Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
HoortH8085 het woordH1697, datH834 de HEEREH3068 tot ulieden spreektH1696, o huisH1004 IsraelsH3478!
Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels!
KJV
Hear1
ye the word3
which the LORD6
speaketh5
unto you, O house8
of Israel:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
ZoH3541 zegtH559 de HEEREH3068: LeertH3925 den wegH1870 der heidenenH1471 niet, en ontzetH2865 u nietH408 voor de tekenenH226 des hemelsH8064, dewijlH3588 zich de heidenenH1471 voor dezelveH1992 ontzettenH2865.
Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.
KJV
Thus saith2
the LORD,3
Learn8
not the way5
of the heathen,6
and be not dismayed12
at the signs9
of heaven;10
for the heathen15
are dismayed14
at them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantH3588 de inzettingenH2708 der volkenH5971 zijn ijdelheidH1892; wantH3588 hetH1931 is houtH6086, dat men uit het woudH3293 gehouwenH3772 heeft, een werkH4639 van des werkmeestersH2796 handenH3027 met de bijlH4621.
Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl.
KJV
For the customs2
of the people3
are vain:4
for one cutteth9
a tree7
out of the forest,8
the work10
of the hands11
of the workman,12
with the axe.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Men pronktH3302 het op met zilverH3701 en met goudH2091; zij hechtenH2388 ze met nagelenH4548 en met hamerenH4717, opdat het nietH3808 waggeleH6328.
Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele.
KJV
They deck3
it with silver1
and with gold;2
they fasten6
it with nails4
and with hammers,5
that it move
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Zij zijn gelijk een palmboomH8560 van dicht werkH4749, maar kunnen niet sprekenH1696; zij moetenH5375 gedragenH5375 worden, wantH3588 zij kunnen niet gaan; vreestH3372 niet voor hen, wantH3588 zij kunnen geen kwaadH7489 doen, ookH1571 is er geen goeddoenH3190 bij hen.
Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.
KJV
They are upright2
as the palm tree,1
but speak5
not: they must needs6
be borne,7
because they cannot go.10
Be not afraid12
of them; for they cannot do evil,16
neither also is it in them to do good.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Omdat niemandH369 U gelijk is, o HEEREH3068! zo zijt GijH859 groot, en grootH1419 is Uw NaamH8034 in mogendheidH1369.
Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid.
KJV
Forasmuch as there is none like unto thee, O LORD;3
thou art great,4
and thy name7
is great6
in might.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WieH4310 zou U niet vrezenH3372, Gij KoningH4428 der heidenenH1471? WantH3588 het komt U toe; omdatH3588 toch onder alleH3605 wijzenH2450 der heidenenH1471, en in hun ganseH3605 koninkrijkH4438, niemandH369 U gelijk is.
Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is.
Ook in dit vers
komt toeH2969
KJV
Who would not fear3
thee, O King4
of nations?5
for to thee doth it appertain:8
forasmuch as among all the wise11
men of the nations,12
and in all their kingdoms,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
In een ding zijn zijH1931 toch onvernuftigH1197 en zotH3688: een houtH6086 is een onderwijsH4148 der ijdelhedenH1892.
In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.
KJV
But they are altogether1
brutish2
and foolish:3
the stock6
is a doctrine4
of vanities.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
UitgerektH7554 zilverH3701 wordt van TarsisH8659 gebrachtH935, en goudH2091 van UfazH210, tot een werkH4639 des werkmeestersH2796 en van de handenH3027 des goudsmidsH6884; hemelsblauwH8504 en purperH713 is hun kledingH3830, een werkH4639 der wijzenH2450 zijn zij al te zamen.
Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen.
KJV
Silver1
spread into plates2
is brought4
from Tarshish,3
and gold5
from Uphaz,6
the work7
of the workman,8
and of the hands9
of the founder:10
blue11
and purple12
is their clothing:13
they are all the work14
of cunning
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Maar de HEEREH3068 GodH430 is de WaarheidH571, HijH1931 is de levendeH2416 GodH430, en een eeuwigH5769 KoningH4428; van Zijn verbolgenheidH7110 beeftH7493 de aardeH776, en de heidenenH1471 kunnen Zijn gramschapH2195 nietH3808 verdragenH3557.
Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
KJV
But the LORD1
is the true3
God,2
he is the living6
God,5
and an everlasting8
king:7
at his wrath9
the earth11
shall tremble,10
and the nations14
shall not be able to abide13
his indignation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
(AldusH1836 zult gijlieden tot hen zeggenH560: De godenH426, die den hemelH8065 en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaanH7 van de aarde, en van onder dezenH429 hemelH8065.)
(Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.)
Ook in dit vers
aardeH772
aardeH778
KJV
Thus1
shall ye say2
unto them, The gods4
that have not8
made9
the heavens6
and the earth,7
even they shall perish10
from the earth,11
and from under13
these15
heavens.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Die de aardeH776 gemaaktH6213 heeft door Zijn krachtH3581, Die de wereldH8398 bereidH3559 heeft door Zijn wijsheidH2451, en den hemelH8064 uitgebreidH5186 door Zijn verstandH8394.
Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.
KJV
He hath made1
the earth2
by his power,3
he hath established4
the world5
by his wisdom,6
and hath stretched out8
the heavens9
by his discretion.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Als Hij Zijn stemH6963 geeftH5414, zo is er een gedruisH1995 van waterenH4325 in den hemelH8064, en Hij doet de dampenH5387 opklimmenH5927 van het eindeH7097 der aardeH776; Hij maaktH6213 de bliksemenH1300 met den regenH4306, en doet den windH7307 voortkomenH3318 uit Zijn schatkamerenH214.
Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
KJV
When he uttereth2
his voice,1
there is a multitude3
of waters4
in the heavens,5
and he causeth the vapours7
to ascend6
from the ends8
of the earth;9
he maketh12
lightnings10
with rain,11
and bringeth forth13
the wind14
out of his treasures.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Een iederH3605 mensH120 is onvernuftigH1197 geworden, zodat hij geen wetenschapH1847 heeft, een iederH3605 goudsmidH6884 is beschaamdH3001 van het gesnedenH6459 beeldH5262; wantH3588 zijn gegoten beeld is leugenH8267; en er is geenH3808 geestH7307 in hen.
Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.
KJV
Every man3
is brutish1
in his knowledge:4
every founder7
is confounded5
by the graven image:8
for his molten image11
is falsehood,10
and there is no breath
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
IjdelheidH1892 zijn zijH1992, een werkH4639 van verleidingenH8595; ten tijdeH6256 hunner bezoekingH6486 zullen zij vergaanH6.
Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.
KJV
They are vanity,1
and the work3
of errors:4
in the time5
of their visitation6
they shall perish.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
JakobsH3290 deelH2506 is nietH3808 gelijk die, wantH3588 HijH1931 is de FormeerderH3335 van allesH3605, en IsraelH3478 is de roedeH7626 Zijner erfenisH5159; HEEREH3068 der heirscharenH6635 is Zijn NaamH8034.
Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israel is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
KJV
The portion3
of Jacob4
is not like them: for he is the former6
of all things; and Israel9
is the rod10
of his inheritance:11
The LORD12
of hosts13
is his name.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
RaapH622 uw kramerijH3666 wegH622 uit het landH776, gij inwoneresH3427 der vestingH4692!
Raap uw kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting!
KJV
Gather up1
thy wares3
out of the land,2
O inhabitant4
of the fortress.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
WantH3588 zoH3541 zegtH559 de HEEREH3068: ZietH2005, Ik zal de inwonersH3427 des landsH776 op ditmaalH6471 wegslingerenH7049, en zal ze benauwenH6887, opdatH4616 zij het vindenH4672.
Want zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden.
KJV
For thus saith3
the LORD,4
Behold, I will sling6
out the inhabitants8
of the land9
at this once,10
and will distress12
them, that they may find
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
O, weeH188 mij overH5921 mijn breukH7667! mijn plageH4347 is smartelijkH2470; en ikH589 had gezegdH559: Dit is immers een krankheidH2483, die ik wel dragenH5375 zal!
O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!
KJV
Woe1
is me for my hurt!4
my wound6
is grievous:5
but I said,8
Truly9
this is a grief,11
and I must bear
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Mijn tentH168 is verstoordH7703, en alH3605 mijn zelenH4340 zijn verscheurdH5423; mijn kinderenH1121 zijn van mij uitgegaanH3318, en zij zijn er nietH369; er is niemandH369 meerH5750, die mijn tentH168 uitspantH5186, en mijn gordijnenH3407 oprichtH6965.
Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht.
KJV
My tabernacle1
is spoiled,2
and all my cords4
are broken:5
my children6
are gone forth7
of me, and they are not: there is none to stretch forth10
my tent12
any more, and to set up13
my curtains.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WantH3588 de herdersH7462 zijn onvernuftigH1197 geworden, en hebben den HEEREH3068 nietH3808 gezochtH1875; daaromH3651 hebben zij nietH3808 verstandiglijkH7919 gehandeld, en hun ganseH3605 weideH4830 is verstrooidH6327.
Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben den HEERE niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun ganse weide is verstrooid.
KJV
For the pastors3
are become brutish,2
and have not sought7
the LORD:5
therefore they shall not prosper,11
and all their flocks13
shall be scattered.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
ZietH2009, er komtH935 een stemH6963 des geruchtsH8052, en een grootH1419 bevenH7494 uit het landH776 van het noordenH6828; dat men de stedenH5892 van JudaH3063 zal stellenH7760 tot een verwoestingH8077, een woningH4583 der drakenH8577.
Ziet, er komt een stem des geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der draken.
KJV
Behold, the noise1
of the bruit2
is come,4
and a great6
commotion5
out of the north8
country,7
to make9
the cities11
of Judah12
desolate,13
and a den14
of dragons.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Ik weetH3045, o HEEREH3068! datH3588 bij den mensH120 zijn wegH1870 niet is; het is nietH3808 bij een manH376, die wandeltH1980, dat hij zijn gangH6806 richteH3559.
Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
KJV
O LORD,2
I know1
that the way6
of man5
is not in himself: it is not in man8
that walketh9
to direct10
his steps.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
KastijdH3256 mij, HEEREH3068! doch met mateH4941; nietH408 in Uw toornH639, opdat Gij mij niet te niet maaktH4591.
Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.
KJV
O LORD,2
correct1
me, but with judgment;4
not in thine anger,6
lest thou bring me to nothing.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
StortH8210 Uw grimmigheidH2534 uit overH5921 de heidenenH1471, dieH834 U nietH3808 kennenH3045, en overH5921 de geslachtenH4940, dieH834 Uw NaamH8034 nietH3808 aanroepenH7121; wantH3588 zij hebben JakobH3290 opgegetenH398, ja, zij hebben hem opgegetenH398, en hem verteerdH3615, en zijn woningH5116 verwoestH8074.
Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.
KJV
Pour out1
thy fury2
upon the heathen4
that know7
thee not, and upon the families9
that call13
not on thy name:11
for they have eaten up15
Jacob,17
and devoured18
him, and consumed19
him, and have made his habitation21
desolate.
tot ulieden
Of, over, van, ulieden aangaande gesproken heeft.
Hertaald:
tot ulieden
Of: over u, of: met betrekking tot u gesproken heeft.
den weg
Of, in den weg der heidenen [te gaan], dat is hun afgodische wijze en manier van doen te volgen.
Hertaald:
den weg
Of: om in de weg van de heidenen te gaan — dat is: hun afgodische wijze van doen te volgen.
tekenen
Zon, maan, sterren, enz. Zie Gen. 1:14 , die de heidenen tot afgoden maakten, en hun de regering der wereld toeschreven, en uit haren loop toekomstige dingen voorzeiden, waarin de Joden hen navolgden, gelijk te zien is boven Jer. 7:18 , enz.
Hertaald:
tekenen
De zon, de maan, de sterren, enzovoort. Zie Gen. 1:14. De heidenen maakten die tot afgoden, schreven hun de regering van de wereld toe en voorspelden uit hun loop toekomstige dingen; daarin volgden de Joden hen na, zoals te zien is hierboven in Jer. 7:18, enzovoort.
dewijl
Anders: hoewel, niettegenstaande, enz. idem, maar laat de heidenen, enz.
Hertaald:
dewijl
Anders: hoewel, ondanks dat, enzovoort; en ook: maar laat de heidenen, enzovoort.
inzettingen
De afgoden, afgodische ordinantiën, ceremoniën.
Hertaald:
inzettingen
De afgoden, de afgodische instellingen en ceremoniën.
hout,
Vergelijk onder vs.8, of, [iemand] houwt een boom af uit het woud, [tot] een werk, enz.
Hertaald:
hout,
Vergelijk hieronder vers 8. Of: iemand hakt een boom om uit het woud tot een werk, enzovoort.
pronkt
Hebreeuws, hij maakt het schoon, fraai.
Hertaald:
pronkt
Hebreeuws: hij maakt het mooi, fraai.
ze met nagelen
De gemaakte houten afgoden maken zij vast aan een wand of pilaar.
Hertaald:
ze met nagelen
De gemaakte houten afgoden maken zij vast aan een wand of pilaar.
het niet
Beeld, de afgod.
Hertaald:
het niet
Het beeld, de afgod.
waggele
Of, niet uitga, of men laat het niet waggelen; dat is, men maakt het zo vast dat het buiten gevaar is van los te worden en te vallen, waarvoor deze houten god zichzelven niet kan bewaren.
Hertaald:
waggele
Of: niet omvalt; of: men laat het niet wankelen — dat is: men maakt het zo vast dat er geen gevaar is dat het losraakt en valt, waarvoor deze houten god zichzelf niet kan behoeden.
palmboom
Stijf, of strak overeind staande, van evendrachtig geslagen platen rechtop gemaakt, alsof zij leven hadden en spreken wilden, maar kunnen geen werk van een levend mens doen, gelijk volgt.
Hertaald:
palmboom
Stijf en strak overeind staand, uit gelijkmatig geslagen platen rechtop gemaakt, alsof zij leefden en wilden spreken; maar zij kunnen geen werk van een levend mens doen, zoals volgt.
dicht werk,
Zie Ex. 25:31 .
Hertaald:
dicht werk,
Zie Ex. 25:31.
moeten
Hebreeuws, dragende worden zij gedragen.
Hertaald:
moeten
Hebreeuws: dragend worden zij gedragen.
kwaad doen,
Hunne vijanden niet beschadigen, noch hunne vrienden helpen. Vergelijk Deut. 32:31 .
Hertaald:
kwaad doen,
Zij kunnen hun vijanden geen schade doen en hun vrienden niet helpen. Vergelijk Deut. 32:31.
mogendheid
Daar integendeel alle afgoden machteloos zijn.
Hertaald:
mogendheid
Terwijl alle afgoden juist machteloos zijn.
heidenen?
Zelfs regerende over die volken, die U niet kennen maar de afgoden dienen.
Hertaald:
heidenen?
Terwijl U zelfs regeert over die volken die U niet kennen maar de afgoden dienen.
komt U toe;
Of, past U, dat men U vreze.
Hertaald:
komt U toe;
Of: het past U dat men U vreest.
wijzen
Die zich meest van wijsheid plegen te beroemen en toch enkel dwazen zijn, gelijk in vs.8 bewezen wordt.
Hertaald:
wijzen
Zij die zich het meest op wijsheid plegen te beroemen en toch niets dan dwazen zijn, zoals in vers 8 aangetoond wordt.
ganse
Dat is, al hunne koninkrijken, die tezamen een afgodisch heidens koninkrijk uitmaken.
Hertaald:
ganse
Dat is: al hun koninkrijken, die samen één afgodisch heidens koninkrijk vormen.
In een ding
Of, tezamen, allen ineen gerekend.
Hertaald:
In een ding
Of: tezamen, allen bij elkaar gerekend.
onvernuftig
Als onvernuftige beesten; alzo vs.14, 21; zie Ps. 49:11 .
Hertaald:
onvernuftig
Als redeloze dieren; zo ook in vers 14 en 21; zie Ps. 49:11.
hout
Door de afgodische beelden en hun dienst worden de mensen tot enkel ijdelheid gevoerd, het zijn niets dan leermeesters van enkel ijdelheid; zie 2 Kon. 17:15 , en van het gebruik van het Hebreeuwse woord, dat onderwijs en tucht betekent, Spr. 16:22 .
Hertaald:
hout
Door de afgodsbeelden en hun dienst worden de mensen tot louter ijdelheid gebracht; het zijn niets dan leermeesters van enkel ijdelheid; zie 2 Kon. 17:15. Over het gebruik van het Hebreeuwse woord, dat onderwijs en tucht betekent, zie Spr. 16:22.
Uitgerekt
In platen.
Hertaald:
Uitgerekt
In platen.
Tarsis
Over den oceaan; zie 1 Kon. 10:22 .
Hertaald:
Tarsis
Over de oceaan; zie 1 Kon. 10:22.
Ufaz,
Dit houdt men een te wezen met Ofir; waarvan zie 1 Kon. 9:28 ; anderen houden het voor Fez.
Hertaald:
Ufaz,
Men houdt dit voor hetzelfde als Ofir, waarover 1 Kon. 9:28; anderen houden het voor Fez.
hun
Der afgodische beelden.
Hertaald:
hun
Van de afgodsbeelden.
wijzen
Dat is, ervaren, kunstige werklieden, vergelijk boven Jer. 9:17 , en Ex. 31:6 .
Hertaald:
wijzen
Dat is: ervaren, kunstvaardige werklieden; vergelijk hierboven Jer. 9:17 en Ex. 31:6.
zijn zij
De afgoden.
Hertaald:
zijn zij
De afgoden.
de Waarheid,
Anders: de Heere is waarachtig God; of, [in] waarheid; dat is, waarlijk, waarachtiglijk.
Hertaald:
de Waarheid,
Anders: de HEERE is waarachtig God; of: in waarheid, dat is: waarlijk, waarachtig.
levende
Die allereigenlijkst gezegd mag worden te leven, als hebbende van eeuwigheid tot eeuwigheid zijn onbegrijpelijk, goddelijk leven en wezen in en van zichzelven, en levendmakende wien en wat Hij wil, als zijnde de fontein en auteur des levens; zie Joh. 5:21 , Joh. 5:26 , enz.; waarom Hij alleen als God behoort gekend en geëerd te worden.
Hertaald:
levende
Die het meest eigenlijk gezegd mag worden te leven, omdat Hij van eeuwigheid tot eeuwigheid Zijn onbegrijpelijke, goddelijke leven en wezen in en uit Zichzelf heeft en levend maakt wie en wat Hij wil, omdat Hij de Fontein en Bewerker van het leven is; zie Joh. 5:21 en Joh. 5:26, enzovoort. Daarom behoort Hij alleen als God gekend en geëerd te worden.
eeuwig
Hebreeuws, Koning der eeuwigheid. Vergelijk 1 Tim. 1:17 .
Hertaald:
eeuwig
Hebreeuws: Koning van de eeuwigheid. Vergelijk 1 Tim. 1:17.
Aldus . . . zeggen
Dit vs. is gesteld in de Chaldeeuwse of Babylonische spraak, om den vromen Joden te leren hoe zij, in de gevangenschap van Babel zijnde, hun geloof van den waren God zouden belijden en de afgodendienaars tegenspreken.
Hertaald:
Aldus . . . zeggen
Dit vers staat in het Chaldeeuws of Babylonisch, om de vrome Joden te leren hoe zij, wanneer zij in de gevangenschap van Babel waren, hun geloof in de ware God zouden belijden en de afgodendienaars zouden tegenspreken.
Die de aarde
Onze God, dien wij dienen, van wien vs.10 gesproken is.
Hertaald:
Die de aarde
Onze God, Die wij dienen, over Wie in vers 10 gesproken is.
bereid
Of, bevestigd, gevestigd.
Hertaald:
bereid
Of: bevestigd, gevestigd.
stem
Versta, den donder, gelijk Ps. 29:3 , enz., of Gods bevel, gelijk sommigen.
Hertaald:
stem
Versta: de donder, zoals in Ps. 29:3, enzovoort; of Gods bevel, zoals sommigen menen.
gedruis
Of, veelheid, menigte.
Hertaald:
gedruis
Of: veelheid, menigte.
hemel,
Dat is, de lucht.
Hertaald:
hemel,
Dat is: de lucht.
met den regen,
Zie Job 37:11 , en Job 38:25 ; of tot regen, voor den regen.
Hertaald:
met den regen,
Zie Job 37:11 en Job 38:25; of: tot regen, voor de regen.
schatkameren
Zie Job 38:22 , en Ps. 135:7 .
Hertaald:
schatkameren
Zie Job 38:22 en Ps. 135:7.
Een ieder
Versta, alle kunstige werkmeesters der afgodische beelden zij zo dom en onvernuftig geworden als beesten.
Hertaald:
Een ieder
Versta: alle kunstvaardige makers van de afgodsbeelden zijn zo dom en redeloos geworden als dieren.
zodat
Of, van, door, of, in, vanwege [hunne] kunst van beelden te maken, waarin zij een groten roem meenden te behalen; vergelijk Rom. 1:22 .
Hertaald:
zodat
Of: van, door, of: in, vanwege hun kunst om beelden te maken, waarmee zij meenden grote roem te behalen; vergelijk Rom. 1:22.
gesneden beeld;
Of, gegraven.
Hertaald:
gesneden beeld;
Of: gegraven.
leugen;
Of, valsheid; het is enkel bedrog.
Hertaald:
leugen;
Of: valsheid; het is louter bedrog.
geest
Dat is, adem, geblaas; zie Job 9:18 .
Hertaald:
geest
Dat is: adem, ademtocht; zie Job 9:18.
hen
De gesneden en gegoten beelden.
Hertaald:
hen
De gesneden en gegoten beelden.
een werk
Dat is, enkel verleidend werk.
Hertaald:
een werk
Dat is: louter verleidend werk.
hunner
Als God de afgoden en afgodendienaars tezamen zal straffen en verdelgen.
Hertaald:
hunner
Wanneer God de afgoden en de afgodendienaars samen zal straffen en verdelgen.
deel
Alzo noemt zich de Heere, omdat Hij een God, bondgenoot en Heiland, en vervolgens als een onwaardeerlijk erfdeel van zijn volk geworden is in den Messias; wiens medeërfgenamen zij zijn; Rom. 8:17 ; vergelijk Ps. 16:5 .
Hertaald:
deel
Zo noemt de HEERE Zichzelf, omdat Hij in de Messias een God, Bondgenoot en Heiland en daarmee een onschatbaar erfdeel van Zijn volk geworden is; zij zijn Zijn mede-erfgenamen, Rom. 8:17; vergelijk Ps. 16:5.
die,
Te weten afgoden.
Hertaald:
die,
Namelijk: de afgoden.
want Hij is
Of, maar.
Hertaald:
want Hij is
Of: maar.
roede
Zie Ps. 74:2 .
Hertaald:
roede
Zie Ps. 74:2.
heirscharen
Zie 1 Kon. 18:15 .
Hertaald:
heirscharen
Zie 1 Kon. 18:15.
Raap
Hebreeuws eigenlijk, verzamel, en voorts, neem, of raap weg; zie Ps. 26:9 . De woorden staan hier in het vrouwelijk geslacht, waaruit bij velen afgenomen wordt, dat God hier de dochter van Zion, of Jeruzalem aanspreekt, dat zij [zonder zich op de vastigheid der stad te verlaten] haar goed zou pakken en vluchten, overmits den nakenden overval der Babyloniërs, waarvan in het volgende, en klaarlijk vs.22; vergelijk boven Jer. 6:1 , en Jer. 8:14 ; Ezech. 12:3-4 . enz.; sommigen verstaan het van Babel.
Hertaald:
Raap
Hebreeuws eigenlijk: verzamel, en vervolgens: neem of raap weg; zie Ps. 26:9. De woorden staan hier in het vrouwelijk, waaruit velen afleiden dat God hier de dochter van Sion of Jeruzalem aanspreekt: dat zij, zonder op de sterkte van de stad te vertrouwen, haar goed zou pakken en vluchten vanwege de naderende inval van de Babyloniërs, waarover in het vervolg en duidelijk in vers 22. Vergelijk hierboven Jer. 6:1 en Jer. 8:14, en Ezech. 12:3-4, enzovoort. Sommigen verstaan het van Babel.
kramerij
Of, koopmanschap.
Hertaald:
kramerij
Of: koopwaar.
wegslingeren,
Door de Babyloniërs als met een slinger uit het land werpen.
Hertaald:
wegslingeren,
Door de Babyloniërs als met een slinger uit het land werpen.
vinden
Dat is, welverdiende straffen ontvangen, of de waarheid mijner profetieën metterdaad bevinden.
Hertaald:
vinden
Dat is: welverdiende straffen ontvangen, of de waarheid van Mijn profetieën metterdaad ondervinden.
O, wee
Woorden des lands, of van het volk van Jeruzalem, enz., gelijk boven Jer. 4:31 , of van den profeet, sprekende in den persoon des volks, alsof het zijn eigen lijden ware, dat hij gevoelt en draagt; vergelijk onder Jer. 14:17 .
Hertaald:
O, wee
Woorden van het land of van het volk van Jeruzalem, enzovoort, zoals hierboven in Jer. 4:31; of van de profeet, die spreekt in de persoon van het volk alsof het zijn eigen lijden was dat hij voelt en draagt; vergelijk hieronder Jer. 14:17.
breuk
Gelijk boven Jer. 4:6 , en onder Jer. 14:17 .
Hertaald:
breuk
Zoals hierboven Jer. 4:6 en hieronder Jer. 14:17.
had gezegd
Te weten bij mijzelven, dat is, gedacht dat het zo zwaar niet vallen zou, of ik zou het kunnen dragen en overkomen, maar het valt geheel anders dan ik mij had ingebeeld.
Hertaald:
had gezegd
Namelijk: bij mijzelf, dat is: ik dacht dat het niet zo zwaar zou vallen, of dat ik het wel zou kunnen dragen en te boven komen; maar het valt heel anders uit dan ik mij had voorgesteld.
Dit is immers
Anders: gewisselijk dit is ene krankte, nochtans moet ik ze dragen, alsof hij zeide: Dit is wel terecht een zware krankte, veel zwaarder dan ik gemeend had, evenwel moet ik er aan.
Hertaald:
Dit is immers
Anders: zeker, dit is een ziekte, en toch moet ik haar dragen. Alsof hij zei: dit is werkelijk een zware ziekte, veel zwaarder dan ik gedacht had, en toch moet ik eraan geloven.
kinderen
Dat is, burgers van de stad Jeruzalem, in wier naam deze klacht gedaan wordt.
Hertaald:
kinderen
Dat is: de burgers van de stad Jeruzalem, in wier naam deze klacht gedaan wordt.
herders
Kerkelijke en politieke voorstanders.
Hertaald:
herders
Kerkelijke en wereldlijke leidslieden.
onvernuftig
Gelijk boven vs.8, 14.
Hertaald:
onvernuftig
Zoals hierboven vers 8 en 14.
verstandiglijk
Anders: zijn zij niet gelukkig, of voorspoedig geweest.
Hertaald:
verstandiglijk
Anders: zijn zij niet gelukkig of voorspoedig geweest.
weide
Dat is, kudde van hunne weide, de gemeente.
Hertaald:
weide
Dat is: de kudde van hun weide, de gemeente.
weg niet is;
Dat is, zijn voornemen en doen niet in zijne macht is; zie Gen. 6:12 .
Hertaald:
weg niet is;
Dat is: dat zijn voornemen en doen niet in zijn eigen macht ligt; zie Gen. 6:12.
gang richte
Of, trede, stap. Dienvolgens [wil de profeet zeggen] verzaken ik en alle gelovigen al onze eigen wijsheid en krachten, bevelende al ons voornemen en doen in dezen nood aan uw vaderlijke regering; biddende, dewijl Gij dit land door den koning van Babel wilt straffen, en hij met al zijn regering ook besloten is, dat Gij hem perk en maat wilt stellen, en uwen toorn met barmhartigheid over uw volk matigen, volgens uw genadige verbondsbeloften. Vergelijk boven Jer. 4:27 , hierop slaat dit en vs.24.
Hertaald:
gang richte
Of: schrede, stap. Daarom, wil de profeet zeggen, verzaken ik en alle gelovigen al onze eigen wijsheid en krachten en bevelen wij al ons voornemen en doen in deze nood aan Uw vaderlijke regering, terwijl wij bidden dat U — nu U dit land door de koning van Babel wilt straffen en ook híj met heel zijn bestuur onder Uw beschikking staat — hem perk en maat wilt stellen en Uw toorn over Uw volk met barmhartigheid wilt matigen, overeenkomstig Uw genadige verbondsbeloften. Vergelijk hierboven Jer. 4:27; daarop slaan dit vers en vers 24.
Kastijd mij
Zie Ps. 6:2 .
Hertaald:
Kastijd mij
Zie Ps. 6:2.
mate;
Hebreeuws eigenlijk, met oordeel; dat is, hier, met redenen en discretie, of op een redelijke, of matige wijze, zoals Gij uwen kinderen beloofd hebt, dat Gij ook volgens uwe gerechtigheid houden zult. Zie onder Jer. 30:11 , en Jer. 46:28 , en vergelijk Jes. 30:18 ; Ezech. 34:16 ; het tegendeel is de vernietiging, waarvan in het volgende.
Hertaald:
mate;
Hebreeuws eigenlijk: met oordeel — dat is: hier: met rede en onderscheid, of op een redelijke, gematigde wijze, zoals U Uw kinderen beloofd hebt en zoals U dat overeenkomstig Uw gerechtigheid ook houden zult. Zie hieronder Jer. 30:11 en Jer. 46:28, en vergelijk Jes. 30:18 en Ezech. 34:16. Het tegendeel is de vernietiging, waarover in het vervolg.
te niet maakt
Hebreeuws, vermindert, klein, weinig, of gering maakt; dat is, niet verbrijzelt of vergruist, of zo klein maakt dat ik geen volk meer zij, hetwelk een gevolg is van de uitstorting des goddelijken toorns, waarvan in vs.25. Dit wordt gesteld tegen de matige kastijding.
Hertaald:
te niet maakt
Hebreeuws: vermindert, klein, weinig of gering maakt — dat is: niet verbrijzelt of vergruist, of zo klein maakt dat ik geen volk meer ben, wat het gevolg is van de uitstorting van de goddelijke toorn, waarover in vers 25. Dit staat tegenover de gematigde kastijding.
Stort
Alsof hij zeide: Wilt Gij immers uw vollen toorn uitstorten, doe het toch niet over uw eigen volk, maar liever over uwe en uws volks vijanden.
Hertaald:
Stort
Alsof hij zei: wilt U dan toch Uw volle toorn uitstorten, doe het dan niet over Uw eigen volk maar liever over Uw vijanden en de vijanden van Uw volk.
niet kennen,
Zie Job 18:21 , en Ps. 79:6 .
Hertaald:
niet kennen,
Zie Job 18:21 en Ps. 79:6. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels" (Jer. 10:2). Wat volgt is een beschrijving van hoe een afgod ontstaat: het is hout uit het bos, bewerkt met de bijl, opgepronkt met zilver en goud, en vastgezet met spijkers en hamers "opdat het niet waggele" (Jer. 10:3-4). Dan volgt de samenvatting: "Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen" (Jer. 10:5). Daartegenover staat: "Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning" (Jer. 10:10), en: "Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid" (Jer. 10:12). Bijbelse betekenis: Merk op langs welke lijn het spotlied loopt. Een afgod moet gemaakt worden, vastgezet worden en gedragen worden; van de levende God wordt gezegd dat Hij maakt, dat Hij leeft en dat Hij draagt. Dat is dezelfde tegenstelling die Jesaja uitwerkt (reeds behandeld bij Jes. 46:3-4). Let vervolgens op de zin over de spijkers. Een god die vastgezet moet worden om niet om te vallen, is de omkering van alles wat een god zou moeten zijn. Let ten slotte op Jer. 10:5. Er staat niet alleen dat afgoden geen kwaad kunnen doen, maar ook dat er geen goeddoen bij hen is. Het gevaar van afgoderij zit niet in de macht van het beeld maar in de leegte ervan: men verwacht iets van wat niets geven kan. Typologie: Paulus zegt hetzelfde tegen de Atheners: God woont niet in tempelen met handen gemaakt, en wordt ook niet door mensenhanden verzorgd, alsof Hij iets nodig had (Hand. 17:24-25). En de gemeente te Thessalonica wordt geprezen omdat zij zich van de afgoden tot God bekeerde, om de levende en waarachtige God te dienen (reeds behandeld bij 1 Thess. 1:9). Jer. 10:1-16; Jes. 46:3-4; Hand. 17:24-25; 1 Thess. 1:9 "Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte" (Jer. 10:23). Het vers staat aan het slot van het hoofdstuk over de afgoden, en het is een gebed. Wat erop volgt is een bede om tuchtiging met mate: kastijd mij, maar met recht, niet in Uw toorn (Jer. 10:24). Bijbelse betekenis: Merk op wie dit zegt. Niet iemand die niets onderneemt, maar een profeet die zijn hele leven op weg is geweest waar hij gezonden werd. De belijdenis komt dus niet voort uit lijdelijkheid maar uit ervaring. Let vervolgens op het verschil tussen de twee helften van het vers. Het eerste zegt dat de weg niet bij de mens is, het tweede dat hij zijn eigen stappen niet richt; het gaat dus zowel over de grote lijn als over de losse stap. Let ten slotte op de plaats van dit vers. Het volgt op een hoofdstuk waarin mensen goden maken en vastzetten. Wie zijn eigen god maakt, meent ook zijn eigen weg te bepalen; wie de levende God kent, weet dat hij dat niet doet. Typologie: Spreuken zegt hetzelfde in de vorm van een spreuk: het hart van de mens overdenkt zijn weg, maar de HEERE stiert zijn gang (reeds behandeld bij Spr. 16:9). En Jakobus past het toe op plannen maken: men zou moeten zeggen: "Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen" (Jak. 4:15). Jer. 10:23-24; Spr. 16:9; Jak. 4:15 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jeremia 10
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Jeremia 10
Jeremia 10:1-2.KruisverwijzingenLeviticus 20:23→Leviticus 18:3→Jeremia 22:2→Jeremia 42:15→Openbaring 2:29→Amos 7:16→Jeremia 13:15→1 Thessalonicenzen 2:13→
— Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels! Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.
Onder de heidenen gold het voor ongeluk wanneer bepaalde sterren in samenstand kwamen. Ook bepaalde dagen van de week werden voor ongelukkig gehouden, net zoals er tot op deze dag mensen zijn die menen dat het heel ongelukkig is iets op een vrijdag te beginnen. Er zwerven veel dwaze bijgelovigheden door deze zotte wereld, maar u die christenen bent, moest zulke dwaasheden nooit enige invloed op u laten hebben. Noch de duivelen van de hel, noch de sterren van de hemel kunnen ooit schaden wie hun vertrouwen op God stellen.
Jeremia 10:3-4.KruisverwijzingenJesaja 44:9→Jesaja 45:20→Jesaja 46:7→Hosea 8:4→1 Koningen 18:26→Mattheüs 6:7→Jesaja 40:19→Romeinen 1:21→
— Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl. Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele.
Die oude profeten schepten er blijkbaar behagen in hoon te hopen op het godenmaken van de heidenen. Zelfs de heidense dichters maakten er spot mee. Een van hen zei heel wijselijk dat het redelijker zou zijn de werklieden te dienen die de god gemaakt hadden, dan de god die de werklieden gemaakt hadden.
Jeremia 10:5.KruisverwijzingenJesaja 46:7→1 Korinthe 12:2→Jesaja 41:23→Habakuk 2:19→Jesaja 46:1→Jesaja 44:9→Openbaring 13:14→Psalmen 115:5→
— Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.
Fraaie goden moeten dat zijn! Zij kunnen zich niet verroeren en zelfs niet staan totdat zij vastgespijkerd zijn, en zij komen niet van hun plaats tenzij zij van de ene plek naar de andere gedragen worden.
Jeremia 10:6-8.KruisverwijzingenPsalmen 48:1→Psalmen 96:4→Exodus 15:11→Openbaring 15:4→Deuteronomium 33:26→Jeremia 32:18→Jesaja 12:6→Psalmen 22:28→
— Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid. Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is. In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.
Mensen leren stokken en stenen te dienen mag met recht “een leer der ijdelheden” genoemd worden.
Jeremia 10:9.KruisverwijzingenPsalmen 115:4→Daniël 10:5→1 Koningen 10:22→Jesaja 40:19→Ezechiël 27:12→
— Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen.
Ga eens een rooms bedehuis binnen in Engeland of op het vasteland — of wat dat betreft een anglicaans, want zij lijken alle sterk op elkaar. U zult zien dat de goden van deze tijd niet beter zijn dan die waarop de profeten van ouds hun hoon uitgoten. En ik houd het voor onze plicht om hoon uit te gieten op deze heiligen en heiliginnen en Madonna’s en Bambino’s en ik weet niet wat er nog meer bij komt.
Jeremia 10:10-13.KruisverwijzingenDeuteronomium 32:4→Psalmen 96:5→Jesaja 2:18→Psalmen 100:5→Nahum 1:6→Psalmen 42:2→Psalmen 76:7→Psalmen 31:5→
— Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen. (Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.) Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand. Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
Tot wat een hoogte van gewijde beeldspraak stijgt Jeremia hier! Hij lijkt zijn gewone zwaarmoedige geest af te leggen wanneer hij komt tot het zingen van de lof van de HEERE. Hij gebruikt taal die sterk lijkt op die van Job, zijn medelijder.
Jeremia 10:14.KruisverwijzingenJeremia 51:17→Jeremia 10:8→Jesaja 46:7→Psalmen 135:16→Habakuk 2:18→Psalmen 115:4→Jesaja 42:17→Jesaja 44:18→
— Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.
Elke afgodendienaar bewijst dat hij niet meer weet dan een redeloos beest wanneer hij een stok of een steen dient. Het volgende vers brengt heel levendig de tegenstelling naar voren tussen deze valse goden en de ene levende en waarachtige God.
Jeremia 10:16.KruisverwijzingenDeuteronomium 32:9→Jeremia 32:18→Psalmen 74:2→Jeremia 31:35→Psalmen 119:57→Jeremia 10:12→Jeremia 51:19→Jesaja 45:7→
— Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israel is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
Wat een gezegende naam is dat voor God: “Jakobs deel”! En de andere kant van de waarheid is even gezegend: “Israel is de roede Zijner erfenis.” God behoort aan Zijn volk, en zij behoren aan Hem. Als wij maar kunnen beseffen dat deze zegeningen de onze zijn, dan bouwen wij op het vaste fundament van het rijkst mogelijke geluk.
Jeremia 10:17-18.Kruisverwijzingen1 Samuël 25:29→Ezechiël 12:3→Jeremia 6:1→Mattheüs 24:15→Micha 2:10→Jeremia 21:13→Ezechiël 6:10→Jeremia 23:20→
— Raap uw kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting! Want zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden.
Zij waren tot hun vestingen gevlucht om beschutting te zoeken, want de Babyloniërs trokken tegen hen op. Maar er werd hun geen hoop op verlossing voorgehouden. Hun werd gezegd hun kleine bundeltjes in te pakken en hun geringe voorraad zo dicht bijeen te leggen als zij konden. Zij moesten weg naar een verafgelegen land, als gevangenen van de machtige koning Nebukadnezar. God vergelijkt hun gevangenschap met het krachtig uitwerpen van stenen uit een slinger: “Ik zal de inwoners des lands ditmaal wegslingeren.”
Hoe zwaar tuchtigde God Zijn volk in Jeremia’s dagen! En toch verwondert het ons niet dat Hij hen ten laatste in gevangenschap zond, wanneer wij denken aan hun ontelbare tergingen en aan hoe zij zich telkens weer tegen Hem verhieven.
Jeremia 10:19.KruisverwijzingenMicha 7:9→Jeremia 14:17→Klaagliederen 3:39→Jeremia 4:31→Psalmen 39:9→Jesaja 8:17→Jeremia 8:21→Klaagliederen 3:18→
— O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!
Ach, kind van God, ook u moet leren dat te zeggen! Er zijn beproevingen en moeiten die over u komen waartegen u niet mag strijden, maar waarvan u moet zeggen: “Dit is wel een krankheid, en ik zal ze dragen.”
Jeremia 10:20.KruisverwijzingenJeremia 4:20→Jeremia 31:15→Jesaja 54:2→Klaagliederen 1:5→Spreuken 12:7→Klaagliederen 2:4→Jesaja 49:20→Job 7:8→
— Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht.
Helaas, arm Israël! Zij was als een tent die weggenomen is, met niemand om haar weer op te zetten. Er zijn in deze tijd kerken die in die bedroevende staat zijn: de getrouwen ontvallen hun, er zijn geen nieuwe bekeerlingen en geen ernstige geesten, zodat de kerk zeggen moet: “Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand, die mijn tent meer uitspant, en mijn gordijnen opricht.”
Ja, arme bedrukte kerk, dat mag alles waar zijn, en toch kan uw God u bezoeken. Hij is Die “de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen”. En u die uw dierbaarsten verloren hebt en die nu geen steun meer lijkt te hebben — uw kinderen zijn u alle ontnomen, maar uw God kan u opbouwen. Is Hij u niet beter dan tien zonen? En heeft Hij niet tot u gezegd: “want uw Maker is uw Man, HEERE der heirscharen is Zijn Naam”?
Jeremia 10:21-22.KruisverwijzingenJeremia 9:11→Jeremia 12:10→Ezechiël 34:2→Jeremia 2:8→Jeremia 10:8→Zacharia 13:7→Jeremia 23:1→Jeremia 23:9→
— Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben den HEERE niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun ganse weide is verstrooid. Ziet, er komt een stem des geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der draken.
Er komt een gerucht van een groot getier uit het land van het noorden.
Jeremia 10:23-24.KruisverwijzingenSpreuken 20:24→Spreuken 16:1→Psalmen 6:1→Psalmen 38:1→Psalmen 37:23→Jeremia 30:11→Psalmen 119:116→Job 6:18→
— Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte. Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.
Wat een passend gebed is dit voor een zieke, voor een beproefde gelovige, voor het kind van God in diepe neerslachtigheid van ziel! Ik ken nauwelijks betere woorden die iemand van ons gebruiken kan. De smekende vraagt niet om ongetuchtigd te blijven, maar hij zegt: “kastijd mij met mate, niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt”.
Jeremia 10:25.KruisverwijzingenPsalmen 79:6→Jeremia 8:16→Psalmen 14:4→Job 18:21→Jeremia 50:17→Ezechiël 25:6→Jeremia 50:7→Psalmen 27:2→
— Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.
Zo vraagt hij God om, in plaats van Zijn eigen kinderen te slaan, Zijn vijanden te slaan. En als wij bedenken wat wij van de Babyloniërs weten, verwondert het ons niet dat Jeremia zo’n gebed opzond.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IV. Vs. 1-25.KruisverwijzingenDeuteronomium 32:4→1 Korinthe 12:2→Psalmen 48:1→Psalmen 96:4→Exodus 15:11→Jesaja 41:23→Openbaring 15:4→Psalmen 100:5→
— Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels! Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten. Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl. Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele. Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen. Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid. Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is. In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden. Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen. Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
Volgens het slot der vorige reden had het kunnen schijnen, alsof de besnijdenis, het teken van het verbond Gods met Israël (Gen. 11:7 vv.) niets betekende; alsof de besnedenen met de onbesnedenen van hoop waren zonder onderscheid; alsof God iets vergeefs had gedaan met een eigen volk te roepen uit de menigte der Heidenen. In zijnen tijd had de Apostel Paulus op de vraag, tot welke hem zijn woord over den inwendigen toestand van Israël gebracht had (Rom. 2:17-3 :1.) “Wat is dan het voordeel van den Jood, of welke is de nuttigheid der besnijdenis?” het antwoord dadelijk gereed (Rom. 3:2): “Veel in alle manieren. ” Zo kent ook onze profeet den voorrang van zijn volk en diens roeping onder de Heidenen. De Geest der profetie leert hem, dat juist de tijd, die komt, dat de Heere allen, besnedenen en onbesnedenen, zal zoeken, en wel naar den regel Zijns raads eerst de besnedenen, daartoe zal dienen, om deze geheel en al van alle afgoderij, van alle gelijkheid met de onbesnedenen te genezen (2 Kron. 36:21). Nu geeft hij in den naam des Heeren het geneesmiddel mede, een woord Gods, dat Israël aan zijne roeping herinnert, en het de dwaasheid van den afgodendienst duidelijk voor ogen stelt. De uitleggers kunnen meestal den zamenhang der afdeling vs. 1-16 met het voorafgaande niet vinden, maar beschouwen het als een vreemd, ingeschoven stuk. Luidde het slot der eerste reeks van redenen in Hoofdst. 6:28-30 zeer treurig, zo moet nu aan het slot van deze tweede reeks een blij uitzicht voor ons geopend worden: Israël gaat in de ballingschap ene vernieuwing van zijnen inwendigen mens te gemoet, in de tweede afdeling van het voor ons liggende Hoofdstuk (vs. 17-25 .) zien wij het in berouw en boete voor God liggen, en daarentegen het gericht zich over de onbesnedenen zamenpakken.
Hoort, nu de bezoeking, van welke in Hoofdst. 9:25 v. sprake was, aan u, als het huis Gods, begint (1 Petr. 4:17) hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israëls, Gij zijt onder de heidenen verstrooid (Hoofdst. 9:16), maar toch wil de Heere er u voor bewaren, dat gij den heidenen zoudt gelijk worden. In dit woord geeft Hij u op den weg naar de ballingschap het zaad mede, waaruit gij moet worden wedergeboren tot mensen met besneden harten.
Zo zegt de HEERE tot u: Leert den weg der Heidenen niet in het vreemde land, zodat gij hun Godsverering, hunnen dienst (Hand. 9:2) zoudt aannemen (Lev. 18:3), en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, voor de verschillende constellaties, zons- en maansverduisteringen, verschijningen van kometen enz. dewijl zich de Heidenen en vooral die in Babylonië, het vaderland van sterrewichelarij, voor dezelve tekenen ontzetten, daar zij daaraan invloed op de menselijke lotgevallen toeschrijven. Voortreffelijk zegt Joh. Arnd in zijn boek over het ware Christendom: Hun, die uit God geboren zijn en in de nieuwe geboorte leven, kan de hemel en de gehele natuur geen schade doen, daarom hebben zij niet te vrezen voor de tekenen des hemels. (Ps. 112:7). Hier geldt het woord: Sapiens, dominabitur astris (de wijze heerst over de sterren). Want die uit de nieuwe geboorte zijn, zijn met hunnen wandel boven de hemelen, en zijn niet meer filii Saturni, Jovis, Martis, of filii Solis, Mercurii, Lunae a) maar zijn filii Dei, kinderen Gods, en leven in geloof, waardoor zij zich aan de krachten en indrukken van den natuurlijken hemel onttrekken. Zij echter, die niet in de nieuwe geboorte, maar naar het vlees leven, moeten vrezen. Zij moeten de straffen des hemels ondergaan, omdat zij heidens leven.
Niet zonen van Saturnus, wien de Zaterdag, niet van Jupiter wien de Donderdag, van Mars, wien de Dinsdag bij de oude Grieken en Romeinen geheiligd was, ook niet van de zon (Zondag) van Mercurius (woensdag) van de maan (Maandag).
Want de inzettingen der volken in godsdienstige zaken zijn ijdelheid, gelijk reeds het ontstaan hunner afgoden leert (Jes. 44:12 vv.); want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl.
Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele (Jes. 40:19; 41:7).
Zij, die afgoden, zijn gelijk een palmboom van dicht werk 1) maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan (Ps. 115:5 vv. (Jes. 46:7). Vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen (Jes. 45:20).
De afgodsbeelden, opgericht zijnde, maken ene fraaie vertoning, als gemaakt volgens de regels der kunst, maar gelijk volgt, zij konden niet spreken, of enig bewijs van verstand geven. Beelden vindt men meermalen stomme afgoden genoemd. Zie Hab. 2:19. 1 Kor. 12:2. In het Hebr. Kethomer mikschah. Beter: Zij zijn gelijk een gedraaide zuil. Want wel kan het eerste woord, palmboom betekenen, maar ook kolom, zuil, gelijk Hoogl. 3:6. Joël 2:31. Het tweede woord heeft de betekenis van, gedraaid. Sommigen vertalen het ook hier gelijk in Jesaja 1:8 door, komkommerhof, zo o. a. Orelli. In deze verzen wordt door den Profeet Jeremia, evenals de Profeet Jesaja dit ook gedaan heeft, de nietigheid van de afgoden voorgesteld. In de volgende verzen stelt Hij de hoogheid en verhevenheid des HEEREN tegen de ijdelheid en het nietige van de afgoden.
Omdat niemand u gelijk is, o HEERE! die Uzelven tot Israëls God begeven hebt, zo zijt Gij groot: en groot is Uw naam in mogendheid (Ps. 86:8. Hoofdst. 16:21).
a) Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen (Ps. 47:8 v. 96:10)? want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen en in hun ganse koninkrijk niemand u gelijk is, 1) zodat iemand Uwe raadsbesluiten zou kunnen doorzien, laat staan verijdelen. (Jes. 29:14; 40:13 vv.).
Openb. 15:4.
De Heere God staat boven alle volken en boven alle goden der volken. Niemand is Hem gelijk, niemand kan met Hem vergeleken worden. Voor de afgoden der heidenen heeft men niet te vrezen (vs 5), dewijl zij niets zijn, maar de Heere, de God van Israël is zeer te vrezen, dewijl Hij in Zijnen toorn de volken ken vernietigen (vs. 19).
In één ding 1) zijn zij, die afgodische heidenen met hun wijzen, toch a) onvernuftig en zot; een hout dat men als god vereert, is een onderwijs der ijdelheden.
Jes. 41:29. Hab. 2:18. Zach. 10:2.
In het Hebr. Oebeachaath. Dit kan wel betekenen, in één dag, maar ook ten enen male en die vertaling moeten we hier hebben. Ten enen male, zegt de Profeet van de afgoden, zijn zij onvernuftig en zot. Vandaar dat er ook volgt, dat het onderwijs, de opvoeding van de ijdelheid is het hout. De opvoeding der ijdelheid staat tegenover de opvoeding Gods, de leiding Gods met Zijn volk. De Heere God heeft Zijn volk opgevoed en geleid door krachtige daden, door tekenen van Zijn almachtige hulp en genade, maar wat zijn, wat kunnen de afgoden? zij zijn hout en zij blijven hout, een werk van mensenhanden. Vandaar dat zij geen bewijzen van macht en ontferming kunnen geven. Al trekt men het hout over met zilver van Tarsis of goud van Ufaz (vs. 9), de afgoden blijven in hun wezen hout.
Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht (Jes. 23:10), en goud van Ufaz (misschien hetzelfde als Ofir, 1 Kon. 9:28), tot een werk der werkmeesters en van de handen des goudsmids, hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen, alles wat zulk een afgod heerlijks heeft is een werk van des kunstenaars handen.
Maar de HEERE God is de Waarheid, 1) Hij is de levende God en een eeuwig Koning; van Zijne verbolgenheid beeft de aarde, en de Heidenen kunnen Zijne gramschap niet verdragen (Jes. 65:16; 37:4. Ps. 10:16. Nah. 1:5 v
Letterlijk: De HEERE is God, in waarheid. In waarheid, staat tegenover de ijdelheden. God in waarheid wordt versterkt door, de levende God en een eeuwig Koning. De afgoden zijn dood hout Zijn ijdelheden, maar de HEERE is de waarachtige en de levende en zullen de afgoden van de aarde en van onder den hemel worden verdreven, de HEERE blijft een eeuwig Koning, die van geen wankelen weet en van geen bezwijken.
(Aldus zult gijlieden, die van het huis Israëls zijt (vs. 1), tot hen, tot de arme blinde heidenen zeggen, in plaats van hen na te volgen (vs. 2): De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde en van onder dezen hemel). Omdat Jeremia wist, dat de Joden naar Chaldea zouden worden weggevoerd, mengde hij onder zijne Hebreeuwse woorden een Chaldeeuws vers, en zegt hij den Joden, hoe zij hun geloofsbelijdenis bij de Chaldeën in hun eigene taal moesten afleggen. Movers vindt met recht tussen de woorden “gemaakt hebben” en “vergaan” in het Hebreeuws (abadoe en Jebadoe) ene woordspeling. De gedachte van dit vers voert een passend slot aan de vermaning, zich van de afgoden der heidenen te wachten. Niet slechts zullen de Israëlieten niet vrezen voor de nietige afgoden der heidenen, maar zij zullen aan de heidenen ook verkondigen, dat hun afgoden van de aarde en van onder den hemel zullen verdwijnen.
De Heere is de ware, levende God, en de eeuwige Koning (vs. 10), die a) de aarde gemaakt heeft door Zijne kracht, die de wereld bereid heeft door Zijne wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand 1) (Jes. 42:5; 45:12, 18; 40:22. 65:7; 104:2, 5).
(Gen. 1:1. Jer. 51:15. b) Job 9:8. Jer. 44:24; 51:13.
Hij is de God der natuur, de bron van alle wezens, en alle de krachten der natuur zijn tot Zijn bevel en bestelling. De God, dien wij aanbidden is Hij, die de hemelen en de aarde gemaakt heeft, en een oppergezag over beiden heeft, zodat Zijne onzienlijke dingen openbaar en bewezen zijn uit de dingen, die gezien worden.
Als Hij Zijne stem geeft, Zijnen donder wijd en zijd doet horen, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en de slagregen stort neer Hij doet de dampen uit de zee opklimmen van het einde der aarde. Hij maakt de bliksemen met den regen, dat die overgaan en zich in regen oplossen, en doet den wind voortkomen uit Zijne schatkameren1) waar Hij dien zo lang houdt besloten, totdat die op Zijnen tijd wordt gehoord (Ps. 135:7).
De bliksem gaat gewoonlijk gepaard met regen en harden wind of met beide. Hier wordt dan ook niet van Gods werkzaamheid bij de Schepping gesproken, maar van Zijne Voorzienige zorg bij voortduring. Hij is het die niet alleen op geestelijk maar ook op natuurlijk gebied de Bron en Oorsprong van alles is.
a) Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij gene wetenschap heeft, gelijk blijkt bij het onweder, wanneer ieder ontroerd is en geen raad weet (Job 38:22 vv); een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld, dat zulke werken Gods, als een gewoon onweder is, onmogelijk te weeg ken brengen (Jes. 44:9, 11), noch de uitwerkselen daarvan kan beveiligen; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen).
Jer. 51:17, 18.
IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen van bespotting, daar ieder bedrogen wordt, die ze voor goden houdt; ten tijde hunner bezoeking (Jes. 46:1. (Jer. 51:44), wanneer het gericht van God komt, zullen zij vergaan; 1) slechts zo lang zullen die goden bestaan, als de Heere het toelaat.
In vs. 14 en 15 hebben wij weer de tegenstelling tegenover het voorgaande. Hier wordt alleen de nietigheid van de afgoden en de domheid van den mens aangewezen, die zich op stenen afgoden, in plaats van op den levenden God verlaten.
Jakobs deel, zijn erfgoed en zijne bezitting, de hem ten deel geworden God (Deut. 4:19 v.), is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles; en Israël is de roede de steun Zijner erfenis, het volk, dat Hem toebehoort, en waarover hij den scepter voert (Ps. 74:2. Jes. 63:17). HEERE der heirscharen is Zijn naam (Jes. 51:15. Jer. 51:15-19 – ). Zien wij op den inwendigen toestand van het volk in de ballingschap, dan kan niet worden ontkend, dat er een groot onderscheid was tussen dit en de achtergeblevenen in Jeruzalem tot aan de laatste katastrofe, alsmede dergenen, die naar Egypte gevlucht waren. Volgens Hoofdst. 44 gaven deze zich met bijna waanzinnigen ijver aan den afgodendienst over, en leidden zij alle ongeluk af niet van hun goddeloosheid, maar van het nalaten van den afgodendienst. Reeds Jeremia noemt in Hoofdst. 24 de ballingen als de hoop van het Godsrijk. Dit verschil moet niet alleen verklaard worden uit de heilzame werking der ballingschap, zo als den ook ieder lijden op zichzelf gene verbeterende kracht bezit, maar evenzeer slechter als beter maakt. De eerste reden, waarop ook die plaats van Jeremia wijst, moet dieper liggen, en wel daarin dat juist het betere deel der natie naar de ballingschap werd weggevoerd, het mindere in het land achterbleef, en of daar door de gerichten des Heeren werd vernietigd, of later naar Egypte vluchtte, om daar door deze te worden achterhaald. Dit betere deel nu, dat vroeger slechts als ene partij kon bestaan, werd door de leiding des Heeren met het volk meer of min één, en zijne gezindheid de heersende. Daartoe droegen meerdere redenen bij, welke de gelovigen in hun getrouwheid aan den Heere versterkten, hunnen ijver omtrent alle afgodische besmetting opwekten, en tevens uitwerkten, dat van de goddelozen, die ter ballingschap waren weggevoerd, velen tot inkeer kwamen en alle heidendom verwierpen. Wat zij van de Heidenen leden nam hun vroegere sympathieën voor het heidendom weg; hoe zekerder alle hoop op menselijke hulp verdween, hoe zekerder volgens menselijke mening Israëls nationaliteit voor altijd was ten onder gegaan, des te meer hoorde men naar de belofte, die in de wet naast de bedreiging was uitgesproken, en door de Profeten bestendig werd herhaald, dat de Heere Zijn gevangen volk zou verlossen. Men zocht de door Hem gestelde voorwaarde dezer verlossing te vervullen, doordat men alle afgoderij verwijderde, en zich in waar berouw tot den Heere keerde. Men geloofde te meer de beloften hoe nauwkeuriger de bedreigingen vervuld waren, hoe meer men gelegenheid had gehad op smartelijke wijze Gods waarachtigheid te leren kennen. Verder maakte de val der heidense volken en godsdiensten, met welke de Israëlieten tot hiertoe in verbintenis hadden gestaan, en voornamelijk de laatste grote gebeurtenis van dien aard, de val van de Chaldeeuwse macht, die onoverwinnelijk scheen, hen wantrouwend omtrent de wereldse macht en godsdienst. Dit wekte hun geloof op aan de enige Godheid huns Heeren, die al deze omkeringen te voren door Zijne profeten had laten verkondigen, en op Zichzelven als den Bewerker had gewezen. Groten invloed hadden op het volk ook de bewijzen van voortdurende verkiezing, die het midden in zijne ellende ontving, en enen nog sterkeren indruk maakte ten laatste de bevrijding uit de ballingschap. Een niet gering aandeel aan de grote verandering moet dan ook zeker worden toegekend aan de krachtige en langdurige werkzaamheid van enen Ezechiël, die met zo rijke gaven was bedeeld, en om wien de ballingen zich als om hun geestelijk middelpunt verenigden (Ezech. 8:1; 11:25; 14:1; 33:31 vv.). Den machtigsten invloed oefende echter de ellende zelf uit, wel niet op ruwe gemoederen-deze werden door het lijden slechts nog te meer verhard-maar ook op diegenen, aan wie de genade reeds haar werk had begonnen, en tot deze behoorde, gelijk wij reeds zagen, het grootste gedeelte der weggevoerden. Aan hetgeen zij leden zagen zij wat zij gedaan hadden, en zij werden tot berouw opgewekt. Wat in het vaderland, merkt Ewald op, alle beter gezinde koningen en profeten niet genoegzaam hadden kunnen bereiken, dat volbracht nu in korten tijd de onverbiddelijke ernst dier omstandigheden in den vreemde, zonder veel toedoen der mensen.
Maar keren wij tot het heden terug, nu de wegvoering nog moet plaats hebben. Raap uwe kramerij weg, uwe bagaadje, uit het land, pak het uwe bijeen, maak u gereed om te gaan (Hoofdst. 46:19) uit het land, waar gij niet meer blijven zult, gij inwoners der vesting!Jeruzalem dat zo lang zal belegerd worden, berg wat gij kunt, voor het den vijand in handen valt. De Profeet ziet reeds tot Jeruzalem de belegeraars naderen en snijdt alle hoop af op bevrijding der stad (Hoofdst. 8:14). Gewoonlijk bergen de mensen hun goederen, wanneer een vijandelijke inval te wachten is. Doch dit schijnt schimpsgewijze gezegd te zijn. De profeten zijn gewoon in het vrouwelijk geslacht te spreken van en tot mensen, die in één lichaam te zamen leven, hetzij in ene stad of in een land; van daar de namen “dochter” en “jonkvrouwe, ” die bij hen zo gewoon zijn.
Want zo zegt de HEERE: Ziet Ik zal de inwoners des lands, op ditmaal niet weer uit het gevaar redden (2 (Kon. 18:13 vv.), maar wegslingeren, als met den slinger uit het land werpen, en Ik zal ze a) benauwen, nadat alle Mijne betogingen van genade aan hen vruchteloos zijn gebleven, opdat zij het vinden, of omdat men ze vinde, opdat zij tot den eindpaal komen, waarheen zij geslingerd zijn.
Jer. 6:24.
Dan als zij door de grootheid van haren nood, tot erkentenis van hare zonde gekomen is (Deut. 4:30), zal de dochter Mijns volks uitroepen: O wee mij over mijne breuk! mijne plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers ene ziekte, die ik rechtvaardig verdiend heb, waarom ik die wel dragen zal. 1)
“Zodat ik zeggen moet: ach welk een jammer! hoe zal ik dien dragen?” Dit is de taal veeleer van ene morrende, dan van ene gewillige onderwerping, van een gedwongen geduld, geen lijdzaamheid uit een goed beginsel. Wanneer ik in verdrukking ben moest ik zeggen, dat is een kwaad, en ik zal het dragen, omdat het Gods wil is, dat ik het zal dragen, omdat Zijne wijsheid dat voor mij besteld heeft, en Zijne genade het voor mij ten goede zal doen werken. Dat is het kwade van Gods hand ontvangen. Maar te zeggen, dat is een kwaad, en ik moet het dragen, omdat ik het niet weren kan, is maar een onredelijke lijdzaamheid en bewijst gebrek van die goede gedachte van God, die wij altoos moesten hebben, zelfs onder verdrukkingen, zeggende niet alleen: God zal en kan doen al wat Hem behaagt, maar ook laat Hem doen al wat Hem behaagt.
Mijne tent is verstoord, zo roept het land in het voorgevoel van de verwoesting en ontvolking (vs. 17 v.), die het wacht, reeds nu uit, Nu gij, o Juda daaraan nog geen geloof wilt schenken, en al mijne zelen, waarmee zij aan den grond was gehecht (Exod. 16:14) zijn verscheurd. Mijne kinderen, die bij mij in mijne tent woonden, zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet (Gen. 42:36). Er is niemand meer, die mijne tent uitspant, zodat ik weer een bewoond en bevolkt land zou worden, endie mijne gordijnen opricht; ik moet voor altijd in dezen verwoesten toestand blijven.
Het land weet ook niet, waarom het dit ondervindt; want de herders, die het volk op den rechten weg hadden moeten leiden en hadden moeten leiden op den weg van recht en gerechtigheid zijn onvernuftig geworden (Jes. 3:12), en hebben den HEERE niet gezocht (Hoofdst. 2:8), daarom hebben zij met verstandiglijk gehandeld ter afkering der ellende van het land, en hun ganse weide, de gehele kudde, die hun vertrouwd was, is verstrooid1) (Hoofdst. 23:2 v. 50:6).
Onder de herders hebben we ook hier de vorsten te verstaan, de Oversten, die het volk hadden moeten leiden op de paden van recht en gerechtigheid. Zij zelf rekenden echter niet met God, en hoe zouden zij dan het volk leren met den levenden God alleen te rekenen! Zij hadden God de gehoorzaamheid opgezegd, hoe zouden dan de onderdanen en die door hen geleid werden Gode gehoorzamen. Maar dewijl de herders zelf blind waren, zouden zij zelf met hen, die door hen geleid werden, in de put vallen, d. i. vergaan.
Ziet, er komt ene stem des gerichts van den aanrukkenden vijand, en een groot beven uit het land van het a) noorden(Hoofdst. 6:22; 8:16), waaruit dadelijk is op te merken, dat men de steden van Juda zal stellen tot ene verwoesting, ene woning der draken der sjakals. (Hoofdst. 9:11).
Jer. 1:14; 4:6.
Wanneer Israël eerst tot erkentenis der ware oorzaak van zijn ongeluk en tot de rechte verootmoediging (vs. 19) zal gekomen zijn, zo zal het op de klacht en aanklacht van zijn land (vs. 20 vv.) ten antwoord geven: Ik weet, o HEERE! a) dat bij den mens zijn weg niet is, zodat hij zelf zijn lot zou kunnen schikken, en dan kunnen afwenden, wat Gij over hem beschikt. Het is niet bij enen man, die wandelt, dat hij zijnen gang richte. Gij alleen bepaalt het doel, waarheen hij zal gaan (Spr. 5:21; 26:9; 19:21).
Spr. 15:1; 20:24. “De toekomst ligt in onze hand, ieder maakt zijn eigen geluk”, zegt de wereld. Dit is vals. Slechts in zoverre maken wij onze toekomst als wij de vergeving der zonden aannemen of verwerpen. Het is zeker dat wanneer wij willen, wij willen, maar Hij maakt, dat wij het goede willen, waarom geschreven staat, dat de wil door den Heere wordt geleid (Spr. 8:35 naar de LXX). Het is zeker, dat zo wij handelen, wij handelen, maar Hij maakt dat wij handelen, door onze krachten te geven, gelijk geschreven staat (Ezech. 36:26 v.): “Ik zal maken, dat gij in Mijne inzettingen zult wandelen, en Mijne rechten zult bewaren en doen. ” Daarom moeten wij bidden: Maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijne ziel tot U op. Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God; Uw goede Geest geleide mij in een effen land (Ps. 143:8, 10). Wij zijn geen meesters van onze eigen wegen, noch kunnen wij niet met reden denken, dat alle dingen naar onzen zin zullen gaan. Wij moeten onszelven daarom aan God overgeven en in Zijnen wil berusten.
Daar Gij mij nu in deze ellende tot straf voor mijne zonde hebt gebracht, bid ik U: Kastijd mij, HEERE! doch a) met mate, opdat mij niets zwaarders worde opgelegd, dan Uwe gerechtigheid eist, niet in uwen toorn, bij welken gene verschoning zou zijn, opdat Gij mij niet te niet maakt, gelijk Gij zoudt kunnen doen, wanneer Gij niet genade voor recht liet gaan (Ps. 6:2; 38:2. (Hab. 1:12).
Jer. 30:11; 46:28. Deze is de bede van den Profeet ten behoeve of in den persoon der Joden, alsof hij, het naderen van de macht der Chaldeën ziende, zei: Heere! wij weten wel, dat dit leger niet tegen ons kan komen, of de overhand op ons hebben, dan alleen door Uwe toelating, ja. Uw bestel; maar naardien Gij besloten hebt ons daardoor te kastijden, zo bidden wij U in den toorn des ontfermens te gedenken (Hab. 3:3), en ons zo matig te kastijden, dat wij de kastijding kunnen dragen (1 Kor. 10:13), en niet met zulk ene hitte grimmigheid, dat wij geheel verteerd worden. (Jes. 57:16).
Stort uwe grimmigheid uit over de Heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, de volken, die Uwen naam niet aanroepen; want zij hebben, als Gij U van hen als werktuigen tot onze straf bediendet, boven mate en tegen alle recht (Jes. 47:6 vv.) Jakob a) opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, alsof hij geheel moest vernietigd worden, en hem b) verteerd, en zijne woning verwoest. Daardoor hebben zij verdiend, dat Gij hen vernielt (Hoofdst. 30:11; 46:28. (Ps. 79:6 vv.).
Jer. 8:16. b) Jer. 9:16. Beide delen van ons Hoofdstuk vormen ene krachtige verklaring der Spreuk: “Wie zich beroemen wil, die beroeme zich in de kennis des Heeren” (Jer. 9:24). In het eerste deel (vs. 1-16) wordt deze kennis blijmoedig genoemd (vs. 10); in het tweede deel (vs. 17-25) ligt zij verholen in de volledige bekentenis van ‘s mensen onmacht (vs. 23 Beide vormen, wat den geest betreft, dezelfde belijdenis; de erkenning van Gods heerlijkheid eist de erkenning van eigen onmacht; maar deze is eerst dan waar en goed, wanneer zij op de eerste gebouwd is.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel