Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Wie heeft onze predikingH8052 geloofdH539, en aanH5921 wien is de armH2220 des HEERENH3068 geopenbaardH1540?
Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?
KJV
Who hath believed2
our report?3
and to whom is the arm4
of the LORD5
revealed?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Want Hij is als een rijsjeH3126 voor Zijn aangezichtH6440 opgeschotenH5927, en als een wortelH8328 uit een dorreH6723 aardeH776; Hij had geenH3808 gedaanteH8389 nochH3808 heerlijkheidH1926; als wij Hem aanzagenH7200, zo was er geenH3808 gestalteH4758, dat wij Hem zouden begeerdH2530 hebben.
Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.
KJV
For he shall grow up1
before3
him as a tender plant,2
and as a root4
out of a dry6
ground:5
he hath no form8
nor comeliness;11
and when we shall see12
him, there is no beauty14
that we should desire
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Hij was verachtH959, en de onwaardigsteH2310 onder de mensenH376, een ManH376 vanH4480 smartenH4341, en verzochtH3045 in krankheidH2483; en een iegelijk was als verbergendeH4564 het aangezichtH6440 voor Hem; Hij was verachtH959, en wij hebben Hem nietH3808 geachtH2803.
Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.
KJV
He is despised1
and rejected2
of men;3
a man4
of sorrows,5
and acquainted6
with grief:7
and we hid as it were8
our faces9
from him; he was despised,11
and we esteemed
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WaarlijkH403, Hij heeft onze krankhedenH2483 op Zich genomenH5375, en onze smartenH4341 heeft Hij gedragenH5445; doch wij achttenH2803 Hem, dat Hij geplaagdH5060, van GodH430 geslagenH5221 en verdruktH6031 was.
Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
KJV
Surely1
he hath borne4
our griefs,2
and carried6
our sorrows:5
yet we did esteem8
him stricken,9
smitten10
of God,11
and afflicted.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Maar Hij is om onze overtredingenH6588 verwondH2490, om onze ongerechtighedenH5771 is Hij verbrijzeldH1792; de strafH4148, die ons den vredeH7965 aanbrengt, was opH5921 Hem, en door Zijn striemenH2250 is ons genezingH7495 geworden.
Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
KJV
But he was wounded2
for our transgressions,3
he was bruised4
for our iniquities:5
the chastisement6
of our peace7
was upon him; and with his stripes9
we are healed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Wij dwaaldenH8582 allenH3605 als schapenH6629, wij keerdenH6437 ons een iegelijk naar zijn wegH1870; doch de HEEREH3068 heeft onzer allerH3605 ongerechtigheidH5771 op Hem doen aanlopenH6293.
Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
KJV
All we like sheep2
have gone astray;3
we have turned6
every one4
to his own way;5
and the LORD7
hath laid8
on him the iniquity
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Als dezelve geeistH5065 werd, toen werd Hij verdruktH6031; doch Hij deed Zijn mondH6310 nietH3808 openH6605; als een lamH7716 werd Hij ter slachtingH2874 geleidH2986, en als een schaapH7353, dat stomH481 is voor het aangezichtH6440 zijner scheerdersH1494, alzo deed Hij Zijn mondH6310 nietH3808 openH6605.
Als dezelve geeist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
KJV
He was oppressed,1
and he was afflicted,3
yet he opened5
not his mouth:6
he is brought9
as a lamb7
to the slaughter,8
and as a sheep10
before11
her shearers12
is dumb,13
so he openeth15
not his mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Hij is uit den angstH6115 en uit het gerichtH4941 weggenomenH3947; en wieH4310 zal Zijn leeftijdH1755 uitsprekenH7878? WantH3588 Hij is afgesnedenH1504 uit het landH776 der levendenH2416; om de overtredingH6588 Mijns volksH5971 is de plageH5061 op Hem geweest.
Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.
KJV
He was taken3
from prison1
and from judgment:2
and who shall declare7
his generation?5
for he was cut off9
out of the land10
of the living:11
for the transgression12
of my people13
was he stricken.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En men heeft Zijn grafH6913 bij de goddelozenH7563 gesteldH5414, en Hij is bij den rijkeH6223 in Zijn doodH4194 geweest, omdat Hij geenH3808 onrechtH2555 gedaanH6213 heeft, nochH3808 bedrogH4820 in Zijn mondH6310 geweest is.
En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.
KJV
And he made1
his grave4
with the wicked,3
and with the rich6
in his death;7
because he had done11
no violence,10
neither was any deceit13
in his mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Doch het behaagdeH2654 den HEEREH3068 Hem te verbrijzelenH1792; Hij heeft Hem krankH2470 gemaakt; alsH518 Zijn zielH5315 Zich tot een schuldofferH817 gesteldH7760 zal hebben, zo zal Hij zaadH2233 zienH7200, Hij zal de dagenH3117 verlengenH748; en het welbehagenH2656 des HEERENH3068 zal door Zijn handH3027 gelukkiglijk voortgaanH6743.
Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.
KJV
Yet it pleased2
the LORD1
to bruise3
him; he hath put him to grief:4
when thou shalt make6
his soul8
an offering for sin,7
he shall see9
his seed,10
he shall prolong11
his days,12
and the pleasure13
of the LORD14
shall prosper16
in his hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Om den arbeidH5999 Zijner zielH5315 zal Hij het zienH7200, en verzadigdH7646 worden; door Zijn kennisH1847 zal Mijn KnechtH5650, de RechtvaardigeH6662, velenH7227 rechtvaardigH6663 maken, want HijH1931 zal hun ongerechtighedenH5771 dragenH5445.
Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
KJV
He shall see3
of the travail1
of his soul,2
and shall be satisfied:4
by his knowledge5
shall my righteous7
servant8
justify6
many;9
for he shall bear12
their iniquities.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
DaaromH3651 zal Ik Hem een deelH2505 geven vanH854 velenH7227, en Hij zal de machtigenH6099 als een roofH7998 delenH2505, omdat Hij Zijn zielH5315 uitgestortH6168 heeft in den doodH4194, en metH854 de overtredersH6586 is geteldH4487 geweest, en HijH1931 velerH7227 zondenH2399 gedragenH5375 heeft, en voorH8478 de overtredersH6586 gebedenH6293 heeft.
Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.
KJV
Therefore will I divide2
him a portion with the great,4
and he shall divide7
the spoil8
with the strong;6
because he hath poured out11
his soul13
unto death:12
and he was numbered16
with the transgressors;15
and he bare20
the sin18
of many,19
and made intercession22
for the transgressors.
heeft
Te weten onder de Joden. Het is zoveel alsof de profeet zeide: Daar zijn er zeer weinig, schier niemand. In de plaatsen Joh. 12:38 ; Rom. 10:16 , wordt het woord o Heere, in het begin bijgevoegd, om te tonen dat het is ene klacht tot God.
Hertaald:
heeft
Namelijk: onder de Joden. Het is zoveel alsof de profeet zei: er zijn er zeer weinig, vrijwel niemand. Op de plaatsen Joh. 12:38 en Rom. 10:16 wordt aan het begin het woord Heere toegevoegd, om te laten zien dat het een klacht tot God is.
onze prediking
Hebreeuws, ons gehoor; dat is, onze predikatiën, gelijk Rom. 10:16 . Het zijn de woorden der leraars van het Nieuwe Testament, te weten van Christus en zijne apostelen, gelijk af te nemen is uit de woorden van Christus, Joh. 12:37-38 .
Hertaald:
onze prediking
Hebreeuws: ons gehoor — dat is: onze prediking, zoals in Rom. 10:16. Het zijn de woorden van de leraars van het Nieuwe Testament, namelijk van Christus en Zijn apostelen, zoals op te maken is uit de woorden van Christus in Joh. 12:37-38.
aan wien
Dat is, hoe weinig Joden zijn er in wier harten de Heilige Geest door de predikatie van het heilige Evangelie krachtiglijk werkt, alzo namelijk dat hij hen begaaft met het ware geloof aan Jezus Christus.
Hertaald:
aan wien
Dat is: hoe weinig Joden zijn er in wier hart de Heilige Geest door de prediking van het heilig Evangelie krachtig werkt, en wel zo dat Hij hen begiftigt met het ware geloof in Jezus Christus.
Want Hij is
Alsof hij zeide: Uit de nederigheid en uit den verachtzamen staat, in welken Christus verschenen is, nemen zij gelegenheid om Christus te verachten; want de Joden hadden zichzelven ingebeeld enen Messias, die in koninklijke pracht verschijnen zou; maar deze Christus komt slecht en gering, als een spruitje of rijsken. Zie Jes. 4:2 , en Jes. 11:1 .
Hertaald:
Want Hij is
Alsof hij zei: uit de nederigheid en de verachtelijke staat waarin Christus verschenen is, nemen zij aanleiding om Christus te verachten. Want de Joden hadden zich een Messias ingebeeld die in koninklijke praal zou verschijnen; maar deze Christus komt eenvoudig en gering, als een spruitje of een rijsje. Zie Jes. 4:2 en Jes. 11:1.
voor Zijn aangezicht
Te weten voor het aangezicht van God zijn Vader. Sommigen verstaan het, voor het aangezicht van het ongelovige Joodse volk, hetwelk niet dacht dat dit rijsken metterdaad tot een hogen boom opwassen zou.
Hertaald:
voor Zijn aangezicht
Namelijk: voor het aangezicht van God, Zijn Vader. Sommigen verstaan het als: voor het aangezicht van het ongelovige Joodse volk, dat niet dacht dat dit rijsje werkelijk tot een hoge boom zou uitgroeien.
opgeschoten,
Te weten naar zijn menselijke natuur.
Hertaald:
opgeschoten,
Namelijk: naar Zijn menselijke natuur.
als een wortel
Dit kan men duiden op den nederen verachten staat van het huis Davids, als Christus daaruit voortkwam, of op de kleine beginselen van zijn koninkrijk, ten aanzien van welke men niet zou geloofd hebben dat hij tot een groten vruchtbaren boom zou opwassen, maar veel meer dat hij tenonder blijven zou; gelijk het zaad, hetwelk in een dor, droog land geworpen wordt, verdroogt bij gebrek aan vochtigheid, of gelijk de wortel van een boom, die in dorre aarde geplant is, niet kan opschieten, de boom afgehouwen zijnde.
Hertaald:
als een wortel
Dit kan men betrekken op de nederige, verachte staat van het huis van David toen Christus daaruit voortkwam, of op het kleine begin van Zijn koninkrijk, waarvan men niet zou hebben geloofd dat het tot een grote, vruchtbare boom zou uitgroeien maar veeleer dat het onderdrukt zou blijven — zoals zaad dat in een dor, droog land geworpen wordt verdroogt bij gebrek aan vocht, of zoals de wortel van een boom die in dorre aarde geplant is niet kan uitlopen wanneer de boom omgehakt is.
uit een dorre aarde;
Hebreeuws, uit een land der droogte.
Hertaald:
uit een dorre aarde;
Hebreeuws: uit een land van de droogte.
Hij had geen gedaante
Vanwege zijn nederigen staat en de wonden en striemen, het bloed en zweetdruppels, alsook andere menigvuldige ellenden, die zijn gelaat hebben mismaakt.
Hertaald:
Hij had geen gedaante
Vanwege Zijn nederige staat en de wonden en striemen, het bloed en de zweetdruppels, en ook andere veelvuldige ellenden die Zijn gelaat mismaakt hebben.
wij Hem aanzagen,
Te weten wij Joden.
Hertaald:
wij Hem aanzagen,
Namelijk: wij Joden.
gestalte,
Of, aanzien.
Hertaald:
gestalte,
Of: aanzien.
dat wij Hem zouden begeerd hebben
Te weten naar de ogen des vleesches en des menselijken vernufts.
Hertaald:
dat wij Hem zouden begeerd hebben
Namelijk: naar de ogen van het vlees en van het menselijk verstand.
Hij was veracht,
Of, hij was verachtzaam en verworpen van de mannen; te weten van zulke mannen, die in hoogheid en waardigheid verheven waren.
Hertaald:
Hij was veracht,
Of: Hij was verachtelijk en verworpen door de mannen, namelijk door mannen die in hoogheid en waardigheid verheven waren.
de onwaardigste
Zo onwaardig, dat Hij van de mensen doorgaans verworpen werd.
Hertaald:
de onwaardigste
Zo onwaardig geacht dat Hij door de mensen in het algemeen verworpen werd.
een Man van smarten,
Dat is, een man vol smarten.
Hertaald:
een Man van smarten,
Dat is: een man vol smarten.
verzocht in krankheid;
Hebreeuws, een bekende der krankheid; dat is, die wel verzocht had wat krankheid is, Hebr. 4:15 . Of die vermaard was door zijne ellende en zwarigheid, zijnde gans mat en zwak geworden vanwege de pijnigingen Hem aangedaan. Het Hebreeuwse woord, dat hier krankheid is overgezet, betekent ook in het algemeen smart of ellende, gelijk Pred. 6:2 ; Jer. 10:19 ; en alzo kan het doorgaans in dit hfdst. genomen worden.
Hertaald:
verzocht in krankheid;
Hebreeuws: een bekende van de krankheid — dat is: Die zelf ondervonden had wat krankheid is, Hebr. 4:15. Of: Die bekend was door Zijn ellende en zwarigheid, terwijl Hij geheel mat en zwak geworden was vanwege de pijnigingen die Hem aangedaan zijn. Het Hebreeuwse woord dat hier met krankheid vertaald is, betekent ook in het algemeen smart of ellende, zoals in Pred. 6:2 en Jer. 10:19; en zo kan het in dit hele hoofdstuk opgevat worden.
als verbergende
Anders: en als het aangezicht voor ons verbergende.
Hertaald:
als verbergende
Anders: en als het aangezicht voor ons verbergend.
Hij was veracht,
De zin is, vanwege zijn ellendigen en verachtzamen staat, heeft men Hem niet alleen zijn behoorlijke eer niet gegeven, maar men heeft Hem geheel veracht.
Hertaald:
Hij was veracht,
De betekenis is: vanwege Zijn ellendige en verachte staat heeft men Hem niet alleen de eer onthouden die Hem toekwam, maar men heeft Hem volkomen veracht.
wij hebben Hem niet geacht
Wij Joden, wij hebben Hem bespot, of niet gerekend. Zie Matt. 27:39 , enz.
Hertaald:
wij hebben Hem niet geacht
Wij Joden, wij hebben Hem bespot, of niet meegeteld. Zie Matth. 27:39, enzovoort.
Waarlijk,
Of, nochtans, alsof hij zeide: Maar, om de waarheid te zeggen, wij hebben Hem ongelijk gedaan, en wij steken in groot misverstand; want aldus is de Messias onzenthalve gesteld: Hij heeft al onze geestelijke ziekten, dat is zonden, op zich genomen, om voor dezelve te betalen, waarvan de lichamelijke gezondmaking ene afbeelding was; Matt. 8:17 .
Hertaald:
Waarlijk,
Of: toch. Alsof hij zei: maar om de waarheid te zeggen, wij hebben Hem onrecht gedaan en wij verkeerden in groot misverstand. Want zo staat het met de Messias omwille van ons: Hij heeft al onze geestelijke ziekten, dat is: onze zonden, op Zich genomen om ervoor te betalen; en de lichamelijke genezing was daarvan een afbeelding, Matth. 8:17.
op Zich genomen,
Als borg betalende de schuld, die wij gemaakt hadden.
Hertaald:
op Zich genomen,
Terwijl Hij als Borg de schuld betaalde die wij gemaakt hadden.
gedragen;
Of, op zich geladen en als een zwaren last gedragen.
Hertaald:
gedragen;
Of: op Zich geladen en als een zware last gedragen.
wij achtten Hem,
Te weten wij Joden, stekende in groot misverstand en oordelende naar ons verkeerd oordeel, zo menen wij dat Hij dit alles leed omdat Hij het met zijn eigen zonden en overtredingen verdiend had; maar het is daarmede veel anders gelegen, gelijk vs.5 gezegd wordt. Hebreeuws, wij achtten Hem een geplaagde, geslagene Gods en verdrukte.
Hertaald:
wij achtten Hem,
Namelijk: wij Joden. Terwijl wij in groot misverstand verkeerden en naar ons verkeerde oordeel oordeelden, meenden wij dat Hij dit alles leed omdat Hij het met Zijn eigen zonden en overtredingen verdiend had. Maar het is er heel anders mee gesteld, zoals in vers 5 gezegd wordt. Hebreeuws: wij achtten Hem een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte.
geslagen en verdrukt was
Of, geraakt was; zie Job 19:21 .
Hertaald:
geslagen en verdrukt was
Of: geraakt was; zie Job 19:21.
de straf,
Hebreeuws, de straf van onzen vrede; dat is, hij werd gestraft opdat wij door Hem volkomen vrede krijgen zouden bij God, die met ons ontevreden was vanwege onze zonden. Versta hierbij: en de kastijding is op Hem blijven liggen totdat Hij volkomenlijk voor ons betaald had.
Hertaald:
de straf,
Hebreeuws: de straf van onze vrede — dat is: Hij werd gestraft opdat wij door Hem volkomen vrede zouden krijgen met God, Die ontevreden over ons was vanwege onze zonden. Vul hierbij aan: en de kastijding is op Hem blijven liggen totdat Hij volkomen voor ons betaald had.
is ons genezing geworden
Zodat wij van zonde en straf bevrijd zijn.
Hertaald:
is ons genezing geworden
Zodat wij van zonde en straf bevrijd zijn.
Wij dwaalden
Dat is, wij zijn allen afgedwaald van den weg, dien ons God in zijne wet heeft voorgeschreven om daarin te wandelen.
Hertaald:
Wij dwaalden
Dat is: wij zijn allen afgedwaald van de weg die God ons in Zijn wet heeft voorgeschreven om daarin te wandelen.
naar zijn weg;
Niet naar den weg, dien de HEERE ons had voorgeschreven; maar wandelende op den weg, dien zich een ieder verkoren had; zie 1 Petr. 2:25 .
Hertaald:
naar zijn weg;
Niet naar de weg die de HEERE ons voorgeschreven had, maar terwijl wij wandelden op de weg die ieder voor zichzelf gekozen had; zie 1 Petr. 2:25.
op Hem doen aanlopen
Of, Hem doen ontmoeten; of Hij, te weten de Vader, dreef op Hem, te weten Christus, ons aller ongerechtigheid, dewijl Hij zich in onze plaats vrijwillig tot borg gesteld had.
Hertaald:
op Hem doen aanlopen
Of: Hem doen ontmoeten. Of: Hij, namelijk de Vader, dreef op Hem, namelijk op Christus, de ongerechtigheid van ons allen aan, omdat Hij Zich vrijwillig in onze plaats tot Borg gesteld had.
dezelve
Te weten onze ongerechtigheid, dat is de straf onzer ongerechtigheid, van Christus geëist werd.
Hertaald:
dezelve
Namelijk: onze ongerechtigheid, dat is: de straf voor onze ongerechtigheid, van Christus geëist werd.
Hij deed Zijn mond
Met zijn stilzwijgen betuigende dat hij gewilliglijk alles voor ons geleden heeft, zijnen mond niet openende om de valse aanklachten zijner vijanden te wederleggen; ook niet sprekende tot nadeel dergenen, die Hem doodden, maar wel tot voordeel van ons; en biddende voor degenen, die Hem kruisigden; Luc. 23:34 .
Hertaald:
Hij deed Zijn mond
Terwijl Hij met Zijn zwijgen betuigde dat Hij alles vrijwillig voor ons geleden heeft: Hij opende Zijn mond niet om de valse aanklachten van Zijn vijanden te weerleggen, en Hij sprak ook niet ten nadele van hen die Hem doodden maar wel tot ons voordeel, terwijl Hij bad voor hen die Hem kruisigden; Luk. 23:34.
schaap,
Eigenlijk, een ooilam, of zijlam; een lam bijt en stoot dengene niet, die het kelen zal, maar het volgt zachtjes zijnen slachter, die het ter slachtbank leidt.
Hertaald:
schaap,
Eigenlijk: een ooilam. Een lam bijt en stoot niet naar degene die het zal slachten, maar het volgt gedwee zijn slachter die het naar de slachtbank leidt.
uit den angst
Of uit den kerker, of uit dit geweldig benauwen. Hebreeuws, uit de besluiting; te weten uit de helse benauwdheid, die Christus in den hof Gethsemane, [waar Hij bloed gezweet heeft] doch inzonderheid aan het kruis gevoeld heeft, toen Hij riep: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Versta dit ook van zijne opwekking uit de doden, en als Hij tot zijn hemelsen Vader ten hemel is opgevaren.
Hertaald:
uit den angst
Of: uit de kerker, of uit deze geweldige benauwing. Hebreeuws: uit de besluiting, namelijk uit de helse benauwdheid die Christus in de hof Gethsemane gevoeld heeft, waar Hij bloed gezweet heeft, maar vooral aan het kruis, toen Hij riep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? Versta dit ook van Zijn opwekking uit de doden en van Zijn hemelvaart tot Zijn hemelse Vader.
uit het gericht
Te weten uit het gericht van God, dat is, uit de verdoemenis, die Hij een tijdlang voor ons geleden heeft, zijnde voor ons een vloek geworden; Gal. 3:13 . Doch enigen verstaan hier door het gericht den dood des kruises, waartoe Hij van de Joden en Pilatus veroordeeld was, in dezen zin: Ofschoon de Messias tot een schandelijken, ja vervloekten dood verwezen wordt, zo zal Hij nochtans, wil de profeet zeggen, eindelijk ten hemel opgenomen worden, nadat Hij voor onze zonden zal genoeg gedaan hebben.
Hertaald:
uit het gericht
Namelijk: uit het gericht van God, dat is: uit de verdoemenis die Hij een tijdlang voor ons geleden heeft toen Hij voor ons een vloek geworden is; Gal. 3:13. Maar sommigen verstaan onder het gericht hier de kruisdood waartoe Hij door de Joden en Pilatus veroordeeld was, in deze zin: hoewel de Messias tot een schandelijke, ja vervloekte dood veroordeeld wordt, zal Hij toch — zo wil de profeet zeggen — ten slotte in de hemel opgenomen worden, nadat Hij voor onze zonden genoeg gedaan zal hebben.
Zijn leeftijd
Of, de gedurigheid van zijn leven, of zijne eeuw. Versta hier, behalve de eeuwigheid van zijn goddelijk wezen, ook de eeuwigdurendheid van zijn rijk, dewijl God, Hem opgewekt en aan zijne rechterhand gesteld hebbende in de hemelse plaatsen, zo leeft en regeert Hij in eeuwigheid, en de dood heeft geen geweld meer over Hem; Luc. 1:33 ; Rom. 6:9 . Of, zijne generatie, dat is zijne kinderen, die geestelijk uit Hem zullen geboren worden.
Hertaald:
Zijn leeftijd
Of: de duur van Zijn leven, of Zijn eeuw. Versta hier, behalve de eeuwigheid van Zijn goddelijk wezen, ook de eeuwigdurendheid van Zijn rijk: omdat God Hem opgewekt en aan Zijn rechterhand in de hemelse plaatsen gezet heeft, leeft en regeert Hij in eeuwigheid en heeft de dood geen macht meer over Hem; Luk. 1:33 en Rom. 6:9. Of: Zijn geslacht, dat is: Zijn kinderen, die geestelijk uit Hem geboren zullen worden.
afgesneden
Dat is, Hij is door een geweldigen dood weggerukt, gelijk men een boom met geweld afhouwt.
Hertaald:
afgesneden
Dat is: Hij is door een gewelddadige dood weggerukt, zoals men een boom met geweld omhakt.
uit het land der levenden;
Dat is, dergenen, die in de wereld leven. Zie de aantekening Job 28:13 ; Ps. 27:13 ; Jes. 38:11 . De zin is: Hij is gedood en in het graf gelegd.
Hertaald:
uit het land der levenden;
Dat is: van hen die in de wereld leven. Zie de aantekening bij Job 28:13, Ps. 27:13 en Jes. 38:11. De betekenis is: Hij is gedood en in het graf gelegd.
om de overtreding
Dat is, vanwege de zonden, zo der Joden als der heidenen, is Hij aldus geslagen en gemarteld, welke anderszins met recht de straf had moeten treffen.
Hertaald:
om de overtreding
Dat is: vanwege de zonden van zowel de Joden als de heidenen is Hij zo geslagen en gemarteld, terwijl de straf anders met recht hén had moeten treffen.
Mijns volks
Dit zijn woorden van den profeet.
Hertaald:
Mijns volks
Dit zijn woorden van de profeet.
is de plage
Hebreeuws, [was] Hem de plaag; te weten die straf, dat Hij aan het kruis is genageld geworden; alzo wordt het Hebreeuwse bijvoegsel mo ook in het enkelvoudig getal genomen. Gen. 9:26-27 ; Job 20:23 , en Job 22:2 ; Ps. 11:7 ; Jes. 44:15 .
Hertaald:
is de plage
Hebreeuws: was Hem de plaag, namelijk die straf dat Hij aan het kruis genageld is. Zo wordt het Hebreeuwse achtervoegsel mo ook in het enkelvoud genomen in Gen. 9:26-27, Job 20:23, Job 22:2, Ps. 11:7 en Jes. 44:15.
men heeft
Of, hetwelk wel zijn graf, enz., hetwelk, te weten volk van Jeruzalem.
Hertaald:
men heeft
Of: dat wel Zijn graf, enzovoort; waarbij dat slaat op het volk van Jeruzalem.
graf
Of, begrafenis.
Hertaald:
graf
Of: begrafenis.
bij de goddelozen
Of, met.
Hertaald:
bij de goddelozen
Of: met.
gesteld,
Of verordineerd; dat is, men heeft zijn graf met goddelozen besteld, die het bewaken en bewaren zouden. Zie Matt. 27:63-66 . Anderen nemen het in dezen zin: De boze Joden meenden wel dat men het lichaam van Christus bij, of met moordenaarslichamen zou wegdoen, om zulke en andere oorzaken als zodanige dood van Pilatus vorderende; maar de voorzienigheid Gods had dit anders geordineerd, want Christus is begraven geworden in het graf van Jozes van Arimathea, een eerlijk en rijk raadsheer; Matt. 27:60 .
Hertaald:
gesteld,
Of: bestemd — dat is: men heeft Zijn graf met goddelozen bezet, die het moesten bewaken en bewaren. Zie Matth. 27:63-66. Anderen vatten het zo op: de boze Joden meenden wel dat men het lichaam van Christus bij of met de lichamen van moordenaars zou wegwerpen, om die en andere redenen die Pilatus bij zo'n dood zou vorderen; maar Gods voorzienigheid had het anders beschikt, want Christus is begraven in het graf van Jozef van Arimathea, een eerzaam en rijk raadsheer; Matth. 27:60.
in Zijn dood geweest,
Hebreeuws, in zijne doden; in het getal van velen, dat is, na zijn geweldzamen dood. Vergelijk Ezech. 28:10 , met de aantekening. Of, doden, omdat Christus niet een, maar als vele doden voor ons geleden heeft.
Hertaald:
in Zijn dood geweest,
Hebreeuws: in Zijn doden, in het meervoud — dat is: na Zijn gewelddadige dood. Vergelijk Ezech. 28:10 met de aantekening. Of: doden, omdat Christus niet één maar als het ware vele doden voor ons geleden heeft.
geen onrecht gedaan heeft,
Of, geen geweld, maar integendeel, oprecht, rechtvaardig en eenvoudig gehandeld en gewandeld heeft, zo in woorden als in werken.
Hertaald:
geen onrecht gedaan heeft,
Of: geen geweld, maar integendeel oprecht, rechtvaardig en zuiver gehandeld en gewandeld heeft, zowel in woorden als in werken.
Hem
Te weten Jezus Christus onzen Verlosser.
Hertaald:
Hem
Namelijk: Jezus Christus, onze Verlosser.
te verbrijzelen;
Te weten vanwege onze zonden, die op Hem lagen en in Hem moesten gestraft worden.
Hertaald:
te verbrijzelen;
Namelijk: vanwege onze zonden, die op Hem lagen en in Hem gestraft moesten worden.
krank
Dat is, Hij heeft Hem velerlei grote smarten aangedaan en als velerlei krankheden opgelegd. Zie boven vs.3.
Hertaald:
krank
Dat is: Hij heeft Hem velerlei grote smarten aangedaan en Hem als het ware velerlei krankheden opgelegd. Zie hierboven vers 3.
als Zijn ziel
De zin is: Als Christus zijne ziel [dat is, zijn persoon] tot een schuldoffer ter dood overgegeven zal hebben [2 Kor. 5:21] , zo zal Hij zijn zaad zien vermenigvuldigen, dat is, Hij zal zien dat de gelovigen door de predikatie van het heilige Evangelie grotelijks zullen aanwassen, namelijk alsdan inzonderheid, nadat Hij ten hemel opgevaren zijnde, den Heiligen Geest op zijne apostelen en andere leraars van het heilige Evangelie zal gezonden hebben. Anders: wanneer Gij zijne ziel tot een schuldoffer zult gesteld hebben, zo zal Hij zaad zien; dat is een groot getal gelovige kinderen, geboren uit het onvergankelijke zaad van het Woord van God; Ps. 110:3 , en 1 Petr. 1:23 .
Hertaald:
als Zijn ziel
De betekenis is: wanneer Christus Zijn ziel — dat is: Zijn persoon — als schuldoffer in de dood zal hebben overgegeven (2 Kor. 5:21), zal Hij Zijn zaad zien vermenigvuldigen, dat is: Hij zal zien dat de gelovigen door de prediking van het heilig Evangelie sterk zullen toenemen, en dan vooral nadat Hij, opgevaren naar de hemel, de Heilige Geest op Zijn apostelen en andere leraars van het heilig Evangelie gezonden zal hebben. Anders: wanneer U Zijn ziel tot een schuldoffer gesteld zult hebben, zal Hij zaad zien — dat is: een groot aantal gelovige kinderen, geboren uit het onvergankelijke zaad van het Woord van God; Ps. 110:3 en 1 Petr. 1:23.
Hij zal de dagen verlengen;
Alsof hij zeide: De vrucht, die de Heere Christus uit het voorverhaalde scheppen zal, zal niet kort noch haast voorbijgaande zijn, maar zij zal eeuwiglijk duren; zie Ps. 23:6 .
Hertaald:
Hij zal de dagen verlengen;
Alsof hij zei: de vrucht die de Heere Christus uit het zojuist genoemde zal verkrijgen, zal niet kort en spoedig voorbijgaand zijn, maar zij zal eeuwig duren; zie Ps. 23:6.
het welbehagen
Te weten het werk onzer verlossing en het vergaderen der uitverkorenen uit alle volken door de predikatie van het heilige Evangelie, hetwelk alsdan voornamelijk is aangegaan, nadat Christus ten hemel was opgevaren; Matt. 28:19 .
Hertaald:
het welbehagen
Namelijk: het werk van onze verlossing en het verzamelen van de uitverkorenen uit alle volken door de prediking van het heilig Evangelie, wat vooral begonnen is nadat Christus naar de hemel was opgevaren; Matth. 28:19.
door Zijn hand
Dat is, door zijn dienst, of door zijne macht. Zie Ef. 4:11-12 , enz.
Hertaald:
door Zijn hand
Dat is: door Zijn dienst, of door Zijn macht. Zie Ef. 4:11-12, enzovoort.
Hij het zien,
Of, hij [het] te weten zaad, zien. De zin is: Christus zal zaad, dat is, kinderen, te weten geestelijke kinderen zien, dat is verkrijgen, en met lust en vreugde aanschouwen om zijn arbeid en moeite; versta daardoor die pijnen en smarten, die Hij aan de ziel en aan het lichaam gevoeld heeft toen de zware toorn Gods vanwege de zonden van het menselijke geslacht op Hem lag. Anders: van den arbeid zijner ziel zal Hij [vrucht, of zijn lust] zien; zie Ps. 22:18 .
Hertaald:
Hij het zien,
Of: Hij zal het — namelijk het zaad — zien. De betekenis is: Christus zal zaad, dat is: kinderen, namelijk geestelijke kinderen, zien, dat is: verkrijgen, en met lust en vreugde aanschouwen voor Zijn arbeid en moeite. Versta daaronder de pijnen en smarten die Hij naar ziel en lichaam gevoeld heeft toen de zware toorn van God vanwege de zonden van het menselijk geslacht op Hem lag. Anders: van de arbeid van Zijn ziel zal Hij vrucht, of Zijn lust, zien; zie Ps. 22:18.
verzadigd worden;
Dat is, hij zal zijn arbeid ten hoogste en tot zijn genoegen volkomenlijk genieten; want het is billijk dat een getrouw arbeider geniet de vruchten van zijn arbeid. Dit zal alsdan geschieden in zijn eigen persoon, als Christus in de heerlijkheid van zijn Vader zal opgenomen en aan de rechterhand van zijn Vader zal verhoogd worden. Het zal ook zijnen ledematen wedervaren als hij hun zijne heerlijkheid zal deelachtig maken.
Hertaald:
verzadigd worden;
Dat is: Hij zal Zijn arbeid ten volle en tot Zijn genoegen volkomen genieten, want het is billijk dat een trouwe arbeider de vruchten van zijn arbeid geniet. Dit zal in Zijn eigen persoon gebeuren wanneer Christus in de heerlijkheid van Zijn Vader opgenomen en aan de rechterhand van Zijn Vader verhoogd zal worden. Het zal ook Zijn leden overkomen wanneer Hij hen deel zal geven aan Zijn heerlijkheid.
Zijn kennis
Versta, die kennis, door welke Hij zou bekend en aangenomen worden als Heiland en Middelaar tussen God en de mensen.
Hertaald:
Zijn kennis
Versta: die kennis waardoor Hij gekend en aangenomen zou worden als Heiland en Middelaar tussen God en de mensen.
Mijn Knecht,
Dit spreekt God de Vader. Vergelijk dit met Jes. 42:1 , en Jes. 52:13 .
Hertaald:
Mijn Knecht,
Dit spreekt God de Vader. Vergelijk dit met Jes. 42:1 en Jes. 52:13.
de Rechtvaardige,
Te weten Hij rechtvaardig lijdende voor de onrechtvaardigen; 1 Petr. 3:18 .
Hertaald:
de Rechtvaardige,
Namelijk: Hij Die rechtvaardig leed voor de onrechtvaardigen; 1 Petr. 3:18.
velen
Te weten die altegaar, die in Hem geloven. Zie Rom. 5:19 .
Hertaald:
velen
Namelijk: zij allen die in Hem geloven. Zie Rom. 5:19.
rechtvaardig maken,
Hun teweegbrengende de vergeving der zonden en de gerechtigheid, die voor God bestaat.
Hertaald:
rechtvaardig maken,
Doordat Hij hun de vergeving van de zonden verwerft en de gerechtigheid die voor God standhoudt.
dragen
Te weten op het hout des kruises, 1 Petr. 2:24 ; als zijnde het Lam Gods, hetwelk de zonden der wereld draagt; Joh. 1:29 .
Hertaald:
dragen
Namelijk: op het hout van het kruis, 1 Petr. 2:24, omdat Hij het Lam van God is dat de zonden van de wereld draagt; Joh. 1:29.
Daarom
Alsof God de Vader zeide: Dewijl Hij voor de mensen zoveel gedaan en geleden heeft, [gelijk boven verhaald is]; zo zal Ik Hem van vele [dat is veel ] mededelen; dat is, Ik zal hem veel geestelijke kinderen en gaven geven. Anders: daarom zal Ik Hem een deel geven onder de groten, alzo dat Hij met de groten en machtigen zal mogen vergeleken worden. Anders: daarom zal Ik Hem de geweldigen ten deel geven; namelijk de boze geesten; zie Kol. 2:15 .
Hertaald:
Daarom
Alsof God de Vader zei: omdat Hij voor de mensen zoveel gedaan en geleden heeft, zoals hierboven verhaald is, zal Ik Hem van velen — dat is: veel — meedelen, dat is: Ik zal Hem veel geestelijke kinderen en gaven geven. Anders: daarom zal Ik Hem een deel geven onder de groten, zodat Hij met de groten en machtigen vergeleken mag worden. Anders: daarom zal Ik Hem de geweldigen ten deel geven, namelijk de boze geesten; zie Kol. 2:15.
Hij zal de machtigen
Te weten den dood, de zonde, den duivel en de hel, die tevoren de overhand over de mensen hadden, zal Hij als een roof delen, dat is overwinnen en zijne uitverkorenen uit hunne hand verlossen. Anderen nemen het van de heerschappij van Christus over de machtigen dezer wereld, die zich zullen bekeren en Hem dienen; vergelijk boven, Jes. 52:15 .
Hertaald:
Hij zal de machtigen
Namelijk: de dood, de zonde, de duivel en de hel, die tevoren de overhand over de mensen hadden, zal Hij als een buit delen — dat is: overwinnen en Zijn uitverkorenen uit hun hand verlossen. Anderen vatten het op van de heerschappij van Christus over de machtigen van deze wereld, die zich zullen bekeren en Hem dienen; vergelijk hierboven Jes. 52:15.
omdat Hij Zijn ziel
Dat is, omdat Hijz ich vrijwillig heeft laten vangen, martelen en doden.
Hertaald:
omdat Hij Zijn ziel
Dat is: omdat Hij Zich vrijwillig heeft laten grijpen, martelen en doden.
met de overtreders
Alzo, dat Hij niet alleen tussen twee moordenaars is gekruisigd geworden, maar Barrabas, die vanwege een moord en oproer gevangen zat, is waardiger gehouden dan Jezus Christus, de Zoon van God.
Hertaald:
met de overtreders
En wel zo dat Hij niet alleen tussen twee moordenaars gekruisigd is, maar dat ook Barabbas, die vanwege een moord en een oproer gevangenzat, hoger geacht werd dan Jezus Christus, de Zoon van God.
en Hij veler zonden
Zie boven vs.11.
Hertaald:
en Hij veler zonden
Zie hierboven vers 11.
voor de overtreders
Zeggende: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen; Luc. 23:34 .
Hertaald:
voor de overtreders
Terwijl Hij zei: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen; Luk. 23:34. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het gedeelte begint met een vraag: "Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?" (Jes. 53:1). Dan volgt hoe Hij opkwam: "als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde" (Jes. 53:2). Er staat bij wat men zag: "Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben." En dan komt de bekendste zin van dit gedeelte: "Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht" (Jes. 53:3). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier aan het woord is. Er staat wij: onze prediking, wij hebben Hem niet geacht. Het lied is geen beschrijving van buitenaf maar een belijdenis van mensen die zelf wegkeken. Let vervolgens op het beeld van de wortel uit dorre aarde. Er wordt niets gezegd over armoede of afkomst in het algemeen; er staat dat er niets aan Hem was dat de blik trok. Wat later in Hem gezien wordt, is dus niet aan Zijn uiterlijk afgelezen maar aan Hem geopenbaard. Let ten slotte op de herhaling in Jes. 53:3. Tweemaal staat er veracht, en daartussen komt het oordeel van de spreker zelf: wij hebben Hem niet geacht. Het lied laat de hoorder niet buiten schot. Typologie: Johannes haalt Jes. 53:1 aan om het ongeloof te verklaren van mensen die de tekenen zagen: "Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard?" (Joh. 12:38). Wat de profeet als vraag stelde, werd in de dagen van het Evangelie zichtbaar beantwoord. Jes. 53:1-3; Joh. 12:38 "Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was" (Jes. 53:4). Er stond dus een verkeerd oordeel tegenover de werkelijkheid: men dacht dat Hij Zijn eigen straf droeg. Dan komt de correctie: "Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden" (Jes. 53:5). En het gedeelte sluit met de belijdenis die alles samenvat: "Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen" (Jes. 53:6). Bijbelse betekenis: Merk op hoe vaak de woordjes ons en onze terugkeren. In drie verzen gebeurt dat zes keer, telkens in dezelfde vorm: wat Hij droeg was het onze, en wat wij ontvingen kwam van Hem. Dat is de kern van het lied en van heel het boek. Let vervolgens op Jes. 53:6. Het vers begint en eindigt bij allen: allen dwaalden, en aller ongerechtigheid liep op Hem aan. De omvang van de schuld en de omvang van de plaatsvervanging worden met hetzelfde woord gemeten. Let ten slotte op het werkwoord in dat vers. Er staat niet dat de schuld op Hem gelegd werd zoals men iets neerlegt, maar dat de HEERE haar op Hem heeft doen aanlopen. Het is dus Zijn daad en Zijn beschikking, en niet het toeval van een rechtszaak die verkeerd afliep. Typologie: Mattheüs betrekt Jes. 53:4 op de genezingen: "Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen" (Matt. 8:17). Petrus betrekt Jes. 53:5 op het kruis, en hij zegt er de bedoeling bij: Christus heeft onze zonden in Zijn lichaam gedragen op het hout, "door Wiens striemen gij genezen zijt" (1 Petr. 2:24). Jes. 53:4-6; Matt. 8:17; 1 Petr. 2:24 "Als dezelve geeist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open" (Jes. 53:7). Twee keer staat er in één vers dat Hij zweeg. Dan volgt het proces en het einde: "Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest" (Jes. 53:8). En dan komt een vers dat op twee kanten van Zijn begrafenis wijst: "En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is" (Jes. 53:9). Bijbelse betekenis: Merk op wat het zwijgen betekent. Een schaap zwijgt uit onwetendheid; hier zwijgt Iemand Die weet wat er gebeurt. Wie zich niet verweert terwijl hij dat wél kon, geeft daarmee te kennen dat hij de zaak niet betwist. Let vervolgens op de reden die in Jes. 53:8 gegeven wordt. Niet om Zijn eigen overtreding, maar om die van het volk; hetzelfde wordt in Jes. 53:9 nog eens van de andere kant gezegd, want Hij had geen onrecht gedaan. Let ten slotte op de twee helften van dat laatste vers. Zijn graf werd bij de goddelozen gesteld, en toch is Hij bij de rijke in Zijn dood geweest. Wat men met Hem voorhad en wat er werkelijk gebeurde, lopen hier uiteen. Typologie: Dit is de plaats waar de Schrift zichzelf uitlegt. De kamerling uit Morenland las juist Jes. 53:7-8 en vroeg: "van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven, of van iemand anders?" (Hand. 8:34). Filippus deed zijn mond open, "beginnende van diezelfde Schrift", en verkondigde hem Jezus (Hand. 8:35). Daarmee is de vraag naar wie deze Knecht is, in het Nieuwe Testament zelf beantwoord. Jes. 53:7-9; Hand. 8:34-35 "Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt" (Jes. 53:10). In datzelfde vers staat waar dat op uitloopt: "als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan." Dan volgt het vers waarin de uitwerking staat: "Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen" (Jes. 53:11). En het lied sluit met vier dingen die van Hem gezegd worden. Hij heeft Zijn ziel uitgestort in de dood en is met de overtreders geteld geweest; Hij heeft veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden (Jes. 53:12). Bijbelse betekenis: Merk eerst op waar het behagen op ziet. Er staat niet dat God er vreugde in vond dat Zijn Knecht leed; het vers zegt in één adem waartoe het diende, namelijk een schuldoffer en een uitkomst waarin Hij zaad ziet. Het welbehagen ligt in wat er bereikt wordt, en dat wordt in de tekst zelf zo uitgelegd. Let vervolgens op het woord verzadigd (Jes. 53:11). De arbeid van Zijn ziel loopt niet uit op iets dat net genoeg is; er staat dat Hij het ziet en genoeg heeft. Let ten slotte op de vier zinnen van Jes. 53:12. Zij vormen samen de weg: uitstorten, geteld worden bij de overtreders, hun zonden dragen, en dan nog voor hen bidden. Dat laatste komt na alle andere, en het is het enige dat Hij dóét terwijl Hij als schuldige geldt. Typologie: De Heere Jezus haalt zelf één regel uit dit vers aan, vlak voor Gethsémané: "En Hij is met de misdadigen gerekend" (Luk. 22:37). En het bidden voor de overtreders is aan het kruis gehoord: "Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen" (Luk. 23:34). Jes. 53:10-12; Luk. 22:37; Luk. 23:34 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe uitwerking Het vierde en laatste lied over de Knecht des HEEREN, dat aan het slot van het vorige hoofdstuk hoog begint — Mijn Knecht zal verhoogd en zeer verheven worden (Jesaja 52:13) — en dan omlaag stort in een beschrijving die eeuwenlang onbegrijpelijk bleef. Er wordt geleden, en de reden staat er telkens bij: het was niet voor Hemzelf. Het lied begint met verbazing dat niemand het gelooft: wie heeft onze prediking geloofd? Er is niets aan Hem dat aantrekt — geen gedaante, geen heerlijkheid. Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht. En dan komt de omkering die het hart van het hoofdstuk is. Wij hielden Hem voor iemand die door God geslagen was, maar: Hij is om ónze overtredingen verwond, om ónze ongerechtigheden verbrijzeld. De straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem. De kanttekening ontleedt dat woord nauwkeurig. In het Hebreeuws staat er de straf van onze vrede, en zij verklaart: Hij werd gestraft opdat wij door Hem volkomen vrede zouden krijgen met God, Die ontevreden over ons was vanwege onze zonden — en de kastijding is op Hem blijven liggen totdat Hij volkomen voor ons betaald had. Vers 6 vat de hele mensheid samen in één beeld en één daad: wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. De kanttekening geeft als weergave: Hij, namelijk de Vader, dreef op Hem, namelijk op Christus, de ongerechtigheid van ons allen aan — omdat Hij Zich vrijwillig in onze plaats tot Borg gesteld had. En dan het meest verontrustende vers: het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen. De kanttekening laat er geen twijfel over wie bedoeld is — namelijk Jezus Christus, onze Verlosser — en waarom: vanwege onze zonden, die op Hem lagen en in Hem gestraft moesten worden. Maar het lied eindigt niet in het graf. Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien en de dagen verlengen. Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien en verzadigd worden. De kamerling uit Morenland las precies dit gedeelte, en vroeg van wie de profeet dit zei. Filippus begon van diezelfde Schrift, en verkondigde hem Jezus. In het Nieuwe Testament: Handelingen 8:32-35; 1 Petrus 2:22-25; Markus 15:28; Romeinen 4:25; 2 Korinthe 5:21
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Ongeveer op het negende uur riep Jezus met een luide stem: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? Mattheüs 27:46 Deze godverlatenheid… Hij zal nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen; het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn. Jesaja 53:10 Als je bidt om het koninkrijk… Door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen. Jesaja 53: Pilatus leverde onze Heere over aan de lictoren¹ om Hem te laten geselen. Maar die Romeinse gesel… Kom, zie de plaats waar de Heere gelegen heeft. Matt. 28:6b Het graf van Jezus is geen gewoon graf. Het is geen uitgegraven gat voor een zwerver, waarin… Door zijn striemen is ons genezing geworden. Jesaja 53:5 Welk een hoofdstuk! Een Bijbel in miniatuur. Het Evangelie in zijn kern en wezen. Als ons onderwerp ons het… ‘Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de buit met de machtigen delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en… De zonde van de gelovige werd gelegd op de Heere Jezus Christus, "want de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen (Jesaja 53:6)." En vanaf die… Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nageslacht zien. Jesaja 53:10 Onze Heere Jezus is niet tevergeefs gestorven. Zijn dood was een offerdood; Hij… Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is… Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen. Jesaja 53 vers 5 Pilatus leverde onze Heere over aan de beulen,… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Hij is onder de overtreders geteld. Jesaja 53 vers 12 Waarom legde de Heere Jezus het Zichzelf op om onder de… Als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Jesaja 53:7 Misschien heeft iemand gedacht dat Hij had moeten… Als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Jesaja 53:7 Ik wil voor u het raam zo ver… Als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Jesaja 53:7 Voor de manier waarop onze Heere Jezus de… Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? JACOBUS 2:14 Weinigen van ons kunnen pijn verdragen;… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Hij zal zaad zien, hij zal de dagen verlengen, en het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkig voortgaan. Jesaja 53:10 Bidt… Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de buit met de machtigen delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en… Als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Jesaja 53:7 Onze Heere Jezus stelde zich zo in… Als zijn ziel zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien. Jes. 53:10 Onze Heere Jezus is niet tevergeefs gestorven. Zijn dood was een offer:… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 53
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen — 53:1-12
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Het feit van het lijden
Ket Koningkrijk van God
Zijn wonden hebben onze zonden weggenomen
Geen gewoon graf
Jes. 53:5 - Christopathy
Gods liefde tot zondaren
De straf is betaald
De Heere Jezus en Zijn kinderen
Buiten Hem geen zaligheid
Een hoopvol teken
Door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen
Hij is onder de overtreders geteld
Zachtmoedig en stil tot het einde
Alzo deed Hij Zijn mond niet open
Als een schaap
Werk voor God
Het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkig voortgaan
Christus' relatie met zondaren de bron van Zijn glorie
Het schaap voor het aangezicht van zijn scheerders
Christus en Zijn kinderen


Jesaja 53
Jesaja 53:1.KruisverwijzingenJohannes 12:38→Jesaja 51:9→Romeinen 10:16→Efeze 1:18→Romeinen 1:16→Mattheüs 11:25→1 Korinthe 1:18→Johannes 1:7→
— Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?
“Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?” Niemand gelooft ooit profeten of predikers dan door het werk van Gods Geest en genade. De arm van de HEERE moet geopenbaard worden, anders zal de waarheid die Zijn knechten verkondigen nooit aangenomen worden. Elke profeet en elke prediker kan deze woorden van Jesaja uitspreken, alsof zij allen naast elkaar stonden en samen deze klacht deelden over hoe weinigen op hun boodschap ingaan.
Jesaja 53:2.KruisverwijzingenJesaja 52:14→Filippenzen 2:6→Jesaja 11:1→Markus 6:3→1 Petrus 2:14→Romeinen 8:3→Johannes 9:28→Zacharia 6:12→
— Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.
Jesaja beschreef onze Heere Jezus als iemand die opgroeit “als een rijsje”: een zwakke tak, een loot, een scheut die gemakkelijk te vernietigen was. Jezus Christus verscheen in Zijn vernedering in grote zwakheid. Hij werd als een hulpeloos kindje geboren. Hij verkeerde in Zijn eerste levensjaren in groot gevaar door de hand van Herodes, en hoewel Hij bewaard bleef, gebeurde dat niet door een machtig leger maar door de vlucht naar een ander land. Zijn vroege jaren werden niet doorgebracht bij de krijgsmuziek van legerkampen of in de praal van hoven, maar in de afzondering van een timmermanswerkplaats.
Zijn leven was zachtmoedigheid; Hij was argeloos als een lam. Op elk ogenblik leek het gemakkelijk om Hem en Zijn onderwijs te vernietigen. Er was niets aan Jezus dat de aandacht trok van wie op pracht en luister uit zijn. Zijn godsdienst was — en is — enkel eenvoud. Zij is de heldere waarheid van God. Er is niets aan wat mensen aantrekt die het zoeken in de ijdelheden van de vormendienst. Voor de meeste mensen was er geen uiterlijke schoonheid aan Hem waarom zij Hem zouden willen volgen.
Jesaja 53:3.KruisverwijzingenJohannes 1:10→Jesaja 53:10→Jesaja 49:7→Markus 14:34→Lukas 18:31→Zacharia 11:12→Markus 9:12→Mattheüs 26:67→
— Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.
Jezus was niet alleen een lijdend mens, maar de eerste onder de lijdenden. Alle mensen hebben een last te dragen, maar de Zijne was de zwaarste van alle. Onze Zaligmaker stond in een bijzondere verhouding tot de zonde. Hij was er niet alleen door bedroefd wanneer Hij haar zag, en niet alleen verdrietig omdat Hij haar uitwerking op anderen bemerkte. De zonde werd werkelijk óp Hem gelegd. Daarom werd Hij geroepen om de verschrikkelijke slagen van de goddelijke gerechtigheid te dragen, en leed Hij aan het kruis voor ons een ongekende en onmeetbare zielsangst.
Jesaja 53:5.Kruisverwijzingen1 Petrus 2:24→1 Petrus 3:18→Romeinen 5:6→Romeinen 4:25→Mattheüs 20:28→2 Korinthe 5:21→1 Korinthe 15:3→Hebreeën 10:10→
— Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
God behandelt de zonde in Zijn barmhartigheid als een ziekte. Door het lijden van onze Heere wordt de zonde vergeven en worden wij van de macht van het kwaad verlost. Dat wordt hier voorgesteld als de genezing van een dodelijke kwaal. De zonde is iets tegennatuurlijks, een soort kankergezwel dat niet in de ziel hoort te zitten. Zij verstoort het mens-zijn; zij ontmenselijkt een mens. En hier verklaart God het geneesmiddel voor die dodelijke ziekte: de genezing komt door de wonden van Christus.
Heel Christus werd tot een offer voor ons gemaakt; heel Zijn mensheid heeft geleden. Wat Zijn lichaam betreft, dat deelde met Zijn ziel in een verdriet dat nooit beschreven kan worden. In Zijn lijden, toen Hij in onze plaats leed, verkeerde Hij in doodsangst.
Jesaja 53:7.KruisverwijzingenHandelingen 8:32→Mattheüs 26:63→Markus 14:61→1 Petrus 2:23→Johannes 19:9→Lukas 23:9→Markus 15:5→Mattheüs 27:12→
— Als dezelve geeist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
Het is veelzeggend voor de manier waarop onze Heere Jezus de plaats van de zondaar innam, dat wij hier in het verband met schapen vergeleken worden: “Wij dwaalden allen als schapen.” En dan wordt Hij die komt om onze plaats in te nemen óók met een schaap vergeleken: “als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders”. Het is wonderlijk hoe volkomen de wisseling van plaats tussen Christus en Zijn volk geweest is: wat zij waren, werd Hij, opdat wat Hij is, zij zouden worden. Zo dicht is Hij Zijn broeders gelijk geworden. Om de Zoon van God met een schaap te vergelijken zou een onvergeeflijke vermetelheid geweest zijn, als God niet Zelf datzelfde beeld bij het Pascha gebruikt had.
Jesaja 53:9.KruisverwijzingenMattheüs 27:57→1 Petrus 2:22→Hebreeën 4:15→1 Johannes 3:5→Lukas 23:50→Johannes 19:38→Jesaja 42:1→Markus 15:43→
— En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.
Een vreemde reden om Zijn graf bij de goddelozen te maken. En toch: had Hij geen geweld gedaan, dan zou Hij niet geschikt geweest zijn om plaatsvervanger van zondaars te zijn. Juist zo werd Hij onder de overtreders gerekend, om mensen te verlossen.
Jesaja 53:10.KruisverwijzingenLukas 1:33→Mattheüs 17:5→Hebreeën 13:10→Romeinen 6:9→Jesaja 53:12→Zacharia 13:7→Jesaja 53:3→Handelingen 2:24→
— Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.
Misschien meende de duivel dat de dood van Christus de nederlaag van Christus was. Als hij dat dacht, hoe groot heeft hij zich dan vergist! Want toen Christus stierf, behaalde Hij een eeuwige overwinning. Hij is niet meer dood. Jezus verliet het rijk van de doden om nooit meer te sterven. Hij stierf, maar kon niet lang als gevangene in het graf gehouden worden. Hij liet Zijn grafklederen achter en kwam tevoorschijn in leven en onsterfelijkheid. Er zijn eeuwen voorbijgegaan sinds Hij uit de doden opstond tot Zijn nieuwe leven, en Hij leeft nog. En Zijn dagen zullen voortduren zolang deze aarde staat. Ja, en aan het einde, wanneer Hij het koninkrijk aan God de Vader zal overgeven, zal Hij Zijn dagen nog verlengen.
Dit vers geeft ook aan dat de dood van Christus het werk was om Gods volk uit de duisternis tot het licht te brengen, van de natuur tot de genade en van de genade tot de heerlijkheid. Het wordt het welbehagen van de Vader genoemd, omdat Zijn welbehagen de bron is van heel het behoudende werk.
Jesaja 53:11.KruisverwijzingenRomeinen 5:18→Johannes 16:21→Jesaja 53:12→Jesaja 45:25→1 Johannes 2:1→Johannes 17:3→Jesaja 53:8→Jesaja 53:4→
— Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
God de Vader spreekt hier over Zijn Zoon en verklaart dat de Vader Hem een genoegzaam loon waarborgt, omdat de Zoon zo’n grote zielsangst aan het kruis verdragen heeft. De Vader heeft Zich een volk uitgekozen. Dat volk heeft Hij aan de Zoon gegeven. En aan dat volk heeft Hij ook de Zoon gegeven om hun Zaligmaker te zijn. Door de overvloeiende genade van de Vader komt de zaligheid tot de uitverkorenen, maar zij komt alleen door Jezus Christus, want Hij is de enige Zaligmaker. Christus heeft ons verlost door Zijn dierbaar bloed.
Jesaja 53:12.KruisverwijzingenLukas 22:37→Markus 15:27→Genesis 3:15→Jesaja 52:15→Daniël 2:45→Lukas 23:32→Jesaja 53:6→Hebreeën 9:26→
— Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.
Dit vers is de belofte van de Vader, en zij staat in verband met wat de Zoon volbracht heeft. Er wordt ons gezegd dat Christus de roof met de machtigen zal delen, maar die belofte staat naast de verklaring dat Hij een schaap ter slachting is. Even zeker als dat deel van de profetie over Christus’ lijden vervuld is, even zeker zal ook dat deel vervuld worden waarin Hij triomfeert. Over Christus’ dood voor ons bestaat niet de minste twijfel, en hetzelfde hoofdstuk van Jesaja verklaart Zijn uiteindelijke overwinning.
Hoe helder staat onze gezegende Verlosser hier voor u, en hoe krachtig zijn de uitdrukkingen die Jesaja gebruikt om Zijn plaatsvervanging uit te drukken. Als hij ons de leer wilde leren dat Christus in de plaats van Zijn volk geleden heeft, dan had hij geen sprekender woorden kunnen kiezen. En als hij ons dié waarheid níet wilde leren, dan is het verbazend dat hij een woordkeus gebruikt heeft die zo licht op een dwaalspoor brengt.
Wij geloven het en houden het vast: Christus heeft de zonden van Zijn volk waarlijk en werkelijk op Zich genomen, en heeft in eigen Persoon een volkomen verzoening gedaan voor de schuld van al Zijn uitverkorenen. Daarin vindt ons hart zijn beste vertrouwen. Hebben u en ik deel aan die verzoening? Of moet er over ons geklaagd worden: “Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?” Kon u, terwijl ik zojuist las, door het geloof zeggen: waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen? Hebt u een toe-eigenend geloof, dat het lijden van Christus tot het zijne maakt? Ziet u nu, nederig maar toch vol vertrouwen, op Jezus Christus, de grote Lastdrager aan dat kruis, en weet u dat uw schuld daar lag? Is dat zo, verheug u dan en wandel uw roeping waardig.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Wanneer wij echter van de heidenen, die wat zij tot hiertoe niet hoorden, maar hun eerst als volbracht werk bekend wordt, gelovig en met vreugde aannemen (Hoofdstuk 52:15) het oog op ons, het volk van Israël wenden, hebben wij dan gene reden tot de klacht? Wie onder ons heeft onze prediking geloofd, hoewel reeds zo lang vóór de vervulling in menigerlei profetieën de bekendmaking werd vernomen, die zo duidelijk op den persoon en het werk van den Knecht Gods wees, dat wij Hem bij Zijne verschijning dadelijk hadden moeten herkennen? en aan wie, onder ons is de arm des HEREN geopenbaard, 1) wordt het, in hetgeen aan en door Hem geschiedt, duidelijk, dat hier des Heren arm heeft ingegrepen, om het heil van Zijn volk, overeenkomstig Zijn sedert lang genomen raadsbesluit, door te zetten (Hoofdstuk 52:10)?
Hier klaagt Israël door den mond van den profeet reeds vooraf over zijne verblinding, waarmee het in ongeloof tegenover den Heiland en Zijn zegen zich verhardt, en ten tijde van Jezus en van de Apostelen wordt de klacht uitdrukkelijk aangehaald en herhaald (Joh. 12:38. Rom. 10:16). Het is juist zo met Israël gegaan als de profetie voorzag: het volk, tot hetwelk de Zoon Gods als Zijn eigendom kwam, heeft Hem niet aangenomen; daarentegen zijn de heidenen, die vreemdelingen waren omtrent de Testamenten der belofte, tot Hem gekomen. Thans klaagt Israël al zwijgende en is gelijk aan het zuchtend schepsel in rouw, dat in stilte verlangt zonder te weten, wat het mist. Eens zal het ook zo luide klagen (Zach. 12:10 vv.) en eerst laat, maar toch eindelijk tot nadenken komen (Gen. 45:8). “Wanneer dat eens zal geschieden, dan en eerst dan zal dit Hoofdstuk, dat tot dien tijd volgens ene oude benaming een carnificium Babbinorum (martelaarskamer voor de Rabbijnen) is, de gehele vervulling in de geschiedenis vinden en door haar worden verklaard. ” . De Profeet begint met de voorspelling van het ongeloof aan zijne prediking. Datgene wat geschieden zou en bijzonder datgene wat nu verkondigd stond te worden, zou of niet, of althans door weinigen geloofd worden. Dat zag natuurlijk eerst en voornamelijk op Israël, en wie geloofden van de Joden de prediking van Jesaja, en wie van hen gelooft haar nog heden? Zijn het niet zeer weinigen? Men zou zeggen: hoe is het mogelijk? hoe kon Israël zijnen eigen Messias, zijn eigen leven, zijne enige en eeuwige heerlijkheid verwerpen? Doch het is geschied, en het werd voorspeld! Het eerste kenmerk van Christus werd door den grijzen Simeon, toen hij Hem als kindeke op den arm hield, daarin gesteld: dat Hij zou wedersproken worden. Van waar dit verschijnsel? Christus zou Zijn volk zalig maken van hun zonden door aan het kruis te lijden en te sterven. Dit was ene leer, die men niet wilde aannemen. De natuurlijke mens heeft van zulk een weg tot behoudenis dezelfden afkeer als een levend mens een afkeer heeft om door den dood en het verderf te komen tot het eeuwige leven; en toch is dit de weg van God en geen andere weg leidt tot dat doel. Deze algemene tegenstand der wereld en der wereldsgezinde harten maakte dezulken, die geloofden, tot ene sekte, die overal wedersproken werd. Dit wist reeds Jesaja door den Heiligen Geest, daarom profeteerde hij het, opdat het, als de tijd der vervulling zou gekomen zijn, niemand zou bevreemden. Neen, hoe vreemd het ook schijne, Christus, de heerlijke Christus, de wegnemer der zonde en des de doods en de aanbrenger van de gerechtigheid en het eeuwige leven voor in zonde geboren en ten dode opgeschreven mensen, wordt niet door ieder aangenomen; doch ook nergens is dit beloofd of voorzegd geworden. De ergernis, die Christus veroorzaakt, bewijst dus de echtheid Zijner persoonlijkheid, en bewijst nog altijd de echtheid onzer prediking. Immers die Christus goed verkondigt, die geeft een juist portret van Christus, en zal den smaad er van ondervinden. Het geloof zou volgens de Schrift altijd bij de minderheid, ja bij de kleinste minderheid zijn, en zo dit waar is, wat zien wij dan naar de meerderheid, welke zo zelden het recht aan hare zijde heeft. Wij zien het nog heden, dat het Evangelie geen beslissenden invloed heeft op de groot menigte, maar op slechts weinige mensen. En welke zijn dan nog die enkele mensen? Nog heden lijdt het Evangelie schipbreuk op de meest verstandige en gemoedelijke mensen, niettegenstaande de Evangeliepredikers met de krachtigste bewijzen en beweegredenen op hen trachten te werken. O, zo iets ons moet overtuigen dat het geloof ene kracht Gods is, dan is het dit verschijnsel: dat zij, die zich de meest verlichte mensen noemen, niet zelden de meest besliste ongelovigen zijn, omdat bij hen blijkbaar de ellendigste drogreden meer kracht van overtuiging heeft dan het schitterendst bewijs der waarheid. God heeft geen welbehagen in de menselijke eigengerechtigheid. Wie meent door zijne wijsheid ten hemel op te stijgen en door zijne gerechtigheid zich op den troon van God te plaatsen, die zal het ondervinden, dat God hem op hetzelfde ogenblik, waarop hij zijn doel meent te bereiken, afstoot en nederstort. God vangt de wijzen in hun arglistigheid. Hij maakt hun eigene wijsheid tot een strik, waarin zij zich verwarren en gevangen worden, om gedood te worden. Doch wat ergerlijk is voor de wijsheid der wereld, moeten wij door het geloof te boven komen. Wat profetie is, wordt uit zijn aard miskend. Cassandra is ons hier een treffend beeld: zij voorziet al de rampen van haar vaderland, voorzegt ze, en wordt niet geloofd. Trouwens met de profetie treden wij in ene geheel andere orde van zaken, waarvan wedergeboorte het opschrift is; daarom beginnen de ware profeten hun profetie met te zeggen: “Wie gelooft onze prediking? terwijl alle valse profeten van niets dan van overwinningen dromen. Is het niet treffend, dat Gods woord zelf voorzegd heeft, dat het verworpen zou worden, en toch triomferen, dat het altijd zelf zijnen weg maken en zijne eigene grote beloften vervullen zou. Een groot denkbeeld heeft altijd tot eersten welkomstgroet, dat het uitgelachen wordt. Wat zal een weinig kokend water voor wonderen doen? riep men uit toen men van den stoom begon te spreken. Het zelfde heeft men van de oneindig groter denkbeelden Gods gezegd. De grote denkbeelden zijn droombeelden voor de wereld, doch geven zij hun vrucht, hoe gretig grijpt dan de wereld er naar! Ziet het aan de stoomwerktuigen en spoorwegen. Wat zitten wij nu aangenaam in den spoorwagen; doch weet men wel wat het den mannen gekost heeft, die dag en nacht hebben gearbeid bij de overpeinzing van de wetten der natuur en der werktuigkunde? Er behoort dan ook bij grote dingen ene zekere dwaasheid voor anderen, ene zekere vermetelheid, waardoor men iets doet, wat anderen, die de zaak niet kennen, roekeloosheid zouden noemen. Zij geloofden het Evangelie niet, omdat zij zich tegen het licht, dat zij hadden, verzetten; zij hadden de gunst en genade van God verbeurd, zodat Hij ze hun billijk onttrok en weigerde, en bij gebrek van deze geloofden zij niet.
Want deze is de reden, waarom de Knecht des Heren dadelijk aan het begin van Zijn leven door de zijnen miskend wordt, en tevens een duidelijk teken, hoe Jehova’s arm zich dadelijk in het begin van Zijn leven Zich openbaart, Hij is als een rijsje van den tot op den wortel afgehouwen boom van David’s koninklijk geslacht (Hoofdstuk 11:1), voor Zijn aangezicht opgeschoten voor den Heere, wiens raadsbesluiten in Hem tot vervulling komen; en Hij is als en wortel, een scheut uit den in den grond achtergebleven wortel uit ene dorre aarde 1), daar ten tijde van Zijne geboorte en van Zijn optreden zich land en volk bevond onder de wereldmacht, waarvan zij de oorzaak niet bevroedden, in een troostelozen toestand bevonden (MATTHEUS. 2:1. (Luk. 2:1 vv. 3:1 vv.). Hij had, daar Hij zonder alle aardse pracht en heerlijkheid verscheen, voor de ogen dergenen, die naar wereldsen maatstaf meten, gene gedaante noch heerlijkheid: als wij Hem aanzagen, want Hij woonde en vertoefde onder ons, zodat wij Hem lichamelijk voor ons hadden; zo was er voor ons, die geheel in den dienst van ‘t vergankelijke waren weggezonken, gene gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben 2), want tot waarneming van die gedaante en schoonheid, die Hem eigen waren, behoorden andere ogen, dan waarmee wij Hem zagen (Joh. 1:12-14).
Dit was Israël in het algemeen, en het huis van David in het bijzonder. Christus was het rijsje uit den dorren tronk van Isaï; de tronk was er nog wel, maar de heerlijkheid was voorbijgegaan. De moeder des Heren was ene arme maagd, en Jozef een timmerman; doch de Messias moest in dien staat geboren worden, vooreerst: omdat Hij de Heere en daarmee onafhankelijk was van alle uitwendige stoffelijke grootheid; wat Hij te doen had, moest Zijn persoon alleen doen. Maar ook ten andere, opdat het waarlijk en wezenlijk zijn zou, dat Hij, die rijk, oneindig rijk was, arm is geworden, zó arm, dat Hij daarin Zich beneden de vogelen onder den hemel en de vossen in de woesten stellen kon, om ons, armen, rijk te maken. Doch juist daarom kende de wereld Hem niet, want deze erkent alleen de grootheid, den rijkdom, de eer, als waardig om er hare aandacht op te vestigen. Doch de engelen des hemels, voor wie al de heerlijkheid der wereld slechts klatergoud is, riepen de geringe, maar godvrezende herders, door den mond van een hunner toe: “Ziet: Ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad David’s. En dit zal u het teken zijn: Gij zult het kindeke vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe. ” En al de menigte Engelen loofden God, zeggende: “Ere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in mensen een welbehagen!” . In de eerst eeuwen der Christelijke kerk, gedurende haren druk en hare eigene knechtsgestalte vestigde zich de mening, dat de Heere naar Zijnen uiterlijke gedaante lelijk zou geweest zijn. Deze bewering verstomde echter nadat de kerk tot macht en aanzien was gekomen. In de middeleeuwen werd op grond van Ps. 45:3 het tegenovergestelde beweerd, dat de Heere ene schone lichaamsgedaante zou gehad hebben. In de Katholieke kerk is in ‘t bijzonder een brief verbreid, dien een zeker Lentulus, een te Jeruzalem geplaatst Romeins beambte over de gedaante van Jezus naar Rome zou hebben geschreven. Daarin wordt Zijn lichaamsvorm op ‘t nauwkeurigst in alle bijzonderheden beschreven en zelfs Zijne lengte opgegeven. Luther oordeelt aldus: “Het is wel mogelijk, dat iemand lichamelijk zo schoon geweest is als Christus, misschien zijn anderen nog schoner geweest; want wij lezen niet, dat de Joden zich over de schoonheid des Heren hebben verwonderd. ” In de schilderkunst komen de gedaanten van Christus, zo als die door Leonardo de Vinci en Rafaël zijn gevormd, voor, dat het hoofd steeds ene zachte, ernstige, naar ‘t elegische neigende uitdrukking bezit, met ovalen vorm van gezicht en rechten neus, gewelfde wenkbrauwen, een helder hoog voorhoofd en lange vaneen gescheiden, op de schouders vallende haren. “Het lichaam dat de Heere van Maria ontving, was gene koningsgestalte, hoewel het geloof de heerlijkheid zag doorschemeren; het was gene koningsgestalte, want van moeders schoot af was de doods-smart van het Lam Gods Hem medegegeven; de Verheerlijkte daarentegen is boven alle idealen der kunst verheven. ” .
Dit ziet niet, zoals sommigen willen, op Zijn lichamelijke gedaante, maar op Zijn openlijk optreden. De Joden verwachtten een Koning in luister, zittende op David’s boon, een Messias verschijnende in uiterlijken glans, maar de Heere trad op in knechtsgestalte, zonder pracht en praal, en daarom werd Hij niet door Zijn volk in zijn geheel begeerd.
Hij was in geheel Zijn openbaar leven, maar in ‘t bijzonder in Zijn lijden a) veracht, en de onwaardigste onder de mensen 1) met wie hogere stander niets wilden te doen hebben, een man van smarten, 2) en verzocht in ziekte, zodat inwendig allerlei leed en uitwendig allerlei ellende Hem verkoren tot het voorwerp, om zich in alle zwaarte aan Hem te openbaren; en een iegelijk was al verbergende het aangezicht voor Hem, om Hem niet langer te zien (Ps. 22:7 v. (Mark. 9:12), even als men zich afkeert van ene afschuwelijke ziekte; Hij was veracht, door onze oversten, en ook wij, wij hebben Hem niet geacht.
Jes. 49:7; 52:14.
Terecht vertaalt Coccejus, deficiens virorum, d. w. z. ene, wie volkomen ontbreekt, wat hooggeplaatste personen bezitten, schitterende door uitwendig aanzien en gezag, want mensen, eigenlijk mannen, geeft hier de hogere standen aan, in tegenstelling van de menigte, het volk. De Overpriesters en Schriftgeleerden wilden dan ook niet van den Christus Gods weten, ja zij namen reeds spoedig het besluit, dat wie Hem als den Messias beleed, uit de Synagoge zou worden geworpen.
“Een man van smarten” is een man, die enkel smart was. “Hij was verzocht in ziekte, ” niet gedurende Zijn leven, maar in de laatste uren van Zijn lijden op het kruis, als wanneer ongetwijfeld ene felle wondkoorts in Zijn lichaam woedde. “Een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem. ” Dat wil zeggen: niemand wilde Hem kennen, of Hem erkennen voor dien Hij was. En dat is zeker ene van de grootste versmadingen, die men iemand kan aandoen. Ja, Christus ondervond ook deze smart. Er zijn uitgezochte smarten van vijanden, maar ook van vrienden. Ook de ongewijde geschiedenis geeft er ons aandoenlijke voorbeelden van. Wanneer men den ongelukkige, met wie men vroeger bevriend was, in beslissende ogenblikken niet wil kennen, wanneer men zich zijner schaamt, of wanneer men zich houdt als bestond hij voor ons niet, dan is dit een zwaar lijden voor den miskende. Met den Heer begon dit reeds, toen Hij er zich nog niet van bewust kon zijn, bij Zijne geboorte te Bethlehem; Hij werd daar erkend noch geacht, en dit ging zo voort tot in het woord van Petrus: “Ik ken dien mens niet!” Gij ziet, hoe letterlijk de profetie vervuld is. Zag dan wellicht Jesaja Petrus in den geest? Neen, maar gelijk de boom in de kiem ligt, zo ook hier de historie in de voorspelling. Gebruik het mikroskoop, en de figuren komen voor den dag. In de profetie is alles kiem, welke zich in het Nieuwe Testament uitbreidt in de grootste proportie, even als het mosterdzaad, dat hoe klein ook, de grootste boom wordt in zijne soort. Hij was veracht van Zijne vijanden, maar ook Zijne vrienden hebben Hem niet geacht, niet gewaardeerd, zo als zij moesten; alle Zijne discipelen verlieten Hem, en terwijl Hij aan het kruis hing, verhief niemand, uit allen, die Hem hadden liefgehad, zijne stem tot een getuigenis voor Hem; nochtans was Hij niet zonder de zijnen; de moordenaar aan het kruis werd de vertegenwoordiger der gemeente van Hem, als den gekruisigden Christus. Dit wil niet zeggen dat het lichaam des Heren een ziekelijk lichaam was, maar dat, vanwege den toorn Gods tegen de zonde, die op Hem ruste, Zijn ganse leven en inzonderheid, het einde van Zijn vernederd leven één lijden was. Ook moet men niet vergeten, dat het ijvervuur Gods hem als het ware verteerde, dewijl, zoals Hij in Ps. 40 zelf getuigde, de Wet des Heren in het binnenste van Zijn ingewand was.
Waarlijk, zo moeten wij bekennen, nu onze ogen zijn opengegaan voor de reden en betekenis van dezen Zijnen lijdenstoestand, Hij de Knecht des Heren in de volle betekenis van het woord, die volgens Zijne volkomen gerechtigheid recht zou gehad hebben, om van alle ziekte en elke smart vrij te blijven, heeft door Zijn Middelaarsambt, dat Hij volgens den wil Gods op Zich had genomen, onze krankheden 1) al de gevolgen en straffen der zonde, die wij door onze overtredingen bewerkt hadden, en die nu ook door iemand moeten geboet worden op Zich genomen, en onze smarten, een last, die zo zwaar was, dat zij ons zou verbrijzeld hebben, zo wij dien hadden moeten dragen, heeft Hij gedragen 2) om door plaats bekledende voldoening voor onze zonden ons daarvan te verlossen (MATTHEUS. 8:17 (Joh. 1:29); doch wij in onze toenmalige verblinding, toen wij en de oversten van ons volk zelf de werktuigen waren, waardoor Hij in het diepste lichaams- en zielelijden werd neergestoten, achtten Hem, dat Hij, als een uitwerpsel der mensheid, als een misdadiger boven alle misdadigers ook met een lijden van geheel bijzonderen aard geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
Onze krankheden zijn dan hier de straflijkheden die wij verdiend hadden, daar wij onderlagen, die had Hij als Borg op Zich genomen, al in den eeuwigen Vredesraad; en onder die betrekking, als die op Zich hebbende en vrijwillig op Zich genomen hebbende, moest men Hem aanmerken onder het lijden des doods. Als een gevolg van dien was het dan ook waar: en onze smarten, die heeft Hij gedragen. Krankheden worden hier ter aanduiding, niet van lichamelijke ziekten, maar als zinnebeelden van geestelijke ellenden vermeld, die niet anders zijn dan kwalen ener zondige en lijdende ziel. Voor hun oog staat alzo de Knecht des Heren, als persoonlijk met die krankheden en smarten beladen, zodat hij een sprekend toonbeeld van menselijke ellende mocht heten. Toch waren het oorspronkelijk niet Zijne maar hun ellende te noemen, die hier kennelijk worden voorgesteld, als van hun op Zijne schouders overgedragen, zodat zij willen zeggen met andere woorden: wat wij hadden moeten dragen, verduurde Hij, dien wij in onze diepe verblinding voor een van God veroordeelde om eigene ongerechtigheid hielden. Er is een innerlijk verband tussen ziekte en zonde. Wat de zonde is voor de ziel, dat is de ziekte voor het lichaam. Reeds licht dit in onze taal, men wordt gekrenkt in het gemoed, men wordt ziek in het lichaam. Zonde en ziekte hebben ook ene gemeenschappelijke bron en oorsprong. Van daar dat bij den Heere met de prediking des Evangelie, altijd de genezing der krankheden en kwalen gepaard was. Ja Christus is persoonlijk ingegaan in ons lijden, in onze ellende, en, zonder zonde, in onze zonden. En nu is de liefde de vereenzelving van hetgeen buiten ons is, met hetgeen binnen ons is. Liefde is ingang in de ellende van anderen. Hier ligt de oplossing. Die verachte man was de beloofde Messias, de Zoon van God, de Heer der heerlijkheid. Hij hing aan het kruis, maar als de Borg, die vrijwillig de schuld op Zich had genomen, niet van alle mensen, neen, maar van allen, die Hem toebehoren en Hem als hun Borg aannemen. God strafte in Hem de zonde van Zijn volk, welke zonde Hij als Borg vrijwillig op Zich genomen had. Willen wij deel aan Christus hebben, dat wij Hem dan in de dierbare belofte: “Wie in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven” aangrijpen. Alleen de gekruisigde Christus redt ons; Christus zonder het kruis redt ons niet, en kan ons niet redden. Bidden wij om de gave des geloofs in Hem, die onze krankheden op Zich genomen en onze smarten gedragen, en Zijne ziele uitgestort heeft in den dood, om ons uit den dood eeuwig zalig te doen leven. Treffend is in dit hoofdstuk de tweespraak van den profeet. Aan de ene zijde verenigt Hij Zich als mens met Zijn volk, zo als het in zijn ongeloof het lijden van den Messias beschouwt, en aan den anderen kant onderricht hij het als profeet des Heren, welk een lijden het in waarheid en voor God was. Die het niet beter wist, beschouwde Jezus op het kruis als een goddeloze, die van wege Zijne eigene zonde leed, en Zijne discipelen en discipelinnen konden zich de zaak niet verklaren, ofschoon Jesaja reeds hier de gehele zaak volkomen verklaard had. Doch zij verstonden de profetieën niet, deze moesten hun nog geopend worden, en zij werden hun geopend op den opstandingsdag, den dag der heerlijkheid.
In den grondtekst staat een woord, hetwelk tegelijk opnemen en dragen betekent. De Christus Gods heeft dan ook niet voor eigen zonden geleden, maar heeft de zonden Zijns volks op zich genomen en ze daarom gedragen, d. i. heeft ze als Borg door Zijn plaatsbekledend lijden verzoend. Dit is het heerlijk Evangelie voor al degenen, die om hun zonde leren treuren, ze leren belijden voor een heilig God. Christus heeft ze op Zich genomen en daarom niet alleen de zonde maar ook de gevolgen der zonde weggenomen, d. i. den eeuwigen dood, met al zijn schrikkelijke gevolgen.
Maar, hoewel het volkomen juist is, dat Hij in Zijn lijden als de drager van den Goddelijken toorn voorkomt, en als een uitvaagsel der mensheid, wie nu ook de ganse vloek Gods op eens treft, en op wie alle straffen voor menselijke zonde opeengestapeld zijn, zo was dit verkeerd, dat wij meenden, dat Zijne eigene zonde, Zijne eigene misdaad Hem tot zulk enen drager van Gods toorn had gemaakt, Integendeel a) Hij is, gelijk wij nu, door Gods Geest verlicht, begrijpen, om onze overtredingen door kruisnagels ter dood toe verwond; om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld 1) is Hem de wreedste, smartelijkste en smadelijkste doodstraf aangedaan; de straf, die Hij in dien dood lijdt en ons met God verzoent, die ons den vrede aanbrengt, zo volkomen, dat aan deze niets doemwaardigs meer is (Rom 8:1), was op Hem, en door Zijne striemen, de bloedige striemen, die Hem geslagen zijn, is ons genezing geworden 1) van onze geestelijke ziekte (vs. 4), zodat nu een nieuw, Goddelijk leven in ons ontstaat (1 (Petrus 2:24).
Rom. 4:25. 1 Kor. 15:3.
Dat is, om voor dezelve verzoening te doen, en vergiffenis voor ons te verkrijgen. Onze zonden waren de doornen in Zijn hoofd, de nagels in Zijn handen en voeten, de speer in Zijn zijde.
De profeet doet al het mogelijke, om door de veelvuldige herhaling van hetzelfde denkbeeld in andere bewoordingen, alle onzekerheid en onduidelijkheid weg te nemen, en waarom doen dan zo velen al het mogelijke, om deze waarheid weg te redeneren, te ontzenuwen en krachteloos te maken? Waarom wil men toch op andere wijze behouden worden dan God ons wil behouden? Waarom wil men den volmaakten troost, dien God ons geeft, door ons in Christus de volmaakte kwijtschelding onzer schuld te geven, niets aannemen, om zich te troosten met eigendunkelijke voorstellingen van Gods goedheid en vergevensgezindheid? Men zegt: God is liefde; wie zal het ontkennen? Hij is de liefde, maar is Hij ook niet de heiligheid? Hij heeft geen lust aan den dood des zondaars, zeker, maar heeft Hij zelf niet den dood over den zondaar uitgesproken? Hij wil dat de zondaar zich bekere en leve, onbetwistbaar, maar hoe kan de zondaar zich bekeren en leven, wanneer zijne schuld en zijne straf, zijne zonden en zijn dood niet van hem worden weggenomen? En waar is nu de Goddelijke vereffening van deze Goddelijke tegenstrijdigheden anders te zien en te tasten dan in de zelfofferande van Christus, in welke de liefde en de heiligheid Gode samenvloeien tot verzoenende liefde, tot barmhartigheid, tot ontferming, tot genade? Zalig de mens, die met de droefheid over eigene zonden, dezen troost van God ontvangen heeft! Hij kan op aarde niets hogers ontvangen, want daarna volgt de heerlijkheid. Hij is om onze overtredingen verwond. Merkt de letterlijkheid der voorspelling op. Het kruislijden wordt ook hier bepaald voorzegd. Op het kruis werd het lichaam verwond door het indrijven der nagelen. Het oorspronkelijke woord betekent echter meer doorstoken; ook hiervan had de vervulling letterlijk plaats. Hetzelfde geldt het woord: door Zijne striemen is ons genezing geworden. Niets laat striemen achter dan geselslagen, en deze gingen de kruisiging vooraf. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem. God kan niet anders straffen dan zonden, en hoe zou God dan den Rechtvaardige, den Heilige, de straf hebben kunnen opleggen, indien niet Hij zelf Hem tot zonde had gemaakt voor ons, opdat wij rechtvaardigheid Gods zouden zijn in Hem, (2 Kor. 5:21), dat is, indien niet God Zijn Zoon in de plaats van den zondaar, en de zondaar in de plaats van Zijn Zoon had gesteld? Er is gene andere verklaring, welke dezen naam verdient, denkbaar. In dit, onze vrede en onze genezing, ligt het volle heil opgesloten, want daaruit blijkt, dat Christus niet alleen de oorzaak van zonde en dood heeft weggenomen, maar ook door zijn lijden en sterven de oorzaak is geworden, dat alle zijne gelovigen weer in den rechten toestand zijn ingezet. Door de zonde was het onvrede met God geworden en was de mens in den staat des geestelijken doods gekomen, maar Christus lijden en zoendood heft den mens niet alleen uit zijn doodstaat op, maar geeft hem ook het recht op het eeuwige leven, hetwelk hij door de zonde van zich gestoten had.
Wij 1) dwaalden allen als schapen, die hunnen herder ontlopen zijn (1 (Petrus 2:25), en zwierven zonder enige onderlinge vereniging in de woestijn rond, alleen gedreven door laag eigenbelang; wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg, gelijk ene kudde onbedachtzaam uit elkaar loopt (Hoofdstuk 56:11); doch de HEERE, die ons niet wilde laten omkomen, maar door de grootste daad Zijner liefde uit ‘t verderf wilde uitrukken, heeft onzer aller ongerechtigheid 2) op Hem doen aanlopen. 3) Plaatsbekledend is Hij voor ons in ‘t lijden gegaan, opdat wij niet in ‘t gericht zouden komen, maar van den dood in ‘t leven zouden overgaan (Joh. 5:24. 2 Kor. 5:21
Zo spreekt niet Israël als volk, maar zo spreekt het volk, dat tot belijdenis van zijn Messias is gekomen, zo spreken de gelovigen. En wat belijden zij hier? Dat zij zelf onmachtig en onwillig waren om zelf den weg tot God en daarom dien tot vrede te vinden. Zou er dus redding en verlossing komen, den moest dat komen enkel en alleen van de zijde Gods. En Hij heeft het gedaan. Dat getuigt het tweede gedeelte.
In het Hebr. Eet awoon kullane. Het eerste woord kan wel door, ongerechtigheid worden overgezet, dewijl wij er schier geen beter woord voor hebben, maar in het woord zelf ligt niet alleen de betekenis van de zonde, maar ook die van de gevolgen der zonde opgesloten, derhalve die van de schuld en de straf der zonde. Als dus hier gezegd wordt, dat onze ongerechtigheid de Heere heeft doen aanlopen op Zijn lieven Zoon, dan wordt hier geleerd, dat Hij niet alleen de zonde heeft verzoend, maar ook de schuld betaald, maar ook de straf heeft gedragen, zonde en zondegevolgen heeft weggenomen.
Naar u, naar u, Calvarie! hef ik mijne ogen op, van daar mijne hulp! naar dat kruis, dien wonderbaren afleider van al de bliksemen des toorns van God. Van daar kwam ze voor u, mijn broeder, mijne zuster! toen gij u schuldig nederboogt in het stof; van daar kwam redding, toen u bij de grootheid van uwen zondelast alle hulpe onmogelijk scheen, van daar kwam ze duizendwerf tot telkens nieuwen troost en nieuwen vrede; want onze God vergeeft menigvuldig; Hij redt ons keer op keer. Vandaar zal ze komen, armen van geest, treurenden, dorstenden naar de gerechtigheid! want gene zondares werd ledig weggezonden, gene Kananése blijft altijd bij een zwijgenden of weigerenden Jezus, geen moordenaar, die het “rechtvaardig” betuigt, blijft zonder verlossingswoord. Van daar kan hulpe komen, kinderen der wereld! want Christus is ook de eerste, de alfa, zonder wie niemand tot den Vader komt, die ook het eerste zaadje legt in het hart, dat Hij opent. Heft dan allen de ogen naar den kruisheuvel op. Van daar, ja van daar alleen is onze hulpe. De valse theologie maakt Christus tot een zedenmeester, die tot den mens zegt: “doe als ik en gij zult zijn wat ik ben”, zonder in het minst er aan te denken, dat dit hetzelfde is, alsof de gezonde dokter tot den kranken lijder zei: Doe als ik, en wandel en beweeg u in de vrije lucht, en doe uwe bezigheden, en gij zult zijn als hen. Is het gene dwaasheid? Zou het gene bespotting van den zieken mens zijn? En deze wilt gij Gode toeschrijven? Neen, alleen dit is ene leer, Gode en den mens waardig, dat God gene heiligheid eist van den zondaar, maar geloof dat is: vertrouwen in de liefde van God, die in Christus de zonde overneemt van den zondaar, en haar verzoent. Het hebreeuwse woord, hier door aanlopen vertaald, is treffend, en betekent het aanvallen van ene bende op een bepaald punt; wij zouden zeggen het storm lopen met geveld geweer. Ook betekent het de aanloping der wateren op ene rots. Even als op ene rots in zee al de golven aanlopen, of even als een stroom, gezwollen door het smelten der sneeuw, of gelijk in ons land de zee zelf voortgezweept door den orkaan, met rustelozen en altijd hogeren golfslag zo geweldig op onze dijken beukt, dat zij niet zelden bezwijken, zo liepen ook op Christus aan het kruis al de gezwollen stromen van het gebergte, al de baren ener woedende zee, voortgedreven door nog woedender orkaan, met alle verwoedheid aan, en Hij bezweek niet, want Hij was de Rots der eeuwen. Al de smarten, al de vloeken, al de vijandschap der mensen, al de toorn van God liepen op Hem aan als zo vele stormen en stromen. En Hij was ene levende Rots, de Godmens, die fijner en dieper gevoelde dan enig mens gevoelen kan, bij wie alles ene duizendvoudige verhoging van smart was, omdat Hij alles met de hoogste kracht gevoelde. Zo als wij zeiden, niet overwonnen, evenmin als de rots in zee door de zee wordt omvergeworpen; neen, op de rots moet de zee breken. Zo moest ook alles breken op Christus, ook de toorn van God; wel brak deze Zijne mensheid; Zijn lichaam werd verbroken, Zijn bloed vergoten, Zijne ziel uitgestort in den dood, maar in Zijne mensheid was Zijne Godheid, en op deze moest zelfs de toorn van God breken; want tegen de Godheid is geen toorn.
En hoe gewillig heeft Hij Zich overgegeven tot zulk een plaatsbekleder! Als die schuldbetaling geëist werd, toen werd Hij verdrukt 1), doch a) Hij deed Zijnen mond niet open; als b) een lam werd Hij ter slachting geleid (Jer. 11:19), en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijnen mond niet open.
(MATTHEUS. 26:63, 27:12, 14. Marc. 14:61; 15:5. b) Hand. 8:32. Of beter vertaald: “gekweld werd Hij, en Hij liet Zich verdrukken. “
Hij is door den dood, waarin Zijn lijden eindigde, uit den angst en uit het gericht weggenomen 1), a) en wie zal Zijnen leeftijd, dien Hij daarvoor ingetreden is, uitspreken? 2) want Hij is afgesneden uit het land der levenden (Hoofdstuk 38:11) door enen geweldigen en vroegtijdigen dood; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest 3) dat Hij gestorven is, is Hij eenmaal der zonde gestorven (Rom. 6:10), zodat de dood met Hem niets meer te doen heeft.
De Heilige Geest herhaalt hetzelfde denkbeeld onophoudelijk onder andere uitdrukkingen, opdat wij toch, waar wij den Messias zien lijden, aan een plaatsvervangend, borgtochtelijk lijden denken. De Schrift heeft daarmee gezorgd, dat het niet mogelijk zij in deze grote zaak, waar alles op aan komt, mis te tasten-Wij moeten Jezus volk, Hij moet onze Zaligmaker zijn, zullen wij zalig worden. Waar nu gezegd wordt dat de Christus uit dit leven is weggenomen, dat is op tweeërlei wijze geschied, n. l. door verdrukking der mensen en door Gods oordeel. Want toen hij van den mens zo zwaar en zo geweldig verdrukt is, toen heeft de Heere zijn oordeel volbracht en gevolgelijk is het niet alleen van mensen wege geschied, dat Hij uit dit leven werd weggenomen door de handen der goddelozen, maar door Gods oordeel, gelijk als Zijne hand en Raad had bepaald en volbracht heeft, tot onze zaligheid. De klemtoon valt hier niet op het feit, dat Hij van het lijden bevrijd is, maar hierop, dat Hij, zoals Delitzsch terecht aantoont, geleden heeft. Hij lag onder het oordeel Gods om der zonde wil, omdat God de zonde op Hem had geladen.
Anderen, zoals Delitzsch, vertalen. En zijn tijdgenoten, wie bedacht dit? n. l. wat nu volgt. Onze Staten-Overzetters tekenen aan, “of Zijn geslachten, dat is, Zijn kinderen, die geestelijk uit Hem zullen geboren worden. ” Dit laatste achten we beter, dan Zijn leeftijd, hoewel over de vrucht van Zijn borgtochtelijk lijden eerst in vs. 10 en 11 wordt gesproken. In Gen. 6:9 wordt het woord Doer, door geslachten, d. i. tijdgenoten, vertaald.
En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, men bepaalde voor Hem, daar Hij als een misdadiger uit het land der levenden werd weggenomen, Zijn graf op de hoofdschedelplaats, om daar met de moordenaars begraven te worden; maar Gods bijzondere leiding, die Hem dadelijk met het sterven uit den angst en het gericht wegnam, beschikte het anders, en Hij is bij de rijken in Zijnen dood geweest, daar men Hem in het graf legde, dat voor enen rijken bestemd was (MATTHEUS. 27:60); daarom heeft die dadelijke verandering, waardoor Hij, die op de smadelijkste wijze gedood was, een graf van de meest eervolle soort ontving, plaats gehad, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijnen mond geweest is, en Zijne rechtvaardiging en verheerlijking dus dadelijk met Zijnen dood moest beginnen. Is Hij de Heilige, wie verklaart dan zulk een lijden, zonder dat de rechtvaardigheid Gods wordt geschonden, anders dan van den Messias, die door God zonde is gemaakt? In den grondtekst staat niet eenvoudig, “in of na Zijnen dood, ” maar het woord is in meervoudigen vorm, Zijne doden” gezet (vgl. Ezechiël. 28:10), om Zijnen dood aan te wijzen, die om Zijne smart gelijk is aan vele doden. Het is niet zonder betekenis, dat omtrent den Verlosser zo dikwijls Zijn vrij zijn van alle bedrog, Zijne strenge waarheidsliefde op den voorgrond wordt gesteld (Joh. 8:45 v. 1 Petrus 2:22. 2 Kor. 5:21. 1 Joh. 3:5). Hij wijst Hem niet alleen aan als enen buitengewonen mens (Ps. 116:11. Rom. 3:4), maar dit behoort ook werkelijk tot Zijn profetisch ambt, hoe dat de oorzaak was van vreselijken haat, waarom men Hem vervolgde.
Doch het behaagde den HEERE Hem, die geen kwaad had gedaan (Luk. 23:41) en dus het allerminst den marteldood had verdiend, te verbrijzelen, Hem het allerzwaarste lijden op te leggen. Hij heeft Hem ziek gemaakt (vs. 3, 4), om aan Hem en door Hem Zijn eeuwig raadsbesluit te volvoeren; als Zijne ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben 1) als Hij voor de misdaad der menselijke zonde de genoegdoening, die God eist, zal gegeven hebben, en de door den mens veroorzaakte schuld door een daartegen opwegend lijden zal verzoend hebben, zo zal Hij, overeenkomstig hetgeen dat raadsbesluit Hem toekende, zaad zien, ene nakomelingschap, die tot de laatste geslachten duurt in de gemeente van verloste Joden en Heidenen (Ps. 22:31); Hij zal de dagen verlengen tot in alle eeuwigheid (Openbaring 1:18), en het welbehagen des HEREN zal door Zijne hand gelukkiglijk voortgaan 1) in het zaligen van zondaars, totdat aan ‘t einde der tijden de volmaking komt.
Niets kan den loop van het Christendom ophouden. Wordt het door Israël verworpen, het gaat over tot de Heidenen. Wordt het door de geleerden en wijzen der wereld ter zijde gesteld, God geeft het aan de eenvoudigen en aan de kindertjes. Zien wij daarom toe voor ons zelven, want nemen wij het niet aan, het wordt door anderen aangenomen, en dan zullen deze oordelen. Christus Jezus heeft als de knecht des Heren, zijne ziele d. i. zijn gehelen persoon tot een schuldoffer gesteld. Hij heeft met Zijn gehelen persoon den borgtocht betaald, naar lichaam en ziel beide. Het gold hier, of alle Gods uitverkorenen tot in eeuwigheid de schuld bij God betalen, of Hij. En nu, de Profeet getuigt er van dat Hij het gedaan heeft. Hij alleen, Hij geheel. En het is daarom dat Hij zaad zou zien, ene grote schare, die niemand tellen kan, die eenmaal, voor den Troon, het Lam dat geslacht is, zal uitroepen, als waardig te ontvangen, den lof en de prijs en heerlijkheid.
Alzo zegt nu weer de Heere, die reeds in Hoofdstuk 52:13 vv. Zijn beeld ons voorstelde: Om den arbeid Zijner ziel in het werk, dat Ik Hem opgedragen heb, dat Hij volbracht, en omdat Hij ene ellende op Zich nam, die niet alleen lichamelijk Zijne krachten verteerde, maar Hem ook tot in ‘t diepste der ziel afmartelde, zal Hij het zien en zal het heerlijkst hemelleven, de allerhoogste zaligheid zijn deel wezen. Hij zal verzadigd worden 1) aan de zalige vruchten van Zijn verlossingswerk, Hij zal de volheid genieten van de vreugde, die Hij hier slechts enigszins voor een ogenblik mocht genieten (Luk. 10:21); door Zijne kennis, door Hem gelovig te leren kennen in al de kracht van Zijn lijden, van Zijn werk, van Zijn persoon zal Mijn knecht, de rechtvaardige, velen uit de Heidenen tegenover de weinigen uit de Joden rechtvaardig maken 2) in de eerste plaats, door de rechtvaardiging, die hen ten deel wordt, maar ook door de heiliging van hart en wandel; want Hij zal hun ongerechtigheden dragen (vs. 4). Zijne voortgaande hogepriesterlijke werkzaamheid zorgt er voor, dat die zouden worden uitgedelgd; en met de vergeving schenkt Hij den zijnen de krachten der toekomende eeuw, om Zijn eigen beeld in hen te verheerlijken.
Christus nu is de knecht Gods, niet alleen daarom dat Hij in het eeuwige verbond der genade al de schuld en de gehele zaak der uitverkoren zondaren op zich genomen heeft, van welke knechtelijke dienstbaarheid Hij evenwel zich zelven, de betaling nu geschied zijnde, ontlast heeft, maar ook uit kracht der menselijke natuur, naar welke alle mensen dienstknechten Gods zijn. Een arbeid der ziel, waarvan Gods engelen nooit de diepte peilen, en al de verlosten saam nooit het eeuwig schoon zullen uitmeten. Een arbeid der ziel om vlees te zijn. Een arbeid der ziel om in het vlees te blijven. Een arbeid der ziel, om de anderen, die vlees waren, niet af te stoten, maar te trekken. Een arbeid der ziel, om de zonde, om den vloek, om den last des toorne Gods te dragen. En. toen eindelijk. den arbeid der ziele, om den dood in te gaan, dien dood van binnen aan te grijpen, en eindelijk uit dat rijk der doden, met den getemden dood aan de keten, achter zich als overwinnaar Gods te verschijnen aan zijn jongeren, d. i. aan zijn Kerk, aan allen in die Kerk, die vast in het verbond liggen: ook aan u, ook aan mij. En toen zag hij het om dien arbeid zijner ziele. En Hij maakte er velen rechtvaardig, en werd verzadigd! Dat is ons Paasfeest, mijn broeder! Emmanuel, God met ons! . Die arbeid Zijner ziele, strekte zich over geheel het vernederd leven van den Middelaar uit. Niet alleen aan het einde van zijn vernederd leven, maar geheel zijn leven door heeft Hij den toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijk geslacht, zoals onze Heidelberger het uitdrukt, gedragen. Niet alleen in Gethsemané, maar ook op Thabor, kwam die arbeid zijner ziele uit, als Hij niet daar den uitgang naar den hemel koos, maar dien, welke leidde door Gethsemané over Golgotha naar den Olijfberg.
Het grote voorrecht dat ons uit den dood van Christus toevloeit, is de rechtvaardiging van de zonde, ons die schuld, welke op zich zelf ons verderven kan, kwijtscheldende en wij in Gods gunst en vriendschap, die ons alleen kan gelukkig maken, aangenomen wordende. Christus, die onze rechtvaardiging voor ons verworven heeft, past ons dezelve toe, door Zijne voorbede voor ons, door Zijn Evangelie dat ons gepredikt wordt, en door Zijn Geest, in ons getuigende. Het is door het geloof, dat wij gerechtvaardigd worden, door aan Christus en het Verbond der genade onze toestemming te geven. Door dit middel worden we zalig, omdat God op die wijze het meest verheerlijkt, de vrije genade meest verhoogd, wij zelf het meest vernederd en ons geluk het allerkrachtigst en veiligst verzekerd wordt.
Daarom, opdat Hij op die wijze velen rechtvaardige, zal Ik Hem een deel geven van velen, die uit alle volken der aarde (Ps. 2:8) in Zijnen naam gelovig worden, en Hij zal de machtigen, die eerst na veel moeite erkennen dien, die sterker is dan zij, als een door delen, zodat zij zich ootmoedig onder Hem buigen; omdat Hij Zijne ziel uitgestort heeft in den dood, ten loon voor Zijn gehoorzaam lijden, zal Ik Hem begiftigen met de macht over alle zielen der mensen, a) en omdat Hij met de overtreders is geteld geweest volgens vrijwillige vernedering (Mark. 15:28. (Luk. 22:37), en Hij veler zonden 1) gedragen heeft, en zo getrouw als drager van de zonde van anderen, dat Hij zelfs voor de overtreders, die Hem aan den dood hadden overgegeven, gebeden heeft, (Luk. 23:34), daarom zal Hij gesteld worden ten Hoofd over alle dingen.
Mark. 15:28.
Hij heeft veler, niet aller zonden gedragen. Christus is de Zaligmaker alleen van Zijn volk, nogthans het is een groot volk, de eeuwigheid zal het openbaar maken. Reeds op het kruis werd in de twee moordenaars het begin gemaakt der grote scheiding tussen hen, die door den gekruisigden Christus zalig worden, en hen, die niettegenstaande Christus gekruisigd is, verloren gaan. De Heilige Geest heeft er geen genot in, om vele woorden nutteloos te gebruiken: daar Hij echter hier breedsprakig voorkomt, als een, die hetzelfde bijna met dezelfde woorden herhaalt, zo is er geen twijfel aan, of hij handelt hier van ene zaak, die ten hoogste nodig is juist gekend te worden. Wij hebben het meest beroemde van al zijne orakelen aangehoord. De Godsspraak herlezende, bevreemdt het ons allerminst niet, dat zij in Gods hand het middel werd, om den Ethiopischen kamerling tot het levend geloof in den Verlosser der wereld te brengen. De vraag intussen, die hij de vrijheid nam aan Filippus te richten, is niet voor de laatste maal te dier ure op de lippen genomen. Wij staan gereed het antwoord te rechtvaardigen, dat reeds bij de herlezing dezer profetie in menig hart is gerezen. Maar in de licht bewijsbare veronderstelling, dat op al de genoemde plaatsen van dezelfden Persoon wordt gesproken, beginnen wij ons onderzoek op nog breder schaal dan de moorman, en vragen: wie is de Knecht des Heren? “Het Israëlitische volk, ” zo beweren niet weinige uitleggers, “heet hier de knecht des Heren, zijn getuige en afgezant in het midden der heidense wereld. De roeping en verkiezing, de smaad en strijd, en herstelling en verheerlijking der natie, of althans van het beter gedeelte der natie-ziedaar wat ons hier in hoog-profetische taal zinnebeeldig wordt voor ogen gesteld. ” Wij zullen niet ontkennen, dat Jesaja nu en dan van zijn volk, als van een dienstknecht des Heren gewaagt. “gij Israël, ” zo heet het bij hem, “gij Jakob, dien Ik verkoren heb. ” En evenzo ziet het ongetwijfeld op Israël, wanneer straks de diep beschamende vraag wordt gedaan: “Wie is er blind, gelijk mijn knecht, en doof gelijk de bode, dien Ik zende; wie is blind, gelijk de volmaakte, en doof, gelijk de knecht des Heren?” Maar reeds die berisping doet zien, dat in den hooggestemden aanhef van hetzelfde hoofdstuk (Hoofdstuk 42:1) onmogelijk alleen van Israël, als knecht des Heren gesproken kan worden. Of zou die dove en blinde, die zo scherp wordt bestraft, dezelfde kunnen zijn, dien Jehova heeft uitverkoren, en in zijne ziele een welbehagen heeft? Is er geen hemelsbreed onderscheid tussen het doorgaand karakter des Israëlitische volks, zelfs van het beter gezinde gedeelte, en de geaardheid van den hier geschetsten persoon? Wordt niet bovendien het volk kennelijk onderscheiden van den dienstknecht des Heren, en deze als volvoerder van Gods raad ook onder de stammen van Jakob geschetst? Zou het van Israël als zodanig gelden kunnen, dat de eilanden op zijne leer wachten, dat de koningen het zouden aanbidden, dat het blinden ziende maken en gevangenen uit hun diensthuis uitleiden zou? Zou het lijden van dit volk met recht kunnen beschouwd worden, niet als vrucht van eigen verkeerdheid, maar uitsluitend van anderer zonde, en door Jehova vrijmachtig verordend, om vreemde schuld te bedekken? “Neen, ” zo roepen ons anderen toe, “niet Israël, maar de Profetenstand in Israël, ziedaar de hier bedoelde knecht van Jehova. Denk aan die reeks van eerbiedwaardige mannen, die den waren godsdienst hebben gehandhaafd onder Abrahams verbasterd geslacht; aan het licht dat zij zowel in als buiten Palestina verspreid; van het lijden, dat zij voor recht en waarheid ondergaan; aan de welverdiende eer, die zij voor dat lijden ingeoogst hebben, en gij zult u niet langer verwonderen, zoveel groots en heerlijks van een idealen persoon te vernemen, waarin als ‘t ware de keur en kern des Profetendoms u aanschouwelijk voorgesteld wordt. ” Hoe jammer, dat tegen die schoonklinkende voorstelling althans een onoverkomelijk bezwaar moet ingebracht worden! Er is namelijk geen enkel bewijs, dat er immer een eigenlijk gezegde profetenstand, een zedelijk lichaam bestaan heeft, dat voegzaam als Jehova’s dienstknecht kon aangeduid worden. Wel zien wij, zo vaak zij geroepen worden, afzonderlijke profeten onder Israël optreden, maar nimmer werken zij anders dan elk op zich zelven. Hoe onwaarschijnlijk bovendien, dat zulk een profetenstand, in Israël werkzaam, hier met den naam van Israël zou aangeduid worden! Inzonderheid was gedurende het tijdperk vóór en na de Babylonische ballingschap, waarop deze hoofdstukken wijzen, zulk een profetenstand verder dan immer te zoeken. Het is dan ook slechts ene enkele maal, als in het voorbijgaan, dat de profeet, die hier spreekt, zich zelven als een knecht des Heren vermeldt. Andere Godsgezanten nevens hem worden nergens op den voorgrond geplaatst. Lijden en smaad, gelijk hier aan den knecht Gods worden toegekend, zijn, wel is waar, tot zekere hoogte aan enkele profeten ten deel gevallen, maar nimmer aan de profetische roeping als zodanig onafscheidelijk verbonden geweest. En waar staat het geschreven, dat de profeten zich onschuldig en vrijwillig moesten overgeven, om de nationale schuld voor het aangezicht Gods te bedekken? Waren de profeten, met een uitzondering van een Jona wellicht, immer in zulk ene betrekking tot de heidense wereld geplaatst, als hier aan den knecht des Heren wordt toegewezen? Konden zij enig uitzicht hebben op zulk ene weergaloze verhoging uit lijden, als hier te zijnen aanzien gespeld wordt? Ware het in den mond van den godvruchtigen Jesaja gene bespottelijke grootspraak geweest, zulke grote dingen te verkondigen aangaande zich zelven en zijne medegetuigen? En zo de hier bedoelde knecht des Heren dezelfde is, die bij Ezechiël als David, en bij Zacharia als de Spruit voorgesteld wordt, hoe kan die aanduiding bij mogelijkheid alleen op den profetenstand doelen, waaraan toch nergens ene koninklijke of priesterlijke waardigheid toegekend wordt? Zo dringt ons dan alles om te denken aan een bepaalden persoon. In geen geval kan het Cyrus zijn, die in deze hoofdstukken wel als de gezalfde des Heren, maar nimmer als Zijn dienstknecht wordt toegesproken, en gene eigenlijk gezegde profetische zending onder het volk te vervullen had. Maar welk profeet stond immer in Israël op, van wie alles kan gezegd worden, wat op al de beschouwde plaatsen aangaande den Knecht Gods is verzekerd? Het zal toch wel hoogst willekeurig zijn te vermoeden, dat in Hoofdstuk 42 en 49 van een anderen persoon wordt gesproken, dan op wie Hoofdstuk 50 en 53 gedoeld wordt. De Knecht Gods kan Hij slechts zijn, in wie ieder woord, dat wij hoorden, zijne volle vervulling ontvangt. Maar nog eens, op welken Godsgezant, wij moeten weer zeggen, op welk sterveling in het Oude Verbond kunnen deze uitspraken naar waarheid toegepast worden? Vrij neme men de proef met wie men wil, met een Jesaja, een Hizkia, een Uzzia, of van wie men hier immer heeft menen te vinden, en men zie, of de profetentaal niet deels ongerijmd, deels zelfs godslasterlijk klinkt! Geen profeet heeft onder Israël meer gedaan en gedragen dan Mozes, en toch, al denkt men zich zelfs een tweeden Mozes, wat geweld moet men de voorstelling aandoen om haar van zodanig een profeet te verklaren! Neen, alles roept ons om, bepaaldelijk aangaande het 53e Hoofdstuk, het woord van Luther over te nemen; “er is in het ganse Oude Testament geen klaarder voorstelling, beide van het sterven en het weer opstaan van Christus: zij moest door elke Christen in het geheugen geprent en bewaard worden. ” Maar wat van het 53e Hoofdstuk geldt, blijft even spoedig van het 42e, 49e en 50e, dat daarmee zo nauw is verbonden. Onwedersprekelijk staat het alzo, na ieder vernieuwd onderzoek vast: de Knecht des Heren bij Jesaja is dezelfde als de grote Davidspruit, op wie reeds in het eerste gedeelte zijner profetie was gewezen, en die ook in deze hoofdstukken althans nog eenmaal met name aangeduid wordt. En ten bewijze dier sterling beroepen wij ons, niet slechts op zo vele oude Israëlitische uitleggers, die hier den Messias gevonden hebben, zo lang gene polemiek tegen het Christendom hen naar ene andere verklaring deed omzien; zelfs niet alleen op de bekende uitspraken des Nieuwen Verbonds, die gedurig verzekeren, dat hier het lijden en de heerlijkheid van den Messias getekend wordt; maar vooral op den inhoud dier merkwaardige hoofdstukken zelf, die zo duidelijk het karakter vertonen, of van geheel onvervulde, of van in Christus vervulde voorspelling. Enkele trekken, waarvan de uitkomst niet schijnt te beantwoorden aan de profetische tekening, zullen die overtuiging niet schokken, wanneer wij slechts in het oog blijven houden, dat het Messiasbeeld natuurlijk geschilderd moest worden met de kleuren en naar de behoeften des tijds, en bovendien, dat wat nog niet vervuld is, later vervuld staat te worden. Het verwondert ons na al het gezegde wel niet, dat zelfs een Joods geleerde van de uitleggers, die weigeren in den Knecht des Heren bij Jesaja den Christus te zien, kon verklaren. “Zij zijn met blindheid geslagen. “
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel