Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
WantH3588 zietH2009, de HeereH113, HEEREH3068 der heirscharenH6635, zal van JeruzalemH3389 en van JudaH3063 wegnemenH5493 den stokH4937 en den stafH4938, allenH3605 stokH4937 des broodsH3899, en allenH3605 stokH4937 des watersH4325;
Want ziet, de Heere, HEERE der heirscharen, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen den stok en den staf, allen stok des broods, en allen stok des waters;
KJV
For, behold, the Lord,3
the LORD4
of hosts,5
doth take away6
from Jerusalem7
and from Judah8
the stay9
and the staff,10
the whole stay12
of bread,13
and the whole11
stay15
of water,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Den heldH1368 en den krijgsmanH376, den rechterH8199 en den profeetH5030, en den waarzeggerH7080, en den oudeH2205;
Den held en den krijgsman, den rechter en den profeet, en den waarzegger, en den oude;
KJV
The mighty man,1
and the man2
of war,3
the judge,4
and the prophet,5
and the prudent,6
and the ancient,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Den oversteH8269 van vijftigH2572, en den aanzienlijkeH5375, en den raadsmanH3289, en den wijzeH2450 onder de werkmeestersH2791, en dien, die kloekH995 ter taleH3908 is.
Den overste van vijftig, en den aanzienlijke, en den raadsman, en den wijze onder de werkmeesters, en dien, die kloek ter tale is.
KJV
The captain1
of fifty,2
and the honourable3
man,4
and the counsellor,5
and the cunning6
artificer,7
and the eloquent8
orator.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En Ik zal jongelingenH5288 stellenH5414 tot hun vorstenH8269, en kinderenH8586 zullen over hen heersenH4910;
En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;
KJV
And I will give1
children2
to be their princes,3
and babes4
shall rule
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En het volkH5971 zal gedrongenH5065 worden, de een zal zijn tegen den anderH376, en een iegelijk tegen zijn naasteH7453; de jongelingH5288 zal stoutH7292 zijn tegen den oudeH2205, de verachteH7034 tegen den eerlijkeH3513.
En het volk zal gedrongen worden, de een zal zijn tegen den ander, en een iegelijk tegen zijn naaste; de jongeling zal stout zijn tegen den oude, de verachte tegen den eerlijke.
KJV
And the people2
shall be oppressed,1
every one3
by another,4
and every one5
by his neighbour:6
the child8
shall behave himself proudly7
against the ancient,9
and the base10
against the honourable.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Wanneer iemandH376 zijn broederH251 uit het huisH1004 zijns vadersH1 zal aangrijpenH8610, zeggende: Gij hebt een kleedH8071, wees ons ten oversteH7101, laatH1961 toch dezen aanstootH4384 onderH8478 uw handH3027 wezen;
Wanneer iemand zijn broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch dezen aanstoot onder uw hand wezen;
KJV
When a man3
shall take hold2
of his brother4
of the house5
of his father,6
saying, Thou hast clothing,7
be thou our ruler,9
and let this ruin12
be under thy hand:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zo zal hij in dien dagH3117 zijn hand opheffenH5375, zeggendeH559: Ik kan geen heelmeesterH2280 wezen; er is ook geen broodH3899 en geen kleedH8071 in mijn huisH1004; zetH7760 mij niet tot een oversteH7101 des volksH5971.
Zo zal hij in dien dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste des volks.
KJV
In that day2
shall he swear,1
saying,4
I will not be an healer;7
for in my house8
is neither bread10
nor clothing:12
make14
me not a ruler15
of the people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Want JeruzalemH3389 heeft aangestotenH3782, en JudaH3063 is gevallenH5307, dewijlH3588 hun tongH3956 en handelingenH4611 tegenH413 den HEEREH3068 zijn, om de ogenH5869 Zijner heerlijkheidH3519 te verbitterenH4784.
Want Jeruzalem heeft aangestoten, en Juda is gevallen, dewijl hun tong en handelingen tegen den HEERE zijn, om de ogen Zijner heerlijkheid te verbitteren.
KJV
For Jerusalem3
is ruined,2
and Judah4
is fallen:5
because their tongue7
and their doings8
are against the LORD,10
to provoke11
the eyes12
of his glory.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Het gelaatH1971 huns aangezichtsH6440 getuigtH6030 tegen hen, en hun zondenH2403 spreken zij vrij uit, gelijk SodomH5467; zij verbergenH3582 ze nietH3808. WeeH188 hunlieder zielH5315; wantH3588 zij doen zichzelven kwaadH7451.
Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad.
Ook in dit vers
spreken vrijH5046
KJV
The shew1
of their countenance2
doth witness against them;3
and they declare7
their sin5
as Sodom,6
they hide9
it not. Woe10
unto their soul!11
for they have rewarded13
evil
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
ZegtH559 den rechtvaardigeH6662, datH3588 het hem wel gaan zal; datH3588 zij de vruchtH6529 hunner werkenH4611 zullen etenH398.
Zegt den rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht hunner werken zullen eten.
KJV
Say1
ye to the righteous,2
that it shall be well4
with him: for they shall eat8
the fruit6
of their doings.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WeeH188 den goddelozeH7563, het zal hem kwalijkH7451 gaan, wantH3588 de vergeldingH1576 zijner handenH3027 zal hem geschiedenH6213.
Wee den goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden.
KJV
Woe1
unto the wicked!2
it shall be ill3
with him: for the reward5
of his hands6
shall be given
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
De drijversH5065 Mijns volksH5971 zijn kinderenH5953, en vrouwenH802 heersenH4910 over hetzelve. O Mijn volkH5971! die u leidenH833, verleidenH8582 u, en den wegH1870 uwer padenH734 slokkenH1104 zij in.
De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelve. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en den weg uwer paden slokken zij in.
KJV
As for my people,1
children3
are their oppressors,2
and women4
rule5
over them. O my people,7
they which lead8
thee cause thee to err,9
and destroy12
the way10
of thy paths.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
De HEEREH3068 steltH5324 Zich om te pleitenH7378, en Hij staatH5975, om de volkenH5971 te richtenH1777.
De HEERE stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.
KJV
The LORD3
standeth up1
to plead,2
and standeth4
to judge5
the people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
De HEEREH3068 komtH935 ten gerichteH4941 tegenH5973 de oudstenH2205 Zijns volksH5971 en deszelfs vorstenH8269, want gijliedenH859 hebt dezen wijngaardH3754 verteerdH1197; de roofH1500 des ellendigenH6041 is in uwe huizenH1004.
De HEERE komt ten gerichte tegen de oudsten Zijns volks en deszelfs vorsten, want gijlieden hebt dezen wijngaard verteerd; de roof des ellendigen is in uwe huizen.
KJV
The LORD1
will enter3
into judgment2
with the ancients5
of his people,6
and the princes7
thereof: for ye have eaten up9
the vineyard;10
the spoil11
of the poor12
is in your houses.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
WatH4100 is ulieden, dat gij Mijn volkH5971 verbrijzeltH1792, en de aangezichtenH6440 der ellendigenH6041 vermaaltH2912? spreektH5002 de HeereH136, HEEREH3069 der heirscharenH6635.
Wat is ulieden, dat gij Mijn volk verbrijzelt, en de aangezichten der ellendigen vermaalt? spreekt de Heere, HEERE der heirscharen.
KJV
What mean ye that ye beat3
my people4
to pieces,
and grind7
the faces5
of the poor?6
saith8
the Lord9
GOD10
of hosts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Verder zegtH559 de HEEREH3068: Daarom datH3588 de dochterenH1323 van SionH6726 zich verheffenH1361, en gaan met uitgestrektenH5186 halsH1627, en lonkenH8265 met de ogenH5869, al gaandeH1980 en trippelendeH2952 daarhenen tredenH3212, en alsof haar voetenH7272 gebondenH5913 waren.
Verder zegt de HEERE: Daarom dat de dochteren van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en alsof haar voeten gebonden waren.
KJV
Moreover the LORD2
saith,1
Because3
the daughters6
of Zion7
are haughty,5
and walk8
with stretched forth9
necks10
and wanton11
eyes,12
walking13
and mincing14
as they go,15
and making a tinkling17
with their feet:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Zo zal de HEEREH136 den schedelH6936 der dochterenH1323 van SionH6726 schurftigH5596 maken, en de HEEREH3068 zal haar schaamteH6596 ontblotenH6168.
Zo zal de HEERE den schedel der dochteren van Sion schurftig maken, en de HEERE zal haar schaamte ontbloten.
KJV
Therefore the Lord2
will smite with a scab1
the crown of the head3
of the daughters4
of Zion,5
and the LORD6
will discover8
their secret parts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Ten zelfden dageH3117 zal de HEEREH136 wegnemenH5493 hetH1931 sieraadH8597 der kousebandenH5914, en de netjesH7636, en de maantjesH7720.
Ten zelfden dage zal de HEERE wegnemen het sieraad der kousebanden, en de netjes, en de maantjes.
KJV
In that day1
the Lord4
will take away3
the bravery6
of their tinkling ornaments7
about their feet, and their cauls,8
and their round tires like the moon,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
De reukdoosjesH5188, en de kleine ketentjesH8285, en de glinsterende kledingenH7479,
De reukdoosjes, en de kleine ketentjes, en de glinsterende kledingen,
KJV
The chains,1
and the bracelets,2
and the mufflers,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
De hoofdkroningH6287, en de armversierselenH6807, en de bindselenH7196, en de reukballetjesH5315, en de oorringenH3908,
De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen,
KJV
The bonnets,1
and the ornaments of the legs,2
and the headbands,3
and the tablets,5
and the earrings,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
De ringenH2885 en de voorhoofdsierselenH639,
De ringen en de voorhoofdsierselen,
KJV
The rings,1
and nose3
jewels,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
De wisselklederenH4254, en de manteltjesH4595, en de hoedjesH4304, en de buidelsH2754,
De wisselklederen, en de manteltjes, en de hoedjes, en de buidels,
KJV
The changeable suits of apparel,1
and the mantles,2
and the wimples,3
and the crisping pins,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
De spiegelsH1549, en de fijn-linnen deksels, en de hulledoekenH6797, en de sluiersH7289.
De spiegels, en de fijn-linnen deksels, en de hulledoeken, en de sluiers.
Ook in dit vers
-linnenH5466
KJV
The glasses,1
and the fine linen,2
and the hoods,3
and the vails.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En het zal geschieden, dat er voorH8478 specerijH1314 stankH4716 zal zijnH1961, en lossigheidH5364 voorH8478 een gordelH2290, en kaalheidH7144 in plaatsH8478 van haarvlechtenH4639, en omgordingH4228 eens zaksH8242 in plaatsH8478 van een wijden rokH6614, en verbrandingH3587 in plaatsH8478 van schoonheidH3308.
En het zal geschieden, dat er voor specerij stank zal zijn, en lossigheid voor een gordel, en kaalheid in plaats van haarvlechten, en omgording eens zaks in plaats van een wijden rok, en verbranding in plaats van schoonheid.
KJV
And it shall come to pass, that instead of sweet smell3
there shall be stink;4
and instead of a girdle7
a rent;8
and instead of well set10
hair11
baldness;12
and instead of a stomacher14
a girding15
of sackcloth;16
and burning17
instead of beauty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Uw mannenH4962 zullen door het zwaardH2719 vallenH5307, en uw heldenH1369 in den strijdH4421.
Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in den strijd.
KJV
Thy men1
shall fall3
by the sword,2
and thy mighty4
in the war.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En haar poortenH6607 zullen treurenH578, en leed dragenH56, en zij zal, ledigH5352 gemaakt zijnde, op de aardeH776 zittenH3427.
En haar poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal, ledig gemaakt zijnde, op de aarde zitten.
KJV
And her gates3
shall lament1
and mourn;2
and she being desolate4
shall sit6
upon the ground.
stok en den staf,
Dat is, al hetgeen waar men zich op verlaat, hetzij klein of groot, aanzienlijk of slecht. Anders: den steunenden [man] en de steunende [vrouw].
Hertaald:
stok en den staf,
Dat is: alles waarop men steunt, hetzij klein of groot, aanzienlijk of gering. Anders: de steunende man en de steunende vrouw.
stok des broods,
Dat is, al de voedzame kracht van het brood, alzo dat zij niet zullen verzadigd worden ofschoon zij veel brood eten en veel water drinken. Deze straf dreigt ook God den overtreders zijner wetten, Lev. 26:26 ; zie de aantekening aldaar; en zie daarvan een exempel Hag. 1:6 .
Hertaald:
stok des broods,
Dat is: alle voedende kracht van het brood, zodat zij niet verzadigd zullen worden, ook al eten zij veel brood en drinken zij veel water. Deze straf dreigt God ook de overtreders van Zijn wetten, Lev. 26:26; zie de aantekening daarbij, en zie er een voorbeeld van in Haggaï 1:6.
waarzegger,
Dat is, verreziende, voorzinnige, voorzichtige, die ene zaak van verre ziet komen, of voorziet eer zij geschiedt. Zie Spr. 16:10 .
Hertaald:
waarzegger,
Dat is: iemand die ver ziet, die vooruitziet en voorzichtig is, die een zaak van verre ziet aankomen of voorziet voordat zij gebeurt. Zie Spr. 16:10.
den oude;
Te weten niet alleen oud van jaren, maar ook wel ervaren, wijs, kloek in de regering, hetzij der kerk of der republiek.
Hertaald:
den oude;
Namelijk: niet alleen oud van jaren, maar ook zeer ervaren, wijs en flink in het bestuur, hetzij van de kerk of van de staat.
den aanzienlijke,
Hebreeuws, den verhevenen van aangezicht; dat is, den aanzienlijken, of die in autoriteit is.
Hertaald:
den aanzienlijke,
Hebreeuws: de verhevene van aangezicht — dat is: de aanzienlijke, of wie gezag heeft.
raadsman,
Anders: raadgever.
Hertaald:
raadsman,
Anders: raadgever.
wijze
Of, kundige, ervarene.
Hertaald:
wijze
Of: kundige, ervarene.
dien,
Die wel ter taal is, of verstandig in redenering, een welsprekend man.
Hertaald:
dien,
Iemand die goed ter tale is, of verstandig in het redeneren: een welsprekend man.
jongelingen
Te weten jong van jaren, of jong in verstand, of beide; zie Pred. 10:16 .
Hertaald:
jongelingen
Namelijk: jong van jaren, of jong van verstand, of beide; zie Pred. 10:16.
kinderen
Anders: kinderachtige lieden.
Hertaald:
kinderen
Anders: kinderachtige lieden.
gedrongen
Of, hard gedreven worden; te weten tot betaling, of tot zwaren dienst en arbeid.
Hertaald:
gedrongen
Of: hard gedreven worden, namelijk tot betaling of tot zware dienst en arbeid.
stout zijn
Of, trots, moedig.
Hertaald:
stout zijn
Of: trots, overmoedig.
de verachte
Dat is, slechten, ongeachten onder het volk.
Hertaald:
de verachte
Dat is: de eenvoudigen, de geringgeachten onder het volk.
zijn broeder
Dat is, zijnen bloedverwant.
Hertaald:
zijn broeder
Dat is: zijn bloedverwant.
uit het huis
Dat is, die van zijns vaders huis of geslacht is.
Hertaald:
uit het huis
Dat is: iemand die tot het huis of het geslacht van zijn vader behoort.
Gij hebt
Dat is, gij zijt welhebbende, of, gij hebt middelen om te leven; gij zijt een van de aanzienlijksten onder ons; gemeenlijk openbaart zich de rijkdom in de klederen.
Hertaald:
Gij hebt
Dat is: u hebt bezit, of: u hebt middelen om van te leven; u bent een van de aanzienlijksten onder ons. Gewoonlijk blijkt de rijkdom uit de kleding.
dezen aanstoot
Of, dit verderf, of ruïne, of ondergang. De zin is: Neem toch de vervallen zaak van onzen staat bij de hand, en help haar ondersteunen, zoveel het u mogelijk en doenlijk is. Anders: doch laat uwe hand onder deze ruïne zijn; een manier van spreken, genomen van een vallend huis.
Hertaald:
dezen aanstoot
Of: dit verderf, of deze ruïne, of ondergang. De betekenis is: neem toch de vervallen zaak van onze staat ter hand en help haar ondersteunen, zoveel u mogelijk en doenlijk is. Anders: laat uw hand toch onder deze ruïne zijn; een manier van spreken die ontleend is aan een instortend huis.
onder uw hand
Dat is, onder uw beleid.
Hertaald:
onder uw hand
Dat is: onder uw leiding.
in dien dag
Dat is, straks, zonder zich lang te beraden.
Hertaald:
in dien dag
Dat is: meteen, zonder zich lang te bedenken.
opheffen,
Te weten naar den hemel, dat is, hij zal zweren. Zie Gen. 14:22 . Anders: hij zal [zijne stem] opheffen.
Hertaald:
opheffen,
Namelijk: naar de hemel — dat is: hij zal zweren. Zie Gen. 14:22. Anders: hij zal zijn stem verheffen.
heelmeester
Hebreeuws, verbinder; te weten van uwe wonden, of geen chirurgijn, wondmeester, of medicijnmeester zijn. Alsof hij zeide: De zaken zijn in onzen staat te zeer verlopen, de wonde van onzen staat is te zeer vervuild, ik zal het vervallen werk niet kunnen redden. In een woord, de profeet wil zeggen dat het zo ellendig met de Joden zou gesteld wezen, dat onaangezien een ieder gaarne groot is, nochtans niemand het bestuur zou willen aannemen, ofschoon het hun werd aangeboden. Zie ook Job 34:17 .
Hertaald:
heelmeester
Hebreeuws: verbinder, namelijk van uw wonden; of: geen chirurgijn, wondheler of geneesheer zijn. Alsof hij zei: de zaken in onze staat zijn te ver heen, de wond van onze staat is te zeer ontstoken, ik zal het vervallen werk niet kunnen redden. Kortom, de profeet wil zeggen dat het zo ellendig met de Joden gesteld zou zijn dat, hoewel iedereen graag groot is, toch niemand het bestuur zou willen aanvaarden, ook al werd het hem aangeboden. Zie ook Job 34:17.
is ook geen brood
Alsof hij zeide: Ik ben zo arm dat ik mijzelven en de mijnen van nooddruft niet kan verzorgen, veel weiniger kan ik dan ulieden helpen.
Hertaald:
is ook geen brood
Alsof hij zei: ik ben zo arm dat ik mijzelf en de mijnen niet van het nodige kan voorzien; hoeveel minder kan ik u dan helpen.
heeft aangestoten,
Dat is, het zal gewisselijk in het kort vallen.
Hertaald:
heeft aangestoten,
Dat is: het zal beslist binnenkort vallen.
Het gelaat
Dat is, men kan het uit hun aangezicht bespeuren, dat zij boze, onbeschaamde mensen zijn. Anders: de hardnekkigheid van hun aangezicht; in welke betekenis het Hebreeuwse woord ook genomen wordt Job 19:3 .
Hertaald:
Het gelaat
Dat is: men kan aan hun gezicht bemerken dat zij boze, onbeschaamde mensen zijn. Anders: de hardnekkigheid van hun gezicht; in die betekenis wordt het Hebreeuwse woord ook genomen in Job 19:3.
spreken
Dat is, roemen zij. Hebreeuws, verkondigen zij.
Hertaald:
spreken
Dat is: roemen zij. Hebreeuws: verkondigen zij.
gelijk Sodom;
Dat is, gelijk de inwoners van Sodom. Zie Gen. 13:13 , en Gen. 18:20 , en Gen. 19:5 .
Hertaald:
gelijk Sodom;
Dat is: zoals de inwoners van Sodom. Zie Gen. 13:13, Gen. 18:20 en Gen. 19:5.
zij doen zichzelven
Te weten, met God den Heere door hunne zonden tot straf te verwekken. Zie van het Hebreeuwse woord gamal, Ps. 13:6 .
Hertaald:
zij doen zichzelven
Namelijk: doordat zij God de HEERE door hun zonden tot straf verwekken. Over het Hebreeuwse woord gamal, zie Ps. 13:6.
dat het hem
Zie van zulk gebruik van het Hebreeuwse woord Tob, Jer. 22:15-16 .
Hertaald:
dat het hem
Over dit gebruik van het Hebreeuwse woord Tob, zie Jer. 22:15-16.
eten
Dat is, genieten; dat is, God de Heere zal uit genade hunne godzaligheid belonen. Zie de aantekening Spr. 1:31 .
Hertaald:
eten
Dat is: genieten — dat is: God de HEERE zal hun godzaligheid uit genade belonen. Zie de aantekening bij Spr. 1:31.
het zal hem
In het Hebreeuws staat alleen het woord kwaad of boos. Anders: als hij boos is; dat is, als hij boos blijft.
Hertaald:
het zal hem
In het Hebreeuws staat alleen het woord kwaad of boos. Anders: als hij boos is — dat is: als hij boos blijft.
want de vergelding
Dat is, hem zal wedervaren of overkomen even hetzelfde, dat hij anderen gedaan heeft; hij zal gestraft worden om zijner boosheden wil.
Hertaald:
want de vergelding
Dat is: hem zal precies hetzelfde overkomen als wat hij anderen aangedaan heeft; hij zal om zijn boosheden gestraft worden.
drijvers
Dat is, strenge regeerders, of onderdrukkers.
Hertaald:
drijvers
Dat is: strenge bestuurders, of onderdrukkers.
kinderen,
Dat is, onervaren, hunne lusten volgende, als de kinderen.
Hertaald:
kinderen,
Dat is: onervaren mensen, die hun lusten volgen zoals kinderen doen.
vrouwen heersen
Dat is, verwijfde mannen, die geen moed hebben.
Hertaald:
vrouwen heersen
Dat is: verwijfde mannen, die geen moed hebben.
u leiden,
Of, uwe leiders; dat is, uwe leraars en regeerders. Anders: die u gelukzalig achten; of roemen; verstaande zulke predikers, die de lieden kussens onder de ellebogen leggen, roepende: Het heeft geen nood.
Hertaald:
u leiden,
Of: uw leiders — dat is: uw leraars en bestuurders. Anders: die u gelukkig prijzen, of roemen; daaronder worden zulke predikers verstaan die de mensen kussens onder de ellebogen leggen en roepen: er is geen gevaar.
slokken
Dat is, den weg, dien gij behoort te wandelen, verderven zij, gelijk als die iets verslindt of inslokt; of zij bedekken en verduisteren den weg, gelijk het ingeslokte verborgen en als ingewonden is. Vergelijk Num. 4:20 , of zij varen er heel lichtelijk over heen. Vergelijk Job 39:27 , met de aantekening.
Hertaald:
slokken
Dat is: zij bederven de weg die u behoort te gaan, zoals iemand die iets verslindt of opslokt; of zij bedekken en verduisteren de weg, zoals iets wat ingeslikt is verborgen en als het ware ingewikkeld is. Vergelijk Num. 4:20. Of: zij gaan er heel gemakkelijk overheen. Vergelijk Job 39:27 met de aantekening.
om te pleiten,
Dat is, om in het recht te treden, gelijk Jes. 1:18 .
Hertaald:
om te pleiten,
Dat is: om in het gericht te treden, zoals in Jes. 1:18.
de volken
Te weten, het volk Israël, hetwelk groot is en veel in getal, gelijk Hand. 4:27 .
Hertaald:
de volken
Namelijk: het volk Israël, dat groot en talrijk is, zoals in Hand. 4:27.
de oudsten
Dat is, de rechters, regeerders, magistraten, die men uit oude bedaagde mannen pleegt te kiezen. Dezen zal de Heere voor het recht stellen, omdat zij zijn volk door ongerechtigheid onderdrukt hebben.
Hertaald:
de oudsten
Dat is: de rechters, bestuurders en magistraten, die men gewoonlijk uit oude, bejaarde mannen kiest. Hen zal de HEERE voor het gericht stellen, omdat zij Zijn volk door ongerechtigheid onderdrukt hebben.
dezen wijngaard
Dat is, de gemeente Gods, of het volk Gods, dat u toevertrouwd was. Zie Jes. 5:1 ; Matt. 21:33 .
Hertaald:
dezen wijngaard
Dat is: de gemeente van God, of het volk van God, dat u toevertrouwd was. Zie Jes. 5:1 en Matth. 21:33.
verteerd;
Hebreeuws, verbrand, of met het vuur verslonden, zie Num. 24:22 . De zin is: in plaats van mijnen wijngaard te bouwen en mij goede vruchten daarvan te brengen, maakt gij denzelven te schande.
Hertaald:
verteerd;
Hebreeuws: verbrand, of door het vuur verslonden; zie Num. 24:22. De betekenis is: in plaats van Mijn wijngaard te bewerken en Mij daarvan goede vruchten te brengen, maakt u hem te schande.
Wat is ulieden,
Dat is, wat recht of reden hebt gijlieden daartoe? dat gij, enz.
Hertaald:
Wat is ulieden,
Dat is: welk recht of welke reden hebt u daartoe, dat u, enzovoort?
de aangezichten
Dat is de personen.
Hertaald:
de aangezichten
Dat is: de personen.
vermaalt?
Dat is, gans wredelijk en onmenselijk behandelt of mishandelt. Anders: als in een vijzel stoot, of met krabben en vuiligheid schendt.
Hertaald:
vermaalt?
Dat is: volkomen wreed en onmenselijk behandelt of mishandelt. Anders: als in een vijzel stampt, of met krabben en vuil beschadigt.
dochteren
Dat is, de vrouwen en jonge dochters te Jeruzalem, welke hier gedreigd worden vanwege hare hovaardij.
Hertaald:
dochteren
Dat is: de vrouwen en jonge dochters in Jeruzalem, die hier bedreigd worden vanwege hun hoogmoed.
zich verheffen,
Het hoofd omhoog steken uit hoogvaardij.
Hertaald:
zich verheffen,
Het hoofd omhoog steken uit hoogmoed.
met uitgestrekten
Hebreeuws, uitgestrekt van hals, of van keel.
Hertaald:
met uitgestrekten
Hebreeuws: uitgestrekt van hals, of van keel.
lonken
Hebreeuws, bedriegende met de ogen, of lonkende met de ogen; dat is, met de ogen hare loosheid te kennen gevende.
Hertaald:
lonken
Hebreeuws: bedriegend met de ogen, of lonkend met de ogen — dat is: met de ogen hun listigheid te kennen gevend.
al gaande
Anders: Zij gaan al trippelende alsof zij kleine kinderen waren, makende kleine treden.
Hertaald:
al gaande
Anders: zij lopen trippelend alsof zij kleine kinderen waren, met kleine pasjes.
gebonden
Of, geboeid. Anders: Ja aan hare voeten dragen zij boeitjes. Anders: Makende een geluid, of geril met hare voeten, alsof er schelletjes aan waren. Anderen nemen het aldus: Zij gaan half dansende, houden zekeren pas of maat in haren tred. Maar de meesten en voornaamsten verstaan het van kostelijke boeitjes, of versierselen aan de voeten, hebbende het fatsoen van boeitJes.
Hertaald:
gebonden
Of: geboeid. Anders: ja, aan hun voeten dragen zij kleine boeien. Anders: terwijl zij met hun voeten een geluid of gerinkel maken, alsof er belletjes aan zaten. Anderen vatten het zo op: zij lopen half dansend en houden een bepaalde pas of maat in hun tred. Maar de meesten en de voornaamsten verstaan het van kostbare enkelringen of voetsieraden in de vorm van boeien.
schurftig
Of, schurft; anders kaal. Op de schurftheid volgt gemeenlijk kaalheid of uitvalling van het haar. Anderen verstaan het aldus: dat zij in der vijanden hand en geweld vervallen zouden, die haar het haar kaal afscheren zouden, gelijk men den slaven en lijfeigenen pleegt te doen.
Hertaald:
schurftig
Of: schurft; anders: kaal. Op schurft volgt gewoonlijk kaalheid of uitvallen van het haar. Anderen vatten het zo op: dat zij in de hand en de macht van de vijanden zouden vallen, die hun het haar kaal zouden afscheren, zoals men bij slaven en lijfeigenen pleegt te doen.
de HEERE zal
Dat is, de Heere zal haar laten beroven van hare klederen, alzo dat zij zullen moeten naakt gaan, en niet zoveel hebben zullen, dat zij hare schaamte bedekken kunnen.
Hertaald:
de HEERE zal
Dat is: de HEERE zal hen van hun kleren laten beroven, zodat zij naakt zullen moeten gaan en niet zoveel zullen hebben dat zij hun schaamte kunnen bedekken.
het sieraad
Wat vs.18-24 aangaat, die worden zeer verscheidenlijk overgezet; de hovaardige pronksters hebben ook in die tijden al veel ander pronksel gehad als heden ten dage onze jonkvrouwen hebben, zodat vele van die namen ons onbekend zijn, vele derzelve den naam medebrengende uit dat land, waar zij eerst gedacht geweest zijn. Zij zijn hier gezet zo na als men ze heeft kunnen treffen. Voor sieraad der kousenbanden hebben anderen de netwerken of betraliede klederen; die doorschijnend gebreid of geborduurd waren, hetwelk enigen noemen vensteren der oneerbaarheid.
Hertaald:
het sieraad
Wat vers 18 tot 24 betreft: die worden zeer verschillend vertaald. De hoogmoedige pronksters hebben in die tijd ook al veel ander pronkgoed gehad dan onze jonkvrouwen tegenwoordig, zodat veel van die namen ons onbekend zijn; veel ervan dragen de naam mee uit het land waar zij het eerst bedacht zijn. Zij zijn hier zo nauwkeurig weergegeven als men heeft kunnen treffen. In plaats van sieraad van de kousenbanden hebben anderen: de netwerken of getraliede kleren, die doorschijnend gebreid of geborduurd waren, wat sommigen vensters van de oneerbaarheid noemen.
de netjes,
Of, sluiers, of schakelwerk, als daar zijn de fijngebreide netjes, dunne doekjes en allerlei gebreidsel, of geweefsel, dat doorluchtig is.
Hertaald:
de netjes,
Of: sluiers, of schakelwerk, zoals fijngebreide netjes, dunne doekjes en allerlei gebreid of geweven werk dat doorzichtig is.
de maantjes
Dit was een sieraad als maantjes. Zie Richt. 8:21 . Heden ten dage dragen ook enige in de oorlapjes kleine maantjes van goud, zilver, of enig gesteente, of paarlen.
Hertaald:
de maantjes
Dit was een sieraad in de vorm van maantjes. Zie Richt. 8:21. Ook tegenwoordig dragen sommigen in de oorlelletjes kleine maantjes van goud, zilver, edelsteen of parels.
De reukdoosjes,
Versta hier, de gouden of zilveren doosjes, waar muskus of andere welriekende specerijen in waren, die de jonkvrouwen aan den hals, of op de borsten, of tussen dezelve droegen. Anders, halsketentjes, of iets dergelijks.
Hertaald:
De reukdoosjes,
Versta hier de gouden of zilveren doosjes waarin muskus of andere welriekende specerijen zaten, die de jonkvrouwen aan de hals of op of tussen de borsten droegen. Anders: halskettinkjes of iets dergelijks.
de glinsterende
Dat is, de klederen bezaaid met dunne gouden of zilveren schubbetjes of flittertjes, die een glans gaven als er de zon op scheen, alsof het glinsterende sterretjes geweest waren. Anders, flitterende, of bevende lovertJes.
Hertaald:
de glinsterende
Dat is: de kleren bezaaid met dunne gouden of zilveren schubbetjes of lovertjes, die een glans gaven wanneer de zon erop scheen, alsof het glinsterende sterretjes waren. Anders: flonkerende of trillende lovertjes.
De hoofdkroning,
Zie Ezech. 24:17 , en Ezech. 44:18 .
Hertaald:
De hoofdkroning,
Zie Ezech. 24:17 en Ezech. 44:18.
armversierselen,
Zie 2 Sam. 1:10 .
Hertaald:
armversierselen,
Zie 2 Sam. 1:10.
bindselen,
Of, hoofdsnoeren. Zie Jer. 2:32 .
Hertaald:
bindselen,
Of: hoofdsnoeren. Zie Jer. 2:32.
de reukballetjes,
Hebreeuws, huisjes der ziel, of van den adem; aldus worden de reukballetjes genoemd, omdat zij het hart verkwikken en den adem versterken.
Hertaald:
de reukballetjes,
Hebreeuws: huisjes van de ziel, of van de adem. Zo worden de reukballetjes genoemd, omdat zij het hart verkwikken en de adem versterken.
de voorhoofdsierselen,
Dit waren enige versierselen, die op het voorhoofd tot op den neus hingen; Gen. 24:24 .
Hertaald:
de voorhoofdsierselen,
Dit waren sieraden die op het voorhoofd tot op de neus hingen; Gen. 24:24.
De wisselklederen,
Gelijk Richt. 14:12 .
Hertaald:
De wisselklederen,
Zoals in Richt. 14:12.
de manteltjes,
Hebreeuws, de overdekselen. Het mogen wel grote floersen geweest zijn, die nu in het Frans genoemd worden la grand voile.
Hertaald:
de manteltjes,
Hebreeuws: de overkleden. Het kunnen wel grote sluiers geweest zijn, die nu in het Frans la grande voile genoemd worden.
de buidels,
Gelijk 2 Kon. 5:23 . Anders: naalden, of spelden; te weten van goud of zilver, dergelijke nu ook enige jonge dochters in het haar dragen.
Hertaald:
de buidels,
Zoals in 2 Kon. 5:23. Anders: naalden of spelden, namelijk van goud of zilver, zoals sommige jonge dochters die nu ook in het haar dragen.
de hulledoeken,
Of, tophuiven.
Hertaald:
de hulledoeken,
Of: hoofdkapjes.
de sluiers
Anders: kedelen, of fijne, dunne en lichte kledingen, die men in Judea en omliggende hete landen droeg.
Hertaald:
de sluiers
Anders: kedels, of fijne, dunne en lichte kleding zoals men die in Judea en de omliggende hete landen droeg.
specerij
Dat is, goeden reuk.
Hertaald:
specerij
Dat is: een goede geur.
stank
Of, uittering, verrotting; gelijk onder Jes. 5:24 .
Hertaald:
stank
Of: uittering, verrotting; zoals hieronder in Jes. 5:24.
losheid
Als wanneer de vrouwen ontregen zijn.
Hertaald:
losheid
Wanneer de vrouwen niet meer ingeregen zijn.
haarvlechten,
Of, gefriseerd haar, of effen gekamd haar, of net gelegd haar.
Hertaald:
haarvlechten,
Of: gekruld haar, of glad gekamd haar, of netjes opgemaakt haar.
wijden rok,
Of, vlieger.
Hertaald:
wijden rok,
Of: wijde overrok.
verbranding
Versta, de verbranding of vervelling van het aangezicht, veroorzaakt door de hitte der zon.
Hertaald:
verbranding
Versta daaronder het verbranden of vervellen van het gezicht, veroorzaakt door de hitte van de zon.
Uw mannen
O Jeruzalem, of Zion.
Hertaald:
Uw mannen
O Jeruzalem, of Sion.
uw helden
Hebreeuws, uw sterkte; alzo zeggen wij, den adel des lands voor de edelen des lands.
Hertaald:
uw helden
Hebreeuws: uw sterkte; zo zeggen wij ook de adel van het land voor de edelen van het land.
haar
Te weten van Jeruzalem of Zion.
Hertaald:
haar
Namelijk: van Jeruzalem of Sion.
poorten
Dat is, raadhuizen, openbare rechthuizen, want de raadspersonen zouden omgekomen zijn.
Hertaald:
poorten
Dat is: raadhuizen, openbare rechtszalen; want de raadslieden zouden omgekomen zijn.
ledig
Te weten van inwoners, goederen en huisraad; zie mede van het Hebreeuwse woord Spr. 14:4 .
Hertaald:
ledig
Namelijk: van inwoners, goederen en huisraad; zie over het Hebreeuwse woord ook Spr. 14:4.
op de aarde
Gelijk bedroefde, mismoedige, of verslagen mensen plegen te doen; zie Job 1:20 .
Hertaald:
op de aarde
Zoals bedroefde, moedeloze of verslagen mensen plegen te doen; zie Job 1:20. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het hoofdstuk gaat over het wegnemen van steunsels: brood, water, rechters, oudsten en raadslieden verdwijnen uit Jeruzalem (Jes. 3:1-3). Van de leiders wordt gezegd dat zij de wijngaard verteerd hebben en dat de roof van de arme in hun huizen is (Jes. 3:14). Daarna richt het woord zich tot de vrouwen van de hoofdstad: "Daarom dat de dochteren van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen" (Jes. 3:16). Wat volgt is een lange opsomming van sieraden en kleding die weggenomen zullen worden (Jes. 3:18-23), en het gedeelte eindigt bij de omkering: in plaats van welriekendheid stank, in plaats van schoonheid een brandmerk (Jes. 3:24). Bijbelse betekenis: Het gedeelte wordt gemakkelijk gelezen als een woord tegen mooie kleren, en dat is het niet. Het staat midden in een hoofdstuk over leiders die de armen uitplunderen; de weelde van de hoofdstad is betaald uit dat onrecht. Wat aangeklaagd wordt, is de hoogmoed en het vertoon in een stad waar het recht verdwenen is. Merk op dat de straf de vorm heeft van wegnemen. Wat men zich had aangemeten, wordt afgelegd; dat is dezelfde beweging als in Jes. 2:11. Let ten slotte op de toon. De Schrift beschrijft dit zonder er behagen in te scheppen, en het register volgt haar daarin: de opsomming wordt genoemd en niet uitgewerkt. Typologie: Petrus wijst voor het sieraad van een gelovige vrouw naar iets anders (reeds behandeld bij 1 Petr. 3:4). Jes. 3:14-26; Jes. 2:11; 1 Petr. 3:4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Zeg de rechtvaardige dat het hem goed zal gaan. Jesaja 3:10 Van het begin tot het einde van het jaar, vanaf het moment dat de avondschemering neerdaalt tot… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Zeg de rechtvaardige, dat het hem welgaan zal. Jesaja 3:10 De rechtvaardige gaat het altijd wel. Indien er stond: "zeg de… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 3
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Zegen voor de gezegenden
Zeg de rechtvaardige, dat het hem welgaan zal


Jesaja 3
Jesaja 3:10.KruisverwijzingenDeuteronomium 28:1→Prediker 8:12→Ezechiël 18:9→Psalmen 128:1→Psalmen 18:23→Ezechiël 9:4→Sefanja 2:3→Hebreeën 6:10→
— Zegt den rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht hunner werken zullen eten.
“Zegt den rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht hunner werken zullen eten.” Daarop volgt het andere woord: wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding van zijn handen zal hem geschieden. Twee groepen worden hier genoemd: de rechtvaardigen en de goddelozen. In deze twee orden pleegt de Schrift heel de bevolking van de aardbodem te verdelen. Zij spreekt weinig over hogere en lagere standen; zij zegt maar bitter weinig over de allerlei rangen waarin burgerlijke en staatkundige inrichtingen het menselijk geslacht verdeeld hebben. Maar van haar eerste bladzijde tot haar laatste is zij vervuld van deze grote scheiding: de rechtvaardigen en de goddelozen.
Al vroeg in de geschiedenis van de mensheid vinden wij het zaad van de vrouw en het zaad van de slang. Wij ontmoeten Kaïn, die uit de boze was en zijn broer doodsloeg omdat zijn eigen werken boos waren en die van zijn broer rechtvaardig. Terwijl de zondvloed de goddelozen verdelgt, drijft Noach veilig in de ark als de vertegenwoordiger van de rechtvaardigen; en wanneer de verderfengel de wederspannige Egyptenaren doodt, viert Israël in veiligheid het Pascha. De twee delen van het menselijk geslacht hebben altijd bestaan en altijd op voet van vijandschap gestaan. Israël werd verdrukt in Egypte, aangevallen door de Amalekieten in de woestijn, gestuit door vijanden in Kanaän en gevankelijk weggevoerd naar Assyrië en Babel.
En in het volk Israël zelf werd het hart van de mensen bedorven door een afgodisch zaad, en tenslotte uitgehold door de huichelarij van een adderengebroed dat wel uit Israël was maar niet de uitverkorenen van de HEERE. Ook in onze eigen tijd, nu de gemeente van God onder de heidenen gevonden wordt, zien wij nog steeds die brede scheidslijn tussen wie de HEERE vrezen en wie Hem niet vrezen. De lijn van de natuur en de lijn van de goddelijke genade lopen door zoals altijd; het zaad van de vrouw en het zaad van de slang staan nog altijd tegenover elkaar.
En het is niet Gods bedoeling in Zijn voorzienigheid dat die scheidslijn zou worden uitgewist. Hij wil niet dat Zijn volk een verbond aangaat met het leger van het kwaad, maar dat het uit hun midden uitgaat en zich afzondert. Het niet gelijkvormig zijn is, in geestelijke zin, de plicht van elke christen: word deze wereld niet gelijkvormig, maar word veranderd door de vernieuwing van uw gemoed. De vloed kwam over de wereld toen de zonen van God zich met de dochters van de mensen verenigden, en onheilige verbintenissen tussen de kerk en de wereld hebben God altijd het hevigst getergd.
Hij zal het onderscheid tussen het kostbare en het snode gehandhaafd zien tot er geen tijd meer zal zijn. God heeft vroeger het licht van de duisternis gescheiden; het licht noemde Hij dag en de duisternis noemde Hij nacht; en Hij wil niet dat wij het licht duisternis noemen of de duisternis licht. Er loopt een karmozijnrode lijn tussen de rechtvaardige en de goddeloze: de lijn van het verzoenend offer. Het geloof gaat die lijn over, maar niets anders kan dat. Het geloof in het dierbare bloed is bij de wortel het grote onderscheid. En alle goddelijke genadegaven die uit dat geloof opkomen, maken de rechtvaardige meer en meer afgescheiden van de goddeloze wereld, die de vrucht niet heeft omdat zij de wortel mist.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Vs. 1-4 KruisverwijzingenLeviticus 26:26→Prediker 10:16→Jesaja 1:24→Ezechiël 17:13→Jesaja 36:12→Jesaja 5:13→Ezechiël 14:13→Ezechiël 4:16→
— Want ziet, de Heere, HEERE der heirscharen, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen den stok en den staf, allen stok des broods, en allen stok des waters; Den held en den krijgsman, den rechter en den profeet, en den waarzegger, en den oude; Den overste van vijftig, en den aanzienlijke, en den raadsman, en den wijze onder de werkmeesters, en dien, die kloek ter tale is. En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;
: 1. Terwijl de profeet de aankondiging des oordeels, in het vorige hoofdstuk meer algemeen gedaan, en in ‘t licht van ‘t einde der dingen beschouwd, hier herhaalt, richt hij zich nu in ‘t bijzonder tot Juda en Jeruzalem en toont aan, dat die strijdvaardigheid onder de regering van Asa en Jotham, Jehova’s toorn heeft opgewekt, gelijk dan ook die toorn spoedig daarna begon te ontbranden, en onder Achaz en onder Hizkia slechts voor een tijd afgewend werd. Jehova zal den Joodsen staat doen vergaan, alles wegrukkende, waarop deze steunt; vooral over de regeringsstanden, die het meest ontaard zijn, zal Hij ‘t oordeel uitspreken, en de hoogmoedige en wellustige vrouwen door de diepste ontering straffen, zodat haar gekunstelde tooi in wanstaltig gebrek zal overgaan, en hare ijdele behaagzucht door de laakbaarste wellustrazernij vervangen wordt.
Voor het vertrouwen op mensen, grondtrek van den tegenwoordigen, schijnbaar zo gelukkigen, werkelijk voor het oordeel rijp geworden tijd heb ik, Jesaja, reeds vroeger (Hoofdstuk 2:22) gewaarschuwd; en dat met ene goede bedoeling, daar de tijd niet ver verwijderd is, dat uwe gehele staatsinrichting, nu reeds waggelend, ineen stort. Want ziet, de Heere onweerstaanbaar als de Almachtige, de HEERE der heirscharen, die daarvan ene ontelbare menigte heeft (Hoofdstuk 1:24), zal, wanneer Hij zich tot het oordeel opmaakt, van Jeruzalem en van Juda wegnemen den stok en den staf 1), waarvan het bezit u nu verheugt, allen stok des broods en allen stok des waters, 2) zodat er hongersnood komt (Lev. 26:26 vv. (Jer. 14:18. (Klaagt. 2:20; 4:10).
Luther vertaalt: “allerlei voorraad; ” echter blijkt uit vs. 2 dat die steunsels personen zijn. De profeet gebruikt ene spreekwoordelijke uitdrukking om de nodigste steunsels des levens aan te duiden; want wie kan leven zonder brood en water? . Hiermede wordt in het algemeen aangegeven, wat verbroken zou worden, m. a. w. alles waarop de mens, waarop Juda in die dagen steunde. In het volgende gedeelte van dit vers en in de volgende verzen wordt nu nader aangegeven welke stutten en sterkten verbroken zouden worden.
De Profeet begint met den staf des broods en dien des waters. Brood en water zijn de eerste levensbehoeften voor den mens. Zonder brood en water kan hij niet leven. En dus is brood en water hier het beeld, van al wat de mens nodig heeft om het leven voort te zetten in den strijd tegen den vernietigenden dood. Dit is ook letterlijk vervuld in de dagen der belegering van Jeruzalem, zowel in die door Babels koning als in die door de Romeinen.
Den held en den krijgsman, uwe beproefde krijgsoversten en hun tot den krijg toegeruste manschappen, den rechter, door de regering gesteld om het recht te handhaven; en den profeet, die u Gods woord verkondigde, maar naar wie gij niet wilde horen, en den waarzegger dien ij liever aangehoord hebt, en den oude, door u tot een raadsheer gesteld;
Den overste van vijftig, want ook de mindere leden van uw staatslichaam zullen niet gespaard worden, en den aanzienlijke, den man van rang (Luk. 14:8) en den raadsman, in den ruimeren zin van dit woord, en den wijze onder de werkmeesters (2 (Kon. 24:14 vv.), en dien, die kloek ter tale is 1).
Wijze of staatsman en die kloek ter tale of redenaar, eigenlijk wichelaar en slangenbezweerder is, in ‘t kort, ieder persoon van belang en voorwerp van des volks vertrouwen, ‘t zij hij dit verdiende of niet, allen zouden door de verwoesting van den oorlog worden weggerukt. Wat baten hun nu die, welke onbekwaam zijn om afgodsbeelden te maken of geheimzinnige toverformules te fluisteren! .
En Ik, spreekt de Heere, zal, opdat op de nu weer herleefde heerlijkheid van Salomo andermaal een tijd als onder Rehabeam volge (1 (Kon. 12:10), jongelingen stellen tot hun vorsten, raadslieden des konings, en kinderen 1), die het volk maken tot speelbal van hun moedwil, zullen over hen heersen (Pred. 10:16).
Van den koning wordt hier niet gesproken. In die dagen zou de koning een niets doend koning zijn, die, omringd door jongelingen, hun speelbal zou wezen, zodat niet machtigen en aanzienlijken, wijzen en edelen over het volk zouden heersen, maar mannen, die als kinderen zouden handelen, om het land nog meer ten verderve te voeren. Dit is ook de treurige geschiedenis geweest, toen de dusgenaamde hofpartij heerste en zowel den koning als het volk in de engte dreef.
En het volk zal, bij de vernietiging van alle orde in den staat, door ene volksregering van de ellendigste soort vervangen, gedrongen 1) worden; de een zal zijn tegen den ander, en een iegelijk tegen zijnen naaste, zodat ook alle familiebanden worden verbroken; de jongeling zal, juist in tegenoverstelling van hetgeen door de natuurlijke en de zede-wet wordt bevolen, stout zijn, zich vermetel verzetten tegen den oude; de verachte, die tot de heffe des volks behoort, tegen den eerlijke, 2) die tot nog toe om zijn ambt in ere was.
Gedrongen worden in dan zie dat alle liefde tot elkaar zou wijken, en zelfzucht van de laagste soort den toon zou aangeven. Elk zich zelven het naast, zou dan in beoefening worden gebracht. Waar met God niet meer gerekend zou worden, zou men zich zelven zoeken in den meest vulgairen zin van het woord.
De een is de tiran van den ander; elk klaagt over verdrukking en is zelf de grootste verdrukker zijner broeders; alle ondergeschiktheid is weggenomen; men heeft niet alleen geen eerbied meer voor aanzien of hoge jaren, maar integendeel ouderdom, rang en geboorte zijn genoeg, om iemand tot het voorwerp van haat te maken. De Revolutie in Frankrijk en elders (ook in Nederland) in ‘t laatst der vorige eeuw, gaf dergelijke misvormingen van ‘t staatsleven te aanschouwen. Dat geslacht is nog niet uitgestorven. Denk b. v. aan Parijs in September 1870.
Wanneer, terwijl in den Staat alles is omgekeerd, zodat niemand meer lust heeft in een regeringsambt, en juist de opperheerschappij van de heffe des volks des te vuriger de herstelling der orde zal doen begeren, iemand, de eerste de beste, zijnen broeder uit het huis zijne vaders, in de algemene verlegenheid alle betrekkingen ter zijde stellende, zal aangrijpen, om hem te dwingen het landsbeheer op zich te nemen, zeggende: Gij hebt ten minste nog een kleed, al was het slechts een mantel, om u nog in zekeren betamelijken vorm als regent te kunnen vertonen, wees gij ons dan ten overste, laat toch dezen aanstoot, dezen last onder uwe hand wezen, namelijk den zwaren last, om in zulke bange tijden u te stellen aan het hoofd der zaken;
Zo zal hij, het aangeboden ereambt plechtig weigerend, in dien dag, dat hij het gelukkigst is, die zich in zijn eigen huis kan terugtrekken en met staatszaken niets heeft te maken, zijne hand tot een eed opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen, die de gebroken armen en benen van het gevallen staatslichaam weer helen kan; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij den naakte en hongerlijdende, die zelf niet kan blijven staan, niet tot een overste des volks.
Deze diepe, tragische ellende is echter slechts ene rechtvaardige vergelding, want Jeruzalem heeft aangestoten, is gestruikeld, en Juda is reeds gevallen, dewijl hun tong en handelingen, hun woorden en daden, tegen den HEERE, hunnen Bondsgod, zijn, om de ogen Zijner heerlijkheid te verbitteren, te trotseren. De ogen Zijner heerlijkheid, de alziende heilige ogen van Hem, den Rechter der aarde. De ontzedelijking des volks in woord en daad tergt in den hoogsten graad het rein en heilig aangezicht des hemelsen Konings. In de ogen Zijner heerlijkheid weerspiegelt niet alleen de barmhartigheid voor al degenen, die Hem liefhebben, maar ook de toorn jegens allen, die Hem verachten en zich van Hem afwenden. En nu zo diep is Israël gezonken, dat het niet alleen om die ogen der heerlijkheid zich niet meer bekommert, maar met opzet ze trotseert.
Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, 1) het tekent voor aller oog hun vervreemding van God, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom (Gen. 19:5), zij verbergen ze niet, 2) terwijl een nog niet geheel verhard mens althans dit oordeel over zich uitspreekt, dat hij zich voor zijne zonde schaamt en ze niet openbaar maakt. Wee hunlieder ziel, want zij doen door deze uittarting van Gods toorn zich zelven kwaad!
Als men hen aanziet, ontdekt men terstond in hen een stout en onverzettelijk gelaat, hetwelk met een stalen voorhoofd gewapend is, dat zij van blikken noch van blozen weten; en geen wonder, zij komen er vermetel voor uit wat zij zijn en verklaren openlijk hun zonden gelijk Sodom. Zij roemen op hun snode handelingen, en verheffen zich op het welgelukken hunner boze bedrijven, die zij in het licht durven zetten, al waren zij nog zo heimelijk gepleegd, en al schreeuwden zij om wraak tegen den Hemel, zodat alle zaden en sprankelen van deze goddelozen ten enenmale weggerot en uitgeblust waren.
Mijn onbeschaamd gelaat strekt ten getuige tegen hen, hun zonden roepen ze uit, als die van Sodom. Dieper kunt Gij niet zinken. Het “gieriglijk” en onbeschaamd “bedrijven van alle zedelijke onreinheid, ” dat is het toppunt der boosheid. Gelukkig hij, die gevallen zijnde, zich nog schaamt! .
Zegt, opdat Juda en Jeruzalem als ‘t nog mogelijk is, eer het te laat is, nog den weg der gerechtigheid verkiezen, en Gods volk getroost worden, den rechtvaardige, dat het hem welgaan zal, al gaat het hem een tijd lang kwalijk; dat zij namelijk de vrucht hunner werken zullen eten
in allerlei geluk en zegen, die hun ten deel zal worden (Ps. 37:37.)
De uitspraak is zeer duidelijk, welke de vromen, in de tegenspoeden dezer wereld, het hoofd omhoog doet houden en ondersteunt. Dikwijls toch gebeurt het dat veel hen treft in den loop der wereldse dingen, wat tegen hunnen wens en de stemming van hun gemoed ingaat, of ook dat zij in de algemene oordelen en verliezen van dit leven worden ingewikkeld. Maar de zekere hoop houdt hen staande, dat God zijne dienaren niet aan hun lot overlaat. Dit leert de rede, dit bevestigd en heeft bevestigd de ondervinding van alle tijden, maar bovenal is het de vaste en de troostvolle leer van Gods Woord. Zelfs de tegenspoeden worden voor zijne vrienden, door de verwonderlijke goedheid en wijsheid Gods, ten goede gewend. De vromen in die dagen worden hiermede getroost, dat als de Heere met Zijne oordelen zal komen, Hij hen niet zal vergeten, en aan hen zelf overlaten. De Heere had vroeger een Lot bewaard, en uitgered, toen Hij Sodom en Gomorra verwoestte, welnu Gods volk kan altijd op Zijne genade en genadige bescherming rekenen, indien het maar niet vergeet dat Hij immer op Zijne, d i. op goddelijke wijze de zijnen zegent.
Maar wee den goddeloze, al schijnt hij een tijd lang midden in de vreugde te zijn, het zal hem kwalijk gaan! want de vergelding zijner handen zal, als de ure der Goddelijke afrekening daar is, hem geschieden 1) (Spr. 1:31).
Dit vers is een rechtstreekse tegenstelling met het vorige. De Heere wil er mede zeggen, dat de goddeloze er niet op te rekenen heeft, dat ook hij in die bescherming en uitredding Gods zou delen. De geschiedenis van Israël heeft dit te aller tijde bewezen. Het pad door de Rode zee was voor Israël tot heil, maar voor Farao ten verderf.
Toch heeft het volk minder schuld dan zijne leidslieden; en juist dit maakt den toestand zo treurig en troosteloos, dat het in de hogere standen zo ellendig gesteld is. De drijvers mijns volks zijn, daar zij hun ondergeschikten tot een speelbal maken van luim en willekeur, ofschoon in jaren gevorderd, toch wat hun gezindheid en daden aangaat moedwillige kinderen, en vrouwen heersen uit het vrouwenverblijf over hetzelve, terwijl zij koningen en vorsten, wier lusten zij dienen, naar haren wil weten te leiden. O mijn volk! die u leiden, de profeten aan het hof, door wie men u verzekeren laat, dat alles goed gaat en er geen gevaar is, verleiden u, en den weg uwer paden naar Gods wil tot uw heil, slokken zij in 1) zodat uwe ogen dien niet kunnen zien, en uwe voeten die niet kunnen vinden.
Van een koning is ook hier weer geen sprake, wel van zijne raadslieden, van zijne hofpartij, die zich laat leiden door vrouwen, en daarom als onzelfstandige kinderen optreden, zodat zij, in plaats van op te treden voor de belangen van het volk, het volk verdrukken. Waarbij nog komt dat ook de profeten dwaalleringen voortbrachten. En hiermee was de zonde volmaakt. Israël’s koning was een theocratisch koning, en daarom had de Heere Zijne profeten aan des koning hof om den koning te raden in overeenstemming met de wet en de ordinantiën Gods. Helaas, de theocratische koning was een schijnkoning geworden, en de profeten, in plaats van de wegen des Heren bekend te maken, hadden den weg Gods verkeerd, hadden de wet ingeslokt, zodat zij als het ware niet meer werd gevonden. En daarom kon niet anders dan het verderf van land en volk aanstaande zijn.
Maar lang zal dat niet meer duren, want de HEERE is reeds opgerezen van Zijn zetel in den hemel, en stelt Zich om met Zijne tegenpartijen te pleiten, en Hij staat, heeft zich opgemaakt om de volken te richten.
In vs. 13 en 14, wordt niet gesproken van de uitvoering van het vonnis, welke later zal plaats hebben, maar leiden in, in de rechtshandel van den Heere, het gaan zitten op zijn Rechterstoel, en het indagen der overtreders van Zijn heilige Wet. In vs. 15 wordt dan ook de Heers als Rechter sprekende ingevoerd, die de hoofden, de burgerlijke en de geestelijke hoofden des volks, ter verantwoording roept. Op majestueuzen toon hoort hij den Heere spreken: Wat is ulieden, d. i. hoe hebt gij het durven bestaan tegen Mijne wet en tegen Zijne ordinantiën in, de aangezichten der ellendigen te versmaden! Maar aleer Hij verder gaat ten opzichte van de hoofden des volks, zal de Heere eerst de vrouwen, de dochters Jeruzalems, aanspreken, gelijk dan ook in de volgende verzen geschiedt.
De HEERE komt ten gerichte, keert Zich vooral tegen de oudsten Zijns volks en des zelfs vorsten, die in plaats van leiders te zijn, verleiders daarvan zijn geworden, en zal zelf tot hun aanklager bij hen worden. Dan zal Hij zeggen: Ik kom met Mijne oordelen over u, want gijlieden hebt dezen wijngaard, Mijns volks (Hoofdstuk 5:1 vv.), dien Ik u ter bewaring en verpleging gegeven had, zo weinig bewaard en verpleegd, dat gij dien integendeel verteerd, zelf afgeweid en u daaraan vergrepen hebt; en dit is het duidelijkste bewijs dat gij, als wijngaardeniers aangesteld, zeer ver gekomen zijt: de door u hun afgeperste door des ellendigen is in uwe huizen.
Wat is ulieden, dat gij Mijn volk verbrijzelt, hoe kunt gij er toe overgaan Mijn volk te vertrappen, en hoe komt het u toch in den zin, dat gij de aangezichten der ellendigen vermaalt
, hen, die reeds zó diep zijn neergebogen, door onbarmhartigheid van u afstotende en tot vertwijfeling brengende, spreekt de Heere, de Almachtige, HEERE der heirscharen, voor wie men toch moest vrezen, om Zijn eigendom en Zijne bijzondere beschermelingen niet aan te tasten.
Dit woord vermalen is zeer sterk; er is toch geen gewelddadiger verdrukking en verbrijzeling dan die van het koren tussen de molenstenen. Hoe kunnen zij verdragen de vernietigende vraag van God: “Waarom verbrijzelt gij mijn volk?” Zij geven geen antwoord, want zij zijn door deze aanspraak als van den bliksem getroffen. De bestraffende aanspraak van Jehova is in ‘t algemeen vol schokkende waarheid en vooral het vooraan geplaatste een verpletterend donderwoord: “En gij, juist gij, juist gij. ” . 25681-971008-2029-Isa3. 16 Vs. 16-4 :1. De vrouwen der aanzienlijken in haren weelderigen zin en uiterlijken tooi spreiden bijzonder den strafbaren overmoed des volks ten toon. Tot haar wendt zich derhalve thans de mond des verontwaardigden redenaars, en met treffende ironie ontkleedt hij haar stuk voor stuk van hare pronksieraden. Daar staan zij nu walgelijk naakt, nog daarenboven in een tijd arm aan mannen, daar de kracht der natie gevallen is in den krijg! .
Verder, ook dit woord wordt mij openbaar aangaande de vrouwen, welke wel de meeste gaven en roeping hadden om den zuiveren godsdienst te bewaren, maar haar invloed mede tot verderf van mijn volk aanwenden (vs. 12), alzo zegt de HEERE: Daarom dat de dochters van Zion, de voorname en rijke vrouwen in Juda en vooral in Jeruzalem, welke hare rechte waardigheid zo geheel vergeten (1 (Petrus 3:3 vv.), zich trots verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, het hoofd omhoog, en lonken met de ogen (2 (Petrus 2:14), al gaande en trippelende 1) daarhenen treden, en alsof hare voeten gebonden waren, “hare voetringen 2) doen klinken” .
Men kan hiermede het woord van Goethe vergelijken: “Hoe edel is haar gang, terwijl zij voor zich ziet. Het golvend slepen met haar kleed behaagt haar niet. ” Wat den trippelenden gang betreft, die is als van kinderen, “de trippelende gang met kleine pasjes. ” Ofschoon volleerd en oud van jaren, willen de Jeruzalemse dames nog zeer jong schijnen.
De voorname vrouwen van dien tijd droegen boven de voetenkels gouden ringen, door gouden ketentjes onderling verbonden, waardoor de gang belemmerd werd, zij liepen zo, dat de enkels tegen elkaar sloegen, ook waren die gouden ketentjes met belletjes voorzien, om zo te laten bemerken dat zij naderden.
Zo zal de Heere U den schedel der dochters van Zion, waarvan nu de lange haarlokken afgolven, schurftig maken 1), en de HEERE zal hare schaamte ontbloten 2), haar overgevende ter ontering aan de ruwe krijgsknechten (Zacht 14:2).
Het grondwoord betekent uitvallen, wegvloeien. De profeet voorspelt hier ene kaalheid des hoofds, het uitvallen der haren, dat aan vuile ziekten, aan schurftheid en melaatsheid zijn oorsprong verschuldigd is. Groot is de invloed ter bekoring, welke de natuurlijke gratie (bevalligheid), verhoogd door ‘t geen de kunst aanbrengt, uitoefent, maar de profeet, voor al die pracht blind, ziet alleen de vuiligheid der zielen en schildert voor die voorname vrouwen het smakeloos, walgelijk gewaad dat haar bereid is.
Wat wil ene met hare geile ogen lonkende vrouw, als ‘t er op aankomt ofschoon dan soms ook onbewust-toch anders dan ‘t geen hier gedreigd wordt, maar dan ook werkelijk met alle afschuwelijkheden der ruwheid moet gepaard gaan! God bezoekt in dat deel des lichaams, waarmee men gewoon is te zondigen. Men bezoeke slechts de hospitalen, waar de priesters en priesteressen der ontucht verpleegd worden. De Oosterse vrouw, omhulde zich schier geheel door haren sluier voor den blik der vreemde mannen; wat haar hier gedreigd wordt, was derhalve een voor haar zeer onterende straf en bezoeking, als zij straks in het vreemde land, of reeds bij de belegering van hare kleding zou worden beroofd. De zonde van boelering, wordt hier met een de zonde evenarende straf geboet.
Tenzelven dage, wanneer de dreigende nood door oorlog, duurte, pest en oproer aanwezig is, zal de Heere wegnemen het sieraad der kousenbanden, 1) en de netjes, en de maantjes 2),
Het sieraad der kousenbanden. Banden gewoonlijk van goud gemaakt, even boven den enkel om het been vastgemaakt, dus voetringen. Anderen vertalen: “netwerken, klederen, doorschijnend gebreid, vensters der oneerbaarheid genoemd. ”
De netjes en de maantjes. De Staten-overzetters nemen “netjes” in den zin van sluiers, dun doorzichtig doek. Anderen zon- en maan sieraden, zonnetjes (van goud) en maantjes (van zilver), die men om den hals droeg. Uit Richt. 8:21 blijkt, dat men die gekroonde maantjes als sieraden den kamelen om den hals hing.
De reukdoosjes, 1) en de kleine ketentjes, en de glinsterende kledingen 2),
Men verstaat daaronder de gouden of zilveren doosjes met muskus of andere specerijen gevuld, gedragen aan den hals of op de borsten, of tussen deze. Anderen vertalen oorsiersels.
Of sluiers, de gewone dracht der Oosterse vrouwen, uit twee delen bestaande; het ene deel bedekte aangezicht en borsten, het andere achterhoofd en schouders.
De hoofdkroning, diadeem, en de armversierselen 1), en de bindselen, smalle gordels van ene edele stof (Jer. 2:32), en de reukballetjes, reukdoosjes in den vorm van appelen, in den gordel gedragen, en de oorringen 2), in de oren of aan den hals gedragen amuletten, of behoedmiddelen tegen boze invloeden;
Anderen: voetketentjes, behorende bij de oorringen. (zie vs. 18).
Oorringen: eigenlijk slangetjes, ene soort van talismans, dunne gouden plaatjes, slangswijze gevormd en met toverkarakters gegraveerd als een behoedmiddel tegen bezweringen.
De ringen en de voorhoofdsierselen, Umbreit: De vingerringen en de neusringen. Voorhoofdsierselen waren, die over het voorhoofd tot op den neus hingen.
De wisselklederen, gedragen bij feestelijke gelegenheden, ene soort van gala-kostuum, en de manteltjes, over de gewone kleding heen gedragen, en de hoedjes 1), en de zijden, met goud gestikte geld-buidels,
Manteltjes en hoedjes, anderen: De rokken en de mantels. Voor hoedjes heeft Luther sluiers, omslagdoeken (zie Ruth 3:15).
De spiegels (vervaardigd van gepolijste metalen platen (Job 37:18), en de fijn linnen deksels, borstklederen of voorhemden van het fijnste linnen en de hulledoeken, uit veelvervige doeken saamgestelde hoofddeksels of tulbanden, en de sluiers 1), over de andere klederen gedragen. Vs. 18-23. “Wegnemen zal Ik dat alles, al dat sieraad: die kousenbanden, netjes (of zonnen) maantjes enz. ” Met deze profetie is ‘t Jesaja te doen, om sterk tegenover elkaar te stellen, al de bont uitgedoste heerlijkheid der wereld, en de ware, geestelijke, goddelijke eenvoudige, inwendig verheerlijkende schoonheid, welke de Heere voor Zijn volk bereid heeft.
Al deze 21 toilet-artikelen-een drievoudig boos zevental! zal de Heere wegnemen. En het zal geschieden, dat er voor specerij uit de reukdoosjes (vs. 20) stank zal zijn, als bij vuile etterende, slecht verbonden wonden is op te merken, en lossigheid, 1) voor enen gordel (bindselen vs. 20), en kaalheid, 2) een kaal hoofd, in plaats van krullende, golvende haarvlechten, gelijk de zucht om zich op te pronken, die door allerlei middelen weet te vormen, en omgording eens zaks, gelijk door treurenden en boetenden gedragen wordt (Gen. 37:34), in plaats van enen wijden rok, een prachtig overkleed (vs. 22), en verbranding 3), in plaats van die schoonheid, waarop gij nu zo trots zijt.
In het Hebr. Nikpah. Beter een strik, waarmee de slavinnen of gevangen vrouwen werden vastgehouden. In plaats dus van den gordel het teken van vrijheid en sieraad, zou de vrouwen een strik worden aangelegd als bewijs van slavernij en gevangenschap.
Dit is niet een hoofd beroofd van haren alleen, meer een zeer hoofd, geheel het tegenovergestelde van schoonheid.
Dit wil niet zeggen dat haar gelaat door de zon zou verbrand worden, maar dat zij op hare voorhoofden het brandmerk der slavernij zouden ontvangen.
Uwe, der dochter Zions, mannen zullen door het zwaard vallen, en uwe voornaamste helden in den strijd (Klaagt. 2:21).
En hare, der dochter Zions of Jeruzalems poorten zullen treuren en leed dragen, omdat zij, eenmaal de verzamelplaatsen der talrijke mannen, nu eenzaam en verlaten zijn, en zij zal, van hare tegenwoordige hoogte afgeworpen (Hoofdstuk 47:1) en ledig gemaakt zijnde, op de aarde zitten 1) als ene weduwe, welke haren jammerstaat beweent.
Zij bedoelen door al deze versierselen de manluiden te bekoren, te begoochelen, en hun genegenheid te winnen, maar er zal niemand zijn, die er zich door kan laten verstrikken, want de mannen zouden door het zwaard vernield en de helden in den strijd gedood worden. Het vuur zou de jongelingen verteren en dan zouden de jonge maagden niet meer ten huwelijk gegeven worden. Als het een tijd is om te oorlogen, trekken de machtigen ten strijde op, en worden wel eens het eerst geveld. En als God Zion in toorn bezoeken en het van alle zijne sieraden ontkleden wil, laat Hij er de vijanden heersen, de stad verwoesten, haar inwoners verderven of verjagen en noodzaakt hun om als een eenzame tortelduif te kirren en te klagen, en daarin wordt letterlijk bewaarheid, alles wat de profeet hier den ondeugenden volke voorspeld heeft.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel