Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
BelH1078 is gekromdH3766, NeboH5015 wordt nedergebogenH7164, hun afgodenH6091 zijn geworden voor de dierenH2416 en voor de beestenH929; uw opgeladenH6006 pakkenH5385 zijn een lastH4853 voor de vermoeideH5889 beesten.
Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten.
KJV
Bel2
boweth down,1
Nebo4
stoopeth,3
their idols6
were upon the beasts,7
and upon the cattle:8
your carriages9
were heavy loaden;10
they are a burden11
to the weary
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
SamenH3162 zijn zij nedergebogenH7164, zij zijn gekromdH3766, zij hebben den lastH4853 niet kunnen reddenH4422, maar zijzelvenH5315 zijn in de gevangenisH7628 gegaanH1980.
Samen zijn zij nedergebogen, zij zijn gekromd, zij hebben den last niet kunnen redden, maar zijzelven zijn in de gevangenis gegaan.
KJV
They stoop,1
they bow down2
together;3
they could5
not deliver6
the burden,7
but themselves8
are gone10
into captivity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
HoorH8085 naarH413 Mij, o huisH1004 van JakobH3290, en het ganseH3605 overblijfselH7611 van het huisH1004 IsraelsH3478! die van Mij gedragenH6006 zijt vanH4480 den buikH990 aan, en opgenomenH5375 vanH4480 de baarmoederH7356 af.
Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israels! die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af.
KJV
Hearken1
unto me, O house3
of Jacob,4
and all the remnant6
of the house7
of Israel,8
which are borne9
by me from the belly,11
which are carried12
from the womb:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En tot de ouderdomH2209 toe zal IkH589 DezelfdeH1931 zijn, ja, totH5704 de grijsheidH7872 toe zal IkH589 ulieden dragenH5445; IkH589 heb het gedaanH6213, en IkH589 zal u opnemenH5375, en IkH589 zal dragenH5445 en reddenH4422.
En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.
KJV
And even to your old age2
I am he; and even to hoar hairs6
will I carry8
you: I have made,10
and I will bear;12
even I will carry,14
and will deliver
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WienH4310 zoudt gijlieden Mij nabeeldenH1819, en evengelijkH7737 maken, en Mij vergelijkenH4911, dat wij elkander gelijken zouden?
Wien zoudt gijlieden Mij nabeelden, en evengelijk maken, en Mij vergelijken, dat wij elkander gelijken zouden?
KJV
To whom will ye liken2
me, and make me equal,3
and compare4
me, that we may be like?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Zij verkwistenH2107 het goudH2091 uit de beursH3599, en wegenH8254 het zilverH3701 met de waagH7070; zij hurenH7936 een goudsmidH6884, en die maaktH6213 het tot een godH410, zij knielen nederH5456, ook buigenH7812 zij zich daarvoor.
Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met de waag; zij huren een goudsmid, en die maakt het tot een god, zij knielen neder, ook buigen zij zich daarvoor.
KJV
They lavish1
gold2
out of the bag,3
and weigh6
silver4
in the balance,5
and hire7
a goldsmith;8
and he maketh9
it a god:10
they fall down,11
yea, they worship.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zij nemenH5375 hem opH5921 den schouderH3802, zij dragenH5445 hem, en zettenH3240 hem aan zijn plaatsH8478; daar staatH5975 hij, hij wijktH4185 van zijn stedeH4725 nietH3808; ja, roeptH6817 iemand totH413 hem, zo antwoordtH6030 hij niet, hij verlostH3467 hem nietH3808 uit zijn benauwdheidH6869.
Zij nemen hem op den schouder, zij dragen hem, en zetten hem aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet; ja, roept iemand tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.
KJV
They bear1
him upon the shoulder,3
they carry4
him, and set him in his place,5
and he standeth;7
from his place8
shall he not remove:10
yea, one shall cry12
unto him, yet can he not answer,15
nor save18
him out of his trouble.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
GedenktH2142 hieraan, en houdt u kloekelijkH377, brengtH7725 het weder in het hartH3820, o gij overtredersH6586!
Gedenkt hieraan, en houdt u kloekelijk, brengt het weder in het hart, o gij overtreders!
KJV
Remember1
this, and shew yourselves men:3
bring it again4
to mind,7
O ye transgressors.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
GedenktH2142 der vorigeH7223 dingen van oude tijdenH5769 af, datH3588 IkH595 God ben, en er is geen God meerH5750, en er is niet gelijk Ik;
Gedenkt der vorige dingen van oude tijden af, dat Ik God ben, en er is geen God meer, en er is niet gelijk Ik;
Ook in dit vers
GodH410
GodH430
KJV
Remember1
the former things2
of old:3
for I am God,6
and there is none else; I am God,9
and there is none10
like
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Die van den beginneH7225 aan verkondigtH5046 het eindeH319, en van oudsH6924 af die dingen, die nog nietH3808 geschiedH6213 zijn; Die zegtH559: Mijn raadH6098 zal bestaanH6965, en Ik zal alH3605 Mijn welbehagenH2656 doen.
Die van den beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen.
KJV
Declaring1
the end3
from the beginning,2
and from ancient times4
the things that are not yet done,7
saying,8
My counsel9
shall stand,10
and I will do13
all my pleasure:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Die een roofvogelH5861 roeptH7121 van het oostenH4217, een manH376 Mijns raadsH6098 uit verrenH4801 landeH776; ja, Ik heb het gesprokenH1696, Ik zal het ook doen opkomen; Ik heb het geformeerdH3335, Ik zal het ook doen.
Die een roofvogel roept van het oosten, een man Mijns raads uit verren lande; ja, Ik heb het gesproken, Ik zal het ook doen opkomen; Ik heb het geformeerd, Ik zal het ook doen.
KJV
Calling1
a ravenous bird3
from the east,2
the man6
that executeth my counsel7
from a far5
country:4
yea, I have spoken9
it, I will also bring11
it to pass; I have purposed12
it, I will also do
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
HoortH8085 naarH413 Mij, gij stijvenH47 van harteH3820, gij, die verreH7350 van de gerechtigheidH6666 zijt!
Hoort naar Mij, gij stijven van harte, gij, die verre van de gerechtigheid zijt!
KJV
Hearken1
unto me, ye stouthearted,3
that are far from5
righteousness:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Ik brengH7126 Mijn gerechtigheidH6666 nabijH7126, zij zal nietH3808 verreH7368 wezen, en Mijn heilH8668 zal nietH3808 vertoevenH309; maar Ik zal heilH8668 gevenH5414 in SionH6726, aan IsraelH3478 Mijn heerlijkheidH8597.
Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Sion, aan Israel Mijn heerlijkheid.
KJV
I bring near1
my righteousness;2
it shall not be far off,4
and my salvation5
shall not tarry:7
and I will place8
salvation10
in Zion9
for Israel11
my glory.
is gekromd,
Bel is de naam van den voornaamsten afgod der Babyloniërs; zie Dan. 1:2 in de aantekening. Als de stad Babel van de Perzen is ingenomen geweest, zo zijn ook de goden der Babyloniërs verstoord en als gevankelijk naar Perzië gevoerd geworden.
Hertaald:
is gekromd,
Bel is de naam van de voornaamste afgod van de Babyloniërs; zie de aantekening bij Dan. 1:2. Toen de stad Babel door de Perzen ingenomen werd, zijn ook de goden van de Babyloniërs verstoord en als het ware in gevangenschap naar Perzië gevoerd.
Nebo
Nebo is ook de naam van een afgod bij de Babyloniërs.
Hertaald:
Nebo
Nebo is eveneens de naam van een afgod bij de Babyloniërs.
hun
Te weten der Babyloniërs.
Hertaald:
hun
Namelijk: van de Babyloniërs.
afgoden
Hebreeuws, smarten; omdat de afgoden dengenen, die hen dienen, smarten veroorzaken.
Hertaald:
afgoden
Hebreeuws: smarten, omdat de afgoden aan hun dienaars smart bezorgen.
zijn geworden
Dat is, zij zijn geladen op de dieren en de beesten, namelijk, dat die hen in Perzië zouden brengen.
Hertaald:
zijn geworden
Dat is: zij zijn op de lastdieren en het vee geladen om naar Perzië gebracht te worden.
uw opgeladen
De zin is: de lastdragende beesten, die de Perzen gebruiken zullen om uwe afgoden te vervoeren, zullen er zo zwaar mede geladen zijn, dat zij er moede van worden zullen.
Hertaald:
uw opgeladen
De betekenis is: de lastdieren die de Perzen zullen gebruiken om uw afgoden te vervoeren, zullen er zo zwaar mee beladen zijn dat zij ervan vermoeid raken.
Tezamen
De zin is: Zij, te weten de afgoden van Babel, hebben niet kunnen beletten dat de Perzen een groten buit uit Babylonië uitvoeren zouden; ja zij moeten zelfs mede in de gevangenis, zulke fraaie en dappere goden zijn zij. Anderen verstaan het aldus: De lastdragende beesten, die de beelden droegen, waren daarmede zo overladen, dat zij krom en gebogen gingen.
Hertaald:
Tezamen
De betekenis is: zij — namelijk de afgoden van Babel — hebben niet kunnen verhinderen dat de Perzen een grote buit uit Babylonië wegvoerden; ja, zij moeten zelfs zelf mee in gevangenschap. Zulke fraaie en dappere goden zijn het! Anderen vatten het zo op: de lastdieren die de beelden droegen waren daarmee zo overladen dat zij krom en gebogen liepen.
zij hebben den last
Te weten de afgoden, of de Babyloniërs.
Hertaald:
zij hebben den last
Namelijk: de afgoden, of de Babyloniërs.
zijzelven
Hebreeuws, hunne ziel, zijzelven; alzo Jes. 47:14 .
Hertaald:
zijzelven
Hebreeuws: hun ziel, zij zelf; zo ook in Jes. 47:14.
zijn in de gevangenis gegaan
Dat is, zij zullen gevankelijk weggevoerd worden naar Perzië.
Hertaald:
zijn in de gevangenis gegaan
Dat is: zij zullen in gevangenschap naar Perzië weggevoerd worden.
gij die van Mij
Dat is, voor wie Ik steeds zorg draag, wiens schut en scherm Ik altoos geweest ben. Zie Ex. 19:4 ; Deut. 1:31 , en Deut. 32:11 ; Ps. 22:11 en Ps. 71:6 .
Hertaald:
gij die van Mij
Dat is: voor wie Ik voortdurend zorg draag en Wiens schild en beschutting Ik altijd geweest ben. Zie Ex. 19:4, Deut. 1:31, Deut. 32:11, Ps. 22:11 en Ps. 71:6.
van den buik aan,
Of, van [moeders] buik af. De zin is: Ik ben met u bezwaard geweest, als ene moeder met haar kind, en heb u beschermd en verzorgd van uw eersten oorsprong af.
Hertaald:
van den buik aan,
Of: van de moederschoot af. De betekenis is: Ik heb u gedragen zoals een moeder haar kind, en Ik heb u beschermd en verzorgd vanaf uw eerste begin.
van de baarmoeder af
Dat is, zo haast als gij geboren zijt.
Hertaald:
van de baarmoeder af
Dat is: zodra u geboren was.
tot de ouderdom
Dat is, totdat gij oud en grijs zult geworden zijn.
Hertaald:
tot de ouderdom
Dat is: totdat u oud en grijs geworden zult zijn.
dragen;
Gelijk ene moeder of voedster haar jong kind draagt; dat is, Ik zal u wel verzorgen.
Hertaald:
dragen;
Zoals een moeder of voedster haar jonge kind draagt — dat is: Ik zal goed voor u zorgen.
redden
Te weten uit de Babylonische gevangenschap, of uit allen nood.
Hertaald:
redden
Namelijk: uit de Babylonische gevangenschap, of uit alle nood.
Zij
Te weten afgodendienaars.
Hertaald:
Zij
Namelijk: de afgodendienaars.
verkwisten
Of, zij verkwisten onnut. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk het geld overvloediglijk verkwisten, als geen werk daarvan makende of hetzelve niet achtende; zodat hier te kennen wordt gegeven de dwaasheid der afgodendienaars en beroving hunner zinnen.
Hertaald:
verkwisten
Of: zij verkwisten het nutteloos. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk het geld met volle handen verkwisten, alsof men er niets om geeft en het niet telt. Zo wordt hier de dwaasheid van de afgodendienaars te kennen gegeven en het feit dat zij van hun verstand beroofd zijn.
de waag;
Of, waagpen, evenaar, of tong der weegschaal.
Hertaald:
de waag;
Of: weegpen, evenaar, of tong van de weegschaal.
een goudsmid,
Hebreeuws, een smelter; gelijk Jes. 41:7 .
Hertaald:
een goudsmid,
Hebreeuws: een smelter, zoals in Jes. 41:7.
tot een god,
Dat is, tot een afgod.
Hertaald:
tot een god,
Dat is: tot een afgod.
aan zijn plaats;
Hebreeuws, onder zich.
Hertaald:
aan zijn plaats;
Hebreeuws: onder zich.
hem niet
Te weten den afgodendienaar.
Hertaald:
hem niet
Namelijk: de afgodendienaar.
hieraan,
Of, aan dit, of van dezen.
Hertaald:
hieraan,
Of: aan dit, of hiervan.
houdt
Of, houdt u mannelijk, of zijt gefondeerd; ziet toe dat gij u niet laat bedriegen, noch bewegen of brengen tot den dienst der afgoden, door vrees of door het voorbeeld der Babyloniërs.
Hertaald:
houdt
Of: houdt u mannelijk, of: staat vast. Ziet erop toe dat u zich niet laat bedriegen en dat u zich niet laat bewegen of brengen tot de dienst van de afgoden, niet door vrees en niet door het voorbeeld van de Babyloniërs.
brengt het
Of, brengt het den overtreders weder in het hart.
Hertaald:
brengt het
Of: brengt het de overtreders weer in het hart.
o gij overtreders
Die mijn verbond verlaat en u van de afgodendienaars laat verleiden.
Hertaald:
o gij overtreders
U die Mijn verbond verlaat en zich door de afgodendienaars laat verleiden.
der vorige dingen
Te weten de weldaden en wonderwerken, die Ik ulieden of mijne kerk eertijds bewezen heb.
Hertaald:
der vorige dingen
Namelijk: de weldaden en wonderwerken die Ik u of Mijn kerk vroeger bewezen heb.
van oude tijden af,
De rede zou aldus voller zijn: Die geschied zijn van oude tijden af.
Hertaald:
van oude tijden af,
De zin zou voller zijn als er stond: die van oude tijden af gebeurd zijn.
gelijk Ik;
Of, mij gelijk.
Hertaald:
gelijk Ik;
Of: aan Mij gelijk.
Die van den beginne
Dat is, Ik die de toekomende dingen voorzeg lang tevoren eer zij geschieden, doende daarmede blijken dat Ik alleen de ware God ben.
Hertaald:
Die van den beginne
Dat is: Ik, Die de toekomende dingen lang tevoren voorzeg, voordat zij gebeuren, en daarmee laat blijken dat Ik alleen de ware God ben.
een roofvogel
Versta Cores, die zo snellijk met zijn heirleger uit Perzië in Babylonië zal komen en hen beroven, alsof hij een snelvliegende roofvogel ware, en vloog.
Hertaald:
een roofvogel
Versta: Cores, die zo snel met zijn leger uit Perzië in Babylonië zal komen en hen zal beroven, alsof hij een snel vliegende roofvogel was.
van het oosten,
Te weten uit Perzië, dat de Babyloniërs tegen het oosten ligt.
Hertaald:
van het oosten,
Namelijk: uit Perzië, dat ten oosten van de Babyloniërs ligt.
een man
Dat is, een man, die mijn raadslag doe en in het werk stel, Babel verwoest, en mijn volk uit de gevangenschap verlos.
Hertaald:
een man
Dat is: een man die Mijn raadsbesluit uitvoert en ten uitvoer brengt, Babel verwoest en Mijn volk uit de gevangenschap verlost.
geformeerd,
Te weten in mijnen zin, of in mijn geheimen raad. Ik heb besloten, Ik heb het mij voorgenomen.
Hertaald:
geformeerd,
Namelijk: in Mijn gedachten, of in Mijn verborgen raad. Ik heb het besloten, Ik heb het Mij voorgenomen.
gij stijven
Of, gij stouten, stuggen, hardnekkigen, eigenzinnigen van harte, gij boosaardige Joden.
Hertaald:
gij stijven
Of: u brutalen, stugge, hardnekkige, eigenzinnige mensen van hart; u boosaardige Joden.
gij, die verre
Alsof God zeide: Gijlieden, die mijne genade gans onwaardig zijt, omdat gij de vroomheid en ware godzaligheid naar behoren niet behartigt.
Hertaald:
gij, die verre
Alsof God zei: u die Mijn genade volstrekt onwaardig bent, omdat u de vroomheid en de ware godzaligheid niet naar behoren ter harte neemt.
Ik breng
Of, Ik zal brengen, of Ik heb gebracht, en aldus dikwijls bij de profeten, die vanwege de zekerheid hunner profetieën dikwijls van ene zaak, die nog aanstaande is, spreken alsof zij reeds voltrokken ware.
Hertaald:
Ik breng
Of: Ik zal brengen, of: Ik heb gebracht. Zo doen de profeten vaak: vanwege de zekerheid van hun profetieën spreken zij dikwijls over iets wat nog moet komen alsof het al voltrokken was.
Mijn gerechtigheid
Dat is, het werk mijner gerechtigheid; te weten de verlossing van mijn volk uit de Babylonische gevangenschap en voorts door den Heere Christus uit hun geestelijke ellende. Zie boven Jes. 45:8 .
Hertaald:
Mijn gerechtigheid
Dat is: het werk van Mijn gerechtigheid, namelijk de verlossing van Mijn volk uit de Babylonische gevangenschap en verder de verlossing door de Heere Christus uit hun geestelijke ellende. Zie hierboven Jes. 45:8.
Mijn heil
Dat is, de verlossing, die Ik mijn volk bewijzen zal, het uit de gevangenschap verlossende.
Hertaald:
Mijn heil
Dat is: de verlossing die Ik Mijn volk zal bewijzen door het uit de gevangenschap te verlossen.
aan Israël
Dat is, zulk ene verlossing, door welke mijn volk Israël grotelijks zal verheerlijkt worden. Anders: [tot] mijne heerlijkheid, te weten door dit heerlijke werk der verlossing zal openbaar gemaakt en geroemd worden. Anders: om Israëls wil, dat mijne heerlijkheid is.
Hertaald:
aan Israël
Dat is: een verlossing waardoor Mijn volk Israël zeer verheerlijkt zal worden. Anders: tot Mijn heerlijkheid, namelijk die door dit heerlijke werk van de verlossing bekendgemaakt en geroemd zal worden. Anders: om Israëls wil, dat Mijn heerlijkheid is. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het hoofdstuk opent met een optocht die vastloopt: "Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen", en hun beelden worden op lastdieren geladen (Jes. 46:1). De dieren bezwijken onder het gewicht, en de goden kunnen de last niet redden; zij gaan zelf in gevangenschap (Jes. 46:2). Daartegenover staat een woord aan Israël: "die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af" (Jes. 46:3). En dan volgt de belofte waar dit hoofdstuk om bekend is: "En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden" (Jes. 46:4). Even verderop wordt het beeld nog eens uitgewerkt: men huurt een goudsmid, zet het beeld op zijn plaats, "daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet" (Jes. 46:7). Bijbelse betekenis: Merk op waar het verschil in zit. Het is één woord: dragen. Een afgod moet gedragen worden en blijft staan waar men hem neerzet; God draagt Zelf en gaat mee. Dat is geen spot om de spot, maar de eenvoudigste manier om te laten zien wat een god waard is. Let vervolgens op de spanwijdte van Jes. 46:3-4. Er wordt niet gezegd dat God van de geboorte tot de bekering draagt, maar van de baarmoeder tot de grijsheid; er valt geen levensfase buiten, en de ouderdom wordt uitdrukkelijk genoemd. Let ten slotte op de vier werkwoorden in Jes. 46:4: Ik heb het gedaan, Ik zal opnemen, Ik zal dragen, Ik zal redden. Alle vier hebben dezelfde Persoon als onderwerp, en de mens komt er alleen in voor als degene die gedragen wordt. Typologie: Dezelfde omkering staat in de gelijkenis van het verloren schaap: de herder legt het op zijn schouders, en hij doet dat verblijd (Luk. 15:5). Ook daar wordt het gevondene gedragen en niet aangespoord om zelf terug te lopen. Jes. 46:1-7; Luk. 15:5 "Gedenkt der vorige dingen van oude tijden af, dat Ik God ben, en er is geen God meer, en er is niet gelijk Ik" (Jes. 46:9). Wat Hem onderscheidt, staat in het volgende vers: Hij is "Die van den beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn" (Jes. 46:10). En daarop volgt de zin waar het hoofdstuk om draait: "Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen." Het gaat meteen over in het concrete geval: "Die een roofvogel roept van het oosten, een man Mijns raads uit verren lande", en Hij zegt erbij: Ik heb het gesproken, Ik zal het ook doen opkomen (Jes. 46:11). Het slot is gericht op wie het niet aandurft: "Hoort naar Mij, gij stijven van harte", en dan: "Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen" (Jes. 46:12-13). Bijbelse betekenis: Merk op waarmee God Zich hier bewijst. Niet met macht en niet met wonderen, maar met de toets die in dit deel van het boek telkens terugkeert: wie kan zeggen wat er komen gaat (reeds behandeld bij Jes. 41:22)? De naam van Cores is daarvan het voorbeeld. Let vervolgens op de uitdrukking Mijn raad. Het is geen wens en geen voornemen dat kan mislukken, maar een besluit dat bestaat; dat is de grond waarop het volk gevraagd wordt te wachten. Let ten slotte op tot wie het slot gericht is. Het is gericht tot de hardnekkigen, die ver van de gerechtigheid zijn. Juist tegen hen wordt gezegd dat het heil niet ver is. Het woord komt dus niet bij wie er al klaar voor zijn. Typologie: Paulus zegt hetzelfde van de gemeente: God werkt alle dingen "naar den raad van Zijn wil" (Ef. 1:11). En Petrus verbindt die raad met het kruis: Christus is overgegeven "door den bepaalden raad en voorkennis Gods" (Hand. 2:23, reeds behandeld). Jes. 46:8-13; Jes. 41:22; Ef. 1:11; Hand. 2:23 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Niets in het verleden heeft het fundament van ons geloof doen wankelen. Niets in het heden kan het bewegen. Niets in de toekomst zal het ondermijnen. Wat er in de eeuwen die komen ook geschieden mag, er zal altijd goede grond zijn om de HEERE en Zijn getrouwe Woord te geloven. De grote waarheden die Hij geopenbaard heeft, zullen nooit weerlegd worden. De grote beloften die Hij gedaan heeft, zullen nooit worden ingetrokken. De grote raadslagen die Hij beraamd heeft, zullen nooit worden opgegeven. Spurgeon laat zien hoe de afgoden van Babel, Bel en Nebo, in stof gevallen zijn, terwijl Jehova Zijn volk draagt van de moederschoot tot de grijsheid toe -… … Ik zal dragen en redden. Jesaja 46:4 Spurgeon hoorde dit verhaal van een dominee die zijn vriend was. Later vertelde Spurgeon het weer in een van zijn… En tot de ouderdom toe zal Ik dezelfde zijn, ja tot de grijsheid toe zal Ik u lieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen;… En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja tot de grijsheid toe zal Ik u dragen; Ik heb het gedaan en Ik zal u opnemen en… Die van den beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal… En tot de ouderdom toe zal Ik dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 46
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Afgoden te licht bevonden, maar Jehova getrouw
Dragen
Jes. 46:4 - Een preek voor de ouden van dagen
De God van de bejaarden
God weet alles
En tot de ouderdom toe zal Ik dezelfde zijn


Jesaja 46
Jesaja 46:3-4.KruisverwijzingenPsalmen 71:18→Jesaja 43:13→Romeinen 11:29→Deuteronomium 1:31→Jakobus 1:17→Psalmen 48:14→Psalmen 92:14→Hebreeën 1:12→
— Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israels! die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af. En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.
“Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israels! die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af. En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.” Het vertrouwen van Babel ligt begraven onder haar puinhopen, want haar goden zijn van hun tronen gevallen: Bel is nedergebogen, Nebo is ingezonken.
Wat ons betreft: ons vertrouwen is op de levende God, die leeft om Zijn uitverkorenen te dragen en te torsen; op de HEERE, de enige ware Heere. Wij beginnen ons geestelijke leven door het geloof in Hem, want voordat het geloof komt, hebben wij geen macht om kinderen van God te worden. En ons geestelijke leven zal op diezelfde wijze voortgezet moeten worden: in vertrouwen op de HEERE. Wij leven door het geloof in de Zoon van God, die ons liefgehad heeft en Zichzelf voor ons overgegeven heeft.
Wij verheugen ons erin dat wij ons vertrouwen nooit zullen hoeven te verwisselen, want onze God zal nooit in gevangenschap weggevoerd of van Zijn troon gerukt worden. Ons geloof is gebouwd op een rots die nooit bewogen kan worden. Zolang wij leven zullen wij altijd een toevlucht hebben, een hoop, een vertrouwen dat nooit weggenomen kan worden.
“tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn” is niet alleen een belofte voor wie op leeftijd zijn. Het is een belofte aan het volk van God in elk tijdperk tussen hun geboorte en hun dood. De HEERE zegt niet dat Hij ervoor instaat dat al Zijn volk de ouderdom bereiken zal, maar Hij zégt wel dat Hij ons van de baarmoeder af gedragen heeft en ons nog dragen zal. De HEERE is ons goed in alle tijden en op alle wijzen.
Wij moeten de barmhartigheid van God niet houden voor iets dat alleen geldt voor wie het einde van hun pelgrimstocht naderen, maar voor iets dat Zijn volk heel hun woestijnreis door begeleidt. Van de dag waarop zij het paaslam voor het eerst aten en Egypte verlieten, tot het uur waarin de Jordaan opdroogde en zij het land in bezit namen dat van melk en honing overvloeit. Onze bevindelijke omgang met God doet ons weten dat Hij van het eerste tot het laatste onze genadige Helper is. Bel en Nebo stellen hun vereerders teleur, maar de HEERE is onze God tot in alle eeuwigheid, en Hij zal ons leidsman zijn tot in de dood.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
VII. Vs. 1-13.KruisverwijzingenSpreuken 19:21→Psalmen 71:18→Psalmen 33:11→Spreuken 21:30→Jesaja 45:21→Handelingen 5:39→Hebreeën 6:17→Jeremia 51:44→
— Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten. Samen zijn zij nedergebogen, zij zijn gekromd, zij hebben den last niet kunnen redden, maar zijzelven zijn in de gevangenis gegaan. Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israels! die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af. En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden. Wien zoudt gijlieden Mij nabeelden, en evengelijk maken, en Mij vergelijken, dat wij elkander gelijken zouden? Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met de waag; zij huren een goudsmid, en die maakt het tot een god, zij knielen neder, ook buigen zij zich daarvoor. Zij nemen hem op den schouder, zij dragen hem, en zetten hem aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet; ja, roept iemand tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid. Gedenkt hieraan, en houdt u kloekelijk, brengt het weder in het hart, o gij overtreders! Gedenkt der vorige dingen van oude tijden af, dat Ik God ben, en er is geen God meer, en er is niet gelijk Ik; Die van den beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen.
De zevende rede. Hier begint het laatste derde deel der eerste rij van driemaal drie redenen, dat betrekking heeft op Babel, de hoofdstad van het Chaldeeuwse wereldrijk, uit welker gevangenis Israël door Cyrus moet worden bevrijd. De val van Babels goden is het eerste, wat door den Profeet als ene door Cyrus volbrachte zaak wordt gezien (vs. 1 en 2 1,). Daaraan sluit zich in drievoudige wending ene prediking des Heren ter vermaning. De eerste (vs. 3-7) is gericht tot het volk Gods in zijn geheel, dus ook tot het overblijfsel dergenen, die van het huis Israël’s, of het vroegere rijk der tien stammen nog overig zijn, en niet reeds in de landen der Assyrische ballingschap in ‘t heidendom zijn ten ondergegaan. Zij moeten de onvergetelijke heerlijkheid van hunnen God, den God van Israël, tegenover het ellendige der heidense goden ter harte nemen, en van deze zich weer afkeren tot Hem in een nieuw, vast geloof. De tweede rede (vs. 8-11) handelt over de harten, die tussen den dienst van Jehova en het heidendom wankelen, en meer tot het laatste dan tot het eerste neigen. Deze moeten de vroegere geschiedenis van hun volk van den grijzen voortijd af voor hunnen geest later voorbijgaan, deze zal hun dan tonen, dat Jehova de Onvergelijkelijke is, die Zich altijd als zodanig heeft geopenbaard, en onlangs weer bewezen heeft de enige God te zijn. De derde (vs. 12 en 13) heeft betrekking op de vrijgeesten, die zich zelven verheven achten boven den indruk van het werk van goddelijke genade en niets meer van den levenden God willen weten. Zij hebben, twijfelachtig aan Zijn woord, de hoop op behoud opgegeven; maar ziet, het is nu nabij gekomen en staat, om zo te zeggen, voor de deur.
Bel, de hoofdafgod van Babel, is gekromd, is door enen vernietigenden slag ineengezonken; Nebo, een andere afgod des lands, wordt neergebogen 1) (Hoofdstuk 21:9) is gevallen; hun afgoden, hun beelden, zijn geworden voor de dieren, kamelen en dromedarissen, en voor de beesten, runderen en ezels, die ze als een krijgsbuit naar het vaderland van den veroveraar zullen heenvoeren; uwe opgeladene pakken zijn een last voor de vermoeide beesten, deze beelden, die gij, Babyloniërs! vroeger in plechtige processies hebt rondgevoerd, hebben door hun ontzaglijke zwaarte 2) die dieren afgemat (vs. 7. (Jer. 10:5).
Even als de Babylonische eigennamen Beltsazar (Dan. 1:7; 5:1), Nabonassar, Nebukadnezar, Nebuzaradan (2 Kon. 20:12 24:1; 25:8) en misschien ook Abed-Nego (Dan. 1:7), bewijzen, behoorden Bel en Nebo tot de hoofdafgoden der Chaldeeën. Naast den eersten schijnt in Jer. 50:2 nog een andere god Merodach (vgl. den koningsnaam Merodach-Baladan in Jes. 39:1) genoemd te zijn; dit is echter waarschijnlijk slechts een andere naam voor Bel, om hem als beschermgod der Babyloniërs voor te stellen; daarentegen wordt in 2 Kon. 17:30 nog Nergal (Nergel) vermeld. Terwijl nu Bel, dien de ouden nu eens met Saturnus, dan eens met Jupiter, dan weer met Mars op gelijke lijn stellen, maar de Babyloniërs als zonnegod vereren (heer des hemels en des lichts), in den beroemden Belustempel Birs-Nimrud (Dan. 4:2) ene gouden zuil van 40 voet hoogte had, die 1000 kilo’s zwaar moet geweest zijn, is van Nebo (waarschijnlijk de Mercurius der Romeinen) nog niet bekend, hoe men hem afbeeldde.
De buitengewone grootte en zwaarte van Bels beeld werd reeds in de vorige aanmerking gemeld, de voor den afgod gestelden beker woog 1200 talenten. Men ontroofde gaarne den overwonnen volken hun afgodsbeelden, gedeeltelijk om hun hun beschermers te ontnemen en ze, gelijk men meende, voor altijd machteloos te maken (1 Sam. 5:1 vv. Jer. 48:7; 49:3. Jes. 10:10). Dat Cyrus later zelf Bel te Babel, en eveneens enen levenden draak heeft gediend, zo als de beide apocriefe stukken veronderstellen, strijdt met het nationale en zedelijk karakter van dezen koning. De Perzen toch waren vijanden van beeldendienst, en volgens onzen Profeet even als volgens de voorstelling der wereldse schrijvers was Cyrus van een edel gemoed, waarvan men wel kan zeggen: hij was niet verre van het Koninkrijk Gods.
Al uwe afgoden, wier wezen slechts in het hout en metaal van hun beelden bestaat, allen zamen zijn zij neergebogen, zij zijn gekromd, zij neigen ten val; zij hebben den last, hun opgelegd, niet kunnen redden, dat zij hun beelden uit de handen des veroveraars zouden hebben kunnen verlossen; maar zij zelven zijn in de gevangenis gegaan, zij zijn in de bewaarplaatsen der overwinnaars opeengestapeld.
Hoor daarentegen met het oog op deze smadelijke nederlaag der Babylonische goden, welke hun vereerders vroeger vertrouwden, en die nu in ballingschap worden weggevoerd, neer Mij, o huis van Jakob, rijk van Juda, en het ganse overblijfsel van het huis Israël’s 1), zo vele er nog van de naar Assyriës gevangenschap gevoerde tien stammen ontvankelijk zijn, om naar Mijn stem te horen! die van Mij gedragen zijt van den buik aan en opgenomen van de baarmoeder af, 2) wier leven Ik dus evenzo bescherm en tracht te verwekken, als ene zwangere haren last met alle zorgvuldigheid verzorgt en volkomen tracht voort te brengen.
Nadat de Heere in de beide eerste verzen de afgoden tot een niets heeft teruggebracht, als dezulken, die hun aanbidders niet kunnen helpen, integendeel zelf in de gevangenis gaan, roept Hij èn Juda èn het overblijfsel van de tien stammen op, om naar Hem te horen, om te vernemen wie Hij is. Hoe Hij niet alleen gedragen heeft, verzorgd, gekoesterd, maar hoe Hij ook nu redt en waarlijk redden kan. Opzettelijk staat hier van het overblijfsel van Israël, dewijl de meeste kinderen Israël’s reeds in de heidense volken waren opgegaan, en slechts een klein gedeelte nog getrouw gebleven was aan den godsdienst van Israël en dus ontvankelijk om te vernemen wat de Heere tot hen zou spreken. Wat de Heere tot hen te zeggen heeft wordt in vs. 5 en vv. gemeld.
De Heiden draagt een god als een last, die generlei nut doet; de zoon Israël’s werd van ‘t begin af gedragen door Zijn hemelsen Vader.
En heb Ik u van den moederschoot af gedragen, tot den ouderdom toe zal Ik dezelfde zijn, ja tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden, u door alle noden en gevaren veilig heenleiden. Wat hier van het volk Gods als geheel wordt gezegd, geldt natuurlijk ook van ieder lid daarvan in ‘t bijzonder ten opzichte van zijn eigen persoonlijk leven. God belooft, dat Hij nooit zul verlaten. De Schepper zal ook de Voleindiger van hun welzijn wezen, wanneer zij door verval en zwakheid evenzeer hulp behoeven als in hun kindsheid. Zij hebben hunnen ouderdom als volk verhaast en hun ellenden door hun zonden, maar God is nog hun God, die hen zal dragen in dezelfde eeuwige armen. Hij heeft het gemaakt en erkent hun belang als Zijn eigen, daarom wil Hij hen met hun zwakheden dragen en ze ondersteunen onder hun droefenissen. Deze belofte aan ‘t oude Israël is toepasselijk op iedere ouden Israëliet. God heeft Zich genadig verbonden, om Zijne gelovige dienaren juist in hunnen ouderdom te dragen en te helpen. Juist in den ouderdom, wanneer gij onbekwaam wordt voor bezigheid, behept met zwakheden, en misschien, die rondom u zijn, u moede beginnen te worden, dan is Hij het, die is, wie Hij was, dezelfde, door wie gij van den beginne af geworden zijt. Gij verandert, maar Ik, zegt God, ben dezelfde; Ik ben, die Ik beloofd heb te zullen zijn, dezelfde als gij Mij gevonden hebt, degene, die gij wilt dat Ik zijn zal. Ik wil u dragen, Ik wil u dragen op uwen weg, en ten laatste dragen naar uw huis. Indien wij leren op Hem te vertrouwen en Hem te beminnen, zo behoeven wij niet angstig te zijn over onze latere dagen of jaren; Hij zal ons nog verzorgen en over ons waken, als over de schepselen Zijner macht en als over nieuw geborenen door Zijnen Geest.
a) Wie zoudt gijlieden Mij nabeelden, en even gelijk maken, en Mij vergelijken, dat wij elkaar gelijken zouden? 1) Het is volstrekt onmogelijk den Oneindige af te beelden. Jes. 40:18, 25.
Het is ten uiterste ongerijmd, te denken dat men den eindelozen en eeuwigen Geest, door de gedaante van enig schepsel zou kunnen vertonen, of zich enig sterveling verbeeldde, die op het duizendmaal duizendste deel een zweem van die Godheid vertonen zou, Welker aangezicht niemand immer zag en leefde. Dit zou zo veel zijn als de waarheid tot leugen en de heerlijkheid Gods tot schande te maken.
Ziet daarentegen hoe het den heidenen met hun afgoden gaat, welke kosten en moeite zij met hen hebben, en toch oogsten zij geen winst van hen in. Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met de waag; zij huren enen goudsmid, en die maakt het uitgeschudde goud en afgewogen zilver, die dode metalen (Hoofdstuk 44:9 vv.) tot enen god; zij knielen neer, ook buigen zij zich daarvoor, wanneer het gereed is.
a) Zij nemen hem na hem geheel voltooid te hebben, op den schouder, zij dragen hem, daar hij zelf niet kan gaan, en zetten hem van zijne plaats, waar hij moet staan; want hij kan zelf daar niet heengaan. Daar staat hij onveranderlijk vast, hij wijkt van zijne stede niet, ten zij hij weer elders wordt heen gedragen; ja roept iemand in zijnen nood tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijne benauwdheid, omdat hij niets dan een dood beeld is (Ps. 115:4 v.).
Jes. 45:20.
Gedenkt toch, gij huis van Jakob, en alle gij overgeblevenen van het huis Israël’s, hieraan, aan die zo duidelijk (vs. 6 v.) aangewezene nietigheid en nutteloosheid der heidense afgoden, en houdt u kloekelijk (1 Kor. 16:13), opdat niet de wervelwind der afgoderij u opnieuw omstote; brengt het weer in het hart, neemt ter harte, overpeinst het gedurig, o gij overtreders,
gij die reeds zo dikwijls zondigdet, en u weer tot het heidendom begint te neigen.
De overtreders, zijn hier niet de heidenen, maar de Joden, die tot het heidendom zich nog enigszins getrokken gevoelen, die daar nog weifelen tussen den zuiveren dienst Gods, en dien der beelden of afgoden. Het is daarom dat de Heere hier tot dezulken zegt eerst: houdt u kloekelijk, d. i. sta vast in het verwerpen van allen afgodendienst, en verder, neemt ter harte, dat een afgod niets is. En nu, om nu die wankelende zielen en die weifelende overtreders te ondersteunen, volgt in de volgende verzen een herinnering aan wie God is en wat God doen zal. Hij is de eeuwige God, Wiens Raad zou bestaan en die al Zijn welbehagen zal doen.
Gedenkt, om te erkennen, wie gij te kiezen hebt, der vorige dingen van oude tijden af, de gehele zo roemrijke geschiedenis van Uw volk van de vroegste tijden af; gedenkt, dat Ik God de volstrekt Machtige ben, gelijk uwe geschiedenis ene voortgaande reeks van luid sprekende getuigenissen daarvan is a), en er is geen God, geen Majesteit meer; en er is niet gelijk Ik, daar Ik alle eerbied wekkende Goddelijke majesteit in Mij verenig.
Jes. 45:5, 14, 18, 21, 22; 48:12.
Die van den beginne aan verkondigt het einde, den uitslag, welken elke nieuwe wending in de geschiedenis zal geven, en van ouds af die dingen voorzegt, die nog niet geschied zijn, die alzo bekend maakt, wat verre buiten het bereik van menselijke berekening ligt (Hoofdstuk 41:22, 26); die zegt: a) Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen, 1) zo zeker ben Ik van Mijne zaak, dat zelfs de mogelijkheid, dat het anders zou uit allen, dan Ik voorzeg, buitengesloten is.
Ps. 33:11. Spr. 19:21; 21:30. Hebr. 6:17.
Hiermede zegt de Heere het, dat alle Gods werkingen plaats hebben krachtens Zijn eeuwig Raadsbesluit, dat al zijn Raad in de werkingen vervuld wordt, dat geen schepsel in hemel of op aarde, in hel of afgrond iets vermag om te veranderen, wat Hij zich eenmaal heeft voorgenomen.
Die enen roofvogel, een adelaar roept van het oosten (Hoofdstuk 41:2, 25), enen in Hoofdstuk 44:28 reeds met name aangewezenen, zo even onder de gelijkenis van enen adelaar voorgestelden man Mijns raads, enen, die Mijnen wil zal volbrengen, Uit verren lande, het meer noordelijk dan Perzië gelegene Medië (Hoofdstuk 41:25; 13:5); ja, Ik heb het gesproken, Ik zal het ook zeker, zonder dat iets het verhindert of kan tegenhouden, doen komen; Ik heb het geformeerd, Ik heb Babels val en Israël’s bevrijding Mij voorgenomen, en Ik zal het ook doen (Hoofdstuk 44:26 v.). Bij de vergelijking van Cyrus met enen adelaar herinnere men zich, dat volgens Xen. Cyrop VII, 1-4 het veldteken van dezen koning later werkelijk uit enen gouden adelaar met uitgebreide vleugelen op de staken gedragen, even als de adelaar der Romeinen en van Bonaparte, bestond.
Hoort naar Mij, gij stijven van harte 1) onbuigzamer onder Jakob en Israël (vs. 3), gij die verre van de gerechtigheid zijt, die van den Heere, uwen God, en de vervulling Zijner belofte ten opzichte van de herstelling der theocratie niets wilt weten (Hoofdstuk 57:3 vv. 65:11 vv.).
Sprak de Heere in vs. 8 tot de weifelende zielen, hier in vs. 12 komt het woord Gods tot de stijven, tot de onbuigzamen van harte, die er niets van wilden weten, dat de Heere in gerechtigheid optreedt, dat Hij naar het strikste recht, maar dan ook in de volle openbaring Zijner liefde, voor de zijnen zal komen, om het heil van Israël uit te werken.
Wat Ik tegenover uwe onverschilligheid met de in vs. 1 v. gemelde gebeurtenis te kennen geef, is dit: Ik breng Mijne gerechtigheid nabij, Ik zal de eenmaal gegevene toezegging getrouw vervullen, zodat Mijn genadige wil ten opzichte van Israël’s herstel nu in vervulling zal komen, zij zal niet verre wezen, maar spoedig komen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Zion, zodat Israël daar weer het middelpunt van zijn volksbestaan zal hebben, aan Israël Mijne heerlijkheid 1) zodat het volk weer in zijn sieraad zal prijken, wat Ik door Mijne verkiezing daaraan gegeven heb (Jes. 44:26, 28 ,).
God roemt op zijn Israëliërs en Hij wil verheerlijkt worden in en door het heil, hetwelk Hij voor hen bedoelt uit te werken, hetgeen grotelijks tot Zijn ere zou strekken. Dat heil zou in Sion zijn, d. i. het zou van daar komen, gelijk het Evangelie daar eerst gepredikt en van daar de gehele wereld door verspreid is geworden. Van daar zou ook Israël’s grote Verlosser, de Messias, komen en des Konings Zoon, die het heil in zich heeft. De Heere geeft nu in Zion heil, zodat het weer middelpunt van het herstelde volk wordt en daarom Zijne heerlijkheid, zodat het dan weer in dat sieraad zich vertoonde, hetwelk zijn God het verleende.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel