Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Het woordH1697 des HEERENH3068, datH834 totH413 den profeetH5030 JeremiaH3414 geschieddeH1961, tegenH413 de FilistijnenH6430; eerH2962 dat FaraoH6547 GazaH5804 sloegH5221.
Het woord des HEEREN, dat tot den profeet Jeremia geschiedde, tegen de Filistijnen; eer dat Farao Gaza sloeg.
KJV
The word3
of the LORD4
that came to Jeremiah6
the prophet7
against the Philistines,9
before that Pharaoh12
smote11
Gaza.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
ZoH3541 zegtH559 de HEEREH3068: ZietH2009, waterenH4325 komenH5927 op van het noordenH6828, en zullen worden tot een overlopendeH7857 beekH5158, en overlopenH7857 het landH776 en de volheidH4393 van hetzelve, de stadH5892 en die daarin wonenH3427; en de mensenH120 zullen schreeuwenH2199, en alH3605 de inwonersH3427 des landsH776 zullen huilenH3213;
Zo zegt de HEERE: Ziet, wateren komen op van het noorden, en zullen worden tot een overlopende beek, en overlopen het land en de volheid van hetzelve, de stad en die daarin wonen; en de mensen zullen schreeuwen, en al de inwoners des lands zullen huilen;
KJV
Thus saith2
the LORD;3
Behold, waters5
rise up6
out of the north,7
and shall be an overflowing10
flood,9
and shall overflow11
the land,12
and all that is therein;13
the city,14
and them that dwell15
therein: then the men18
shall cry,17
and all the inhabitants21
of the land22
shall howl.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Vanwege het geluidH6963 van het geklaterH8161 der hoevenH6541 zijner sterkeH47 paarden, vanwege het geraasH7494 zijner wagenenH7393, en het bulderenH1995 zijner raderenH1534; de vadersH1 zienH6437 nietH3808 om naarH413 de kinderenH1121, vanwege de slappigheidH7510 der handenH3027;
Vanwege het geluid van het geklater der hoeven zijner sterke paarden, vanwege het geraas zijner wagenen, en het bulderen zijner raderen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid der handen;
KJV
At the noise1
of the stamping2
of the hoofs3
of his strong4
horses, at the rushing5
of his chariots,6
and at the rumbling7
of his wheels,8
the fathers11
shall not look back10
to their children13
for feebleness14
of hands;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
VanwegeH5921 den dagH3117, die er komtH935 om alle FilistijnenH6430 te verstorenH7703, om TyrusH6865 en SidonH6721 allenH3605 overgeblevenenH8300 helperH5826 af te snijdenH3772; wantH3588 de HEEREH3068 zal de FilistijnenH6430, het overblijfselH7611 des eilandsH339 van KafthorH3731, verstorenH7703.
Vanwege den dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want de HEERE zal de Filistijnen, het overblijfsel des eilands van Kafthor, verstoren.
KJV
Because of the day2
that cometh3
to spoil4
all the Philistines,7
and to cut off8
from Tyrus9
and Zidon10
every helper13
that remaineth:12
for the LORD16
will spoil15
the Philistines,18
the remnant19
of the country20
of Caphtor.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
KaalheidH7144 is op GazaH5804 gekomenH935; AskelonH831 is uitgeroeidH1820, met het overblijfselH7611 huns dalsH6010; hoe langH4970 zult gij uzelven insnijdingenH1413 maken?
Kaalheid is op Gaza gekomen; Askelon is uitgeroeid, met het overblijfsel huns dals; hoe lang zult gij uzelven insnijdingen maken?
KJV
Baldness2
is come1
upon Gaza;4
Ashkelon6
is cut off5
with the remnant7
of their valley:8
how long wilt thou cut
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
O weeH1945, gij zwaardH2719 des HEERENH3068! Hoe langH3808 zult gij niet stil houdenH8252? VaarH622 in uw schedeH8593, rustH7280 en wees stilH1826!
O wee, gij zwaard des HEEREN! Hoe lang zult gij niet stil houden? Vaar in uw schede, rust en wees stil!
KJV
O1
thou sword2
of the LORD,3
how long will it be ere6
thou be quiet?7
put up8
thyself into thy scabbard,10
rest,11
and be still.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
HoeH349 zoudt gij stil houdenH8252? De HEEREH3068 heeft toch aan het zwaard bevelH6680 gegeven; tegenH413 AskelonH831 en tegenH413 de zeehavenH3220, aldaarH8033 heeft Hij het besteldH3259.
Hoe zoudt gij stil houden? De HEERE heeft toch aan het zwaard bevel gegeven; tegen Askelon en tegen de zeehaven, aldaar heeft Hij het besteld.
KJV
How can it be quiet,2
seeing the LORD3
hath given it a charge4
against Ashkelon,7
and against the sea10
shore?9
there hath he appointed
Faraö
Sommigen menen dat Farao Necho al bij het leven van Josia het land der Filistijnen zou hebben ingenomen en behouden tot de aankomst van Nebukadnezar, eer hij de eerste maal optrok naar Karchemis, waarvan hier geprofeteerd wordt; zie boven Jer. 46:2 . Alzo zou Jeremia dit geprofeteerd hebben ten tijde als Josia nog in bloei was.
Hertaald:
Faraö
Sommigen menen dat Farao Necho al bij het leven van Josia het land van de Filistijnen ingenomen had en het behouden heeft tot de komst van Nebukadnezar, voordat die de eerste keer naar Karchemis optrok, waarover hier geprofeteerd wordt; zie hierboven Jer. 46:2. Dan zou Jeremia dit geprofeteerd hebben in de tijd dat Josia nog in zijn bloei was.
Gaza
Zie boven Jer. 25:20 , en Richt. 1:18 , en Richt. 16:1 , en Am. 1:6 .
Hertaald:
Gaza
Zie hierboven Jer. 25:20, en Richt. 1:18 en Richt. 16:1, en Amos 1:6.
sloeg
Vergelijk boven Jer. 46:13 .
Hertaald:
sloeg
Vergelijk hierboven Jer. 46:13.
wateren komen op van het noorden,
Versta, het groot en verschrikkelijk Babylonisch krijgsheir [zie deze manier van spreken Jes. 8:7 ] , gelijk doorgaans in deze profetieën door het noorden Babel verstaan wordt; vergelijk inzonderheid boven Jer. 25:9 , enz., hoewel enigen menen [uit vs.1], dat Farao Necho dit alles gedaan heeft als hij uit Syrië van het noorden na den dood en de nederlaag van Josia wederkwam naar het zuiden.
Hertaald:
wateren komen op van het noorden,
Versta: het grote en verschrikkelijke Babylonische leger (zie deze manier van spreken in Jes. 8:7), want in deze profetieën wordt met het noorden doorgaans Babel bedoeld; vergelijk in het bijzonder hierboven Jer. 25:9, enzovoort. Sommigen menen echter, op grond van vers 1, dat Farao Necho dit alles gedaan heeft toen hij na de dood en de nederlaag van Josia uit Syrië vanuit het noorden naar het zuiden terugkeerde.
volheid van hetzelve,
Dat is, al wat er in is; vergelijk Ps. 24:1 , en Ps. 89:12 , en Ps. 104:24 .
Hertaald:
volheid van hetzelve,
Dat is: alles wat erin is; vergelijk Ps. 24:1, Ps. 89:12 en Ps. 104:24.
stad en die daarin wonen;
Gelijk boven Jer. 46:8 .
Hertaald:
stad en die daarin wonen;
Zoals hierboven Jer. 46:8.
mensen zullen schreeuwen,
Hebreeuws, mens en inwoner.
Hertaald:
mensen zullen schreeuwen,
Hebreeuws: mens en inwoner.
hoeven
Dat is, der klauwen.
Hertaald:
hoeven
Dat is: van de klauwen.
zijner
Des vijands.
Hertaald:
zijner
Van de vijand.
sterke paarden,
Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 22:13 ; alzo boven Jer. 8:16 , en onder Jer. 50:11 .
Hertaald:
sterke paarden,
Over het Hebreeuwse woord, zie Ps. 22:13; zo ook hierboven Jer. 8:16 en hieronder Jer. 50:11.
slappigheid der handen;
Dat is, vermits hunne moedeloosheid; zie 2 Sam. 4:1 .
Hertaald:
slappigheid der handen;
Dat is: vanwege hun moedeloosheid; zie 2 Sam. 4:1.
om aan Tyrus en Sidon
Anders, om met, of nevens Tyrus [Hebreeuws, Tsor ], en Sidon, allen overgeblevenen helper uit te roeien. Vergelijk boven Jer. 25:22 , en Jer. 27:3 ; Eze 26 , Eze 27 , Eze 28 ; en zie van deze beide steden Gen. 10:15 ; Joz. 19:29 . Hebreeuws, allen overgeblevene die helpt.
Hertaald:
om aan Tyrus en Sidon
Anders: om samen met Tyrus (Hebreeuws: Tsor) en Sidon iedere overgebleven helper uit te roeien. Vergelijk hierboven Jer. 25:22 en Jer. 27:3, en Ezech. 26, 27 en 28; en zie over deze beide steden Gen. 10:15 en Joz. 19:29. Hebreeuws: elke overgeblevene die helpt.
eilands
Dat is omtrek, aan of over de Middellandse zee gelegen. Hiervan is verscheiden gevoelen; het kan zijn dat dit land tussen Egypte van Patros af, en het land der Filistijnen, gelegen is geweest; Ps. 72:10 .
Hertaald:
eilands
Dat is: het gebied dat aan of over de Middellandse Zee ligt. Hierover bestaan verschillende opvattingen; het kan zijn dat dit land tussen Egypte, vanaf Pathros, en het land van de Filistijnen gelegen heeft; Ps. 72:10.
Kafthor,
Zie Gen. 10:14 ; Deut. 2:23 ; Am. 9:7 .
Hertaald:
Kafthor,
Zie Gen. 10:14, Deut. 2:23 en Amos 9:7.
Kaalheid is op Gaza gekomen;
Dat is, de inwoners van Gaza zullen zich kaal scheren tot teken van rouw. Alzo van het insnijden; zie boven Jer. 16:6 .
Hertaald:
Kaalheid is op Gaza gekomen;
Dat is: de inwoners van Gaza zullen zich kaalscheren als teken van rouw. Zo ook over het insnijden; zie hierboven Jer. 16:6.
Askelon is uitgeroeid,
Gelegen in de laagte aan de zee; zie Richt. 14:19 .
Hertaald:
Askelon is uitgeroeid,
Dat lag in de laagte bij de zee; zie Richt. 14:19.
zwaard des HEEREN
Vergelijk boven Jer. 25:29 ; Ezech. 21:8-9 , enz. Sommigen nemen dit als ene klacht der Filistijnen over hunne ellende.
Hertaald:
zwaard des HEEREN
Vergelijk hierboven Jer. 25:29 en Ezech. 21:8-9, enzovoort. Sommigen vatten dit op als een klacht van de Filistijnen over hun ellende.
Hoe lang zult gij niet stil houden?
Dat is, hoe lang zal het duren eer gij stilhoudt?
Hertaald:
Hoe lang zult gij niet stil houden?
Dat is: hoe lang zal het duren voordat u ophoudt?
Vaar in uw schede,
Hebreeuws, wordt verzameld, verzamel u; dat is, geef u weder in het deksel uwer schede. Van het gebruik van dit woord, zie Ps. 26:9 .
Hertaald:
Vaar in uw schede,
Hebreeuws: word verzameld, verzamel u — dat is: keer terug in de schede die u bedekt. Over het gebruik van dit woord, zie Ps. 26:9.
Hoe zoudt gij stil houden?
Dit zijn de woorden van den profeet.
Hertaald:
Hoe zoudt gij stil houden?
Dit zijn de woorden van de profeet.
Hij het besteld
De Heere heeft het zwaard aldaar zijn plaats en tijd verordineerd om te woeden. Vergelijk Ezech. 25:16 ; Mi. 6:9 , en Sef. 2:5-6 .
Hertaald:
Hij het besteld
De HEERE heeft het zwaard daar zijn plaats en zijn tijd aangewezen om te woeden. Vergelijk Ezech. 25:16, Micha 6:9 en Zef. 2:5-6. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Ligging: Een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen, aan de Middellandse-Zeekust, tussen Gaza en Asdod. Geschiedenis: Jeremia's korte profetie tegen de Filistijnen kondigt aan hoe Askalon, samen met Gaza (reeds bestaand), door een van het noorden komende vloed van wateren overspoeld zal worden — een beeld voor een binnenvallend leger, vermoedelijk dat van Egypte of Babel (Jer. 47:1, 5, 7). Ook Amos, Sefanja en Zacharia kondigen oordeel over deze stad aan (Amos 1:8; Sef. 2:4, 7; Zach. 9:5). Bijbelse betekenis: Askalon deelt in het lot van heel Filistea, Israëls oude, hardnekkige tegenstander: de herhaalde profetische oordelen over deze steden onderstrepen dat blijvende vijandschap tegen Gods volk, ook al lijkt zij eeuwenlang ongestraft, uiteindelijk niet aan Zijn gericht ontkomt. Archeologie: Opgravingen bij Ashkelon (Leon Levy Expedition, decennialang geleid door Lawrence Stager) legden een van de best onderzochte Filistijnse steden bloot, met havenstructuren, tempels en een omvangrijke Filistijnse begraafplaats. Recente inzichten: Het huidige Ashkelon, Israël. Jer. 47:1, 5, 7; Amos 1:8; Sef. 2:4, 7; Zach. 9:5 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Bij de profetie over de Filistijnen klinkt geen triomf maar een kreet: "O wee, gij zwaard des HEEREN! Hoe lang zult gij niet stil houden? Vaar in uw schede, rust en wees stil!" (Jer. 47:6). En dan het antwoord dat de profeet zichzelf geeft: "Hoe zoudt gij stil houden? De HEERE heeft toch aan het zwaard bevel gegeven; tegen Askelon en tegen de zeehaven, aldaar heeft Hij het besteld" (Jer. 47:7). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier roept. Het is de profeet die het oordeel moest aanzeggen, en hij vraagt of het niet ophouden kan. Dat is de toon die in dit hele deel van het boek geldt (reeds behandeld bij Jes. 15:5): wie oordeel aanzegt, schept er geen behagen in. Let vervolgens op het antwoord dat hij zichzelf geeft. Hij trekt de aankondiging niet in; het zwaard kan niet stilhouden omdat God het bevolen heeft. Verlangen dat het ophoudt en weten dat het rechtvaardig is, gaan hier samen. Let ten slotte op de uitdrukking "zwaard des HEEREN". Het gaat om een leger van vlees en bloed, en toch heet het Zijn zwaard; dat is dezelfde manier van spreken als bij Assur en Babel, die werktuig heten en tegelijk verantwoordelijk blijven. Typologie: In de psalmen wordt dezelfde vraag gesteld en niet beantwoord: "Hoe lang, o God, zal de wederpartijder smaden?" (Ps. 74:10). En Johannes hoort haar in het laatste boek uit de mond van de zielen onder het altaar (reeds behandeld bij Op. 6:10). Jer. 47:6-7; Jes. 15:5; Ps. 74:10; Op. 6:10 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jeremia 47
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Jeremia 47
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Vs. 1-7.KruisverwijzingenJeremia 48:37→Amos 9:7→Jeremia 25:20→Genesis 10:19→Deuteronomium 2:23→Jesaja 20:6→Jeremia 41:5→Micha 1:16→
— Het woord des HEEREN, dat tot den profeet Jeremia geschiedde, tegen de Filistijnen; eer dat Farao Gaza sloeg. Zo zegt de HEERE: Ziet, wateren komen op van het noorden, en zullen worden tot een overlopende beek, en overlopen het land en de volheid van hetzelve, de stad en die daarin wonen; en de mensen zullen schreeuwen, en al de inwoners des lands zullen huilen; Vanwege het geluid van het geklater der hoeven zijner sterke paarden, vanwege het geraas zijner wagenen, en het bulderen zijner raderen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid der handen; Vanwege den dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want de HEERE zal de Filistijnen, het overblijfsel des eilands van Kafthor, verstoren. Kaalheid is op Gaza gekomen; Askelon is uitgeroeid, met het overblijfsel huns dals; hoe lang zult gij uzelven insnijdingen maken? O wee, gij zwaard des HEEREN! Hoe lang zult gij niet stil houden? Vaar in uw schede, rust en wees stil! Hoe zoudt gij stil houden? De HEERE heeft toch aan het zwaard bevel gegeven; tegen Askelon en tegen de zeehaven, aldaar heeft Hij het besteld.
Van het noorden ziet de Profeet vijandige scharen als grote watervloeden tegen de Filistijnen aankomen. Ontzetting zal deze aangrijpen in die mate, dat de vaderen niet eens naar de kinderen zullen omzien. Dan zullen de Filistijnen tot het laatste overblijfsel worden uitgeroeid, aan de Feniciërs zal de laatste helper worden ontnomen (vs. 2-4). Gaza en Askelon zullen vallen, want de opmerking, dat het zwaard des Heeren reeds genoeg bloedigen arbeid heeft gehad, en ook maar voor de laatste dezer steden zal stilstaan, kan gene plaats vinden (vs. 5-7).
Het woord des HEEREN, dat tot den Profeet Jeremia geschiedde tegen de Filistijnen, op een tijd, eer dat Faraö Necho II na den zegerijken slag bij Megiddo, de hoofdstad des lands, Gaza sloeg en veroverde. Deze profetie werd dus eerder dan die tegen Egypte, ongeveer in het jaar 609 v. C. door den Profeet uitgesproken. Dit geschiedkundig toevoegsel moet niet aanduiden, dat de vervulling der volgende profetie juist in de verovering van Gaza heeft plaats gehad; want Faraö kwam onmogelijk van het noorden, zo als deze legermenigte, waarmee in het volgende wordt gedreigd. Integendeel heeft deze opmerking ten doel om te tonen, dat Jeremia de verovering van Palestina en Fenicië door vijanden uit het noorden, d. i. door de Chaldeën geprofeteerd heeft, toen juist hun verovering door enen vijand uit het zuiden dreigde, dat hij de heerschappij der Chaldeën ook over deze landen reeds heeft aangekondigd, als de Egyptenaren nog ene onbestredene heerschappij over Syrië en Palestina uitoefenden, en zich gereed maakten, die ook over het land der Filistijnen uit te breiden. De uitlegging ten opzichte van Faraö is twijfelachtig tussen Psammetichus, Faraö Necho II en Faraö Hofra, van welke beide eerste vaststaat, dat zij Gaza veroverd hebben, terwijl het van Hofra hoogst waarschijnlijkste blijft, dat Faraö Necho II bedoeld is, van welken Herodotus (II 159) verhaalt, dat hij na den slag bij Megiddo Gaza heeft ingenomen (2 Kon. 23:33). Inderdaad lag het zeer voor de hand, dat Necho, voordat hij tegen Nebukadnezar optrok, zich niet alleen van Syrië en Palestina, maar voor alles van den sleutel tot deze landen, van de vesting Gaza zocht meester te maken, opdat hij geen gevaar zou lopen, dat de terugtocht hem zou worden afgesneden. Is nu in die opmerking van Jeremia deze verovering van Gaza bedoeld, dan valt onze profetie vroeger dan die tegen Egypte, ongeveer in het jaar 609 v. C. ja vroeger dan alle andere voorzeggingen tegen de Heidenen. Dit komt in ‘t algemeen met de betrekking van het volk der Filistijnen omtrent Israël overeen. Onder alle naburige volken waren de Filistijnen dat volk, dat Israël het langst en met het meeste gevolg bestreed. Want van de tijden van den richter Samgar (Richt. 8:31) tot Hizkia (2 Kon 18:8) waren zij naburen, die evenzeer met haat vervuld als gevaarlijk waren. Zelfs die grote helden- en overwinningsperiode van Israël, de tijd van Samuël, Saul en David had het gevolg, dat deze vreselijke tegenstanders geheel onschadelijk werden gemaakt. Ezechiël noemt ze nog onder dengenen, die met boos leedvermaak over Jeruzalems val vervuld waren (Ezech. 25:15). Daarom denkt de profetie ook zo dikwijls aan hen (Jes. 11:14; 14:28 vv. Obadja 1:19. Amos 1:6 vv. Zef. 2:4 vv. Ezech. 25:15 vv.), en het behoort tot de troostrijkste tijden van Israëls toekomst, dat door de profetie de vernietiging van deze vijanden wordt aangekondigd. Maar ook voor hen is de genade niet afgesloten: wel zullen zij ophouden als volk te bestaan, maar bijzondere personen zullen zich tot den Heere bekeren, en in Israël worden ingelijfd (Zach. 9:7).
Zo zegt des HEERE: Ziet, wateren komen op als ene sterk vloeiende bron uit de aarde van het noorden, en zullen worden tot ene overlopende beek, en overlopen het land en de volheid daarvan, de stad en die daarin wonen, en de mensen zullen schreeuwen, en al de inwoners des lands zullen huilen.
Dat is het machtige leger der Chaldeën, dat alles voor zich nederwerpt. Vanwege het geluid van het geklater der hoeven zijner sterke paarden, vanwege het geraas zijner wagenen, en het bulderen zijner raderen, wordt alles zo bevreesd en zal alles bedacht zijn op ene allerspoedigste vlucht, de vaders zien niet om naar de kinderen, of ook die zouden kunnen gered worden, vanwege de slappigheid der handen, de algemene moedeloosheid (Jes. 5:28).
Allen zullen zich ontzetten vanwege den dag, die er komt, om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon, geheel Fenicië, waarvan deze de grootste en machtigste steden waren, allen overgeblevenen helper af te snijden, den laatsten bijstand tegenover de overmacht van Chaldea, namelijk de Filistijnen 1) weg te nemen, want de HEERE zal de Filistijnen, het overblijfsel des eilands van Kafthor 2) (= kroon), alles wat van het volk van Filistea, dat van het eiland Kafthor afstamt, nog overig is, verstoren.
Opmerkelijk is die vermelding der Feniciërs. Deze wordt daaruit verklaard, dat Jeremia slechts tegen de hoofdvijanden van Juda bijzondere voorstellingen heeft uitgesproken, gedeeltelijk ook uit de geschiedkundige betrekkingen, dat de Filistijnen den Feniciërs in den strijd tegen de grote machten der wereld hulp zouden hebben kunnen schenken. De voorzegging van den Profeet omtrent de Feniciërs is spoedig daarna vervuld. De Feniciërs zullen bij den druk, die na Jeruzalems verwoesting van de zijde der Chaldeën over hen gekomen is met smarte hun Filistijnse naburen hebben gemist.
Dat de Filistijnen uit Kafthor afkomstig waren staat vast (Am. 9:7), maar niet waar dat moet gezocht worden. Daar in Zef. 2:5. Ezech. 25:16, de Filistijnen ook Kretenzers worden genoemd, menen vele uitleggers dat Kafthor een andere naam voor het eiland Kreta is. Ware dit het geval, dan kon dat toch slechts een naam van dit eiland zijn (Joz. 13:2), die ontstaan is door het uittrekken van Kafthoriërs uit het Pontische Cappadocië. (Gen. 10:14).
Kaalheid 1) (Deut. 14:(2 (Mich. 1:16) is op Gaza gekomen 2), die sterke, zuidelijke vesting, de sleutel van het land, als op het hoofd des gehelen lands; het is in de diepste en smartelijkste treurigheid. a) Askelon, de zeestad is uitgeroeid, is als de mond des lands verstomd, zodat hare poorten gesloten zijn, en niemand meer in en uitgaat, omdat de vijand voor de poorten staat; met het overblijfsel huns dals, het gehele noordelijke bergland en de zuidelijke vlakte is het in des vijands macht: Hoe lang zult gij, land der Filistijnen! uzelven b) insnijdingen maken? Wat brengt gij uit wanhoop, biddende om genade en hulp van uwe goden, uzelven bloedige wonden toe (1 (Kon. 18:28)?
(Jer. 25:20. b) Deut. 14:1; Jer. 16:6.
Gaza is kaal geschoren en van alle sieraden beroofd door de plundering der vijanden. of: die van Gaza hebben zich kaal gemaakt door hun haar af te snijden of te scheren of uit te rukken, gelijk bij droevige gelegenheden gebruikelijk is.
Terwijl in het vorige het gericht over het land der Filistijnen als iets toekomstige wordt voorgesteld, komt het hier voor als voor het grootste gedeelte reeds begonnen. De Profeet ziet in den Geest het land reeds in de handen der vijanden. Daarom staan hier en in het volgende in den grondtekst enkel perfecta.
Wanhopig roept gij Filistijnen uit: o wee, gij zwaard des HEEREN! dat Hij u ten gerichte heeft gezonden! hoe lang zult gij niet stilhouden? hoe lang zult gij voortgaan ons te doden? wanneer zult gij verzadigd zijn van ons bloed? Vaar in uwe schede, rust en wees stil! 1)
Zo worden de Filistijnen smekende en zuchtende ingevoerd. Zij smeekten om redding en verlossing van het machtig zwaard der Chaldeën. Maar de Profeet antwoordt hier dat dit onmogelijk is, dewijl het zwaard der Chaldeën in dit geval is het zwaard des Heeren. De Chaldeën zijn de machtig schrikkelijke werktuigen des Heeren, om Zijne oordelen uit te voeren tegen de volken. En als de Heere dat zwaard heeft uitgetrokken is geen mensenhand in staat het in de schede terug te brengen.
Doch de Profeet antwoordt op die klagende bede: Hoe zoudt gij stilhouden, ophouden met te verdelgen, o zwaard des Heeren? De HEERE heeft toch aan het zwaard bevel gegeven, tegen Askelon en tegen de zeehaven, of tegen de kust, de gehele Filistijnse kust der zee, aldaar heeft Hij het besteld. Het is van gewicht dat den Filistijnen hier het geroep: “zwaard des Heeren” in den mond wordt gelegd. Daarmee wordt te kennen gegeven, dat zij door deze droefheid tot erkentenis zullen worden gebracht, dat dit het rechtvaardige gericht is van den waren God, hetwelk over hen is gekomen. Men acht het waarschijnlijk, dat hetgeen hier voorspeld wordt, geschied zij gedurende de belegering van Tyrus, welke volgens Josefus (Antiq. 1. 10, c. 11) dertien jaren lang geduurd heeft-zoveel is in het algemeen zeker, dat al de landschappen ten Oosten en Westen van Kanaän, door Nebukadnezar verwoest zijn. De Godsspraak voegt er gene belofte bij omtrent de herstelling der Filistijnen. Na de Babylonische gevangenis herstelden zich de Filistijnen enigzins, en verdrukten de Joden. Maar Gaza, toen weer ene machtige stad, is na een beleg van twee maanden, door Alexander den Grote veroverd, brengende de inwoners tot slavernij, en plaatsende ene nieuwe volksplanting in de stad. Vervolgens heeft Antiochus de Grote deze stad andermaal verwoest. Naderhand is zij door Judas den Makkabeër ingenomen en den Syriërs ontrukt (1 Makk. 11:61); ook heeft Simon haar veroverd, van de afgoden gezuiverd en met Joden vervuld. (1 Makk. 13:43, 44). Eindelijk heeft Alexander Jannaeus, toornig op die van Gaza, omdat zij Ptolomeüs hadden geholpen, de stad geheel verwoest.
Maar toch zal uit vreeslijk gericht over Moab niet het einde zijner geschiedenis zijn; in het laatste der dagen, wanneer de Heiland aller volken zal komen, en alles in zijn vorigen stand terug zal brengen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, en het zal als bekeerd volk weer opstaan en met Mijne grote gemeente Gods weer verenigd worden, spreekt de HEERE. Tot hiertoe (Hoofdst. 48) is Moabs oordeel. Omdat de ondergang der Moabieten nergens voorkomt als alleen dienende tot opwekking van bekering, moeten wij opmerken, welke zonden in het bijzonder worden genoemd, waaraan zij schuldig waren, en waardoor zij zulke zware straffen zijn waardig geworden. Deze zijn geweest: 1) trotsheid, zodat zij aan niemand een goed woord gaven, onvriendelijk waren, en slechts gespot hebben (Ps. 52:3) 2) het vertrouwen op hun vestingen, op hun macht, geld en rijkdom (2 (Kron. 32:8 (Jes. 40:6) 3) gerustheid, alles volop en vrede, welke de zonde waren van hare zuster Sodom (Ezech. 16:49. (Zef. 2:9). 4) Grootspreken. Maar hoewel Goliath zulk een hoogmoedig man was, moest hij toch in den grond bijten (1 (Sam. 17:50) 5) Hoofdsheid en overmoed. Maar deze doen nooit goed, de zodanigen drijven door met geweld en onrecht. Maar om geweld en onrecht en gierigheid komt een koninkrijk van het ene volk tot het andere. Het ware te wensen, dat alleen de Moabieten zulke mensen geweest waren, en wij zouden ons gelukkig kunnen noemen, wanneer niet nog heden velen met zulke Moabietische zonden waren aangestoken, helaas! er worden er maar al te velen gevonden. Want hoe velen zijn er, die op hun macht, op vaste steden en gebouwen, op rijkdom, geld en goed zich verlaten, en al hun hoop en al hun vertrouwen daarop stellen? Hoe velen derzulken zijn er, die, wanneer zij een tijd lang in vrede zitten, geheel gerust worden en denken, dat er geen gevaar meer is, noch van het oosten noch van het westen? Hoe velen derzulken zijn er, die op eigene krachten zich verlaten, die durven zeggen, dat een vijand mag komen, dat zij sterk genoeg tegenover hem zullen zijn? Hoe velen zijn er, die, wanneer zij in lichaams- en geestes gaven, of ook maar in vergankelijk goed anderen overtreffen, daardoor trots en hoogmoedig worden, geringen naast zich verachten, bespotten, kwalijk behandelen, als hadden zij ze onder de dieven gevonden, gelijk God, de Heere, hier spreekt. Zelfs verschoont men God niet. Wil men de betekenis van deze profetie des gerichts over Moab goed verstaan, zo mag men nooit vergeten, dat de Moabieten uit de bloedschande van een lid dier familie zijn voortgekomen, die in Abraham door den Heere was verkoren tot de verlossing der wereld; dat de Moabieten na de Edomieten de naaste verwanten van Israël waren. Zij wisten dus van Israëls roeping, zij kenden het heil en den weg daartoe, maar hun hoogmoed en de verachting van Gods volk hield hen verre, bewoog hen tot den bittersten haat, tot vervolging der leden van het rijk Gods. Deze uit de bloedschande voortgekomene Moabieten ontbreken onder de tegenwoordige Christenen ganselijk niet. Het zijn diegenen, die reeds met de moedermelk van hun ouders den haat tegen het geloof en tegen alle ware kinderen Gods ontvangen, die alle middelen aanwenden, om het levende geloof in Christus schade aan te doen, en het gebied der kinderen Gods zo veel mogelijk te beperken. Wat de vervulling onzer profetie aangaat, Jozefus (Ant. X. 9:7) bericht, dat Nebukadnezar in het 5de jaar na de verwoesting van Jeruzalem de Moabieten beoorloogd en onderdrukt heeft, een bericht, dat niet te betwijfelen is, al zou ook het genoemde jaar niet juist zijn. Andere berichten omtrent dit volk ontbreken. Na het terugkeren der Joden uit Babel worden behalve in Ezra 9:1. Neh. 13:1, 23, waar van huwelijken der Israëlieten met Moabietische vrouwen sprake is, de Moabieten als volk niet verder vermeld, ook niet in de boeken der Makkabeën, welke toch van oorlogen van Judas Makk. met de Ammonieten en Edomieten verhalen (1 (Makk. 5:3; 4:61) noch bij Josefus, die nog bij gelegenheid van Moabitis, d. i. het landschap en zijne steden spreekt. Hun naam schijnt niet lang na de ballingschap in den naam van de Arabieren verloren te zijn gegaan. Maar de ondergang van den naam van dit volk sluit niet uit, dat nakomelingen van hen zijn bewaard gebleven, die in de uitbreiding van het Christendom in het land ten oosten van den Jordaan in de gemeente des Heeren werden opgenomen. Gene misdaad is er, welke bij God zwaarder staat aangeschreven dan hoogmoed, vooral het zich hoogmoedig verzetten tegen den Heere, dewijl men daardoor Zijne Oppermajesteit schendt, Hem naar de kroon steekt en Zijn bestuur en wil duidelijk miskent. Betoonden nu de Moabieten dit wellicht daarin, dat zij met sprekende daden zeiden: Wie is de Heere, dat wij naar Hem luisteren zouden? en dat zij aan Israël, het volk dat Jehova Zich bijzonder geëigend had, veel afbreuk deden en allerlei nadeel toebrachten, dan zien wij, wat voor ons volk, als natie beschouwd, te wachten staat, wanneer hoogmoed onze harten vervult, wanneer wij ons tegen den Heere en Zijnen wil trotselijk verzetten en Zijne gunstgenoten kwalijk bejegenen; den zien wij met welk enen weerzin en afkeer de Hoge en Heilige ons aanziet, en wat lot wij zullen kunnen ondergaan, als Jehova’s toorn tegen ons ontbrandt. Gewis God wederstaat de hovaardigen maar den nederigen geeft Hij genade. Den armen en schuldigen zondaar past verootmoediging; zalig zijn de armen van Geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen; zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden. Dit zijn de woorden van den Zone Gods, gesproken, toen Hij op aarde was, om ons door Zijnen dood en bloedstorting den weg te openen en te banen, die ons tot genade en eeuwige vertroosting leidt. Intussen ontmoeten wij hier ook de aanleiding om op te merken de blijvende liefde Gods voor het nakroost van Zijne gunstgenoten. Was Moab een volk, uit den vromen Lot gesproten, dan rustte daarop een bijzondere zegen. Bestaat zulk een zegen ongetwijfeld, in de eerste plaats daarin, dat het kroost van elken vriend van God het Evangelie der genade als uit de hand des Vaders ontvangt, en op ene bijzondere wijze getuige mag zijn van den innerlijken en krachtdadigen invloed en strekking des waren geloofs en der oprechte godsvrucht, zodat het daarin roeping en aandrang vindt om zulk enen weg te kiezen en met Gods hulp in te slaan, dan is het duidelijk, dat de afwijzing van Moab, en van ieder kind, dat vrome ouders had, moedwillig en bijzonder strafbaar is, en daarom ook geheel voor eigen rekening ligt. Maar is nu genade geen erfgoed, en liggen er evenwel vele gebeden van godvruchtige ouders voor den troon van God, gelijk de Heere ook Zijne beloften over hun kinderen deed, dan zullen wij doorgaans opmerken, dat er op dat kroost, al is het ook dat het van den Heere moedwillig afwijkt, nog een uitwendige zegen ligt, welke er naar Gods toezegging om der vaderen wil op rust, waardoor de Heere toont Zijn woord te vervullen en het zaad Zijner knechten gedachtig te zijn. Dat zien wij in Moab volgens dit hoofddeel: geducht zijn de oordelen, die over hem bedreigd worden, en ontzettend zien wij de Goddelijke strafgerichten daarover aangekondigd; maar als het slot van alles is, dat de Heere zegt: “maar in het laatste der dagen zal Ik Moabs gevangenis wenden, ” en Josefus ons bericht, dat er in zijnen tijd nog een groot volk van dezen naam was, den is het ons duidelijk, dat de Heere Zijn woord heeft vervuld en aan het zaad van Zijnen dienaar heeft gedacht, al is het dan ook slechts in uitwendige zegeningen. Thans moge dat Moab niet meer onder de volken van het Oosten bekend zijn, en onder de Arabieren zijn ingesmolten, die allen blijven toch voor een groot deel nakomelingen van Ismaël en Moab en andere afstammelingen uit Abrahams huis, en deze vergeet de Heere niet; blijven zij nog steeds op aarde bewaard, die bewaring zal niet te vergeefs zijn. Als de tijden aanlichten, dat de kennis des Heeren één wordt op aarde, dan zien wij er ook uit deze toevloeien, gelijk het geslachte Lam zondaren gekocht heeft uit alle geslachten, talen, volken en natiën, om toegebracht te worden tot die gemeente der volmaakt rechtvaardigen, die in de hemelen is opgeschreven en voor Zijnen troon verzameld wordt. Dat wij intussen mogen toezien, dat in niemand onzer zij een boos en ongelovig hart om af te wijken van den Heere, en door ongeloof buiten gesloten te worden uit die eeuwige ruste, die voor het volk Gods in de hemelen is weggelegd. De laatste woorden: Tot hiertoe is Moabs oordeel, is hoogstwaarschijnlijk van den redacteur, die al de Profetieën van Jeremia heeft bijeenverzameld.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel