Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
ZietH2005, Mijn KnechtH5650, Dien Ik ondersteunH8551, Mijn UitverkoreneH972, in Denwelken Mijn zielH5315 een welbehagenH7521 heeft! Ik heb Mijn geestH7307 opH5921 Hem gegevenH5414; Hij zal het rechtH4941 den heidenenH1471 voortbrengenH3318.
Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen.
KJV
Behold my servant,2
whom I uphold;3
mine elect,5
in whom my soul7
delighteth;6
I have put8
my spirit9
upon him: he shall bring forth13
judgment11
to the Gentiles.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Hij zal niet schreeuwenH6817, nochH3808 Zijn stemH6963 verheffenH5375, nochH3808 Zijn stem op de straatH2351 horenH8085 laten.
Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten.
KJV
He shall not cry,2
nor lift up,4
nor cause his voice8
to be heard6
in the street.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Het gekrookteH7533 rietH7070 zal Hij nietH3808 verbrekenH7665, en de rokendeH3544 vlaswiekH6594 zal Hij nietH3808 uitblussenH3518; met waarheidH571 zal Hij het rechtH4941 voortbrengenH3318.
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.
KJV
A bruised2
reed1
shall he not break,4
and the smoking6
flax5
shall he not quench:8
he shall bring forth10
judgment11
unto truth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Hij zal nietH3808 verdonkerdH3543 worden, en Hij zal nietH3808 verbrokenH7533 worden, totdatH5704 Hij het rechtH4941 op aardeH776 zal hebben besteldH7760; en de eilandenH339 zullen naar Zijn leerH8451 wachtenH3176.
Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten.
KJV
He shall not fail2
nor be discouraged,4
till he have set6
judgment8
in the earth:7
and the isles10
shall wait11
for his law.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
AlzoH3541 zegtH559 GodH410, de HEEREH3068, Die de hemelenH8064 geschapenH1254, en dezelve uitgebreidH5186 heeft, Die de aardeH776 uitgespannenH7554 heeft, en wat daaruit voortkomtH6631; Die den volkeH5971, dat daarop is, den ademH5397 geeftH5414, en den geestH7307 dengenen, die daarop wandelenH1980:
Alzo zegt God, de HEERE, Die de hemelen geschapen, en dezelve uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die den volke, dat daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen, die daarop wandelen:
KJV
Thus saith2
God3
the LORD,4
he that created5
the heavens,6
and stretched them out;7
he that spread forth8
the earth,9
and that which cometh out10
of it; he that giveth11
breath12
unto the people13
upon it, and spirit15
to them that walk
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
IkH589, de HEEREH3068, heb u geroepenH7121 in gerechtigheidH6664, en Ik zal u bij uw handH3027 grijpenH2388; en Ik zal u behoedenH5341, en Ik zal u gevenH5414 tot een VerbondH1285 des volksH5971, tot een LichtH216 der heidenenH1471.
Ik, de HEERE, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u bij uw hand grijpen; en Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen.
KJV
I the LORD2
have called3
thee in righteousness,4
and will hold5
thine hand,6
and will keep7
thee, and give8
thee for a covenant9
of the people,10
for a light11
of the Gentiles;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Om te openenH6491 de blindeH5787 ogenH5869, om de gebondenenH616 uit te voerenH3318 uit de gevangenisH4525, en uit het gevangenhuisH3608, die in duisternisH2822 zittenH3427.
Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.
KJV
To open1
the blind3
eyes,2
to bring out4
the prisoners6
from the prison,5
and them that sit9
in darkness10
out of the prison8
house.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
IkH589 ben de HEEREH3068, datH1931 is Mijn NaamH8034; en Mijn eerH3519 zal Ik geen anderen gevenH5414, noch Mijn lofH8416 den gesneden beeldenH6456.
Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden.
KJV
I am the LORD:2
that is my name:4
and my glory5
will I not give8
to another,6
neither my praise9
to graven images.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
ZietH2009, de voorgaandeH7223 dingen zijn gekomenH935, en nieuweH2319 dingen verkondigH5046 IkH589; eerH2962 dat zij uitspruitenH6779, doe Ik ulieden die horenH8085.
Ziet, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; eer dat zij uitspruiten, doe Ik ulieden die horen.
KJV
Behold, the former things1
are come to pass,3
and new things4
do I declare:6
before they spring forth8
I tell
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
ZingtH7891 den HEEREH3068 een nieuwH2319 liedH7892, Zijn lofH8416 van het eindeH7097 der aardeH776; gij, die ter zeeH3220 vaartH3381, en al wat daarin is, gij eilandenH339 en hun inwonersH3427.
Zingt den HEERE een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde; gij, die ter zee vaart, en al wat daarin is, gij eilanden en hun inwoners.
KJV
Sing1
unto the LORD2
a new4
song,3
and his praise5
from the end6
of the earth,7
ye that go down8
to the sea,9
and all that is therein;10
the isles,11
and the inhabitants
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Laat de woestijnH4057 en haar stedenH5892 de stem verheffenH5375, met de dorpenH2691, die KedarH6938 bewoontH3427; laat hen juichenH7442, die in de rotsstenenH5553 wonenH3427, en van den topH7218 der bergenH2022 af schreeuwenH6681.
Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, met de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen juichen, die in de rotsstenen wonen, en van den top der bergen af schreeuwen.
KJV
Let the wilderness2
and the cities3
thereof lift up1
their voice, the villages4
that Kedar6
doth inhabit:5
let the inhabitants8
of the rock
sing,7
let them shout12
from the top10
of the mountains.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Laat ze den HEEREH3068 de eerH3519 geven, en Zijn lofH8416 in de eilandenH339 verkondigenH5046.
Laat ze den HEERE de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.
KJV
Let them give1
glory3
unto the LORD,2
and declare6
his praise4
in the islands.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
De HEEREH3068 zal uittrekkenH3318 als een heldH1368; Hij zal den ijverH7068 opwekkenH5782 als een krijgsmanH376; Hij zal juichenH7321, ja, Hij zal een groot getierH6873 maken; Hij zal Zijn vijandenH341 overweldigenH1396.
De HEERE zal uittrekken als een held; Hij zal den ijver opwekken als een krijgsman; Hij zal juichen, ja, Hij zal een groot getier maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen.
KJV
The LORD1
shall go forth3
as a mighty man,2
he shall stir up6
jealousy7
like a man4
of war:5
he shall cry,8
yea, roar;10
he shall prevail13
against his enemies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Ik heb van oudsH5769 gezwegenH2814, Ik heb Mij stilH2790 gehouden en Mij ingehoudenH662; Ik zal uitschreeuwenH6463, als een, die baartH3205, Ik zal ze verwoestenH5395, en te zamenH3162 opslokkenH7602.
Ik heb van ouds gezwegen, Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als een, die baart, Ik zal ze verwoesten, en te zamen opslokken.
KJV
I have long time2
holden my peace;1
I have been still,3
and refrained4
myself: now will I cry6
like a travailing woman;5
I will destroy7
and devour8
at once.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ik zal bergenH2022 en heuvelenH1389 woestH2717 maken, en alH3605 hun grasH6212 zal Ik doen verdorrenH3001; en Ik zal de rivierenH5104 tot eilandenH339 maken, en de poelenH98 uitdrogenH3001.
Ik zal bergen en heuvelen woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen.
KJV
I will make waste1
mountains2
and hills,3
and dry up6
all their herbs;5
and I will make7
the rivers8
islands,9
and I will dry up11
the pools.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En Ik zal de blindenH5787 leidenH3212 door den wegH1870, dien zij nietH3808 gewetenH3045 hebben, Ik zal ze doen tredenH1869 door de padenH5410, die zij nietH3808 gewetenH3045 hebben; Ik zal de duisternisH4285 voor hun aangezichtH6440 ten lichtH216 maken, en het krommeH4625 tot rechtH4334; dezeH428 dingen zal Ik hun doenH6213, en Ik zal hen nietH3808 verlatenH5800.
En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.
KJV
And I will bring1
the blind2
by a way3
that they knew5
not; I will lead9
them in paths6
that they have not known:8
I will make10
darkness11
light13
before12
them, and crooked things14
straight.15
These things17
will I do18
unto them, and not forsake
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Maar die zich op gesneden beeldenH4541 verlatenH982, die tot de gegoten beeldenH6459 zeggenH559: GijH859 zijt onze godenH430; die zullen achterwaartsH268 kerenH5472, en met schaamteH1322 beschaamdH954 worden.
Maar die zich op gesneden beelden verlaten, die tot de gegoten beelden zeggen: Gij zijt onze goden; die zullen achterwaarts keren, en met schaamte beschaamd worden.
KJV
They shall be turned1
back,2
they shall be greatly4
ashamed,3
that trust5
in graven images,6
that say7
to the molten images,8
Ye are our gods.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
HoortH8085, gij dovenH2795! en schouwtH5027 aan, gij blindenH5787! om te zienH7200.
Hoort, gij doven! en schouwt aan, gij blinden! om te zien.
KJV
Hear,2
ye deaf;1
and look,4
ye blind,3
that ye may see.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
WieH4310 is er blindH5787 als Mijn knechtH5650, en doofH2795, gelijk Mijn bodeH4397, dien Ik zendeH7971? WieH4310 is blindH5787, gelijk de volmaakteH7999, en blindH5787, gelijk de knechtH5650 des HEERENH3068?
Wie is er blind als Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, dien Ik zende? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?
KJV
Who is blind,2
but my servant?5
or deaf,6
as my messenger7
that I sent?8
who is blind10
as he that is perfect,11
and blind12
as the LORD'S14
servant?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Gij zietH7200 wel veelH7227 dingen, maar gij bewaartH8104 ze nietH3808; of schoon hij de orenH241 opendoetH6491, zo hoortH8085 hij toch nietH3808.
Gij ziet wel veel dingen, maar gij bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.
KJV
Seeing1
many things,2
but thou observest4
not; opening5
the ears,6
but he heareth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
De HEEREH3068 had lustH2654 aan hem, omH4616 Zijner gerechtigheidH6664 wil; Hij maakte hem grootH1431 door de wetH8451, en Hij maakte hem heerlijkH142.
De HEERE had lust aan hem, om Zijner gerechtigheid wil; Hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk.
KJV
The LORD1
is well pleased2
for his righteousness'4
sake; he will magnify5
the law,6
and make it honourable.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Maar nu is hetH1931 een beroofdH962 en geplunderdH8154 volkH5971; zij zijn allenH3605 verstriktH6351 in de holenH2352, en verstokenH2244 in de gevangenhuizenH3608; zij zijnH1961 tot een roofH957 geworden, en er is niemandH369, die ze redtH5337; tot een plunderingH4933, en niemandH369 zegtH559: GeeftH7725 ze weder.
Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstoken in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand, die ze redt; tot een plundering, en niemand zegt: Geeft ze weder.
KJV
But this is a people2
robbed3
and spoiled;4
they are all of them snared5
in holes,6
and they are hid10
in prison9
houses:8
they are for a prey,12
and none delivereth;14
for a spoil,15
and none saith,17
Restore.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Wie onder ulieden neemt zulks ter oren? WieH4310 merktH7181 op en hoortH8085, wat hiernaH268 zijn zal?
Wie onder ulieden neemt zulks ter oren? Wie merkt op en hoort, wat hierna zijn zal?
Ook in dit vers
neemt orenH238
KJV
Who among you will give ear3
to this? who will hearken5
and hear6
for the time to come?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Wie heeft JakobH3290 tot een plunderingH4933 overgegevenH5414, en IsraelH3478 den roversH962? Is het nietH3808 de HEEREH3068, Hij, tegen Wien wij gezondigdH2398 hebben? Want zij wildenH14 nietH3808 wandelenH1980 in Zijn wegenH1870, en zij hoordenH8085 nietH3808 naar Zijn wetH8451.
Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israel den rovers? Is het niet de HEERE, Hij, tegen Wien wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.
KJV
Who gave2
Jacob4
for a spoil,3
and Israel5
to the robbers?6
did not the LORD,8
he against whom9
we have sinned?10
for they would13
not walk15
in his ways,14
neither were they obedient17
unto his law.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Daarom heeft Hij overH5921 hen uitgestortH8210 de grimmigheidH2534 Zijns toornsH639 en de machtH5807 des oorlogsH4421; en Hij heeft ze rondomH5439 in vlam gezetH3857, doch zij merkenH3045 het nietH3808; en Hij heeft ze in brandH1197 gestoken, doch zij nemenH7760 het nietH3808 ter harteH3820.
Daarom heeft Hij over hen uitgestort de grimmigheid Zijns toorns en de macht des oorlogs; en Hij heeft ze rondom in vlam gezet, doch zij merken het niet; en Hij heeft ze in brand gestoken, doch zij nemen het niet ter harte.
KJV
Therefore he hath poured1
upon him the fury3
of his anger,4
and the strength5
of battle:6
and it hath set him on fire7
round about,8
yet he knew10
not; and it burned11
him, yet he laid14
it not to heart.
Mijn Knecht,
Dit spreekt God de Vader van zijnen Zoon Christus, dien Hij zijnen knecht noemt, te dien aanzien, dat Christus, als onze Middelaar, de gedaante eens knechts heeft aangenomen. Vergelijk Jes. 53:11 ; Matt. 12:18 ; Fil. 2:6-8 .
Hertaald:
Mijn Knecht,
Dit spreekt God de Vader over Zijn Zoon Christus, Die Hij Zijn Knecht noemt met het oog daarop dat Christus als onze Middelaar de gestalte van een knecht heeft aangenomen. Vergelijk Jes. 53:11, Matth. 12:18 en Filipp. 2:6-8.
Dien Ik ondersteun,
Dat is, dien Ik versterk, dat Hij niet bezwijke onder den onverdragelijken last mijns toorns, die Hij een tijdlang gevoelen moet om uwe zonden [voor welke Hij zichzelven heeft overgegeven] uit te delgen en te verzoenen.
Hertaald:
Dien Ik ondersteun,
Dat is: Die Ik versterk, opdat Hij niet bezwijkt onder de ondraaglijke last van Mijn toorn, die Hij een tijdlang moet voelen om uw zonden — waarvoor Hij Zichzelf overgegeven heeft — uit te delgen en te verzoenen.
Mijn Geest
Te weten de gaven des Heiligen Geestes, die Hij van node heeft om het Middelaarsambt te verrichten; zie Jes. 11:2 ; Matt. 3:16 .
Hertaald:
Mijn Geest
Namelijk: de gaven van de Heilige Geest, die Hij nodig heeft om het Middelaarsambt te vervullen; zie Jes. 11:2 en Matth. 3:16.
Hij zal het recht
Dat is, Hij zal de rechte leer van de zaligheid der mensen, door de predikatie van het heilige Evangelie, den heidenen voordragen en hen alzo tot zijne gehoorzaamheid en tot hunne zaligheid brengen.
Hertaald:
Hij zal het recht
Dat is: Hij zal de rechte leer van de zaligheid van de mensen door de prediking van het heilig Evangelie aan de heidenen voorhouden en hen zo tot Zijn gehoorzaamheid en tot hun zaligheid brengen.
den heidenen
Of, den volken, zo den Joden als den heidenen. Zie Rom. 1:16 .
Hertaald:
den heidenen
Of: aan de volken, zowel de Joden als de heidenen. Zie Rom. 1:16.
voortbrengen
Te weten uit den schoot des Vaders; Joh. 1:18 . Dit zal Hij doen ten dele in eigen persoon, ten dele door zijne apostelen en andere leraars van het heilige Evangelie.
Hertaald:
voortbrengen
Namelijk: uit de schoot van de Vader; Joh. 1:18. Dat zal Hij deels in eigen persoon doen en deels door Zijn apostelen en andere leraars van het heilig Evangelie.
schreeuwen,
Of, roepen, tieren; zie Matt. 12:19 . De zin is: Hij zal niet veel pochen, of veel rumoer maken, niet veel tumult, gelijk de prinsen dezer wereld doen; ook zal Hij niet veel uiterlijk geprang of gedruis maken; maar Hij zal zich stil, beleefdelijk en deemoedig gedragen, duldende goedertieren al de onvolmaaktheden zijner uitverkorenen. Zie Matt. 12:18-20 , en Luc. 17:20 .
Hertaald:
schreeuwen,
Of: roepen, tieren; zie Matth. 12:19. De betekenis is: Hij zal niet veel pochen of veel rumoer maken, en geen groot tumult veroorzaken zoals de vorsten van deze wereld doen; Hij zal ook niet veel uiterlijk vertoon of gedruis maken, maar Hij zal Zich stil, vriendelijk en nederig gedragen en goedertieren alle onvolkomenheden van Zijn uitverkorenen verdragen. Zie Matth. 12:18-20 en Luk. 17:20.
Het gekrookte riet
Dat is, Hij zal geduld hebben met de zwakheden der arme zondaars, en Hij zal hun verslagen conscientiën verkwikken en hen vertroosten door de belofte van de vergeving hunner zonden. Zie Ps. 34:19 ; Matt. 11:28 .
Hertaald:
Het gekrookte riet
Dat is: Hij zal geduld hebben met de zwakheden van de arme zondaars, en Hij zal hun verslagen geweten verkwikken en hen troosten met de belofte van de vergeving van hun zonden. Zie Ps. 34:19 en Matth. 11:28.
de rokende vlaswiek
Dat is, de wiek, die in de lamp schier uitgebrand is, nauwelijks schijnsel of licht meer gevende, maar alleen nog rokende.
Hertaald:
de rokende vlaswiek
Dat is: de pit die in de lamp bijna uitgebrand is en nauwelijks nog schijnsel of licht geeft, maar alleen nog rookt.
met waarheid
Dat is, oprechtelijk, getrouwelijk, want waarheid betekent hier trouw.
Hertaald:
met waarheid
Dat is: oprecht, getrouw; want waarheid betekent hier trouw.
voortbrengen
Of, uitvoeren, en dienvolgens overwinnen, gelijk waarheid en recht eindelijk overwinnen. Zie Matt. 12:20 .
Hertaald:
voortbrengen
Of: uitvoeren, en daarmee ook: doen overwinnen, zoals waarheid en recht ten slotte overwinnen. Zie Matth. 12:20.
Hij zal niet verdonkerd
Maar Hij zal helder en klaar lichten en schijnen; Christus' licht gesteld tegen het rokende en smokende vlas, en zijne macht tegen het gekrookte riet. Anders: Hij zal niet versmachten; te weten in het verrichten van zijn ambt, Matt. 26:39 ; Luc. 12:50 ; hetzelfde wordt straks met andere woorden gezegd. Sommigen verstaan dit, verdonkerd en gebroken worden, van het lijden en sterven van onzen Heere Christus, hetwelk niet geschieden zou eer Hij het Evangelie had verkondigd naar den raad van zijnen Vader.
Hertaald:
Hij zal niet verdonkerd
Maar Hij zal helder en klaar lichten en schijnen. Het licht van Christus staat hier tegenover het rokende en smeulende vlas, en Zijn macht tegenover het geknakte riet. Anders: Hij zal niet versmachten, namelijk bij het vervullen van Zijn ambt, Matth. 26:39 en Luk. 12:50; hetzelfde wordt meteen daarna met andere woorden gezegd. Sommigen verstaan dit verdonkerd en verbroken worden van het lijden en sterven van onze Heere Christus, dat niet zou gebeuren voordat Hij het Evangelie verkondigd had naar de raad van Zijn Vader.
Hij zal niet verbroken
Dat is, Hij zal onder den zwaren last zijner bediening niet bezwijken.
Hertaald:
Hij zal niet verbroken
Dat is: Hij zal onder de zware last van Zijn bediening niet bezwijken.
totdat Hij
Te weten door de predikatie van het heilige Evangelie in de ganse wereld; hetwelk niet geschieden kon vóór en aleer Christus gestorven en tot zijn hemelsen Vader opgevaren was, en den Heiligen Geest op de apostelen gezonden had. Zie Joh. 16:7 .
Hertaald:
totdat Hij
Namelijk: door de prediking van het heilig Evangelie in de hele wereld, wat niet kon gebeuren voordat Christus gestorven en naar Zijn hemelse Vader opgevaren was en de Heilige Geest op de apostelen gezonden had. Zie Joh. 16:7.
het recht
Dat is, de leer, gelijk straks volgt.
Hertaald:
het recht
Dat is: de leer, zoals meteen daarna volgt.
de eilanden
Met deze woorden geeft de profeet te kennen dat de leer van het heilige Evangelie niet zou besloten blijven binnen de grenzen van het Joodse land; Gen. 49:10 ; Matt. 28:19 .
Hertaald:
de eilanden
Met deze woorden geeft de profeet te kennen dat de leer van het heilig Evangelie niet binnen de grenzen van het Joodse land besloten zou blijven; Gen. 49:10 en Matth. 28:19.
Zijn leer
Dit is hetzelfde, dat Hij straks genoemd heeft het recht, namelijk het Evangelie.
Hertaald:
Zijn leer
Dit is hetzelfde wat Hij zojuist het recht genoemd heeft, namelijk het Evangelie.
dezelve
Hebreeuws, derzelve uitbreiders, of, die dezelve uitbreiden. Zie Job 35:10 .
Hertaald:
dezelve
Hebreeuws: hun uitbreiders, of: die ze uitbreiden. Zie Job 35:10.
uitgespannen heeft,
Te weten in het rond.
Hertaald:
uitgespannen heeft,
Namelijk: in het rond.
wat daaruit
Hebreeuws, hare uitgangen; dat is al wat daaruit spruit en wast.
Hertaald:
wat daaruit
Hebreeuws: haar uitgangen — dat is: alles wat daaruit opkomt en groeit.
den geest dengenen,
Versta hier door den geest de redelijke ziel. Zie Num. 16:22 .
Hertaald:
den geest dengenen,
Versta hier onder de geest de redelijke ziel. Zie Num. 16:22.
u
O mijn Zoon Jezus Christus.
Hertaald:
u
O Mijn Zoon Jezus Christus.
geroepen
Te weten tot een Middelaar.
Hertaald:
geroepen
Namelijk: tot Middelaar.
in gerechtigheid,
Of, met gerechtigheid; dat is op behoorlijke wijze, want Gij hebt U goedwillig tot het middelaarsambt overgegeven; zie Ps. 40:9 ; Hebr. 10:7 . Of, met gerechtigheid; dat is, achtervolgens mijne beloften, die Ik door de patriarchen en profeten mijn volk dikwijls gedaan heb.
Hertaald:
in gerechtigheid,
Of: met gerechtigheid — dat is: op de gepaste wijze, want U hebt Zich vrijwillig aan het Middelaarsambt overgegeven; zie Ps. 40:9 en Hebr. 10:7. Of: met gerechtigheid — dat is: overeenkomstig Mijn beloften, die Ik Mijn volk vaak door de aartsvaders en profeten gedaan heb.
Ik zal u
Dat is, Ik zal u bijstaan, mits u gevende noodwendige krachten tot uitvoering van uw middelaarsambt.
Hertaald:
Ik zal u
Dat is: Ik zal U bijstaan door U de krachten te geven die nodig zijn om Uw Middelaarsambt uit te voeren.
Ik zal u behoeden,
Alzo dat Gij vóór den bestemden tijd niet onderdrukt wordt, alsook dat Gij in de overgrote pijn niet bezwijkt.
Hertaald:
Ik zal u behoeden,
Zodat U niet vóór de vastgestelde tijd overweldigd wordt en ook niet bezwijkt onder de zeer grote pijn.
tot een Verbond
Dat is, tot een Middelaar des verbonds, namelijk des genadeverbonds, hetwelk Ik met Abraham en zijn zaad gemaakt heb. Dit verbond zult Gij bevestigen; te weten alzo, dat door U mijn volk met mij zal worden verzoend en voorts alle volken in een verbond zullen verenigd worden, niet alleen de Israëlieten, maar ook de heidenen, gelijk straks volgt.
Hertaald:
tot een Verbond
Dat is: tot Middelaar van het verbond, namelijk van het genadeverbond dat Ik met Abraham en zijn zaad gesloten heb. Dat verbond zult U bevestigen, en wel zo dat Mijn volk door U met Mij verzoend wordt en dat verder alle volken in één verbond verenigd zullen worden — niet alleen de Isra«lieten, maar ook de heidenen, zoals meteen daarna volgt.
tot een Licht
Dat is, opdat Gij hen verlicht met de zaligmakende kennis Gods en van hunnen Zaligmaker, waardoor de uitverkorenen onder alle natiën zullen verheugd worden. Want gelijk het licht den mens naar het lichaam verheugt en verkwikt, alzo verheugt de kennis van Christus het gemoed der kinderen Gods innerlijk. Vergelijk Jes. 9:1 , en Jes. 49:6 ; Luc. 3:32 ; Hand. 13:47 , en Hand. 16:34 .
Hertaald:
tot een Licht
Dat is: opdat U hen verlicht met de zaligmakende kennis van God en van hun Zaligmaker, waardoor de uitverkorenen onder alle volken verheugd zullen worden. Want zoals het licht de mens naar het lichaam verheugt en verkwikt, zo verheugt de kennis van Christus het gemoed van de kinderen van God innerlijk. Vergelijk Jes. 9:1 en Jes. 49:6, Luk. 3:32, Hand. 13:47 en Hand. 16:34.
te openen
Te weten door de predikatie van het heilige Evangelie en de verlichting van den Heiligen Geest; zie Hand. 13:46-47 , en Hand. 26:17-18 .
Hertaald:
te openen
Namelijk: door de prediking van het heilig Evangelie en de verlichting van de Heilige Geest; zie Hand. 13:46-47 en Hand. 26:17-18.
de blinde ogen,
Te weten de ogen van het verstand. Zie Jes. 35:5 .
Hertaald:
de blinde ogen,
Namelijk: de ogen van het verstand. Zie Jes. 35:5.
uit te voeren
Te weten uit de geestelijke dienstbaarheid der zonde en des duivels, de uitverkorenen alzo bevrijdende en verlossende uit den schrik en de vrees der hel. Zie Jes. 49:9 , en Jes. 61:1 ; Luc. 4:18 ; Hebr. 2:14-15 .
Hertaald:
uit te voeren
Namelijk: uit de geestelijke slavernij van de zonde en de duivel, waarbij Hij de uitverkorenen zo bevrijdt en verlost uit de schrik en de vrees voor de hel. Zie Jes. 49:9 en Jes. 61:1, Luk. 4:18 en Hebr. 2:14-15.
duisternis
Versta hier, de duisternis der onwetendheid. Zie boven, Jes. 9:1 .
Hertaald:
duisternis
Versta hier de duisternis van de onwetendheid. Zie hierboven Jes. 9:1.
de HEERE,
Hebreeuws, JHWH; dat is de eeuwige, zelfstandige, onveranderlijke God.
Hertaald:
de HEERE,
Hebreeuws: JHWH — dat is: de eeuwige, zelfstandige, onveranderlijke God.
de voorgaande
De zin is: Wat Ik mijn volk tevoren verkondigd heb, dat is vervuld; nu verkondig Ik ulieden wat nieuws, hetwelk ook zekerlijk geschieden zal, namelijk de verschijning van den Messias in het vlees, die zal van punt tot punt alzo voltrokken worden, gelijk Ik ze door mijne profeten voorzegd heb.
Hertaald:
de voorgaande
De betekenis is: wat Ik Mijn volk tevoren verkondigd heb, is vervuld; nu verkondig Ik u iets nieuws, dat ook zeker gebeuren zal, namelijk de verschijning van de Messias in het vlees. Die zal punt voor punt zo voltrokken worden als Ik het door Mijn profeten voorzegd heb.
een nieuw lied,
Dat is, een voortreffelijk lied. Zie Ps. 32:3 .
Hertaald:
een nieuw lied,
Dat is: een voortreffelijk lied. Zie Ps. 32:3.
van het einde
Dat is, gijlieden, die aan de uiterste einden der wereld woont, alle mensen van welken staat of natie gij zijt; aangezien het heil, dat de Messias aanbrengt, allerlei volken en natiën aangaat; zo hebben zich dan billijk alle volken en natiën in Hem te verheugen en te verblijden.
Hertaald:
van het einde
Dat is: u die aan de uiterste einden van de wereld woont, alle mensen van welke stand of welk volk u ook bent. Want het heil dat de Messias brengt betreft allerlei volken en naties; daarom hebben alle volken en naties zich terecht in Hem te verheugen en te verblijden.
die ter zee
Hebreeuws, nederdaalt op de zee; te weten in het schip, dat op de zee zal varen.
Hertaald:
die ter zee
Hebreeuws: neerdaalt op de zee, namelijk in het schip dat op zee vaart.
al wat daarin
Gij mensen altegaar, die in de eilanden woont, die rondom in de zee liggen. Hebreeuws, de volheid derzelve; gelijk Ps. 24:1 .
Hertaald:
al wat daarin
U allen, mensen die op de eilanden woont die rondom in de zee liggen. Hebreeuws: haar volheid, zoals in Ps. 24:1.
haar steden
Dat is, de steden, die in of nabij dezelve liggen.
Hertaald:
haar steden
Dat is: de steden die daarin of daar dichtbij liggen.
de dorpen,
Dat is, de dorpen der Kedarenen; dat is der Arabieren, alzo genaamd naar Kedar, den zoon van Ismaël; Gen. 25:13 ; Ps. 120:5 .
Hertaald:
de dorpen,
Dat is: de dorpen van de Kedarenen, dat is: van de Arabieren, zo genoemd naar Kedar, de zoon van Ismaël; Gen. 25:13 en Ps. 120:5.
die in de rotsstenen
Anders: die te Sela wonen, welke is de hoofdstad van Arabië. Zie boven Jes. 16:1 .
Hertaald:
die in de rotsstenen
Anders: die in Sela wonen, de hoofdstad van Arabië. Zie hierboven Jes. 16:1.
van den top
Hebreeuws, van het hoofd der bergen.
Hertaald:
van den top
Hebreeuws: van het hoofd van de bergen.
De HEERE
Te weten Jezus Christus.
Hertaald:
De HEERE
Namelijk: Jezus Christus.
zal uittrekken
Dat is, Hij zal zijn goddelijke macht doen blijken, als Hij den duivel en de wereld overwinnen zal door zijne predikatiën, zijnen dood, zijne verrijzenis, hemelvaart en het zitten ter rechterhand zijns Vaders en wederkomst ten oordeel.
Hertaald:
zal uittrekken
Dat is: Hij zal Zijn goddelijke macht laten blijken wanneer Hij de duivel en de wereld zal overwinnen door Zijn prediking, Zijn dood, Zijn opstanding, Zijn hemelvaart, Zijn zitten aan de rechterhand van Zijn Vader en Zijn wederkomst ten oordeel.
Hij zal een groot
Sommigen menen dat het Hebreeuwse woord betekent tieren, brullen, of bulderen, gelijk de olifanten.
Hertaald:
Hij zal een groot
Sommigen menen dat het Hebreeuwse woord tieren, brullen of bulderen betekent, zoals de olifanten doen.
Ik heb vanouds
Dit zijn de woorden Gods. Alsof Hij zeide: Dit is wel vanouds mijne wijze en manier van doen geweest, dat Ik mijne en de vijanden mijner kerk een tijdlang heb laten begaan.
Hertaald:
Ik heb vanouds
Dit zijn de woorden van God. Alsof Hij zei: dit is van oudsher Mijn manier van doen geweest, dat Ik Mijn vijanden en de vijanden van Mijn kerk een tijdlang heb laten begaan.
Ik heb Mij stil
Of, zou Ik [langer] stilzwijgen? Zou ik mij [nog] inhouden?
Hertaald:
Ik heb Mij stil
Of: zou Ik langer zwijgen? Zou Ik Mij nog inhouden?
Ik zal bergen
Dat is, Ik zal de grote en trotse vijanden mijner kerk verdelgen, en Ik zal uit den weg weren alle verhinderingen, die mijne gelovigen kunnen hinderen of schaden om tot mij in den hemel te komen.
Hertaald:
Ik zal bergen
Dat is: Ik zal de grote en trotse vijanden van Mijn kerk verdelgen, en Ik zal alle hindernissen uit de weg ruimen die Mijn gelovigen kunnen hinderen of schaden op hun weg om tot Mij in de hemel te komen.
de blinden
Dat is, die den waren God tevoren niet kenden, maar van Hem en zijne leer afdwaalden en in grote blindheid der onwetendheid en afgoderij staken.
Hertaald:
de blinden
Dat is: zij die de ware God tevoren niet kenden, maar van Hem en Zijn leer afdwaalden en in grote blindheid van onwetendheid en afgoderij verkeerden.
leiden
Te weten door mijn Geest en de predikatie van het heilig Evangelie.
Hertaald:
leiden
Namelijk: door Mijn Geest en de prediking van het heilig Evangelie.
door den weg,
Dat is, door den weg der hemelse en zaligmakende waarheid en godzaligheid.
Hertaald:
door den weg,
Dat is: langs de weg van de hemelse en zaligmakende waarheid en godzaligheid.
met schaamte
Dat is, gans en al te schande worden.
Hertaald:
met schaamte
Dat is: volkomen te schande worden.
Hoort,
Hier spreekt de HEERE de Joden aan, die moedwillig doof en blind waren, niet willende met aandacht zijn woord horen noch in acht nemen zijne werken en gerichten.
Hertaald:
Hoort,
Hier spreekt de HEERE de Joden aan, die moedwillig doof en blind waren en Zijn woord niet aandachtig wilden horen en Zijn werken en oordelen niet wilden opmerken.
Mijn knecht,
Dat is, het volk van Israël, dat ik mijnen wil heb geopenbaard en beroepen heb, opdat het mij daarna zou dienen, gelijk boven Jes. 41:8 , en straks wederom in dit vs.
Hertaald:
Mijn knecht,
Dat is: het volk van Israël, aan wie Ik Mijn wil geopenbaard heb en dat Ik geroepen heb opdat het Mij daarna zou dienen, zoals hierboven in Jes. 41:8 en meteen daarna opnieuw in dit vers.
Mijn bode,
De priesters en Levieten, door wie God het volk zijnen wil te kennen gaf.
Hertaald:
Mijn bode,
De priesters en Levieten, door wie God het volk Zijn wil te kennen gaf.
dien Ik zende?
Te weten om mijn volk te leren.
Hertaald:
dien Ik zende?
Namelijk: om Mijn volk te onderwijzen.
de volmaakte,
Of, volkomen, dat is, het volk van Israël, hetwelk Ik vele grote, zo geestelijke als lichamelijke weldaden bewezen heb, alzo dat het niets ontbrak; waaruit het behoorde te zien en bekennen hoe getrouw Ik het met hen voorhad.
Hertaald:
de volmaakte,
Of: volkomen — dat is: het volk van Israël, dat Ik veel grote weldaden bewezen heb, zowel geestelijke als lichamelijke, zodat het niets ontbrak. Daaruit had het behoren te zien en te erkennen hoe trouw Ik het met hen voorhad.
veel dingen,
Te weten vele wonderwerken van God, die Hij tot uw best doet.
Hertaald:
veel dingen,
Namelijk: veel wonderwerken van God, die Hij tot uw bestwil doet.
hij de oren
Te weten de knecht des Heeren, dat is, het volk van Israël. De zin is: Dit volk stelt zich wel uiterlijk alzo aan, alsof het mijn woord horen wilde, maar het is hun geen ernst, het gaat hun niet ter harte wat zij horen. In het eerste lid van dit vs. wordt er gesproken tot den tweeden persoon; maar in het tweede lid van den derden persoon. Dit geeft wat duisterheid in den zin.
Hertaald:
hij de oren
Namelijk: de knecht van de HEERE, dat is: het volk van Israël. De betekenis is: dit volk doet zich uiterlijk wel zo voor alsof het Mijn woord wil horen, maar het is hun geen ernst; wat zij horen gaat hun niet ter harte. In het eerste zinsdeel van dit vers wordt in de tweede persoon gesproken, maar in het tweede zinsdeel in de derde persoon. Dat maakt de zin enigszins duister.
zo hoort hij
Dat is, zo behartigt hij het niet.
Hertaald:
zo hoort hij
Dat is: zo neemt hij het niet ter harte.
aan hem ,
Te weten aan zijn knecht; dat is aan zijn volk, of aan hen, te weten deze lieden. Sommigen duiden het op de wet en de uitvoering van Gods oordelen over dit zondig volk.
Hertaald:
aan hem ,
Namelijk: aan Zijn knecht, dat is: aan Zijn volk; of: aan hen, namelijk aan deze mensen. Sommigen betrekken het op de wet en op de uitvoering van Gods oordelen over dit zondige volk.
om Zijner
Dat is, vanwege zijne waarheid en trouw, namelijk terwijl Hij den oudvaders beloofd heeft dat Hij hun zaad zou goeddoen; zie Ps. 31:2 .
Hertaald:
om Zijner
Dat is: vanwege Zijn waarheid en trouw, namelijk omdat Hij de aartsvaders beloofd heeft dat Hij hun nageslacht goed zou doen; zie Ps. 31:2.
door de wet,
Namelijk, die Hij hun gegeven had door Mozes. Zie Deut. 4:6 ; Ps. 147:19-20 .
Hertaald:
door de wet,
Namelijk: de wet die Hij hun door Mozes gegeven had. Zie Deut. 4:6 en Ps. 147:19-20.
is het
Te weten het volk van Israël; [anders: is hij ], te weten de knecht des Heeren, gelijk vs.19. Anderen aldus: En dat volk is beroofd en geplunderd; al de jongelingen zuchten, of, zij zuchten allen in de spelonken of holen der aarde.
Hertaald:
is het
Namelijk: het volk van Israël; anders: is hij, namelijk de knecht van de HEERE, zoals in vers 19. Anderen zo: en dat volk is beroofd en geplunderd; alle jongemannen zuchten, of: zij zuchten allen in de spelonken of holen van de aarde.
een beroofd
De zin is: God heeft dit volk in de handen zijner vijanden overgegeven, omdat het zijne genade en goedertierenheid niet heeft in acht genomen.
Hertaald:
een beroofd
De betekenis is: God heeft dit volk in de handen van zijn vijanden overgegeven, omdat het Zijn genade en goedertierenheid niet in acht genomen heeft.
er is niemand,
Hebreeuws, daar is geen redder.
Hertaald:
er is niemand,
Hebreeuws: er is geen redder.
niemand zegt
Daar is niemand, die hen beschermt of verdedigt, of die de vijanden dwingt weder te geven wat zij hun afgenomen hebben.
Hertaald:
niemand zegt
Er is niemand die hen beschermt of verdedigt, of die de vijanden dwingt terug te geven wat zij hun ontnomen hebben.
wat hierna
Want de straffen en plagen des Heeren, die hier in dit leven komen over de onboetvaardige zondaars, zijn maar beginselen van hunne smarten, zo zij niet intijds opmerken en zich beteren en met belijdenis hunner zonden zeggen: Wie heeft Jakob, enz. vs.24.
Hertaald:
wat hierna
Want de straffen en plagen van de HEERE die hier in dit leven over de onboetvaardige zondaars komen, zijn slechts het begin van hun smarten, wanneer zij niet bijtijds opmerken, zich beteren en met belijdenis van hun zonden zeggen: wie heeft Jakob, enzovoort, vers 24.
Jakob . . . Israël
Dat is, de nakomelingen van Jakob, de Israëlieten.
Hertaald:
Jakob . . . Israël
Dat is: de nakomelingen van Jakob, de Isra«lieten.
Is het niet
Dat is, het is zeker dat de Heere ons en onze goederen, om onzer zonden wil, in hunne handen heeft overgegeven.
Hertaald:
Is het niet
Dat is: het staat vast dat de HEERE ons en onze goederen om onze zonden in hun handen heeft overgegeven.
over hen uitgestort
Hebreeuws, over hem; te weten over Jakob, of over Israël, uit vs.24.
Hertaald:
over hen uitgestort
Hebreeuws: over hem, namelijk over Jakob of over Israël, uit vers 24.
de grimmigheid
Dat is, zijne straffen; zie de aantekening Ps. 79:6 .
Hertaald:
de grimmigheid
Dat is: Zijn straffen; zie de aantekening bij Ps. 79:6.
de macht
Het leger der Assyriërs en andere vijanden.
Hertaald:
de macht
Het leger van de Assyriërs en andere vijanden.
zij merkten het niet . . . zij nemen het niet ter harte
Dat is, de Israëlieten hebben geen acht gegeven op de gerichten van God en de oorzaken derzelve.
Hertaald:
zij merkten het niet . . . zij nemen het niet ter harte
Dat is: de Isra«lieten hebben niet gelet op de oordelen van God en op de oorzaken daarvan.
in brand gestoken,
Dat is, Hij heeft hen vernield door velerlei pijnlijke jammeren en ellenden.
Hertaald:
in brand gestoken,
Dat is: Hij heeft hen vernietigd door allerlei pijnlijke rampen en ellende. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen" (Jes. 42:1). Wat volgt gaat over Zijn optreden, en het is opvallend stil: "Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten" (Jes. 42:2). Dan komt het vers waar dit lied om bekend is: "Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen" (Jes. 42:3). En er staat bij dat Hij het volhoudt: "Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld" (Jes. 42:4). Zijn opdracht wordt in Jes. 42:6-7 samengevat: Hij wordt gegeven "tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen", om blinde ogen te openen en gevangenen uit te leiden. Bijbelse betekenis: Merk op wat een gekrookt riet en een rokende pit zijn. Het eerste is geknakt en draagt niets meer, het tweede geeft geen licht maar alleen walm; in beide gevallen zou men het weggooien. Juist dat doet Hij niet. Let vervolgens op de tegenstelling in het lied. Hij brengt het recht, en dat gebeurt gewoonlijk met vertoon en met stemverheffing; hier gebeurt het zonder geschreeuw op straat. Kracht en zachtheid gaan bij deze Knecht samen, zoals eerder in dit hoofdstukdeel bij de Herder (reeds behandeld bij Jes. 40:11). Let ten slotte op wie deze Knecht is. In hetzelfde hoofdstuk wordt Israël ook knecht genoemd, maar dan een blinde en dove knecht (Jes. 42:19). De Knecht van Jes. 42:1 is dus niet zonder meer het volk; het Nieuwe Testament wijst Hem aan. Typologie: Mattheüs haalt dit lied aan bij het optreden van de Heere Jezus, Die de scharen genas en verbood Hem bekend te maken: "Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning" (Matt. 12:20). Hij besluit de aanhaling met de zin die de volken erbij haalt: "En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen" (Matt. 12:21). Jes. 42:1-9; Jes. 42:19; Jes. 40:11; Matt. 12:20-21 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Profeet, priester en koning niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe ambt Het eerste van de vier liederen over de Knecht des HEEREN. God zelf stelt Hem voor, zoals men iemand aanwijst in een menigte: ziet, Mijn Knecht. De Knecht wordt aangewezen, met de Geest bekleed, en Zijn werkwijze is opvallend zacht. De kanttekening zegt meteen wie hier spreekt en over Wie: dit spreekt God de Vader over Zijn Zoon Christus, Die Hij Zijn Knecht noemt met het oog daarop dat Christus als onze Middelaar de gestalte van een knecht heeft aangenomen. Zij verwijst naar Jesaja 53, naar Mattheüs 12 en naar Filippenzen 2. Bij het ondersteunen tekent zij iets aan dat vooruitloopt op Gethsémané: dat is, Die Ik versterk, opdat Hij niet bezwijkt onder de ondraaglijke last van Mijn toorn, die Hij een tijdlang moet voelen om uw zonden uit te delgen. En de Geest op Hem gegeven verklaart zij als de gaven van de Heilige Geest, die Hij nodig heeft om het Middelaarsambt te vervullen. Dan volgt hoe deze Knecht werkt, en dat is anders dan men van een gezant verwacht. Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat laten horen. En dan het beeld dat blijft hangen: het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen. Een geknakt rietje is nergens meer goed voor, en een pit die alleen nog rookt geeft geen licht meer — de kanttekening legt beide uit, en zij zegt wat het betekent: Hij zal geduld hebben met de zwakheden van arme zondaars, hun verslagen geweten verkwikken en hen troosten met de belofte van vergeving. Mattheüs haalt dit hele gedeelte woordelijk aan, en wel op een merkwaardige plaats: nadat Christus mensen genezen heeft en hun verboden Hem bekend te maken. Zo stil ging het toe. En er staat nog iets bij dat verder reikt dan Israël: Ik zal U geven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen. De kanttekening zegt bij dat roepen kortweg: o Mijn Zoon Jezus Christus. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 12:17-21; Mattheüs 3:16-17; Lukas 2:32; Filippenzen 2:6-8
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Het welbehagen van de Vader is in Christus, en Hij heeft een welbehagen in ons omdat wij in Hem zijn. Zijn wij inderdaad leden van Christus, dan is Hij om Christus’ wil met ons welbehaaglijk. En Ik zal de blinden leiden door de weg die zij niet geweten hebben. Jesaja 42:16 Zelfs als een blinde de weg kent, is het moeilijk voor hem om… Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen. Jesaja 42: 3 Volgens deze belofte kan ik rekenen op de liefdevolle behandeling… En Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben. Jes. 42:16 Denk aan de oneindig heerlijke HEERE, optredend als een Gids voor de blinden!… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 42
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken — 42:1-9
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Een danklied en een gebed
Gebroken en Rokende
En Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben


Jesaja 42
Dit boek zou wel het Evangelie naar Jesaja genoemd mogen worden, want het is vol van evangelische waarheid.
Jesaja 42:1.KruisverwijzingenFilippenzen 2:7→Jesaja 43:10→Jesaja 52:13→Lukas 3:22→Mattheüs 17:5→Mattheüs 3:16→Jesaja 61:1→Jesaja 53:11→
— Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen.
Werkelijk, deze profetie gaat over de Heere Jezus Christus. Van wie spreekt de profeet dit anders dan van de Messias, Jezus van Nazareth? Let op de titel die Hij aanneemt: Hij wordt de Knecht van God genoemd. De Vader noemt Hem Zijn Knecht. Boven alle anderen is Christus de Knecht van de Allerhoogste, die Zich verwaardigde de Knecht van de knechten te worden, hoewel Hij de Koning der koningen is.
“Dien Ik ondersteun” — dat kan op twee wijzen gelezen worden. Volgens sommige weergaven zou het moeten zijn: op wie Ik leun, alsof God het volle gewicht van Zijn heerlijkheid op Christus liet rusten en het werk van de genade in Zijn handen overgaf. Zo klinkt het wanneer men het lijdend leest. Leest men het bedrijvend, dan luidt het zoals onze tekst: “Dien Ik ondersteun”. En beide zijn waar. God leunt op Christus; Christus haalt Zijn sterkte uit God. Zij werken samen, en de heerlijkheid is wederkerig.
“Mijn Uitverkorene” — dat is het eerste. Mijn uitgelezene, want er is niemand zo uitgelezen als Christus. Mijn verkorene, want Christus is het Hoofd van de verkiezing. Wij zijn in Hem uitverkoren van voor de grondlegging van de wereld, en daarom noemt God Hem in het bijzonder Mijn Uitverkorene.
“in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft”. Het welbehagen van de Vader in de Zoon is oneindig. Hij had een welbehagen in Zijn Persoon; nu heeft Hij een welbehagen in het werk dat Hij volbracht heeft. Het welbehagen van de Vader is in Christus, en Hij heeft een welbehagen in ons omdat wij in Hem zijn. Zijn wij inderdaad leden van Christus, dan is Hij om Christus’ wil met ons welbehaaglijk.
“Ik heb Mijn geest op Hem gegeven.” Dat werd openbaar toen Hij in de Jordaan gedoopt werd. De Geest rust en blijft zonder mate op Hem, ons Verbondshoofd. “Hij zal het recht den heidenen voortbrengen.” Verheugt u dan, heidenen! U bent niet langer uitgesloten. Eerst kwam het woord alleen tot de Joden, maar Hij heeft de mens Christus Jezus gegeven, die het recht aan de heidenen heeft voortgebracht. Hij werd ondersteund door de machtige kracht van God; Hij was de Uitverkorene van de HEERE; de Geest van God rustte op Hem, en op deze dag is deze Schrift in uw oren vervuld.
Jesaja 42:2-3.KruisverwijzingenMattheüs 12:16→Mattheüs 11:28→Zacharia 9:9→Lukas 17:20→Jesaja 50:4→Ezechiël 34:16→Jesaja 40:11→Jeremia 31:25→
— Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten. Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.
Jezus was zachtmoedig, teruggetrokken, ootmoedig, stil. Zijn getuigenis was heel krachtig, maar niet luidruchtig. Hij zocht geen eer onder mensen. Hij verbood de genezenen vaak van Zijn wonderen te spreken. Hij trok Zich liever terug dan dat Hij in de openbaarheid kwam. Hij was niet twistziek. Hij was geen luidruchtig zoeker van toejuiching. Hij riep niet als zij die naar de meesterschap streven. Hief Hij Zijn stem op, dan was het voor God en voor de mensenkinderen, niet voor Zichzelf.
Hoe nauwkeurig beschrijven deze woorden de Heere Jezus! Hij was zo zachtmoedig dat Hij het gekrookte riet niet verbrak en niet afbrak. Wij lezen dat Hij de schriftgeleerden en de farizeeën geen antwoord gaf. Zij waren in Zijn achting zo krachteloos — zulke gekrookte rieten, zulke waardeloze rokende vlaswieken — dat Hij hen liet begaan, totdat Hij het recht tot overwinning zou voortbrengen. En nu zullen de zwakken, de kranken, de zachtmoedigen, de armen van geest, nooit bevinden dat Christus hard met hen handelt.
Nu wordt het vaak bevonden dat waar stilheid en zachtmoedigheid zijn, er toch een grote vastheid van voornemen is. Lawaai en zwakheid gaan samen, maar stilheid en sterkte zijn vaak verbonden.
Jesaja 42:4.KruisverwijzingenJesaja 55:5→Genesis 49:10→Jesaja 60:9→Jesaja 53:2→Jesaja 9:7→Jesaja 52:13→Jesaja 42:12→Psalmen 22:27→
— Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten.
Deze stille, zachtmoedige Christus dringt Zijn rijk voort en breidt Zijn heerschappij uit, tot deze verre eilanden van de zee Zijn macht al kennen en de dag komt dat heel de ronde aarde aan Zijn bestuur gehoorzaam zal zijn. O gezegende Christus, hoe blij zijn wij te bedenken dat wanneer wíj ontmoedigd zijn, U het niet bent; en dat wanneer wij falen en bezwijken, U het niet doet. U houdt aan tot in eeuwigheid, zoals de zon die in de morgen uit haar kamer voortkomt en niet ophoudt voordat zij haar loopbaan volbracht heeft.
Wat een gezegende zaak is het dat wij een Zaligmaker hebben om te vertrouwen, die niet falen zal en die nooit ontmoedigd zal worden. Hij zal de zaligheid van Zijn volk uitvoeren en die nooit als een hopeloos geval opgeven. Arme zondaar, begint Hij met u, dan zal Hij niet falen en niet ontmoedigd worden; en zo zal Hij ook niet ontmoedigd worden met heel de aarde. Hij zal Zijn hand niet terugtrekken voordat zeker alle vlees de heerlijkheid van de HEERE zal zien. Hij die de verlossing van de mens ondernomen heeft, is niet zwak van geest en niet gemakkelijk te verijdelen.
Jesaja 42:5-6.KruisverwijzingenLukas 2:32→Handelingen 13:47→Jesaja 49:8→Jesaja 49:6→Jesaja 45:18→Jesaja 45:12→Jeremia 23:5→Handelingen 17:25→
— Alzo zegt God, de HEERE, Die de hemelen geschapen, en dezelve uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die den volke, dat daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen, die daarop wandelen: Ik, de HEERE, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u bij uw hand grijpen; en Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen.
Zo geeft de grote God Christus Zijn opdracht. Zo verklaart Hij dat de eeuwige kracht en Godheid Hem zullen steunen, totdat de heidenen Zijn licht zullen bemerken en het volk in het verbond met God gebracht zal worden.
Zie wat God van Zijn Zoon Jezus Christus gemaakt heeft. Wilt u tot Christus komen in het verbond van de genade, dan hoeft u Christus enkel aan te grijpen, want Híj is gegeven tot een verbond van het volk. Hij is de belichaming van het verbond, de som en de inhoud ervan, het zegel ervan, de Borg ervan. Ja, Hij ís het verbond zelf. En wilt u licht hebben, dan hoeft u enkel Christus te krijgen. Hij is het Licht van de wereld, en hier wordt ons gezegd dat God Hem gegeven heeft “tot een Licht der heidenen”.
Jesaja 42:7.KruisverwijzingenJesaja 61:1→Jesaja 35:5→Jesaja 49:9→Hebreeën 2:14→Johannes 9:39→Mattheüs 11:5→Jesaja 9:2→2 Timotheüs 2:26→
— Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.
Hoort dit, u die zwaarmoedig bent, u die moedeloos bent, u die niet uit de gevangenis van kwade gewoonten komen kunt of de ketenen van de zonde niet kunt afschudden. Zie, er is een Verlosser gekomen, wiens werk het juist is de vast gesloten cellen van de zonde te openen en de gevangenen van de satan vrij te maken.
Jesaja 42:8-9.KruisverwijzingenJesaja 48:11→Psalmen 83:18→Exodus 20:3→Jesaja 43:19→Jesaja 46:9→Exodus 34:14→Exodus 3:13→Jesaja 43:11→
— Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden. Ziet, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; eer dat zij uitspruiten, doe Ik ulieden die horen.
Een groot bewijs van de waarheid van de Godheid van Jehova is dat Hij vooruit kan zien en voorzeggen, zodat Hij de gebeurtenissen lang voordat zij plaatsvinden bekend maakt. Jesaja heeft door Gods Geest de Israëlieten over Christus verteld, honderden jaren voordat Christus kwam; en toch zijn de woorden zo uitdrukkelijk dat men haast zou denken dat zij ná de gebeurtenis geschreven waren. Maar zou God het niet weten? Is Hij niet God, die door de nevelen van de eeuwen heen ziet en de dingen die komen zullen aanschouwt alsof zij er al waren? Werkelijk, Hij is God.
Jesaja 42:10-11.KruisverwijzingenJesaja 32:16→Psalmen 33:3→Jesaja 60:7→Psalmen 40:3→Jesaja 42:4→Romeinen 15:9→Genesis 25:23→Nahum 1:15→
— Zingt den HEERE een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde; gij, die ter zee vaart, en al wat daarin is, gij eilanden en hun inwoners. Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, met de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen juichen, die in de rotsstenen wonen, en van den top der bergen af schreeuwen.
Want de komst van Christus is de komst van de muziek in de wereld. Toen Hij aan het kruis hing, werden er nieuwe sterren aangestoken om de nacht van de aarde te verblijden. Ja, wat zou ik zeggen: alsof de zon zelf toen was opgegaan om de duisternis voor eens en voor altijd te verjagen. O Lam van God! De schepping deed de engelen zingen, maar de verlossing doet ons, gevallen mensen, zingen; want zij heft ons op om onder de engelen te zitten, door Uw allerkostelijkst bloed.
Jesaja 42:12-13.KruisverwijzingenNahum 1:2→Psalmen 78:65→Hosea 11:10→Jesaja 42:4→Romeinen 15:9→Psalmen 96:3→Jesaja 24:15→Openbaring 5:9→
— Laat ze den HEERE de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen. De HEERE zal uittrekken als een held; Hij zal den ijver opwekken als een krijgsman; Hij zal juichen, ja, Hij zal een groot getier maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen.
En nu Zijn vijanden. Terwijl God zo genadig met mensen handelt, besluit Hij een einde te maken aan de machten van het kwaad. Meen niet dat de goden van de heidenen altijd op hun tronen zullen zitten, of dat de machten van de antichrist de aarde altijd zullen verduisteren. Ach nee. God zal Zich eerlang opmaken.
Jesaja 42:14.KruisverwijzingenPsalmen 83:1→Jeremia 44:22→Lukas 18:7→Jeremia 15:6→Job 32:20→2 Petrus 3:15→2 Petrus 3:9→Prediker 8:11→
— Ik heb van ouds gezwegen, Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als een, die baart, Ik zal ze verwoesten, en te zamen opslokken.
Wat een tijd zal dat zijn, wanneer God voortkomt in de luister van Zijn macht om al de heirlegers van het kwaad neer te werpen.
Jesaja 42:15.KruisverwijzingenJesaja 50:2→Nahum 1:4→Jesaja 44:27→Jesaja 2:12→Psalmen 114:3→Openbaring 16:18→Jesaja 49:11→Habakuk 3:6→
— Ik zal bergen en heuvelen woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen.
Wat een ontzaglijk God is Hij! Wanneer Hij eenmaal Zijn hand uitstrekt tot daden van gerechtigheid en van wraak, wie kan dan voor Hem bestaan? En toch, hoe gaat Zijn barmhartigheid arm in arm met Zijn gerechtigheid!
Jesaja 42:16.KruisverwijzingenEfeze 5:8→Jesaja 30:21→Jesaja 32:3→Jesaja 29:18→Lukas 3:5→Jesaja 40:4→Jeremia 31:8→Jesaja 35:8→
— En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.
De neerbuigende goedheid van God! Zelfs wanneer Zijn rechterarm ontbloot is ten oorlog en de donder Zijn wolkige wagen omgordt, buigt Hij Zich toch uit die wagen van de toorn. Hij ziet naar arme, blinde, hulpeloze zielen en leidt hen op de weg van vrede en barmhartigheid.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-25.KruisverwijzingenJesaja 48:11→Filippenzen 2:7→Jesaja 43:10→Jesaja 52:13→Lukas 2:32→Lukas 3:22→Handelingen 13:47→Jesaja 49:8→
— Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen. Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten. Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen. Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten. Alzo zegt God, de HEERE, Die de hemelen geschapen, en dezelve uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die den volke, dat daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen, die daarop wandelen: Ik, de HEERE, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u bij uw hand grijpen; en Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen. Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten. Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden. Ziet, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; eer dat zij uitspruiten, doe Ik ulieden die horen. Zingt den HEERE een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde; gij, die ter zee vaart, en al wat daarin is, gij eilanden en hun inwoners.
Aan het slot der vorige rede is over de afgoden en hun dienaren het vonnis der verwerping uitgesproken, een vonnis, welks volvoering de bedwinger der volkeren, van wie in den beginne sprake was, ten doel heeft. Nu stelt de profetie enen voor die in den hoogsten en diepsten zin des woords een knecht des Heren is, en ene nog geheel andere roeping vervult, dan het openbaar maken van de nietigheid der afgoderij. Deze derde rede wordt dadelijk in haar begin op ene zo duidelijk in het oog lopende wijze Messiaans, dat zelfs de Joodse verklaring zonder bedenking den naam van den Messias hier invoegt. Hij, de Christus, die na de periode van Cyrus verschijnt, in wie God Zijn welgevallen heeft, en dien Hij met den Geest zonder mate bedeelt, zal den volken het hoogste en beste aanbrengen, den waren godsdienst in de plaats der valse goden. Gelijk een onaanzienlijk optreden bij het volbrengen van Zijne roeping, Hem karakteriseert, zo zijn ook zachtheid en liefde in ‘t redden van zielen Zijne kentekenen; een algemeen verlangen naar zaligheid bij de heidenwereld zal Hij vinden (vs. 1-4). Het woord des Heren, dat tot hiertoe van dezen knecht gesproken heeft, wendt zich nu tot Hem, om Hem tot volvoering van Zijne verhevene roeping ook te verzekeren van de gehele volheid der kracht des Roependen, en Hem het gelukken van het Hem opgedragen werk bij den naam en de ere des Roependen te verzekeren (vs. 5-9). Dan zal een nieuw lied van het ene einde der aarde tot het andere worden gehoord, het is het lied der verloste wereld (vs. 10-12). Wat nu de Heere zal doen, om de volbrachte verlossing ook vruchtbaar te laten worden ter vernieuwing der tegenwoordige wereld en om zijn volk weer te herstellen, wordt in sterke taal op menselijke wijze van God verkondigd. De mens heeft die levendige verpersoonlijking nodig, om den persoonlijk werkenden God in geloof aan te grijpen (vs. 13-16). Van Israël’s zegen moeten zij uitgesloten blijven, die van den afgodendienst geen afstand kunnen doen, daarom vinden wij ten laatste een sterk aandringen tot Israël, om zich los te maken van den ban, die zo zichtbaar op het volk der verkiezing ligt (vs. 17-25).
Ziet echter niet dezen bedwinger der volkeren aan, van wie in ‘t vorig Hoofdstuk sprake was, hoewel ook hij Mij dient, in zo verre door hem een gericht over de heidenen komt, zodat de nietigheid der afgoden openbaar wordt. Die Mijne raadsbesluiten, van welke Ik nu wil profeteren (MATTHEUS. 12:17 vv.), volbrengt, Mijn knecht, dien Ik ondersteun, opdat Hij vast sta en niet een geheel ander werk dan die Cyrus (Hoofdstuk 41:2 vv.) volbrenge, is Mijn uitverkorene
in nog veel dieperen zin, dan deze van den opgang zou komen. Hij is het, in dewelke Mijne ziel a) een welbehagen heeft! b) Ik heb Mijnen Geest op Hem gegeven (Hoofdstuk 11:2 vv.); Hij zal het recht 2), den waren godsdienst, den Heidenen voortbrengen, en hen op den weg des vredes tot het bezit van de hoogste aller goederen leiden.
(MATTHEUS. 3:17; 17:5. Efeze 1:6. 2 Petrus 1:17. b) Joh. 3:34
De rede Gods wordt voortgezet en hier toont de Vader en wijst met den vinger als het ware aan, dat Zijn Zoon, reeds zoveel eeuwen verwacht en gewenst, is de Leermeester der volken, om hen terug te roepen van de afgoderij en het bijgeloof, en hen te bestralen met het licht van Zijne zeer zuivere en zeer reine kennis. Het schema is verheven en waardig aller beschouwing, en zeker van ons, de volken, aan wie, in deze uiterste zomen der wereld, gegeven is, deel te hebben aan zulk een groot heil. De hoofdbeschouwing van den knecht des Heren in Hoofdstuk 40-66 is zeker die, dat Israël, het volk, als knecht van Jehova wordt genomen (Hoofdstuk 41:8 v. (Jer. 30:10; 46:27 v.), en dit in dubbelen zin: aan de ene zijde als het volk naar zijne empirische verschijning-zo is het de blinde en dove knecht, die veel gezien heeft en niet heeft opgemerkt, met open oren niet hoort enz. (Hoofdstuk 42:18 vv); aan de andere zijde naar zijne idee, als het volk, dat aan zijne roeping beantwoordt (vgl. Ps. 24:6 Jakob = het geslacht dergenen, die Gods aangezicht zoeken), en in dit opzicht onderscheiden van het volk naar zijne empirische openbaring en toch weer daarmee één. Dit ideale Israël komt in de eerste plaats voor in het collectivum der knechten Gods, in het tyrav overblijfsel van Jakob zie (Hoofdstuk 7:3; 10:21), dat onder den algemenen afval getrouw gebleven is, en dat verder (zie vooral (Hoofdstuk 66:8 v.) als een gewijd zaad uit het volk moest te voorschijn komen en het begin der nieuwe gemeente vormen. Dat tot deze knechten Gods ook de ware profeten behoren spreekt van zelf; men kan Hoofdstuk 48:16; 50:4 vv. ook in zo verre met den sprekenden profeet in verband brengen, dat deze hier uit eigene ervaring van lijden het beeld van den knecht Gods moest voorstellen. Maar geheel ten onrechte is het, wanneer men onder den knecht Gods juist den profetenstand verstaan wil: hoewel deze de roeping hebben ontvangen, om aan het weder gebrachte volk het verwoeste erfdeel uit te delen enz. om daarvan niet eens te spreken, dat de profeten gene corporatie (afgesloten lichaam) vormden, ja dat in Hoofdstuk 56:10 de menigte der wachters als blind, onverstandig en als stomme honden worden voorgesteld. Wanneer nu echter op onze plaats de knecht als diegene wordt aangewezen, dien God tot ene sterkte voor het volk, tot een licht der heidenen maakt, eveneens in Hoofdstuk 49:1 vv. als degene, die de stammen Jakob’s weer zal oprichten, het volk in het heilige land zal terugvoeren en vervolgens voor de heidenen aan de einden der aarde een middel moest worden tot het heil van Jehova, zo is het niet te ontkennen, dat de schilderij van den knecht hier reeds tot ene persoonlijkheid uitloopt, wier dragers slechts een individu met een aggregaat van knechten Gods, niet het volk kan zijn. En dit moet ten slotte geheel beslist bij Hoofdstuk 52:13-53:12 worden voorgesteld. Alhoewel dat overblijfsel van vromen, waarin het ware Israël zich voortplant, aan het volk volgens Hoofdstuk 65:8 zijn voortbestaan verzekert, zo is toch ook in alle degenen, die zich als knechten Gods kennen, het schuldgevoel zo levendig, dat zij zich zelven met het zondige en daarom verzoening behoevende volk samenvatten (Hoofdstuk 54:5; 59:12). Uit hun midden kan daarom het volkomen in de plaats treden voor het volk niet voortkomen (Hoofdstuk 59:16), ook het collectivum der knechten Gods kan de verzoening niet bewerken. Integendeel verheft zich de profetie op den grond der aanschouwing der getrouwe getuigen, die om de belijdenis van Jehova geleden hebben, tot het zien van enen rechtvaardigen knecht, die in ‘t geheel niet om eigene zonden, maar plaatsbekledend voor de zonde van ‘t gehele volk Zijn leven als schuldbetaling geeft; die echter in zijne gedaante als lijder door Zijn eigen volk, waarvoor Hij tusschen treedt, ondanks de profetische boodschap, die op Hem wijst, miskend, en als om eigene schuld door God gestraft beschouwd wordt, ja, dien men nog in den dood behandelt als gewelddadige goddelozen en bedrieglijke rijken, dus even als de zodanige, wie de vloek in het graf navolgt. Maar God voert Hem uit den dood tot heerlijkheid, zodat Hij nu voor velen ene oorzaak van gerechtigheid wordt en zegerijk met de sterken buit deelt. Op zulk ene wijze moest voor het volk in den tijd, toen het gene plaats had om te offeren, en waar het dus door het bloed van dieren gene verzoening kon vinden, de kennis worden ontsloten, dat door de gewillige zelfovergave van enen volmaakt Rechtvaardige de verzoening zou worden te weeg gebracht, van welke het ingaan in de zaligheid afhing. Het begrip: “knecht van Jehova” is, om het figuurlijk te zeggen, ene piramide: de basis is het gehele Israël, dat dit niet alleen “naar het vlees” maar “naar den Geest” is; de top is de persoon van den Middelaar der zaligheid, die uit Israël opstaat. Deze is 1) het centrum in den kring van het koninkrijk der belofte-de tweede David; 2) het centrum in den kring van het volk der zaligheid-het ware Israël; 3) het centrum in den kring der mensheid-de tweede Adam. De profetieën zijn alleen door het Evangelie te verstaan. Zij zijn een kunstslot gelijk, waarin alleen die sleutel past, die door den kunstenaar daarvoor gemaakt is. Wat nu die sleutel is voor dit slot, is Christus voor de profetieën; zij openen zich alleen voor Hem. En is het nu niet opmerkelijk, dat al de profeten, hoe verschillend de tijd en de omstandigheden waren, waarin zij leefden, en hoe uiteenlopend de wijze was, waarop zij profeteerden, nochtans van Christus, wel met andere woorden en beelden, maar toch altijd hetzelfde profeteerden, namelijk, heerlijkheid door lijden? Nergens in de Schrift zijn deze twee dingen gescheiden; zij zijn bij haar één geheel, zij kent in Christus gene heerlijkheid zonder lijden, maar ook geen lijden zonder heerlijkheid. De Messias, is de knecht Gods, ofschoon altijd bij uitnemendheid.
In Christus heeft de Vader een welbehagen, voor zover Hij in den eeuwigen vredesraad Hem toegelaten heeft tot een zelfsborg van de uitverkorenen, voor zover Hij Hem aan de uitverkorenen tot hun enigen Middelaar gegeven heeft, voor zover Hij de voldoening voor de strafschuld der uitverkorenen heeft toegelaten, voor zover Hij is de verdienende oorzaak van alle zaligmakende weldaden volgens de verkiezing, maar van de voorverordinering of van de verkiezing zelf, voor zover die de verkiezende daad Gods betekent, wordt Christus nergens gezegd de oorzaak te zijn.
Het recht is hier de zuivere godsdienst, het richtsnoer voor geloof en leven, wat de mens nodig heeft, om getroost te leven en zalig te sterven. Het is dus de volle raad Gods, de ware en zuivere kennis Gods, zoals Hij Zich geopenbaard heeft in Christus Jezus.
Hij zal bij het uitroepen van zijne roeping, niet schreeuwen, noch Zijne stem verheffen, gelijk de leugenprofeten doen, die wat zij in innerlijke waarheid missen, door krampachtige gebaren en overdrevene hartstochtelijkheid van woorden zoeken aan te vullen; noch zal Hij, die zachtmoedige en van harte ootmoedige leraar, wie het niet te doen is om opzien bij de mensen, maar om de stille bekering en het winnen van zielen (MATTHEUS. 11:28 vv.), Zijne stem op de straat horen laten, Hij toch brengt, wat zich zelven aanbeveelt en geen uitbazuinen nodig heeft. Het oogmerk is, dat de Christus, Gods uitverkoren knecht en geliefde Zoon, in dewelke de ziele des Vaders een welbehagen heeft, niet alleen uit de stof van Zijne gaven en bediening, maar ook uit Zijne gedaante en wijze van doen in de Kerk met zekerheid mag kunnen gekend worden. De inhoud is, dat Jezus de Christus, onze Heere deze Zijne bediening en volheid des Geestes, van den Vader ontvangen, zo heeft opengelegd voor de ogen van de ganse wereld, dat Hij Zijne zeer grote nederigheid in Zijn hoogste Majesteit heeft betuigd en bekend gemaakt, en dat Hij aan alle mensen, al waren zij nog zo zwak, ten goede gedacht heeft, opdat Hij, de machten beroofd hebbende, zou zegepralen over het herstellen van de zaligheid der Zijnen, die Hij uit de Joden en Heidenen had vergaderd. Hij zou niet twisten of strijden met Zijne tegenstanders, maar geduldig en met lijdzaamheid het tegenspreken der zondaren verdragen, want Zijn koninkrijk is geestelijk, en Hij gebruikt geen vleselijke wapenen, ook komt het niet met groten zwier of met veel vertoning. Wie opgang voor zich zelven en zijne zaak wil maken, die maakt groten ophef van alles, wat hij voorstaat en wat hem tegenstaat. Dat zou Christus niet doen en dat deed Hij ook niet. Hij deed integendeel de grootste wonderen met de grootste eenvoudigheid zonder allen toestel of praalvertoning. Hij vergezelde als het ware Zijne weldaad met het bevel der geheimhouding en bracht aldus Zijne eigene woorden in beoefening, dat de linkerhand niet moet weten wat goeds de rechterhand doet. Iemand, die het goede doet, omdat het de wil van God is, en het voorts bedekt, begraaft, en er niet meer van gesproken wil hebben, maar het Gode overlaat om er openbaarheid aan te geven of niet-hij is ook nog onder ons een man, die niet schreeuwt en zijne stem niet verheft. Dat Hij Zijne stem niet op de straat zou laten horen wil niet zeggen, dat de Messias niet in het openbaar maar alleen in het verborgene zou spreken, neen, maar dat Zijne prediking niet met luidruchtigheid, met ene samenroeping des volks op de straten zou plaats hebben. De Heer leerde op de stralen der stad, maar hoe? Zo als Hij leerde in den tempel, de synagoge, in de huizen, met de grootste rustigheid en waardigheid.
Met dit optreden zonder uiterlijke vertoning zal zich ene bijzondere zachtmoedigheid bij het verzorgen der zielen paren. Het reeds gekrookte half verbroken riet zal Hij niet geheel en al verbreken; en de rokende, slechts nog dof brandende en het uitgaan naderende vlaswiek zal Hij niet uitblussen 1), integendeel zal Hij het verstervend geestelijk leven der zielen redden en vernieuwen; als Hij daarover den adem Zijns Geestes laat gaan is het niet tot uitdoving, maar tot opwekking van ‘t licht; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen, met aanmerking der verschillende menselijke toestanden zal Hij de zuivere leer der genade prediken.
Nooit dreef Hij iemand tot wanhoop, maar leidde met alle zachtmoedigheid de zwakken, hen verdragende, en hun een genoegzamen tijd der bekering gunnende. (ENG. GODGELEERDEN). Het gekrookte riet en de rokende vlaswiek! Welke kleinigheden! Wie geeft er acht op; wie zal een geknakten, arenlozen halm in de hand nemen? Christus doet het. En de rokende vlaswiek, die een ander uittrapt, blaast Hij aan door den adem Zijne Geestes, opdat zij ontvlamme. En is het nu niet alzo? Hetzij gij de Psalmen, de Profetieën of de Evangeliën opslaat, aanschouwt gij niet overal dezelfden Christus en dezelfde mensen, dezelfden barmhartigen Christus, dezelfde zondige en ellendige mensen? De Psalmisten spelen op de harp, de Profeten op het orgel en de Evangelisten op de fluit, maar het is altijd tot begeleiding van hetzelfde lied. Gekrookt riet. Het zijn de twijfelmoedigen, die een gebroken hart hebben, en zó gebroken, dat zij op het punt staan van te bezwijken en te sterven. De rokende vlaswiek. Het zijn dezulken, bij welke een beginsel van leven, van warmte, van vuur aanwezig is, maar dat niet tot vlam komen kan, of die ene vlam geweest zijn, maar bij wie door den storm der aanvechting de vlam uitgewaaid is en wij nog slechts rook zien. In het algemeen echter zijn het de ellendigen naar ziel en lichaam, de verlatenen en verworpenen van de wereld, die gene ontferming hebben dan die, waarmee God Zich over hen ontfermt. Voor de zodanige was de zachtmoedige Jezus bij voorkeur en ten allen tijde een redder en behouder. Een melaatse was toch wel een zeer gekrookt riet en ene zeer rokende vlaswiek; niemand zou hem hebben willen aanraken, maar Christus raakte hem aan en genas hem. De zondares was ook wel een gekrookt riet; niemand zou haar een goed woord hebben willen toespreken, maar Christus sprak haar vriendelijk toe, en gaf haar Zijnen vrede. De tollenaren waren veracht, niemand wilde met hen te doen hebben, maar Christus at en dronk met hen, en nam één uit hen tot Zijn Apostel en Evangelist. Een moordenaar is verafschuwd door ieder, en wie zou met een moordenaar op het kruis in enige gemeenschap hebben willen staan? Christus echter schaamde zich zijner niet, maar nam hem met Zich in het paradijs. Daarom is het Evangelie ook alleen voor dezulken, die hun ziel niet bij het leven kunnen houden uit eigene middelen, die weten, dat zij zondaren en zonder Verlosser verloren zijn; maar voor hen, die menen geen almachtig Verlosser uit een eeuwigen dood nodig te hebben is het Evangelie als niet geschreven. De rokende vlaswiek is het eerste beginsel des geloofs. Dat zou Hij niet uitblussen, meer aanblazen tot een vlam. Het gekrookte riet is de twijfelmoedige, die door Satans listen aan het twijfelen omtrent zijn staat is geraakt. Dezen zal Hij niet verbreken, maar door de toepassing van Zijne beloften sterken en opbeuren.
Dit kan men ook dus verstaan: Hij zal niets bedekken, maar alles leren wat recht, billijk en goed is en in deze geen opzicht nemen althans op enige opgevatte gevoelen, maar zich enkel naar de waarheid richten. (ENG. GODGELEERDEN).
Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, Hij zal niet moede, en in Zijn ijver gestuit worden, noch verbroken, door den tegenstand der vijanden moedeloos gemaakt worden, totdat 1) Hij het recht op aarde zal hebben besteld, het op aarde tot vastheid zal hebben gebracht, Zijne leer hier genoegzaam bevestigd is, en de eilanden, de landstreken der Heidense volken (Hoofdstuk 41:1) zullen naar Zijne leer, Zijne wet, die ene wet der vrijheid (Jak. 1:25), en naar zijn inhoud genade en waarheid is (Joh. 1:17), wachten, 2) zodat Zijne verkondiging van het Evangelie ene voldoening is aan ene bij die Heidenwereld diep liggende behoefte, een verlangen naar verlossing en heil door Gods genade zelf verwekt.
In MATTHEUS. 12:20 zijn de woorden van de tweede helft van het derde en die van de eerste helft van het vierde vers tot ene nieuwe gedachte verenigd “totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning. ” Zo als het schijnt ligt hieraan ten grondslag de lezing eiv nikov, tot overwinning in plaats van met waarheid; of echter uitbrengen overeenkomt met bestellen in vs. 4, of met voortbrengen in vs. 3, is niet te beslissen. Op zulk ene vrije aanhaling van teksten is het woord van Schultz toepasselijk, dat wij bij Exod. 20:6 aanhaalden. Hoe letterlijk is deze profetie vervuld! Menigmaal was de Heere in levensgevaar, doch niemand sloeg de hand aan Hem, want Zijne ure was nog niet gekomen, n toen Zijne ure gekomen was, toen gaf Hij zich vrijwillig over en zelfs op het kruis, geheel in de macht Zijner vijanden zo het scheen, gaf Hij Zijnen geest over in de handen Zijns Vaders. Hij gaf Zijn leven, om het weer te nemen, in onderscheiding van een bloot mens, die wel zijn leven kan geven, maar het niet weer kan nemen. De aarde zelf is een groot eiland, van rondom omringd en doorsneden van water: “zij is gegrond op de zeeën. ” Doch onder de benaming van “de eilanden” wordt in de Schrift bijzonder ons werelddeel, Europa bedoeld. De aardrijkskundigen weten, dat geen werelddeel met zo vele zeeën en rivieren doorsneden, en daardoor in zo veelvuldige eilanden verdeeld is als Europa, terwijl Azië en Afrika meer vast land met uitgestrekte woestijnen zijn. Ten tijde van Jesaja was Europa nog maar gedeeltelijk bekend en nog minder vervuld. Rome was pas gesticht. Daarom is het te treffender, dat deze zo vele eeuwen voorspelde zegen zo kennelijk is vervuld geworden, reeds kort na ‘s Heren hemelvaart, en dat hij vervolgens altijd vollediger vervuld werd; want het is voornamelijk in Europa, dat de leer des Heren het eerst bekend gemaakt en verbreid is.
De meest verwijderde volken wachten op Zijne wet, op Zijn Evangelie; welkom is het, wat zij lang hadden gewacht. Zij zullen Zijne discipelen worden, aan Zijne voeten zitten en gereed zijn om te ontvangen de wet van Zijnen mond. Willen wij onze roeping en verkiezing vast maken en zal de Vader een welgevallen in ons hebben, zo moeten wij zien, horen, geloven in en gehoorzamen aan Christus; wij moeten komen door Zijne bemiddeling, ontvangen van Zijne volheid, geleid worden door Hem in de wegen van waarheid en gerechtigheid. (HENRY en SOORT).
Alzo zegt God, de HEERE, die in waarheid God is in tegenoverstelling van ingebeelde goden der Heidenen, die de hemelen geschapen en dezelve uitgebreid heeft, die de aarde uitgespannen heeft, en hare gehele uitgebreidheid heeft toebereid, en wat daaruit voortkomt, hare dieren en planten (Gen. 1:11 vv. 20 vv.), die den volke, dat daarop is, den adem des levens geeft, en den geest degenen, die daarop wandelen, allen levendige wezens, mensen en dieren.
Ik, de HEERE, de oneindige oorsprong van alle zijn en leven, de almachtige Schepper van hemel en aarde, die krachtens deze Zijne oneindigheid en almacht ook in staat is te volbrengen, wat Hij beloofd heeft, heb u, Mijn knecht, van wie in vs. 1 sprake was, geroepen in gerechtigheid 1), en Ik zal u bij uwe hand grijpen om u op de wegen, die Ik u heb aangewezen, te leiden en bij het werk te sterken; en Ik zal u tegen de u en uwe zaak bedreigende gevaren behoeden, en Ik zal u geven tot een verbond des volks, om tussen Mij en hen, in plaats van het Oude Verbond, dat zij niet hebben gehouden, een Nieuw Verbond op te richten (Hoofdstuk 54:10; 61:8. (Jer. 31:31 vv. Ezechiël. 16:60 vv. 37:26), en aan de andere zijde heb Ik u tot een licht der Heidenen gesteld (Hoofdstuk 49:6. Luk. 2:32).
Het is Gods gerechtigheid, die in ‘t verwekken, zenden, leiden van dezen knecht vooral openbaar moest worden, daar God Hem zendt als den volmaakt rechtvaardige, Hem met goddelijke gerechtigheid Zijn werk en lijden vergeldt, door Hem het recht op aarde laat verwinnen en geldend maakt, door Hem de wet der gerechtigheid onder de mensen vervult en volmaakt, en de onrechtvaardigen rechtvaardig maakt. Twee der heerlijke zegeningen, die Christus aan de wereld der Heidenen mededeelde, waren licht en vrijheid. Hij was geschonken tot een Licht der Heidenen, niet alleen om aan hen te openbaren, wat zij moesten weten en hetgeen zij anders nooit konden geleerd hebben, maar om zelfs de ogen der blinden te openen, opdat ze dit mochten weten; want Hij vertoont door Zijn Geest in Zijn heilig Woord het aan te nemen voorwerp, en door diezelfden Geest in het hart te storten, bereidt Hij het oog der ziele voor, om dit van nabij te beschouwen, er op te verlieven en het aan te nemen. Met het Evangelie kwam er een groot licht, hetwelk degenen bescheen, die in het land der duisternis gezeten waren (MATTHEUS. 4:16. Joh. 3:17).
Ik zal u zenden, om in Israël en onder de Heidenen (Hoofdstuk 49:8 vv.) te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis 1) en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten 2).
Moet onder “het licht der Heidenen” in vs. 6 een geestelijk licht worden verstaan, zo moeten ook de duisternis en de gevangenis hier geestelijk worden opgevat. De begrippen der blindheid en gevangenschap zijn in ‘t verband der plaats in allen geval identiek (van gelijke betekenis), gelijk reeds het laatste woord “die in ‘t duister zitten” bewijst.
Wat Cyrus doet is niets meer, dan dat hij de afgodische volken in verschrikking brengt en de ballingen uit hun ballingschap vrijlaat (Hoofdstuk 41:2 vv. 25); maar Jehova’s knecht opent blinde ogen; de bevrijding, die Hij aanbrengt, is dus niet slechts verlossing uit lichamelijke, maar ook vooral uit geestelijke dienstbaarheid. Hij voert Zijn volk, maar ook de Heidenen uit de nacht tot licht; Hij is Verlosser van alle verlossing-behoevenden en heilverlangenden. Al wat hier genoemd wordt zijn werken van barmhartigheid, die in een letterlijken en geestelijken zin vervuld zijn. Deze tweevoudige zin maakt één volkomen zin, gelijk de twee zijden van enen penning een volkomen penning uitmaken.
Ik ben de HEERE (vs. 6), dat is Mijn Naam, 1) de Naam, die Mij als den enig waarachtigen God kentekent, en Mij herinnert aan de betoningen van Mijn leven, Mijne macht en genade van ouds af (Exod. 3:15; 6:2. vv.) en Mijne eer, dat Ik de enig waarachtige God hen, zal Ik genen anderen geven, door nog langer te dulden, dat enig ingebeelde god naast Mij zou worden vereerd en aangebeden (Hoofdstuk 48:11), noch Mijnen lof den gesnedenen beelden; daarom zal Ik den afgodendienst beginnen uit te roeien door Cyrus, en zal dien volkomen vernietigen door Mijnen knecht.
De naam Jehova nu is een naam van Gods Wezen, in welken alle Gods volmaaktheden, Zijne onafhankelijkheid, onveranderlijkheid, eenvoudigheid, alwetendheid, genade, overaltegenwoordigheid, eeuwigheid enz. begrepen werden, in welken Naam derhalve alle Zijne inwendige heerlijkheid gegrond wordt. Derhalve is deze Naam Hem allermeest eigen en volstrekt onmededeelbaar, waarom hij ook Zijn gedenknaam genoemd wordt (Exod. 3:15. Ps. 135:13 en 102:13. Hos. 12:6).
Ziet, de voorgaande dingen zijn gekomen; 1) wat Ik te voren voorspelde, is op den juisten tijd nauwkeurig vervuld, en nieuwe dingen verkondig Ik, zaken, die nu nog in de toekomst liggen; eer dat zij uitspruiten, eer er nog de minste aanwijzing is, dat zij zullen geschieden, terwijl nog de dikste duisternis de aarde bedekt en het onmogelijk schijnt, dat deze duisternis ooit zou kunnen opklaren, doe Ik ulieden die horen. 2) Door voorzegging van deze verste toekomst bewijs Ik in veel hogere mate, dan door de openbaring van hetgeen nabij is, Mijne eeuwige kracht en Godheid (Hoofdstuk 41:22 vv.).
De voorgaande, of zoals ook vertaald kan worden, de eerste dingen zijn gekomen, zijn in vervulling getreden. Wat Ik reeds voorspeld heb, zegt de Heere, is reeds daadzaak, werkelijkheid geworden. Waarom wijst de Heere er op? Om bij zijn volk het vertrouwen te wekken, dat wat Hij nu weer zal zeggen en voorspellen, ook evenzeer tot vervulling komen zal. De Heere gaat hier vaderlijk met Zijn volk te werk. Zijn Trouw moet bij de Zijnen vertrouwen wekken. Hij steunt en sterkt het geloof door de openbaarmaking Zijner genade en ontferming. Wie Hij is en wat Hij gedaan heeft houdt Hij hen voor, opdat zal geloofd worden, wat Hij meer belooft.
(Vs 1-9). Wij vinden hier ene aanschouwelijke voorstelling van dien Gode welgevalligen dienstknecht, waarvan elke trek de belangstelling klimmen doet, die reeds de aanhef opgewekt heeft. Hij schreeuwt niet en roept niet, en verheft zijne stem niet op de straten, gelijk listigen volksleiders plegen, om langs zulk een weg vertrouwen en aanhang te winnen. Zijne gehele verschijning is aan het zachte lentewindje gelijk, dat verkwikking en lafenis aanbrengt, maar het reeds gekneusde riet niet verbreekt en geen rokend vlaswiekje uitblust. Wat zwak is en neergebogen en reeds der versterving nabij maar nog het minste spoor van vatbaarheid toont voor Zijnen weldadigen invloed, wordt door Hem zachtmoedig gespaard. Zo brengt Hij het recht, den waren godsdienst op zegevierende wijs aan het licht. Hij zelf wordt niet verduisterd of verbroken, evenmin als vlaswiek en rietscheut, maar helder straalt Zijn licht en moedig staat Hij pal, totdat Hij het recht op aarde gegrondvest heeft. Afgelegen kusten zien reeds met verlangen Zijne heilaanbrengende leer tegemoet, en geen wonder: De Almachtige, die de hemelen schiep en de aarde als een tapijt heeft uiteen gerold, die aan het mensdom den adem verleent en het leven onderhoudt van alle bewoners der aarde, die Almachtige heeft aldus tot Hem gesproken: “Ik, de Heere, heb U geroepen in gerechtigheid, Ik zal U bij de hand grijpen, en IK zal U behoeden, en Ik zal U geven tot een verbond des volks, ” d. i. in U zal Ik een nieuw Verbond met Mijn volk maken: “tot een licht der Heidenen, om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten. ” En om nu een waarborg te geven, dat die verwachting, hoe hoog ook, gewis niet beschaamd zal worden, drukt de hemelse Spreker zijn eigen zegel op het woord, dat Hij Zijnen Profeet heeft doen horen. Hij kondigt Zich als den enigen Waarachtige aan, die Zijne eer aan geen anderen geeft, en nieuwe dingen voorspelt, die even zeker gebeuren zullen, als de vorige op Zijn wenk zijn verschenen. Wie mag Hij zijn? zo vragen wij met geklommen verwachting, wiens komst alzo aangemeld wordt? Wie Hij is-in ieder geval een Profeet, maar boven anderen toegerust met hemelse gaven en ten prooi aan diepe vernedering. Dikwijls reeds hebben wij gelegenheid gehad den nauwen samenhang tussen Israël en zijnen Messias aan te wijzen, en zo ooit, dan wordt in dit Hoofdstuk duidelijk die waarheid verkondigd, dat Israël’s voorspoed en tegenspoed, zijne verstrooiing en zijn herstel, geheel en al afhankelijk is en blijft van zijn gedrag jegens en zijne betrekking tot zijnen Messias, en dat niet alleen enkele personen in Israël, maar het ganse volk in zijne geschiedenis, veel overeenkomst met zijnen Messias, zodat beiden, èn volk èn Messias, met dezelfden naam worden genoemd. Om slechts een voorbeeld op te noemen: “Knecht Gods” heet niet alleen Kores, die in zo verre hij de middelaar was van de verlossing uit Babel, met recht een type kon zijn van den groten Middelaar, die het volk van ene eeuwige verwijdering uit Gods woningen zou redden; maar ook het gehele volk draagt den naam: “Mijn knecht, ” en zo innig is deze samenhang tussen het volk en zijnen Messias, dat sommigen in al deze hoofdstukken niets dan het volk zagen, hetzij tegenover de Heidenen, of in zijn vroom gedeelte tegenover de ongelovigen in het midden van Israël zelf, terwijl anderen overal den Messias vermeenden te zien. De eersten alzo hebben den Messias, de laatsten daarentegen het volk te kort gedaan, terwijl in waarheid én volk én Messias daarin gezien moeten worden. Een nauwkeurig onderzoek van Jesaja 40-66 zal een ieder overtuigen dat, terwijl in Hoofdstuk 40-49 onder de benamingen “Israël” en “de knecht Gods” meer het volk wordt begrepen, omdat het volk er toe geroepen is, een strijder met en voor God te wezen en Zijne bevelen ten uitvoer te brengen, later onder diezelfde namen van “Israël” en “de knecht Gods” bijna uitsluitend de Messias moet worden verstaan. Hetgeen aan Israël, van wege de zwakheid des vlezes, onmogelijk was, heeft Hij verwezenlijkt. Hij, de ware Israëliet, de Israël bij uitnemendheid, de grote worstelaar met God voor de mensen en voor God met de mensen; de Knecht Gods is gehoorzaam geworden aan de wet, gehoorzaam tot aan den dood-ja tot aan den dood des kruizes. De diepe vernedering van den Messias blijkt ten duidelijkste uit den naam “Knecht, ” Hem toegekend. Immers een knecht is iemand die aan een ander ondergeschikt is, en wiens taak meebrengt, dat hij den last hem opgedragen, volbrenge. Wanneer echter deze knecht diensten verricht die door geen ander buiten hem ooit volbracht zouden kunnen worden; wanneer de onderhorigheid niet ene altijddurende noch gedwongene is, maar veeleer voor enen bepaalden tijd, tot bereiking van een bepaald doel, vrijwillig is aangenomen, dan wordt de vernedering veranderd in verheerlijking. En dit te meer, zo door deze vrijwillige zelfverloochening uitkomsten worden verkregen, die anderszins onmogelijk zouden geweest zijn. Dat zulks van den Messias en het werk door Hem volbracht volkomen waar is, wordt door het Hoofdstuk, dat wij thans bespreken, bevestigd. Jesaja 49 begint met ene opwekking tot de eilanden en de volken van verre, om naar den Spreker te luisteren. Nooit en nergens heeft een dienaar des Heren verlangd, dat men naar hem zou horen-wel naar Jehova, in wiens naam hij sprak; de Heere alleen vordert van allen “hoort naar Mij. ” Indien nu de knecht die hier spreekt, begint met voor zichzelf dezelfde oplettendheid te eisen, die anders slechts door Jehova verwacht wordt, dan is hiermede aan dien Knecht de grootste heerlijkheid, ja de heerlijkheid Gods toegekend. De tijdelijke ondergeschiktheid van dezelfden knecht blijkt echter uit de verklaring, dat de Heere hem heeft geroepen, gelijk Jezus van Nazareth zo dikwijls later heeft verklaard, dat Hij één is met den Vader, en dat Hij evenwel gezonden is door dien Vader.
Zingt, alle gij volken der aarde! van wege zulk een heil, dat u wacht, een nieuw lied, gelijk het tot hiertoe in de heidenwereld en ook in Israël nog niet is gehoord, een lied, dat ten gevolge der nieuwe grote daden Gods uit dankbaarheid des harten voortkomt (Ps. 33:3), Zingt Zijnen lof van het einde der aarde, deze moet van het ene tot het andere einde weerklinken; gij, die ter zee vaart 1), gelijk de Feniciërs en andere ter zee varende volken, moet in dien lof instemmen, en al wat daarin is, wat in de zee leeft en zich beweegt (Ps. 96:11), gij eilanden en hun inwoners! met één woord: al wat leeft!
De zeevaart is ook dienstbaar geweest en is nog altijd dienstbaar aan de verkondiging van het Evangelie, niet alleen doordat er altoos ook enkele dienaars des Heren op de schepen, en niet enkel als ondergeschikten, maar ook als gezagvoerders varen, maar bijzonder door het overbrengen van zendelingen naar verre landen. Gij, die ter zee vaart, brengt deze tijding uit Judea (waar Christus geboren is, geleefd heeft en het Evangelie verkondigd heeft) naar de afgelegenste delen der aarde, opdat die zich bij u mogen voegen in het zingen van Gods lof over de wonderbare goedertierenheid en genade aan u bewezen.
Laat de woestijn en hare steden 1) de stem verheffen tot verheerlijking Gods, met de dorpen, die Kedar bewoont, een wild strijdlustig volk, dat ene rondzwervende leefwijze heeft (Hoofdstuk 21:16 vv. (Ps. 120:5); laat hen juichen, bezingende den roem van Jehova, die in de rotsstenen 1) wonen, gelijk die te Petra in het Edomieten-gebergte (Num. 20:17), en van den top der bergen af schreeuwen, dat die daarop wonen, mede uitroepen de ere Gods.
Of, in de rotsstad, de nu nog door hare ruïnen beroemde Wadi Musa. Zij, de inwoners van die stad, werden evenzeer opgeroepen om te juichen over het heil des Heren. Duidelijk blijkt het hier, dat de Heere de heidenen oproept, om Zijnen Naam de eer te geven, de ere te geven om het heil, hetwelk Hij beschikt aan al Zijn volk, terwijl Hij Zijne vijanden bestrijdt en overweldigt.
Laat ze, alle die volken, den HEERE de ere geven, die zij tot hiertoe in den dienst hunner valse goden Hem onthouden hebben en Zijnen lof in de eilanden, in alle landen der heidenwereld (Hoofdstuk 41:1) verkondigen (Ps. 66:1 vv.).
De HEERE zal, opdat alle landen van Zijnen lof vervuld worden (Hoofdstuk 6:3; (Habakuk. 3:3) uittrekken ten strijde tegen den afgodendienst, als een held, die reeds vele slagen zegenrijk geslagen heeft; Hij zal den ijver, die een tijd lang als het ware onder de as verborgen was, opwekken en tot ene heldere vlam aanblazen als een krijgsman, wanneer hij zich na een tijdlang rust tot nieuwen strijd verheft; Hij zal juichen, ja, Hij zal een groot getier maken, een sterk krijgsgeschrei aanheffen; Hij zal Zijne vijanden overweldigen 1) en als een held hen zonder moeite neder houwen.
De schildering is anthropomorphisch (in uitdrukkingen aan ‘t menselijke ontleend) sterk en stout, zo als dit de beslistheid en levendigheid der Israëlitische Godsidee toelaat zonder gevaar van misverstand. Dit is ene geheel andere komst dan de straks getekende. Daar heet het van de komst des Heren: “Hij zal niet schreeuwen enz. ” hier komt Hij als de Heere met Zijne legerscharen en haar wapengedruis, om Zijne vijanden te oordelen en Zijne aanbidders te verlossen. Het is des Heren komst in heerlijkheid. Aldus wordt ook de voortgang van het Evangelie vertoond in Openbaring 6:2. Christus ging hier al overwinnende voort om meer en meer te overwinnen. Het ambt der Apostelen wordt hun strijd genoemd, en elk van hen was een krijgsknecht van Christus. En hun grote Veldheer zelf, met hen ten strijde getogen, zal hen ook tot naijver aanzetten en met grote jaloezie voor zijn Naam en eer doen ijveren.
Ik heb van ouds een tijd lang gezwegen, 1) zegt de Heere; Ik heb Mij stil gehouden, bij hetgeen op aarde geschiedt en Mij ingehouden, Mij teruggehouden van werkelijk ingrijpen (Hoofdstuk 57:11. (Ps. 50:21), gelijk Ik gedaan heb sedert Ik Mijn volk hulpeloos aan zijne verdrukkers prijs gaf. Ik zal echter, nu uur en tijd van redding en verhoging is gekomen, uitschreeuwen kreunen als ene, die baart; gelijk zij lang zich inhoudt, maar eindelijk hevig uitbarst en niet ophoudt, voordat het kindeke geboren is, zo zal Ik na lang zwijgen niet rusten, voordat de verlossing en het heil van Mijn volk is tot stand gebracht; Ik zal ze verwoesten, en te zamen opslokken. 2)
Als er van God gezegd wordt, dat Hij van ouds, d. i. een tijdlang gezwegen heeft, dan wil dat zeggen dat Hij tot nu toe de gebeden om redding en verlossing van Zijn volk onbeantwoord heeft gelaten, dat Hij derhalve gewacht had om te redden. (Ps. 28:1. Habakuk. 1:13).
In het Hebr. Eschoom we-esch’afjachad. Beter: Ik zal zwoegen en hijgen tegelijk. Deze woorden worden in den grondtekst op het nauwst verbonden met de vorige: Ik zal uitschreeuwen als ene die baart. Het beeld wordt derhalve doorgetrokken. Gelijk ene barende vrouw, niet alleen schreeuwt maar ook zwoegt en hijgt, terwijl zij hare krachten inspant, opdat het tot de geboorte moge komen, zo ook wil de Heere zeggen, zal Ik Mij hier tonen. Ik zal niet rusten, maar alle krachten inspannen, opdat het tot een wedergeboorte van Mijn volk moge komen. De Heere voorspelt het hier derhalve, dat Hij bezig is, iets heerlijk groots te voorschijn te brengen.
Ik zal, daar het werk, hetwelk Ik voor heb, tevens ene omkering der gehele wereld noodzakelijk maakt, bergen en heuvelen woest maken, dat zij kaal en naakt zijn; en al hun gras zal Ik door den gloed Mijner gerichten doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden, tot droge waterloze streken maken, en de poelen uitdrogen, zodat de gehele gedaante der aarde ene juist tegenovergestelde zal worden.
En Ik zal de blinden 1) de leden van Mijn volk, wie hun vroegere misdaad en hun tegenwoordige straf alle geestelijke kracht om te zien, ontnomen heeft, leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben; Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben, omdat zij van wege hun geestelijke blindheid het doel Mijner raadsbesluiten, dat eerst door den uitslag openbaar wordt, verstaan. Ik zal de duisternis voor hun aangezicht, den toestand van ellende zonder uitzicht, waarin zij zich thans bevinden, ten licht maken, daar het nu blijkt, hoe getrouw Ik het gemeend heb, en a) het kromme tot recht, daar Ik alle hindernissen uit den weg ruim, die zich in het vreemde land tegen hun heil en hun redding stelden; deze dingen, die Ik hier heb genoemd, zal Ik hun doen en Ik zal hen niet verlaten, maar hen met alle macht der liefde aannemen.
Jes. 40:3, 4.
De blinden zijn hier de zondaren, die zich door God laten leiden. Een blinde moet geleid worden, en den weg, langs welken hij geleid wordt, kent hij niet, hij vertrouwt zich ganselijk toe aan zijnen geleider. Wij moeten ons laten leiden door God; daartoe moeten wij ons kennen en erkennen als geestelijk blinden, zo als wij werkelijk zijn. God kent ons als zodanig alleen, en daarom wil Hij ons leiden en leidt Hij ons werkelijk door Zijn woord en door Zijnen Geest langs de ons onbekende paden des heils naar de eeuwige vaderstad. Is het wonder, dat wij, wanneer wij ons aan Zijne leiding onttrekken, of er ons tegen verzetten. verloren gaan? . Forerius zegt: de profeet voorspeld hebbende het verderf der goddelozen, verkondigt hier de verlossing der uitverkorenen. Deze noemde hij blinden, welke wandelden in de duisternis en afdwaalden op kromme paden. Hen heeft Christus tot zich gebracht door enen weg, dien zij niet kenden; want Hij heeft hen doen komen tot de wet der rechtvaardigheid, welke zij meenden te kunnen bereiken door hun verdiensten zonder het geloof. Calvijn tekent terecht aan dat, het zijn de versaagden en hopelozen, die geen weg meer zien en geen uitkomst verwachten. Want wel wordt hier ook van de geestelijk ellendigen gesproken, maar wij moeten niet over het hoofd zien, dat ook deze woorden weer troostwoorden zijn voor het volk in de ballingschap. Deze worden hier gewezen op tijdelijke en geestelijke redding en verlossing, en in hen geheel de Kerk.
Maar die zich op gesnedene beelden verlaten, in plaats van op Mij te vertrouwen, die tot de gegotene beelden zeggen: Gij zijt onze goden, zij, die zich door Mijne tegenwoordige straffen niet tot bekering van hun afgoderij laten leiden; die zullen achterwaarts keren, getroffen door Mijne vernietigende macht, zullen zij te gronde gaan en met schaamte beschaamd worden.
Ps. 97:7. Jes. 1:29; 44:11; 45:16. Vs. 14-17. Spotten wij niet met de sterke taal, waarin God wordt belichaamd, die gelijk een held voorttreedt, snuivend van toorn en gloeiend van strijdlust, luid schreeuwend als een, die haast, om ene nieuwe wereld voort te brengen; want de mens heeft de levendigste zinlijkste voorstelling nodig, om den persoonlijk werkenden God te begrijpen. En zien wij niet in den strijd der wereld met het woord Gods de trouwe waarheid van het beeld, dat bergen en heuvels verwoest worden en hun gras verdort, dat stromen en vijvers verdrogen? Dezelfde God, die, in gloed ontvlamd, bergen en heuvels verwoest, leidt door oneindige liefde gedrongen, blinden op wegen, die zij niet kennen, maakt duisternis licht en krommingen recht. Israël in zijne blindheid zou waarlijk den weg naar huis niet gevonden hebben, indien de Heere Zijn werk der genade niet besloten en uitgevoerd had. Het in de eerste plaats historisch bepaalde woord heeft echter den meest omvattenden zin van algemene waarheid: wat ware de mens zonder de onzichtbare leiding door de hand Gods? Een blinde op paden, die hij niet kent, van duisternis omvangen. Ook in Israël wilden velen, naar des mensen zin en wijze, hun eigene leidslieden zijn, of zij bouwden op de hulp van zelfgemaakte goden; die worden nu, wanneer zij de hand Gods gevoelen, door verterend gevoel van schaamte doordrongen. Jehova’s roemrijke gerustheid en heldendaden ontpoppen de valse goden tot diepe beschaming van hun vereerders. Want zo de valse godsdiensten vallen, wordt Israël’s verlossing tegelijk de verlossing der Heidenen.
Hoort dan, opdat het u niet ga, zo als in vs. 17 gezegd is, maar integendeel de belofte in vs. 16 aan u vervuld worde, gij doven! gij leden van Mijn volk Israël, die u tot hiertoe voor alles, wat Ik in wet en profeten tot u gesproken heb, zo onvatbaar betoond heb, alsof gij niet kon horen! en schouwt aan, sluit niet verder in opzettelijken tegenstand de ogen, gelijk gij tot hier toe hebt gedaan, gij blinden; opent ze integendeel wijd, om te zien 1).
Deze roeping tot de doven om te horen en tot de blinden om te zien, komt overeen met die van den man met de verdorde hand in het Evangelie, die bevolen werd zijn hand uit te steken, hetgeen hij niet kon doen, want, zo hij niet getracht had dat te doen ter zijner herstelling zou hij nooit genezen zijn geworden, schoon zijn genezing niet aan zijn eigen doen, maar aan de Goddelijke macht was toe te schrijven.
Of zou u het verwijt niet gelden, dat Ik zo even gedaan heb? Ach! wie is er blind in den geestelijken zin van het woord, als Mijn knecht Jakob 1) (Hoofdstuk 41:8), en doof, gelijk Mijn bode, dien Ik zende, als dit Mijn uitverkoren volk, dat ene profetische roeping heeft voor alle overige volken der aarde? Wie is blind 2) gelijk de volmaakte, de aan God overgevene en wie is blind, gelijk de knecht des HEREN, die hem bij Zijne zegenrijke bedoelingen voor de wereld tot een middelaar dienen moet? In Hoofdstuk 41:8 vv. werd de knecht van Jehova geliefkoosd en getroost, terwijl daar met afzien van de menigte, die van hare roeping was vervallen, dat ware Israël in aanmerking kwam, dat troost behoefde. In Hoofdstuk 42:1 vv. werd die Eéne op den voorgrond gesteld, die als het centrum van dezen inwendigen kring van Israël en als hoofd van het lichaam van Israël is; op onze plaats daalt men weer van dat toppunt tot op de benedenste basis (zie op vs.
terug en de knecht van Jehova wordt berispt en bestraft wegens de sterke tegenstelling, waarin zich zijn gedrag tot zijne roeping, zijne werkelijkheid tot zijn idee bevindt.
Zo duidelijk mogelijk blijkt het wel dat hier onder “knecht des Heren”, niet de Messias is te verstaan, maar Israël zelf, in zijn verdwaasden en voor Gods Woord doven toestand. Want wel wordt Abraham’s nakroost hier genoemd, bode Gods en volmaakte, maar dit ziet op zijn roeping onder de volken wat het eerste betreft, en wat het tweede aangaat, dit betekent eigenlijk, het aan God overgegevene. Vandaar dat de Heere God in de volgende verzen bestraffend en vermanend optreedt.
Gij ziet wel vele dingen, gij hebt vele bewijzen van Gods liefde en genade ondervonden, maar a) gij bewaart ze niet; neemt de daarin liggende vermaningen niet ter harte; ofschoon hij de oren opendoet, de aanhoudende prediking niet kan ontwijken, zo hoort hij toch niet, omdat het niet inwendig opneemt, wat het uitwendig verneemt; daarom heten zij terecht een doof en blind volk.
Rom. 2:2 vv. Zo spreekt ook Paulus (2 Tim. 3:7) “die altijd leren en nimmermeer tot de kennis der waarheid kunnen komen. ” Wij hebben dit in ‘t pausdom ondervonden. Het aantal leraars was groot genoeg, er waren toehoorders in menigte, en toch, wie was er onder zo groot ene menigte van leraars en toehoorders, die een vers uit den psalmbundel, een van de tien geboden, een gedeelte van het “Onze Vader” waarlijk in zijn binnenste gevoelde.
De HEERE had, ondanks zulk ene onvatbaarheid en geestelijke blindheid en doofheid van Israël, waardoor het een onverbeterlijk volk blijkt te zijn, toch nog in Zijne genade lust aan hem, daar Hij altijd voortgaat Zich te openbaren en Zijn raadsbesluit tot zaligheid te verwezenlijken; dat doet Hij om Zijner gerechtigheid 1) wil, in welke Hij de eens gegevene toezeggingen en beloften trouw wil volbrengen; Hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk 2) door de vervulling der daarin vervatte beloften.
Gerechtigheid heeft hier de betekenis van waarheid en trouw. Zijne gerechtigheid is voor al Zijn volk en gunstgenoten, genadevolle waarheid en lieflijke trouw. Van Zijne gerechtigheid ervaren Zijne kinderen de lieflijke, Zijne vijanden de gestrenge zijde.
Letterlijk staat er: Hij heeft groot gemaakt een wet en heerlijk gemaakt. Onze Staten-Overzetters hebben er het woordje door tussen in gevoegd en daarom het groot en heerlijk op Israël toegepast. De Engelse vertaling heeft: Hij zal de wet groot en heerlijk maken. Anderen vertalen: (Del.) Hij gaf een wet groot en heerlijk. Nog anderen (Cheyne): Het was Jehova’s genot om Zijner gerechtelijke wil te maken een wet groot en heerlijk. Henry tekent aan: De wet is waarlijk eerwaardig om de grote dingen, welke zij in zich behelst, en als de mensen dezelve niet willen verheerlijken door ze te gehoorzamen, zal God zelf die verheerlijken door hen wegens hun ongehoorzaamheid te straffen.
Maar van dit welgevallen Gods in hen, geeft wel Israël’s tegenwoordige toestand niets te aanschouwen, nu is het integendeel in zijne ballingschap een beroofd en geplunderd volk, een volk, dat geen eigen koninkrijk, geen vaderland gene heilige stad en geen tempel meer heeft; zij zijn allen in ‘t land der ballingschap verstrikt in de holen en verstoken in de gevangenhuizen, in ellendige en smadelijke slavernij overgegeven; zij zijn tot enen door van vreemde volken geworden, en er is niemand, die ze redt, gene menselijke macht zou ze uit de diepe vernedering kunnen opheffen; zij zijn geworden tot ene plundering, en niemand zegt: Geeft ze weer; onder alle mensen denkt er niemand aan, om een enkel woord ten hunnen behoeve te spreken.
Indien nog maar Israël ten minste die schreeuwende tegenspraak, waarin zijn tegenwoordige toestand met zijne oorspronkelijke heerlijkheid staat, wilde ter harte nemen en ophouden doof en blind te zijn! maar wie onder ulieden neemt zulks ter oren? wie merkt op, zo vraag ik, de profeet, om u, mijn volk! tot nadenken te brengen, en wie hoort, wat hierna zijn zal? Gij zijt even onverschillig omtrent uw toekomstig lot.
Wie, vraagt het u zelven af, heeft Jakob tot ene plundering overgegeven aan de vijandelijke machten, en Israël den rovers? Is het niet de HEERE, Hij, tegen wie wij, want ik zonder mij zelven van het geheel des volks niet uit (Ezra 9:6 vv.) gezondigd hebben? want, is het niet alzo? zij wilden niet wandelen in Zijne wegen, en zij hoorden niet naar Zijne wet. 1)
De Profeet wijst zijn volk op de eerste oorzaak der ellende. Zo dikwijls zoekt men het bij de tweede oorzaken, en van daar dat de roede dan ook geen vruchten draagt. De Profeet toont hier het nauwste verband aan tussen Israël’s straf en Israël’s zonde, of tussen Israël’s zonde en Israël’s straf, en, terwijl hij zich zelven er bij insluit, spreekt hij van de ongerechtigheid, opdat het in waarheid tot erkentenis van zonde zou komen en de weg gebaand tot wegneming van de roede en opheffing van de straf.
Daarom heeft Hij over hen uitgestort de grimmigheid Zijns toorns en de macht des oorlogs; de legerscharen der Chaldeeën (2 Kon. 24 en 25) heeft Hij als een verterend vuur tegen hen opgewekt; en Hij heeft ze door middel van dit vuur rondom in vlam gezet, zodat zij helder opbranden; doch zij, die reeds midden in de vlammen zijn, merken het niet, dat dit alles alleen ene welverdiende straf van God is; en Hij heeft ze in brand gestoken, Hij heeft, nadat alle steden en plaatsen in het land te gronde waren gegaan, ten laatste ook Jeruzalem met den tempel tot een puinhoop doen worden; doch zij nemen het niet ter harte. Nu zouden wij zeggen, is het met Israël tot een einde gekomen; doch nu volgt onmiddellijk (Hoofdstuk 43:1) de heerlijkste troost.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel