Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadrezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1De HEEREH3068 deed mij zienH7200, en zietH2009, er waren tweeH8147vijgenkorvenH1736, gezetH3259voorH6440 den tempelH1964 des HEERENH3068; nadatH310NebukadrezarH5019, koningH4428 van BabelH894, gevankelijkH1540 had weggevoerd JechoniaH3204, den zoonH1121 van JojakimH3079, den koningH4428 van JudaH3063, mitsgaders de vorstenH8269 van JudaH3063, en de timmerliedenH2796, en de smedenH4525 van JeruzalemH3389, en hen te BabelH894gebrachtH935 had.De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadrezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.
KJVThe LORD2shewed1me, and, behold, two4baskets5of figs6were set7before8the temple9of the LORD,10after11that Nebuchadrezzar13king14of Babylon15had carried away captive12Jeconiah17the son18of Jehoiakim19king20of Judah,21and the princes23of Judah,24with the carpenters26and smiths,28from Jerusalem,29and had brought30them to Babylon.
1הִרְאַנִי֮H7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2יְהוָה֒H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3וְהִנֵּ֗הH2009ziet, ziebehold, lo, see4שְׁנֵי֙H8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two5דּוּדָאֵ֣יH1736Dudaim, dudaim, vijgenkorvenbasket, mandrake6תְאֵנִ֔יםH8384vijgeboom, vijgen, vijgebomenfig (tree)7מוּעָדִ֕יםH3259vergaderd, dagvaarden, komenagree,(maxke an) appoint(-ment, a time), assemble (selves), betroth, gather (selves, together), meet (together), set (a time)8לִפְנֵ֖יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you9הֵיכַ֣לH1964tempel, tempels, paleispalace, temple10יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)11אַחֲרֵ֣יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with12הַגְל֣וֹתH1540gevankelijk, ontdekken, ontdekt[phrase] advertise, appear, bewray, bring, (carry, lead, go) captive (into captivity), depart, disclose, discover, exile, be gone, open, [idiom] plainly, publish, remove, reveal, [idiom] shamelessly, shew, [idiom] surely, tell, uncover13נְבוּכַדְרֶאצַּ֣רH5019Nebukadnezar, NebukadrezarNebuchadnezzar, Nebuchadrezzar14מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal15בָּבֶ֡לH894Babel, Babels, BabylonieBabel, Babylon16אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17יְכָנְיָ֣הוּH3204JechoniaJeconiah. Compare H3659 (כׇּנְיָהוּ)18בֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth19יְהוֹיָקִ֣יםH3079Jojakim, Jojakims, jojakimJehoiakim. Compare H3113 (יוֹיָקִים)20מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal21יְהוּדָה֩H3063JudaJudah22וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)23שָׂרֵ֨יH8269vorsten, oversten, overstecaptain (that had rule), chief (captain), general, governor, keeper, lord,(-task-)master, prince(-ipal), ruler, steward24יְהוּדָ֜הH3063JudaJudah25וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)26הֶחָרָ֤שׁH2796werkmeesters, timmerlieden, werkmeesterartificer, ([phrase]) carpenter, craftsman, engraver, maker, [phrase] mason, skilful, ([phrase]) smith, worker, workman, such as wrought27וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)28הַמַּסְגֵּר֙H4525gevangenis, smedenprison, smith29מִיר֣וּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem30וַיְבִאֵ֖םH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way31בָּבֶֽלH894Babel, Babels, BabylonieBabel, Babylon
2In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2In den enenH259korfH1731 waren zeer goedeH2896vijgenH8384, als de eerste rijpeH1073vijgenH8384 zijn; maar in den anderen korfH1731 waren zeerH3966bozeH7451vijgenH8384, dieH834 vanwege de boosheidH7455nietH3808 konden gegetenH398 worden.In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden.
KJVOne2basket1had very5good4figs,3even like the figs6that are first ripe:7and the other9basket8had very12naughty11figs,10which could not be eaten,15they were so bad.
1הַדּ֣וּדH1731korf, ketel, ketelsbasket, caldron, kettle, (seething) pot2אֶחָ֗דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,3תְּאֵנִים֙H8384vijgeboom, vijgen, vijgebomenfig (tree)4טֹב֣וֹתH2896goed, goede, beterbeautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured)5מְאֹ֔דH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well6כִּתְאֵנֵ֖יH8384vijgeboom, vijgen, vijgebomenfig (tree)7הַבַּכֻּר֑וֹתH1073eerste rijpefirstripe8וְהַדּ֣וּדH1731korf, ketel, ketelsbasket, caldron, kettle, (seething) pot9אֶחָ֗דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,10תְּאֵנִים֙H8384vijgeboom, vijgen, vijgebomenfig (tree)11רָע֣וֹתH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)12מְאֹ֔דH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well13אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without15תֵֽאָכַ֖לְנָהH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite16מֵרֹֽעַH7455boosheid, droefheid, lelijkheid[idiom] be so bad, badness, ([idiom] be so) evil, naughtiness, sadness, sorrow, wickedness
3En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En de HEEREH3068zeideH559totH413 mij: Wat zietH7200gijH859, JeremiaH3414? En ik zeideH559: VijgenH8384; de goedeH2896vijgenH8384 zijn zeer goedH2896, en de bozeH7451 zeer boosH7451, dieH834 vanwege de boosheidH7455nietH3808 kunnen gegetenH398 worden.En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.
KJVThen said1the LORD2unto me, What seest6thou, Jeremiah?7And I said,8Figs;9the good11figs,10very13good;12and the evil,14very16evil,15that cannot be eaten,19they are so evil.
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֵלַ֗יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4מָֽהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why5אַתָּ֤הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you6רֹאֶה֙H7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions7יִרְמְיָ֔הוּH3414Jeremia, Jirmeja, JormejaJeremiah8וָאֹמַ֖רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9תְּאֵנִ֑יםH8384vijgeboom, vijgen, vijgebomenfig (tree)10הַתְּאֵנִ֤יםH8384vijgeboom, vijgen, vijgebomenfig (tree)11הַטֹּבוֹת֙H2896goed, goede, beterbeautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured)12טֹב֣וֹתH2896goed, goede, beterbeautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured)13מְאֹ֔דH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well14וְהָֽרָעוֹת֙H7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)15רָע֣וֹתH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)16מְאֹ֔דH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well17אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection18לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without19תֵאָכַ֖לְנָהH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite20מֵרֹֽעַH7455boosheid, droefheid, lelijkheid[idiom] be so bad, badness, ([idiom] be so) evil, naughtiness, sadness, sorrow, wickedness
4Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Toen geschieddeH1961 des HEERENH3068woordH1697totH413 mij, zeggendeH559:Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KJVAgain the word2of the LORD3came unto me, saying,
5Zo zegt de HEERE, de God Israels: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeen heb weggeschikt, ten goede.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Zo zegtH559 de HEEREH3068, de GodH430IsraelsH3478: Gelijk die goedeH2896vijgenH8384, alzo zal Ik kennenH5234 de gevankelijkH1546 weggevoerden van JudaH3063, die Ik uit deze plaatsH4725 naar het landH776 der ChaldeenH3778 heb weggeschiktH7971, ten goedeH2896.Zo zegt de HEERE, de God Israels: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeen heb weggeschikt, ten goede.
KJVThus saith2the LORD,3the God4of Israel;5Like these good7figs,6so will I acknowledge10them that are carried away captive12of Judah,13whom I have sent15out of this place17into the land19of the Chaldeans20for their good.
1כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder2אָמַ֤רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4אֱלֹהֵ֣יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty5יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6כַּתְּאֵנִ֥יםH8384vijgeboom, vijgen, vijgebomenfig (tree)7הַטֹּב֖וֹתH2896goed, goede, beterbeautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured)8הָאֵ֑לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)9כֵּֽןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you10אַכִּ֞ירH5234kennen, kende, kentacknowledge, [idiom] could, deliver, discern, dissemble, estrange, feign self to be another, know, take knowledge (notice), perceive, regard, (have) respect, behave (make) self strange(-ly)11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12גָּל֣וּתH1546gevankelijk, wegvoering, gevankelijke wegvoering(they that are carried away) captives(-ity)13יְהוּדָ֗הH3063JudaJudah14אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15שִׁלַּ֜חְתִּיH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)16מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with17הַמָּק֥וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)18הַזֶּ֛הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)19אֶ֥רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world20כַּשְׂדִּ֖יםH3778Chaldeen, ChaldeaChaldeans, Chaldees, inhabitants of Chaldea21לְטוֹבָֽהH2896goed, goede, beterbeautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured)
6En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En Ik zal Mijn oogH5869opH5921 hen stellenH7760 ten goedeH2896, en zal hen wederbrengenH7725 in ditH2063landH776; en Ik zal hen bouwenH1129, en nietH3808afbrekenH2040; en zal hen plantenH5193, en nietH3808uitrukkenH5428.En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken.
KJVFor I will set1mine eyes2upon them for good,4and I will bring them again5to this land:7and I will build9them, and not pull them down;11and I will plant12them, and not pluck them up.
1וְשַׂמְתִּ֨יH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work2עֵינִ֤יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)3עֲלֵיהֶם֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4לְטוֹבָ֔הH2896goed, goede, beterbeautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured)5וַהֲשִׁבֹתִ֖יםH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7הָאָ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world8הַזֹּ֑אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus9וּבְנִיתִים֙H1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely10וְלֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11אֶהֱרֹ֔סH2040afbreken, afgebroken, verbrokenbeat down, break (down, through), destroy, overthrow, pluck down, pull down, ruin, throw down, [idiom] utterly12וּנְטַעְתִּ֖יםH5193planten, geplant, plantfastened, plant(-er)13וְלֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without14אֶתּֽוֹשׁH5428uitrukken, uitgerukt, rukkendestroy, forsake, pluck (out, up, by the roots), pull up, root out (up), [idiom] utterly. s
7En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En Ik zal hun een hartH3820gevenH5414 om Mij te kennenH3045, datH3588 Ik de HEEREH3068 ben; en zijH1961 zullen Mij tot een volkH5971 zijn, en Ik zal hun tot een GodH430 zijn; wantH3588 zij zullen zich tot Mij met hun ganseH3605hartH3820bekerenH7725.En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren.
KJVAnd I will give1them an heart3to know4me, that I am the LORD:8and they shall be my people,11and I will be their God:15for they shall return17unto me with their whole heart.
1וְנָתַתִּי֩H5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2לָהֶ֨ם3לֵ֜בH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom4לָדַ֣עַתH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot5אֹתִ֗יH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6כִּ֚יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet7אֲנִ֣יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who8יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9וְהָיוּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use10לִ֣י11לְעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people12וְאָ֣נֹכִ֔יH595ik, mijI, me, [idiom] which13אֶהְיֶ֥הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use14לָהֶ֖ם15לֵאלֹהִ֑יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty16כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet17יָשֻׁ֥בוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw18אֵלַ֖יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)19בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)20לִבָּֽםH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom
8En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En gelijk de bozeH7451vijgenH8384, dieH834 vanwege de boosheidH7455nietH3808 kunnen gegetenH398 worden (wantH3588 aldus zegtH559 de HEEREH3068), alzo zal Ik maken ZedekiaH6667, den koningH4428 van JudaH3063, mitsgaders zijn vorstenH8269, en het overblijfselH7611 van JeruzalemH3389, die in ditH2063landH776 zijn overgeblevenH7604, en die in EgyptelandH776wonenH3427;En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen;
KJVAnd as the evil2figs,1which cannot be eaten,5they are so evil;6surely thus saith9the LORD,10So will I give12Zedekiah14the king15of Judah,16and his princes,18and the residue20of Jerusalem,21that remain22in this land,23and them that dwell25in the land26of Egypt:
1וְכַתְּאֵנִים֙H8384vijgeboom, vijgen, vijgebomenfig (tree)2הָֽרָע֔וֹתH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)3אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without5תֵאָכַ֖לְנָהH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite6מֵרֹ֑עַH7455boosheid, droefheid, lelijkheid[idiom] be so bad, badness, ([idiom] be so) evil, naughtiness, sadness, sorrow, wickedness7כִּיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8כֹ֣הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder9אָמַ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet10יְהוָ֗הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)11כֵּ֣ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you12אֶ֠תֵּןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14צִדְקִיָּ֨הוּH6667Zedekia, ZidkiaZedekiah, Zidkijah15מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal16יְהוּדָ֤הH3063JudaJudah17וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18שָׂרָיו֙H8269vorsten, oversten, overstecaptain (that had rule), chief (captain), general, governor, keeper, lord,(-task-)master, prince(-ipal), ruler, steward19וְאֵ֣תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20שְׁאֵרִ֣יתH7611overblijfsel, overige, overigenthat had escaped, be left, posterity, remain(-der), remnant, residue, rest21יְרוּשָׁלִַ֗םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem22הַנִּשְׁאָרִים֙H7604overgebleven, overblijven, overgelatenleave, (be) left, let, remain, remnant, reserve, the rest23בָּאָ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world24הַזֹּ֔אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus25וְהַיֹּשְׁבִ֖יםH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry26בְּאֶ֥רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world27מִצְרָֽיִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim
9En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En Ik zal hen overgevenH5414 tot een beroeringH2189 ten kwadeH7451, allenH3605koninkrijkenH4467 der aardeH776; tot smaadheidH2781, en tot een spreekwoordH4912, tot een spotredeH8148, en tot een vloekH7045, in alH3605 de plaatsenH4725, waarhenen Ik hen gedrevenH5080 zal hebben;En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben;
KJVAnd I will deliver1them to be removed2into all the kingdoms5of the earth6for their hurt,3to be a reproach7and a proverb,8a taunt9and a curse,10in all places12whither I shall drive
1וּנְתַתִּים֙H5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2לְזַעֲוָ֣הH2113beroeringbe removed, trouble, vexation. Compare H2189 (זַעֲוָה)3לְרָעָ֔הH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)4לְכֹ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5מַמְלְכ֣וֹתH4467koninkrijk, koninkrijken, koninkrijkskingdom, king's, reign, royal6הָאָ֑רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world7לְחֶרְפָּ֤הH2781smaadheid, smaad, versmaadheidrebuke, reproach(-fully), shame8וּלְמָשָׁל֙H4912spreekwoord, spreuk, spreukenbyword, like, parable, proverb9לִשְׁנִינָ֣הH8148spotredebyword, taunt10וְלִקְלָלָ֔הH7045vloek, vloeken(ac-) curse(-d, -ing)11בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12הַמְּקֹמ֖וֹתH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)13אֲשֶֽׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14אַדִּיחֵ֥םH5080gedreven, verdreven, verdrevenenbanish, bring, cast down (out), chase, compel, draw away, drive (away, out, quite), fetch a stroke, force, go away, outcast, thrust away (out), withdraw15שָֽׁםH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
10En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaderen gegeven had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En Ik zal onder hen zendenH7971 het zwaardH2719, den hongerH7458 en de pestilentieH1698, totdatH5704 zij verteerdH8552 zullen zijn uit het landH127, datH834 Ik hun en hun vaderenH1gegevenH5414 had.En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaderen gegeven had.
KJVAnd I will send1the sword,4the famine,6and the pestilence,8among them, till they be consumed10from off the land12that I gave14unto them and to their fathers.
1וְשִׁלַּ֣חְתִּיH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)2בָ֔ם3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הַחֶ֖רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6הָרָעָ֣בH7458honger, hongers, honger lijdendearth, famine, [phrase] famished, hunger7וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8הַדָּ֑בֶרH1698pestilentie, pest, pestilentienmurrain, pestilence, plague9עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet10תֻּמָּם֙H8552verteerd, verdaan, geeindigdaccomplish, cease, be clean (pass-) ed, consume, have done, (come to an, have an, make an) end, fail, come to the full, be all gone, [idiom] be all here, be (make) perfect, be spent, sum, be (shew self) upright, be wasted, whole11מֵעַ֣לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12הָאֲדָמָ֔הH127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land13אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14נָתַ֥תִּיH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield15לָהֶ֖ם16וְלַאֲבוֹתֵיהֶֽםH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Jeremia 24:1— De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadrezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.Jeremia 29:2→2 Kronieken 36:10→2 Koningen 24:12→1 Samuël 13:19→Amos 7:4→Zacharia 1:20→Amos 7:7→Amos 8:1→
Jeremia 24:2— In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden.Jesaja 5:4→Jesaja 5:7→Micha 7:1→Maleachi 1:12→Ezechiël 15:2→Mattheüs 5:13→Jeremia 29:17→Jeremia 24:5→
Jeremia 24:3— En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.Amos 8:2→Mattheüs 25:32→Jeremia 1:11→Zacharia 4:2→Amos 7:8→Zacharia 5:5→1 Samuël 9:9→Zacharia 5:2→
Jeremia 24:5— Zo zegt de HEERE, de God Israels: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeen heb weggeschikt, ten goede.Zacharia 13:9→Nahum 1:7→Psalmen 119:71→Hebreeën 12:5→Johannes 10:27→2 Timotheüs 2:19→Romeinen 8:28→Mattheüs 25:12→
Jeremia 24:6— En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken.Jeremia 42:10→Jeremia 29:10→Jeremia 33:7→Jeremia 32:41→Jeremia 12:15→Jeremia 32:37→Jeremia 1:10→Job 33:27→
Jeremia 24:7— En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren.Jeremia 30:22→Hebreeën 8:10→1 Samuël 7:3→Ezechiël 37:23→Zacharia 8:8→1 Koningen 8:46→Deuteronomium 4:29→Ezechiël 36:24→
Jeremia 24:8— En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen;Jeremia 43:1→Jeremia 24:2→Jeremia 37:10→Jeremia 34:17→Ezechiël 17:11→Jeremia 44:26→Jeremia 32:28→Jeremia 21:10→
Jeremia 24:9— En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben;Jeremia 15:4→Jeremia 29:18→Deuteronomium 28:37→1 Koningen 9:7→Jeremia 34:17→Jeremia 26:6→Jesaja 65:15→Psalmen 44:13→
Jeremia 24:10— En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaderen gegeven had.Jesaja 51:19→Ezechiël 5:12→Jeremia 5:12→Jeremia 34:17→Ezechiël 33:27→Jeremia 27:8→Ezechiël 7:15→Jeremia 15:2→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Jeremia 24 vers 1— De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadrezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.
zien, en ziet,
Te weten, een gezicht, of in een gezicht, zulks als volgt. Vergelijk boven Jer. 11:18 , en zie Gen. 15:1 , en Gen. 46:2 ; Am. 7:1 , Am. 7:4 , Am. 7:7 , en Am. 8:1 .
Hertaald:zien, en ziet,
Namelijk: een gezicht, of: in een gezicht, zoals volgt. Vergelijk hierboven Jer. 11:18, en zie Gen. 15:1 en Gen. 46:2, en Amos 7:1, Amos 7:4 en Amos 7:7, en Amos 8:1.
Jechónia,
Zie boven Jer. 22:24 .
Hertaald:Jechónia,
Zie hierboven Jer. 22:24.
timmerlieden,
Hebreeuws, den timmerman, of werkmeester, [betekenende beide timmerlieden en smeden] en den smid, of eigenlijk den slotenmaker; anders: portier, idem, rijken koopman, als die vele koopwaren opsluit, of opgesloten te koop houdt. Alzo 2 Kon. 24:16 , en onder Jer. 29:2 .
Hertaald:timmerlieden,
Hebreeuws: de timmerman of werkmeester, wat zowel timmerlieden als smeden aanduidt, en de smid, of eigenlijk de slotenmaker. Anders: poortwachter; en ook: rijke koopman, als iemand die veel koopwaar opgeslagen heeft of opgeslagen te koop houdt. Zo ook 2 Kon. 24:16 en hieronder Jer. 29:2.
Jeremia 24 vers 2— In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden.
eerste rijpe vijgen zijn;
Vergelijk Mi. 7:1 , met de aantekening.
Hertaald:eerste rijpe vijgen zijn;
Vergelijk Micha 7:1 met de aantekening.
Jeremia 24 vers 5— Zo zegt de HEERE, de God Israels: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeen heb weggeschikt, ten goede.
Gelijk die goede vijgen,
Sommigen vullen deze woorden aldus aan: Gelijk deze vijgen [goed zijn]; of gelijk [gij] deze goede vijgen [kent], enz. Alzo vs.8.
Hertaald:Gelijk die goede vijgen,
Sommigen vullen deze woorden zo aan: zoals deze vijgen goed zijn; of: zoals u deze goede vijgen kent, enzovoort. Zo ook in vers 8.
kennen
Voor aangenaam houden, zorg voor hen dragen. Zie Ps. 1:6 .
Hertaald:kennen
Voor aangenaam houden, zorg voor hen dragen. Zie Ps. 1:6.
Hertaald:gevankelijk weggevoerden van Juda,
Hebreeuws: gevankelijke wegvoering; zoals elders vaak.
ten goede
Deze woorden kunnen in een goeden zin gevoegd worden bij het woord kennen, of bij het woord weggeschikt; want God kent de zijnen ten goede, en Hij had de zijnen [die Hij onder de gevangenen had] tot hun best verzonden en gekastijd, zullende daaruit zijne kerk nog weder oprichten en bouwen, gelijk volgt.
Hertaald:ten goede
Deze woorden kunnen in goede zin verbonden worden met het woord kennen, of met het woord weggezonden; want God kent de Zijnen ten goede, en Hij had de Zijnen, die Hij onder de gevangenen had, tot hun bestwil weggezonden en gekastijd, om daaruit Zijn kerk toch weer op te richten en te bouwen, zoals volgt.
Jeremia 24 vers 6— En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken.
oog
Vergelijk 1 Kon. 8:29 ; Ps. 32:8 ; idem onder Jer. 39:12 , en Jer. 40:4 , gelijk integendeel het oog tegen iemand te zetten of stellen, ten kwade genomen wordt. Zie Am. 9:4 . De manier van spreken is in het Hebreeuws enerlei, maar wordt door het bijgevoegde verklaard, en het Hebreeuwse woord verklaard op, over, en ook tegen, naar gelegenheid van zaken.
Hertaald:oog
Vergelijk 1 Kon. 8:29 en Ps. 32:8, en ook hieronder Jer. 39:12 en Jer. 40:4. Daartegenover wordt het oog tegen iemand zetten of stellen in kwade zin opgevat; zie Amos 9:4. In het Hebreeuws is de manier van spreken dezelfde, maar zij wordt verduidelijkt door wat erbij staat, en het Hebreeuwse woord wordt verklaard met op, over en ook tegen, al naar gelang van de zaak.
bouwen,
Vergelijk Ps. 28:5 .
Hertaald:bouwen,
Vergelijk Ps. 28:5.
Jeremia 24 vers 7— En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren.
tot een volk zijn,
Zie Lev. 26:12 .
Hertaald:tot een volk zijn,
Zie Lev. 26:12.
tot een God zijn;
Zie Gen. 17:7 .
Hertaald:tot een God zijn;
Zie Gen. 17:7.
Jeremia 24 vers 8— En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen;
want aldus zegt de HEERE
Of, zekerlijk.
Hertaald:want aldus zegt de HEERE
Of: zeker.
maken Zedekia,
Of, stellen, toerichten; anders: overgeven, en vs.9 aldus begonnen: Ik zal hen, zeg Ik, oergeven, enz. Vergelijk onder Jer. 29:17 .
Hertaald:maken Zedekia,
Of: stellen, toerichten. Anders: overgeven, waarbij vers 9 dan zo begint: Ik zal hen, zeg Ik, overgeven, enzovoort. Vergelijk hieronder Jer. 29:17.
wonen
Dat is, alsdan zullen wonen; zie 2 Kon. 25:26 , en onder Jer 43 , Jer 44 .
Hertaald:wonen
Dat is: die dan zullen wonen; zie 2 Kon. 25:26 en hieronder Jer. 43 en 44.
Jeremia 24 vers 9— En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben;
overgeven
Of, stellen, enz.; zie boven Jer. 15:4 en Deut. 28:25 .
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
De twee korven vijgen — een gezicht waarin de weggevoerden de goede vijgen blijken te zijn (Jer. 24:1-10)
"De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN" (Jer. 24:1). Het gebeurde nadat koning Jechonia met de vorsten was weggevoerd naar Babel. In de ene korf zaten "zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn", in de andere "zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden" (Jer. 24:2). De uitleg keert de verwachting om: de goede vijgen zijn de weggevoerden. "Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeen heb weggeschikt, ten goede" (Jer. 24:5). Van hen staat: "Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken" (Jer. 24:6). En dan volgt de belofte die het gezicht draagt: "Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren" (Jer. 24:7).
Bijbelse betekenis: Merk op hoe de verwachting omgekeerd wordt. Wie in Jeruzalem was achtergebleven, kon menen dat hij gespaard was en dus in Gods gunst stond; wie weggevoerd was, leek afgeschreven. Het gezicht zegt het omgekeerde. Uiterlijke voorspoed is hier geen bewijs van gunst. Let vervolgens op de werkwoorden van Jer. 24:6. Bouwen en planten stonden al in de roeping van de profeet, achter het uitrukken en afbreken (reeds behandeld bij Jer. 1:10); hier krijgen zij hun plaats. Let ten slotte op Jer. 24:7. Het hart om God te kennen wordt gegeven en niet geëist, en de bekering volgt daarop. Dat is dezelfde lijn als bij de besnijdenis van het hart (reeds behandeld bij Jer. 4:4) en het loopt vooruit op het nieuwe verbond (Jer. 31:33).
Typologie: De Heere Jezus zegt hetzelfde over het kennen van de Vader: "noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren" (Matt. 11:27). En Johannes schrijft dat de Zoon van God ons het verstand heeft gegeven, "dat wij den Waarachtige kennen" (1 Joh. 5:20).
IV. Vs. 1-10.KruisverwijzingenJeremia 42:10→Jeremia 29:10→Jeremia 33:7→Jeremia 29:2→Jeremia 32:41→Jeremia 12:15→Jeremia 30:22→Hebreeën 8:10→ — De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadrezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had. In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden. En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden. Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeen heb weggeschikt, ten goede. En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren. En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen; En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben; En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaderen gegeven had. In het jaar 598 voor C. voerde Nebukadnezar den koning Jojachin met de kern des volks naar Babel, en stelde over de achtergeblevenen in het land Mathanja, onder den naam van Zedekia tot koning aan (2 Kon. 24:10 vv.). Deze achtergeblevenen schijnen zich te hebben ingebeeld, dat zij, door hun gespaard worden van het ongeluk der wegvoering daadzakelijk waren verklaard voor de beteren in des Heeren ogen; dat het gericht nu voorbij, het achtergeblevene volk reeds verzoend en gereinigd, en er zo weinig meer te vrezen was, dat integendeel spoedig de nieuw tijd des heils zou beginnen. Zedekia heeft waarschijnlijk dien naam “gerechtigheid van Jehova” aangenomen in de dwaze verwachting, dat de Heere door hem en onder zijne regering de aan het verbondsvolk in Hoofdst. 23:5 vv. gegevene belofte zou vervullen (2 Kon. 24:17). Daarom zond hij ook spoedig na zijne aanstelling een gezantschap naar Babel (Hoofdst. 29:3), dat hoofdzakelijk ten doel had, om het terugkeren der gevangenen bij Nebukadnezar te bewerken. De Heere stelt Zich in dit gezicht der twee korven met vijgen tegenover dat gevaarlijk zelfbedrog met zulk ene beslistheid, dat Hij integendeel degenen, die reeds naar het land der Chaldeën waren weggevoerd, voor het betere deel des volks verklaart, dat zich bekeren, bij Hem genade vinden en naar het heilige land terugkeren zal, om de belofte te verkrijgen. Zedekia daarentegen maakte met de nog in Juda achter gelatenen, of naar Egypte vertrokkenen het minste gedeelte des volks uit, dat door zijne verdere verstokking nog ten laatste den vloek, in Deut. 28:36; vv. uitgesproken over zich brengen zal.
KruisverwijzingenJeremia 29:2→2 Kronieken 36:10→2 Koningen 24:12→1 Samuël 13:19→Amos 7:4→Zacharia 1:20→Amos 7:7→Amos 8:1→— De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadrezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.
De HEERE deed mij een gezicht (2 (Kon. 6:17) zien, en ziet, er waren twee vijgekorven, gezet voor den tempel des HEEREN, op de plaats, bestemd voor het brengen der eerstelingen van vruchten (Exod. 23:19. Deut 26:4), nadat Nebukadnezar a), koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda (2 Kon. 24:15) en de timmerlieden en de smeden (2 Kon. 24:14 en 16) van Jeruzalem en hem te Babel gebracht had (Hoofdst. 29:2).
2 Kron. 36:10.
KruisverwijzingenJesaja 5:4→Jesaja 5:7→Micha 7:1→Maleachi 1:12→Ezechiël 15:2→Mattheüs 5:13→Jeremia 29:17→Jeremia 24:5→— In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden.
In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn, ene zachte en welsmakende lekkernij (Jes. 28:4); maar in den anderen korf waren zeer boze zeer slechte vijgen, die van wege de boosheid, slechtheid, niet konden gegeten worden(Hoofdst. 29:17).
KruisverwijzingenAmos 8:2→Mattheüs 25:32→Jeremia 1:11→Zacharia 4:2→Amos 7:8→Zacharia 5:5→1 Samuël 9:9→Zacharia 5:2→— En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.
En de HEERE zei tot mij, even als bij het gezicht in Hoofdst. 1:11 en 13, om vooraf mij de hoofdzaak, waarop het eigenlijk aankwam juist in het oog te doen nemen: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zei: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die van wege de boosheid niet kunnen gegeten worden. De vijgeboom is een profetisch zinnebeeld van het volk Israël (Hos. 9:10. Luk. 13:6 vv.). De Israëlieten zijn elk in ‘t bijzonder de vruchten van dezen boom en hun wandel voor God beslist, of zij goede of boze vruchten zijn, of de Heere ze aanneemt of verwerpt. De eerstelingen der vijgen werden Gode, volgens de wet in den tempel getracht, even als de eerstelingen van andere vruchten (Deut. 25:2), als een beeld van den gelovigen Israëliet, die zich zelven den Heere heiligt. Dit heeft men te bedenken bij het hier medegedeelde gezicht, en bij de verklaring in het oog te houden. De gevangenen hebben hunnen hoogmoed tegenover God afgelegd. Zij zijn afgezonderd uit het getal der volken, die voor de wereld bestaan. In politiek opzicht zijn zij gestorven en nu bij den inwendigen toestand bepaald. Nu wil God aan hen tonen, wat Zijne liefde vermag; zij zullen wederkeren en in ware nabijheid van God Zijn waar Israël zijn.
— Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, om mij het gezicht ook te verklaren, zeggende:
KruisverwijzingenZacharia 13:9→Nahum 1:7→Psalmen 119:71→Hebreeën 12:5→Johannes 10:27→2 Timotheüs 2:19→Romeinen 8:28→Mattheüs 25:12→— Zo zegt de HEERE, de God Israels: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeen heb weggeschikt, ten goede.
Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Gelijk die goede vijgenin de ogen van ieder, die ze ziet, goed zijn, en hij ze met welgevallen beschouwt, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeën heb weggeschikt, ten goede. Ik zal hun Mijn welgevallen doen ondervinden en Mijne belofte aan hen vervullen.
KruisverwijzingenJeremia 42:10→Jeremia 29:10→Jeremia 33:7→Jeremia 32:41→Jeremia 12:15→Jeremia 32:37→Jeremia 1:10→Job 33:27→— En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken.
En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, om aan hen te doen, wat Ik ten opzichte van de overigen Mijner kudde in Mijne gedachte heb (Jer. 23:3 vv.), en Ik zal hen wederbrengen in dit land (vgl. Hoofdst. 30): en Ik zal hen bouwen, wanneer zij zijn teruggevoerd, en niet afbreken; en Ik zal hen planten en niet uitrukken (Hoofdst. 12:15 vv. 17:7 vv.).
Ofschoon God over geheel de wereld heerst, zo verzekert Hij echter de God van de kerk te zijn en de gelovigen welke Hij aangenomen heeft, verwaardigt Hij door deze uitspraak dat zij zijn Zijn volk, opdat zij, op Hem hun heil stellen, hetwelk bij Hem is weggelegd, zoals gezegd wordt bij Habakuk (Hoofdst. 1:12). Gij zijt onze God, wij zullen niet sterven. Want Christus is ook een der beste uitleggers van deze uitspraak, wanneer Hij zegt, dat God niet is een God der doden maar der levenden. Hier belooft de Heere, dat zij dus weer bij God in het verbond zullen aangenomen worden. God zal hen erkennen als de zijnen gelijk voor deze, als Zijn volk zo wel in de ontdekkingen van Zich aan hen als in het aannemen van hun dienst en in Zijne genadige verschijning ten goede. En zij zullen de vrijheid hebben, om Hem voor hun God te erkennen, in hun gebeden tot Hem en in hun verwachtingen van Hem. Hier verzekert de Heere God, aan het overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat Hij gedachten des vredes over hen heeft. Dat Hij hen niet in de ellende zal doen omkomen, maar gelouterd als door het vuur der beproevingen hen zal stellen op de hoogten des heils. Dat Hij hun God, en zij Zijn volk zullen zijn, en dat zij uit de volheid Zijner genade en uit de veelheid Zijner zegeningen zullen genieten, wat niet alleen voor hun tijdelijk, maar bovenal voor hun geestelijk heil zal nodig zijn.
KruisverwijzingenJeremia 30:22→Hebreeën 8:10→1 Samuël 7:3→Ezechiël 37:23→Zacharia 8:8→1 Koningen 8:46→Deuteronomium 4:29→Ezechiël 36:24→— En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren.
a) En Ik zal hun, gelijk in Hoofdst. 31 nader zal worden gezegd, een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben b), en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot enen God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren. 1)
Tot deze eerste weggevoerden behoren in het bijzonder de zegeningen, den Joden bij de wederkering uit de gevangenis beloofd, als de kennis en de vreze van God en de genade om in gehoorzaamheid aan Zijne geboden te leven. Enigermate zijn deze beloften vervuld in de tijden na de gevangenis; toen de Joden volstandig bleven bij hunnen godsdienst en zich zeer wachtten voor het verval tot afgoderij. Ik houd het echter daarvoor, dat de volkomene vervulling dezer profetie te wachten is bij de algemene herstelling van dat volk, zo dikwijls gemeld bij de Profeten.
KruisverwijzingenJeremia 43:1→Jeremia 24:2→Jeremia 37:10→Jeremia 34:17→Ezechiël 17:11→Jeremia 44:26→Jeremia 32:28→Jeremia 21:10→— En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen;
En gelijk de boze vijgen, die van wege de boosheid niet kunnen gegeten worden, maar die men moet wegwerpen (Hoofdst. 29:17), (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijne vorsten en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven en die in Egypteland wonen, waarheen zij gevlucht zijn. Het woord in Hoofdst. 15:11 ziet dus geenszins op hen, gelijk zij zich inbeelden.
KruisverwijzingenJeremia 15:4→Jeremia 29:18→Deuteronomium 28:37→1 Koningen 9:7→Jeremia 34:17→Jeremia 26:6→Jesaja 65:15→Psalmen 44:13→— En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben;
a) En Ik zal hen tot volvoering Mijner bedreiging in Hoofdst. 15:3 vv. overgeven tot ene beroering ten kwade aller koninkrijken der aarde. Zij zullen gelijk in Deut. 28:37 gezegd is, zijn tot smaadheid en tot een spreekwoord, tot ene spotrede en tot enen vloek 1) in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben.
Tot in den laatsten tijd toe heeft het volk der Joden, dat onder den vloek zuchtte, de boze elementen van zijne rationale eigenaardigheid op allerlei wijze ontwikkeld ten verderve der volken, onder welke het werd verstoten.
KruisverwijzingenJesaja 51:19→Ezechiël 5:12→Jeremia 5:12→Jeremia 34:17→Ezechiël 33:27→Jeremia 27:8→Ezechiël 7:15→Jeremia 15:2→— En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaderen gegeven had.
En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hunnen vaderen gegeven had. Van dezelfde gedachte, als die hier is uitgesproken, is later de brief van Jeremia aan de weggevoerden doortrokken, dien hij zelf in Hoofdst. 29 ons mededeelt. Eveneens heeft hij zich volgens deze grondstellingen gedragen tegenover diegenen die, na den moord van Gedalja, naar Egypte wilden vluchten (Hoofdst. 42 en 44). Uit dit oordeel over Zedekia zien wij tevens, waarom in de verschillende redenen van Hoofdst. 2-20 volstrekt niet van dezen koning wordt gesproken, en hij zelfs in Hoofdst. 22 geheel buiten aanmerking is gebleven. Volgens het standpunt van den Profeet wordt hij niet meegedeeld in de rij van Juda’s koningen, maar staat hij buiten de eigenlijke geschiedenis des heils. Door het aannemen toch van den naam: “gerechtigheid des Heeren” heeft hij wederrechtelijk de profetie op zich toegepast, die wij in Hoofdst. 15:11 vinden nadat hij die toch slechts door middel van enen valsen Profeet had gestolen (Hoofdst. 23:30), en daardoor had hij zich op de grofste wijze aan des Heeren heiligdom vergrepen. In den kring der redenen, die voor ons ligt (Hoofdst. 21-24), hebben wij ene bestraffing van de aanmatiging van dien eretitel, terwijl in Hoofdst. 23:6 daartegenover wordt gesteld die titel, welken de Heere zelf draagt, die in waarheid onze gerechtigheid (zidkenoe) is. Aan de andere zijde wordt meegedeeld het einde, dat hij zal hebben, daar hem in Hoofdst. 21:7 niets anders wordt voorgesteld dan gehele overgave in de hand van Nebukadnezar tot reddelozen ondergang. In het nu volgende gedeelte van onze profetie (Hoofdst. 25:29), waarin ene samenvoeging van gezegden van geheel bijzonderen inhoud gevonden wordt, die vooral betrekking hebben op den ondergang van Jeruzalem door de Chaldeën en de dienstbaarheid van Juda onder de Chaldeën, worden wij geheel in den tijd van Zedekia verplaatst, terwijl die van Jojakim in Hoofdst. 25 en 26 slechts tot blad daarvoor dient.
IV. Vs. 1-10.KruisverwijzingenJeremia 42:10→Jeremia 29:10→Jeremia 33:7→Jeremia 29:2→Jeremia 32:41→Jeremia 12:15→Jeremia 30:22→Hebreeën 8:10→ — De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadrezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had. In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden. En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden. Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeen heb weggeschikt, ten goede. En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren. En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen; En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben; En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaderen gegeven had. In het jaar 598 voor C. voerde Nebukadnezar den koning Jojachin met de kern des volks naar Babel, en stelde over de achtergeblevenen in het land Mathanja, onder den naam van Zedekia tot koning aan (2 Kon. 24:10 vv.). Deze achtergeblevenen schijnen zich te hebben ingebeeld, dat zij, door hun gespaard worden van het ongeluk der wegvoering daadzakelijk waren verklaard voor de beteren in des Heeren ogen; dat het gericht nu voorbij, het achtergeblevene volk reeds verzoend en gereinigd, en er zo weinig meer te vrezen was, dat integendeel spoedig de nieuw tijd des heils zou beginnen. Zedekia heeft waarschijnlijk dien naam “gerechtigheid van Jehova” aangenomen in de dwaze verwachting, dat de Heere door hem en onder zijne regering de aan het verbondsvolk in Hoofdst. 23:5 vv. gegevene belofte zou vervullen (2 Kon. 24:17). Daarom zond hij ook spoedig na zijne aanstelling een gezantschap naar Babel (Hoofdst. 29:3), dat hoofdzakelijk ten doel had, om het terugkeren der gevangenen bij Nebukadnezar te bewerken. De Heere stelt Zich in dit gezicht der twee korven met vijgen tegenover dat gevaarlijk zelfbedrog met zulk ene beslistheid, dat Hij integendeel degenen, die reeds naar het land der Chaldeën waren weggevoerd, voor het betere deel des volks verklaart, dat zich bekeren, bij Hem genade vinden en naar het heilige land terugkeren zal, om de belofte te verkrijgen. Zedekia daarentegen maakte met de nog in Juda achter gelatenen, of naar Egypte vertrokkenen het minste gedeelte des volks uit, dat door zijne verdere verstokking nog ten laatste den vloek, in Deut. 28:36; vv. uitgesproken over zich brengen zal.
De HEERE deed mij een gezicht (2 (Kon. 6:17) zien, en ziet, er waren twee vijgekorven, gezet voor den tempel des HEEREN, op de plaats, bestemd voor het brengen der eerstelingen van vruchten (Exod. 23:19. Deut 26:4), nadat Nebukadnezar a), koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda (2 Kon. 24:15) en de timmerlieden en de smeden(2 Kon. 24:14 en 16) van Jeruzalem en hem te Babel gebracht had (Hoofdst. 29:2).
2 Kron. 36:10.
In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn, ene zachte en welsmakende lekkernij (Jes. 28:4); maar in den anderen korf waren zeer boze zeer slechte vijgen, die van wege de boosheid, slechtheid, niet konden gegeten worden(Hoofdst. 29:17).
En de HEERE zei tot mij, even als bij het gezicht in Hoofdst. 1:11 en 13, om vooraf mij de hoofdzaak, waarop het eigenlijk aankwam juist in het oog te doen nemen: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zei: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die van wege de boosheid niet kunnen gegeten worden. De vijgeboom is een profetisch zinnebeeld van het volk Israël (Hos. 9:10. Luk. 13:6 vv.). De Israëlieten zijn elk in ‘t bijzonder de vruchten van dezen boom en hun wandel voor God beslist, of zij goede of boze vruchten zijn, of de Heere ze aanneemt of verwerpt. De eerstelingen der vijgen werden Gode, volgens de wet in den tempel getracht, even als de eerstelingen van andere vruchten (Deut. 25:2), als een beeld van den gelovigen Israëliet, die zich zelven den Heere heiligt. Dit heeft men te bedenken bij het hier medegedeelde gezicht, en bij de verklaring in het oog te houden. De gevangenen hebben hunnen hoogmoed tegenover God afgelegd. Zij zijn afgezonderd uit het getal der volken, die voor de wereld bestaan. In politiek opzicht zijn zij gestorven en nu bij den inwendigen toestand bepaald. Nu wil God aan hen tonen, wat Zijne liefde vermag; zij zullen wederkeren en in ware nabijheid van God Zijn waar Israël zijn.
Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, om mij het gezicht ook te verklaren, zeggende:
Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Gelijk die goede vijgenin de ogen van ieder, die ze ziet, goed zijn, en hij ze met welgevallen beschouwt, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeën heb weggeschikt, ten goede. Ik zal hun Mijn welgevallen doen ondervinden en Mijne belofte aan hen vervullen.
En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, om aan hen te doen, wat Ik ten opzichte van de overigen Mijner kudde in Mijne gedachte heb (Jer. 23:3 vv.), en Ik zal hen wederbrengen in dit land (vgl. Hoofdst. 30): en Ik zal hen bouwen, wanneer zij zijn teruggevoerd, en niet afbreken; en Ik zal hen planten en niet uitrukken (Hoofdst. 12:15 vv. 17:7 vv.).
Ofschoon God over geheel de wereld heerst, zo verzekert Hij echter de God van de kerk te zijn en de gelovigen welke Hij aangenomen heeft, verwaardigt Hij door deze uitspraak dat zij zijn Zijn volk, opdat zij, op Hem hun heil stellen, hetwelk bij Hem is weggelegd, zoals gezegd wordt bij Habakuk (Hoofdst. 1:12). Gij zijt onze God, wij zullen niet sterven. Want Christus is ook een der beste uitleggers van deze uitspraak, wanneer Hij zegt, dat God niet is een God der doden maar der levenden. Hier belooft de Heere, dat zij dus weer bij God in het verbond zullen aangenomen worden. God zal hen erkennen als de zijnen gelijk voor deze, als Zijn volk zo wel in de ontdekkingen van Zich aan hen als in het aannemen van hun dienst en in Zijne genadige verschijning ten goede. En zij zullen de vrijheid hebben, om Hem voor hun God te erkennen, in hun gebeden tot Hem en in hun verwachtingen van Hem. Hier verzekert de Heere God, aan het overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat Hij gedachten des vredes over hen heeft. Dat Hij hen niet in de ellende zal doen omkomen, maar gelouterd als door het vuur der beproevingen hen zal stellen op de hoogten des heils. Dat Hij hun God, en zij Zijn volk zullen zijn, en dat zij uit de volheid Zijner genade en uit de veelheid Zijner zegeningen zullen genieten, wat niet alleen voor hun tijdelijk, maar bovenal voor hun geestelijk heil zal nodig zijn.
a) En Ik zal hun, gelijk in Hoofdst. 31 nader zal worden gezegd, een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben b), en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot enen God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren. 1)
Tot deze eerste weggevoerden behoren in het bijzonder de zegeningen, den Joden bij de wederkering uit de gevangenis beloofd, als de kennis en de vreze van God en de genade om in gehoorzaamheid aan Zijne geboden te leven. Enigermate zijn deze beloften vervuld in de tijden na de gevangenis; toen de Joden volstandig bleven bij hunnen godsdienst en zich zeer wachtten voor het verval tot afgoderij. Ik houd het echter daarvoor, dat de volkomene vervulling dezer profetie te wachten is bij de algemene herstelling van dat volk, zo dikwijls gemeld bij de Profeten.
En gelijk de boze vijgen, die van wege de boosheid niet kunnen gegeten worden, maar die men moet wegwerpen (Hoofdst. 29:17), (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijne vorsten en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven en die in Egypteland wonen, waarheen zij gevlucht zijn. Het woord in Hoofdst. 15:11 ziet dus geenszins op hen, gelijk zij zich inbeelden.
a) En Ik zal hen tot volvoering Mijner bedreiging in Hoofdst. 15:3 vv. overgeven tot ene beroering ten kwade aller koninkrijken der aarde. Zij zullen gelijk in Deut. 28:37 gezegd is, zijn tot smaadheid en tot een spreekwoord, tot ene spotrede en tot enen vloek 1) in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben.
Tot in den laatsten tijd toe heeft het volk der Joden, dat onder den vloek zuchtte, de boze elementen van zijne rationale eigenaardigheid op allerlei wijze ontwikkeld ten verderve der volken, onder welke het werd verstoten.
En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hunnen vaderen gegeven had. Van dezelfde gedachte, als die hier is uitgesproken, is later de brief van Jeremia aan de weggevoerden doortrokken, dien hij zelf in Hoofdst. 29 ons mededeelt. Eveneens heeft hij zich volgens deze grondstellingen gedragen tegenover diegenen die, na den moord van Gedalja, naar Egypte wilden vluchten (Hoofdst. 42 en 44). Uit dit oordeel over Zedekia zien wij tevens, waarom in de verschillende redenen van Hoofdst. 2-20 volstrekt niet van dezen koning wordt gesproken, en hij zelfs in Hoofdst. 22 geheel buiten aanmerking is gebleven. Volgens het standpunt van den Profeet wordt hij niet meegedeeld in de rij van Juda’s koningen, maar staat hij buiten de eigenlijke geschiedenis des heils. Door het aannemen toch van den naam: “gerechtigheid des Heeren” heeft hij wederrechtelijk de profetie op zich toegepast, die wij in Hoofdst. 15:11 vinden nadat hij die toch slechts door middel van enen valsen Profeet had gestolen (Hoofdst. 23:30), en daardoor had hij zich op de grofste wijze aan des Heeren heiligdom vergrepen. In den kring der redenen, die voor ons ligt (Hoofdst. 21-24), hebben wij ene bestraffing van de aanmatiging van dien eretitel, terwijl in Hoofdst. 23:6 daartegenover wordt gesteld die titel, welken de Heere zelf draagt, die in waarheid onze gerechtigheid (zidkenoe) is. Aan de andere zijde wordt meegedeeld het einde, dat hij zal hebben, daar hem in Hoofdst. 21:7 niets anders wordt voorgesteld dan gehele overgave in de hand van Nebukadnezar tot reddelozen ondergang. In het nu volgende gedeelte van onze profetie (Hoofdst. 25:29), waarin ene samenvoeging van gezegden van geheel bijzonderen inhoud gevonden wordt, die vooral betrekking hebben op den ondergang van Jeruzalem door de Chaldeën en de dienstbaarheid van Juda onder de Chaldeën, worden wij geheel in den tijd van Zedekia verplaatst, terwijl die van Jojakim in Hoofdst. 25 en 26 slechts tot blad daarvoor dient.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Jeremia 24
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IV. Vs. 1-10.KruisverwijzingenJeremia 42:10→Jeremia 29:10→Jeremia 33:7→Jeremia 29:2→Jeremia 32:41→Jeremia 12:15→Jeremia 30:22→Hebreeën 8:10→
— De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadrezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had. In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden. En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden. Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeen heb weggeschikt, ten goede. En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren. En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen; En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben; En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaderen gegeven had.
In het jaar 598 voor C. voerde Nebukadnezar den koning Jojachin met de kern des volks naar Babel, en stelde over de achtergeblevenen in het land Mathanja, onder den naam van Zedekia tot koning aan (2 Kon. 24:10 vv.). Deze achtergeblevenen schijnen zich te hebben ingebeeld, dat zij, door hun gespaard worden van het ongeluk der wegvoering daadzakelijk waren verklaard voor de beteren in des Heeren ogen; dat het gericht nu voorbij, het achtergeblevene volk reeds verzoend en gereinigd, en er zo weinig meer te vrezen was, dat integendeel spoedig de nieuw tijd des heils zou beginnen. Zedekia heeft waarschijnlijk dien naam “gerechtigheid van Jehova” aangenomen in de dwaze verwachting, dat de Heere door hem en onder zijne regering de aan het verbondsvolk in Hoofdst. 23:5 vv. gegevene belofte zou vervullen (2 Kon. 24:17). Daarom zond hij ook spoedig na zijne aanstelling een gezantschap naar Babel (Hoofdst. 29:3), dat hoofdzakelijk ten doel had, om het terugkeren der gevangenen bij Nebukadnezar te bewerken. De Heere stelt Zich in dit gezicht der twee korven met vijgen tegenover dat gevaarlijk zelfbedrog met zulk ene beslistheid, dat Hij integendeel degenen, die reeds naar het land der Chaldeën waren weggevoerd, voor het betere deel des volks verklaart, dat zich bekeren, bij Hem genade vinden en naar het heilige land terugkeren zal, om de belofte te verkrijgen. Zedekia daarentegen maakte met de nog in Juda achter gelatenen, of naar Egypte vertrokkenen het minste gedeelte des volks uit, dat door zijne verdere verstokking nog ten laatste den vloek, in Deut. 28:36; vv. uitgesproken over zich brengen zal.
De HEERE deed mij een gezicht (2 (Kon. 6:17) zien, en ziet, er waren twee vijgekorven, gezet voor den tempel des HEEREN, op de plaats, bestemd voor het brengen der eerstelingen van vruchten (Exod. 23:19. Deut 26:4), nadat Nebukadnezar a), koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda (2 Kon. 24:15) en de timmerlieden en de smeden (2 Kon. 24:14 en 16) van Jeruzalem en hem te Babel gebracht had (Hoofdst. 29:2).
2 Kron. 36:10.
In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn, ene zachte en welsmakende lekkernij (Jes. 28:4); maar in den anderen korf waren zeer boze zeer slechte vijgen, die van wege de boosheid, slechtheid, niet konden gegeten worden(Hoofdst. 29:17).
En de HEERE zei tot mij, even als bij het gezicht in Hoofdst. 1:11 en 13, om vooraf mij de hoofdzaak, waarop het eigenlijk aankwam juist in het oog te doen nemen: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zei: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die van wege de boosheid niet kunnen gegeten worden. De vijgeboom is een profetisch zinnebeeld van het volk Israël (Hos. 9:10. Luk. 13:6 vv.). De Israëlieten zijn elk in ‘t bijzonder de vruchten van dezen boom en hun wandel voor God beslist, of zij goede of boze vruchten zijn, of de Heere ze aanneemt of verwerpt. De eerstelingen der vijgen werden Gode, volgens de wet in den tempel getracht, even als de eerstelingen van andere vruchten (Deut. 25:2), als een beeld van den gelovigen Israëliet, die zich zelven den Heere heiligt. Dit heeft men te bedenken bij het hier medegedeelde gezicht, en bij de verklaring in het oog te houden. De gevangenen hebben hunnen hoogmoed tegenover God afgelegd. Zij zijn afgezonderd uit het getal der volken, die voor de wereld bestaan. In politiek opzicht zijn zij gestorven en nu bij den inwendigen toestand bepaald. Nu wil God aan hen tonen, wat Zijne liefde vermag; zij zullen wederkeren en in ware nabijheid van God Zijn waar Israël zijn.
Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, om mij het gezicht ook te verklaren, zeggende:
Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Gelijk die goede vijgenin de ogen van ieder, die ze ziet, goed zijn, en hij ze met welgevallen beschouwt, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeën heb weggeschikt, ten goede. Ik zal hun Mijn welgevallen doen ondervinden en Mijne belofte aan hen vervullen.
En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, om aan hen te doen, wat Ik ten opzichte van de overigen Mijner kudde in Mijne gedachte heb (Jer. 23:3 vv.), en Ik zal hen wederbrengen in dit land (vgl. Hoofdst. 30): en Ik zal hen bouwen, wanneer zij zijn teruggevoerd, en niet afbreken; en Ik zal hen planten en niet uitrukken (Hoofdst. 12:15 vv. 17:7 vv.).
Ofschoon God over geheel de wereld heerst, zo verzekert Hij echter de God van de kerk te zijn en de gelovigen welke Hij aangenomen heeft, verwaardigt Hij door deze uitspraak dat zij zijn Zijn volk, opdat zij, op Hem hun heil stellen, hetwelk bij Hem is weggelegd, zoals gezegd wordt bij Habakuk (Hoofdst. 1:12). Gij zijt onze God, wij zullen niet sterven. Want Christus is ook een der beste uitleggers van deze uitspraak, wanneer Hij zegt, dat God niet is een God der doden maar der levenden. Hier belooft de Heere, dat zij dus weer bij God in het verbond zullen aangenomen worden. God zal hen erkennen als de zijnen gelijk voor deze, als Zijn volk zo wel in de ontdekkingen van Zich aan hen als in het aannemen van hun dienst en in Zijne genadige verschijning ten goede. En zij zullen de vrijheid hebben, om Hem voor hun God te erkennen, in hun gebeden tot Hem en in hun verwachtingen van Hem. Hier verzekert de Heere God, aan het overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat Hij gedachten des vredes over hen heeft. Dat Hij hen niet in de ellende zal doen omkomen, maar gelouterd als door het vuur der beproevingen hen zal stellen op de hoogten des heils. Dat Hij hun God, en zij Zijn volk zullen zijn, en dat zij uit de volheid Zijner genade en uit de veelheid Zijner zegeningen zullen genieten, wat niet alleen voor hun tijdelijk, maar bovenal voor hun geestelijk heil zal nodig zijn.
a) En Ik zal hun, gelijk in Hoofdst. 31 nader zal worden gezegd, een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben b), en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot enen God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren. 1)
(Deut. 30:6. Jer. 32:39. Ezech. 11:19; 36:26, 27. b) Jer. 30:22; 31:33; 32:38.
Tot deze eerste weggevoerden behoren in het bijzonder de zegeningen, den Joden bij de wederkering uit de gevangenis beloofd, als de kennis en de vreze van God en de genade om in gehoorzaamheid aan Zijne geboden te leven. Enigermate zijn deze beloften vervuld in de tijden na de gevangenis; toen de Joden volstandig bleven bij hunnen godsdienst en zich zeer wachtten voor het verval tot afgoderij. Ik houd het echter daarvoor, dat de volkomene vervulling dezer profetie te wachten is bij de algemene herstelling van dat volk, zo dikwijls gemeld bij de Profeten.
En gelijk de boze vijgen, die van wege de boosheid niet kunnen gegeten worden, maar die men moet wegwerpen (Hoofdst. 29:17), (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijne vorsten en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven en die in Egypteland wonen, waarheen zij gevlucht zijn. Het woord in Hoofdst. 15:11 ziet dus geenszins op hen, gelijk zij zich inbeelden.
a) En Ik zal hen tot volvoering Mijner bedreiging in Hoofdst. 15:3 vv. overgeven tot ene beroering ten kwade aller koninkrijken der aarde. Zij zullen gelijk in Deut. 28:37 gezegd is, zijn tot smaadheid en tot een spreekwoord, tot ene spotrede en tot enen vloek 1) in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben.
1 Kon. 9:7. 2 Kron. 7:20. 15:4; 29:18; 34:17; 42:18.
Tot in den laatsten tijd toe heeft het volk der Joden, dat onder den vloek zuchtte, de boze elementen van zijne rationale eigenaardigheid op allerlei wijze ontwikkeld ten verderve der volken, onder welke het werd verstoten.
En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hunnen vaderen gegeven had. Van dezelfde gedachte, als die hier is uitgesproken, is later de brief van Jeremia aan de weggevoerden doortrokken, dien hij zelf in Hoofdst. 29 ons mededeelt. Eveneens heeft hij zich volgens deze grondstellingen gedragen tegenover diegenen die, na den moord van Gedalja, naar Egypte wilden vluchten (Hoofdst. 42 en 44). Uit dit oordeel over Zedekia zien wij tevens, waarom in de verschillende redenen van Hoofdst. 2-20 volstrekt niet van dezen koning wordt gesproken, en hij zelfs in Hoofdst. 22 geheel buiten aanmerking is gebleven. Volgens het standpunt van den Profeet wordt hij niet meegedeeld in de rij van Juda’s koningen, maar staat hij buiten de eigenlijke geschiedenis des heils. Door het aannemen toch van den naam: “gerechtigheid des Heeren” heeft hij wederrechtelijk de profetie op zich toegepast, die wij in Hoofdst. 15:11 vinden nadat hij die toch slechts door middel van enen valsen Profeet had gestolen (Hoofdst. 23:30), en daardoor had hij zich op de grofste wijze aan des Heeren heiligdom vergrepen. In den kring der redenen, die voor ons ligt (Hoofdst. 21-24), hebben wij ene bestraffing van de aanmatiging van dien eretitel, terwijl in Hoofdst. 23:6 daartegenover wordt gesteld die titel, welken de Heere zelf draagt, die in waarheid onze gerechtigheid (zidkenoe) is. Aan de andere zijde wordt meegedeeld het einde, dat hij zal hebben, daar hem in Hoofdst. 21:7 niets anders wordt voorgesteld dan gehele overgave in de hand van Nebukadnezar tot reddelozen ondergang. In het nu volgende gedeelte van onze profetie (Hoofdst. 25:29), waarin ene samenvoeging van gezegden van geheel bijzonderen inhoud gevonden wordt, die vooral betrekking hebben op den ondergang van Jeruzalem door de Chaldeën en de dienstbaarheid van Juda onder de Chaldeën, worden wij geheel in den tijd van Zedekia verplaatst, terwijl die van Jojakim in Hoofdst. 25 en 26 slechts tot blad daarvoor dient.
IV. Vs. 1-10.KruisverwijzingenJeremia 42:10→Jeremia 29:10→Jeremia 33:7→Jeremia 29:2→Jeremia 32:41→Jeremia 12:15→Jeremia 30:22→Hebreeën 8:10→
— De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadrezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had. In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden. En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden. Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeen heb weggeschikt, ten goede. En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren. En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen; En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben; En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaderen gegeven had.
In het jaar 598 voor C. voerde Nebukadnezar den koning Jojachin met de kern des volks naar Babel, en stelde over de achtergeblevenen in het land Mathanja, onder den naam van Zedekia tot koning aan (2 Kon. 24:10 vv.). Deze achtergeblevenen schijnen zich te hebben ingebeeld, dat zij, door hun gespaard worden van het ongeluk der wegvoering daadzakelijk waren verklaard voor de beteren in des Heeren ogen; dat het gericht nu voorbij, het achtergeblevene volk reeds verzoend en gereinigd, en er zo weinig meer te vrezen was, dat integendeel spoedig de nieuw tijd des heils zou beginnen. Zedekia heeft waarschijnlijk dien naam “gerechtigheid van Jehova” aangenomen in de dwaze verwachting, dat de Heere door hem en onder zijne regering de aan het verbondsvolk in Hoofdst. 23:5 vv. gegevene belofte zou vervullen (2 Kon. 24:17). Daarom zond hij ook spoedig na zijne aanstelling een gezantschap naar Babel (Hoofdst. 29:3), dat hoofdzakelijk ten doel had, om het terugkeren der gevangenen bij Nebukadnezar te bewerken. De Heere stelt Zich in dit gezicht der twee korven met vijgen tegenover dat gevaarlijk zelfbedrog met zulk ene beslistheid, dat Hij integendeel degenen, die reeds naar het land der Chaldeën waren weggevoerd, voor het betere deel des volks verklaart, dat zich bekeren, bij Hem genade vinden en naar het heilige land terugkeren zal, om de belofte te verkrijgen. Zedekia daarentegen maakte met de nog in Juda achter gelatenen, of naar Egypte vertrokkenen het minste gedeelte des volks uit, dat door zijne verdere verstokking nog ten laatste den vloek, in Deut. 28:36; vv. uitgesproken over zich brengen zal.
De HEERE deed mij een gezicht (2 (Kon. 6:17) zien, en ziet, er waren twee vijgekorven, gezet voor den tempel des HEEREN, op de plaats, bestemd voor het brengen der eerstelingen van vruchten (Exod. 23:19. Deut 26:4), nadat Nebukadnezar a), koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda (2 Kon. 24:15) en de timmerlieden en de smeden(2 Kon. 24:14 en 16) van Jeruzalem en hem te Babel gebracht had (Hoofdst. 29:2).
2 Kron. 36:10.
In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn, ene zachte en welsmakende lekkernij (Jes. 28:4); maar in den anderen korf waren zeer boze zeer slechte vijgen, die van wege de boosheid, slechtheid, niet konden gegeten worden(Hoofdst. 29:17).
En de HEERE zei tot mij, even als bij het gezicht in Hoofdst. 1:11 en 13, om vooraf mij de hoofdzaak, waarop het eigenlijk aankwam juist in het oog te doen nemen: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zei: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die van wege de boosheid niet kunnen gegeten worden. De vijgeboom is een profetisch zinnebeeld van het volk Israël (Hos. 9:10. Luk. 13:6 vv.). De Israëlieten zijn elk in ‘t bijzonder de vruchten van dezen boom en hun wandel voor God beslist, of zij goede of boze vruchten zijn, of de Heere ze aanneemt of verwerpt. De eerstelingen der vijgen werden Gode, volgens de wet in den tempel getracht, even als de eerstelingen van andere vruchten (Deut. 25:2), als een beeld van den gelovigen Israëliet, die zich zelven den Heere heiligt. Dit heeft men te bedenken bij het hier medegedeelde gezicht, en bij de verklaring in het oog te houden. De gevangenen hebben hunnen hoogmoed tegenover God afgelegd. Zij zijn afgezonderd uit het getal der volken, die voor de wereld bestaan. In politiek opzicht zijn zij gestorven en nu bij den inwendigen toestand bepaald. Nu wil God aan hen tonen, wat Zijne liefde vermag; zij zullen wederkeren en in ware nabijheid van God Zijn waar Israël zijn.
Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, om mij het gezicht ook te verklaren, zeggende:
Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Gelijk die goede vijgenin de ogen van ieder, die ze ziet, goed zijn, en hij ze met welgevallen beschouwt, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeën heb weggeschikt, ten goede. Ik zal hun Mijn welgevallen doen ondervinden en Mijne belofte aan hen vervullen.
En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, om aan hen te doen, wat Ik ten opzichte van de overigen Mijner kudde in Mijne gedachte heb (Jer. 23:3 vv.), en Ik zal hen wederbrengen in dit land (vgl. Hoofdst. 30): en Ik zal hen bouwen, wanneer zij zijn teruggevoerd, en niet afbreken; en Ik zal hen planten en niet uitrukken (Hoofdst. 12:15 vv. 17:7 vv.).
Ofschoon God over geheel de wereld heerst, zo verzekert Hij echter de God van de kerk te zijn en de gelovigen welke Hij aangenomen heeft, verwaardigt Hij door deze uitspraak dat zij zijn Zijn volk, opdat zij, op Hem hun heil stellen, hetwelk bij Hem is weggelegd, zoals gezegd wordt bij Habakuk (Hoofdst. 1:12). Gij zijt onze God, wij zullen niet sterven. Want Christus is ook een der beste uitleggers van deze uitspraak, wanneer Hij zegt, dat God niet is een God der doden maar der levenden. Hier belooft de Heere, dat zij dus weer bij God in het verbond zullen aangenomen worden. God zal hen erkennen als de zijnen gelijk voor deze, als Zijn volk zo wel in de ontdekkingen van Zich aan hen als in het aannemen van hun dienst en in Zijne genadige verschijning ten goede. En zij zullen de vrijheid hebben, om Hem voor hun God te erkennen, in hun gebeden tot Hem en in hun verwachtingen van Hem. Hier verzekert de Heere God, aan het overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat Hij gedachten des vredes over hen heeft. Dat Hij hen niet in de ellende zal doen omkomen, maar gelouterd als door het vuur der beproevingen hen zal stellen op de hoogten des heils. Dat Hij hun God, en zij Zijn volk zullen zijn, en dat zij uit de volheid Zijner genade en uit de veelheid Zijner zegeningen zullen genieten, wat niet alleen voor hun tijdelijk, maar bovenal voor hun geestelijk heil zal nodig zijn.
a) En Ik zal hun, gelijk in Hoofdst. 31 nader zal worden gezegd, een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben b), en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot enen God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren. 1)
(Deut. 30:6. Jer. 32:39. Ezech. 11:19; 36:26, 27. b) Jer. 30:22; 31:33; 32:38.
Tot deze eerste weggevoerden behoren in het bijzonder de zegeningen, den Joden bij de wederkering uit de gevangenis beloofd, als de kennis en de vreze van God en de genade om in gehoorzaamheid aan Zijne geboden te leven. Enigermate zijn deze beloften vervuld in de tijden na de gevangenis; toen de Joden volstandig bleven bij hunnen godsdienst en zich zeer wachtten voor het verval tot afgoderij. Ik houd het echter daarvoor, dat de volkomene vervulling dezer profetie te wachten is bij de algemene herstelling van dat volk, zo dikwijls gemeld bij de Profeten.
En gelijk de boze vijgen, die van wege de boosheid niet kunnen gegeten worden, maar die men moet wegwerpen (Hoofdst. 29:17), (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijne vorsten en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven en die in Egypteland wonen, waarheen zij gevlucht zijn. Het woord in Hoofdst. 15:11 ziet dus geenszins op hen, gelijk zij zich inbeelden.
a) En Ik zal hen tot volvoering Mijner bedreiging in Hoofdst. 15:3 vv. overgeven tot ene beroering ten kwade aller koninkrijken der aarde. Zij zullen gelijk in Deut. 28:37 gezegd is, zijn tot smaadheid en tot een spreekwoord, tot ene spotrede en tot enen vloek 1) in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben.
1 Kon. 9:7. 2 Kron. 7:20. 15:4; 29:18; 34:17; 42:18.
Tot in den laatsten tijd toe heeft het volk der Joden, dat onder den vloek zuchtte, de boze elementen van zijne rationale eigenaardigheid op allerlei wijze ontwikkeld ten verderve der volken, onder welke het werd verstoten.
En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hunnen vaderen gegeven had. Van dezelfde gedachte, als die hier is uitgesproken, is later de brief van Jeremia aan de weggevoerden doortrokken, dien hij zelf in Hoofdst. 29 ons mededeelt. Eveneens heeft hij zich volgens deze grondstellingen gedragen tegenover diegenen die, na den moord van Gedalja, naar Egypte wilden vluchten (Hoofdst. 42 en 44). Uit dit oordeel over Zedekia zien wij tevens, waarom in de verschillende redenen van Hoofdst. 2-20 volstrekt niet van dezen koning wordt gesproken, en hij zelfs in Hoofdst. 22 geheel buiten aanmerking is gebleven. Volgens het standpunt van den Profeet wordt hij niet meegedeeld in de rij van Juda’s koningen, maar staat hij buiten de eigenlijke geschiedenis des heils. Door het aannemen toch van den naam: “gerechtigheid des Heeren” heeft hij wederrechtelijk de profetie op zich toegepast, die wij in Hoofdst. 15:11 vinden nadat hij die toch slechts door middel van enen valsen Profeet had gestolen (Hoofdst. 23:30), en daardoor had hij zich op de grofste wijze aan des Heeren heiligdom vergrepen. In den kring der redenen, die voor ons ligt (Hoofdst. 21-24), hebben wij ene bestraffing van de aanmatiging van dien eretitel, terwijl in Hoofdst. 23:6 daartegenover wordt gesteld die titel, welken de Heere zelf draagt, die in waarheid onze gerechtigheid (zidkenoe) is. Aan de andere zijde wordt meegedeeld het einde, dat hij zal hebben, daar hem in Hoofdst. 21:7 niets anders wordt voorgesteld dan gehele overgave in de hand van Nebukadnezar tot reddelozen ondergang. In het nu volgende gedeelte van onze profetie (Hoofdst. 25:29), waarin ene samenvoeging van gezegden van geheel bijzonderen inhoud gevonden wordt, die vooral betrekking hebben op den ondergang van Jeruzalem door de Chaldeën en de dienstbaarheid van Juda onder de Chaldeën, worden wij geheel in den tijd van Zedekia verplaatst, terwijl die van Jojakim in Hoofdst. 25 en 26 slechts tot blad daarvoor dient.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel