Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Het gezichtH2377 van JesajaH3470, den zoonH1121 van AmozH531, hetwelkH834 hij zagH2372 overH5921 JudaH3063 en JeruzalemH3389, in de dagenH3117 van UzziaH5818, JothamH3147, AchazH271 en HizkiaH3169, de koningenH4428 van JudaH3063.
Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.
KJV
The vision1
of Isaiah2
the son3
of Amoz,4
which he saw6
concerning Judah8
and Jerusalem9
in the days10
of Uzziah,11
Jotham,12
Ahaz,13
and Hezekiah,
kings15
of Judah.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
HoortH8085, gij hemelenH8064! en neem ter ore, gij aardeH776! wantH3588 de HEEREH3068 spreektH1696: Ik heb kinderenH1121 grootH1431 gemaakt en verhoogdH7311; maar zijH1992 hebben tegen Mij overtredenH6586.
Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.
Ook in dit vers
neem oreH238
KJV
Hear,1
O heavens,2
and give ear,3
O earth:4
for the LORD6
hath spoken,7
I have nourished9
and brought up10
children,8
and they have rebelled
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Een osH7794 kentH3045 zijn bezitterH7069, en een ezelH2543 de kribH18 zijns herenH1167; maar IsraelH3478 heeft geenH3808 kennisH3045, Mijn volkH5971 verstaatH995 nietH3808.
Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israel heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.
KJV
The ox2
knoweth1
his owner,3
and the ass4
his master's6
crib:5
but Israel7
doth not know,9
my people10
doth not consider.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WeeH1945 het zondigeH2398 volk, het volk van zwareH3515 ongerechtigheidH5771, het zaadH2233 der boosdoenersH7489, de verdervendeH7843 kinderenH1121! Zij hebben den HEEREH3068 verlatenH5800, zij hebben den HeiligeH6918 IsraelsH3478 gelasterdH5006, zij hebben zich vervreemdH2114, wijkende achterwaartsH268.
Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben den HEERE verlaten, zij hebben den Heilige Israels gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts.
Ook in dit vers
volkH1471
volkH5971
KJV
Ah1
sinful3
nation,2
a people4
laden5
with iniquity,6
a seed7
of evildoers,8
children9
that are corrupters:10
they have forsaken11
the LORD,13
they have provoked14
the Holy One16
of Israel17
unto anger,
they are gone away18
backward.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WaartoeH4100 zoudt gij meer geslagenH5221 worden? Gij zoudt des afvalsH5627 des te meer maken; het ganseH3605 hoofdH7218 is krankH2483, en het ganseH3605 hartH3824 is matH1742.
Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.
KJV
Why should ye be stricken3
any more? ye will revolt6
more and more:5
the whole head8
is sick,9
and the whole heart11
faint.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Van de voetzoolH3709 af tot het hoofdH7218 toe is er nietsH369 geheelsH4974 aan hetzelve; maar wondenH6482, en striemenH2250, en etterbuilenH2961, die niet uitgedruktH2115 nochH3808 verbondenH2280 zijn, en geen derzelve is met olieH8081 verzachtH7401.
Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht.
KJV
From the sole1
of the foot2
even unto the head4
there is no soundness7
in it; but wounds,8
and bruises,9
and putrifying11
sores:10
they have not been closed,13
neither bound up,15
neither mollified17
with ointment.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Uw aardrijkH776 is een verwoestingH8077, uw stedenH5892 zijn met het vuurH784 verbrandH8313; uw landH127 verterenH398 de vreemdenH2114 in uw tegenwoordigheidH5048, en een verwoestingH8077 is er, als een omkeringH4114 door de vreemdenH2114.
Uw aardrijk is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden.
KJV
Your country1
is desolate,2
your cities3
are burned4
with fire:5
your land,6
strangers8
devour9
it in your presence, and it is desolate,11
as overthrown12
by strangers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En de dochterH1323 van SionH6726 is overgeblevenH3498 als een hutjeH5521 in den wijngaardH3754, als een nachthutjeH4412 in den komkommerhofH4750 als een belegerdeH5341 stadH5892.
En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof als een belegerde stad.
KJV
And the daughter2
of Zion3
is left1
as a cottage4
in a vineyard,5
as a lodge6
in a garden of cucumbers,7
as a besieged9
city.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Zo niet de HEEREH3068 der heirscharenH6635 ons nog een weinigH4592 overblijfselH8300 had gelatenH3498, als SodomH5467 zouden wij geworden zijnH1961; wij zouden GomorraH6017 gelijk zijn geworden.
Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden.
KJV
Except1
the LORD2
of hosts3
had left4
unto us a very small7
remnant,6
we should have been9
as Sodom,8
and we should have been like11
unto Gomorrah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
HoortH8085 des HEERENH3068 woordH1697, gij overstenH7101 van SodomH5467! neemt ter ore de wetH8451 onzes GodsH430, gij volkH5971 van GomorraH6017!
Hoort des HEEREN woord, gij oversten van Sodom! neemt ter ore de wet onzes Gods, gij volk van Gomorra!
Ook in dit vers
neemt oreH238
KJV
Hear1
the word2
of the LORD,3
ye rulers4
of Sodom;5
give ear6
unto the law7
of our God,8
ye people9
of Gomorrah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WaartoeH4100 zal Mij zijn de veelheidH7230 uwer slachtoffersH2077? zegtH559 de HEEREH3068; Ik ben zat van de brandoffersH5930 der rammenH352, en het smeerH2459 der vetteH4806 beesten, en heb geen lustH2654 aan het bloedH1818 der varrenH6499, nochH3808 der lammerenH3532, noch der bokkenH6260.
Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de HEERE; Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken.
KJV
To what1
purpose is the multitude3
of your sacrifices4
unto me? saith5
the LORD:6
I am full7
of the burnt offerings8
of rams,9
and the fat10
of fed beasts;11
and I delight17
not in the blood12
of bullocks,13
or of lambs,14
or of he goats.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Wanneer gijlieden voor Mijn aangezichtH6440 komtH935 te verschijnenH7200, wieH4310 heeft zulks van uw handH3027 geeistH1245, dat gij Mijn voorhovenH2691 betredenH7429 zoudt?
Wanneer gijlieden voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geeist, dat gij Mijn voorhoven betreden zoudt?
KJV
When ye come2
to appear3
before4
me, who hath required6
this at your hand,8
to tread9
my courts?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
BrengtH935 niet meer vergeefsH7723 offerH4503, het reukwerkH7004 is Mij een gruwelH8441; de nieuwe maandenH2320, en sabbattenH7676, en het bijeenroepenH7121 der vergaderingenH4744 vermagH3201 Ik niet, het is ongerechtigheidH205, zelfs de verbodsdagenH6116.
Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen.
KJV
Bring3
no more2
vain5
oblations;4
incense6
is an abomination7
unto me; the new moons10
and sabbaths,11
the calling12
of assemblies,13
I cannot away with;15
it is iniquity,16
even the solemn meeting.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Uw nieuwe maandenH2320 en uw gezette hoogtijdenH4150 haatH8130 Mijn zielH5315, zij zijnH1961 Mij tot een lastH2960; Ik ben moedeH3811 geworden, die te dragenH5375.
Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen.
KJV
Your new moons1
and your appointed feasts2
my soul4
hateth:3
they are a trouble7
unto me; I am weary8
to bear
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En als gijlieden uw handen uitbreidtH6566, verbergH5956 Ik Mijn ogenH5869 voor u; ookH1571 wanneer gij het gebedH8605 vermenigvuldigtH7235, hoorH8085 Ik nietH369; want uw handen zijn volH4390 bloedH1818.
En als gijlieden uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed.
Ook in dit vers
handenH3027
handenH3709
KJV
And when ye spread forth1
your hands,2
I will hide3
mine eyes4
from you: yea, when ye make many8
prayers,9
I will not hear:11
your hands12
are full14
of blood.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WastH7364 u, reinigtH2135 u, doet de boosheidH7455 uwer handelingenH4611 van voor Mijn ogenH5869 wegH5493, laat af van kwaadH7489 te doen.
Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.
KJV
Wash1
you, make you clean;2
put away3
the evil4
of your doings5
from before6
mine eyes;7
cease8
to do evil;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
LeertH3925 goedH3190 doen, zoektH1875 het recht, helptH833 den verdrukteH2541, doet den weesH3490 recht, handelt de twistzaakH7378 der weduweH490.
Leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe.
Ook in dit vers
rechtH4941
rechtH8199
KJV
Learn1
to do well;2
seek3
judgment,4
relieve5
the oppressed,6
judge7
the fatherless,8
plead9
for the widow.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
KomtH3212 dan, en laat ons samen rechtenH3198, zegtH559 de HEEREH3068; al warenH1961 uw zondenH2399 alsH518 scharlakenH8144, zij zullen witH3835 worden alsH518 sneeuwH7950, al waren zij roodH119 als karmozijnH8438, zij zullen worden als witte wolH6785.
Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.
KJV
Come now,1
and let us reason together,3
saith4
the LORD:5
though your sins8
be as scarlet,9
they shall be as white11
as snow;10
though they be red13
like crimson,14
they shall be as wool.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Indien gijlieden willigH14 zijt en hoortH8085, zo zult gij het goedeH2898 dezes landsH776 etenH398.
Indien gijlieden willig zijt en hoort, zo zult gij het goede dezes lands eten.
KJV
If ye be willing2
and obedient,3
ye shall eat6
the good4
of the land:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Maar indien gij weigertH3985, en wederspannigH4784 zijt, zoH518 zult gij van het zwaardH2719 gegetenH398 worden; wantH3588 de mondH6310 des HEERENH3068 heeft het gesprokenH1696.
Maar indien gij weigert, en wederspannig zijt, zo zult gij van het zwaard gegeten worden; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.
KJV
But if ye refuse2
and rebel,3
ye shall be devoured5
with the sword:4
for the mouth7
of the LORD8
hath spoken
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
HoeH349 is de getrouweH539 stadH7151 tot een hoerH2181 geworden! Zij was volH4392 rechtH4941, gerechtigheidH6664 herbergdeH3885 daarin, maar nuH6258 doodslagersH7523.
Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers.
KJV
How is the faithful5
city4
become an harlot!3
it was full
of judgment;7
righteousness8
lodged9
in it; but now murderers.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Uw zilverH3701 isH1961 geworden tot schuimH5509; uw wijnH5435 is vermengdH4107 met waterH4325.
Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water.
KJV
Thy silver1
is become dross,3
thy wine4
mixed5
with water:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Uw vorstenH8269 zijn afvalligenH5637, en metgezellenH2270 der dievenH1590, een iederH3605 van hen heeft de geschenkenH7810 liefH157, en zij jagenH7291 de vergeldingenH8021 na; den wezen doen zij geenH3808 rechtH8199, en de twistzaakH7379 der weduwenH490 komtH935 voor hen nietH3808.
Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft de geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; den wezen doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwen komt voor hen niet.
KJV
Thy princes1
are rebellious,2
and companions3
of thieves:4
every one loveth6
gifts,7
and followeth8
after rewards:9
they judge12
not the fatherless,10
neither doth the cause13
of the widow14
come
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
DaaromH3651 spreektH5002 de HeereH113, HEEREH3068 der heirscharenH6635, de MachtigeH46 IsraelsH3478: O weeH1945! Ik zal Mij troostenH5162 van Mijn wederpartijdersH6862. Ik zal Mij wrekenH5358 van Mijn vijandenH341.
Daarom spreekt de Heere, HEERE der heirscharen, de Machtige Israels: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders. Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden.
KJV
Therefore saith2
the Lord,3
the LORD4
of hosts,5
the mighty One6
of Israel,7
Ah,8
I will ease9
me of mine adversaries,10
and avenge11
me of mine enemies:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En Ik zal Mijn handH3027 tegen u kerenH7725, en Ik zal uw schuimH5509 opH5921 het allerreinsteH1253 afzuiverenH6884, en Ik zal alH3605 uw tinH913 wegnemenH5493.
En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnemen.
KJV
And I will turn1
my hand2
upon thee, and purely5
purge away4
thy dross,6
and take away7
all thy tin:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En Ik zal u uw rechtersH8199 wedergevenH7725, als in het eersteH7223, en uw raadsliedenH3289 als in den beginneH8462; daarnaH310 zult gij een stad der gerechtigheidH6664, een getrouweH539 stad, genoemdH7121 worden.
En Ik zal u uw rechters wedergeven, als in het eerste, en uw raadslieden als in den beginne; daarna zult gij een stad der gerechtigheid, een getrouwe stad, genoemd worden.
Ook in dit vers
stadH5892
stadH7151
KJV
And I will restore1
thy judges2
as at the first,3
and thy counsellors4
as at the beginning:5
afterward6
thou shalt be called,8
The city10
of righteousness,11
the faithful13
city.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
SionH6726 zal door rechtH4941 verlostH6299 worden, en haar wederkerendenH7725 door gerechtigheidH6666.
Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid.
KJV
Zion1
shall be redeemed3
with judgment,2
and her converts4
with righteousness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Maar er zal verbrekingH7667 zijn der overtredersH6586, en der zondaarsH2400 te zamenH3162; en die den HEEREH3068 verlatenH5800, zullen omkomenH3615.
Maar er zal verbreking zijn der overtreders, en der zondaars te zamen; en die den HEERE verlaten, zullen omkomen.
KJV
And the destruction1
of the transgressors2
and of the sinners3
shall be together,4
and they that forsake5
the LORD6
shall be consumed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
WantH3588 zij zullen beschaamdH954 worden om der eikenH352 wil, dieH834 gijlieden begeerdH2530 hebt, en gij zult schaamroodH2659 worden, om der hovenH1593 wil, dieH834 gij verkorenH977 hebt.
Want zij zullen beschaamd worden om der eiken wil, die gijlieden begeerd hebt, en gij zult schaamrood worden, om der hoven wil, die gij verkoren hebt.
KJV
For they shall be ashamed2
of the oaks3
which ye have desired,5
and ye shall be confounded6
for the gardens7
that ye have chosen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Want gij zult zijnH1961 alsH3588 een eikH424, welks bladerenH5929 afvallenH5034, en als een hofH1593, dieH834 geenH369 waterH4325 heeft.
Want gij zult zijn als een eik, welks bladeren afvallen, en als een hof, die geen water heeft.
KJV
For ye shall be as an oak3
whose leaf5
fadeth,4
and as a garden6
that hath no water.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
En de sterkeH2634 zal wezenH1961 tot grof vlasH5296, en zijn werkmeesterH6467 tot een vonkH5213, en zij zullen beidenH8147 te zamenH3162 brandenH1197, en er zal geenH369 uitblusserH3518 wezen.
En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot een vonk, en zij zullen beiden te zamen branden, en er zal geen uitblusser wezen.
KJV
And the strong2
shall be as tow,3
and the maker4
of it as a spark,5
and they shall both7
burn6
together,8
and none shall quench
Het
Dat is, hetgeen dat God den profeet Jesaja door een gezicht heeft geopenbaard en bevolen het volk te verkondigen. Doch in dit boek wordt niet gesproken van een, maar van vele en verscheidene gezichten, die de profeet gezien heeft.
Hertaald:
Het
Dat is: wat God de profeet Jesaja door een gezicht geopenbaard en bevolen heeft aan het volk te verkondigen. In dit boek wordt echter niet over één gezicht gesproken, maar over vele en verschillende gezichten die de profeet gezien heeft.
gezicht
Van het woord gezicht zie Gen. 15:1 .
Hertaald:
gezicht
Over het woord gezicht, zie Gen. 15:1.
Amoz,
Het wordt daarvoor gehouden, dat deze Amoz is geweest de broeder van Uzzia, den koning van Juda.
Hertaald:
Amoz,
Men houdt het ervoor dat deze Amoz de broer geweest is van Uzzia, de koning van Juda.
Uzzia,
Van deze vier koningen is te lezen in het tweede boek der Koningen van het 15e tot het 21e hoofdstuk.
Hertaald:
Uzzia,
Over deze vier koningen is te lezen in het tweede boek der Koningen, van het vijftiende tot het eenentwintigste hoofdstuk.
Hoort,
Zie Deut. 4:26 ; Mi. 6:2 .
Hertaald:
Hoort,
Zie Deut. 4:26 en Micha 6:2.
groot gemaakt
Of, opgetogen.
Hertaald:
groot gemaakt
Of: opgevoed.
zij hebben
Of, zij zijn van mij afgevallen, of zij hebben afvalliglijk tegen mij gehandeld. Zie van de betekenis van het Hebreeuwse woord 1 Kon. 12:19 .
Hertaald:
zij hebben
Of: zij zijn van Mij afgevallen, of zij hebben trouweloos tegen Mij gehandeld. Over de betekenis van het Hebreeuwse woord, zie 1 Kon. 12:19.
Een os
De zin is, hoewel een os en ezel van de domste dieren zijn, zo leren zij nochtans dien kennen, die zich dagelijks als voeder voorstelt, en zij betonen hem op hunne wijze enige vriendschap, wanneer hij tot hen in den stal komt, en zij voegen zich naar zijne hand.
Hertaald:
Een os
De betekenis is: hoewel een os en een ezel tot de domste dieren behoren, leren zij toch degene kennen die hun dagelijks voer voorzet, en zij betonen hem op hun manier enige vriendschap wanneer hij bij hen in de stal komt, en zij voegen zich naar zijn hand.
zijn bezitter,
Dat is, dengene, wien hij toebehoort en die hem als zijn eigen bezit en opvoedt.
Hertaald:
zijn bezitter,
Dat is: degene aan wie hij toebehoort en die hem als zijn eigendom houdt en voedt.
een ezel
De zin is, hoewel een os en ezel van de domste dieren zijn, zo leren zij nochtans dien kennen, die zich dagelijks als voeder voorstelt, en zij betonen hem op hunne wijze enige vriendschap, wanneer hij tot hen in den stal komt, en zij voegen zich naar zijne hand.
Hertaald:
een ezel
De betekenis is: hoewel een os en een ezel tot de domste dieren behoren, leren zij toch degene kennen die hun dagelijks voer voorzet, en zij betonen hem op hun manier enige vriendschap wanneer hij bij hen in de stal komt, en zij voegen zich naar zijn hand.
Israël
Of, Israël verstaat niet. Die zijnen God niet kent, wordt geacht niets te weten of te kennen. Anders: kent [mij] niet, te weten, zijnen bezitter, eigenaar, Heer, alsof Hij zeide: zij die daar roemen Gods volk te zijn, zijn onvernuftiger en onverstandiger dan het vee.
Hertaald:
Israël
Of: Israël verstaat niet. Wie zijn God niet kent, wordt geacht niets te weten of te kennen. Anders: kent Mij niet, namelijk zijn bezitter, eigenaar en heer — alsof Hij zei: zij die erop roemen Gods volk te zijn, zijn onverstandiger en dommer dan het vee.
het zondige
Dat is, het volk, dat zich geheellijk tot zondigen heeft overgegeven.
Hertaald:
het zondige
Dat is: het volk dat zich volkomen aan het zondigen heeft overgegeven.
van zware
Hebreeuws, dat zwaar is van ongerechtigheid; dat is, hetwelk zwaarlijk met vele zonden beladen is.
Hertaald:
van zware
Hebreeuws: dat zwaar is van ongerechtigheid — dat is: dat zwaar met veel zonden beladen is.
het zaad
Dat is, degenen, die gegenereerd zijn van boosaardige ouders, zijnde derhalve kwaad ei, kwaad kieken; vergelijk Matt. 3:7 .
Hertaald:
het zaad
Dat is: zij die uit boosaardige ouders verwekt zijn en daarom zijn zoals het spreekwoord zegt: van een kwaad ei komt een kwaad kuiken. Vergelijk Matth. 3:7.
de verdervende
De zondaars bederven zichzelven, hunnen weg en al wat zij kunnen; zie Gen. 6:12 ; Spr. 6:32 , enz.
Hertaald:
de verdervende
De zondaars bederven zichzelf, hun weg en alles wat zij kunnen; zie Gen. 6:12 en Spr. 6:32, enzovoort.
Heilige Israëls
Dat is, den waren God, die zich Israël heeft geopenbaard; gelijk Ps. 71:22 .
Hertaald:
Heilige Israëls
Dat is: de ware God, Die Zich aan Israël geopenbaard heeft, zoals in Ps. 71:22.
gelasterd,
Anders: getergd, veracht.
Hertaald:
gelasterd,
Anders: getergd, veracht.
zich vervreemd,
Te weten, van den Heere; Ezech. 14:5 .
Hertaald:
zich vervreemd,
Namelijk: van de HEERE; Ezech. 14:5.
Waartoe
Alsof God zeide: Het is toch tevergeefs, dat men u veel slaat. Anders: waarop; dat is, op welk deel van het lichaam zal men u meer slaan?
Hertaald:
Waartoe
Alsof God zei: het is toch tevergeefs dat men u nog meer slaat. Anders: waarop — dat is: op welk deel van het lichaam zal men u nog slaan?
hoofd
Hebreeuws, het ganse hoofd is in krankheid; dat is, zowel het geestelijke als het wereldlijke bestuur is in een ellendigen en bedroefden staat, en daar is hulp noch raad tot beterschap te vinden.
Hertaald:
hoofd
Hebreeuws: het hele hoofd is ziek — dat is: zowel het geestelijke als het wereldlijke bestuur verkeert in een ellendige en bedroefde staat, en er is hulp noch raad tot verbetering te vinden.
Van de voetzool
Met de woorden van vs.6 wordt verder aangewezen de verdorven staat zo der kerk als der maatschappij bij de Joden. Vergelijk de manier van spreken met Deut. 28:35 ; 2 Sam. 14:25 ; Job 2:7 .
Hertaald:
Van de voetzool
Met de woorden van vers 6 wordt de verdorven staat van zowel de kerk als de samenleving bij de Joden verder aangewezen. Vergelijk deze manier van spreken met Deut. 28:35, 2 Sam. 14:25 en Job 2:7.
aan hetzelve;
Te weten lichaam, of volk.
Hertaald:
aan hetzelve;
Namelijk: aan het lichaam, of aan het volk.
striemen,
Het Hebreeuwse woord betekent zulk een teken, of striem, of lijkstee, als zich het bloed ergens verheft of vertoont vanwege een slag of stoot.
Hertaald:
striemen,
Het Hebreeuwse woord betekent zo'n teken of striem of blauwe plek waarbij het bloed zich ergens ophoopt of zichtbaar wordt door een slag of stoot.
etterbuilen,
Of vochtige plaag, kwetsuur; dat is, verrotte kwetsuren, of zweren die vervuilen, of verzweren, of kwetsuren vol etter.
Hertaald:
etterbuilen,
Of: vochtige wond, verwonding — dat is: verrotte wonden, of zweren die gaan etteren of zweren, of wonden vol etter.
uitgedrukt
Te weten, alzo, dat er het etter en vuil bloed uitgedrukt en de wonde gezuiverd is.
Hertaald:
uitgedrukt
Namelijk: zo dat de etter en het vuile bloed eruit gedrukt en de wond gereinigd is.
Uw aardrijk
De zin is: Het is geen bouwland gelijkende, maar veel meer een wilde ongebouwde woestijn.
Hertaald:
Uw aardrijk
De betekenis is: het lijkt geen bouwland, maar veel meer een wilde, onbewerkte woestijn.
verteren
Dat is, zij eten de vruchten des lands op. Dit is geschied door Hazael, den koning van Syrië, en Joas, den koning van Israël, 2Ki 12 , en 2Ch 25 .
Hertaald:
verteren
Dat is: zij eten de vruchten van het land op. Dit is gebeurd door Hazael, de koning van Syrië, en door Joas, de koning van Israël, 2 Kon. 12 en 2 Kron. 25.
de vreemden
Hebreeuws, omkering der vreemden; dat is, die door vreemden geschiedt, of zodanig als de vreemde soldaten plachten aan te richten als zij een land innemen en overheersen; zie 2 Kron. 28:18 .
Hertaald:
de vreemden
Hebreeuws: omkering van vreemden — dat is: een omkering die door vreemden veroorzaakt wordt, of zoals vreemde soldaten die plachten aan te richten wanneer zij een land innemen en overheersen; zie 2 Kron. 28:18.
de dochter
Dat is, Jeruzalem, hetwelk ten dele op den berg Zion gebouwd was, en daaruit scheen te spruiten en voort te komen; zie de aantekening 2 Kon. 19:21 .
Hertaald:
de dochter
Dat is: Jeruzalem, dat voor een deel op de berg Sion gebouwd was en daaruit leek voort te komen; zie de aantekening bij 2 Kon. 19:21.
is overgebleven
Te weten nadat de andere steden door het ganse land verwoest zijn.
Hertaald:
is overgebleven
Namelijk: nadat de andere steden door het hele land verwoest zijn.
als een hutje
Anders: als een schaduwhuisje; te weten waar de bewaarder van den wijngaard onder schuilt. Hij wil zeggen, zij is tot de uiterste ellende gebracht. Zie Job 27:18 .
Hertaald:
als een hutje
Anders: als een schaduwhutje, namelijk waaronder de bewaker van de wijngaard schuilt. Hij wil zeggen: zij is tot de uiterste ellende gebracht. Zie Job 27:18.
belegerde stad
Of, verwoeste, of besloten stad.
Hertaald:
belegerde stad
Of: verwoeste, of ingesloten stad.
een weinig
rom. 9:29 staat, een weinig zaads, dit komt daarbij toe, dat in de Griekse overzetting van het Oude Testament [welke de apostelen hier gevolgd hebben] het woord zaad gelezen wordt. De zin komt met het Hebreeuwse wel overeen.
Hertaald:
een weinig
In Rom. 9:29 staat: een weinig zaad. Dat komt daardoor dat in de Griekse vertaling van het Oude Testament, die de apostelen hier gevolgd hebben, het woord zaad gelezen wordt. De betekenis komt met het Hebreeuws wel overeen.
als Sodom
Dat is, wij zouden gans uitgeroeid en tot in den grond toe vernield zijn.
Hertaald:
als Sodom
Dat is: wij zouden geheel uitgeroeid en tot de grond toe vernietigd zijn.
gij oversten
Dat is, gij vorsten van Jerzulem, die waarlijk niet beter zijt dan de vorsten, regenten, of leidslieden te Sodom eertijds geweest zijn. Die zijn zonder genade uitgeroeid, maar ulieden geschiedt nog deze genade, dat gij des Heeren woord moogt horen; eilieve, neemt toch deze genade waar. Vergelijk met deze plaats Deut. 32:32 ; Ezech. 16:46 .
Hertaald:
gij oversten
Dat is: u, vorsten van Jeruzalem, die werkelijk niet beter bent dan de vorsten, bestuurders of leiders van Sodom vroeger geweest zijn. Die zijn zonder genade uitgeroeid, maar u wordt nog deze genade bewezen dat u het woord van de HEERE mag horen; neem die genade toch waar. Vergelijk met deze plaats Deut. 32:32 en Ezech. 16:46.
de wet
Dat is, hetgeen ik ulieden uit Gods bevel aandien. Van het woord wet zie Ps. 1:2 .
Hertaald:
de wet
Dat is: wat ik u op Gods bevel aanzeg. Over het woord wet, zie Ps. 1:2.
gij volk van Gomórra
Dat is, gij volk van Juda, die in boosheid den Gomorieten zijt gelijk geworden.
Hertaald:
gij volk van Gomórra
Dat is: u, volk van Juda, dat in boosheid aan de inwoners van Gomorra gelijk geworden bent.
Waartoe
Daar staat 1 Sam. 15:22 ; Gehoorzamen is beter dan slachtoffers, opmerken dan het vette der rammen. De Heere had wel de offeranden ingesteld en bevolen te doen, maar als hulpmiddelen om hen in boetvaardigheid en geloof wel te doen voortgaan; hetwelk, terwijl zij nalieten, zo waren hunne offeranden den Heere een gruwel, onaangezien Hij die had ingesteld.
Hertaald:
Waartoe
In 1 Sam. 15:22 staat: gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette van de rammen. De HEERE had de offers wel ingesteld en bevolen, maar als hulpmiddelen om hen in berouw en geloof verder te helpen. Omdat zij dat nalieten, waren hun offers voor de HEERE een gruwel, hoewel Hij ze Zelf had ingesteld.
der rammen,
Te weten der rammen, die geslacht worden ter offerande.
Hertaald:
der rammen,
Namelijk: de rammen die als offer geslacht worden.
voor Mijn aangezicht
Dat is, in den tempel, waar Ik mijne tegenwoordigheid bijzonderlijk openbaar.
Hertaald:
voor Mijn aangezicht
Dat is: in de tempel, waar Ik Mijn tegenwoordigheid in het bijzonder openbaar.
wie heeft zulks
Alsof God zeide: Ik heb daar geen behagen aan, dat gijlieden met uwe offeranden in den tempel verschijnt. Namelijk huichelender wijze, zonder geloof, zonder boete of aandacht gelijk gijlieden doet.
Hertaald:
wie heeft zulks
Alsof God zei: Ik heb er geen behagen in dat u met uw offers in de tempel verschijnt, namelijk op de huichelachtige manier waarop u dat doet: zonder geloof, zonder berouw en zonder aandacht.
Mijn voorhoven
Dat is, de voorhoven van mijn huis, of tempel, die twee waren, een der priesters en een des volks, 2 Kron. 4:9 ; zodat de profeet hier zowel de priesters als het volk bestraft.
Hertaald:
Mijn voorhoven
Dat is: de voorhoven van Mijn huis of tempel, waarvan er twee waren: een voor de priesters en een voor het volk, 2 Kron. 4:9. De profeet bestraft hier dus zowel de priesters als het volk.
Brengt niet
Hebreeuws, vaart niet voort te brengen. Anders: brengt voortaan niet meer spijsoffers der leugens, of der ijdelheid; te weten met welke gij mij niet kunt verzoenen.
Hertaald:
Brengt niet
Hebreeuws: gaat niet voort te brengen. Anders: brengt voortaan geen spijsoffers van leugen of ijdelheid meer, namelijk waarmee u Mij niet kunt verzoenen.
het reukwerk
Zie Exo 30 .
Hertaald:
het reukwerk
Zie Ex. 30.
de nieuwe
In het Hebreeuws staan deze woorden in het enkelvoud. De eerste dag der maand was den Heere heilig; Num. 28:11 , Num. 28:14 .
Hertaald:
de nieuwe
In het Hebreeuws staan deze woorden in het enkelvoud. De eerste dag van de maand was de HEERE heilig; Num. 28:11 en Num. 28:14.
het bijeenroepen
Als er boosheid is bij de vergaderingen, zo kan en wil de Heere daar niet bij wezen, want Hij is een vijand van de vergaderingen der boosdoeners; Ps. 5:5 . Zijne getrouwheid is in de gemeente der heiligen; Ps. 89:6 .
Hertaald:
het bijeenroepen
Waar boosheid heerst bij de samenkomsten, kan en wil de HEERE daar niet bij zijn, want Hij is een vijand van de vergaderingen van de boosdoeners; Ps. 5:5. Zijn trouw is in de gemeente van de heiligen; Ps. 89:6.
de verbodsdagen
Zie de aantekening Lev. 23:36 .
Hertaald:
de verbodsdagen
Zie de aantekening bij Lev. 23:36.
Uw nieuwe
Dat is, uwe offeranden, die gij ten tijde der nieuwe maanden pleegt te doen.
Hertaald:
Uw nieuwe
Dat is: uw offers, die u ten tijde van de nieuwe manen pleegt te brengen.
haat Mijn ziel,
Dat is, [gelijk wij spreken] Ik haat hen van ganser hart en van ganser ziel.
Hertaald:
haat Mijn ziel,
Dat is — zoals wij het zeggen: Ik haat hen met heel Mijn hart en heel Mijn ziel.
last;
Of, vermoeidheid.
Hertaald:
last;
Of: vermoeidheid.
Ik ben moede
Ik kan hen niet lijden, noch verdragen; menselijkerwijze van God gesproken.
Hertaald:
Ik ben moede
Ik kan hen niet uitstaan en niet verdragen; op menselijke wijze van God gesproken.
uw handen
Zie de aantekening 1 Kon. 8:22 , belangende het uitbreiden der handen in het bidden.
Hertaald:
uw handen
Zie de aantekening bij 1 Kon. 8:22, over het uitbreiden van de handen bij het bidden.
verberg Ik
De Heere wil niet verhoren de gebeden dergenen, die niet van harte gezind zijn zich van alle kwaad te bekeren; zie Ps. 66:18 .
Hertaald:
verberg Ik
De HEERE wil de gebeden niet verhoren van hen die niet van harte bereid zijn zich van alle kwaad te bekeren; zie Ps. 66:18.
zijn vol bloed
Hebreeuws, zijn vol bloeden; zie de aantekening Gen. 4:10 .
Hertaald:
zijn vol bloed
Hebreeuws: zijn vol bloeden; zie de aantekening bij Gen. 4:10.
Wast u,
Hij ziet op de ceremoniën der wassingen en reinigingen, die in de wet bevolen waren, daaronder mede verstaande de geestelijke wassingen en zuiveringen des harten.
Hertaald:
Wast u,
Hij doelt op de ceremoniën van de wassingen en reinigingen die in de wet bevolen waren, en verstaat daaronder ook de geestelijke wassing en reiniging van het hart.
zoekt
Dat is, benaarstig u om te weten wat recht en wel gedaan is en doet dat.
Hertaald:
zoekt
Dat is: doe uw best om te weten wat recht en goed is, en doe dat.
handelt
Dat is, verdedigt de zaak der weduwen voor het gericht.
Hertaald:
handelt
Dat is: verdedigt de zaak van de weduwen voor het gerecht.
tezamen
Dat is, met redenen elkander bewijzen, wie recht of onrecht heeft, en volgens dien wie de oorzaak is van uwe ellende, Ik of uwe zonden?
Hertaald:
tezamen
Dat is: elkaar met redenen bewijzen wie gelijk of ongelijk heeft, en daarmee wie de oorzaak van uw ellende is: Ik of uw zonden?
als scharlaken,
Deze woorden zien op hetgeen vs.15 gezegd is: Uwe handen zijn vol bloed; zie Gen. 38:28 van de scharlaken verf.
Hertaald:
als scharlaken,
Deze woorden doelen op wat in vers 15 gezegd is: uw handen zijn vol bloed; zie Gen. 38:28 over de scharlaken verf.
zij zullen wit
Dat is, zij zullen u uit genade, om des Messias' wil, volkomenlijk vergeven worden.
Hertaald:
zij zullen wit
Dat is: zij zullen u uit genade, om de Messias' wil, volkomen vergeven worden.
rood
Deze woorden zien op hetgeen vs.15 gezegd is: Uwe handen zijn vol bloed; zie Gen. 38:28 van de scharlaken verf.
Hertaald:
rood
Deze woorden doelen op wat in vers 15 gezegd is: uw handen zijn vol bloed; zie Gen. 38:28 over de scharlaken verf.
karmozijn,
Of, purper, of vermiljioen; zulk een kleur als de cochenille geeft.
Hertaald:
karmozijn,
Of: purper, of vermiljoen; zo'n kleur als de cochenille geeft.
hoort,
Dat is, gehoorzaamt; te weten mijne geboden.
Hertaald:
hoort,
Dat is: gehoorzaamt, namelijk Mijn geboden.
het goede
Dat is, het schoonste en het beste van dit land; zie Job 21:13 , Job 21:25 .
Hertaald:
het goede
Dat is: het schoonste en beste van dit land; zie Job 21:13 en Job 21:25.
weigert,
Te weten mij te horen en gehoorzamen.
Hertaald:
weigert,
Namelijk: Mij te horen en te gehoorzamen.
het zwaard
Te weten uwer vijanden.
Hertaald:
het zwaard
Namelijk: van uw vijanden.
want de mond
Derhalve zal het zekerlijk geschieden.
Hertaald:
want de mond
Daarom zal het zeker gebeuren.
Hoe is
Dit is ene vraag met verwondering.
Hertaald:
Hoe is
Dit is een vraag met verwondering.
de getrouwe
Versta Jeruzalem, die eertijds den Heere zo getrouwelijk aangehangen en gediend heeft, te weten ten tijde van David, Salomo, Josafat en andere godzalige koningen.
Hertaald:
de getrouwe
Versta: Jeruzalem, dat vroeger de HEERE zo trouw aangehangen en gediend heeft, namelijk in de tijd van David, Salomo, Josafat en andere godzalige koningen.
een hoer
Versta dit van geestelijke hoererij, dat is afgoderij. Zie Lev. 17:7 , en Lev. 20:5 . Of van vleselijke hoererij, of van beide. Zie Num. 15:39 ; Ps. 73:27 ; Ezech. 16:15 , enz.
Hertaald:
een hoer
Versta dit van geestelijke hoererij, dat is: afgoderij. Zie Lev. 17:7 en Lev. 20:5. Of van vleselijke hoererij, of van beide. Zie Num. 15:39, Ps. 73:27 en Ezech. 16:15, enzovoort.
herbergde
Of, vernachtte.
Hertaald:
herbergde
Of: overnachtte.
nu
Te weten, wonen daarin.
Hertaald:
nu
Namelijk: wonen daarin.
doodslagers
Of, moordenaars; dat is, ongerechtige woekeraars, gewelddoeners, onderdrukkers der armen en dergelijken.
Hertaald:
doodslagers
Of: moordenaars — dat is: onrechtvaardige woekeraars, gewelddadigen, onderdrukkers van de armen en dergelijken.
Uw zilver
De zin is: De eerlijksten en voortreffelijksten onder ulieden zijn veranderd en verbasterd. Of, al wat tevoren rein en klaar was onder ulieden is nu verdorven en verkeerd.
Hertaald:
Uw zilver
De betekenis is: de eerlijksten en voortreffelijksten onder u zijn veranderd en verbasterd. Of: alles wat vroeger rein en zuiver was onder u, is nu verdorven en verkeerd.
afvalligen,
Of, eigenwillig, ongebonden, als een ongebonden koe; Hos. 4:16 .
Hertaald:
afvalligen,
Of: eigenzinnig, ongebonden, als een ongebonden koe; Hos. 4:16.
een ieder
Dat is, zij laten zich met geschenken omkopen om het recht te verdraaien.
Hertaald:
een ieder
Dat is: zij laten zich met geschenken omkopen om het recht te verdraaien.
komt voor hen
Of, al komt zij voor hunne vierschaar, zij willen haar niet horen, of ze nemen het niet ter harte, zij helpen haar niet tot haar recht; maar veel meer helpen zij haar onderdrukken.
Hertaald:
komt voor hen
Of: al komt zij voor hun rechtbank, zij willen haar niet horen, of zij nemen het niet ter harte; zij helpen haar niet aan haar recht, maar helpen haar veeleer onderdrukken.
Ik zal Mij
Dat is, Ik zal wraak nemen van de Israëlieten, mijne tegenpartijders en vijanden. Anders: Ik zal mij troosten door mijne vijanden. De zin is: Mijne vijanden, de Chaldeën en andere koningen der heidenen, zullen wraak doen en straffen mijn volk Israël, hetwelk dus vijandiglijk tegen mij rebelleert. Zodat troosten hier zoveel zou beduiden als door wraak zich geruststellen. Het is een menselijke wijze van spreken. Zie Deut. 28:63 , wat de Heere daar zegt.
Hertaald:
Ik zal Mij
Dat is: Ik zal Mij wreken op de Isra«lieten, Mijn tegenstanders en vijanden. Anders: Ik zal Mij troosten door Mijn vijanden. De betekenis is dan: Mijn vijanden, de Chaldeeën en andere koningen van de heidenen, zullen wraak nemen op en straf uitoefenen over Mijn volk Israël, dat zo vijandig tegen Mij in opstand komt. Troosten zou hier dan zoveel betekenen als: Zich door wraak gerust stellen. Het is een menselijke manier van spreken. Zie wat de HEERE zegt in Deut. 28:63.
van Mijn vijanden
Te weten, de boze Joden, die God daarom zijne vijanden noemt, omdat zij van Hem afgeweken en wederspannig tegen Hem geworden waren. Anders: door mijne vijanden; te weten de Chaldeën, gelijk straks tevoren.
Hertaald:
van Mijn vijanden
Namelijk: de boze Joden, die God daarom Zijn vijanden noemt omdat zij van Hem afgeweken en weerspannig tegen Hem geworden waren. Anders: door Mijn vijanden, namelijk de Chaldeeën, zoals zojuist gezegd is.
tegen u
Te weten om u te tuchtigen, o Jeruzalem. Anders: Ik zal mijne hand tot u wenden om u te zuiveren, enz.
Hertaald:
tegen u
Namelijk: om u te tuchtigen, o Jeruzalem. Anders: Ik zal Mijn hand tot u wenden om u te zuiveren, enzovoort.
schuim
Aldus noemt God de goddeloze regenten, of de lelijke misdaden des volks, die Hij door den Messias zou uitzuiveren. Zie Mal. 3:3 .
Hertaald:
schuim
Zo noemt God de goddeloze bestuurders, of de lelijke misdaden van het volk, die Hij door de Messias zou uitzuiveren. Zie Mal. 3:3.
tin
Tin betekent huichelarij, want gelijk tin het zilver zeer gelijk is, alzo schijnt de huichelarij godzaligheid te zijn.
Hertaald:
tin
Tin betekent huichelarij; want zoals tin veel op zilver lijkt, zo lijkt de huichelarij op godzaligheid.
wedergeven,
Te weten, nadat Ik u zal getuchtigd en gezuiverd hebben, en versta dat hier gesproken wordt van zodanige rechters of regeerders als Mozes, Jozua, Sameul, David en dergelijke geweest zijn, doch dit is voornamelijk ten tijde van den Messias geschied.
Hertaald:
wedergeven,
Namelijk: nadat Ik u getuchtigd en gezuiverd zal hebben. Versta dat hier gesproken wordt over zulke rechters of bestuurders als Mozes, Jozua, Samuël, David en dergelijken geweest zijn; maar dit is vooral in de tijd van de Messias gebeurd.
in het eerste,
Of, in den beginne; te weten in het begin uwer republiek, of van dit koninkrijk.
Hertaald:
in het eerste,
Of: in het begin, namelijk in het begin van uw staat of van dit koninkrijk.
getrouwe
Te weten, uwen God.
Hertaald:
getrouwe
Namelijk: aan uw God.
Sion
Dat is, de Joden, of de stam van Juda, en bij name die van Jeruzalem, wonende op en omtrent den berg Zion.
Hertaald:
Sion
Dat is: de Joden, of de stam van Juda, en met name de inwoners van Jeruzalem, die op en rond de berg Sion wonen.
door recht
Dat is, door de gerechtigheid Gods; dewijl het recht is bij God, verdrukking te vergelden dengenen, die anderen verdrukken; zie 2 Thess. 1:6 .
Hertaald:
door recht
Dat is: door de gerechtigheid van God; want het is recht bij God om verdrukking te vergelden aan hen die anderen verdrukken; zie 2 Thess. 1:6.
verlost
Te weten uit de Babylonische gevangenschap, of van de bovenverhaalde straffen; versta dit wijders van de geestelijke verlossing door Christus, die ook door Gods gerechtigheid geschied is.
Hertaald:
verlost
Namelijk: uit de Babylonische gevangenschap, of van de eerder genoemde straffen. Versta dit verder van de geestelijke verlossing door Christus, die ook door Gods gerechtigheid tot stand gekomen is.
wederkerenden
Of, bekeerde; te weten tot God, of wederkerende; te weten uit de Babylonische gevangenschap.
Hertaald:
wederkerenden
Of: bekeerde, namelijk tot God; of: terugkerende, namelijk uit de Babylonische gevangenschap.
gerechtigheid
Versta hier de gerechtigheid Gods, dat is, zijne waarheid en trouw, dewijl Hij zulks om Christus' wil beloofd heeft, en derhalve billijk is dat Hij het doe.
Hertaald:
gerechtigheid
Versta hier de gerechtigheid van God, dat is: Zijn waarheid en trouw, omdat Hij dit om Christus' wil beloofd heeft en het daarom billijk is dat Hij het doet.
verbreking
Dat is, ellende, gelijk Am. 6:6 ; zie Jer. 4:6 .
Hertaald:
verbreking
Dat is: ellende, zoals in Amos 6:6; zie Jer. 4:6.
te zamen;
Dat is, den een als den ander.
Hertaald:
te zamen;
Dat is: de een zowel als de ander.
zullen omkomen
Of, verteerd, of opgegeten worden. Dit kan men ook verstaan van de oordelen, die de Messias zal uitvoeren over de ongehoorzamen; Mal. 4:1 .
Hertaald:
zullen omkomen
Of: verteerd of opgegeten worden. Dit kan men ook verstaan van de oordelen die de Messias over de ongehoorzamen zal uitvoeren; Mal. 4:1.
om der eiken
Dat is, vanwege hunne afgoderij, die zij in de bossen onder de eiken en andere grote bomen plachten te bedrijven. Zie Ex. 34:13 ; Deut. 16:21 ; Richt. 3:7 .
Hertaald:
om der eiken
Dat is: vanwege hun afgoderij, die zij in de bossen onder de eiken en andere grote bomen plachten te bedrijven. Zie Ex. 34:13, Deut. 16:21 en Richt. 3:7.
gijlieden
Dit is een verandering van persoon, die men in de scholen noemt Enallage, voor, die zij begeerd hebben.
Hertaald:
gijlieden
Dit is een wisseling van persoon, die men in de scholen enallage noemt, in plaats van: die zij begeerd hebben.
begeerd
Of, gewenst hebt; te weten om afgoderij onder dezelve te bedrijven.
Hertaald:
begeerd
Of: gewenst hebt, namelijk om er afgoderij onder te bedrijven.
hoven wil,
Dat is, hagen en bossen, waar zij afgoderij bedreven, zich niet latende vergenoegen met die plaatsen, die de Heere tot zijn godsdienst had verkoren en geordineerd.
Hertaald:
hoven wil,
Dat is: hagen en bossen waar zij afgoderij bedreven, omdat zij geen genoegen namen met de plaatsen die de HEERE voor Zijn dienst uitgekozen en aangewezen had.
Want
Of, wanneer gij zult zijn als een eik.
Hertaald:
Want
Of: wanneer u zult zijn als een eik.
als een eik,
De zin is: Gij hebt onder de eiken afgoderij bedreven, daarom zal het u ook gaan als de eiken, die verwelken.
Hertaald:
als een eik,
De betekenis is: u hebt onder de eiken afgoderij bedreven, daarom zal het u ook vergaan als de eiken, die verwelken.
de sterke
Door de sterken kan men hier verstaan de afgoden, die sterk zijn naar de mening der afgodendienaars, gelijk Am. 2:9 . Of versta hier door de sterken de rijken en machtigen in het land.
Hertaald:
de sterke
Onder de sterken kan men hier de afgoden verstaan, die naar de mening van de afgodendienaars sterk zijn, zoals in Amos 2:9. Of versta hier onder de sterken de rijken en machtigen in het land.
grof vlas,
Of, hiede, werk, spijt, snuit; dit is hetgeen uit het vlas gehekeld wordt, hetwelk zeer snellijk van het vuur verteerd wordt.
Hertaald:
grof vlas,
Of: hede, werk, afval van vlas — dat is: wat er bij het hekelen van het vlas afkomt en wat zeer snel door het vuur verteerd wordt.
werkmeester
Dat is, die het beeld gemaakt heeft of, die het heeft laten maken, om het te eren.
Hertaald:
werkmeester
Dat is: hij die het beeld gemaakt heeft, of die het heeft laten maken om het te vereren. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda" (Jes. 1:1). Vier gegevens staan in dat ene vers. Ten eerste de vorm: een gezicht, dus wat hem getoond werd en niet wat hij bedacht. Ten tweede de persoon: Jesaja, de zoon van Amoz; zijn naam betekent de HEERE is heil, en dat is precies de zaak van dit boek. Ten derde het onderwerp: Juda en Jeruzalem, dus het zuidelijke rijk en de tempelstad. En ten vierde de tijd: vier koningen, wat op een bediening van tientallen jaren wijst. In die jaren viel het noordelijke rijk in handen van Assur; het boek speelt zich dus af in een tijd van grote druk van buiten. Bijbelse betekenis: Het woord gezicht bepaalt hoe de rest gelezen moet worden. Wat volgt is geen politiek commentaar maar wat God liet zien. Merk op dat de vier koningen sterk van elkaar verschillen: onder Achaz ging het slecht en onder Hizkia was er herstel. Toch klinkt door al die jaren heen één boodschap. Let ten slotte op de naam van de profeet. In een boek dat vol staat van oordeel is de naam van de spreker zelf al een prediking: de HEERE is heil. Dat is ook de lijn van het geheel — de eerste hoofdstukken zijn scherp, en toch loopt het boek uit op troost. Typologie: Johannes zegt van de heerlijkheid die Jesaja zag dat het de heerlijkheid van Christus was: "Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak" (Joh. 12:41). Jes. 1:1; Joh. 12:41 "Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt" (Jes. 1:2). Hemel en aarde worden opgeroepen als getuigen, zoals bij een rechtszaak. De aanklacht luidt: "Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden." Dan volgt de vergelijking: "Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israel heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet" (Jes. 1:3). Wat daarop volgt is een beschrijving van een land dat er slecht aan toe is (Jes. 1:5-8). En het gedeelte eindigt met een zin die alles verandert: "Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn" (Jes. 1:9). Bijbelse betekenis: De vergelijking met het vee is met opzet vernederend. Een lastdier weet bij wie het hoort en waar het eten krijgt; dat is geen hoge vorm van kennis, en juist dat komt het volk tekort. Merk op waarin de klacht begint. Niet bij afgoderij of onrecht — dat komt later — maar bij het niet kennen; alle andere zonden komen daaruit voort. Let ten slotte op Jes. 1:9. Het woord overblijfsel valt hier voor het eerst, en het keert in heel het boek terug. Dat er iets overbleef, is geen verdienste van het volk maar een daad van God, en zonder dat zou er niets meer te bespreken zijn. Typologie: Paulus haalt Jes. 1:9 aan om te laten zien dat er ook in zijn dagen een overblijfsel was: "Indien de Heere Sebaoth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sodom geworden" (Rom. 9:29). Jes. 1:2-9; Rom. 9:29 "Hoort des HEEREN woord, gij oversten van Sodom!" (Jes. 1:10). De aanspraak is scherp: Jeruzalem wordt met Sodom vergeleken. Dan volgt de afwijzing van de offerdienst: "Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de HEERE; Ik ben zat van de brandoffers der rammen" (Jes. 1:11). Ook de feesten worden genoemd: "Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last" (Jes. 1:14). Zelfs het gebed wordt afgewezen, en er staat bij waarom: "ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed" (Jes. 1:15). En dan komt wat er wél gevraagd wordt: "Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen" (Jes. 1:16). En dan volgt wat er wél moet gebeuren: "Leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe" (Jes. 1:16-17). Bijbelse betekenis: God verwerpt hier de dienst die Hij zelf had ingesteld, en dat maakt dit gedeelte zo ernstig. De offers waren niet verkeerd; de handen die ze brachten waren vol bloed. Merk op dat de opsomming van Jes. 1:17 heel concreet is: de verdrukte, de wees, de weduwe — juist zij die geen macht hebben. Waar dat scheefloopt, wordt de eredienst een last voor God. Let ten slotte op de volgorde in Jes. 1:16-17. Eerst afhouden van kwaad, dan leren goed doen; en het goede doen wordt geleerd, dus het gaat niet vanzelf. Dat de Schrift dit van de offerdienst zegt, betekent niet dat zij afgeschaft is (reeds behandeld bij Ps. 51:18) maar dat zij zonder gehoorzaamheid leeg is. Typologie: De Heere Jezus verweet de Farizeeën dezelfde scheefgroei: zij vertienden de munt, de dille en de komijn, maar: "gij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof" (Matt. 23:23). Jes. 1:10-17; Ps. 51:18; Matt. 23:23 "Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE" (Jes. 1:18). Het woord rechten hoort in de rechtszaal: God nodigt de aangeklaagde uit om de zaak samen door te nemen. En dan volgt het aanbod: "al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol". Scharlaken en karmozijn waren de vaste kleurstoffen die niet uit te wassen waren. Daarna komen twee wegen: "Indien gijlieden willig zijt en hoort, zo zult gij het goede dezes lands eten. Maar indien gij weigert, en wederspannig zijt, zo zult gij van het zwaard gegeten worden" (Jes. 1:19-20). Bijbelse betekenis: Het opvallende is de plaats van dit vers. Het staat niet aan het einde van het boek als beloning maar midden in de aanklacht, vlak na de zin over handen vol bloed. Het aanbod komt dus niet nadat het volk zich verbeterd heeft. Merk op wat de beelden zeggen. Een kleur die in de wol getrokken is, gaat er niet meer uit; wat hier beloofd wordt, is dus geen bleken maar iets nieuws. Let ten slotte op de twee wegen die volgen. Het aanbod is ruim en het is niet vrijblijvend; er wordt een antwoord op verwacht, en dat antwoord bestaat uit willen en horen. Typologie: Johannes noemt hetzelfde wassen en zegt waarmee het gebeurt: "het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde" (1 Joh. 1:7). Jes. 1:18-20; 1 Joh. 1:7 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De meeste mensen willen blijkbaar een vorm van godsdienst die hun geen denkwerk kost. De HEERE gaat de moeilijkheid van de zonde te lijf, niet door de schuld van de zondaar te ontkennen, maar door die weg te nemen. Kom nu, zegt de HEERE: al waren uw zonden scharlaken, ze worden wit als sneeuw! Een preek over vergeving. Lees hoe Spurgeon vanuit Jesaja 1:18 laat zien dat zelfs scharlaken zonden sneeuwwit worden door Gods genade in Christus. Ontvang vergeving en heiliging: Spurgeon roept zondaren op tot bekering, een gewillig hart en leven in Gods genadige liefde. De Heere zegt: “Komt nu, en laat ons samen rechten.” – Spurgeon roept zondaars tot bekering, vergeving van zonden en een nieuw leven in Christus. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw. Jesaja 1:18 Er zijn talloze verschillen tussen mensen. Je leest dit in het Nederlands, maar er… Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere: al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn,… Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn,… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 1
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Uitnodiging tot een gesprek met God
Zwarte zondaren vergeven en gereinigd
Redenen om zonden af te zweren
De Zilveren Trompet
Zwart of wit?
Jes. 1:18 - Uitnodiging tot een conferentie
Een groot wonder


Jesaja 1
Jesaja 1:1.KruisverwijzingenJesaja 2:1→Jesaja 7:1→Psalmen 89:19→Numeri 24:16→2 Kronieken 26:1→Jesaja 6:1→2 Koningen 18:1→
— Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.
Profeten werden zieners genoemd: zij zágen wat zij te zeggen kregen. En zo moet iedere ware prediker van Christus eerst een ziener van Christus zijn. Hij moet zien — dat wil zeggen: het voor zichzelf werkelijkheid laten worden — en daarna aan anderen vertellen wat hij gezien heeft. Dit boek gaat over “het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem”.
Jesaja 1:2-3.KruisverwijzingenMicha 1:2→Deuteronomium 32:1→Jeremia 8:7→Deuteronomium 4:26→Deuteronomium 30:19→Jesaja 44:18→Psalmen 50:4→Micha 6:1→
— Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden. Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israel heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.
Het is een beroep van God op de levenloze schepping om te getuigen van de ondankbaarheid die Hij ontvangen heeft, alsof het geen zin meer had nog langer tot mensen te spreken. De goede en genadige God, die onedel behandeld is, wendt Zich niet tot mensen — die zijn zelf schuldig — maar tot de hemelen zelf en tot de aarde. Hij roept de zwijgende stenen van het veld, de bomen van het woud en de sterren van de hemel op om recht te spreken tussen Hem en Zijn wederspannige kinderen. Plechtig en indrukwekkend klinkt de aanklacht: “Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd” — Hij heeft voor hen gezorgd als een voedster, Hij heeft hen liefgehad als een vader, Hij heeft hen gevoed — “maar zij hebben tegen Mij overtreden”. De ondankbaarheid van een kind is iets schokkends; en de ondankbaarheid van de mens tegenover God is van diezelfde soort. Hemel en aarde mochten met recht worden opgeroepen om zo’n vreemde ondankbaarheid te aanschouwen.
Mensen zijn beestachtiger dan de beesten die vergaan. De dieren, die de mens uit de hoogte de lagere schepselen noemt, erkennen de hand die hen voedt. De hond loopt zijn baas op de hielen; maar de mens wil zijn Heere niet gehoorzamen. De os kent zijn eigenaar en geeft een teken van herkenning zodra hij hem ziet; maar helaas, de goddeloze mensenkinderen kennen de God niet die hen gemaakt heeft, die hen voedt en in leven houdt. Zij ontvangen jarenlang Gods milde gaven en leven toch alsof er in het geheel geen God is, zonder enige dankbaarheid jegens Hem. Israël was Gods bijzondere volk, hoog begunstigd en rijk bedeeld, en dat maakte het des te erger dat de HEERE hen kon afzetten tegen de redeloze schepping: “Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israel heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.”
Jesaja 1:4.KruisverwijzingenJesaja 5:24→Jeremia 2:17→Jeremia 2:13→Jesaja 5:19→Jeremia 7:19→Mattheüs 3:7→Jeremia 51:5→Psalmen 78:8→
— Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben den HEERE verlaten, zij hebben den Heilige Israels gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts.
Wat een verschrikkelijke aanklacht — en elk woord ervan was waar. Zo sprak de profeet tot de mensen van zijn dagen, en wij mogen ongeveer hetzelfde zeggen tot de mensen van onze tijd. De kerk die belijdt van God te zijn, is achterwaarts geweken, heeft de leer van de waarheid verlaten en is afgeweken van de zuiverheid van haar leven. God ontferme Zich over de wereld wanneer de kerk zelf zo bezoedeld raakt!
Jesaja 1:5-6.KruisverwijzingenJesaja 9:13→Jesaja 31:6→Jeremia 5:3→Jeremia 6:14→Daniël 9:8→Jeremia 2:30→Nehemia 9:34→Jesaja 9:21→
— Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat. Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht.
Waartoe dient nog straf bij zulke mensen? Men neemt aan dat straf altijd heilzaam is en dat wij er beter van worden; maar God zegt: “Waartoe zoudt gij meer geslagen worden?” Het had geen zin dit volk nog langer te tuchtigen. Zij zondigden er alleen maar erger door, en wanneer het vuur van de beproeving een ijzeren hart niet smelt, wat zou het dan nog kunnen smelten? Waarom zou men de brandstof aan hen verspillen? Het volk was zo geslagen dat het van onder tot boven met kneuzingen en wonden bedekt was: “het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat”. Het hele land van Israël was door de zonde zo verwoest dat het leek op een lichaam vol zweren waaraan de hand van de heelmeester nooit is toegekomen. En toch bekeren zij zich niet.
Er zijn mensen in de wereld die op alle denkbare wijzen getuchtigd zijn en er geen haar beter van geworden zijn. Er liggen graven op de begraafplaats waar hun geliefden slapen; het huis dat hun vreugde was, is allang verkocht en zij hebben geen dak meer dat zij het hunne mogen noemen. Zij hebben zelf aan de rand van het graf gelegen door koorts en andere ziekten. En alles wat Gods roede aan hen gedaan heeft, is op niets uitgelopen. De oude Romeinse lictoren droegen een bijl, gebonden in een bundel roeden; en wanneer de roeden beproefd waren en gefaald hadden, kwam de bijl. Brengen de zachtere vormen van tuchtiging de mens niet tot bekering, dan komt vroeg of laat de bijl van het verderf.
Jesaja 1:7-8.KruisverwijzingenZacharia 9:9→Zacharia 2:10→Johannes 12:15→Job 27:18→Jesaja 10:32→Jesaja 62:11→Leviticus 26:34→Jesaja 6:11→
— Uw aardrijk is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden. En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof als een belegerde stad.
Het land was door indringers zo geteisterd en afgemat dat het weinig beter was dan een armzalige keet: een schamel hutje dat men in de druivenoogst optrok, waarin de wachters van de wijngaard schuilden voor de regen. Meer was Sion niet overgebleven — “als een nachthutje in den komkommerhof als een belegerde stad”.
Jesaja 1:9.KruisverwijzingenRomeinen 9:29→Genesis 19:24→Jesaja 37:31→Jesaja 37:4→Klaagliederen 3:22→Joël 2:32→2 Petrus 2:6→Zacharia 13:8→
— Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden.
En toch, hoezeer zij ook waren teruggebracht, zij gingen door met hun zonden. Het lijkt werkelijk alsof mensen liever alles verdragen om hun zonden dan dat zij ze opgeven. Het is niet altijd het genot van de zonde dat betovert; voor sommigen lijkt juist de bitterheid van de zonde zoet. En wat hier staat geldt van Londen evengoed als van Jeruzalem. Was er geen overblijfsel van godvrezenden gelaten, dan “als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden”.
Jesaja 1:10-11.KruisverwijzingenMaleachi 1:10→Psalmen 50:8→Jeremia 6:20→1 Samuël 15:22→Openbaring 11:8→Amos 5:21→Spreuken 15:8→Jesaja 66:3→
— Hoort des HEEREN woord, gij oversten van Sodom! neemt ter ore de wet onzes Gods, gij volk van Gomorra! Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de HEERE; Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken.
Dit was een heel godsdienstig volk, en tegelijk een heel goddeloos volk. Het is een vreemd verschijnsel dat juist wanneer volken zedelijk verwilderd zijn en het onrecht oppermachtig heerst, de vormendienst, de uiterlijke pracht en de godsdienst van het vertoon naar voren komen. Dat is een jammerlijke handel: God de doppen aanbieden wanneer de kern er allang uit is. Wat geeft de HEERE om “de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten”, om het bloed van varren, lammeren of bokken, wanneer mensen hebben nagelaten te doen wat recht is in Zijn ogen? De HEERE mag zulke offeraars met recht toeroepen: “Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers?”
Jesaja 1:12.KruisverwijzingenExodus 23:17→Psalmen 40:6→Mattheüs 23:5→Exodus 34:23→Micha 6:8→Deuteronomium 16:16→Jesaja 58:1→Prediker 5:1→
— Wanneer gijlieden voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geeist, dat gij Mijn voorhoven betreden zoudt?
“Wie heeft u uitgenodigd in Mijn voorhoven te komen?” zegt God. “Wie heeft u gevraagd te doen alsof u Mij aanbidt, terwijl u in de zonde leeft en uw hart niet met Mij verzoend is?”
Jesaja 1:13.KruisverwijzingenJesaja 66:3→Joël 2:15→Lukas 11:42→Klaagliederen 2:6→Exodus 12:16→Deuteronomium 16:1→Mattheüs 15:9→1 Kronieken 23:31→
— Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen.
Bent u huichelaars, is uw hart niet recht voor God, dan mag u uw kerkgangen vermenigvuldigen en uw sacramenten opstapelen, maar dat alles tergt God enkel tot toorn. Er is niets bij dat Hij zou kunnen aannemen; Hij kan het niet verdragen. Hij zegt: “het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen”.
Jesaja 1:14-15.KruisverwijzingenMicha 3:4→Jesaja 59:2→Jesaja 43:24→Amos 5:21→1 Koningen 8:22→Spreuken 1:28→Jesaja 61:8→Zacharia 11:8→
— Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen. En als gijlieden uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed.
Dit is onomwonden spreken; maar God zendt nooit mannen met een fluwelen tong als Zijn boodschappers. Wie geroepen zijn voor God te getuigen, spreken vrijmoedig en bestraffen getrouw de zonden van hun eigen tijd. Geloofd zij God voor Jesaja en voor mannen als hij! Wanneer mensen misdaden bedrijven, wanneer zij de arme verdrukken, wanneer zij dagelijks onrecht doen, wanneer zij zich in het verborgen aan drank overgeven en hun hele leven een leugen is — dan mogen zij doen wat zij willen. God zal hun gebeden niet horen. Zolang wij de zonde in ons hart koesteren, is het tevergeefs dat wij onze handen tot God uitbreiden. Hij is een heilig God, en Hij zoekt heilige harten en een heilig leven; met minder kan Hij geen genoegen nemen.
Jesaja 1:16-17.KruisverwijzingenJeremia 22:3→Jesaja 1:23→Sefanja 2:3→Psalmen 82:3→Jakobus 4:8→1 Petrus 3:11→2 Korinthe 7:1→Titus 2:11→
— Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. Leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe.
Dit is wat God vraagt. Zoals Jakobus het zegt: de zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is deze, wezen en weduwen te bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet te bewaren van de wereld.
Jesaja 1:18.KruisverwijzingenPsalmen 51:7→Openbaring 7:14→Jesaja 41:21→Jesaja 43:24→Jesaja 44:22→Micha 7:18→Handelingen 18:4→Efeze 1:6→
— Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.
“Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.” De mensen tot wie deze genaderijke nodiging gericht werd, verkeerden in een verschrikkelijke toestand; erger had het haast niet gekund. Zij hadden God bovenmate getergd door hun vele zonden. Hij had hen zwaar getuchtigd, en toch hadden zij zich niet bekeerd van hun ongerechtigheden, die noch uit hen getrokken noch uit hen gedreven konden worden. Nu zegt de HEERE dat er iets anders moet gebeuren: zo kan het niet langer blijven. En daarom staat er in dit gedeelte een uitnodiging tot een gesprek met God.
De mensen die in dit hoofdstuk beschreven worden, waren bereid hun rammen, hun stieren, hun reukwerk en hun offergaven te brengen — dingen die men doen kan zonder dat er in hart en leven ook maar iets verandert. Maar van alles in de wereld vraagt de ware godsdienst juist het meest ernstige nadenken. Zij heeft te maken met ons verstand, ons hart en onze geest. Zelfs onder de oude bedeling luidde het gebod aan Israël: “Zo zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen.” Het was ook toen al een zaak van hart en ziel, onder die oude, schemerige, voorbereidende bedeling. Hoeveel te meer dan onder de bedeling van het Evangelie, waarvan het eerste gebod “geloof” luidt — wat geen blind sluiten van de ogen betekent, maar juist de ernstigste inspanning van het denken waartoe een mens in staat is.
Het is grote genade van de kant van de HEERE dat Hij ons tot een gesprek met Zich nodigt. Hoe neerbuigend is het van de Allerhoogste dat Hij wil dat wij met Hem in gesprek gaan. Hij zegt als het ware tot ons: “Kom, Mijn vriend, u en Ik zijn het niet eens. Er is iets in uw gedachten dat u ervan weerhoudt aan Mijn liefde toe te geven. Ik bedoel het niet kwaad met u. Kom, en houd niets voor Mij achter. Kom en vertel Mij alles wat er is.” Hoe genadig buigt de HEERE Zich naar ons toe wanneer Hij zegt: “Kom, laten wij dit bespreken.” Zijn stem doet de aarde beven met stormen — de stem van de machtige God, de Schepper en Rechter van alles. Hij is het die tot ons spreekt, wormen van het stof, in het niet vallend bij Hem, en Hij zegt tot ons: “Komt dan.” Wat een bewijs van Gods liefde en genade is het, dat Hij ons uitnodigt tot een gesprek met Hem.
En deze genade betekent dat de HEERE het aanstootgevende volkomen wegdoet: “scharlaken” en “karmozijn” worden “sneeuw” en “witte wol”. De HEERE heeft dat gedaan door onze zonden Christus toe te rekenen. God de Vader ging met Christus om vanwege die zonden alsof Hij zelf de werkelijke zondaar was. Is Christus dan gestraft voor mijn zonden, dan kan ik er nooit meer voor gestraft worden.
Jesaja 1:19.KruisverwijzingenDeuteronomium 30:15→Jesaja 3:10→Hosea 14:1→Joël 2:26→Jesaja 55:1→Jeremia 3:12→Jeremia 31:18→Jesaja 55:6→
— Indien gijlieden willig zijt en hoort, zo zult gij het goede dezes lands eten.
Wat een gezegende woorden van barmhartigheid! Moge de Heilige Geest ons willig en gehoorzaam maken, opdat wij “het goede dezes lands eten”; en moge niemand van ons bevonden worden Gods genaderijke nodiging af te wijzen en tegen Zijn gezag op te staan, opdat wij niet in onze zonden omkomen. Mocht ieder van ons deze woorden in eigen leven waar maken, om Jezus’ wil! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Wij beschouwen als titel of opschrift het eerste vers, waarin inhoud en schrijver van ‘t Boek genoemd worden, dat is als een middenpunt, waarom de daarin medegedeelde visioenen zich bewegen, en dat den tijd vermeldt, waarin de profeet handelend optrad.
Dit namelijk wat hier volgt, is het gezicht 1) van Jesaja, den zoon van Amos (2 (Kon. 15:7), hetwelk hij zag over het rijk Juda en de hoofdstad van dat rijk, Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, bij wiens dood, in het jaar 758 v. Chr. hij als profeet geroepen werd (Hoofdstuk 5:1 vv.), Jotham, (van 758-742) Achaz, (van 742-727) en Hizkia (van 727-638), de koningen van Juda, 2) zie de geschiedenis van hun regering (2 (Kon. 15:1-20, 21. 2 Kron. 26:1-32 :33).
Deze titel is zonder twijfel door den Profeet zelven boven de verzameling van zijne profetieën gesteld; hij schijnt echter te weinig omvattend te zijn, daar Jesaja ook over Israël en zijne hoofdstad, zelfs over vreemde rijken profeteerde; werkelijk waren het alleen Juda en Jeruzalem, waarop de gezichten van den profeet betrekking hadden, want binnen in den buitensten omtrek der wereldmachten ligt de nauwere kring der naburige volken, en daar binnen de nog nauwere kring van Israël met Samaria, en daar binnen het rijk Israël; al deze kringen hebben echter Jeruzalem tot middenpunt, de stad van den tempel des Heren en van het koningschap der belofte. Daar heeft de Gods gemeente haar ware plaats. De gehele wereldgeschiedenis is in haar diepste wezen en haar einddoel niets anders dan juist de geschiedenis van het Godsrijk. Wat de uitdrukking gezicht aangaat, moeten wij niet denken aan gezichten in den eigenlijken zin, d. i. openbaringen, welke de profeet ontving in een toestand van verrukking, waarin hem goddelijke dingen onder allerlei beelden en gelijkenissen werden voorgesteld, die hij niet met het uitwendig, het geestelijk oog aanschouwde en waaraan de Geest Gods hem de betekenis verklaarde, zodat hij wist wat hem daardoor getoond werd. Deze uitdrukking omvat alles wat Jesaja in den geest gezien, gehoord en door ingeving van den Heiligen Geest gesproken en geschreven heeft, zonder acht te geven op de wijze, waarop die verschillende openbaringen aan hem gegeven werden. Onder gezicht hier hebben we te verstaan, de gehele profetische waarneming van Jesaja, den profeet van Jehova. Alles wat hem door den Heere God, door de bijzondere werking des Heilige Geestes is geopenbaard, in het midden latende op welk een wijze hem dit geopenbaard is, hetzij, door onmiddellijke toespraak Gods, hetzij door de werking des Geestes op zijn geestelijk waarnemingsvermogen. Hij treedt op als het orgaan des Heren HEREN, om Zijn volk terug te roepen van den weg des kwaads, te dreigen met de oordelen Gods, of te troosten in den weg der benauwing en der bezoeking.
Doel des H. Geestes hiermede is, om de Joden, overtuigd van hun ondankbaarheid jegens God, van hun opstand, geveinsdheid en van zeer zware misdaden, tot hun plicht terug te roepen en te leiden tot ware boete en berouw, zowel door de beschouwing van de tegenwoordige oordelen, waaronder zij wegens het rechtvaardig oordeel Gods zuchtten, als door de bedreiging met de schrikkelijke rampen en den volstrekten en gehelen ondergang van hun staat, welken de goddelozen en verbondsbrekers geenszins zouden ontgaan, indien zij hardnekkig in hun voornemen bleven volharden, terwijl hij ondertussen den vrome en ware vereerders van God, die onder hen zouden overblijven, hope geeft op betere tijden, welke hij, na het vertrekken der straf en van het vonnis aan de goddelozen en bondbrekers, hen beveelt te verwachten, tegelijk met de herstelling van den staat en met de geestelijke weldaden der Goddelijke genade.
De openbare werkzaamheid van den profeet strekt zich uit tot in het 15de regeringsjaar van koning Hizkia (712 v. Chr.) en gaat dus over ene tijdruimte van 46 jaren. Haar middenpunt zijn de beide voor de Gods regering zo besliste voorvallen van dien tijd, zowel de tocht der verbonden koningen van Israël en Syrië naar Jeruzalem (2 Kon. 18 en 2 Kron. 28), als de inval van den Assyrischen koning Sanherib in Juda (2 Kon. 18 vv. en 2 Kron. 32). Nadat Hizkia van zijne dodelijke ziekte genezen, met even onverstandige als ongoddelijke ijdelheid aan de gezanten van Merodach Baladan, koning van Babel, al zijne heerlijkheid en schatten, zijne tuighuizen en zijn voorraad wapenen getoond had (Hoofdstuk 38 en 39), wellicht omdat hij meende in dezen vorst een steun te hebben tegen den verenigden vijand, den koning van Assyrië (2 Kon. 20), en daardoor de roeping van een theocratisch vorst, wiens vertrouwen alleen de Heere zijn moest, verloochend had, en door deze dwaasheid den aanstaanden uitvoerder van Gods gericht over het rijk Juda, naar Jeruzalem lokte, sprak Jesaja slechts het korte woord der bedreiging, waarin de aanstaande ontwikkeling der toestanden werd aangekondigd (Hoofdstuk 39:5 vv.). Toen trad hij van het openbaar toneel af en wijdde zich verder geheel in een stillen kring van ingewijde jongelingen aan de verkondiging van de eeuwige vertroostingen des geloofs voor het gelovige deel van Gods volk in de naderende bange tijden (Schear-jaschub 7:3; 10:20 vv. 11:11), waardoor hij aan de kerk van alle eeuwen het vaste, door vervulling al meer en meer verzegelde onderpand van de toekomstige overwinning heeft nagelaten. Luther heeft gezegd: “Al wie den profeet Jesaja met vrucht lezen en verstaan wil, verachte-zo hij althans niets beters weet-mijn raad en bestuur niet: Zie den titel of het begin van het boek niet voorbij, maar blijf enige ogenblikken daarover nadenken, totdat gij dien goed verstaat, want de titel van deze profetie is als ene kanttekening en een licht, hetwelk dit gehele boek bestraalt. Daarmee wil ik maar niet zeggen, dat gij die woorden Uzzia, Jotham, Achaz en, Hizkia, koningen van Juda, goed leest of verstaat, maar dat gij het 2de boek der Koningen en dat der Kronieken voor u neemt en leest, vooral wat onder de regering van die genoemde koningen gesproken en geschied is. Om de voorspellingen te verstaan is het toch nodig te weten hoe het toen in het land gesteld was, hoe de inwoners gezind en welke hun plannen waren met of tegenover hun naburen, vrienden of vijanden, en vooral hoe zij zich in hun land hebben gehouden tegen God en Zijne profeten, of zij bij het Woord en den dienst Gods, dan of zij bij de afgoderij zijn gebleven. ” . 2. Op het opschrift des Boeks volgt nu de Voorrede, welke als het ware de ouverture (inleiding op een muziekstuk) tot de volgende woorden vormt, want Jesaja staat op de geheimzinnige grenzen tussen twee delen van Israël’s geschiedenis. Daar het volk noch door den rijkdom van goddelijke goedheid, vroeger ondervonden, noch door de kastijding van Gods toorn, waardoor wond op wond werd toegebracht, zich tot berouw en bekering heeft laten leiden, en dus al de goddelijke opvoedingsmiddelen uitgeput zijn, blijft er nog maar ene zaak over, namelijk dat de Heere het tegenwoordig volksbestaan als door het vuur late doorgaan, om uit dat deel, dat tegen het vuur zal bestand zijn, iets nieuws voort te brengen. Aan den rand des afgronds, waarin Israël welhaast zich zal neerstorten, klinkt nog eenmaal de stem van den getrouwen getuige, om hun het gewicht van dezen ogenblik waarschuwend en vermanend ter behartiging voor te stellen. Wat hij in den naam des HEREN en door zijn Geest spreekt, is een zuivere echo van Mozes lied (Deuteronomium 32), in het begin woordelijk herhaald.
I. Vs. 2-9.KruisverwijzingenZacharia 9:9→Micha 1:2→Romeinen 9:29→Deuteronomium 32:1→Jeremia 8:7→Jesaja 5:24→Zacharia 2:10→Johannes 12:15→
— Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden. Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israel heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet. Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben den HEERE verlaten, zij hebben den Heilige Israels gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts. Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat. Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht. Uw aardrijk is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden. En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof als een belegerde stad. Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden.
Israël in weerwil van alle weldaden des Heren, aan Hem ontrouw geworden, Israël in weerwil dat het de strafgerichten Gods tot in den hoogsten graad ondervonden heeft, en nog niet geheel verdelgd is, toont bij zijn afval te willen volharden.
Hoort gij, hemelen, en neem ter ore, gij aarde, want de HEERE spreekt, (eenmaal riep Hij u op om te getuigen, toen Hij aan Zijn volk op de grenzen van het beloofde land nog eenmaal Zijne gedachten des vredes herinnerde, en daaraan leven en dood, zegen en vloek voorstelde, opdat dit het leven kiezen en het land voor den ondergang bewaard blijven mocht (Deut. 4:26; 30:19; 32:1 vv.); daarom zult gij dan ook nu, daar dat tijdvak in de geschiedenis van het Godsrijk geëindigd is, uit Zijn mond horen wat Hij, de Heere, als vrucht van Zijn arbeid aan Israël, als gevolg van de volkskeuze betuigen en betreuren moet): Ik heb kinderen, hen die Ik eerst tot mijne kinderen had aangenomen (Deut. 32:6), door verdere Vaderlijke opvoeding, groot gemaakt en door talloze verleende eerbewijzen verhoogd, 1) hun ene eerste plaats onder de wereldvolkeren aangewezen; maar zij hebben, nadat zij reeds in hun jeugd zich als eigenwillige en weerspannige zonen hadden gedragen, nu, op middelbaren leeftijd tegen Mij overtreden. 2)
Of opgevoed. De Heere God wijst er hier dus op, dat Hij Israël niet alleen uit Egypte heeft uitgebracht, maar het ook met Zijn trouwe zorg en Zijn rijke genade heeft begiftigd. Hij heeft het niet alleen in Kanaän op eigen erve gesteld, maar ook het met Zijn heilige wet omtuind, het Zijn Woord gegeven en Israël opgevoed als een Vader zijn kind. Daarom was ook juist Israël’s afval zo groot en zo zwaar, en het is dan ook de diep gekrenkte, heilige, ontfermende liefde, die zich hier en in de volgende verzen uitspreekt.
Sedert Salomo in de laatste jaren van zijne regering zich aan den dienst der afgoden overgaf, was tot in den tijd van Jesaja zelfs aan de openlijke verering van deze geen einde gekomen. Twee hervormingen hadden tot dien tijd beproefd dien uit te roeien; de eerste begonnen door Asa en volbracht door Josafat (2 Kron. 14:15, 10 en 19 vv), en dan die door Joas, bij het leven van den hogepriester Jojada, zijn redder en opvoeder (2 Kron. 24); maar de eerste had dezen dienst niet geheel en al kunnen vernietigen, en door Joas afgeschaft, keerde zij na den dood van Jojada in verhoogden graad terug. Alzo heeft dat woord: “zij hebben tegen Mij overtreden”, hetwelk alle ondankbaarheid van Israël in één enkelen trek voorstelt, en in haar diepen grond opvat, op de gehele geschiedenis van Israël, van den bloeitijd onder David en Salomo tot op onzen tijd betrekking . (Vs. 2-4). In de feestelijke inleiding der rede drukt zich de hoogste profetische zelfbewustheid uit. Niet Jesaja naar zijne aardse bekrompenheid is ‘t, wiens geest in het woord spreekt, maar de eeuwige Waarheid spreekt zelf door hem. Daarom roept Hij hemel en aarde op, om te horen naar ‘t geen hij gedrongen is, te zeggen; Want Jehova, die hem aandrijft, is niet een God alleen van Zijn volk, maar de almachtige Schepper der wereld.
Een os (het domste van alle dieren) kentdoor zijn natuurlijk instinkt zijnen bezitter, wie hij toebehoort en laat zich door zijne stem bedwingen, en een ezel, nog dommer en trager dan de os, kent zo al niet zijn bezitter dan toch de krib zijns heren, waaruit hij degelijke gevoed wordt en gevoelt zich daardoor aan zijn eigenaar gebonden en tot hem getrokken; maar Israël, dat den erenaam draagt van den geheel enigen held des geloofs en des gebeds (Gen. 32:28), heeft gene kennis; Mijn volk dat Ik Mij uit alle volkeren der aarde ten eigendom verkoren heb (Exod. 19:5 vv.), verstaat niet wat het aan zijn Meester schuldig is, en dat het alleen kan bestaan en voorspoedig zijn, wanneer het blijft bij het woord en den dienst van Jehova. Zo duidelijk mogelijk stelt Jesaja in dit vers aan het volk de grootte, de onvergeeflijkheid van zijne schuld voor. Let eens op: 1. de tegenstelling van dier en mens; 2. de opklimming, den overgang van het domme dier (Ps. 32:9) tot het onder de volkeren meest verlichte Israël; 3. de tegenstelling tussen bezitter en heer, die alleen om zijn voordeel deze dieren houdt, en den Vader, die met opofferende liefde grootbrengt. Zie ook Jeremia 8:7. De krib, waar wij onze spijs voor het lichaam vinden, is het land met zijne vruchten, ons door den Heere gegeven; de krib voor den geest is iedere plaats, waar Gods Woord in schrift of spreuk tot ons spreekt en zich aan ons openbaart. Gods Voorzienigheid heeft het zo beschikt, dat ook het vleesgeworden scheppingswoord Gods zelf, Jezus, in ene kribbe, voor het vee bestemd, gelegen heeft, en het is hierop als op een genadig teken van de neerbuigende liefde des Heren, dat de Christelijke kerk bijzonder gelet heeft. De tegenstelling is dus zo scherp mogelijk. Os en ezel behoren om het zo eens uit te drukken tot de domste dieren. Zij worden onderhouden om ze als lastdieren te gebruiken en derhalve opdat zij zolang mogelijk hun bezitters voordeel zullen aanbrengen. En dan niet zelden met het minst aanzienlijk voedsel. En toch deze redeloze dieren kennen hun kribbe, verlaten hun heer niet, maar hechten zich aan hun bezitters. En nu Israël, omringd en gekoesterd was het met de trouwste zorg, opdat het zijn Heere dienen, en in dat dienen groot loon zou hebben. Maar in plaats dat het den Heere in erkentenis had gehouden, had het zijn Heere en Weldoener vergeten en verlaten en zich gekeerd tot de afgoden, d. i. tot de schijn- en valse goden. Is het dan wonder dat de Heere God, de heilige God, in het volgende vers Zijn wee laat horen.
Wee, zo vervolg ik, de profeet, de aanklacht van mijn Gebieder (Hoofdstuk 5:1) in ene weeklacht veranderend, het zondige volk, dat in plaats van een heilig volk te zijn (Exod. 19:6), ene geheel en al in zonde weggezonkene menigte is, het volk van zware ongerechtigheid, dat van een rijk begenadigd volk een zeer schuldig volk is geworden, het zaad der boosdoeners, niet meer Abrahams, Isaak’s en Jakob’s, maar der goddelozen geslacht (MATTHEUS. 3:7. (Joh. 8:33, 44), de verdervende kinderen, 1) als vrucht van ene Godsdaad ‘s Heren kinderen geworden (Deut. 14:1), maar die zich zelven tot kinderen der verderfenis hebben gemaakt (Deut. 4:16, 25; 31:28)!Zij hebben terwijl de heidenen aan hun ijdele afgoden getrouw bleven, den HEERE, hunnen God verlaten, ja, zij hebben den Heilige Israëls2), die Zich door woord en daad als de Heilige geopenbaard en Israël geheiligd heeft, en nu dan ook door Israël geheiligd wil worden, door volkomen verloochening en oplossing van al deze betrekkingen gelasterd; zij hebben zich vervreemd van Hem, met ene gewetenloze vervreemdheid, in plaats van Zijne navolgers te zijn, wat hun plicht was, wijkende achterwaarts, Hem den rug toekerende en alleen zelf gekozen wegen bewandelende 3).
Men lette ook hier op de tegenstellingen, die er in opgesloten liggen. Waartoe was Israël bestemd? Om een heilig volk te zijn. Wat is het nu? Een zondig en onheilig volk. Hoe was het genoemd? Een door den Heere begenadigd volk. Wat is het nu? Een volk zwaar van ongerechtigheid. Van wie stamde het af? Van Abraham, den vader der gelovigen, die Gods vriend genoemd wordt. Wat is het nu? Een zaad der boosdoeners, verdervende kinderen, die niet meer leven uit de hand Gods, en daarom tot leven zullen komen, maar die God hebben verlaten en daarom tot verderf zijn bestemd.
Deze vorm komt als een eigenaardige uitdrukking van Jesaja in het geheel 29 maal bij hem voor; 12 maal in het eerste (Hoofdstuk 1-39), en 17 maal in het tweede deel van zijn boek (40-66); hij heeft dus, gelijk Luzzatto zo treffend opmerkt, als had hij vooruit gezien dat men de echtheid van dit tweede deel ontkennen zou, met dien eigenaardigen Gods naam als met zijn zegel de beide delen getekend. Ook vinden wij dien naam 3 maal in de Psalmen (Ps. 71:22; 78:41; 89:19) en, niet zonder terugslag op Jesaja, 2 maal bij Jeremia (50:29; 51:5). Nadat Jesaja in het visioen (6:1 vv.), de Serafs het driemaal heilig had horen zingen, was dit de grondtoon van zijn leven in al zijn spreken gebleven.
Men zie den nadruk en de opklimming in al deze uitdrukkingen niet voorbij, vier van deze geven het zondig bestaan, drie het afwijken te kennen. Daar nu op die vier uitspraken over de gezindheid Israël’s, om het treurige zevental vol te maken, drie verklaringen over zondige daden volgen, wordt hier de afval van Israël als volkomen voorgesteld, als afval in gezindheid (den Heere verlaten), afval in woorden (den Heilige Israël’s lasteren) en afval in het leven (achterwaarts wijken).
Waartoe zoudt gij tot uwe kastijding meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals door uwe weigering om u door die kastijding te laten terugbrengen niet minder, maar integendeel des te meer maken, gelijk de goddeloze Achaz (2 (Kron. 28:22), a) daarvan een voorbeeld is geweest, door wiens toedoen aan het fel geslagen staatslichaam gene plaats te vinden was nog onverlet; het ganse hoofd is ziek, en het ganse hart is mat, 1) en met alle vorsten en priesters is ieder lid der natie uiterlijk zo misvormd en innerlijk zo verdorven, dat er niets zo ellendig is.
Jer. 2:30.
Op diep roerende wijze spreekt de profeet hier. Waarom zo vraagt hij, waarom wilt gij afval bij afval voegen, hoe langer hoe meer u van God afwenden en zo de slagen Gods vermeerderen? Ja, waar hij als met één blik het volk in zijn hoofden en leden overziet, daar spreekt hij het uit, niet alleen dat het volk helemaal tot afval is gekomen, maar ook zijne hoofden. Onder hoofd en hart hebben we toch de hoofden, de leiders van het volk te verstaan. De Overheid zowel de burgerlijke als de kerkelijke, de vorsten en de priesters.
Van de voetzool des Israëlitische staatslichaams af tot het hoofd toe is er ten gevolge van de velerlei en veeljarige slagen niets geheels, dat nog ongeschonden is aan hetzelve; maar het zijn gapende door het zwaard toegebrachte wonden, en met bloed belopen, door gesel- of vuistslagen toegebrachte striemen, en uitzwetende, door uit- of inwendige belediging veroorzaakte etterbuilen, die, gelijk dit met geopende wonden moet geschieden, opdat het gescheurde vlees zich weer aaneengehechte, niet uitgedrukt, noch, wat men toch doen moet met bloedige striemen, opdat zij week worden, b. v. door kompressen enz. verbonden zijn, en gene dezelve is met olie verzacht, 1) gelijk dit moet geschieden met etterende plaatsen aan het lichaam, opdat zij uitzweren.
De wonden van staat en kerk waren van dien aard, dat zij niet gemakkelijk genezing en verzorging toelieten, maar langen tijd dat onheil zouden moeten openbaren. Van daar dat er staat dat zij niet uitgedrukt, verbonden of met olie verzacht zijn, dat is, dat de middelen, die genezing kunnen aanbrengen niet waren gebruikt, wat enkel tot den tijd van Achaz is terug te brengen, zoals uit het volgende, door de historie bevestigd, blijkt.
Maar dat ik liever zonder beeld of gelijkenis zegge wat ik bedoel! Uw anders zo vruchtbaar aardrijk is geheel overeenkomstig den toestand, welke de strafbedreigingen Gods in Lev. 26:14 vv. Deut. 28:15 vv. aan zijn volk verkondigen als het ongehoorzaam wordt, ene verwoesting, uwe stedenbuiten Jeruzalem, de hoofdstad zijn, ten gevolge der vijandelijke invallen, met het vuur verbrand; uw land, de opbrengst van uwen grond, verteren de vreemden in uwe tegenwoordigheid, en om al de ellende met één enkel woord uit te drukken, ene verwoesting is er, als ene omkering door de vreemden; daar is ene verwoesting, gelijk vreemden, barbaren gewoon zijn die te bewerken. Jesaja is gewoon een in het midden van het vers gebruikt slotwoord, tot versterking van den nadruk nog eens te herhalen (zie Hoofdstuk 4:3; 6:11; 15:8; 42:19; 53:7 doet hij hier met het woord vreemden. Andere uitleggers verklaren het slot aldus: en is woest (ene verwoesting) gelijk de verwoesting der vreemden, d. i. de verwoesting, welke het land Gods volk getroffen heeft, is aan ene volkomen omkering gelijk, gelijk God die doet komen over volkeren, die buiten de verbondsbetrekking staan, zo dat hier dan reeds op de in vs. 9 vermelde omkering van Sodom en Gomorra zal gezinspeeld zijn. Uw land. Ene woestijn. Uwe steden. Verbrand met vuur. Uwe akkers. Voor uwe ogen verteren ze de vreemden!
En de dochter van Zion, namelijk de hoofdstad zelf, is overgebleven als een eenzaam staand hutje in den wijngaard, waar vóór den wijnoogst blij gejuich was, als een ellendig nachthutje in den komkommerhof 1), zo als de wakers op het vrije veld zich dat bouwen; als ene belegerde stad, die, eenzaam en aan haar eigen lot overgelaten, midden in de uitgestrekte vlakte is gelegen.
De watermeloen en de komkommer zijn zeer gewone en geliefkoosde vruchten in het Oosten, en aldaar van ene uitmuntende soort, zodat het ons niet moet verwonderen van ganse hoven te horen spreken, alleen met zulke vruchten bezet. Zie ook Num. 11:5. Zo wordt over het algemeen de stadsgemeente om den burg Zion heen wonende genoemd, tot wie de afzonderlijke bewoners in betrekking staan als kinderen tot hun moeder. Hier wordt de stad zelf met hare inwoners bedoeld. Zij was van al de steden in het land alleen gespaard gebleven, en als een schaduwhuisje geworden, daar de wachter van den wijngaard schuilt, of als ene nachthut in het meloenveld, wanneer er geoogst is. Ook de verdorvene in het stof vertreden kerk blijft nog altijd Gods wijnberg. Ten tijde der werkzaamheid van Jesaja is het land Juda tweemaal verwoest geworden, waarbij Jeruzalem door ene wonderlijke bescherming Gode gespaard bleef: eerst onder Achaz, in het jaar van den Syro-Efraïmitischen oorlog (2 Kon. 16:5) en daarna onder Hizkia, totdat de Assyrische krijgsmacht het land verwoestte, om eindelijk voor Jeruzalem het hoofd te stoten (2 Kon. 18:13-19 :36). Brengen nu niet weinige uitleggers deze voorspelling tot de eerste periode, en wel toen het gevaar voor den Syro-Efraïmitischen oorlog van Jeruzalem afgewend was, maar het land Juda nog bloedde aan de wonden in deze krijg toegebracht, wij denken met anderen aan de 2e periode; want wat de profeet spreekt doelt op een tijd, toen van het rijk Juda alleen Jeruzalem was overgebleven (vs. 5-9), terwijl al die zware beproevingen het volk slecht tot een doden ceremoniëndienst hadden geleid. (vs. 11-17.) . Toen Jesaja zijne profetische werkzaamheid beschreef door dit geschrift zijne ambtswerkzaamheid voleindigde, plaatste hij als ophelderende voorrede een woord vooraf, waardoor hij den tijd en het gehele tijdperk, waarover het geschrevene handelde, als met een enkelen greep voorstelde, en in zijne werkelijke en blijvende waarde kenschetste. Ook in den bloeitijd van Hizkia’s regering bleef de toestand van het Israëlitische volk, wat de hoofdzaak aangaat, werkelijk dezelfde; ook al was toen het toppunt van nationaal verderf door de kortstondige flikkering van het laatste genade-tijdperk voor enkele ogenblikken geweken, toch had het rijk Juda reeds alle stadiën der beproeving doorleefd, en was het tot de uiterste grenzen genaderd, waarop de nieuwe straf slechts als ene volkomen en afdoende volgen kon. Israël was en bleef een volk, reeds over alle delen des lichaams met wonden overdekt, waaraan gene plaats meer te vinden was voor nieuwe slagen; zodat de volgende verzwaring des oordeels slechts op de vroeger nog gespaarde hoofdstad betrekking had. Slechts als ene doorschijnende wolk rustte het voor het ogenblik teruggekeerd nationaal geluk op den afgrond, die zich weldra op eenmaal in zijne diepte zou opnemen. Dit geschiedde dan ook werkelijk na Hizkia’s dood, onder Manasse, door de Assyriërs (2 Kron. 33:11) en na Josia’s dood, onder Joahaz, door de Egyptenaars (2 Kron. 36:3 vv.) Daarom behaagde het den Heere, den profeet juist in dezen ogenblik van zijne werkzaamheid, welke van gene bepaalde betekenis was, en den gehelen toestand van de naderende toekomst in haren schoot verborg, zulk ene rede in te geven. welke het karakter had van ene alles omvattende en tot het doen ener keuze dringende getuigenis. En Jesaja had de gave door de verlichtende kracht des H. Geestes, die ze hem geopenbaard had, haar te zijner tijd bij het neerschrijven van zijne voorspellingen op de rechte plaats te stellen.
a) Zo niet de HEERE der heirscharen, met behulp der onzichtbare hemelwachten, wier hoofd Hij is (1 (Sam. 1:3), ons nog in de nog bewaarde stad Jeruzalem een weinig overblijfsels had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn, wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden,
welke steden geheel omgekeerd en spoorloos van de aarde verdwenen zijn (Gen. 19:24 vv.).
Jes 17:6; 24:6; 30:17.
De profeet wijst hier nog op den Heere als op Hem, die in den toorn des ontfermens nog gedachtig is geweest. Nog is de Staat niet helemaal uiteengerukt, nog is de Kerk niet verwoest. Jeruzalem is er nog, de tempel staat er nog, en bovendien in den vromen Hizkia heeft Hij na Achaz’ dood nog een vorst gegeven over Israël’s erfdeel, die nog met Hem rekende en het volk trachtte terug te leiden op de paden van recht en gerechtigheid. 10.
II. Vs. 10-20.KruisverwijzingenPsalmen 51:7→Jesaja 41:21→Jesaja 44:22→Maleachi 1:10→Psalmen 50:8→Jeremia 6:20→1 Samuël 15:22→Micha 7:18→
— Hoort des HEEREN woord, gij oversten van Sodom! neemt ter ore de wet onzes Gods, gij volk van Gomorra! Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de HEERE; Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken. Wanneer gijlieden voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geeist, dat gij Mijn voorhoven betreden zoudt? Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen. Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen. En als gijlieden uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed. Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. Leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe. Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. Indien gijlieden willig zijt en hoort, zo zult gij het goede dezes lands eten.
Tegen de beschuldiging van afval van God en de bedreiging van een zwaar, in volkomen verdelgend eindigend verderf, moet Israël, als Sodom en Gomorra geworden, zich niet beroepen op den nog in hare volle kracht bestaanden openbaren godsdienst, want ‘t is niet zulk ene dode ceremoniën-dienst, die door God gezocht en begeerd wordt maar boete en bekering. Wordt deze gezien, dan kan het volk nog eenmaal worden geholpen, zowel tot zijne herstelling in ‘t hem beloofde geluk als tot herstelling van zijnen genadestaat.
Hoort des HEREN woord, het oordeel, dat Hij over u uitspreekt, gij oversten van Sodom! gij voornamen in kerk en staat, die door uw in boosheid verhard gemoed, in uw bandeloos leven met hen op ene lijn staat (Hoofdstuk 3:9. (Ezechiël. 16:49), neemt ter ore de wet onzes Gods, uit den mond van Zijne tot juiste verklaring geroepen profeten, gij volk van Jeruzalem, dat echter geen Zion meer is, maar een Gomorra 1) (Jer. 23:14). Zie ook Openbaring 11:18.
Wij hebben niets in onze hedendaagse schriften, dat met dezen profetischen stijl in verpletterende vrijmoedigheid kan vergeleken worden. De profeet spreekt niet alleen de Overheid, maar ook het volk en niet alleen het volk, maar ook de Overheid aan. Hij weet het, dat het kwaad, de kanker des afvals niet alleen schuilt bij het volk, maar allereerst en zeer diep bij de Overheid, bij de vorsten en bij de priesters. En daarom zet hij het mes zeer diep in de wonde, spreekt niet van zachte dingen, maar vergelijkt ze bij Sodom’s regering en bij Gomorra’s inwoners. Alleen in den weg van terugkeer, van diepe boete en berouw is er nog genezing te wachten.
Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers, 1) die gij voor het uiterlijke brengt, wanneer gij het daarbij laat ontbreken aan het enig, Mij welbehaaglijk offer, aan de overgave van uw hart aan Mij (Ps. 40:7; 51:18)? zegt de HEERE. a) Ik ben daar gij Mij hardnekkig dit offer weigert, tot walgens toezat van de brandoffers der rammen, om welke gij meent bij Mij in gunst te staan, en van het smeer, het vet der vette beesten, dat gij als dank-, zoen- en schuldoffers brengt (zie de op (Lev. 3:5) en Ik heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken, dat in gehoorzaamheid aan de voorschriften der wet rondom Mijn altaar gesprengd wordt (Lev. 1:5)
Ps 50:8, 9. Spr. 15:8; 21:27. Jes. 66:3. Jer. 6:20. Amos 5:22.
Want hoe ijverig en driftig zij zich ook toonden in den uitwendigen godsdienst waar te nemen, zij hadden toch niets van de kracht of het wezen der ware godzaligheid. Al brachten zij dan nog zulke welgestelde, onverwerpelijke offers, als de Wet had voorgeschreven, al waren zij in schijn zeer eerbiedige vereerders van God, en grote voorstanders van de kerkplechtigheden en openbare oefeningen in den tempel en daarbuiten, zodat zij zich zelf konden vleien, hierdoor Gode wel te zullen behagen, zo waren en bleven zij toch wel verre af, van recht vrome en godvruchtige Joden te zijn. Want hun harten waren van allen waren godsdienst vervreemd, en zij zagen nergens meer op, dan om ene grootse vertoning te maken en kwamen slechts ten tempel, om te zien en gezien te worden.
Wanneer gijlieden bij de 3 hoge feesten, of op andere tijden voor Mijn aangezicht in Mijnen tempel komt te verschijnen, gelijk Ik u geboden heb (Exod. 23:18; 34:23), wie heeft zulks van uwe hand geëist, 1) Zou Ik dezen alleen uitwendigen dienst willen, dat gij Mijne voorhoven) betreden zoudt, dat gij naar het lichaam daar zijt, maar hart, ziel en gemoed daar buiten laat en dus alleen de vloer daarvan afslijten zoudt.
Wel had de Heere God verordend, dat alle mannelijke Israëlieten op de drie hoge feesten voor Zijn aangezicht zonden verschijnen, maar dan ook in de ware stemming des harten, om Hem te eren en te vereren. Wat zij nu deden was wel vlijtig in Jeruzalem’s tempel verschijnen, maar niet, om in waarheid den Heere te zoeken, of men Hem ook mocht vinden, maar bloot vormelijk, terwijl men alle ware godsvrucht miste. Men leefde enkel naar de letter van het Gebod, maar den geest er van kende men niet.
Er waren aan den Jeruzalemsen tempel twee voorhoven, een der priesters en een des volks, 2 Kron 4:9. De profeet bedoelt hier zowel de priesters als het volk.
En wilt gij dan wat Ik geboden heb, niet zo doen, als Ik het geboden heb, brengt dan verder niet meer vergeefs offer, 1) een spijsoffer der leugen, een spijsoffer zonder de gezindheid, welke het schijnbaar uitdrukt. Het reukwerk, dat bij den dagelijksen dienst op het reukaltaar aangestoken wordt (Exod. 30:7 vv.) is, zo als gij het brengt, een vorm zonder wezen, een dood en huichelachtig werk, Mij een gruwel; de nieuwe maanden en de sabbatten, en het tot viering van deze door de wet (Lev. 23) geboden bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet), het is ongerechtigheid, dat alles waarop gij u zoveel laat voorstaan, zelfs de verbodsdagen, 3) waarop gij vast en bidt en offers brengt.
In het Hebr. Minchat schaw. Letterlijk, een spijsoffer der leugen of der ijdelheid. het offer van rund of bok werd zvach genaamd, dat van plant of meelwaren, mincha. En het wordt hier genoemd een spijsoffer der leugen, der ijdelheid, omdat het een dood werk was, waaraan alle leven des geloofs en der liefde ontbrak.
“Dat zijn twee stukken des duivels: leugen en moord, of valse leer en onrechtvaardige ban. ” Let op de tegenstrijdigheid: aan de ene zijde ene opeengepakte feestmenigte en aan den anderen kant innerlijke ledigheid en zedelijke boosheid. “Ik kan dit niet langer verdragen. ” .
In het Hebr. Lo-oekal awem waátsarah. Beter: Ik vermag niet ongerechtigheid en verbodsdagen, of feestmenigte. Door onze Staten-Overzetters is Ik vermag niet getrokken bij het eerste. Het moet echter bij het laatste gevoegd worden, zodat wij moeten lezen: Het reukwerk is Mij een gruwel, de nieuwe maanden en de sabbatten, het bijeenroepen der vergaderingen; Ik vermag niet ongerechtigheid en verbodsdagen, of een feestmenigte. Daarmee wil de Heere zeggen: Feestelijk in mijn Huis te zamen komen en toch de ongerechtigheid plegen door mijne Wet te verlaten, is iets, wat voor Mij een vloek is, waaraan Ik een gruwel heb. Het was niet alleen een vorm, waaraan het wezen ontbrak, het was veel erger, het was door een vertoning van godsdienst te menen, God tevreden te kunnen stellen en toch de zonde te blijven doen, en door dit vertonen van godsdienst den vloek op het overtreden der Wet gesteld, te kunnen ontkomen. Israël’s godsdienst was in den waren zin des woords bijgeloof geworden. De liefdedienst had plaats gemaakt voor den eredienst van de slaafse vrees.
Uwe nieuwe maanden en Uwe gezette hoogtijden, de feestdagen, die gij volgens den feestkalender (Num. 28 en 29) houdt, haat Mijne ziele, omdat Ik daarin uwe ziel niet vind; zij zijn Mij tot enen last; Ik ben moede geworden die te dragen, zij zijn Mij tot een onverdraaglijke last geworden. Alle uitwendige gaven zonder onderscheid, met alle feesten en openbare plechtigheden verschijnen als gruwelen voor God, wanneer overtreders ze vieren. Zo spreekt ook Jeremia 6:20 : “Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen en de beste kalmoes uit verre landen? Uwe brandoffers zijn Mij niet zoet. ” . Nu gaat Jesaja tot de meer geestelijke handelingen van de Godsverering over en zegt in den naam van Jehova:
a) En als gijlieden uwe handen in het gebed tot Mij uitbreidt, verberg Ik Mijne ogen voor u, en wil die uitgebreide handen niet eenmaal zien; ook wanneer gij, om door veelheid van woorden te vergoeden, wat u aan opgewektheid ontbreekt, het gebod vermenigvuldigt, hoor Ik toch niet: want uwe handen zijn ten gevolge van de vele tegen het 6de gebod begane overtredingen, al was het maar alleen met het hart, vol bloed. 1)
Spr. 1:28.
De Joden waren gewoon bij ‘t plechtig gebed de niet saamgevoegde armen naar den hemel uit te breiden (Exod 9:29. 1 Kon. 8:38 Was de houding van een, die als ‘t ware de uit den hemel hem toegeworpen Rare wil opvangen. De Christenen heffen echter de armen met saamgevouwen handen op waarbij zij de vingers als teken van een verbroken hart doorbuigen, en zo een vijfvoudig kruis vormen tot herinnering aan de hun in den naam van Jezus toegezegde verhoring. Zo hatelijk als beledigend voor God, die ze verfoeide, omdat ze van zondige mensen kwamen, die Hem zochten te bedriegen, en als huichelaars en valsaards zich in het heiligdom durfden vertonen, onder het mom van eerbiedigen, heiligen ijver. Maar Hij, Wiens ogen alles doorzien, is niet gediend met zulke lage uitwendigheden, in welke het hart geen deel heeft. Dit alles nu doet ons zien, dat de zonde allerhatelijkst is voor God, ja zo gehaat bij Hem, dat zij de gebeden en alle godsdienstige verrichtingen van den mens zelfs hatelijk maakt.
Wast u, doe boete, reinigt u 1) door oprechte schuldbelijdenis, doet door vurige beden om vergeving de boosheid uwer handelingen van voor Mijne ogen weg, zodat zij uit Mijn gezicht verdwijnen, a) laat af door waarachtige bekering van kwaad te doen.
Ps. 34:15; 37:27. Amos 5:15. Rom. 12:9.
De bekering is “de afsterving van den ouden mens, zijnde een hartelijk, oprecht leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben en deze hoe langer hoe meer haten en vlieden. ” Het wassen en reinigen van het lichaam onder den ceremoniëlen dienst van Israël was beeld van de geestelijke reiniging van de ziele. Daarom kon dit niet anders betekenen dan doe boete en oprechte schuldbelijdenis. Dit was echter alleen niet nodig. De veranderde stemming des harten moest ook in twee zaken zichtbaar zijn, negatief in het nalaten der zonde, in het wegdoen der boosheid der handelingen, en positief (vs. 17) in het betrachten van des Heren Woord en Wet. En nu, opdat Israël’s volk het zou weten, dat dit niet een vrucht was, die op eigen akker groeide, niet ene gemakkelijke zaak luidt het in vs. 17, leert het, leert goed te doen. Nu komt het positieve der bekering.
Leert, dan ook doende wat gij beloofd hebt, goed doen; want dat is ene kunst, waarin men met door een ogenblikkelijk besluit, maar alleen door volhardende, dagelijkse oefening volleerd wordt; en daarin behoort vooral gij hogere standen, die over anderen gesteld zijt, door een goed voorbeeld anderen voor te gaan; zoekt het recht, begeeft u weer tot de vervulling van uw tot heden zo verwaarloosd ambt 1) helpt den verdrukte, doet den wees recht, terwijl nu Gods bijzondere beschermelingen (Exod. 22:21 vv.), in weerwil van al hun klagen, niet eenmaal gehoord worden, handelt de twistzaak der weduwe, dat zij haar recht ontvangt 2).
Uit de algemene vermaning: “leert goed doen, ” worden vier bijzondere geboden afgeleid, welke op den rechtshandel betrekking hebben. Wij moeten dit daaruit verklaren, dat het oog van Jesaja veel scherper zag dan dat van enigen anderen profeet op den toestand van den staat en de behandeling van rechtszaken. Het onderscheid tussen hem en zijn tijdgenoot Micha (2 Kon. 15:36) bestaat hierin, dat het karakter van dezen meer algemeen-zedelijk, dat van Jesaja politiek is.
De bekering bestaat uit twee delen, berouw en vernieuwing; hiermede nu komt overeen wat wij lezen vs. 16 en 17. Het berouw zoekt ene schuldvergiffenis en vat het voornemen tot bekering op. Zie de beide delen van vs. 16. Wanneer in vs. 17, waarin van vernieuwing sprake is, slechts de plichten der liefde tot den naaste worden vermeld, dan geschiedt dit met insluiting van de geboden der eerste tafel en hun vervulling; want hij, die doet wat hem hier bevolen is, doet dit in de kracht der liefde tot Hem, die er toe vermaant. God beschrijft hier, als de hoogste Onderwijzer en de beste Raadsman, een gedeelte van het ware berouw, welke bestaat in het volbrengen van de plichten jegens God en den naaste.
Komt dan, en laat ons maar anders dan tot nu toe geschied is, wanneer gij met uwe eigen gerechtigheid, die toch niets anders is dan schijnvroomheid en bloedschuld, het proces moest verliezen, te zamen rechten, 1) zegt de HEERE, en het einde van deze rechtszaak zal zijn, dat gelijk gij van de zonde, Ik van de straf afzie. Ja nog meer: Ik wil uwe zonde niet alleen beschouwen, als bestond zij niet, maar haar zelfs in haar tegendeel veranderen. Al waren uwe zonden als scharlaken (vs. 15), zij zullen wit worden als sneeuw (Ps. 51:9); al waren zij rood als karmozijn,) zij zullen zo schitterend wit worden als de door vollers gewassen witte wol (Dan. 7:9. (Openbaring 1:14).
Dat is, laat ons de zaak juist en goed onderzoeken, onderzoek doen naar de oorzaak van al deze rampen en ellenden en laat het daarmee tot een scheiding, tot een crisis ten goede komen, zodat gij leert erkennen, dat niet Ik, maar het uwe zonden zijn, die u kastijden. De Heere wil derhalve, dat Israël naar de oorzaak zoeke, waarom het tot die ellende verviel. En ziet, als het dan kwam tot ootmoedige, hartgrondige schuldbelijdenis, dan zou het ook ervaren, dat God is een God van genade en ontferming. Ja, dan zou het ervaren, dat de zee van eeuwige ontferming breed en diep genoeg was, om al de zonde en schuld van Israël’s volk te verzwelgen. Maar eerst moet het tot dit rechten komen, tot het erkennen van zonde en schuld.
Karmozijn is ene uit de scharlaken schildluis, (coccucilis L.) bereide bloedrode verf. (Onze staten-overzetters hebben in de kanttekening: “purper of vermiljoen, zulk ene kleur als de cocheuille geeft). Dat het werk der genade, door God toegezegd als ene herschepping van rood in wit voorgesteld wordt, heeft niet minder zijn diepsten grond in de symboliek der kleuren (rood betekent schuld, bevlektheid; wit = onschuld, reinheid; zwart = rouw) dan wanneer in de Openbaring v. Joh. (19:8; 13:4) de klederen der heiligen blinkend wit zijn, het kleed der Babylonische hoer daarentegen purper en scharlaken. Dit slaat terug op wat God vroeger gezegd heeft, dat hun handen vol bloed waren. Dat zij rood waren als scharlaken, roept om straf, dat hun misdaden bloedmisdaden waren, of met bloedmisdaden konden vergeleken worden, maakte hen deswege diep schuldig, ten hoogste onrein en besmet, en als zodanig werden zij door God en mensen beschouwd, zodat zij als geheel rood geverfd waren en dit sterk in het oog liep. Hoe groot was nu echter de kracht der genade? Hij leert dit, waar Hij er bij voegt, dat indien zij als smekelingen haar zouden inroepen met geloof en boete, zij weldra wit zouden zijn als sneeuw of wol, d. i. volmaakt gerechtvaardigd. Al waren ze zo rood als bloed, als purper, als karmozijn, of scharlaken en dubbel geverfd, zo in de wol der oorspronkelijke verdorvenheid, als in de vele daden van werkelijke overtredingen, en al waren de zondaars diep gedompeld in het onreine moeras der wereld, de ontfermende genade Gods zou hun echter van de smetten ontheffen en als met hysop rein wassen.
Indien gijlieden willig zijt en in hetgeen Ik u hier geboden en aangebeden heb naar Mij hoort, om het eerste (vs. 16) te doen en het tweede (vs. 18) aan te nemen, zo zult gij behalve den innerlijken vrede (des gemoeds), die de vrucht zal zijn van uwe rechtvaardiging (Rom. 5:1), ook het (Lev. 25:18 vv. 26:3 vv. Deut. 28:1 vv.) beloofde uitwendige geluk weder vinden, en het goede dezes lands eten, terwijl gij nu over uw land u niet recht verblijden kunt (vs. 7 vv). Deze Gods belofte is aan Hizkia en de gelovigen onder zijne tijdgenoten vervuld geworden. Hizkia had zich reeds vroeger gewillig getoond om te horen; daarom werd de straf, die als gemene straf niet kon worden opgeheven, omdat het volk, de natie, in haar geheel geen blijk gaf van wezenlijke verandering, hem ter wille uitgesteld en hij voor zich zelven werkelijk zijn leven lang in het rustig bezit en genot van het land gelaten (2 Kon. 20:6. 2 Kron. 32:26). Iets dergelijks geschiedde ook later met Josia. (2 Kon. 22:18 vv.) .
Maar indien gij weigert naar het aanbod Mijner genade te horen, en weerspannig zijt aan de stem, die u tot boete en bekering roept en voortgaat op den weg der boosheid, zo zult gij in plaats van het goede des lands te eten (vs. 19), integendeel van het zwaard gegeten worden, gelijk reeds in Lev. 26:25 gedreigd is; en dat is geen ijdel woord, waarover men lichtvaardig kan heengaan, maar zal integendeel zeker vervuld worden; want de mond des HEREN heeft het gesproken. 1)
Hiermede wijst de profeet op het zekere van de aankondiging van den zegen en den vloek. Hij zegt het niet, maar hij is de mond des Heren, Israël’s Verbonds God. En waar hij nu leven en dood, zegen en vloek tegenover elkaar stelt, daar doet hij dit volgens zijn bijzonderen goddelijken lastbrief, als orgaan des Heiligen, die het kwade niet kan dulden en de zonde straft. 21.
III. Vs. 21-31.KruisverwijzingenExodus 23:8→Micha 7:3→Zacharia 7:10→Maleachi 3:3→Jesaja 65:3→Jesaja 66:17→Jesaja 57:5→Jeremia 33:7→
— Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers. Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water. Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft de geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; den wezen doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwen komt voor hen niet. Daarom spreekt de Heere, HEERE der heirscharen, de Machtige Israels: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders. Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden. En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnemen. En Ik zal u uw rechters wedergeven, als in het eerste, en uw raadslieden als in den beginne; daarna zult gij een stad der gerechtigheid, een getrouwe stad, genoemd worden. Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid. Maar er zal verbreking zijn der overtreders, en der zondaars te zamen; en die den HEERE verlaten, zullen omkomen. Want zij zullen beschaamd worden om der eiken wil, die gijlieden begeerd hebt, en gij zult schaamrood worden, om der hoven wil, die gij verkoren hebt. Want gij zult zijn als een eik, welks bladeren afvallen, en als een hof, die geen water heeft.
Echter mag men zulk ene vreedzame wegneming van de scheiding tussen Jehova en Zijn volk niet verwachten; want Jeruzalem is al te veel ontaard; de eenmaal uit zuiver, echt zilver gevormde gemeente is gezonken tot den toestand van schuim, en ‘t volk Gods zo geheel vervalst, dat het den aangewezen weg der genade bezwaarlijk kiezen kan. Jehova moet daarom een ander middel tot terechtbrenging aanwenden, redding door middel van ‘t gericht is ‘t enige middel tot het behouden van de gemeente, die zich naar Jeruzalem noemt. In het vuur van Gods strafgerichten, die aanstaande zijn, zal wel de overgebleven onvergankelijke kern der gemeente zich kristalliseren en zulke rechters en raadslieden, als zij vroeger had weer verkrijgen; maar die terugleiding van Jeruzalem tot den staat ven edel metaal, waarin het vroeger verkeerd heeft, stelt ene besliste vernietiging van al wat goud schijnt, en van allen, die door ‘t bederf aangetast zijn, op den voorgrond.
Hoe is de vroeger onder David en Salomo en andere godvrezende hoofden aan het verbond van Jehova met haar zo getrouwe stad Jeruzalem tot ene hoer 1) geworden, die het met vreemde goden houdt, en met allerlei schandelijke zonden bevlekt is (Exod. 34:16)! Zij was toen vol recht, gerechtigheid herbergde) daarin, als in haar vaderland, maar nu wonen daarin doodslagers3) van beroep, die alle zonden tegen het zevende gebod als leden van hetzelfde gild plegen (vs. 15).
Het verbond tussen Jehova en Zijn volk word doorgaans door den profeet voorgesteld als huwelijksverbond, de afgoderij en iedere soort van weerspannigheid als hoererij (Ps. 73:27 en elders). Zie vooral bij Hosea 1:2; 2:4; 3:2 vv. Dit ziet dus niet alleen op het feit, dat de afgodendienst, die met hoererij gepaard ging, in Jeruzalem werd geduld, of waargenomen, maar hierop, dat Jeruzalem en Juda van God geheel waren afgevallen, het verbond, hetwelk God met Zijn volk had gesloten, hadden verbroken. De afval was als het ware volkomen geworden. Wel was er nog een klein overblijfsel naar de verkiezing der genade, maar in zijn geheel had het oude Bondsvolk het geestelijk huwelijksverbond verbroken en daarom zich als een geestelijke hoer geopenbaard.
In het Hebr. Tsèdek jalin bah. Het woord in den grondtekst betekent wel, vernachten, maar ook wonen, vast verblijf houden. En in dien zin moet het hier worden opgevat. De Profeet ziet hier op de tijden van David en Salomo en van Josafat toen recht en gerechtigheid in Jeruzalem op den troon zaten. Tijden van zegen en voorspoed, die echter gevolgd werden door de tijden van Achaz en zijne beide voorgangers, waarin het recht gebogen en de gerechtigheid vertreden werd.
“Woekeraars, gewelddoeners, onderdrukkers der armen. ”.
Uw a) zilver, 1) wat vroeger aan u zilver was, het uit getrouwe knechten des Heren bestaande geslacht uwer priesters en vorsten is geworden tot schuim, metaalas of bezinksel, na de smelting van het zilver, b) uw wijn, de edele wijn, dien gij vroeger in de kracht der door u beoefende deugden aanbood, is vermengd met water, 2) is geworden zo als bedrieglijke kooplieden dien in den handel brengen.
(Ezechiël. 22:18, 19. b) Hosea 4:18.
Onder zilver en wijn worden hier zeer sierlijk aangeduid de rechters, senatoren, doctoren, wit, zuiver, onbedorven, waarheidlievend, voortreffelijk, die terecht door anderen tot aanzienlijken zijn gemaakt, in wier deugden hun sieraad was, in wier kennis en rechtvaardigheid, hun kracht en sterkte, bij wie er was een ongeschonden en ongedeerd gezag. En nu wordt met gelijke sierlijkheid gezegd dat het zilver veranderd is in schuim en de wijn vermengd met water, wanneer de rechters en de senatoren zowel als de doctoren en de oversten des heiligdoms én van de zuiverheid en den ernst der zeden, én van de ongeschondenheid en de zuiverheid en de reinheid waren afgeweken, en hun waardigheid zelf prijsgaven; en terwijl zij in rang en ere konden zijn, zich veil gaven en hun gezag verminderden en afbreuk deden.
Uw wijn is met water versneden. Het edelste heeft zich met het onedelste verkeerd.
Maar om niet langer in een beeld te spreken en duidelijk te zeggen wat Ik bedoel (vs. 7): Uwe vorsten zijn in hun betrekking tot God afvalligen en in hun betrekking tot den naaste metgezellen der dieven, daar zij door geschenken van geroofd goed zich laten verleiden tot onrecht jegens hen, die beroofd zijn; een ieder van hen heeft de geschenken lief, en zij jagen tot bevrediging van hun hebzucht de vergeldingen voor hun medeplichtigheid na, a) den wezen van wie zij geen voordeel kunnen trekken doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwen, welke voor hen niets afwerpt, komt zelfs voor hen niet.
Jer. 5:28. Zach. 7:10. Wel was de tijd, waarin dit voorviel, die van Hizkia’s regering, in vergelijking van andere tijdperken, onder andere koningen en met het oog op sommige toestanden in het openbare leven, goed te noemen; maar wie kan zulk een ingekankerd bederf geheel wegnemen! Was niet de goddeloze Achaz (2 Kron. 28:2-4, 22-25) zijn voorganger geweest? Wat men vooral niet moet vergeten, het is dat de Profeet Israël, zo als het werkelijk was, met Israël, zo als het zijn moest, vergelijkt. Daarom lezen wij dergelijke aanklachten ook uit de tijden van Hizkia, bij Micha 3:1 vv. 6:10 vv.
Daarom, omdat bij de massa van het volk het in vs. 16 vv. aangeboden redmiddel toch te vergeefs en ene redding door middel van gerichten, de enige behoudenis der gemeente is, spreekt de Heere, die over de ganse wereld heerst en volstrekt niet gehouden is om bij Israël te wonen, de HEERE der heirscharen, die macht genoeg heeft om de oordelen Zijns toorns te volvoeren, de Machtige Israël’s, die gelijk Hij vroeger Zijne macht tot Israël’s redding betoonde, nu tot zijn verderf haar tonen kan: O wee, als nu over u komt, wat ik bij Mij zelven besloten heb! Ik zal Mij troosten, Mijnen toorn stillen aan de stad, die tot ene hoer is geworden (vs. 21) van 1) Mijne wederpartijders, a) Ik zal Mij voor dat zware Mij aangedane onrecht van de verbreking Mijns verbonds wreken van Mijne vijanden. 2)
Deut 28:63.
De wederpartijders en vijanden, hier bedoeld, zijn de Israëlieten, dienende de afgoden en door de slechtste zeden bedorven. Snijdend scherp wordt hier de rede des Profeten. Met het woord “troosten” spreekt de Heere het uit, dat Hij zijn gramschap en heiligen toorn zal openbaren. En dit is het openbaren van den toorn der getergde liefde. Waar de vlam der liefde wordt tegengestaan en veracht, daar zal deze verwoestend in plaats van zacht koesterend optreden. Het is daarom dan ook dat Hij zijn volk hier noemt Zijne wederpartijders, aan wie Hij zich wreken zal. En dat dit den Heere ernst is, heilige ernst, blijkt wel duidelijk hieruit, dat Hij deze woorden uitspreekt èn als de Heere, èn als de HEERE der heirscharen, èn als de Machtige Israël’s. Deze drie namen, werke ook Zijn onvervreemdbaar recht en Zijn onweerstaanbare Almacht aanduiden worden hier genoemd.
Dat is: van alle zulke snode regenten, die hun onderdanen onderdrukken, en van alle zulke verbasterde luiden, die vijanden zijn van Zijn huis. Deze zijn als een last voor Hem, van welke Hij zich wil ontdoen.
En Ik zal Mijne hand, in plaats van haar in genade tot u uit te strekken, tegen u ten oordeel keren, en a) Ik zal toch met al die oordelen, die Ik over u als strafmiddelen brengen ga, uw heil bedoelen en dus uw schuim op het allerreinste afzuiveren, de goddelozen in uw midden vernietigen in de smeltkroes der ellende, opdat het zilver, dat nog onder u is, d. i. het getal ware vromen en rechtvaardigen te voorschijn kome, en Ik zal al uw tin, de huichelaars, die wel glans bezitten, maar inwendig de kracht der godzaligheid verloochenen (2 (Tim. 3:5), wegnemen.
Jer. 6:29. Mal. 3:3. Wij hebben hier ene van die plaatsen, waar men met het anthropopathisme (de leer der menselijke hartstochten) dadelijk bij de hand is. Bij ene consequente toepassing er van, heeft men den levenden God des O. T. ten laatste tot een stenen afgod van het abstracte denken gemaakt. Het noodzakelijk gevoel der genoegdoening kan uit ene werkelijke, niet bloot gedachte gerechtigheid Gods niet verwijderd worden. Maar het woord wraak doet wel afbreuk aan de zuivere opvatting der gedachte in onzen tekst. Hartstochtelijkheid mag niet in het allerminst in het begrip van den Heilige geplaatst worden? . In deze aanspraak is de dreigende toon op het hoogst geklommen; hierom wordt Jehova ook met krachtige en geduchte benamingen ten tonele gevoerd, de God van hemel en aarde, Zebaoth, de Opperheer van het heelal, de machtige Monarch van Israël! Zo geducht als groot en heerlijk!
En Ik zal u uwe rechters wedergaven, zo als die in het eerste, ten tijde van Mozes, Jozua en de eerste Richters (Exod. 15:1 vv. 24:3 vv. Joz. 24:16 vv,) waren en uwe raadslieden als in den beginne, ten dage van uwe eerste liefde (Jer. 2:2 vv.) daarna zult gij weer als vroeger (vs.
ene stad der gerechtigheid, ene getrouwe stad, genoemd worden. Israël is geheel, is in zijn gehele wezen ontaard. Tot nog toe hebben alle straffen niets gebaat (vs. 4-9); zelfs de aangewende redmiddelen wist zijne volkomen boosheid geheel te verlammen (vs. 11-15). Men zou menen dat het reddeloos verdorven was; maar neen! de God der heirscharen brengt weer op uit deze diepte! Hoe ver het tegenwoordige Israël ook afgeweken zij van hetgeen het eenmaal was, het is den Heere niet te zwaar Israël geheel te herstellen. Wat nu de vervulling van deze belofte in hetgeen later geschied is aangaat, denke men aan den tijd na de ballingschap, want werkelijk kan men van dien tijd zeggen, dat toen in menig opricht het oude nieuw werd en de oorspronkelijke toestand terugkeerde. Wat Mozes en Jozua hadden gegrondvest, werd door Ezra hersteld, gelijk Mozes oudsten had aangesteld (Exod. 18:21); zo riep Ezra dit gewichtig ambt weer in het leven (Ezra 7:25), en weer hielden de oudsten van nu af in vergelijking van den tijd vóór de ballingschap zich aan het Woord Gods en den dienst van Jehova. Ook is het niet toevallig, dat in deze verzen niet over koningen of over een koning gesproken wordt, maar alleen over rechters en raadslieden; want ook in dit opzicht was met de ballingschap de eerste toestand teruggekeerd en het koningschap niet hersteld. Men heeft niet nodig met veel woorden aan te tonen, welk ene belangrijke schrede die voorspelling met de komst van Christus op den weg tot hare volkomen vervulling vorderde; het is genoeg bij deze tweede helft van vs. 26 slechts de gelijkheid en de plaatsen, doelende op andere profetieën over de Messiaanse tijden en toestanden aan te halen bv. Jerem. 33:15 v. 23:5 v. (Ps. 72:1 v. Jes. 11:3 vv; 32:16). Ook is het zonder uitgebreide verklaring duidelijk, dat in weerwil hiervan ene volkomen en daarmee overeenkomende vervulling tot op heden nog ontbreekt.
Zion, in zo verre het dit werkelijk nog is en niet een onherstelbaar verloren geslacht van afvalligen, zal, zo luidt nu de wet op de verdere geschiedenis van het rijk Gods in Israël, door recht verlost, 1) door een strafgericht der Goddelijke gerechtigheid van den geestelijken band, waarin het nu gekneld is, vrijgemaakt worden, en hare wederkerenden, diegenen uit zijn midden, die door boete en bekering weer tot een Zion, tot ene stad des levenden Gods worden, moeten door gerechtigheid, 2) door ene goddelijke genadedaad, welke gerechtigheid werkt, in den waren toestand hersteld worden.
Hiermede spreekt de Heilige Geest het uit tot alle ware kinderen Zions, die daar treuren over eigen zonde en over de zonde des volks, dat Zion door recht verlost zal worden. Dat Zion deelachtig zal worden de rechtvaardigheid, welke door den waren Messias zal aangebracht worden. Niet derhalve, doordat de zonde door de vingers zal gezien worden, maar dewijl de rechtvaardigheid door een ander zal worden aangebracht en deze Zion zal toegerekend worden. En wij weten, Zion is door recht verlost, en daarom is haar zaligheid en heerlijkheid zo vast en zo zeker.
Terwijl God zich openbaart in Zijne straffende gerechtigheid, schept Hij ene gerechtigheid, welke hun, die aan gene ontkomen zijn, als genadegift meegedeeld wordt. Het begrip der gerechtigheid is hier Nieuw-Testamentische; zij is aan de voorzijde als een vuur der wet; hare keerzijde is Evangelisch licht; achter den toorn is als laatste agens (als hetgeen drijft tot handelen en handelt) de liefde verborgen, gelijk de zon achter onweerswolken. Zo (door den dienst van goede raadslieden in den geest van Mozes, Samuel en anderen) wordt de heilige kern des volks, het zuiverste afschijnsel van het uitverkoren Israël op Zion, de trouwe schaar der bekeerden, door de zich in de straf openbarende gerechtigheid Gods, van het verderf verlost. Hare wederkerenden = bekeerden.
a) Maar er zal verbreking, verbrijzeling zijn der overtreders, der afvalligen, die zich van Jehova hebben losgerukt, en der zondaars te zamen, die zich tegen den weg Gods tot redding hebben verzet, en die den HEERE verlaten, zich van God losgescheurd hebben en zich niet meer tot Hem willen laten terugbrengen, zullen omkomen, terwijl zij nu in eer en hoogheid gezeten zijn.
Job 31:3. Ps. 1:6; 5:6; 73:27; 92:10; 104:35. Dit profetisch woord heeft betrekking op alle eeuwen, niet alleen op de eeuw, waarin toen Israël’s volk verkeerde, maar ook op de tijden, waarin het volkomen zou bevestigd worden, dat Zion door recht verlost zou worden. De profeet ziet hier dan ook op den tijd der verbreking door de Romeinen, als aan Jeruzalem het vergoten bloed van den Heiland zou gewroken worden.
Want zij, over wie Ik sprak (vs. 28). zullen beschaamd worden om der eiken wil, die gijlieden, over wie Ik sprak en tot wie Ik Mij nu richt, begeerd hebt als voorwerpen van uwe afgodische verering, en gij zult schaamrood worden om der hoven wil, die gij verkoren hebt, om aldaar uwen schandelijken afgodendienst te plegen. Het is bekend dat de Israëlieten hunnen afgodendienst onder schone, groene bomen pleegden (zie 57:7 vooral Hosea 4:13b. (Ezechiël 20:28 “dicht geboomte”) hetwelk met ene ongoddelijke natuurverering samenhing. De eik hier bedoeld is, volgens deskundigen, de zogenaamde ilex, of altijd groene eik, welks bladeren alleen als hij kwijnt of sterft, verdorren en afvallen. Waarschijnlijk zijn met deze eiken de terebinten bedoeld, die met de eiken voor het merendeel de bossen in Palestina vormen. Zij behoren tot de “Semper Virentes” altijd groenende. Een terebinten- of eikedal was het dal, waar David Goliath versloeg. God zou Zich zelven recht verschaffen, door de afsnijding dergenen, die niet willen hervormd en verbeterd worden. Aan deze wordt het uiterst verderf gedreigd. Zij zullen verbroken worden en te enenmale omkomen. Hun uitroeiing is nodig tot de verlossing van Zion. En zij zal gaan over openlijke en heimelijke zondaren, over de formele overtreders van Gods wet en over de schijnheilige Farizeeën en andere huichelaren, die beiden een gelijken gruwel zijn voor God; en daarom zullen ze ook tevens in den onvermijdelijken afgrond des verderfs neergestort worden.
Want gij zult, onder het strafgericht van Goddelijke gerechtigheid versmachtende en omkomende, zijn als een eik, welks bladeren dor zijn en afvallen, en dus gemakkelijk door het vuur verteerd worden, en als een hof, die geen water heeft, en dus tot ene woestijn wordt.
En de sterke 1), uw afgod, waarop gij u verliet en met wiens hulp gij meende de oordelen Gods te kunnen weerstaan, zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot ene vonk 2), die in het vlas valt en dit in één ogenblik in vollen gloed zet, en zij zullen beiden te zamen branden, en er zal, zo hevig is dan die brand, geen uitblusser wezen.
De afgod steekt zijn dienaar in brand, d. i. de afgoden verderven hen die ze maken (Ps. 115:8). Ene kleine vonk verteert op eenmaal een groten hoop vlas, en hoe meer vlas er is, des te groter en machtiger wordt de vlam. Zo gaat de zondaar ten verderve met zijne werken en door zijne werken. ” Gelijk het in ‘t kleinste is, zo is het ook in het grote, zo gaat het ook in ‘t wereldgericht.
In het Hebr. Poalo lenitsots. Door de Statenoverzetters vertaald door: zijn werkmeester tot ene vonk. Deze vertaling is echter niet juist. Zij moet zijn: zijn werk tot een vonk, zo zetten het ook de Engelsen over. Dat is, datgene, waardoor hij zich hoopt te sterken, zal zijn tot een vonk, waardoor hij verteerd wordt. De zonde zal dan zijn als een vuur dat den zondaar verteert.
Zijn eigen raad zal ten zijnen verderve zijn, zijn eigen zonde zal het vuur van Gods toorn aansteken, welke een onuitblusbaar vuur zal maken, als dat der helle. Als de zondaar zich tot een stoppel en een vlaswiek heeft gemaakt en God zich dan als een verterend vuur voor hem vertoont, wie of wat kan dan zijn uiterst verderf verhinderen? .
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel