Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
De lastH4853 van DamaskusH1834. ZietH2009, DamaskusH1834 zal weggenomenH5493 worden, dat zij geen stadH5892 meer zij, maar zijH1961 zal een vervallenH4654 steenhoopH4596 zijn.
De last van Damaskus. Ziet, Damaskus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn.
KJV
The burden1
of Damascus.2
Behold, Damascus4
is taken away5
from being a city,6
and it shall be a ruinous9
heap.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
De stedenH5892 van AroerH6177 zullen verlatenH5800 worden; voor de kuddenH5739 zullen zij wezen, die zullen daar nederliggenH7257, en niemandH369 zal ze verschrikkenH2729.
De steden van Aroer zullen verlaten worden; voor de kudden zullen zij wezen, die zullen daar nederliggen, en niemand zal ze verschrikken.
KJV
The cities2
of Aroer3
are forsaken:1
they shall be for flocks,4
which shall lie down,6
and none shall make them afraid.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En de vestingH4013 zal ophoudenH7673 van EfraimH669, en het koninkrijkH4467 van DamaskusH1834, en het overblijfselH7605 der SyriersH758; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheidH3519 der kinderenH1121 IsraelsH3478, spreektH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635.
En de vesting zal ophouden van Efraim, en het koninkrijk van Damaskus, en het overblijfsel der Syriers; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israels, spreekt de HEERE der heirscharen.
KJV
The fortress2
also shall cease1
from Ephraim,3
and the kingdom4
from Damascus,5
and the remnant6
of Syria:7
they shall be as the glory8
of the children9
of Israel,10
saith12
the LORD13
of hosts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En het zal geschiedenH1961 te dien dageH3117, dat de heerlijkheidH3519 van JakobH3290 verdundH1809 zal worden, en dat de vettigheidH4924 van zijn vleesH1320 magerH7329 worden zal.
En het zal geschieden te dien dage, dat de heerlijkheid van Jakob verdund zal worden, en dat de vettigheid van zijn vlees mager worden zal.
KJV
And in that day2
it shall come to pass, that the glory5
of Jacob6
shall be made thin,4
and the fatness7
of his flesh8
shall wax lean.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Want hij zal zijn, gelijk wanneer een maaierH7105 het staande korenH7054 verzameltH622, en zijnH1961 armH2220 arenH7641 afmaaitH7114; ja, hij zal zijnH1961, gelijk wanneer iemand arenH7641 leestH3950 in het dalH6010 RefraimH7497.
Want hij zal zijn, gelijk wanneer een maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja, hij zal zijn, gelijk wanneer iemand aren leest in het dal Refraim.
KJV
And it shall be as when the harvestman3
gathereth2
the corn,4
and reapeth7
the ears6
with his arm;5
and it shall be as he that gathereth9
ears10
in the valley11
of Rephaim.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Doch een nalezingH5955 zal daarin overigH7604 blijven, gelijk in de afschuddingH5363 eens olijfboomsH2132, tweeH8147 of drieH7969 bezienH1620 in den topH7218 der opperste twijgH534, en vierH702 of vijfH2568 aan zijn vruchtbareH6509 takkenH5585, spreektH5002 de HEEREH3068, de GodH430 IsraelsH3478.
Doch een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie bezien in den top der opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt de HEERE, de God Israels.
KJV
Yet gleaning grapes3
shall be left1
in it, as the shaking4
of an olive tree,5
two6
or three7
berries8
in the top9
of the uppermost bough,10
four11
or five12
in the outmost fruitful14
branches13
thereof, saith15
the LORD16
God17
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Te dien dageH3117 zal de mensH120 zien naarH413 Dien, Die hem gemaaktH6213 heeft, en zijn ogenH5869 zullen opH5921 den HeiligeH6918 IsraelsH3478 zien.
Te dien dage zal de mens zien naar Dien, Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen op den Heilige Israels zien.
Ook in dit vers
zienH7200
zienH8159
KJV
At that day1
shall a man4
look3
to his Maker,6
and his eyes7
shall have respect11
to the Holy9
One of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En hij zal nietH3808 aanschouwenH8159 de altarenH4196, het werkH4639 zijner handenH3027, ook hetgeenH834 zijn vingerenH676 gemaaktH6213 hebben, zal hij niet aanzienH7200, noch de bossenH842, noch de zonnebeeldenH2553.
En hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk zijner handen, ook hetgeen zijn vingeren gemaakt hebben, zal hij niet aanzien, noch de bossen, noch de zonnebeelden.
KJV
And he shall not look2
to the altars,4
the work5
of his hands,6
neither shall respect11
that which his fingers9
have made,8
either the groves,12
or the images.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Te dien dageH3117 zullen zijnH1961 sterkeH4581 stedenH5892 zijn, als een verlatenH5800 struikH2793, en opperste takH534, welkeH834 zij verlatenH5800 hebben, om der kinderenH1121 IsraelsH3478 wil, hoewel daar verwoestingH8077 zal wezenH1961.
Te dien dage zullen zijn sterke steden zijn, als een verlaten struik, en opperste tak, welke zij verlaten hebben, om der kinderen Israels wil, hoewel daar verwoesting zal wezen.
KJV
In that day1
shall his strong5
cities4
be as a forsaken6
bough,7
and an uppermost branch,8
which they left10
because11
of the children12
of Israel:13
and there shall be desolation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantH3588 gij hebt den GodH430 uws heilsH3468 vergetenH7911, en nietH3808 gedachtH2142 aanH5921 den RotssteenH6697 uwer sterkteH4581; daaromH3651 zult gij wel liefelijkeH5282 planten planten, en gij zult hem met uitlandseH2114 rankenH2156 bezettenH2232;
Want gij hebt den God uws heils vergeten, en niet gedacht aan den Rotssteen uwer sterkte; daarom zult gij wel liefelijke planten planten, en gij zult hem met uitlandse ranken bezetten;
Ook in dit vers
plantenH5193
plantenH5194
KJV
Because thou hast forgotten2
the God3
of thy salvation,4
and hast not been mindful8
of the rock5
of thy strength,6
therefore shalt thou plant11
pleasant13
plants,12
and shalt set16
it with strange15
slips:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Ten dageH3117, als gij ze zult geplantH5194 hebben, zult gij die doen wassenH7735, en in den morgenstondH1242 zult gij uw zaadH2233 doen bloeienH6524; doch het zal maar een hoopH5067 van het gemaaideH7105 zijn, in den dagH3117 der krankheidH2470 en der pijnlijkeH605 smartH3511.
Ten dage, als gij ze zult geplant hebben, zult gij die doen wassen, en in den morgenstond zult gij uw zaad doen bloeien; doch het zal maar een hoop van het gemaaide zijn, in den dag der krankheid en der pijnlijke smart.
KJV
In the day1
shalt thou make thy plant2
to grow,3
and in the morning4
shalt thou make thy seed5
to flourish:6
but the harvest8
shall be a heap7
in the day9
of grief10
and of desperate12
sorrow.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WeeH1945 der veelheidH1995 der groteH7227 volkenH5971, die daar bruisenH1993, gelijk de zeeenH3220 bruisenH1993; en wee het geruisH1995 der natienH3816, die daar ruisen, gelijk de geweldigeH3524 waterenH4325 ruisen!
Wee der veelheid der grote volken, die daar bruisen, gelijk de zeeen bruisen; en wee het geruis der natien, die daar ruisen, gelijk de geweldige wateren ruisen!
Ook in dit vers
ruisenH7582
ruisenH7588
KJV
Woe1
to the multitude2
of many4
people,3
which make a noise5
like the noise7
of the seas;6
and to the rushing8
of nations,9
that make a rushing like the rushing13
of mighty12
waters!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
De natienH3816 zullen wel ruisen, gelijk groteH7227 waterenH4325 ruisen; doch Hij zal hem scheldenH1605, zo zal hij verreH4801 wegvliedenH5127, ja, hij zal gejaagdH7291 worden, als het kafH4671 der bergenH2022 van den windH7307, en gelijk een klootH1534 van den wervelwindH5492.
De natien zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; doch Hij zal hem schelden, zo zal hij verre wegvlieden, ja, hij zal gejaagd worden, als het kaf der bergen van den wind, en gelijk een kloot van den wervelwind.
Ook in dit vers
ruisenH7582
ruisenH7588
KJV
The nations1
shall rush5
like the rushing2
of many4
waters:3
but God shall rebuke6
them, and they shall flee8
far off,9
and shall be chased10
as the chaff11
of the mountains12
before13
the wind,14
and like a rolling thing15
before16
the whirlwind.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Ten tijdeH6256 des avondsH6153, zietH2009, zo is er verschrikkingH1091, eerH2962 het morgenH1242 is, is hij er nietH369 meer. DitH2088 is het deelH2506 dergenen, die ons beroven, en het lotH1486 dergenen, die ons plunderenH962.
Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.
KJV
And behold at eveningtide1
trouble;4
and before the morning6
he is not. This is the portion9
of them that spoil10
us, and the lot11
of them that rob
last
Zie boven Jes. 13:1 .
Hertaald:
last
Zie hierboven Jes. 13:1.
Damaskus zal
De hoofdstad in Syrië. Zie boven Jes. 7:8 . Doch hier moet men verstaan niet alleen het verderf der stad van Damaskus, maar ook van het koninkrijk van Syrië.
Hertaald:
Damaskus zal
De hoofdstad van Syrië. Zie hierboven Jes. 7:8. Maar hier moet men niet alleen het verderf van de stad Damascus verstaan, maar ook dat van het koninkrijk Syrië.
weggenomen worden,
Dat is, zij zal beheerst, en de inwoners zullen weggevoerd worden. Dit is geschied door Salmanassar, den koning van Assyrië.
Hertaald:
weggenomen worden,
Dat is: zij zal overheerst worden en de inwoners zullen weggevoerd worden. Dit is gebeurd door Salmanassar, de koning van Assyrië.
een vervallen
Hebreeuws, een hoop van vervulling.
Hertaald:
een vervallen
Hebreeuws: een hoop van puin.
De steden
Dat is, de steden, die rondom of omtrent de stad Aroër liggen, bij de beek van Jabbok, in het land aan gene zijde der Jordaan aan de beek Arnon, Deut. 2:36 . De Rubenieten, Gadieten en Manassieten hadden het tevoren bewoond.
Hertaald:
De steden
Dat is: de steden die rondom of in de buurt van de stad Aroër liggen, bij de beek Jabbok, in het land aan de overzijde van de Jordaan bij de beek Arnon, Deut. 2:36. De Rubenieten, Gadieten en Manassieten hadden het daarvoor bewoond.
de kudden
Het Hebreeuwse woord betekent zowel kudden der kleine als der grote beesten, gelijk te zien is Gen. 32:14-16 .
Hertaald:
de kudden
Het Hebreeuwse woord betekent zowel kudden kleinvee als kudden grootvee, zoals te zien is in Gen. 32:14-16.
niemand
Terwijl daar geen vijanden in het land zullen vallen, want het zal woest liggen nadat Salmanassar de inwoners gevankelijk weggevoerd zal hebben. Lees de vervulling hiervan 2 Kon. 15:29 , en 2 Kon. 17:6 ; 1 Kron. 5:26 .
Hertaald:
niemand
Terwijl er geen vijanden het land zullen binnenvallen, want het zal woest liggen nadat Salmanassar de inwoners in gevangenschap weggevoerd zal hebben. Lees de vervulling hiervan in 2 Kon. 15:29, 2 Kon. 17:6 en 1 Kron. 5:26.
de vesting
Versta, de vaste stad Samaria en andere daaronder horende.
Hertaald:
de vesting
Versta: de versterkte stad Samaria en de andere steden die daaronder vallen.
van Efraïm,
Dat is, van het koninkrijk, of de tien stammen van Israël.
Hertaald:
van Efraïm,
Dat is: van het koninkrijk, of de tien stammen, van Israël.
der Syriërs;
Hebreeuws, Aram. Aldus worden de Syriërs genoemd, omdat zij uit Aram gesproten zijn.
Hertaald:
der Syriërs;
Hebreeuws: Aram. Zo worden de Syriërs genoemd omdat zij uit Aram voortgekomen zijn.
zij zullen zijn
Te weten de Syriërs. Dezen zullen ook van hunne heerlijkheid beroofd worden, gelijk de Israëlieten; het zal den een gaan als den ander.
Hertaald:
zij zullen zijn
Namelijk: de Syriërs. Ook zij zullen van hun heerlijkheid beroofd worden, net als de Isra«lieten; het zal de een vergaan als de ander.
de heerlijkheid
Aldus noemt de profeet alles waar zij zich op verhovaardigden en verlieten, als hun koninkrijk, hun vaste en schone steden, kastelen, vastigheden, geld en goed, ook hunne verbintenissen met andere koningen, gelijk Jes. 16:14 .
Hertaald:
de heerlijkheid
Zo noemt de profeet alles waarop zij zich verhoogmoedigden en verlieten: hun koninkrijk, hun versterkte en schone steden, kastelen, vestingen, geld en goed, en ook hun verbonden met andere koningen, zoals in Jes. 16:14.
de heerlijkheid
Dat is, de heerlijkheid der Israëlieten, of der tien stammen Israëls, gelijk vs.3.
Hertaald:
de heerlijkheid
Dat is: de heerlijkheid van de Isra«lieten, of van de tien stammen van Israël, zoals in vers 3.
verdund
Dat is, hunne heerlijkheid zal verarmen, verdwijnen, verminderen.
Hertaald:
verdund
Dat is: hun heerlijkheid zal verarmen, verdwijnen en afnemen.
hij zal zijn,
Te weten Jakob. De zin is: Dat alle tien stammen Israëls gevankelijk zullen weggevoerd worden, gelijk men in den oogst al het koren, zelfs de aren, opleest en invoert. Anderen verstaan hier door hij den koning van Assyrië.
Hertaald:
hij zal zijn,
Namelijk: Jakob. De betekenis is dat alle tien stammen van Israël in gevangenschap weggevoerd zullen worden, zoals men bij de oogst al het koren, zelfs de aren, opleest en binnenhaalt. Anderen verstaan hier onder hij de koning van Assyrië.
maaier
Hebreeuws, den oogst; dat is een man van den oogst.
Hertaald:
maaier
Hebreeuws: de oogst — dat is: een man van de oogst.
in het dal Refaïm
Een lustige en vruchtbare plaats, gelegen bij Jeruzalem; Joz. 15:8 .
Hertaald:
in het dal Refaïm
Een aangename en vruchtbare plaats bij Jeruzalem; Joz. 15:8.
Doch
Sommigen besluiten vs.6-8.
Hertaald:
Doch
Sommigen laten vers 6 tot 8 hierbij aansluiten.
een nalezing
Dat is, enigen, doch heel weinigen, [die daarna ook zullen weggevoerd worden door Esar-Haddon] zullen nog in het land overig blijven; doch gelijk men in den herfst de druiven, die men eerst is voorbijgegaan, daarna zoekt en afplukt, alzo zal het ook met de Israëlieten gaan. Zie de vervulling dezer profetie 2 Kon. 17:24 , en Ezra 4:2 . Anders: Doch daar zullen druiftakken in nagelaten worden. Dan zou dit de zin zijn: Daar zullen weinig mensen in overig blijven, en die weinigen zullen hier en daar van elkander gespreid zijn.
Hertaald:
een nalezing
Dat is: enkelen, maar heel weinigen — die later ook door Esar-Haddon weggevoerd zullen worden — zullen nog in het land overblijven. Maar zoals men in de herfst de druiven die men eerst voorbijgegaan is daarna alsnog zoekt en afplukt, zo zal het ook met de Isra«lieten gaan. Zie de vervulling van deze profetie in 2 Kon. 17:24 en Ezra 4:2. Anders: maar er zullen druiventakken in achtergelaten worden. Dan zou dit de betekenis zijn: er zullen weinig mensen in overblijven, en die weinigen zullen hier en daar verspreid zijn.
daarin
Te weten in Jakob, of in Israël, in Samaria.
Hertaald:
daarin
Namelijk: in Jakob, of in Israël, in Samaria.
zijn vruchtbare takken,
Of, aan de takken des vruchtbaren [olijfbooms].
Hertaald:
zijn vruchtbare takken,
Of: aan de takken van de vruchtbare olijfboom.
Te dien dage
Te weten als die straffen en plagen het volk treffen zullen. De profeet wil hier aanwijzen dat de kastijdingen van God nog iets goeds in zijne kinderen werken zullen, hen vernederende en tot kennis hunner zonden brengende.
Hertaald:
Te dien dage
Namelijk: wanneer die straffen en plagen het volk zullen treffen. De profeet wil hier aanwijzen dat de kastijdingen van God toch iets goeds in Zijn kinderen zullen uitwerken, doordat zij hen vernederen en tot kennis van hun zonden brengen.
de mens
Dat is, ettelijke mensen; te weten de gelovige Israëlieten.
Hertaald:
de mens
Dat is: enkele mensen, namelijk de gelovige Isra«lieten.
zien naar Dien,
Anders: zie de mens; nemende het voor: behoorde de mens te zien naar dien, enz.
Hertaald:
zien naar Dien,
Anders: zie, de mens; dan opgevat als: de mens behoorde te zien naar Hem, enzovoort.
den Heilige
Dat is, op God, die heilig is en heilig maakt, helpt, onderwijst, troost en verlost al degenen, die tot Hem komen, om hulp en troost bij Hem te zoeken.
Hertaald:
den Heilige
Dat is: op God, Die heilig is en Die allen heiligt, helpt, onderwijst, troost en verlost die tot Hem komen om hulp en troost bij Hem te zoeken.
hij zal niet
Anderen stellen dit aldus: En dat hij niet de altaren aanschouwe, enz.
Hertaald:
hij zal niet
Anderen zetten dit zo: en dat hij de altaren niet aanschouwt, enzovoort.
en hetgeen
Anders: namelijk.
Hertaald:
en hetgeen
Anders: namelijk.
de zonnebeelden
Zie de aantekening Lev. 26:30 .
Hertaald:
de zonnebeelden
Zie de aantekening bij Lev. 26:30.
Te dien dage
Te weten, als de vijand komt aantrekken.
Hertaald:
Te dien dage
Namelijk: wanneer de vijand komt aantrekken.
zijn
Te weten Israël en Syrië.
Hertaald:
zijn
Namelijk: Israël en Syrië.
sterke steden
Hebreeuws, de steden zijner sterkte, op welke hij zich namelijk verlaten had, meer dan op God den Almachtige.
Hertaald:
sterke steden
Hebreeuws: de steden van zijn sterkte, waarop hij zich namelijk verlaten had, meer dan op God de Almachtige.
een verlaten struik,
Hebreeuws, de verlating eens struiks.
Hertaald:
een verlaten struik,
Hebreeuws: de verlating van een struik.
opperste tak,
Dat is, als een tak in het opperste van den boom, dien de boomsnoeiers of niet achten, of waar zij niet bij kunnen komen; alzo zal het met de Israëlieten en Syriërs toegaan.
Hertaald:
opperste tak,
Dat is: als een tak in de top van de boom, die de boomsnoeiers niet de moeite waard vinden of waar zij niet bij kunnen. Zo zal het met de Isra«lieten en Syriërs gaan.
zij verlaten hebben,
Te weten de Assyriërs.
Hertaald:
zij verlaten hebben,
Namelijk: de Assyriërs.
om der kinderen
Dat is, dewijl God de Heere te dien tijde nog enige Israëlieten verschonen wilde; de Assyriërs lieten wel deze weinige Israëlieten niet met voorweten en al willens overig blijven, maar dit wordt hier gezegd ten aanzien van het voornemen van God, die nog een overblijfsel onder de Israëlieten heeft willen behouden. Derhalve heeft God de harten der Assyriërs alzo bewogen dat zij nog enigen verschoond hebben, namelijk die, die God heeft willen verschoond hebben in Israël. Wat de Hebreeuwse manier van spreken aangaat, die hier in den tekst gebruikt wordt, zie dergelijke Gen. 36:6-7 ; Ex. 9:11 ; Job 37:18-19 .
Hertaald:
om der kinderen
Dat is: omdat God de HEERE in die tijd nog enkele Isra«lieten wilde sparen. De Assyriërs lieten deze weinige Isra«lieten weliswaar niet bewust en opzettelijk overblijven, maar dit wordt hier gezegd met het oog op het voornemen van God, Die nog een overblijfsel onder de Isra«lieten heeft willen behouden. Daarom heeft God de harten van de Assyriërs zo bewogen dat zij nog enkelen gespaard hebben, namelijk juist hen die God in Israël gespaard wilde hebben. Over de Hebreeuwse manier van spreken die hier in de tekst gebruikt wordt, zie een dergelijke in Gen. 36:6-7, Ex. 9:11 en Job 37:18-19.
verwoesting
Te weten over Israël en Syrië.
Hertaald:
verwoesting
Namelijk: over Israël en Syrië.
gij hebt
Te weten, gij dochter Israëls, dat is, gij volk van Israël.
Hertaald:
gij hebt
Namelijk: u, dochter van Israël, dat is: u, volk van Israël.
God
Dat is, dien God, die een bewerker uwer tijdelijke en eeuwige welvaart is.
Hertaald:
God
Dat is: die God Die de Bewerker is van uw tijdelijke en eeuwige welvaart.
aan den Rotssteen
Dat is, aan den sterken God, tot wien gij een vaste toevlucht hadt kunnen en behoren te nemen.
Hertaald:
aan den Rotssteen
Dat is: aan de sterke God, bij Wie u een vaste toevlucht had kunnen en moeten zoeken.
zult gij wel
De zin is: Ofschoon uw land naarstiglijk bezaaid en beplant is, op hoop van vele schone vruchten daarvan te zullen genieten.
Hertaald:
zult gij wel
De betekenis is: hoewel uw land ijverig bezaaid en beplant is, in de hoop er veel schone vruchten van te genieten.
hem met
Te weten uwen wijnberg.
Hertaald:
hem met
Namelijk: uw wijnberg.
bezetten;
Hebreeuws, bezaaien.
Hertaald:
bezetten;
Hebreeuws: bezaaien.
zult gij
Dat is, gij zult wel uw uiterste best doen om uwe plantingen te doen wassen, namelijk met begieten en anderszins.
Hertaald:
zult gij
Dat is: u zult wel uw uiterste best doen om uw aanplant te laten groeien, namelijk door begieten en anderszins.
in den morgenstond
Dat is, ter bekwamer tijd, zonder enige gelegenheid te verzuimen.
Hertaald:
in den morgenstond
Dat is: op de juiste tijd, zonder enige gelegenheid te verzuimen.
het zal maar
De zin is: Gij moogt allen vlijt en naarstigheid, naar uw uiterste vermogen, gedaan hebben, als het leger der Assyriërs u overvalt, zo zal dat alles voor zulk een groot leger maar zijn als een hoop koren, welken zij in een ogenblik zullen opeten en verslinden.
Hertaald:
het zal maar
De betekenis is: al hebt u met uw uiterste vermogen alle vlijt en ijver aangewend, wanneer het leger van de Assyriërs u overvalt zal dat alles voor zo'n groot leger niet meer zijn dan een hoop koren, die zij in een ogenblik zullen opeten en verslinden.
in den dag
Dat is, ten tijde van het landverderf, van den inval, der belegering, die de Assyriërs zullen aanrichten. Anders: in den dag des angstes.
Hertaald:
in den dag
Dat is: in de tijd van het verderf van het land, van de inval en de belegering die de Assyriërs zullen aanrichten. Anders: op de dag van de angst.
Wee
Hier beginnen enigen Isa 18 omdat hier begint ene profetie tegen de Assyriërs en de Moren.
Hertaald:
Wee
Hier laten sommigen Jes. 18 beginnen, omdat hier een profetie tegen de Assyriërs en de Moren begint.
der veelheid
De profeet voorzegt hier dat wel vele vreemde natiën Gods volk zouden overvallen, maar dat het ten laatste tot hun eigen verderf zou strekken.
Hertaald:
der veelheid
De profeet voorzegt hier dat wel veel vreemde volken Gods volk zouden overvallen, maar dat het ten slotte tot hun eigen verderf zou strekken.
der grote volken,
Die den koning van Assyrië in zijn leger dienen zullen tegen de Israëlieten.
Hertaald:
der grote volken,
Die de koning van Assyrië in zijn leger zullen dienen tegen de Isra«lieten.
Hij zal
Te weten de Heere.
Hertaald:
Hij zal
Namelijk: de HEERE.
hem
Te weten den koning van Assyrië. Anders, het, te weten volk, of die, te weten natiën.
Hertaald:
hem
Namelijk: de koning van Assyrië. Anders: het, namelijk het volk; of: die, namelijk de volken.
schelden,
Zie de aantekening Ps. 9:6 .
Hertaald:
schelden,
Zie de aantekening bij Ps. 9:6.
hij
Te weten de koning van Assyrië; zie 2 Kon. 19:36 .
Hertaald:
hij
Namelijk: de koning van Assyrië; zie 2 Kon. 19:36.
verre wegvlieden,
Te weten tot in Assyrië toe.
Hertaald:
verre wegvlieden,
Namelijk: tot in Assyrië toe.
gejaagd worden,
Te weten door den engel, die het leger van Sanherib vervolgd en verslagen heeft.
Hertaald:
gejaagd worden,
Namelijk: door de engel, die het leger van Sanherib vervolgd en verslagen heeft.
het kaf der bergen
Dat is, gelijk het kaf, of stof, dat op de bergen ligt, waar de wind lichtelijk kan bijkomen.
Hertaald:
het kaf der bergen
Dat is: als het kaf of het stof dat op de bergen ligt, waar de wind gemakkelijk bij kan komen.
een kloot
Of, ronde bol, of bal, of wervel, of kluwen. Anders: als een rond ding. Zie Ps. 83:14 .
Hertaald:
een kloot
Of: ronde bol, of bal, of wervel, of kluwen. Anders: als een rond ding. Zie Ps. 83:14.
Ten tijde des avonds,
Dat is, des nachts.
Hertaald:
Ten tijde des avonds,
Dat is: 's nachts.
zo is
Te weten ontstaan in het leger van Sanherib, toen de slaande engel aankwam.
Hertaald:
zo is
Namelijk: ontstaan in het leger van Sanherib, toen de slaande engel kwam.
hij er niet meer
Te weten Sanherib, die gevloden is toen hij vernam dat zijn leger van den engel des Heeren geslagen werd; 2 Kon. 19:35 .
Hertaald:
hij er niet meer
Namelijk: Sanherib, die gevlucht is toen hij vernam dat zijn leger door de engel van de HEERE verslagen werd; 2 Kon. 19:35.
Dit is
Woorden van het volk Gods.
Hertaald:
Dit is
Woorden van het volk van God.
het deel
Dat is straf, die God hun toeschikt; zie Job 20:29 .
Hertaald:
het deel
Dat is: de straf die God hun toebedeelt; zie Job 20:29.
beroven,
Of, vertreden hebben.
Hertaald:
beroven,
Of: vertreden hebben. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "De last van Damaskus" kondigt aan dat de stad een vervallen steenhoop zal worden (Jes. 17:1). Het oordeel raakt niet alleen Syrië maar ook Efraïm, dat zich met Damaskus verbonden had (Jes. 17:3). Wat overblijft wordt met twee beelden getekend. Het is als een maaier die het koren wegneemt, en als het schudden van een olijfboom, waarna er nog "twee of drie bezien in den top der opperste twijg" hangen (Jes. 17:5-6). En dan komt de omslag: "Te dien dage zal de mens zien naar Dien, Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen op den Heilige Israels zien" (Jes. 17:7). Er staat bij waar hij dan niet meer naar kijkt: "de altaren, het werk zijner handen", en wat zijn vingers gemaakt hebben (Jes. 17:8). Bijbelse betekenis: Merk op wat er tegenover elkaar staat. Aan de ene kant Dien, Die hem gemaakt heeft; aan de andere kant het werk van zijn eigen handen. Dat is het hele verschil tussen aanbidden en afgoderij, en het wordt hier in één zin gezegd. Let vervolgens op het woordje zien. Het gaat niet in de eerste plaats om een leerstellige verandering maar om de richting van de blik: eerst omlaag naar wat men zelf gemaakt heeft, dan omhoog naar de Maker. Let ten slotte op wat er aan voorafgaat. De blik verandert pas als de oogst is weggehaald en er nog een paar olijven aan de tak hangen. Dat is een pijnlijke weg, en de tekst maakt haar niet mooier; wel staat er dat er iets overblijft. Typologie: Paulus omschrijft de bekering van de Thessalonicenzen met dezelfde beweging: van hen wordt gezegd "hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen" (1 Thess. 1:9). Het gaat om dezelfde omkeer van het maaksel naar de Maker. Jes. 17:1-8; 1 Thess. 1:9 "Want gij hebt den God uws heils vergeten, en niet gedacht aan den Rotssteen uwer sterkte" (Jes. 17:10). Wat daarop volgt is een beeld uit de landbouw. Men plant liefelijke planten en zet er uitheemse ranken bij, en het gaat aanvankelijk goed: het geplante groeit, en het zaad staat 's morgens al in bloei (Jes. 17:11). Maar de afloop is anders dan verwacht. Van de hele aanplant blijft "maar een hoop van het gemaaide" over, "in den dag der krankheid en der pijnlijke smart" (Jes. 17:11). En van de versterkte steden wordt gezegd dat zij zullen zijn "als een verlaten struik" (Jes. 17:9). Bijbelse betekenis: Merk op waar het misgaat. Er staat niet dat het volk God verworpen heeft, maar dat het Hem vergeten is; dat is een stiller kwaad en daarom gevaarlijker. Wat vergeten wordt is bovendien niet zomaar iets: de God van hun heil en de Rots van hun sterkte, dus juist datgene waarop zij stonden. Let vervolgens op het beeld van de snelle bloei (Jes. 17:11). Wat de mens buiten God opzet, kan opvallend voorspoedig beginnen. De vraag is niet hoe het opkomt maar wat er binnengehaald wordt. Let ten slotte op het woord Rotssteen. Het is een naam die in de Schrift vaker voor God gebruikt wordt, en hij zegt precies wat hier ontbreekt: iets dat blijft staan als de rest wegzakt. Typologie: De Heere Jezus besluit de bergrede met hetzelfde onderscheid. Wie Zijn woorden hoort en doet, wordt vergeleken bij een man "die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft" (Matt. 7:24). Het verschil wordt niet zichtbaar in het bouwen maar in het weer dat erover komt. Jes. 17:9-11; Matt. 7:24 "Wee der veelheid der grote volken, die daar bruisen, gelijk de zeeen bruisen" (Jes. 17:12). Het geluid wordt breed uitgemeten: de naties ruisen zoals geweldige wateren ruisen. Dan komt er één zin tegenover te staan: "doch Hij zal hem schelden, zo zal hij verre wegvlieden, ja, hij zal gejaagd worden, als het kaf der bergen van den wind" (Jes. 17:13). En het slot geeft aan hoe kort dat duurt: "Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer" (Jes. 17:14). Bijbelse betekenis: Merk op hoeveel ruimte het lawaai krijgt en hoe weinig woorden het antwoord nodig heeft. Twee verzen bruisen, en één bestraffing maakt er een einde aan. Zo tekent de profeet de verhouding tussen de macht van de volken en de macht van God. Let vervolgens op het beeld van het kaf. Kaf is niet zwak omdat het licht weegt, maar omdat er niets in zit; wat geen inhoud heeft, houdt bij de eerste wind geen stand. Let ten slotte op de tijdsaanduiding in Jes. 17:14. Wie 's avonds naar het geraas luistert, denkt dat het nooit meer overgaat. De profeet zegt niet dat de nacht kort is, maar dat de morgen komt. Typologie: De discipelen hoorden ditzelfde op het meer, toen de Heere Jezus de wind bestrafte en er "grote stilte" kwam (Mark. 4:39). Hun vraag daarna is de vraag van dit gedeelte: wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn (Mark. 4:41)? Jes. 17:12-14; Mark. 4:39,41 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 17
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Jesaja 17
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IV. Vs. 1-14.KruisverwijzingenZacharia 9:1→Jesaja 7:16→Jesaja 8:4→Jesaja 10:16→Jesaja 30:22→Amos 1:3→Jesaja 25:2→Ezechiël 25:5→
— De last van Damaskus. Ziet, Damaskus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn. De steden van Aroer zullen verlaten worden; voor de kudden zullen zij wezen, die zullen daar nederliggen, en niemand zal ze verschrikken. En de vesting zal ophouden van Efraim, en het koninkrijk van Damaskus, en het overblijfsel der Syriers; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israels, spreekt de HEERE der heirscharen. En het zal geschieden te dien dage, dat de heerlijkheid van Jakob verdund zal worden, en dat de vettigheid van zijn vlees mager worden zal. Want hij zal zijn, gelijk wanneer een maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja, hij zal zijn, gelijk wanneer iemand aren leest in het dal Refraim. Doch een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie bezien in den top der opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt de HEERE, de God Israels. Te dien dage zal de mens zien naar Dien, Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen op den Heilige Israels zien. En hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk zijner handen, ook hetgeen zijn vingeren gemaakt hebben, zal hij niet aanzien, noch de bossen, noch de zonnebeelden. Te dien dage zullen zijn sterke steden zijn, als een verlaten struik, en opperste tak, welke zij verlaten hebben, om der kinderen Israels wil, hoewel daar verwoesting zal wezen. Want gij hebt den God uws heils vergeten, en niet gedacht aan den Rotssteen uwer sterkte; daarom zult gij wel liefelijke planten planten, en gij zult hem met uitlandse ranken bezetten;
De aankondiging van straf geldt slechts even Damascus, naar welke stad de voor ons liggende voorspelling haar opschrift heeft. Het is integendeel Efraïm, het rijk der tien stammen, dat door zijne vereniging met de macht der Damasceners tot gemeenschappelijk optreden tegen Juda en Jeruzalem zich het doodvonnis heeft berokkend. Terwijl daarom aan het begin van het orakel, waar het gericht zelf beschreven is, Efraïm en Damascus naast elkaar voorkomen, als degene, die uit de rij van zelfstandige staten worden geschrapt en ene deportatie (wegvoering der inwoners) ondervinden (vs. 1-3), geraakt vervolgens Syrië geheel op den achtergrond, waar over het wannen wordt gesproken, dat over Syrië is gekomen en dat ene volledige zal zijn, zowel naar den graad van uitvoering als van werking. De schifting zal ene zo volledige zijn en van zoveel betekenis wezen, dat slechts eer klein wegstervend overschot blijft, dat zich tot den Heere zijnen God bekeert, en dat alles daarom, omdat Israël God, zijn heil, vergeten heeft en zich met ondernemingen heeft ingelaten, die, hoe goed ook ondernomen en naar het zich liet aanzien veel belovend waren, ten laatste toch geheel en al moesten mislukken (vs. 4-11). Assur is de macht, door welke die zuivering wordt volbracht, zij zal tegen Juda en Jeruzalem voortzetten, wat Damascus en Efraïm te voren beproefd hebben, zij zal als een vreselijk dreigende stroom van volken tegen de heilige stad aanbruisen, maar terwijl zij woedt, verstijft zij plotseling, tussen avond en morgen is zij verdwenen, als een voorbeeld van alle vijanden van Gods volk (vs. 12-14).
De last van Damascus, de hoofdstad van den koning van Syrië (2 Sam. 8:6. 1 Kon. 11:25. Hand. 9:2). Ziet, Damascus zal binnen korten tijd weggenomen worden, dat zij gene stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn, een hoop puin (vgl. 2 Kon. 16:9).
De steden van Aroër, zowel de beide steden van dien naam (2 Sam. 24:5) als andere steden in het land ten oosten van den Jordaan, zullen verlaten worden (2 Kon. 15:29); voor de kudden zullen zij wezen, die zullen daar neerliggen, en niemand zal ze verschrikken, omdat daar gene inwoners meer zijn.
En de vesting zal ophouden van Efraïm, het rijk der tien stammen zal al zijne vaste plaatsen verliezen, zodat het niet meer in staat is zich te verdedigen (2 Kon. 15:29), en het koninkrijk van Damascus zal eveneens een einde nemen, zodat het niet meer bestaat (2 Kon. 16:9). en het overblijfsel der Syriërs, die van de Syriërs niet in den strijd zelven vallen, zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israël’s, gelijk de talrijke, krijgshaftige bevolking van het noordelijke rijk, waarop dit thans zozeer zich verheft, zullen zij eveneens tot verbanning worden veroordeeld, spreekt de HEERE der heirscharen. De kinderen Israël’s hebben een verbond met de Syrische macht voortreflijker geacht, dan het verbond met God, deze macht zal het echter niet beter gaan dan haar zelf.
1) En het zal geschieden te dien dage, dat de heerlijkheid van Jakob, van het rijk der tien stammen, verdund zal worden, en dat de vettigheid van zijn vlees mager worden zal, geheel en al zal ten onder gaan en als een zieke zal verdwijnen (2 (Kon. 15:30).
Met vs. 4 heft de Profeet zijn rede op tegen Israël. Damascus en Samaria hadden samengespannen tegen Juda. Dientengevolge was ASSYRIË’s wereldmacht binnengehaald en nu komt de Heere in dit hoofdstuk Zijne oordelen uitspreken tegen alle drie koninkrijken.
Want hij zal zijn, het zal met het verdwijnen van Israël’s heerlijkheid gaan, gelijk wanneer een maaier het staande koren verzamelt, ten tijde van den oogst de aren hoog boven aan het stro samenvat om ze met elkaar af te snijden 1), zo weerloos en zonder alle kracht tot tegenstand zal zij, Israël’s heerlijkheid, die rijp is voor het gericht, ten ondergaan, en gelijk zijn arm aren afmaait, ze nu ook werkelijk afsnijdt, zo gemakkelijk en toch zo zeker zal zij te niet gaan; ja hij zal zijn, gelijk wanneer iemand aren leest in het vruchtbare dal Refaïm ten zuiden van Jeruzalem (Joz. 15:8), waar zich altijd menigten te zamen bevinden, om aren op te lezen, dat dus het ijverigste gezocht wordt, en waar het minst iets blijft liggen-zo volkomen zal zij worden weggedaan. Op die wijze sneden de Hebreeën het koren, zij maaiden het dus niet, gelijk wij, onder aan den grond af; de stoppelen die bleven staan, worden later met vuur afgebrand (Exod. 22:6).
Doch ene nalezing zal daarin overig blijven, wanneer alzo Jakob’s heerlijkheid wordt weggedaan; zij zal echter ene zeer geringe wezen, gelijk in de afschudding eens olijfbooms (Deut. 24:20), twee of drie bessen in den top der opperste twijg, die men met alle moeite niet heeft kunnen bereiken, en vier of vijf aan zijne vruchtbare takken, die men in de dichte bladeren heeft voorbijgezien, spreekt de HEERE, de God Israël’s. Men schudt den olijfboom af, zo nauwkeurig men kan en laat gene vrucht hangen, die in ‘t oog valt; dit verhindert echter niet, dat hier en daar in den kop des booms en aan de takken, die het zwaarst geladen waren, enige weinige olijven blijven hangen, doch welker getal nauwelijks verdient genoemd te worden. Zo zou het met de wegvoering van Israël door de ASSYRIËRS gaan. Wij lezen niet, dat zij opzettelijk enig volk in het land lieten blijven, gelijk naderhand Nebukadnezar in Juda. Die derhalve overbleven, waren alleen enige weinigen, ontsnapt aan het zwaard en aan de waakzaamheid dergenen, die het bevel der wegvoering moesten ten uitvoer brengen. Wij lezen nochtans (2 Kron. 34:9) van een overblijfsel uit Manasse, Efraïm en gans Israël. In tijden van algemene rampen worden nog sommigen beveiligd, gelijk in tijden van het grootste bederf enigen zich nog zuiver en onbesmet van de wereld weten te gedragen. Maar het gering aantal van de weinige ontkomenen onderstelt den dood of de gevangenis van de meeste menigte, en daarom worden deze overgeblevenen vergeleken bij de zeer geringe, overgeblevene vrucht des wijnstoks en des olijfbooms, nadat deze door den schudder of plukker zorgvuldig van hun vruchten beroofd zijn. Dus is het ook gelegen met het overblijfsel naar de verkiezing der genade, deze zijn zeer weinigen in vergelijking van de menigten, die den breden weg bewandelen.
Te dien dage 1), wanneer het oordeel der afzondering zijn doel bereikt heeft, zal de mens, de geredde uit het gericht, gelijk het hem als enen naar Gods beeld geschapene van den beginne af betaamd had, zien naar Dien, die hem gemaakt heeft, naar zijnen Schepper, en zijne ogen zullen onafgebroken op den Heilige Israël’s zien als op den enigen Helper.
In vs. 7 en 8 wordt gesproken van het overblijfsel, dat weer naar den God van Jakob, naar den Heere der heirscharen leert vragen. Het oordeel der verwoesting en der ballingschap zal voor dit overblijfsel de gezegende vrucht achterlaten, dat het verwerpt den afgodendienst, en zich keert tot Hem, die het gemaakt heeft, tot den Heilige Israël’s. De beproeving zou voor hen ene vreedzame vrucht der gerechtigheid uitwerken.
En hij zal niet meer, gelijk het volk tot hiertoe gedaan heeft, aanschouwen de altaren, het werk zijner handen, de altaren, die hij naar eigen willekeur voor zijnen afgodendienst gebouwd heeft, noch hetgeen zijne vingeren gemaakt hebben zal hij niet aanzien, noch de bossen, de Astartes (Deut. 16:21), noch de zonnebeelden, zo als den Baäl.
Te dien dage 1), wanneer het oordeel de verwoesting veroorzaakt, die het te weeg moet brengen (vs. 1 vv.), zullen zijne sterke steden, de vestingen van Efraïm, waarop men zich thans zo verlaat, zijn als een verlaten struik, en opperste tak 2), welke zij verlaten hebben om der of voor de kinderen Israël’s wil, d. i. gelijk de bouwvallen, die zich in bossen en op bergtoppen bevonden, die nu nog eenzaam in het land zijn van den tijd der Kanaänieten af, die eens bij de verovering van het land hun burchten en vestingen voor het Israëlitische leger moesten ruimen, hoewel daar verwoesting zal wezen of, en verwoesting zal er zijn.
Met vs. 9 wordt de aankondiging van het oordeel voortgezet, welke door vs. 7 en 8 was afgebroken.
In het Hebr. kaäzoebath hachoresch wehaämir. Beter: Als de ruïne van het woud en van den bergtop. Het zou met de sterkten en burchten van Efraïm gaan, als het vroeger gegaan was met de burchten der Amorieten, waarvan de ruinen nog in de wouden en op de bergtoppen te zien waren.
Want gij, o Israël! hebt den God uws heils vergeten, die waarlijk de hulp kon geven, welke gij bij die steden zoekt, en hebt niet gedacht aan den Rotssteen uwer sterkte (Deut. 32:4, 15, 18, 30 v. Ps. 18:3; 31:3). Daarom, om deze uwe verwijdering van God, zult gij wel liefelijke planten planten, een vreemden godsdienst invoeren, allerlei plannen maken, zo als uwe verkeerde gezindheid u die ingeeft, en allerlei ondernemingen dienvolgens aanvangen, en gij zult hem met uitlandse ranken (Hoofdstuk 16:8) bezetten, geheel en al naar de wijze der heidenen wandelen. De woorden moeten in den verleden tijd worden vertaald: gij hebt wel lieflijke plantingen, of plantingen der lieflijkheden en der wellusten geplant. De Israëlieten hadden hunnen kerkelijken en zedelijken toestand gelijk gemaakt aan kweekhoven en plantingen der wellusten, dat is te zeggen, zij hadden vreemde en valse leringen nagejaagd, welke alleen dienden tot streling van het wellustig en verdorven vlees, hoedanig de afgodische grondstellingen der heidenen waren. Verder hadden zij dezen kweekhof bezet met uitlandse ranken of scheuten; dat is, zij hadden allerlei vreemde godsdienstplechtigheden overgenomen.
Ten dage, als gij ze zult geplant hebben, zult gij die doen wassen, gij hebt u met allen ijver toegelegd, om die vreemde plechtigheden te verspreiden, en u verenigd met Syrië, om Juda en Jeruzalem ten onder te brengen (2 (Kon. 16:5 vv.), en in den morgenstond zult gij uw zaad doen bloeien, gelijk iemand, die des morgens zijn zaaisel besproeit, en er alles aan doet, wat dienen kan om het te doen uitspruiten, zo hebt gij al wat mogelijk is in het werk gesteld, om de verbastering in den godsdienst te bevorderen, doch het zal, terwijl gij denkt de garven van dezen akker, dien gij meent zo wel verzorgd te hebben, te oogsten, maar een hoop van het gemaaide zijn, in den dag der ziekte en der pijnlijke smart 1), gij zult de vrucht alleen gewenst hebben, maar in den oogstdag zult gij smartelijke ondervindingen hebben (2 Kon. 15:29; 17:3 vv.).
Israël had hulpe gezocht, niet bij dien God, die het van oude tijden af een God des heils en der genade was geweest, maar bij de volken rondom. Nu spreekt hier de Heere uit dat het zich zelven niets dan ellende heeft berokkend. De Heere vergelijkt daarom wat Israël geoogst heeft bij een hoop koren ten dage der smart.
Maar-het machtige leger, dat uit het noorden tegen u komt, om Gods gericht aan u te volvoeren, zal eveneens door God worden overgegeven en plotseling vergaan. Wee der veelheid der grote volken, die ik tegen u zie optrekken, maar die, zonder het te vermoeden, hun eigen ondergang te gemoet gaan, die daar bruisen, gelijk de zeeën bruisen; en wee het geruis der natiën, de ASSYRIËRS en alle onder hun macht tot ene grote volksmenigte verenigde volken, die daar ruisen, gelijk de geweldige wateren ruisen, wanneer de storm ze in beweging heeft gebracht.
De natiën zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; doch Hij, de Heere, wie het slechts één woord kost, om ook de wildste watergolven tot rust te brengen (MATTHEUS. 8:26), zal hem schelden, zo zal hij verre weg vlieden, ja hij zal gejaagd worden, die gehele ontzettende mensenmassa a), als het kaf der bergen, het daar bij het uitdorsen van het koren achtergeblevene kaf (Deut. 25:4 en (Ruth 3:4), van den wind, en gelijk een kloot (“een stoppel”) van den wervelwind (vgl. 2 Kon. 19:35 vv.).
Job 21:18. Ps. 1:4; 35:5; 83:14. De woorden des profeten ruisen zelf als grote wateren, zij bruisen als de baren der zee. Aan het plotseling verdwijnen der met verdovend gedruis in ‘t land indringende Assyrische rovers in één nacht des goddelijken gericht, beantwoordt voortreffelijk de korte ineengedrongen rede, die dit voorstelt in de kleinste ruimte.
Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer, hij is verdwenen. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, der ASSYRIËRS, en het lot dergenen, die ons plunderen. Dat juist het orakel over Damascus, op den vierden trap zo omvattend; en voor Israël zo rijk in beloften is, is daaruit te verklaren, dat Syrië in het bestrijden van Israël de voorloper van Assur was, en daaruit, dat het verbond van Israël met Syrië de oorzaak der verwikkelingen met Assur is geworden. Zo kan God in één ogenblik de vijanden zijner Kerk en al hun macht verbreken, zelfs dan als zij het verschrikkelijkst voorkomt, en dit is geschreven ter bemoediging van Gods volk in alle eeuwen, wanneer zij zich als een ongelijke partij moeten aanmerken voor hun tegenpartijen. Als God de zaak Zijner vrienden in handen neemt, wee dan de genen, die hen trachten te benadelen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel