechtvaardig oordeel, dat uw weerspannigheid zo straft, namelijk met blindheid en verharding. In die betekenis worden deze woorden gebruikt in het Nieuwe Testament; Matth. 13:14.
Maak het hart
Te weten door het prediken van mijn Woord. Met deze woorden wil de Heere niet te kennen geven wat zijn gepredikt Woord eigenlijk en van zijne natuur bij de mensen werkt en uitricht; maar Hij voorzegt wat er op de verkondiging ervan bij de boze Joden volgen zou; namelijk dat zij zich daardoor niet alleen niet zouden bekeren, maar nog halsstarriger en weerstrevender aanstellen, dewijl God hen door zijn rechtvaardig oordeel in een verkeerden zin zou overgeven.
Hertaald:
Maak het hart
Namelijk: door de prediking van Mijn Woord. Met deze woorden wil de HEERE niet te kennen geven wat Zijn gepredikte Woord eigenlijk en naar zijn aard bij de mensen werkt en uitricht, maar Hij voorzegt wat er bij de boze Joden op de verkondiging ervan zou volgen: dat zij zich daardoor niet alleen niet zouden bekeren, maar zich nog halsstarriger en weerbarstiger zouden gedragen, omdat God hen door Zijn rechtvaardig oordeel aan een verkeerde gezindheid zou overgeven.
sluit hun ogen,
Of, bestrijkt, belijmt hunne ogen.
Hertaald:
sluit hun ogen,
Of: bestrijk, verlijm hun ogen.
Hij
Te weten God.
Hertaald:
Hij
Namelijk: God.
het
Te weten het volk.
Hertaald:
het
Namelijk: het volk.
geneze
Namelijk door vergiffenis der zonden, Marc. 4:12 . Zie Ps. 30:3 .
Hertaald:
geneze
Namelijk: door vergeving van de zonden, Mark. 4:12. Zie Ps. 30:3.
Hoe lang,
Te weten, zal deze verwoesting van het volk duren. Anders: Hoelang zal deze blindheid en verstoktheid van het volk duren?
Hertaald:
Hoe lang,
Namelijk: zal deze verwoesting van het volk duren. Anders: hoe lang zal deze blindheid en verstoktheid van het volk duren?
de steden
Te weten de steden in Judea.
Hertaald:
de steden
Namelijk: de steden in Judea.
verwoest worden,
Anders: zekerlijk verwoest worden; te weten door de vele en verscheidene overvallen der vijanden van het Joodse volk. Wat de verblindheid van het volk aangaat, die is dikwijls geweest vóór de komst van Christus, inzonderheid ten tijde van Christus; gelijk blijkt Matt. 13:14 ; Marc. 4:12 , en elders meer. Ja zij duurt nog heden te dage, gelijk aan verreweg het grootste deel der Joden, die nu leven, te zien is; en zij zal zolang duren, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn, Rom. 11:25 .
Hertaald:
verwoest worden,
Anders: zeker verwoest worden, namelijk door de vele en verschillende overvallen van de vijanden van het Joodse volk. Wat de verblinding van het volk betreft: die is er vaak geweest vóór de komst van Christus, en vooral in de tijd van Christus, zoals blijkt uit Matth. 13:14, Mark. 4:12 en nog elders. Ja, zij duurt tot op de dag van vandaag, zoals te zien is bij verreweg het grootste deel van de Joden die nu leven; en zij zal duren totdat de volheid van de heidenen zal zijn ingegaan, Rom. 11:25.
met verwoesting
Dat is, gans woest gemaakt worden, alzo dat er geen mensen meer in wonen, en het derhalve onbebouwd blijft liggen. Voorbeelden dezer verwoesting zie onder de koningen Hizkia, 2Ki 18 ; Manasse, 2Ch 33 , onder Josia, 2Ch 35 ; onder Joahas, Jojakim, Joachin en Zedekia, 2Ki 25 en 2Ch 36 , en inzonderheid na de hemelvaart van Christus.
Hertaald:
met verwoesting
Dat is: geheel woest gemaakt worden, zodat er geen mensen meer in wonen en het daarom onbebouwd blijft liggen. Voorbeelden van deze verwoesting zijn te zien onder de koningen Hizkia, 2 Kon. 18, Manasse, 2 Kron. 33, Josia, 2 Kron. 35, en onder Joahaz, Jojakim, Jojachin en Zedekia, 2 Kon. 25 en 2 Kron. 36, en in het bijzonder na de hemelvaart van Christus.
die mensen
Of, die lieden, te weten het Joodse volk.
Hertaald:
die mensen
Of: die lieden, namelijk het Joodse volk.
verre wegdoen,
Te weten in de Babylonische gevangenschap. Hier geeft de profeet te kennen dat het Gods werk is, dat de Joden zijn weggevoerd geweest.
Hertaald:
verre wegdoen,
Namelijk: in de Babylonische gevangenschap. Hier geeft de profeet te kennen dat het Gods werk is dat de Joden weggevoerd zijn.
de verlating
Versta die verlating, waarmede dit volk van God is verlaten en den vijanden overgegeven, ten tijde der Babylonische gevangenschap.
Hertaald:
de verlating
Versta die verlating waarmee dit volk door God verlaten en aan de vijanden overgegeven is, in de tijd van de Babylonische gevangenschap.
in het binnenste
Of, in het midden des lands, te weten van het land van Judea.
Hertaald:
in het binnenste
Of: in het midden van het land, namelijk van het land Judea.
een tiende deel
Dat is, een klein hoopje, ten aanzien van het groot getal dergenen, die weggevoerd en vernield zullen worden. De profeet wil zeggen dat dit volk niet allen tegelijk geheellijk zal vergaan.
Hertaald:
een tiende deel
Dat is: een klein hoopje, vergeleken met het grote aantal van hen die weggevoerd en vernietigd zullen worden. De profeet wil zeggen dat dit volk niet allemaal tegelijk volledig zal omkomen.
het zal wederkeren,
Anders: maar het zal weder afgeweid worden. Want sommigen verstaan door dit tiende deel degenen, die na de wegvoering des volks in het land van Juda zijn overgebleven, en vandaar in Egypte getogen en allen ellendiglijk omgekomen. Anderen verstaan door het tiende deel de Joden, die uit de Babylonische gevangenschap zouden wederkeren en veel hebben te lijden van de koningen van Syrië en Egypte, ten tijde der Machabeën, en eindelijk van de Romeinen, en dit alles vanwege hun grote en menigvuldige zonden.
Hertaald:
het zal wederkeren,
Anders: maar het zal opnieuw afgeweid worden. Want sommigen verstaan onder dit tiende deel hen die na de wegvoering van het volk in het land Juda overgebleven zijn en vandaar naar Egypte getrokken en allen jammerlijk omgekomen zijn. Anderen verstaan onder het tiende deel de Joden die uit de Babylonische gevangenschap zouden terugkeren. Zij zouden veel te lijden hebben van de koningen van Syrië en Egypte in de tijd van de Makkabeeën, en ten slotte van de Romeinen — en dat alles vanwege hun grote en talrijke zonden.
maar
Dit is ene belofte tot troost der vromen, dat namelijk de stam van Juda niet geheel zou te gronde gaan, maar dat hij vanwege de heilige kinderen Gods, die daarin waren, zou behouden en bewaard blijven, totdat Christus in het vlees verschijnen zou.
Hertaald:
maar
Dit is een belofte tot troost van de vromen: dat de stam van Juda niet geheel te gronde zou gaan, maar dat hij vanwege de heilige kinderen van God die daarin waren behouden en bewaard zou blijven totdat Christus in het vlees zou verschijnen.
de eik . . . de haageik
Of, Olmboom. In het Hebreeuws staan twee woorden, die beide een eikenboom betekenen. Voor het ene nemen de overzetters een olmboom; anderen een lindeboom. Anderen leggen de Hebreeuwse woorden aldus uit: Doch gelijk door de eiken, die aan de [poort] Schallecheth staan [de gang] een vast steunsel heeft, [alzo] zal het heilige zaad zijn vaste stut zijn. Naar deze uitlegging vergelijkt hier de profeet de godzaligen bij de eiken, met welke des konings gang onderstut en ondersteund was, of bij den hogen opgeworpen weg of straat, over welken men ging uit Salomo's huis in den tempel, waarvan te lezen is 1 Kon. 10:5 ; 2 Kon. 12:20 ; 1 Kron. 26:16 , en 2 Kron. 9:4 , 2 Kron. 9:11 .
Hertaald:
de eik . . . de haageik
Of: olm. In het Hebreeuws staan twee woorden die beide een eikenboom betekenen. Voor het ene nemen de vertalers een olm, anderen een linde. Weer anderen leggen de Hebreeuwse woorden zo uit: maar zoals de gang een vast steunsel heeft door de eiken die bij de poort Schallecheth staan, zo zal het heilige zaad zijn vaste steun zijn. Volgens die uitleg vergelijkt de profeet hier de godzaligen met de eiken waarmee de gang van de koning gestut en ondersteund was, of met de hoge, opgeworpen weg of straat waarover men uit het huis van Salomo naar de tempel ging, waarover te lezen is in 1 Kon. 10:5, 2 Kon. 12:20, 1 Kron. 26:16, 2 Kron. 9:4 en 2 Kron. 9:11.
het heilige zaad
Dat is, het overblijfsel der godzaligen, dat is, de godzalige kinderen van godzalige ouders afkomstig; alsof hij zeide: God verdraagt nog enigermate dien verdorven boom, ten aanzien der goede takken, die daaruit gesproten zijn. Om weiniger goeden wil spaart God somtijds vele kwaden; Gen. 18:32 .
Hertaald:
het heilige zaad
Dat is: het overblijfsel van de godzaligen, dat is: de godzalige kinderen die uit godzalige ouders voortkomen. Alsof hij zei: God verdraagt die verdorven boom nog enigszins, met het oog op de goede takken die eruit voortgekomen zijn. Ter wille van enkele goeden spaart God soms veel kwaden; Gen. 18:32.
daarvan zijn
Te weten van dat land, dat is van de inwoners van dit land. Anders, van dat tiende deel; het komt opeen uit.
Hertaald:
daarvan zijn
Namelijk: van dat land, dat is: van de inwoners van dit land. Anders: van dat tiende deel; het komt op hetzelfde neer. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel" (Jes. 6:1). De aardse troon was net leeggekomen; de hemelse niet. Boven Hem staan de serafs, elk met zes vleugels: met twee bedekken zij hun aangezicht, met twee hun voeten, en met twee vliegen zij (Jes. 6:2). Hun roep gaat heen en weer: "Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol!" (Jes. 6:3). Het huis wordt vervuld met rook en de posten van de dorpels bewegen (Jes. 6:4). Dan spreekt de profeet over zichzelf: "Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben" (Jes. 6:5). Een van de serafs vliegt naar hem toe met een gloeiende kool die van het altaar genomen is, raakt zijn mond aan en zegt: "alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend" (Jes. 6:7). Bijbelse betekenis: Merk op waar de profeet zichzelf terugvindt. In het vorige hoofdstuk riep hij zes keer wee over anderen; hier roept hij het over zichzelf (Jes. 6:5). Wie God ziet, houdt van zijn eigen zaak niets over. Let ook op wat de serafs met hun vleugels doen. Vier van de zes dienen om zich te bedekken en maar twee om te dienen. Wie daar staat, verdraagt dit licht niet onbedekt. En let ten slotte op de volgorde in Jes. 6:6-7. De reiniging komt van het altaar, dus van de plaats waar geofferd wordt. De profeet vraagt er niet om; zij wordt hem gebracht, en zij raakt precies datgene aan waarover hij geklaagd had. Typologie: Johannes zegt van dit gezicht dat het de heerlijkheid van Christus was die Jesaja zag (Joh. 12:41, reeds behandeld bij Jes. 1:1). Dezelfde lofzang klinkt in de hemel rondom de troon, waar de vier dieren dag noch nacht ophouden (Op. 4:8). Jes. 6:1-7; Joh. 12:41; Op. 4:8 Na de reiniging klinkt de vraag: "Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan?" (Jes. 6:8). Het antwoord komt onmiddellijk: "Zie, hier ben ik, zend mij henen." Pas daarna hoort Jesaja wat hij te zeggen krijgt, en dat is zwaar: "Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet" (Jes. 6:9). Wat volgt gaat nog verder: de prediking zelf zal het hart van dit volk vet maken en de oren zwaar (Jes. 6:10). Dan vraagt de profeet: "Hoe lang, Heere?" (Jes. 6:11). Het antwoord wijst op verwoeste steden en een leeggelopen land. En toch eindigt het hoofdstuk anders. "Doch nog een tiende deel zal daarin zijn", en zoals in een boom na het vallen van de bladeren nog steunsel is, "alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn" (Jes. 6:13). Bijbelse betekenis: Merk op dat Jesaja ja zegt voordat hij de opdracht kent. Hij is dan pas gereinigd, en dat is de volgorde van heel het hoofdstuk: eerst wordt hem gegeven, daarna wordt hem gevraagd. De woorden van Jes. 6:9-10 zijn de moeilijkste van dit gedeelte. Wat de profeet brengt is een woord van God, en juist dat woord maakt de hoorders harder dan zij waren; hetzelfde licht dat een oog opent, verblindt het oog dat zich afwendt. Wat er op het spel staat, noemt Jes. 6:10 zelf: zien, horen, verstaan, zich bekeren en genezen worden. Let ten slotte op het slotvers. Het beeld is niet van een boom die valt maar van een stronk die blijft staan. Er staat niet bij hoe klein dat overblijfsel is, alleen dat het heilig zaad heet. Typologie: De Heere Jezus haalt dit woord aan wanneer Hij verklaart waarom Hij door gelijkenissen spreekt (Matt. 13:14-15). Johannes haalt het aan na de tekenen die niet geloofd werden (Joh. 12:40). En Paulus sluit er zijn laatste gesprek met de Joden te Rome mee af: "Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan" (Hand. 28:26). Jes. 6:8-13; Matt. 13:14-15; Joh. 12:40; Hand. 28:26 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De Engel des HEEREN niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Uzzia is dood. Hij had tweeënvijftig jaar geregeerd, en het land had voorspoed gekend — tot hij eigenmachtig de tempel binnendrong om te offeren en melaats naar buiten kwam. Nu is de troon leeg. En juist in dat jaar ziet Jesaja een andere troon. Jesaja ziet den Heere in de tempel, en Johannes schrijft later dat hij Christus' heerlijkheid zag. In het jaar toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel. De kanttekening zegt dat dit in een profetisch gezicht gebeurde, en zij benoemt Wie er gezien wordt: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. En dan volgt de zin waar het hier om gaat: daarom wordt dit gezicht toegepast op de Heere Christus, Johannes 12, en op de Heilige Geest, Handelingen 28. De serafs roepen elkaar toe: heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen. Zij bedekken met twee vleugels hun aangezicht en met twee hun voeten; met de overige twee vliegen zij. Zelfs zij kijken niet recht aan. Jesaja is geen ongelovige, maar hij houdt het niet uit. Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben. De kanttekening merkt op dat hij met de lippen zijn hele zondige staat bedoelt, en zij geeft ook de andere lezing: het is met mij gedaan, ik moet meteen sterven, omdat ik de HEERE gezien heb. Dan vliegt een van de serafs met een gloeiende kool van het altaar — dus van de plaats waar geofferd wordt — en raakt daarmee zijn mond aan: alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend. De reiniging komt van het altaar en niet uit hemzelf. Pas daarna klinkt de vraag: wien zal Ik zenden? Zo is de volgorde: eerst zien, dan wegzinken, dan verzoend worden — en dan pas zenden. Johannes haalt dit hoofdstuk aan wanneer hij vertelt dat velen ondanks alle tekenen niet geloofden, en hij besluit met zoveel woorden: dit zeide Jesaja toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak. In het Nieuwe Testament: Johannes 12:37-41; Handelingen 28:25-27; Openbaring 4:8; Hebreeën 9:14
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 6
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Ik zag den Heere op een hogen troon — 6:1-13
Wat betekenen de niveaus?


Jesaja 6
Jesaja 6:1.KruisverwijzingenJohannes 12:41→Openbaring 15:8→Johannes 1:18→Openbaring 5:1→Daniël 7:9→Openbaring 7:15→Efeze 1:20→Jesaja 66:1→
— In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel.
U herinnert zich die melaatse koning nog wel, die zich in het priesterambt gedrongen had, met melaatsheid geslagen werd en de rest van zijn leven in een afgezonderd huis opgesloten zat. In het jaar dat hij stierf, zag Jesaja een grotere Koning, die door geen enkele verontreiniging geraakt kan worden, een Koning die regeert en in eeuwigheid leeft, ook al sterft Uzzia. Wanneer u in het Oude Testament leest dat iemand de HEERE zag, versta dat dan van de tweede Persoon in de goddelijke Drie-eenheid, de Heere Jezus Christus. Hij maakt Zichzelf zichtbaar voor mensen, en God in Hem.
Jesaja stond met ontzag geslagen bij dit gezicht van de heerlijkheid van de HEERE. Het was een aanblik zoals maar weinig ogen ooit gezien hebben. Jesaja is nooit werkelijk in het heilige geweest, want hij was geen priester en mocht daar niet staan. In een gezicht zag hij al deze heerlijkheid, en het was een gezicht dat hem de rest van zijn leven moet zijn bijgebleven. De heiligheid en de heerlijkheid van God troffen hem onmiddellijk.
Jesaja 6:2.KruisverwijzingenOpenbaring 4:8→Psalmen 103:20→1 Koningen 6:24→Jesaja 6:6→Openbaring 7:11→Ezechiël 1:11→Exodus 25:20→Job 1:6→
— De serafs stonden boven Hem; een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
Dat zijn de geesten die in de tegenwoordigheid van God wonen, het dichtst bij Hem. En omdat Hij een verterend vuur is, worden zij aan Hem gelijk. De serafs zijn brandende wezens, verterende, brandende en schijnende lichten, die God dienen, die het licht van het leven is. Let erop hoe nederig zij in die tegenwoordigheid zijn: zij bedekken zichzelf voor die oneindige Majesteit.
Jesaja 6:3-4.KruisverwijzingenOpenbaring 4:8→Openbaring 15:8→Psalmen 72:19→Amos 9:1→Jesaja 40:5→Exodus 15:11→Numeri 14:21→Exodus 40:34→
— En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol! Zodat de posten der dorpels zich bewogen van de stem des roependen; en het huis werd vervuld met rook.
En als zelfs de stem van een seraf de fundamenten van de tempel bewoog, wat zal de stem van God dan doen wanneer Hij nog eenmaal spreken zal? Naar dat woord zal Hij niet alleen de aarde, maar ook de hemel bewegen. Wat een ontzag en beven moet er op ons liggen wanneer wij God dienen, als zelfs de posten van de dorpels zich bewegen!
Jesaja 6:5.KruisverwijzingenExodus 6:30→Jeremia 9:3→Exodus 6:12→Exodus 4:10→Jeremia 1:6→Ezechiël 2:6→Lukas 5:8→Exodus 33:20→
— Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien.
“Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga!” Zo doen alle heiligen van God wanneer zij een blik op Hem krijgen. Er is nog nooit een roemzuchtige gedachte opgekomen in het gemoed van enig mens in de tegenwoordigheid van God. Wie over hun eigen zuiverheid spreken, hebben God niet gekend en Hem niet gezien. Hoe zouden zij ook? Dit is de kreet van alle gereinigden wanneer zij in de tegenwoordigheid van God komen: “Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben.” Wat bracht hem op de gedachte aan lippen, dan de stem van de serafs die elkaar toeriepen: “Heilig, heilig, heilig”? Toen dacht hij aan zijn eigen lippen. Broeders en zusters, wat een onreinheid komt er over onze lippen; misschien wordt de onreinheid van het hart nergens zo openbaar als in onze ijdele woorden en onze boze woorden.
Er was werkelijk genoeg om hem te doen zeggen: “Wee mij.” Jesaja was een zondig prediker, een gebrekkig prediker, te midden van een zondig en gebrekkig volk; en zo gevoelde hij dat de samenleving waarin hij verkeerde het tegendeel was van de samenleving waarin God woont. Reine serafs roepen: “Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen!”, maar wat ons betreft: ons spreken is onheilig — een volk dat onrein van lippen is.
Jesaja 6:6-7.KruisverwijzingenJeremia 1:9→Openbaring 8:3→1 Johannes 1:7→Daniël 10:16→Jesaja 53:5→Daniël 9:21→Hebreeën 9:22→Hebreeën 13:10→
— Maar een van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend.
Juist waar hij de onreinheid gevoelde, daar ondervond hij de verzoening. Zijn lippen waren onrein, en nu heeft één aanraking met de kool van het altaar, één mededeling uit het grote Offer, al zijn ongerechtigheid weggenomen, en zijn zonde is begraven. De gloeiende kool van het altaar staat niet voor de heilige vlam die in het hart van de profeet brandt. Zij staat voor reiniging, voor deelhebben aan het offer en voor het wegdoen van de zonde. Met een blaar op zijn lippen stond Jesaja zwijgend voor God.
Jesaja 6:8.KruisverwijzingenExodus 4:10→Efeze 3:8→Genesis 3:8→Jesaja 65:1→Deuteronomium 4:33→Genesis 1:26→Handelingen 26:16→Handelingen 22:21→
— Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij henen.
Let op de eenheid en de meerheid tegelijk: “Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan?” Vanuit welke andere gedachte dan de leer van de Drie-eenheid kunnen wij zo’n merkwaardige overgang van het enkelvoud naar het meervoud verklaren? “Wien zal Ik zenden” — daar is de eenheid. “Wie zal voor Ons henengaan” — daar is de Drie-eenheid. God zoekt een boodschapper om Zijn boodschap aan de mensen over te brengen.
En hoe blijmoedig springt deze man naar voren op het woord van de nodiging — hij, die nu zo nederig is, zo gereinigd door het gezicht van God dat hij zojuist ontvangen heeft: “Zie, hier ben ik, zend mij henen.” Jesaja kende de opdracht nog niet; misschien zou hij, als hij die gekend had, niet zo bereid zijn geweest te gaan. Wie zal het zeggen? Maar Gods knechten zijn tot alles bereid, tot alles gereed, zodra de gloeiende kool hun lippen heeft aangeraakt. Ik dank God dat ik nooit tot zo’n werk geroepen ben als Jesaja moest ondernemen.
Jesaja 6:9-10.KruisverwijzingenMattheüs 13:14→Lukas 8:10→Markus 4:12→Johannes 12:40→Jesaja 29:13→Jesaja 43:8→Romeinen 11:8→Handelingen 28:26→
— Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.
Wat een bediening, donker van ondraaglijk licht! Zo helder, zo duidelijk, dat mensen moedwillig hun hart moesten verharden en hun ogen sluiten om het niet te verstaan en niet aan te nemen. Dit was geen bediening van de verkondiging van het Evangelie. Het was een bediening van de veroordeling. Het volk Israël had de profeten en hun God verworpen, en in de volheid van de tijd zouden zij Gods eigen dierbare Zoon verwerpen. Toen Jesaja in het gezicht dit alles vooruitzag, zag hij dat hij niet gezonden werd om te verzachten maar om te verharden; zijn woord zou een reuk zijn van de dood ten dode en niet van het leven ten leven.
Jesaja 6:11-12.KruisverwijzingenJesaja 1:7→Jeremia 4:29→Jesaja 3:26→Psalmen 79:5→Jesaja 24:1→Psalmen 90:13→Leviticus 26:31→Psalmen 94:3→
— Toen zeide ik: Hoe lang, Heere? En Hij zeide: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land met verwoesting verstrooid worde. Want de HEERE zal die mensen verre wegdoen, en de verlating zal groot wezen in het binnenste des lands.
En zo is het gegaan, zoals u weet: het volk werd gevankelijk weggevoerd. Zij weigerden nog steeds, zij wilden niet geloven, tot Christus kwam; en toen was de verwoesting van Jeruzalem en het leegvegen van hun land de laatste slag van God. “Doch nog een tiende deel zal daarin zijn.” Er is altijd een lichtstraal uit Gods genade in de dichtste duisternis van Zijn gerechtigheid. God heeft Zijn tiende.
Jesaja 6:13.KruisverwijzingenRomeinen 11:5→Job 14:7→Ezra 9:2→Jesaja 1:9→Romeinen 11:16→Galaten 3:28→Genesis 22:18→Jesaja 65:8→
— Doch nog een tiende deel zal daarin zijn, en het zal wederkeren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik, en gelijk de haageik, in dewelke na de afwerping der bladeren nog steunsel is, alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn.
En daarom is het Joodse volk niet verdelgd, maar bestaat het nog altijd; en de gemeente van God wordt niet verdelgd, ondanks alles wat haar overkomt. Er is een steunsel in haar, naar de verkiezing van de genade — waarvoor God geprezen zij.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
In een ontzettend contrast met het verhaal der nachtelijke duisternis, waarmee het in ‘t vorige hoofdstuk geschetste strafgericht Gods eindigt, vertoont zich hier de volle Zondag van een kind Gods. ‘t Is de inwijding van Jesaja in zijn heilig ambt, welke wij hier vermeld vinden, welke hij wellicht eerst hier mededeelt, daar de aan Achaz (Hoofdstuk 7) gedane voorspelling, ook in de sporen van genade, welke zij bevat, slechts tot verharding dienen moest, en de prediking tot verharding de eigenaardige roeping van Jesaja was.
I. Vs. 1-7.KruisverwijzingenJohannes 12:41→Openbaring 4:8→Openbaring 15:8→Jeremia 1:9→Johannes 1:18→Exodus 6:30→Openbaring 5:1→Daniël 7:9→
— In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel. De serafs stonden boven Hem; een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol! Zodat de posten der dorpels zich bewogen van de stem des roependen; en het huis werd vervuld met rook. Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien. Maar een van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend.
Ten tijde dat de geschiedenis van Israël ene zeer gewichtige en besliste wending nam (2 Kon. 15:7) wordt de profeet verwaardigd met de aanschouwing van Jehova in een gezicht, gezeten op Zijn koninklijken troon in ‘t hemelse heiligdom, en in verheven beurtzangen geprezen door de Hem omringende serafijnen. Dat hij nu, een man van onreine lippen en tot een volk van onreine lippen behorende, sprakeloos staat voor ‘t aangezicht des Heren en onder ‘t lofgezang der hemelse geesten verwekt in hem een vernietigenden, smartelijken angst der zelfveroordeling. Daar snelt een der serafijnen naar ‘t reukaltaar, dat, afgebeeld door het reukaltaar in den tempel te Jeruzalem, in het hemels heiligdom staat en gedurende den eredienst zijne reukoffers doet opstijgen, neemt van daar ene kool, roert daarmee des profeten lippen aan en verklaart hem rein van zijne zonde en schuld.
In het jaar, toen de koning Uzzia (of Azarja) stierf (758 v. Chr. 2 Kon. 15:1-7. 2 Kron. 26), zo zag ik in een toestand van verrukking (1 Kon. 22:22) den Heere, den later in de volheid des tijds mens geworden Zone Gods (Joh. 12:41), zittende in menselijke gedaante (Ezechiël. 1:26) op enen in ‘t hemels heiligdom (Ps. 11:4) opgerichten, als een aardse koningszetel (1 Kon. 10:18 vv.) ingerichten, hogen en verhevenen troon, en Zijne zomen vervullende den tempel,
de afhangende zijden van ‘t sleepgewaad, waarmee Hij bekleed was, strekten zich vèr uit in het vóór het binnenste deel van het heiligdom zich bevindende heilige, dat echter van het eerste niet door een voorhangsel gescheiden was.
De tempel in den hemel is de bovenaardse plaats, die Jehova, Zich daar aan engelen en zaligen te aanschouwen gevende, tot een hemel en tot een tempel maakt. Terwijl Hij daar Zijne heiligheid te aanschouwen geeft, moet Hij deze te gelijk bedekken, daar de schepselen haar niet kunnen verdragen; wat haar echter bedekt is niet minder prachtig dan hetgeen van haar openbaar is. Dat is het, wat zich voor Jesaja in die wijde zomen des koninklijken mantels afbeeldt. Wat de Profeet hier en in de volgende verzen beschrijft, heeft Hij werkelijk gezien, niet in den slaap of in den droom, maar in een dus genoemden extatische toestand, zodat hij, het aardse voor een ogenblik ontrukt, als in den Hemel werd overgeplaatst. Het is derhalve een buitengewoon visioen, een buitengewone openbaring en wel in karakter te onderscheiden van de andere gezichten, welke Hij ontvangen heeft. Hij ziet in dien toestand, in den Hemel den Heere, (in den grondtekst Eth-Adonai) niet Jehova, niet den HEERE. (Door onze Staten-overzetters is daarom het woord Heere niet met kapitale letters gedrukt). Een mensenkind heeft nog nooit met zijne sterflijke ogen Jehova aanschouwd. Daarom ziet de Profeet den HEERE zich openbarende als Heere, d. i. Hij ontvangt de openbaring des Vaders in de openbaring des Zoons. Het was niet de openbaring des Zoons als zodanig, maar het was de openbaring des Vaders, in of door den Zoon. Gelijk de Vader zich aan Mozes en aan het volk geopenbaard had door den Engel des Verbonds, de openbaring des Zoons onder het O. Verbond, zo openbaart de Vader zich ook hier door den Zoon aan den profeet van den Ouden dag, gelijk ook de Evangelist van den Nieuwen dag het nader aanduidt. (Joh. 12:41). En juist omdat het niet in de eerste plaats de openbaring van den Zoon, maar de openbaring des Vaders door den Zoon was, daarom lezen we ook van de Serafijnen, dat zij hun aangezichten en hun voeten met hun vleugelen bedekken, en daarna het driemaal Heilig uitroepen.
De Profeet ziet den Heere op een hogen en verheven troon. In het Heilige der Heiligen troonde de Heere boven de arke des Verbonds, als zijn troon, in de wolk, terwijl wij evenzeer lezen, dat toen de tempel werd ingewijd de priesters niet konden staan van wege de heerlijkheid Gods, welke den Tempel vervulde. Welnu, ditzelfde vinden we hier terug. In Zijn hemels paleis zit, in rustige kalmte en waardigheid, de Heere als een koning, die door geen vijand ken onttroond worden, op Zijn troon, maar ook Zijne heerlijkheid afgebeeld door zijn koninklijk kleed, welks zomen den tempel vervulden, vervulde het gehele Hemelse paleis, zodat er voor anderen geen plaats was. Zo zou het ook eenmaal met de Kerk zijn. Zo zou Christus Jezus zich in de Kerk vertonen, haar geheel vervullen met zijn heerlijkheid, zodat Hij alles voor en in haar zou wezen.
De serafs 1) stonden in onafzienbare menigte boven Hem achter Hem en om Hem heen; tot Zijnen dienst bereid, een iegelijk had a) zes vleugelen (Exod. 25:20): met twee bedekte ieder voor Hem, wiens aanblik ook zij niet konden verdragen (Exod. 3:6. 1 Kon. 19:13 zijn aangezicht, en met twee bedekte hij, in ‘t bewustzijn hoever de afstand is zelfs tussen de verhevenste schepselen en den Schepper, zijne voeten, als durfden zij zich in hun onvolkomen toestand niet aan Hem vertonen (Job 4:18; 15:15 met twee vloog hij; zodat hun staan boven den Heere slechts een zweven was met uitgebreide vleugelen in de vrije ruimte, boven die alles vervullende zomen van Zijn sleepgewaad, als bewijs, dat zij mij altijd tot Zijn dienst bereid wanen.
De Serafijnen, komen slechts éénmaal in de H. Schrift voor, en wel hier. Zij worden ons beschreven als gevleugelde mensengestalten, voorzien van zes vleugelen. Hun naam kan alleen afgeleid worden van het Hebr. woord Saraf hetwelk verbranden betekent. Zij staan daarom ook in het nauwste verband met de heiligheid Gods, welke als een verterend vuur alle onreinheid vernielt. Dat zij een hogere orde onder de hemelse geesten innemen, is niet te bewijzen. Van een dusgenaamde hemelse hiërarchie weet de H. Schrift niets. Wel noemt de schrift, Cherubijnen, Serafijnen, tronen, machten, Engelen, Aartsengelen, enz. maar dit wijst niet op een dusgenaamde hiërarchie. Wel is het mogelijk dat de ene Engel meer gaven van zijn God heeft ontvangen, en dat de ene tot gewichtiger diensten wordt gebruikt dan de ander, maar dat de ene in rang boven den anderen staat is niet aan te nemen, vooral niet omdat zoals, Maastricht terecht aanmerkt “de eigenschappen, door welke men die orden tracht van elkaar te onderscheiden, uit de namen gehaald en afgeleid, aan alle engelen bevonden worden gemeen te zijn, want alle worden gezegd bij of voor God te staan. (Dan 7:10). Ook alle worden gezegd Hem te horen of zijne bevelen uit te voeren. (Ps. 103:20). Zij zijn alle gedienstige geesten. (Hebr. 1:14; Ps. 91:11)”.
En de een riep tot den ander, terwijl zij in twee afwisselende koren tegenover elkaar stonden. en zei: Heilig, heilig, heilig 1) is de HEERE der heirscharen! de drieënige God. (Gen. 1:26; 48:15 v. (Num. 6:24). De ganse aarde, ook dat deel dat schijnt door de macht der duisternis te zullen overheerst worden, is toch voor onze ogen, die het einde van Zijne wegen (Num. 14:21. (Habakuk. 2:14) in ‘t volle licht aanschouwen, reeds nu, evenzeer als de hemelen (Habakuk. 3:3. MATTHEUS. 6:10), van Zijne heerlijkheid vol, 2) (Ruth. 2:4).
Voor de gevallen schepselen is God, als de Heilige, voorwerp van vrees; van daar merken wij door ‘t gehele O. T. de vrees op, Hem te zullen zien. Reeds in Jesaja zelf (vs. 5) zien wij daarvan een voorbeeld. Maar gelijk God, als de Heilige, voor de gevallen schepselen vreselijk is, zo is Hij voor de reine schepselen juist zonder die eigenschap een voorwerp van vrees. Een almachtige zonder heiligheid, ziedaar ene ontzettende gedachte (Ps. 99:3, 5, 9. Openbaring 6:10; 15:4). Zijne heerlijkheid is Zijne geopenbaarde heiligheid, evenals Zijne heiligheid zijn toegedekte, verborgen heerlijkheid is. Tot driemaal toe roepen de Serafijnen de heiligheid Gods uit. En dat niet om een dichterlijke herhaling te bezigen, maar dit doen zij, dewijl zij weten, dat God is, de Drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest.
Had de Psalmdichter (Ps. 145:17) het uitgeroepen, dat de Heere heilig is in alle Zijne werken, de Serafijnen roepen het ook hier uit, dat de aarde vol is van de heerlijkheid Gods, van de ontdekte heerlijkheid Gods. Niet alleen het Joodse land, maar de gehele aarde. De Serafijnen geven hier den Profeet een blik op de tijden die komen zullen, waarin de heerlijkheid Gods de gehele aarde zou vervullen, en het Evangelie der zaligheid aan alle creaturen zou worden verkondigd.
Hun gezang ruiste geweldig, zodat de posten der dorpels zich bewogen, de gehele grondslag van ‘t voorportaal, waar ik stond, als ‘t ware mede door diepe eerbiedigheid werd aangegrepen, van de stem des roependen; en het huis werd vervuld met rook; want een reukoffer op het in den tempel staande altaar (vs. 6) vergezelde dit loflied, gelijk ook in den tempel te Jeruzalem bij ‘t dagelijks morgen- en avondoffer edel reukwerk op het reukaltaar werd aangestoken (Exod. 30:1 vv. Luk. 1:8 vv.). Zie verder Exod. 19:16 en 18. “Het geluid der bazuin”. De ganse berg beefde zeer. Het trillen van de zuilen des voorhofs stelle men zich enigszins voor als ‘t dreunen der tempelwanden bij de volle tonen des orgels, of bij ‘t lofgezang ener grote menigte. Dan schijnen de grondvesten te beven. Onder het huis hebben we hier niet te verstaan den Joodsen staat, zoals sommigen menen, maar de Kerke Gods. En derhalve duidt dit gezicht aan, niet dat de Heere God zijn toorn zou openbaren tegen het Joodse volk, maar dat Hij Zijn heiligheid zou openbaren in het midden van Zijn kerk, zodat Zijne gelovigen met ontzag en eerbied voor Hem zouden vervuld zijn, en Hem de eer van Zijn Naam geven, zowel, wanneer Hij zijn heiligheid en heerlijkheid openbaarde in de genade betoning jegens zijne kinderen als in zijne oordelen over de goddelozen.
Toen zei ik met sidderen en beven: Wee mij, want ik verga, ben verloren, dewijl ik, reeds een zondig mensenkind, bovendien ook een man van onreine lippen 1) ben, en wat mijne, persoonlijke onreinheid nog vermeerdert (zie (Ezra 9:6), ik woon in het midden eens volks, dat toch onrein van lippen is (Hoofdstuk 3:8; 5:18 vv.); want mijne ogen hebben den Koning van hemel en aarde, den HEERE der heirscharen gezien (Exod. 33:20. Richt. 6:22); ik moet hier stom blijven, waar alles Hem huldigt.
Dat de Profeet zijne onreinheid juist met betrekking tot zijne woorden uitspreekt, heeft daarin zijn grond, dat hij onder de priesterlijke Engelen en hun hemelse dienstbetoning verplaatst, zich verhinderd ziet, juist door zijne onreinheid aan den lof Gods, waartoe de mens toch geschapen is, deel te nemen. Daarbij komt wellicht nog, dat hij als Profeet de onreinheid van zijne lippen met bijzondere kracht gevoelde. Hij is toch Gods tolk bij Israël. Welk ene roeping, maar ook welk ene zedelijke ongeschiktheid. De grote smart des Christens is juist over zijne zedelijke verdorvenheid, waardoor hij belet wordt, Gods lof met heilige lippen te bezingen. Daarom verlangt hij naar den hemel. ‘t Hart is dan niet meer verdeeld, de lippen zijn dan niet meer bezoedeld. In plaats van zich in dit geluk te verheugen, is hij ten hoogste aangedaan over de heerlijkheid, welke hem omringde, en verbaasd over den glans dezelve, zowel als ter nedergeslagen door het besef van eigen nietigheid en onweerde, waarom hij verzucht: Al mij, wee mijner, want ik verga, het is met mij gedaan, zo die grote en geduchte God, mij naar streng recht en naar mijne verdiensten handelen wil, want ik weet hoe onrein mijne lippen, hoe zondig mijn bestaan is.
Maar een van de serafs vloog op een wenk des Heren tot mij, en had ene gloeiende kool in zijne hand, die hij met de tang van het reukaltaar des hemelsen heiligdoms genomen had. Met de tang genomen; want ook de hand eens serafs raakt niet onmiddellijk ‘t aan God toegewijde altaar en Hem toebehorende offer aan. De weldaad der reiniging, welke hier de profeet te beurt viel, terwijl hij in de grootste angsten verkeerde, wordt ons hier beschreven. Deze weldaad had hij nodig voor het tegenwoordige geval, des te meer als hij in zijne consciëntie en in zijn gemoed overtuigd was van zijn onwaardigheid. De Heere onthoudt hem die genade niet. Na de goede en vrome gemoedsaandoening van den Profeet geeft Hij een der Serafims in last, zich naar den Profeet te spoeden en hem te troosten door hem te reinigen. Zo moet men het opvatten wat hier gezegd wordt.
En hij roerde mijnen mond (Jer. 1:9) daarmee aan, en zei: Zie, deze gloeiende kool a) heeft, als het teken van de toe-eigening der genade Gods, uwe lippen aangeroerd; alzo is uwe misdaad van u geweken, en uwe zonde is verzoend (Lev. 1:4).
Dan. 10:16. Joh. 13:10 spreekt Jezus: “Die gewassen is, heeft niet van node dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. ” Hier gaat het om de reiniging der lippen. Waarom? Omdat de profeet over ene bepaalde onreinheid had geklaagd, welke hem ‘t gebruik van zijne lippen belette, terwijl hem de nood was opgelegd, ze tot Gods lof te gebruiken. Tot de fundamentele leer van de openbaring des O. en N. Testaments behoort, dat de mens, wanneer hem de levende kennis zijner zonden geopend is, tot de zekerheid harer vergiffenis uitwendige tekenen van God nodig heeft. Deze vernieuwende genade maakte hem bekwaam, om op last van God zijne bevelen onder de mensenkinderen bekend te maken, want die van de kwade consciëntie gereinigd zijn mogen het best in staat gerekend worden, om den levendigen God te dienen en niemand is zo bekwaam om den rijkdom der Evangelische genade aan anderen duidelijk en overtuigend voor te stellen, als hij, die zelf de zoetheid er van gesmaakt en den invloed daarvan gevoeld heeft.
II. Vs. 8-13.KruisverwijzingenMattheüs 13:14→Lukas 8:10→Markus 4:12→Johannes 12:40→Jesaja 29:13→Jesaja 43:8→Romeinen 11:8→Exodus 4:10→
— Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij henen. Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze. Toen zeide ik: Hoe lang, Heere? En Hij zeide: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land met verwoesting verstrooid worde. Want de HEERE zal die mensen verre wegdoen, en de verlating zal groot wezen in het binnenste des lands. Doch nog een tiende deel zal daarin zijn, en het zal wederkeren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik, en gelijk de haageik, in dewelke na de afwerping der bladeren nog steunsel is, alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn.
Terwijl nu de stemme des Heren zich horen laat, die naar den rechten bode in Israël vraagt, biedt Jesaja zijnen dienst aan. Op zijne reiniging volgt dan nu zijne zending, welke echter ene vreselijke tegenstelling vormt met die der serafijnen, waarvan hij zo even ‘t voorwerp was; want hij zal het hart van Zijn volk verstokken, hun oren zwaar maken en hun ogen sluiten, opdat zij niet kunnen geloven, daar hun nu geen tijd tot boete en geen weg tot redding meer gegeven is. De profeet weigert het opnemen van dien ontzettend zwaren last en het opvolgen van dit hoog ernstig bevel niet; maar heeft toch ene vraag op het hart, hoe lang dat strafoordeel Gods en het oordeel der verwerping duren zou, en ontvangt dan aanwijzing met betrekking tot de verdere leiding des volks. Israël als massa zal voor altijd verworpen en uitgedelgd worden, maar een heilige nakomelingschap, gelijk de wortel van een boom, wordt gered en naar het verheven doel der volksroeping heengeleid.
Daarna, zo ontzondigd en waardig gemaakt om te staan in den raad der hemelingen, hoorde ik de stem des HEREN, welke zei: Wie zal ik met deze opdracht tot Mijn volk zenden? en wie zal, daar in zulk ene belangrijke zaak op vrijwillige dienstbetoning aankomt, voor ons 1), den Drie-enige God (Gen. 1:26), heengaan? toen zei ik, nu ontzondigd en daardoor daartoe bekwaam geworden: Ziet, hier ben ik, zend mij heen; want ik was er van overtuigd, dat ik om dit te doen, het gezicht (vs. 1 vv.) gezien had.
Joodse uitleggers en in navolging van hen ook sommige nieuwere exegeten, verklaren dit van God en de Serafs. O. i. geheel ten onrechte. Want toch de profeet werd niet gezonden door de Engelen. De Engelen, ook de Serafijnen niet, hebben geen macht om te zenden. Wie zendt is God alleen. En dus spreekt de HEERE hier in de drievuldigheid Zijns persoons, als de Drie-enige God, gelijk dit op meer plaatsen geschiedt. (Gen. 1:26. 3:22. Ezechiël. 21:10. Hos. 12:5 e. a.)
Toen zei Hij (de Heere): Ga heen, en zeg tot dit 1) volk van onreine lippen, gelijk gij u genoemd hebt (vs. 5), en hetwelk Ik niet Mijn volk noemen mag (Exod. 32:7. (Jer. 7:16. (Hos. 1:9) a) Horende hoort ook verder, gelijk tot nu toe wat Ik in Mijn geschreven Woord en in Mijne voortgezette openbaring u door de profeten horen laat, maar verstaat niet; ‘t zal voor uw hart gene vrucht dragen, en ziende ziet het grote werk, dat Ik daar onder tekenen en wonderen onder u doe, om Mijn raad te volbrengen en als voorboden van Mijne naderende strafgerichten, maar merkt niet; het zal u niet meer tot boete en bekering strekken.
MATTHEUS. 13:14. Mark. 4:12. Luk. 8:10. Joh. 12:40. Hand. 28:26. Rom. 11:8.
Dit volk. Jesaja heeft zo-even gezegd dat hij woonde te midden van een volk, onrein van lippen. Hierop slaat nu dit volk terug. De Heere God noemt het niet meer Mijn volk, dewijl het Zijn verbond heeft verbroken. En als gevolg daarvan moet de Profeet het Israël aankondigen, dat het, hoewel het de prediking des Woords zou horen en de bestraffing en dreiging Gods vernemen, toch niet zou horen, noch verstaan. Ja hoewel het zien zal, dat de Heere met zijne oordelen niet alleen dreigt maar ook komt, het zal toch niet zich bekeren, en van zijn boze wegen afhouden. De prediking van Jesaja zou een prediking der verharding zijn. Zijn Woord een reuke des doods ten dode.
Maar gij, Jesaja, ontvang hier tot voltrekking van ‘t besluit Mijns toorns over Israël den last: Maak door uwe gehele werkzaamheid als profeet, waarmee gij nu zult aanvangen het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit (of bestrijk, belijm) hun ogen; a) opdat het niet zie met zijne ogen, noch met zijne oren horen, noch met zijn hart versta, noch zich bekere van zijne boze wegen, en Hij het van zijne dodelijke ziekte geneze; want juist dat wil Ik hun onmogelijk maken, Ik wil voor hen den weg der bekering en der redding voor goed afsluiten.
Jes. 5:21. Maar hoe kan de genadige God, die wil, dat alle mensen zalig worden (1 Tim. 2:4), oorzaak der verharding zijn? Behalve ‘t geen wij over deze moeilijke vraag Exod. 4:21 gezegd hebben, merken wij nu nog op: Gelijk het water gloeiend gemaakt, niet meer verkoelt, maar brandt, zo is het ook met de werking van het goddelijk levenswater op een in het vuur der boosheid tot den hoogsten graad in vlam gezet hart; het komt tot een punt, dat het genadevuur overgaat in een vuur des toorns, niet meer smelt, maar verbrandt. (Rom. 1:28). De oudere godgeleerden spreken over de werkzaamheid Gods bij de verharding aldus: Noch de oorzaak, noch het resultaat der verharding is van God; ‘t is zo, dat Hij werkelijk het hart verhardt, wat de genade doet verwerpen, in ‘t hart legt; maar Hij laat wegzinken in steeds hardnekkiger tegenstand, weerhoudt den Satan nu niet langer; maar laat hem, tot waarschuwing en ten afschrik in zijne werkingen naar hartelust openbaar worden, en geeft aan de goddeloosheid gelegenheid, al meer en meer in hare afschuwelijkheid openbaar te worden. En wat nog meer: Hij laat de waarheid in haar volle licht, en zo, dat men daarin niet mistasten kan, tot de goddelozen komen onder omstandigheden, welke den Satan gelegenheid geven, hun toe te sluiten, dat van haar nog meer te vreemden en tegen haar in te nemen. In deze vaten des toorns wordt dan tot een vermanend en waarschuwend voorbeeld voor anderen, een deel van verdoemenis en hel reeds hier openbaar. De Heere heeft Zijn weerspannig volk sedert lang gekend, en den snellen, ras besloten uitroep: “O zend mij!” aangrijpend, toont Hij Jesaja de bittere vruchten aller profetische moeite en arbeid in de verte. “Hoe meer gij het volk te horen geeft, des te minder zal het verstaan; hoe helderder gij het zien laat, des te meer zal het blind worden. ” Want dat ligt in de wet der tegenspraak. Gods taal wordt echter bestraffende ironie, gelijk Hij die den profeet aan het volk opdraagt. Dat is juist het loon voor zijne tegenspraak, dat het niet verstaat en niet kent; derhalve moet de Profeet het tot zijne tuchtiging gebieden: “gij zult niet verstaan, gij zult niet kennen. ” Zo ga dan heen, indien gij lust hebt, moedige Jesaja, en maak de zienden blind en de horenden doof. ” Maar “wanneer de leeuw brult, wie zou niet vrezen, en wanneer de Heere roept, wie zou niet profeteren? De ware Profeet laat zich niet verschrikken en staat als ene rots, onbeweeglijk vast in den dienst van Hem, die Hem riep. ” . Zij wilden Jesaja niet verstaan, en daarom zou hij het werktuig zijn, waardoor zij harde harten, zware oren, trage en luie ogen zouden bekomen, en waardoor hun bekering ten leste ten uiterste onmogelijk zou worden. De vermaningen zouden ongemerkt, het gevaar voor den toestand niet beschouwd, en hun harten ongevoelig blijven, voor alles wat tot hunnen vrede diende. De bekering des zondaars is der zelver genezing, en het rechte verstand is noodzakelijk tot bekering.
Toen zei ik, diep medelijden hebbende met het volk, waartoe ik zelf behoorde (Exod. 32:9 vv.): Hoe lang, Heere! zal deze mijne dienst tot verstoktheid en deze toestand van verstoktheid bij mijn volk duren? zal de tijd nimmer komen, waarop gij u weer over Israël ontfermt en ‘t in genade aanneemt?” En Hij zei: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land, al de ledige en ontvolkte steden, met verwoesting verstoord worde.
Want de HEERE zal die mensen verre wegdoen in een vreemd land en de verlating van Juda zal groot wezen in het binnenste des lands (2 Kon. 25:8 vv.).
Doch het zal met dit eerste strafgericht, waarbij nog een tiende deel der bewoners zal daarin, in het land, zijn, nog niet zijn afgelopen, en het tiende deel zal, wanneer het tweede gericht komt (Luk. 19:41 vv.), wederkeren, en zijn om af te weiden; maar zo, dat Israël zijn zal gelijk de eik 1), en gelijk de haageik, die men bij den wortel heeft afgehakt. Doch juist hierin is dit beeld vertroostend; want dat zijn zulke bomen, in welke na de afwerping der bladen en het afhakken van twijgen en stam nog steunsel is, een tronk overblijft, die weer kan uitbotten; alzo zal het heilige zaad van Israël verblijven, na zowel de eerste als de tweede verdelging, en zal dit overblijvende 2) het steunsel, de tronk, daarvan zijn, waaruit een nieuw Israël zal verrijzen, nadat het oude is weggedaan 3).
Aan eik en haageik (Gen. 35:4) verbinden zich zo vele herinneringen uit Israël’s vroegere geschiedenis, en daarom zijn deze bijna altijd groene en een dergelijke indruk makende bomen een zeer juist zinnebeeld voor Israël.
In weinige, veelbetekenende woorden wordt zo duidelijk Gods weg met Israël te houden, getekend. Zij bevatten ene schets van Israël’s geschiedenis tot aan den afloop. Israël is als volk onvergankelijk naar de belofte Gods, maar de massa van ‘t volk is naar het oordeel Gods voor ‘t bederf bestemd, en slechts een deel daarvan, dat zich bekeert, zal Israël als volk voortplanten en die heerlijke toekomst beërven. Deze goddelijke wet van zegen, verzonken in den afgrond van den over Israël gekomen vloek, heerst ook nu nog in de geschiedenis der Joden. De weg des heils is voor allen open; enigen vinden dien en geven ons een voorgevoel van ‘t geen zijn kon en zal worden; maar de massa is reddeloos verloren, en eerst wanneer deze is vernietigd, want door God, den eeuwig Getrouwe, een gered en heilig zaad tot een nieuw, heilig Israël opdat naar Hoofdstuk 27:6 den aardbodem met zijne vruchten vervullen, of gelijk Paulus (Rom. 11:12), zegt, der heidenen worden zal.
Ten gevolge van deze Gods-belofte, welke nu een hoofdstuk vormt der prediking van Jesaja, noemde deze later zijn oudsten, 757 v. Chr. geboren zoon Scheär-Jaschub (“het overblijfsel bekeert zich. ” Jes. 7:3). Wat God de Heere hier verkondigt is, dat ja uit de verwoesting van Babel nog een tiende zal overblijven, maar dat dit ook zal afgeweid worden gelijk een eik en haageik bij den wortel wordt afgekapt. Echter zal die wortel het heilige zaad blijken te zijn. Het geestelijke Israël is onvernietigbaar. Uit den afgehouwen tronk zal er nog weer een kostelijke plantinge voortkomen, welke belofte vooral van toepassing is op den Christus Gods.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel