Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
De lastH4853 der woestijnH4057 aan de zeeH3220. Gelijk de wervelwindenH5492 in het zuidenH5045 henen doorgaanH2498, zal hij uit de woestijnH4057 komenH935, uit een vreselijkH3372 landH776.
De last der woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het zuiden henen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land.
KJV
The burden1
of the desert2
of the sea.3
As whirlwinds4
in the south5
pass6
through; so it cometh8
from the desert,7
from a terrible10
land.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Een hardH7186 gezichtH2380 is mij te kennen gegevenH5046: die trouwelozeH898 handelt trouwelooslijkH898, en die verstoorderH7703 verstoortH7703; trekH5927 op, o ElamH5867! belegerH6696 ze, o MediaH4074! Ik heb alH3605 haar zuchtingH585 doen ophoudenH7673.
Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouwelooslijk, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden.
KJV
A grievous2
vision1
is declared3
unto me; the treacherous dealer5
dealeth treacherously,6
and the spoiler7
spoileth.8
Go up,9
O Elam:10
besiege,11
O Media;12
all the sighing14
thereof have I made to cease.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
DaaromH3651 zijn mijn lendenenH4975 volH4390 van grote krankheidH2479, bange weeenH6735 hebben mij aangegrepenH270, gelijk de bange weeenH6735 van een, die baartH3205; ik kromH5753 mij van horenH8085, ik word ontsteldH926 van het aanzienH7200.
Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeen hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeen van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.
KJV
Therefore are my loins4
filled3
with pain:5
pangs6
have taken hold7
upon me, as the pangs8
of a woman that travaileth:9
I was bowed down10
at the hearing11
of it; I was dismayed12
at the seeing
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Mijn hartH3824 dwaaltH8582, gruwenH6427 verschriktH1204 mij, de schemeringH5399, waar ik naar verlangdH2837 heb, steltH7760 Hij mij tot bevingH2731.
Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.
KJV
My heart2
panted,1
fearfulness3
affrighted4
me: the night6
of my pleasure7
hath he turned8
into fear
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
BereidH6186 de tafelH7979, zieH6822 toe, gij wachterH6844! eetH398, drinkH8354; maaktH6965 u op, gij vorstenH8269, bestrijktH4886 het schildH4043!
Bereid de tafel, zie toe, gij wachter! eet, drink; maakt u op, gij vorsten, bestrijkt het schild!
KJV
Prepare1
the table,2
watch
in the watchtower,4
eat,5
drink:6
arise,7
ye princes,8
and anoint9
the shield.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
WantH3588 aldusH3541 heeft de HeereH136 totH413 mij gezegdH559: GaH3212 heen, zetH5975 een wachterH6822, laat hem aanzeggenH5046, watH834 hij zietH7200.
Want aldus heeft de Heere tot mij gezegd: Ga heen, zet een wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet.
KJV
For thus hath the Lord5
said3
unto me, Go,6
set7
a watchman,8
let him declare11
what he seeth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En hij zagH7200 een wagenH7393, een paarH6776 ruitersH6571, een wagenH7393 met ezelsH2543, een wagenH7393 met kemelsH1581; en hij merkteH7181 zeer nauwH7182 op, met groteH7227 opmerkingH7182.
En hij zag een wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kemels; en hij merkte zeer nauw op, met grote opmerking.
KJV
And he saw1
a chariot2
with a couple3
of horsemen,4
a chariot5
of asses,6
and a chariot7
of camels;8
and he hearkened9
diligently10
with much11
heed:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En hij riepH7121: Een leeuwH738, HeereH136! ikH595 staH5975 opH5921 den wachttorenH4707 geduriglijkH8548 bij dagH3119, en opH5921 mijn hoedeH4931 zetH5324 ik mij ganseH3605 nachtenH3915.
En hij riep: Een leeuw, Heere! ik sta op den wachttoren geduriglijk bij dag, en op mijn hoede zet ik mij ganse nachten.
KJV
And he cried,1
A lion:2
My lord,5
I stand7
continually8
upon the watchtower4
in the daytime,9
and I am set13
in my ward11
whole nights:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En zieH2009 nu, daar komtH935 een wagenH7393 mannenH376, en een paarH6776 ruitersH6571! Toen antwoorddeH6030 hij, en zeideH559: BabelH894 is gevallenH5307, zij is gevallenH5307! en alH3605 de gesneden beeldenH6456 harer godenH430 heeft Hij verbrokenH7665 tegen de aardeH776.
En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zeide: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden harer goden heeft Hij verbroken tegen de aarde.
KJV
And, behold, here cometh3
a chariot4
of men,5
with a couple6
of horsemen.7
And he answered8
and said,9
Babylon12
is fallen,10
is fallen;11
and all the graven images14
of her gods15
he hath broken16
unto the ground.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
O mijn dorsingH4098, en de tarweH1121 mijns dorsvloersH1637! watH834 ik gehoordH8085 heb vanH854 den HEEREH3068 der heirscharenH6635, den GodH430 IsraelsH3478, dat heb ik ulieden aangezegdH5046.
O mijn dorsing, en de tarwe mijns dorsvloers! wat ik gehoord heb van den HEERE der heirscharen, den God Israels, dat heb ik ulieden aangezegd.
KJV
O my threshing,1
and the corn2
of my floor:3
that which I have heard5
of the LORD7
of hosts,8
the God9
of Israel,10
have I declared
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
De lastH4853 van DumaH1746. Men roeptH7121 totH413 mij uit SeirH8165: WachterH8104! watH4100 is er van den nachtH3915? WachterH8104! watH4100 is er van den nachtH3915?
De last van Duma. Men roept tot mij uit Seir: Wachter! wat is er van den nacht? Wachter! wat is er van den nacht?
KJV
The burden1
of Dumah.2
He calleth4
to me out of Seir,5
Watchman,6
what of the night?8
Watchman,9
what of the night?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
De wachterH8104 zeideH559: De morgenstondH1242 is gekomen, en het is nog nachtH3915; wilt gijlieden vragenH1158, vraagtH1158; keert weder, komtH857.
De wachter zeide: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt gijlieden vragen, vraagt; keert weder, komt.
KJV
The watchman2
said,1
The morning4
cometh,3
and also the night:6
if ye will enquire,8
enquire9
ye: return,10
come.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
De lastH4853 tegen ArabieH6152. In het woudH3293 van ArabieH6152 zult gijlieden vernachtenH3885, o gij reizende gezelschappenH736 van DedanietenH1720!
De last tegen Arabie. In het woud van Arabie zult gijlieden vernachten, o gij reizende gezelschappen van Dedanieten!
KJV
The burden1
upon Arabia.2
In the forest3
in Arabia4
shall ye lodge,5
O ye travelling companies6
of Dedanim.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
KomtH857 den dorstigeH6771 tegemoetH7125 met waterH4325; de inwonersH3427 des landsH776 van ThemaH8485 zijn den vluchtendeH5074 met zijn broodH3899 bejegendH6923.
Komt den dorstige tegemoet met water; de inwoners des lands van Thema zijn den vluchtende met zijn brood bejegend.
KJV
The inhabitants5
of the land6
of Tema7
brought3
water4
to him1
that was thirsty,2
they prevented9
with their bread8
him that fled.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
WantH3588 zij vluchtenH5074 voor de zwaardenH2719, voorH6440 het uitgetrokkenH5203 zwaardH2719, en voorH6440 den gespannenH1869 boogH7198, en voorH6440 de zwarigheidH3514 des krijgsH4421.
Want zij vluchten voor de zwaarden, voor het uitgetrokken zwaard, en voor den gespannen boog, en voor de zwarigheid des krijgs.
KJV
For they fled4
from2
the swords,3
from5
the drawn7
sword,6
and from8
the bent10
bow,9
and from11
the grievousness12
of war.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WantH3588 alzo heeft de HEEREH136 totH413 mij gezegdH559: NogH5750 binnen een jaarH8141, gelijk de jarenH8141 eens daglonersH7916 zijn, zo zal de heerlijkheidH3519 van KedarH6938 ten ondergaanH3615.
Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, gelijk de jaren eens dagloners zijn, zo zal de heerlijkheid van Kedar ten ondergaan.
KJV
For thus hath the Lord4
said3
unto me, Within a year,7
according to the years8
of an hireling,9
and all the glory12
of Kedar13
shall fail:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En het overgeblevenH7605 getalH4557 der schuttersH7198, de heldenH1368 der KedarenenH1121, zullen minderH4591 worden, wantH3588 de HEEREH3068, de GodH430 IsraelsH3478, heeft het gesprokenH1696.
En het overgebleven getal der schutters, de helden der Kedarenen, zullen minder worden, want de HEERE, de God Israels, heeft het gesproken.
KJV
And the residue1
of the number2
of archers,3
the mighty men4
of the children5
of Kedar,6
shall be diminished:7
for the LORD9
God10
of Israel11
hath spoken
last
Dat is, een zware profetie over de woestijn aan de zee. Zie Jes. 13:1 .
Hertaald:
last
Dat is: een zware profetie over de woestijn aan de zee. Zie Jes. 13:1.
der woestijn
Dat hiermede Babel betekend wordt is af te nemen uit vs.9. En het wordt aldus genoemd omdat het land daaromtrent woest en ledig zou gemaakt worden, ja als een zee liggen zou, doordien de koningin Nitocris de grote rivier Eufraat daar heeft laten inleiden, om door dat middel hare vijanden daaruit te houden; vergelijk boven Jes. 19:5 . Zij heeft laten graven de breedte van driehonderd en twintig stadiën behalve nog kreken hier en daar, bedervende veel land en lieden. Anderen menen dat Babel daarom ene woestijn der zee genoemd wordt, omdat er van nature veel poelen, meren en staande wateren waren, die ook zeeën bij de Hebreën genoemd worden; anderen, ten aanzien van de menigte der mensen, die daarin woonden en alle dagen uit en ingingen en vloeiden.
Hertaald:
der woestijn
Dat hiermee Babel bedoeld wordt, is op te maken uit vers 9. Het wordt zo genoemd omdat het land daaromheen woest en leeg gemaakt zou worden, ja als een zee zou liggen, doordat koningin Nitocris de grote rivier de Eufraat daarheen heeft laten leiden om haar vijanden daarmee op afstand te houden; vergelijk hierboven Jes. 19:5. Zij heeft over een breedte van driehonderdtwintig stadiën laten graven, nog afgezien van kreken hier en daar, waarmee zij veel land en veel mensen te gronde richtte. Anderen menen dat Babel een woestijn van de zee genoemd wordt omdat er van nature veel poelen, meren en stilstaande wateren waren, die door de Hebreeën ook zeeën genoemd worden; weer anderen met het oog op de menigte mensen die er woonden en dagelijks in en uit gingen en stroomden.
henen doorgaan,
Dat is, plegen door te dringen; te weten met grote kracht en onstuimigheid. Hebreeuws, om door te gaan, te weten gesteld zijn. Anders: gelijk de wervelwinden in het zuiden, doortrekkende komt hij uit de woestijn, uit het vreeslijke land.
Hertaald:
henen doorgaan,
Dat is: die plegen door te dringen, namelijk met grote kracht en onstuimigheid. Hebreeuws: om door te gaan, namelijk gesteld zijn. Anders: zoals de wervelwinden in het zuiden doortrekken, zo komt hij uit de woestijn, uit het vreselijke land.
hij
Te weten Cyrus, of de last; dat is de straf; te weten over Babel; anders, het; te weten het leger van Cyrus.
Hertaald:
hij
Namelijk: Cyrus; of de last, dat is: de straf, namelijk over Babel; anders: het, namelijk het leger van Cyrus.
uit de woestijn
Dat is, uit Perzië en Medië. Tussen deze landen en Babylonië is een grote woestijn, die Cyrus met zijn leger moest doorgaan als hij naar de stad Babylon wilde komen.
Hertaald:
uit de woestijn
Dat is: uit Perzië en Medië. Tussen die landen en Babylonië ligt een grote woestijn, die Cyrus met zijn leger moest doortrekken wanneer hij bij de stad Babel wilde komen.
een vreselijk
Aldus noemt de profeet het land der Perzen en Meden omdat het land van Babylonië door Cyrus, den koning der Perzen en Meden, is overwonnen en jammerlijk verwoest geworden.
Hertaald:
een vreselijk
Zo noemt de profeet het land van de Perzen en Meden, omdat het land Babylonië door Cyrus, de koning van de Perzen en Meden, overwonnen en jammerlijk verwoest is.
Een hard gezicht
De eerste woorden van dit vs. zijn de woorden van den profeet, die hier zijn last, dit is hetgeen hem in een gezicht van God was te kennen gegeven, hard noemt, omdat God de Babyloniërs daardoor dreigde zwaarlijk te zullen straffen.
Hertaald:
Een hard gezicht
De eerste woorden van dit vers zijn woorden van de profeet, die zijn last — dat is: wat hem in een gezicht door God te kennen gegeven was — hier hard noemt, omdat God de Babyloniërs daarmee dreigde hen zwaar te zullen straffen.
die trouweloze handelt
Hier spreekt God van den koning van Babel, die in zijn gewone trouweloosheid en verstoring van andere natiën dagelijks was voortvarende en velen onder zijne tirannie deed zuchten.
Hertaald:
die trouweloze handelt
Hier spreekt God over de koning van Babel, die dagelijks voortging in zijn gewone trouweloosheid en verwoesting van andere volken en velen onder zijn tirannie deed zuchten.
trek op,
Te weten om de Babyloniërs te straffen.
Hertaald:
trek op,
Namelijk: om de Babyloniërs te straffen.
o Elam
Dat is, gij Elamieten; dat is, gij Perzen, gelijk Hand. 2:9 .
Hertaald:
o Elam
Dat is: u, Elamieten — dat is: u, Perzen, zoals in Hand. 2:9.
beleger ze,
Te weten de stad Babel, of belegert hem te weten den koning van Babel.
Hertaald:
beleger ze,
Namelijk: de stad Babel; of: belegert hem, namelijk de koning van Babel.
o Media
Dat is, gij Meden. Hier noemt God de Heere die natiën, [te weten de Perzen en Meden] door welke Hij honderd en zeventig jaren daarna, zo enigen rekenen, het koninkrijk van Babylonië verstoren zou.
Hertaald:
o Media
Dat is: u, Meden. Hier noemt God de HEERE die volken — namelijk de Perzen en Meden — door wie Hij honderdzeventig jaar later, zoals sommigen berekenen, het koninkrijk Babylonië zou verwoesten.
Ik heb al
Of, Ik zal hare zuchting doen ophouden.
Hertaald:
Ik heb al
Of: Ik zal haar zuchten doen ophouden.
haar zuchting
Te weten van het Joodse volk, hetwelk zo in de stad als in het ganse rijk van Babel was zuchtende vanwege de langdurige gevangenschap, uit welke zij eindelijk door den koning Cyrus zijn verlost geworden, latende hen naar hun vaderland trekken, nadat hij Babel had ingenomen. Doch enigen nemen het laatste lid van dit vs. in dezen zin: Ik zal een einde maken aan al het zuchten der Babyloniërs, te weten der goddeloze Babyloniërs. En zo is het dan zoveel gezegd als: Ik zal het zuchten, door de goddeloze Babyloniërs veroorzaakt, doen ophouden. Dusdanige manier van spreken is ook Gen. 18:20 :het geroep van Sodom; dat is, door die van Sodom veroorzaakt.
Hertaald:
haar zuchting
Namelijk: van het Joodse volk, dat zowel in de stad als in het hele rijk van Babel zuchtte vanwege de langdurige gevangenschap, waaruit zij ten slotte door koning Cyrus verlost zijn: hij liet hen naar hun vaderland trekken nadat hij Babel had ingenomen. Sommigen vatten het laatste deel van dit vers echter zo op: Ik zal een einde maken aan al het zuchten van de Babyloniërs, namelijk van de goddeloze Babyloniërs. Dan wil het zoveel zeggen als: Ik zal het zuchten dat door de goddeloze Babyloniërs veroorzaakt wordt doen ophouden. Zo'n manier van spreken staat ook in Gen. 18:20: het geroep van Sodom — dat is: het geroep dat door de inwoners van Sodom veroorzaakt wordt.
Daarom
Te weten, omdat ik hoor dat de Perzen en Meden komen aangemarcheerd om de stad Babylon te belegeren, te bestormen, in te nemen, te plunderen, te verwoesten en te vernielen alles wat er in of omtrent is.
Hertaald:
Daarom
Namelijk: omdat ik hoor dat de Perzen en Meden komen aanmarcheren om de stad Babel te belegeren, te bestormen, in te nemen, te plunderen, te verwoesten en alles te vernietigen wat er in of omheen is.
van horen,
Dat is, als ik het hoor.
Hertaald:
van horen,
Dat is: wanneer ik het hoor.
Mijn hart dwaalt,
Dat is, mijne gedachten wandelen omher; ik weet niet waarheen ik mij van schrik en benauwdheid zal keren of wenden.
Hertaald:
Mijn hart dwaalt,
Dat is: mijn gedachten dwalen rond; ik weet van schrik en benauwdheid niet waarheen ik mij moet keren of wenden.
de schemering,
Of, mijn gewenste schemering. Anders, de duisternis; dat is, de nacht, dien ik begeerde, te weten om gerust te mogen slapen. Anderen verstaan hier door de schemering den morgenstond, waar men naar wenst en verlangt als men des nachts niet heeft kunnen slapen, want dan valt men gemeenlijk in slaap.
Hertaald:
de schemering,
Of: mijn gewenste schemering. Anders: de duisternis — dat is: de nacht waarnaar ik verlangde, namelijk om rustig te kunnen slapen. Anderen verstaan hier onder de schemering de morgenstond, waarnaar men uitziet en verlangt wanneer men 's nachts niet heeft kunnen slapen, want dan valt men gewoonlijk in slaap.
waar ik naar verlangd
Hebreeuws eigenlijk, mijner omhelzing.
Hertaald:
waar ik naar verlangd
Hebreeuws eigenlijk: van mijn omhelzing.
stelt
Dat is, verandert Hij mij.
Hertaald:
stelt
Dat is: verandert Hij mij.
Hij mij
Te weten, God; anderen, de vijand, die aankomt met zijn verschrikkelijk leger.
Hertaald:
Hij mij
Namelijk: God; volgens anderen de vijand, die met zijn verschrikkelijke leger komt aanzetten.
Bereid de tafel,
Stel alles op de tafel in goede orde. Hier spreekt God, of de profeet, de Babyloniërs ironisch aan, en het is zoveel alsof hij zeide: Maakt vrij goede sier, als gij maar de wacht bestelt, zo is het genoeg. Maar eer gij het vermoedt zal u de vijand op den hals komen, alzo dat koning en vorst op de benen zal moeten zijn met de wapens in de hand.
Hertaald:
Bereid de tafel,
Zet alles op de tafel in goede orde. Hier spreekt God, of de profeet, de Babyloniërs op ironische wijze aan, en het komt erop neer alsof hij zei: maak gerust goede sier, als u de wacht maar uitzet, dan is het genoeg. Maar voordat u het vermoedt, zal de vijand u op de hals komen, zodat koning en vorst met de wapens in de hand op de been zullen moeten zijn.
zie toe,
Alsof hij zeide: Laat de wacht de zorg bevolen zijn, maakt gijlieden u vrolijk, zijt onbekommerd.
Hertaald:
zie toe,
Alsof hij zei: laat de zorg maar aan de wacht over; maak u vrolijk en wees onbekommerd.
wachter
Hebreeuws, wacht.
Hertaald:
wachter
Hebreeuws: wacht.
maakt u op,
Eenigen nemen deze woorden als tot de vorsten van Babel ironisch gesproken te zijn, gelijk straks gezegd is, in dezen zin: Terwijl gijlieden banketteert zal onvoorziens de wachter roepen: Maakt u op, de vijand is voorhanden, enz. Anderen verstaan hier, de vorsten der Pezen en Meden, alsof God, of de profeet, tot hen zeide: Maakt u op ten strijde, terwijl de Babyloniërs goede sier maken en zorgeloos zijn, tast hen aan, overvalt hen, enz.
Hertaald:
maakt u op,
Sommigen vatten deze woorden op als ironisch gericht tot de vorsten van Babel, zoals zojuist gezegd is, in deze zin: terwijl u banketteert, zal de wachter onverwacht roepen: maak u op, de vijand staat voor de deur, enzovoort. Anderen verstaan hier de vorsten van de Perzen en Meden, alsof God of de profeet tot hen zei: maak u op ten strijde; nu de Babyloniërs goede sier maken en zorgeloos zijn, val hen aan, overval hen, enzovoort.
bestrijkt
De krijgslieden plachten hunne schilden of rondassen met olie te besmeren, om die glad en helder te maken. En onder het woord schild kan men hier bekwamelijk verstaan alle krijgsuitrusting en wapens, zodat bestrijkt het schild, zoveel te zeggen is als bereidt u ten strijde.
Hertaald:
bestrijkt
De krijgslieden plachten hun schilden of rondassen met olie in te smeren om ze glad en glanzend te maken. Onder het woord schild kan men hier goed alle krijgsuitrusting en wapens verstaan, zodat bestrijkt het schild zoveel wil zeggen als: maakt u gereed voor de strijd.
Want aldus
Hier spreekt de profeet wederom in zijn eigen persoon, verhalende het visioen, hetwelk hij gezien heeft.
Hertaald:
Want aldus
Hier spreekt de profeet weer in zijn eigen persoon en verhaalt hij het visioen dat hij gezien heeft.
zet een wachter,
Alsof de Heere tot den profeet zeide: Opdat gij des te meer moogt verzekerd wezen van den ondergang der Babyloniërs, zo neem nog een getuige tot u, hetzij een profeet of een discipel der profeten, of iemand uit het volk, die u bericht doe van hetgeen hij gezien heeft.
Hertaald:
zet een wachter,
Alsof de HEERE tot de profeet zei: opdat u nog zekerder zou zijn van de ondergang van de Babyloniërs, neem er nog een getuige bij — hetzij een profeet, hetzij een leerling van de profeten, hetzij iemand uit het volk — die u bericht van wat hij gezien heeft.
aanzeggen,
Te weten u, o Jesaja, of de Babyloniërs.
Hertaald:
aanzeggen,
Namelijk: u, o Jesaja, of de Babyloniërs.
hij zag
Te weten de wachter, dien ik gesteld had, en hij zag, dat is, hij riep of boodschapte wat hij zag.
Hertaald:
hij zag
Namelijk: de wachter die ik gesteld had; en hij zag, dat is: hij riep of meldde wat hij zag.
een wagen,
Anders: wagenen, twee rijen, of benden, ruiters, enz.
Hertaald:
een wagen,
Anders: wagens, twee rijen of benden ruiters, enzovoort.
een wagen met ezels,
Dat is, een wagen van ezels [of muilen] en een wagen van kemelen getrokken. Hier wordt beschreven de aankomst van de heirtocht van Cyrus, als hij zou marcheren om Babylon te gaan belegeren. Want door de wagens moet men hier verstaan heirwagens.
Hertaald:
een wagen met ezels,
Dat is: een wagen die door ezels of muildieren getrokken wordt en een wagen die door kamelen getrokken wordt. Hier wordt de aankomst van de veldtocht van Cyrus beschreven, toen hij optrok om Babel te gaan belegeren. Want onder de wagens moet men hier strijdwagens verstaan.
hij merkte
Hebreeuws, Hij merkte er op met merking, met veelheid, of grootheid der opmerking.
Hertaald:
hij merkte
Hebreeuws: hij merkte er op met opmerking, met veelheid of grootheid van opmerking.
hij riep
Te weten de wachter.
Hertaald:
hij riep
Namelijk: de wachter.
Een leeuw,
Te weten, is er voorhanden, verstaande door den leeuw den koning Cyrus, komende om Babylon te belegeren. Anders: [als] een leeuw; dat is, met een grote en vervaarlijke stem.
Hertaald:
Een leeuw,
Namelijk: er is een leeuw voorhanden; onder de leeuw wordt koning Cyrus verstaan, die komt om Babel te belegeren. Anders: als een leeuw — dat is: met een luide en angstaanjagende stem.
ik sta
Of, ik zal geduriglijk op de wachtplaats staan.
Hertaald:
ik sta
Of: ik zal voortdurend op de wachtpost staan.
En zie nu,
Of, en zie dit aan.
Hertaald:
En zie nu,
Of: en zie dit aan.
daar komt een wagen
Anders: Zie, daar is alrede een wagen eens mans met twee paarden ingekomen; te weten in de stad Babel.
Hertaald:
daar komt een wagen
Anders: zie, daar is al een wagen van een man met twee paarden binnengekomen, namelijk in de stad Babel.
een paar ruiters
Of, twee hopen ruiters, alzo ook vs.7.
Hertaald:
een paar ruiters
Of: twee groepen ruiters; zo ook in vers 7.
hij,
Te weten de wachter, of die in den wagen was.
Hertaald:
hij,
Namelijk: de wachter, of hij die in de wagen zat.
Hij verbroken
Te weten God de Heere, of Cyrus door het bevel des Heeren.
Hertaald:
Hij verbroken
Namelijk: God de HEERE, of Cyrus op bevel van de HEERE.
O mijn dorsing,
Hier spreekt de profeet het volk Gods aan en noemt het zijne dorsing, of zijn dorsgewas, omdat hij hetzelve voorzegd had, dat het naar Babylonië gevoerd en aldaar gedorst, dat is, gekweld en jammerlijk geplaagd zou worden, gedurende de zeventig jaren hunner gevangenschap. Zie dergelijke manier van spreken Jes. 25:10 , en Jes. 41:15 ; Jer. 51:33 ; Mi. 4:13 .
Hertaald:
O mijn dorsing,
Hier spreekt de profeet het volk van God aan en noemt hij het zijn dorsing of zijn dorsgewas. Hij had het namelijk voorzegd dat het naar Babylonië gevoerd en daar gedorst zou worden — dat is: gekweld en jammerlijk geplaagd — gedurende de zeventig jaar van hun gevangenschap. Zie een dergelijke manier van spreken in Jes. 25:10, Jes. 41:15, Jer. 51:33 en Micha 4:13.
de tarwe
Of, het koren mijns dorschvloers. Hebreeuws, de zoon mijns dorschvloers; zie de aantekening Job 5:7 .
Hertaald:
de tarwe
Of: het koren van mijn dorsvloer. Hebreeuws: de zoon van mijn dorsvloer; zie de aantekening bij Job 5:7.
De last
Zie Jes. 13:1 .
Hertaald:
De last
Zie Jes. 13:1.
Duma
Dat is, Idumen, of Edom, alzo staat er Job 32:2 . Ram voor Aram.
Hertaald:
Duma
Dat is: Idumea, of Edom; zo staat er in Job 32:2 ook Ram voor Aram.
tot mij
Den profeet Jesaja, die tot een wachter over het Joodse volk gesteld was.
Hertaald:
tot mij
Namelijk: tot de profeet Jesaja, die als wachter over het Joodse volk aangesteld was.
uit Seïr
Dat is, een uit Seïr roept tot mij, dat is, een Edomiet. De profeet neemt hier den berg Seïr [gelegen in het land der Edomieten, Gen 36 en Deu 2] , voor het gehele land der Edomieten.
Hertaald:
uit Seïr
Dat is: iemand uit Seïr roept tot mij, dat is: een Edomiet. De profeet neemt hier de berg Seïr, die in het land van de Edomieten ligt (Gen. 36 en Deut. 2), voor het hele land van de Edomieten.
Wachter
Dat is, gij profeet Jesaja, die uzelven uitgeeft voor een wachter over Juda en Israël. Zie Ezech. 3:17 .
Hertaald:
Wachter
Dat is: u, profeet Jesaja, die zich uitgeeft voor een wachter over Juda en Israël. Zie Ezech. 3:17.
wat is er van den nacht?
De woorden der Edomieten spottenderwijze gesproken, alsof zij zeiden: Gij profeet hebt vóór dezen veel gezegd van den nacht, of het ongeluk, dat ons en onzen naburen zou overkomen, maar wij genieten al vast den morgen, dat is, den gelukzaligen tijd, in welken wij ulieden niet meer onderworpen zijn, maar van de tijden af, dat wij uws konings Jorams juk afgeworpen hebben, tot nu toe, hebben wij onzen eigen koning; 2 Kon. 8:20 .
Hertaald:
wat is er van den nacht?
De woorden van de Edomieten, spottend gesproken, alsof zij zeiden: u, profeet, hebt vroeger veel gezegd over de nacht, dat is: over het onheil dat ons en onze buren zou overkomen; maar wij genieten al de morgen, dat is: de gelukkige tijd waarin wij niet meer aan u onderworpen zijn. Vanaf de tijd dat wij het juk van uw koning Joram hebben afgeworpen tot nu toe hebben wij onze eigen koning; 2 Kon. 8:20.
De wachter zeide
Dat is, ik, Jesaja, spreek ulieden, o gij Edomieten, dit toe.
Hertaald:
De wachter zeide
Dat is: ik, Jesaja, zeg u dit, o Edomieten.
De morgenstond
Alsof hij zeide: Het is waar, gijlieden hebt nu lang in goede rust gezeten, maar dit zult gij weten, dat gij binnenkort door de Assyriërs zult overvallen worden, te weten als zij uwe naburen zullen aantasten.
Hertaald:
De morgenstond
Alsof hij zei: het is waar, u hebt nu lang in goede rust gezeten, maar dit moet u weten: binnenkort zult u door de Assyriërs overvallen worden, namelijk wanneer zij uw buren aanvallen.
het is nog nacht;
Of, het zal ook nacht worden; alsof hij zeide: Na deze rust zal u ellende overkomen.
Hertaald:
het is nog nacht;
Of: het zal ook nacht worden. Alsof hij zei: na deze rust zal u ellende overkomen.
vragen,
Te weten den Heere, namelijk door mij, hoe het u gaan zal. Anders: zoeken; te weten den Heere.
Hertaald:
vragen,
Namelijk: de HEERE, en wel door mij, hoe het u zal vergaan. Anders: zoekt, namelijk de HEERE.
vraagt;
Dat is zo doet het met ernst, en drijft den spot niet met God noch met mij, zijn dienaar.
Hertaald:
vraagt;
Dat is: doet het dan met ernst en drijft geen spot met God en evenmin met mij, Zijn dienaar.
keert weder,
Bekeer u van uw boze wegen tot den weg der gerechtigheid, welke de rechte weg is.
Hertaald:
keert weder,
Bekeert u van uw boze wegen tot de weg van de gerechtigheid, die de rechte weg is.
komt
Komt tot ons, die het volk Gods zijn.
Hertaald:
komt
Komt tot ons, die het volk van God zijn.
In het woud
Dat is, van bangheid voor de Assyriërs zult gijlieden in de woestijn bij nacht versteken.
Hertaald:
In het woud
Dat is: van angst voor de Assyriërs zult u zich 's nachts in de woestijn verbergen.
van Dedanieten
Dat is, der Dedanieten. Dezen waren nakomelingen van Dedan, den zoon van Joksan, den zoon van Abraham uit Ketura; Gen. 25:3 . Anders: in de paden van Dedanim, of in de wegen van Dedanim. Zie wijders Jer. 25:23 .
Hertaald:
van Dedanieten
Dat is: van de Dedanieten. Zij waren nakomelingen van Dedan, de zoon van Joksan, de zoon van Abraham bij Ketura; Gen. 25:3. Anders: op de paden van Dedanim, of op de wegen van Dedanim. Zie verder Jer. 25:23.
dorstige
Te weten den Dedanieten.
Hertaald:
dorstige
Namelijk: de Dedanieten.
des lands van Thema
In woest Arabië gelegen, eertijds den Ismaëlieten toekomende. Want Thema was een zoon van Ismaël; Gen. 25:15 .
Hertaald:
des lands van Thema
Gelegen in het woeste Arabië, vroeger toebehorend aan de Ismaëlieten. Want Thema was een zoon van Ismaël; Gen. 25:15.
den vluchtende
Of, den omdolenden.
Hertaald:
den vluchtende
Of: de ronddolende.
met zijn brood
Dat is, met het brood, hetwelk hij [te weten, de Dedaniet], van node had, opdat hij van honger niet sterven zou, en de profeet noemt het zijn brood [te weten, van den Dedaniet], omdat men schuldig was hem hetzelve in zijnen nood mede te delen, immers wordt hier beschreven de grote nood, waarin de Arabieren zouden vervallen, die vluchtende voor hunne vijanden, zouden genoodzaakt zijn hunne naburen om water en om brood te bidden.
Hertaald:
met zijn brood
Dat is: met het brood dat hij — namelijk de Dedaniet — nodig had om niet van honger te sterven. De profeet noemt het zijn brood, namelijk dat van de Dedaniet, omdat men verplicht was het hem in zijn nood mee te delen. In elk geval wordt hier de grote nood beschreven waarin de Arabieren zouden vervallen: op de vlucht voor hun vijanden zouden zij gedwongen zijn hun buren om water en brood te vragen.
voor de zwaarden,
Hebreeuws, voor het aangezicht der zwaarden, enz., en alzo in het volgende. En versta hier de zwaarden en bogen der Assyriërs, der krijgslieden Sanheribs.
Hertaald:
voor de zwaarden,
Hebreeuws: voor het aangezicht van de zwaarden, enzovoort; zo ook in het vervolg. Versta hier de zwaarden en bogen van de Assyriërs, de krijgslieden van Sanherib.
Nog binnen een jaar,
Of, of nog binnen het jaar; te weten van dien tijd te rekenen in welken dit gesproken wordt.
Hertaald:
Nog binnen een jaar,
Of: nog binnen het jaar, namelijk gerekend vanaf de tijd waarin dit gesproken wordt.
gelijk de jaren
Zie Jes. 16:14 .
Hertaald:
gelijk de jaren
Zie Jes. 16:14.
de heerlijkheid
Of, eer. Zie Job 16:9 .
Hertaald:
de heerlijkheid
Of: eer. Zie Job 16:9.
van Kedar
Dat is, der Kedarenen. Kedar was een zoon van Ismaël, Gen 25 , betekenende somtijds het gehele steenachtige Arabië; Ps. 120:5 .
Hertaald:
van Kedar
Dat is: van de Kedarenen. Kedar was een zoon van Ismaël, Gen. 25; de naam duidt soms het hele steenachtige Arabië aan; Ps. 120:5.
der schutters,
Deze mannen hebben nog behouden den aard van hun voorvader Ismaël, die een voortreffelijk schutter was; Gen. 21:20 .
Hertaald:
der schutters,
Deze mannen hebben nog steeds de aard behouden van hun voorvader Ismaël, die een uitstekend boogschutter was; Gen. 21:20.
de helden der Kedarenen,
Hebreeuws, de helden der kinderen van Kedar.
Hertaald:
de helden der Kedarenen,
Hebreeuws: de helden van de kinderen van Kedar.
minder worden,
Velen van hen zijn door de Assyriërs doodgeslagen.
Hertaald:
minder worden,
Velen van hen zijn door de Assyriërs doodgeslagen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Ligging: Beide oasesteden in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, langs belangrijke karavaanroutes. Geschiedenis: In Jesaja's "last aangaande Arabië" worden de reizende karavanen van Dedan opgeroepen in de wouden te vernachten, terwijl de inwoners van het land Tema water en brood moeten brengen aan de vluchtelingen die voor het zwaard van de oorlog ontkomen zijn (Jes. 21:13-15). Beide plaatsen worden elders geroemd om hun handelskaravanen en kostbare waren (Jer. 25:23; Ez. 27:15, 20; 38:13; Job 6:19). Bijbelse betekenis: Een ontroerend beeld van naastenliefde temidden van oorlogsgeweld: zelfs handelaars uit een overigens weinig vermeld volk worden opgeroepen brood en water te delen met wie op de vlucht is — een voorafschaduwing van de barmhartigheid die de Schrift van Gods volk jegens de vreemdeling en vluchteling vraagt. Archeologie: Dedan wordt algemeen geïdentificeerd met de omvangrijke opgravingen bij het huidige al-'Ula in Saoedi-Arabië, met rotsinscripties en -graven uit het oud-Arabische Lihyanitische rijk; Tema met de gelijknamige oasestad Tayma, waar een beroemde Aramese/Akkadische inscriptiesteen (de "Tayma-steen") gevonden is. Recente inzichten: Al-'Ula en Tayma, beide in de huidige provincie Medina, Saoedi-Arabië. Gen. 10:7; 25:3, 15; Job 6:19; Jes. 21:13-15; Jer. 25:23; Ez. 27:15, 20; 38:13 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas "De last der woestijn aan de zee" begint met een hard gezicht (Jes. 21:1-2). Wat dat gezicht met de profeet doet, staat er meteen bij: "Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeen hebben mij aangegrepen"; hij zegt zelfs dat hij zich kromt van horen (Jes. 21:3). Dan komt de opdracht: "Ga heen, zet een wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet" (Jes. 21:6). De wachter blijft op zijn post, dag en nacht (Jes. 21:8). En dan komt het bericht: "Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden harer goden heeft Hij verbroken tegen de aarde" (Jes. 21:9). Het gedeelte sluit met de reden waarom de profeet dit doorgeeft: wat hij van de HEERE gehoord heeft, heeft hij hun aangezegd (Jes. 21:10). Bijbelse betekenis: Merk op wat het bericht met de brenger doet. Babel is de macht die Juda bedreigde, en de val ervan zou goed nieuws moeten zijn; toch wordt de profeet er lichamelijk ziek van (Jes. 21:3). Dat is dezelfde toon als eerder bij de volken (reeds behandeld bij Jes. 15:5). Let vervolgens op de wachter. Hij bedenkt niets en verzint niets; hij staat, kijkt en zegt aan wat hij ziet. Dat is in enkele woorden de hele taak van een profeet. Let ten slotte op wat er van de goden van Babel gezegd wordt. Niet alleen de stad valt, ook haar beelden liggen op de grond. Wie een stad ziet vallen, ziet daarmee ook haar goden vallen. Typologie: Johannes hoort deze woorden terug bij de val van het Babylon uit zijn eigen gezicht: "Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon" (Op. 18:2). Dezelfde roep klonk kort daarvoor al uit de mond van een engel (Op. 14:8). De naam staat daar voor alle macht die zich tegen God verheft. Jes. 21:1-10; Jes. 15:5; Op. 18:2; Op. 14:8 "De last van Duma. Men roept tot mij uit Seir: Wachter! wat is er van den nacht? Wachter! wat is er van den nacht?" (Jes. 21:11). De vraag wordt twee keer gesteld, en dat verraadt hoe dringend zij is. Het antwoord bestaat uit één zin: "De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht" (Jes. 21:12). Daarna volgt een uitnodiging: wie vragen wil, moet vragen, en terugkomen. Het gedeelte dat erop volgt gaat over vluchtelingen uit Arabië, en daar staat een opdracht bij die in deze samenhang opvalt: "Komt den dorstige tegemoet met water" (Jes. 21:14). Bijbelse betekenis: Merk op wat de wachter niet doet. Hij belooft geen spoedig einde en hij ontkent de nacht niet. Er staat allebei: de morgen is begonnen én het is nog donker. Wie in de nacht zit, heeft aan een te mooi antwoord niets. Let vervolgens op de uitnodiging die erop volgt. De vraag wordt niet afgekapt maar opengehouden: vraagt, en komt terug. Dat is geen afwijzing maar een deur die op een kier blijft. Let ten slotte op de opdracht in Jes. 21:14. Terwijl de nacht duurt, is er iets te doen dat wél in de macht van mensen ligt: de dorstige tegemoet gaan met water. Wat men niet kan verklaren, kan men soms wel verlichten. Typologie: Petrus geeft dezelfde raad voor de tussentijd, en met hetzelfde beeld: wij hebben het profetische woord, "en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte" (2 Petr. 1:19). Jes. 21:11-14; 2 Petr. 1:19 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 21
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Jesaja 21
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
VIII. Vs. 1-17.KruisverwijzingenJeremia 51:33→Jesaja 33:1→Jesaja 13:8→Jeremia 51:8→Openbaring 14:8→Openbaring 18:2→Micha 4:13→Jeremia 51:42→
— De last der woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het zuiden henen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land. Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouwelooslijk, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden. Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeen hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeen van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien. Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving. Bereid de tafel, zie toe, gij wachter! eet, drink; maakt u op, gij vorsten, bestrijkt het schild! Want aldus heeft de Heere tot mij gezegd: Ga heen, zet een wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet. En hij zag een wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kemels; en hij merkte zeer nauw op, met grote opmerking. En hij riep: Een leeuw, Heere! ik sta op den wachttoren geduriglijk bij dag, en op mijn hoede zet ik mij ganse nachten. En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zeide: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden harer goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. O mijn dorsing, en de tarwe mijns dorsvloers! wat ik gehoord heb van den HEERE der heirscharen, den God Israels, dat heb ik ulieden aangezegd.
Ons hoofdstuk verbindt drie voorzeggingen tot één geheel, daar het de landen, tegen welke de godsspraken gericht zijn, met zinnebeeldige namen aanwijst. De eerste richt zich tegen Babel, de woestijn aan de zee (vs. 1-10) de tweede tegen Edom, het land van stilte des doods (vs. 11 en 12); de derde tegen ARABIË begint tegen den avond (vs. 13-17). Alle drie hebben echter ten doel om Israël te troosten. De eerste profetie, Babels verovering door Cyrus, wordt op ene wijze geschilderd, dat wij aan die afdeling het opschrift: “gerustheid door den val verrast” zonden kunnen geven. Uit deze moet Israël den zekeren ondergang van zijnen verdrukker en de vreedzame vrucht der gerechtigheid leren kennen, die uit zijne kastijding door deze macht voort zal komen. Uit de tweede profetie, die ons leert, dat geroep om hulp zonder bekering gene genade vindt” moet Israël afleiden, dat zijn oude erfvijand Edom zich nooit op den duur kan herstellen. Integendeel, daar het den enigen weg des behouds, den koninklijken weg des berouws versmaadt, niets dan nacht en stilte des doods tot zijne toekomst heeft. Uit de derde profetie eindelijk, die aanwijst, hoe de ridderlijke zin der nu nog op hun vrijheid zo trotse en aan den strijd gewende zonen der woestijn in korten tijd tot een lafhartigen knecht worden, en hun geheel buitengewoon getal tot een niets betekenend overblijfsel zal versmelten, moet Israël ene gelijkenis zien van zijn eigen overblijfsel, waarvan zo dikwijls sprake was, alleen met dit onderscheid: dat, terwijl het met het overblijfsel van ARABIË avond wordt, het met Israël’s overblijfsel morgen wordt (vgl. Hoofdstuk 8:20).
De last (Hoofdstuk 13:1) der woestijn aan de zee, 1) der stad Babel. Gelijk de wervelwinden in het zuiden henen doorgaan, daarhenen varen-want daar in de onbegrensde steppen van het zuiden of zuid-oosten hebben de hevige alles omverwerpende orkanen hun uitgangspunt (Job 1:19; 37:9. (Zach. 9:14) zal hij uit de woestijn komen, het verwoestend onweder tegen Babel, uit een vreeslijk land, (men deze hier 2 Kron. 36:20). Het vaste land, waarop Babel staat, is een grote vlakte, die ten zuiden in woest-ARABIË uitloopt, en die op zulk ene wijze door den Eufraat alsmede door moerassen en meren is doorsneden, dat zij als in ene zee zwemt. Deze natuurlijke toestand der stad wordt tot een omineus (bedenkelijk) voorteken voor haar einde gemaakt; in Jeremia 50:38; 51:13 wordt de rechte aanwijzing daartoe gevonden. Deze naam zinspeelt daarop, dat de grote stad, even als ene woestijn, ondanks al hare heerlijkheid, geestelijk eenzaam en verwijderd is, en de zee der volken, ene bruisende menigte van verwilderde mensen, haar vervult en omgeeft. De wereldstad Babel is het tegendeel van het rijk Gods en van het door God bestuurd Jeruzalem.
Abydenus zegt (bij Eus. praep IX 41) dat alles in den beginne water was en ook yalassa (zee) heet; en de gedenkschriften noemen zuidelijk Babylonië het zeeland, en diens koning, koning der zee.
Een hard gezicht, dat onverdraaglijke dingen verkondigt, is mij te kennen gegeven; die trouweloze, die op woeste wijze rooft en plundert, handelt trouwelooslijk 1), de nu nog heersende Chaldeeër gaat met andere volken op wrede wijze om, hij gaat voort, het recht der volken te schenden en tegen alle billijkheid de natiën te verdrukken, en die verstoorder verstoort, de Medo-Perzen zullen echter over hen komen en hun land geheel verwoesten; trek dan op, om die opdracht te volvoeren, uit uw land in het oosten van Babylonië, o, Elam! (= eeuwigheid), gij Perzen (Gen. 10:22, 14:1)! beleger ze, de Chaldeeën, in hun stad Babel, o Media! (= sieraad Jehova), gij Meden, die van het noorden komt (Hoofdstuk 13:17). Ik, de Heere, heb, terwijl Ik zulk ene roepstem ter belegering tot u laat uitgaan, al hare zuchting doen ophouden; 2) Ik heb een einde gemaakt aan de verdrukking van al die volken, en in ‘t bijzonder van Mijn volk Israël (Ps. 137:1 vv.).
Of: De zover rooft.
Voor de arme gevangen Joden zou dit een welkom en aangenaam nieuws zijn, als dien het al lang voorspeld was, dat Babels verwoester hun verlosser zou zijn. Dus zou al hun zuchten ophouden, zodra ze hoorden, dat de Perzen en Meden zich tegen die van Babel verbonden en de hoofdstad nu belegerd hadden. Dit zou hen nu niet langer tranen doen storten en bange klachten doen lozen aan den Eufraat, maar hun harpen van de wilgen doen afnemen en met blijdschap aan Zion doen gedenken. Want het zuchten der behoeftigen zal den God der ontferming te zijner tijd ter hunner vertroosting doen opstaan, als die het juk van hun nek afwerpen en verbreken en de roede der goddelozen van hen zal afnemen, en dus alle tranen van hun ogen afwissen en hun zuchten in juichen veranderen zal.
Daarom, omdat het een zo hard gezicht is, hetwelk mij, den profeet, is getoond, (vs. 2) en ik, terwijl ik het onder allerlei schrikbeelden wedergeef, het als het ware onder barensweeën moet voortbrengen (vgl. Hoofdstuk 15:5; 16:9), zijn mijne lenden vol van grote ziekte, bange weeën hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeën van ene, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien, zodat mij horen en zien vergaat. De profeten zijn niet zonder belangstelling in den inhoud hunner voorzeggingen, alsof zij slechts mechanische werktuigen waren van den inspirerenden Geest; zij worden tot vrees en hoop gedrongen, met smart en vreugde vervuld, en dat dikwijls in zulk ene mate, alsof het voorzegde hun eigene ervaring ware. Dat het echter in zulk een geval niet hun eigene natuurlijke stemming is, die hem beweegt, maar zulk ene, gelijk die eerst door de objectieve inwerking van den goddelijken Geest bij hen is te voorschijn geroepen, blijkt in ‘t bijzonder daaruit, dat het den profeet van nature eigen gevoel dikwijls in het tegenovergestelde verandert. Zo is bijv. wanneer de profeet de gerichten over de vijanden zijns volks verkondigt bij hem natuurlijk het gevoel van vreugde; desniettemin zijn er plaatsen (behalve in Hoofdstuk 13 en 16, vooral ook hier), op welke de profeet zozeer in het beleven van het wee, dat hij den vijanden verkondigt, wordt ingeleid, dat hij zelf in weeklachten losbarst en de smart geheel als zijne eigene gevoelt. Omgekeerd komen er echter ook weer plaatsen voor, waar het natuurlijk gevoel van den profeet geen invloed mag hebben op zijne voorzegging; hoe bitter hem dan ook volgens zijn gevoel de inhoud zijner profetie moge zijn, moet toch ook zulk een Woord Gods hem opwekken, en, opgenomen in zijn binnenste, hem tot vreugde en blijdschap worden. (Ezechiël. 2:8-8 :3. Openbaring 10:8 vv.).
Mijn hart dwaalt, klopt hevig, gruwen, angst verschrikt mij; a) de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.
Job 7:3. De lieflijke tijd der avondschemering, zegt de profeet, is mij door de gezichten, die ik zie, tot een uur van schrik en beven geworden. Daarmee geeft hij zinnebeeldig (typisch) te kennen, dat Babel ook juist in den tijd van nachtelijk vermaak de verschrikking der verovering door den vijand zal ondervinden. Wanneer in den vorm van het ontzettende, vergezeld door een verpletterenden schrik, de geest der profetie hier over Jesaja komt, zo moet zich in zijn persoon en zijne gehele voorstelling de aard der gebeurtenissen, waarvan sprake is, afspiegelen als zodanige, die ter hunner tijd met een plotselingen schrik overvallen en als een valstrik moeten komen over de wereld, die in gerustheid voortleeft. De profeet in zijne schone, deelnemende menselijkheid voelt medelijden met den zondaar, dien het Godswoord richten en van zijne zekere hoogte afstoten moet; maar juist zulk een woord der waarheid en liefde doet de machtigste werking. Neemt een voorbeeld daaraan, gij predikers des Nieuwen Verbonds! Dondert met de stem der waarheid in de harten der onboetvaardige zondaars, maar laat ook het suizen der liefde vernemen, dat uit het medegevoel der zonde en van hare smart voortkomt.
Leeft voort in zorgeloosheid en gerustheid, zo overdadig en zwelgend als gij gewoon zijt, gij groten in Babylon! Bereid de tafel, zie toe, gij wachter! die gesteld zijt om te waken, opdat geen vijand onverhoeds de stad overvalle; bovendien, het is vrede, er geen gevaar! Eet dan, drink! Ziet, op eens zal het te midden van uwe maaltijden en drinkgelagen klinken: Maakt u op, gij vorsten! ten strijde tegen den plotseling ingedrongen vijand, bestrijkt het schild (Jer. 51:11), naardien gij in uwe gerustheid verzuimde, uwe wapenen in orde te brengen (Hoofdstuk 13:8); doet het nu het te laat is. Onder het schild moet men verstaan alle wapenen, die tot bescherming dienen. De ouden waren gewoon hun schilden met olie te bestrijken; eensdeels om ze buiten roest en glad te houden, en anderdeels, om ze glibberig te maken, ten einde de schichten van den vijand daarin niet zouden hechten, maar daar langs afglijden.
Ik, de profeet des Heren, weet nauwkeurig, hoe het zal geschieden, hoewel nog meer dan 180 jaren moeten voorbijgaan, want aldus heeft de Heere, terwijl Hij de toekomstige gebeurtenissen mij reeds in den geest wilde laten ervaren, tot mij gezegd: Ga heen, terwijl de Babylonische vorsten in hun paleizen gezeten zijn en in zorgeloosheid en gerustheid zwelgen, zet enen wachter ter bewaking der stad, laat hem aanzeggen, wat hij ziet, wat in de verte plaats heeft, zodra hij iets waarneemt (2 Sam. 13:34 vv. 18:24 vv. 2 Kon. 9:17 vv. Verder is het de profeet zelf, die op de wacht staat (vs. 11. Habakuk. 2:3. vv.); maar hier in het gezicht wordt de profeet onderscheiden van hem, die op de wacht staat, zodat hij zich als het ware in twee personen verdeelt.
En hij zag, nadat hij ene poos had gestaan, enen wagen, een paar ruiters, enen wagen met ezels, enen wagen met kamelen, dus ene lange rij, die in geregelde orde zeer stil, als ene karavaan van het gebergte van Medië afkomt (Hoofdstuk 13:2 vv.); en hij merkte zeer nauw op met grote opmerking; hij luisterde zo scherp als hij kon, om te vernemen, wat die menigte te betekenen had.
Maar de rij, die doodstil nadert, laat u niet bemerken, wat hare bedoelingen zijn; spoedig is zij ook weer voor des wachters oog verdwenen. En hij riep als een leeuw, daar hem het geduld wegens het lange vergeefse rondzien ten einde was, zo dof, zo diep uit de volle borst, als de leeuw brult: Heere! a) ik sta op den wachttoren geduriglijk bij dag, en op mijne hoede zet ik mij ganse nachten; ik zie na dien onverklaarbaren en nu weer verdwenen optocht niets meer!
Habakuk. 2:1. De tussentijd komt den wachter in zijne gespannen verwachting van de dingen, die zullen komen, lang voor: een voorbeeld van het smartelijk wachten, waarmee men later op het woord van den profeet Babylons val met verlangen tegemoet zag.
En zie nu, nog vóórdat de wachter zijne klacht heeft uitgesproken, daar komt een wagen mannen, krijgsvolk, een paar ruiters, een kleine troep ruiters, om ene boodschap te brengen. Toen antwoordde hij, die ruiter met de zijnen, bericht gevende van hetgeen er van dien eersten langen trein (vs. 7) geworden was, en zei: a) Babel is gevallen! en al de gesnedene beelden harer goden heeft Hij, de Heere, verbroken tegen de aarde.
Jer. 25:12; 51:8. Openbaring 14:8; 18:2. Op den wachttoren, Heere, stond ik steeds des daags, en op mijne hoede was ik alle nachten uitgezet. En zie! daar kwamen ruiters altijd paarsgewijs op rossen, en zij begonnen en spraken: “gevallen enz, ” . De profeet wil in vs. 7 en 9 een bontgemengd en welgeordend ruiterenheir ons voor ogen stellen. Reeds J. D. Michaëlis heeft op de merkwaardige overeenstemming van het Perzische leger onder Cyrus met onze beschrijving opmerkzaam gemaakt. De plaatsen der ouden, hierop betrekkelijk, zich Xenoph. Cyrop. VII I, 14, 22. Herod. 4:29.
O, mijne dorsing! en de tarwe mijns dorsvloers! Mijn geliefd Israël, dat de Heere onder de tirannieke overmacht van het Babylonische wereldrijk heeft overgegeven, en dat op den dorsvloer te Babel ook gedorst zijt geworden, niet tot uw verderf, maar tot uwe zifting en loutering! Wat Ik, de profeet (Deut. 11:14), gehoord heb van den HEERE der heirscharen, den God Israël’s, dat heb ik ulieden tot uwen troost vooraf aangezegd, nog voordat die tijd van uwe dorsing komt, opdat gij weet, dat die tijd op Babels zekeren ondergang zal uitlopen. De kerk is Gods dorsvloer, waarop de beste voortbrengselen der aarde te zamen zijn gebracht. De ware gelovigen zijn de tarwe van Gods dorsvloer; geveinsden zijn niets dan kaf en stro, die wel de meeste ruimte innemen, maar van weinig waarde zijn, waarmee de tarwe nu vermengd is, maar die binnenkort en voor altijd daarvan zal worden afgescheiden. Het koren van Gods dorsvloer moet verwachten gedorst te worden door smarten en vervolgingen. Gods oude Israël was in droefenis. Juist dan erkent God, dat het nog het Zijne is; ja, het dorsen geschiedt onder Zijn opzicht, anders zouden de dorsers gene macht tegen hen hebben. Hij geeft verzekering van de waarheid, dat Hij hen heeft verlost, daarom mogen zij hun hoop op Hem vestigen. In alle gebeurtenissen, die de kerk betreffen, die tegenwoordige en verledene en toekomstige, moeten wij op God zien, beide als den Heere der vijanden en als den God van Israël, die de macht heeft, om te doen ten behoeve van de kerk en de genade heeft om alles te doen voor haar, wat goed is. Laat ons de woorden van den profeet ernstig ter harte nemen. Welk een angst en vreze moet zich van de vijanden Gods meester maken, wanneer de Heere zal opstaan om Zich op hen te wreken en wanneer al wat zij zien, horen, zich herinneren of verwachten, hun vrees zal vergroten.
De last, Gods vonnis over Duma, een land van stilte des doods, d. i. Edom (Num. 20:17). Men roept tot mij uit Seïr, krachtens mijn profetisch ambt door den Heere op de wacht gesteld, om de lotgevallen der volkeren te overzien, verneem ik in den nacht van angst en ellende, die nu de volkeren bedekt, uit het land der Edomieten een vragen van steeds toenemenden aandrang, even als een zieke naar het einde verlangt van den slapelozen nacht, en zijnen verzorger gedurig vraagt welk uur het is. Ik hoor de vraag: Wachter! gij, die op de wacht Gods staat, en den tijd in Zijn rijk kent! wat is er van den nacht? Wachter! wat is er van den nacht? hoeveel tijd is er reeds van voorbijgegaan? zal hij spoedig geëindigd zijn? Voor Edom nemen rechtstreeks de LXX (Idoumaia) en oudere en nieuwere uitlegers als Vitringa, Koppe, Rosenmuller, Bertholdt, Knobel stemmen in, zodat na ene geestige vervorming voor geplaatst zal zijn, “welke inwoners, ” gelijk Berthold zich uitdrukt, “andere zoveel geraas maakten, die nu echter onder de tegenwoordige omstandigheden geheel stil (silentium) zijn. ” (Ps. 94:17; 115:17). Er rust nacht op den gehelen aardbol rondom; het is de druk der Assyrische heerschappij, die alles of reeds onder de voeten heeft getreden, of zeker onder den voet treden zal, zonder dat voor de ogen der wereld ergens heil zou zijn, ergens hoop op verlossing. Ook Edom is onder de machtige treden van den veroveraar of reeds verpletterd, of het heeft geen ander uitzicht dan binnen korten tijd (vgl. vs. 16) eveneens verpletterd te worden. Slechts één volk staat te dier tijd nog onaangeroerd in het midden der volken (tussen het 7de en 14de jaar van Hizkia) het huis van Juda; dat zal later, hoewel aangetast en zwaar getroffen, maar heerlijk gered, door zijne redding een grond van zegen voor alle andere worden. Tot dit volk wendt zich Edom in zijn hogen nood. Wat al vijanden van buiten! De dwalingen maken een talrijk leger uit, en ieder uur verschijnen er wederom nieuwe; tegen welke ketterij moet ik op mijne hoede zijn? De zonden komen uit hare schuilhoeken te voorschijn, wanneer de duisternis heerst; ik moet zelf den wachttoren beklimmen en in de gebeden waken. Onze hemelse beschermer ziet vooruit al de aanvallen, die op ons zullen beproefd worden, en terwijl het tot nog toe het ons toegedachte kwaad slechts in het hart des satans is, bidt Hij voor ons dat ons geloof niet ophoude, wanneer wij als de tarwe gezift worden. Ga voort, genadige Wachter, ons vooraf voor onze vijanden te waarschuwen, en zwijg niet om Zions wil. “Wachter, wat is er van den nacht?” Welk weer zal het voor de kerk zijn? Pakken de wolken zamen, of is het helder en schoon boven ons hoofd! Wij moeten met grote liefde voor Gods kerk bezorgd zijn, en nu, daar het Pausdom en het geloof zamen dreigen, laat ons de tekenen der tijden opmerken en ons tot den strijd bereiden. “Wachter wat is er van den nacht?” Welke sterren zijn zichtbaar? Welke dierbare beloften zijn voor onzen tegenwoordigen toestand geschikt? Gij roept alarm, geef ons ook troost. Christus, de poolster, staat vast in zijne plaats, en al de sterren zijn vast in de rechterhand van hunnen Heer. Maar, Wachter, wanneer breekt de morgen aan? De bruidegom vertoeft. Zijn er gene tekenen van Zijne verschijning als de Zonne der gerechtigheid? Is de morgenster niet opgegaan als het bewijs van den dag? Wanneer zal de dag aanbreken en zullen de schaduwen vlieden? Ach, Heer Jezus indien Gij heden niet persoonlijk tot uwe wachtende kerk komt, kom dan toch in den Geest tot mijn zuchtend harte, en doe het van vreugde zingen.
De wachter zei: het antwoord, dat ik u op die vraag te geven heb, is geen ander, dan dit: De morgenstond is wel gekomen, en het is nog nacht 1), die is dadelijk weer door den nacht verslonden. Wilt gijlieden vragen, vraagt 2) dan mij en andere profeten met een oprecht gemoed en een hart, dat waarlijk belang stelt in de zaak; voor het overige, keert weer tot den Heere, den God van onzen vader Abraham, bekeert u oprecht, komt 3) om Hem te dienen en eerst dan zal een troostvol antwoord op uwe vraag kunnen gegeven worden.
De Idumeërs, aan het rijk van Israël schatplichtig (Gen. 27:40) hadden een langen tijd gehad, om zich de verbintenis met Israël ten nutte te maken en der waarheid ingang te verschaffen; zij hadden dat nooit gedaan, zij hadden integendeel altijd (nog het laatst onder Achaz, 2 Kron. 28:17) vijandelijkheid op vijandelijkheid gestapeld. Wanneer zij zich nu naar Jeruzalem wenden, zo is dit niet een teken van inwendige omkering, maar alleen een gevolg van uitwendigen nood, die op niets anders gegrond is dan op den wens, om van tijdelijke bezoeking bevrijd te worden. Dit volk in zulk ene stemming des harten is niet een volk, dat reine lippen had, zodat het den Heere mocht naderen. Met dezulken kan de Heere Zich niet bemoeien, Hij moet met hen ene vreemde taal spreken (Hoofdstuk 28:11), die zij niet verstaan (MATTHEUS. 13:13), opdat zij zich bekeren, wanneer zij willen gered zijn. Daarom de kortheid van deze uitspraak, ene kortheid, die bij de nauwe betrekking van Edom op Juda opmerkelijk zou zijn; daarom ook de gehele, zo hoogst eigenaardige toon, waarin het orakel is gehouden, dat raadselachtige, in ‘t bijzonder ook het verbergend opschrift.
Met dit antwoord komt de geschiedenis overeen: op de Assyrische heerschappij volgde de Chaldeeuwse, en op de Chaldeeuwse de Perzische, en op de Perzische de Griekse; steeds was daartussen ene morgenschemering (en welk ene in den tijd der Herodessen!) voor Edom, maar die dadelijk weer als een nieuwe nacht is ten onder gegaan, totdat Edom geheel en al een Duma is geworden en uit de geschiedenis der volken is verdwenen. Het is met Edom geheel anders dan met Israël, welke nacht-geschiedenis door een beloofden morgenstond onveranderlijk zal gevolgd worden.
De weg tot zegen is, even als voor Israël, zo ook voor alle andere volken geen andere, dan de weg van bekering. Als de mensen in den nacht der benauwdheid vrezen en beven, dan roepen zij angstig: “zal de morgen der redding haast komen?” Ja! de morgen zal komen, maar ook de nacht valt weer in; de afwisseling tussen vreugde en rouw houdt onder de zon niet op. Wordt gij dan het vragen niet moede, gij levende geslachten der aarde, of de morgen haast komt! Verschenen is toch de blijde morgen van een eeuwigen dag in ‘t licht des geloofs aan Hem, bij Wiens licht wij het licht zien; bij Wie de fontein is des levens (Ps. 36:10). Laat u verlichten door dat licht, drinkt uit deze bronnen des levens, en het zal helder in u zijn, wanneer ook de duistere nacht u omgeeft. Zo roept reeds den angstig wachtenden van ‘t gebergte Seïr de wachterstem der profeten van den hogen wachttoren des geloofs op den grond des Ouden Verbonds toe; en wij, wie de eeuwige Zon in ‘t Nieuwe Verbond verschenen is, zouden nog vragen, wanneer ‘t op de aarde nacht om ons wordt: “Komt de morgen niet haast?” . Zij die tot God willen wederkeren hebben een groot werk te verrichten en geen tijd althans te verzuimen. Het leven is kort, de dag der genade loopt ras ten einde, en men heeft dus toe te zien, zo men het licht boven de duisternis waardeert, dat men zich spoediglijk zette, om als kinderen des lichts te wandelen in het licht des Heren, eer de nacht des doods ons wegrukke, en indompele in een nog akeliger duister naar de ziele.
De last (Hoofdstuk 13:1) tegen ARABIË 1), dat oostelijk van Palestina ligt, en ten noorden tot aan het midden van den Eufraat reikt, zuidelijk tot aan Gelukkig ARABIË. In het woud, in de bossen en doornstruiken van uw eigen land, van het anders op zijne vrijheid zo trotse ARABIË zult gijlieden vernachten, zult gij wonen, o, gij reizende gezelschappen, gij karavanen van Dedanieten 1).
Wanneer in den grondtekst staat in Arabië, zo kan men dit zo verklaren, dat volgens ene algemeen in het Oosten en ook bij de heilige Schrijvers en in de kerk gebruikelijke gewoonte (2 Sam. 1:18) het gehele orakel naar een daarin voorkomend woord (zie het dadelijk volgende: “in het woud van Arabië”) zou zijn aangewezen. Anderen daarentegen leiden de bijzondere betekenis daarvan af, dat de profeet ene symbolische bedoeling op het oog heeft, daar hij stilzwijgend het voornemen heeft te zeggen: (d. i. aan den avond), maar daarvoor dat men wel “over ARABIË” kan vertalen, maar waarbij men toch aanstonds moet bedenken, dat hier gehandeld wordt over “ene godsspraak aan den avond, ” gelijk dan ook dadelijk daarop een avondtoneel begint. Inderdaad hebben wij ook in dit gehele hoofdstuk apocalyptische opschriften (vs. 11, 13). Even Als Edom tot Duma wordt, terwijl over het Seïrietische gebergte een nacht zonder morgen komt, zo zal het in Arabië spoedig aan den avond zijn, daar de zon van Arabië ondergaat en het duistere van den avond het bedekt.
De Dedanieten zijn een handeldrijvende stam, van Cuschietischen en Abrahamietischen oorsprong (Gen. 10:7.). karavanen van hen, van de westzijde van de Perzische golf naar Tyrus of naar Muzarib en Haran reizende, komen hier voor als verdreven van de Karavanenstraat, die wij bij Num. 21:10 nader hebben beschreven. Door den oorlog, die van het Noorden naar het Zuiden voortaan, zijn zij verjaagd en moeten nu aan den avond in ene eenzame, akelige wildernis verblijven. De landstreek, in welker nabijheid het toneel wordt voortgesteld, is dat Ismaëlietische Theman, aan de oostzijde ten Gilead, dat wij bij Job 6:19 leerden kennen, als voornamelijk beroemd door zijne bronnen. Het treffende, dat in dit en in het volgend vers moet worden uitgedrukt, is dit, dat de Dedanieten de gastvrijheid, dien trots der Arabische zeden, op zo beperkte wijze en zo verborgen vragen, en de Themanieten die zo in ‘t geheim aan hen moeten verlenen, daar er nergens in ‘t land veiligheid en vrijheid meer is. De karavanen kunnen de gewone straat niet meer houden, maar door allerlei omwegen zoeken zij naar de omstandigheden, nu in deze dan in gene richting, hun doel te bereiken.
Komt den dorstige te gemoet met water, brengt het naar de plaats, waar zij zich verbergen; de inwoners des lands van Thema (= woestijn) zijn den vluchtende met zijn brood bejegend, met het brood dat hen zou voeden, opdat zij niet omkwamen in de wildernis.
Want zij vluchten voor de zwaarden, voor het uitgetrokken zwaard, het zwaard, dat nog niet in de schede is gestoken, maar hen vervolgende achter hen glinstert, en voor den gespannen boog, en voor de zwarigheid, de hardheid, des krijgs. Het doet ene schone uitwerking, dit contract tussen den vijand, die uitgerukt en slagvaardig het veld bezet en den bewoner des lands, die bevreesd het afgelegene opzoekt.
Zulk ene gehele omkering komt zeker spoedig; want alzo heeft de Heere tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, nauwkeurig afgemeten gelijk de jaren eens dagloners zijn (Hoofdstuk 16:14), zo zal al de heerlijkheid, de vrijheid en kracht en rijkdom van Kedar te ondergaan, 1) al de heerlijkheid van dien hoofdstam onder de Arabische volken van Ismaëlietische afkomst, en van even zo krijgshaftigen als handelzoekenden aard (Gen. 25:13. (Ps. 120:5).
De bijvoeging van, gelijk de dagen eens dagloners, dient om precies aan te geven, wanneer dit oordeel zou voltrokken worden. Gelijk tussen een meester en een knecht, omtrent de huur precies bij het jaar wordt gerekend, zodat het jaar geen dag langer of korter zal zijn, zo zou de Heere God al over een jaar aan ARABIË’s vrijheid een einde maken en voor dit land de zon der vrijheid doen ondergaan in den nacht van slavernij onder de toen heersende wereldmacht.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel