Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
O alleH3605 gij dorstigenH6771! komtH3212 tot de waterenH4325, en gij, dieH834 geen geldH3701 hebt, komtH3212, kooptH7666 en eetH398, ja komtH3212, kooptH7666 zonder geldH3701, en zonder prijsH4242, wijnH3196 en melkH2461!
O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!
KJV
Ho,1
every one that thirsteth,3
come4
ye to the waters,5
and he that hath no money;9
come10
ye, buy,11
and eat;12
yea, come,13
buy14
wine19
and milk20
without money16
and without price.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
WaaromH4100 weegtH8254 gijlieden geldH3701 uit voor hetgeen geenH3808 broodH3899 is, en uw arbeidH3018 voor hetgeen nietH3808 verzadigenH7654 kan? HoortH8085 aandachtiglijkH8085 naarH413 Mij, en eetH398 het goedeH2896, en laat uw zielH5315 in vettigheidH1880 zich verlustigenH6026.
Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.
KJV
Wherefore do ye spend2
money3
for that which is not bread?5
and your labour6
for that which satisfieth8
not?4
hearken9
diligently10
unto me, and eat12
ye that which is good,13
and let your soul16
delight14
itself in fatness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
NeigtH5186 uw oorH241, en komtH3212 totH413 Mij, hoortH8085, en uw zielH5315 zal levenH2421; want Ik zal met u een eeuwigH5769 verbondH1285 maken, en u geven de gewisseH539 weldadighedenH2617 van DavidH1732.
Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort, en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David.
KJV
Incline1
your ear,2
and come3
unto me: hear,5
and your soul7
shall live;6
and I will make8
an everlasting11
covenant10
with you, even the sure14
mercies12
of David.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
ZietH2005, Ik heb hem tot een getuigeH5707 der volkenH3816 gegevenH5414, een vorstH5057 en gebiederH6680 der volkenH3816.
Ziet, Ik heb hem tot een getuige der volken gegeven, een vorst en gebieder der volken.
KJV
Behold, I have given4
him for a witness2
to the people,3
a leader5
and commander6
to the people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
ZietH2005, gij zult een volkH1471 roepenH7121, dat gij nietH3808 kendetH3045, en het volkH1471, dat u nietH3808 kendeH3045, zal totH413 u lopenH7323, omH4616 des HEERENH3068 uws GodsH430 wil, en om des HeiligenH6918 IsraelsH3478 wil, wantH3588 Hij heeft u verheerlijktH6286.
Ziet, gij zult een volk roepen, dat gij niet kendet, en het volk, dat u niet kende, zal tot u lopen, om des HEEREN uws Gods wil, en om des Heiligen Israels wil, want Hij heeft u verheerlijkt.
KJV
Behold, thou shalt call5
a nation2
that thou knowest4
not, and nations6
that knew8
not thee shall run10
unto thee because of the LORD12
thy God,13
and for the Holy One14
of Israel;15
for he hath glorified
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
ZoektH1875 den HEEREH3068, terwijl Hij te vindenH4672 is; roeptH7121 Hem aan, terwijl Hij nabijH7138 is.
Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.
KJV
Seek1
ye the LORD2
while he may be found,3
call4
ye upon him while he is near:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
De goddelozeH7563 verlateH5800 zijn wegH1870, en de ongerechtigeH205 manH376 zijn gedachtenH4284; en hij bekereH7725 zich totH413 den HEEREH3068, zo zal Hij Zich Zijner ontfermenH7355, en totH413 onzen GodH430, wantH3588 Hij vergeeftH5545 menigvuldiglijkH7235.
De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.
KJV
Let the wicked2
forsake1
his way,3
and the unrighteous5
man4
his thoughts:6
and let him return7
unto the LORD,9
and he will have mercy10
upon him; and to our God,12
for he will abundantly14
pardon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WantH3588 Mijn gedachtenH4284 zijn nietH3808 ulieder gedachtenH4284, en uw wegenH1870 zijn nietH3808 Mijn wegenH1870, spreektH5002 de HEEREH3068.
Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.
KJV
For my thoughts3
are not your thoughts,4
neither are your ways6
my ways,7
saith8
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantH3588 gelijk de hemelenH8064 hogerH1361 zijn dan de aardeH776, alzoH3651 zijn Mijn wegenH1870 hogerH1361 dan uw wegenH1870, en Mijn gedachtenH4284 dan ulieder gedachtenH4284.
Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.
KJV
For as the heavens3
are higher2
than the earth,4
so are my ways7
higher6
than your ways,8
and my thoughts9
than your thoughts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Want gelijk de regenH1653 en de sneeuwH7950 vanH4480 den hemelH8064 nederdaaltH3381, en derwaartsH8033 nietH3808 wederkeertH7725; maarH3588 doorvochtigtH7301 de aardeH776, en maakt, dat zij voortbrengeH3205 en uitspruiteH6779, en zaadH2233 geveH5414 den zaaierH2232, en broodH3899 den eterH398;
Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier, en brood den eter;
KJV
For as the rain4
cometh down,3
and the snow5
from heaven,7
and returneth10
not thither, but watereth13
the earth,15
and maketh it bring forth16
and bud,17
that it may give18
seed19
to the sower,20
and bread21
to the eater:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
AlzoH3651 zal Mijn woordH1697, dat uit Mijn mondH6310 uitgaatH3318, ook zijnH1961, het zal nietH3808 ledigH7387 totH413 Mij wederkerenH7725; maarH3588 het zal doenH6213, hetgeenH834 Mij behaagtH2654, en het zal voorspoedigH6743 zijn in hetgeenH834, waartoe Ik het zendeH7971.
Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende.
KJV
So shall my word3
be that goeth forth5
out of my mouth:6
it shall not return8
unto me void,10
but it shall accomplish13
that which I please,16
and it shall prosper17
in the thing whereto I sent
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WantH3588 in blijdschapH8057 zult gijlieden uittrekkenH3318, en met vredeH7965 voortgeleidH2986 worden; de bergenH2022 en heuvelenH1389 zullen geschalH6476 maken met vrolijk gezangH7440 voor uw aangezichtH6440, en alleH3605 bomenH6086 des veldsH7704 zullen de handenH3709 samenklappenH4222.
Want in blijdschap zult gijlieden uittrekken, en met vrede voortgeleid worden; de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en alle bomen des velds zullen de handen samenklappen.
KJV
For ye shall go out3
with joy,2
and be led forth5
with peace:4
the mountains6
and the hills7
shall break forth8
before9
you into singing,10
and all the trees12
of the field13
shall clap14
their hands.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
VoorH8478 een doornH5285 zal een denneboomH1265 opgaanH5927, voorH8478 een distelH5636 zal een mirteboomH1918 opgaanH5927; en het zal den HEEREH3068 wezenH1961 tot een naamH8034, tot een eeuwigH5769 tekenH226, dat nietH3808 uitgeroeidH3772 zal worden.
Voor een doorn zal een denneboom opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan; en het zal den HEERE wezen tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden.
KJV
Instead of the thorn2
shall come up3
the fir tree,4
and instead of the brier6
shall come up7
the myrtle tree:8
and it shall be to the LORD10
for a name,11
for an everlasting13
sign12
that shall not be cut off.
O
Het Hebreeuwse woord hol, hetwelk elders zoveel is als wee, is hier een woord van opwekking.
Hertaald:
O
Het Hebreeuwse woord hol, dat elders zoveel als wee betekent, is hier een woord van opwekking.
alle gij dorstigen
Gij allen, die naar de gerechtigheid zeer verlangt, gevoelende uwe zonden en ellenden; Ps. 42:3 ; Matt. 5:6 ; Joh. 7:37 .
Hertaald:
alle gij dorstigen
U allen die zeer naar de gerechtigheid verlangt en uw zonden en ellenden voelt; Ps. 42:3, Matth. 5:6 en Joh. 7:37.
de wateren,
Dat is, tot mij, of tot de hemelse goederen, die Ik u door het Evangelie aanbied, namelijk vergeving der zonden en de gerechtigheid, die ons omniet en zonder enige onzer verdiensten van God in Christus gegeven worden; idem, de gaven van den Heiligen Geest, en eindelijk het eeuwige leven; waartoe wij door het gebod moeten komen; Joh. 7:37 .
Hertaald:
de wateren,
Dat is: tot Mij, of tot de hemelse goederen die Ik u door het Evangelie aanbied, namelijk de vergeving van de zonden en de gerechtigheid, die ons om niet en zonder enige verdienste van onze kant door God in Christus gegeven worden; en verder de gaven van de Heilige Geest, en ten slotte het eeuwige leven, waartoe wij moeten komen omdat Hij het gebiedt; Joh. 7:37.
die geen geld hebt,
Hebreeuws, die geen geld heeft; dat is, die in of bij uzelven gene waardigheid noch verdiensten heeft.
Hertaald:
die geen geld hebt,
Hebreeuws: die geen geld heeft — dat is: die in of bij uzelf geen waardigheid en geen verdiensten hebt.
eet,
Dat is, geniet. Alzo ook vs.2, eten voor genieten, is zeer algemeen bij de Hebreën. Zie de aantekening Job 21:25 .
Hertaald:
eet,
Dat is: geniet. Zo ook in vers 2: eten voor genieten is bij de Hebreeën heel gewoon. Zie de aantekening bij Job 21:25.
komt, koopt zonder geld,
Dat is, ontvangt omniet.
Hertaald:
komt, koopt zonder geld,
Dat is: ontvangt om niet.
wijn en melk
Wijn en melk betekent hier hetzelfde, dat straks door water is te kennen gegeven; te weten alles wat tot het geestelijke leven van node is.
Hertaald:
wijn en melk
Wijn en melk betekenen hier hetzelfde als wat zojuist met water te kennen gegeven is, namelijk alles wat voor het geestelijke leven nodig is.
Waarom
Dat is, waarom doet gij veel vergeefse kosten en moeite, drijvende uw afgoderij en bijgeloof, daar toch door zulke middelen geen leven noch vaste troost te verkrijgen is?
Hertaald:
Waarom
Dat is: waarom maakt u veel vergeefse kosten en moeite met het bedrijven van uw afgoderij en bijgeloof, terwijl door zulke middelen toch geen leven en geen vaste troost te verkrijgen is?
voor hetgeen geen brood is,
Hebreeuws, voor niet brood; aldus noemt hij de valse leer en bijgelovigheden, die het hart der mensen niet kunnen spijzigen of verzadigen; als daar was de leer schriftgeleerden en Farizeën van eigen gerechtigheid, buiten Christus en zijne gerechtigheid.
Hertaald:
voor hetgeen geen brood is,
Hebreeuws: voor niet-brood. Zo noemt hij de valse leer en het bijgeloof, die het hart van de mensen niet kunnen voeden of verzadigen — zoals de leer van de schriftgeleerden en Farizeën over de eigen gerechtigheid, buiten Christus en Zijn gerechtigheid om.
uw arbeid
Dat is, het geld, dat gijlieden met uwen arbeid gewonnen hebt.
Hertaald:
uw arbeid
Dat is: het geld dat u met uw arbeid verdiend hebt.
voor hetgeen niet
Hebreeuws, om niet ter verzadiging.
Hertaald:
voor hetgeen niet
Hebreeuws: om niet tot verzadiging.
Hoort aandachtiglijk
Hebreeuws, hoort horende; dat is hoort aandachtiglijk, naarstiglijk, of ernstiglijk naar mij.
Hertaald:
Hoort aandachtiglijk
Hebreeuws: hoort horend — dat is: luistert aandachtig, vlijtig of ernstig naar Mij.
eet het goede,
Dit is ook al van een geestelijk eten te verstaan, gelijk ook wat er volgt.
Hertaald:
eet het goede,
Ook dit moet men van een geestelijk eten verstaan, en zo ook wat er volgt.
Neigt uw oor,
Dit spreekt God de Vader.
Hertaald:
Neigt uw oor,
Dit spreekt God de Vader.
uw ziel
Dat is, zij zal troost en vreugde hebben als zij mij hoort.
Hertaald:
uw ziel
Dat is: zij zal troost en vreugde hebben wanneer zij naar Mij luistert.
maken,
Zie Gen. 15:18 , en Jer. 34:18-19 .
Hertaald:
maken,
Zie Gen. 15:18 en Jer. 34:18-19.
en u geven
Deze woorden van Paulus, Hand. 13:34 , waar aldus staat: Ik zal ulieden die heilige en trouwe [beloften] van David geven.
Hertaald:
en u geven
Deze woorden haalt Paulus aan in Hand. 13:34, waar staat: Ik zal u de heilige en betrouwbare beloften van David geven.
Davids
Dat is, die Ik David heb beloofd. Zie 2 Sam. 7:13 , en Ps. 89:29 . Tot voltrekking dezer weldadigheden was het van node dat Christus van de doden zou opstaan en alzo tot zijn eeuwig rijk ingaan. Tot zulk einde verhaalt de apostel Paulus deze spreuk, Hand. 13:34 om de opstanding van Christus te bewijzen. Eenigen verstaan hier door David den Heere Christus, alzo dat door de weldadigheden van David te verstaan zouden zijn de weldadigheden, die Christus het volk Gods verwerven en geven zou. Alzo ook Jer. 30:9 ; Ezech. 34:23 , enz.
Hertaald:
Davids
Dat is: die Ik David beloofd heb. Zie 2 Sam. 7:13 en Ps. 89:29. Voor de voltrekking van deze weldaden was het nodig dat Christus uit de doden zou opstaan en zo Zijn eeuwige rijk zou binnengaan. Met dat doel haalt de apostel Paulus deze uitspraak aan in Hand. 13:34, om de opstanding van Christus te bewijzen. Sommigen verstaan onder David hier de Heere Christus, zodat onder de weldaden van David de weldaden verstaan zouden moeten worden die Christus het volk van God zou verwerven en geven. Zo ook in Jer. 30:9 en Ezech. 34:23, enzovoort.
Ik heb
Te weten God de Vader.
Hertaald:
Ik heb
Namelijk: God de Vader.
Hem
Te weten Christus, den zoon van David, die ook Davids Heere en Verlosser is.
Hertaald:
Hem
Namelijk: Christus, de Zoon van David, Die ook Davids Heere en Verlosser is.
tot een getuige
Dat is tot een profeet en leraar, die de hemelse waarheid betuigt; of die van mijnen wil getuigenis geeft.
Hertaald:
tot een getuige
Dat is: tot een profeet en leraar die de hemelse waarheid betuigt, of die getuigenis geeft van Mijn wil.
gebieder
Om te gebieden en te bevelen wat Hem belieft.
Hertaald:
gebieder
Om te gebieden en te bevelen wat Hem behaagt.
gij zult een volk roepen,
O Jezus Christus.
Hertaald:
gij zult een volk roepen,
O Jezus Christus.
dat gij niet kendet,
Dat is, naar hetwelk gij niet vraagdet, maar liet het op zijne wegen wandelen. Zie Hand. 14:16 . Of, dat gij voor uw volk niet kendet.
Hertaald:
dat gij niet kendet,
Dat is: waar U niet naar vroeg, maar dat U op zijn eigen wegen liet wandelen. Zie Hand. 14:16. Of: dat U niet als Uw volk kende.
het volk,
Hebreeuws, een volk, die u niet kenden, zullen tot u lopen, dat is, die naar u niet vraagden, noch u voor hunnen Zaligmaker kenden.
Hertaald:
het volk,
Hebreeuws: een volk dat U niet kende zal tot U lopen — dat is: zij die niet naar U vroegen en U niet als hun Zaligmaker kenden.
zal tot u lopen,
Dat is, met groten ijver en begeerte uwe leer aannemen.
Hertaald:
zal tot u lopen,
Dat is: met grote ijver en begeerte Uw leer aannemen.
om des Heiligen
Of, en tot den Heilige Israëls; zie Ps. 71:22 .
Hertaald:
om des Heiligen
Of: en tot de Heilige Israëls; zie Ps. 71:22.
want Hij heeft u verheerlijkt
Of als Hij u [o Christus] zal verheerlijkt hebben; namelijk door de opstanding uit de doden, Rom. 1:4 , en door de verhoging aan zijne rechterhand in de hemelen, vanwaar Hij den Heiligen Geest op de apostelen zenden zou, Hand. 2; doende grote wonderen door de kracht van denzelven; Hand. 3:13 , en Hand. 4:10 .
Hertaald:
want Hij heeft u verheerlijkt
Of: wanneer Hij U, o Christus, verheerlijkt zal hebben, namelijk door de opstanding uit de doden, Rom. 1:4, en door de verhoging aan Zijn rechterhand in de hemelen, vanwaar Hij de Heilige Geest op de apostelen zou zenden, Hand. 2, terwijl Hij door de kracht daarvan grote wonderen deed; Hand. 3:13 en Hand. 4:10.
terwijl Hij te vinden is;
Dat is, terwijl Hij zijne goedertierenheid den armen zondaren aanbiedt, dezelven tot boete en bekering nodigende; zie Ps. 32:6 . Het zijn de woorden van den profeet.
Hertaald:
terwijl Hij te vinden is;
Dat is: terwijl Hij Zijn goedertierenheid aan de arme zondaars aanbiedt en hen tot berouw en bekering nodigt; zie Ps. 32:6. Het zijn de woorden van de profeet.
ongerechtige
Hebreeuws, de man der boosheid, of der ongerechtigheid.
Hertaald:
ongerechtige
Hebreeuws: de man van de boosheid, of van de ongerechtigheid.
vergeeft menigvuldiglijk
Hebreeuws, Hij vermeerdert te vergeven, of met vergeven.
Hertaald:
vergeeft menigvuldiglijk
Hebreeuws: Hij vermeerdert te vergeven, of: Hij is overvloedig in het vergeven.
Want Mijn gedachten
Hier spreekt God de Heere wederom, en het is zoveel als Hij zeide: Gij mensen zijt van zulken aard, dat gij het niet lichtelijk vergeeft noch vergeet als u iemand vertoornd heeft, inzonderheid als hij het te grof maakt; maar Ik vergeef spoedig al degenen, wien het leed is dat zij mij vertoornd hebben en die mij om vergeving bidden. Ik ben ook niet wankelmoedig, of ongetrouw, gelijk de mensen, maar al wat Ik beloof doe Ik gewisselijk.
Hertaald:
Want Mijn gedachten
Hier spreekt God de HEERE weer, en het is zoveel alsof Hij zei: u, mensen, bent zo van aard dat u het niet gemakkelijk vergeeft of vergeet wanneer iemand u vertoornd heeft, vooral wanneer hij het te bont maakt. Maar Ik vergeef spoedig allen die het spijt dat zij Mij vertoornd hebben en die Mij om vergeving bidden. Ik ben ook niet wankelmoedig of ontrouw zoals de mensen, maar alles wat Ik beloof doe Ik ook zeker.
gelijk
Of, [zoveel] vergelijk hiermede Ps. 103:11 .
Hertaald:
gelijk
Of: zoveel; vergelijk hiermee Ps. 103:11.
zij voortbrenge
Te weten de aarde.
Hertaald:
zij voortbrenge
Namelijk: de aarde.
Mijn woord,
Dat is, het woord mijner belofte.
Hertaald:
Mijn woord,
Dat is: het woord van Mijn belofte.
niet ledig
Dat is, niet zonder iets uit te richten.
Hertaald:
niet ledig
Dat is: niet zonder iets uit te richten.
voorspoedig zijn
Of, geluk hebben, wel gedijen.
Hertaald:
voorspoedig zijn
Of: geluk hebben, goed gedijen.
in hetgeen
Of, tot welk, of werwaarts.
Hertaald:
in hetgeen
Of: tot welk doel, of waarheen.
uittrekken,
Te weten uit de geestelijke gevangenis van den duivel, nadat gij door Christus zult verlost zijn, waarvan de Babylonische gevangenschap een beeld was.
Hertaald:
uittrekken,
Namelijk: uit de geestelijke gevangenis van de duivel, nadat u door Christus verlost zult zijn; de Babylonische gevangenschap was daarvan een afbeelding.
de bergen
Zie Jes. 35:1 . De zin is dat alle creaturen, al is het dat zij ongevoelig zijn, nochtans het werk des Heeren met vreugde zullen helpen bevorderen. Zie de aantekening Ps. 98:8 .
Hertaald:
de bergen
Zie Jes. 35:1. De betekenis is dat alle schepselen, ook al zijn zij levenloos, het werk van de HEERE toch met vreugde zullen helpen bevorderen. Zie de aantekening bij Ps. 98:8.
Voor een doorn
Dat is, die tevoren al distelen en doornen waren, dat is onvruchtbaar en tot alle goed onbekwaam, zullen vruchtbaar worden, en als schone bomen opwassen, nadat zij door den Heiligen Geest zullen vernieuwd en wedergeboren zijn. Zie dergelijke manier van spreken Jes. 41:19 .
Hertaald:
Voor een doorn
Dat is: zij die tevoren enkel distels en doornen waren — dat is: onvruchtbaar en tot niets goeds in staat — zullen vruchtbaar worden en als schone bomen opgroeien, nadat zij door de Heilige Geest vernieuwd en wedergeboren zullen zijn. Zie een dergelijke manier van spreken in Jes. 41:19.
het zal den HEERE
De zin is: Door de verlossing en heiliging der kerk zal God zijn oneindige goedheid en almogendheid inzonderheid doen blijken, waarom Hij in der eeuwigheid zal geloofd en geprezen worden.
Hertaald:
het zal den HEERE
De betekenis is: door de verlossing en heiliging van de kerk zal God Zijn oneindige goedheid en almacht in het bijzonder laten blijken, waarom Hij in eeuwigheid geloofd en geprezen zal worden.
een eeuwig teken,
Te weten een gedenkteken.
Hertaald:
een eeuwig teken,
Namelijk: een gedenkteken. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!" (Jes. 55:1). Daarop volgt een vraag die de zaak omkeert: "Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan?" (Jes. 55:2). Wat er dan gevraagd wordt is eenvoudig: "Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort, en uw ziel zal leven" (Jes. 55:3). En er staat bij wat God daarbij geeft: "want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David." Het gedeelte eindigt bij de volken: een volk dat men niet kende, zal komen lopen (Jes. 55:5). Bijbelse betekenis: Merk op tot wie de uitnodiging gaat. Niet tot wie iets meebrengt maar tot wie dorst heeft en geen geld heeft; dat zijn de enige twee voorwaarden, en beide zijn een gebrek. Let vervolgens op het werkwoord kopen. Er staat kopen zonder geld, en dat is met opzet tegenstrijdig gezegd: wat men ontvangt is echt eigendom, en toch heeft men het niet betaald. Let ten slotte op de vraag in Jes. 55:2. Het gaat niet over mensen die niets doen, maar over mensen die zich uitsloven voor iets dat niet verzadigt. De aanklacht is niet luiheid maar verkeerd bestede moeite. Typologie: De Schrift sluit met dezelfde uitnodiging: "En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet" (Op. 22:17). En Paulus betrekt de weldadigheden van David uit Jes. 55:3 op de opstanding van Christus: "Ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn" (Hand. 13:34). Jes. 55:1-5; Op. 22:17; Hand. 13:34 "Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is" (Jes. 55:6). Wat dat zoeken inhoudt, staat in het vers erna: "De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk" (Jes. 55:7). En dan volgt de reden waarom dat aanbod zo ruim kan zijn: "Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen" (Jes. 55:8), en: "gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen" (Jes. 55:9). Bijbelse betekenis: Merk op wat er in Jes. 55:7 moet worden verlaten. Niet alleen de weg maar ook de gedachten; de omkeer gaat verder dan het gedrag. En let op het woord waarmee het vers eindigt: menigvuldiglijk. Er staat niet dat God vergeeft, maar dat Hij véél vergeeft. Let vervolgens op het verband met Jes. 55:8-9. Die verzen worden vaak gelezen als troost bij onbegrepen wegen, en dat mag; maar in hun eigen samenhang staan zij hier als grond voor de vergeving. Dat God zo ruim vergeeft, past niet bij menselijke gedachten, en juist daarom is het waar. Let ten slotte op de tijdsgrens in Jes. 55:6. Er wordt niet gezegd wanneer die verstrijkt, maar wel dat er een terwijl is. De uitnodiging is ruim en niet vrijblijvend. Typologie: Paulus gebruikt dezelfde aandrang wanneer hij schrijft: "ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag der zaligheid" (2 Kor. 6:2). En Petrus verklaart waarom de tijd nog voortduurt: de Heere is lankmoedig, niet willende dat enigen verloren gaan (reeds behandeld bij 2 Petr. 3:9). Jes. 55:6-9; 2 Kor. 6:2; 2 Petr. 3:9 Het beeld komt eerst: "gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier, en brood den eter" (Jes. 55:10). Dan volgt de toepassing: "Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende" (Jes. 55:11). Het gedeelte sluit met de uittocht die erop volgt: "in blijdschap zult gijlieden uittrekken, en met vrede voortgeleid worden" (Jes. 55:12). En het slot noemt de omkering van de vloek: "Voor een doorn zal een denneboom opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan" (Jes. 55:13). Bijbelse betekenis: Merk op wat het beeld precies zegt. Regen keert wel terug naar de hemel, maar niet zonder de aarde gedrenkt te hebben; de weg is lang en onzichtbaar, en toch komt er brood van. Zo werkt ook het Woord: niet altijd meteen en niet altijd zichtbaar. Let vervolgens op de maat die gegeven wordt. Er staat niet dat het Woord altijd het gewenste gevolg heeft, maar dat het doet wat Gód behaagt en voorspoedig is in datgene waartoe Hij het zendt. Dat is een andere maatstaf dan de onze. Let ten slotte op Jes. 55:13. Doorn en distel waren wat de aarde na de vloek voortbracht; hier komen er bomen voor in de plaats. De belofte reikt dus verder dan de terugkeer uit Babel. Typologie: De Heere Jezus tekent hetzelfde in de gelijkenis van de zaaier: hetzelfde zaad valt op verschillende grond, en dat wat in de goede aarde viel, brengt vrucht voort (Matt. 13:8). En Petrus noemt dat zaad onvergankelijk: wij zijn wedergeboren "door het levende en eeuwig blijvende Woord van God" (1 Petr. 1:23). Jes. 55:10-13; Matt. 13:8; 1 Petr. 1:23 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het verbond niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen Vlak na het lied over de Knecht Die de zonden van velen droeg, klinkt een uitnodiging. Zij is niet gericht aan wie iets te bieden heeft, maar aan wie dorst en geen geld heeft. Wat de Knecht in hoofdstuk 53 verworven heeft, wordt hier uitgedeeld — en de prijs is dat er geen prijs is. O alle gij dorstigen, komt tot de wateren; en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. De kanttekening merkt op dat het openingswoord elders wee betekent, maar hier een woord van opwekking is. En zij zegt wie de dorstigen zijn: u allen die zeer naar de gerechtigheid verlangt en uw zonden en ellenden voelt. Zij verwijst daarbij naar de zaligspreking over wie hongert en dorst naar de gerechtigheid, en naar Johannes 7. Bij de wateren tekent zij aan waar het om gaat: de hemelse goederen die God door het Evangelie aanbiedt — vergeving van de zonden en de gerechtigheid, die ons om niet en zonder enige verdienste van onze kant in Christus gegeven worden. Daarna komt de vraag die iedereen kent die ooit iets kocht wat niet hielp: waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? En dan de belofte: Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David. De kanttekening zegt kort wie hier spreekt: dit spreekt God de Vader. Paulus haalt precies die zin aan in Antiochië, en betrekt haar op de opstanding van Christus. Het slot van het hoofdstuk gaat over Gods woord, dat niet ledig terugkeert maar doet hetgeen Hem behaagt. Zoals de regen niet weerkeert voordat de aarde gedrenkt is. En tussen de uitnodiging en die belofte staat de eerlijkheid: laat de goddeloze zijn weg verlaten en wederkeren tot den HEERE, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. Zonder geld is niet zonder bekering. In het Nieuwe Testament: Handelingen 13:34; Johannes 7:37-38; Openbaring 22:17; Mattheüs 5:6 Hoever dit reikt: Niveau 2. De uitnodiging zelf noemt Christus niet. Wel haalt Paulus vers 3 met name aan en betrekt het op de opstanding. En de kanttekening verstaat de aangeboden goederen als wat God in Christus geeft: vergeving en gerechtigheid, om niet.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Door C.H. Spurgeon. Uit Sword and Trowel van augustus 1865. De scherpe, schrille kreet 'Acqua! Acqua!' weerklinkt onophoudelijk in de oren van de wandelaar in Venetië en… Koop en eet, ja, kom, koop zonder geld, zonder prijs. Jesaja 55:1 Op een dag klopte een bedelaar bij Spurgeon aan. In die tijd waren er veel arme… Hij bekeert zich tot de Heere, zo zal Hij zich over de zijnen ontfermen en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig. Jesaja 55:7 De profeet ontvouwt de… De goddeloze verlaat zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekeert zich tot de Heere, zo zal Hij zich over de zijnen ontfermen, en tot… Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE. Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo zijn… Lichthartige, losbandige man, er is een arm meisje wiens lichaam en ziel in het verleden door u is geruïneerd en er is niets wat u kunt doen om… Gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet. Jesaja 55:1 Dit is de mens die geroepen wordt hemelse wijn en melk te kopen. Wenst u een meer uitgewerkt… Gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet. Jesaja 55:1 Hoe schoon wordt in het vers, waarvan onze tekst het tweede gedeelte uitmaakt, naar de aard van de… O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 55
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Komt, koopt zonder geld — 55:1-13
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Acqua! Acqua!
Mooie schoenen!
Jes. 55:7 - Hij vergeeft veelvuldig
Jes. 55:7 - Bekering
Onze gedachten en Gods gedachten
God vergeeft vrijmoedig
komt, koopt en eet
Kopen zonder geld
Alleen lege handen


Jesaja 55
Jesaja 55:1.KruisverwijzingenJohannes 7:37→Openbaring 21:6→Psalmen 143:6→Joël 3:18→Hooglied 5:1→Jesaja 44:3→Openbaring 3:18→Jesaja 41:17→
— O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!
Zie hoe vrij de goddelijke liefde is! Zie hoe God, die de behoeften van de ziel kent, alles verschaft wat zij nodig heeft: water, het water des levens. En alsof dat niet genoeg was: ook de wijn van de vreugde en de melk van de verzadiging. En dat alles biedt Hij om niets aan. Maar let op: er is geen winst voor Hém bij. De winst is voor ons, want Hij zegt: “gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!” Alles wat u nodig hebt, is God bereid u te geven. Verlangt u naar deze goede dingen? Kom dan, en wees welkom. Het is God die u roept te komen.
Het gaat om de wateren die vloeiden uit die geslagen Steenrots waarover wij gelezen hebben. En let op de wonderlijke nederbuigende goedheid van God. De gaven van Zijn genade zijn zo kostelijk dat heel de wereld ze niet kopen kan; en toch buigt Hij Zich neer om Zijn schepsel te vrágen die gaven aan te nemen. Hij staat daar als iemand die waren te koop heeft en roept: “Ho, u daar, voorbijganger, kom hierheen; hoor toe. O alle gij dorstigen!” Is er dan een ziel die naar God verlangt? O ziel, God verlangt oneindig meer naar u dan u naar Hem, en Hij nodigt u tot Zich te komen. Stel het niet uit.
Mensen moeten niet bezorgd zijn omdat zij geen grote bezittingen hebben. Terwijl zij niets hebben, mogen zij toch alle dingen bezitten. Op Gods markt is niemand in het nadeel omdat zijn zakken leeg zijn. Men mag zonder een cent en bankroet komen en de uitnemende rijkdom van Zijn genade ontvangen. Maar het gaat in dit vers vooral om iets geestelijks. Getekend wordt hier de mens die geen geestelijk geld heeft: geen goud van goedheid, geen zilver van heiligheid. Toch wordt hij uitgenodigd te komen en de wijn en de melk van de hemel te kopen van een genadig God.
Jesaja 55:2.KruisverwijzingenJeremia 31:14→Psalmen 22:26→Hosea 8:7→Jeremia 2:13→Johannes 6:48→Lukas 15:23→Lukas 15:15→Markus 7:14→
— Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.
Waarom zoekt u rust waar zij nooit te vinden is? Waarom hebt u verlangd naar genoegens die u nooit verzadigen kunnen? Houd op met zo’n dwaasheid. Waarom zoekt u troost voor uw ziel waar u die nooit zult krijgen? Waarom probeert u uw onsterfelijke natuur tevreden te stellen met dingen die vergaan? Er is hier beneden niets dat u verzadigen kan. Waarom weegt u dan uw geld uit voor deze dingen, en uw arbeid voor wat niets is? U jaagt op duizend manieren het geluk na, met veel moeite en verdriet, maar met bittere teleurstelling.
God heeft werkelijk voedsel voor uw ziel, iets dat u waarlijk gelukkig maakt. Hij zal u verzadigen — niet met de naam van het goede, maar met het goede zelf, als u maar komt en het aanneemt. U zult volheid hebben, u zult verrukking hebben, als u maar bereid bent te komen en het te ontvangen. God nodigt Zijn schepsel uit naar Hem te horen. “Leen Mij toch even uw oor”, zegt Hij. “Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.” Moest Gods boodschap van liefde niet de aandacht van heel de mensheid opeisen?
Jesaja 55:3.KruisverwijzingenJeremia 32:40→Psalmen 78:1→Handelingen 13:34→Spreuken 4:20→Johannes 10:27→Jesaja 61:8→Jesaja 54:8→Mattheüs 11:28→
— Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort, en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David.
Zie, de weg van het heil loopt door de poort van het gehoor. Wij moeten het evangelie hóren, want niet wat wij doen moeten maar wat wij ontvangen moeten zal ons behouden; en wij moeten tot God komen om het te horen voordat wij het kunnen ontvangen. Het geloof is uit het gehoor. Het heil komt de mens niet binnen door het oog maar door het oor. Niet wat u ziet aan de opschik van een priester of een altaar — dat kan u geen goed doen. Maar hoor naar het evangelie. Door de poort van het gehoor komt Gods barmhartigheid als overwinnaar de ziel van de mens binnen: “Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort, en uw ziel zal leven.” Wie zou dan niet horen, wie zou zijn aandacht niet geven, als door die aandacht het onsterfelijke leven ontvangen kan worden?
Zal God een verbond aangaan met zondige mensen — met dorstigen, met hongerigen, met behoeftigen, met schuldigen? Ja, dat zal Hij: “want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David.” Iemand zegt: “Ik kan begrijpen dat God een verbond maakte met David; maar zal Hij ook een verbond maken met míj?” Ja, en wel op dezelfde vaste voorwaarden. God zal beloven u te zegenen, u te behouden, u te bewaren en u in heerlijkheid te stellen op de dag dat Christus verschijnt; en dat zal een verbond zijn dat nooit gebroken wordt. Al verandert alles wat er verder is, dat verbond blijft voor altijd vast. Het zal u met vreugde vervullen wanneer u begrijpt dat zo’n verbond met u gemaakt is, en u zult zeggen wat David zei: “Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is.” Wat een zegen is het deel te hebben aan dit verbond! Hier slaat God de hand van de zondaar in de Zijne en gaat een overeenkomst met hem aan: een verbond van barmhartigheid en genade, door Jezus Christus de Zaligmaker.
Jesaja 55:4.KruisverwijzingenDaniël 9:25→Jeremia 30:9→Hosea 3:5→Ezechiël 34:23→Johannes 18:37→Psalmen 2:6→Johannes 12:26→Johannes 3:16→
— Ziet, Ik heb hem tot een getuige der volken gegeven, een vorst en gebieder der volken.
“Ik heb hem” — dat is de Zoon van David, de ware David, de grotere Zoon van de grote David, Gods eigen welbeminde en eniggeboren Zoon, Jezus Christus onze Heere en Zaligmaker. “Ziet, Ik heb hem tot een getuige der volken gegeven.” Wilt u dat iemand u vertelt wie God is? Jezus Christus is de Getuige van het karakter van God; Hij is er om de mensen te betuigen wie God is. Verlangt u naar een leidsman die u terugbrengt tot vrede en geluk, een gebieder door wiens kracht u de satan en al de machten van de duisternis die u gebonden houden kunt bestrijden? In Jezus Christus is alles wat ik nodig kan hebben voor de tijd en voor de eeuwigheid, en het kan alles het mijne zijn door te vragen en te ontvangen. Zullen wij dan niet vragen en ontvangen? Want Christus heeft Zijn volk lief en Hij leidt hen goed. Hij zal hen tot de heerlijkheid leiden.
Jesaja 55:5.KruisverwijzingenJesaja 60:9→Jesaja 52:15→Handelingen 3:13→Jesaja 49:6→Handelingen 5:31→Johannes 13:31→Genesis 49:10→Zacharia 2:11→
— Ziet, gij zult een volk roepen, dat gij niet kendet, en het volk, dat u niet kende, zal tot u lopen, om des HEEREN uws Gods wil, en om des Heiligen Israels wil, want Hij heeft u verheerlijkt.
De belofte is aan Christus gedaan. Heden zijn deze woorden voor onze oren vervuld, want door deze Britse eilanden te roepen om Christus te kennen, heeft God aan de Heere Jezus een volk gegeven dat Hem niet kende. Wat wisten onze voorvaderen van Jezus toen Hij hier beneden was? En toch heeft Hij in dit land duizenden harten die Zijn Naam liefhebben. Och, of God vanavond dit hele huis vol zielen aan Christus wilde geven! Wat een sieraad zou dat zijn, vol edelstenen! Och, of de genadige Vader het aan Zijn Zoon wilde schenken! En och, dat velen deze gezegende belofte nu al op de proef stelden, om Christus’ wil! Amen.
Daarom zijn wij in het geheel niet bezorgd over het welslagen van de prediking van het evangelie. Waar Jezus Christus ook gepredikt wordt, daar zullen er behouden worden. Mijn onbekeerde hoorder, zult u het zijn? Ik bid dat het zo mag zijn. Moge de HEERE geven dat dit de laatste nacht van uw onwedergeboren staat is, en de nacht van uw geestelijke geboorte.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
VII. Vs. 1-13.KruisverwijzingenJeremia 29:12→Jesaja 45:19→Psalmen 32:6→Psalmen 92:5→Amos 5:6→Johannes 7:37→Psalmen 14:2→Hebreeën 2:3→
— O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort, en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David. Ziet, Ik heb hem tot een getuige der volken gegeven, een vorst en gebieder der volken. Ziet, gij zult een volk roepen, dat gij niet kendet, en het volk, dat u niet kende, zal tot u lopen, om des HEEREN uws Gods wil, en om des Heiligen Israels wil, want Hij heeft u verheerlijkt. Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE. Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten. Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier, en brood den eter;
Op de blijde boodschap in de vorige volgt nu in deze zevende rede van het tweede derde-deel ene uitnodiging, zonder twijfel tot Israël gericht, gelijk dit reeds blijkt uit de verwantschap met de daarop betrekking hebbende afdeling der zevende rede van het eerste derde deel (Hoofdstuk 46:3-13). Deze uitnodiging komt uit den mond des Heren zelven, en loopt eigenlijk op het Nieuw-Testamentische thema uit: “Ziet, Mij maaltijd heb Ik bereid, Mijne ossen en Mijn gemest vee zijn geslacht, alle dingen zijn gereed, komt tot de bruiloft!” Hoe meer nu openbaar wordt, dat van de genodigde gasten niets meer wordt verlangd, dan dat zij komen om het goede te eten, en in het Nieuwe Verbond met God te treden, en tot de vervulling van hun roeping voor de wereld geleid te worden (vs. 1-5), des te meer hebben zij ook aanleiding om naar het hun voorgestelde heil te grijpen, alle zelf uitgedachte wegen op te geven en hun hoop geheel te stellen op de genade, die hun wordt aangeboden; die uitnodiging tot den maaltijd verkrijgt dan ook spoedig den vorm van een dringen tot geloof (vs. 7-13 ). Mijn nabijheid, die alle behoeften der ziel waarlijk bevredigt, is nu bereid (MATTHEUS. 22:1 vv.). door het lijden en de verheerlijking, van Mijnen Knecht (Hoofdstuk 52:13 vv.) heb Ik een heil bewerkt, dat Jeruzalems nieuwen opbouw en eeuwige verheerlijking ten doel heeft (Hoofdstuk 54:1 vv.). Komt dan, o alle gij dorstigen, allen die in uwen tegenwoordigen toestand van ellende een verfrissenden teug nodig hebt! komt tot de wateren, die Ik u in Mijne heilfontein (Hoofdstuk 11:3) aanbied (Joh. 7:37; 4:10, 13 v.); en gij, die geen geld hebt, om uw brood te kopen tot stillen van den honger, die u kwelt (MATTHEUS. 5:6), komt, koopt van Mij, en eet het brood, dat Ik u aanbied (Joh. 6:35): Ja komt zonder bedenkingen over uwe armoede, daar gij toch het had om te betalen, koopt zonder geld, en zonder prijs; zelfs zal Ik u om niet nog meer geven dan wat gij voor uwe nooddruft behoeft (Rom. 11:6. Openbaring 21:6; 22:17), namelijk wijn en melk (Hoofdstuk 27:1 zodat gij niet alleen verfrist en verzadigd, maar ook geheiligd en verheerlijkt wordt (Ps. 104:15. Hoogl. 5:12).
Hij nodigt, om de voorwaarden der verlossing aan te nemen, zijn volk, niet door de krachten van hun eigen wil, maar door de krachten der genade, werkende door de bekering én het willen én het werken. Hij nodigt de dorstenden naar genade, hoedanige wij van nature niet zijn, maar door de levendmakende en weder barende genade. Christus prijst in de Bergrede niet dezulken zalig, die iets hebben, maar die niets hebben en alles behoeven. Wij moeten tot God komen met iets, dat niets is, of dat een gebrek is: met honger, dorst, vermoeidheid, bezwaardheid, onrust. Wij moeten met ene behoefte komen, niet om haar te houden, maar om er van af te komen; wij moeten komen met onze zonden, niet om er in te blijven, maar om ze kwijt te worden. Nochtans is het op aarde niet zodanig gesteld, dat men eenmaal gekomen zijnde, niet terug behoeft te komen; neen, men moet altijd wederkomen, want wie heden verzadigd is, heeft morgen weer honger en dorst, en wie heden de zonden vergeven zijn, die heeft morgen weer nodig om vergeving te bidden. Doch zalig de mens, die door het geloof reeds hier als kind woont in het huis van God, waar aan niets gebrek is, en waar elke zich vernieuwende behoefte terstond volle verzadiging kan vinden. Komt tot de wateren. Is het niet de stem van Christus: komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, Ik zal u rust geven? Wij hebben, gelijk zo dikwijls, ook hier het nieuwe Testament in Oud-testamentische woorden. Daarom verwonder ik mij altijd weer over de heerlijkheid van het Woord van God. Het is in zijn geheel de aanwijzing van den weg der behoudenis, en neemt gij er een klein stukje uit, zo als de tekst, dien wij nu bespreken, dan hebt gij er andermaal de gehele leer der zaligheid in. Geheel de Schrift leeft, en in ieder afzonderlijk deel is het leven des geheels. Komt tot de wateren, zegt het Oude Testament! Komt tot Mij, zegt Christus. Wie in hij gelooft, stromen des levenden waters zullen uit zijn binnenste vloeien. Komt tot de wateren! Zo spreekt Christus reeds in de profetieën, voordat Hij geboren was; doch eerst na Zijne komst in het vlees spreekt Hij persoonlijk op ene wijze, die geen der profeten eigen was, en die ook niemand Hem mag nadoen. komt tot Mij. Tot Mij. Dit kan geen geschapen wezen, hoe hoog geplaatst ook, zeggen. Het is een woord, dat Gode alleen toekomt. Christus is waarachtig mens, maar als zodanig spreekt Hij soms woorden, die niemand recht heeft te zeggen dan God; moet Hij dan niet zo waarachtig God zijn als Hij mens is? Welk een ijdel werk doet toch het ongeloof met hier te willen schikken en plooien. Kopen. Treffend woord, en dat jegens iemand die geen geld heeft! Nochtans de profeet blijft bij zijn eis: de zaak moet gekocht worden; men moet er iets voor over hebben, het moet ons wat waard zijn. En waarin moet nu het koopgeld bestaan? In niets te hebben. Het in hiermede als met alle goed, dat men in een winkel ziet ten toon gespreid, en dat men gaarne heeft en nodig heeft. Het is ons geld waard; met de begeerte om het te hebben gaat men in den winkel, men beziet het en vraagt naar den prijs. Dit alles wordt vereist ten blijke, dat men ten opzichte van dat goed niet onverschillig is, maar dat men er op gezet is het te hebben. En als men nu al die moeite gedaan heeft, dan zegt de Eigenaar der goederen op Goddelijk gebied: juist dat goed niet te koop, doch ik weet dat gij het gaarne hebt en zonder dat ongelukkig zoudt zijn, daarom, daar hebt gij het: ik geef het u, zonder geld en zonder prijs. Ja, deze zijn de kooppenningen voor het goed van God, en het verhoogt de waarde van dat goed, want welk ene genade zou het zijn, die voor goud of zilver of enige andere aardse, menselijke zaak zou kunnen gekocht worden? Zou het ene Goddelijke genade zijn? Neen, ene pauselijke genade. Ja, de pauselijke vergeving der zonden kunt gij kopen; doch wat is zij waard? Niets; men is er altijd mede bekocht, hoe weinig men er ook voor geeft, Maar de Goddelijke vergeving der zonden, die van waarde, van oneindige waarde is, kunt gij niet kopen, want gij kunt haar niet betalen; doch gij behoeft haar ook niet te betalen; zij wil om niet genomen zijn, of zij is niet te verkrijgen. Wijn en melk. Uitnemende zaken, overal waar men komt. Het kind wordt gevoed met melk, ook de volwassene gebruikt haar nog dagelijks, en menige zwakke strekt zij tot verkwikking en kracht. En de wijn, waar verhoogt zij de feestvreugde niet? Hier wordt de melk des woords en de wijn des Geestes bedoeld. De melk voedt en versterkt, de wijn versterkt en verheugt. Zo doen ook Gods Woord en Geest. Het Woord Gods komt tot ons en de Heilige Geest voegt er zich bij, om ons uit het Woord Gods te onderwijzen, te versterken, te vertroosten, te verblijden.
Waarom weegt gijlieden, terwijl gij op verkeerde plaatsen de bevrediging zoekt van uwe behoeften, geld uit voor hetgeen geen brood is, maar slechts draf. dien de zwijnen eten (Luk. 15:16), en uwen arbeid, uwe verdienste van zwaren, moeitevollen arbeid (Hoofdstuk 45:14) voor hetgeen niet verzadigen kan? 1) In plaats van u verder door het bedrog der zonde te laten gevangen nemen, en daardoor slechts dieper in het verderf te geraken, hoort aandachtelijk naar Mij, die u den weg ter zaligheid zo gemakkelijk hebt gemaakt. Gij hebt daartoe volstrekt niets nodig dan armoede van geest, die gij gevoelt, en gehoorzaamheid des geloofs, die gij Mij toont (MATTHEUS. 5:3; 11:28), en eet het goede, dat Ik voor u gereed heb, en laat uwe ziel zich niet alleen verzadigen (Ps. 22:27. (MATTHEUS. 5:6). maar zelfs in vettigheid zich verlustigen, in bijzonder genieten verheugd worden (Ps. 36:9. Mal. 4:2).
Met hulp en inspanning zoekt men hulp bij de afgoden, met geld en arbeid, ten onrechte goede werken geheten, zoekt men aflaat bij de priesters; met goud en arbeid zoekt men geluk bij de wereld te kopen, zonder zich immer te kunnen verzadigen. Men getroost zich voor nietige, vergeefse, ja schadelijke dingen dikwijls meer moeite, dan voor die, welke ons tijdelijk en eeuwig kunnen gelukkig maken. Is dat gene dwaasheid? (Ps. 49:11 vv.). Eigenlijk staat er: niet-brood en niet-verzadigend. Wat Israël door en in zich zelven zocht kon den dorst niet lessen en den honger niet wegnemen. In alle zelfwerk ligt geen bevrediging der ziele. Waarin dan? De Heere zegt het: Hoort aandachtig naar Mij. Daarin ligt alles opgesloten. Derhalve in gehoorzaamheid des geloofs, in het betreden van den weg des geloofs. Wie op dien weg door Gods genade leert wandelen, zal het goede eten, en zijn ziele zal in vettigheid zich verheugen. Alles wordt ontvangen en genoten, wat de ziele nodig heeft, in den weg des eenvoudigen en kinderlijken geloofs. In het eerste gedeelte van het volgende vers dringt de Heere daarop nogmaals aan.
Neigt uw oor tot Mijne uitnodiging, en komt dan ook werkelijk tot Mij, opdat Ik u geve, wat Ik u aanbied? hoort zó, dat het horen, een gehoorzamen ten gevolge heeft, en uwe ziel zal leven; meer den horen is van uwe zijde niet nodig, om van een nieuw, goddelijk leven doordrongen te worden: want Ik zal met u in plaats van het oude, door ontrouw verbroken verbond (Jer. 31:31 vv.), een eeuwig (Hoofdstuk 54:10; 61:8) verbond 1) maken, en u daarin alles geven, wat tot het leven en een godzaligen wandel dient (2 (Petrus 1:3), namelijk de gewisse weldadigheden van David, de volkomen vervulling van alle aan David eens voor eeuwig verzekerde beloften van genade (2 Sam. 7:12 vv. 23:3 vv. Ps. 89:2 vv. Hand. 13:34).
Het Evangelie is dikwijls genoemd “een eeuwig verbond” in tegenstelling van de wet, welke geschikt was om slechts voor een tijd te duren en plaats te maken voor een beter. Volgens de voorwaarden nu van dit eeuwig verbond zou God vervullen Zijne beloften aan David gedaan, om Zijn troon tot in eeuwigheid te bevestigen (2 Sam. 7:16. Ps. 89:29), hetwelk alleen kon geschieden in den Messias, wiens koninkrijk geen einde zal hebben. Duidelijk spreekt de Heere hier tot het geestelijk Israël en wel voornamelijk tot het geestelijk Israël uit de Heidenwereld. Tot nu toe had alleen Abrahams nakroost in de zegeningen van het Verbond der genade gedeeld. Want ja, wel hadden enkele Heidenen ook de heerlijkheid er van genoten, maar alleen voor zover zij in Israël waren ingelijfd. Maar nu zou dit verbond zich ook uitstrekken tot de Heidenen. Ook de Heidenen zouden delen in de gewisse weldadigheden David’s. God, de Heere had aan David en zijn geslacht een eeuwig koningschap beloofd, welke belofte vervuld is in den Messias, David’s Zoon en David’s Heer. Onzes inziens kunnen en mogen we dan ook in David en bovenal in Hem, van wie in vs. 4 sprake is, niemand anders zien dan den Christus Gods. Hij is het toch, die in de volkomenste mate tot een Vorst en Gebieder des volks gesteld is. Hij is het, van wie David een doorluchtig voorbeeld is geweest, toen God hem den scepter over vele volken deed zwaaien en hem rust gaf van zijne vijanden.
Ziet, Ik heb hem tot een getuige der volken gegeven, enen Vorst en Gebieder der volken 1) gesteld, gelijk David weleer (2 (Sam. 22:44).
Wij weten den weg niet te vinden naar de wateren, waarheen wij verzocht worden. Christus wordt ons gegeven tot een Vorst en Leidsman. Ook weten we niet wat te doen om daar naar behoren toe geschikt te wezen, en om er deel aan te krijgen, maar Hij wordt ons gegeven tot een Gebieder, om ons aan te wijzen, wat wij doen moeten en om ons daartoe bekwaam te maken. In onzen weg tot Christus ontmoeten we al veel moeilijkheden en tegenstanden; wij hebben met geestelijke vijanden te worstelen, maar wij hebben in Jozua een bevelhebber, een vorst en gebieder om ons tot den strijd te moedigen, een vorst en gebieder om onze vijanden onder onze voeten te treden en ons in het bezit te stellen van het land der belofte.
Ziet, in Hem, die David’s tegenbeeld is en de persoonlijke vervulling, van alle beloften, die hem gegeven zijn, zal uw inwendig wezen, o Israël, en uwe roeping aan de volken in ene mate openbaar worden, die hetgeen in David verwezenlijkt werd, te boven gaat; gij 1) zult tot het medebezitten van het u toebereide heil een volk roepen, dat gij niet kendet, waartoe gij niet alleen van den beginne af in gene betrekking gestaan hebt, maar van welks bestaan gij niet eens hebt geweten; en het volk, dat u niet kende, niet eens van u wist, zal vol verlangen tot u lopen, om in uwe gemeenschap te worden opgenomen, om des HEREN, uws Gods, wil, wiens heerlijkheid hun nu openbaar is geworden (Hoofdstuk 45:14), en om des Heiligen Israël’s 2) wil, want Hij heeft u verheerlijkt (Hoofdstuk (60:9).
Gij zult, zegt de Heere tot de eerst uit het Jodendom opkomende Evangeliekerk dit volk roepen, dat gij niet kendet. Geen wonder, want zij zouden eerder het Evangelie hebben als de Heidenen, en de Heidenen te winnen zou voor hen een zonderlinge rijkdom en heerlijkheid zijn. Zij zouden zich met allen die als met een sieraad bekleden en daarom zij zouden er ook wel aan willen. Gij dan, dit is wel alle die eerst bekeerden uit de Joden, die dorstig tot den Messias en Zijne genadewateren zouden komen, zo velen van hen als de Heidenen zouden kunnen bereiken, bijzonder dan nadat zij, Kanaän met den ban geslagen en verwoest zijnde, in de landen der Heidenen zouden worden overgebracht, vooral echter die uit hen, als Apostelen en kruisgezanten, zouden met het Evangelie uitgaan onder de volken en het naaste middel zijn van hun bekering.
Dit alles zou plaats hebben, om des Heren wil, die zich hier ook weer benoemt met den naam van Heilige Israël’s. De zaligheid der Heidenen zowel als die der Joden is niet om hunnentwil, maar opdat God-drie-enig er door zou worden verheerlijkt. En dewijl het alleen zou plaats hebben om Gods wille, dewijl Hij het doen zou opdat Zijn Naam zou verheerlijkt worden, daarom zou ook het volk Gods worden verheerlijkt. Ook hier zou het blijken dat alle roem in het schepsel is uitgesloten.
Zoekt 1) dan, gij Israëlieten, (want u gelden de woorden vs. 1-5) den HEERE, terwijl Hij te vinden is, en verzuimt dezen kostbaren tijd van genade niet; roept Hem aan, dat Hij u alle aandeel late hebben aan hetgeen Hij u bereid heeft, terwijl Hij nabij is, opdat niet, wanneer gij Zijne uitnodiging daartoe wilde versmaden, een tijd kome, dat Hij met Zijn zegen verre van u gaat (2 (Kor. 6:2).
Zoekt den Heere. Spreekt Hem aan en vraagt Hem als uw Raadgever, vraagt het recht uit Zijn mond, wat wilt Gij dat ik doen zal. Zoekt naar Hem, vraagt naar Hem als uw deel en uw geluk. Zoekt met Hem bevestigd te worden, met Hem in vriendschap te verkeren en in Zijne gunst gelukkig te zijn. Treurt, omdat Gij verloren hebt, toont, dat gij Hem gaarne weder vinden wilt, neemt de bestaande middelen ter hand om Hem te vinden, maakt gebruik van Christus als dit middel en den weg, van Zijn Geest, als uw leidsman, van het Woord, als uw regel.
De goddeloze, en zulk een is in den grond ieder onder u in ‘t bijzonder, wanneer hij zich slechts recht wil kennen en onderzoeken- de goddeloze verlate zijnen weg, waarop hij tot hiertoe gewandeld en zich zelven niets dan onheil berokkend heeft, en de ongerechtige man, die de inwendige afkerigheid van God ook uiterlijk door woorden en daden heeft geopenbaard, late zijne gedachten varen; hij verklare niet valselijk de straf, die over hem gekomen is (Hoofdstuk 40:27), en twijfele niet aan de macht van Hem, die u in dien toestand gebracht heeft (Hoofdstuk 49:24). Hij geve alle zondige zelfzucht op, en hij bekere zich 1) tot den HEERE; hij doe belijdenis, en geloven in Christus (Hand. 2:30), zo zal Hij, de Heere, Zich ook van Zijne zijde tot hem keren, Zich zijner ontfermen, zodat alle ellende op eens eindige; en hij bekere zich tot onzen God, opdat zijne zonde worde uitgedelgd (Hoofdstuk 44:22), want Hij vergeeft menigvuldiglijk 2) (Ps. 130:4, 7). Niemand zegge dan, dat zijne zonde groter is, dan dat ze hem zou kunnen vergeven worden (Gen. 4:13).
Deze zaligmakende bekering is niet een daad van den wedergeborene, waartoe hij uit zich zelven komt. Deed de H. Geest niets dan een zondaar wederbaren dan zou er niet van zelf wederkering uit volgen. Zelfs mag niet gezegd worden, dat wel de Heilige Geest den wedergeborene roept, maar de ware wedergeborene en geroepene nu dan toch uit zich zelf komt. Want al zulke voorstellingen doen te kort aan de eer van het werk van den Heiligen Geest. En daarom staat ook hier duidelijk op den voorgrond, dat, gelijk op de gehele linie van het genadewerk, de H. Geest steeds de eigenlijke Werker is, zo ook op dit punt de eigenlijke werking van den Heiligen Geest uitgaat. Beschouwt, bewondert en eert men dus het werk van den Heilige Geest, dan moet men ter dege bekennen, dat er een werk van den Heiligen Geest in de wedergeboorte, een werk van den Heilige Geest in de roeping, maar ook zeer zeker een werk van den Heiligen Geest is in de eigenlijke bekering. Ook hier wordt gewezen op het vlieden van de zonde en het afstand doen van de ongerechtigheid en het zich wenden tot den Heere God. Met één woord op het afsterven van den ouden en de opstanding van den nieuwen mens. Door de zonde bewandelt de mens een weg, die van God afvoert en uitloopt op eeuwige ellende, en zijn de gedachten van den mens gericht, niet op hetgeen God wil, maar op wat het eigen ik wilt En de ware bekering bestaat hierin dat de mens door de werking des Geestes weer leert wandelen op den weg, die tot eeuwig heil voert, dat zijn wil overgebogen wordt tot Gods wil, zijne gedachten gericht worden op hetgeen God, de Heere, in Zijn Woord en Getuigenis vraagt.
Wat bemoeien zich sommigen met te bepalen, wie in de bekering het eerst beginnen moet: God of de mens? God zegt tot den nog onbekeerden mens: Begin gij eerst, bekeer u! en als de mens begonnen heeft en zich bekeert, dan laat God hem gevoelen, dat hij nooit zou bekeerd zijn, indien God niet begonnen ware met hem te bekeren. Het is hiermede als met de ontvangenis van een mens. Wie bepaalt het gewichtige ogenblik, waarin gezegd kan worden: Er is een mens! Niemand weet het, niemand kan het bepalen. De geboorte is zienlijk, niet de ontvangenis, zo is ook de wedergeboorte te zien, en niet de haar voorafgaande ontvangenis. Daarom roepen de predikers van Gods woord den mens toe: Bekeer u! maak uit de waarheid, dat God de bekering in u moet beginnen, geen oorkussen voor uwe traagheid, om er den doodsslaap op te slapen. Begin, en dan zult gij zien dat God in u begonnen heeft, alvorens gij begonnen zijt en beginnen kon. Begin en antwoord op de roepstem van God: Bekeer u, door te zeggen: Bekeer mij, Heere! en gij zult bekeerd zijn; want zo iets kunt gij niet met uw hart bidden, zonder reeds door God bekeerd te zijn. Deze waarheid is ene van de vele verborgenheden der Schrift, waarover veel kan gesproken worden, zonder ze te verstaan. Wie ze verstaan wil, die moet er in handelen, en alzo de zaak ondervinden. Ja, wat kent men eigenlijk goed, dat men niet door eigene ondervinding kent? . Menigvuldig vergeven, is tot troost gezegd van den zondaar, die op niets andere dan op menigvuldige zonden kan wijzen. Maar hoe velen en hoe groot de zonden ook zijn mogen, als er door Zijn Woord en Geest, door Zijne genademiddelen, een zondaar zich tot den Heere bekeert, zullen alle zonden als achter Zijn rug worden weggeworpen, verzoend, en bedekt met het bloed van Emmanuel. Al is de zonde nog zo groot, de genade Gods is nog immer overvloediger.
Maar afstand doen van uwe wegen, en uwe gedachten laten varen, moet gij, en u dan Mij en Mijn woord onverdeeld overgeven, zo het tot vergeving en verlossing zal komen, anders is ‘t onmogelijk: want Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uwe wegen zijn niet Mijne wegen, spreekt de HEERE.
Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijne wegen hoger dan uwe wegen, en Mijne gedachten dan ulieder gedachten; gij zult Mij toch niet willen dringen, om de Mijne tegen de uwe in te ruilen, en u te helpen op de wegen, die gij gaat, en naar de gedachten, waarmee gij vervuld zijt. De gedachten Gods zijn de onze niet, noch ten opzichte van den inhoud, noch ten opzichte van haar doel, noch ten opzichte van hare werking. De onze zijn op zonde gevestigd, de Zijne op zaligheid; de onze zijn ijdel, de Zijne worden door Zijne scheppend woord tot daden. Zo zijn ook onze wegen niet Gods wegen; onze wegen zoeken geluk, de Zijne ware zaligheid, de onze zijn onzeker, en missen het doel, de Zijne zijn vast en bepaald, en bereiken wat zij wensen. Denken wij aan de lotgevallen, aan de plannen, aan de proeven door den mens zelven gekozen, om zich te rechtvaardigen en te zaligen-altijd wordt er ene hemelsbrede kloof gevonden tussen Gods wegen en de onze.
Doch beproeft het omgekeerd, ruilt uwe gedachten en wegen tegen de Mijne, en spoedig zult gij u bewust worden, dat Ik Mijne gerechtigheid nabij gebracht heb, en Mijn heil niet vertoeft (Hoofdstuk 46:13). Want, om de zekere werking van Mijn woord u door ene gelijkenis voor te stellen, gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet aanstonds wederkeert, zich niet dadelijk in dampen oplost (Job 36:27 vv.), om nieuwe regen- en sneeuwwolken te vormen; maar eerst volgens het doel der zending, doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en in de vrucht van den oogsttijd zaad geve dan zaaier, en brood den eter, als waartoe zij van God zijn gegeven (Gen. 8:22. Ps. 104:13 vv.).
Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijnen mond uitgaat, als een bode, dien Ik met ene bepaalde opdracht heb uitgezonden (Hoofdstuk 8:8. (Ps. 107:20; 147:15 vv.) ook zijn, geen blote klank, die in de lucht vervliegt, en gene dode letter, die in een boek begraven ligt, gelijk uwe gedachten zijn; het zal, daarentegen, terwijl het ‘t leven van zijn eigen oorsprong, van den levenden God en de volmacht van zijnen Zender, van den Heere des hemels, in zich draagt (Hebr. 4:12), niet ledig, niet zonder enige uitwerking gehad te hebben, tot Mij wederkeren. Het kan niet op den weg door natuur en mensenwereld, dien het doorloopt, verstijven tot iets, dat losgerukt is van de persoonlijkheid van den Zender, of tot ene werking worden, afgescheiden van den invloed van hare oorzaak. Het zal niet te vergeefs zijn, maar voordat het van zijnen weg weer tot Mij komt, zal het doen, zal het in zijn gehelen omvang en tot op elke bijzondere lettergreep (MATTHEUS. 5:18) volbrengen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende 1) zij het tot zegen of tot straf, het zal zich altijd werkzaam betonen met zeker gevolg.
De wil van God, die in Zijn woord concreet en verstaanbaar wordt, is de uitdrukking van Zijn wezen, en gaat daarin weer op, zodra die vervuld is. De gekozene beelden zijn schoon: gelijk sneeuw en regen de medeoorzaken zijn en dus ook van het genot des gezaaiden (volgens den grondtekst toch is in vs. 10 liever te vertalen: “en geeft zaad om te zaaien en brood om te eten, ” hetwelk dan niet op de aarde, maar evenzeer op sneeuw en regen slaat), zo wordt door het woord uit Jehova’s mond de grond en bodem der mensenharten week gemaakt, en dit woord schenkt den profeet, die den zaaier gelijk is, het zaad, dat hij uitstrooit, en brengt brood met zich, dat de zielen voedt; want brood is ieder woord, dat uit den mond Gods uitgaat. (Deut. 8:3). Niemand hoort het woord van God zonder dat het uitwerking heeft; nu eens is het regen den sneeuw, d. i. vochtig en vruchtbaarmakend druppelt het in de harten der mensen, nu eens ligt het lang, als door winterkoude gebonden, op het geweten om eerst in latere dagen de kiem, die onder zijne bedekking ontspruit, als in de lente te ontvouwen. Het Woord Gods wordt hier derhalve vergeleken bij een bode, die zijn last volbrengt. Deze bode komt niet te vergeefs weer. Hij zal eenmaal aan zijn groten Zender verslag geven. En welk een verslag? Dat deze Hem verwierp, en gene Hem geloofde. Het Woord Gods, het Evangelie der zaligheid zal blijken aan de eindpaal der eeuwen voor den een een reuke des levens ten leven te zijn geweest, en voor den ander een reuke des doods ten dode.
Wat Ik hier van het woord, dat uit Mijnen mond gaat, in ‘t algemeen gezegd heb, dat is voornamelijk waar van het woord omtrent uwe verlossing en Zions verheerlijking (Hoofdstuk 44:22; 46:13), het zal niet ledig tot Mij wederkeren (46:10 vv. reeds in Hoofdstuk 41:19; 44:23; 49:13 en 52:9 is te kennen gegeven, in blijdschap, en dus niet in angstig haasten (Hoofdstuk 52:12), zult gijlieden uit uwe gevangenis (Hoofdstuk 48:20) uittrekken (Hoofdstuk 51:11 11), en niet zo, dat gij u op den weg door allerlei hindernissen en moeilijkheden moet doorworstelen, maar met vrede zult gij voortgeleid worden. De bergen en heuvelen zullen, wanneer gij in hun nabijheid komt, geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en a) alle bomen des velds zullen de handen samenklappen, omdat zij weten, dat met de heerlijke vrijheid der kinderen Gods ook hun bevrijding van den dienst der vergankelijkheid komt, waarnaar reeds lang is verlangd (Rom. 8:19 vv.).
1 Kron. 16:33.
Voor enen doorn zal in de woestijn, door welke de feestelijke optocht naar Zion gaat, een dennenboom opgaan, voor enen distel zal een mirteboom opgaan, en het wonderbaar veranderen der wereld bij de blijde terugkomst van Zijne verlosten (Hoofdstuk 35) zal den HEERE wezen tot enen naam, die Hem tot blijvende eer verstrekt, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden. 1)
Zulk een naam in de naam Heiland, zulk een teken is het kruis. De uittocht Israël’s uit het rijk des satans is geestelijk aangevangen door Christus dood en opstanding, en zal lichamelijk voltooid worden bij Zijne wederkomst in heerlijkheid. In dit alles zal God verheerlijkt worden. Het zal Hem zijn tot een Naam, door welken Hij zal worden gekend, gevreesd en geprezen, en Gods volk zal daardoor worden aangemoedigd. Het zal zijn tot een eeuwig teken van Gode gunst jegens hen, waarbij zij vergewist worden, dat, het mocht er voor een tijd wat donker uitzien, het nimmer zal worden uitgeroeid. Het verbond der genade is een eeuwig verbond, want zijne tegenwoordige zegeningen zijn tekenen van eeuwige.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel