Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Nu zal ik mijn BemindeH3039 een liedH7892 mijns LiefstenH1730 zingenH7891 van ZijnH1961 wijngaardH3754; Mijn BemindeH3039 heeft een wijngaardH3754 op een vettenH1121 heuvelH7161.
Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel.
KJV
Now will I sing1
to my wellbeloved3
a song4
of my beloved5
touching his vineyard.6
My wellbeloved9
hath a vineyard7
in a very fruitful11
hill:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En Hij heeft dien omtuindH5823, en van stenen gezuiverdH5619, en Hij heeft hem beplantH5193 met edele wijnstokkenH8321; en Hij heeft in deszelfs middenH8432 een torenH4026 gebouwdH1129, en ookH1571 een wijnbakH3342 daarin uitgehouwenH2672; en Hij heeft verwachtH6960, dat hij goede druivenH6025 zou voortbrengenH6213, maar hij heeft stinkende druivenH891 voortgebrachtH6213.
En Hij heeft dien omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in deszelfs midden een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.
KJV
And he fenced1
it, and gathered out the stones2
thereof, and planted3
it with the choicest vine,4
and built5
a tower6
in the midst7
of it, and also made10
a winepress9
therein: and he looked12
that it should bring forth13
grapes,14
and it brought forth15
wild grapes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Nu dan, gij inwonersH3427 van JeruzalemH3389, en gij mannenH376 van JudaH3063, oordeeltH8199 tochH4994 tussen Mij en tussenH996 Mijn wijngaardH3754.
Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard.
KJV
And now, O inhabitants2
of Jerusalem,3
and men4
of Judah,5
judge,6
I pray you, betwixt me and my vineyard.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Wat is er meerH5750 te doen aan Mijn wijngaardH3754, hetwelk Ik aan hem nietH3808 gedaan heb? Waarom heb Ik verwachtH6960, dat hij goede druivenH6025 voortbrengenH6213 zou, en hij heeft stinkende druivenH891 voortgebrachtH6213?
Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?
KJV
What could have been done2
more to my vineyard,4
that I have not done6
in it? wherefore,8
when I looked9
that it should bring forth10
grapes,11
brought it forth12
wild grapes?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Nu dan, Ik zal ulieden nuH6258 bekendH3045 maken, watH834 IkH589 Mijn wijngaardH3754 doen zal; Ik zal zijn tuinH4881 wegnemenH5493, opdat hij zijH1961 tot afweidingH1197; zijn muurH1447 zal Ik verscheurenH6555, opdat hij zij tot vertredingH4823.
Nu dan, Ik zal ulieden nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
KJV
And now go to; I will tell2
you what I will do8
to my vineyard:9
I will take away10
the hedge11
thereof, and it shall be eaten up;13
and break down14
the wall15
thereof, and it shall be trodden down:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En Ik zal hem tot woestheidH1326 maken; hij zal niet besnoeidH2168, nochH3808 omgehaktH5737 worden, maar distelenH8068 en doornenH7898 zullen daarin opgaanH5927; en Ik zal den wolkenH5645 gebiedenH6680, dat zij geen regenH4306 daarop regenenH4305.
En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal den wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen.
KJV
And I will lay1
it waste:2
it shall not be pruned,4
nor digged;6
but there shall come up7
briers8
and thorns:9
I will also command12
the clouds11
that they rain13
no rain
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantH3588 de wijngaardH3754 van den HEEREH3068 der heirscharenH6635 is het huisH1004 van IsraelH3478, en de mannenH376 van JudaH3063 zijn een plantH5194 Zijner verlustigingenH8191; en Hij heeft gewachtH6960 naar rechtH4941, maar zietH2009, het is schurftheidH4939, naar gerechtigheidH6666, maar zietH2009, het is geschreeuwH6818.
Want de wijngaard van den HEERE der heirscharen is het huis van Israel, en de mannen van Juda zijn een plant Zijner verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.
KJV
For the vineyard2
of the LORD3
of hosts4
is the house5
of Israel,6
and the men7
of Judah8
his pleasant10
plant:9
and he looked11
for judgment,12
but behold oppression;14
for righteousness,15
but behold a cry.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WeeH1945 dengenen, die huisH1004 aan huisH1004 trekkenH5060, akkerH7704 aan akkerH7704 brengenH7126, totdatH5704 er geen plaatsH4725 meer zij, en dat gijlieden alleen inwonersH3427 gemaakt wordt in het middenH7130 des landsH776!
Wee dengenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer zij, en dat gijlieden alleen inwoners gemaakt wordt in het midden des lands!
KJV
Woe1
unto them that join2
house3
to house,4
that lay7
field5
to field,6
till there be no9
place,10
that they may be placed11
alone in the midst13
of the earth!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Voor mijn orenH241 heeft de HEEREH3068 der heirscharenH6635 gesproken: ZoH518 niet veleH7227 huizenH1004 tot verwoestingH8047 zullen worden, de groteH1419 en de treffelijkeH2896 zonder inwonerH3427!
Voor mijn oren heeft de HEERE der heirscharen gesproken: Zo niet vele huizen tot verwoesting zullen worden, de grote en de treffelijke zonder inwoner!
KJV
In mine ears1
said the LORD2
of hosts,3
Of a truth5
many7
houses6
shall be desolate,8
even great10
and fair,11
without inhabitant.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Ja, tienH6235 bunderenH6776 wijngaardsH3754 zullen een enigH259 bathH1324 geven, en een homerH2563 zaadsH2233 zal een efaH374 geven.
Ja, tien bunderen wijngaards zullen een enig bath geven, en een homer zaads zal een efa geven.
KJV
Yea,1
ten2
acres3
of vineyard4
shall yield5
one7
bath,6
and the seed8
of an homer9
shall yield10
an ephah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WeeH1945 dengenen, die, zich vroeg opmakendeH7925 in den morgenstondH1242, sterken drankH7941 najagenH7291, en vertoevenH309 tot in de schemeringH5399, totdat de wijnH3196 hen heeft verhitH1814!
Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit!
KJV
Woe1
unto them that rise up early2
in the morning,3
that they may follow5
strong drink;4
that continue6
until night,7
till wine8
inflame
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En harpenH3658 en luitenH5035, trommelenH8596 en pijpenH2485, en wijnH3196 zijn in hun maaltijdenH4960; maar zij aanschouwenH5027 het werkH6467 des HEERENH3068 niet, en zij zienH7200 niet op het maakselH4639 Zijner handenH3027.
En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk des HEEREN niet, en zij zien niet op het maaksel Zijner handen.
KJV
And the harp,2
and the viol,3
the tabret,4
and pipe,5
and wine,6
are in their feasts:7
but they regard12
not the work9
of the LORD,10
neither consider16
the operation13
of his hands.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
DaaromH3651 zal mijn volkH5971 gevankelijkH1540 weggevoerd worden, omdat het geen wetenschapH1847 heeft; en deszelfs heerlijkenH3519 zullen honger lijdenH7458, en hun menigteH1995 zal verdorrenH6704 van dorstH6772.
Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en deszelfs heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst.
KJV
Therefore my people3
are gone into captivity,2
because they have no knowledge:5
and their honourable6
men7
are famished,8
and their multitude9
dried up10
with thirst.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
DaaromH3651 zal het grafH7585 zichzelfH5315 wijd opensperrenH7337, en zijn mondH6310 opendoenH6473, zonder maatH2706; opdat nederdaleH3381 haar heerlijkheidH1926, en haar menigteH1995, met haar gedruisH7588, en die in haar van vreugde opspringtH5938.
Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat nederdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt.
KJV
Therefore hell3
hath enlarged2
herself,4
and opened5
her mouth6
without measure:8
and their glory,10
and their multitude,11
and their pomp,12
and he that rejoiceth,13
shall descend
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Dan zal de gemene manH120 nedergebogenH7817 worden, en de aanzienlijke manH376 zal vernederdH8213 worden, en de ogenH5869 der hovaardigenH1364 zullen vernederdH8213 worden.
Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden.
KJV
And the mean man2
shall be brought down,1
and the mighty man4
shall be humbled,3
and the eyes5
of the lofty6
shall be humbled:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Doch de HEEREH3068 der heirscharenH6635 zal verhoogdH1361 worden door het rechtH4941; en GodH410, die HeiligeH6918, zal geheiligdH6942 worden door gerechtigheidH6666.
Doch de HEERE der heirscharen zal verhoogd worden door het recht; en God, die Heilige, zal geheiligd worden door gerechtigheid.
KJV
But the LORD2
of hosts3
shall be exalted1
in judgment,4
and God5
that is holy6
shall be sanctified7
in righteousness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En de lammerenH3532 zullen weidenH7462 naar hun wijzeH1699, en de vreemdelingenH1481 zullen de woeste plaatsenH2723 der vettenH4220 etenH398.
En de lammeren zullen weiden naar hun wijze, en de vreemdelingen zullen de woeste plaatsen der vetten eten.
KJV
Then shall the lambs2
feed1
after their manner,3
and the waste places4
of the fat ones5
shall strangers6
eat.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
WeeH1945 dengenen, die de ongerechtigheidH5771 trekkenH4900 met koordenH2256 der ijdelheidH7723, en de zondeH2403 als met dikke wagenzelenH5699!
Wee dengenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden der ijdelheid, en de zonde als met dikke wagenzelen!
KJV
Woe1
unto them that draw2
iniquity3
with cords4
of vanity,5
and sin8
as it were with a cart7
rope:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Die daar zeggenH559: Dat Hij haasteH4116, dat Hij Zijn werkH4639 bespoedigeH2363, opdatH4616 wij het zienH7200; en laat naderenH7126 en komenH935 den raadslagH6098 des HeiligenH6918 van IsraelH3478, dat wij het vernemenH3045!
Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen den raadslag des Heiligen van Israel, dat wij het vernemen!
KJV
That say,1
Let him make speed,2
and hasten3
his work,4
that we may see6
it: and let the counsel9
of the Holy One10
of Israel11
draw nigh7
and come,8
that we may know
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
WeeH1945 dengenen, die het kwadeH7451 goedH2896 hetenH559, en het goedeH2896 kwaadH7451; die duisternisH2822 tot lichtH216 stellenH7760, en het lichtH216 tot duisternisH2822; die het bittereH4751 tot zoetH4966 stellenH7760, en het zoeteH4966 tot bitterheidH4751!
Wee dengenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!
KJV
Woe1
unto them that call2
evil3
good,4
and good5
evil;6
that put7
darkness8
for light,9
and light10
for darkness;11
that put12
bitter13
for sweet,14
and sweet15
for bitter!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WeeH1945 dengenen, die in hun ogenH5869 wijsH2450, en bij zichzelven verstandigH995 zijn!
Wee dengenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn!
KJV
Woe1
unto them that are wise2
in their own eyes,3
and prudent6
in their own sight!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
WeeH1945 dengenen, die heldenH1368 zijn om wijnH3196 te drinkenH8354, en die kloekeH2428 mannenH582 zijn om sterken drankH7941 te mengenH4537!
Wee dengenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterken drank te mengen!
KJV
Woe1
unto them that are mighty2
to drink3
wine,4
and men
of strength6
to mingle7
strong drink:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Die den goddelozeH7563 rechtvaardigen om een geschenkH7810, en de gerechtigheidH6666 der rechtvaardigen vanH4480 dezelven afwendenH5493.
Die den goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid der rechtvaardigen van dezelven afwenden.
Ook in dit vers
rechtvaardigenH6662
rechtvaardigenH6663
KJV
Which justify1
the wicked2
for3
reward,4
and take away7
the righteousness5
of the righteous
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Daarom, gelijk de tongH3956 des vuursH784 den stoppelH7179 verteertH398, en het kafH2842 door de vlamH3852 verdaanH7503 wordt, alzo zal hun wortelH8328 als een uitteringH4716 wezenH1961; en hun bloemH6525 zal als stofH80 opvarenH5927; omdatH3588 zij verwerpenH3988 de wetH8451 des HEERENH3068 der heirscharenH6635, en de redeH565 des HeiligenH6918 van IsraelH3478 versmadenH5006.
Daarom, gelijk de tong des vuurs den stoppel verteert, en het kaf door de vlam verdaan wordt, alzo zal hun wortel als een uittering wezen; en hun bloem zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet des HEEREN der heirscharen, en de rede des Heiligen van Israel versmaden.
KJV
Therefore as the fire5
devoureth2
the stubble,3
and the flame4
consumeth8
the chaff,6
so their root9
shall be as rottenness,10
and their blossom12
shall go up14
as dust:13
because they have cast away16
the law18
of the LORD19
of hosts,20
and despised25
the word22
of the Holy One23
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
DaaromH3651 is de toornH639 des HEERENH3068 ontstokenH2734 tegenH5921 Zijn volkH5971, en Hij heeft tegenH5921 hetzelve Zijn handH3027 uitgestrektH5186, en Hij heeft het geslagenH5221, zodat de bergenH2022 hebben gebeefdH7264, en hun dode lichamenH5038 zijn geworden als drekH5478 in het middenH7130 der stratenH2351. Om ditH2063 allesH7725 keert zich Zijn toornH639 nietH3808 af, maar Zijn handH3027 is nogH5750 uitgestrektH5186.
Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft tegen hetzelve Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als drek in het midden der straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
KJV
Therefore is the anger4
of the LORD5
kindled3
against his people,6
and he hath stretched forth7
his hand8
against them, and hath smitten10
them: and the hills12
did tremble,11
and their carcases14
were torn15
in the midst16
of the streets.17
For all this his anger22
is not turned away,21
but his hand24
is stretched out
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Want Hij zal een banierH5251 opwerpenH5375 onder de heidenenH1471 van verreH7350, en Hij zal hen herwaarts sissenH8319 van het eindeH7097 der aardeH776; en zietH2009, haastelijkH4120, snellijkH7031 zullen zij aankomenH935.
Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde der aarde; en ziet, haastelijk, snellijk zullen zij aankomen.
KJV
And he will lift up1
an ensign2
to the nations3
from far,4
and will hiss5
unto them from the end7
of the earth:8
and, behold, they shall come12
with speed10
swiftly:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Geen moedeH5889, en geen struikelendeH3782 zal onder hen wezen; niemandH369 zal sluimerenH5123 nochH3808 slapenH3462, noch de gordelH232 zijner lendenenH2504 ontbondenH6605 worden, nochH3808 de schoenriemH8288 zijner schoenenH5275 afgescheurdH5423 worden.
Geen moede, en geen struikelende zal onder hen wezen; niemand zal sluimeren noch slapen, noch de gordel zijner lendenen ontbonden worden, noch de schoenriem zijner schoenen afgescheurd worden.
KJV
None shall be weary2
nor stumble4
among them; none shall slumber7
nor sleep;9
neither shall the girdle12
of their loins13
be loosed,11
nor the latchet16
of their shoes17
be broken:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Welker pijlenH2671 scherpH8150 zullen zijn, en alH3605 hun bogenH7198 gespannenH1869; hunner paardenH5483 hoevenH6541 zullen als een rotsH6862 geachtH2803 zijn, en hun raderenH1534 als een wervelwindH5492.
Welker pijlen scherp zullen zijn, en al hun bogen gespannen; hunner paarden hoeven zullen als een rots geacht zijn, en hun raderen als een wervelwind.
KJV
Whose arrows2
are sharp,3
and all their bows5
bent,6
their horses'8
hoofs7
shall be counted10
like flint,9
and their wheels11
like a whirlwind:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Hun gebrulH7581 zal zijn als van een ouden leeuwH3833, en zij zullen brullenH7580 als de jonge leeuwenH3715, en zij zullen briesenH5098, en den roofH2964 aangrijpenH270 en wegvoerenH6403; en er zal geenH369 verlosserH5337 zijn.
Hun gebrul zal zijn als van een ouden leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en den roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn.
KJV
Their roaring1
shall be like a lion,3
they shall roar4
like young lions:5
yea, they shall roar,6
and lay hold7
of the prey,8
and shall carry it away safe,9
and none shall deliver
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
En zij zullen tegenH5921 hetzelve te dien dageH3117 bruisen, als het bruisen der zeeH3220. Dan zal men de aardeH776 aanzienH5027, maar zietH2009, er zal duisternisH2822 en benauwdheidH6862 zijn, en het lichtH216 zal verduisterdH2821 worden in hun verwoestingenH6183.
En zij zullen tegen hetzelve te dien dage bruisen, als het bruisen der zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen.
Ook in dit vers
bruisenH5098
bruisenH5100
KJV
And in that day3
they shall roar1
against them like the roaring5
of the sea:6
and if one look7
unto the land,8
behold darkness10
and sorrow,11
and the light12
is darkened13
in the heavens
mijn Beminde
Aldus noemt de profeet Jezus Christus driemaal in vs.1. De zin is: Hij is de Bruidegom zijner gemeente; ik ben zijn dienaar en vriend; Hoogl. 2:2 ; Joh. 3:29 .
Hertaald:
mijn Beminde
Zo noemt de profeet Jezus Christus driemaal in vers 1. De betekenis is: Hij is de Bruidegom van Zijn gemeente; ik ben Zijn dienaar en vriend; Hoogl. 2:2 en Joh. 3:29.
een lied
Dat is, een lied, hetwelk Hij mij zelf heeft ingegeven en in mijnen mond gelegd, dit zal ik zingen en ook beschrijven, opdat het niet vergeten worde, maar van allen man moge onthouden, gelezen en gezongen worden, gelijk Mozes ook te dien einde een lied gemaakt heeft, Deu 32 .
Hertaald:
een lied
Dat is: een lied dat Hij mij Zelf ingegeven en in mijn mond gelegd heeft. Dit zal ik zingen en ook opschrijven, opdat het niet vergeten wordt maar door iedereen onthouden, gelezen en gezongen kan worden, zoals Mozes met datzelfde doel ook een lied gemaakt heeft, Deut. 32.
van Zijn wijngaard;
Dat is, van zijne gemeente. Zie dergelijke manier van spreken onder vs.7, en Ex. 15:17 ; Ps. 44:3 , en Ps. 80:9 ; Jes. 27:2 ; Jer. 2:21 ; Matt. 21:33 ; Marc. 12:1 ; Luc. 20:9 ; Joh. 15:1 .
Hertaald:
van Zijn wijngaard;
Dat is: van Zijn gemeente. Zie een dergelijke manier van spreken hieronder in vers 7, en in Ex. 15:17, Ps. 44:3, Ps. 80:9, Jes. 27:2, Jer. 2:21, Matth. 21:33, Mark. 12:1, Luk. 20:9 en Joh. 15:1.
op een vetten heuvel
Hebreeuws, op een hoorn van een zoon der olie, of vettigheid; dat is, in een uitnemende plaats van vetten vruchtbaren grond. Zie Job 5:7 .
Hertaald:
op een vetten heuvel
Hebreeuws: op een hoorn van een zoon van olie of vettigheid — dat is: op een uitnemende plaats met vette, vruchtbare grond. Zie Job 5:7.
En Hij heeft dien
In vs.2 wordt met verbloemde woorden beschreven de zorg Gods over zijne gemeente.
Hertaald:
En Hij heeft dien
In vers 2 wordt met beeldende woorden de zorg van God voor Zijn gemeente beschreven.
omtuind,
Hebreeuws eigenlijk gesterkt; te weten met een muur of heg, zie vs.5, dat is, beschut en beschermd tegen het geweld van al de vijanden van hem en zijne kerk.
Hertaald:
omtuind,
Hebreeuws eigenlijk: versterkt, namelijk met een muur of heg, zie vers 5 — dat is: beschut en beschermd tegen het geweld van al de vijanden van Hem en Zijn kerk.
een toren
Te weten, om de wacht daarin te houden, om op de dieven en wilde dieren te passen en die te verdrijven.
Hertaald:
een toren
Namelijk: om daarin de wacht te houden, om op de dieven en wilde dieren te letten en die te verjagen.
wijnbak
Anders, een wijnpers.
Hertaald:
wijnbak
Anders: een wijnpers.
Hij heeft verwacht,
Vergelijk onder vs.7.
Hertaald:
Hij heeft verwacht,
Vergelijk hieronder vers 7.
druiven
Of, beziën, of vruchten.
Hertaald:
druiven
Of: bessen, of vruchten.
voortbrengen
Hebreeuws, maken en zo terstond wederom in vs.2 en onder vs.10, twee maal; gelijk Matt. 3:8 , Matt. 3:10 , en Matt. 7:17-19 ; vergelijk Ps. 1:3 .
Hertaald:
voortbrengen
Hebreeuws: maken; en zo meteen weer in vers 2 en tweemaal hieronder in vers 10, zoals in Matth. 3:8, Matth. 3:10 en Matth. 7:17-19; vergelijk Ps. 1:3.
stinkende druiven
Of, zure, onrijpe, ontijdige, wilde druiven, of wrange. Doch het Hebreeuwse woord komt van stinken.
Hertaald:
stinkende druiven
Of: zure, onrijpe, ontijdige, wilde of wrange druiven. Maar het Hebreeuwse woord komt van stinken.
Nu dan,
Hier spreekt God de Heere, en Hij geeft het oordeel over, zelfs dien, over wien Hij klaagt.
Hertaald:
Nu dan,
Hier spreekt God de HEERE, en Hij laat het oordeel over aan degene over wie Hij juist klaagt.
Wat is er
Alsof God zeide: Dewijl Ik mijn volk zoveel weldaden bewezen heb, en zij zo ondankbaar zijn geweest, zo oordeelt gijzelf wat er in het toekomende anders te doen zij dan dat Ik mijn ondeugenden wijngaard verwoest? Vergelijk Matt. 21:40-41 , waar de Heere Christus bijkans dezelfde gelijkenis den overpriesters en oudsten der Joden voorgesteld hebbende, aan henzelven het oordeel vraagsgewijze voorstelt, en daarop gelijk antwoord van hen ontvangt, gelijk God hier, vs.5, geeft. Anderen nemen het aldus, dat God met deze woorden wil te kennen geven: Hij heeft zoveel goeds aan zijn volk, boven andere natiën, gedaan, dat zij in alle manieren dankbaar behoorden te zijn; maar dewijl zij ondankbaar waren, dat zij zelfs, zo van hunne verdorvenheid als van de rechtvaardigheid der verdiende straffen moesten overtuigd zijn. Van de krachtige inwendige werking van den Heiligen Geest wordt in deze gelijkenis, die alleenlijk slaat op de uitwendige beroeping (genomen zijnde van den uitwendigen arbeid des wijngaardeniers) niet gesproken.
Hertaald:
Wat is er
Alsof God zei: nu Ik Mijn volk zoveel weldaden bewezen heb en zij zo ondankbaar geweest zijn, oordeel dan zelf wat er voortaan anders te doen valt dan dat Ik Mijn nietsnuttende wijngaard verwoest? Vergelijk Matth. 21:40-41, waar de Heere Christus, nadat Hij bijna dezelfde gelijkenis aan de overpriesters en oudsten van de Joden voorgehouden heeft, hun bij wijze van vraag het oordeel voorlegt en daarop hetzelfde antwoord van hen krijgt als God hier in vers 5 geeft. Anderen vatten het zo op dat God met deze woorden te kennen wil geven dat Hij Zijn volk zoveel goeds gedaan heeft, meer dan andere volken, dat zij in alle opzichten dankbaar behoorden te zijn; maar omdat zij ondankbaar waren, moesten zij zelf overtuigd worden van hun verdorvenheid én van de rechtvaardigheid van de verdiende straffen. Over de krachtige innerlijke werking van de Heilige Geest wordt in deze gelijkenis niet gesproken, want zij ziet alleen op de uiterlijke roeping en is ontleend aan het uiterlijke werk van de wijngaardenier.
Waarom
Menselijkerwijze gesproken; gelijk mensen hun misnoegen plegen te tonen, wanneer zij veel goeds aan een onwaardige en ondankbare gedaan hebben en zeer kwalijk beloond worden. Hierop volgt het vonnis van God, vs.5.
Hertaald:
Waarom
Op menselijke wijze gesproken, zoals mensen hun ongenoegen plegen te tonen wanneer zij veel goeds gedaan hebben aan iemand die het niet waard is en ondankbaar is, en zij daarvoor zeer slecht beloond worden. Hierop volgt het vonnis van God in vers 5.
voortgebracht?
Hebreeuws, gemaakt.
Hertaald:
voortgebracht?
Hebreeuws: gemaakt.
wat Ik
Dat is, hoe Ik de ondankbaarheid van mijn volk straffen zal.
Hertaald:
wat Ik
Dat is: hoe Ik de ondankbaarheid van Mijn volk zal straffen.
Ik zal zijn
Dat is, Ik zal dit volk voortaan niet beschermen tegen zijne vijanden, maar Ik zal het laten verderven en te schande komen.
Hertaald:
Ik zal zijn
Dat is: Ik zal dit volk voortaan niet meer beschermen tegen zijn vijanden, maar Ik zal het laten verderven en te schande komen.
tuin wegnemen,
Of, haag, of heg.
Hertaald:
tuin wegnemen,
Of: haag, of heg.
opdat hij zij
Of, opdat hij vertreden worde.
Hertaald:
opdat hij zij
Of: opdat hij vertreden wordt.
Ik zal hem
Of, Ik zal hem woest maken; dat is, Ik zal Juda beroven van zijne regering, die totnogtoe in het land is onderhouden geweest, achtervolgens de wijze in mijne wet voorgeschreven.
Hertaald:
Ik zal hem
Of: Ik zal hem woest maken — dat is: Ik zal Juda beroven van zijn bestuur, dat tot nu toe in het land gehandhaafd is geweest, overeenkomstig de wijze die in Mijn wet is voorgeschreven.
hij zal niet
Dat is, de kerkedienst en andere heilige oefeningen zullen ophouden.
Hertaald:
hij zal niet
Dat is: de kerkendienst en andere heilige oefeningen zullen ophouden.
besnoeid,
Of, gezuiverd, gewied worden.
Hertaald:
besnoeid,
Of: gezuiverd, gewied worden.
distelen en doornen
De zin is: Van een wijngaard zal het een doornbos worden, dat is, heel woest en wild liggen.
Hertaald:
distelen en doornen
De betekenis is: van een wijngaard zal het een doornbos worden — dat is: het zal geheel woest en wild blijven liggen.
Ik zal den wolken
Alsof God zeide: Ik zal dit volk niet meer verkwikken, gelijk Ik tevoren gedaan heb, maar zal hen in Babylon en elders in droefenis laten verdwijnen; zie Psa 137 zie ook Job 36:32 .
Hertaald:
Ik zal den wolken
Alsof God zei: Ik zal dit volk niet meer verkwikken zoals Ik vroeger gedaan heb, maar Ik zal hen in Babel en elders in droefheid laten wegkwijnen; zie Ps. 137, en zie ook Job 36:32.
Want
Anders: zekerlijk. In vs.7 verklaart de profeet de bovenverhaalde gelijkenis.
Hertaald:
Want
Anders: zeker. In vers 7 verklaart de profeet de hierboven verhaalde gelijkenis.
de mannen
Dat is, mannen tot den stam van Juda behorende.
Hertaald:
de mannen
Dat is: mannen die tot de stam van Juda behoren.
een plant
Of plantsoenen, of plantingen; versta, het volk over hetwelk de Heere zich placht te vermaken.
Hertaald:
een plant
Of: plantsoen, of aanplanting. Versta daaronder het volk waarin de HEERE Zijn vreugde placht te hebben.
naar recht,
Dat is, dat de rechters den onderdrukten zouden recht doen.
Hertaald:
naar recht,
Dat is: dat de rechters de onderdrukten recht zouden doen.
schurftheid,
Dat is, de rechters zijn schurftig, dat is goddeloos en kwellen het arme verdrukte volk, gelijk de schurftheid de mensen kwelt.
Hertaald:
schurftheid,
Dat is: de rechters zijn schurftig — dat is: goddeloos — en zij kwellen het arme, verdrukte volk zoals de schurft de mensen kwelt.
naar gerechtigheid,
Alsof Hij zeide: Ik heb gewacht dat men weduwen en wezen, alsook andere verdrukten, tot hun recht zou helpen; maar, enz.
Hertaald:
naar gerechtigheid,
Alsof Hij zei: Ik heb verwacht dat men weduwen en wezen, en ook andere verdrukten, aan hun recht zou helpen; maar, enzovoort.
geschreeuw
Of, geschrei, geroep, gekrijt; te weten der armen, die geweldiglijk onderdrukt worden, tot God schreiende en hem met tranen klagende den overlast en het ongelijk, dat hun wordt aangedaan. Zie Gen. 18:20 . Eenigen verstaan dit van de klachten der armen, die onderdrukt worden door de lange rechtsgedingen, onder voorwendsel van de formaliteiten, die onder het pleiten gebruikt worden.
Hertaald:
geschreeuw
Of: geschrei, geroep, gekrijt, namelijk van de armen die met geweld onderdrukt worden, tot God schreien en Hem met tranen de overlast en het onrecht klagen dat hun aangedaan wordt. Zie Gen. 18:20. Sommigen verstaan dit van de klachten van de armen die onderdrukt worden door de lange rechtsgedingen, onder het voorwendsel van de formaliteiten die bij het pleiten gebruikt worden.
trekken,
Of, doen strekken, of voegen; te weten onrechtvaardiglijk en met schade van hunnen naaste.
Hertaald:
trekken,
Of: doen strekken, of aaneenvoegen, namelijk op onrechtvaardige wijze en tot schade van hun naaste.
geen plaats
Te weten, waar de arme moge wonen, of akkeren.
Hertaald:
geen plaats
Namelijk: waar de arme kan wonen of akkeren.
Voor mijn oren
Dat is, de Heere heeft het mij geopenbaard, of Hij heeft het gezegd dat ik het gehoord heb.
Hertaald:
Voor mijn oren
Dat is: de HEERE heeft het mij geopenbaard, of Hij heeft het zo gezegd dat ik het gehoord heb.
Zo niet vele
Dit is een wijze of manier van zweren. Zie Gen. 14:23 . Anders: zekerlijk, of voorwaar vele huizen zullen, enz.
Hertaald:
Zo niet vele
Dit is een manier van zweren. Zie Gen. 14:23. Anders: zeker, veel huizen zullen, enzovoort.
de treffelijke
Hebreeuws, de goede; dat is treffelijke, schone.
Hertaald:
de treffelijke
Hebreeuws: de goede — dat is: de aanzienlijke, schone huizen.
zonder inwoner
Terwijl daar niemand zijn zal die ze bewoont.
Hertaald:
zonder inwoner
Terwijl er niemand zal zijn die ze bewoont.
Ja, tien
God de Heere dreigt in vs.10 dat Hij, vanwege de gruwelijke zonden des volks, het land onvruchtbaar zou maken, alzo dat zij van het gezaaide en geplante het tiende deel niet inoogsten zouden.
Hertaald:
Ja, tien
God de HEERE dreigt in vers 10 dat Hij vanwege de gruwelijke zonden van het volk het land onvruchtbaar zou maken, zodat zij van wat gezaaid en geplant was nog geen tiende deel zouden oogsten.
bunderen
Een bunder is zoveel land als een paar ossen op een dag kan omploegen. Anders, tien juk ossen; dat is, zoveel lans als tien juk ossen op een dag kunnen omploegen.
Hertaald:
bunderen
Een bunder is zoveel land als een span ossen op een dag kan omploegen. Anders: tien juk ossen — dat is: zoveel land als tien juk ossen op een dag kunnen omploegen.
Bath . . . efa
Bath en efa waren even groot, maar bath was een maat, waar men natte dingen mede mat, al wijn, olie, enz., en efa was een maat, waar men droge dingen mede mat, als koren, enz. Van bath zie 1 Kon. 7:26 , en van efa Lev. 5:11 .
Hertaald:
Bath . . . efa
Bath en efa waren even groot, maar de bath was een maat waarmee men natte dingen mat, zoals wijn, olie, enzovoort, en de efa een maat waarmee men droge dingen mat, zoals koren, enzovoort. Over de bath, zie 1 Kon. 7:26, en over de efa, Lev. 5:11.
homer zaads
Van homer, [anders, cor] zie de aantekening 1 Kon. 4:22 , en Ezech. 45:11 , Ezech. 45:14 .
Hertaald:
homer zaads
Over de homer, die ook cor genoemd wordt, zie de aantekening bij 1 Kon. 4:22 en Ezech. 45:11 en Ezech. 45:14.
geven
Hebreeuws, maken. Alsook in het voorgaande.
Hertaald:
geven
Hebreeuws: maken. Zo ook in het voorgaande.
sterken drank
Hebreeuws, Schechar; zie onder vs.22.
Hertaald:
sterken drank
Hebreeuws: Schechar; zie hieronder vers 22.
vertoeven
Of, houden zich op.
Hertaald:
vertoeven
Of: houden zich op.
de schemering,
Het Hebreeuwse woord betekent zowel de morgenschemering als de avondschemering, gelijk Job 7:4 ; Spr. 7:9 .
Hertaald:
de schemering,
Het Hebreeuwse woord betekent zowel de morgenschemering als de avondschemering, zoals in Job 7:4 en Spr. 7:9.
zij aanschouwen
Dat is, zij geven geen acht op het werk des Heeren, dat is op de gevankelijke wegvoering der tien stammen naar Assyrië, te weten door Salmanasser; 2 Kon. 17:6 , en 2 Kon. 18:12 ; Am. 6:6 . Anderen nemen het woord werk algemener in dezen zin: Zij zien niet op zijne gerichten, die Hij in het werk stellen zal, dat is, op de straffen, die hun zullen overkomen, welke zij wel behoorden voor te komen met berouw en hartelijk leedwezen.
Hertaald:
zij aanschouwen
Dat is: zij letten niet op het werk van de HEERE, dat is: op de wegvoering van de tien stammen in gevangenschap naar Assyrië, namelijk door Salmanassar; 2 Kon. 17:6, 2 Kon. 18:12 en Amos 6:6. Anderen vatten het woord werk algemener op, in deze zin: zij letten niet op Zijn oordelen die Hij zal uitvoeren, dat is: op de straffen die hun zullen overkomen en die zij eigenlijk hadden moeten voorkomen met berouw en oprechte spijt.
zij zien niet
Dit verstaan sommigen van het aanschouwen der zon, maan, sterren, enz., die ons des Heeren macht en wijsheid voor ogen stellen, en die ons behoorden te verwekken om God te eren, te loven en te prijzen.
Hertaald:
zij zien niet
Sommigen verstaan dit van het aanschouwen van de zon, de maan, de sterren, enzovoort, die ons de macht en de wijsheid van de HEERE voor ogen stellen en ons behoorden aan te sporen om God te eren, te loven en te prijzen.
zal mijn volk
Hebreeuws, is mijn volk weggevoerd. Dit was wel te dezer tijd nog niet geschied; maar de profeten zijn gewoon te spreken van toekomstige dingen alsof zij alrede geschied en voltrokken waren, ten aanzien van de zekerheid der voorzeggingen Gods.
Hertaald:
zal mijn volk
Hebreeuws: is Mijn volk weggevoerd. Dit was op dat moment nog niet gebeurd, maar de profeten spreken gewoonlijk over toekomstige dingen alsof die al gebeurd en voltooid zijn, vanwege de zekerheid van Gods voorzeggingen.
gevankelijk
Te weten, naar Babel.
Hertaald:
gevankelijk
Namelijk: naar Babel.
omdat
Dat is, dewijl het des Heeren werk niet gekend noch in acht genomen heeft.
Hertaald:
omdat
Dat is: omdat dit volk het werk van de HEERE niet gekend en er niet op gelet heeft.
en deszelfs heerlijken
Hebreeuws, en zijne eer zullen mannen, of lieden des hongers zijn; dat is, de heerlijksten en voornaamsten onder het volk zullen honger lijden.
Hertaald:
en deszelfs heerlijken
Hebreeuws: en zijn eer zullen mannen of lieden van de honger zijn — dat is: de aanzienlijksten en voornaamsten onder het volk zullen honger lijden.
hun menigte
Dat is, het gemene volk, gelijk vs.14. Anders: en hun rijkdom zal verdorren van dorst, alzo ook vs.14.
Hertaald:
hun menigte
Dat is: het gewone volk, zoals in vers 14. Anders: en hun rijkdom zal verdorren van dorst; zo ook in vers 14.
Daarom
De profeet wil zeggen dat er velen zullen omkomen, hetzij door honger en kommer, of door het zwaard. Anders: het graf heeft zichzelf wijd opengesperd, en zo doorgaans.
Hertaald:
Daarom
De profeet wil zeggen dat er velen zullen omkomen, hetzij door honger en gebrek, hetzij door het zwaard. Anders: het graf heeft zichzelf wijd opengesperd; en zo verder in het hele vers.
zich wijd opensperren,
Hebreeuws, zijne ziel; dat is, zichzelven. Anders: zijnen lust; [namelijk, die het graf heeft om vele mensen in te slokken en te verteren] gelijk Ps. 27:12 , en Ps. 41:3 , en Ps. 105:22 ; Ezech. 16:27 .
Hertaald:
zich wijd opensperren,
Hebreeuws: zijn ziel — dat is: zichzelf. Anders: zijn begeerte, namelijk de begeerte die het graf heeft om veel mensen op te slokken en te verteren, zoals in Ps. 27:12, Ps. 41:3, Ps. 105:22 en Ezech. 16:27.
zonder maat;
Anders: boven gewoonte; zie de aantekening Richt. 11:39 .
Hertaald:
zonder maat;
Anders: boven gewoonte; zie de aantekening bij Richt. 11:39.
nederdale
Te wete in het graf.
Hertaald:
nederdale
Namelijk: in het graf.
haar heerlijkheid,
Te weten Jeruzalem, doch men kan hieronder het ganse Joodse volk verstaan.
Hertaald:
haar heerlijkheid,
Namelijk: van Jeruzalem; maar men kan daaronder het hele Joodse volk verstaan.
menigte,
Dat is, het gemene volk, of hun rijkdom; gelijk boven vs.13.
Hertaald:
menigte,
Dat is: het gewone volk, of hun rijkdom, zoals hierboven in vers 13.
met haar gedruis,
Te weten met die woeling, of het gedruis, hetwelk het heilloze gezin maakt in zijne brasserijen. Zie boven vs.11,12.
Hertaald:
met haar gedruis,
Namelijk: met het rumoer of gedruis van dat heilloze gezelschap bij zijn brasserijen. Zie hierboven vers 11 en 12.
die in haar
Te weten, vrolijk zijnde in zijne brasserijen en wellusten binnen Jeruzalem, en voorts in het Joodse land.
Hertaald:
die in haar
Namelijk: wie vrolijk is bij zijn brasserijen en genietingen binnen Jeruzalem en verder in het Joodse land.
de gemene man
Zie boven Jes. 2:9 , Jes. 2:11 , Jes. 2:17 .
Hertaald:
de gemene man
Zie hierboven Jes. 2:9, Jes. 2:11 en Jes. 2:17.
zullen vernederd worden
Te weten nadat zij met honger, pest, het zwaard en de gevangenschap bezocht zullen wezen.
Hertaald:
zullen vernederd worden
Namelijk: nadat zij met honger, pest, het zwaard en de gevangenschap bezocht zullen zijn.
door het recht;
Te weten als Hij zichzelven zal betonen rechter te zijn, straffende de boosdoeners vanwege hunne zonden.
Hertaald:
door het recht;
Namelijk: wanneer Hij Zich zal betonen rechter te zijn door de boosdoeners om hun zonden te straffen.
zal geheiligd worden
Dat is, God zal voor heilig erkend en geroemd worden, nadat Hij recht en gerechtigheid over de boze mensen zal geoefend hebben, straffende de boosdoeners en voorstaande degenen, die men met geweld is onderdrukkende.
Hertaald:
zal geheiligd worden
Dat is: God zal voor heilig erkend en geprezen worden nadat Hij recht en gerechtigheid over de boze mensen zal hebben uitgeoefend, door de boosdoeners te straffen en het op te nemen voor hen die met geweld onderdrukt worden.
En
Hier stelt nu de profeet ene vertroosting na de dreigementen, willende te kennen geven dat God zijn volk eindelijk zal redden.
Hertaald:
En
Hier laat de profeet na de dreigementen een vertroosting volgen, waarmee hij te kennen wil geven dat God Zijn volk ten slotte zal redden.
de lammeren
Anders: schapen; dat is de vrome, onnozele armen, die tevoren van de rijke goddelozen verdrukt werden.
Hertaald:
de lammeren
Anders: schapen — dat is: de vrome, onschuldige armen die tevoren door de rijke goddelozen verdrukt werden.
zullen weiden
Dat is, God de Heere zal hen in zulken algemenen nood onderhouden en van nooddruft verzorgen.
Hertaald:
zullen weiden
Dat is: God de HEERE zal hen in zo'n algemene nood onderhouden en van het nodige voorzien.
naar hun wijze,
Hebreeuws, naar hunne leiding; dat is, gelijk zij tevoren gewoon waren te doen.
Hertaald:
naar hun wijze,
Hebreeuws: naar hun leiding — dat is: zoals zij dat vroeger gewoon waren te doen.
de vreemdelingen
Versta hier ook de vrome armen, die een tijdlang van de rijke goddelozen als vreemdelingen zijn geacht geweest, of die van de goddelozen of tirannen alzo zijn gekweld geweest, dat zij huis en hof hebben moeten verlaten. Anders: en zij zullen de verwoeste plaatsen der vette vreemdelingen eten.
Hertaald:
de vreemdelingen
Versta hier ook de vrome armen, die een tijdlang door de rijke goddelozen als vreemdelingen beschouwd zijn, of die door de goddelozen of tirannen zo gekweld zijn dat zij huis en hof hebben moeten verlaten. Anders: en zij zullen de verwoeste plaatsen van de vette vreemdelingen eten.
zullen de woeste plaatsen
Dat is, genieten of bezitten de woeste plaatsen der vetten; dat is de huizen en akker, die de rijken hebben moeten verlaten, daaruit verdreven en gevankelijk weggevoerd zijnde.
Hertaald:
zullen de woeste plaatsen
Dat is: genieten of bezitten de verwoeste plaatsen van de vetten — dat is: de huizen en akkers die de rijken hebben moeten verlaten toen zij eruit verdreven en in gevangenschap weggevoerd werden.
vetten eten
Vetten voor rijke weelderige personen, wordt ook gebruikt Ps. 22:30 ; Jes. 10:16 . Zij worden Am. 4:1 genoemd koeien van Basan.
Hertaald:
vetten eten
Vetten voor rijke, weelderige personen wordt ook gebruikt in Ps. 22:30 en Jes. 10:16. In Amos 4:1 worden zij koeien van Basan genoemd.
trekken
Anders, [tot zich] trekken.
Hertaald:
trekken
Anders: tot zich trekken.
met koorden
Of, met zelen, of strikken, of banden der leugen. De zin is, die met schoonschijnende redenen, onder dezen of dien dekmantel, boosheid oefenen en als aanhalen en aanhouden, zichzelven inbeeldende dat het hun altijd wel zal gaan, en dat alles wat de profeten hun dreigen en prediken van de aanstaande straffen Gods, maar verbeelding is. Het is ene manier van spreken, genomen van degenen, die een schip of wagen met koorden aanhalen.
Hertaald:
met koorden
Of: met touwen, of strikken, of banden van de leugen. De betekenis is: zij die met schoonschijnende redenen, onder het ene of het andere voorwendsel, boosheid bedrijven en die als het ware voorttrekken en vasthouden, terwijl zij zich inbeelden dat het hun altijd goed zal gaan en dat alles wat de profeten hun dreigen en prediken over de komende straffen van God maar verbeelding is. Het is een manier van spreken die ontleend is aan mensen die een schip of een wagen met touwen voorttrekken.
zeggen
Te weten al spottende. Alsof zij zeiden: Men dreigt ons elke reis, maar daar volgt niets op. Is het God ernst, zo laat Hem spoeden, enz.; wij vragen naar uwe dreigementen niet, laat God vrij komen als Hij wil. Aldus bespottende de lankmoedigheid des Heeren; zie boven vs.12.
Hertaald:
zeggen
Namelijk: al spottend. Alsof zij zeiden: men dreigt ons telkens weer, maar er volgt niets op. Als het God ernst is, laat Hem dan opschieten, enzovoort; wij geven niets om uw dreigementen, laat God gerust komen wanneer Hij wil. Zo bespotten zij de lankmoedigheid van de HEERE; zie hierboven vers 12.
Zijn werk
Dat is, zijne straffen, waarmede gij ons zo dikwijls dreigt.
Hertaald:
Zijn werk
Dat is: Zijn straffen, waarmee u ons zo vaak dreigt.
den raadslag
Of, den raad; dat is, hetgeen Hij in zijnen raad besloten heeft.
Hertaald:
den raadslag
Of: de raad — dat is: wat Hij in Zijn raad besloten heeft.
des Heiligen
Dat is, van God den Heere, die daar is die Heilige, die men schuldig is te eren en te vrezen. Zie boven Jes. 1:4 .
Hertaald:
des Heiligen
Dat is: van God de HEERE, Die de Heilige is, Die men verplicht is te eren en te vrezen. Zie hierboven Jes. 1:4.
dat wij het
Alsof zij zeiden: Gij, Jesaja en andere profeten, vervaart ons met ijdele dreigementen; doch God heeft tegen ons niets kwaads voor.
Hertaald:
dat wij het
Alsof zij zeiden: u, Jesaja, en de andere profeten maakt ons bang met loze dreigementen, maar God heeft niets kwaads met ons voor.
vernemen
Of, wijs worden, of weten mogen.
Hertaald:
vernemen
Of: te weten komen, of mogen weten.
die het kwade
Hebreeuws, die zeggen tot, of van het kwade goed, enz.; vergelijk boven Jes. 4:3 . Dat is, die door hun arglistige redenen de onervarenen wijs maken dat het goede kwaad en het kwade goed is.
Hertaald:
die het kwade
Hebreeuws: die tot of van het kwade goed zeggen, enzovoort; vergelijk hierboven Jes. 4:3. Dat is: die met hun listige redeneringen de onervarenen wijsmaken dat het goede kwaad en het kwade goed is.
die duisternis
Dat is, die stoutelijk en onbeschaamdelijk durven zeggen dat de duisternis licht is en het licht duisternis.
Hertaald:
die duisternis
Dat is: die het aandurven onbeschaamd te zeggen dat de duisternis licht is en het licht duisternis.
in hun ogen
Dat is, in hun eigen oordeel; alzo in het volgende. Hebreeuws, voor hun aangezicht; dat is, bij zichzelven.
Hertaald:
in hun ogen
Dat is: in hun eigen oordeel; zo ook in het vervolg. Hebreeuws: voor hun aangezicht — dat is: bij zichzelf.
sterken drank
Hebreeuws, Schechar. Eenigen menen dat dit woord ook den wijn insluit en begrijpt. Anderen menen dat het allerlei sterken drank betekent, behalve den wijn. Zie de aantekening Lev. 10:9 .
Hertaald:
sterken drank
Hebreeuws: Schechar. Sommigen menen dat dit woord ook de wijn omvat. Anderen menen dat het allerlei sterke drank betekent, behalve de wijn. Zie de aantekening bij Lev. 10:9.
te mengen
De Joden, alsook andere natiën in de oosterse landen, plachten eertijds, gelijk nu nog, hun wijn met water of specerijen te vermengen; maar het Hebreeuwse woord betekent hier zoveel als uitdrinken; want daar is gene kloekheid of dapperheid in het inschenken of vermengen van den wijn gelegen.
Hertaald:
te mengen
De Joden en ook andere volken in de oosterse landen plachten vroeger, zoals nu nog, hun wijn met water of specerijen te mengen; maar het Hebreeuwse woord betekent hier zoveel als leegdrinken, want er ligt geen flinkheid of dapperheid in het inschenken of mengen van de wijn.
rechtvaardigen
Dat is, recht geven daar hij onrecht heeft. Zie Num. 35:31 ; Deut. 25:1 .
Hertaald:
rechtvaardigen
Dat is: hem gelijk geven waar hij ongelijk heeft. Zie Num. 35:31 en Deut. 25:1.
afwenden
Mits hun onrecht gevende, alsof zij enige onrechtvaardige zaken voorhadden.
Hertaald:
afwenden
Doordat zij hun onrecht doen, alsof zij een onrechtvaardige zaak hadden.
de tong
Dat is, de vlam des vuurs, die enige gedaante der tong heeft; ook schijnt ze te lekken gelijk de tong doet.
Hertaald:
de tong
Dat is: de vlam van het vuur, die enigszins de vorm van een tong heeft en die ook lijkt te likken zoals een tong doet.
verteert,
Hebreeuws, opeten, dat is verteert, verslindt.
Hertaald:
verteert,
Hebreeuws: opeten — dat is: verteert, verslindt.
verdaan wordt,
Hebreeuws, verslapt wordt, of afneemt, of verzwakt wordt.
Hertaald:
verdaan wordt,
Hebreeuws: verslapt wordt, of afneemt, of verzwakt wordt.
wortel
Eenigen verstaan hier door den wortel de ouders, door de bloemen de kinderen. Anderen menen dat hier in het algemeen te verstaan zij de nietigheid en verdwijning der goddelozen; alzo dat opvaren, opgaan [hetwelk in het Hebreeuws staat] hier betekent tenietgaan, verdwijnen, verzwinden, gelijk een opgaande rook.
Hertaald:
wortel
Sommigen verstaan hier onder de wortel de ouders en onder de bloemen de kinderen. Anderen menen dat hier in het algemeen de nietigheid en het verdwijnen van de goddelozen bedoeld wordt, zodat het opvaren of opgaan dat in het Hebreeuws staat hier betekent: tenietgaan, verdwijnen, vervliegen zoals een opstijgende rook.
als een uittering
Anders, als snot worden, dat is, hun wortel zal vervuilen en als snot worden; want de vervuilende wortelen worden als witte snot.
Hertaald:
als een uittering
Anders: als slijm worden — dat is: hun wortel zal verrotten en als slijm worden; want verrottende wortels worden als wit slijm.
bloem
Of, bot, knop.
Hertaald:
bloem
Of: bot, knop.
uitgestrekt,
Te weten om hetzelve te slaan. Zie boven Jes. 1:5 .
Hertaald:
uitgestrekt,
Namelijk: om het te slaan. Zie hierboven Jes. 1:5.
de bergen
Dit is een overtollige manier van spreken, hyperbole in de scholen genoemd. Het is een voorzegging van de aanstaande verwoesting van het Joodse volk.
Hertaald:
de bergen
Dit is een overdrijvende manier van spreken, die in de scholen hyperbool genoemd wordt. Het is een voorzegging van de aanstaande verwoesting van het Joodse volk.
hun dode lichamen
Te weten die van de vijanden verslagen zijn.
Hertaald:
hun dode lichamen
Namelijk: van hen die door de vijanden verslagen zijn.
zijn geworden
Of, zijn verscheurd, of verdelgd, in het midden der straten.
Hertaald:
zijn geworden
Of: zijn verscheurd, of vernietigd, midden op de straten.
Om dit
Of, met dit al. Alsof hij zeide: Al is het dat de Heere zijn volk zo zwaarlijk gestraft heeft, gelijk straks verhaald is, en mocht schijnen derhalve met hetzelve verzoend te wezen; nochtans blijft Hij nog evenwel op hetzelve vertoorn; aangezien het zich tot God niet keert; alzo onder Jes. 9:11-12 .
Hertaald:
Om dit
Of: bij dit alles. Alsof hij zei: hoewel de HEERE Zijn volk zo zwaar gestraft heeft als zojuist verhaald is, en het daarom zou kunnen lijken dat Hij met hen verzoend is, blijft Hij toch nog op hen vertoornd, omdat het zich niet tot God keert. Zo ook hieronder in Jes. 9:11-12.
uitgestrekt
Om verder te slaan; zie Lev. 26:14-15 , enz.
Hertaald:
uitgestrekt
Om verder te slaan; zie Lev. 26:14-15, enzovoort.
Want Hij
Hier verhaalt nu de profeet verder hetgeen hij op het einde van vs.25 begonnen heeft te zeggen, te weten dat de hand des Heeren verheven is.
Hertaald:
Want Hij
Hier vervolgt de profeet wat hij aan het einde van vers 25 begonnen is te zeggen, namelijk dat de hand van de HEERE opgeheven is.
een banier
Dat is, een leger van vijanden.
Hertaald:
een banier
Dat is: een leger van vijanden.
opwerpen
Dat is, Hij zal hun een teken geven, dat zij komen en het Joodse volk overvallen. Of, Hij zal de Chaldeën, Babyloniërs, Assyriërs [die hier onder den naam van heidenen te verstaan zijn] door zijn heimelijke en rechtvaardige regering aanlokken en tegen de Joden opmaken.
Hertaald:
opwerpen
Dat is: Hij zal hun een teken geven dat zij moeten komen en het Joodse volk overvallen. Of: Hij zal de Chaldeeën, Babyloniërs en Assyriërs, die hier onder de naam heidenen verstaan moeten worden, door Zijn verborgen en rechtvaardige regering aanlokken en tegen de Joden opzetten.
onder de heidenen
Of, onder de heidenen, die verre zijn; dat is, die van verre komen zullen.
Hertaald:
onder de heidenen
Of: onder de heidenen die ver weg zijn — dat is: die van verre zullen komen.
sissen
Of, schuifelen, sijfelen, fluiten. Anders: Hij zal hen tot hem sissen. De zin is: Dat het God den Heer zeer licht is een groot heir op de been te brengen tot uitvoering van zijne oordelen over degenen, die Hij straffen wil. Zie dergelijke manier van spreken Jes. 7:18 ; Zach. 10:8 .
Hertaald:
sissen
Of: schuifelen, sissen, fluiten. Anders: Hij zal hen naar Zich toe fluiten. De betekenis is: het is voor God de HEERE zeer gemakkelijk om een groot leger op de been te brengen tot uitvoering van Zijn oordelen over hen die Hij straffen wil. Zie een dergelijke manier van spreken in Jes. 7:18 en Zach. 10:8.
ziet,
Dit ziet op hetgeen boven vs.19 staat. Alsof hij hier zeide: Gijlieden bespot mijne dreigementen, zeggende: Dat Hij haaste, dat Hij zijn werk bespoedige, enz. Zie nu zal Hij haasten, teweegbrengende dat haastelijk, snellijk, de vijand komen zal om u te verdelgen.
Hertaald:
ziet,
Dit doelt op wat hierboven in vers 19 staat. Alsof hij hier zei: u bespot Mijn dreigementen door te zeggen: laat Hij Zich haasten, laat Hij Zijn werk bespoedigen, enzovoort. Zie, nu zal Hij Zich haasten en teweegbrengen dat de vijand haastig en snel zal komen om u te verdelgen.
zullen zij aankomen
Hebreeuws, zal zij komen, te weten de banier met het volk daaronder behorende. Anders, hij, te weten de koning van Babel met zijn leger. Anders, het, te weten het volk.
Hertaald:
zullen zij aankomen
Hebreeuws: zal zij komen, namelijk de banier met het volk dat daaronder hoort. Anders: hij, namelijk de koning van Babel met zijn leger. Anders: het, namelijk het volk.
Geen moede,
Hij wil zeggen: Dat er niemand in dat leger, of onder dat krijgsvolk, moede zal worden in het marcheren op die lange reis; aldus te kennen gevende de gewillige gehoorzaamheid der volkeren, die God tewerk stellen zou.
Hertaald:
Geen moede,
Hij wil zeggen dat niemand in dat leger of onder dat krijgsvolk moe zal worden bij het marcheren op die lange tocht. Zo geeft hij de gewillige gehoorzaamheid te kennen van de volken die God zou inzetten.
niemand
Zij zullen altegaar wakker en in hunne aanslagen voorzichtig zijn.
Hertaald:
niemand
Zij zullen allemaal waakzaam zijn en behoedzaam in hun plannen.
noch de gordel
Dat is, zij zullen steeds vaardig zijn om te strijden, staande gewapend tot aller ure.
Hertaald:
noch de gordel
Dat is: zij zullen voortdurend gereed zijn om te strijden en op elk uur gewapend staan.
Welker pijlen
Hebreeuws, welker, te weten volks, namelijk dat in het leger zijn zal. Alzo wordt in het volgende het getal van een gesteld voor het getal van velen. De profeet wil zeggen dat het volk, hetwelk God gebruiken zal om strafoefening te doen, welgewapend en toegerust zal wezen.
Hertaald:
Welker pijlen
Hebreeuws: van wie, namelijk van het volk dat in het leger zal zijn. Zo wordt in het vervolg het enkelvoud gebruikt voor het meervoud. De profeet wil zeggen dat het volk dat God zal gebruiken om de straf uit te voeren goed gewapend en toegerust zal zijn.
gespannen;
Hebreeuws, getreden; omdat men den voet op en kruisboog zet als men hem spant. Zie Ps. 7:13 .
Hertaald:
gespannen;
Hebreeuws: getreden, omdat men de voet op de kruisboog zet wanneer men hem spant. Zie Ps. 7:13.
hoeven
Hebreeuws, klauwen.
Hertaald:
hoeven
Hebreeuws: klauwen.
een rots
Te weten zo scherp en zo hard als een kei of rotssteen, zodat zij van lopen en rennen niet verslijten zullen. Het tegendeel is geschied Richt. 5:22 .
Hertaald:
een rots
Namelijk: zo scherp en zo hard als een kei of een rotssteen, zodat zij van het lopen en rennen niet zullen slijten. Het tegendeel is gebeurd in Richt. 5:22.
hun raderen
Dat is, hunne wagens zullen zeer snellijk aankomen.
Hertaald:
hun raderen
Dat is: hun wagens zullen zeer snel komen aanzetten.
Hun gebrul
Met deze woorden beschrijft de profeet de wreedheid van het volk, hetwelk de Heere tegen de Joden zou zenden om hen te vernielen.
Hertaald:
Hun gebrul
Met deze woorden beschrijft de profeet de wreedheid van het volk dat de HEERE tegen de Joden zou zenden om hen te vernietigen.
ouden leeuw,
Of, fellen, of gruwelijken leeuw.
Hertaald:
ouden leeuw,
Of: felle of gruwelijke leeuw.
den roof
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een dier, hetwelk met de tanden en klauwen van een ander dier verscheurd is.
Hertaald:
den roof
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een dier dat door een ander dier met tanden en klauwen verscheurd is.
zij zullen
Te weten die vreemde natiën, de Chaldeën en anderen.
Hertaald:
zij zullen
Namelijk: die vreemde volken, de Chaldeeën en anderen.
tegen hetzelve
Te weten tegen het Joodse volk, dat zo jammerlijk zal mishandeld wezen.
Hertaald:
tegen hetzelve
Namelijk: tegen het Joodse volk, dat zo jammerlijk mishandeld zal worden.
Dan zal men
Dit is ene gelijkenis, genomen van degenen, die in storm en onweder op zee in groot gevaar van hun leven zijnde, van verre het land aanzien, wensende dat zij ergens konden aanvaren en aanlanden. Zij zien ook dikwijls opwaarts ten hemel of het weder niet opklaart; alzo zullen die van Jeruzalem, als zij van hunne vijanden aangevallen worden, rondom zich zien of er nergens gene hulp voor hen te vinden is, maar tevergeefs, zij zullen gene vinden.
Hertaald:
Dan zal men
Dit is een vergelijking, ontleend aan mensen die in storm en onweer op zee in groot levensgevaar verkeren en van verre het land zien liggen, terwijl zij wensen dat zij ergens zouden kunnen aanvaren en aan land komen. Zij kijken ook vaak omhoog naar de hemel of het weer niet opklaart. Zo zullen de inwoners van Jeruzalem, wanneer zij door hun vijanden aangevallen worden, om zich heen kijken of er nergens hulp voor hen te vinden is — maar tevergeefs, zij zullen er geen vinden.
er zal duisternis
Anders: daar is duisternis der benauwdheid. De zin is, daar zal gene hoop voorhanden zijn; wat gemeenlijk vreugde pleegt aan te brengen, dat zal hun angst aanbrengen.
Hertaald:
er zal duisternis
Anders: daar is duisternis van benauwdheid. De betekenis is: er zal geen hoop voorhanden zijn; wat gewoonlijk vreugde pleegt te brengen, zal hun juist angst brengen.
in haar verwoestingen
Anders, in, of, aan, of onder hunnen hemel; dat is, aan den hemel, waaronder het land van Judea gelegen is. Van duisternis, zie Gen. 15:12 ; van het licht, Job 18:5 ; van beiden, Job 30:26 .
Hertaald:
in haar verwoestingen
Anders: in, of aan, of onder hun hemel — dat is: aan de hemel waaronder het land Judea ligt. Over duisternis, zie Gen. 15:12; over het licht, Job 18:5; over beide, Job 30:26. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard" (Jes. 5:1). De opening klinkt als een bruiloftslied, en de hoorders zullen niets vermoed hebben. Wat volgt is de zorg van de eigenaar: hij omtuinde de wijngaard, zuiverde hem van stenen, beplantte hem met edele wijnstokken, bouwde er een toren en hieuw er een wijnbak uit (Jes. 5:2). Alles was gedaan wat te doen was. "En Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht." Dan wordt de hoorder zelf tot rechter gemaakt: "oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard" (Jes. 5:3), en: "Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb?" (Jes. 5:4). Pas in het laatste vers valt de naam: "de wijngaard van den HEERE der heirscharen is het huis van Israel" (Jes. 5:7). En daar staat het woordenspel: Hij wachtte naar recht en het werd geschreeuw. Bijbelse betekenis: De vorm is de kracht van dit gedeelte. Wie meezingt met een lied over een wijngaard, spreekt zonder het te merken het vonnis over zichzelf uit; pas bij het laatste vers valt de val dicht. Merk op wat er in Jes. 5:4 gevraagd wordt. God verdedigt Zich niet met macht maar met een vraag: wat had Ik nog meer kunnen doen? Daarmee wordt de schuld volledig bij de wijngaard gelegd. Let ten slotte op het oordeel in Jes. 5:5-6. Er wordt niets omgehakt; de muur wordt weggenomen en de regen blijft uit. Het ergste oordeel bestaat hier uit loslaten. Typologie: De Heere Jezus vertelde dezelfde gelijkenis met dezelfde onderdelen — de tuin, de wijnpersbak en de toren — en trok haar door naar de landlieden die de erfgenaam doodden (Matt. 21:33). Jes. 5:1-7; Matt. 21:33 Het hoofdstuk telt zes weeroepen. Zij treffen wie huis aan huis trekken tot er geen plaats meer is (Jes. 5:8), wie zich vroeg opmaken om sterke drank na te jagen (Jes. 5:11), en wie de ongerechtigheid met touwen van ijdelheid trekken (Jes. 5:18). Dan volgt de bekendste: "Wee dengenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!" (Jes. 5:20). Onmiddellijk daarop volgt de volgende: "Wee dengenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn!" (Jes. 5:21). Bijbelse betekenis: Het wee van Jes. 5:20 gaat niet over het doen van kwaad maar over het benoemen ervan. Wie de namen omdraait, maakt het onderscheid zelf onbruikbaar; daarna is er geen gesprek meer mogelijk, want de woorden betekenen niet meer wat zij zeggen. Merk op dat de drie paren van licht, goed en zoet uit verschillende gebieden komen: het zedelijke, het zichtbare en het smaakbare. Het gaat dus niet om één onderwerp maar om een houding. Let ten slotte op de volgorde. Het wee over wie in eigen ogen wijs zijn, volgt er onmiddellijk op, en dat is geen toeval: wie zijn eigen oordeel tot maatstaf maakt, komt er vanzelf toe de namen te verzetten. Dat is dezelfde waarschuwing die Spreuken telkens geeft (reeds behandeld bij Spr. 26:12). Typologie: Paulus tekent dezelfde omkering bij mensen die God niet erkennen: zij zijn dwaas geworden terwijl zij zich voor wijzen hielden (Rom. 1:22). Jes. 5:8-21; Spr. 26:12; Rom. 1:22 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het verbond niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Jesaja begint niet met een aanklacht maar met een lied, en wel een liefdeslied over de wijngaard van een ander. Wie het hoort, luistert argeloos mee — tot het lied zich halverwege omdraait en over de hoorders zelf blijkt te gaan. God legt Zijn zaak voor aan Zijn eigen wijngaard en vraagt hem het vonnis te vellen. Zevenhonderd jaar later stelt Christus dezelfde vraag, en krijgt Hij hetzelfde antwoord. Het lied opent zacht: “Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard.” De kanttekening merkt op dat de profeet in dit ene vers driemaal Jezus Christus zo noemt, en dat de wijngaard Zijn gemeente is. Zij verwijst daarbij zelf door naar Psalm 80, naar Jeremia 2 en naar Johannes 15. Dan volgt de opsomming van wat er gedaan is. De heuvel was vet. De grond werd van stenen gezuiverd. Er kwam een omheining omheen, een toren erin om de wacht te houden, en een wijnbak, uitgehouwen in de rots — dat laatste is geen voorbereiding maar een verwachting: men hakt geen perskuip uit voor een oogst waar men niet op rekent. En dan de wending in één halve zin: “en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.” Wat daarop komt is geen woede-uitbarsting maar een rechtszaak, en de vorm ervan is opmerkelijk: “Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard.” De beklaagde wordt tot rechter gemaakt. En de vraag die volgt, kan niemand beantwoorden: “Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb?” Het vonnis is dan ook niet dat de wijngaard vernietigd wordt, maar dat de zorg ophoudt. De omheining gaat weg, de muur wordt verscheurd, er wordt niet meer gesnoeid en er valt geen regen meer. Wie beschermd is geweest, merkt het pas als de bescherming weggaat. Het slotvers zegt onomwonden wie de wijngaard is: het huis van Israël. En het besluit met een woordspel dat in het Nederlands niet mee te maken is. God wachtte op recht — mispat — en er kwam mispach, hier vertaald met schurftheid. Hij wachtte op gerechtigheid — tsedaka — en er kwam tse'aka, geschreeuw: de kreet van wie onrecht lijdt. Twee keer scheelt het één klank, en twee keer is het verschil dat van een volk dat er bijna is en het toch niet is. De kanttekening bij vers 4 wijst zelf de plaats aan waar dit lied terugkomt. In de laatste week van Zijn leven vertelt Christus aan de overpriesters en oudsten bijna dezelfde gelijkenis: een heer die een wijngaard plantte, er een tuin omheen zette, een wijnpersbak groef en een toren bouwde. En dan legt Hij hun net als hier de vraag voor wat de heer met die landlieden doen zal. Zij spreken hun eigen vonnis uit. Maar er is één ding aan de gelijkenis toegevoegd dat bij Jesaja niet staat. Er wordt een zoon gezonden. En die zoon wordt uit de wijngaard geworpen en gedood — buiten. Wat bij Jesaja een vraag was waar niemand antwoord op had, krijgt daar zijn antwoord: er wás nog iets meer te doen aan de wijngaard. De Hebreeënbrief maakt van dat woordje buiten een gedachte op zichzelf: ook Jezus heeft, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 21:33-43; Psalm 80:9; Jeremia 2:21; Johannes 15:1; Hebreeën 13:12 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Jesaja 5 niet met zoveel woorden aan. Wel neemt de gelijkenis in Mattheüs 21 de bewoordingen van dit lied vrijwel geheel over, en de kanttekening bij vers 4 wijst daar zelf op. Dat de Beminde van vers 1 op Christus ziet, is de uitleg van de kanttekening; de tekst zelf zegt alleen dat de profeet een lied van zijn Liefste zingt. De toevoeging van de zoon staat in Mattheüs en niet bij Jesaja.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas De heerlijke betrekking waarin onze Heere tot ons staat, gaat vergezeld van woorden die ons herinneren aan onze betrekking tot Hem: het lied gaat immers “van Zijn wijngaard”. En welke wijngaard is dat anders dan ons hart, onze natuur, ons leven? Wij zijn van Hem, en wij zijn van Hem om dezelfde reden waarom elke andere wijngaard zijn eigenaar toebehoort: Hij heeft ons gemaakt om Zijn wijngaard te zijn. Doornen en distelen waren van nature alles wat wij voortbrachten, maar Hij heeft ons met een prijs gekocht, ons omtuind en voor Zich afgezonderd, en daarna heeft Hij ons geplant en verzorgd. Alles in ons wat goede vrucht kan voortbrengen, komt voort uit Zijn scheppen, Zijn verzorgen en Zijn bewaren; zodat wij, als wij überhaupt wijngaarden zijn, Zijn wijngaarden moeten zijn. Wij stemmen daar van harte mee in. Ik bid dat er geen haar op mijn hoofd zal zijn die Christus niet toebehoort, en alle gelovigen behoren te bidden dat elke hartslag en elke ademtocht van hen de Heere toebehoort. Ik zal de wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen. Jesaja 5:6 Regen is onmisbaar voor de wasdom van zaden en vruchten en de langdurige afwezigheid, er… Wee degenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden der ijdelheid, en de zonde als met dikke wagenzelen! Jesaja 5:18 O, geliefde lezers, geloof in Jezus zoals ik. Het… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 5
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het lied van de wijngaard — 5:1-7
Wat betekenen de niveaus?
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
Jes.5:6 - Geen regen
Een sluier tussen u en de vrede


Jesaja 5
Jesaja 5:1.KruisverwijzingenPsalmen 80:8→Markus 12:1→Lukas 20:9→Mattheüs 21:33→Jeremia 2:21→Johannes 15:1→Hooglied 5:2→Hooglied 8:11→
— Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel.
Het lied van de wijngaard is bepaald geen vrolijk lied. Het is juist het tegendeel. Het is in mineur gezet en het heeft een pijnlijk onderwerp. Dat is op zichzelf al genoeg om te bewijzen dat onze liederen niet alle, zoals sommigen beweren, uit rechtstreekse lofprijzing aan God hoeven te bestaan. Die gedachte is niet naar de Schrift, want ook veel psalmen dragen dat karakter niet. Er zijn liederen die tot opbouw van elkaar gezongen kunnen worden, en dat is voor een deel juist de bedoeling van het geestelijke lied. Wij spreken in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen tot onszelf zowel als tot God.
Wij herkennen hier onmiddellijk Jezus. Wie anders dan Hij kan bedoeld zijn met “mijn Beminde”? Hier staat een woord van bezit naast een woord van genegenheid: Hij is de mijne, en Hij is mijn Geliefde. Hij is de beminnelijkheid zelf, de meest liefhebbende en beminnelijke van alle wezens; en wij hebben Hem persoonlijk lief met heel ons hart, ons verstand, onze ziel en onze kracht. Hij is de onze, onze Geliefde. Minder kunnen wij niet zeggen.
En u en ik, geliefden, zijn geplaatst waar wij bij uitstek gelegenheid hebben onze God te verheerlijken. Wij zijn als “een wijngaard op een vetten heuvel”, allergunstigst geplaatst om vrucht te dragen. De leden van de gemeente van God staan op een plek waar de kansen om God te verheerlijken uitgelezen zijn.
Jesaja 5:2.KruisverwijzingenMarkus 11:13→Jeremia 2:21→Mattheüs 21:19→Exodus 33:16→Numeri 23:9→Mattheüs 21:34→Markus 12:2→Jesaja 1:8→
— En Hij heeft dien omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in deszelfs midden een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.
De wijngaard was goed gekozen wat de ligging betreft, en de wijnstok was met zorg uitgezocht. Alles was gedaan, tot het ommuren toe, om hem tegen indringers te beschermen. Elke voorbereiding was getroffen voor het binnenhalen van de vrucht. De wijnbak lag gereed; en toch, toen de tijd van de zoete en sappige druiven aanbrak, bracht hij stinkende druiven voort.
U weet wat dat betekent. Is het zo met ons gegaan? Hebben wij de Beminde zo ondankbaar beloond voor al Zijn moeite? Hebben wij Hem hardheid van hart gegeven in plaats van berouw, ongeloof in plaats van geloof, onverschilligheid in plaats van liefde, luiheid in plaats van heilige vlijt, onreinheid in plaats van heiligheid? Is dat mijn geval? Is het het uwe, geliefde vriend? Is zelfs onze godsdienst een vals ding geweest? Is die geweest als wilde druiven of giftige bessen? Zijn wij bij tijden alleen maar bij toeval goed geweest, en hebben wij ons nooit zorgvuldig en volhardend beijverd onze Heere te dienen of vrucht te dragen tot Zijn eer? O HEERE, U weet het! Laten wij onszelf hierin oordelen, opdat wij niet geoordeeld worden.
Jesaja 5:3-4.KruisverwijzingenMattheüs 23:37→Jeremia 2:4→Markus 12:9→Romeinen 3:4→Psalmen 51:4→Mattheüs 21:40→Micha 6:2→Romeinen 2:5→
— Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard. Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?
O u die belijdt Zijn volk te zijn, wat had Christus meer voor u kunnen doen? Wat had de Heilige Geest meer kunnen doen? Welke rijkere beloften, welke wijzere geboden, welke vriendelijker beschikkingen, welk genadiger geduld? “Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?” Waar kwam dat vandaan? De stam was goed, de bewerking was wijs. Waar kwamen die wilde druiven dan vandaan?
Jesaja 5:5-6.KruisverwijzingenJesaja 28:18→Klaagliederen 1:15→Lukas 21:24→Jesaja 7:23→Jesaja 10:6→Jesaja 28:3→Openbaring 11:2→Deuteronomium 28:49→
— Nu dan, Ik zal ulieden nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding. En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal den wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen.
“Ik zal ulieden nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal.” Hij wacht het oordeel van de mannen van Juda niet af. Dat was ook niet nodig; de zaak lag al te droevig duidelijk. “Ik zal zijn tuin wegnemen” en Zijn muur verscheuren. Die beschikkingen die mensen voor de zonde bewaren, zullen worden weggenomen. U zult mogen zondigen als u dat wilt, en zoveel als u wilt. Uw wil zal zijn vrijheid tot het uiterste krijgen.
Er is geen verwoesting als die welke komt wanneer God de onvruchtbare wijngaard verwoest. Wanneer een menselijke vijand of het wilde zwijn uit het woud hem verwoest, kan hij nog hersteld worden; maar wanneer de goddelijke Eigenaar van de wijngaard hem in rechtvaardige toorn zelf tot woestheid maakt, welke hoop blijft er dan over? Wat een verschrikkelijke woorden: “En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan.” Een gemeente of een mens overkomt niets ergers dan geheel zonder beproeving te blijven — geen snoeien, geen omspitten, geen bedwang, geen prikkeling van het geweten, geen slagen van de roede. “En Ik zal den wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen.” Dat is het ergste van alles!
Jesaja 5:7.KruisverwijzingenPsalmen 80:8→Jesaja 3:17→Exodus 22:21→Jesaja 62:5→Exodus 3:7→Psalmen 147:11→Job 34:28→Jesaja 1:6→
— Want de wijngaard van den HEERE der heirscharen is het huis van Israel, en de mannen van Juda zijn een plant Zijner verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.
Wanneer zij die belijden Gods volk te zijn goddeloos, oneerlijk, onkuis en genadeloos leven, wordt God diep bedroefd. Zijn toorn brandt tegen zo’n gemeente en tegen zo’n volk. En terecht. “Hij heeft gewacht naar recht”, want zij gaven voor door God onderwezen te zijn, “maar ziet, het is schurftheid”. Hij wachtte “naar gerechtigheid”, want zij zeiden rechtvaardig te zijn, “maar ziet, het is geschreeuw”. Dit gedeelte heeft een bijzondere betrekking op Gods oude volk, en men kan het niet lezen zonder op te merken hoe letterlijk deze verschrikkelijke bedreiging vervuld is.
Jesaja 5:8-10.KruisverwijzingenMicha 2:2→Jeremia 22:13→Habakuk 2:9→Mattheüs 23:38→Jesaja 22:14→Leviticus 26:26→Lukas 12:16→Mattheüs 23:13→
— Wee dengenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer zij, en dat gijlieden alleen inwoners gemaakt wordt in het midden des lands! Voor mijn oren heeft de HEERE der heirscharen gesproken: Zo niet vele huizen tot verwoesting zullen worden, de grote en de treffelijke zonder inwoner! Ja, tien bunderen wijngaards zullen een enig bath geven, en een homer zaads zal een efa geven.
Wanneer mensen begerig zijn naar de dingen van deze wereld, heeft God een manier om hen met teleurstelling en bitterheid te vervullen. Wee de mens die enige andere god heeft dan de levende God, of die voor enig ander doel leeft dan om de Schepper te verheerlijken. Over zo’n mens zullen ontelbare weeën komen.
Jesaja 5:11-12.KruisverwijzingenSpreuken 23:29→Jesaja 5:22→Prediker 10:16→Psalmen 28:5→Job 34:27→Jesaja 28:7→Jesaja 28:1→Spreuken 20:1→
— Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit! En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk des HEEREN niet, en zij zien niet op het maaksel Zijner handen.
De hebzuchtige was dronken van gierigheid. Hier staat een mens die dronken is van sterke drank. Het is nooit te vroeg en nooit te laat voor mensen die eenmaal door deze hartstocht meegesleept zijn om te drinken. Zij staan vroeg op, zij gaan door tot de nacht; en wanneer zij dan verhit zijn van begeerte, wordt allerlei kwaad genot gezocht en voert de satan hen gevankelijk mee naar zijn wil. Wee zulke mensen! Het was juist omdat er hebzuchtige mensen waren die afgodendienaars waren, en omdat er weelderig levende mensen waren die dronkaards waren, die Jeruzalem waren binnengeslopen en daar woonden en het kwaad onder het volk verspreidden. Dáárom verklaarde God dat Hij Zijn wijngaard woest zou leggen. Zijn er vandaag geen zulke mensen in de gemeente van God? Ach, ik vrees dat er belijders zijn die het niet openlijk laten blijken, maar die in het verborgen deze dingen najagen.
Jesaja 5:13-14.KruisverwijzingenHosea 4:6→Habakuk 2:5→Jesaja 1:3→Openbaring 20:13→Lukas 21:34→Handelingen 12:21→Jesaja 27:11→Lukas 16:20→
— Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en deszelfs heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst. Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat nederdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt.
Wat een treffende beschrijving is dat van de gemeente van God wanneer zij verkeerd gaat, wanneer er kwaad in haar is. Dan vermenigvuldigt het kwaad zich sterk op de aarde, en het graf moet als het ware wijder opengesperd worden. Zoals een oude prediker zei: zij gaan bij drommen naar het verderf. Er is niemand die hen tegenhoudt. Wanneer de gemeente zelf verkeerd gaat, is de wereld als die kudde zwijnen die van de steilte in het water stortte en verdronk. Neer, steeds verder neer gaan zij! O verschrikkelijk gezicht! O vreselijk oordeel dat over de goddelozen valt! Werd de gemeente eens goed wakker om het gevaar van de mensheid te zien, en dat zij zo leefde dat God haar zegenen kon tot behoud van mensen.
Jesaja 5:15-16.KruisverwijzingenPsalmen 46:10→1 Petrus 2:15→Jesaja 29:23→Jesaja 2:9→Jesaja 2:11→Jesaja 8:13→Jesaja 12:4→Jesaja 33:5→
— Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden. Doch de HEERE der heirscharen zal verhoogd worden door het recht; en God, die Heilige, zal geheiligd worden door gerechtigheid.
Want wie zich ook met de zonde bevlekt, God doet dat niet. Wij mogen licht denken over de zonde, Hij nooit. Wij zijn soms zo dwaas de ongerechtigheid in onszelf te dulden en bij anderen door de vingers te zien, maar God doet dat niet. Zelfs toen de zonde op Christus gelegd werd, sloeg Hij Hem tot de dood toe. Hij was aan geen enkele zonde schuldig; en toch, toen onze zonde daar lag, keerde God Zijn aangezicht van Zijn Zoon af, en Hij stierf. En heeft Hij de zonde in Zijn Zoon niet gespaard, meent u dan dat Hij haar in ons sparen zal? Ach nee. Hij is een rechtvaardig God, en Hij zal Zijn handen vrij houden van elke medeplichtigheid aan de ongerechtigheid.
Het zestiende vers is het lied van Hanna, de grootste van de oude dichteressen. Het is het lied van Maria, die het van Hanna overnam: Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken en nederigen verhoogd; hongerigen heeft Hij met goederen vervuld, en rijken heeft Hij ledig weggezonden.
Jesaja 5:17.KruisverwijzingenJesaja 7:25→Sefanja 2:6→Sefanja 2:14→Lukas 21:24→Jesaja 40:11→Jesaja 1:7→Jesaja 65:10→Jesaja 7:21→
— En de lammeren zullen weiden naar hun wijze, en de vreemdelingen zullen de woeste plaatsen der vetten eten.
Zo gaat het altijd. Er is altijd plaats voor de tedere, de zachtmoedige en de zwakke wanneer God de hoogmoedige en de sterke neerslaat.
Jesaja 5:18.KruisverwijzingenJeremia 23:14→Jeremia 23:10→Handelingen 26:9→Richteren 17:13→Psalmen 36:2→Richteren 17:5→Jeremia 23:24→2 Samuël 16:20→
— Wee dengenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden der ijdelheid, en de zonde als met dikke wagenzelen!
“Wee dengenen.” Wanneer wij in dit Boek van zegeningen een wee tegenkomen, is het als waarschuwing gezonden, opdat wij aan het wee zouden ontkomen. Gods weeën zijn beter dan het welkom van de duivel. God bedoelt altijd het goede voor de mens, en Hij houdt hem alleen het kwade voor opdat hij zich zou afkeren van de gevaren van een dwaalweg en zo zou ontkomen aan het onheil dat aan het eind daarvan ligt. Misschien mag dat “wee, wee, wee”, hoe verschrikkelijk het ook in ons oor klinkt, het middel zijn ons onze Zaligmaker te doen zoeken en vinden; en dan zal in alle eeuwigheid geen wee ons meer naderen.
Dit is een heel bijzonder woord: mensen die de ongerechtigheid trekken “met koorden der ijdelheid”, die dun genoeg zijn, en die haar tegelijk trekken “als met dikke wagenzelen”, die dik genoeg zijn. Zij zijn voor de zonde gespannen, en de strengen lijken breekbaar, onbeduidend en zo gebroken. U kunt ze haast niet aanraken, want het is enkel schijn, verzinsel, ijdelheid. Wat kan dunner en zwakker zijn dan spinragkoorden van ijdelheid? En toch, zodra u ze wilt breken of afwerpen, blijken het wagenzelen te zijn, geschikt om de trek van paard of os te dragen. Beweegredenen zonder enige logische kracht, die een verstandig mens geen ogenblik zouden binden, zijn toch ruim voldoende om de meeste mensen in slavernij te houden. Zozeer is de mens een slaaf van de ongerechtigheid, dat onwaardige drijfveren en onverdedigbare redeneringen, die niet sterker lijken dan dunne koordjes, hem toch vasthouden als met stalen boeien. Hij is aan de zwaarbeladen wagen van zijn ongerechtigheid gebonden zoals een paard met een wagenzeel is vastgemaakt.
Jesaja 5:19.KruisverwijzingenEzechiël 12:22→Jeremia 23:36→Jeremia 17:15→Jesaja 30:11→Jeremia 23:18→Amos 5:18→Jesaja 66:5→Ezechiël 12:27→
— Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen den raadslag des Heiligen van Israel, dat wij het vernemen!
Zij lasteren God en stormen op de knoppen van Zijn schild af, terwijl zij Hem uitdagen hen te slaan. En dit alles kwam voort uit het spelen met de zonde, uit het trekken van de ongerechtigheid met koorden van ijdelheid. Pas op voor de eieren van de basilisk. Denk eraan hoe druppels stenen uithollen en hoe kleine slagen grote eiken vellen. Speel niet met een cobra, ook al is hij maar een voet lang. Blijf van de rand van de afgrond. Vlucht voor de leeuw voordat hij op u springt. Smeed voor uzelf geen ijzeren net, en word niet de bouwer van uw eigen gevangenis. Moge de Heilige Geest u verlossen. Moge u het kruis aanraken en daarin de kracht vinden die u losmaakt en laat gaan.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Aan deze eerste rede sluit zich een tweede aan, tot dezelfden tijd behorende en ook dezelfde gedachten ontwikkelende, zo ‘t schijnt uit 3:14 voortgevloeid, maar zonder enige belofte aan het einde.
I. Vs. 1-7.KruisverwijzingenPsalmen 80:8→Markus 12:1→Lukas 20:9→Mattheüs 21:33→Markus 11:13→Mattheüs 23:37→Jesaja 28:18→Klaagliederen 1:15→
— Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. En Hij heeft dien omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in deszelfs midden een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht. Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard. Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht? Nu dan, Ik zal ulieden nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding. En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal den wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen. Want de wijngaard van den HEERE der heirscharen is het huis van Israel, en de mannen van Juda zijn een plant Zijner verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.
Een zeer gevoelvol weemoedig lied, dat ene parabel bevat (2 Sam. 12:4), vormt den grondslag der rede. Hij, dien de Profeet liefheeft, bezit een wijngaard, waaraan hij al wat mogelijk is, gedaan heeft; de wijngaard heeft echter de verwachting van zijn eigenaar verijdeld, en in plaats van goede druiven stinkende druiven voortgebracht; daarom trekt de eigenaar de hand er van af, en geeft hem over tot verwoesting. Met deze gelijkenis is niemand anders dan Israël bedoeld, dat, door den Heere op ‘t zorgvuldigst verpleegd, Zijne verwachting zo schandelijk mogelijk heeft teleurgesteld.
Nu 1) zal ik mijnen beminde, voor den Bruidegom der gemeente, wiens vriend en heraut ik ben (Joh. 3:29) een lied mijns liefsten zingen, dat ik Hem, mijnen liefste, die tevens mijn aanverwant is 2), niet maar in dan mond leg, maar dat Hij helaas! zelf zingen moet en ik Hem slechts nazing, van Zijnen wijngaard, hoe het Hem daarmee gaat: Mijn beminde heeft (liever: had) enen wijngaard op enen vetten heuvel, in een van nature vruchtbaar, voor de zonnestralen overal toegankelijk en voor den wijnbouw uitnemend geschikt bergland 3).
In Hoofdstuk 1 heeft de profeet, als een andere Mozes, een inleidend woord gesproken, en de eerste rede in Hoofdstuk 2 niet minder treffend met den tekst van een vroeger profetisch woord aangevangen; deze rede begint hij nu als improvisator, die met schone, wegslepende woorden zich zelven en de toehoorders oproept, en, terwijl hij alzo aanheft, heeft hij, (zij ‘t in den geest of werkelijk) ene grote menigte volks uit Jeruzalem en Juda om zich heen.
Ook Jesaja was uit den stam Juda (LUTHER). Zie 2 Kon. 15:7
Op een vetten heuvel. Bij zulk een wijngaard, aangelegd op een vetten heuvel, vergelijkt de Heere zijn volk Israël. Zo kan men inderdaad van het lieflijke land der belofte, het door zijne buitengewone vruchtbaarheid beroemde Kanaän, spreken. Wie een wijngaard wilde aanleggen, groef den grond met een houweel goed om, en zuiverde dien van stenen, en leide dien door middel van muren terrasvormig aan, opdat de aarde niet zou wegspoelen. De wijngaard werd verder door hekken of muren omgeven, ter bescherming tegen het vee en het wild gedierte, vooral tegen de wilde zwijnen.
En Hij heeft, toen Hij den wijngaard plantte, dien omtuind (Mark. 12:1), volgens ene andere vertaling omgegraven, d. i. den grond losgemaakt, en van stenen en puin gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken, omdat hij de beste soort van vrucht, kleine blauwrode, zeer zoete druiven met bijna onmerkbare pitten, kweken wilde; en Hij heeft tot beschutting en sieraad van den zorgvuldig aangelegden en met zulke edele stukken beplanten wijngaard, in zijn midden enen toren 1) gebouwd, en ook 2) voor den oogsttijd enen wijnbak
daarin uitgehouwen, dien Hij met veel moeite in den rotsgrond aanbracht (Richt 6:11, 2), en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht, (onrijp gebleven, rimpelige druiven, of de harde bessen van den wilden wijnstok).
Nog tegenwoordig heeft elke wijngaard bij Hebron een klein gebouw of stenen torentje, hetwelk den wachter en tijdens den wijnoogst den eigenaars en hun gasten tot verblijfplaats verstrekt.
Het woordje ook drukt uit, dat het kleinste en voor het tegenwoordige niet noodzakelijke-de wijntak was nog niet nodig, omdat de vrucht er nog niet was-met de meeste zorgvuldigheid door de voorzienige genade Gods voor Zijn volk geschied was.
De vette “heuvel, ” is het van melk en honing vloeiende Kanaän (Gen. 12:7), het omgraven en van stenen zuiveren betekent de zuivering des lands van zijne vroegere heidense bewoners en de inbrenging van Israël in zijn erfland (Ps 44:3 v.); de edele ranken zijn de kinderen Israël’s zelf; edel door afkomst en toebereiding Gods (Hoofdstuk 51:1 v. Deut. 4:6 vv.); de beschermends en sierlijke toren in ‘t. midden van den wijngaard te Jeruzalem, de koning- en tempelstad, met hare priesters, profeten en theocratische koningen de wijnbak is de aan ‘t volk toegezegde verheven toekomst, als het tot edelen wijn worden, d. i. de volheid des H. Geestes ontvangen en met het uit hem voorgekomen heil den dorst van alle volkeren lessen zou. Op Israël’s ontaarding en zijne onbruikbaarheid voor deze genadige bedoelingen Gods doelt de uitdrukking: “stinkende druiven” (of gifbeziën). Robinson vond bij het dorp Hableh, een in weerwil van haren hogen ouderdom zeer goed bewaard gebleven wijnpers in de rotsen uitgehouwen. Zulk een pers bestaat uit een bovenst en benedenst gedeelte, een hoger en lager gelegen bak. In de eerste werden de druiven getreden, uit de laatste het daarin gelopen sap of de most in de kruiken of in lederen zakken gedaan. Het is duidelijk wat de Heere God hier onder dit alles verstaan wil. De Heere had Israël in Kanaän op eigen erve gesteld, in een land overvloeiende van melk en honing. Hij had zijn volk omtuind door de wet op Sinaï gegeven, in zijn midden een toren gebouwd en ook een wijnbak, d. i. Hij had den tempel, de plaats der godsdienstige samenkomsten gegeven, waarin het volk de vruchten des geloofs en der liefde zou brengen. Van uit den tempel ging de wet en het woord des profeten tot Israël om het te bewaren bij de zuiverheid van den godsdienst. Daar kwam Israël weer bijeen om den Heere de lofoffers te brengen, die Hem aangenaam zijn. Israël was dus een hoog bevoorrecht volk, dat alles van den Heere had ontvangen om het volk te zijn, waartoe Hij het bestemd had. Maar ziet in plaats dat van dien wijngaard en van dien wijnberg goede druiven en goede wijn werd gegeven, in plaats dat Israël ware vruchten des geloofs en der liefde voortbracht, bleek het nu dat zij stinkende druiven, vruchten der ongerechtigheid hadden voortgebracht.
Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda! oordeelt, spreekt toch zelf recht tussen Mij, den Heere, wiens lied Zijn vriend en profeet zo even (vs. 1) gezongen heeft, en tussen Mijnen wijngaard, bij wie de schuld is, dat de vrucht van den wijngaard slechts in stinkende druiven bestaat 1).
De gelijkenis wekt Israël’s opmerkzaamheid en doet een beroep op zijn innerlijk rechtsgevoel, welks oordeel dan op de misdadigers zelf wordt toegepast, zodat deze hun eigene rechters moeten worden. Zo deed Jotham bij de Sichemieten (Richt. 9:7 vv), Nathan David (2 Sam. 12:1 vv).
Bij Mij, den Heere, toch zeker niet alsof Ik iets zou nagelaten hebben; a) Wat is er boven het opgenoemde, dat Ik deed (vs. 2), meer te doen aan Mijnen wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Gij kunt op deze vraag niets aanwijzen, maar bekent door uw stilzwijgen dat alles wat gedaan kon worden, zo rijkelijk mogelijk gedaan is. En daarom laat Ik u verder vragen: Waarom heb Ik en met recht verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht? 1)
Jer. 2:5. Micha 6:3, 8.
Waar de Heere alles had gedaan, daar kon Hij te recht nog vragen wat er meer te doen was aan Zijn wijngaard, en kon Hij, op weemoedig bestraffenden toon, Israël wijzen op alle gebrek aan vrucht niet alleen, maar op het tegenovergestelde. Want dat was juist het schrikkelijke, niet dat er geen vruchten waren, dit kon bij een nog kern gezonden wijngaard plaats hebben, maar dat er stinkende vrucht was, in plaats van vruchten des geloofs, die der zonde en ongerechtigheid.
Ook op deze vraag weet gij niet te antwoorden, daar gij niet met berouw en ootmoed belijden wilt, dat gij alleen de schuldigen zijt. Nu dan, Ik zal ulieden nu bekend maken, wat Ik Mijnen wijngaard weldra doen zal. Ik zal a) zijnen tuin, wat hem nu uitwendig bijeen houdt, wegnemen, opdat hij voor het binnendringende vee zij tot afweiding; zijnen muur, de inwendige kracht zal Ik verscheuren, opdat hij voor de voeten van woestelingen zij tot vertreding 1).
Ps. 80:13.
Hiermede wordt gewezen op dit reusachtig proces, dat van nu af tot in de verre toekomst zal gevoerd worden: Gods dadelijke en door mensen verleende bescherming wordt aan Israël ontnomen, en het volk wordt van dezen tijd af aan de aanvallen der Heidense volkeren overgegeven (de Assyriërs, de Chaldeeën en later de Romeinen) (zie MATTHEUS. 21:33 vv.)
En de alzo verwoeste en vertreden wijnberg zal niet weer hersteld worden; Ik zal integendeel hem voor altijd tot woestheid maken; hij zal voortaan niet meer gelijk vroeger besnoeid noch omgehakt worden, daar dit niet door het dragen van goede vruchten, maar slechts door nieuwe teleurstellingen zou worden gevolgd, maar distels en doornen zullen daarin in zo hevigen graad opgaan, dat hij geheel woest wordt 1), en Ik zal de wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen, en den grond nimmer vruchtbaar maken 2).
De betekenis van deze woorden is: gene overheid meer, geen leraar, geen profeet meer, maar regeringloosheid en sektarisme.
Wat de regen is voor den wijngaard, dat is voor de gemeente dat water des levens, hetwelk den geestelijken dorst laaft, het woord Gods. In en na de ballingschap hadden de Joden nog profeten, nog bestendige bronnen des levenden waters in hun midden maar die ballingschap is de vervulling van dit woord ook niet. Eindelijk doet de landman dezen akker als in den ban. De plechtige vervloeking eens akkers schijnt daarin bestaan te hebben, dat men wenste, dat er geen dauw of regen meer op zou nederdalen (2 Sam. 1:21). Doch hier verraadt Zich nu de goddelijke Landman, wie Hij was, de Heere van hemel en aarde! Ik zal de wolken gebieden. Zo worden wij voorbereid op de overbrenging der gelijkenis in het volgende vers.
a) Want om u nu ook de betekenis der gelijkenis mede te delen, ofschoon gij de hoofdzaak daarvan reeds gevat hebt, de wijngaard van den HEERE der heirscharen is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn ene plant Zijner verlustingen, want bij hen heeft Hij Zijn heiligdom opgericht en den troon van Zijne rechtvaardige heerschappij, maar hier is juist de smartelijkste teleurstelling, waarover (vs. 2) gesproken was, Hem bereid. Hij heeft gewacht naar recht, dat het naar billijkheid onder de mannen van Juda in ere zou zijn, maar ziet, hetgeen Hij bij hen vindt, het is schurftheid 2), dwingelandij, die van den vreemden eigendom zich meester maakt; Hij heeft gewacht naar gerechtigheid, te oefenen en zonder partijdigheid en zelfzucht aan allen te doen, maar ziet, hetgeen Hij als vrucht van Zijn liefdearbeid aan Israël plukt, is geschreeuw 1) der armen en ellendigen over verdrukking zonder erbarmen.
Ps. 80:9.
De grievende teleurstelling, door Jehova ondervonden, wordt door twee woordspelingen (in den grondtekst: mischpat = recht, mispach = schurftheid, tsedakah = gerechtigheid; tseakah = geschreeuw, klacht, uitgedrukt, welke woordspelingen de ongedachte omkering van ‘t geen gehoopt werd in het tegendeel aanwijzen. De profeet schetst op deze wijze door klankvormen, hoe de gehoopte edele vruchten in slechts uitwendig daaraan gelijk zijnde stinkende druiven veranderd werden. Gelijk de wilde druif, de wijnstok, die in ‘t wild groeit uitziet gelijk de edele, alzo bezit ook Israël den schijn dat het Gods volk is, ja zelfs den (Farizesen) schijn der godzaligheid. In de ook voor het uitwendig oor indrukwekkendste taal laat ons de profeet aan ‘t slot der parabel de bittere teleurstelling van den trouwen Heere en Hoeder des wijnbergs Israël in woorden zonder beeldspraak vernemen. De Overheden vertraden het recht, in plaats van het te handhaven, en de raadzaal zelf was vol verwarring, vol onrecht, en dit maakte de Hoofden des volks ruw, afschuwelijk lelijk, (schurftig zegt de Ned. vertaling), zodat de mishandelingen des volks hetzelve onophoudelijk tegen deze Overheden deed roepen zonder gehoor te vernemen, dies des zelfs klachten tot den hemel opgeklommen, en bij God in genade aangenomen waren, als die dezelve nu haast recht verschaffen, en deze onderdrukkers naar verdienste straffen zouden. Zodanig zou de wijngaard van het Joodse volk zijn hoedanig het in dezen tijd zich openbaarde. Doch het Joodse volk zou daarmee het meest openbaren en tonen dat het innerlijk bedorven was; dat het niet juist oordeelde over God en Zijne wegen, dat het uit haat, nijd, afkeer van het pad van het rechte oordeel, tot de ergste gevallen afweek, ja zelfs niet er voor terug beefde, om aan toorn en haat voldoening te geven, door onschuldigen te veroordelen (zelfs Gods Zoon, o misdaad!), en het bloed der heiligen te vergieten. Deze schurft is getoond in de publieke rechtszaak tegen Christus en de Apostelen, in het geweld en de onderdrukking, in de vervolging van de heiligen.
II. Vs. 8-23.KruisverwijzingenPsalmen 46:10→1 Petrus 2:15→Hosea 4:6→Habakuk 2:5→Micha 2:2→Spreuken 23:29→Jesaja 5:22→Jesaja 1:3→
— Wee dengenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer zij, en dat gijlieden alleen inwoners gemaakt wordt in het midden des lands! Voor mijn oren heeft de HEERE der heirscharen gesproken: Zo niet vele huizen tot verwoesting zullen worden, de grote en de treffelijke zonder inwoner! Ja, tien bunderen wijngaards zullen een enig bath geven, en een homer zaads zal een efa geven. Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit! En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk des HEEREN niet, en zij zien niet op het maaksel Zijner handen. Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en deszelfs heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst. Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat nederdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt. Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden. Doch de HEERE der heirscharen zal verhoogd worden door het recht; en God, die Heilige, zal geheiligd worden door gerechtigheid. En de lammeren zullen weiden naar hun wijze, en de vreemdelingen zullen de woeste plaatsen der vetten eten.
In een zesvoudig wee schetst de profeet iedere der slechte vruchten afzonderlijk, welke de wijngaard des Heren voor zijn bezitter oplevert. Het eerste gaat over de gierigheid als de wortel van alle kwaad (vs. 8-10), het tweede over de op klaarlichten dag aan de hand gehouden zwelgerij (vs. 11-17); het derde over de ijdelheid, die door moedwillige zonde en lasterlijke woorden Gods oordeel inroept (vs. 18, 19), het vierde over de zedenleer van den tijdgeest, die Gods woord en waarheid verkeert (vs. 20); het vijfde over de op eigene wijsheid steunende on-theocratische staatkunde (vs. 21) en het zesde over de rechtspleging in den staat, welke om de eigen lusten te kunnen bevredigen, het recht verdraait en verkoopt.
Wee degenen, die uit onverzadelijke hebzucht en snode verachting van Gods inzettingen (Lev. 25:10 vv.) huis aan huis trekken, akker aan akker brengen (Micha 2:2), totdat er voor anderen gene plaats meer zij te wonen, en dat gijlieden alleen inwoners gemaakt wordt in het midden des lands. Huis aan huis trekken betekent buiten twijfel ook: uit vele huizen slechts één maken, de woningen van een aantal huisgezinnen innemen, om zoveel prachtiger, ruimer en gemakkelijker te wonen. Land aan land brengen (of akker aan akker), uit een aantal landhoeven slechts een prachtig en onmetelijk landgoed maken. Hiermede wordt niet aangeduid, dat het zonde zou zijn voor iemand die reeds enige eigendommen had, enige andere aan te kopen, neen maar het misdrijf wat hier bestraft wordt, was een onmatige begeerte tot het bezitten van vele aardse goederen in zulke, die daartoe al hun zorg, tijd en vlijt besteden alsof er op deze aarde niets anders voor hen te zoeken, te verrichten ware. Wat de Heere hier door den Profeet veroordeelt en waarover Hij het “wee” uitspreekt is de hebzucht en de gierigheid van zo velen, die tegen de Mozaïsche wet in, huis aan huis, en land aan land tot zich trokken, op allerlei slinkse wijze, op onrechtvaardige manier. Niet dat iemand van een ander een huis kocht of een stuk land. Dit was niet verboden, indien men met het jubeljaar maar weer in de gelegenheid stelde het gekochte in te lossen. Wat de Profeet veroordeelt is, het zich ten koste van den arme en ellendige verrijken, zodat er voor dezen geen huis of land overbleef.
Voor mijne oren heeft de HEERE der heirscharen over deze hemeltergende zonde gesproken; al is het dat alles nu ongestraft schijnt te blijven, Hij zegt mij zo duidelijk mogelijk vooruit, hoe het met deze hebzuchtigen gaan zal: Ik zal niet de Heere zijn, zo niet vele huizen, die gij u toegeëigend hebt, tot verwoesting zullen worden, de grote en de treffelijke paleizen, die gij uit het geroofd goed u gebouwd hebt, zonder dat er één enkel inwoner in zij.
Ja tien bunderen wijngaards zullen, ten dage van misgewas en onvruchtbaarheid, die komen zal, niet meer dan een enig bath geven, en een homer zaads zal een efa geven en door den algemenen hongersnood zal het land zeer worden ontvolkt. Een Bath (natte maat) = een Efa (droge maat) (Ezechiël. 45:11, 14). Een Efa= 1/10 Homer = ons schepel of, als natte maat, weinig meer dan een emmer. Tien bunder (of morgen) wijnakkers geven dan slechts een emmer wijn; waar men tien schepels koren zaaide, oogstte men slechte één schepel. De vervulling dezer bedreiging moeten wij zoeken in de krijgsverwoestingen onder Achaz.
a) Wee degenen, die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken drank najagen (Pred. 10:16), en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit.
Spr. 23:29, 30. De Oosterlingen gebruiken zelden vóór den avond meer spijs dan tot hun noodzakelijke behoeften nodig is, hun maaltijden houden zij in de koelte des avonds, en ‘t is schandelijk, een bewijs van slechte zeden, reeds in den morgenstond te beginnen met brassen en gastmalen houden. Zie Pred. 10:16
En harpen en luiten, trommelen en pijpen (Num. 10:2), en wijn zijn, om aan hun drinkgelagen meerder luister bij te zetten en hun geweten in slaap te wiegen, in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk des HEREN, het reeds nu zich ontwikkelend naderend gericht, niet, en zij zien niet op het maaksel Zijner handen, om weer te ontwaken uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren naar Zijn wil (2 Tim. 2:16). In hun vreugde en heerlijkheid hebben zij geen zin voor het allerheerlijkste in Gods wezen en werken in de geschiedenis. Zo merken zij ook niet, het in het tegenwoordige zich voortbereidende gericht. Daarom zal het tot dien dierlijken, blinden, stommen en doffen toestand vervallen. Deze overgegeven involgers van hun lusten denken nooit op wat ernstig, en zien den Heere, die hun weldoet, in macht, grootheid en goedheid nooit met aandacht aan, zij denken nooit om Hem, maar om hun ijdelheden, en al heft de Heere Zijne hand ten verderve tegen hen op, zij slaan er geen acht op, en verwaarlozen dus ziele en zaligheid. Vs. 11 en 12. De wijn, door God den mens gegeven om zijn hart te verheugen (Ps. 104:15), wordt bij hun gelagen tot ene bron van wilden lust, een spotter, gelijk de Schrift hem op ene andere plaats noemt (Spr. 26:1), en ook ene goddelijke gave van Boven, de heilige muziek, daartoe verordend om in het gemoed van de kinderen dezer aarde den reinen hemel te doen opgaan, met zijne schitterende lichten en sterren, dient in snood-verlagend misbruik, in verband met den wijn, om de zinnelijke verdoving te vermeerderen.
a) Daarom, dewijl zijne oversten zo volleerd zijn in de werken des vlezes, maar zo blind en gevoelloos voor hetgeen de Heere doet, zal mijn volk dat ik, de profeet, zo innig liefheb en zo gaarne voor het verderf bewaard had, gevankelijk weggevoerd geworden, omdat het gene wetenschap 1) heeft, tot het einde toe niet geloven wil, wat over hen besloten is, en zijne heerlijken, de voorname brassers zullen honger lijden, en hun menigte, het op drank beluste volk, dat zich door het voorbeeld der aanzienlijken tot dezelfden dienst des vlezes heeft laten overhalen, zal verdorren van dorst. 2)
Amos 6:7.
De wetenschap nu, wier gemis het volk Gods tot ondeugd wordt aangerekend, is de ware koning, de bondgenote der wijsheid, welke omvat zowel de kennis Gods, van Zijn natuur, volmaaktheid en roem, en van de wegen, door welke Hij streeft om den roem en de heerlijkheid van Zijn volmaaktheid te openbaren in den Zoon, als van Hem zelf, van Zijn natuur zeg ik, van Zijn staat van Zijn doel en van de plicht aan God verschuldigd, en van de wegen en middelen, door welke de arme mens tot de eeuwigdurende gemeenschap Gode in ere kan komen, en in hoofdsom, om het zo eens uit te drukken, de praktische kennis van den waren godsdienst. Deze kennis is het voornaamste stuk in alle religie, dewijl zij het fondament er van is. Niemand kan God dienen, tenzij men Hem bemint, en niemand kan Hem beminnen, tenzij men Hem heeft leren kennen.
In dit tweede lid, worden zowel de hogere als de lagere standen gedreigd met ellende. Onder heerlijken, of heerlijkheid, hebben wij te verstaan, de voornaamsten, de hoofden des volks en onder menigte, of eigenlijk gespuis, de lagere volksklassen. Rijk en arm zouden delen in de oordelen, die over Juda en Jeruzalem zouden komen. En die oordelen zouden bestaan, eerst in het verwijderen van den staf des broods, zodat honger en dorst schrikkelijk zouden wezen. En het gevolg daarvan, zoals in het volgende vers wordt aangeduid, dat er velen zouden sterven, dat het graf, zonder mate, zijn mond zou opendoen.
Daarom, om nog eenmaal, als in vs. 13 de in vs. 11 v. ontwikkelde gedachte op te vatten, zal het graf, de onderwereld of het dodenrijk (Job 7:9), gretig om al wat op de aarde is zich toe te eigenen en dat te verslinden, zich zelf wijd opsperren, en zijnen mond opendoen, zonder maat, omdat de buit hier zo rijk is; opdat in hare afgronden nederdale hare, Jeruzalems heerlijkheid, en hare menigte met haar gedruis 1), en die in haar van vreugd opspringt, 2) van de zwelgers en de speellieden. Beter en haar gedruis. Ook hier weer hebben we onder heerlijkheid, menigte en gedruis de hogere en lagere standen te verstaan, m. a. w. het gehele volk. Duizenden en tienduizenden zouden sterven, en wie nu nog van vreugde opsprong, zou dan door het graf verteerd worden, omdat men den Heere God had verlaten en Zijn dienst had verworpen. De profeet weidt zeer uitvoerig uit over de straffen, én opdat Israël zich nog mocht bekeren én opdat als eenmaal de straf voorbij zou zijn het overgeblevene zou zien, dat waarlijk de mond des Heren het had gesproken.
Zo verzonk reeds eertijds het rot van Korach in de diepte der aarde (Num. 16), en zo opent deze zich van tijd tot tijd ten schrik der bozen, om hen op te jagen uit den tuimel van zondige lusten, terwijl de kinderen des lichts in ongestoord vertrouwen op Dien, die een vuur voor den overtreder, maar een licht voor den vrome is, rustig in de huiveringwekkende diepten neerzien; want dezelfde hand, die genen naar beneden stort, heft dezen omhoog in de zalige hoogten des hemels, zo als Henoch en Elia.
Dan zal, gelijk reeds (Hoofdstuk 2:11-17) gezegd is, de gemene man, die zich niet heeft willen verootmoedigen, neergebogen worden, wanneer het de diepte der hel ingaat, en de aanzienlijke man, die nu hoog van ogen en van hart over den weg gaat, zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden, bij het neerzien in die ontzettende diepte, gelijk zij vroeger zich fier verhieven tegen den Heere.
Doch de HEERE der heirscharen zal verhoogd worden door het recht, zal als de alleen verhevene in de glansrijke openbaring des rechts Zich verheerlijken; en God, die Heilige, zal geheiligd worden, door Zich zelven, daar men dit Hem niet heeft willen doen door betoning van gerechtigheid. Dit vers slaat op vs. 7 terug. Vrijwillig of onwillig verheerlijkt het schepsel den Schepper. Daar de mens niet over recht en gerechtigheid als vrijwillig aangeboden vrucht van een vernieuwd gemoed den naam des Heren wilde heiligen (Hoofdstuk 8:13), oefent Hij van Zijne zijde recht en gerechtigheid uit en verheerlijkt Zich zo aan hen als den Heilige.
a) En de lammeren, de ingebrachte volkeren zullen de nu zo weelderige velden afweiden in de plaats der godvergeten brassers, naar hun wijze, alsof zij in die dreven te huis zijn, en de vreemdelingen zullen de verwoeste, de woest geworden plaatsen der vetten, der op hun volheid nu zo trotse brassers, eten.
Jes. 14:30. Het oude Jeruzalem is ook naar het uitwendige gelijk ‘t rot van Korach (Num. 16:30, 33) onderaards geworden; even als Babylon en Ninevé, welker bouwvallen men uit de onuitputtelijke mijnwerken van den zich vér uitstrekkenden bodem opgraaft, in de aarde gezonken zijn, zo wandelt men in het tegenwoordige Jeruzalem over het in de aarde verzonken oude heen, en menig raadsel in de topografie (plaats-beschrijving) zal onopgelost blijven, zolang het oude Jeruzalem niet weer uit de aarde is opgegraven. Wanneer wij bedenken, dat geheel het heilige land nu ene onafzienbare weide der Arabische herdersstammen, en het uit puin opgebouwde Jeruzalem ene Mohammedaanse stad is, dan is wat in vs. 17 voorspeld wordt letterlijk vervuld geworden.
Wee degenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden der ijdelheid: en de zonde als met dikke wagen-zelen 1), die het heilloos koord der snoodheid, het dikke wagenzeel der zonde slepen!
Wat betekent dat? Volgens sommigen moet men onder ongerechtigheid en zonde de straf over haar, de bezoekingen en oordelen Gods verstaan, welke men door ontzettende roekeloosheid als tot zich trekt, over zich brengt. Volgens anderen worden de inwoners van Jeruzalem als slaven der zonde voorgesteld, als lastdieren, die, in het gareel der ongerechtigheid gespannen, haar overal voortslepen. Zo vertaalde het Luther ook, en onder de nieuwere b. v. van der Palm, Umbreit en Drechsler. Dat is, dat zij zeer vele en grote moeite besteedden om te zondigen als het vee, hetwelk in het juk loopt, zich met allen ijver aangordende om aan hunnen ongeregelden lust te voldoen, zo zelfs dat zij zich zelf geweld aandeden, om het genoegen te hebben van hun driften bot te vieren. Zij menen zo verzekerd te zijn van het welgelukken hunner boze raadslagen en ontwerpen, alsof zij dezelve met dikke en sterke wagenzelen aan hun karren als vastgebonden hadden, daar zij toch bevinden zullen, dat deze koorden ijdel zijn en op de minste rekking breken. Door gewoonte en hebbelijkheid zijn ze zo verhard in de zonde, dat zij er zich niet van kunnen ontdoen, en zij worden er zo slecht in, dat zij naar geen prikkel van het geweten meer willen luisteren noch naar de bedreigingen des oordeels, het oor lenen.
En die, dat doende, daar zeggen, met hun ijdele of lichtvaardige stellingen onbeschaamd voor den dag komende, dat Hij, Jehova Zich toch haaste, dat Hij Zijn zo dikwijls gedreigd, maar nog nimmer aanschouwd werk der bestraffing bespoedige, opdat wij het eindelijk met onze ogen zien, in plaats van dat maar altijd te moeten geloven; en laat naderen en komen den raadslag des Heiligen van Israël 1) gelijk de Profeten Hem noemen, dat wij hetgeen Hij altijd gezegd heeft te zullen doen, nu werkelijk door aanschouwing vernemen (Jer. 17:15. 2 Petrus 3:3 vv.
Steeds zwarter worden de groepen, welke de profeet ons voorstelt. Zijn wee geldt thans hen, die in ‘t bewustzijn van ‘t kwade (d. i. ofschoon wetende dat dit kwaad is, dus gedaald tot de ontzettende diepte van moedwillig te zondigen) het kwaad ophopen en in de stoutste vermetelheid de verwijderde oordelen van den heiligen God bespotten, omdat zij die nog niet met ogen zien. Hiermede worden de drieste spotters bedoeld, die als in latere dagen uitriepen, waar is de belofte zijner toekomst (2 Petrus 3:1, 3, 4), die het heilig rechtvaardig oordeel Gods tartend inriepen en spottend den Heere God den Heilige Israël’s noemden.
Wee degenen, die reeds zó verblind zijn in geestelijke zaken, dat zij deugd noemen wat boosheid, leugen wat waarheid, zoete vreugde wat bitter wee is, het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zij zoet stellen, en het zoete tot bitterheid! 1)
Het kwade, duisternis en het bittere zijn niet woorden van een en dezelfde betekenis, maar het ene is het gevolg van het ander. Het kwade is werk der duisternis en de werken der duisternis brengen geen zoete naar bittere vruchten voort, voor degene, die de werken der duisternis bedrijft. Het een is dus een noodwendig gevolg van het ander. Zo ook tegenovergesteld is het goede vrucht van het licht en heeft een zoeten nasmaak. Het wee nu wordt uitgesproken over degenen, die in plaats van het goede na te jagen en als kinderen des lichts te wandelen, het tegenovergestelde doen, en tegen beter weten in, werkers der ongerechtigheid zijn.
Wee degenen, die, beroofd van alle godsvrucht, het beginsel der wijsheid (Spr. 1:7. Ps. 119:10), in hun ogen wijs (Spr. 3:7. Rom. 12:17), en bij zich zelven d. i. naar hun mening, in hun beschouwingen over hetgeen den staat in dezen zwaren nood betaamt, verstandig zijn, zodat zij van ene verstandige staatkunde, zo als de profeet op grond van Gods Woord hun voorhoudt, niets willen weten (Hoofdstuk 28:9 v. 30:1 v.).
Wee degenen, die helden zijn, niet zo als hun roeping als volksrechters dit eist, met beslistheid het onrecht wrekende, maar om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn, wakkere en scherpzinnige mannen, niet om schuld en onschuld te onderscheiden, maar in de kunst om sterken drank te mengen, den wijn door toevoeging van allerlei bestanddelen zwaar en bedwelmend te maken.
Wee die om deze hun lusten te kunnen bevredigen, en zich daartoe altijd op nieuw de middelen te verschaffen, den goddeloze, al is zijne schuld zo klaar als de dag, rechtvaardigen, onschuldig verklaren, om een geschenk, waarmee zij zich hebben laten omkopen, en a) de gerechtigheid der rechtvaardigen van deze afwenden 1), hen veroordelen als hadden zij ongelijk.
Spr. 17:15; 24:24.
Dat hun rechters het recht verdraaiden en alle billijkheid met voeten trapten. Het misbruik van den drank deed hen de wet vergeten en bracht hen aan het dwalen, en dit maakte hen licht omkoopbaar om voor geld onrecht te plegen, ten einde hun weelde te beter bot te mogen vieren. Voor geld rechtvaardigde zij de goddelozen en voor geschenken nemen zij de gerechtigheid der rechtvaardigen van hen weg, dit is, zij beroven hen van de middelen, om hun onschuld te doen blijken, en geven om anderen te believen en zich zelf te bevoordelen, het vonnis tegen dezelve. In burgerlijke geschillen kan een klein geschenk hen overhalen om het recht naar de zijde des schenkers te doen zwaaien. In strafschuldige zaken ontzagen zij zich niet den schuldigsten zelfs als hij hen maar betalen wilde, vrij te spreken en om gelijke vergelding van de zijde des vervolgers den onschuldigsten mens te veroordelen.
III. Vs. 24-30.KruisverwijzingenZacharia 10:8→Job 18:16→Jesaja 10:4→2 Koningen 9:37→Jesaja 9:17→Jesaja 9:21→Deuteronomium 28:49→Jesaja 7:18→
— Daarom, gelijk de tong des vuurs den stoppel verteert, en het kaf door de vlam verdaan wordt, alzo zal hun wortel als een uittering wezen; en hun bloem zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet des HEEREN der heirscharen, en de rede des Heiligen van Israel versmaden. Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft tegen hetzelve Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als drek in het midden der straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde der aarde; en ziet, haastelijk, snellijk zullen zij aankomen. Geen moede, en geen struikelende zal onder hen wezen; niemand zal sluimeren noch slapen, noch de gordel zijner lendenen ontbonden worden, noch de schoenriem zijner schoenen afgescheurd worden. Welker pijlen scherp zullen zijn, en al hun bogen gespannen; hunner paarden hoeven zullen als een rots geacht zijn, en hun raderen als een wervelwind. Hun gebrul zal zijn als van een ouden leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en den roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn. En zij zullen tegen hetzelve te dien dage bruisen, als het bruisen der zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen.
Met dat zesde wee zich tot de onrechtvaardige rechters gewend hebbende, doet hij eerst de strafbedreiging in al hare gestrengheid horen, maar geeft dan aan zijne toespreek ene meer algemene wending, en richt zich tot den gehelen wijnberg, waarvan zij de slechte vruchten zijn, namelijk tot Juda en Jeruzalem. Daar Israël vooral wat de eersten des lands, maar ook wat het eigenlijk gezegde volk aangaat, den Heere en Zijn Woord heeft verworpen, zal het spoedig en onherstelbaar geheel ten verderve gaan (vs. 24); in herhaalde, de grondvesten van den Staat verwoestende slagen, zal de Heere Israël bezoeken (vs. 25); eindelijk zal Hij de vreemde volkeren ontbieden, en door een strijdbaar kamplustig heirleger, onverbiddelijk en onweerstaanbaar in zijne aanvallen, den ondergang van Zijn volk bewerken. (vs. 26-30).
Daarom, daar zij voor het oordeel zijn rijp geworden, om nu haastig en onverbiddelijk te worden weggenomen, a) gelijk de tong des vuurs den stoppel verteert, en het kaf door de vlam verdaan wordt, wanneer daar buiten op het veld de akker na voleindigden oogst van stoppels en onkruid gereinigd wordt (Exod. 22:6), alzo zullen ook zij, dat onkruid, met wortel en tak uitgeroeid worden, en zal hun wortel in de aarde als ene uittering wezen, geheel verteren en hun bloem, hetgeen nog van hen boven den grond staat, zal als stof opvaren, als kaf, dat de wind heen drijft (Ps. 1:4. (Mal. 4:1, 3): omdat zij verwerpen de wet des HEREN der heirscharen, welke Hij hun door Mozes geopenbaard heeft, en de rede des Heiligen van Israël, welke Hij hun door Zijne Profeten laat verkondigen, versmaden.
Exod. 15:7. Jes. 9:18.
Juda wordt hier gedreigd met algehelen ondergang, en de reden waarom aangegeven. Het zal geschieden omdat Israël de zonde der zonden, heeft begaan, n. l. het woord des Heren, van den Heiligen, van Hem die Israël tot Zijn eigendom had verkoren, had verworpen. Juist dit was de grote zonde, de hoofdzonde van Israël’s volk, dat het het Woord van Hem, die Israël tot zijn wijngaard had uitverkoren, had verworpen. In het volgende vers wordt de straf nog nader aangeduid en gezegd hoe zwaar zij zal wezen, terwijl er bijgevoegd wordt, dat des Heren hand nog uitgestrekt is om Zijne straffen te blijven uitvoeren.
Daarom, om zulk ene verwerping en versmading, welke zulk ene grote zonde is, omdat die God, die Zich door Zijne wet en voortdurende verkondiging aan hen niet onbetuigd laat, zo verheven en zo heilig is, is de toorn des HEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft ter rechtvaardige bezoeking tegen hetzelve Zijne hand uitgestrekt, en Hij heeft het met zo zwaar neervallende slagen geslagen, zodat de bergen onder het medegevoel van die slagen hebben gebeefd 1), en hun dode lichamen, de lichamen der in den strijd gesneuvelden 2), zijn geworden als drek in het midden der straten, blijvende onbegraven liggen, terwijl niemand van de overblijvenden voor ene eervolle begraving zorgt (2 (Kon. 9:37. (Ps. 83:11). Om a) in weerwil van dit alles, hoe verschrikkelijk het ook zij, keert Zich Zijn toorn niet af, omdat die nog niet gestild is, maar Zijne hand is nog uitgestrekt
tot verdere slagen.
Jes. 10:6; 9:11, 16, 20; 10:4.
De bergen hebben gebeefd. De natuur staat naar Gods ordening als wereldschepper tot den mens in dezelfde betrekking als het lichaam tot de ziel; iedere slag van Gods heiligen toorn, die het volk treft, treft ook het door hem bewoonde land; alzo beefden nu ook in den Syro-Efraïmitischen strijd, ofschoon slechts voor ingewijden merkbaar, de bergen van Juda.
Wellicht wordt hier het door den Syro-Efraïmitischen oorlog bewerkte bloedbad bedoeld 2 Kron. 28:5 vv.
Deze woorden worden later dikwijls herhaald in de onder koning Achaz gedane voorspellingen (Hoofdstuk 9:12, 17, 21; 10:4. Vergl. Hosea 7:10. Vs. 24-25. De gehele natie zal versterven; beneden zullen zijn wortels verrotten, boven zijne bloesems verstuiven. Jehova Zebaoth, de God der liefde, is een ijverig God, een vreselijke gloed voor de zondaars. Vele krijgslieden zouden in de hitte des strijds sneuvelen niet alleen, naar ook vele burgers in de steden in koelen bloede vermoord worden en de overgeblevenen zouden niet in staat zijn, noch den moed er voor hebben om ze behoorlijk te begraven. Het vuur Zijner gramschap zou zo lang branden als er stoppelen en kaf onder hen was, en Zijne hand zou met de slachting aanhouden, omdat zij in de benauwdheid zelf nog niet tot Hem riepen, en door boete en berouw zich niet bekeerden of enige zucht tot levensverbetering toonden.
Want Hij zal, vervullende wat Hij reeds (Deut. 28:49 vv.) gedreigd heeft, ene banier, een hoge stang met wapperende vlag opwerpen onder de Heidenen van verre, tot een teken dat zij zich ten strijde tegen zijn volk zullen verzamelen, en Hij zal hen, gelijk een bijenhouder door sissen of fluiten de bijen uit de korven lokt, dat zij zich neerlaten, herwaarts sissen van het einde der aarde, uit de verre landstreken aan gene zijde van den Jordaan (Hoofdstuk 13:5; 39:3); en ziet, haastelijk snellijk zullen zij aankomen, 1) om het verlangen der ongelovige spotters (vs. 19) te bevredigen.
De vervulling dezer profetie begon reeds onder Achaz, maar krijgt eerst hare ware vervulling door de Assyriërs en straks door de Babyloniërs en eindelijk in de Romeinen. De Assyrische volken (Hoofdstuk 39:3) werden de volken uit de verte genoemd, dewijl zij in achter-Azië woonden en de Eufraat als het ware voor Israël de meest ver verwijderde bekende rivier was.
Geen moede en geen struikelende zal onder hen wezen, de krachtige en tot den strijd toegeruste heirscharen, welke de Heere Zich heeft uitverkoren als Zijne werktuigen ter verdelging; niemand zal sluimeren noch slapen, noch de gordel zijner lenden zal ontbonden worden, noch de schoenriem zijner schoenen zal afgescheurd worden; maar, aan krijgsvermoeienis gewoon en tot verse marsen behoorlijk toegerust, rukken zij voort, zonder te moeten rusten, of in hun loop te worden belemmerd.
Welker pijlen scherp, reeds behoorlijk gescherpt zullen zijn, om dadelijk gebruikt te kunnen worden en al hun bogen reeds gespannen; hunner (der naderende vijanden) paarden hoeven zullen als ene rots geacht zijn, zo hard als kiezelsteen 1), en hun strijdwagens raderen als een wervelwind, zo snel wentelen zij zich rond.
Daar men in de oudheid de paarden niet besloeg, behoorde een harde hoef tot de beste eigenschappen van een duurzaam strijdpaard.
Hun gebrul, waarmee zij in den strijd vliegen, zal zijn als van enen ouden leeuw, die op door uitgaat, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, die nog veel vratiger zijn dan de oude, en zij zullen briesen 1), en den door aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn.
Het briesen betekent het doffe geluid dat de leeuw voortbrengt, als hij zijne prooi zal gaan bespringen.
Onder dezen door verstaat de profeet Juda, maar noemt dien naam niet, alsof ‘t hem onmogelijk ware dien naam uit te spreken.
En zij, de vijanden, zullen tegen hetzelve Juda, te dien dage bruisen, als het bruisen der zee in den storm 1). Dan zal men a) de nu zo gezegende en zo vriendelijk uitziende aarde, of het land, aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, omdat alle troost en hulpe haar ontnomen is, en het licht der Goddelijke genadezon zal verduisterd worden in hun verwoestingen 2).
Jes. 8:22,
Het bruisen der zee in een storm. In dit ene beeld verenigen zich verschillende trekken. Het vijandelijke leger wordt ons daardoor voorgesteld: 1. wat talrijkheid aangaat, als onafzienbaar; 2. als met ene blinde woede, gelijk die der elementen, zonder oor, zonder hart voortstormende; 3. als met ene blinde gehoorzaamheid, gelijk de elementen onbewust den wil des Heren volbrengende; 4. als iedere tegenstand overweldigende.
Deze in den grondtekst zo onnavolgbaar schone maar moeilijke plaats, wordt door de uitleggers verschillend vertaald en verklaard. In het land zal het zó duister worden, dat de duisternis van beneden het licht van boven verdonkert. De profeet deelt ons mede, welk een indruk iemand, die in deze zaak neutraal, haar van zijn standpunt als van ene hoogte beschouwde, bij het zien op dat land en op hetgeen daarin voorviel, verkrijgen zou (verg. Gen. 19:27 vv.). Het is hem alsof zware onweerswolken komen aandrijven en zich zo ver het land uitbreiden, dat het nacht wordt. De bui barst los in hagelslag en bliksemschichten; maar hoe geheel andere gaat het nu! Want terwijl de onweerswolken bij het wegtrekken den hemel slechts des te klaarder en reiner achterlaten, volgt hier een stikdonkere nacht, welke niet eenmaal van ene afwisseling door den dag, van ene hoop op het morgenrood zich bewust is. Duisternis zal er heersen over het land, het licht zal weggenomen worden. Duisternis en benauwdheid zal er wezen, van wege al de ellende die over Juda en Israël komen zal. Het volk heeft de maat der zonde vervuld. Het licht is verworpen. De liefde Gods versmaad. Alle bemoeiingen ten goede zijn veracht. Het licht zal nu ondergaan en de schrikkelijke toestand van belegering, gevolgd door ballingschap, zal een geestelijke duisternis zijn en vergeleken worden bij de uiterste benauwdheid. Wie den Heere God en Zijn Woord verwerpt, berooft zich zelven van het Licht en wandelt in de duisternis.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel