Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Zijt nietG3361 veleG4183 meestersG1320, mijn broedersG80, wetendeG1492, datG3754 wij te meerderG3187 oordeelG2917 zullen ontvangenG2983.
Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.
KJV
My
brethren,5
be4
not1
many2
masters,3
knowing7
that8
we shall receive11
the greater
condemnation.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
WantG1063 wij struikelenG4417 allen in veleG4183. IndienG1487 iemandG1536 inG1722 woordenG3056 nietG3756 struikeltG4417, dieG3778 is een volmaaktG5046 manG435, machtigG1415 om ookG2532 het gehele lichaamG4983 in den toom te houden.
Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in den toom te houden.
Ook in dit vers
toom houdenG5468
KJV
For2
in many things1
we offend3
all.4
If any man
offend10
not9
in7
word,8
the same11
is a perfect12
man,13
and able14
also16
to bridle15
the whole17
body.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
ZietG3708, wij leggenG906 den paardenG2462 tomenG5469 inG1519 de mondenG4750, opdat zij ons zouden gehoorzamenG3982, enG2532 wij leidenG3329 daarmede hunG846 gehele lichaamG4983 om;
Ziet, wij leggen den paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun gehele lichaam om;
Ook in dit vers
totG4314
KJV
Behold,
we put9
bits5
in6
the horses'3
mouths,8
that10
they13
may obey12
us;
and15
we turn about20
their19
whole16
body.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
ZietG3708 ookG2532 de schepenG4143, hoewelG5082 zijG1510 zo groot zijn, enG2532 vanG5259 hardeG4642 windenG417 gedrevenG1643, zij worden omgewendG3329 vanG5259 een zeer kleinG1646 roerG4079, waarhenenG3699 ook de begeerte des stuurdersG2116 wilG3730.
Ziet ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stuurders wil.
KJV
Behold
also2
the ships,4
which though they be
so great,5
and7
are driven11
of8
fierce9
winds,10
yet are they turned about12
with13
a very small14
helm,15
whithersoever16
the governor21
listeth.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
AlzoG3779 isG1510 ook de tongG1100 een klein lidG3196, enG2532 roemtG3166 nochtans grote dingen. ZietG3708, een klein vuurG4442, hoeG2245 groten hoop houtsG5208 het aansteektG381.
Alzo is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans grote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt.
Ook in dit vers
kleinG3398
kleinG3641
KJV
Even2
so1
the tongue4
is
a little5
member,6
and8
boasteth great things.9
Behold,
how great13
a matter14
a little11
fire12
kindleth!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
De tongG1100 is ookG2532 een vuurG4442, een wereldG2889 der ongerechtigheidG93; alzoG3779 is de tongG1100 onder onze ledenG3196 gesteldG2525, welke het gehele lichaamG4983 besmetG4695, enG2532 ontsteektG5394 het radG5164 onzer geboorteG1078, enG2532 wordt ontstokenG5394 vanG5259 de helG1067.
De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.
KJV
And1
the tongue3
is a fire,4
a world6
of iniquity:8
so9
is12
the tongue11
among13
our
members,15
that it defileth18
the whole19
body,21
and22
setteth on fire23
the course25
of nature;27
and28
it is set on fire29
of30
hell.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantG1063 alleG3956 natuurG5449, beideG5037 der wilde dierenG2342 enG2532 der vogelenG4071, beideG5037 der kruipendeG2062 enG2532 der zeedierenG1724, wordt getemdG1150 enG2532 is getemdG1150 geweest van de menselijkeG442 natuurG5449.
Want alle natuur, beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur.
KJV
For2
every1
kind3
of beasts,4
and5
of birds,7
and9
of serpents,8
and6
of things in the sea,11
is tamed,12
and10
hath been tamed14
of mankind:16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
MaarG1161 de tongG1100 kanG1410 geen mensG444 temmenG1150; zij is een onbedwingelijkG183 kwaadG2556, volG3324 van dodelijkG2287 venijnG2447.
Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn.
KJV
But2
the tongue3
can5
no4
man6
tame;7
it is an unruly8
evil,9
full10
of deadly12
poison.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Door haarG846 lovenG2127 wij GodG2316 enG2532 den VaderG3962, enG2532 door haarG846 vervloekenG2672 wij de mensenG444, die naarG2596 de gelijkenisG3669 van GodG2316 gemaakt zijn.
Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.
KJV
Therewith1
bless we3
God,5
even6
the Father;7
and8
therewith9
curse we11
men,13
which4
are made18
after15
the similitude16
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
UitG1537 denzelfdenG846 mondG4750 komt voortG1831 zegeningG2129 enG2532 vervloekingG2671. DitG3778 moetG5534, mijn broedersG80, alzoG3779 nietG3756 geschiedenG1096.
Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.
KJV
Out of1
the same3
mouth4
proceedeth5
blessing6
and7
cursing.8
My
brethren,11
these things
ought10
not9
so14
to be.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WeltG1032 ook een fonteinG4077 uitG1537 een zelfdeG846 aderG3692 het zoetG1099 enG2532 het bitterG4089?
Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter?
KJV
Doth1
a fountain3
send forth8
at4
the same6
place7
sweet10
water and11
bitter?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
KanG1410 ook, mijn broedersG80, een vijgeboomG4808 olijvenG1636 voortbrengenG4160, ofG2228 een wijnstokG288 vijgenG4810? AlzoG3779 kanG3762 geenG3361 fonteinG4077 zoutG252 enG2532 zoetG1099 waterG5204 voortbrengenG4160.
Kan ook, mijn broeders, een vijgeboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Alzo kan geen fontein zout en zoet water voortbrengen.
KJV
Can1
the fig tree,5
my
brethren,3
bear7
olive berries?6
either8
a vine,9
figs?10
so11
can no12
fountain13
both yield17
salt14
water18
and15
fresh.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WieG5101 is wijsG4680 enG2532 verstandigG1990 onderG1722 uG4771? die bewijzeG1166 uitG1537 zijn goedenG2570 wandelG391 zijn werkenG2041 inG1722 zachtmoedigeG4240 wijsheidG4678.
Wie is wijs en verstandig onder u? die bewijze uit zijn goeden wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid.
KJV
Who1
is a wise man2
and3
endued with knowledge4
among5
you?
let him shew7
out of8
a good10
conversation11
his14
works13
with15
meekness16
of wisdom.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
MaarG1161 indien gijG4771 bitterenG4089 nijdG2205 en twistgierigheidG2052 hebtG2192 inG1722 uw hartG2588, zo roemtG2620 en liegtG5574 nietG3361 tegenG2596 de waarheidG225.
Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid.
KJV
But2
if1
ye have5
bitter4
envying3
and6
strife7
in8
your
hearts,10
glory13
not,12
and14
lie not15
against16
the truth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Deze isG1510 de wijsheidG4678 nietG3756, die van boven afkomtG2718, maarG235 is aardsG1919, natuurlijkG5591, duivelsG1141.
Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels.
KJV
This3
wisdom5
descendeth7
not1
from above,6
but8
is earthly,9
sensual,10
devilish.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WantG1063 waar nijdG2205 enG2532 twistgierigheidG2052 is, aldaar is verwarringG181 enG2532 alleG3956 bozeG5337 handelG4229.
Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.
KJV
For2
where1
envying3
and4
strife5
is, there6
is confusion7
and8
every9
evil10
work.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
MaarG1161 de wijsheidG4678, die van boven is, die is ten eersteG4412 zuiverG3303, daarna vreedzaamG1516, bescheidenG1933, gezeggelijkG2138, volG3324 van barmhartigheidG1656 en van goedeG18 vruchtenG2590, niet partijdig oordelendeG87, en ongeveinsdG505.
Maar de wijsheid, die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd.
KJV
But2
the wisdom4
that is from above3
is
first5
pure,6
then9
peaceable,10
gentle,11
and easy to be intreated,12
full13
of mercy14
and15
good17
fruits,16
without partiality,18
and19
without hypocrisy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
EnG1161 de vruchtG2590 der rechtvaardigheidG1343 wordt inG1722 vredeG1515 gezaaidG4687 voor degenen, die vredeG1515 makenG4160.
En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken.
KJV
And2
the fruit1
of righteousness4
is sown7
in5
peace6
of them that make9
peace.
vele meesters,
Daarmede bestraft hij niet degenen die het leer-ambt begeren, 1 Tim. 3:1, maar degenen die zich aanmatigen als grote meesters anderen lichtvaardig te oordelen en te berispen; hoedanige velen gevonden worden, daar de mensen zo geaard zijn, dat zij gebreken van anderen licht zien en berispen, en hunne eigene niet zien. Zie Matt. 7:1; Luc. 6:37.
Hertaald:
vele meesters,
Daarmee bestraft hij niet hen die het leerambt begeren, 1 Tim. 3:1, maar hen die zich aanmatigen om als grote meesters anderen lichtvaardig te beoordelen en te berispen. Zulke mensen zijn er veel, omdat de mensen zo geaard zijn dat zij de gebreken van anderen gemakkelijk zien en berispen en hun eigen gebreken niet zien. Zie Matth. 7:1; Luk. 6:37.
te meerder
Grieks groter; dat is, zeer groot en zwaar.
Hertaald:
te meerder
Grieks: groter; dat is: zeer groot en zwaar.
oordeel zullen ontvangen
Dat is, straf, daar deze na gegeven vonnis pleegt te volgen; zie 1 Kor. 11:31. Deze straf wordt uitgedrukt Matt. 7:2, en is rechtvaardig, daar zij anderen veroordelen in hetgeen waaraan zijzelf schuldig zijn, en zo ook tegen zichzelf vonnis strijken.
Hertaald:
oordeel zullen ontvangen
Dat is: straf, omdat die gewoonlijk op een uitgesproken vonnis volgt; zie 1 Kor. 11:31. Die straf wordt uitgedrukt in Matth. 7:2, en zij is rechtvaardig, omdat zij anderen veroordelen in datgene waaraan zij zelf schuldig zijn en zo ook het vonnis over zichzelf uitspreken.
struikelen allen
Of stoten ons, gelijk Jak. 2:10; dat is, zondigen, begaan dezelfde of dergelijke zonden dikwijls, die wij in anderen bestraffen; Gal. 6:1.
Hertaald:
struikelen allen
Of: wij stoten ons, zoals in Jak. 2:10; dat is: wij zondigen, wij begaan dikwijls dezelfde of dergelijke zonden die wij in anderen bestraffen; Gal. 6:1.
in woorden niet struikelt,
Grieks in het woord; dat is, in zeggen, spreken.
Hertaald:
in woorden niet struikelt,
Grieks: in het woord; dat is: in het zeggen, in het spreken.
is een volmaakt man,
Dat is, is begaafd met de rechte wijsheid en voorzichtigheid. Want dat dit niet wordt verstaan van een volkomene volmaaktheid, die de wet eist, is duidelijk, daar hij inwendig in zijn hart met kwade lusten, en uitwendig met de andere ledematen evenwel kan zondigen, al bedwingt hij zijn tong; en dewijl niemand zijn tong bedwingt gelijk behoort, vs.8, dat is ook een duidelijk bewijs van de onvolmaaktheid der mensen.
Hertaald:
is een volmaakt man,
Dat is: hij is met de juiste wijsheid en voorzichtigheid begiftigd. Want dat dit niet verstaan wordt van een volledige volmaaktheid die de wet eist, is duidelijk: hij kan innerlijk in zijn hart met kwade lusten en uiterlijk met de andere lichaamsdelen toch zondigen, ook al bedwingt hij zijn tong. En omdat niemand zijn tong bedwingt zoals het behoort, vers 8, is dat ook een duidelijk bewijs van de onvolmaaktheid van de mensen.
het gehele lichaam
Dat is, de werkingen van al de andere leden van het lichaam.
Hertaald:
het gehele lichaam
Dat is: de werkingen van alle andere leden van het lichaam.
in den toom te houden
Dat is, bedwingen dat zij den regel niet te buiten gaan; een gelijkenis, genomen van de paarden, die door den toom worden gedwongen den rechten weg te gaan. Zodat degene, die de tong kan bedwingen, hetwelk het zwaarste is, ook de andere ledematen bedwingen kan, dat lichter is; gelijk in vs.3 verklaard wordt.
Hertaald:
in den toom te houden
Dat is: bedwingen zodat zij niet buiten de regel gaan. Dit is een vergelijking, genomen van de paarden, die door het bit gedwongen worden de rechte weg te gaan. Wie dus zijn tong kan bedwingen — wat het zwaarst is — kan ook de andere lichaamsdelen bedwingen, wat lichter is, zoals in vers 3 verklaard wordt.
wij leggen den paarden
Dat is, gelijk wij leggen, enz. Grieks wij werpen.
Hertaald:
wij leggen den paarden
Dat is: zoals wij leggen, enzovoort. Grieks: wij werpen.
hun gehele lichaam
Namelijk hoe groot en sterk het ook zij.
Hertaald:
hun gehele lichaam
Namelijk hoe groot en sterk dat ook is.
om;
Dat is, waarheen wij willen. Zo regeert de tong den gansen mens en al zijn doen, hetzij ten goede of ten kwade.
Hertaald:
om;
Dat is: waarheen wij willen. Zo regeert de tong de hele mens en al zijn doen, hetzij ten goede, hetzij ten kwade.
de begeerte des
Grieks de drijving; dat is, de beweging van zijn gemoed.
Hertaald:
de begeerte des
Grieks: de drijving; dat is: de beweging van zijn gemoed.
roemt nochtans
Dat is, richt grote dingen aan. Of verheft zich grotelijks; een gelijkenis genomen van de paarden, die den hals opsteken, Ps. 12:4.
Hertaald:
roemt nochtans
Dat is: richt grote dingen aan. Of: verheft zich zeer; dit is een vergelijking, genomen van de paarden, die hun hals opsteken, Ps. 12:4.
een klein vuur,
Dat is, gelijk een klein vuur, al is het maar een vonk.
Hertaald:
een klein vuur,
Dat is: zoals een klein vuur, al is het maar een vonk.
hoop houts het aansteekt
Grieks hijlen; hetwelk betekent in het algemeen wel allerlei stof, maar vooral die men branden kan, waarom een bos ook zo genoemd wordt.
Hertaald:
hoop houts het aansteekt
Grieks: hylèn. Dat betekent in het algemeen allerlei materiaal, maar vooral wat men kan branden; daarom wordt een bos ook zo genoemd.
De tong
Namelijk als zij niet bedwongen, maar misbruikt wordt.
Hertaald:
De tong
Namelijk wanneer zij niet bedwongen, maar misbruikt wordt.
is ook een vuur,
Dat is, hoewel het een klein lid is, wanneer men die misbruikt, zo wordt daardoor dikwijls een grote brand van twist, oproerigheid, oorlog, enz. ontstoken, waardoor kerken, landen en steden verwoest worden.
Hertaald:
is ook een vuur,
Dat is: hoewel zij een klein lid is, wordt daardoor, wanneer men haar misbruikt, dikwijls een grote brand van twist, oproer, oorlog, enzovoort ontstoken, waardoor kerken, landen en steden verwoest worden.
een wereld der
Dat is, gelijk de wereld vol is van allerlei soorten van ongerechtigheid, zo brengt ook een onbedwongen tong voort allerlei ongerechtigheid, als kijven, lasteren, vechten, doodslaan, enz. Een figuurlijke wijze van spreken, waardoor een zeer grote menigte betekend wordt, gelijk men zegt, een zee, of een afgrond van kwaad.
Hertaald:
een wereld der
Dat is: zoals de wereld vol is van allerlei soorten ongerechtigheid, zo brengt ook een onbedwongen tong allerlei ongerechtigheid voort, zoals kijven, lasteren, vechten, doodslaan, enzovoort. Dit is een beeldende manier van spreken waarmee een zeer grote menigte aangeduid wordt, zoals men zegt: een zee, of een afgrond van kwaad.
besmet, en
Dat is, voortbrengt vele kwaden en zonden, waarmede de mens besmet wordt. Zie Matt. 15:18-20.
Hertaald:
besmet, en
Dat is: zij brengt veel kwaad en veel zonden voort waarmee de mens besmet wordt. Zie Matth. 15:18-20.
ontsteekt
Namelijk gelijk als een vuur om te bederven en vernielen.
Hertaald:
ontsteekt
Namelijk zoals een vuur, om te bederven en te vernielen.
het rad onzer
Of den loop van ons leven van de geboorte af, welke is als een rad, dat altijd omloopt van den morgen tot den avond, van de jeugd tot den ouderdom, van de geboorte tot den dood.
Hertaald:
het rad onzer
Of: de loop van ons leven vanaf de geboorte. Die is als een rad dat altijd ronddraait: van de morgen tot de avond, van de jeugd tot de ouderdom, van de geboorte tot de dood.
ontstoken
Dat is, opgewekt en gaande gemaakt om te misbruiken.
Hertaald:
ontstoken
Dat is: opgewekt en aan de gang gemaakt om misbruikt te worden.
van de hel
Dat is, van den duivel, wiens pijnplaats de hel is. Grieks geënnes; van welk woord zie Matt. 5:22.
Hertaald:
van de hel
Dat is: door de duivel, wiens strafplaats de hel is. Grieks: geënnès; zie over dat woord Matth. 5:22.
alle natuur, beide
Dat is, alle soorten van wilde dieren, hoe wild zij ook van nature mogen zijn.
Hertaald:
alle natuur, beide
Dat is: alle soorten wilde dieren, hoe wild zij van nature ook mogen zijn.
getemd en is getemd
Dat is, tam gemaakt, dat zij den mensen geen kwaad doen.
Hertaald:
getemd en is getemd
Dat is: tam gemaakt, zodat zij de mensen geen kwaad doen.
kan geen mens
Namelijk hoe heilig hij ook zij, en welke moeite en zorg hij daartoe ook aanwendt.
Hertaald:
kan geen mens
Namelijk hoe heilig hij ook is en welke moeite en zorg hij daaraan ook besteedt.
temmen; zij is
Dat is, zóó bedwingen, dat zij geen kwaad ooit doe; gelijk de volgende woorden verklaren. Daarom moet men te meerder en zorgvuldiger vlijt aanwenden en den Heere om Zijn genade te vuriger bidden, dat dit kwaad van ons meer en meer mag bedwongen worden.
Hertaald:
temmen; zij is
Dat is: zo bedwingen dat zij nooit enig kwaad doet, zoals de volgende woorden verklaren. Daarom moet men des te meer en des te zorgvuldiger inzet aanwenden en de Heere des te vuriger om Zijn genade bidden, dat dit kwaad in ons meer en meer bedwongen mag worden.
vol van dodelijk venijn
Namelijk hetwelk van de helse slang aangeblazen is. Want als de tong wordt misbruikt, dat zij als uitspuwt het vergift van lasteren, achterklap, schelden, vloeken, enz., daarmee brengt de lasteraar zichzelf in den dood, zo hij zich daarvan niet bekeert; Ps. 140:4; Rom. 1:30; 1 Kor. 6:10.
Hertaald:
vol van dodelijk venijn
Namelijk gif dat door de helse slang ingeblazen is. Want wanneer de tong misbruikt wordt en als het ware het gif van lasteren, kwaadspreken, schelden, vloeken, enzovoort uitspuwt, dan brengt de lasteraar zichzelf daarmee in de dood, als hij zich daarvan niet bekeert; Ps. 140:4; Rom. 1:30; 1 Kor. 6:10.
Door haar loven
Grieks in haar. De apostel toont nu, dat het misbruik der tong ook een gans wanschapen zaak is en geheel onbetamelijk, dat men met dezelfde tong, waarmede men God looft, zijn naaste naar Gods evenbeeld geschapen, zou lasteren of vloeken, en dat zo door een en dezelfde tong geheel tegenstrijdige werken zouden voortgebracht worden.
Hertaald:
Door haar loven
Grieks: in haar. De apostel laat nu zien dat het misbruik van de tong ook een volkomen wanstaltige en geheel ongepaste zaak is: dat men met dezelfde tong waarmee men God looft zijn naaste, die naar Gods evenbeeld geschapen is, zou lasteren of vervloeken, en dat zo door één en dezelfde tong volkomen tegenstrijdige werken voortgebracht zouden worden.
en den Vader,
Dat is, God die onze Vader is, gelijk tevoren Jak. 1:27.
Hertaald:
en den Vader,
Dat is: God, Die onze Vader is, zoals eerder in Jak. 1:27.
Dit moet, mijn
Dat is, deze misbruiken der tong, die tevoren aangewezen zijn.
Hertaald:
Dit moet, mijn
Dat is: deze misbruiken van de tong, die eerder aangewezen zijn.
uit een zelfde
Grieks uit eenzelfde hol; dat is, springader.
Hertaald:
uit een zelfde
Grieks: uit dezelfde opening; dat is: uit dezelfde bron.
het zoet en het bitter?
Of zoet en bitter water.
Hertaald:
het zoet en het bitter?
Of: zoet en bitter water.
olijven
Dat is, vijgen en olijven tezamen; dat is, zoete en bittere vruchten.
Hertaald:
olijven
Dat is: vijgen en olijven samen; dat is: zoete en bittere vruchten.
voortbrengen,
Grieks maken.
Hertaald:
voortbrengen,
Grieks: maken.
vijgen?
Dat is, druiven en vijgen tezamen, gelijk tevoren.
Hertaald:
vijgen?
Dat is: druiven en vijgen samen, zoals eerder.
Alzo kan geen
Zie vs.11. Zo behoort dan ook desgelijks de tong niet voort te brengen goed en kwaad, tegen de natuur van de andere schepselen.
Hertaald:
Alzo kan geen
Zie vers 11. Zo behoort dus ook de tong niet goed en kwaad voort te brengen, tegen de natuur van de andere schepselen in.
Wie is wijs en
Dat is, zo daar iemand onder u is die zichzelf laat voorstaan dat hij wijs en verstandig is of daarvoor wil gehouden wezen, die betone zijn wijsheid, enz. De apostel wijst nu voorts de rechte middelen tegen het meesterlijk veroordelen en tegen de misbruiken der tong aan, waarvan hij dusver gesproken heeft.
Hertaald:
Wie is wijs en
Dat is: als er iemand onder u is die zich laat voorstaan dat hij wijs en verstandig is of die daarvoor gehouden wil worden, laat die dan zijn wijsheid tonen, enzovoort. De apostel wijst nu verder de juiste middelen aan tegen het meesterlijke veroordelen en tegen de misbruiken van de tong, waarover hij tot nu toe gesproken heeft.
zijn goeden wandel
Dat is, omgang onder de mensen, zo in de kerk, politie en huishouding, als ook in het bijzonder met alle mensen.
Hertaald:
zijn goeden wandel
Dat is: omgang onder de mensen, zowel in de kerk, in het openbare bestuur en in het huishouden, als ook persoonlijk met alle mensen.
werken in
Dat is, roeme niet van zijn wijsheid maar betone deze metterdaad in zijn werken, nalatende zulk meesterschap, en zijn tong bedwingende.
Hertaald:
werken in
Dat is: laat hij niet op zijn wijsheid roemen, maar die in de praktijk in zijn werken tonen, door zulk meesterschap na te laten en zijn tong te bedwingen.
zachtmoedige wijsheid
Grieks in zachtmoedigheid der wijsheid; dat is, in zodanige wijsheid, die altijd met zachtmoedigheid is vergezeld.
Hertaald:
zachtmoedige wijsheid
Grieks: in zachtmoedigheid van de wijsheid; dat is: in zulke wijsheid die altijd met zachtmoedigheid gepaard gaat.
nijd en twistgierigheid
Of ijver, gelijk Rom. 10:2. Dit is de fontein, waaruit de voorgaande zonden gewoonlijk spruiten. Die daarom de apostel zoekt eerst te stoppen.
Hertaald:
nijd en twistgierigheid
Of: ijver, zoals in Rom. 10:2. Dit is de bron waaruit de voorgaande zonden gewoonlijk voortkomen. Daarom probeert de apostel die eerst te stoppen.
roemt en
Namelijk dat gij een oprecht christen zijt.
Hertaald:
roemt en
Namelijk roemt dat u een oprecht christen bent.
liegt niet
Namelijk als gij zulks roemt.
Hertaald:
liegt niet
Namelijk wanneer u daarop roemt.
tegen de waarheid
Namelijk van het Evangelie, hetwelk doorgaans leert dat zulke zonden met de christelijke roeping niet mogen bestaan. Of tegen de waarheid van de zaak, daar gij geen recht christen, noch recht verstandig zijt, gelijk gij roemt te zijn.
Hertaald:
tegen de waarheid
Namelijk tegen de waarheid van het Evangelie, dat telkens leert dat zulke zonden niet samen kunnen gaan met de christelijke roeping. Of: tegen de waarheid van de zaak, omdat u geen echte christen en ook niet echt verstandig bent, zoals u roemt te zijn.
die van boven
Dat is, van den hemel, van den Vader der lichten, Jak. 1:17; van wien de rechte en zaligmakende wijsheid voortkomt en verkregen wordt. Zie ook Joh. 3:5.
Hertaald:
die van boven
Dat is: van de hemel, van de Vader van de lichten, Jak. 1:17, van Wie de juiste en zaligmakende wijsheid komt en verkregen wordt. Zie ook Joh. 3:5.
aards,
Dat is, werelds, als de aardse en wereldse mensen hebben.
Hertaald:
aards,
Dat is: werelds, zoals de aardse en wereldse mensen die hebben.
natuurlijk
Grieks ziellijk, gelijk 1 Kor. 2:14. Dat is, die daar komt van de ziel des mensen, zodanig deze is van nature en nog onwedergeboren, verdorven en onverstandig in geestelijke zaken.
Hertaald:
natuurlijk
Grieks: zinnelijk, zoals in 1 Kor. 2:14. Dat is: wijsheid die uit de ziel van de mens komt zoals die van nature is en nog onwedergeboren, verdorven en onverstandig in de geestelijke zaken.
duivels
Dat is, zodanig als de duivel heeft, en die hij den mensen ingeeft.
Hertaald:
duivels
Dat is: zoals de duivel die heeft en zoals hij die de mensen ingeeft.
zuiver, daarna vreedzaam,
Of rein; niet besmet met zodanige heersende gebreken en zonden.
Hertaald:
zuiver, daarna vreedzaam,
Of: rein; niet besmet met zulke heersende gebreken en zonden.
bescheiden,
Niet handelende naar het uiterste recht, maar gaarne van hun recht wijkende. Zie Fil. 4:5.
Hertaald:
bescheiden,
Namelijk niet handelend naar het uiterste recht, maar graag van hun recht afziend. Zie Filipp. 4:5.
gezeggelijk,
Dat is, goede onderwijzingen en vermaningen gaarne plaats gevende, en niet hardnekkig op het hunne staande.
Hertaald:
gezeggelijk,
Dat is: goede onderwijzingen en aansporingen graag ruimte gevend en niet hardnekkig op hun eigen standpunt staand.
niet partijdig
Het Griekse woord betekent ook een die niet te nauw een zaak onderzoekt of onderscheidt. De hemelse wijsheid maakt ook wel onderscheid en oordeelt tussen waarheid en onwaarheid, tussen goed en kwaad, 1 Kor. 10:15; 1 Thess. 5:21; 1 Joh. 4:1; Jud. 1:22, maar oordeelt niet lichtvaardig of te scherp van zijns naasten woorden of werken; hetwelk hier de apostel wil zeggen.
Hertaald:
niet partijdig
Het Griekse woord duidt ook op iemand die een zaak niet te nauw onderzoekt of onderscheidt. De hemelse wijsheid maakt wel onderscheid en oordeelt tussen waarheid en onwaarheid, tussen goed en kwaad, 1 Kor. 10:15; 1 Thess. 5:21; 1 Joh. 4:1; Judas 1:22, maar zij oordeelt niet lichtvaardig of te scherp over de woorden of de werken van haar naaste; dat wil de apostel hier zeggen.
de vrucht der
Namelijk het eeuwige leven. Zie Rom. 6:21-22; Gal. 6:8.
Hertaald:
de vrucht der
Namelijk het eeuwige leven. Zie Rom. 6:21-22; Gal. 6:8.
wordt in vrede
Dat is, wordt door vrede gezaaid. Of de vrucht der rechtvaardigheid, die in vrede, dat is in de ware gelukzaligheid bestaat, wordt gezaaid, enz.
Hertaald:
wordt in vrede
Dat is: wordt door vrede gezaaid. Of: de vrucht van de gerechtigheid, die in vrede — dat is: in de ware gelukzaligheid — bestaat, wordt gezaaid, enzovoort.
gezaaid voor degenen,
Dat is, weggelegd en bewaard. Zie van deze gelijkenis Ps. 97:11; Gal. 6:8.
Hertaald:
gezaaid voor degenen,
Dat is: weggelegd en bewaard. Zie over deze vergelijking Ps. 97:11; Gal. 6:8.
die vrede maken
Of oefenen; dat is, die niet alleen vrede maken tussen twistende partijen, maar ook alle vlijt en middelen aanwenden, om met alle mensen, zo veel het mogelijk is, in vrede te leven.
Hertaald:
die vrede maken
Of: beoefenen; dat is: zij die niet alleen vrede maken tussen twistende partijen, maar die ook alle inzet en alle middelen gebruiken om zoveel als mogelijk is met alle mensen in vrede te leven. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man" (Jak. 3:2). Met de beelden van de toom in de paardenbek en het roer van een schip (Jak. 3:3-4) laat Jakobus zien hoe een klein instrument een geheel bestuurt; zo ook de tong: "is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans grote dingen" (Jak. 3:5), "De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet" (Jak. 3:6). "De tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn" (Jak. 3:8). Het schrijnendst is de tegenstelling: "Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn" (Jak. 3:9). Het vers erna trekt de conclusie: "Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden" (Jak. 3:9-10). Bijbelse betekenis: De tong is een graadmeter van het hart: wat eruit voortkomt, verraadt wat erin woont. Dat dezelfde mond zowel God kan loven als een medemens — naar Gods beeld geschapen — kan vervloeken, is een innerlijke tegenstrijdigheid die Jakobus zonder omhaal een tegenstelling met de christelijke belijdenis noemt. Typologie: Christus Zelf waarschuwt in dezelfde lijn: "van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels" (Matt. 12:36), en: "uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden" (Matt. 12:36-37), en Paulus geeft het positieve tegenbeeld: "zo er enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die dezelve horen" (Ef. 4:29). Jak. 3:2-6,8-10; Matt. 12:36-37; Ef. 4:29 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jakobus 3
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Jakobus 3
Jakobus 3:14-16
KruisverwijzingenJakobus 3:16→Jakobus 1:17→Filippenzen 2:3→2 Korinthe 12:20→1 Korinthe 3:3→Filippenzen 1:15→Judas 1:19→Jakobus 3:14→— Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid. Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels. Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.
Zijn iemands begeerten de verlangens van de gevallen natuur, en beginnen en eindigen zij bij zichzelf? Is het uiteindelijke doel waarvoor men leeft niet God te verheerlijken maar zichzelf? Dan kan men wel begeren, maar niet verkrijgen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1KruisverwijzingenMattheüs 23:13→1 Petrus 5:3→2 Timotheüs 1:11→Lukas 12:47→1 Korinthe 12:28→1 Korinthe 11:29→Efeze 4:11→1 Timotheüs 1:7→
— Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.
-hoofdstuk 4:17. Bestraffing van de lezers wegens zonden, zowel bij de leraars als bij de hoorders, die verhinderden dat het zaad van Gods woord vruchten van gerechtigheid voortbracht. Wat de leraars aangaat, is het reeds een zonde dat velen van hen ondernamen te leren en er toch zo weinigen van hen waren die de tong wisten te beheersen; en op het goede gebruik daarvan kwam juist zoveel bij het leren aan, opdat men zich niet aan een des te zwaardere verantwoording blootstelde. Zij wisten echter in het geheel niet met de tong om te gaan, maar zij bezondigden zich reeds in het gewone leven op ergerlijke wijze (vs. 1-11). Niet ieder is echter geroepen om te leren en daarom moest liever elk ernaar streven om die vrucht te dragen waartoe hij geroepen is, in plaats van een vrucht te willen voortbrengen, waarvoor hij niet de geschikte plant is (vs. 12). En nu, wat is dat dan voor een wijsheid en verstandigheid, waarmee de leraars, die zich zozeer op de voorgrond stellen, zo ingenomen zijn dat zij die overal aan de man willen brengen? Er is een wijsheid van beneden, evenzeer als er een is die van boven komt. Terwijl de laatste, wanneer die in iemand is, in vele deugden en goede werken openbaar wordt en het werk van leren in vrede verricht, vindt men bij de eerste bittere nijd en twist in het hart en wordt door haar slechts wanorde en enkel kwaad bevorderd (vs. 13-18). Maar vreedzame leraars alleen zijn nog niet voldoende om een krachtig gemeenteleven tot stand te brengen; hun die de vrede bewaren, wordt het tot een zegen, als een vrucht van de gerechtigheid in vrede wordt gezaaid. Maar helaas! Er heerst strijd en twist onder de hoorders en dat komt door de wellusten die zich in hun leden hebben genesteld. Het woord van de apostel wordt hier tot een zeer scherpe, strenge strafprediking, maar ook tot een zeer dringende, opwekkende vermaning die in de nood van de tijd de rechte weg van de hulp wijst. Het is alsof één van de oude profeten in Jakobus weer levend is geworden, door wiens mond de Heere Zijn volk toeroept (Jes. 45: 22): “wendt u tot Mij, alle einden van de aarde en wordt behouden; want Ik ben God en niemand meer. ” Zijn woord richt zich niet alleen tot hen die reeds tot de christelijke gemeente behoren, hoewel zij zich nog weinig door die christelijke geest laten beheersen, maar ook tot hen die van de twaalf geslachten in de verstrooiing nog daarbuiten zijn gebleven (vgl. hoofdstuk 5: 1vv.), om hen voor het verderf te bewaren voordat het te laat is (hoofdstuk 4: 1-17).
Laat a) niet zo velen van u leraars zijn, mijn broeders, zoals dat bij u in het bijzonder, meer dan in de christelijke gemeenten uit de heidenen (Hand. 13: 1) de gewoonte geworden is om als leraars of sprekers in de godsdienstige vergaderingen op te treden (1Kor. 14: 26) om zo aan een natuurlijke neiging te voldoen (Rom. 2: 19v.). Begin daar niet aan, tenzij gij er door God toe geroepen wordt; gij weet immers b) dat wij die het ambt van leraar bedienen, er des te strenger om geoordeeld zullen worden en een veel zwaardere verantwoording zullen dragen (Hebr. 13: 17). Gij hebt dus meer reden om u over mindere verantwoordelijkheid te verheugen en liever leerling dan leraar te zijn.
MATTHEUS. 23: 8 b) MATTHEUS. 7: 1 Luk. 6: 37
Want wij struikelen allen bij het volvoeren van ons ambt in vele opzichten en zullen toch vooral van hetgeen wij hebben gesproken rekenschap moeten afleggen (MATTHEUS. 12: 36v.). a) Indien iemand in zijn spreken niet struikelt en hij zich in het gebruik van de tong geheel weet te beheersen, dan is hij een volmaakt man, machtig om als iemand die het meesterstuk van zelfbeheersing heeft geleerd, ook het hele lichaam in toom te houden, zodat dit de wil van de geest moet volgen (1 Kor. 9: 27), zoals dat door twee gelijkenissen duidelijk kan worden gemaakt Jas 1: 26.
Ps. 34: 14
Met dit nieuwe hoofdstuk gaat Jakobus over tot de behandeling van een nieuw thema, waartoe de aanleiding eveneens gelegen was in het gedrag van de christenen aan wie de brief gericht is. Hoe onvruchtbaarder bij hen het geloof was in de daarmee overeenkomende werken, namelijk in de werken van barmhartige liefde, hoe meer het welbespraakte leren en meester zijn van anderen de overhand had gekregen. Het woord was in de plaats van het werk gekomen; de berisping doelt dus op dezelfde ondeugd als die Paulus in Rom. 2: 17vv. bij de Joden berispt, met dit onderscheid alleen dat bij hen die nu christen zijn geworden, in de plaats van de wet het geloof was gekomen, maar dat voor hen echter ook slechts tot iets uiterlijks was geworden.
In die tijd kon in de godsdienstige vergaderingen van de gemeente nog ieder aan het woord komen. Nu waarschuwt de apostel zichzelf niet op te dringen, omdat zij die leraar zijn een zwaarder oordeel zullen ontvangen dan wanneer zij met leren niets te doen hadden. Hier blijft buiten aanmerking dat er ook vergeving van de zonde is voor hen, van wie de Heere Jezus de namen voor God, Zijn Vader belijdt. Evenals hij van de leraar in het algemeen, zichzelf inbegrepen, zegt: “wij zullen des te zwaarder geoordeeld worden”, spreekt hij ook het andere uitdrukkelijk over hen allen zonder uitzondering uit: “wij struikelen allen in velerlei opzicht”; en is het een wonder, zo gaat hij verder, dat alle leraars zonder uitzondering dikwijls en veel dwalen? Hun werkzaamheid bestaat toch uit het verkondigen van het woord en wie dit kan zonder te struikelen, die is een volmaakt man, iemand die ook zijn hele lichaam in toom kan houden.
De ware boden van God ondervinden bij de opdracht om Gods woord te verkondigen aan de ene kant hartelijke vreugde en dankbaarheid dat zij getuigen van de waarheid mogen zijn; maar aan de andere kant ook grote vrees en zorg over de zware verantwoording van het beroep. Het is een algemene ervaring van trouwe predikers dat hun roeping van jaar tot jaar zwaarder wordt en waarom dit? Omdat zij zich steeds meer bewust worden van hun verantwoordelijkheid, aangezien zij weten dat zij des te zwaarder geoordeeld zullen worden. Wij denken daarbij aan Hem die de opdracht heeft gegeven: dat is Hij, die tussen de kandelaren wandelt en de sterren in Zijn hand heeft (Openbaring 2: 1). Voor Zijn oog is elke ontrouw, elke tevredenheid over zichzelf, alle vleierij en alle mensenvrees openbaar en voor Zijn aangezicht handelen wij. Wij denken bij het woord dat wij op onze lippen nemen: het is het woord van de eeuwige waarheid, waaromtrent gezegd is (Openbaring 22: 18v.): “Indien iemand iets aan deze dingen toevoegt, God zal over hem de plagen die in dit boek beschreven zijn, doen komen. En indien iemand iets afdoet van de woorden van het boek van deze profetie, God zal zijn deel wegnemen uit het boek van het leven en uit de heilige stad en uit hetgeen in dit boek geschreven is. ” Bij wie zou dan niet het hart bezwaard worden? Wij denken aan de zielen tot wie wij moeten spreken. Zij zitten daar en onze plicht is het de slapenden te wekken, de kouden te verwarmen, de gerusten op te schrikken, de twijfelenden op te richten; en als wij mistasten in het woord, als wij slaan waar wij moeten oprichten, als wij vertroosten waar wij moesten slaan, dan wordt verwoest in plaats van gebouwd. O, ik begrijp het wel als iemand zegt (Ex. 4: 13): “Och Heere, zend toch iemand anders. ” Maar ik begrijp niet de lichtvaardigheid, het altijd gereed zijn tot spreken, zoals zo velen het woord voeren alsof het kleinigheden waren, alsof het menselijke kunststukken waren en niet het voeren van een tweesnijdend zwaard. Of heeft iemand bij het houden van zulke redevoeringen de waarborg dat hij altijd het woord spreekt en altijd het juiste woord spreekt? Jakobus heeft deze zekerheid niet. Hij zegt: “wij struikelen allen in vele opzichten. Indien iemand in woorden niet struikelt, dan is hij een volmaakt man. ” Er is hier geen sprake van bewuste zonden in woorden of in leer, niet van leugenprofeten die Gods woord vervalsen, niet van huichelaars die om uiterlijk voordeel zonder geloof het woord verkondigen en de godzaligheid als winst zien, maar van het struikelen van eerlijke getuigen. Hoe gemakkelijk overkomt ook hen dat zij in woorden mistasten, dat zij in het vuur van de rede overdrijven in het bestraffen en aandringen, dat zij verkeerd worden begrepen en verkeerde gedachten opwekken enz. Hoe dikwijls moeten zij ondervinden dat zelfbeheersing nergens moeilijker is dan in het spreken! Daarom kan een waarachtig getuige van God nooit met een luchtig hart tot de verkondiging overgaan, nooit zonder het gebed om heiligmaking van hart en lippen. Nooit kan hij zijn getuigenis beëindigen zonder het gebed dat God hetgeen verkeerd gesproken is, zal mogen recht zetten door Zijn Geest. Beiden zijn nodig, onderwijzen en leren, maar het onderwezen worden is gemakkelijker, meer vrij van verantwoording. Daarom, als God ons niet roept om te onderwijzen, laat wij onszelf dan daartoe niet opdringen!
Wij struikelen allen in vele opzichten. De apostel zegt het met ernst tot de broeders, belijdt het voor de broeders in diepe ootmoed. Hij heeft het leren voelen, leren belijden voor God. Wie van ons heeft niet genoeg en lang genoeg gestruikeld, dat zijn hart er eenmaal ernstig onder mag worden, ja, dat hij er bij mag bepaald worden en blijven met alle ernst? Ach, wij moeten het allen wel weten: wij hebben allen in vele opzichten, ja, in alle opzichten gestruikeld. En is het slechts bij struikelen gebleven? Wij herinneren ons wel menige en diepe val. Zoudt gij denken dat God die vergeten heeft? God weet hoe velen van ons nog in openlijke of heimelijke zonde neerliggen, zonder verlangen om eruit op te staan. God kent al de harten en doorziet hen die nog in de dienst van de zonde en van de ijdelheid leven. Zondaar! Zou het geen tijd worden dat gij u niet langer voor God, niet langer voor uzelf verborg, maar uw schuld openbaarde en belijdenis deed van uw struikelingen, van uw overtredingen, van uw weerspannigheid? Dat gij de toon van uw stem en het gevoel van uw hart veranderde, waarmee gij tot nu toe gezegd hebt: wij struikelen allen in vele opzichten? Dat gij uw hoogmoed voor God en mensen vallen liet en zei: ik zal belijdenis doen van mijn overtredingen voor de Heere? Of is het nog de tijd niet? Moet gij nog vaker struikelen, nog langer verhard blijven? Nee! Het is genoeg. Wij struikelen allen in vele opzichten. Christen, die hebt leren beseffen dat gij schuldig zijt aan het struikelen, u, voor wie het struikelen in vele opzichten te veel is geworden, zodat gij hebt leren zeggen: ik heb gezondigd, o God en gedaan wat kwaad was in uw ogen; ik ben de grootste van de zondaars, nog struikelt gij in vele opzichten. Voelt gij dat nog dagelijks? Met minder vrees dan toen gij voor het eerst uw schuld voor God voelde, maar met meer schaamte, met diepere ootmoed? En doet gij er dagelijks belijdenis van voor God? Verdooft het gevoel van afschuw voor de zonden niet, nu gij door Gods genade in Christus van de angsten van een ontroerd geweten verlost zijt? Zijt gij niet tevreden met de algemene belijdenis van overblijvende zwakheid: maar, waar gij haar treurige vrucht ziet in zo menige struikeling, zijt gij gewillig die te belijden en te voelen dat gij al het bloed van Christus en al de genade van God nodig hebt, zowel voor elke struikeling als voor uw hele zware zondeschuld? Gij struikelt dagelijks in vele opzichten. Voelt gij wat dat betekent voor een kind van God, in een gekochte door het bloed van Christus, in een erfgenaam van de eeuwige zaligheid, in een lid van die gemeente, die het huis van God vormt en een tempel van de Heilige Geest? En leidt het niet slechts tot een dagelijks zuchten tegen de broeders, niet maar tot een bevindelijke bevestiging in de leer van de onmacht; maar ook tot een dagelijks op de borst slaan en een dagelijkse tollenaarsbede voor God? Dat moet het voortbrengen.
Ziet, wij leggen de paarden een toom in de bek (Ps. 32: 9), opdat zij ons zouden gehoorzamen en wij bereiken daarmee ook werkelijk ons doel, want wij besturen daarmee hun hele lichaam en hebben zo die sterke dieren in onze macht.
Zie, ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn en door sterke winden voortgedreven worden, waardoor het besturen nog veel moeilijker wordt, worden gestuurd door een zeer klein roer, waarheen de stuurman ook wil en zo lukt het hem te bereiken wat hij wil ondanks de tegenstand van de winden.
a) Zo is ook de tong een klein lid van het menselijk lichaam, net als het roer van een schip, en voort toch een hoge toon; het kan zich erop beroemen dat het grote dingen doet, daar het hele lichaam, zoals bij de gelijkenis in vs. 3 gezegd is, er zich naar moet richten. Maar juist daarom kan het ook een hoogst verderfelijke invloed uitoefenen. Zie, om ook daarvoor een gelijkenis te gebruiken, hoe weinig vuur een grote hoop hout in brand steekt, als het daarin wordt geworpen.
Spr. 12: 18; 15: 12
Onder de volmaaktheid waarvan Jakobus in vs. 2 sprak, verstond hij de macht over zichzelf, zoals deze het teken is van een karakter dat de mannelijke rijpheid bezit (vgl. hoofdstuk 1: 4). Als het voornaamste stuk van deze volmaaktheid, waarop het bij de roeping als leraar vooral aankomt, noemde hij het beheersen van de tong. Wie tot dat zwaarste in staat is, kan ook verder in alles zichzelf besturen. Zo leerde hij en nu zet hij verder uiteen hoe de tong tegenover de overige leden van het lichaam de plaats heeft die de toom voor het paard en het kleine roer tegenover het schip heeft. De tong is zo’n gewichtig en machtig iets; maar daarom ook, zo wordt dan verder geleerd, is het een bijzonder gevaarlijk iets, te vergelijken met een vuur dat, hoe klein ook, een groot bos in brand steekt.
Er wordt verondersteld dat de geest het lichaam kan beheersen. Het orgaan van zijn heerschappij, het werktuig dat moet bestuurd worden om het lichaam te leiden, is de tong, het woord is de bestuurder van de handelingen. Eerst komt de apostel terug op het beeld van de paarden, omdat hij reeds in vs. 2 het beeld van “in toom houden” gebruikte. De tomen van de paarden worden nu als de letterlijke tomen tegenover de figuurlijke gesteld, beide soorten horen in de mond, de paardentoom bij de paarden, de mensentoom in de mensenmond. In dit eerste beeld was dus het orgaan van de besturing de hoofdgedachte, in verband wellicht met de natuurlijke wildheid van het te besturen paard, zo is het in het volgende beeld de tegenstelling tussen het kleine van het orgaan en het grote van de macht van de storm bij het te besturen schip. Het kleine roer, waarop de menselijke wil een invloed uitoefent, beheerst het gehele grote schip bij tegenwerking van wind en golven; het herhaalde “zie” in vs. 5 duidt dus een opklimming aan. Zonder twijfel hebben de stormachtige winden, waaraan de menselijke schipper met zijn roer het hoofd biedt, een symbolische betekenis, zo niet, zoals Beda meent, de van binnen uit opkomende begeerten, dan toch de verzoekingen van de wereld, die van binnen komen; duidelijk is het kleine roer het tegenbeeld van de tong.
Wordt nu van het kleine lid gezegd dat het “grote dingen roemt” of teweegbrengt, dan is deze uitdrukking, die in het Grieks een overmoedig, vermetel gedrag aanwijst, zo gekozen dat die de gelijkheid uitdrukt ten opzichte van de grootte van de werking die van de tong uitgaat en in een ander opzicht het onderscheid in de wijze van werking, die ook verderfelijk kan zijn voor het lichaam.
Hoeveel kan in de mond van een ieder van ons, ook in de minst welsprekende, een woord van liefde doen, een woord van ernst, een woord van waarheid en van gezond verstand: een zachtmoedig antwoord dat de toorn afkeert; een woord uit de schat van de woorden van Hem, wiens woorden geest en leven zijn, uitgesproken met de nadruk van een menselijk, van een christelijk bewogen gemoed! Hoeveel draagt het bij aan het geluk, het genoegen, de vertroosting, het nut van onze medemensen; tot het terugroepen van de dwalende broeder; tot de redding van de verlorene! God zij eeuwig gedankt voor het uitnemende voorrecht van de spraak! Ja, dit is het wat ons boven de dieren verheft, wat ons waarlijk mens maakt; dit de heerlijkheid van de mensen; dit de band tussen mens en mens, waardoor de mensheid één is. Door dit onschatbaar spraakvermogen, waarin de ziel van de mensen zich uitstort, waardoor zij zich kan uitdrukken, komt de ziel van de mensen niet slechts tot het besef, maar ook tot de uitoefening van al haar vermogens. Daarom is ook de schade zo vreselijk, die dit machtig vermogen door en in de zondige mens aanricht. Hoe talloos zijn de zonden van de tong, van de moedwillige en boze, van de onbedachtzame en voorbarige! Hoeveel ijdele, hoeveel lichtzinnige, hoeveel hoogmoedige woorden brengt zij voort. Hoeveel vuile woorden, hoeveel zot geklap en grappen die niet betamen. Hoeveel leugens en valse getuigenissen. Het is één en al laster, achterklap en smaad. Hoe scherp kan zij steken, hoe grievend wonden, hoe listig verraden, hoe koelbloedig doden, hoe zielverdervend vleien en verleiden! Met reden noemt de heilige schrijver haar een wereld van ongerechtigheid. Tast zij niet zelfs de hemel aan? Alwetend God, Gij hoort de ontelbare spotternijen, lasteringen, klachten, verwijten, die dit kleine lid uit duizend monden dagelijks opheft tegen U! Zie, hoe een klein vuur een grote hoop hout in brand steekt. De tong is een vuur, een wereld van ongerechtigheid. En deze kleine wereld van ongerechtigheid, wat een onafzienbare wereld van ellende sticht zij! Wie zal ze optellen al de beroeringen, die dit kleine lid in de staat, al de scheuringen, die dit kleine lid in de kerk heeft teweeggebracht; wie de twistvuren, die het ontsteekt in zoveel huisgezinnen? Ach, hoeveel harten, bestemd en geschikt om elkaar lief te hebben, heeft de boze tong voor altijd van elkaar verwijderd. Hoeveel levens heeft de valse tong verbitterd, hoeveel zielen door verleiding naar het graf gesleept. Welke zonden, welke misdaden, welke gruwelen worden dagelijks op allerlei wijze door haar uitgelokt, aangemoedigd, goed gepraat, verdedigd, aangegrepen en vermenigvuldigd. Wat een wereld van valsheid en bedrog, van haat en wraak, van ontucht en slechte zeden, van onheilige spotternij en godlasterend ongeloof wordt overal door het boze werk, door het rusteloos rad van de tong in beweging gehouden. Ach, het bederf van de zeden, de verleiding van de zielen, het werk van de verwoesting, gaat altijd voort en het is het werk van de tong. Wijzelf, mijn lezers! Wie weet hoeveel onheil ook wij gesticht, hoeveel vuren ook wij ontstoken hebben; en hoe groot ons bijzonder aandeel is aan de algemene schade, aangericht door het kleine lid dat zulke grote dingen roemt, zulke boze dingen doet. Moge God ons vergeven, Hij die het kent, het misbruik van Zijn mooiste gave! Moge Hij herstellen wat nog hersteld kan worden, het hart vervullen met een diep schuldbesef over het ook op deze wijze bedreven kwaad, ons dikwijls met grote ernst bij al de afschuwelijkheid en de onberekenbare kracht van dat kwaad stil laten staan!
De tong is ook een vuur, een wereld van ongerechtigheid, omdat zich in haar een ontzaglijke menigte van ongerechtigheden concentreert. Zo, zoals ik eerder al (vs. 3v.) zei, neemt de tong onder onze leden haar plaats in, als iets dat het hele lichaam besmet (MATTHEUS. 15: 11, 18v.), daar zij een wereld van ongerechtigheid is. Zij is als een vuur van duivelse aard (vs. 15) en zet het rad van onze geboorte, het steeds voortrollende leven (Pred. 5: 5), in vlam en wordt zelf in vlam gezet door de hel, zoals dit, helaas, zo dikwijls bij mensen het geval is.
Inderdaad, de tong is een vuur en een wereld van ongerechtigheid. De tong, het meest directe orgaan van de geest en van de gezindheid, verbergt en verenigt in zich al het kwaad dat in het hart is; het heeft daarom ook de kracht de mensen in alle mogelijke ellende te storten; zij besmet het hele lichaam en verspreidt haar eigen onreinheid over de overige leden, die door haar in de dienst de zonde werden gesleept, ja, over het hele leven van de mens.
De leden hebben allen, elk in zijn soort, deel aan de zondige aard die in hen werkzaam is en hen in zijn dienst neemt; de tong plaatst zich onder de leden, komt onder hen te staan, als alles samenvattend, als de wereld van de ongerechtigheid. De zonde misbruikt de overige leden maar in één opzicht, de maag tot overdaad, de geslachtsdelen tot hoererij, de hand tot geweld, maar in het spreken openbaart zij zich in alle opzichten. Zo wordt gezegd van de tong dat zij het hele lichaam bezoedelt, namelijk met het onreine van haar spreken, waarin zij al de zonden bedrijft die de overige leden elk op zijn wijze dienen en dat zij dus de hele mens verontreinigt. Het spreken is toch hét middel van de zelfopenbaring, waarin de zondigheid, die zich overigens uit in een grote verscheidenheid van daden, in haar hele omvang aan het licht komt. De apostel zegt verder dat de tong het rad van de geboorte in brand steekt. Hij gebruikt dat woord omdat het leven een voortgaande beweging is, net als een voortrollend rad. Vanuit de as verspreidt het vuur zich over het rad, zodat het als een vuurrad voortrolt en met iedere draaiing heviger ontvlamt. Het gaat echter om het vuur dat komt van de plaats waarheen het oordeel de duivel en de zijnen zal bannen, het vuur van de goddeloze haat, totdat die in het vuur van het oordeel van God wordt omgekeerd. Door dit vuur van de hel in brand gestoken, is het leven een leven dat door de hartstocht van de haat wordt beheerst.
De tong kan ook worden aangestoken door de Geest van God, zoals die van de apostelen op het Pinksterfeest; dan verenigen zich alle krachten van het leven in het Woord en ontsteken het vuur van een heilige liefde; maar deze kant van de beschouwing gaat Jakobus hier voorbij, daar hij alleen met de andere te doen heeft.
Plutarchus schrijft dat de Egyptische koning Amasis aan Bias een offer zond en verlangde dat hij hem daarvoor het beste en het slechtste zou terugzenden. Bias zond hem de tong.
Zo antwoordde ook eens Anacharsis, (een Scytich prins, die terwille van de wetenschap in 594 v. Chr. te Athene kwam), toen hem gevraagd werd wat tegelijk goed en slecht in de mens was: “de tong”.
Want alle soorten dieren, hoe verschillend ook van aard, de wilde dieren op aarde (Hand. 10: 12) en de vogels in de lucht, de kruipende dieren (Rom. 1: 23) en de zeedieren, zoals slangen en dolfijnen, worden getemd en zijn vanouds getemd door de natuur van de mens, aan wiens heerschappij God ze heeft overgegeven (Gen. 1: 29; 9: 2).
Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingbaar kwaad; nu wordt zij door die en dan weer door deze hartstocht in beweging gebracht en dan brengt zij bittere woorden voort, vaak voor de naaste vol van dodelijk venijn (Ps. 140: 4).
Met haar loven wij, als wij in onze godsdienstige vergaderingen bij elkaar zijn, God en de Vader (hoofdstuk 1: 27) en met haar vervloeken wij in het dagelijks leven de mensen, a) die toch naar de gelijkenis van God geschapen zijn, zodat dit vloeken in de grond van de zaak tegen God de Schepper zelf gericht is (Gen. 9: 6).
Gen. 1: 27
Uit dezelfde mond komt zegening en vervloeking voort. Dit moet, mijn broeders, niet zo zijn. Dat betaamt ons niet, wij die toch niet slechts mensen zijn, die naar de wijze van de mensen (vs. 8) handelen, maar christenen, die God naar Zijn wil door het Woord van de waarheid heeft gebaard (hoofdstuk 1: 18) en die dus anders behoren te zijn (2 Kor. 5: 17).
Het misbruik van het heerlijk spraakvermogen, die wondervolle godsgave aan de eersteling van Zijn schepselen, dat is de stof van een klaaglied waaraan nog altijd nieuwe zangen kunnen toegevoegd worden, zonder dat het ooit op aarde voleindigd zal zijn. Waar valt het niet te ontdekken, dat misbruik van “het kleine lid”, dat van zo’n hoge toon kan voeren? Van de wereld voor en buiten Christus spreken wij niet eens, maar ook wanneer wij ons oog alleen op de kerk van de Heere, op de gemeenten van de gelovigen, op het huiselijk en gezellig verkeer van iedere dag laten rusten, overstelpt ons de rijkdom van de stof. Hoeveel goeds is-om enkele voorbeelden te noemen-in naam van Christus door Rome’s pausen niet gevloekt en ook, hoeveel gruwelijks in diezelfde naam door diezelfde lippen gezegend! Hoeveel onheilig twistvuur is ook onder het erfdeel van de Heere niet aangeblazen door de adem van een onbedachtzame tong en van hoeveel kwaadsprekendheid onder een overvloedig gebruik van zalvende woorden zijn vaak onze vrome kringen getuigen? Uit hoeveel huisgezinnen bant de onbedachtzame mond de engel van de vrede en hoeveel maaltijden met vrienden genoten, worden ten koste van zowel waarheid als liefde gekruid met onheilige en kwaadwillige scherts! Terecht mocht een heidens wijsgeer op de eis van een koning om hem het beste en een dag later om hem het slechtste van de mens te doen zien, beide malen antwoorden met hem eenvoudig naar de menselijke tong te verwijzen. Hoe is het toch te verklaren, een verschijnsel dat bij alle verandering van tijden en zeden voortdurend in dezelfde vormen terugkeert? Zou het alleen de onbedachtzaamheid zijn, die zo velen op het verkeerde moment, zoals men het noemt, het hart op de tong doet dragen, zonder dat zij ooit schijnen te bedenken hoeveel kwaad door hun gedachteloze taal wordt gesticht? Of is het de rampzalige zucht om ten koste van anderen aardig te zijn, die ons zo kan doen spelen met wat hun onnoemelijk heilig en dierbaar is? Maar wie telt al de bronnen van de wateren van bitterheid op, die vaak in zo brede stromen aan menselijke lippen ontvloeien; wie noemt al de vonken waaruit dat “kleine vuur” wordt geboren, dat zo’n grote hoop hout in brand kan steken! Hier de bemoeizucht en daar de wraakgierigheid; nu de hoogmoed, die zichzelf wil verheffen ten koste van anderen en dan de valse komedie, die de taal gebruikt om haar gedachten te verbergen, het zijn alle, alle de wortels, waaruit maar al te overvloedig die wereld van ongerechtigheid opgroeit, die het rampzalig werk is van de tong. Maar wat het ook zij, dat bij ons en anderen de verborgen bron is van het kwaad; wie heeft genoeg woorden om het misbruik van de tong, ook door zo velen die zich christenen noemen, ten volle te betreuren? Ach, wat maakt deze zonde ook hen van wie iets beters te verwachten was, zo jammerlijk ongelijk aan zichzelf! Jakobus merkt het op; met dezelfde tong, wellicht binnen hetzelfde uur, looft men de Vader en vloekt men de broeder. Zo brengt men niet zelden over anderen een vloed van jammer en onheil, die men evenmin overzien als beteugelen kan en is er de oorzaak van dat om onzentwil de naam van de Heere gelasterd wordt. Hoe zou men langs die weg het rechtvaardig oordeel kunnen ontvluchten van Hem die niet voor niets heeft gezegd dat van ieder ijdel woord rekenschap zal worden geëist op de grote dag van het gericht! O wie beseft niet dat ook afgezien van zijn gedachten, daden en verzuimen, reeds zijn woorden meer dan genoeg zijn om hem voor het aangezicht van een heilig God te veroordelen! Vloekwaardig misbruik van de tong, hoe kunnen we het tegengaan? Niets baat het, of erg weinig althans, of wij ons al voornemen voortaan minder liefdeloos of onbedachtzaam te zijn; het hart moet veranderd worden om de mond betamender te doen spreken; de fontein moet gereinigd worden om niet langer de zoute waterstraal te doen opschieten. “Heer, zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur van mijn lippen! “, die bede van David moet onophoudelijk de onze zijn. Voegt zich daarbij het ernstig streven naar die wijsheid van boven, die Jakobus ons aanprijst, dan zullen wij ook op deze baan voor vele misstappen bewaard blijven en met de overdenkingen van ons hart worden dan ook “de woorden van onze mond welbehaaglijk voor Uw aangezicht, o Heer, onze Rotssteen en onze Verlosser! ” (Ps. 19: 15).
Doet soms een fontein uit dezelfde ader tegelijk het zoet en het bitter water opwellen, zodat men er evengoed drinkbaar en gezond water uit zou kunnen scheppen als het tegenovergestelde (Ex. 15: 23 Openbaring 1: 11)? Zou dit, indien het het geval was, niet onnatuurlijk zijn? En zoudt gij dan bij uw christelijke aard ook nog tegelijk uw boze menselijke aard kunnen behouden?
Van de voorstelling van het verderf dat de hele mens aantast en van de tong uitgaat, zodat de hele mens de richting volgt die de tong aangeeft, gaat de apostel in vs. 7 over met “want” tot het onbedwingbare of nauwkeuriger gezegd, tot het onvermogen van de mensen om de tong te bedwingen. Alle soorten dieren, zegt hij, worden nu en dan door de menselijke natuur getemd, maar de tong kan geen mens zo temmen dat hij meester over haar is. Hij die heer over haar was, zou geen woord spreken dat niet een bewijs zou zijn van zijn heerschappij over haar; hij zou, zoals in vs. 2 wordt gezegd, een volmaakt man zijn, zodat hij zichzelf geheel in de hand had. Zo overvalt echter ieder de hartstocht, die haar zetel in zijn tong heeft, zodat hij onverwachts spreekt wat geboren is uit de zonde van haat en tot werkelijke haat overgaat.
Zo kwalijk is het gesteld met de mens, die toch de beheerser van de natuur is. Zijn natuur, zijn wezen staat zo hoog boven alle andere schepselen. Hij heeft die aan zich onderworpen en diezelfde mens zal geen meester zijn over zijn tong! Jakobus weet zonder twijfel dat de Geest van Christus ook in dit opzicht de mens tot het doel kan leiden dat God voor hem als Zijn doel gesteld heeft; maar omdat ook de christen het op aarde niet volkomen bereikt, moet en kan hij toch in het algemeen zeggen: “de tong kan geen mens temmen. ” Vol verontwaardiging roept hij nu uit: “een onbedwingbaar kwaad, vol van dodelijk venijn. ” “Onbedwingbaar” omdat zij niet is vast te houden, zodat zij consequent de ene richting van de geest zou volgen; “vol dodelijk venijn” omdat zij niet alleen de mens zelf, maar ook hem die zijn boze woorden treffen, van het ware geestelijke leven, van vrede en gerechtigheid berooft. Zij heeft toch zelfs bij christenen een bijzonder en niet prijzenswaardig tweevoudig leven en werken. Dezelfde tong is het orgaan waarmee wij God de Vader loven, dus het gevoel van gehoorzaamheid en van kinderlijke dank uitdrukken en tegelijkertijd het orgaan waarmee wij diezelfde God in Zijn evenbeeld, de mens, onteren.
Het treurigst en gevaarlijkst openbaart zich de verderfelijke macht daar waar zij zich stelt in de dienst van de gevaarlijkste en ergste leugen, in de dienst van de huichelarij. De apostel verplaatst ons met het “wij, ” dat hij in vs. 9 gebruikt, in christelijk kringen. Nu zingt de tong liederen voor God en prijst Zijn grote daden en dan komen van dezelfde lippen spotwoorden in lastertaal, woorden tot vervloeking van de naaste (MATTHEUS. 5: 22). En toch ligt in de mens het beeld van God en wie deze vloekt, die lastert God. Zijn er dan twee naturen in het hart, een natuur van lof voor God en een natuur van vervloeking? Waar is het hart dan vol van, als de mond overvloeit van wat zichzelf tegenspreekt? Het vloeken kan niet met het prijzen, het woord van de liefde niet met het woord van haat op één bodem groeien, evenals zoet en bitter water niet uit één bron opspringt. Dus is één van beide gesproken uit de natuur en het andere uit huichelarij; er kan geen twijfel over zijn welk!
Kan soms, mijn broeders, een vijgenboom olijven Ex 27: 21 voortbrengen of een wijnstok vijgen? Evenmin kan een fontein zout én zoet water voortbrengen en dus is het verkeerd als ieder zich voordoet leraar te zijn (vs. 1).
Hoe gelijk ook de vorm van spreken in dit vers is aan die van vs. 11, toch wijst reeds de aanspraak “mijn broeders” dat hier wordt heen gewerkt naar een gedachte van andere aard. Ook de inhoud van de beide verzen en de daarin voorkomende gelijkenis is verschillend en niet zoals de uitleggers meestal aannemen, hetzelfde. Daar werd gewezen op een fontein die geen twee soorten water geeft om de zedelijke onmogelijkheid duidelijk te maken, dat loven en vloeken uit één mond komt. Hier wordt daarentegen eraan herinnerd dat een gewas alleen vrucht kan voortbrengen overeenkomstig zijn eigen natuur en geen vrucht die aan een ander gewas eigen is en dat net zo een zoute bron niet geschikt is zoet water te geven. Evenals men nu het zoute water niet geheel kan gelijkstellen aan het bittere water in vs. 11 en als tegenstelling van het zoete kan beschouwen, maar zich moet voorstellen dat zout water op zijn wijze even goed en nuttig is als zoet water, zo zijn olijven niet minder goed en eetbaar dan druiven. De vergelijkingen in vers 12 willen dus iets heel anders te kennen geven dan wat in vs. 11 gezegd is, namelijk dat, zoals v. Hofmann het uitdrukt, ieder alleen dat goede teweeg moet brengen waartoe hij de eigenschappen bezit. En zo keert de schrijver reeds hier en niet pas in vs. 13 terug naar datgene waarvan hij in vs. 1 uitging. Nadat hij de gevaren geschilderd heeft, waarin hij zich begeeft die een leraar voor anderen wil zijn en de opmerking hoe moeilijk zonden van de tong te vermijden zijn, heeft gemaakt om de lezers voor te houden hoezeer dat nog bij hen aan de orde is, wil hij hen nu doen bedenken dat het onderwijzen van anderen niet ieders zaak is, maar ieder datgene moet doen waartoe hij gaven heeft. Volgens hetgeen hij eerder heeft gezegd, dat zij hun tong nog zo weinig meester en de zonden van de tong nog zo talrijk bij hen aanwezig zijn, is reeds duidelijk dat niet velen van hen geschikt zijn om als leraars op te treden. Velen beelden zich echter in hun vermeende wijsheid in dat zij daartoe bijzonder geschikt zijn en nu moet hij, zoals in het volgende gedeelte gebeuren zal, die opgeblazenheid neerslaan en de vermeende wijsheid en dat ingebeeld verstand naar de ware aard voorstellen.
Ach, er zijn voor de tot God bekeerde, voor de door Gods Geest vernieuwde mens in het spreken en zwijgen vele nieuwe klippen te vermijden, nieuwe lessen te behartigen, nieuwe plichten te betrachten; maar boven dit alles moet in de volkomen eenstemmigheid van voelen, spreken en handelen naar de volkomen waarheid en schoonheid van het christelijk karakter en leven worden gestaan en gestreefd. “Heere, wie zal verkeren in uw tent? Wie zal wonen op de berg van uw heiligheid? Wie oprecht wandelt en gerechtigheid werkt; en wie met zijn hart de waarheid spreekt. Wie met zijn tong niet roddelt, zijn metgezel geen kwaad doet en geen smadelijke dingen zegt over zijn naaste; en achter wiens lippen de wereld van de ongerechtigheid meer en meer wijkt voor een wereld van heiligheid en liefde. Laten de woorden van mijn mond en de overdenkingen van mijn hart welbehaaglijk zijn voor uw aangezicht, o Heere, mijn Rotssteen en mijn Verlosser! “
Wie is wijs en verstandig (Deut. 1: 13; 4: 6 ) onder u, dat hij zichzelf beschouwen mag als bevoegd en gerechtigd om anderen de weg te wijzen? (Vgl. Ps. 34: 13; 15: 1vv.) a) Hij bewijze uit zijn goeden wandel zijn werken, zoals die behoren te zijn bij ieder die zichzelf zo beroemt, in zachtmoedige wijsheid; de ware wijsheid toch zal zich overal in zachtmoedigheid openbaren.
Efeziers 5: 8
De vraag van de apostel: “wie is wijs en verstandig onder u? ” klinkt als een uitdrukking van grote bezorgdheid en karakteriseert de treurige toestand van de gemeente: er waren zeker niet veel wijzen en verstandigen onder hen. De wijsheid waarvan hij daar spreekt, is het verstaan van de bedoelingen door de Geest geleerd; het verstand is het verstaan van de toestanden door ervaring of oefening verkregen.
Het verwijzen naar de wijsheid en het verstand van de lezers heeft volgens het verbod zijn grond in de veronderstelling die het zich voordoen als leraar (vs. 1) aan de hand geeft. Er moeten, als velen dat doen, toch zeker ook velen zijn die zichzelf voor wijs en verstandig houden. Op de vraag: “wie is wijs en verstandig onder u? ” volgt dan nu de opwekking “hij bewijze in zijn goeden wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid. ” Er wordt niet gezegd: “hij bewijze zijn werken, ” Jakobus heeft dus duidelijk de verkeerde in vs. 1 gekarakteriseerde vertoning op het oog en verlangt hier dat hun vertoning van wijsheid een andere wordt. Welke nu de ware is, zegt hij met de woorden: “uit zijn goede wandel in zachtmoedige wijsheid. ” Het is de eigen goede wandel in de zachtmoedigheid die aan de wijsheid betaamt en uit haar voortkomt (vs. 17v.). De “goede wandel” staat tegenover het aanmatigend leren van en meester zijn over anderen, de zachtmoedige wijsheid tegenover die verkeerdheden die volgens vs. 14 bij de lezers werden gevonden. Wat een behartigingswaardige woorden voor de dienaren van het goddelijke woord! Een goede wandel in zachtmoedige wijsheid is de hoofdvoorwaarde van alle gunstige invloed op anderen.
a) Maar indien gij, zoals dat bij u zeer dikwijls het geval is, bittere nijd en zelfzucht (Gal. 5: 20 Rom. 2: 8; 2 Kor. 12: 20 in uw hart hebt, beroemt u dan niet op zo’n verkeerde wijze op uw wijsheid en liegt niet tegen de christelijke waarheid, die van wijsheid een geheel ander begrip leert dan wat gij er voor uitgeeft.
Rom. 13: 13
a) Deze wijsheid, die gij meent te bezitten, is niet de wijsheid die van boven komt (hoofdstuk 1: 17), maar uw wijsheid, waarbij men bittere nijd en zelfzucht in het hart kan hebben, is aards, psychisch of ongeestelijk en demonisch of duivels Job 28: 12.
1 Kor. 2: 6, 7
Niet te hard oordeel ik over haar, als ik haar zelfs duivels noem. a) Want waar nijd en zelfzucht is (vs. 14), daar is wanorde en allerlei kwade praktijk en dat te veroorzaken is juist de aard en het streven van de boze geesten, van de duivelen (MATTHEUS. 13: 39), terwijl daarentegen God geen God is van wanorde, maar van vrede (1 Kor. 14: 33).
1 Kor. 3: 3 Gal. 5: 20
Indien gij bittere nijd en zelfzucht in uw harten hebt, dat was de werkelijke stand van zaken; daarom spreekt Jakobus dadelijk de lezers zelf aan. In de nazin “roemt en liegt dan niet tegen de waarheid” slaat het eerste woord op anderen, het tweede op het christelijk bewustzijn. De apostel karakteriseert nu de wijsheid, waarop de lezers zich beroemen en waarbij zij bittere nijd en zelfzucht in het hart hadden, op deze wijze: “zij is niet de wijsheid, die van boven komt als een goede en volmaakte gave van God, maar daarentegen een wijsheid die van beneden is. ” Hoe dit bedoeld is, zeggen de drie volgende uitdrukkingen. Zij heet aards, omdat zij hier beneden haar oorsprong en haar vaderland heeft, waar geen andere wijsheid kan groeien dan die, die doeleinden buiten God met middelen buiten God najaagt; psychisch wordt zij genoemd tegenover de wijsheid die Gods Geest in de mens werkt en duivels als een wijsheid die haar oorsprong heeft in de geesten die tegenover God staan, hun goddeloze aard deelt en hun goddeloze bedoelingen dient. Jakobus, die niet geaarzeld heeft de wijsheid waarvan gesproken wordt als een duivelse voor te stellen, bewijst dit door het feit dat de bittere jaloersheid die haar eigen is en de zelfzucht die uit haar voortvloeit, geen orde, maar beroering en vernietiging teweegbrengt en daardoor aan al wat kwaad is de weg baant. Het is echter eigen aan de duivel de regelingen van God te verwoesten, in alle verwarringen en omwentelingen slaat hij zijn slag. Dus ook in die zin komt deze wijsheid van beneden, namelijk dat de duivel in haar werkt, haar inspireert en haar het verstand geeft dat zij tot het bereiken van haar bedoelingen nodig heeft.
Maar de wijsheid van boven (Spr. 2: 6 Wijsh. 7: 25v.) is ten eerste, wat haar aard betreft, zuiver van alle vleselijke gezindheid en zelfzucht (hoofdstuk 4: 8), daarna, wat haar verhouding naar buiten toe aangaat, vreedzaam (MATTHEUS. 5: 9), bescheiden, zij komt tegemoet waar zij onkunde of misverstand ontdekt (Tit. 3: 2), gezeggelijk waar zij een beter inzicht vindt of rechtmatige tegenspraak ontmoet, vol van barmhartigheid jegens hen die barmhartigheid nodig hebben en ook van goede vruchten, werken van weldadigheid (2 Kor. 9: 8), onpartijdig, geen onderscheid makend (volgens andere verklaring “niet dubbelzinnig, ” zodat men altijd weet wat men er aan heeft) en ongeveinsd Job 28: 12.
Maar de vrucht van de rechtvaardigheid, waarbij men steeds doet wat recht is voor God (hoofdstuk 1: 20), wordt in vrede gezaaid ten voordele van degenen die vrede stichten, d. i. door vreedzame leraars bij vreedzame hoorders (Jes. 32: 17v.) en over de laatsten zal ik nu spreken.
De ware wijsheid is naar haar oorsprong beschouwd “van boven. ” Zij is alleen mogelijk waar met het leven uit God ook licht uit God in het hart is opgegaan en het hart de gedachten van God leert overdenken, de wil van God leert volgen. Naar haar hoofdeigenschappen is zij in de eerste plaats zuiver, d. i. niet vermengd met aardse, zinnelijke beweegredenen. Zij leert het af haar zoeken te richten op hetgeen ijdel is; zij heeft het vergankelijke leren beschouwen als slijk en heeft al haar aandacht gevestigd op één zaak, namelijk om tot de hemelse volmaaktheid te komen. Vervolgens is zij vreedzaam. Onvrede ontstaat uit tegenstrijdige belangen. Wat in het aardse een ander bezit kan ik niet tegelijk bezitten, maar hemelse goederen worden juist rijker, naarmate meerderen die bezitten. Daar komt bij dat alle werk naar Gods vrede en eenheid streeft en alle twisten met de bedoelingen van God in strijd is. Daarom mijdt de hemelse wijsheid de strijd en probeert vrede te stichten. Bovendien is zij bescheiden; zij weet dat een vriendelijk woord en een werk van de liefde meer teweeg brengt dan een donderpreek en een bedreiging. Zij is gezeggelijk; zij luistert naar aanwijzingen en waar iets goed wordt gezegd, buigt zij zich; want de ware wijsheid is vrij van de inbeelding alles te weten en zij wil van anderen leren. Zij is vol van barmhartigheid. Haar is het oog van God gegeven, dat in de zonde van de mensen ook het ongeluk ziet en niet alleen schuld en omdat zij in die gezindheid met de mensen verkeert, draagt zij vruchten waar anderen de bomen wel kunnen omhakken en afhouwen. Zij gaat rechte wegen en vermijdt, omdat zij zeker is van de rechte weg en van de hulp van God, de zijpaden van dubbelhartigheid en huichelarij.
Bij hetgeen Jakobus van de wijsheid die van boven is, zei, stond de tegenstelling tot de strijdlustigheid van de valse wijsheid op de voorgrond. Wat de uitwerking van de ware wijsheid betreft, legt hij vooral de nadruk op het feit dat alleen in vrede, in eendracht, de christelijke wijsheid kan gedijen.
Zij die haar dienen, zaaien in vrede en liefde het zaad, dat dan ook kostbare vrucht voortbrengt, gerechtigheid, een gemoed en een wandel die God behagen, zowel in het persoonlijk leven als in het samenleven met mensen.
In vrede moest gezaaid worden wat tot een vrucht van de gerechtigheid moest opgroeien en de vreedzamen zijn het voor wie het ten zegen is dat het wordt gezaaid, voor wie de vrucht bestemd is en die genieten van wat daaruit opgroeit.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel