Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
ZoH3541 zegtH559 de HEEREH3068: ZietH2005, Ik zal een verdervendenH7843 windH7307 opwekkenH5782 tegen BabelH894, en tegen degenen, die daar wonenH3427 in het hartH3820 van degenen, die tegen Mij opstaanH6965.
Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal een verdervenden wind opwekken tegen Babel, en tegen degenen, die daar wonen in het hart van degenen, die tegen Mij opstaan.
KJV
Thus saith2
the LORD;3
Behold, I will raise up5
against Babylon,7
and against them that dwell9
in the midst10
of them that rise up11
against me, a destroying13
wind;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En Ik zal BabelH894 wannersH2114 toeschikkenH7971, die haar wannenH2219, en haar landH776 uitledigenH1238 zullen; wantH3588 zijH1961 zullen ten dageH3117 des kwaadsH7451 van rondomH5439 tegenH5921 haar zijn.
En Ik zal Babel wanners toeschikken, die haar wannen, en haar land uitledigen zullen; want zij zullen ten dage des kwaads van rondom tegen haar zijn.
KJV
And will send1
unto Babylon2
fanners,3
that shall fan4
her, and shall empty5
her land:7
for in the day12
of trouble13
they shall be against her round about.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
De schutterH1869 spanneH1869 zijn boogH7198 tegen dien, die spant, en tegen dien, die zich verheftH5927 in zijn pantsierH5630; en verschoontH2550 haar jongelingenH970 nietH408, verbantH2763 alH3605 haar heirH6635;
De schutter spanne zijn boog tegen dien, die spant, en tegen dien, die zich verheft in zijn pantsier; en verschoont haar jongelingen niet, verbant al haar heir;
KJV
Against him that bendeth2
let the archer3
bend
his bow,4
and against him that lifteth himself up6
in his brigandine:7
and spare9
ye not her young men;11
destroy ye utterly12
all her host.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Dat de verslagenenH2491 liggenH5307 in het landH776 der ChaldeenH3778, en de doorstokenenH1856 op haar stratenH2351.
Dat de verslagenen liggen in het land der Chaldeen, en de doorstokenen op haar straten.
KJV
Thus the slain2
shall fall1
in the land3
of the Chaldeans,4
and they that are thrust through5
in her streets.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantH3588 IsraelH3478 of JudaH3063 zal nietH3808 in weduwschapH488 gelaten worden van zijn GodH430, van den HEEREH3068 der heirscharenH6635 (hoewel hunlieder landH776 volH4390 van schuldH817 is), van den HeiligeH6918 IsraelsH3478.
Want Israel of Juda zal niet in weduwschap gelaten worden van zijn God, van den HEERE der heirscharen (hoewel hunlieder land vol van schuld is), van den Heilige Israels.
KJV
For Israel4
hath not been forsaken,3
nor Judah5
of his God,6
of the LORD7
of hosts;8
though their land10
was filled11
with sin12
against the Holy One13
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
VliedtH5127 uit hetH1931 middenH8432 van BabelH894, en redtH4422, een iegelijkH376 zijn zielH5315; wordt nietH408 uitgeroeidH1826 in haar ongerechtigheidH5771; wantH3588 dit is de tijdH6256 der wraakH5360 des HEERENH3068, DieH1931 haar de verdiensteH1576 betaaltH7999.
Vliedt uit het midden van Babel, en redt, een iegelijk zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd der wraak des HEEREN, Die haar de verdienste betaalt.
KJV
Flee out1
of the midst2
of Babylon,3
and deliver4
every man5
his soul:6
be not cut off8
in her iniquity;9
for this is the time11
of the LORD'S14
vengeance;12
he will render17
unto her a recompence.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
BabelH894 was een goudenH2091 bekerH3563 in de handH3027 des HEERENH3068, die de ganseH3605 aardeH776 dronkenH7937 maakte; de volkenH1471 hebben van haar wijnH3196 gedronkenH8354, daaromH3651 zijn de volkenH1471 dolH1984 geworden.
Babel was een gouden beker in de hand des HEEREN, die de ganse aarde dronken maakte; de volken hebben van haar wijn gedronken, daarom zijn de volken dol geworden.
KJV
Babylon3
hath been a golden2
cup1
in the LORD'S5
hand,4
that made all the earth8
drunken:6
the nations11
have drunken10
of her wine;9
therefore the nations15
are mad.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
SchielijkH6597 is BabelH894 gevallenH5307 en verbrokenH7665; huiltH3213 overH5921 haar, neemtH3947 balsemH6875 tot haar pijnH4341, misschien zal zij genezenH7495 worden.
Schielijk is Babel gevallen en verbroken; huilt over haar, neemt balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden.
KJV
Babylon3
is suddenly1
fallen2
and destroyed:4
howl5
for her; take7
balm8
for her pain,9
if so be she may be healed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Wij hebben BabelH894 gemeesterdH7495, maar zij is nietH3808 genezenH7495; verlaatH5800 haar dan, en laat ons een iegelijkH376 in zijn landH776 trekkenH3212; wantH3588 haar oordeelH4941 reiktH5060 tot aan den hemelH8064, en is verhevenH5375 tot aan de bovenste wolkenH7834.
Wij hebben Babel gemeesterd, maar zij is niet genezen; verlaat haar dan, en laat ons een iegelijk in zijn land trekken; want haar oordeel reikt tot aan den hemel, en is verheven tot aan de bovenste wolken.
KJV
We would have healed1
Babylon,3
but she is not healed:5
forsake6
her, and let us go7
every one8
into his own country:9
for her judgment14
reacheth11
unto heaven,13
and is lifted up15
even to the skies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
De HEEREH3068 heeft onze gerechtighedenH6666 hervoor gebrachtH3318; komtH935 en laat ons te SionH6726 het werkH4639 des HEERENH3068, onzes GodsH430, vertellenH5608!
De HEERE heeft onze gerechtigheden hervoor gebracht; komt en laat ons te Sion het werk des HEEREN, onzes Gods, vertellen!
KJV
The LORD2
hath brought forth1
our righteousness:4
come,5
and let us declare6
in Zion7
the work9
of the LORD10
our God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
ZuivertH1305 de pijlenH2671, rustH4390 de schildenH7982 volkomenlijkH4390 toe; de HEEREH3068 heeft den geestH7307 der koningenH4428 van MedieH4074 opgewektH5782; wantH3588 Zijn voornemenH4209 is tegenH5921 BabelH894, dat HijH1931 haar verderveH7843; wantH3588 dit is de wraakH5360 des HEERENH3068, de wraakH5360 Zijns tempelsH1964.
Zuivert de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe; de HEERE heeft den geest der koningen van Medie opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak des HEEREN, de wraak Zijns tempels.
KJV
Make bright1
the arrows;2
gather3
the shields:4
the LORD6
hath raised up5
the spirit8
of the kings9
of the Medes:10
for his device14
is against Babylon,13
to destroy15
it; because it is the vengeance17
of the LORD,18
the vengeance20
of his temple.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
VerheftH5375 de banierH5251 op de murenH2346 van BabelH894, versterktH2388 de wachtH4929, steltH6965 wachtersH8104, bereidtH3559 de lagenH693; wantH3588 gelijk de HEEREH3068 heeft voorgenomenH2161, alzo heeft Hij gedaanH6213, watH834 Hij over de inwonersH3427 van BabelH894 gesprokenH1696 heeft.
Verheft de banier op de muren van Babel, versterkt de wacht, stelt wachters, bereidt de lagen; want gelijk de HEERE heeft voorgenomen, alzo heeft Hij gedaan, wat Hij over de inwoners van Babel gesproken heeft.
KJV
Set up4
the standard5
upon the walls2
of Babylon,3
make the watch7
strong,6
set up8
the watchmen,9
prepare10
the ambushes:11
for the LORD15
hath both devised14
and done17
that which he spake20
against the inhabitants22
of Babylon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Gij, die aanH5921 veleH7227 waterenH4325 woontH7931, die machtigH7227 zijt van schattenH214! uw eindeH7093 is gekomenH935, de maatH520 uwer gierigheidH1215.
Gij, die aan vele wateren woont, die machtig zijt van schatten! uw einde is gekomen, de maat uwer gierigheid.
KJV
O thou that dwellest1
upon many4
waters,3
abundant5
in treasures,6
thine end8
is come,7
and the measure9
of thy covetousness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
De HEEREH3068 der heirscharenH6635 heeft gezworenH7650 bij Zijn zielH5315: Ofschoon Ik u met mensenH120 als met keversH3218 vervuldH4390 heb, nochtans zullen zij elkander een vreugdegeschreiH1959 overH5921 u toeroepenH6030!
De HEERE der heirscharen heeft gezworen bij Zijn ziel: Ofschoon Ik u met mensen als met kevers vervuld heb, nochtans zullen zij elkander een vreugdegeschrei over u toeroepen!
KJV
The LORD2
of hosts3
hath sworn1
by himself,4
saying, Surely I will fill7
thee with men,8
as with caterpillers;9
and they shall lift up10
a shout
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Die de aardeH776 gemaaktH6213 heeft door Zijn krachtH3581, Die de wereldH8398 bereidH3559 heeft door Zijn wijsheidH2451, en den hemelH8064 uitgebreidH5186 door Zijn verstandH8394;
Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand;
KJV
He hath made1
the earth2
by his power,3
he hath established4
the world5
by his wisdom,6
and hath stretched out8
the heaven9
by his understanding.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Als Hij Zijn stemH6963 geeftH5414, zo is er een gedruisH1995 van waterenH4325 in den hemelH8064, en Hij doet de dampenH5387 opklimmenH5927 van het eindeH7097 der aardeH776; Hij maaktH6213 de bliksemenH1300 met den regenH4306, en doet den windH7307 voortkomenH3318 uit Zijn schatkamerenH214.
Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
KJV
When he uttereth2
his voice,1
there is a multitude3
of waters4
in the heavens;5
and he causeth the vapours7
to ascend6
from the ends8
of the earth:9
he maketh12
lightnings10
with rain,11
and bringeth forth13
the wind14
out of his treasures.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Een iederH3605 mensH120 is onvernuftigH1197 geworden, zodat hij geen wetenschapH1847 heeft; een iederH3605 goudsmidH6884 is beschaamdH3001 van het gesnedenH6459 beeldH5262; wantH3588 zijn gegoten beeld is leugenH8267, en er is geenH3808 geestH7307 in hen.
Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft; een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen.
KJV
Every man3
is brutish1
by his knowledge;4
every founder7
is confounded5
by the graven image:8
for his molten image11
is falsehood,10
and there is no breath
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
IjdelheidH1892 zijn zijH1992, een werkH4639 van verleidingenH8595; ten tijdeH6256 hunner bezoekingH6486 zullen zij vergaanH6.
Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.
KJV
They are vanity,1
the work3
of errors:4
in the time5
of their visitation6
they shall perish.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
JakobsH3290 deelH2506 is nietH3808 gelijk die; wantH3588 HijH1931 is de FormeerderH3335 van allesH3605, en Israel is de roedeH7626 Zijner erfenisH5159; HEEREH3068 der heirscharenH6635 is Zijn NaamH8034.
Jakobs deel is niet gelijk die; want Hij is de Formeerder van alles, en Israel is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
KJV
The portion3
of Jacob4
is not like them; for he is the former6
of all things: and Israel is the rod9
of his inheritance:10
the LORD11
of hosts12
is his name.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Gij zijt Mij een voorhamerH4661, en krijgswapenenH3627; en door u zal Ik volkenH1471 in stukken slaanH5310, en door u zal Ik koninkrijkenH4467 verdervenH7843.
Gij zijt Mij een voorhamer, en krijgswapenen; en door u zal Ik volken in stukken slaan, en door u zal Ik koninkrijken verderven.
KJV
Thou art my battle axe1
and weapons4
of war:5
for with thee will I break in pieces6
the nations,8
and with thee will I destroy9
kingdoms;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En door u zal Ik in stukken slaanH5310 het paardH5483 en zijn ruiterH7392; en door u zal Ik in stukken slaanH5310 den wagenH7393 en zijn ruiterH7392.
En door u zal Ik in stukken slaan het paard en zijn ruiter; en door u zal Ik in stukken slaan den wagen en zijn ruiter.
KJV
And with thee will I break in pieces1
the horse3
and his rider;4
and with thee will I break in pieces5
the chariot7
and his rider;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En door u zal Ik in stukken slaanH5310 den manH376 en de vrouwH802; en door u zal Ik in stukken slaanH5310 den oudeH2205 en den jongeH5288; en door u zal Ik in stukken slaanH5310 den jongelingH970 en de jonkvrouwH1330.
En door u zal Ik in stukken slaan den man en de vrouw; en door u zal Ik in stukken slaan den oude en den jonge; en door u zal Ik in stukken slaan den jongeling en de jonkvrouw.
KJV
With thee also will I break in pieces1
man3
and woman;4
and with thee will I break in pieces5
old7
and young;8
and with thee will I break in pieces9
the young man11
and the maid;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En door u zal Ik in stukken slaanH5310 den herderH7462 en zijn kuddeH5739; en door u zal Ik in stukken slaanH5310 den akkermanH406 en zijn jukH6776 ossen; en door u zal Ik in stukken slaanH5310 landvoogdenH6346 en overhedenH5461.
En door u zal Ik in stukken slaan den herder en zijn kudde; en door u zal Ik in stukken slaan den akkerman en zijn juk ossen; en door u zal Ik in stukken slaan landvoogden en overheden.
KJV
I will also break in pieces1
with thee the shepherd3
and his flock;4
and with thee will I break in pieces5
the husbandman7
and his yoke of oxen;8
and with thee will I break in pieces9
captains11
and rulers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Maar Ik zal BabelH894 en allenH3605 inwonerenH3427 van ChaldeaH3778 vergeldenH7999 alH3605 hun boosheidH7451, dieH834 zij gedaanH6213 hebben aan SionH6726, voor ulieder ogenH5869, spreektH5002 de HEEREH3068.
Maar Ik zal Babel en allen inwoneren van Chaldea vergelden al hun boosheid, die zij gedaan hebben aan Sion, voor ulieder ogen, spreekt de HEERE.
KJV
And I will render1
unto Babylon2
and to all the inhabitants4
of Chaldea5
all their evil8
that they have done10
in Zion11
in your sight,12
saith13
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
ZietH2005, Ik wil aan u, gij verdervendeH4889 bergH2022! spreektH5002 de HEEREH3068, gij, die de ganseH3605 aardeH776 verderftH7843, en Ik zal Mijn handH3027 tegen u uitstrekkenH5186, en u vanH4480 de steenrotsenH5553 afwentelenH1556, en zal u stellenH5414 totH413 een bergH2022 des brandsH8316.
Ziet, Ik wil aan u, gij verdervende berg! spreekt de HEERE, gij, die de ganse aarde verderft, en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u van de steenrotsen afwentelen, en zal u stellen tot een berg des brands.
KJV
Behold, I am against thee, O destroying4
mountain,3
saith5
the LORD,6
which destroyest7
all the earth:10
and I will stretch out11
mine hand13
upon thee, and roll thee down15
from the rocks,17
and will make18
thee a burnt20
mountain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En zij zullen uitH4480 u geen steenH68 nemenH3947 tot een hoekH6438, ook geen steenH68 tot fondamentenH4146; wantH3588 gij zult tot eeuwigeH5769 woesthedenH8077 zijnH1961, spreektH5002 de HEEREH3068.
En zij zullen uit u geen steen nemen tot een hoek, ook geen steen tot fondamenten; want gij zult tot eeuwige woestheden zijn, spreekt de HEERE.
KJV
And they shall not take2
of thee a stone4
for a corner,5
nor a stone6
for foundations;7
but thou shalt be desolate9
for ever,10
saith12
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
VerheftH5375 de banierH5251 in het landH776, blaastH8628 de bazuinH7782 onder de heidenenH1471, heiligtH6942 de heidenenH1471 tegen haar, roept tegenH5921 haar bijeen de koninkrijkenH4467 van AraratH780, MinniH4508 en AskenazH813; besteltH6485 een krijgsoversteH2951 tegenH5921 haar, brengtH5927 paardenH5483 opwaartsH5927, als ruigeH5569 keversH3218!
Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligt de heidenen tegen haar, roept tegen haar bijeen de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt een krijgsoverste tegen haar, brengt paarden opwaarts, als ruige kevers!
Ook in dit vers
roept bijeenH8085
KJV
Set ye up1
a standard2
in the land,3
blow4
the trumpet5
among the nations,6
prepare7
the nations9
against her, call together10
against her the kingdoms12
of Ararat,13
Minni,14
and Ashchenaz;15
appoint16
a captain18
against her; cause the horses20
to come up19
as the rough22
caterpillers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
HeiligtH6942 tegenH5921 haar de heidenenH1471, de koningenH4428 van MedieH4074, haar landvoogdenH6346 en alH3605 haar overhedenH5461, ja, het ganseH3605 landH776 harer heerschappijH4475.
Heiligt tegen haar de heidenen, de koningen van Medie, haar landvoogden en al haar overheden, ja, het ganse land harer heerschappij.
KJV
Prepare1
against her the nations3
with the kings5
of the Medes,6
the captains8
thereof, and all the rulers11
thereof, and all the land14
of his dominion.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Dan zal het landH776 bevenH7493 en pijn lijdenH2342; wantH3588 elk een van des HEERENH3068 gedachtenH4284 staat vastH6965 tegenH5921 BabelH894, om BabelsH894 landH776 te stellenH7760 tot een verwoestingH8047, dat er geenH369 inwonerH3427 zij.
Dan zal het land beven en pijn lijden; want elk een van des HEEREN gedachten staat vast tegen Babel, om Babels land te stellen tot een verwoesting, dat er geen inwoner zij.
KJV
And the land2
shall tremble1
and sorrow:3
for every purpose8
of the LORD9
shall be performed5
against Babylon,7
to make10
the land12
of Babylon13
a desolation14
without an inhabitant.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
BabelsH894 heldenH1368 hebben opgehoudenH2308 te strijdenH3898, zij zijn geblevenH3427 in de vestingenH4679, hun machtH1369 is bezwekenH5405, zijH1961 zijn tot wijvenH802 geworden; zij hebben hun woningenH4908 aangestokenH3341, hun grendelsH1280 zijn verbrokenH7665.
Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot wijven geworden; zij hebben hun woningen aangestoken, hun grendels zijn verbroken.
KJV
The mighty men2
of Babylon3
have forborn1
to fight,4
they have remained5
in their holds:6
their might8
hath failed;7
they became as women:10
they have burned11
her dwellingplaces;12
her bars14
are broken.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
De loperH7323 zal den loperH7323 tegemoetH7125 lopenH7323, en de kondschapperH5046 den kondschapperH5046 tegemoetH7125, om den koningH4428 van BabelH894 bekendH5046 te maken, datH3588 zijn stadH5892 van het eindeH7097 is ingenomenH3920;
De loper zal den loper tegemoet lopen, en de kondschapper den kondschapper tegemoet, om den koning van Babel bekend te maken, dat zijn stad van het einde is ingenomen;
KJV
One post1
shall run3
to meet2
another,4
and one messenger5
to meet6
another,7
to shew8
the king9
of Babylon10
that his city13
is taken12
at one end,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En dat de verenH4569 ingenomenH8610, en de rietpoelenH98 met vuurH784 verbrandH8313 zijn; en dat de krijgsliedenH582 verbaasdH926 zijn.
En dat de veren ingenomen, en de rietpoelen met vuur verbrand zijn; en dat de krijgslieden verbaasd zijn.
KJV
And that the passages1
are stopped,2
and the reeds4
they have burned5
with fire,6
and the men
of war8
are affrighted.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
WantH3588 zoH3541 zegtH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635, de GodH430 IsraelsH3478: De dochterH1323 van BabelH894 is als een dorsvloerH1637, het is tijdH6256, dat men ze tredeH1869; nogH5750 een weinigH4592, dan zal haar de tijdH6256 des oogstesH7105 overkomenH935.
Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd des oogstes overkomen.
KJV
For thus saith3
the LORD4
of hosts,5
the God6
of Israel;7
The daughter8
of Babylon9
is like a threshingfloor,10
it is time11
to thresh12
her: yet a little while,14
and the time16
of her harvest17
shall come.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
NebukadrezarH5019, de koningH4428 van BabelH894, heeft mij opgegetenH398, hij heeft mij verpletterdH2000, hij heeft mij gesteldH3322 als een ledigH7385 vatH3627, hij heeft mij verslondenH1104 als een draakH8577, hij heeft zijn balgH3770 gevuldH4390 van mijn lekkernijenH5730; hij heeft mij verdrevenH1740.
Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft mij gesteld als een ledig vat, hij heeft mij verslonden als een draak, hij heeft zijn balg gevuld van mijn lekkernijen; hij heeft mij verdreven.
KJV
Nebuchadrezzar3
the king4
of Babylon5
hath devoured1
me, he hath crushed2
me, he hath made6
me an empty8
vessel,7
he hath swallowed me up9
like a dragon,10
he hath filled11
his belly12
with my delicates,13
he hath cast me out.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
Het geweldH2555, dat mij en mijn vleesH7607 is aangedaan, zij opH5921 BabelH894! zeggeH559 de inwoneresH3427 van SionH6726; en mijn bloedH1818 zij op de inwonersH3427 van ChaldeaH3778! zeggeH559 JeruzalemH3389.
Het geweld, dat mij en mijn vlees is aangedaan, zij op Babel! zegge de inwoneres van Sion; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldea! zegge Jeruzalem.
KJV
The violence1
done to me and to my flesh2
be upon Babylon,4
shall the inhabitant6
of Zion7
say;5
and my blood8
upon the inhabitants10
of Chaldea,11
shall Jerusalem13
say.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
DaaromH3651, zo zegtH559 de HEEREH3068: ZietH2005, Ik zal uw twistH7379 twistenH7378, en uw wraakH5360 wrekenH5358; en Ik zal haar zeeH3220 droogH2717 maken, en haar springaderH4726 opdrogenH3001.
Daarom, zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal uw twist twisten, en uw wraak wreken; en Ik zal haar zee droog maken, en haar springader opdrogen.
KJV
Therefore thus saith3
the LORD;4
Behold, I will plead6
thy cause,8
and take vengeance9
for thee;11
and I will dry up12
her sea,14
and make her springs17
dry.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
En BabelH894 zal worden tot steen hopenH1530, een woningH4583 der drakenH8577, een ontzettingH8047 en aanfluitingH8322, dat er geenH369 inwonerH3427 zijH1961.
En Babel zal worden tot steen hopen, een woning der draken, een ontzetting en aanfluiting, dat er geen inwoner zij.
KJV
And Babylon2
shall become heaps,3
a dwellingplace4
for dragons,5
an astonishment,6
and an hissing,7
without an inhabitant.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
Zij zullen te zamenH3162 brullenH7580 als jonge leeuwenH3715, briesenH5286 als leeuwenwelpenH738.
Zij zullen te zamen brullen als jonge leeuwen, briesen als leeuwenwelpen.
KJV
They shall roar3
together1
like lions:2
they shall yell4
as lions'6
whelps.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
Als zij verhitH2527 zijn, zal Ik hun drankH4960 opzettenH7896, en zal hen dronkenH7937 maken, opdatH4616 zij opspringenH5937; maar zij zullen een eeuwigenH5769 slaapH8142 slapenH3462, en nietH3808 opwakenH6974, spreektH5002 de HEEREH3068.
Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank opzetten, en zal hen dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de HEERE.
KJV
In their heat1
I will make2
their feasts,4
and I will make them drunken,5
that they may rejoice,7
and sleep8
a perpetual10
sleep,9
and not wake,12
saith13
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
Ik zal hen afvoerenH3381 als lammerenH3733 om te slachtenH2873, als rammenH352 metH5973 bokkenH6260.
Ik zal hen afvoeren als lammeren om te slachten, als rammen met bokken.
KJV
I will bring them down1
like lambs2
to the slaughter,3
like rams4
with he goats.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
Hoe is SesachH8347 zo veroverdH3920, en de roemH8416 der ganseH3605 aardeH776 ingenomenH8610! HoeH349 isH1961 BabelH894 geworden tot een ontzettingH8047 onder de heidenenH1471!
Hoe is Sesach zo veroverd, en de roem der ganse aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen!
KJV
How is Sheshach3
taken!2
and how is the praise5
of the whole earth7
surprised!4
how is Babylon11
become an astonishment10
among the nations!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
Een zeeH3220 is overH5921 BabelH894 gerezenH5927, door de veelheidH1995 harer golvenH1530 is zij bedektH3680.
Een zee is over Babel gerezen, door de veelheid harer golven is zij bedekt.
KJV
The sea4
is come up1
upon Babylon:3
she is covered7
with the multitude5
of the waves
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
Haar stedenH5892 zijnH1961 geworden tot verwoestingH8047, een dorH6723 landH776 en wildernisH6160; een landH776, waarin niemandH376 woontH3427, en waar geenH3808 mensenkindH1121 doorgaatH5674.
Haar steden zijn geworden tot verwoesting, een dor land en wildernis; een land, waarin niemand woont, en waar geen mensenkind doorgaat.
KJV
Her cities2
are a desolation,3
a dry5
land,4
and a wilderness,6
a land7
wherein no man12
dwelleth,9
neither doth any son16
of man17
pass14
thereby.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44
En Ik zal bezoekingH6485 doen overH5921 BelH1078 te BabelH894, en Ik zal uit zijn muilH6310 uithalenH3318, wat hij verslondenH1105 heeft; en de heidenenH1471 zullen nietH3808 meerH5750 totH413 hem toevloeienH5102, want ookH1571 BabelsH894 muurH2346 is gevallenH5307.
En Ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en Ik zal uit zijn muil uithalen, wat hij verslonden heeft; en de heidenen zullen niet meer tot hem toevloeien, want ook Babels muur is gevallen.
KJV
And I will punish1
Bel3
in Babylon,4
and I will bring forth5
out of his mouth8
that which he hath swallowed up:7
and the nations13
shall not flow together10
any more unto him: yea, the wall15
of Babylon16
shall fall.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45
Gaat uit, Mijn volkH5971, uit het middenH8432 van haar, en redtH4422 een iegelijkH376 zijn zielH5315, vanwege de hittigheidH2740 van den toornH639 des HEERENH3068.
Gaat uit, Mijn volk, uit het midden van haar, en redt een iegelijk zijn ziel, vanwege de hittigheid van den toorn des HEEREN.
KJV
My people,3
go ye out1
of the midst2
of her, and deliver4
ye every man5
his soul7
from the fierce8
anger9
of the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46
En opdat ulieder hartH3824 misschien niet weekH7401 worde, en gij vreestH3372 van het geruchtH8052, dat gehoordH8085 zal worden in het landH776; want er zal een geruchtH8052 komenH935 in het ene jaarH8141, en daarnaH310 een geruchtH8052 in het andere jaarH8141; en er zal geweldH2555 zijn in het landH776, heerH4910 overH5921 heerH4910.
En opdat ulieder hart misschien niet week worde, en gij vreest van het gerucht, dat gehoord zal worden in het land; want er zal een gerucht komen in het ene jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar; en er zal geweld zijn in het land, heer over heer.
KJV
And lest your heart3
faint,2
and ye fear4
for the rumour5
that shall be heard6
in the land;7
a rumour10
shall both come8
one year,9
and after11
that in another year12
shall come a rumour,13
and violence14
in the land,15
ruler16
against ruler.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47
DaaromH3651 zietH2009, de dagenH3117 komenH935, dat Ik bezoekingH6485 zal doen overH5921 de gesneden beeldenH6456 van BabelH894; en haar ganseH3605 landH776 zal beschaamdH954 worden, en alH3605 haar verslagenenH2491 zullen in het middenH8432 van haar liggenH5307.
Daarom ziet, de dagen komen, dat Ik bezoeking zal doen over de gesneden beelden van Babel; en haar ganse land zal beschaamd worden, en al haar verslagenen zullen in het midden van haar liggen.
KJV
Therefore, behold, the days3
come,4
that I will do judgment5
upon the graven images7
of Babylon:8
and her whole land10
shall be confounded,11
and all her slain13
shall fall14
in the midst
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
48
En de hemelH8064 en de aardeH776, mitsgaders alH3605 watH834 daarin is, zullen juichenH7442 overH5921 BabelH894; wantH3588 van het noordenH6828 zullen haar de verstoordersH7703 aankomenH935, spreektH5002 de HEEREH3068.
En de hemel en de aarde, mitsgaders al wat daarin is, zullen juichen over Babel; want van het noorden zullen haar de verstoorders aankomen, spreekt de HEERE.
KJV
Then the heaven4
and the earth,5
and all that is therein, shall sing1
for Babylon:3
for the spoilers13
shall come11
unto her from the north,10
saith14
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
49
Gelijk BabelH894 geweest is tot een valH5307 der verslagenenH2491 van IsraelH3478, alzo zullen te BabelH894 de verslagenenH2491 des gansenH3605 landsH776 vallenH5307.
Gelijk Babel geweest is tot een val der verslagenen van Israel, alzo zullen te Babel de verslagenen des gansen lands vallen.
KJV
As1
Babylon2
hath caused the slain4
of Israel5
to fall,3
so at Babylon7
shall fall8
the slain9
of all the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
50
Gij ontkomenenH6405 van het zwaardH2719, gaat wegH1980, en blijft nietH408 staanH5975; gedenktH2142 des HEERENH3068 van verreH7350, en laat JeruzalemH3389 in ulieder hartH3824 opkomenH5927.
Gij ontkomenen van het zwaard, gaat weg, en blijft niet staan; gedenkt des HEEREN van verre, en laat Jeruzalem in ulieder hart opkomen.
KJV
Ye that have escaped
the sword,2
go away,3
stand not still:5
remember6
the LORD9
afar off,7
and let Jerusalem10
come11
into your mind.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
51
Gij moogt zeggen: Wij zijn beschaamdH954 geworden, wantH3588 wij hebben versmaadheidH2781 gehoordH8085, schaamroodheidH3639 heeft ons aangezichtH6440 bedektH3680; omdatH3588 uitlandsenH2114 overH5921 de heiligdommenH4720 van des HEERENH3068 huisH1004 gekomenH935 zijn;
Gij moogt zeggen: Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben versmaadheid gehoord, schaamroodheid heeft ons aangezicht bedekt; omdat uitlandsen over de heiligdommen van des HEEREN huis gekomen zijn;
KJV
We are confounded,1
because we have heard3
reproach:4
shame6
hath covered5
our faces:7
for strangers10
are come9
into the sanctuaries12
of the LORD'S14
house.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
52
DaaromH3651 zietH2009, de dagenH3117 komenH935, spreektH5002 de HEEREH3068, dat Ik bezoekingH6485 doen zal overH5921 haar gesneden beeldenH6456; en de dodelijk verwondeH2491 zal kermenH602 in haar ganseH3605 landH776.
Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik bezoeking doen zal over haar gesneden beelden; en de dodelijk verwonde zal kermen in haar ganse land.
KJV
Wherefore, behold, the days3
come,4
saith5
the LORD,6
that I will do judgment7
upon her graven images:9
and through all her land11
the wounded13
shall groan.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
53
Al klomH5927 BabelH894 ten hemelH8064 op, en al maakte zij vastH1219 de hoogteH4791 harer sterkteH5797, zo zullen haar toch verstoordersH7703 vanH854 Mij overkomenH935, spreektH5002 de HEEREH3068.
Al klom Babel ten hemel op, en al maakte zij vast de hoogte harer sterkte, zo zullen haar toch verstoorders van Mij overkomen, spreekt de HEERE.
KJV
Though Babylon3
should mount up2
to heaven,4
and though she should fortify6
the height7
of her strength,8
yet
from me shall spoilers11
come10
unto her, saith13
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
54
Er is een stemH6963 des gekrijtsH2201 uit BabelH894, en een groteH1419 breukH7667 uit het landH776 der ChaldeenH3778.
Er is een stem des gekrijts uit Babel, en een grote breuk uit het land der Chaldeen.
KJV
A sound1
of a cry2
cometh from Babylon,3
and great5
destruction4
from the land6
of the Chaldeans:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
55
WantH3588 de HEEREH3068 verstoortH7703 BabelH894, en zal de grootseH1419 stemH6963 uitH4480 haar doen vergaanH6; want hunlieder golvenH1530 zullen bruisenH1993 als groteH7227 waterenH4325; het geruisH7588 van hunlieder geluidH6963 zal zich verheffenH5414.
Want de HEERE verstoort Babel, en zal de grootse stem uit haar doen vergaan; want hunlieder golven zullen bruisen als grote wateren; het geruis van hunlieder geluid zal zich verheffen.
KJV
Because the LORD3
hath spoiled2
Babylon,5
and destroyed6
out of her the great9
voice;8
when her waves11
do roar10
like great13
waters,12
a noise15
of their voice16
is uttered:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
56
WantH3588 de verstoorderH7703 komtH935 overH5921 haar, overH5921 BabelH894, en haar heldenH1368 zullen gevangenH3920 worden; hunlieder bogenH7198 zijn verbrokenH2865; wantH3588 de HEEREH3068, de GodH410 der vergeldingH1578, zal hun zekerlijkH7999 betalenH7999.
Want de verstoorder komt over haar, over Babel, en haar helden zullen gevangen worden; hunlieder bogen zijn verbroken; want de HEERE, de God der vergelding, zal hun zekerlijk betalen.
KJV
Because the spoiler6
is come2
upon her, even upon Babylon,5
and her mighty men8
are taken,7
every one of their bows10
is broken:9
for the LORD14
God12
of recompences13
shall surely15
requite.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
57
En Ik zal haar vorstenH8269, en haar wijzenH2450, haar landvoogdenH6346, en haar overhedenH5461, en haar heldenH1368 dronkenH7937 maken; en zij zullen een eeuwigenH5769 slaapH8142 slapenH3462, en nietH3808 opwakenH6974, spreektH5002 de KoningH4428, Wiens NaamH8034 is HEEREH3068 der heirscharenH6635.
En Ik zal haar vorsten, en haar wijzen, haar landvoogden, en haar overheden, en haar helden dronken maken; en zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen.
KJV
And I will make drunk1
her princes,2
and her wise3
men, her captains,4
and her rulers,5
and her mighty men:6
and they shall sleep7
a perpetual9
sleep,8
and not wake,11
saith12
the King,13
whose name16
is the LORD14
of hosts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
58
ZoH3541 zegtH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635: Die bredeH7342 muurH2346 van BabelH894 zal ten enenmale ontblootH6209 worden, en haar hogeH1364 poortenH8179 zullen met vuurH784 aangestokenH3341 worden; zodat de volkenH5971 tevergeefsH7385, en de natienH3816 ten vureH784 zullen gearbeidH3021 hebben, dat zij matH3286 worden.
Zo zegt de HEERE der heirscharen: Die brede muur van Babel zal ten enenmale ontbloot worden, en haar hoge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zodat de volken tevergeefs, en de natien ten vure zullen gearbeid hebben, dat zij mat worden.
Ook in dit vers
enemaleH6209
KJV
Thus saith2
the LORD3
of hosts;4
The broad7
walls5
of Babylon6
shall be utterly8
broken,9
and her high11
gates10
shall be burned13
with fire;12
and the people15
shall labour14
in vain,17
and the folk18
in16
the fire,20
and they shall be weary.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
59
Het woordH1697, datH834 de profeetH5030 JeremiaH3414 bevalH6680 aan SerajaH8304, den zoonH1121 van NerijaH5374, den zoonH1121 van MachsejaH4271, als hij van ZedekiaH6667, den koningH4428 vanH854 JudaH3063, naar BabelH894 toogH3212, in het vierdeH7243 jaarH8141 zijner regeringH4427; en SerajaH8304 was een vreemdzaamH4496 vorstH8269.
Het woord, dat de profeet Jeremia beval aan Seraja, den zoon van Nerija, den zoon van Machseja, als hij van Zedekia, den koning van Juda, naar Babel toog, in het vierde jaar zijner regering; en Seraja was een vreemdzaam vorst.
KJV
The word1
which Jeremiah4
the prophet5
commanded3
Seraiah7
the son8
of Neriah,9
the son10
of Maaseiah,11
when he went12
with Zedekiah14
the king15
of Judah16
into Babylon17
in the fourth19
year18
of his reign.20
And this Seraiah21
was a quiet23
prince.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
60
JeremiaH3414 nu schreefH3789 alH3605 het kwaadH7451, datH834 over BabelH894 komenH935 zou, in eenH259 boekH5612, te weten alH3605 dezeH428 woordenH1697, die tegenH413 BabelH894 geschrevenH3789 zijn.
Jeremia nu schreef al het kwaad, dat over Babel komen zou, in een boek, te weten al deze woorden, die tegen Babel geschreven zijn.
KJV
So Jeremiah2
wrote1
in a12
book11
all the evil5
that should come7
upon Babylon,9
even all these words15
that are written17
against Babylon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
61
En JeremiaH3414 zeideH559 totH413 SerajaH8304: Als gij te BabelH894 komtH935, zo zult gij zienH7200 en lezenH7121 alH3605 dezeH428 woordenH1697;
En Jeremia zeide tot Seraja: Als gij te Babel komt, zo zult gij zien en lezen al deze woorden;
KJV
And Jeremiah2
said1
to Seraiah,4
When thou comest5
to Babylon,6
and shalt see,7
and shalt read8
all these words;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
62
En gij zult zeggenH559: O HEEREH3068, Gij hebt over dezeH2088 plaatsH4725 gesprokenH1696, dat Gij ze zult uitroeienH3772, zodat er geen inwonerH3427 in zijH1961, van den mensH120 tot op het beestH929, maarH3588 dat zijH1961 worden zal tot eeuwigeH5769 woesthedenH8077.
En gij zult zeggen: O HEERE, Gij hebt over deze plaats gesproken, dat Gij ze zult uitroeien, zodat er geen inwoner in zij, van den mens tot op het beest, maar dat zij worden zal tot eeuwige woestheden.
KJV
Then shalt thou say,1
O LORD,2
thou hast spoken4
against this place,6
to cut it off,8
that none shall remain12
in it, neither man13
nor beast,15
but that it shall be desolate17
for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
63
En het zal geschiedenH1961, als gij geeindigdH3615 zult hebben ditH2088 boekH5612 te lezenH7121, dan zult gij een steenH68 daaraan bindenH7194, en werpenH7993 het in het middenH8432 van den FrathH6578;
En het zal geschieden, als gij geeindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult gij een steen daaraan binden, en werpen het in het midden van den Frath;
KJV
And it shall be, when thou hast made an end2
of reading3
this book,5
that thou shalt bind7
a stone9
to it, and cast10
it into the midst12
of Euphrates:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
64
En zult zeggenH559: Alzo zal BabelH894 zinkenH8257, en nietH3808 weder opkomenH6965, vanwege het kwaadH7451, datH834 IkH595 overH5921 haar zal brengenH935, en zij zullen matH3286 worden. TotH5704 hiertoe zijn de woordenH1697 van JeremiaH3414.
En zult zeggen: Alzo zal Babel zinken, en niet weder opkomen, vanwege het kwaad, dat Ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden. Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremia.
KJV
And thou shalt say,1
Thus shall Babylon4
sink,3
and shall not rise6
from7
the evil8
that I will bring11
upon her: and they shall be weary.13
Thus far are the words16
of Jeremiah.
verdervenden wind opwekken tegen Babel,
Versta, de Meden en Perzen en vergelijk boven Jer. 4:11 .
Hertaald:
verdervenden wind opwekken tegen Babel,
Versta: de Meden en Perzen, en vergelijk hierboven Jer. 4:11.
hart van degenen,
Gelijk wij ook in onze taal zeggen: In het hart van het land. Versta, de inwoners van Babel, die de hoofdstad was van Chaldea en als het midden des lands; zie Deut. 4:11 .
Hertaald:
hart van degenen,
Zoals wij ook in onze taal zeggen: in het hart van het land. Versta: de inwoners van Babel, dat de hoofdstad van Chaldea was en als het ware het midden van het land; zie Deut. 4:11.
wanners toeschikken,
Anders, vreemdelingen toeschikken, die hen verstrooien zullen.
Hertaald:
wanners toeschikken,
Anders: vreemdelingen toeschikken, die hen verstrooien zullen.
zullen ten dage
Hebreeuws, zijn geweest. Profetischerwijze gesproken; dat is, zullen haar van alle kanten bestrijden.
Hertaald:
zullen ten dage
Hebreeuws: zijn geweest. Op profetische wijze gesproken; dat is: zij zullen haar van alle kanten bestrijden.
kwaads
Dat is, van haar ongeluk, ongeval, dat over haar bestemd is.
Hertaald:
kwaads
Dat is: van haar ongeluk en onheil, dat voor haar bestemd is.
schutter spanne zijn boog
Hebreeuws, de treder trede; dat is, de spanner spanne; woorden Gods tot de schutters van de Meden en Perzen.
Hertaald:
schutter spanne zijn boog
Hebreeuws: de treder trede; dat is: de spanner spanne. Het zijn woorden van God tot de schutters van de Meden en Perzen.
spant,
Tegen de schutters van Babel.
Hertaald:
spant,
Tegen de schutters van Babel.
pantsier;
Zijnde zwaarder gewapend dan de schutters.
Hertaald:
pantsier;
Die zwaarder gewapend zijn dan de schutters.
haar jongelingen niet,
Van Babel.
Hertaald:
haar jongelingen niet,
Van Babel.
verbant al haar heir;
Zie Deut. 2:34 , en boven Jer. 50:21 .
Hertaald:
verbant al haar heir;
Zie Deut. 2:34 en hierboven Jer. 50:21.
liggen in het land der Chaldeën,
Hebreeuws eigenlijk vallen; maar het Hebreeuwse woord wordt ook somtijds voor liggen genomen; zie boven Jer. 9:22 , alzo onder vs.47, 49, enz.
Hertaald:
liggen in het land der Chaldeën,
Hebreeuws eigenlijk: vallen; maar het Hebreeuwse woord wordt soms ook voor liggen gebruikt; zie hierboven Jer. 9:22, zo ook hieronder vers 47 en 49, enzovoort.
weduwschap gelaten worden van zijn God,
Anders, geen weduwnaar, of gene weduwe gelaten worden. Het Hebreeuwse woord alman wordt alleen hier gevonden, betekenende iemand, die in den weduwlijken staat gesteld, of gelaten is, gelijk almana ene weduwe betekent. De manier van spreken ziet op het geestelijk huwelijk, dat God met zijn volk gemaakt had; alsof Hij zeide: Al is het dat mijn volk een tijdlang alzo gehandeld is alsof het niemand toebehoorde, of haar man en beschermer dood ware, en zij van hem en van ieder verstoten en verlaten ware, zo zal nochtans zulks niet altoos duren; Ik zal nog tonen dat zij mijne getrouwde is, en hare zaak ter hand nemen, en het ongelijk, dat haar gedaan is, wreken; vergelijk Joh. 14:18 .
Hertaald:
weduwschap gelaten worden van zijn God,
Anders: geen weduwnaar, of geen weduwe gelaten worden. Het Hebreeuwse woord alman komt alleen hier voor en betekent iemand die in de staat van weduwnaar gebracht of gelaten is, zoals almana een weduwe betekent. Deze manier van spreken ziet op het geestelijke huwelijk dat God met Zijn volk gesloten had, alsof Hij zei: al is het zo dat met Mijn volk een tijdlang gehandeld is alsof het niemand toebehoorde, of alsof haar man en beschermer dood was en zij door hem en door ieder verstoten en verlaten was, toch zal dat niet altijd duren. Ik zal nog tonen dat zij Mijn getrouwde is, en Ik zal haar zaak ter hand nemen en het onrecht wreken dat haar aangedaan is; vergelijk Joh. 14:18.
heirscharen
Zie 1 Kon. 18:15 .
Hertaald:
heirscharen
Zie 1 Kon. 18:15.
hunlieder land
Te weten van Israël en Juda. Anders: dewijl hunlieder land; [te weten der Chaldeën], enz.
Hertaald:
hunlieder land
Namelijk van Israël en Juda. Anders: omdat hun land, (namelijk dat van de Chaldeeën), enzovoort.
van schuld is
Of, verwoesting, die zij met hunne zonde verschuldigd hebben. Anderen duiden dit op de Chaldeën aldus: Want hun [der Chaldeën] land is vol schuld tegen, of vanwege den Heilige Israëls; dat is, om de zonden, die de Chaldeën tegen God gedaan hebben, waarom Hij hen straffen zal; vergelijk boven Jer. 50:19 .
Hertaald:
van schuld is
Of: verwoesting, die zij met hun zonde verdiend hebben. Anderen duiden dit op de Chaldeeën, en wel zo: want hun (van de Chaldeeën) land is vol schuld tegen, of vanwege de Heilige Israëls; dat is: om de zonden die de Chaldeeën tegen God bedreven hebben, waarom Hij hen straffen zal; vergelijk hierboven Jer. 50:19.
Heilige Israëls
Zie Ps. 71:22 .
Hertaald:
Heilige Israëls
Zie Ps. 71:22.
ongerechtigheid;
Dat is, wacht u dat gij niet omkomt in de straf harer ongerechtigheid. Zie Lev. 5:1 ; Ps. 31:11 , en onder vs.45, en boven Jer. 50:8 .
Hertaald:
ongerechtigheid;
Dat is: pas op dat u niet omkomt in de straf van haar ongerechtigheid. Zie Lev. 5:1; Ps. 31:11, en hieronder vers 45, en hierboven Jer. 50:8.
verdienste betaalt
Alzo wordt het Hebreeuwse woord ook genomen Richt. 9:16 . Zie wijders 2 Kron. 20:11 .
Hertaald:
verdienste betaalt
Zo wordt het Hebreeuwse woord ook opgevat in Richt. 9:16. Zie verder 2 Kron. 20:11.
beker in de hand des HEEREN,
De zin dezer verbloemde manier van spreken is dat God Babel gebruikt heeft als zijn knecht en instrument om zijn rechtvaardige oordelen over de inwoners der aarde uit te voeren. Vergelijk boven Jer. 25:9 met de aantekening; idem Jer. 25:15 , enz., en Jer. 49:12 , en onder vs.20,21, enz.
Hertaald:
beker in de hand des HEEREN,
De betekenis van deze beeldende manier van spreken is dat God Babel gebruikt heeft als Zijn knecht en werktuig om Zijn rechtvaardige oordelen over de inwoners van de aarde uit te voeren. Vergelijk hierboven Jer. 25:9 met de aantekening; eveneens Jer. 25:15 enzovoort, en Jer. 49:12, en hieronder vers 20 en 21, enzovoort.
haar wijn gedronken,
Van Babel.
Hertaald:
haar wijn gedronken,
Van Babel.
dol geworden
Van de plagen, die hun door de Babyloniërs van Gods hand zijn toegezonden. Vergelijk boven Jer. 25:27 . Van het Hebreeuwse woord zie Ps. 5:6 .
Hertaald:
dol geworden
Van de plagen die hun door de Babyloniërs vanuit Gods hand toegezonden zijn. Vergelijk hierboven Jer. 25:27. Over het Hebreeuwse woord, zie Ps. 5:6.
balsem tot haar pijn,
Zie boven Jer. 8:22 .
Hertaald:
balsem tot haar pijn,
Zie hierboven Jer. 8:22.
gemeesterd,
Het Hebreeuwse woord betekent beide, meesteren, medicineren, geneesmiddelen gebruiken, en genezen of gezondmaken, beide betekenissen worden in vs.9 gebruikt, alsof zij zeiden: Wij hebben ons best gedaan om haar te helpen, maar tevergeefs.
Hertaald:
gemeesterd,
Het Hebreeuwse woord betekent beide: behandelen, geneesmiddelen toedienen, én genezen of gezond maken. Beide betekenissen worden in vers 9 gebruikt, alsof zij zeiden: wij hebben ons best gedaan om haar te helpen, maar tevergeefs.
laat ons een iegelijk in zijn land trekken;
Gelijk boven Jer. 46:16 . Dit zijn woorden van het gehuurde krijgsvolk der Babyloniërs.
Hertaald:
laat ons een iegelijk in zijn land trekken;
Zoals hierboven Jer. 46:16. Dit zijn woorden van de gehuurde krijgslieden van de Babyloniërs.
oordeel reikt tot aan den hemel,
Dat is, straf. Zie boven Jer. 48:21 .
Hertaald:
oordeel reikt tot aan den hemel,
Dat is: straf. Zie hierboven Jer. 48:21.
verheven
Of, verheft zich.
Hertaald:
verheven
Of: verheft zich.
bovenste wolken
Of, dunste.
Hertaald:
bovenste wolken
Of: dunste.
De HEERE
Woorden van Gods volk.
Hertaald:
De HEERE
Woorden van Gods volk.
gerechtigheden hervoor gebracht;
Dat is, de rechtvaardigheid onzer zaak tegen Babel. Want ofschoon God met recht zijn volk gestraft heeft, zo was Babel daarom niet onschuldig. Vergelijk Jes. 10:7 ; Mi. 7:9 , enz.
Hertaald:
gerechtigheden hervoor gebracht;
Dat is: de rechtvaardigheid van onze zaak tegenover Babel. Want ook al heeft God Zijn volk terecht gestraft, daarom was Babel nog niet onschuldig. Vergelijk Jes. 10:7; Micha 7:9, enzovoort.
Zuivert de pijlen,
Maakt ze schoon, spottenderwijze tot de Babyloniërs gesproken. Vergelijk boven Jer. 46:4 , en hier vs.12.
Hertaald:
Zuivert de pijlen,
Maakt ze schoon — spottend tot de Babyloniërs gesproken. Vergelijk hierboven Jer. 46:4, en hier vers 12.
rust de schilden volkomenlijk toe;
Hebreeuws eigenlijk, vult, vervult; dat is, maakt ze ten volle gereed, of vat ze met volle hand, of (gelijk sommigen) verzamelt ze, breng ze te volle bijeen; idem, volmaakt ze, of er iets aan scheelde. Anders: vult de pijlkokers.
Hertaald:
rust de schilden volkomenlijk toe;
Hebreeuws eigenlijk: vult, vervult; dat is: maakt ze volledig gereed, of vat ze met volle hand, of (zoals sommigen menen) verzamelt ze, brengt ze voltallig bijeen; eveneens: maakt ze volmaakt, voor het geval er iets aan mankeerde. Anders: vult de pijlkokers.
Medië opgewekt;
Versta daarbij ook Perzië. Alzo onder vs.28.
Hertaald:
Medië opgewekt;
Versta daarbij ook Perzië. Zo ook hieronder vers 28.
tempels
Zie boven Jer. 50:28 .
Hertaald:
tempels
Zie hierboven Jer. 50:28.
lagen;
Of, lagenleggers, loerder, die op den vijand mogen passen, en dien onvoorziens een voordeel afzien (gelijk men zeg): het zal altemaal niet helpen, wil de Heere zeggen, want gij zult met al uwe krijgsmaatregelen Gods voornemen en werk niet kunnen beletten.
Hertaald:
lagen;
Of: hinderlaagleggers, loerders, die de vijand kunnen bespieden en hem onvoorzien een voordeel afzien (zoals men zegt). Het zal allemaal niet helpen, wil de HEERE zeggen, want u zult met al uw krijgsmaatregelen Gods voornemen en werk niet kunnen tegenhouden.
voorgenomen,
Hebreeuws, ook heeft de HEERE gedacht, of voorgenomen, ook heeft Hij gedaan, enz.; dat is, gelijk, alzo, enz.; of, Hij heeft het niet alleen voorgenomen, maar ook gedaan; dat is, zal het ook gewisselijk doen. Vergelijk onder vs.49.
Hertaald:
voorgenomen,
Hebreeuws: ook heeft de HEERE gedacht, of voorgenomen, ook heeft Hij gedaan, enzovoort; dat is: zoals, zo ook, enzovoort; of: Hij heeft het niet alleen voorgenomen maar ook gedaan; dat is: Hij zal het ook zeker doen. Vergelijk hieronder vers 49.
wateren woont,
Omdat de grote rivier Eufraat niet alleen aan Babel, maar ook daardoor liep, en rondom vele watergrachten waren. Vergelijk Openb. 17:1 , Openb. 17:15 .
Hertaald:
wateren woont,
Omdat de grote rivier de Eufraat niet alleen langs Babel maar ook er dwars doorheen liep, en er rondom veel watergrachten waren. Vergelijk Openb. 17:1, Openb. 17:15.
einde is gekomen,
Dat is, tijd van uwen ondergang, dien God over u bestemd heeft.
Hertaald:
einde is gekomen,
Dat is: de tijd van uw ondergang, die God voor u bestemd heeft.
maat uwer gierigheid
Hebreeuws, el, of maat. Versta hierdoor het perk, dat God hun onverzadelijke begeerlijkheid gesteld had, dat zij niet zouden kunnen overtreden, maar daarmede zou het uit en ten einde zijn.
Hertaald:
maat uwer gierigheid
Hebreeuws: el, of maat. Versta hieronder de grens die God aan hun onverzadelijke begeerte gesteld had, die zij niet zouden kunnen overschrijden; daarmee zou het uit en ten einde zijn.
bij Zijn ziel
Menselijk van God gesproken, dat is, bij zichzelven, gelijk God spreekt boven Jer. 22:24 , en Jer. 49:13 . Zie Gen. 22:16 .
Hertaald:
bij Zijn ziel
Op menselijke wijze van God gesproken; dat is: bij Zichzelf, zoals God spreekt hierboven Jer. 22:24 en Jer. 49:13. Zie Gen. 22:16.
Ofschoon Ik u
Gelijk de Hebreeuwse woorden genomen zijn, boven Jer. 2:22 , en Jer. 37:10 , zie 1 Sam. 14:39 . Anders: zo Ik u [niet] vervulde, en zij, enz., verstaande het grote krijgsheir der Meden en Perzen, waarmede God hier zweren zou hen te zullen vervullen.
Hertaald:
Ofschoon Ik u
Zoals de Hebreeuwse woorden opgevat zijn hierboven Jer. 2:22 en Jer. 37:10; zie 1 Sam. 14:39. Anders: als Ik u (niet) vervulde, en zij, enzovoort — waarbij het grote leger van de Meden en Perzen bedoeld is, waarmee God hier zou zweren hen te zullen vervullen.
kevers vervuld heb,
Een soort van ongedierte, hebbende in het Hebreeuws de naam [gelijk enigen menen] van het verderven der vruchten door lekking. Zie Ps. 105:34 , onder vs.27; Joël 1:4 , en Joël 2:25 ; Nah. 3:15-16 . Sommigen noemen ze kankerwormen, of kruidwormen.
Hertaald:
kevers vervuld heb,
Een soort ongedierte, dat in het Hebreeuws zijn naam heeft (zoals sommigen menen) van het verderven van de vruchten door eraan te likken. Zie Ps. 105:34, hieronder vers 27; Joël 1:4 en Joël 2:25; Nah. 3:15-16. Sommigen noemen ze kankerwormen of kruidwormen.
vreugdegeschrei
Zie hiervan boven Jer. 25:30 , en versta dit van de vijanden, die Babel zouden overvallen.
Hertaald:
vreugdegeschrei
Zie hierover hierboven Jer. 25:30, en versta dit van de vijanden die Babel zouden overvallen.
over u toeroepen
Triomferende over u, of tegen u, een veldgeschrei maken om elkander tot den aanval en overwinning van u te verwakkeren, al waar gij nog zo vol volk.
Hertaald:
over u toeroepen
Triomferend over u, of tegen u een strijdkreet aanheffen om elkaar tot de aanval op u en tot de overwinning aan te vuren, al was u nog zo vol volk.
Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht,
Zie boven Jer. 10:12-16 , waar vast dezelfde woorden gevonden worden, die hier staan tot aan vs.20. Zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht,
Zie hierboven Jer. 10:12-16, waar vrijwel dezelfde woorden staan die hier tot aan vers 20 volgen. Zie de aantekening daar.
Israël
Dit is hier ingevoegd uit boven Jer. 10:16 . Anders: en [Hij] [te weten God] is de roede zijner [te weten Jakobs] erfenis; dat is, die zichzelven zijn volk tot een erfdeel gegeven heeft.
Hertaald:
Israël
Dit is hier ingevoegd uit hierboven Jer. 10:16. Anders: en (Hij), (namelijk God), is de roede van zijn (namelijk Jakobs) erfenis; dat is: Die Zichzelf aan Zijn volk tot een erfdeel gegeven heeft.
Gij zijt Mij
Gods woorden tot den Babyloniër. Anderen verstaan dit als een aanspraak aan den koning Cyrus, die de Babyloniërs zou overweldigen, en zetten (het) over vs.24:en ik zal, enz.
Hertaald:
Gij zijt Mij
Gods woorden tot de Babyloniër. Anderen verstaan dit als een aanspraak tot koning Cyrus, die de Babyloniërs zou overweldigen, en zetten (het) over naar vers 24: en Ik zal, enzovoort.
voorhamer,
Of, drijfhamer; versta, zulk een hamer Gods, die alles, zelfs de rotsstenen, in stukken en te morzel slaat; vergelijk boven Jer. 23:29 . De gelijkenis [gelijk blijkt uit het volgende], is genomen van de krijgslieden, bijzonderlijk van de curassiers, die hunne vuisthamers of heirhamers plegen te hebben, om de ijzeren wapens daarmede door te houwen en te verbreken, en den vijand neder te vellen.
Hertaald:
voorhamer,
Of: drijfhamer; versta: zo'n hamer van God, die alles, zelfs de rotsstenen, in stukken en aan gruzelementen slaat; vergelijk hierboven Jer. 23:29. De vergelijking is (zoals uit het vervolg blijkt) ontleend aan de krijgslieden, in het bijzonder aan de kurassiers, die hun vuisthamers of strijdhamers plegen te hebben om de ijzeren wapenrusting ermee door te houwen en te breken en de vijand neer te vellen.
krijgswapenen;
Of, gereedschap, instrumenten; dat is, gij zult een instrument en roede zijn van mijn toorn en rechtvaardig oordeel over vele volken.
Hertaald:
krijgswapenen;
Of: gereedschap, werktuigen; dat is: u zult een werktuig en een roede zijn van Mijn toorn en van Mijn rechtvaardig oordeel over veel volken.
zal Ik volken in stukken slaan,
Hier spreekt God met eigenlijke woorden, te weten in den toekomenden tijd, en niet in den verleden tijd, gelijk anderszins profetischerwijze in deze voorzegging veel geschiedt.
Hertaald:
zal Ik volken in stukken slaan,
Hier spreekt God met eigenlijke woorden, namelijk in de toekomende tijd en niet in de verleden tijd, zoals in deze voorzegging op profetische wijze vaak gebeurt.
ruiter
Of, die daarop rijdt. Van wagenruiters, die in die tijden van de wagens plachten te vechten; zie 2 Sam. 10:18 .
Hertaald:
ruiter
Of: hem die daarop rijdt. Het gaat over wagenstrijders, die in die tijden vanaf de wagens plachten te vechten; zie 2 Sam. 10:18.
Juk- ossen;
Of, koppel, paar ossen. Dat is, de ossen, die in het juk (koppel) samen gaan arbeiden.
Hertaald:
Juk- ossen;
Of: koppel, span ossen. Dat is: de ossen die in het juk (het koppel) samen gaan werken.
Maar Ik zal Babel
Alsof de Heere zeide: Als Ik de Babyloniërs in al de voorgemelde oordelen, als mijn instrument, zal gebruikt hebben, dan zal Ik niet nalaten te straffen de boosheid, die zij ondertussen daarin gepleegd en bedreven hebben, bijzonderlijk aan mijn volk; vergelijk boven vs.10.
Hertaald:
Maar Ik zal Babel
Alsof de HEERE zei: als Ik de Babyloniërs in al de genoemde oordelen als Mijn werktuig gebruikt zal hebben, dan zal Ik niet nalaten de boosheid te straffen die zij ondertussen daarbij gepleegd en bedreven hebben, in het bijzonder aan Mijn volk; vergelijk hierboven vers 10.
Chaldea
Dat is, van het land der Chaldeën, of van Chaldea; alzo vs.35.
Hertaald:
Chaldea
Dat is: van het land van de Chaldeeën, of van Chaldea; zo ook vers 35.
ulieder ogen,
Dit spreekt God tot zijn volk, voor welker ogen Hij dit oordeel over Babel wilde laten gaan.
Hertaald:
ulieder ogen,
Dit spreekt God tot Zijn volk, voor wier ogen Hij dit oordeel over Babel wilde laten gaan.
wil aan u,
Gelijk boven Jer. 50:31 .
Hertaald:
wil aan u,
Zoals hierboven Jer. 50:31.
berg
Alzo wordt Babel genoemd vanwege de koninklijke hoogheid en pracht en de gelijkheid, die zij had met een berg, vermits haar hoge dikke muren en hoge koninklijke gebouwen; vergelijk Openb. 17:9 .
Hertaald:
berg
Zo wordt Babel genoemd vanwege haar koninklijke hoogheid en pracht en vanwege de gelijkenis die zij met een berg had, door haar hoge en dikke muren en haar hoge koninklijke gebouwen; vergelijk Openb. 17:9.
aarde verderft,
Vergelijk Openb. 11:18 , en Openb. 13:14 .
Hertaald:
aarde verderft,
Vergelijk Openb. 11:18 en Openb. 13:14.
steenrotsen afwentelen,
Uit uw hoge vestingen nederstorten, dat gij daarheen zult tuimelen en rollen, gelijk een vat of iets anders, dat van een klip wordt afgewenteld, in stukken berst en als verbrijzeld wordt.
Hertaald:
steenrotsen afwentelen,
Uit uw hoge vestingen neerstorten, zodat u daarvandaan zult tuimelen en rollen zoals een vat of iets anders dat van een klip wordt afgewenteld, in stukken barst en als het ware verbrijzeld wordt.
brands
Daar alles als in de as zal liggen, en niets dan enkel as en verbrande steenhopen [gelijk in afgebrande plaatsen] overig zullen zijn; zie onder vs.58.
Hertaald:
brands
Waar alles als in de as zal liggen en er niets dan enkel as en verbrande steenhopen (zoals op afgebrande plaatsen) over zal zijn; zie hieronder vers 58.
steen nemen tot een hoek,
Dat is, gij zult niet weder gebouwd worden, of zo woest en verdorven zijn, dat men niet een steen onder uw overige steenhopen zal vinden, die bekwaam is tot een hoeksteen of grondsteen.
Hertaald:
steen nemen tot een hoek,
Dat is: u zult niet weer opgebouwd worden, of u zult zo woest en verwoest zijn dat men onder uw overgebleven steenhopen geen steen zal vinden die geschikt is tot hoeksteen of grondsteen.
want gij zult
Of, maar.
Hertaald:
want gij zult
Of: maar.
eeuwige woestheden zijn,
Hebreeuws, woestheden, of verwoesting der eeuwigheid. Alzo onder vs.62.
Hertaald:
eeuwige woestheden zijn,
Hebreeuws: woestheden, of verwoesting der eeuwigheid. Zo ook hieronder vers 62.
heiligt de heidenen tegen haar,
Dat is, zondert hen af, bereidt hen, rust toe, tot dit werk des Heeren tegen Babel; vergelijk boven Jer. 6:4 , met de aantekening; alzo in vs.28.
Hertaald:
heiligt de heidenen tegen haar,
Dat is: zondert hen af, bereidt hen voor, rust hen toe voor dit werk van de HEERE tegen Babel; vergelijk hierboven Jer. 6:4 met de aantekening; zo ook in vers 28.
roept tegen haar bijeen de koninkrijken
Hebreeuws eigenlijk, doet, of laat horen; dat is somtijds, door uitroeping vergaderen.
Hertaald:
roept tegen haar bijeen de koninkrijken
Hebreeuws eigenlijk: doet, of laat horen; dat betekent soms: door omroeping bijeenbrengen.
Ararat,
Groot-Armenië; zie Gen. 8:4 .
Hertaald:
Ararat,
Groot-Armenië; zie Gen. 8:4.
Minni
Klein-Armenië.
Hertaald:
Minni
Klein-Armenië.
Askenaz;
Zie Gen. 10:3 . Welke landen men houdt dat Cyrus ingenomen had eer hij Babel veroverde; of dat zij ten dele zijne bondgenoten waren.
Hertaald:
Askenaz;
Zie Gen. 10:3. Men houdt het ervoor dat Cyrus deze landen ingenomen had voordat hij Babel veroverde, of dat zij gedeeltelijk zijn bondgenoten waren.
krijgsoverste tegen haar,
Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier en Nah. 3:17 gevonden, betekenende [gelijk sommigen menen] zulk een kommandeur of overste, die de bevelen des konings ontvangt en aan het krijgsvolk overdraagt en verklaart. Anderen verstaan den koning Cyrus zelf, of Darius [naar hun gevoelen] zijn schoonvader.
Hertaald:
krijgsoverste tegen haar,
Het Hebreeuwse woord komt alleen hier en in Nah. 3:17 voor en betekent (zoals sommigen menen) zo'n commandant of bevelhebber die de bevelen van de koning ontvangt en aan de krijgslieden overbrengt en uitlegt. Anderen verstaan er koning Cyrus zelf onder, of Darius, naar hun mening zijn schoonvader.
ruige
Of, ruwe, harige, die de haren overeind steken, alsof zij te berge stonden en ijselijk er uitzien; vergelijk Job 4:15 ; Ps. 119:120 , waar hetzelfde woord gebruikt wordt. Hebreeuws, paard als kever, [die] ruig is.
Hertaald:
ruige
Of: ruwe, harige, die de haren overeind zetten alsof ze te berge stonden en er afschuwelijk uitzien; vergelijk Job 4:15; Ps. 119:120, waar hetzelfde woord gebruikt wordt. Hebreeuws: paard als een kever, (die) ruig is.
kevers
Paarden in menigte, als sprinkhanen; zie boven vs.14.
Hertaald:
kevers
Paarden in menigte, als sprinkhanen; zie hierboven vers 14.
Medië,
Gelijk boven vs.11.
Hertaald:
Medië,
Zoals hierboven vers 11.
haar landvoogden
Versta, landvoogden of vorsten van Medië.
Hertaald:
haar landvoogden
Versta: landvoogden of vorsten van Medië.
zijner heerschappij
Hebreeuws, zijner; te weten een ieder koning, of de geslachten worden verwisseld, omdat het Hebreeuwse woord, dat een land en de aarde betekent, in beiderlei geslachten gebruikt wordt.
Hertaald:
zijner heerschappij
Hebreeuws: zijn; namelijk van elke koning afzonderlijk. Of de geslachten worden verwisseld, omdat het Hebreeuwse woord dat een land en de aarde betekent in beide geslachten gebruikt wordt.
elk een van des HEEREN
Hebreeuws, de gedachten des Heeren staan vast; dat is, elkeen zijner gedachten, dat is, al zijn voornemen.
Hertaald:
elk een van des HEEREN
Hebreeuws: de gedachten van de HEERE staan vast; dat is: elk van Zijn gedachten, dat is: heel Zijn voornemen.
gebleven in de vestingen,
Zij zullen geen moed hebben om te veld en den vijand onder de ogen te trekken.
Hertaald:
gebleven in de vestingen,
Zij zullen geen moed hebben om te velde te trekken en de vijand onder ogen te komen.
wijven geworden;
Zie boven Jer. 50:37 , en vergelijk Jes. 3:12 .
Hertaald:
wijven geworden;
Zie hierboven Jer. 50:37 en vergelijk Jes. 3:12.
zij hebben hun woningen aangestoken,
De vijanden, Meden en Perzen.
Hertaald:
zij hebben hun woningen aangestoken,
De vijanden, de Meden en Perzen.
grendels zijn verbroken
Van huizen en kleine poorten, die bij menigte naar de rivier toe waren, Herodotus, lib.1.
Hertaald:
grendels zijn verbroken
Van huizen en kleine poorten, die er in menigte naar de rivier toe waren; Herodotus, boek 1.
De loper zal den loper tegemoet lopen,
Gelijk in een onvoorzienen of onverwachten inval en inbreuk des vijands placht te geschieden.
Hertaald:
De loper zal den loper tegemoet lopen,
Zoals bij een onvoorziene of onverwachte inval en inbraak van de vijand pleegt te gebeuren.
van alle einden is ingenomen;
Waar de Perzen en Meden inbraken en de stad innamen, eer men het in het midden en op het andere einde van de stad [vermits hare grootheid] eens wist. Ditzelfde betuigt Herodotus even alzo geschied te zijn, gelijk hier geprofeteerd is.
Hertaald:
van alle einden is ingenomen;
Waar de Perzen en Meden inbraken en de stad innamen voordat men het in het midden en aan het andere einde van de stad (vanwege haar grootte) ook maar wist. Herodotus getuigt dat het net zo gebeurd is als hier geprofeteerd wordt.
veren ingenomen,
Dewijl Cyrus het water van den Eufraat had afgeleid, zodat het krijgsvolk daardoor in de stad ging. Anders: slechtelijk, passen, passagen.
Hertaald:
veren ingenomen,
Omdat Cyrus het water van de Eufraat had afgeleid, zodat de krijgslieden daardoor de stad binnengingen. Anders: eenvoudig doorgangen, passages.
rietpoelen met vuur verbrand zijn;
Of, biezen, poelen, uit de rivier hier en daar afgeleid, die de vijand aanmerkelijk hinder hadden kunnen doen. Sommigen verstaan dat het slechtelijk van de waterpoelen bij gelijkenis gesproken is, dat zij uitgedroogd waren, alsof zij met vuur uitgebrand en verdroogd waren.
Hertaald:
rietpoelen met vuur verbrand zijn;
Of: biezen, poelen, die hier en daar uit de rivier waren afgeleid en die de vijand aanzienlijk hinder hadden kunnen doen. Sommigen verstaan het eenvoudig als een vergelijking met waterpoelen: dat zij uitgedroogd waren alsof zij met vuur uitgebrand en verdroogd waren.
De dochter van Babel
Dat is, Babel, die een schone wellustige jonkvrouw gelijk is, zal nu behandeld worden als een dorsvloer en het koren daarop.
Hertaald:
De dochter van Babel
Dat is: Babel, dat op een schone en wellustige jonkvrouw lijkt, zal nu behandeld worden als een dorsvloer met het koren erop.
trede;
Of, doe treden; dat is, effen, hard en gelijk make om het koren daarop te dorsen, of dat men ze dorse. Want de dorsende ossen of runderen treden het koren.
Hertaald:
trede;
Of: doe treden; dat is: maak hem effen, hard en gelijk om het koren erop te dorsen, of: dat men hem dorst. Want de dorsende ossen of runderen treden het koren.
weinig,
Te weten, tijd; het zal haast, niet lang uitblijven.
Hertaald:
weinig,
Namelijk tijd; het zal spoedig gebeuren, het zal niet lang uitblijven.
oogstes overkomen
En vervolgens, de dorstijd; versta, den tijd van haar ongeval, door de Meden en Perzen, die haar als vertreden en uitdorsen zouden, gelijk zij Gods volk en anderen tevoren gedaan hebben. Zie Jes. 21:10 .
Hertaald:
oogstes overkomen
En vervolgens de dorstijd; versta: de tijd van haar onheil door de Meden en Perzen, die haar als het ware zouden vertreden en uitdorsen, zoals zij dat eerder met Gods volk en met anderen gedaan hebben. Zie Jes. 21:10.
Nebukadrezar,
Dat is, een klacht van Gods volk gelijk vs.35 uitwijst.
Hertaald:
Nebukadrezar,
Dat is: een klacht van Gods volk, zoals vers 35 uitwijst.
opgegeten,
Vergelijk Deut. 31:17 , met de aantekening; idem Jes. 30:14 , en boven Jer. 19:11 , en Jer. 50:7 .
Hertaald:
opgegeten,
Vergelijk Deut. 31:17 met de aantekening; eveneens Jes. 30:14, en hierboven Jer. 19:11 en Jer. 50:7.
balg gevuld
Of, pens, ingewand. Het Hebreeuwse woord wordt alleenlijk hier gevonden.
Hertaald:
balg gevuld
Of: pens, ingewand. Het Hebreeuwse woord komt alleen hier voor.
verdreven
Uit mijn land; of hij heeft mij weggespoeld, in eenen zin.
Hertaald:
verdreven
Uit mijn land; of: hij heeft mij weggespoeld — het komt op hetzelfde neer.
dat mij en mijn
Hebreeuws, mijn geweld en van mijn vlees; dat is, het geweld, dat mij en mijn vlees is aangedaan; vergelijk boven Jer. 2:2 ; Richt. 9:24 ; Ob. 1:10 .
Hertaald:
dat mij en mijn
Hebreeuws: mijn geweld en van mijn vlees; dat is: het geweld dat mij en mijn vlees is aangedaan; vergelijk hierboven Jer. 2:2; Richt. 9:24; Obadja 1:10.
vlees is aangedaan,
Dat is, mijnen broeders en bloedverwanten. Vergelijk Rom. 11:14 , en Lev. 18:6 .
Hertaald:
vlees is aangedaan,
Dat is: mijn broeders en bloedverwanten. Vergelijk Rom. 11:14 en Lev. 18:6.
zij op Babel
Of, is; dat is, ligt; zie Richt. 9:24 .
Hertaald:
zij op Babel
Of: is; dat is: ligt; zie Richt. 9:24.
de inwoneres van Sion;
Het volk, dat te Jeruzalem tehuis behoort, of Gods kerk.
Hertaald:
de inwoneres van Sion;
Het volk dat in Jeruzalem thuishoort, of Gods kerk.
bloed zij op de inwoners
Vergelijk Matt. 27:25 .
Hertaald:
bloed zij op de inwoners
Vergelijk Matth. 27:25.
Chaldea
Dat is, van Chaldea, gelijk boven vs.24.
Hertaald:
Chaldea
Dat is: van Chaldea, zoals hierboven vers 24.
Ziet,
Gods antwoord op de voorgaande woorden van zijn volk.
Hertaald:
Ziet,
Gods antwoord op de voorgaande woorden van Zijn volk.
twist twisten,
Zie boven Jer. 50:34 .
Hertaald:
twist twisten,
Zie hierboven Jer. 50:34.
zee droog maken,
De wateren van den Eufraat, die rondom en in haar midden zijn. Zie van het gebruik van het woord zee, Gen. 1:10 , en vergelijk boven Jer. 50:38 , met de aantekening.
Hertaald:
zee droog maken,
De wateren van de Eufraat, die rondom en midden door haar heen lopen. Zie over het gebruik van het woord zee Gen. 1:10, en vergelijk hierboven Jer. 50:38 met de aantekening.
springader opdrogen
Dat is, de rivier, die uit haar springader voortkomt.
Hertaald:
springader opdrogen
Dat is: de rivier die uit haar bron voortkomt.
aanfluiting,
Zie 1 Kon. 9:8 , boven Jer. 18:16 .
Hertaald:
aanfluiting,
Zie 1 Kon. 9:8, hierboven Jer. 18:16.
Zij zullen te zamen brullen als jonge leeuwen,
De Babyloniërs zullen in hun feestbanket juichen, razen en tieren, als dartele jonge wilde leeuwen; waarop vs.39 past. Of, [gelijk sommigen] zij zullen als verhongerde jonge leeuwen brullen en briesen, omdat hun de roof benomen is. Anderen verstaan het van de Perzen en Meden, die over den roof van Babel als leeuwen zouden brullen.
Hertaald:
Zij zullen te zamen brullen als jonge leeuwen,
De Babyloniërs zullen bij hun feestmaal juichen, razen en tieren als dartele jonge wilde leeuwen; daar sluit vers 39 op aan. Of (zoals sommigen): zij zullen als uitgehongerde jonge leeuwen brullen en briesen, omdat hun de buit ontnomen is. Anderen verstaan het van de Perzen en Meden, die over de buit van Babel als leeuwen zouden brullen.
briesen als leeuwenwelpen
Of, ruchelen; dat is een onvolkomen gebrul voortbrengen, dat aan het geluid der ezels gelijk is. Anderen: zich uitschudden, of het haar verschudden; vergelijk Richt. 16:20 , met de aantekening.
Hertaald:
briesen als leeuwenwelpen
Of: rochelen; dat is: een onvolkomen gebrul voortbrengen dat op het geluid van ezels lijkt. Anderen: zich uitschudden, of de haren schudden; vergelijk Richt. 16:20 met de aantekening.
verhit zijn,
Van dronkenschap in hun goddeloos banket. Dan zal Ik hun een anderen drank opzetten. Zie de vervulling, naar sommiger gevoelen, Dan 5 .
Hertaald:
verhit zijn,
Van dronkenschap bij hun goddeloze feestmaal. Dan zal Ik hun een andere drank voorzetten. Zie de vervulling, naar de mening van sommigen, in Dan. 5.
drank opzetten,
Hebreeuws, drinkingen, of dronken, elkeen zijn drank, dien Ik een ieder in mijn beker des toorn bereid heb en hun zal doen drinken.
Hertaald:
drank opzetten,
Hebreeuws: drinkingen, of dronken; ieder zijn eigen drank, die Ik voor elk van hen in de beker van Mijn toorn bereid heb en hun zal laten drinken.
opspringen;
Doch niet van vreugde, maar van schrik en siddering.
Hertaald:
opspringen;
Maar niet van vreugde, doch van schrik en siddering.
eeuwigen slaap slapen,
Hebreeuws, slaap der eeuwigheid; dat is den langen slaap, den dood sterven, omgebracht worden, en op aarde of in dit leven niet wederkeren. Vergelijk Ps. 76:6 , en Pred. 12:5 , met de aantekening en onder vs.57, idem Ps. 13:4 .
Hertaald:
eeuwigen slaap slapen,
Hebreeuws: slaap der eeuwigheid; dat is: de lange slaap slapen, de dood sterven, omgebracht worden en op aarde of in dit leven niet terugkeren. Vergelijk Ps. 76:6 en Pred. 12:5 met de aantekening, en hieronder vers 57; eveneens Ps. 13:4.
slachten,
Dat is, ter slachting, tot de slachtbank, om geslacht te worden, gelijk boven Jer. 11:19 , en Jer. 25:34 , en Jer. 48:15 , en Jer. 50:27 .
Hertaald:
slachten,
Dat is: ter slachting, naar de slachtbank, om geslacht te worden, zoals hierboven Jer. 11:19, Jer. 25:34, Jer. 48:15 en Jer. 50:27.
met bokken
Dat is, en als bokken.
Hertaald:
met bokken
Dat is: en als bokken.
Hoe is
Gelijk boven Jer. 50:23 .
Hertaald:
Hoe is
Zoals hierboven Jer. 50:23.
Sesach zo veroverd,
Zie boven Jer. 25:26 .
Hertaald:
Sesach zo veroverd,
Zie hierboven Jer. 25:26.
roem der ganse aarde ingenomen
Dat is, beroemd door de ganse wereld. Vergelijk boven Jer. 49:25 , en Jes. 13:19 .
Hertaald:
roem der ganse aarde ingenomen
Dat is: beroemd over de hele wereld. Vergelijk hierboven Jer. 49:25 en Jes. 13:19.
ontzetting onder de heidenen
Dat zich een ieder daarover verwondert en ontzet, gelijk boven vs.37, en dikwijls in het voorgaande.
Hertaald:
ontzetting onder de heidenen
Zodat ieder zich daarover verwondert en ontzet, zoals hierboven vers 37 en vaker in het voorgaande.
Een zee is over Babel gerezen,
Antwoord op de voorgaande vraag, waarvan de zin is, dat Babel, hetwelk onoverwinnelijk scheen te zijn, door een onwederstaanlijk geweld zou worden overrompeld, te weten door het grote heirleger der Meden en Perzen, zijnde aangevoerd en gesterkt door Gods machtige Hand.
Hertaald:
Een zee is over Babel gerezen,
Antwoord op de voorgaande vraag. De betekenis is dat Babel, dat onoverwinnelijk leek te zijn, door een onweerstaanbaar geweld overrompeld zou worden, namelijk door het grote leger van de Meden en Perzen, dat door Gods machtige hand aangevoerd en gesterkt werd.
waarin
Hebreeuws, in welks, of in deszelfs [steden].
Hertaald:
waarin
Hebreeuws: in wier, of: in haar (steden).
niemand woont,
Hebreeuws, niet alle man; dat is, niemand, niet een mens.
Hertaald:
niemand woont,
Hebreeuws: niet alle man; dat is: niemand, geen mens.
Bel te Babel,
Zie boven Jer. 50:2 .
Hertaald:
Bel te Babel,
Zie hierboven Jer. 50:2.
verslonden heeft;
Hebreeuws, zijne verslinding. Sommigen duiden dit op de offeranden, die men dezen afgod moest doen, waarvan men mag lezen de apocriefe stukken van Daniël en Herodotus. Anderen verstaan den roof en de ondergebrachte landen, van welker overwinning zij dezen afgod de eer gaven. Vergelijk boven Jer. 49:1 ; Richt. 11:24 .
Hertaald:
verslonden heeft;
Hebreeuws: zijn verslinding. Sommigen duiden dit op de offers die men aan deze afgod moest brengen; daarover kan men lezen in de apocriefe stukken van Daniël en bij Herodotus. Anderen verstaan er de buit en de onderworpen landen onder, voor de verovering waarvan zij deze afgod de eer gaven. Vergelijk hierboven Jer. 49:1; Richt. 11:24.
toevloeien,
Als waterstromen, waarvan het Hebreeuwse woord komt. Vergelijk Ps. 34:6 , met de aantekening.
Hertaald:
toevloeien,
Als waterstromen, waar het Hebreeuwse woord vandaan komt. Vergelijk Ps. 34:6 met de aantekening.
gevallen
Dat is, zal zekerlijk vallen, niettegenstaande dat men het houdt voor een eeuwig en onverbrekelijk werk. Zie onder vs.58.
Hertaald:
gevallen
Dat is: hij zal zeker vallen, ook al houdt men het voor een eeuwig en onverwoestbaar bouwwerk. Zie hieronder vers 58.
vanwege de hittigheid van den toorn des HEEREN
Dat gij in hunne straffen niet mede omkomt, vergelijk boven vs.6; en opdat gij ontgaat de gevaren, waarvan in het volgende.
Hertaald:
vanwege de hittigheid van den toorn des HEEREN
Zodat u niet mee omkomt in hun straffen; vergelijk hierboven vers 6; en opdat u de gevaren ontgaat waarover het in het vervolg gaat.
gerucht,
Dat is, tijding, die men horen zal van den optocht, de aankomst en den voortgang der koningen van Medië en Perzië tegen Babel. Hebreeuws eigenlijk, horing.
Hertaald:
gerucht,
Dat is: het bericht dat men horen zal over de optocht, de aankomst en de voortgang van de koningen van Medië en Perzië tegen Babel. Hebreeuws eigenlijk: horing.
ene jaar,
Hebreeuws, in het jaar, en in het jaar; of het jaar door en het jaar door; dat is, in het ene jaar en in het andere jaar, of het ene jaar voor en het andere jaar na, jaar op jaar, het ganse jaar door, zo in het eerste jaar als in het tweede jaar. De geschiedenissen vermelden dat Cyrus in het eerste jaar van zijn optocht nog niet voor Babel gekomen is, maar in het tweede.
Hertaald:
ene jaar,
Hebreeuws: in het jaar, en in het jaar; of: het jaar door en het jaar door; dat is: in het ene jaar en in het andere jaar, of: het ene jaar vooraf en het andere jaar erna, jaar op jaar, het hele jaar door, zowel in het eerste als in het tweede jaar. De geschiedschrijvers vermelden dat Cyrus in het eerste jaar van zijn optocht nog niet voor Babel gekomen is, maar pas in het tweede.
heer over heer
Of, heerser tegen heerser; te weten de heren van Medië en Perzië zullen zijn over en tegen de Babyloniërs.
Hertaald:
heer over heer
Of: heerser tegen heerser; namelijk: de heren van Medië en Perzië zullen over en tegen de Babyloniërs zijn.
gesneden beelden van Babel;
Of, gegravene.
Hertaald:
gesneden beelden van Babel;
Of: gegraveerde.
haar verslagenen
Dat is, die van haar volk dodelijk gewond en nedergehouwen zullen zijn.
Hertaald:
haar verslagenen
Dat is: zij van haar volk die dodelijk gewond en neergehouwen zullen zijn.
liggen
Zie boven vs.4, en alzo in het volgende.
Hertaald:
liggen
Zie hierboven vers 4, en zo ook in het vervolg.
hemel en de aarde,
Vergelijk Openb. 12:12 , en Openb. 18:20 , en Openb. 19:1 , enz.
Hertaald:
hemel en de aarde,
Vergelijk Openb. 12:12, Openb. 18:20 en Openb. 19:1, enzovoort.
Babel;
Dat is, over Babels ondergang.
Hertaald:
Babel;
Dat is: over Babels ondergang.
noorden
Zie boven Jer. 50:3 .
Hertaald:
noorden
Zie hierboven Jer. 50:3.
zullen haar de verstoorders aankomen,
Hebreeuws, zal haar verstoorders, enz.; dat is, allen en ieder van degenen, die haar verstoren zullen.
Hertaald:
zullen haar de verstoorders aankomen,
Hebreeuws: zal haar verstoorders, enzovoort; dat is: allen en ieder van hen die haar zullen verwoesten.
tot een val
Hebreeuws, toevallen; dat is, zij heeft daartoe gearbeid, is daartoe gesteld geweest, het is haar hart en zin geweest, zij heeft daartoe gediend. Of aldus: Gelijk Babel de verslagenen van Israël heeft doen vallen. De zin is enerlei.
Hertaald:
tot een val
Hebreeuws: toevallen; dat is: zij heeft daaraan gewerkt, is daartoe gesteld geweest, het is haar hart en haar zin geweest, zij heeft daartoe gediend. Of aldus: zoals Babel de verslagenen van Israël heeft doen vallen. De betekenis komt op hetzelfde neer.
verslagenen van Israël,
Dat het overvol lag van verslagen Joden [zie boven vs.4, met de aantekening], alzo zal het land van Babel weder vol worden van verslagenen. Hebreeuws, ook [is] Babel, ook zullen te Babel, enz.; vergelijk boven vs.12, met de aantekening.
Hertaald:
verslagenen van Israël,
Zoals het overvol lag van verslagen Joden (zie hierboven vers 4 met de aantekening), zo zal het land van Babel op zijn beurt vol worden van verslagenen. Hebreeuws: ook (is) Babel, ook zullen te Babel, enzovoort; vergelijk hierboven vers 12 met de aantekening.
te Babel
Of, der Babel, in Babel.
Hertaald:
te Babel
Of: van Babel, in Babel.
Gij ontkomenen van het zwaard,
Aanspraak aan de gevangen overgebleven Joden in Babel.
Hertaald:
Gij ontkomenen van het zwaard,
Aanspraak tot de overgebleven gevangen Joden in Babel.
verre,
Uit Babylonië; gedenkt alsdan wat Babel aan Jeruzalem gedaan heeft, en hoe het haar vergolden wordt; en voorts, stelt uw hart om weder te keren naar Jeruzalem, enz.
Hertaald:
verre,
Uit Babylonië; denkt dan aan wat Babel Jeruzalem aangedaan heeft en hoe het haar vergolden wordt; en zet vervolgens uw hart erop om naar Jeruzalem terug te keren, enzovoort.
opkomen
Vergelijk boven Jer. 3:16 , en Jer. 7:31 , met de aantekening.
Hertaald:
opkomen
Vergelijk hierboven Jer. 3:16 en Jer. 7:31 met de aantekening.
zeggen
Als gij aan Jeruzalem gedenkt.
Hertaald:
zeggen
Als u aan Jeruzalem denkt.
uitlandsen over de heiligdommen
De Babyloniërs, die den tempel verbrand hebben.
Hertaald:
uitlandsen over de heiligdommen
De Babyloniërs, die de tempel verbrand hebben.
Daarom ziet,
Gods antwoord op de voorgaande klacht van zijn volk.
Hertaald:
Daarom ziet,
Gods antwoord op de voorgaande klacht van Zijn volk.
haar gesneden beelden;
Babels afgoden alzo in het volgende.
Hertaald:
haar gesneden beelden;
Babels afgoden; zo ook in het vervolg.
kermen in haar ganse land
Of, stenen, zuchten; dat is, hun ganse land zal vol zijn van het kermen en krijten der verwonden, die als verslagenen sterven zullen; vergelijk vs.49. Het Hebreeuwse woord betekent beide, een dodelijk verwonde en verslagene.
Hertaald:
kermen in haar ganse land
Of: kreunen, zuchten; dat is: hun hele land zal vol zijn van het kermen en schreeuwen van de gewonden, die als verslagenen zullen sterven; vergelijk vers 49. Het Hebreeuwse woord betekent beide: een dodelijk gewonde en een verslagene.
al maakte zij vast
Anders: al maakte zij hare sterkte vast [in] de hoogte; vergelijk boven Jer. 49:16 ; Ob. 1:4 .
Hertaald:
al maakte zij vast
Anders: al maakte zij haar sterkte vast (in) de hoogte; vergelijk hierboven Jer. 49:16; Obadja 1:4.
breuk uit het land der Chaldeën
Dat is, verwoesting, jammer, ellende, enz.; zie Jer. 4:6 . Anders: gekraak.
Hertaald:
breuk uit het land der Chaldeën
Dat is: verwoesting, jammer, ellende, enzovoort; zie Jer. 4:6. Anders: gekraak.
HEERE verstoort Babel,
Als de bewerker van dezen krijg, of de opperste krijgsoverste der Meden en Perzen.
Hertaald:
HEERE verstoort Babel,
Als de bewerker van deze oorlog, of als de opperste legeraanvoerder van de Meden en Perzen.
grootse stem uit haar doen vergaan;
Dat is, den hogen roem, het hoog spreken en pochen der Babyloniërs, dat zij gewoon waren te gebruiken, als hunne monarchie in bloei was. Anders: het groot gedruis; dat is het gewoel, dat binnen Babel was vanwege de veelheid der volken daarbinnen.
Hertaald:
grootse stem uit haar doen vergaan;
Dat is: de hoge roem, het hoogdravende spreken en pochen van de Babyloniërs, dat zij gewoon waren te gebruiken toen hun rijk in bloei was. Anders: het grote rumoer; dat is: het gewoel dat er binnen Babel was vanwege de veelheid van volken daarbinnen.
hunlieder golven
De Meden en Perzen, die Babel als een zee zullen overlopen; zie boven vs.42. Anders: hoewel hunlieder [der Babyloniërs] golven, enz.; dat is, hoewel zij nu zulk een gewoel maken, enz.
Hertaald:
hunlieder golven
De Meden en Perzen, die Babel als een zee zullen overspoelen; zie hierboven vers 42. Anders: hoewel hun (van de Babyloniërs) golven, enzovoort; dat is: hoewel zij nu zo'n gewoel maken, enzovoort.
grote wateren;
Of, vele.
Hertaald:
grote wateren;
Of: vele.
geruis van hunlieder geluid
Of, gedreun, groot gedruis hunner stem, te weten der Babyloniërs, die groot getier en geroep maakten over hunne ellenden.
Hertaald:
geruis van hunlieder geluid
Of: gedreun, groot rumoer van hun stem, namelijk van de Babyloniërs, die groot getier en geroep maakten over hun ellende.
zal zich verheffen
Hebreeuws, is, of wordt gegeven, uitgegeven; dat is, zal verheven worden, zal zich verheffen, zal zich uitgeven, zodat men hunne aankomst van verre zal kunnen horen.
Hertaald:
zal zich verheffen
Hebreeuws: is, of: wordt gegeven, uitgegeven; dat is: het zal verheven worden, het zal zich verheffen, het zal zich laten horen, zodat men hun komst van verre zal kunnen horen.
Want de verstoorder komt over haar,
Of, wanneer de verstoorder, enz., dan zullen, enz.
Hertaald:
Want de verstoorder komt over haar,
Of: wanneer de verstoorder, enzovoort, dan zullen, enzovoort.
zijn verbroken;
Hebreeuws, is verbroken; elkeen van hunne bogen zal verbroken worden.
Hertaald:
zijn verbroken;
Hebreeuws: is verbroken; elk van hun bogen zal verbroken worden.
zekerlijk betalen
Hebreeuws, betalende betalen.
Hertaald:
zekerlijk betalen
Hebreeuws: betalende betalen.
dronken maken;
Uit den beker van mijn toorn.
Hertaald:
dronken maken;
Uit de beker van Mijn toorn.
eeuwigen slaap slapen,
Zie boven vs.39.
Hertaald:
eeuwigen slaap slapen,
Zie hierboven vers 39.
brede
Die vijftig koninklijke ellen dik en breed was, zodat er twee wagens nevens elkander bekwamelijk op rijden konden, blijvende nog een goede ruimte tussen beide, gelijk de geschiedenissen betuigen.
Hertaald:
brede
Die vijftig koninklijke ellen dik en breed was, zodat er twee wagens gemakkelijk naast elkaar op konden rijden en er tussen beide nog een goede ruimte overbleef, zoals de geschiedschrijvers getuigen.
muur van Babel
Hebreeuws, muren, in het getal van velen, omdat die muur zo uitermate dik was, alsof het vele muren geweest waren; gelijk Behemoth, beesten, genomen wordt voor een groot beest, gelijk een olifant, enz. Zie Job 40:10 ; Ps. 73:22 .
Hertaald:
muur van Babel
Hebreeuws: muren, in het meervoud, omdat die muur zo uitermate dik was alsof het vele muren waren; zoals Behemoth, beesten, gebruikt wordt voor één groot beest, zoals een olifant, enzovoort. Zie Job 40:10; Ps. 73:22.
ontbloot worden,
Te weten tot de fondamenten toe; vergelijk Ps. 137:7 . Anders: verbroken.
Hertaald:
ontbloot worden,
Namelijk tot op de fundamenten toe; vergelijk Ps. 137:7. Anders: verbroken.
volken
Welker arbeid de Babyloniërs gebruikt hebben in het maken van dezen muur.
Hertaald:
volken
Wier arbeid de Babyloniërs bij het maken van deze muur gebruikt hebben.
tevergeefs,
Of, tot uitlediging; dat is, dat alles weder mocht weggenomen, verdorven en verstrooid worden, wat daartoe aangevoerd en samengebracht was.
Hertaald:
tevergeefs,
Of: tot lediging; dat is: zodat alles wat daarvoor aangevoerd en samengebracht was weer weggenomen, bedorven en verstrooid zou worden.
vure zullen gearbeid hebben,
Of, om des vuurs wil; dat is, opdat hun arbeid met vuur mocht verbrand worden; niet dat dit de mening of het oogmerk der bouwlieden geweest is, maar dat hun arbeid door Gods regering alzo uitgevallen is en daartoe gediend heeft. Vergelijk Hab. 2:13 .
Hertaald:
vure zullen gearbeid hebben,
Of: omwille van het vuur; dat is: opdat hun arbeid met vuur verbrand zou worden. Niet dat dit de bedoeling of het oogmerk van de bouwers geweest is, maar dat hun arbeid door Gods bestuur zo uitgevallen is en daartoe gediend heeft. Vergelijk Hab. 2:13.
woord,
Of, de zaak die, enz.
Hertaald:
woord,
Of: de zaak die, enzovoort.
van Zedekia,
Of, vanwege. Het Hebreeuwse woord wordt somtijds genomen voor van, vanwege, uit, gelijk te zien is Gen. 4:1 , en Gen. 44:4 ; Ex. 9:29 ; Ezech. 6:9 ; Mi. 3:8 , en in deze plaats. Anders, met Zedekia; maar zulks wordt nergens elders in de Schrift vermeld, en het schijnt niet wel gelooflijk dat Zedekia, gerebelleerd hebbende tegen den koning van Babel, zelf in persoon naar Babel zou hebben durven trekken, maar wel, dat hij door dezen vreedzamen vromen dienaar verzoening en vrede gezocht mag hebben te bemiddelen.
Hertaald:
van Zedekia,
Of: vanwege. Het Hebreeuwse woord wordt soms opgevat als van, vanwege, uit, zoals te zien is in Gen. 4:1 en Gen. 44:4; Ex. 9:29; Ezech. 6:9; Micha 3:8, en op deze plaats. Anders: met Zedekia; maar dat wordt nergens anders in de Schrift vermeld, en het lijkt niet erg geloofwaardig dat Zedekia, die tegen de koning van Babel in opstand gekomen was, zelf in persoon naar Babel zou hebben durven reizen. Wel is aannemelijk dat hij door deze vreedzame, vrome dienaar verzoening en vrede heeft willen laten bemiddelen.
vreedzaam vorst
Hebreeuws, vorst der rust; dat is, een vroom, stil en vreedzaam man, wien Jeremia deze zaak heeft mogen vertrouwen, waarmede een ander te dien tijde den spot zou hebben gedreven, of zulks geweigerd hebben, als vol gevaar en zwarigheid zijnde. Anders: overste der rust des konings; dat is, overste kamerling . Sommigen houden het voor een naam van zekeren omtrek, waarvan te zien is 1 Kron. 2:52 .
Hertaald:
vreedzaam vorst
Hebreeuws: vorst van de rust; dat is: een vroom, stil en vreedzaam man, aan wie Jeremia deze zaak kon toevertrouwen, terwijl een ander er in die tijd de spot mee gedreven zou hebben of het geweigerd zou hebben omdat het vol gevaar en moeite was. Anders: overste van de rust van de koning; dat is: opperste kamerheer. Sommigen houden het voor de naam van een bepaalde streek, waarover te lezen is in 1 Kron. 2:52.
boek,
Versta, een bijzonder boek, of dubbel, copie, afschrift, dat hij dezen Seraja mede gaf.
Hertaald:
boek,
Versta: een apart boek, of een dubbel, een kopie, een afschrift, dat hij aan deze Seraja meegaf.
zien en lezen al deze woorden;
Of, [haar, namelijk Babel] aanzien, of aanschouwen, bezien, om deze profetie met Babels tegenwoordigen staat te vergelijken. Of, als gij ze zult zien, enz.
Hertaald:
zien en lezen al deze woorden;
Of: (haar, namelijk Babel) aanzien, of aanschouwen en bezien, om deze profetie met Babels toenmalige toestand te vergelijken. Of: als u ze zult zien, enzovoort.
eeuwige woestheden
Hebreeuws, woestheden, of verwoestingen der eeuwigheid, gelijk boven vs.26.
Hertaald:
eeuwige woestheden
Hebreeuws: woestheden, of verwoestingen der eeuwigheid, zoals hierboven vers 26.
Frath;
De rivier Eufraat, die aan en door Babel liep.
Hertaald:
Frath;
De rivier de Eufraat, die langs en door Babel liep.
vanwege het kwaad,
Hebreeuws, van het aangezicht des kwaads; dat is, van, of vanwege het kwaad der straf, des ongevals, ongeluks, verderfs, enz.
Hertaald:
vanwege het kwaad,
Hebreeuws: van het aangezicht van het kwaad; dat is: van, of vanwege het kwaad van de straf, van het onheil, het ongeluk, het verderf, enzovoort.
haar zal brengen,
Babel.
Hertaald:
haar zal brengen,
Babel.
zij zullen mat worden
Namelijk de Babyloniërs zullen amechtig machteloos worden en bezwijken, dat zij niet weder zullen kunnen rijzen of opkomen, hoezeer zij ook zich daarom bemoeien.
Hertaald:
zij zullen mat worden
Namelijk de Babyloniërs zullen uitgeput en machteloos worden en bezwijken, zodat zij niet weer overeind zullen kunnen komen, hoezeer zij zich daarvoor ook inspannen.
Tot hiertoe
Vergelijk boven Jer. 48:47 .
Hertaald:
Tot hiertoe
Vergelijk hierboven Jer. 48:47.
woorden van Jeremia
Te weten van Babels straf, of in het algemeen van de profetieën van Jeremia, die in dit boek begrepen en samengebracht zijn. Hieruit wordt bij sommigen afgenomen dat Jer 52 door enigen anderen man Gods daar bijgevoegd is, als tot een zegel en nadere verklaring van de voorgaande profetieën. Vergelijk de aantekening op Deu 34 .
Hertaald:
woorden van Jeremia
Namelijk over Babels straf, of in het algemeen over de profetieën van Jeremia die in dit boek verzameld en samengebracht zijn. Hieruit leiden sommigen af dat Jer. 52 door een andere man Gods hieraan toegevoegd is, als een zegel en een nadere verklaring van de voorgaande profetieën. Vergelijk de aantekening bij Deut. 34. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Zoon van Nerija, zoon van Machseja, en dus een broer van Baruch; een vreedzame vorst, die met koning Zedekia naar Babel trok. Jeremia gaf hem een boekrol mee met het oordeel over Babel, met de opdracht deze, na voorlezing, aan een steen gebonden in de Eufraat te werpen, als teken van Babels ondergang (Jer. 51:59-64). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Een volk/koninkrijk in het gebied rondom het Van-meer, in het huidige Oost-Turkije/Armenië — geassocieerd met het latere Scythische gebied. Geschiedenis: Jeremia roept de koninkrijken van Ararat (reeds bestaand), Minni (reeds bestaand) en Askenaz op om zich tegen Babel te wapenen als instrumenten van Gods oordeel over die stad (Jer. 51:27) — dezelfde volken die eeuwen eerder, in de Tafel der volken, als nakomelingen van Jafeth werden opgesomd (Gen. 10:3). Bijbelse betekenis: Dat de HEERE juist verre, aan Israël onbekende volken als werktuigen van Zijn oordeel over het machtige Babel oproept, onderstreept dat geen enkele aardse grootmacht buiten Zijn wereldwijde regering over alle volken der aarde valt. Recente inzichten: Wordt door de meeste uitleggers in verband gebracht met de Scythen of een verwant volk in de Kaukasus-/Armeense regio. Gen. 10:3; Jer. 51:27 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas "Vliedt uit het midden van Babel, en redt, een iegelijk zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd der wraak des HEEREN" (Jer. 51:6). Even verderop staat waarom er geen andere uitweg is: "Wij hebben Babel gemeesterd, maar zij is niet genezen; verlaat haar dan, en laat ons een iegelijk in zijn land trekken; want haar oordeel reikt tot aan den hemel" (Jer. 51:9). Bijbelse betekenis: Merk op waarom er gevlucht moet worden. Niet om aan de vijand te ontkomen maar om niet te delen in wat de stad zelf over zich haalt: wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid. Wie blijft, deelt in de schuld en dus in de straf. Let vervolgens op Jer. 51:9. Er is geprobeerd haar te genezen, en het hielp niet; pas daarna komt het verlaten. Het is dus geen onverschilligheid maar de uitkomst van een mislukte behandeling. Let ten slotte op wie geroepen wordt. Het gaat om het volk van God dat in ballingschap in die stad woonde — dezelfde mensen aan wie eerder geschreven was dat zij huizen moesten bouwen en de vrede van de stad moesten zoeken (reeds behandeld bij Jer. 29:7). Blijven wonen en op tijd vertrekken sluiten elkaar niet uit; er is een tijd voor beide. Typologie: Johannes hoort dezelfde stem over het Babylon van zijn gezicht: "Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt" (reeds behandeld bij Op. 18:4). En Paulus haalt bij de gemeente hetzelfde beginsel aan uit Jesaja: gaat uit het midden van hen en scheidt u af (reeds behandeld bij 2 Kor. 6:17). Jer. 51:6,9; Jer. 29:7; Op. 18:4; 2 Kor. 6:17 Jeremia geeft een boek mee aan Seraja, die met koning Zedekia naar Babel reist (Jer. 51:59). "Jeremia nu schreef al het kwaad, dat over Babel komen zou, in een boek" (Jer. 51:60). De opdracht luidt: lees het daar hardop, zeg het God na, "en het zal geschieden, als gij geeindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult gij een steen daaraan binden, en werpen het in het midden van den Frath" (Jer. 51:63). En daarbij moet gezegd worden: "Alzo zal Babel zinken, en niet weder opkomen" (Jer. 51:64). Dat vers eindigt met de zin die het boek afsluit: "Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremia." Bijbelse betekenis: Merk op waar dit gebeurt. Niet in Jeruzalem maar in Babel, aan de rivier van de stad zelf, en zonder toehoorders die het konden navertellen. Het teken wordt gedaan omdat God het ziet, niet om indruk te maken. Let vervolgens op wat er met het boek gebeurt. Eerder in dit boek werd een rol door een koning verbrand (reeds behandeld bij Jer. 36:23); hier laat de profeet zijn eigen boek zinken. Het eerste was verzet tegen het woord, het tweede is de vervulling ervan uitbeelden. Let ten slotte op de slotzin. "Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremia" — daarmee is het boek van de profeet afgesloten, en wat erna komt is een aanhangsel van een andere hand. Typologie: In het laatste boek werpt een sterke engel een steen als een grote molensteen in de zee met dezelfde woorden: zo zal Babylon met geweld geworpen worden en niet meer gevonden worden (Op. 18:21). Jer. 51:59-64; Jer. 36:23; Op. 18:21 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Laat Jeruzalem in uw hart opkomen. Jer. 51:50 De gevangenen in Babylon worden vermaand Jeruzalem te gedenken, – Omdat daar de tempel van hun God is geweest. Om… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Vreemden zijn gekomen op de heilige plaatsen van het huis van de HEERE. Jeremia 51 vers 51 Het was voor het… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jeremia 51
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Jer. 51:50 - Heilig gedenken
Vreemden zijn gekomen op de heilige plaatsen van het huis van de HEERE


Jeremia 51
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Zo zegt de HEERE: 1) Ziet, Ik zal enen verdervenden wind, 1) of den geest eens verdervers opwekken tegen Babel, en tegen degenen, die daar wonen in het hart van degenen, die tegen Mij opstaan, in het hart van het land, in het midden der Chaldeën, die de vereniging van alle vijandschap tegen Mij vormen (Hoofdst. 25:26), opdat de moeder van alle gruwelen op aarde verwoest worde. (Openb. 17:5).
Hij vervolgt hetzelfde vonnis. Het schijnt wel dat Jeremia al te woordenrijk is. Maar hij wil niet slechts leren, dewijl hij dit met weinige woorden kon, maar dewijl het een moeilijke zaak is om er van overtuigd te worden, daarom was het noodzakelijk met vele spraakwendingen zijn Godsspraak te versieren, en gebruikt hij ook vele herhalingen van wat hij eenmaal had gezegd.
Wind en geest worden in het Hebr. met hetzelfde woord aangeduid. Een verderfelijke geest is een geest, uitgaande op verderf en vernieling. De wind is het natuurbeeld des geestes. Vgl. Jer. 4:11, 12. Joh. 3:8.
En Ik zal met dien verderver Babel wanners toeschikken, namelijk een leger van onbarmhartige barbaren, die haar a) wannen zullen, gelijk men koren want, om het kaf er van af te zonderen, endie haar land van hen, die slechts kaf zijn, uitledigen zullen; barbaarse wanners, want zij zullen ten dage des kwaads, hen vanalle zijden overvallen, rondom tegen haar zijn.
Jer. 15:7.
Zij zullen elken krijgsman van Babel zonder verschoning doden en zijne gehele krijgsmacht vernietigen. De schutter spanne zijnen boog tegen dien, die spant, en tegen dien, die zich verheft in zijn pantsier, die trots is op zijn harnas; de vijand zal elken krijgsman doden; en verschoont, gij vijandelijke krijgslieden! hare jongelingen niet, verbant al haar heir;
Dat de verslagenen liggen in het land der Chaldeën, en de doorstokenen op hare straten. In deze verzen treedt Babels karakter als middelpunt van alle vijandschap tegen God duidelijk op den voorgrond. In vers 1 wordt het “‘ t hart dergenen, die tegen Mij opstaan” genoemd. Die naam is ontstaan uit hetgeen het begrip Babel in de gehele Oud- en Nieuw-Testamentische profetie is. Wanneer ook eerst in de Openbaring van Joh. Babel duidelijk voorkomt als het centrum van alle vijandschap tegen den Heere en Zijn rijk, zo wortelt deze voorstelling toch in de beschouwingen, welke de Oud-Testamentische profeten van Babel hebben, en wij zullen niet dwalen wanneer wij juist onze plaats als ene voorname plaats voor die wijze van beschouwing der Nieuwe Testamentische profeten aanzien, die Babel voor de moeder der hoererij, en den gruwel der aarde verklaart. De zetel en stoel van den Antichrist wordt uitdrukkelijk Babylon genoemd, namelijk de stad Rome, op zeven bergen gebouwd (Openb. 17:9). Even als Babel zoveel land en zovele koninkrijken onder zich gebracht heeft, en met grote pracht, trotsheid en hoogmoed beheerst (de gouden beker, die de gehele wereld dronken maakte, was Babel in de hand des heren Hoofdst. 51:8 : de volken hebben van haren wijn gedronken, daarom zijn de volken dol geworden). Zo heeft het geestelijke Babel enen beker in de hand vol van gruwel en onreinheid harer hoererij, waarvan de koningen, en die op de aarde wonen dronken geworden zijn. Gelijk van Babel wordt gezegd, dat zij aan grote waters woont en grote schatten heeft, zo schrijft Johannes van het Romeinse Babylon, dat zij gekleed is met zijde en purper en scharlaken en versierd met goud, edelgesteenten en paarlen (Openb. 18:12). Van Babel staat, dat het in Israël de verslagenen geveld heeft, zo is ook het geestelijke Babel dronken geworden van het bloed der heiligen (Openb. 17:6). Even als het Chaldeeuwse Babel een voorbeeld is geweest van het geestelijk Babel, in hoogmoed en tirannie, zo is het ook een voorbeeld van den ondergang, die over gene zal kennen. Velen wilden Babel genezen, maar zij wilde niet genezen worden, zo beproeven velen het bouwvallige antichristelijk Babylon te ondersteunen, maar te vergeefs en om niet. Want even als Babel eindelijk te niet is gegaan, dat het tot een steenhoop en ene woning der draken is geworden, zo zal het ook met het antichristelijke Babylon gaan, waarvan in Openb. 14:8 staat: “Zij is gevallen Babylon, de grote stad, omdat zij uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt, ” en wederom: “Zij is gevallen, zij is gevallen het grote Babylon, en is geworden ene woonstede der duivelen en eens bewaarplaats van onreine geesten en ene bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte” (Openb. 18:2). Even als de inwoners te Babel vermaand worden: “Vliedt uit het midden van Babel, en redt een iegelijk zijne ziel” (Hoofdst. 51:6), en wederom: “Gaat uit, Mijn volk! uit het midden van haar, en redt een iegelijk zijne ziel” (Hoofdst. 51:45), zo vermaant de Heilige Geest met bijna dezelfde woorden de Christenen, dat zij uit het geestelijk Babylon zullen uitrukken, opdat zij zich met hare zonden niet verontreinigen, en opdat zij hare straffen niet mede deelachtig worden (Openb. 18:4): Ik hoorde, zegt Johannes: ene stem uit den hemel, zeggende: “Gaat uit van haar, Mijn volk! opdat gij aan hare zonde gene gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt; want hare zonden zijn de ene op de andere gevolgd tot den hemel toe, en God is harer ongerechtigheden gedachtig geworden. “
Dat alles zal Babel overkomen om de misdaad tegen Gods heilig volk; want 1) Israël of Juda zal niet in weduwschap gelaten worden. De Heere heeft het voor eeuwig verkoren, en het in trouw en liefde als Zijne huisvrouw aan Zich verbonden. Al heeft Hij hen ook om hun ontrouw voor een korten tijd verstoten, en hen aan hun boelen, den Heidenen prijs gegeven, zo wil Hij hen toch niet in de handen van Babel laten. Hij zal hen weer aan deze ontrukken, en zulk een geweld aan Zijne vrouw gepleegd, bezoeken (Jes. 54:4 vv.). Het zal niet verlaten worden van zijnen God, van den HEERE der heirscharen, (hoewel) hunlieder land vol van schuld is door gruwelijken afgodendienst en door mishandelen van Israël) van den Heilige Israëls.
God de Heere bewijst Israël de genade, dat Hij Zich voor diens echtgenoot verklaart (Hoofdst. 2:2. 3:1 vv.). wanneer nu echter Israël en Juda in ballingschap zijn, schijnt het alsof zij verstotene vrouwen of weduwen waren. Dat is echter slechts schijn. De echtvriend van Israël sterft niet. Hij kan wel een tijd van kastijding, van loutering en beproeving over Zijn volk beschikken, maar wanneer deze tijd zijn einde heeft bereikt, keert de Heere den stok om, en slaat hen, door welke Hij Israël heeft gekastijd, wanneer zij hadden vergeten, dat zij niet aan eigen lust moesten voldoen, maar alleen ‘s Heeren wil aan Israël volbrengen.
Betere vertaling is: maar. of, want hun land is vol schuld van wege den Heilige Israëls. Haar schuld ziet toch op Babel. De schuld van Babel tegen den Heilige Israëls is oorzaak van hare verwoesting, ja eist die. Die schuld is tweeërlei. Vooreerst omdat Babel Israël en Juda, Jehova’s vrienden, niet wil loslaten, en ten tweede, omdat het den Heere niet erkennen wil als den Heilige Israëls, maar de afgoden blijft dienen.
Ja nabij is het gericht over de met schuld beladene stad; daarom vliedt 1) uit het midden van Babel, gij kinderen Israëls! uw God gebiedt het u, en niemand kan het u verhinderen, en redt een iegelijk zijne ziel, zijn leven, door zich los te maken van Babels zonden en terug te keren tot de genade en gerechtigheid van zijnen God; wordt niet uitgeroeid in of wegens hare ongerechtigheid, gelijk de vrouw van Lot; want dit is de tijd der wraak des HEEREN, die haar de verdienste betaalt, al hare misdaden haar vergeldt (Hoofdst. 50:8. (Openb. 18:4).
Hij wendt zich nu tot de degenen, die tijdelijk verblijf hielden in de stad en vermaant hen, om spoedig te vluchten, opdat zij in die door God vervloekte stad niet zouden omkomen. Hij wijst de oorzaak aan, waarom zij, die toen in Babel woonden, niet anders behouden kunnen worden, den indien zij vluchtten, n. l. dewijl God straf zou uitoefenen, om de misdaden van de stad. De geestelijke vlucht, het ontwijken van alle vermenging met Babels afgoderij, hoogmoed en zedeloosheid, is hier van meer belang dan de lichamelijke vlucht (2 Kor. 6:14 vv. Efez. 5:11). Er kan een tijd komen, dat afscheiden noodzakelijk is. Want al is het, dat afscheiding als tegenstelling tegen kerkelijkheid d. i. tegen kerkelijke gemeenschap en ootmoedige onderwerping onder de wet van zamenwerking der leden (1 Kor. 12:25 vv.) te verwerpen is, zo kunnen er toch in het leven ener kerk tijden komen, dat het plicht wordt de gemeenschap te verlaten en zich af te zonderen. Zulk een tijd is dan gekomen, wanneer de kerk een Babel geworden is. Daarbij is echter wel op te merken, dat men met zulk een oordeel niet te lichtvaardig zij. Want ook het leven ener kerk is aan velerlei golvingen onderworpen. Er zijn perioden van verval, als het ware verduisteringen, te vergelijken met verduisteringen der sterren, op welke echter, zolang maar de fondamenten vaststaan, telkens ene wederverheffing en een terugkeren tot oorspronkelijken luister moet volgen. Om zulk een voorbijgaanden toestand van ziekte moet niemand de kerk voor een Babel houden. Zij is dit alleen dan, wanneer daar de objectieve, goddelijke fondamenten, de genademiddelen, Woord en Sacrament wat het wezen aangaat en voortdurend in hun gezegende werkzaamheid verhinderd worden. Dan eerst, wanneer de ziel in de kerk de reine goddelijke spijze van Gods woord niet meer kan vinden, moet de ziel worden gered, opdat zij niet in de ongerechtigheid der kerk omkome. Van deze afzondering van de kerk moet wel onderscheiden worden afzondering binnen de kerk van alles wat het gezonde leven der kerk zelf tegenstaat, en daarom als een ziekelijk bestanddeel aan het lichaam der kerk moet worden beschouwd. Zulk ene afzondering is de dagelijkse plicht van den Christen.
Babel was een gouden beker in de hand des HEEREN 1) die de ganse aarde dronken maakte, een gouden beker, schitterende door macht, rijkdom en heerlijkheid, vol verleidende bekoorlijkheid tot afgodendienst, maar het stond onder de macht des Heeren, en diende zonder het te weten in Zijne hand om de gehele wereld dronken te maken van den wijn Zijns toorns. En ziet, de volken hebben zich ook werkelijk door hare toverkunsten laten verleiden, zij hebben met haar geboeleerd en van haren wijn gedronken, zij dronken echter niet alleen wat zij begeerden, maar ook Gods toorn, daarom zijn de volken dol, blind en zinneloos geworden. Zo was het iets lichts voor den Heere, om Zijn gericht door hetzelfde Babel, waarmee zij geboeleerd hadden, over hen te brengen, en door de verschrikkingen des gerichts hen met ontzetting, met bedwelming en wanhoop te vervullen (Hoofdst. 13:12 v. 25:15 vv.)
Wij weten nu, dat de rijken der wereld noch voortduren, noch in stand blijven, dan naar den Raad Gods. Wanneer derhalve de Profeet den ondergang van Babel dreigt, ligt de tegenwerping voor de hand. Hoe is het dan mogelijk, dat die stad, welke gij zegt dat vervloekt is, tot hiertoe zo bloeit? Wie heeft Babel met zo grote eer versierd? met zo grote rijkdommen? met zovele overwinningen? Het was toch niet bij geval, dat deze monarchie zulk een grote hoogte had bereikt. Niet alleen dat het geheel Assyrië onder zijn macht heeft gebracht, maar ook het rijk Israël is ten ondergegaan, en het rijk van Juda is niet ver van zijn ondergang. De Profeet antwoordt, dat Babel een gouden beker was in de hand des Heeren, om de ganse aarde dronken te maken, alsof hij wil zeggen, dat God volstrekt niet met zichzelven in strijd kwam, toen Hij Babel als een gesel gebruikte en nu op Zijn beurt haar kastijdde. En tegelijk toont hij aan, dat wanneer de zaken alzo liepen in de wereld, dit niet geschiedde als door een blinden loop der fortuin, maar naar de hemelse besluiten Gods, die alzo de gehele wereld bestuurde, dat Hij ook de goddelozen dikwijls tot de hoogste macht bracht, wanneer Hij door hen Zijne oordeel wilde ten uitvoer brengen. Babylon, de heerlijkheid dezer wereld, wordt een gouden beker genoemd, omdat het, roemende hoe schoon het aardse en tijdelijke is, de dwaze zinnen in hare begeerlijkheid dronken maakt, zodat zij naar het nietige en vergankelijke trachten en het schone onzichtbare verachten. Een gouden beker is daarom Babylon; want terwijl het den schijn van uiterlijke schoonheid vertoont ontneemt het den zin voor inwendige reinheid. (GREGORIUS DE GROTE). Babel wordt een gouden beker genoemd, van wege den glans en de heerlijkheid van hare koningen. De heerlijkheid van Babel overtrof die van alle andere volken en de Heere gebruikt haar om de andere volken te straffen. Maar nu is ook voor dit rijk de ure der vergelding en des oordeels gekomen. Onherstelbaar is Babel’s val, zo onherstelbaar, dat de volken het uitroepen (vs. 9): Zij is niet te genezen. God heeft geduld, dewijl Hij eeuwig is, maar is de maat der ongerechtigheid vol, dan houdt niets Zijn oordeel terug en is de straf, die Hij zendt, volkomen.
Hoe schielijk is Babel zelf door den wijn van Gods toorn gedrenkt en dronken geworden, hoe spoedig is zij van hare hoogte a) gevallen en verbroken! O hebt medelijden met haar, gij volken, die met haar geboeleerd hebt, en vervolgens door haar zijt onderworpen; huilt over haar; beproeft of gij gene genezing kunt aanbrengen, haar van haren val niet kunt oprichten; neemt b) balsem tot hare pijn, misschien zal zij genezen worden. (Jes. 21:9).
(Openb. 14:8, 18:2. b) Jer. 8:22.
Maar de volken antwoordden mij: Wij hebben alles beproefd om de wonden der geslagene jonkvrouw te genezen. wij hebben Babel gemeesterd; maar zij is niet te genezen, haar val was te diep en te schrikkelijk. Zo roep ik u den op a) verlaat haar dan, zorge ieder voor eigen veiligheid en bevrijding, en laat ons aan iegelijk in zijn land trekken, laat ons uit Babel vlieden, de tijd onzer verlossing is daar, wij gaan een iegelijk naar het land, waar wij woonden, voordat wij ons door Babel lieten verleiden en door Gods gericht van hen werden verslonden; want haar oordeel, hare schuld tegen den levenden God, het is nu duidelijk uit haren diepen val te zien, reikt tot aan den hemel, en is verheven tot aan de bovenste wolken.
Jer. 46:11. Babel is een uitwendig schone appel maar inwendig vol wormsteken. Daarom moet vroeger of later de verkeerdheid merkbaar worden. Zo gaat het met alles, waarvan de kern en het middelpunt niet God is. Als die inwendige holheid en nietigheid begint zich ook naar buiten te openbaren, wanneer nu hier dan daar een reet, ene lelijke plek zichtbaar wordt, dan komen wel de vrienden en vereerders van de wereldmacht en willen verbeteren, bedekken, oplappen, genezen. Maar dat alles baat niets. Wat eenmaal den dood in het lijf heeft, dat kan geen arts meer kureren.
Ook Israël bevindt zich onder deze volken, en het looft en prijst den Heere, terwijl het zich van Babel afscheidt en in het land van Zion ontvliedt. De HEERE heeft grote dingen aan ons gedaan, zo roepen de terugkerenden jubelend uit, want Hij heeft onze gerechtigheden hiervoor gebracht. 1) Hij heeft onze rechtvaardige zaak tegenover Babel, aan wien de Heere ons slechts ter kastijding had overgegeven, en dat ons wreed onderdrukte, zodat alle volken ons voor geheel verworpen en verlaten moesten aanzien (Ps. 37:6), weer aan het licht gebracht; komt en laat onsin het land onzer vaderen terugkeren, tot de genadige gemeenschap Gods te Zion, waar de Heere onder Zijn volk woont en Zich aan hem openbaart. Laat ons het werk des HEEREN, onzes Gods, vertellen, 2) dat Hij ons door Zijnen machtigen arm heeft verlost, onze vijanden heeft verpletterd, en ons weer in genade heeft aangenomen (Hoofdst. 50:28. (Jes. 48:20).
Hier voert de Profeet den gelovige sprekende in en leert vooreerst, dat de val van Babel een zeker bewijs is van de vaderlijke droefheid Gods jegens Zijn kerk. Doch dit was niet een gewone troost, in die uiterste ellende, wanneer de gelovige wist dat zijn redder zo dierbaar en kostelijk bij God was, dat Hij zelfs de Babyloniërs niet spaarde, welke de gehele wereld als halfgoden vereerde. Want de macht van die monarchie had alle mensen in beroering gebracht. Wanneer derhalve de gelovigen tot de erkentenis kwamen, dat Babylonië te gronde ging, dewijl zij hen had geteisterd en wredelijk had behandeld, daar uit kon door hen een onschatbare troost verkregen worden. Daar tot nu toe Israël als overgegeven in de hand der Heidenen had vertoefd, had het hun toegeschenen dat de Heere Zijn volk had verlaten en het niet meer genadig wilde wezen, maar omdat de Heere Babel aan den ondergang prijs gaf en Zijn volk weer naar Zion deed terugkeren, daaruit zou het blijken dat de Heere Zijn volk wel gedacht, niet vergeten had, dat Hij Zijne belofte zou vervullen, dat Hij Zijn volk weer zou verzamelen uit de Heidenen. Gerechtigheid wil hier dan ook niet zeggen gerechtige daden, daden der gerechtigheid en des geloofs, maar de rechtvaardige zaak van Israël tegenover de Heidenen, in dit geval tegenover Babel.
Hier vermaant de Profeet het volk tot waarachtige dankbaarheid. Dat het verlost was en werd, had het niet te danken aan eigen gerechtigheid, aan eigen verdienste, maar de heerlijkheid Gods had geschitterd in de verlossing, dat Hij enkel om des Verbonds wil, nog aan het nakroost van Abraham en het overblijfsel van Juda gedachtig was. Het was vrije gunst dat Hij nu een einde maakte aan de ellende der ballingschap.
Ja Mijn werktuig tot Babels val is reeds verkoren en staat reeds gereed. a) Zuivert, scherpt nu de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe, 1) gij volken van het noorden! De HEERE heeft den geest der koningen van Medië 1) opgewekt, dat zij Hem tot werktuigen Zijner straf zouden dienen, want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak des HEEREN aan het hoogmoedige Babel, dat Hem en Zijn volk hoont, de wraak voor de ontheiliging en verwoesting Zijns tempels. (Hoofdst. 50:28).
Jer. 46:4.
Beter: scherpt de pijlen en vult de schilden, d. w. z. vult uw arm er mede. Het is een oproepen tot den strijd tegen Babel, welke hier tot de Mediërs gericht wordt, opdat deze volken ook zullen weten, dat zij om Babel te verwoesten, de macht van God ontvangen.
De Mediërs waren in ouden tijd naar verschillende gewesten verdeeld, totdat zij in het jaar 714 v. Chr. als zij van de Assyriërs waren afgevallen, om hun onafhankelijkheid te verkrijgen, zich onder een algemeen opperhoofd stelden, nu Dejoces tot hunnen vorst kozen. Overigens geeft hier Medië weer (Jes. 13:17) te kennen alle Arische volken van het tegenwoordige Iran, zaamgevat onder den meest betekenenden en den regerenden volkstam. Naast de Mediërs noemt Jesaja (21:2) nog de Perzen als hoofdvolvoerders van het gericht aan Babylon (vgl. over de Mediërs 2 Kon. 22:2 25:27 2 Kron. 36:20 ; over de Perzen. Ezra 1:4).
Verheft de banier op of, tegen de muren van Babel, opdat het gehele aanvallende leger het zie, en op het daardoor aangewezen punt zijnen aanval richte; versterkt de wacht rondom de stad, stelt wachters op alle punten tegen de stad, zodat niemand uit- en inga; bereidt de achterlagen, opdat gij bij enen mogelijken inval in de stad kunt indringen, want gelijk de HEERE heeft voorgenomen tegen Babel, alzo heeft Hij gedaan, wat Hij over de inwoners van Babel door Zijne profeten gedreigd en gesproken heeft.
Wat zullen u dan al uwe verdedigingsmiddelen baten? Gijjonkvrouw van Babel, die aan vele wateren woont 1), aan den Eufraat met hare vele kanalen, en met behulp van deze geweldige vestingen gemaakt hebt, die machtig zijt van schatten, uw einde is gekomen; gij hebt buit uit de gehele wereld zaamgesleept, en uw rijkdom is vergroot door de vruchtbaarheid des lands, maar de maat is nu vol, de straf uwer gierigheid naar onrechtmatig geld en goed is gekomen.
De vruchtbaarheid van het Babylonische land, de opbrengst der akkers berustte op de overstromingen van den Eufraat; door een uitgebreid stelsel van dammen, kanalen en afleidingen bereikte Nebukadnezar het, om zowel het water van den Eufraat naar ieder punt der Babylonische vlakte te leiden, als overstromingen, die er niet zelden waren, te voorkomen en de overstroming te regelen. (M. DUNKER). Deze waterwerken hadden in ‘t bijzonder de bevochtiging van het land en de scheepvaart ten doel, zij boden echter tevens machtige verdedigingslijnen tegenover den vijand aan.
a) De HEERE der heirscharen heeft gezworen bij Zijne ziel, bij Zijne eeuwige kracht en Godheid: Ofschoon Ik u, o Babel! met mensen als met kevers, als met sprinkhanen, die niemand tellen kan, vervuld heb, zullen al die mensenmassa’s u niet van den ondergang redden; nochthans zullen zij, die vijanden, die Ik tegen u stel, elkaar een vreugdegeschrei over u toeroepen 1), namelijk een krijgsgezang, dat u en uwe stad den dood aankondigt.
Amos 6:8.
Hij, de almachtige Schepper der wereld, de alleen ware God, heeft dat u gezworen. Die, gelijk Ik reeds in Hoofdst. 10:12-16 tot Mijn volk gezegd heb, om het elke vrees voor de afgoden te ontnemen, a) de aarde gemaakt heeft door Zijne kracht, die de wereld bereid heeft door Zijne wijsheid, en den hemel b) uitgebreid door Zijn verstand;
(Gen. 1:1. b) Job 9:9. Ps. 104:2. Jes. 40:22; 44:24; 51:13.
Met een eed bij Zichzelven heeft de Heere gezworen, zegt hier de Profeet, om daarmee het onveranderlijke en zekere van Babels val aan te kondigen. En wat heeft de Heere gezworen? dat al had Hij de stad gevuld met mensen, zo talrijk als een leger van sprinkhanen, die grote menigte Babel niet zou kunnen helpen, om te strijden tegen den vijand. Welk een machtig leger ook Babel zou kunnen stellen tegen de Mediërs, zij zouden overwonnen worden. Het lied der overwinning zou door de vijanden worden aangeheven. Ook hier weer treedt zo duidelijk in het licht, dat de Heere Babel groot gemaakt had. Al de macht en heerlijkheid had Babel van den Heere, den Souvereinen God, ontvangen.
Als Hij Zijne stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met (liever: voor) den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijne schatkameren, waarin Hij ze verbergt, opdat ze Hem dienen tot Zijne gerichten.
Een ieder mens is wanneer hij eens ernstig die wonderen der schepping en regering Gods beschouwt, onvernuftig geworden, zodat hij gene wetenschap heeft, een ieder goudsmid is, wanneer hij zulke daden Gods aanziet, beschaamd van het gesneden beeld, dat hij vervaardigde, maar waarin geen adem is; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest, geen leven in hem.
IJdelheid zijn zij, al die beelden, die zij voor God uitgeven, een werk van verleidingen (of: bespottingen); ten tijde hunner bezoeking, als tegenspoed komt, waaruit zij niet kunnen helpen, zullen zij in hun nietigheid openbaar worden en vergaan.
Jakobs deel is niet gelijk die; want Hij, de alleen waarachtige God, is de Formeerder van alles, en Israël is de roede, de stam Zijner erfenis, de stam van dat volk, dat Hij tot erfdeel en eigendom heeft verkoren; HEERE der heirscharen is Zijn naam. Vele beroemde uitleggers menen, dat de verzen 5-18 door enen ongenoemden hier uit Hoofdst. 10:12-16 zijn ingeschoven, en den zamenhang geheel verstoren. Zij moeten echter toegeven, dat volgens vs. 14, waar de Heere bij Zijne waarachtige Godheid de zekerheid van Babels ondergang ondanks al hare macht bezweert, ene nadere uiteenzetting van Zijne scheppende majesteit op zijne plaats was, ene majesteit, waarin Zich Zijne waarachtige Godheid juist den Heidenen ten duidelijkste kentekent, als ook ene voorstelling van de nietigheid der afgoden, waarop Babel zijn vertrouwen stelde. Verder, dat Jeremia ook reeds meermalen door hem bij een andere gelegenheid gesprokene woorden op ene gepaste plaats heeft herhaald. Het in ook hier niet te betwijfelen, dat Jeremia zelf zijne in Hoofdst 10 tot Israël gesprokene woorden herhaald heeft. In Hoofdst. 10 wilde Jeremia door deze verkondiging de vrees voor het afgodische volk, voor de macht der heidense afgoden bestrijden; hier wil hij daardoor het vertrouwen der Chaldeën op hun afgoden doen wankelen, en zeggen, dat voor de almacht van den Schepper en Regeerder der gehele wereld ten dage des gerichts alle afgoden beschaamd zullen worden, en Israël dan zal ondervinden dat de Schepper van het heelal door den val van Babel bewijzen zal de Schepper van Israël te zijn. De Profeet herhaalt hier wat hij reeds vroeger verkondigd heeft (Hoofdst. 10:12-16), om daar mee allen twijfel weg te nemen aan den ondergang van Babel als het werk Gods. Hij zal het doen, dewijl Hij het met een eed heeft bevestigd. Hij kan het doen, dewijl Hij zich immer als de Almachtige heeft geopenbaard. Hij is de Almachtig Gebieder over allen wat er bestaat. Hij zou zijn Almacht betonen tegenover al de onmacht der afgoden. Babel vertrouwt op haar afgoden, maar Hij is Jakobs Deel. Hij is de Formeerder van al wat bestaat. Hij is de steun van Zijn erfenis. Zijn Naam is HEERE der heirscharen, die leeft en regeert en over alle volken en over alle machten heerschappij voert.
Gij, o Babel! zijt Mij 1) een voorhamer, en krijgswapenen, tot volvoering Mijner oordelen op aarde, en door u zal Ik volken in stukken slaan, en door u zal ik koninkrijken verderven.
Hier wijst de Heere Babel er nog eens op, dat Hij dit volk met zijn machtige koningen had gebruikt om de andere volken te treffen en te tuchtigen. Al de macht, die Babel had vertoond, was een van God verleende en op Babel gelegde macht. Echter had Babel die macht niet gebruikt om God er mede te verheerlijken, maar om eigen roem en eer te verkrijgen en te handhaven. Babel had die macht tegen God gebruikt en het volk des Heeren boven mate getuchtigd. Daarom zou de Heere niet alleen die macht wegnemen maar haar ook volstrekt machteloos, weerloos en eerloos maken.
En door u zal Ik in stukken slaan het paard en zijnen ruiter; en door u zal Ik in stukken slaan den wagen en zijnen ruiter.
En door u zal Ik in stukken slaan den man en de vrouw; en door u zal Ik in stukken slaan den oude en den jonge; en door u zal Ik in stukken slaan den jongeling en de jonkvrouw.
En door u zal Ik in stukken slaan den herder en zijne kudde; en door u zal Ik in stukken slaan den akkerman en zijn jukossen, en door u zal Ik in stukken slaan landvoogden en overheden. 1)
Al de futura in vs. 21-23 worden beter als perfecta genomen. Door u heb Ik in stukken geslagen, of: door u sla Ik in stukken. De Heere had de Babyloniërs, in den weg van Zijne altijd wijze en rechtvaardige Voorzienigheid gebruikt als een hamer en krijgswapen in Zijne hand, om verscheidene volken ten onder te brengen, steden te verwoesten, mensen te beroven van hun bezittingen, legers op de vlucht te drijven en onder allerlei rangen van mensen gedurig nieuwe slachtingen te maken. Dit is de hoofdzakelijke zin van vs. 20-23. Maar in dit alles hadden de Babyloniërs zich schuldig gemaakt aan wreedheid, en vooral aan trotsheid, daar zij al hun overwinningen aan zich zelven en aan hun eigene dapperheid hadden toegeschreven. In plaats van in dit alles de hand van den God des hemels op te merken en te eerbiedigen, hadden zij zich op ene zeer verachtelijke wijze gedragen omtrent den Heere, Zijn volk en Zijn heiligdom. Om deze reden zou de Heere van de Babyloniërs rechtvaardige wraak nemen. Dit wordt vervolgens op ene sierlijke wijs bedreigd vs. 24, 26.
Maar nu Ik door u Mijn gericht aan zo vele landen met al hun bewoners heb uitgeoefend, en gij, de bijl, u hoogmoedig verheft en roemt tegen Mij, die u opheft, zal Ik uzelven verpletteren; Ik zal Babel en allen inwoneren van Chaldea vergelden hunnen overmoed, in ‘t bijzonder al hun boosheid, die zij gedaan hebben aan Zion, 1) terwijl het slechts Mijne tuchtroede, Mijn hamer moest zijn. Daarom zal Ik het ter neer slaan voor ulieder ogen, 1) spreekt de HEERE.
Wij zien nu, dat de straf hier in verband gebracht wordt met het uitverkoren volk, n. l. opdat de gelovigen zouden weten, dat zij zo door de hand Gods gekastijd zijn, dat echter nooit de herinnering aan het verbond met hen is uitgewist en opdat zij zo midden in den dood ene genieting van het heil ontvingen, en zeker konden vaststellen, dat God eindelijk genadig zou zijn; niet dat God het gehele lichaam van het volk zou herstellen, maar deze belofte wordt gericht tot het overblijfsel als zodanig. Al wat Gods volk wordt aangedaan zal God te Zijner tijd aan hun vijanden bezoeken indien deze zich niet bekeren. In alle eeuwen is dit bevestigd.
“Voor ulieder ogen” o gij kinderen Gods! zal die u benauwt, zal het goddeloze Babel ineenstorten. Wacht maar met geduld op des Heeren belofte en gericht.
Ziet, Ik wil aan u, o Babel! gij verdervende berg!die u in macht en grootheid boven alle koninkrijken verheft, gelijk een berg boven ene vlakte, spreekt de HEERE, gij, die de ganse aarde door uwe veroveringszucht en onderdrukking der volken verderft! Uwe macht schijnt thans onwankelbaar vast en als op rotsen gegrond, maar Ik zal Mijnealmachtige hand tegen u ten gerichte uitstrekken, en u van de steenrotsen afwentelen, zodat gij nederig en veracht daar neer ligt, enIk zal u stellen tot enen berg des brands. 1) Ik zal u enen uitgebranden vulkaan gelijk maken, wiens door vuur verglaasd gesteente tot niets meer deugt.
Een berg des brands wil zeggen, een berg, die uitgebrand is. De Heere wil hiermede zeggen, dat er straks niets meer van Babel zal overblijven, dan enkel een ruïne, die tot niets meer deugt. Dit wordt nader bevestigd in het volgende vers. De straf der vervloeking en der verwoesting zal volkomen wezen.
En zij zullen uit u genen steen nemen tot enen hoek, ook genen steen tot fondamenten; er zal geen nieuw rijk uit u kunnen worden opgebouwd: want gij zult tot eeuwige woestheden zijn, in welke niemand bouwen noch wonen kan, spreekt de HEERE (Hoofdst. 25:12). Niet alleen van de wereldstad Babel, ook niet alleen van het land van Babylonië is hier sprake, maar van het Babylonische, tegen God overstaande wereldrijk. De vervulling dezer profetie reikt tot in de laatste tijden, daar het Babylonische rijk het Gode vijandige, antichristelijke rijk in ‘t algemeen vertegenwoordigt. Hier staat de typische betekenis van Babel zeer duidelijk tegenover de typische betekenis van Zion. De boze wereldmacht, die Zions vijand is, moet een berg heten, hoewel Babel in de vlakte lag, om de tegenstelling tegen den berg Zion ook door een beeld aanschouwelijk voor te stellen. Zion, de heilige berg (Jes. 2:2-4) van welke gerechtigheid en vrede uitgaat over alle volken: Babel de berg des verderfs, die de gehele wereld verderft. Zion, de berg, waar des Heeren huis is, moet in den laatsten tijd zijn vastgesteld op den top der bergen, en verheven boven de heuvelen. Over Babel, den berg des verderfs, wil de Heere Zijne hand uitstrekken en dien van de rotsen afwerpen in den afgrond. Uit Zion breekt de glans van Gods heerlijkheid door (Ps. 50:2 zal de Heere een brandenden berg vormen, die wegsmelt in den gloed van Gods toorn. In Zion legt de Heere een grondsteen, een beproefden steen, een kostbaren hoeksteen, die wel bevestigd is (Jes. 28:16); uit Babel, den berg des verderfs, zal men noch hoeksteen noch grondsteen kunnen nemen, maar, ene eeuwige verwoesting zult gij zijn. Hier spreekt toch de geest der profetie duidelijk genoeg, ofschoon onder beelden. Zo min als onder Zion alleen het aardse, historische, plaatselijke Zion te verstaan is, maar het in dit Zion verborgene, ten laatste geheel openbaar gewordene geestelijk lichamelijke Zion, zo min is Babel den profeet alleen of voornamelijk het historische plaatselijke Babel aan den Eufraat, maar het in dit Babel verborgene, maar veel verder zinkende, ten laatste geheel openbaar wordende geestelijk-lichamelijk Babel van het tegen-goddelijk en antichristelijk rijk der wereld. 27. VIIIc. Vs. 27-58. In het de hoofddeel der voorzegging over Babel was de hoofdgedachte, de noodzakelijkheid van Israëls verlossing uit Babel. In het 2de werd de tegenstelling tussen Babel en den Heere en diens geestelijk werktuig Israël op den voorgrond geplaatst. In het 3e en laatste hoofddeel vinden wij de profetische rede geklommen tot triomferende schildering van Babel’s ondergang, waardoor Zich de Heere als de Wreker van Zijn volk zal openbaren. De inhoud is deze: de vijanden van Babel, de Mediërs met de volken aan hun heerschappij onderworpen, trekken met een machtig leger tegen Babel op, zodat de aarde siddert. Nu laten de krijgslieden van Babel, overweldigd door den voorspoed van den vijand, krachteloos en moedeloos de armen zakken. De koning van Babel ontvangt echter in zijne burcht van alle zijden de berichten van de inname der stad. Nu geschiedt alles om de stad Babel heerlijk en prachtig te maken. Maar het is niets dan het toebereiden van den dorsvloer, waarop binnenkort de oogst zal worden uitgespreid. Nebukadnezar heeft Israël opgegeten en als een ledig vat laten staan, maar het volk weggestoten. Daarvoor roept Israël de wraak des Heeren in. Aan dit verlangen verklaart de Heere ook te willen voldoen. Even als Babel Israël heeft verslonden, zo zal het ook zelf tot ene waterloze woestijn worden (vs. 27-37). Midden in hare zwelgerij zal haar dit wraakgericht treffen. Dan vluchte Israël uit den gruwel der verwoesting, en verschrikke niet, wanneer het krijgsalarm zich verheft. Hemel en aarde zullen jubelen, wanneer Babels afgoden vallen, land en volk door den verwoester uit het noorden wordt geslagen. Ja aan Babel zal worden vergolden, gelijk het aan Israël heeft gedaan (vs. 38-49). Eindelijk vat Jeremia nog eens te zamen wat over Babel’s schuld en bestraffing te zeggen is. Israël moge getroost uit Babel naar huis trekken, zijn geleden smaad zal aan Babels afgoden en land worden bezocht. Geen muur zal het beschermen tegen des Heeren rechtvaardige vergelding. Het sterke alarm van Babels verwoesting met zijne bevolking van geringen en groten zal verre klinken. Met een woord van den Profeet Habakuk, dat in den ondergang van Babel zeer duidelijk gebleken is waar te zijn, dat namelijk arbeid met ongerechtigheid en bloed verbonden, slechts ten behoeve van het vuur geschiedt, wordt de gehele grote profetie op treffende wijze gesloten. (vs. 50-58).
Verheft de banier, 1) die verre zichtbaar is, in het land, op de aarde opdat de volken zich verzamelen ten strijde tegen Babel; blaast de bazuin onder de Heidenen, heiligt door offeranden en andere godsdienstige plechtigheden de Heidenen tegen haar, tegen de goddeloze stad Babel; want de Heere zelf, de rechtvaardige God, zendt de volken tegen haar; het is een heilige strijd; roept tegen haar in ‘t bijzonder bijeen de koninkrijken of vorstendommen, die rondom het gebergte van Armenië liggen, namelijk van Ararat (= afgaand gebergte) in het midden van Armenië, in de vlakte van den Araxes, Minni (= deel), Armenië in den engeren zin, in het westen van het gebergte, en Askenaz (= zo is het vuur verspreid), een landschap bij Armenië, waarschijnlijk Frygië in Klein-Azië (Gen. 17:3); bestelt enen krijgsoverste, die de legerscharen in den strijd tegen haar zal aanvoeren; brengt paarden, ruiterij met de beroemde snelle Armenische paarden opwaarts naar Babel, zo talrijk als ruige, 1) schrikverwekkende kevers, een bijzondere soort van door ieder gevreesde en alles verwoestende sprinkhanen, die in grote zwermen kwamen.
De Profeet bevestigt hier, wat hij te voren heeft geleerd, n. l. dat Babel, ofschoon het zich verheft op hare versterkingen, de hand Gods niet zal kunnen ontvluchten. Indien hij een eenvoudigen toon van spreken had gebruikt, zou nauwelijks iemand het gewaagd hebben, om te hopen, op datgene, wat de Profeet had gezegd. Derhalve was het noodzakelijk, die spreekwijze te gebruiken, waarvan vroeger is gesproken. Alzo komt hier hoogst gebiedend het bevel tot de Heidenen, om den oorlog te voeren tegen Babylon. Op te merken valt, dat door zodanige spreekwijze het effect van het profetisch onderwijs moest bevestigd worden. Want de ongelovigen bespotten wat zij horen, dewijl de stem Gods hen is, alsof de klank er van door de lucht vliegt. De Profeet toont derhalve, dat hij met de macht Gods is bekleed en de hand Gods met zijn mond is verbonden, zodat Hij vervult wat hij voorzegt.
Of, huiveringwekkende. De vertaling, ruige steunt op de mening, dat hier sprinkhanen bedoeld worden, bij wie de vleugels nog in ruwe, hoornachtige vleugelscheden gehuld zijn en die loodrecht op den rug van het dier staan. Het werkwoord echter, waarvan het woord is afgeleid, betekent huiveringwekkend, ijselijk zijn. Hier worden dan ook geen jonge sprinkhanen bedoeld, maar krachtige, alles verwoestende dieren, die zeer gevreesd waren. De machtige volken met hun sterke legers en machtige, sterke paarden worden hier opgeroepen om Babel te verwoesten en het oordeel Gods over dit land en volk te voltrekken.
Heiligt tegen haar de Heidenen, als de koningen van Medië, hare landvoogden en al hare overheden, de stamhoofden (vs. 11); met al hun ondervorsten en stadhouders, ja het ganse land harer heerschappij, des lands van den opperkoning der Mediërs.
Wanneer dit machtige leger tegen Babel aanrukt, om des Heeren gericht te volvoeren, dan zal het land (de aarde) van hun slagen beven {1} en pijn lijden; want elk ene van des HEEREN gedachten en raadsbesluiten, die Hij sedert langen tijd reeds over Babel heeft vastgesteld, en Zijnen Profeten geopenbaard, staat vast tegen Babel, om Babels land te stellen tot ene verwoesting, dat er geen inwoner zij in het gehele rijk. {1} Bij het aanrukken van dit geweldig leger tegen Babel, om het door den Heere besloten gericht te voltrekken, beeft de aarde. De helden van Babel geven het op om het tegenstand te bieden, en trekken zich moedeloos als vrouwen in ontoegankelijke oorden terug, terwijl de vijanden de woningen aansteken, de grendelen verbreken en de stad innemen. Dit alles ziet de Profeet als in den geest, als reeds plaats hebbende en schildert den aanval op de stad en hare inwoners met de levendigste kleuren.
Babels helden, die tot hiertoe voor de macht van geen enkel volk terugschrikten, en de grootheid van het rijk hebben gesticht en onderhouden, hebben opgehouden te strijden, bij het zien van dit machtig leger als door een schrik van boven verlamd; zij zijn gebleven in de vestingen, en durven geen tegenstand bieden; hun macht is bezweken, zij zijn tot zwakke wijven geworden; die geen tegenstand kunnen bieden; zij hebben hun woningen aangestoken; hun grendels zijn verbroken, nog voordat men gewaar wordt, dat de stad reeds is genomen.
De loper zal den loper tegemoet lopen, dat zij te gelijkertijd bij den Koningsburg zamen komen, en de kondschapper den kondschapper te gemoet, om den koning van Babel, die zonder raad of daad in zijn koningsburg aan den Eufraat in het midden der stad zit, bekend te maken, dat zijne stad van het einde 1) van alle zijden is ingenomen.
Het schijnt ons eigenlijk te zeggen, dat de ene bode zou lopen, om den andere te ontmoeten, om aan iemand dezelfde tijding te brengen. De gewone manier van spreken is, als men van zodanig iets spreekt, te zeggen, dat de ene bode den ander op de hielen volgt. Maar in dit geval beschrijft deze ongewone manier van spreken de zaak nauwkeurig; want Babel was ingenomen door een partij soldaten, die door de gracht van den Eufraat in de stad kwamen, aan elk einde van de stad, zodat de boden, die deze tijding tot den koning brachten, in zijn paleis, midden in de stad, inderdaad liepen, om elkaar te ontmoeten, begin de van rechtstreeks tegen elkaar over gelegen tijden, om hem bekend te maken, dat zijn stad aan het uiterste einde was ingenomen. Van het einde wil hier zeggen: Van alle zijden. Het was daarom, dat de boodschappers, die van alle zijden de treurmare hadden te brengen, elkaar ontmoetten.
En dat de veren 1), de plaatsen van overvaart over den Eufraat binnen de stad zijn ingenomen en door de vijanden bezet, en de rietpoelen, de meren, uit de wateren van den Eufraat tot verdediging der stad gevormd, geheel zijn droog gelegd, ja zo, dat zij met vuur verbrand zijn, en dat de krijgslieden, de laatste hoop na verwoesting van alle verdedigingsmiddelen, door de vijanden, verbaasd zijn en van vreze onbekwaam tot den strijd
.
Heeren, d. i. doorwaadbare plaatsen, heeft men in den Eufraat bij Babylon niet; er moeten bruggen en plaatsen van overvaart onder verstaan worden, daar Babylon behalve de door Nebukadnezar gebouwde stenen brug (Herod. I 186) bij zijne grote uitbreiding nog andere overgangen door schipbruggen of veren had. Dit vers toont zeer duidelijk dat Jeremia een heraut Gods is geweest en zijn tong is bestuurd door den Heiligen Geest. Hij verhaalt toch van de inname van Babylon, alsof Hij die met eigen ogen had aanschouwd. Hij zegt dat de veren zijn genomen en de meren met vuur zijn verbrand. Wij lezen niet dat Cyrus het vuur heeft aangestoken, en sommige uitleggers vertalen meren door rietpoelen, maar er zijn geen reden die ons er toe drijft om dit woord zo uit te leggen, dewijl de Profeet hier overdrachtelijk spreekt. De Profeet toont hier hyperbolisch aan, dat de veren van den Eufraat zullen uitgedroogd zijn, evenals ieder hout verbrandt door er vuur bij te brengen. Dit past wel niet bij water, maar op hyperbolische wijze drukt hij te liever het wonder uit, wat andere nauwelijks door het menselijk verstand zou geloofd worden.
De gehele schildering moet niet worden genomen als beschrijving der geschiedkundige omstandigheden bij de verovering van Babylon door Cyrus; het verbranden der rietpoelen is den ook niet te verklaren van het droogleggen van de bedding van den Eufraat door afgraving der rivier, maar is ene poëtische uitwerking der gedachte, dat alle middelen tot bescherming en verdediging van Babylon in de macht der vijanden komen, en door hen verwoest worden.
Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: De dochter van Babel is nu rijp voor haren ondergang, zij is als een dorsvloer, ene opene plaats op het veld, het is tijd, dat men ze trede, dat men die vaststampe, en alzo den aardbodem gereed maakt tot het uitbreiden van het koren en het uitdorsen, nog een weinig, dan zal haar de tijd des oogstes overkomen, wanneer het koren gedorst, door dorswagens of ossen wordt uitgetreden. Alles is gereed: het goddeloze rijk van Babel, nu de Heere gericht zal houden, zijne bewoners, de Chaldeën, aan wien het wordt volvoerd, zijn als de korenschoven, die gedorst worden, en de werktuigen voor de Goddelijke straf zijnde Meden, die als de ossen de garven, de Chaldeën, zullen vertreden (Jes. 21:10. Joël 3:13. Micha 4:13). Toen Jeremia schreef was Babel op het toppunt van haar bloei. Men kon dus tegen haar inbrengen: hoe kunt gij tegenover al wat ieder zien kan van ene verlamming van dit heerlijke krijgsleger, van ene inneming en verwoesting harer onoverwinnelijke bolwerken spreken? Jeremia antwoordde daarop: Babel is een dorsvloer; wat nu geschiedt om haar heerlijk en groot te maken, is niets dan de toebereiding van den dorsvloer voor treden. Binnen korten tijd komt echter de oogst. Babel is lang een dorsvloer geweest waarop Gods volk lang gedorst geweest is, als schoven op den dorsvloer, maar nu is de tijd gekomen dat zij zelf zal gedorst worden en hare schoven in haar. De dorsvloer is toebereid. Babel is door de zonde rijp geworden om een zaad des oorlogs te worden, en hun volk, gelijk koren in den oogst, zijn rijp voor het verderf. De Heere wil hier dus zeggen dat de tijd was gekomen dat de zondemaat van Babel vol was. De Heere had den ondergang van Babel besloten, maar diens ondergang zou niet eerder komen, dan aleer stad en land-de dochter van Babel is hier toch stad en land-rijp waren voor het verderf. Niet eerder kwam de Zondvloed, dan aleer het tiende geslacht voor het verderf was gerijpt. Evenzo Sodom en Gomorra. Na 7 maal 10 jaar zou ook voor Babel de ure der vergelding slaan. In het volgende vers wordt aangetoond, dat de straf Babel treft om de verdrukking van Israël.
Dat alles zal Babel overkomen om de misdaad aan Mijn heilig volk gepleegd. Ik hoor mijne broeders, de kinderen der dochter van Zion, klagen: Nebukadnezar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, mij opgegeten, gelijk een wild dier zijn buit verscheurt en verslindt; hij heeft de laatste draden mijns levens afgesneden en mij gesteld als een ledig vat, daar hij mijn land ontvolkt en mijn volk van alles beroofd heeft; hij heeft mij verslonden als een draak 1); hij heeft zijnen balg zijn ingewanden gevuld van mijne lekkernijen, met het schoonste en beste, dat mij de Heere in Zijn genade schonk. Niet alleen heeft hij de schatten van goud en zilver uit het heiligdom des Heeren weggeroofd en den rijkdom des lands medegenomen, maar ook alle heilige, schone instellingen en inrichtingen van het Godsrijk verwoest; hij heeft mijeindelijk, om de mate zijner vijandschap vol te maken, arm en naakt verdreven.
Bij het woord draak, woning der draken enz. moeten wij niet blijven hangen aan de bijgelovige verhaaltjes van draken en gevleugelde monsters, maar moeten wij den dieperen inhoud dier woorden overdenken. Gelijk reeds bij Job 3:8 gezegd is, gaan de verhalen van de draken met hunnen oorsprong tot in den oudsten tijd van de geschiedenis der mensen terug, en bevatten ene duidelijke, hoewel met allerlei bijzondere verhalen uit latere ervaringen des volk bedekte en vermengde herinnering aan den vijand van God en mensen, die den mens in den beginne als slang vol list en leugen en moordlust van zijne zaligheid beroofde, die het volk Gods van het Oude Verbond, om het begin tot herstelling van het verloren paradijs, dat in hem aanwezig was, heeft vervolgd, die Christus en de Zijnen vervolgd heeft, en met dodelijken haat vervolgen zal tot aan zijn schijnbaar behaalden triomf, welke echter tevens het einde zijner heerschappij en het begin der eeuwige woestheid van den tweeden dood voor hem en zijn rijk zal zijn. Wanneer nu het woord thanin door “draak” is vertaald, dan doelt het tevens zeer juist daarop, dat het rijk van Babel, hetwelk voor de eerste maal Gods rijk geheel heeft verslonden, en zich daarover in de ontwikkeling der wereldmacht heeft betoond een afbeeldsel en ene nieuwe misgeboorte van het onzichtbare rijk der duisternis, van den helsen draak, van den duivel geweest te zijn. De Gods vijandige rijken der wereld hebben ten allen tijde de drakennatuur gehad, en die tegenover Gods rijk betoond; zij zullen die hebben en steeds duidelijker tonen, tot het laatste antichristelijke wereldrijk het geheim der boosheid openbaar zal maken, en het teken van het dier, den draak, duidelijk in zich zal dragen. Deze drakennatuur heeft de drie zijden van list, leugen en moordlust. Deze drie zijden heeft ook het Babylonische rijk van het begin zijner aanraking met Israël betoond, gelijk uit de geschiedenis kan worden aangewezen.
De Heere heeft lang gezwegen bij al die daden van geweld, en Zijne wraak lang doen rusten. Maar nu het geweld, dat mij in mijn vlees is aangedaan, zij op Babel! 1) zegge de inwoneres van Zion; en mijn bloed, dat Babel gretig heeft verslonden, worde tot een gericht der vergelding, het zij op de inwoners van Chaldea! zegge Jeruzalem. 2)
Merk hier aan: het verderf is niet ver af van diegenen, welke onder de schuld liggen van kwaad, dat Gods volk is aangedaan, want Hij trekt zich hun zaak aan en wreekt ze. Met deze woorden geeft de Heere God zijn volk recht om den vloek en de ellende, waaronder zij hebben gezucht, op de verdrukkers te leggen, niet om daarmee voor eigen eer op te komen, maar dewijl Babel in Zijn volk den Heere God heeft aangerand en aangetast. De zaak van Israël is de zaak Gods. Hij mag lang zwijgen, maar eindelijk neemt Hij het op voor Zijn volk, opdat hun vijanden het ervaren, dat zij met een machtig uitreddenden God te doen hebben. Hierin schuilt een schat van troost voor alle Gods kinderen in.
De dochter Zions. is niet alleen de persoon, die de burgerij van Zion vertegenwoordigt, maar tevens de ziel der stad en harer ruimte; de stad is als het ware het lichaam. Dit lichaam van de dochter Zions, is van zijne inwoners, van zijne kostbaarheden, van zijnen inhoud beroofd en gelijk aan een ledig vat. In deze beide verzen (vs. 34 en 35) ligt niet slechts ene klacht over de onrechtvaardige behandeling door Babel uitgesproken, waarmee Farizese hoogmoed of eigengerechtigheid verenigbaar zou zijn, maar tevens ligt daarin verborgen de boetvaardige en ootmoedige erkenning van eigen schuld en strafwaardigheid, een appelleren van den strengen rechter van het huis Gods op den Ontfermer en Heiland, die des zondaars dood niet wil. Gelijk uit vs. 36 duidelijk wordt, waar de Heere belooft, dat Hij die Wreker wil zijn voor dit Zijn volk, al is de schuld ook zwaar en al is het door Zijne toelating tot nabij den dood gekastijd. Terwijl Israël Babel aanklaagt, verklaart het tevens zich te willen scheiden van Babels hoogmoed en verkeerdheid tegen God en Zijn rijk, en den Heere te willen erkennen als alleen rechtvaardig en als den gene, die juist in de zware slagen Zijne liefde voor Zijn volk heeft betoond. De slag van de tuchtroede heft ons hoofd op, zodat wij zien op Hem, van wien de slag komt. Jezus aangezicht dreigt, maar Zijn hart bemint. Het dreigen moet ons verschrikken, zodat wij ons tot Zijn hart wenden, dat naar onze bekering verlangt. Jezus hand dreigt, maar Zijn hart is vol medelijden. Zijne dreigende hand wil ons naar Golgotha drijven, opdat wij ons daar in Zijn medelijdend hogepriesterlijk hart laten insluiten. Zijn woord dreigt, maar Zijne barmhartigheid trekt ons aan. Ja ja! Zijn afstoten is aantrekken; Zijn dreigen roept ons, opdat Hij ons liefkoze. Zijn bestraffend woord is een reinigend woord, omdat Hij ons tot de reinigende bron op Golgotha leidt. Hoe meer de wereld en de satan u kwellen, des te meer stoten zij u af, maar Christus trekt u aan. Wereld en satan dienen tot uw zieleheil en tot het rijk van Jezus genade, daardoor, dat zij het tegendeel bereiken, van hetgeen zij willen. Dat heeft God zo bestuurd, daarom voert hij Zijne tuchtroede door vreemde en vijandige hand, opdat deze u gehaat worde, maar Zijne trouwe hand u recht hartelijk dierbaar worde.
Daarom, zo zegt de HEERE tot zijn klagend en in ellende smachtend volk, de dochter van Zion en Jeruzalem; Ziet, Ik ben toornig op u geweest en heb u gekastijd om uwe zonden, die gij tegen Mijne Heilige geboden en Mijn verbond hebt misdreven; maar ik heb u niet geheel verworpen. Nu is de tijd gekomen, dat Ik Mij uwer weer wil ontfermen. Ik zal als uw Pleitbezorger, Beschermer en Verdediger optreden. Ik zal uwen twist twistentegen Babel, en uwe wraak wreken in elk opzicht, waarin zij tegen Mijnen wil verkeerd omtrent u gehandeld heeft; en Ik zal hare zee, den rijken overvloed van water, aan welke het land van Babylonië zijne vruchtbaarheid en de grote hoofdstad van dit wereldrijk hare macht te danken heeft, namelijk den Eufraat, met hare kanalen, meren en moerassen, droog maken, en hare springader, de bron, waaruit tot hiertoe haar rijkdom en macht voortvloeide, namelijk den Eufraat, opdrogen. Alzo zullen armoede en machteloosheid over haar komen en hare geweldige hebzucht zal haar verdiend loon ontvangen (Hoofdst. 50:34; 51:6).
En Babel, het wereldrijk met zijne afgodische hoofdstad, zal alsdan worden tot woeste steenhopen, aan welker puin ieder de voorbijgegane heerlijkheid en Gods vergeldende hand duidelijk zien kan; het zal worden tot ene woning der draken, ene plaats waar de dieren der woestijn, als jakhalzen en anderen zich ophouden, ene ontzetting, een voorwerp, waarop een ieder met verwondering en met afgrijzen nederziet, en ene aanfluiting, zodat de mensen het hoofd schudden en met spotachtig medelijden de vernietigde grootheid beschouwen. Ik zal het alzo vernietigen, dat er geen inwoner zij, daar ieder vreest door den vloek te worden getroffen, die op de plaats rust.
De Chaldeën zitten nu rustig en vol genot in hun groot en machtig rijk. Zij zullen te zamen brullen als jonge leeuwen, wanneer zij hunnen buit verscheuren, en briesen als leeuwen-welpen 1), wanneer zij hunnen roof in veiligheid hebben gebracht. (Amos 3:4).
Dit wil niet zeggen, zoals sommigen menen, dat tengevolge van de verwoesting zij zullen brullen als de leeuwen en briesen als leeuwenwelpen, maar dat zij zullen te gronde gaan te midden van hun genot en van hun zwelgerij. Het woord briesen geeft toch aan, een gebrul geven van genot, van wellust onder een goeden maaltijd. Welnu de Babyloniërs zouden te midden van hun eten en drinken, van zwelgen en genot smaken overrompeld worden door de Perzen, gelijk dan ook geschied is. Gelijk het gegaan was in de dagen van Noach en in die van Lot, zo zou het ook in die dagen geschieden, waarom de Profeet spreekt. Treffend beeld van hetgeen met den wereldling dikwijls gebeurt op geestelijk terrein, als de oordelen Gods van dood en verderf hem treffen, juist als hij die in het geheel niet verwacht.
Als zij door den gloed van vraatzucht verhitzuilen zijn, zal Ik de Heere, die het tot hiertoe rustig aanzag, hunnen drank, een drank van anderen aard, die hun toekomt, opzetten, en zal hen dronken maken van den wijn Mijns toorns, opdat zij als dronkenen opspringen; maar zij zullen enen eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de HEERE. De geschiedenis, dat Cyrus Babylon innam, terwijl de Babyloniërs een feest vierden, en drinkgelagen hielden, is toch ene wonderbare leiding Gods, door welke Hij de woorden van Zijnen knecht op de meest bijzondere wijze, en wel als uit den geest der profetie bevestigde. Eveneens heeft meermalen de vervulling op de concreetste wijze ene in ‘t algemeen geuite profetie tot versterking van ons geloof bevestigd. In ons vers moet in de eerste plaats alleen de gedachte worden uitgedrukt, dat de bewoners van Babel midden onder het zwelgen van de aan de volken ontnomen rijkdommen en schatten door het gericht des doods werden overvallen.
Ik zal hen, alle inwoners van Babel van alle standen, geslachten en ouderdom, uit hun hoogte afvoeren als lammeren om te slachten, als rammen met bokken, en zij zullen Mij tot slachtoffers worden (Hoofdst. 48:15; 50:27. Jes. 34:6. Ezech. 39:18).
Hoe is Sesach, d. i. Babel, het thans boven alle macht der wereld verhevene, zo veroverd (Hoofdst. 25:26), en de roem der ganse aarde, de geprezene onder alle steden, uitstekende door heerlijkheid en glans, zo plotseling ingenomen(Hoofdst. 49:25). Hoe is Babel geworden tot ene ontzetting onder de Heidenen, 1) zodat men het met de grootste verwondering aanschouwt?
Hier wordt een uitroep van verbazing vernomen welke door de Heidenen wordt aangeheven. De val, en wel zulk een val, brengt alle volken in verbazing en ontzetting. Want het is een val van de machtigste wereldmacht van die dagen, waarvoor alle volken gevreesd hadden. In vs. 42 en 43 wordt de wijze waarop zij tot dien val komt beschreven, en de mate harer verwoesting.
Ene zee van sterke en grote volken, die de Heere zelf geroepen heeft (Hoofdst. 46:7), is over Babel gerezen, door de veelheid harer golven is zij bedekt, gelijk ook eens Faraö met geheel zijne legermacht door de bruisende golven der Schelfzee werd verslonden, omdat het Gods volk onderdrukte en niet wilde laten trekken.
Alzo heeft de woedende en golvende zee van het vijandige leger ook Babel overstroomd en allen verslonden. Hare steden zijn geworden tot verwoesting, een dor land en wildernis; een land, waarin niemand woont, en waar geen mensenkind doorgaat (Hoofdst. 48:9; 50:12; 49:18, 33).
En Ik zal tegelijk met Babels val bezoeking doen over Bel te Babel (Hoofdst. 50:2), den hoofdgod van het afgodische rijk, dien zij voor den behoeder en beschermer hunner macht en heerlijkheid houden. Ik zal hem door Mijn gericht vernietigen, en Ik zal uit zijnen muil uithalen wat hij verslonden heeft 1), alle volken met hun have en goed, zowel als de vrijwillige geschenken, die men hem in zijnen groten tempel heeft gebracht, in ‘t bijzonder Israël, en zijne kostbare tempelschatten en heilige vaten (Dan. 1:3. Jes. 46:1 En de Heidenen zullen voortaan niet meer tot hem toevloeien, om hem in blinde verering hun goederen en schatten te wijden; want ook het hoofdbolwerk, waarop het zich naast zijnen god Bel verliet, Babels muur, die buitengewoon sterke, dubbele muur, de buitenste 480, de binnenste 370 stadiën lang, is gevallen. 2).
Met de verovering van Babel, werd Bel de hoofdgod der Babyloniërs gestraft, en niet alleen hem zijn roof ontnomen maar ook zijn roem vernietigd. Bij den roof, die Bel verslonden had en die hem uit zijn muil werd gescheurd, heeft men niet slechts aan de heilige gereedschappen, die in den Belustempel neergelegd waren (Dan. 1:3), en de vrijwillige wij-geschenken, die hem vermaakt werden, maar alle buitgemaakte goederen, wat Babel den volkeren ontnomen had, en de volken zelf met lijf en leven, have en goed, wat Babel had verslonden. Dit alles zou nu uit zijn muil worden gescheurd. Met den ondergang van Babel stort Bel neer, zodat gene volken meer tot hem komen, om hem hun goederen en schatten te wijden.
Dat hier ook van Babels muren gesproken wordt is omdat hare inwoners meenden, dat men achter die muren veilig en verzekerd was. Maar ook deze zullen vallen, zodat alle veiligheid weg was en Babels inwoners geen toevlucht en geen sterkte meer hadden.
Gaat uit, Mijn volk 1) gij zijt tot de vrijheid gekomen! gaat uit het midden van haar, scheidt u inwendig en uitwendig van haar af, en redt een iegelijk zijne Ziel, van wege de hittigheid van den toorn des HEEREN, 2) die zich over het goddeloze rijk zal uitstorten (vs.
(Hoofdst. 50:8).
Hier vermaant de Profeet den Israëlieten om te vluchten uit Chaldea en Assyrië. Evenwel heeft deze vermaning een ander doel, n. l. om te bezielen tot vertrouwen op hun bevrijding. Want nauwelijks was het te geloven, dat zij ooit een vrijen uitgang zouden hebben, dewijl Babel als een graf voor hen was. Terwijl zij derhalve tot uitgaan vermaand worden, wijst God Zich zelven aan als hun Verlosser, zoals Hij hun beloofd had. Deze bijvoeging moet een prikkel voor Israël zijn, om waarlijk zich tot de vlucht uit Babel aan te gorden. Zij moesten weten dat de toorn Gods, de hittigheid van Zijn toorn op Babel rustte. Bleven zij dus in dit land zo zouden zij ook de hittigheid van dien toorn ondervinden. Hun vlucht was derhalve een redden van hun eigen leven. De Heere gebruikt dien prikkel, omdat Hij weet, hoevelen zich in Babel thuis zouden gevoelen.
En opdat ulieder hart misschien niet week worde 1), en gij vreest van het gerucht, van allerlei beangstigend geschreeuw, dat gehoord zal worden in het land van Babel, als Mijn toorn zal worden uitgestort; want er zal een verschrikkend gerucht komen in het ene jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar); en er zal allerlei krijgs-geweld zijn in het land, heer over heer 3), de ene vorst tegenover den ander, zodat de wereld in hoe langer hoe groter verwarring komt.
Met dezelfde woorden bemoedigt en vertroost de Heere Christus Zijne discipelen van wege de verschrikkingen, die aan het einde der tijden aan Zijne toekomst in heerlijkheid vooraf zullen gaan (Matth. 24:6. Mark. 13:7. Luk. 21:9) Hieruit blijkt, dat de verovering van Babel en de ellende, die daaraan vooraf ging, en door Israël mede moest worden gedragen, een voorbeeld waren van de verwoesting van het Babel van den laatsten tijd, en van de daaraan voorafgaande grote verdrukking; dat dus de geest der voorzegging in onze verzen ook op dat laatste Babel doelt. Ja dat dan eerst Jeremia’s profetie geheel vervuld zal zijn. Babels val is steeds de verlossing van Gods volk. Alle gerichten die over de wereld komen, zijn een spiegel en teken van het gericht der beslissing, hetwelk nadert, van den val van Babel en van de verlossing der kinderen Gods. Daarom is het woord in alle voorlopige gerichten op zijne plaats: “Uw hart worde niet ontroerd, maar heft uwe hoofden op, omdat uwe verlossing nabij is. ” Deze vermaning komt echter alleen tot hen, die zich in deze voorlopige gerichten, welke over de wereld komen, dagelijks verootmoedigen en de verdrukking mede lijden, die zich dagelijks meer van allen afgodendienst der wereldmacht reinigen.
Grote omkeringen worden altijd voorafgegaan en voorbereid door allerlei schokken en beroeringen, waarvan de tijdingen met snelle afwisseling op elkaar volgen, zodat soms in één jaar meer gebeurt, dan waarvan anders ene eeuw gewaagt; gebeurtenissen nochtans, die allen door geweld, door bloedstorting en inwendige bewegingen gekenmerkt zijn. Hier van wordt in dit vers een tafereel opgehangen. De mening is eenvoudig deze: dat de Joden, wanneer zij Gods raad opvolgden, niet te vrezen hadden voor de beroerende geruchten, van den optocht der Meden en Perzen tegen Babel, naardien de Heere voor hen zorgen zou en te weeg brengen dat zij vrij naar hun vaderland konden wederkeren. Voorts leert ons de geschiedenis, dat men in het ene jaar een gerucht hoorde van Cyrus optocht tegen Babel, terwijl het volgende jaar verliep met zijn tocht naar Assyrië, alwaar hij in verscheidene omstandigheden aanmerkelijken tegenstand gevonden heeft. In het derde jaar drong hij door tot Chaldea en nadat hij het leger van Neriglissar overwonnen had, sloeg hij het beleg voor Babel, en brak het niet op, voordat hij de stad bemachtigd had.
“Heer over heer” of, “heer tegen heer, ” dat is: Cyrus tegen Belsazar of Balthazar, gelijk de Grieken hem noemden. Sommige vertalen deze woorden door heerser, en zij verklaren ze van de verwisselingen van heersers in Chaldea binnen een kort bestek van tijd; te weten, eerst Belsazar, toen Darius en vervolgens Cyrus; dewijl zulk ene verwisseling van regeerders gemeenlijk veel onrust baart zo meent men, dat God hier Zijn volk wil versterken tegen dit bijzonder onheil, door de verzekering, dat die verwisseling van vorsten hen geenszins zou benadelen, want de nieuwe koningen zouden hen veeleer helpen en begunstigen dan hen beschadigen, of hun welvaren hinderlijk zijn.
Vreest dan niet. Daarom, omdat dit alles voorboden zijn van het beslissende gericht, dat nadert, ziet, de dagen komen, dat Ik bezoeking zal doen over de gesnedene beelden van Babel, en over alle misdaden van Babel aan Mij en Mijn volk; en haar ganse land zal beschaamd worden, en al hare verslagenen, al hare inwoners in haar gedood, zullen in het midden van haar liggen.
En de hemel en de aarde, mitsgaders al wat van zichtbare en onzichtbare wezens daarin is, zullen juichen over den ondergang van het grote wereldrijk van Babel; want van het noorden zullen haar de verstoorders, de werktuigen van Gods toorn aankomen, en haar geheel vernietigen, spreekt de HEERE. Ook deze woorden vinden, hoewel de verwoesting van het rijk der Chaldeën en van de stad Babel ene gebeurtenis was, die de gehele oude wereld deed beven, en bij vele volken gejubel opwekte, eerst dan hun ware vervulling, wanneer het eens het anti-christelijk rijk Babel, de volkomene schepping van het rijk der duisternis door den almachtigen arm van den Christus, die in heerlijkheid met alle heilige engelen zal verschijnen, ineen zal storten. Want als nu reeds de Engelen Gods en het gehele rijk des lichts een triomfeert vieren, als een enkel zondaar zich bekeert, en het rijk der duisternis slechts op een enkel punt wordt geslagen, hoe veel te meer zal het rijk des lichts in den hemel en op aarde een luid triomfgezang aanheffen, als het gehele rijk der duisternis in elkaar stort. (Openb. 19:1 vv.).
Gelijk Babel geweest is tot enen val der verslagenen van Israël, het volk Gods op aarde naar de verkiezing, alzo zullen ter vergelding te Babel de verslagenen des gansen lands 1) vallen.
In één hoofdzaak vat de Profeet zamen, dat ofschoon God tijdelijk duldt, dat de goddelozen tegen de kerk woeden, Hij echter een rechtvaardig Rechter zou zijn, zodat zij op hun tijd werden gekastijd, die zo wreed waren geweest. Daarom moet men volstrekt niet wanhopen, wanneer God zo veel verlof geeft aan de goddelozen, dat zij de ellendigen en onschuldigen wredelijk behandelen, dewijl hetzelfde eertijds het oude volk ten deel viel. Het was de kerk Gods tegen wie de Chaldeën dat beulswerk hebben uitgeoefend, waarvan Jeremia spreekt. Het waren derhalve kinderen Gods, die als vee gekeeld werden. Beter is de vertaling van het laatste: de verslagenen der ganse aarde. De Heere wil hier toch zeggen, dat gelijk Israël viel door Babel, Babel het te doen was om Israël ten val te brengen, zo zullen ook uit alle delen der aarde door Babel ten val komen, verslagen worden. In Babel toch bevonden zich niet alleen Babyloniërs, maar mensen uit alle delen der aarde, dewijl het toen de wereldmacht was.
Gij kinderen van Gods volk, ontkomenen van het zwaard, ontkomen aan de grote verdrukkingen onder Babels heerschappij en eindelijk ook aan het doodsgevaar der naderende gerichten! gaat weg met vreugde en vrede naar uw vaderland, en blijft niet staan op uwen weg, onbesloten, ziet niet om, opdat u niet het lot van Lots vrouw treffe. Laat uwe harten uwe voeten verre voorgaan; gedenkt des HEEREN altijd, tot den dag uwer verlossing, met verlangen, denkt aan de zaligheid in Zijne gemeenschap, van verre, in het vreemde land, terwijl gij nog zonder Zijne nabijheid en Zijnen dienst in den vreemde moet toeven, en laat Jeruzalem, de stad Gods, waar men Zijne wonderen predikt, en voor Zijn heilig aangezicht aanbidt. het doel van uwe hoop, en van uw verlangen, in ulieder hart opkomen 1) (vs. 45. (Hoofdst. 50:8).
Wederom beveelt de Profeet den gelovigen haastig e vluchten uit Chaldea. Maar hij zegt, wie ontkomen is van het zwaard. Hij wijst dus aan dat er een zeer grote slachting zou plaats hebben, welke ook velen van het volk Gods zou treffen en wegnemen. En wij weten dat onder die menigte er velen zijn geweest, die dien treurigen ondergang verdiend hadden, maar nu wendt de Profeet zijn rede tot hen, die door een bijzondere genade Gods bewaard zouden worden. Hij beveelt denzulken dus weg te gaan, zodat zij nergens halt hielden of den voet lieten rusten.
Laat zeker op het stoflijke, maar nog meer op het geestelijke Jeruzalem, op de woning der gerechtigheid uwe blikken en uwe schreden gericht zijn. Dit was tevens voor alle ballingen gedurende den tijd der gevangenschap ene troostvolle bemoediging. Zions hoop niet op te geven en den Heere, den Heilige in Israël, getrouw te blijven. Aan dezen troost leenden ook de vromen in de gevangenschap het oor (Ps. 137:5, 6). Het heimwee naar God hebben alleen de onverdrotene arbeiders en de onvermoeide strijders. Zij zijn strijdlustig, tot den strijd gereed, tot den arbeid bekwaam, en in het werk getrouw. Zij verlangen naar het zien van Jezus om Jezus wil. Zij willen het zien van Jezus niet als middel aanwenden om vrij te worden van de plagen der aarde. Integendeel, zij dragen de plagen om Jezus wil met vreugde en tot Jezus eer. Thomas à Kempis zegt: Goede Jezus, wanneer zal ik eens voor U staan en U zien? Wanneer toch de heerlijkheid van uw rijk aanschouwen? Wanneer zult Gij mij alles in allen zijn? Wanneer, o wanneer zal ik met U in Uw rijk zijn, dat Gij van eeuwigheid Uwe geliefden hebt bereid. Als een arme en verbannene ben ik verlaten in het land van den vijand, waar niets dan bedrieglijke strijden het grootste onheil wordt gevonden. Troost mij toch in mijne ellende, verzacht mijne smart, want al mijn verlangen is naar U. ” Scriver spreekt en bidt in heimwee het volgende: “In deze wereld worden onze ogen nog gehouden, dat zij niet geheel naar wens den glans en de zaligheid zien, die bij God is; ook worden zij dikwijls door tranen verblind, en door vermoeidheid toegedrukt. De wereld is als een vertrek vol rook, waarin de ogen weinig verkwikkends van den Heere zien. Wanneer echter de Heere ons zal verlossen uit alle kwaad, dan zullen wij verlichte ogen hebben om den rijkdom der erfenis Gods te zien, en zijne helderheid en heerlijkheid zal ons rondom omgeven. Baxter zegt: Denk u enen armen Christen, van klein verstand, kort geheugen, stamelende tong, maar zijn hart is tot God gericht. Hij heeft den Heere tot zijn deel gekozen; zijne ziel leeft in de eeuwigheid, zijn verlangen is daarheen gericht; hij roept dikwijls: Och, dat ik daar ware! Hij beschouwt den dag als verloren, op welken hij geen verkwikkenden blik in de eeuwigheid heeft kunnen doen. Dit reine, sterke heimwee is de reine begeerte van de ziel der bruid tot haren zielsbruidegom eigen. Deze begeerte heeft de bruid van Christus gehad, zo lang Christus zich in de aan Hem verloofde zielen heeft geopenbaard, gelijk Johannes in de Openbaring in het laatste vers spreekt: Die deze dingen getuigt zegt: “Ziet, Ik kom haastiglijk, Amen! Ja, kom Heere Jezus!” Laat, o Heere mijn hart door zulk een heimwee worden ontbrand. Wees Gij in mij, opdat ik mij zelven eens moge zien verlangen naar U. Scheid mij af van de vreugde der wereld en verbind mijn hart met het vaderland. Amen.
Wel mogen wij, die Gij, o Heere! vermaant, om aan U en Jeruzalem met heimwee en verlangen te denken. in diepe droefheid zijn. Gij moogt zeggen: Wij 1) zijn om onzer zonden wil beschaamd geworden, want wij hebben de versmaadheid van Babel, dat in ons volk en land verwoestende en plunderende inviel, gehoord, schaamroodheid heeft ons aangezicht bedekt, zodat niets meer van Uw volk daarop te zien was; omdat uitlandsen, de afgodische Chaldeën, over de heiligdommen van des HEEREN huis gekomen zijn.
Wij moeten met Calvijn e. a. de rede in vs. 50 opvatten als een bedenking, welke de Profeet in den naam van de gemeente tegen den eis aan Jehova en Jeruzalem, uitspreekt, om dien uit den weg te ruimen, in dezen zin: Wel is waar kunnen wij zeggen: wij zijn te schande geworden, want wij hebben hoon en smaad genoeg ervaren, maar daarom zal nu Babel ook verwoest en uitgedelgd worden. Ter wille van deze zaak had schaamte de aangezichten van ‘s Heeren volk bedekt; want het was vreselijk, dat andere mensen de heilige plaats binnen drongen, die alleen voor de priesters was. Overal rondom ons zien wij gelijke reden tot droefheid. Hoe vele ongoddelijke mensen worden onderwezen, met het doel om zich aan het leraarsambt toe te wijden. Welk ene schreeuwende zonde is die plechtige leugen waardoor onze ganse bevolking in naam in ene Nationale kerk opgenomen wordt. Hoe verschrikkelijk, dat de bondszegelen op de onbekeerden worden gelegd, en dat in de meer verlichte gemeenten van ons land de tucht zo weinig gehandhaafd wordt. Indien de duizenden, die deze bladzijde lezen, deze zaak heden aan de voeten van den Heere Jezus leggen, zal Hij tussen beide treden en het kwaad afwenden, dat anders over Zijne Kerk zal komen. Het vervalsen der Kerk is als het ontreinigen ener bron, als het gieten van water op het vuur, als het zaaien met stenen in een vruchtbaar land. Dat wij allen genade mogen ontvangen, ieder in zijn weg, om de reinheid der Kerk te handhaven als ene verandering van gelovigen en niet ene natie, ene onheilige verzameling van onbekeerde mensen. Onze ijver moet echter te huis beginnen. Dat wij ons zelven onderzoeken, wat ons recht betreft, om aan des Heeren tafel te eten. Laat ons toezien, dat wij met ons bruiloftskleed bekleed zijn, opdat wij zelf gene indringers in de heiligdommen des Heeren zijn. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren; de weg is eng en de poort is nauw. O, dat wij de genade ontvangen, om op de rechte wijze tot Jezus te gaan met het geloof van Gods uitverkorenen. Hij die Uza doodde omdat hij de ark aanraakte, ijvert zeer voor zijne twee inzettingen; als een waar gelovige mag ik vrij toegaan, als een vreemde mag ik deze niet aanraken, opdat ik niet sterve. Onderzoek des harten is de plicht van allen, die gedoopt worden, of tot ‘s Heeren tafel naderen. Doorgrond mij, o God, en kan mijn hart; beproef mij en ken mijne gedachten.
Maar juist daarom bezoekt Gij thans onzen smaad en de ontheiliging van Uw huis aan Babel; ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik bezoeking doen zal over hare gesnedene beelden; 1) en de dodelijk verwonde zal kermen in haar ganse land; het gekerm der verslagenen zal het ganse land vervullen.
Toen Babel den tempel van Jehova innam en verwoestte, had het geschenen alsof Babels macht en de macht der afgoden van Babel groter was geweest, dan die van den Heere, den God van Israël, maar nu zou het blijken dat dit alles slechts schijnbaar was geweest. Want schitterend zou de macht des Heeren uitkomen, als Hij Babel en hare afgoden verwoestte en verstrooide, als Hij zich als de Almachtige openbaarde, over de grootste en enige wereldmacht van die dagen.
Hoe zou het mogelijk zijn, dat de vijandin Gods Mijn oordeel ontkwam. Al klom Babel ten hemel op (Jes. 14:12), al beproefde zij nogmaals enen toren te bouwen die ten hemel reikte, en al maakte zij vast de hoogte harer sterkte, ene beschutting van nog sterker muren en bolwerken, zo zullen haar toch verstoorders van Mij overkomen, dien zij geen weerstand kan bieden, spreekt de HEERE.
Reeds staat hare verwoesting voor Mijne ogen. Hoort, er is ene stem des gekrijts uit Babel, en ene grote breuk, een groot gejammer over verwoesting en verplettering uit het land der Chaldeën (Hoofdst. 50:23, 46; 48:3).
Want het is een vast en onherroepelijk besluit: de HEERE verstoort Babel als de vijandin van Hem en van Zijn rijk, en zal de grootse stem uit haar doen vergaan; want hunlieder golven zullen bruisen als grote wateren, het geruis van hunlieder geluid, het geruis der vijandige legerscharen, die dat te weeg brengen, zal zich verheffen (Jes. 17:12). Gelijk ene grote menigte volks wordt vergeleken bij wateren (vs. 13), zo wordt ook het geraas en geluid, dat men in volkrijke steden hoort vergeleken bij de golven der zee (Jes. 22:2).
Want de verstoorder komt over haar, 1) over Babel, en hare helden zullen gevangen worden, hunlieder bogen met al hun overige wapenen zijn verbroken. Dat alles moet geschieden, want de HEERE, de God der vergelding, de God van Israël, de eerste en de laatste, buiten wien er geen God is, zal hun zeker betalen voor al hun misdaad naar Zijne strenge rechtvaardigheid.
Wanneer de berover over Babel zal komen, zullen de helden, die hem het hoofd moesten bieden, terstond gevangen genomen worden, hun oorlogswapenen zullen feilen en hun niets baten. Staatkunde begeeft hun, zij roepen krijgsraden zamen, maar hun vorsten en hoofdmannen, die in den raad zitten om maatregelen te nemen tot de algemene veiligheid, zijn dronken gemaakt, zij zijn als dronken mensen door verbaasdheid, domheid of wanhoop. Zij kunnen geen recht denkbeeld van de dingen maken, zij twijfelen en zijn ongestadig in hun raadslagen en besluiten, en stoten de een tegen den ander en vallen als dronken mensen over elkaar; en eindelijk slapen zij een eeuwigen slaap en ontwaken nooit weer van hun wijn, den wijn van Gods toorn, want die is voor hen een slaapdrank, die hen in een doodslaap doet vallen.
En Ik zal elke beschutting, die hunnen ondergang enigszins zou kunnen ophouden, te niet doen; hare vorsten en hare wijzen, hare landvoogden, en hare overheden, en hare helden zal Ik dronken maken, allen, die het rijk hebben bestuurd en bewaard, zal Ik uit den beker Mijns toorn drenken. En zij zullen enen eeuwigen slaap slapen en niet opwaken(vs. 49); spreekt de ware en eeuwige Koning, a) die ook een Koning en Heere van Babel is en een Heere der oorlogen, wiens naam Is HEERE der heirscharen, eeuwig gebieder over alle krachten en machten des hemels en der aarde (Hoofdst 48:15).
De Oosterse koningen noemden zich letterlijk “de groot-koning”, d. w. z. de over alle koningen heersende, maar hier noemt de Heere Zich den Koning, den Koning der koningen, den Heere der heren, der heirscharen, om daarmee zo helder te doen uitkomen, dat Zijne heerschappij ook gaat over Babels machtigen heerser.
Zo zegt de HEERE der heirscharen: Niet alleen de levende muren om Babels rijk, ook die brede stenen muur van Babel zal ten enemaal ontbloot worden en tot op den grond verwoest, en hare hogeprachtige poorten zullen met vuur aangestoken worden. Dan zal worden bevestigd wat de Heere door Zijnen Profeet Habakuk (Hoofdst. 2:13) van alle ondernemingen der Chaldeën gezegd heeft, zodat de volken te vergeefs zullen hebben gewerkt, wat zij in het rijk van Babel tot roem harer afgoden hebben gedaan, en de natiën ten vure, ten gerichte van den waren God zullen gearbeid hebben, wat zij in de stad en het rijk van Babel hebben tot stand gebracht, dat zij mat werden. De hoogte en sterkte, die Herodotus aan de muren van Babel toekent, is zonder twijfel overdreven. Daar de Medische muur, de eerste verdedigingslinie des lands, ene hoogte van 100 voet en ene dikte van 20 had, daar Xenophon in Nineve muren van 150 voet hoogte zag, zullen wij in overeenstemming met de opgave van Plinius (VI 26) met enige zekerheid kunnen aannemen, dat de muur van Babylon ene hoogte van 200 voet had boven den grond, en ene daarmee overeenkomstige dikte van 30-40 voet. Deze dikte was genoeg, dat, gelijk Herodotus en Strabo berichten, boven over den muur vierspannen konden rijden en elkaar konden ontwijken, even als boven over den muur van Nineve plaats voor drie wagens was. De poorten, die den toegang tot de stad openden, waren volgens Herodotus met fraai opgesierde gebouwen voorzien; de posten, vleugels en drempels der poorten waren van erts (M. Dunker) vgl. bovendien wat Dan. 4:2 over Babel en hare ruïnen gezegd is. 59. VIIId. Vs. 59-64. Nu volgt een slotwoord op de voorzegging van Babel’s ondergang. De koning Zedekia namelijk ondernam in het jaar 594 v. C. in het 4e jaar zijner regering, ene reis naar Babylon, om aan Nebukadnezar een bewijs van zijne trouw en van eerbied te geven. Deze toch had steeds reden om wantrouwend te zijn tegenover den wankelmoedigen koning, dien hij zelf had aangesteld. Eerst kort te voren had dezelfde Zedekia op aandringen van Jeremia afgezien van ene door de gezanten der Moabieten, Edomieten en Feniciërs hem voorgeslagene zamenzwering, en kort daarna in het jaar 590 werd hij werkelijk van Nebukadnezar afvallig (Hoofdst. 27:1; 28:1. 2 Kon. 24:20). Van die voor Juda diep verootmoedigende reis maakte Jeremia gebruik; hij droeg aan den reisgezel des konings, Seraja, den broeder van zijn getrouwen helper Baruch op, om de profetie omtrent Babel’s ondergang (Hoofdst. 50 en 51) mede te nemen en als een onverbreekbaar woord des Heeren over het nu zo machtige Babel op de plaats zelf voor te lezen met aanroeping van den naam des Heeren. Vervolgens moest hij de rol des boeks met een steen bezwaard, in den Eufraat werpen, om daardoor Babel’s zekeren ondergang en des Heeren getrouwe vervulling zijner belofte omtrent den val van dit wereldrijk na 70jarige heerschappij, tot vertroosting der vromen in Israël en tot versterking hunner hoop op de verlossing van Israël uit Babel duidelijk af te beelden. Alzo maakt dit slotwoord een geloofversterkend zegel uit en een Amen over de grote profetie tegen Babel, die verlossing van het volk en het rijk van God uit alle slavernij in ‘t algemeen, uit den spot en de tyrannie der wereldmacht toezegt.
Dit is het woord, dat de Profeet Jeremia beval aan Seraja(= vorst van Jehova), den zoon van Nerija, den zoon van Machseja, waarschijnlijk een broeder van Baruch, den getrouwen vriend en helper van den Profeet (Hoofdst 32:13), een eveneens godvruchtig man, waarom ook aan hem de opdracht werd gegeven, als hij van (beter: met) Zedekia, den koning van Juda, vazal van Nebukadnezar, naar Babel toog, om den koning hulde te geven en te overtuigen van zijne trouw. Deze reis van Zedekia had plaats in het vierde jaar zijner regering, hetzelfde jaar waarin de boden der Moabieten, Edomieten en Feniciërs kort te voren naar Jeruzalem waren gekomen, om den koning tot een verbond en tot gemeenschappelijken afval van Babel te bewegen; en Seraja was aan vreedzaam vorst (Hebr. : de bevelhebber der rust, d. i. voerde het bevel over den tocht, was reismaarschalk). De reis van Zedekia naar Babel bewijst, dat van een verbond met die naburige volken niets gekomen is, hetzij omdat de berichten uit het Oosten (Nebukadnezar bevond zich juist in een oorlog met Medië) de zaak als te gevaarlijk lieten aanzien, of omdat de waarschuwingen van Jeremia indruk maakten. Misschien ook wilde Zedekia op deze reis zich van den toestand te Babel overtuigen. Het kon ook zijn, dat Zedekia naar Babel ontboden was door Nebukadnezar, aan wien Zedekia’s gedrag verdacht begon te worden. Men zal wel mogen aannemen, dat juist de reis van Zedekia de aanleiding was tot de voorspelling tegen Babel. Want in elk geval was huldebewijs zo niet het enige doel der reis, toch ene van de bedoelingen. Die reis houdt dus een diepen smaad in zich voor de Theokratie. Hoe gepast is het, dat de Profeet van de reis gebruik maakt, om aan de medaille ene gepaste achterzijde te geven. Terwijl de koning van Juda zich voor aller ogen voor den troon van den koning der Chaldeën eerbiedig nederwerpt, moest Seraja in den Eufraat ene rol werpen, waarop de vernietiging van Babel en de bevrijding van Israël als Goddelijk raadsbesluit stond geschreven.
Jeremia nu schreef al het kwaad, dat volgens de profetie in Hoofdst. 50 en 51 over Babel komen zou, in een boek, op ene bijzondere rol, te weten al deze woorden, die ook in de grote verzameling, zijner profetieën tegen Babel geschreven zijn, en gaf de rol des boeks aan Seraja over.
En Jeremia zei tot Seraja: Als gij te Babel komt, 1) zo zult gij zien en lezen al deze woorden; 2)
Niet in de nabijheid van Babel, maar in de stad Babel. Verder behoeft men niet aan te nemen, dat Seraja juist voor ene vergaderde volksmenigte van inwoners van Babel lezen moest; eerder zou men zich kunnen voorstellen, dat in ballingschap gevoerde Joden bij het lezen tegenwoordig zijn geweest. Dat de profetie in Babel werd gelezen was de hoofdzaak.
De voorlezing had een drievoudig doel: 1) tegenover de stad Babel was het ene aankondiging van een oordeel, die als van te meer betekenis voorkomt daar de verkondigers in ‘t geheel niet in een toestand schenen te zijn, om den mond tegen Babel open te doen; zij kwamen toch om in allen ootmoed hulde aan te bieden. 2) Tegenover God moest worden geconstateerd, dat het volk van Israël van de belofte Gods plechtig kennis had genomen. Daarom moest na de voorlezing de Heere uitdrukkelijk worden aangesproken, en Hem het woord Zijner belofte in de hoofdtrekken worden voorgehouden. Hij moet dus als bij Zijn woord worden aangegrepen, worden verplicht. 3) Voor de Israëlieten lag natuurlijk in dat alles een grote troost, die hun in dien tijd van diepen smaad van bijzondere waarde moest zijn.
En Gij zult zeggen, nadat gij geëindigd hebt te lezen, met aanbidding tot den Heere opziende: O HEERE! Gij hebt over deze plaats gesproken, dat Gij ze zult uitroeien, zodat er geen inwoner in zij, van den mens tot op het beest, maar dat zij worden zal tot eeuwige woestheden. O Heere! vervul nu te zijner tijd, wat Gij hebt beloofd, opdat Uw knecht, verlost van de dienstbaarheid zijner vijanden, U in Uw heiligdom diene naar Uw welbehagen.
En het zal geschieden, als gij geëindigd zult hebben dit boek te lezen; dan zult gij enen steen daaraan binden, en werpen het in het midden van den Frath 1).
Deze daad had een symbolische betekenis. Niet dat het uitwendige niet meer nodig was, gelijk sommigen willen, nu de inhoud er van gehoord was. Dit heeft geen zin. Maar om daarmee uit te drukken, dat gelijk het geschrift weggezonken was in de wateren van den Eufraat, en niet weer bovenkwam, alzo het ook met Babel zou plaats hebben. Babel zou ondergaan en niet weer van hare verwoesting opkomen. De Profetie van eeuwige verwoesting zou tot volkomen vervulling komen. Gods woorden zijn waar en waarachtig. Evenmin als Zijne beloften falen, evenmin Zijne oordelen.
En gij zult zeggen: Alzo, gelijk deze steen met de rol des boeks in de wateren van den stroom is weggezonken, zal Babel zinken, verwoest en voor altijd uit de ogen der mensen weggedaan worden; enhet zal niet weer opkomen van wege het kwaad, dat Ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden, zij zullen vergaan, gelijk de Heere gezegd heeft. Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremia; want het laatste Hoofdstuk bevat gene voorzegging van Jeremia meer, maar is een geschiedkundig aanhangsel. Met opzet besluit Jeremia zijne mondelinge opdracht aan Seraja met dezelfde woorden (in den grondtekst met Jafoe), waarmee hij zijne grote profetie tegen Babel ook gesloten heeft. Gelijk hij reeds in vs. 62 zorg had gedragen, dat door overeenkomst in woorden de inhoud aan het geschrift, dat gelezen moest worden, duidelijk werd aangeduid, zo wilde hij iets dergelijks ten opzichte van hetgeen wegzinken moest, door een citaat verkrijgen, dat niet moest worden misverstaan. Nu kwam het den Profeet zeker als aanwijzing genoeg voor, dat als het ware een echo en weerklank van de profetie, die in den stroom wegzonk, het laatste woord daaraan uit den mond van den bode klonk. Vragen wij eindelijk nog naar de vervulling der profetie tegen Babel, zo zijn hier hij twee punten op te merken: 1) dat de profetie zowel wat haar opschrift aangaat, zo ook naar haren inhoud niet alleen tegen de stad Babel, maar tevens tegen het land der Chaldeën gericht is, dat zij dus in ‘t algemeen de verwoesting en vernietiging van het Chaldeeuwse rijk of den ondergang van de wereldmacht Babel verkondigt, en de verovering en verwoesting van de hoofdstad Babylon slechts in zoverre wordt op den voorgrond gesteld, als met de hoofdstad het Babylonische wereldrijk viel, en de heerschappij der Chaldeën over de volken haar einde bereikte; 2) dat de profetie behalve deze geschiedkundige zijde nog ene bedoeling heeft, die wel niet sterk op den voorgrond treedt, maar toch niet geheel gemist wordt. Volgens deze is Babel als toenmalige bezitster van het wereldrijk vertegenwoordigster der Gode vijandige wereldmacht, welke ten allen tijde het rijk van God zoekt te onderdrukken en te vernietigen: De vervulling der geschiedkundige zijde onzer profetie begon met de inneming van Babylon door de legermacht der Meden en Perzen, die onder Cyrus waren verenigd, en de daardoor veroorzaakte oplossing van het Chaldeeuwse wereldrijk. Daardoor werd Israël uit de ballingschap verlost, daar Cyrus toestemming gaf om naar het vaderland terug te keren en tot het wederopbouwen van des Heeren tempel te Jeruzalem (2 (Kron. 36:20 (Ezra 1:1 vv.). Bij deze verering werd Babylon niet verwoest en volgens Herodotus bleven ook de muren ongedeerd, terwijl volgens een ander bericht Cyrus het omverwerpen van den buitensten muur zou bevolen hebben. Cyrus bestemde Babylon naast Susa en Ecbatana tot derde hoofdstad der rijks en tot winterverblijf der Perzische koningen. Eerst Darius Hystaspes, die ten gevolge van een opstand Babylon in 518 ten tweede male moest veroveren, liet de muren tot op 50 ellen verlagen en de poorten afbreken, Xerxes beroofde de stad van het gouden Belusbeeld en liet den Belustempel verwoesten. Alexander stelde zich niet alleen ten doel het heiligdom van Bel weer op te bouwen, maar wilde ook de stad tot hoofdstad van zijn wereldrijk maken; hij werd echter door zijn vroegtijdigen dood verhinderd, dat plan ten uitvoer te brengen. Het eigenlijk verval van Babylon begon, toen Seleucus Nikator slechts 300 stadiën van daar Seleucië aan den Tiger bouwde. Strabo (geb. 60 v. C.) noemt de stad reeds een volkomene woestijn. Dit verval werd onder de heerschappij der Parthen bespoedigd, zodat nog slechts ene kleine ruimte binnen de muren werd bewoond, het overige als veld werd gebruikt. Overigens woonden daar nog eeuwen lang vrij vele Joden. De ideale punten onzer profetie heeft de Evangelist Johannes in de Apocalyptische schildering van de grote stad Babylon opgenomen (Openb. 16 vv.) wier val eerst zal plaats hebben bij de volmaking van het rijk Gods in heerlijkheid door de wederkomst onzes Heeren. , Stellen wij ons nog eens de betekenis van Jeremia’s voorzeggingen tegen de Heidenen voor. Jeremia’s God is de Heere aller Heidenen en regelt hun lotgevallen. Naar hun werken ontvangen zij, en wel hoofdzakelijk naardat zij zich omtrent de gemeente Gods hebben gedragen. Zij haasten zich ten ondergang, want slechts één volk is eeuwig. Dat is het volk, hetwelk door duizend zeven wordt gezift en in vergelijking met andere volken, als het ware geen volk is. Wat aan Israël is even als aan de andere volken, dat gaat ook bij hem te niet, en alleen wat het boven de natiën vooruit heeft, dat blijft eeuwig. Het meest voorzegt Jeremia tegen Egypte, Moab en Babel, waarin de weelde, het benijdende en bespottende der kleingeestige wereld en de overheersende grootheid worden gestraft. Wie het heden recht begrijpt ziet hier gene predikingen aan lang voorbijgegane geslachten, maar aan de van deze wereld doortrokkene natuurlijke mensheid, zo als zij zich steeds met nieuwe namen nu eens zo dan zo, en toch steeds weer naar denzelfden vleselijken aandrang en op denzelfden grond vormt. Wie Jeremia zo verstaat, in dien is hij weer levend geworden, en in dien is het oude Joodse verhaal vervuld, dat Jeremia moest wederkomen, voordat het Messiaanse rijk heerlijk kon opwassen. Ja laat u Jeremia zich recht openbaren tot leeddragen, zo zal u ook Christus melde Hosianna’s zijner eeuwige discipelenschaar niet mede verborgen zijn, en aan Hem zult gij alles hebben. Was Babel sinds lang en op de geduchtste wijze de roede der kastijding van vele volken in de hand des Allerhoogsten, zagen wij dit reeds uit de geschiedenis in onderscheidene opzichten, en hebben de laatst beschouwde Godspraken van Jeremia daaraan bij vernieuwing bevestiging gegeven, dan levert ons het thans geleerde een bewijs, dat de beker van Gods gramschap ten laatste tot dat machtige volk zelf komen moest, en dat de Babyloniërs zijn droesem hebben moeten ledig drinken. Aan Babels zijde was toch geen andere drijfveer dan de zucht tot verovering, geen ander doel dan om alle volken aan hare rijksscepter te onderwerpen. Schrik en vrees joeg zij al de natiën van het Oosten aan, verwoesting en verdelging werden allerwege door hare macht gesticht, en weldra- wordt haar toeleg slechts vervuld-bestaan er gene volksstammen meer, die aan haar niet onderworpen zijn. Stond het nu den hogen en vrijmachtigen God vrij, Zich van dezen toeleg van Nebukadnezar en zijne nazaten te bedienen ter kastijding van onderscheidene natiën, dit in trotsheid, zedeloosheid en afgoderij verzonken lagen, om ook Zijn volk, hetwelk tegen Hem zwaarlijk gezondigd had, Zijn straffend ongenoegen te doen ondervinden, aan des mensen zijde evenwel bezondigden de Chaldeën zich met al die oorlogen en verwoestingen, inzonderheid met de verdelging van Jeruzalem en Jehova’s tempel en de gevangenhouding der Israëlieten; en het was daarom, naar het recht van Gods gerechtigheid, dat Jehova’s oordelen tot Babel moesten wederkeren, en dat deze om die reden des te geduchter moesten zijn, naarmate de verwaten trotsheid en euvelmoed der Babyloniërs des te sterker waren, en zij den Opperheer der ganse aarde des te meer getergd en beledigd hadden. Lezen wij dit alles, zelfs bij de herhaling, in deze brede Godsspraak, spreekt dat ten sterkste in de letterlijke en volkomen vervulling dezer profetie, en getuigt daarvan nog heden ten dage de gedaante van dat eertijds machtige, maar nu sinds eeuwen verwoeste land, overeenkomstig de berichten der latere reisbeschrijvers, op ene treffende en ontroerende wijze, dan zeggen wij het aan ons zelven en elkaar, gelijk Israël het destijds zien en zeggen moest, dat ieder volk, hoe machtig en aanzienlijk ook op deze aarde, geheel van God en Zijn bestuur afhankelijk is, en geen ogenblik langer kan blijven bestaan, dan naar Gods bepaalden wil en raad; dat de versmading en miskenning van den Opperheerschappijvoerder, de vijandige bejegening der gemeente Gods en Zijns Gezalfden, en verwaten hoogmoed de oorzaken van den ondergang zoveler natiën op aarde zijn, en dat de Heere de vijanden der Kerk ten alle tijde gewis en geducht straffen zal. Babels naam staat van de vroegste tijden af door de gehele Schriftleer, tot in het laatste Bijbelboek toe, in een ongunstig licht als de vijand der gemeente des Heeren; haar eerste gedachte en algehele val heeft het beeld tot den nieuwen dag overgebracht, en wij verwachten, dat de machtigste vijand der kerk onder dien naam voorgesteld eens gewis vallen zal. Alle Godswoorden zijn waarheid geweest en zullen verder waarheid bevonden worden. Niet ongepast was daarom het bevel, om de geschreven rol, met Babels rampen en ondergang vervuld, in de wateren van den Eufraat te werpen, tot een gepast zinnebeeld van de gehele uitroeiing en verdelging van dezen machtigen en zeer geduchten Staat, waarvan nog de treurige overblijfselen tot getuigen verstrekken. Zo zeker deze aankondiging is vervuld en door de geschiedenis gestaafd, zo gewis zullen alle beloften en alle bedreigingen waarheid worden, die de Heere over vrienden en vijanden heeft gedaan. Is het ons midderwijl kenbaar, ook uit het thans gelezene, dat alles om der kerke wil is, hetzij de Heere nodig oordeelt haar te kastijden of te verlossen, dan is het onze roeping tot die kerk te behoren ons aan haar zeer nauw te sluiten en op de stem onzes Heilands acht te geven; dan past het ons te vragen, waarom de Heere Zijne gemeente dikwijls kastijdt, en gade te slaan wat Hij ons met Zijne roede leren wil; maar voegt het ons ook, in donkerheid en nood Hem te verbeiden, die het niet dulden kan, dat de scepter der goddelozen altoos rusten zal op het lot der rechtvaardigen, en dat Zijne kerk wordt onderdrukt. En vonden wij ten laatste in den aanvang van het gelezene ene tekening van de wederkering der Joden uit Babel (Hoofdst. 50:4, 5), deze doet ons denken aan de wederkering van ware godsvrucht tegen beiden uit Israël en Juda, en levert ons ene behartigingswaardige schets van de ware heilbegeerte van wederkerende zondaren tot God en ene proeve hun aller gewenst geluk. Zet men toch door Gods verlossende genade, eenmaal den voet op den weg des vredes, dan gaat men al wandelende en in ootmoed al wenende voort, dan gaat men heen, om den Heere als zijn Verbondsgod te zoeken, men vraagt naar Zion, alwaar alleen rust en heil te vinden is, en op den weg derwaarts zijn de aangezichten gericht dergenen, in wier harten de welgebaande wegen zijn. En kunnen wij dit, kan dit naar waarheid van ons gezegd worden, hoe groot en heerlijk zijn dan de heilsbeloften, welke hier met zovele woorden staan uitgedrukt. Is het niet: zij zullen komen, en ligt daarin niet opgesloten de vervulling van hun verlangen, de bereiking van het doel? Ja, volkomen zal dat zijn, want zij zullen den Heere worden toegevoegd; en wat ontbreekt er nog, als wij hier de bestendige zekerheid van het grootste en gewenste heil vinden mogen: het eeuwige verbond zal niet vergeten worden? Heeft de Algenoegzame met ons een verbond gemaakt, en ons niet alleen daarin opgenomen, maar ook door het geloof ons daaraan deel doen nemen, is dat verbond een eeuwig verbond, dat onberouwelijk blijft, en geeft Hij zelf ons de verzekering, dat het niet zal vergeten worden, dan mogen onze harten gerust daarop nederzinken en vastelijk steunen, in de verwachting, dat Zijne genade ons al dat goede zal schenken, wat in de belofte des verbonds lag opgesloten, en wij voor eeuwig des Heeren zijn mogen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel